Chapter 19

Reis naarPhiladelphia.Den 12. April 1749. vertrok ik vanRakoonnaarPhiladelphiaen de omgelegen’ plaatsen, om te vernemen of daar reeds meerder gewassen opgekomen waren dan teRakoonen inNew Jerseyin ’t algemeen. Het vogtige weder, dat wy enige dagen gehad hadden, had de wegen in lage en kleyagtige oorden zeer slegt gemaakt.Afgevallen loof verbrand.De bladen, die den laatsten herfst afgevallen waren, bedekten den grond ter hoogte van drie of vier duimen. Dog, daar hier door het groeyen van het gras gehouden werd verhinderd te worden, had men de gewoonte van in Maart deze bladeren in brand te steken. Ik vond op deze plaatsen den grond op die wys afgebrand. Maar schoon dit in een zeker opzigt voordelig is, doet het in een ander veel kwaads, dewyl alle de jonge scheuten der bomen met het verdorde loof te gelyk verbrand worden, het welk het hout grotendeels vermindert, en op zulke plaatsen, daar men verscheiden’ jaren aan een de afgevallen bladeren verbrand had, kwam geen nieuw hout op; zo dat als eindelyk de oude bomen werden omgehouwen ’er niets dan naakte woeste velden overbleven. Ook vernielde men op die wys allerhande planten, of beroofde ze ten minsten van hare kragt om te groeyen. Een groot deel der gewassen en meest alle de soorten van gras duren hier maar een jaar, en hunne zaadtjes leggen tusschen het afgevallen blad, met het welke zy te gelyk door ’t vuur verteerd worden. Dit geeft ons ene nieuwe oorzaak aan de hand van de boven reeds gewaagde algemene klagte, dat men tegenwoordig minder kruiden en minder gras in ’t land vindt dan voorheen. Ook vernielt men dus een groot getal dode of holle bomen, welken men anders[2]tot brandhout had kunnen bezigen, en dus de bosschen enigsins sparen. Behalven dat verbrandt op deze wys ook een goed gedeelte van de bovenkorst der aarde, om van andere nadelen niet te gewagen. Om deze redenen heeft de Regering vanPensylvanieonlangs dit verbranden van ’t loof verboden; dog dit verbod wierd in ’t algemeen afgekeurd, en ieder deed naar zyn goeddunken.Houtluizen.Men vond om dezen tyd ene verbazende menigte vanHoutluizenin de bosschen. Dit is een zeer onaangenaam gedierte, want zodra men op den grond of enen omgehouwenen boom gaat zitten, kruipt ’er een heir van luizen den mensch op ’t lyf, en kommen zonder dat men ’t merkt op het blote lichaam. Ik heb in deVerhandelingenderZweedsche Maatschappyvoor het jaar 1754. een breedvoerig verslag van de slegte eigenschappen en andere byzonderheden van dit gedierte gegeven.Versteend hout.Ik ontving dien dag een stuk van versteend hout, dat men teRakoondiep in den grond gevonden had. In dit hout zag men de vezels en de binnenste ringen nog zeer duidelyk. Het scheen een stuk Hikory te zyn.Clams.Men gaf my ook enigen van die Mosselschelpen welkenClamsby de Engelschen heten. Deze Clams waren niet varsch, dog van de zodanigen welken men byna door gantschNew Jerseydiep in de aarde vindt. Men ontmoet ze levendig alleenlyk maar in het zoute water aan den zeekant, dog dezen waren teRakoonagt of negenEng.mylen van deDellawareen byna honderd mylen van zee gevonden. Dien avond ging ik den HeerBartrambezoeken.Wespennesten.Twee Wespennesten hingen in enen hogen Ahorn boven het water. Zy waren even gelyk de onzen, uitgenomen dat ze groter waren. Ieder nest was ene halve el in ’t kruis. In elk lagen drie waschkoeken boven malkander. De onderste was de grootste, en de bovenste de kleinste. Men zag ’er enige eyeren in. De onderste koek was in de middlellyn zeven en een halven duim, en de bovenste vier en een halven. De celletjes waarin de eyeren of de jonge wespen lagen waren zeshoekig, en de kleur van het nest was grauw. Men zeide dat de wespen deze nesten uit de pluizen maken, die aan de oude heiningen en muren zitten. Ene donkerbruine Bye met zwarte hoornen, twee zwarte kringen onder ’t lyf, en purpere vleugels vloog tusschen de bomen, en behoorde misschien tot deze nesten.Een ander soort.Een ander soort vanWespen, groter dan dezen, maken hunne nesten geheel open. Zy bestaan slegts uit enen koek, die door niets gedekt wordt, en maar bloot tusschen de takken hangt. De celletjes zyn horizontaal; en wanneer ’er eitjes of jonge wespen in zyn, zo heeft ieder celletje een soort van deksel boven zig, op dat ’er de regen niet in kome. Dog waar by onweder de oude wespen blyven weet ik niet, ten zy zy in de reten der rotsen kruipen. De[3]bovenzyde van den koek is met een soort van smeer bedekt, zo dat de regen ’er niet door kan dringen. De celletjes zyn gemeenlyk zeshoekig, vyf, zes of zeven lynen diep, en twee lynen in de doorsnede. De HeerBartrammerkte aan dat deze nesten uit ene twederhande stof zamengesteld waren, namelyk van de pluizen, die men op oude tuinen vindt, en die door den wind ’er afwayen, want men ziet ’er de wespen dikwyls zelven op zitten en die afknagen. Maar de kanten van het deksel der celletjes bestaan uit ene zelfstandigheid uit het dierenryk, of ene lymige stof, die de wespen opgeven of in hunne monden bereiden; want als men deze zelfstandigheid in ’t vuur werpt, brandt zy niet, maar wordt alleenlyk gezengd, gelyk hair of hoorn. Dog de bodem van het nest brandt gelyk linnen of half verrot hout, en laat enen reuk van gebrand hout na. De wespen, welker nesten ik hier beschreven heb, hebben op het voorhoofd drie zwarte glinsterende stippen,1en op het lyf ene vyfhoekige zwarte vlak. Tegens het einde van den herfst kruipen deze wespen in de spleten der bergen, waar zy den winter ongevoelig overbrengen. In de lente, als de zon begint kragt te krygen, komen zy des daags te voorschyn, dog keren tegens den avond, wanneer het begint koud te worden, weder naar hunne holen. Ik zag ze vroeg in de lente by zonneschyn in en omtrent sommige reten in de bergen. Men verhaalde my van een ander soort van Wespen, die hunne nesten onder den grond maken.De Zwemmer.DeGyrinus natatorof de zogenaamdeZwemmer, een waterkever, danste in menigte op ’t water.Reis naarChester.Den 14. in den morgen reisde ik naarChester. Op vele plaatsen langs den weg zyn zaagmolens, dog die ik dien dag zag hadden maar ene zaag. Ik bemerkte ook dat de bosschen in dit oord zeer ruw behandeld waren. Het is hier de gewoonte by het opregten van zaagmolens, koornmolens of yzerwerken, het water een goed deel wegs naar beneden te leiden, in geval de grond naby enen waterval niet bekwaam is voor het gebouw.Rakoon.Den 16. keerde ik weder naarRakoon.Zwaluwen.Men heeft hier te lande vierderlei soorten vanZwaluwen, namelyk die in de schuren, die in de schoorstenen, die onder den grond zig onthouden, en eindelyk een soort dat deEngelschenMartinsheten.Die in de schuren zig onthouden, of deHuiszwaluwen, hebben enen[4]gevorkten staart. Ik vond ze op alle de plaatsen vanNoord Amerikadie ik gezien heb. Zy komen met opzigt harer kleur zeer veel met deEuropischeHuiszwaluwen overeen, dog ’er is enig onderscheid in het geluid. Dit jaar lettede ik niet op wanneer zy te voorschyn kwamen; dog het volgende zag ik ze het eerst den 10. April N. S. en den volgenden dag ’s morgens zag ik ’er een grote menigte van op palen en planken zitten, die zo nat waren als of zy zo uit de zee gekomen waren.2[5]Zy maken hare nesten in de huizen en onder de daken aan de buitenzyden. Ook vond ik deze nesten op bergen en klippen, welker bovenste wat buiten het onderste uitstak. Buiten dat nestelden zy onder de hoeken van loodregte klippen. En dit leert ons waar de Zwaluwen voor dat deEuropershuizen hier te lande gebouwd hadden genesteld hebben; want dit konden zy onmogelyk in of tegen de hutten derWildendoen. Ene[6]zeer geloofwaardige vrouw, zo wel als hare kinderen, verhaalden my het volgende geval, verzekerende ooggetuigen daarvan geweest te zyn. Een paar Zwaluwen maakten haar nest in den stal dezer vrouw; het wyfje lag eitjes en ging aan ’t broeden. Enige dagen daarna zag men het wyfje steeds op de eyeren zitten, maar het mannetje rondom het nest vliegen, somtyds op enen spyker zig zettende, en een droevig geluid makende,[7]waaruit zyn ongerustheid bleek, en by een nader onderzoek vond men het wyfje dood op het nest en smeet het weg. Toen ging het mannetje op de eyeren zitten, maar, twee uren daarop hebbende gezeten, en dit werk voor hem te lastig vindende, vloog hy weg, en kwam des nademiddags met een ander wyfje terug, dat op de eitjes ging zitten, en naderhand de jonge Zwaluwen opbragt, tot dat zy in staat waren voor zig zelven te zorgen. Men was het hier niet eens aangaande het verblyf der Zwaluwen in den winter. De meesteZwedendagten dat zy op den bodem der zee lagen, anderen, en dit was ook het gevoelen derEngelschenen derFranscheninKanada, meenden dat zy in den herfst zuidwaards verhuisden en in de lente terug kwamen. Ook ben ik voor zeker teAlbanyonderrigt geworden, dat men ze dikwyls in diepe holen en reten in rotsen gedurende den winter slapende gevonden heeft.DeSchoorsteenzwaluwenworden dus geheten om dat zy hare nesten in de schoorstenen maken, waarin des zomers niet gestookt wordt; somtyds zelfs storen zy zig niet aan den rook als de vuren niet te sterk zyn, en blyven in den schoorsteen. Ik zag ze dit jaar niet dan laat in Mai, maar het volgende jaar 1750. kwamen zy den 3. Mai te voorschyn, want zy komen altyd later dan de andere Zwaluwen. ’T is zonderling dat elke veder in hare staarten met ene styve, scherpe spits, byna als de punt van enen priem eindigt. Met deze staarten hegten zy zig aan de muren der schoorstenen vast, houden zig met de poten, en drukken den staart tegens de stenen aan, die haar dan tot een stut dient. Zy maken den gantschen dag een schrikkelyk geweld in de schoorstenen met op en neder te vliegen, zo dat men somtyds zeggen zoude dat het donderde. Maar dewyl deze Zwaluwen alleen in de schoorstenen nestelen, zo is de vraag waar zy zig voor de aankomst der Europers hebben opgehouden,[8]aangezien het bekend is dat deWildengene schoorstenen hebben, en hun vuur op den grond in hunne hutten leggen. Waarschynlyk is het dat zy toen hunne nesten in holle bomen maakten. De HeerBartramen vele anderen waren hier van dit gevoelen.Catesbyheeft deze Zwaluw beschreven en afgebeeld, en de RidderLinnæusnoem: zeHirundo Pelasgia.DeAardzwaluwenvindt men overal inAmerika. Zy maken hare nesten in den grond op de steile oevers van zeen en rivieren.3Martinsis de naam dien deEngelscheneen soort van Zwaluwen geven, welkenCatesbyook afgebeeld heeft onder den naam vanHirundo purpurea. Zy zyn hier zo gemeen niet als de andere soorten. Ik heb op vele plaatsen gezien dat men buiten voor de muren kleine houten hokjes voor haar gemaakt had om in te nestelen, want men heeft ze gaarn by de huizen, vermits zy zodra genen havik of krai gewaar worden, of zy zetten ze na, en waarschuwen de hoenders met haar geschreuw van de nabyheid van derzelver vyanden. Ook verbergen zig de kiekens zodra zy deze Zwaluwen horen schreuwen.Dirca palustris.DeZwedenenEngelschennoemen deDirca palustrisMuizenhout.4Deze plant stond den 17. April in vollen bloei. TeAlbanynoemt men zeLederhout, omdat de bast zo buigzaam is als leder. DeFranscheninKanadaheten zeLoodhout.5DeWildendie voormaals onder deZwedenwoonden, gebruiken de schors dezer plant om manden, banden, en andere dingen van te maken. En inderdaad zy is daar zeer goed toe, ter oorzake van hare sterkte en buigzaamheid, waarin zy den Lindenbast niets toegeeft. DeEngelschen,Hollanders, enFranscheninNoord Amerikagebruiken dezen bast in alle die gevallen waarin wy ons inEuropavan den Lindenbast bedienen. Het hout zelf is zeer tai, zo dat zonder behulp van een mes men niet ligt enen tak kan afbreken. Sommigen gebruiken de takken tot roeden om de kinderen te tugtigen.Aardbezien.Den 20. April vond ik voor het eerst van ’t jaar deAardbezienin bloei. De vrugt is gemeenlyk groter dog minder aangenaam dan inZweden.Oogsten.De jaarlyksche oogst wordt hier te lande altyd toereikende gehouden om den ingezetenen van brood te voorzien, schoon de een voordeliger uitvalt dan de ander. Een eerwaardige zeventigjarigeZweed,Aoke Helmgenaamd, zeide dat gedurende zynen gehelen levenstyd hier geen eigenlyk gezegd miswas voorgevallen was, dog dat men altyd genoeg koorns gehad had. Ook eet men hier altyd zuiver brood van rog, weit,[9]koornsof mais, en noit van minder koorn, veel minder dat met zemelen of andersins vermengd is. Vele oudeZwedenenEngelschenbevestigden dit zeggen, en zeiden dat het hun niet heugde dat oit de oogst zo slegt was uitgevallen dat ’er het gemeen gebrek door geleden had, veel minder dat ’er oit een hongersnood geweest was. Somtyds steeg wel de prys der granen het ene jaar hoger dan het andere, het geen door al te grote droogte, of slegt weder veroorzaakt werd, dog ’er was egter altyd koorns genoeg voor de noodwendigheden van het volk. Ook is het niet waarschynelyk dat ’er hier te lande oit een grote hongersnood kome ten zy het Gode behagen mogt dit Land op ene byzondere wys te bezoeken. Want door ene meer dan zestigjarige ondervinding heeft men de gesteldheid van het weder grondig leren kennen. Men heeft hier gene koude nagten die het jonge graan beschadigen konnen. De regens houden zelden lang aan, en zo is het ook met de droogte. Maar vooral doen hier zeer veel de menigerlei soorten van koorn toe, die men hier teelt, en op onderscheiden’ tyden zait, zo dat als het een kwalyk uitvalt het ander gemeenlyk wel slaagt. De zomer is zo lang dat men van sommige soorten van graan drie oogsten heeft. Nauwlyks is ’er ene maand van Mai tot November ingesloten toe waarin men niet het ene of andere graan of sommige vrugten inzamelt. Het zou zekerlyk een grote ramp wezen indien de oogst hier niet wel opnam, want men legt hier, gelyk op vele andere plaatsen, genen voorraad op, en houdt zig te vrede met voor het tegenwoordige genoeg te hebben.Persikebomen.DePersikebomenstonden nu overal in bloei; de bladen waren nog niet uit, en dus stonden de bloemen des te schoonder, doende hare bleek rode kleur ene voortreffelyke uitwerking, en zy zaten zo digt op een dat de takken ’er geheel van bedekt schenen. De andere vrugtbomen waren nog niet aan ’t bloeyen, alleen begonnen de Appelbloeisems zig te vertonen.Currants.Currantsis de naam dien deEngelschen6enZwedenaan enen struik geven die op natte gronden, digt by poelen wast, en nu bloeide. De bloemen zyn wit, ruiken wel, en zitten aan langwerpige trossen. De vrugt is goed om te eten als zy ryp is. DeStylusis draadagtig en korter dan deStamina. In ’t midden is hy in vyf delen ofStigmataverdeeld.Gronoviusnoemt deze plantMespilus, enLinnæusCratægus.DeCaprimulgus.DeZwedengeven den naam vanWhipperiwillen deEngelschendien vanWhippoorwillaan een soort van Nagtvogel, dien men in[10]Noord Amerikabyna den gehelen nagt over hoort schreuwen.CatesbyenEdwards7beiden hebben hem beschreven en afgebeeld.Linnæushoudt hem voor een soort van denCaprimulgus Europæus,8dewyl de gedaante, de kleur, en de eigenschappen deze beide vogels bezwaarlyk doen onderscheiden. Dog het geluid van den Amerikaanschen vogel doet hem van den Europischen en van alle andere vogels onderkennen. Men vindt hem hier des winters niet, dog hy komt met de lente weder. Ik hoorde hem voor ’t eerst den 22. April, en vele menschen zeiden dat dit de eerste zomer was dat zy hem hoorden. ZynEngelscheenZweedschenaam worden van zyn geluid ontleend; maar om juist te spreken, hy roept niet eigenlykWhipperiwillofWhip-poor-will, dog veeleerWhipperiwhip, wordende de eerste en laatste lettergrepen duidelyk uitgesproken en de twee middelsten kort. DeEngelschenveranderen dit geluid inWhip-poor-willom het enige betekenis te geven, als wilde het zeggen denarmen wilden man te kastyden. Men hoort nog ziet dezen vogel noit by dag, dog na het ondergaan der zon begint hy te roepen, en houdt daarmede den nagt over aan. Na enigen tyd op ene plaats geroepen te hebben, vliegt hy naar ene andere en begint daar op nieuws. Hy komt gemeenlyk verscheiden’ malen op enen nagt, en laat zig digt by de huizen horen. Ik heb dikwyls des avonds laat gezien dat hy op de huizen kwam zitten om te roepen. Hy was niet zeer schuw, want als men stil bleef liet hy zig ten eersten horen. Hy zoekt de huizen ter oorzake der Insekten, waarvan hy leeft, die des avonds digt by de huizen talryk zyn. Als hy stil zat te schreuwen, en een Insekt zag voorby vliegen, vloog hy het schielyk na, ving het, en zettede zig weder neer. Somtyds hoort men ’er vier, vyf, of meer van, digt by malkanderen, als ware het om stryd, roepen, en een groot geweld in de bosschen maken. In de steden hoort men ze zelden, zynde zy daar of uitgeroeid of verjaagd door het gedurige schieten. Zy houden niet van op de bomen te zitten, maar zyn het meest op den grond, of in laag kreupelhout, of op de onderste palen van de tuinen. Zy vliegen altyd digt by de aarde. Des avonds houden zy met roepen aan tot dat het geheel donker is, zyn dan stil tot dat de dageraad begint te naderen, en schreuwen dan tot dat de zon opkomt. Schoon ik met voordagt ’er naar luisterde, heb ik ze noit in ’t midden van den nagt gehoord, en velen anderen is het zelve gebeurd. Men zegt dat zy gene nesten maken, maar twee eyeren in het open[11]zand leggen. Myn Bediende schoot eens op enen, en, schoon hy hem miste, viel hy egter van schrik neder, lag enigen tyd als dood, dog kwam naderhand by. Hy tragtte noit te byten als men hem in de hand had, dog zogt zig los te spartelen. Boven en vlak onder de ogen had hy, gelyk andere Nagtvogels, verscheiden’ zwarte, lange en harde hairen. DeEuropersaten dezen vogel.Catesbyverhaalt dat volgens het zeggen derWildenmen dezen vogel noit vernomen heeft voor het leveren van enen zekeren slag, waarin deEngelscheneen groot getalWildendeden sneuvelen; en derhalven denken zy dat deze vogels, die zo rusteloos zyn en zulk een droevig geluid maken, de zielen zyn hunner gesneuvelde Voorouders.Bloeyende bomen.Den 24. April begonnen deKarssebomenhunnen bloeisem te vertonen. Zy hadden reeds tamelyk grote bladeren. DeAppelbomenbegonnen ook te bloeyen, dog de Karssebomen waren hun voor. Dog zy kregen ook ene groenagtige kleur van hun uitspruitend blad.DeMoerbeziebomenstonden nog geheel naakt; zo dat ik met verdriet opmerkte dat deze boom een van de laatsten is die groen wordt, en een van de eersten die zyne vrugten tot rypheid brengt.Den 26. reisde ik des morgens naarPenn’s Neck. DeTulpebomen, vooral de volwassenen, zagen ’er geheel groen uit, zynde reeds in ’t blad; dus is deze boom een van de vroegsten die zyn blad krygt.Ik zag heden voor het eerst denSassafrasboombloeyen. De bladeren waren nog niet uit. De bloemen ruiken aangenaam.DeLupinus.DeLupinus perennisis menigvuldig in de bosschen, en wast in goede en kwade gronden. Dikwyls zag ik hem op schrale gronden en heiden tieren, waar niets anders voortkomen kon. Zyne bloemen, die gemeenlyk in Mai voor den dag komen, staan zeer frai door haren purperagtigen weerschyn. Men zeide my dat het vee deze bloemen gaarne eet; dog het speet me dikwyls te ondervinden dat het ’er zo fel niet op was als men zeide, vooral als ’er iets anders te eten viel, en dan raakte het deze plant zelden aan, hoe malsch en groen zy ’er ook uitzag. De paarden aten de bloemen, maar niet de stelen en bladen. Als het vee deze plant in de lente eten zal, moet de noodzakelykheid en de honger ze smakelyk maken. Men vindt hier gene zo schoon met gras bewassen weilanden als inZweden, in de bosschen moet het vee zyn voedsel zoeken. De grond is daar gemeenlyk gelyk, ten minsten zyn ’er weinig heuveltjes. De bomen staan wyd uit malkander, dog de grond tusschen hun is niet met groene zoden bedekt, want daar zyn maar weinig soorten van gras, en dat staat zeer yl. De grond is zeer los, ten dele door de menigte van verrotte bladeren die denzelven een groot deel van het jaar bedekken. Dus vindt het vee[12]weinig gras in de wouden, en moet zig behelpen met al wat het krygen kan, het zy goed of kwaad. Ik zag dit voorjaar het vee de jonge scheuten van ’t geboomte afbyten en opeten, want ’er waren nog gene planten opgekomen, en die staan ook zeer schaarsch hier en daar verspreid, gelyk ik reeds heb aangemerkt. Dus kan men ligt begrypen dat de honger het vee dwingen kan om planten te eten die het niet zoude aanraken als het beter voedsel kon vinden. Egter denk ik dat het der moeite waard zyn zoude deze plant ter verbetering van magere gronden te gebruiken, en dat het niet onmogelyk zoude zyn middelen te vinden om ze het vee smakelyk te maken.Eiken.DeEikenhebben hier dezelve eigenschappen als deEuropischen. Zy behouden hunne dode bladen byna den gantschen winter over, en krygen eerst laat anderen. Zy begonnen eerst ’er enige weinigen te vertonen.De Hommelvogel.DeHommelvogel, by deZwedenKoningsvogel,9genoemd, kwam dien dag het eerst te voorschyn.Een Kever.De Kever, byLinnæusMeloë Proscarabæus, zat op de bladeren van den witten Nieswortel,10en at ze. Ik zag ze in weinig minuten een gantsch blad opeten. Sommigen hadden zig zo dik gevreten dat ze kwalyk kruipen konden. Dus was deze plant, die voor andere, dieren volstrekt dodelyk is, voor hun een lekker voedsel.Ligtgevendevliegen.DeLigtgevende Vliegenverschenen dezen avond voor het eerst van ’t jaar, en vlogen tusschen ’t geboomte. Het was als of ’er vuurvonken door de lugt vlogen. Elders zal ik ze breder beschryven.Des avonds keerde ik weder naarRakoon.Late koude nagten.De Nagt tusschen den laatsten April en den 1. Mai was zo koud, dat by ’t opkomen der zon de grond zo wit was van den ryp als of het gesneuwd had. DeZweedscheThermometer stond 1½ gr. onder ’t vriespunt. Wy zagen geen ys in de wateren en rivieren die enige diepte hadden, dog op zulken in de welken maaromtrentdrie duimen waters was vond men ys van omtrent de dikte van een derde ener lyn. Den avond te voren was de wind zuidelyk, dog ’s nagts was het stil. De Appel- en Karssebomen waren in vollen bloei. De Persikebomen hadden al byna uitgebloeid. De meeste bomen in de bosschen hadden reeds nieuwe en tedere bladen, en het grootste getal stond te bloeyen, als de meeste Eiken, de Kornoeljebomen, de Hikories, Pruimbomen, Sassafrassen en Beuken.Planten beschadigd.De planten die van de vorst geleden hadden waren, I. deHikories, van de welken aan de jonge bomen de bladeren bevroren waren, zo dat zy na den middag geheel zwart waren. Het meeste blad was byna overal[13]digt by poelen en in de bosschen door de koude bedorven. II. DeZwarte Eiken, waarvan ’er velen waren wier blad beschadigd was. III. De jongeWitte Eikenhadden ook veel aan hun blad geleden. IV. De bloeisems der Karssebomen waren op vele plaatsen ook beschadigd. V. De bloemen van deEngelscheWalnootbomen hadden zeer veel geleden. VI. Sommige bomen van deRhus glabrahadden al loof, het welk geheel bevroren was. VII. Van deRhus radicanshadden de jonge tedere bomen veel van de vorst geleden, en hunne bladen waren gedeeltelyk dood gevroren. VIII. Van deThalictraof wilde Ruite waren en bloemen en bladen beschadigd. IX. Van hetPodophyllum peltatumwas ’er van de vyf honderd pas een dat geleden had. X. Een groot deel Varen, onlangs opgekomen, was vernield. Vele andere gewassen waren ’er nog beschadigd, dog ik konde ze wegens hunne kleinte niet onderkennen.Bartsia coccinea.DeBartsia coccineawies overvloedig in verscheiden lage weiden. De knoppen waren reeds schoon karmynrood, en gaven aan de weiden een sieraad. Men heeft nog geen ander gebruik van deze plant gemaakt, dan dat zy het oog verlustigt.Walnootboom.Een van deZwedenhad hier enenEngelschenWalnootboom11in zynen tuin geplant, die nu twee vadem hoog was. Hy stond in vollen bloei, en had reeds grote bladen; maar de zwarte Walnootbomen, die hier van zelven wassen, hadden nog bladeren nog bloemen. Dog de vorst van den laatsten nagt had alle de bladeren van den Europischen boom vernield. Dr.Franklinzeide my naderhand, dat ’er sommigeEngelscheWalnootbomen tePhiladelphiageplant geweest waren die wel slaagden, dog de vorst doodde ze allen.Bomen die nog geen blad hadden.Ik gaf nauwkeurig agt op de bomen die nog geen blad hadden, en dezen waren:De zwarte Walnootboom, de Esch, deAcer Negundo, hier dewitte Eschgenoemd, deNyssa aquatica, dePersimon, devitis Labruscaof wilde Wyngaard, en deRhus glabraof deSumach.Uitlopende bomen.De bladen der volgende bomen waren nu aan ’t uitkomen; de Rode Moerbezie en Kastanjeboom, de Waterbeuk, en de Sassafrasboom. Van de Hikories hadden sommigen reeds grote bladeren, dog anderen hadden ’er nog genen. By de verscheidenheden die men onder dit soort van bomen heeft, denk ik, zal ook het zelve verschil plaats hebben.DeVirginischeKarsseboom wast hier en daar in de bosschen. Zyne bladen waren reeds tamelyk groot, dog zyne bloemen waren nog niet volkomen open.[14]De Sassafrasboom stond overal in bloei, dog zyne bladeren waren nog niet geheel en al ontwikkeld.DeStoraxboom.DeLiquidambar Styracifluaof deStoraxboomwast in de bosschen, vooral in enen natten grond, in en by waterstroompjes. DeEngelschennoemen hemSweet Gum-tree. De bladen begonnen in het bovenste des booms uittespruiten. Deze boom wordt zeer zwaar, en hy wykt in hoogte den grootsten sparren en eiken niet. Wanneer hy begint hoog te worden sterven de onderste takken, vallen af, en laten ten laatsten den stam gantsch glad en zonder takken, houdende de boom alleen maar ene kroon boven aan. De zaden zitten in ronde hoekige huisjes, die in den herfst afvallen; en dewyl de boom zeer hoog is dryven de winden de zaden zeer ver heen.Men kan dit hout zeer glad maken, vermits deszelfs aderen zeer fyn zyn, dog het is niet hard, zo dat men ’er met een mes letters in kan snyden, die ’er schynen in gegraveerd te zyn. De HeerLewis Evanszeide my ondervonden te hebben, dat ’er in dit Land geen beter hout is om gegoten metalen in te bearbeiden dan dit. Ik vroeg den HeerBartramof hy de gom van dezen boom gevonden had, die zo beroemd is in de Geneeskonst. Hy zeide my dat een zeer sterk ruikende gom altyd uit iedere snede loopt die in den boom gemaakt wordt, dog dat de hoeveelheid hier te gering was om de moeite van ’t verzamelen te vergoeden. Deze ruikende gom heeft denEngelschennaam voortgebragt. Hoe meer men zuidwaards komt des te groter hoeveelheid van gom geeft de boom, zo dat ze daar ligt te verzamelen is. De HeerBartramwas van gedagte dat deze boom eigenlyk voor de lugtstreek vanKarolinageschikt is, dog door verscheiden’ toevallen verder noordwaards, tot inNew Yorktoe, het welk zyne uiterste grenspalen schynt te zyn, is gebragt geworden. In de zuidelyke gewesten brengt de warmte de gom rykelyk voort, dog zo gaat het niet in ’t noorden.Reis naarSalem.Den 2. Mai reisde ik naarSalemmet inzigt om het Land te zien.Geboomte.DeSassafrasboomstond hier en daar in de bosschen en om de rasteringen. Men kon hem nu van verre door zynen bloeisem ontdekken, die nu open zynde hem geheel geel maakte. Het blad was nog niet uit.Weiden.Op sommige weilanden was het gras reeds tamelyk hoog; dog men moet aanmerken dat deze weiden moerassig zyn, en dat ’er geen vee dit jaar was op geweest. Deze weilanden worden tweemaal in ’t jaar gemaid, te weten in Mai en het einde van Augustus. Ik zag dezen dag enigen van deze weiden, waarop het gras reeds bekwaam was om gemaid te worden, en vele weilanden inZwedenhebben in den hoityd zo goed gras niet. Deze weiden lagen in vallyen en by poelen, waar[15]de Zon grote kragt oeffent. Het gras bestond voornamelyk uit dat soort ’t welkCarexgenoemd wordt.Pruimbomen.De wildePruimbomenwaren nu overal in bloei. Zy wassen hier en daar in de bosschen, dog gemeenlyk digt by moerassen op natte gronden. Men kent ze van verre aan hunnen witten bloeisem. De vrugt is schoon op ’t oog, en wordt ryp zynde gegeten.De Kornoeljeboom.DeCornus FloridaofKornoeljeboomwast in de bosschen, op de heuvels, op de vlaktens, in de dalen, in poelen en by beekjes. Dus kan ik niet zeggen welke zyn regte grond is; egter schynt hy op enen lagen dog niet vogtigen grond het best te slagen. Hy was nu versierd met zyne grote witte bekleedsels waarin de bloemen zitten, die den boom van verre doen in ’t oog lopen. Het is om dezen tyd een vermaak door de bosschen te reizen, zo schoon worden zy gemaakt door den bloeisem van dezen boom. De bloemen die in de bekleedsels zyn opgesloten begonnen dezen dag open te gaan. De boom komt tot gene grote hoogte of zwaarte, dog krygt omtrent die van onzen Sorbeboom. Daar zyn drie soorten van dezen boom in de bosschen, een met grote witte bloembekleedsels, een twede met kleine witten, en een derde met roodagtige.Gevogelte.De bosschen waren thans vol van vogelen. Ik zag, vooral de kleinder soorten, overal op den grond huppelen, of onder ’t kreupelhout kruipen, zonder zeer schuw te zyn, dus het den slangen zeer ligt valt ze te doden. Ik geloof dat de Ratelslang weinig meer te doen heeft dan stil te leggen, en, zonder dat zy lang behoeft te wagten, zal wel de een of de ander kleine vogel haar op ’t lyf lopen en gelegenheid geven van hem zonder betovering te vangen.Salem.Salemis ene kleine handel dryvende plaats, een stuk wegs van deDellawareafgelegen. De huizen staan ver van malkander, en zyn ten dele van steen en ten dele van hout. Een beekje loopt langs de Stad en valt in deDellaware. De Ingezetenen leven van den handel zo goed als zy konnen. In de nabuurschap vanSalemzyn sommige lage en moerassige weiden, en om die reden wordt het voor ene ongezonde plaats gehouden. De ondervinding heeft doen zien, dat zulken die zig hier van andere plaatsen kwamen nederzetten zeer bleek en ziekelyk wierden, schoon zy in ene volmaakte gezondheid waren en ’er wel uitzagen op hunne aankomst. Deze ziekelyke toestand blyft hun gemeenlyk altyd by. De schuld hiervan geeft men aan de stinkende uitwaassemingen der moerassen, die men zelfs van verre door den reuk gewaar wordt. De afgaande koortsen heerschen hier zeer sterk tegens den herfst. Twee jonge lieden, die met my naarAmerikawaren overgekomen, gingen gezond en wel naarSalem, dog binnen[16]weinig weken vielen zy ziek, en eer de winter half om was waren zy beiden dood.Saffraan.DeSaffraanwordt hier veel geplant, dog zy is zoo goed en zo sterk niet als deEngelscheenFransche. Misschien wordt zy beter als zy enige jaren, gelyk de Tabak, gelegen heeft.Katoen plant.HetGossipium herbaceum, of de Katoen die op ene plant gevonden wordt, is een gewas van maar een jaar, en velen van de Ingezetenen vanSalembegonnen het te zaijen. Sommigen kregen de zaden uitKarolina, waar grote Katoenplanteryen zyn, dog anderen hadden ze uit de Katoen die zegekofthadden uitgeplukt en geplant. Men zeide dat men in ’t eerst moeite had om de zaden der hier geplante Katoen tot rypheid te krygen, want inKarolina, van waar men ze gekregen had, zyn de zomers veel langduriger en warmer. Dog naderhand hebben de zaden zig meer naar de lugtstreek gewend, en komen vroeger aan en tot rypheid.Rakoon.Des avonds keerde ik naarRakoonte rug.DeCrabtree.Crabtreeis de naam van een soort van wilde Appelbomen, die in de bosschen groeyen, maar vooral op kleine heuveltjes by de rivieren.12InNew Jerseyis de boom enigsins raar, dog inPensylvanieis hy overvloedig. Sommigen hadden enen enkelden van deze bomen digt by hunne Landhoeven geplant, om den aangenamen reuk van zyne bloeisems. Hy had den 4. Mai sedert een dag of twee begonnen te bloeyen. De bloemen zyn juist gelyk aan die van den gemenen Appelboom, uitgenomen dat die van denCrabtreewat roder kleur hebben, schoon op sommige Appelbomen de bloemen al zo rood zyn. Dog de reuk onderscheidt ze volkomen, want deze wilde bomen ruiken zeer aangenaam. De Appelen van deze bomen zyn klein en zuur; egter zeide men dat zy eetbaar waren. Zy blyven den gantschen winter over onder den boom leggen, krygen dan ene gele kleur, en bederven zelden eer dan in de lente.Aanmerking.Ik kan niet voorby hier ene aanmerking te maken. DeCrabtreesbegonnen eerst den 3. of 4. Mai hunne bloemen te tonen, daar integendeel de gemene Appelbomen, die uitEuropaovergebragt waren, al hunnen bloeisem kwyt waren. Zo begonnen ook de wilde Karssebomen eerst den 12.Mai te bloeyen, en de tammen bloeiden reeds den 24. April. De zwarte Walnoten uit dit Land oorspronglyk hadden nog bladen nog bloemen, schoon deEuropischenreeds grote bladen en bloemen droegen. Hieruit blykt dat bomen uitEuropaovergebragt,[17]schoon van den zelven aard als de wildeAmerikaanschen, veel vroeger bloeyen dan de anderen. Ik kan de reden hiervan niet zeggen, of het moest zyn dat deEuropischebomen aan ’t bloeyen gaan zodra zy dien trap van warmte krygen daar zy in hun vaderland aan zyn gewend. Zy weten niet, zou men zeggen, dat hier na zulk ene warmte een of meer koude nagten staan te wagten, die hunne bloeisems vernielen kunnen, want in de koude landen komen zelden na zo hete dagen zo koude nagten die den bloeisem kunnen beschadigen.13Integendeel schynen de wilde bomen van dit Land geleerd te hebben zig op die vroege warmte niet te verlaten, maar te wagten naar ene sterker hitte, wanneer zy voor gene vorst meer te vrezen hebben. Hierom gebeurt het dikwyls dat de bloeisem van deEuropischebomen dood vriest, daar de inlandschen niets lyden. Wy erkennen hier de wysheid van den Schepper.Reis naarRapaapo.Vroeg in den morgen van den 5. Mai ging ik naarRapaapo, een groot dorp bestaande uit zeer verstroid leggende landhoeven. Daar woonden volstrekt niets danZweden, zo dat de Ingezetenen deZweedschetaal behouden hebben met maar enigeEngelschewoorden vermengd. Myn oogmerk was gedeeltelyk den oord te bezigtigen, kruiden en andere merkwaardige dingen te zoeken, en deels om de plaatsen te vinden waar de Witte Ceder, ofCupressus thyoidesgroeit.Pinxterbloemen.DeMaibloemen, zo als deZwedenze noemen, waren overal menigvuldig in de bosschen, vooral op droge of ten minsten niet zeer natte plaatsen. DeZwedengeven haar dien naam om dat ze in Mai in vollen luister staan. SommigeZwedenen deHollandersheten zePinxterbloemen, om dat zy wezenlyk om Pinxteren bloeyen. DeEngelschennoemen zeWild Honeysuckles, en op enigen afstand hebben zy wel wat gelykenis naar de Kamperfoelie.14De bloemen waren nu open, en gaven een nieuw sieraad aan de bosschen, zynde weinig minder schoon dan de bloemen van de Kamperfoelie en hetHedysarum. Zy zitten rondom ’t bovenste van den steel, en zyn of van ene donker rode of van ene levendig rode kleur, dog als zy enigen tyd gestaan hebben worden zy van de zon gebleekt en allengskens wit. Ik weet niet hoeColdenze geel kan noemen.15Zy wassen niet altyd even hoog. Sommigen waren zo groot als een volwassen man, en groter zelfs, anderen waren laag, en sommigen kwamen niet boven drie of[18]vier duimen van den grond, egter waren ze allen vol van bloemen. Men heeft nog geen gebruik van deze plant weten te maken, alleen zet men de bloemen in potten tot sieraad. Zy hebben enigen geur, dien ik egter niet lieflyk vinden kan. Dog de fraiheid der kleur maakt ze ene plaats in den bloemtuin waardig.Rogge.Ik zag dien dag voor het eerst van het jaar enige airen vanRogge. InZwedenbegint zy omtrent den 18. Mai O. S. hare airen te vertonen. Dog inNieuw Zwedenzeide men dat men ze reeds in April plegt te zien, zelfs al komt de lente laat. Deze lente wierd overal voor ene van de laatst komenden gehouden.Bullfrog.Manteskoris de naam dien deZwedenaan een soort van Kikkers geven. DeEngelschennoemen zeBullfrogs,16ofBulkikkers. Ik had dien dag voor de eerste maal gelegenheid ze te horen en te zien. Ik hoorde onverwagt onder ’t ryden een gebulk, zo dat ik niet anders meende of er was een stier in ’t kreupelhout, dewyl ik aan dezen Kikker niet dagt. Ik begon bevreesd te worden dat misschien een boosaardige stier digt by my wezen mogt, schoon ik hem niet zag. Ik bleef ook in die gedagte tot dat ik een uur of twee later met enigeZwedenover dit soort van Kikkers in gesprek kwam, en toen begreep ik dat het ’er een geweest moest zyn dien ik onder weg zo had horen bulken, want men zeide my dat ’er ene menigte van hier in ’t water waren. Ik ving ’er vervolgens enigen. Hy is ontwyffelbaar de grootste van alle de Kikkers hier te lande. Men zeide dat zy tegens den herfst, wanneer het begon koud te worden, zig in de modder begraven, waar zy slapende den winter overblyven. Maar zo schielyk het begint warm te worden komen zy weder te voorschyn en beginnen hunne stemmen te laten horen. Als het ene vroege lente is verneemt men ze reeds op het einde van Maart O. S. Zy onthouden zig voornamelyk in stilstaande poelen. Daar vindt men ze in tamelyke menigte, dog niet veel in lopend water. Als ’er velen by een zyn maken zy een verschrikkelyk geraas wanneer zy allen te gelyk aan ’t schreuwen gaan. Hun geluid is volkomen dat van enen stier die een weinig heesch is. Men heeft somtyds werk van malkander te verstaan als zy regt aan ’t schreuwen zyn. Zy bulken allen te gelyk, houden dan een weinig op, en beginnen weer op nieuw. Men zoude zeggen dat zy enen Kapitein hadden, zo dat als die begint zy allen hunne kelen opzetten, en als hy ophoudt zy allen stil zyn. Als de Kapitein het teken geeft van te zwygen hoort men hem een geluid geven als dat vanpoep. By dag[19]gaan zy zelden zo vreeslyk aan als het geen donker weder is, dog des nagts laten zy zig vooral horen. Des avonds, als het stil is, kan men ze wel anderhalveEng.myl ver vernemen. Zy zitten als zy schreuwen aan de kanten van het water onder het hout, en steken de koppen boven. Dus kan men, als men zagtjes gaat, ze zeer naby komen, voor dat ze voortgaan. Zodra zy onder water zyn agten zy zig in veiligheid, al is het water nog zo klaar.Somwylen zitten zy een eind wegs van ’t water af, dog vernemen zo dra geen onraad of zy spoeden zig naar den poel. Zy kunnen sterk springen, en doen in elken sprong somtyds meer dan twee vadem wegs af. Ik hoorde de oudeZwedenene grappige historie vertellen, die gebeurd was toen deZwedenen deWildennog by malkander woonden. Het is bekend dat die menschen zeer sterk lopen kunnen. Ik heb ze by den GouverneurJohnsonde beste paarden in vollen loop niet alleen zien byhouden maar zelfs voorby snellen. Om nu te tonen wat treffelyke springers deze vorsschen zyn, hadden enigeZwedenmet enen jongenAmerikaangewed dat hy den Kikker niet zoude inhalen, mits die twee sprongen vooruit ware. Men bragt dan enenBullfrog, die in een naburig water gevangen was, zettede hem op den grond, en brandde hem op den rug; het vuur en deAmerikaan, die de Vorsch zogt intehalen, deden het dier zyne sprongen sterk verdubbelen. DeAmerikaanbegon op den gestelden tyd te lopen, dog het geluid dat hy daar door maakte deed den Kikker zig des te meer haasten, zo dat hy ’t water bereikte eer hem deAmerikaankon bykomen.Sommige jaren zyn zy talryker dan anderen. Men wist niet te zeggen of de slangen oit dit soort van Kikvorschen eten, gelyk zy alle de kleindere soorten doen. Zy verslinden jonge ganzen en endvogels, en halen ook wel kiekens weg, die te digt by ’t water komen. Ik heb niet gemerkt dat zy byten als men ze in de hand houdt, schoon zy kleine tandtjes hebben; als men ze slaat schreyen zy gelyk kleine kinderen. Men verhaalde my dat sommige lieden de agterbouten dezer Kikkers eten, en dat dit ene smakelyke spys is.Witte Jeneverboom.DeWitte Jeneverboom, gelyk hem deZwedennoemen, wast in de poelen hier en in andere gewesten vanAmerika. Zyn stam ziet ’er uit als die van onzezwarteJeneverbomen, dog de bladen zyn anders. DeEngelschennoemen hem denWitten Ceder, om dat de planken die ’er van komen naar die van den Ceder gelyken. Dog de boom hoort eigenlyk tot het soort der Cypressen,17zo dat nog deZweedschenog deEngelschenaam de regte is. Hy groeit altyd in natte[20]gronden, dus is het moeilyk by hem te komen, zynde de grond tusschen de kleine heuveltjes gemeenlyk onder water. De boom wast zo wel op die heuveltjes als in het water. Zy staan digt by malkander, worden hoog en hebben regte stammen. Dog men heeft hun getal sterk verminderd. Daar men ze laat groeyen worden zy als de grootste dennen; zy bewaren hun groen in den winter. De zwaarsten hebben gene takken om laag. De poelen waarin zy wassen heten by deEngelschenCeder Swamps. Dezen zyn talryk inNew Jersey, en in sommige gedeeltens vanPensylvanieenNew York. De noordelykste plaats daar men hem tot nog toe gevonden heeft is byGosheninNew York, 41.gr.25.min. N.gelyk ik van Dr.Coldengehoord heb. Meer noordwaards wast hy niet in ’t wild. Hy is een van die bomen die ’t meest der verrottinge wederstaan, en hy blyft langer goed boven dan onder de aarde. Om deze reden gebruikt men hem tot verscheiden’ eindens, als tot heiningen en palen, dog daartoe is egter de Rode Ceder beter. Voor Kanoos is hy goed. De jonge bomen worden gebruikt tot hoepels om tonnen en vaten, de zwaren tot timmerhout. Ook bouwt men ’er huizen van, die langer duren dan die vanAmerikaanschEikenhout getimmerd zyn. Vele huizen teRapaapowaren van dit hout; dog het best dat ’er van gemaakt wordt zyn berden voor de daken, die men voor de besten van allen houdt, om dat zy ’t duurzaamst zyn, uitgenomen alleen die uit het Rode Cederhout, en om dat zy zeer ligt zyn, zo dat ’er gene zware sparren gevorderd worden, om het dak te schragen. Om deze reden behoeven de muren ook niet zwaar te wezen. By brand is ’er ook geen groot gevaar van het vallen dezer berden te vrezen, dewyl zy zo ligt zyn; ook zuigen zy het water in, zynde zy zeer sponsagtig, zo dat de daken in zulk een geval ligt kunnen nat gemaakt worden; egter belet hunne vettigheid dat het water ze zoude bederven. Als zy in brand staan, en de wind de brokken voortjaagt, vallen zy byna als dove kolen neder, en verspreiden den brand niet ligt verder. Ook kan men des noods zulke daken gemakkelyk doorhouwen. Om deze hoedanigheden houdt men veel van dit hout voor de daken, als men het krygen kan. Dit maakt dat alle de kerken en de huizen der best gestelde borgers daken van berden hebben. InNew Yorkwast wel dit hout niet, dog men laat het veel van andere plaatsen komen. Velen van deze berden worden ten dien einde jaarlyks vanEggharbouren andere plaatsen vanNew Jerseynaar de StadNew Yorkuitgevoerd, van waar zy het gantsche gewest over worden gezonden. Ook worden ’er velen naar deWest Indiengebragt. Dus arbeidt men hier met alle magt om niet alleen deze bomen te verminderen, maar zelfs om ze geheel uitteroeyen. Men denkt hier, vooral omtrent het hout, maar om het tegenwoordige, en geensins[21]om de nakomelingschap. Dit is de oorzaak dat veleCederswampsgeheel van grote bomen ontbloot zyn, en dat men ’er maar enige weinige kleine boompjes in vindt, en ik heb opgemerkt, door het tellen van de houtkringen, dat zy niet schielyk groeyen, en enen langen tyd nodig hebben eer zy voor timmerhout dienen kunnen. ’T is bekend dat een boom ieder jaar een kring krygt; een stam van agttien duim in de middellyn had honderd en agt kringen aan zyn dikker eind; een ander van twee voet in ’t kruis had honderd twee en veertig kringen. Dus worden ’er tagtig jaren groeyens vereischt eer een van deze bomen, uit een zaad gefokt, bekwaam is tot timmerhout. Onder de voordelen die deze Witte Cederen berden boven anderen hebben, rekent men hunne lugtigheid; dog deze hoedanigheid zou met den tyd wel nadelig voorPhiladelphiaen andere plaatsen kunnen worden. Ik heb de dikte der muren van verscheiden huizen gemeten die drie verdiepingen hoog waren, behalven de kelders en de zolders, en vond ze meest negen en enen halven of tien duimen dik; en dus is het geen wonder dat by geweldige orkanen de gevels van vele stenen huizen door den wind geschud worden, vooral die wat bloot staan. En dewyl deze bomen haast zullen ontbreken, en men genoodzaakt wezen zal zwaarder stoffen tot het maken van daken te gebruiken, zullen die zwakke muren, die nu genoegzaam den last van het dak dragen kunnen, niet meer voldoen, en instorten, of moeten onderstut worden, of men zal genoodzaakt zyn ze geheel aftebreken. Sommigen gebruiken de spaanders van dit hout als thee, en verzekerden my dat deze thee veel gezonder was dan enige andere. Alle de Ingezetenen hier waren van gedagte dat het water in deCederswampsgezonder om te drinken is dan enig ander; het verwekt enen groten eetlust, het welk men tragtte met verscheiden’ voorbeelden te bewyzen. Men schryft deze eigenschappen ten dele aan het water zelf toe, het welk door den harst van den boom bezwangerd wordt, en ten dele aan de uitwaassemingen van den boom, die zig door den reuk doen vernemen. Ook dagt men dat de geelagtige kleur van het water, dat tusschen de bomen in staat, van den harst der bomen komt, die uit de wortels uitsypert. Ook kwamen zy allen hierin overeen, dat dit water altyd zeer koud is zelfs in ’t heetste van den zomer, het welk gedeeltelyk schynt te komen van de schaduw die de bomen maken. Ik kende verscheiden’ lieden die voornemens waren naar deze moerassen te gaan, om het water, ter herstelling van hunnen eetlust, te gebruiken. De HeerBartramplantte enen witten Ceder in enen drogen grond, dog hy wilde daar niet slagen. Hy zettede hem toen in ene moerassige aarde, waar hy scheen als te herleven en wel voort kwam, en, schoon hy niet meer dan eens mans hoogte bereikte, was hy vol van zaadhuisjes. Ene zaak is nog ten opzigte van dezen boom merkwaardig. De HeerBartramhad twee[22]jaren in de lente zyne takken afgesneden en ze in de natte aarde gestoken, waar zy wortelen geschoten hadden en voortgekomen waren. Ik heb dit met myne ogen gezien.Rode Jeneverboom.DeRode JeneverboomderZweden, dog by deEngelschenenFranschenRode Cedergeheten, is een boom daar ik al dikwyls van gewaagd heb. DeZweedschenaam is de eigenlykste, aangezien de boom tot het geslagt der Jeneverbomen behoort.18Als hy eerst begint te wassen gelykt hy veel naar denZweedschenJeneverboom,19dog naderhand krygt hy geheel andere bladen. De bes gelykt volmaaktelyk die van denZweedschenJeneverboom, ten opzigte van hare kleur en gedaante, dog zy zyn zo dik niet, schoon zy zeer hoog worden. TeRakoonstonden deze bomen verspreid en waren niet zeer zwaar. Dog op andere plaatsen heb ik ze op bossen by malkander zien staan. Zy beminnen den zelven grond als deZweedscheJeneverbomen; vooral vindt men ze op de schuinschtens by de rivieren, in ene drooge en veeltyds schrale aarde. Ik heb ze overvloedig, zo zwaar als de grootste dennen, op droge en magere heiden zien groeyen. Naar den kant vanKanadaof in de nog noordelyker delen, waar ik ze ontmoet heb, zoeken zy de steile kanten der bergen, en wassen daar onder de gemene Jeneverbomen. De noordelykste plaats waar ik ze in ’t wild gevonden heb is inKanada, agttienFranschemylen ten zuiden van het FortSaint Jean, omtrent 44.gr.30.min. N.Ook heb ik dezen boom zeer wel zien voortkomen op het Eiland vanMagdalena;20behorende aan den Gouverneur vanMontreal, den BaronDe Longueil. Dog hy was uit meer zuidelyke oorden derwaards overgebragt. Dit hout is ontwyffelbaar het duurzaamste dat dit Land oplevert. Om die reden gebruikt men het in alle gevallen waarin men voor het rotten van het hout te vrezen heeft, vooral voor palen, die in den grond moeten geslagen worden. Sommigen zeggen dat als een yzer nevens enen paal van dit hout in den grond gestoken wordt, het yzer al zo schielyk door den roest vergaan zal als de paal verrotten. Op vele plaatsen worden de heiningen, zo wel de palen als de balken, van dit hout gemaakt. Ook maakt men ’er de beste kanoos van, die langst duren en ligt zyn. TeNew Yorkheb ik tamelyk zware Jagten gezien die van dit hout gebouwd waren. Dog vele Jagten die vanNew Yorkde rivierHudsonop naarAlbanygaan zyn op ene andere wys gebouwd, gelyk ik voorheen al aangetekend heb. TePhiladelphiakan men van dit hout gene vaartuigen maken, omdat het daar te schaarsch en niet zwaar genoeg is. Om de zelve reden gebruikt[23]men daar denRoden Cederook niet om de huizen te dekken, dog daar dit hout gemeender is maakt men ’er zeer goede daken van. Het merg van dezen boom is van een schoon rood, en al wat ’er van gemaakt wordt is zeer frai en geeft enen lieflyken en gezonden reuk. Dog de kleur verbleekt allengskens; was dit zo niet zo zoude ’er geen schoonder hout voor schrynwerk wezen. Ik zag ene zaal ten huize van den HeerNorris, een van dePensylvanischeParlementsleden, zynde eenQuaker, sedert vele jaren met dit hout beschoten. Die Heer verzekerde my dat de Ceder in ’t begin ’er zeer frai had uitgezien, dog toen ik ’er was was de kleur geheel verbleekt, zo dat het zeer lelyk stond. Byzonderlyk had de zon by de vensters de kleur geheel doen verschieten, zo dat menMahoganyin de plaats had moeten nemen. Evenwel wierd my verzekerd dat het hout zyne kleur bewaart als ’er een dun vernis wordt opgelegd wanneer het nog nieuw, en maar kort van te voren geschaafd is, en men zorg draagt dat het naderhand niet gestoten of gewreven worde. Ten minsten doet het vernis de kleur langer stand houden dan anders. Om den aangenamen reuk die het hout heeft, leggen sommigen de splinters en de krullen ’er van tusschen het wollen goed, om het voor de motten te bewaren. Om die zelve reden maakt men ’er ookbureauxen ander werk van. Dog deze reuk gaat ’er van af, en dan dient het hout niet langer om het ongedierte te weren. Somtyds wordt het naarEngelandvoor timmerhout gezonden, en wel betaald. Op de landgoederen der aanzienlykste lieden vanPhiladelphiavindt men gemeenlyk ene laan van deze bomen, die van den groten weg naar het huis gaat. De onderste takken houwt men af, en laat alleen de kroon over. In den winter, als de meeste andere bomen hun blad kwyt zyn, staan dezen zeer schoon. Deze boom groeit ook zeer langzaam, want een stam van dertien duimen in ’t kruis had honderd en agtentagtig kringen, een ander van agttien duimen had ’er ten minsten tweehonderd en vyftig, want velen van die kringen waren zo fyn dat men ze niet tellen konde. Deze boom wordt even als de gemene Jeneverboom voortgeplant, te weten door middel van de vogels, die de bessen opeten en de zaden geheel onbeschadigd kwyt raken. Ter aanmoediging van het aantelen van dezen nuttigen boom heeft men in ’t jaar 1749. in enenPensylvanischenAlmanak ene beschryving van de wys waarop dit het best geschieden kan, door den HeerBartramopgemaakt, ingelascht.Rakoon.Des avonds keerde ik naarRakoonte rug.DeMoerbezieboombegon omstreeks den 6. Mai te bloeyen, dog zyn blad was nog klein. Men onderscheidde deze bomen in mannelyken en vrouwelyken, en hield die welken noit vrugt droegen voor mannelyke en de anderen voor vrouwelyke bomen.[24]Smilax laurifolia.DeSmilax laurifoliawas menigvuldig in de poelen hieromstreeks. Hare bladeren waren nu aan ’t uitkomen, want zy laat die alle winters vallen. Zy klimt op langs de bomen en heesters, en loopt van den enen boom naar den anderen, zo dat zy de doorgangen sluit tusschen het geboomte, en het zeer moeilyk maakt door de bosschen en moerassen daar zy veel wast doortekomen. De steel is van onderen vol lange stekels, al zo sterk als die van den rozeboom, welken aan de klederen blyven haken en ze doen scheuren. Deze lastige plant kan een mensch, dat naar kruiden zoekt of anders door het hout gaat, zeer in verlegenheid en in gevaar brengen, want behalven de schade die zy aan de klederen toebrengt, die ’er geheel door bedorven worden, zo maakt zy de bosschen zo donker en ondoorkomelyk, dat men dikwyls op handen en voeten door de kleine openingen die zy hier en daar laat moet doorkruipen, en in dat geval kan men niet voorzigtig genoeg zyn om niet door ene slang, waarvan hier te lande ene grote menigte is, in ’t aangezigt gebeten te worden. De steel dezer plant heeft de zelve kleur als de jonge rozebomen. Hy is geheel groen en glad tusschen de doornen in, zo dat een onkundige de plant in den winter, wanneer zy zonder bladeren is, voor een soort van doorn nemen zoude.Rupsen.De bomen waren den 8. Mai vol vanRupsen; waarvan een soort byzonderlyk opmerking verdient. Dezen maakten grote witagtige webben tusschen de takken, zo dat men ze zelfs op enigen afstand kon zien. In elk van deze webben waren duizenden van Rupsen, die naderhand zig daaruit over de Appelbomen verspreidden. Zy vraten de bladeren op, en lieten ’er dikwyls niet een aan enen gehelen tak. Men verhaalde my, dat zy enige jaren geleden zo veel schade gedaan hadden, dat de Appel- en Perebomen nauwlyks enige vrugt voortbragten, en dat zelfs vele bomen stierven. Om de Rupsen te vernielen staken zy een bos stroo op enen stok gestoken in brand en hielden die onder de webben of nesten, waardoor een deel verbrandde en de overigen op de aarde vallen moesten. Egter kropen zeer velen van die Rupsen wederom in den boom, het welk men zoude hebben kunnen voorkomen als men ze dood getrapt had. Ik riep de hoenders naar zulke plaatsen waar velen van dit ongedierte kropen, dog zy wilden ze niet eten. Ook hielden ’er de wilde vogels niet van, want de bomen waren vol webben, schoon ene grote menigte vogeltjes in de tuinen en boomgaarden nestelden.De nagten bleven tot na het midden van Mai zeer donker. Een uur van zonsondergang was het onmogelyk een boek te lezen, hoe groot ook de druk mogt zyn. Om tien uren was het zo duister als inZwedenin de donkerste dog starreligte nagten van den herfst. Ook kwam het my voor, dat schoon de nagten helder waren, de starren[25]egter zo veel ligts niet gaven als by ons. En daar thans de meeste nagten de lugt geheel betrokken was, konde ik ze vergelyken by de regenagtige winternagten vanZweden. Dus was het in dit jaargety zeer bezwaarlyk van des nagts te reizen, daar menschen nog paarden den weg vinden konden. De nagten kwamen my, die aan de heldereZweedschezomernagten gewend was, hier zeer onaangenaam voor. Wy denken dikwyls, niet beter wetende, datZwedeneen niet zo goed land is als anderen. Zo andere gewesten hunne voordelen hebben, heeftZwedenook de zynen. En alles wel gewogen zynde, zo blyftZwedenaltyd een zo goed land als enig ander.Voordelen vanZwedenbovenNoord Amerika.Ik wil hier kortelyk aanmerken waarin ikZwedenden voorrang bovenNoord Amerikageven, en waarom ik, gelykUlysseszynItaka, het oudeZwedenboven hetNieuwestellen zoude.De nagten zyn hier den gehelen zomer over zeer donker, en des winters zyn zy ruim zo duister, zo niet duisterder, dan deZweedschewinternagten, want men ziet hier geen Noorderligt, en de starren schynen niet zeer helder. Het is iets buitengemeens als men eens of tweemaal in een jaar het Noorderligt ziet. Des winters legt ’er geen sneuw dan maar enige dagen, zo dat zy weinig toebrengt om de nagten optehelderen, en het reizen gemakkelyk te maken. En egter is de koude dikwyls al zo scherp als inZweden. De smeltende sneuw veroorzaakt veel nats. Ratelslangen, Hoornslangen, roodbuikige, groene en andere Slangen, tegens welker beet dikwyls geen middel is, zyn hier talryk. Voeg daar de Woudluizen by, die in de bosschen veeltyds zo menigvuldig zyn dat men ’er niet door gaan kan, zonder vol van dat ongedierte te raken, en dat men niet durft te gaan zitten, hoe aangenaam anders de oord zy. Hoe lastig zy voor menschen en beesten zyn heb ik in de Verhandelingen derKon. Zweedsche Maatschappybeschreven. Het weder is zo onbestendig, dat als men den enen dag de hette nauwlyks verduren kan, men den anderen over de koude klaagt. Zelfs verandert het weder dikwyls verscheiden malen op enen dag. Dit maakt zeer vele zieken. De hette is hier des zomers schrikkelyk, en de koude des winters somwylen doordringend. Dog voor de koude kan men middelen gebruiken, maar tegens de zware hette is niet veel te doen. Dikwyls is het gebeurd dat de menschen op het veld van de hette dood zyn ter neder gevallen. Ook heerschen hier vele ziektens, die jaarlyks toenemen. Inzonderheid ontsnapt byna niemant aan de anderendaagsche koortsen, maar moet die, nevens nog andere kwalen, meest ieder jaar doorstaan. Erwten kan men hier niet telen, wegens de wormen die ze opvreten. In de Rogge en op de karssenbomen zyn ook vele wormen. De rupsen verteren dikwyls al het loof op het geboomte, zo dat het dikwyls gene vrugt draagt, en ’er veeltyds van sterft. Het gras wordt ook veel van[26]’t gewormte vernield. Ook doet dat ongedierte de pruimen, nog niet half ryp, afvallen. De eikenbomen zyn ver na zo goed niet in ’t gebruik als deEuropischen. De heiningen houden ’t niet langer dan agttien jaar uit. De huizen staan niet lang. De weilanden zyn slegt, en het hoi deugt niet veel. In de bosschen moet het vee op kruiden azen die het niet dan in den hoogsten nood zal aanroeren. Dikwyls kan men in grote bosschen, daar de bomen ver uit malkander staan, nauwlyks een grasscheutje aantreffen. Dus wordt het vee genoodzaakt den gehelen winter en zelfs al ver in den zomer zig met jonge scheuten en takken van bomen te behelpen, daar somtyds geen blad aan zit. Dit maakt dat het vee zo weinig melk geeft, en jaarlyks in grootte meer en meer afneemt. De huizen deugen in den winter niet veel. Dikwyls ontstaan ’er stormen en orkanen, die ene menigte bomen uit den grond rukken, huizen en daken omwerpen, en vele andere schade doen. Enigen van deze nadelen zoude men door de konst kunnen voorkomen, dog velen kunnen in ’t geheel niet, of ten minsten niet zonder vele moeite, verholpen worden. Zo heeft elk land zyne voordelen en zyne ongemakken. Gelukkig hy die met het zyne kan tevreden zyn!Slegte Landbouw.De Rogge stond meest zeer dun en slegt, het welk grotendeels van de onagtzame wys van bouwen, en van de magerheid der akkers, die zelden of noit gemist worden, komt. Als men een stuk lands, dat enige honderden van jaren een woud geweest is, en daar ook gemeenlyk ene dikke tuinaarde legt, om te bebouwen genomen heeft, zo gaat men daarmede voort zo lang het iets dragen wil, en als het ophoudt iets voorttebrengen laat men het onbebouwd leggen, en neemt een ander stuk woest land, waar op nog ene vrugtbare aarde is. Zulk ene wys van landbouw kan maar enigen tyd geoeffend worden, en zy moet voor het toekomende zeer kwade gevolgen na zig slepen, die een ieder ligt voorzien kan. Dog enige weinigen gingen wat beter met hun land om. DeEngelschenhebben het in den landbouw verder dan enig ander volk gebragt. Dog de vrugtbare bovenkorst, die zy, by hunne aankomst hier te lande, op enen grond die altyd met zwaar geboomte was bedekt geweest vonden, heeft hen tot onagtzame akkerlieden gemaakt. Het is bekend dat deWildenvan onheuglyke tyden af dit land bewoond hebben, en dat zy byna geen land bebouwden, dog alleen van de jagt en vischvangst leefden. ’T is waar, zy plantten Mais, sommige soorten van bonen en kawoerden; dog al het land dat een enkeld huisgezin toen bepootte was nauwlyks zo veel als nu een Boer om kool en rapen voor zyn gezin te telen neemt. Dus konden zy nauwlyks ene maand van hunnen land- en tuinbouw bestaan. Gemeenlyk zyn ook de kleine dorpen derWildentwee of drieZweedschemylen van malkander af gelegen.[27]Hieruit kan men opmaken hoe weinig gronds zy voorheen bebouwd hebben. Al het overige lieten zy in rust, en met geboomte overwassen. En al namen zy na het uitputten van het ene kleine stuk lands een nieuw, zo wilde dit in vergelyking van de bystere uitgestrektheid des lands niets zeggen. Dus kon zig de vrugtbare aarde door het jaarlyksch afvallen van het blad zeer sterk vermeerderen. Dit was oorzaak dat deEuropershier enen zo schonen en vrugtbaren grond vonden, die in vele euwen niet was uitgemergeld geworden, en de aarde tusschen ’t geboomte was zo lugtig als de best bearbeide tuinaarde. Zy hadden maar de bomen om te hakken, ze op malkanderen te leggen, en enigermate het afgevallene blad wegteherken, om ten eersten het land zonder grote moeite omteploegen en te bezayen, waarop een uitmunde oogst volgde. Deze gemakkelyke wys van landbouwen heeft deEuropersbekoord om den landbouw derWildennatevolgen, namelyk van een land zo lang het zonder bemistiging enigsins vrugtbaar blyft te gebruiken, en wanneer het uitgemergeld is het woest te laten leggen, en een nieuw stuk lands te ontginnen. Dit maakt hier den landbouw en de kennis van denzelven zo gering, dat men van deEngelschen, deZweden, deDuitschers, of deHollandershier te lande in dit opzigt niets anders leren kan, dan ten hunnen koste uit hunne zorgeloosheid het nadeel van dezelve optemaken. In een woord, en koornlanden, en weilanden, en houtgewas, en veeteelt, alles wordt hier even onagtzamelyk behandeld, zo dat men hier de in dit stuk der Huishouding zo beroemdeEngelschenniet vinden zoude. Nauwlyks kunnen wy inZwedenenFinlandmet het hout onverstandiger handelen dan men hier doet. Men ziet maar op de tegenwoordige winst, en denkt niet om het toekomende. Het vee wordt dagelyks met werken afgemat, en neemt van wege gebrek aan voeder gedurig in grootte af. Ik heb verscheiden’ kruiden op myne reizen waargenomen die de paarden en ossen boven alle anderen kozen, welken niet alleen in ’t wild wiessen, maar ook op zeer magere plaatsen zeer wel voortkwamen. Dog de Ingezetenen wisten dezelven niet ten hunnen nutte aantewenden, zynde zeer onkundig in de Natuurlyke Historie, welke ook hier te lande, gelyk in vele andere gewesten, van velen voor een nutteloos tydverdryf wordt aangezien. Ik ben door de ondervinding verzekerd, dat ik door middel dezer wetenschap binnen weinig jaren in staat zoude zyn den magersten en dorsten grond, waar ene koe nauwlyks den kost zoude kunnen vinden, in de vetste en beste weiden te verkeren, daar grote kudden een genoegzaam voeder vinden en vet geweid zouden kunnen worden. Ik sta toe, dat deze voordelige gewassen niet overal, nog op het land van elk, gevonden wierden, maar ieder, die slegts enig inzigt in de kennis der Natuur heeft, zoude dezelven gemakkelyk van de plaatsen daar zy vallen kunnen halen. Ik was verwonderd als ik de[28]Boeren over de slegtheid der weiden hoorde klagen; dog ik merkte te gelyk op hoe lui en nalatig zy waren, en wat voortreffelyke kruiden dikwyls op den eigenen grond van deze lieden wiessen, die slegts een weinig hulp van zo enen onverschilligen Heer vorderden. Ik vond overal de wysheid en goedheid van den groten Schepper, dog niet de kennis en den lust om die behoorlyk aantewenden. Hoe gelukkig is de Landman niet die zyne voordelen kent!Tot deze uitweiding heeft my de hier te lande zo zeer veronagtzaamde landbouw gebragt. Ik heb ook gedeeltelyk de oorzaak willen aanwyzen, waarom men in deze Reisbeschryving zo weinig zaken aantreft die tot volmaking der Huishouding betrekkelyk zyn. Egter ontken ik niet dat ik hier en daar enen enkelden bekwamen Huishouder heb aangetroffen; dog zy waren dun gezaid.Roofvogels.Roofvogels, die op hoenders en ander gevogelte azen, vindt men hier in menigte, en byna nog meer dan inZweden. Zy genieten hier ene grote vryheid, kunnende uit de zware bosschen den hoenders onverwagt op ’t lyf vallen. Des nagts is het makke gevogelte niet buiten gevaar voor de Nagtuilen, waarvan ’er hier velen zyn. Zy onthouden zig merendeels in de moerassen, maken des nagts een akelig geluid, en overvallen van daar de hoenders, die gemeenlyk in de Appel-, en Perenbomen zitten te slapen. Maar sedert men hier de bosschen zo sterk afhouwt, wordt den Roofvogels hunne vryheid niet weinig benomen.Herten.Men vindt hier in de zware bosschen veleHerten. Zy schynen van het zelve soort te zyn als onzeEuropischen. EenEngelschmanhad ’er een dat tam was. Het is opmerkelyk dat zo wild deze dieren ook in de bosschen zyn, daar zy zig voornamelyk in de Cedermoerassen ophouden, zy, als men ze jong krygt, zo mak worden, dat zy zelfs by onbekende menschen komen. De makke hinde die ik zag was donker bruin, uitgenomen van onder op den buik en op ’t onderste van den staart, daar zy wit was. De oren waren grauw. De snoet was smal. Voor ’t overige was het gehele lichaam bevallig. De hairen waren digt dog kort. De staart kwam omtrent tot het gewrigt van de knie. Aan het gewrigt der beide agtervoeten zat binnenwaards een knobbel. Zy had een schelletje om den hals, op dat men ze in de bosschen voor ene makke kennen en niet schieten zoude. Zy liep overal heen waar zy wilde, en kon over de hoogste heiningen springen, zo dat men haar niet wel zou hebben kunnen opsluiten. Somtyds liep zy ver het bosch in, en bleef wel enen nagt of twee uit, dog kwam naderhand weder, gelyk ander vee, te huis. Als zy uit het bosch weder kwam wierd zy somwylen van wilde herten vergezeld, vooral in den bronstyd; zo dat de eigenaar door haar gelegenheid kreeg van digt by zyn huis verscheiden wilde[29]bokkenmenen te schieten. Nu was zy met jong. Zy had enen sterken reuk,zag haar dikwyls den kop om hoog in den wind houden en naar den kant keren van waar de wind kwam, schoon men nog niemant op den weg vernam, en de menschen eerst een uur later te voorschyn kwamen. Zodra de wilde Herten menschen ruiken, gaan zy aan ’t lopen. In den winter wierd zy met hoi en koorn gevoed; dog des zomers ging zy in het bosch den kost zoeken, en at gras en andere kruiden. De man, wien zy toekwam en die ’er meerder mak gemaakt had, zeide dat hy de hinden tePhiladelphiaverkoft, van waar zy als iets zeldzaams naar andere plaatsen verzonden werden. Hy had voor het stuk vyfentwintig, dertig, tot veertig schellingen toe, naar dat hy enen koper vond, gekregen. De wilde Herten aten des zomers gras en andere kruiden, dog des winters, als zulks niet te vinden is, de toppen der takken. Reeds heb ik aangemerkt dat zy zonder gevaar van denLepelboometen kunnen. In den langen en harden winter, die van den 19. December 1740. tot den 13. Maart 1741. O. S. duurde, waarin ook zeer veel sneuw viel, vond men op vele plaatsen de Herten in de sneuw dood leggen, vooral meer binnenlands waar de sneuw dieper lag. Of dit nu kwam om dat zy niet uit de diepe sneuw hadden weten te komen, of van de koude, of by gebrek van voeder, weet men niet. Zo verhalen ook oude lieden, dat, toen hier in ’t jaar 1705. die zware en buitengewone sneuw viel die in de Almanakken van dit Land als iets zonderlings aangetekend staat, en die meer dan anderhalveZweedscheel diep lag, ’er ene zeer grote menigte Herten werden dood gevonden, dewyl zy door de diepe sneuw niet door konden. Ook vond men toen vele vogels dood leggen. TeMatsongkwam een Hert by het vee in den stal, at mede van het hoi, en was zo door den honger benauwd, dat het tam wierd en niet weder weg liep. Het bleef sedert, even als een huisdier, by het huis. Alle bejaarde lieden getuigden dat ’er in hunne kindschheid hier veel meer Herten dan nu voor handen waren. Het was toen niet zeldzaam ’er dertig of veertig by malkander te zien. De reden van deze vermindering is de groter bevolking van het Land. Dog verder landwaards in, waar nog zware bosschen en woestenyen zyn, vindt men ’er nog veel. Onder de vyanden der Herten zyn deLynxen,21die men hier vindt, en de zelven zyn als deZweedscheWolflynxen. Dezen klouteren op enen[30]boom, en als ’er een Hert onder heen komt, springen zy ’er op, houden zig ’er wel op vast, byten het een gat in ’t lyf, zuigen ’er het bloed uit, en verlaten het niet voor dat zy het omgebragt hebben.

Reis naarPhiladelphia.Den 12. April 1749. vertrok ik vanRakoonnaarPhiladelphiaen de omgelegen’ plaatsen, om te vernemen of daar reeds meerder gewassen opgekomen waren dan teRakoonen inNew Jerseyin ’t algemeen. Het vogtige weder, dat wy enige dagen gehad hadden, had de wegen in lage en kleyagtige oorden zeer slegt gemaakt.Afgevallen loof verbrand.De bladen, die den laatsten herfst afgevallen waren, bedekten den grond ter hoogte van drie of vier duimen. Dog, daar hier door het groeyen van het gras gehouden werd verhinderd te worden, had men de gewoonte van in Maart deze bladeren in brand te steken. Ik vond op deze plaatsen den grond op die wys afgebrand. Maar schoon dit in een zeker opzigt voordelig is, doet het in een ander veel kwaads, dewyl alle de jonge scheuten der bomen met het verdorde loof te gelyk verbrand worden, het welk het hout grotendeels vermindert, en op zulke plaatsen, daar men verscheiden’ jaren aan een de afgevallen bladeren verbrand had, kwam geen nieuw hout op; zo dat als eindelyk de oude bomen werden omgehouwen ’er niets dan naakte woeste velden overbleven. Ook vernielde men op die wys allerhande planten, of beroofde ze ten minsten van hare kragt om te groeyen. Een groot deel der gewassen en meest alle de soorten van gras duren hier maar een jaar, en hunne zaadtjes leggen tusschen het afgevallen blad, met het welke zy te gelyk door ’t vuur verteerd worden. Dit geeft ons ene nieuwe oorzaak aan de hand van de boven reeds gewaagde algemene klagte, dat men tegenwoordig minder kruiden en minder gras in ’t land vindt dan voorheen. Ook vernielt men dus een groot getal dode of holle bomen, welken men anders[2]tot brandhout had kunnen bezigen, en dus de bosschen enigsins sparen. Behalven dat verbrandt op deze wys ook een goed gedeelte van de bovenkorst der aarde, om van andere nadelen niet te gewagen. Om deze redenen heeft de Regering vanPensylvanieonlangs dit verbranden van ’t loof verboden; dog dit verbod wierd in ’t algemeen afgekeurd, en ieder deed naar zyn goeddunken.Houtluizen.Men vond om dezen tyd ene verbazende menigte vanHoutluizenin de bosschen. Dit is een zeer onaangenaam gedierte, want zodra men op den grond of enen omgehouwenen boom gaat zitten, kruipt ’er een heir van luizen den mensch op ’t lyf, en kommen zonder dat men ’t merkt op het blote lichaam. Ik heb in deVerhandelingenderZweedsche Maatschappyvoor het jaar 1754. een breedvoerig verslag van de slegte eigenschappen en andere byzonderheden van dit gedierte gegeven.Versteend hout.Ik ontving dien dag een stuk van versteend hout, dat men teRakoondiep in den grond gevonden had. In dit hout zag men de vezels en de binnenste ringen nog zeer duidelyk. Het scheen een stuk Hikory te zyn.Clams.Men gaf my ook enigen van die Mosselschelpen welkenClamsby de Engelschen heten. Deze Clams waren niet varsch, dog van de zodanigen welken men byna door gantschNew Jerseydiep in de aarde vindt. Men ontmoet ze levendig alleenlyk maar in het zoute water aan den zeekant, dog dezen waren teRakoonagt of negenEng.mylen van deDellawareen byna honderd mylen van zee gevonden. Dien avond ging ik den HeerBartrambezoeken.Wespennesten.Twee Wespennesten hingen in enen hogen Ahorn boven het water. Zy waren even gelyk de onzen, uitgenomen dat ze groter waren. Ieder nest was ene halve el in ’t kruis. In elk lagen drie waschkoeken boven malkander. De onderste was de grootste, en de bovenste de kleinste. Men zag ’er enige eyeren in. De onderste koek was in de middlellyn zeven en een halven duim, en de bovenste vier en een halven. De celletjes waarin de eyeren of de jonge wespen lagen waren zeshoekig, en de kleur van het nest was grauw. Men zeide dat de wespen deze nesten uit de pluizen maken, die aan de oude heiningen en muren zitten. Ene donkerbruine Bye met zwarte hoornen, twee zwarte kringen onder ’t lyf, en purpere vleugels vloog tusschen de bomen, en behoorde misschien tot deze nesten.Een ander soort.Een ander soort vanWespen, groter dan dezen, maken hunne nesten geheel open. Zy bestaan slegts uit enen koek, die door niets gedekt wordt, en maar bloot tusschen de takken hangt. De celletjes zyn horizontaal; en wanneer ’er eitjes of jonge wespen in zyn, zo heeft ieder celletje een soort van deksel boven zig, op dat ’er de regen niet in kome. Dog waar by onweder de oude wespen blyven weet ik niet, ten zy zy in de reten der rotsen kruipen. De[3]bovenzyde van den koek is met een soort van smeer bedekt, zo dat de regen ’er niet door kan dringen. De celletjes zyn gemeenlyk zeshoekig, vyf, zes of zeven lynen diep, en twee lynen in de doorsnede. De HeerBartrammerkte aan dat deze nesten uit ene twederhande stof zamengesteld waren, namelyk van de pluizen, die men op oude tuinen vindt, en die door den wind ’er afwayen, want men ziet ’er de wespen dikwyls zelven op zitten en die afknagen. Maar de kanten van het deksel der celletjes bestaan uit ene zelfstandigheid uit het dierenryk, of ene lymige stof, die de wespen opgeven of in hunne monden bereiden; want als men deze zelfstandigheid in ’t vuur werpt, brandt zy niet, maar wordt alleenlyk gezengd, gelyk hair of hoorn. Dog de bodem van het nest brandt gelyk linnen of half verrot hout, en laat enen reuk van gebrand hout na. De wespen, welker nesten ik hier beschreven heb, hebben op het voorhoofd drie zwarte glinsterende stippen,1en op het lyf ene vyfhoekige zwarte vlak. Tegens het einde van den herfst kruipen deze wespen in de spleten der bergen, waar zy den winter ongevoelig overbrengen. In de lente, als de zon begint kragt te krygen, komen zy des daags te voorschyn, dog keren tegens den avond, wanneer het begint koud te worden, weder naar hunne holen. Ik zag ze vroeg in de lente by zonneschyn in en omtrent sommige reten in de bergen. Men verhaalde my van een ander soort van Wespen, die hunne nesten onder den grond maken.De Zwemmer.DeGyrinus natatorof de zogenaamdeZwemmer, een waterkever, danste in menigte op ’t water.Reis naarChester.Den 14. in den morgen reisde ik naarChester. Op vele plaatsen langs den weg zyn zaagmolens, dog die ik dien dag zag hadden maar ene zaag. Ik bemerkte ook dat de bosschen in dit oord zeer ruw behandeld waren. Het is hier de gewoonte by het opregten van zaagmolens, koornmolens of yzerwerken, het water een goed deel wegs naar beneden te leiden, in geval de grond naby enen waterval niet bekwaam is voor het gebouw.Rakoon.Den 16. keerde ik weder naarRakoon.Zwaluwen.Men heeft hier te lande vierderlei soorten vanZwaluwen, namelyk die in de schuren, die in de schoorstenen, die onder den grond zig onthouden, en eindelyk een soort dat deEngelschenMartinsheten.Die in de schuren zig onthouden, of deHuiszwaluwen, hebben enen[4]gevorkten staart. Ik vond ze op alle de plaatsen vanNoord Amerikadie ik gezien heb. Zy komen met opzigt harer kleur zeer veel met deEuropischeHuiszwaluwen overeen, dog ’er is enig onderscheid in het geluid. Dit jaar lettede ik niet op wanneer zy te voorschyn kwamen; dog het volgende zag ik ze het eerst den 10. April N. S. en den volgenden dag ’s morgens zag ik ’er een grote menigte van op palen en planken zitten, die zo nat waren als of zy zo uit de zee gekomen waren.2[5]Zy maken hare nesten in de huizen en onder de daken aan de buitenzyden. Ook vond ik deze nesten op bergen en klippen, welker bovenste wat buiten het onderste uitstak. Buiten dat nestelden zy onder de hoeken van loodregte klippen. En dit leert ons waar de Zwaluwen voor dat deEuropershuizen hier te lande gebouwd hadden genesteld hebben; want dit konden zy onmogelyk in of tegen de hutten derWildendoen. Ene[6]zeer geloofwaardige vrouw, zo wel als hare kinderen, verhaalden my het volgende geval, verzekerende ooggetuigen daarvan geweest te zyn. Een paar Zwaluwen maakten haar nest in den stal dezer vrouw; het wyfje lag eitjes en ging aan ’t broeden. Enige dagen daarna zag men het wyfje steeds op de eyeren zitten, maar het mannetje rondom het nest vliegen, somtyds op enen spyker zig zettende, en een droevig geluid makende,[7]waaruit zyn ongerustheid bleek, en by een nader onderzoek vond men het wyfje dood op het nest en smeet het weg. Toen ging het mannetje op de eyeren zitten, maar, twee uren daarop hebbende gezeten, en dit werk voor hem te lastig vindende, vloog hy weg, en kwam des nademiddags met een ander wyfje terug, dat op de eitjes ging zitten, en naderhand de jonge Zwaluwen opbragt, tot dat zy in staat waren voor zig zelven te zorgen. Men was het hier niet eens aangaande het verblyf der Zwaluwen in den winter. De meesteZwedendagten dat zy op den bodem der zee lagen, anderen, en dit was ook het gevoelen derEngelschenen derFranscheninKanada, meenden dat zy in den herfst zuidwaards verhuisden en in de lente terug kwamen. Ook ben ik voor zeker teAlbanyonderrigt geworden, dat men ze dikwyls in diepe holen en reten in rotsen gedurende den winter slapende gevonden heeft.DeSchoorsteenzwaluwenworden dus geheten om dat zy hare nesten in de schoorstenen maken, waarin des zomers niet gestookt wordt; somtyds zelfs storen zy zig niet aan den rook als de vuren niet te sterk zyn, en blyven in den schoorsteen. Ik zag ze dit jaar niet dan laat in Mai, maar het volgende jaar 1750. kwamen zy den 3. Mai te voorschyn, want zy komen altyd later dan de andere Zwaluwen. ’T is zonderling dat elke veder in hare staarten met ene styve, scherpe spits, byna als de punt van enen priem eindigt. Met deze staarten hegten zy zig aan de muren der schoorstenen vast, houden zig met de poten, en drukken den staart tegens de stenen aan, die haar dan tot een stut dient. Zy maken den gantschen dag een schrikkelyk geweld in de schoorstenen met op en neder te vliegen, zo dat men somtyds zeggen zoude dat het donderde. Maar dewyl deze Zwaluwen alleen in de schoorstenen nestelen, zo is de vraag waar zy zig voor de aankomst der Europers hebben opgehouden,[8]aangezien het bekend is dat deWildengene schoorstenen hebben, en hun vuur op den grond in hunne hutten leggen. Waarschynlyk is het dat zy toen hunne nesten in holle bomen maakten. De HeerBartramen vele anderen waren hier van dit gevoelen.Catesbyheeft deze Zwaluw beschreven en afgebeeld, en de RidderLinnæusnoem: zeHirundo Pelasgia.DeAardzwaluwenvindt men overal inAmerika. Zy maken hare nesten in den grond op de steile oevers van zeen en rivieren.3Martinsis de naam dien deEngelscheneen soort van Zwaluwen geven, welkenCatesbyook afgebeeld heeft onder den naam vanHirundo purpurea. Zy zyn hier zo gemeen niet als de andere soorten. Ik heb op vele plaatsen gezien dat men buiten voor de muren kleine houten hokjes voor haar gemaakt had om in te nestelen, want men heeft ze gaarn by de huizen, vermits zy zodra genen havik of krai gewaar worden, of zy zetten ze na, en waarschuwen de hoenders met haar geschreuw van de nabyheid van derzelver vyanden. Ook verbergen zig de kiekens zodra zy deze Zwaluwen horen schreuwen.Dirca palustris.DeZwedenenEngelschennoemen deDirca palustrisMuizenhout.4Deze plant stond den 17. April in vollen bloei. TeAlbanynoemt men zeLederhout, omdat de bast zo buigzaam is als leder. DeFranscheninKanadaheten zeLoodhout.5DeWildendie voormaals onder deZwedenwoonden, gebruiken de schors dezer plant om manden, banden, en andere dingen van te maken. En inderdaad zy is daar zeer goed toe, ter oorzake van hare sterkte en buigzaamheid, waarin zy den Lindenbast niets toegeeft. DeEngelschen,Hollanders, enFranscheninNoord Amerikagebruiken dezen bast in alle die gevallen waarin wy ons inEuropavan den Lindenbast bedienen. Het hout zelf is zeer tai, zo dat zonder behulp van een mes men niet ligt enen tak kan afbreken. Sommigen gebruiken de takken tot roeden om de kinderen te tugtigen.Aardbezien.Den 20. April vond ik voor het eerst van ’t jaar deAardbezienin bloei. De vrugt is gemeenlyk groter dog minder aangenaam dan inZweden.Oogsten.De jaarlyksche oogst wordt hier te lande altyd toereikende gehouden om den ingezetenen van brood te voorzien, schoon de een voordeliger uitvalt dan de ander. Een eerwaardige zeventigjarigeZweed,Aoke Helmgenaamd, zeide dat gedurende zynen gehelen levenstyd hier geen eigenlyk gezegd miswas voorgevallen was, dog dat men altyd genoeg koorns gehad had. Ook eet men hier altyd zuiver brood van rog, weit,[9]koornsof mais, en noit van minder koorn, veel minder dat met zemelen of andersins vermengd is. Vele oudeZwedenenEngelschenbevestigden dit zeggen, en zeiden dat het hun niet heugde dat oit de oogst zo slegt was uitgevallen dat ’er het gemeen gebrek door geleden had, veel minder dat ’er oit een hongersnood geweest was. Somtyds steeg wel de prys der granen het ene jaar hoger dan het andere, het geen door al te grote droogte, of slegt weder veroorzaakt werd, dog ’er was egter altyd koorns genoeg voor de noodwendigheden van het volk. Ook is het niet waarschynelyk dat ’er hier te lande oit een grote hongersnood kome ten zy het Gode behagen mogt dit Land op ene byzondere wys te bezoeken. Want door ene meer dan zestigjarige ondervinding heeft men de gesteldheid van het weder grondig leren kennen. Men heeft hier gene koude nagten die het jonge graan beschadigen konnen. De regens houden zelden lang aan, en zo is het ook met de droogte. Maar vooral doen hier zeer veel de menigerlei soorten van koorn toe, die men hier teelt, en op onderscheiden’ tyden zait, zo dat als het een kwalyk uitvalt het ander gemeenlyk wel slaagt. De zomer is zo lang dat men van sommige soorten van graan drie oogsten heeft. Nauwlyks is ’er ene maand van Mai tot November ingesloten toe waarin men niet het ene of andere graan of sommige vrugten inzamelt. Het zou zekerlyk een grote ramp wezen indien de oogst hier niet wel opnam, want men legt hier, gelyk op vele andere plaatsen, genen voorraad op, en houdt zig te vrede met voor het tegenwoordige genoeg te hebben.Persikebomen.DePersikebomenstonden nu overal in bloei; de bladen waren nog niet uit, en dus stonden de bloemen des te schoonder, doende hare bleek rode kleur ene voortreffelyke uitwerking, en zy zaten zo digt op een dat de takken ’er geheel van bedekt schenen. De andere vrugtbomen waren nog niet aan ’t bloeyen, alleen begonnen de Appelbloeisems zig te vertonen.Currants.Currantsis de naam dien deEngelschen6enZwedenaan enen struik geven die op natte gronden, digt by poelen wast, en nu bloeide. De bloemen zyn wit, ruiken wel, en zitten aan langwerpige trossen. De vrugt is goed om te eten als zy ryp is. DeStylusis draadagtig en korter dan deStamina. In ’t midden is hy in vyf delen ofStigmataverdeeld.Gronoviusnoemt deze plantMespilus, enLinnæusCratægus.DeCaprimulgus.DeZwedengeven den naam vanWhipperiwillen deEngelschendien vanWhippoorwillaan een soort van Nagtvogel, dien men in[10]Noord Amerikabyna den gehelen nagt over hoort schreuwen.CatesbyenEdwards7beiden hebben hem beschreven en afgebeeld.Linnæushoudt hem voor een soort van denCaprimulgus Europæus,8dewyl de gedaante, de kleur, en de eigenschappen deze beide vogels bezwaarlyk doen onderscheiden. Dog het geluid van den Amerikaanschen vogel doet hem van den Europischen en van alle andere vogels onderkennen. Men vindt hem hier des winters niet, dog hy komt met de lente weder. Ik hoorde hem voor ’t eerst den 22. April, en vele menschen zeiden dat dit de eerste zomer was dat zy hem hoorden. ZynEngelscheenZweedschenaam worden van zyn geluid ontleend; maar om juist te spreken, hy roept niet eigenlykWhipperiwillofWhip-poor-will, dog veeleerWhipperiwhip, wordende de eerste en laatste lettergrepen duidelyk uitgesproken en de twee middelsten kort. DeEngelschenveranderen dit geluid inWhip-poor-willom het enige betekenis te geven, als wilde het zeggen denarmen wilden man te kastyden. Men hoort nog ziet dezen vogel noit by dag, dog na het ondergaan der zon begint hy te roepen, en houdt daarmede den nagt over aan. Na enigen tyd op ene plaats geroepen te hebben, vliegt hy naar ene andere en begint daar op nieuws. Hy komt gemeenlyk verscheiden’ malen op enen nagt, en laat zig digt by de huizen horen. Ik heb dikwyls des avonds laat gezien dat hy op de huizen kwam zitten om te roepen. Hy was niet zeer schuw, want als men stil bleef liet hy zig ten eersten horen. Hy zoekt de huizen ter oorzake der Insekten, waarvan hy leeft, die des avonds digt by de huizen talryk zyn. Als hy stil zat te schreuwen, en een Insekt zag voorby vliegen, vloog hy het schielyk na, ving het, en zettede zig weder neer. Somtyds hoort men ’er vier, vyf, of meer van, digt by malkanderen, als ware het om stryd, roepen, en een groot geweld in de bosschen maken. In de steden hoort men ze zelden, zynde zy daar of uitgeroeid of verjaagd door het gedurige schieten. Zy houden niet van op de bomen te zitten, maar zyn het meest op den grond, of in laag kreupelhout, of op de onderste palen van de tuinen. Zy vliegen altyd digt by de aarde. Des avonds houden zy met roepen aan tot dat het geheel donker is, zyn dan stil tot dat de dageraad begint te naderen, en schreuwen dan tot dat de zon opkomt. Schoon ik met voordagt ’er naar luisterde, heb ik ze noit in ’t midden van den nagt gehoord, en velen anderen is het zelve gebeurd. Men zegt dat zy gene nesten maken, maar twee eyeren in het open[11]zand leggen. Myn Bediende schoot eens op enen, en, schoon hy hem miste, viel hy egter van schrik neder, lag enigen tyd als dood, dog kwam naderhand by. Hy tragtte noit te byten als men hem in de hand had, dog zogt zig los te spartelen. Boven en vlak onder de ogen had hy, gelyk andere Nagtvogels, verscheiden’ zwarte, lange en harde hairen. DeEuropersaten dezen vogel.Catesbyverhaalt dat volgens het zeggen derWildenmen dezen vogel noit vernomen heeft voor het leveren van enen zekeren slag, waarin deEngelscheneen groot getalWildendeden sneuvelen; en derhalven denken zy dat deze vogels, die zo rusteloos zyn en zulk een droevig geluid maken, de zielen zyn hunner gesneuvelde Voorouders.Bloeyende bomen.Den 24. April begonnen deKarssebomenhunnen bloeisem te vertonen. Zy hadden reeds tamelyk grote bladeren. DeAppelbomenbegonnen ook te bloeyen, dog de Karssebomen waren hun voor. Dog zy kregen ook ene groenagtige kleur van hun uitspruitend blad.DeMoerbeziebomenstonden nog geheel naakt; zo dat ik met verdriet opmerkte dat deze boom een van de laatsten is die groen wordt, en een van de eersten die zyne vrugten tot rypheid brengt.Den 26. reisde ik des morgens naarPenn’s Neck. DeTulpebomen, vooral de volwassenen, zagen ’er geheel groen uit, zynde reeds in ’t blad; dus is deze boom een van de vroegsten die zyn blad krygt.Ik zag heden voor het eerst denSassafrasboombloeyen. De bladeren waren nog niet uit. De bloemen ruiken aangenaam.DeLupinus.DeLupinus perennisis menigvuldig in de bosschen, en wast in goede en kwade gronden. Dikwyls zag ik hem op schrale gronden en heiden tieren, waar niets anders voortkomen kon. Zyne bloemen, die gemeenlyk in Mai voor den dag komen, staan zeer frai door haren purperagtigen weerschyn. Men zeide my dat het vee deze bloemen gaarne eet; dog het speet me dikwyls te ondervinden dat het ’er zo fel niet op was als men zeide, vooral als ’er iets anders te eten viel, en dan raakte het deze plant zelden aan, hoe malsch en groen zy ’er ook uitzag. De paarden aten de bloemen, maar niet de stelen en bladen. Als het vee deze plant in de lente eten zal, moet de noodzakelykheid en de honger ze smakelyk maken. Men vindt hier gene zo schoon met gras bewassen weilanden als inZweden, in de bosschen moet het vee zyn voedsel zoeken. De grond is daar gemeenlyk gelyk, ten minsten zyn ’er weinig heuveltjes. De bomen staan wyd uit malkander, dog de grond tusschen hun is niet met groene zoden bedekt, want daar zyn maar weinig soorten van gras, en dat staat zeer yl. De grond is zeer los, ten dele door de menigte van verrotte bladeren die denzelven een groot deel van het jaar bedekken. Dus vindt het vee[12]weinig gras in de wouden, en moet zig behelpen met al wat het krygen kan, het zy goed of kwaad. Ik zag dit voorjaar het vee de jonge scheuten van ’t geboomte afbyten en opeten, want ’er waren nog gene planten opgekomen, en die staan ook zeer schaarsch hier en daar verspreid, gelyk ik reeds heb aangemerkt. Dus kan men ligt begrypen dat de honger het vee dwingen kan om planten te eten die het niet zoude aanraken als het beter voedsel kon vinden. Egter denk ik dat het der moeite waard zyn zoude deze plant ter verbetering van magere gronden te gebruiken, en dat het niet onmogelyk zoude zyn middelen te vinden om ze het vee smakelyk te maken.Eiken.DeEikenhebben hier dezelve eigenschappen als deEuropischen. Zy behouden hunne dode bladen byna den gantschen winter over, en krygen eerst laat anderen. Zy begonnen eerst ’er enige weinigen te vertonen.De Hommelvogel.DeHommelvogel, by deZwedenKoningsvogel,9genoemd, kwam dien dag het eerst te voorschyn.Een Kever.De Kever, byLinnæusMeloë Proscarabæus, zat op de bladeren van den witten Nieswortel,10en at ze. Ik zag ze in weinig minuten een gantsch blad opeten. Sommigen hadden zig zo dik gevreten dat ze kwalyk kruipen konden. Dus was deze plant, die voor andere, dieren volstrekt dodelyk is, voor hun een lekker voedsel.Ligtgevendevliegen.DeLigtgevende Vliegenverschenen dezen avond voor het eerst van ’t jaar, en vlogen tusschen ’t geboomte. Het was als of ’er vuurvonken door de lugt vlogen. Elders zal ik ze breder beschryven.Des avonds keerde ik weder naarRakoon.Late koude nagten.De Nagt tusschen den laatsten April en den 1. Mai was zo koud, dat by ’t opkomen der zon de grond zo wit was van den ryp als of het gesneuwd had. DeZweedscheThermometer stond 1½ gr. onder ’t vriespunt. Wy zagen geen ys in de wateren en rivieren die enige diepte hadden, dog op zulken in de welken maaromtrentdrie duimen waters was vond men ys van omtrent de dikte van een derde ener lyn. Den avond te voren was de wind zuidelyk, dog ’s nagts was het stil. De Appel- en Karssebomen waren in vollen bloei. De Persikebomen hadden al byna uitgebloeid. De meeste bomen in de bosschen hadden reeds nieuwe en tedere bladen, en het grootste getal stond te bloeyen, als de meeste Eiken, de Kornoeljebomen, de Hikories, Pruimbomen, Sassafrassen en Beuken.Planten beschadigd.De planten die van de vorst geleden hadden waren, I. deHikories, van de welken aan de jonge bomen de bladeren bevroren waren, zo dat zy na den middag geheel zwart waren. Het meeste blad was byna overal[13]digt by poelen en in de bosschen door de koude bedorven. II. DeZwarte Eiken, waarvan ’er velen waren wier blad beschadigd was. III. De jongeWitte Eikenhadden ook veel aan hun blad geleden. IV. De bloeisems der Karssebomen waren op vele plaatsen ook beschadigd. V. De bloemen van deEngelscheWalnootbomen hadden zeer veel geleden. VI. Sommige bomen van deRhus glabrahadden al loof, het welk geheel bevroren was. VII. Van deRhus radicanshadden de jonge tedere bomen veel van de vorst geleden, en hunne bladen waren gedeeltelyk dood gevroren. VIII. Van deThalictraof wilde Ruite waren en bloemen en bladen beschadigd. IX. Van hetPodophyllum peltatumwas ’er van de vyf honderd pas een dat geleden had. X. Een groot deel Varen, onlangs opgekomen, was vernield. Vele andere gewassen waren ’er nog beschadigd, dog ik konde ze wegens hunne kleinte niet onderkennen.Bartsia coccinea.DeBartsia coccineawies overvloedig in verscheiden lage weiden. De knoppen waren reeds schoon karmynrood, en gaven aan de weiden een sieraad. Men heeft nog geen ander gebruik van deze plant gemaakt, dan dat zy het oog verlustigt.Walnootboom.Een van deZwedenhad hier enenEngelschenWalnootboom11in zynen tuin geplant, die nu twee vadem hoog was. Hy stond in vollen bloei, en had reeds grote bladen; maar de zwarte Walnootbomen, die hier van zelven wassen, hadden nog bladeren nog bloemen. Dog de vorst van den laatsten nagt had alle de bladeren van den Europischen boom vernield. Dr.Franklinzeide my naderhand, dat ’er sommigeEngelscheWalnootbomen tePhiladelphiageplant geweest waren die wel slaagden, dog de vorst doodde ze allen.Bomen die nog geen blad hadden.Ik gaf nauwkeurig agt op de bomen die nog geen blad hadden, en dezen waren:De zwarte Walnootboom, de Esch, deAcer Negundo, hier dewitte Eschgenoemd, deNyssa aquatica, dePersimon, devitis Labruscaof wilde Wyngaard, en deRhus glabraof deSumach.Uitlopende bomen.De bladen der volgende bomen waren nu aan ’t uitkomen; de Rode Moerbezie en Kastanjeboom, de Waterbeuk, en de Sassafrasboom. Van de Hikories hadden sommigen reeds grote bladeren, dog anderen hadden ’er nog genen. By de verscheidenheden die men onder dit soort van bomen heeft, denk ik, zal ook het zelve verschil plaats hebben.DeVirginischeKarsseboom wast hier en daar in de bosschen. Zyne bladen waren reeds tamelyk groot, dog zyne bloemen waren nog niet volkomen open.[14]De Sassafrasboom stond overal in bloei, dog zyne bladeren waren nog niet geheel en al ontwikkeld.DeStoraxboom.DeLiquidambar Styracifluaof deStoraxboomwast in de bosschen, vooral in enen natten grond, in en by waterstroompjes. DeEngelschennoemen hemSweet Gum-tree. De bladen begonnen in het bovenste des booms uittespruiten. Deze boom wordt zeer zwaar, en hy wykt in hoogte den grootsten sparren en eiken niet. Wanneer hy begint hoog te worden sterven de onderste takken, vallen af, en laten ten laatsten den stam gantsch glad en zonder takken, houdende de boom alleen maar ene kroon boven aan. De zaden zitten in ronde hoekige huisjes, die in den herfst afvallen; en dewyl de boom zeer hoog is dryven de winden de zaden zeer ver heen.Men kan dit hout zeer glad maken, vermits deszelfs aderen zeer fyn zyn, dog het is niet hard, zo dat men ’er met een mes letters in kan snyden, die ’er schynen in gegraveerd te zyn. De HeerLewis Evanszeide my ondervonden te hebben, dat ’er in dit Land geen beter hout is om gegoten metalen in te bearbeiden dan dit. Ik vroeg den HeerBartramof hy de gom van dezen boom gevonden had, die zo beroemd is in de Geneeskonst. Hy zeide my dat een zeer sterk ruikende gom altyd uit iedere snede loopt die in den boom gemaakt wordt, dog dat de hoeveelheid hier te gering was om de moeite van ’t verzamelen te vergoeden. Deze ruikende gom heeft denEngelschennaam voortgebragt. Hoe meer men zuidwaards komt des te groter hoeveelheid van gom geeft de boom, zo dat ze daar ligt te verzamelen is. De HeerBartramwas van gedagte dat deze boom eigenlyk voor de lugtstreek vanKarolinageschikt is, dog door verscheiden’ toevallen verder noordwaards, tot inNew Yorktoe, het welk zyne uiterste grenspalen schynt te zyn, is gebragt geworden. In de zuidelyke gewesten brengt de warmte de gom rykelyk voort, dog zo gaat het niet in ’t noorden.Reis naarSalem.Den 2. Mai reisde ik naarSalemmet inzigt om het Land te zien.Geboomte.DeSassafrasboomstond hier en daar in de bosschen en om de rasteringen. Men kon hem nu van verre door zynen bloeisem ontdekken, die nu open zynde hem geheel geel maakte. Het blad was nog niet uit.Weiden.Op sommige weilanden was het gras reeds tamelyk hoog; dog men moet aanmerken dat deze weiden moerassig zyn, en dat ’er geen vee dit jaar was op geweest. Deze weilanden worden tweemaal in ’t jaar gemaid, te weten in Mai en het einde van Augustus. Ik zag dezen dag enigen van deze weiden, waarop het gras reeds bekwaam was om gemaid te worden, en vele weilanden inZwedenhebben in den hoityd zo goed gras niet. Deze weiden lagen in vallyen en by poelen, waar[15]de Zon grote kragt oeffent. Het gras bestond voornamelyk uit dat soort ’t welkCarexgenoemd wordt.Pruimbomen.De wildePruimbomenwaren nu overal in bloei. Zy wassen hier en daar in de bosschen, dog gemeenlyk digt by moerassen op natte gronden. Men kent ze van verre aan hunnen witten bloeisem. De vrugt is schoon op ’t oog, en wordt ryp zynde gegeten.De Kornoeljeboom.DeCornus FloridaofKornoeljeboomwast in de bosschen, op de heuvels, op de vlaktens, in de dalen, in poelen en by beekjes. Dus kan ik niet zeggen welke zyn regte grond is; egter schynt hy op enen lagen dog niet vogtigen grond het best te slagen. Hy was nu versierd met zyne grote witte bekleedsels waarin de bloemen zitten, die den boom van verre doen in ’t oog lopen. Het is om dezen tyd een vermaak door de bosschen te reizen, zo schoon worden zy gemaakt door den bloeisem van dezen boom. De bloemen die in de bekleedsels zyn opgesloten begonnen dezen dag open te gaan. De boom komt tot gene grote hoogte of zwaarte, dog krygt omtrent die van onzen Sorbeboom. Daar zyn drie soorten van dezen boom in de bosschen, een met grote witte bloembekleedsels, een twede met kleine witten, en een derde met roodagtige.Gevogelte.De bosschen waren thans vol van vogelen. Ik zag, vooral de kleinder soorten, overal op den grond huppelen, of onder ’t kreupelhout kruipen, zonder zeer schuw te zyn, dus het den slangen zeer ligt valt ze te doden. Ik geloof dat de Ratelslang weinig meer te doen heeft dan stil te leggen, en, zonder dat zy lang behoeft te wagten, zal wel de een of de ander kleine vogel haar op ’t lyf lopen en gelegenheid geven van hem zonder betovering te vangen.Salem.Salemis ene kleine handel dryvende plaats, een stuk wegs van deDellawareafgelegen. De huizen staan ver van malkander, en zyn ten dele van steen en ten dele van hout. Een beekje loopt langs de Stad en valt in deDellaware. De Ingezetenen leven van den handel zo goed als zy konnen. In de nabuurschap vanSalemzyn sommige lage en moerassige weiden, en om die reden wordt het voor ene ongezonde plaats gehouden. De ondervinding heeft doen zien, dat zulken die zig hier van andere plaatsen kwamen nederzetten zeer bleek en ziekelyk wierden, schoon zy in ene volmaakte gezondheid waren en ’er wel uitzagen op hunne aankomst. Deze ziekelyke toestand blyft hun gemeenlyk altyd by. De schuld hiervan geeft men aan de stinkende uitwaassemingen der moerassen, die men zelfs van verre door den reuk gewaar wordt. De afgaande koortsen heerschen hier zeer sterk tegens den herfst. Twee jonge lieden, die met my naarAmerikawaren overgekomen, gingen gezond en wel naarSalem, dog binnen[16]weinig weken vielen zy ziek, en eer de winter half om was waren zy beiden dood.Saffraan.DeSaffraanwordt hier veel geplant, dog zy is zoo goed en zo sterk niet als deEngelscheenFransche. Misschien wordt zy beter als zy enige jaren, gelyk de Tabak, gelegen heeft.Katoen plant.HetGossipium herbaceum, of de Katoen die op ene plant gevonden wordt, is een gewas van maar een jaar, en velen van de Ingezetenen vanSalembegonnen het te zaijen. Sommigen kregen de zaden uitKarolina, waar grote Katoenplanteryen zyn, dog anderen hadden ze uit de Katoen die zegekofthadden uitgeplukt en geplant. Men zeide dat men in ’t eerst moeite had om de zaden der hier geplante Katoen tot rypheid te krygen, want inKarolina, van waar men ze gekregen had, zyn de zomers veel langduriger en warmer. Dog naderhand hebben de zaden zig meer naar de lugtstreek gewend, en komen vroeger aan en tot rypheid.Rakoon.Des avonds keerde ik naarRakoonte rug.DeCrabtree.Crabtreeis de naam van een soort van wilde Appelbomen, die in de bosschen groeyen, maar vooral op kleine heuveltjes by de rivieren.12InNew Jerseyis de boom enigsins raar, dog inPensylvanieis hy overvloedig. Sommigen hadden enen enkelden van deze bomen digt by hunne Landhoeven geplant, om den aangenamen reuk van zyne bloeisems. Hy had den 4. Mai sedert een dag of twee begonnen te bloeyen. De bloemen zyn juist gelyk aan die van den gemenen Appelboom, uitgenomen dat die van denCrabtreewat roder kleur hebben, schoon op sommige Appelbomen de bloemen al zo rood zyn. Dog de reuk onderscheidt ze volkomen, want deze wilde bomen ruiken zeer aangenaam. De Appelen van deze bomen zyn klein en zuur; egter zeide men dat zy eetbaar waren. Zy blyven den gantschen winter over onder den boom leggen, krygen dan ene gele kleur, en bederven zelden eer dan in de lente.Aanmerking.Ik kan niet voorby hier ene aanmerking te maken. DeCrabtreesbegonnen eerst den 3. of 4. Mai hunne bloemen te tonen, daar integendeel de gemene Appelbomen, die uitEuropaovergebragt waren, al hunnen bloeisem kwyt waren. Zo begonnen ook de wilde Karssebomen eerst den 12.Mai te bloeyen, en de tammen bloeiden reeds den 24. April. De zwarte Walnoten uit dit Land oorspronglyk hadden nog bladen nog bloemen, schoon deEuropischenreeds grote bladen en bloemen droegen. Hieruit blykt dat bomen uitEuropaovergebragt,[17]schoon van den zelven aard als de wildeAmerikaanschen, veel vroeger bloeyen dan de anderen. Ik kan de reden hiervan niet zeggen, of het moest zyn dat deEuropischebomen aan ’t bloeyen gaan zodra zy dien trap van warmte krygen daar zy in hun vaderland aan zyn gewend. Zy weten niet, zou men zeggen, dat hier na zulk ene warmte een of meer koude nagten staan te wagten, die hunne bloeisems vernielen kunnen, want in de koude landen komen zelden na zo hete dagen zo koude nagten die den bloeisem kunnen beschadigen.13Integendeel schynen de wilde bomen van dit Land geleerd te hebben zig op die vroege warmte niet te verlaten, maar te wagten naar ene sterker hitte, wanneer zy voor gene vorst meer te vrezen hebben. Hierom gebeurt het dikwyls dat de bloeisem van deEuropischebomen dood vriest, daar de inlandschen niets lyden. Wy erkennen hier de wysheid van den Schepper.Reis naarRapaapo.Vroeg in den morgen van den 5. Mai ging ik naarRapaapo, een groot dorp bestaande uit zeer verstroid leggende landhoeven. Daar woonden volstrekt niets danZweden, zo dat de Ingezetenen deZweedschetaal behouden hebben met maar enigeEngelschewoorden vermengd. Myn oogmerk was gedeeltelyk den oord te bezigtigen, kruiden en andere merkwaardige dingen te zoeken, en deels om de plaatsen te vinden waar de Witte Ceder, ofCupressus thyoidesgroeit.Pinxterbloemen.DeMaibloemen, zo als deZwedenze noemen, waren overal menigvuldig in de bosschen, vooral op droge of ten minsten niet zeer natte plaatsen. DeZwedengeven haar dien naam om dat ze in Mai in vollen luister staan. SommigeZwedenen deHollandersheten zePinxterbloemen, om dat zy wezenlyk om Pinxteren bloeyen. DeEngelschennoemen zeWild Honeysuckles, en op enigen afstand hebben zy wel wat gelykenis naar de Kamperfoelie.14De bloemen waren nu open, en gaven een nieuw sieraad aan de bosschen, zynde weinig minder schoon dan de bloemen van de Kamperfoelie en hetHedysarum. Zy zitten rondom ’t bovenste van den steel, en zyn of van ene donker rode of van ene levendig rode kleur, dog als zy enigen tyd gestaan hebben worden zy van de zon gebleekt en allengskens wit. Ik weet niet hoeColdenze geel kan noemen.15Zy wassen niet altyd even hoog. Sommigen waren zo groot als een volwassen man, en groter zelfs, anderen waren laag, en sommigen kwamen niet boven drie of[18]vier duimen van den grond, egter waren ze allen vol van bloemen. Men heeft nog geen gebruik van deze plant weten te maken, alleen zet men de bloemen in potten tot sieraad. Zy hebben enigen geur, dien ik egter niet lieflyk vinden kan. Dog de fraiheid der kleur maakt ze ene plaats in den bloemtuin waardig.Rogge.Ik zag dien dag voor het eerst van het jaar enige airen vanRogge. InZwedenbegint zy omtrent den 18. Mai O. S. hare airen te vertonen. Dog inNieuw Zwedenzeide men dat men ze reeds in April plegt te zien, zelfs al komt de lente laat. Deze lente wierd overal voor ene van de laatst komenden gehouden.Bullfrog.Manteskoris de naam dien deZwedenaan een soort van Kikkers geven. DeEngelschennoemen zeBullfrogs,16ofBulkikkers. Ik had dien dag voor de eerste maal gelegenheid ze te horen en te zien. Ik hoorde onverwagt onder ’t ryden een gebulk, zo dat ik niet anders meende of er was een stier in ’t kreupelhout, dewyl ik aan dezen Kikker niet dagt. Ik begon bevreesd te worden dat misschien een boosaardige stier digt by my wezen mogt, schoon ik hem niet zag. Ik bleef ook in die gedagte tot dat ik een uur of twee later met enigeZwedenover dit soort van Kikkers in gesprek kwam, en toen begreep ik dat het ’er een geweest moest zyn dien ik onder weg zo had horen bulken, want men zeide my dat ’er ene menigte van hier in ’t water waren. Ik ving ’er vervolgens enigen. Hy is ontwyffelbaar de grootste van alle de Kikkers hier te lande. Men zeide dat zy tegens den herfst, wanneer het begon koud te worden, zig in de modder begraven, waar zy slapende den winter overblyven. Maar zo schielyk het begint warm te worden komen zy weder te voorschyn en beginnen hunne stemmen te laten horen. Als het ene vroege lente is verneemt men ze reeds op het einde van Maart O. S. Zy onthouden zig voornamelyk in stilstaande poelen. Daar vindt men ze in tamelyke menigte, dog niet veel in lopend water. Als ’er velen by een zyn maken zy een verschrikkelyk geraas wanneer zy allen te gelyk aan ’t schreuwen gaan. Hun geluid is volkomen dat van enen stier die een weinig heesch is. Men heeft somtyds werk van malkander te verstaan als zy regt aan ’t schreuwen zyn. Zy bulken allen te gelyk, houden dan een weinig op, en beginnen weer op nieuw. Men zoude zeggen dat zy enen Kapitein hadden, zo dat als die begint zy allen hunne kelen opzetten, en als hy ophoudt zy allen stil zyn. Als de Kapitein het teken geeft van te zwygen hoort men hem een geluid geven als dat vanpoep. By dag[19]gaan zy zelden zo vreeslyk aan als het geen donker weder is, dog des nagts laten zy zig vooral horen. Des avonds, als het stil is, kan men ze wel anderhalveEng.myl ver vernemen. Zy zitten als zy schreuwen aan de kanten van het water onder het hout, en steken de koppen boven. Dus kan men, als men zagtjes gaat, ze zeer naby komen, voor dat ze voortgaan. Zodra zy onder water zyn agten zy zig in veiligheid, al is het water nog zo klaar.Somwylen zitten zy een eind wegs van ’t water af, dog vernemen zo dra geen onraad of zy spoeden zig naar den poel. Zy kunnen sterk springen, en doen in elken sprong somtyds meer dan twee vadem wegs af. Ik hoorde de oudeZwedenene grappige historie vertellen, die gebeurd was toen deZwedenen deWildennog by malkander woonden. Het is bekend dat die menschen zeer sterk lopen kunnen. Ik heb ze by den GouverneurJohnsonde beste paarden in vollen loop niet alleen zien byhouden maar zelfs voorby snellen. Om nu te tonen wat treffelyke springers deze vorsschen zyn, hadden enigeZwedenmet enen jongenAmerikaangewed dat hy den Kikker niet zoude inhalen, mits die twee sprongen vooruit ware. Men bragt dan enenBullfrog, die in een naburig water gevangen was, zettede hem op den grond, en brandde hem op den rug; het vuur en deAmerikaan, die de Vorsch zogt intehalen, deden het dier zyne sprongen sterk verdubbelen. DeAmerikaanbegon op den gestelden tyd te lopen, dog het geluid dat hy daar door maakte deed den Kikker zig des te meer haasten, zo dat hy ’t water bereikte eer hem deAmerikaankon bykomen.Sommige jaren zyn zy talryker dan anderen. Men wist niet te zeggen of de slangen oit dit soort van Kikvorschen eten, gelyk zy alle de kleindere soorten doen. Zy verslinden jonge ganzen en endvogels, en halen ook wel kiekens weg, die te digt by ’t water komen. Ik heb niet gemerkt dat zy byten als men ze in de hand houdt, schoon zy kleine tandtjes hebben; als men ze slaat schreyen zy gelyk kleine kinderen. Men verhaalde my dat sommige lieden de agterbouten dezer Kikkers eten, en dat dit ene smakelyke spys is.Witte Jeneverboom.DeWitte Jeneverboom, gelyk hem deZwedennoemen, wast in de poelen hier en in andere gewesten vanAmerika. Zyn stam ziet ’er uit als die van onzezwarteJeneverbomen, dog de bladen zyn anders. DeEngelschennoemen hem denWitten Ceder, om dat de planken die ’er van komen naar die van den Ceder gelyken. Dog de boom hoort eigenlyk tot het soort der Cypressen,17zo dat nog deZweedschenog deEngelschenaam de regte is. Hy groeit altyd in natte[20]gronden, dus is het moeilyk by hem te komen, zynde de grond tusschen de kleine heuveltjes gemeenlyk onder water. De boom wast zo wel op die heuveltjes als in het water. Zy staan digt by malkander, worden hoog en hebben regte stammen. Dog men heeft hun getal sterk verminderd. Daar men ze laat groeyen worden zy als de grootste dennen; zy bewaren hun groen in den winter. De zwaarsten hebben gene takken om laag. De poelen waarin zy wassen heten by deEngelschenCeder Swamps. Dezen zyn talryk inNew Jersey, en in sommige gedeeltens vanPensylvanieenNew York. De noordelykste plaats daar men hem tot nog toe gevonden heeft is byGosheninNew York, 41.gr.25.min. N.gelyk ik van Dr.Coldengehoord heb. Meer noordwaards wast hy niet in ’t wild. Hy is een van die bomen die ’t meest der verrottinge wederstaan, en hy blyft langer goed boven dan onder de aarde. Om deze reden gebruikt men hem tot verscheiden’ eindens, als tot heiningen en palen, dog daartoe is egter de Rode Ceder beter. Voor Kanoos is hy goed. De jonge bomen worden gebruikt tot hoepels om tonnen en vaten, de zwaren tot timmerhout. Ook bouwt men ’er huizen van, die langer duren dan die vanAmerikaanschEikenhout getimmerd zyn. Vele huizen teRapaapowaren van dit hout; dog het best dat ’er van gemaakt wordt zyn berden voor de daken, die men voor de besten van allen houdt, om dat zy ’t duurzaamst zyn, uitgenomen alleen die uit het Rode Cederhout, en om dat zy zeer ligt zyn, zo dat ’er gene zware sparren gevorderd worden, om het dak te schragen. Om deze reden behoeven de muren ook niet zwaar te wezen. By brand is ’er ook geen groot gevaar van het vallen dezer berden te vrezen, dewyl zy zo ligt zyn; ook zuigen zy het water in, zynde zy zeer sponsagtig, zo dat de daken in zulk een geval ligt kunnen nat gemaakt worden; egter belet hunne vettigheid dat het water ze zoude bederven. Als zy in brand staan, en de wind de brokken voortjaagt, vallen zy byna als dove kolen neder, en verspreiden den brand niet ligt verder. Ook kan men des noods zulke daken gemakkelyk doorhouwen. Om deze hoedanigheden houdt men veel van dit hout voor de daken, als men het krygen kan. Dit maakt dat alle de kerken en de huizen der best gestelde borgers daken van berden hebben. InNew Yorkwast wel dit hout niet, dog men laat het veel van andere plaatsen komen. Velen van deze berden worden ten dien einde jaarlyks vanEggharbouren andere plaatsen vanNew Jerseynaar de StadNew Yorkuitgevoerd, van waar zy het gantsche gewest over worden gezonden. Ook worden ’er velen naar deWest Indiengebragt. Dus arbeidt men hier met alle magt om niet alleen deze bomen te verminderen, maar zelfs om ze geheel uitteroeyen. Men denkt hier, vooral omtrent het hout, maar om het tegenwoordige, en geensins[21]om de nakomelingschap. Dit is de oorzaak dat veleCederswampsgeheel van grote bomen ontbloot zyn, en dat men ’er maar enige weinige kleine boompjes in vindt, en ik heb opgemerkt, door het tellen van de houtkringen, dat zy niet schielyk groeyen, en enen langen tyd nodig hebben eer zy voor timmerhout dienen kunnen. ’T is bekend dat een boom ieder jaar een kring krygt; een stam van agttien duim in de middellyn had honderd en agt kringen aan zyn dikker eind; een ander van twee voet in ’t kruis had honderd twee en veertig kringen. Dus worden ’er tagtig jaren groeyens vereischt eer een van deze bomen, uit een zaad gefokt, bekwaam is tot timmerhout. Onder de voordelen die deze Witte Cederen berden boven anderen hebben, rekent men hunne lugtigheid; dog deze hoedanigheid zou met den tyd wel nadelig voorPhiladelphiaen andere plaatsen kunnen worden. Ik heb de dikte der muren van verscheiden huizen gemeten die drie verdiepingen hoog waren, behalven de kelders en de zolders, en vond ze meest negen en enen halven of tien duimen dik; en dus is het geen wonder dat by geweldige orkanen de gevels van vele stenen huizen door den wind geschud worden, vooral die wat bloot staan. En dewyl deze bomen haast zullen ontbreken, en men genoodzaakt wezen zal zwaarder stoffen tot het maken van daken te gebruiken, zullen die zwakke muren, die nu genoegzaam den last van het dak dragen kunnen, niet meer voldoen, en instorten, of moeten onderstut worden, of men zal genoodzaakt zyn ze geheel aftebreken. Sommigen gebruiken de spaanders van dit hout als thee, en verzekerden my dat deze thee veel gezonder was dan enige andere. Alle de Ingezetenen hier waren van gedagte dat het water in deCederswampsgezonder om te drinken is dan enig ander; het verwekt enen groten eetlust, het welk men tragtte met verscheiden’ voorbeelden te bewyzen. Men schryft deze eigenschappen ten dele aan het water zelf toe, het welk door den harst van den boom bezwangerd wordt, en ten dele aan de uitwaassemingen van den boom, die zig door den reuk doen vernemen. Ook dagt men dat de geelagtige kleur van het water, dat tusschen de bomen in staat, van den harst der bomen komt, die uit de wortels uitsypert. Ook kwamen zy allen hierin overeen, dat dit water altyd zeer koud is zelfs in ’t heetste van den zomer, het welk gedeeltelyk schynt te komen van de schaduw die de bomen maken. Ik kende verscheiden’ lieden die voornemens waren naar deze moerassen te gaan, om het water, ter herstelling van hunnen eetlust, te gebruiken. De HeerBartramplantte enen witten Ceder in enen drogen grond, dog hy wilde daar niet slagen. Hy zettede hem toen in ene moerassige aarde, waar hy scheen als te herleven en wel voort kwam, en, schoon hy niet meer dan eens mans hoogte bereikte, was hy vol van zaadhuisjes. Ene zaak is nog ten opzigte van dezen boom merkwaardig. De HeerBartramhad twee[22]jaren in de lente zyne takken afgesneden en ze in de natte aarde gestoken, waar zy wortelen geschoten hadden en voortgekomen waren. Ik heb dit met myne ogen gezien.Rode Jeneverboom.DeRode JeneverboomderZweden, dog by deEngelschenenFranschenRode Cedergeheten, is een boom daar ik al dikwyls van gewaagd heb. DeZweedschenaam is de eigenlykste, aangezien de boom tot het geslagt der Jeneverbomen behoort.18Als hy eerst begint te wassen gelykt hy veel naar denZweedschenJeneverboom,19dog naderhand krygt hy geheel andere bladen. De bes gelykt volmaaktelyk die van denZweedschenJeneverboom, ten opzigte van hare kleur en gedaante, dog zy zyn zo dik niet, schoon zy zeer hoog worden. TeRakoonstonden deze bomen verspreid en waren niet zeer zwaar. Dog op andere plaatsen heb ik ze op bossen by malkander zien staan. Zy beminnen den zelven grond als deZweedscheJeneverbomen; vooral vindt men ze op de schuinschtens by de rivieren, in ene drooge en veeltyds schrale aarde. Ik heb ze overvloedig, zo zwaar als de grootste dennen, op droge en magere heiden zien groeyen. Naar den kant vanKanadaof in de nog noordelyker delen, waar ik ze ontmoet heb, zoeken zy de steile kanten der bergen, en wassen daar onder de gemene Jeneverbomen. De noordelykste plaats waar ik ze in ’t wild gevonden heb is inKanada, agttienFranschemylen ten zuiden van het FortSaint Jean, omtrent 44.gr.30.min. N.Ook heb ik dezen boom zeer wel zien voortkomen op het Eiland vanMagdalena;20behorende aan den Gouverneur vanMontreal, den BaronDe Longueil. Dog hy was uit meer zuidelyke oorden derwaards overgebragt. Dit hout is ontwyffelbaar het duurzaamste dat dit Land oplevert. Om die reden gebruikt men het in alle gevallen waarin men voor het rotten van het hout te vrezen heeft, vooral voor palen, die in den grond moeten geslagen worden. Sommigen zeggen dat als een yzer nevens enen paal van dit hout in den grond gestoken wordt, het yzer al zo schielyk door den roest vergaan zal als de paal verrotten. Op vele plaatsen worden de heiningen, zo wel de palen als de balken, van dit hout gemaakt. Ook maakt men ’er de beste kanoos van, die langst duren en ligt zyn. TeNew Yorkheb ik tamelyk zware Jagten gezien die van dit hout gebouwd waren. Dog vele Jagten die vanNew Yorkde rivierHudsonop naarAlbanygaan zyn op ene andere wys gebouwd, gelyk ik voorheen al aangetekend heb. TePhiladelphiakan men van dit hout gene vaartuigen maken, omdat het daar te schaarsch en niet zwaar genoeg is. Om de zelve reden gebruikt[23]men daar denRoden Cederook niet om de huizen te dekken, dog daar dit hout gemeender is maakt men ’er zeer goede daken van. Het merg van dezen boom is van een schoon rood, en al wat ’er van gemaakt wordt is zeer frai en geeft enen lieflyken en gezonden reuk. Dog de kleur verbleekt allengskens; was dit zo niet zo zoude ’er geen schoonder hout voor schrynwerk wezen. Ik zag ene zaal ten huize van den HeerNorris, een van dePensylvanischeParlementsleden, zynde eenQuaker, sedert vele jaren met dit hout beschoten. Die Heer verzekerde my dat de Ceder in ’t begin ’er zeer frai had uitgezien, dog toen ik ’er was was de kleur geheel verbleekt, zo dat het zeer lelyk stond. Byzonderlyk had de zon by de vensters de kleur geheel doen verschieten, zo dat menMahoganyin de plaats had moeten nemen. Evenwel wierd my verzekerd dat het hout zyne kleur bewaart als ’er een dun vernis wordt opgelegd wanneer het nog nieuw, en maar kort van te voren geschaafd is, en men zorg draagt dat het naderhand niet gestoten of gewreven worde. Ten minsten doet het vernis de kleur langer stand houden dan anders. Om den aangenamen reuk die het hout heeft, leggen sommigen de splinters en de krullen ’er van tusschen het wollen goed, om het voor de motten te bewaren. Om die zelve reden maakt men ’er ookbureauxen ander werk van. Dog deze reuk gaat ’er van af, en dan dient het hout niet langer om het ongedierte te weren. Somtyds wordt het naarEngelandvoor timmerhout gezonden, en wel betaald. Op de landgoederen der aanzienlykste lieden vanPhiladelphiavindt men gemeenlyk ene laan van deze bomen, die van den groten weg naar het huis gaat. De onderste takken houwt men af, en laat alleen de kroon over. In den winter, als de meeste andere bomen hun blad kwyt zyn, staan dezen zeer schoon. Deze boom groeit ook zeer langzaam, want een stam van dertien duimen in ’t kruis had honderd en agtentagtig kringen, een ander van agttien duimen had ’er ten minsten tweehonderd en vyftig, want velen van die kringen waren zo fyn dat men ze niet tellen konde. Deze boom wordt even als de gemene Jeneverboom voortgeplant, te weten door middel van de vogels, die de bessen opeten en de zaden geheel onbeschadigd kwyt raken. Ter aanmoediging van het aantelen van dezen nuttigen boom heeft men in ’t jaar 1749. in enenPensylvanischenAlmanak ene beschryving van de wys waarop dit het best geschieden kan, door den HeerBartramopgemaakt, ingelascht.Rakoon.Des avonds keerde ik naarRakoonte rug.DeMoerbezieboombegon omstreeks den 6. Mai te bloeyen, dog zyn blad was nog klein. Men onderscheidde deze bomen in mannelyken en vrouwelyken, en hield die welken noit vrugt droegen voor mannelyke en de anderen voor vrouwelyke bomen.[24]Smilax laurifolia.DeSmilax laurifoliawas menigvuldig in de poelen hieromstreeks. Hare bladeren waren nu aan ’t uitkomen, want zy laat die alle winters vallen. Zy klimt op langs de bomen en heesters, en loopt van den enen boom naar den anderen, zo dat zy de doorgangen sluit tusschen het geboomte, en het zeer moeilyk maakt door de bosschen en moerassen daar zy veel wast doortekomen. De steel is van onderen vol lange stekels, al zo sterk als die van den rozeboom, welken aan de klederen blyven haken en ze doen scheuren. Deze lastige plant kan een mensch, dat naar kruiden zoekt of anders door het hout gaat, zeer in verlegenheid en in gevaar brengen, want behalven de schade die zy aan de klederen toebrengt, die ’er geheel door bedorven worden, zo maakt zy de bosschen zo donker en ondoorkomelyk, dat men dikwyls op handen en voeten door de kleine openingen die zy hier en daar laat moet doorkruipen, en in dat geval kan men niet voorzigtig genoeg zyn om niet door ene slang, waarvan hier te lande ene grote menigte is, in ’t aangezigt gebeten te worden. De steel dezer plant heeft de zelve kleur als de jonge rozebomen. Hy is geheel groen en glad tusschen de doornen in, zo dat een onkundige de plant in den winter, wanneer zy zonder bladeren is, voor een soort van doorn nemen zoude.Rupsen.De bomen waren den 8. Mai vol vanRupsen; waarvan een soort byzonderlyk opmerking verdient. Dezen maakten grote witagtige webben tusschen de takken, zo dat men ze zelfs op enigen afstand kon zien. In elk van deze webben waren duizenden van Rupsen, die naderhand zig daaruit over de Appelbomen verspreidden. Zy vraten de bladeren op, en lieten ’er dikwyls niet een aan enen gehelen tak. Men verhaalde my, dat zy enige jaren geleden zo veel schade gedaan hadden, dat de Appel- en Perebomen nauwlyks enige vrugt voortbragten, en dat zelfs vele bomen stierven. Om de Rupsen te vernielen staken zy een bos stroo op enen stok gestoken in brand en hielden die onder de webben of nesten, waardoor een deel verbrandde en de overigen op de aarde vallen moesten. Egter kropen zeer velen van die Rupsen wederom in den boom, het welk men zoude hebben kunnen voorkomen als men ze dood getrapt had. Ik riep de hoenders naar zulke plaatsen waar velen van dit ongedierte kropen, dog zy wilden ze niet eten. Ook hielden ’er de wilde vogels niet van, want de bomen waren vol webben, schoon ene grote menigte vogeltjes in de tuinen en boomgaarden nestelden.De nagten bleven tot na het midden van Mai zeer donker. Een uur van zonsondergang was het onmogelyk een boek te lezen, hoe groot ook de druk mogt zyn. Om tien uren was het zo duister als inZwedenin de donkerste dog starreligte nagten van den herfst. Ook kwam het my voor, dat schoon de nagten helder waren, de starren[25]egter zo veel ligts niet gaven als by ons. En daar thans de meeste nagten de lugt geheel betrokken was, konde ik ze vergelyken by de regenagtige winternagten vanZweden. Dus was het in dit jaargety zeer bezwaarlyk van des nagts te reizen, daar menschen nog paarden den weg vinden konden. De nagten kwamen my, die aan de heldereZweedschezomernagten gewend was, hier zeer onaangenaam voor. Wy denken dikwyls, niet beter wetende, datZwedeneen niet zo goed land is als anderen. Zo andere gewesten hunne voordelen hebben, heeftZwedenook de zynen. En alles wel gewogen zynde, zo blyftZwedenaltyd een zo goed land als enig ander.Voordelen vanZwedenbovenNoord Amerika.Ik wil hier kortelyk aanmerken waarin ikZwedenden voorrang bovenNoord Amerikageven, en waarom ik, gelykUlysseszynItaka, het oudeZwedenboven hetNieuwestellen zoude.De nagten zyn hier den gehelen zomer over zeer donker, en des winters zyn zy ruim zo duister, zo niet duisterder, dan deZweedschewinternagten, want men ziet hier geen Noorderligt, en de starren schynen niet zeer helder. Het is iets buitengemeens als men eens of tweemaal in een jaar het Noorderligt ziet. Des winters legt ’er geen sneuw dan maar enige dagen, zo dat zy weinig toebrengt om de nagten optehelderen, en het reizen gemakkelyk te maken. En egter is de koude dikwyls al zo scherp als inZweden. De smeltende sneuw veroorzaakt veel nats. Ratelslangen, Hoornslangen, roodbuikige, groene en andere Slangen, tegens welker beet dikwyls geen middel is, zyn hier talryk. Voeg daar de Woudluizen by, die in de bosschen veeltyds zo menigvuldig zyn dat men ’er niet door gaan kan, zonder vol van dat ongedierte te raken, en dat men niet durft te gaan zitten, hoe aangenaam anders de oord zy. Hoe lastig zy voor menschen en beesten zyn heb ik in de Verhandelingen derKon. Zweedsche Maatschappybeschreven. Het weder is zo onbestendig, dat als men den enen dag de hette nauwlyks verduren kan, men den anderen over de koude klaagt. Zelfs verandert het weder dikwyls verscheiden malen op enen dag. Dit maakt zeer vele zieken. De hette is hier des zomers schrikkelyk, en de koude des winters somwylen doordringend. Dog voor de koude kan men middelen gebruiken, maar tegens de zware hette is niet veel te doen. Dikwyls is het gebeurd dat de menschen op het veld van de hette dood zyn ter neder gevallen. Ook heerschen hier vele ziektens, die jaarlyks toenemen. Inzonderheid ontsnapt byna niemant aan de anderendaagsche koortsen, maar moet die, nevens nog andere kwalen, meest ieder jaar doorstaan. Erwten kan men hier niet telen, wegens de wormen die ze opvreten. In de Rogge en op de karssenbomen zyn ook vele wormen. De rupsen verteren dikwyls al het loof op het geboomte, zo dat het dikwyls gene vrugt draagt, en ’er veeltyds van sterft. Het gras wordt ook veel van[26]’t gewormte vernield. Ook doet dat ongedierte de pruimen, nog niet half ryp, afvallen. De eikenbomen zyn ver na zo goed niet in ’t gebruik als deEuropischen. De heiningen houden ’t niet langer dan agttien jaar uit. De huizen staan niet lang. De weilanden zyn slegt, en het hoi deugt niet veel. In de bosschen moet het vee op kruiden azen die het niet dan in den hoogsten nood zal aanroeren. Dikwyls kan men in grote bosschen, daar de bomen ver uit malkander staan, nauwlyks een grasscheutje aantreffen. Dus wordt het vee genoodzaakt den gehelen winter en zelfs al ver in den zomer zig met jonge scheuten en takken van bomen te behelpen, daar somtyds geen blad aan zit. Dit maakt dat het vee zo weinig melk geeft, en jaarlyks in grootte meer en meer afneemt. De huizen deugen in den winter niet veel. Dikwyls ontstaan ’er stormen en orkanen, die ene menigte bomen uit den grond rukken, huizen en daken omwerpen, en vele andere schade doen. Enigen van deze nadelen zoude men door de konst kunnen voorkomen, dog velen kunnen in ’t geheel niet, of ten minsten niet zonder vele moeite, verholpen worden. Zo heeft elk land zyne voordelen en zyne ongemakken. Gelukkig hy die met het zyne kan tevreden zyn!Slegte Landbouw.De Rogge stond meest zeer dun en slegt, het welk grotendeels van de onagtzame wys van bouwen, en van de magerheid der akkers, die zelden of noit gemist worden, komt. Als men een stuk lands, dat enige honderden van jaren een woud geweest is, en daar ook gemeenlyk ene dikke tuinaarde legt, om te bebouwen genomen heeft, zo gaat men daarmede voort zo lang het iets dragen wil, en als het ophoudt iets voorttebrengen laat men het onbebouwd leggen, en neemt een ander stuk woest land, waar op nog ene vrugtbare aarde is. Zulk ene wys van landbouw kan maar enigen tyd geoeffend worden, en zy moet voor het toekomende zeer kwade gevolgen na zig slepen, die een ieder ligt voorzien kan. Dog enige weinigen gingen wat beter met hun land om. DeEngelschenhebben het in den landbouw verder dan enig ander volk gebragt. Dog de vrugtbare bovenkorst, die zy, by hunne aankomst hier te lande, op enen grond die altyd met zwaar geboomte was bedekt geweest vonden, heeft hen tot onagtzame akkerlieden gemaakt. Het is bekend dat deWildenvan onheuglyke tyden af dit land bewoond hebben, en dat zy byna geen land bebouwden, dog alleen van de jagt en vischvangst leefden. ’T is waar, zy plantten Mais, sommige soorten van bonen en kawoerden; dog al het land dat een enkeld huisgezin toen bepootte was nauwlyks zo veel als nu een Boer om kool en rapen voor zyn gezin te telen neemt. Dus konden zy nauwlyks ene maand van hunnen land- en tuinbouw bestaan. Gemeenlyk zyn ook de kleine dorpen derWildentwee of drieZweedschemylen van malkander af gelegen.[27]Hieruit kan men opmaken hoe weinig gronds zy voorheen bebouwd hebben. Al het overige lieten zy in rust, en met geboomte overwassen. En al namen zy na het uitputten van het ene kleine stuk lands een nieuw, zo wilde dit in vergelyking van de bystere uitgestrektheid des lands niets zeggen. Dus kon zig de vrugtbare aarde door het jaarlyksch afvallen van het blad zeer sterk vermeerderen. Dit was oorzaak dat deEuropershier enen zo schonen en vrugtbaren grond vonden, die in vele euwen niet was uitgemergeld geworden, en de aarde tusschen ’t geboomte was zo lugtig als de best bearbeide tuinaarde. Zy hadden maar de bomen om te hakken, ze op malkanderen te leggen, en enigermate het afgevallene blad wegteherken, om ten eersten het land zonder grote moeite omteploegen en te bezayen, waarop een uitmunde oogst volgde. Deze gemakkelyke wys van landbouwen heeft deEuropersbekoord om den landbouw derWildennatevolgen, namelyk van een land zo lang het zonder bemistiging enigsins vrugtbaar blyft te gebruiken, en wanneer het uitgemergeld is het woest te laten leggen, en een nieuw stuk lands te ontginnen. Dit maakt hier den landbouw en de kennis van denzelven zo gering, dat men van deEngelschen, deZweden, deDuitschers, of deHollandershier te lande in dit opzigt niets anders leren kan, dan ten hunnen koste uit hunne zorgeloosheid het nadeel van dezelve optemaken. In een woord, en koornlanden, en weilanden, en houtgewas, en veeteelt, alles wordt hier even onagtzamelyk behandeld, zo dat men hier de in dit stuk der Huishouding zo beroemdeEngelschenniet vinden zoude. Nauwlyks kunnen wy inZwedenenFinlandmet het hout onverstandiger handelen dan men hier doet. Men ziet maar op de tegenwoordige winst, en denkt niet om het toekomende. Het vee wordt dagelyks met werken afgemat, en neemt van wege gebrek aan voeder gedurig in grootte af. Ik heb verscheiden’ kruiden op myne reizen waargenomen die de paarden en ossen boven alle anderen kozen, welken niet alleen in ’t wild wiessen, maar ook op zeer magere plaatsen zeer wel voortkwamen. Dog de Ingezetenen wisten dezelven niet ten hunnen nutte aantewenden, zynde zeer onkundig in de Natuurlyke Historie, welke ook hier te lande, gelyk in vele andere gewesten, van velen voor een nutteloos tydverdryf wordt aangezien. Ik ben door de ondervinding verzekerd, dat ik door middel dezer wetenschap binnen weinig jaren in staat zoude zyn den magersten en dorsten grond, waar ene koe nauwlyks den kost zoude kunnen vinden, in de vetste en beste weiden te verkeren, daar grote kudden een genoegzaam voeder vinden en vet geweid zouden kunnen worden. Ik sta toe, dat deze voordelige gewassen niet overal, nog op het land van elk, gevonden wierden, maar ieder, die slegts enig inzigt in de kennis der Natuur heeft, zoude dezelven gemakkelyk van de plaatsen daar zy vallen kunnen halen. Ik was verwonderd als ik de[28]Boeren over de slegtheid der weiden hoorde klagen; dog ik merkte te gelyk op hoe lui en nalatig zy waren, en wat voortreffelyke kruiden dikwyls op den eigenen grond van deze lieden wiessen, die slegts een weinig hulp van zo enen onverschilligen Heer vorderden. Ik vond overal de wysheid en goedheid van den groten Schepper, dog niet de kennis en den lust om die behoorlyk aantewenden. Hoe gelukkig is de Landman niet die zyne voordelen kent!Tot deze uitweiding heeft my de hier te lande zo zeer veronagtzaamde landbouw gebragt. Ik heb ook gedeeltelyk de oorzaak willen aanwyzen, waarom men in deze Reisbeschryving zo weinig zaken aantreft die tot volmaking der Huishouding betrekkelyk zyn. Egter ontken ik niet dat ik hier en daar enen enkelden bekwamen Huishouder heb aangetroffen; dog zy waren dun gezaid.Roofvogels.Roofvogels, die op hoenders en ander gevogelte azen, vindt men hier in menigte, en byna nog meer dan inZweden. Zy genieten hier ene grote vryheid, kunnende uit de zware bosschen den hoenders onverwagt op ’t lyf vallen. Des nagts is het makke gevogelte niet buiten gevaar voor de Nagtuilen, waarvan ’er hier velen zyn. Zy onthouden zig merendeels in de moerassen, maken des nagts een akelig geluid, en overvallen van daar de hoenders, die gemeenlyk in de Appel-, en Perenbomen zitten te slapen. Maar sedert men hier de bosschen zo sterk afhouwt, wordt den Roofvogels hunne vryheid niet weinig benomen.Herten.Men vindt hier in de zware bosschen veleHerten. Zy schynen van het zelve soort te zyn als onzeEuropischen. EenEngelschmanhad ’er een dat tam was. Het is opmerkelyk dat zo wild deze dieren ook in de bosschen zyn, daar zy zig voornamelyk in de Cedermoerassen ophouden, zy, als men ze jong krygt, zo mak worden, dat zy zelfs by onbekende menschen komen. De makke hinde die ik zag was donker bruin, uitgenomen van onder op den buik en op ’t onderste van den staart, daar zy wit was. De oren waren grauw. De snoet was smal. Voor ’t overige was het gehele lichaam bevallig. De hairen waren digt dog kort. De staart kwam omtrent tot het gewrigt van de knie. Aan het gewrigt der beide agtervoeten zat binnenwaards een knobbel. Zy had een schelletje om den hals, op dat men ze in de bosschen voor ene makke kennen en niet schieten zoude. Zy liep overal heen waar zy wilde, en kon over de hoogste heiningen springen, zo dat men haar niet wel zou hebben kunnen opsluiten. Somtyds liep zy ver het bosch in, en bleef wel enen nagt of twee uit, dog kwam naderhand weder, gelyk ander vee, te huis. Als zy uit het bosch weder kwam wierd zy somwylen van wilde herten vergezeld, vooral in den bronstyd; zo dat de eigenaar door haar gelegenheid kreeg van digt by zyn huis verscheiden wilde[29]bokkenmenen te schieten. Nu was zy met jong. Zy had enen sterken reuk,zag haar dikwyls den kop om hoog in den wind houden en naar den kant keren van waar de wind kwam, schoon men nog niemant op den weg vernam, en de menschen eerst een uur later te voorschyn kwamen. Zodra de wilde Herten menschen ruiken, gaan zy aan ’t lopen. In den winter wierd zy met hoi en koorn gevoed; dog des zomers ging zy in het bosch den kost zoeken, en at gras en andere kruiden. De man, wien zy toekwam en die ’er meerder mak gemaakt had, zeide dat hy de hinden tePhiladelphiaverkoft, van waar zy als iets zeldzaams naar andere plaatsen verzonden werden. Hy had voor het stuk vyfentwintig, dertig, tot veertig schellingen toe, naar dat hy enen koper vond, gekregen. De wilde Herten aten des zomers gras en andere kruiden, dog des winters, als zulks niet te vinden is, de toppen der takken. Reeds heb ik aangemerkt dat zy zonder gevaar van denLepelboometen kunnen. In den langen en harden winter, die van den 19. December 1740. tot den 13. Maart 1741. O. S. duurde, waarin ook zeer veel sneuw viel, vond men op vele plaatsen de Herten in de sneuw dood leggen, vooral meer binnenlands waar de sneuw dieper lag. Of dit nu kwam om dat zy niet uit de diepe sneuw hadden weten te komen, of van de koude, of by gebrek van voeder, weet men niet. Zo verhalen ook oude lieden, dat, toen hier in ’t jaar 1705. die zware en buitengewone sneuw viel die in de Almanakken van dit Land als iets zonderlings aangetekend staat, en die meer dan anderhalveZweedscheel diep lag, ’er ene zeer grote menigte Herten werden dood gevonden, dewyl zy door de diepe sneuw niet door konden. Ook vond men toen vele vogels dood leggen. TeMatsongkwam een Hert by het vee in den stal, at mede van het hoi, en was zo door den honger benauwd, dat het tam wierd en niet weder weg liep. Het bleef sedert, even als een huisdier, by het huis. Alle bejaarde lieden getuigden dat ’er in hunne kindschheid hier veel meer Herten dan nu voor handen waren. Het was toen niet zeldzaam ’er dertig of veertig by malkander te zien. De reden van deze vermindering is de groter bevolking van het Land. Dog verder landwaards in, waar nog zware bosschen en woestenyen zyn, vindt men ’er nog veel. Onder de vyanden der Herten zyn deLynxen,21die men hier vindt, en de zelven zyn als deZweedscheWolflynxen. Dezen klouteren op enen[30]boom, en als ’er een Hert onder heen komt, springen zy ’er op, houden zig ’er wel op vast, byten het een gat in ’t lyf, zuigen ’er het bloed uit, en verlaten het niet voor dat zy het omgebragt hebben.

Reis naarPhiladelphia.Den 12. April 1749. vertrok ik vanRakoonnaarPhiladelphiaen de omgelegen’ plaatsen, om te vernemen of daar reeds meerder gewassen opgekomen waren dan teRakoonen inNew Jerseyin ’t algemeen. Het vogtige weder, dat wy enige dagen gehad hadden, had de wegen in lage en kleyagtige oorden zeer slegt gemaakt.Afgevallen loof verbrand.De bladen, die den laatsten herfst afgevallen waren, bedekten den grond ter hoogte van drie of vier duimen. Dog, daar hier door het groeyen van het gras gehouden werd verhinderd te worden, had men de gewoonte van in Maart deze bladeren in brand te steken. Ik vond op deze plaatsen den grond op die wys afgebrand. Maar schoon dit in een zeker opzigt voordelig is, doet het in een ander veel kwaads, dewyl alle de jonge scheuten der bomen met het verdorde loof te gelyk verbrand worden, het welk het hout grotendeels vermindert, en op zulke plaatsen, daar men verscheiden’ jaren aan een de afgevallen bladeren verbrand had, kwam geen nieuw hout op; zo dat als eindelyk de oude bomen werden omgehouwen ’er niets dan naakte woeste velden overbleven. Ook vernielde men op die wys allerhande planten, of beroofde ze ten minsten van hare kragt om te groeyen. Een groot deel der gewassen en meest alle de soorten van gras duren hier maar een jaar, en hunne zaadtjes leggen tusschen het afgevallen blad, met het welke zy te gelyk door ’t vuur verteerd worden. Dit geeft ons ene nieuwe oorzaak aan de hand van de boven reeds gewaagde algemene klagte, dat men tegenwoordig minder kruiden en minder gras in ’t land vindt dan voorheen. Ook vernielt men dus een groot getal dode of holle bomen, welken men anders[2]tot brandhout had kunnen bezigen, en dus de bosschen enigsins sparen. Behalven dat verbrandt op deze wys ook een goed gedeelte van de bovenkorst der aarde, om van andere nadelen niet te gewagen. Om deze redenen heeft de Regering vanPensylvanieonlangs dit verbranden van ’t loof verboden; dog dit verbod wierd in ’t algemeen afgekeurd, en ieder deed naar zyn goeddunken.Houtluizen.Men vond om dezen tyd ene verbazende menigte vanHoutluizenin de bosschen. Dit is een zeer onaangenaam gedierte, want zodra men op den grond of enen omgehouwenen boom gaat zitten, kruipt ’er een heir van luizen den mensch op ’t lyf, en kommen zonder dat men ’t merkt op het blote lichaam. Ik heb in deVerhandelingenderZweedsche Maatschappyvoor het jaar 1754. een breedvoerig verslag van de slegte eigenschappen en andere byzonderheden van dit gedierte gegeven.Versteend hout.Ik ontving dien dag een stuk van versteend hout, dat men teRakoondiep in den grond gevonden had. In dit hout zag men de vezels en de binnenste ringen nog zeer duidelyk. Het scheen een stuk Hikory te zyn.Clams.Men gaf my ook enigen van die Mosselschelpen welkenClamsby de Engelschen heten. Deze Clams waren niet varsch, dog van de zodanigen welken men byna door gantschNew Jerseydiep in de aarde vindt. Men ontmoet ze levendig alleenlyk maar in het zoute water aan den zeekant, dog dezen waren teRakoonagt of negenEng.mylen van deDellawareen byna honderd mylen van zee gevonden. Dien avond ging ik den HeerBartrambezoeken.Wespennesten.Twee Wespennesten hingen in enen hogen Ahorn boven het water. Zy waren even gelyk de onzen, uitgenomen dat ze groter waren. Ieder nest was ene halve el in ’t kruis. In elk lagen drie waschkoeken boven malkander. De onderste was de grootste, en de bovenste de kleinste. Men zag ’er enige eyeren in. De onderste koek was in de middlellyn zeven en een halven duim, en de bovenste vier en een halven. De celletjes waarin de eyeren of de jonge wespen lagen waren zeshoekig, en de kleur van het nest was grauw. Men zeide dat de wespen deze nesten uit de pluizen maken, die aan de oude heiningen en muren zitten. Ene donkerbruine Bye met zwarte hoornen, twee zwarte kringen onder ’t lyf, en purpere vleugels vloog tusschen de bomen, en behoorde misschien tot deze nesten.Een ander soort.Een ander soort vanWespen, groter dan dezen, maken hunne nesten geheel open. Zy bestaan slegts uit enen koek, die door niets gedekt wordt, en maar bloot tusschen de takken hangt. De celletjes zyn horizontaal; en wanneer ’er eitjes of jonge wespen in zyn, zo heeft ieder celletje een soort van deksel boven zig, op dat ’er de regen niet in kome. Dog waar by onweder de oude wespen blyven weet ik niet, ten zy zy in de reten der rotsen kruipen. De[3]bovenzyde van den koek is met een soort van smeer bedekt, zo dat de regen ’er niet door kan dringen. De celletjes zyn gemeenlyk zeshoekig, vyf, zes of zeven lynen diep, en twee lynen in de doorsnede. De HeerBartrammerkte aan dat deze nesten uit ene twederhande stof zamengesteld waren, namelyk van de pluizen, die men op oude tuinen vindt, en die door den wind ’er afwayen, want men ziet ’er de wespen dikwyls zelven op zitten en die afknagen. Maar de kanten van het deksel der celletjes bestaan uit ene zelfstandigheid uit het dierenryk, of ene lymige stof, die de wespen opgeven of in hunne monden bereiden; want als men deze zelfstandigheid in ’t vuur werpt, brandt zy niet, maar wordt alleenlyk gezengd, gelyk hair of hoorn. Dog de bodem van het nest brandt gelyk linnen of half verrot hout, en laat enen reuk van gebrand hout na. De wespen, welker nesten ik hier beschreven heb, hebben op het voorhoofd drie zwarte glinsterende stippen,1en op het lyf ene vyfhoekige zwarte vlak. Tegens het einde van den herfst kruipen deze wespen in de spleten der bergen, waar zy den winter ongevoelig overbrengen. In de lente, als de zon begint kragt te krygen, komen zy des daags te voorschyn, dog keren tegens den avond, wanneer het begint koud te worden, weder naar hunne holen. Ik zag ze vroeg in de lente by zonneschyn in en omtrent sommige reten in de bergen. Men verhaalde my van een ander soort van Wespen, die hunne nesten onder den grond maken.De Zwemmer.DeGyrinus natatorof de zogenaamdeZwemmer, een waterkever, danste in menigte op ’t water.Reis naarChester.Den 14. in den morgen reisde ik naarChester. Op vele plaatsen langs den weg zyn zaagmolens, dog die ik dien dag zag hadden maar ene zaag. Ik bemerkte ook dat de bosschen in dit oord zeer ruw behandeld waren. Het is hier de gewoonte by het opregten van zaagmolens, koornmolens of yzerwerken, het water een goed deel wegs naar beneden te leiden, in geval de grond naby enen waterval niet bekwaam is voor het gebouw.Rakoon.Den 16. keerde ik weder naarRakoon.Zwaluwen.Men heeft hier te lande vierderlei soorten vanZwaluwen, namelyk die in de schuren, die in de schoorstenen, die onder den grond zig onthouden, en eindelyk een soort dat deEngelschenMartinsheten.Die in de schuren zig onthouden, of deHuiszwaluwen, hebben enen[4]gevorkten staart. Ik vond ze op alle de plaatsen vanNoord Amerikadie ik gezien heb. Zy komen met opzigt harer kleur zeer veel met deEuropischeHuiszwaluwen overeen, dog ’er is enig onderscheid in het geluid. Dit jaar lettede ik niet op wanneer zy te voorschyn kwamen; dog het volgende zag ik ze het eerst den 10. April N. S. en den volgenden dag ’s morgens zag ik ’er een grote menigte van op palen en planken zitten, die zo nat waren als of zy zo uit de zee gekomen waren.2[5]Zy maken hare nesten in de huizen en onder de daken aan de buitenzyden. Ook vond ik deze nesten op bergen en klippen, welker bovenste wat buiten het onderste uitstak. Buiten dat nestelden zy onder de hoeken van loodregte klippen. En dit leert ons waar de Zwaluwen voor dat deEuropershuizen hier te lande gebouwd hadden genesteld hebben; want dit konden zy onmogelyk in of tegen de hutten derWildendoen. Ene[6]zeer geloofwaardige vrouw, zo wel als hare kinderen, verhaalden my het volgende geval, verzekerende ooggetuigen daarvan geweest te zyn. Een paar Zwaluwen maakten haar nest in den stal dezer vrouw; het wyfje lag eitjes en ging aan ’t broeden. Enige dagen daarna zag men het wyfje steeds op de eyeren zitten, maar het mannetje rondom het nest vliegen, somtyds op enen spyker zig zettende, en een droevig geluid makende,[7]waaruit zyn ongerustheid bleek, en by een nader onderzoek vond men het wyfje dood op het nest en smeet het weg. Toen ging het mannetje op de eyeren zitten, maar, twee uren daarop hebbende gezeten, en dit werk voor hem te lastig vindende, vloog hy weg, en kwam des nademiddags met een ander wyfje terug, dat op de eitjes ging zitten, en naderhand de jonge Zwaluwen opbragt, tot dat zy in staat waren voor zig zelven te zorgen. Men was het hier niet eens aangaande het verblyf der Zwaluwen in den winter. De meesteZwedendagten dat zy op den bodem der zee lagen, anderen, en dit was ook het gevoelen derEngelschenen derFranscheninKanada, meenden dat zy in den herfst zuidwaards verhuisden en in de lente terug kwamen. Ook ben ik voor zeker teAlbanyonderrigt geworden, dat men ze dikwyls in diepe holen en reten in rotsen gedurende den winter slapende gevonden heeft.DeSchoorsteenzwaluwenworden dus geheten om dat zy hare nesten in de schoorstenen maken, waarin des zomers niet gestookt wordt; somtyds zelfs storen zy zig niet aan den rook als de vuren niet te sterk zyn, en blyven in den schoorsteen. Ik zag ze dit jaar niet dan laat in Mai, maar het volgende jaar 1750. kwamen zy den 3. Mai te voorschyn, want zy komen altyd later dan de andere Zwaluwen. ’T is zonderling dat elke veder in hare staarten met ene styve, scherpe spits, byna als de punt van enen priem eindigt. Met deze staarten hegten zy zig aan de muren der schoorstenen vast, houden zig met de poten, en drukken den staart tegens de stenen aan, die haar dan tot een stut dient. Zy maken den gantschen dag een schrikkelyk geweld in de schoorstenen met op en neder te vliegen, zo dat men somtyds zeggen zoude dat het donderde. Maar dewyl deze Zwaluwen alleen in de schoorstenen nestelen, zo is de vraag waar zy zig voor de aankomst der Europers hebben opgehouden,[8]aangezien het bekend is dat deWildengene schoorstenen hebben, en hun vuur op den grond in hunne hutten leggen. Waarschynlyk is het dat zy toen hunne nesten in holle bomen maakten. De HeerBartramen vele anderen waren hier van dit gevoelen.Catesbyheeft deze Zwaluw beschreven en afgebeeld, en de RidderLinnæusnoem: zeHirundo Pelasgia.DeAardzwaluwenvindt men overal inAmerika. Zy maken hare nesten in den grond op de steile oevers van zeen en rivieren.3Martinsis de naam dien deEngelscheneen soort van Zwaluwen geven, welkenCatesbyook afgebeeld heeft onder den naam vanHirundo purpurea. Zy zyn hier zo gemeen niet als de andere soorten. Ik heb op vele plaatsen gezien dat men buiten voor de muren kleine houten hokjes voor haar gemaakt had om in te nestelen, want men heeft ze gaarn by de huizen, vermits zy zodra genen havik of krai gewaar worden, of zy zetten ze na, en waarschuwen de hoenders met haar geschreuw van de nabyheid van derzelver vyanden. Ook verbergen zig de kiekens zodra zy deze Zwaluwen horen schreuwen.Dirca palustris.DeZwedenenEngelschennoemen deDirca palustrisMuizenhout.4Deze plant stond den 17. April in vollen bloei. TeAlbanynoemt men zeLederhout, omdat de bast zo buigzaam is als leder. DeFranscheninKanadaheten zeLoodhout.5DeWildendie voormaals onder deZwedenwoonden, gebruiken de schors dezer plant om manden, banden, en andere dingen van te maken. En inderdaad zy is daar zeer goed toe, ter oorzake van hare sterkte en buigzaamheid, waarin zy den Lindenbast niets toegeeft. DeEngelschen,Hollanders, enFranscheninNoord Amerikagebruiken dezen bast in alle die gevallen waarin wy ons inEuropavan den Lindenbast bedienen. Het hout zelf is zeer tai, zo dat zonder behulp van een mes men niet ligt enen tak kan afbreken. Sommigen gebruiken de takken tot roeden om de kinderen te tugtigen.Aardbezien.Den 20. April vond ik voor het eerst van ’t jaar deAardbezienin bloei. De vrugt is gemeenlyk groter dog minder aangenaam dan inZweden.Oogsten.De jaarlyksche oogst wordt hier te lande altyd toereikende gehouden om den ingezetenen van brood te voorzien, schoon de een voordeliger uitvalt dan de ander. Een eerwaardige zeventigjarigeZweed,Aoke Helmgenaamd, zeide dat gedurende zynen gehelen levenstyd hier geen eigenlyk gezegd miswas voorgevallen was, dog dat men altyd genoeg koorns gehad had. Ook eet men hier altyd zuiver brood van rog, weit,[9]koornsof mais, en noit van minder koorn, veel minder dat met zemelen of andersins vermengd is. Vele oudeZwedenenEngelschenbevestigden dit zeggen, en zeiden dat het hun niet heugde dat oit de oogst zo slegt was uitgevallen dat ’er het gemeen gebrek door geleden had, veel minder dat ’er oit een hongersnood geweest was. Somtyds steeg wel de prys der granen het ene jaar hoger dan het andere, het geen door al te grote droogte, of slegt weder veroorzaakt werd, dog ’er was egter altyd koorns genoeg voor de noodwendigheden van het volk. Ook is het niet waarschynelyk dat ’er hier te lande oit een grote hongersnood kome ten zy het Gode behagen mogt dit Land op ene byzondere wys te bezoeken. Want door ene meer dan zestigjarige ondervinding heeft men de gesteldheid van het weder grondig leren kennen. Men heeft hier gene koude nagten die het jonge graan beschadigen konnen. De regens houden zelden lang aan, en zo is het ook met de droogte. Maar vooral doen hier zeer veel de menigerlei soorten van koorn toe, die men hier teelt, en op onderscheiden’ tyden zait, zo dat als het een kwalyk uitvalt het ander gemeenlyk wel slaagt. De zomer is zo lang dat men van sommige soorten van graan drie oogsten heeft. Nauwlyks is ’er ene maand van Mai tot November ingesloten toe waarin men niet het ene of andere graan of sommige vrugten inzamelt. Het zou zekerlyk een grote ramp wezen indien de oogst hier niet wel opnam, want men legt hier, gelyk op vele andere plaatsen, genen voorraad op, en houdt zig te vrede met voor het tegenwoordige genoeg te hebben.Persikebomen.DePersikebomenstonden nu overal in bloei; de bladen waren nog niet uit, en dus stonden de bloemen des te schoonder, doende hare bleek rode kleur ene voortreffelyke uitwerking, en zy zaten zo digt op een dat de takken ’er geheel van bedekt schenen. De andere vrugtbomen waren nog niet aan ’t bloeyen, alleen begonnen de Appelbloeisems zig te vertonen.Currants.Currantsis de naam dien deEngelschen6enZwedenaan enen struik geven die op natte gronden, digt by poelen wast, en nu bloeide. De bloemen zyn wit, ruiken wel, en zitten aan langwerpige trossen. De vrugt is goed om te eten als zy ryp is. DeStylusis draadagtig en korter dan deStamina. In ’t midden is hy in vyf delen ofStigmataverdeeld.Gronoviusnoemt deze plantMespilus, enLinnæusCratægus.DeCaprimulgus.DeZwedengeven den naam vanWhipperiwillen deEngelschendien vanWhippoorwillaan een soort van Nagtvogel, dien men in[10]Noord Amerikabyna den gehelen nagt over hoort schreuwen.CatesbyenEdwards7beiden hebben hem beschreven en afgebeeld.Linnæushoudt hem voor een soort van denCaprimulgus Europæus,8dewyl de gedaante, de kleur, en de eigenschappen deze beide vogels bezwaarlyk doen onderscheiden. Dog het geluid van den Amerikaanschen vogel doet hem van den Europischen en van alle andere vogels onderkennen. Men vindt hem hier des winters niet, dog hy komt met de lente weder. Ik hoorde hem voor ’t eerst den 22. April, en vele menschen zeiden dat dit de eerste zomer was dat zy hem hoorden. ZynEngelscheenZweedschenaam worden van zyn geluid ontleend; maar om juist te spreken, hy roept niet eigenlykWhipperiwillofWhip-poor-will, dog veeleerWhipperiwhip, wordende de eerste en laatste lettergrepen duidelyk uitgesproken en de twee middelsten kort. DeEngelschenveranderen dit geluid inWhip-poor-willom het enige betekenis te geven, als wilde het zeggen denarmen wilden man te kastyden. Men hoort nog ziet dezen vogel noit by dag, dog na het ondergaan der zon begint hy te roepen, en houdt daarmede den nagt over aan. Na enigen tyd op ene plaats geroepen te hebben, vliegt hy naar ene andere en begint daar op nieuws. Hy komt gemeenlyk verscheiden’ malen op enen nagt, en laat zig digt by de huizen horen. Ik heb dikwyls des avonds laat gezien dat hy op de huizen kwam zitten om te roepen. Hy was niet zeer schuw, want als men stil bleef liet hy zig ten eersten horen. Hy zoekt de huizen ter oorzake der Insekten, waarvan hy leeft, die des avonds digt by de huizen talryk zyn. Als hy stil zat te schreuwen, en een Insekt zag voorby vliegen, vloog hy het schielyk na, ving het, en zettede zig weder neer. Somtyds hoort men ’er vier, vyf, of meer van, digt by malkanderen, als ware het om stryd, roepen, en een groot geweld in de bosschen maken. In de steden hoort men ze zelden, zynde zy daar of uitgeroeid of verjaagd door het gedurige schieten. Zy houden niet van op de bomen te zitten, maar zyn het meest op den grond, of in laag kreupelhout, of op de onderste palen van de tuinen. Zy vliegen altyd digt by de aarde. Des avonds houden zy met roepen aan tot dat het geheel donker is, zyn dan stil tot dat de dageraad begint te naderen, en schreuwen dan tot dat de zon opkomt. Schoon ik met voordagt ’er naar luisterde, heb ik ze noit in ’t midden van den nagt gehoord, en velen anderen is het zelve gebeurd. Men zegt dat zy gene nesten maken, maar twee eyeren in het open[11]zand leggen. Myn Bediende schoot eens op enen, en, schoon hy hem miste, viel hy egter van schrik neder, lag enigen tyd als dood, dog kwam naderhand by. Hy tragtte noit te byten als men hem in de hand had, dog zogt zig los te spartelen. Boven en vlak onder de ogen had hy, gelyk andere Nagtvogels, verscheiden’ zwarte, lange en harde hairen. DeEuropersaten dezen vogel.Catesbyverhaalt dat volgens het zeggen derWildenmen dezen vogel noit vernomen heeft voor het leveren van enen zekeren slag, waarin deEngelscheneen groot getalWildendeden sneuvelen; en derhalven denken zy dat deze vogels, die zo rusteloos zyn en zulk een droevig geluid maken, de zielen zyn hunner gesneuvelde Voorouders.Bloeyende bomen.Den 24. April begonnen deKarssebomenhunnen bloeisem te vertonen. Zy hadden reeds tamelyk grote bladeren. DeAppelbomenbegonnen ook te bloeyen, dog de Karssebomen waren hun voor. Dog zy kregen ook ene groenagtige kleur van hun uitspruitend blad.DeMoerbeziebomenstonden nog geheel naakt; zo dat ik met verdriet opmerkte dat deze boom een van de laatsten is die groen wordt, en een van de eersten die zyne vrugten tot rypheid brengt.Den 26. reisde ik des morgens naarPenn’s Neck. DeTulpebomen, vooral de volwassenen, zagen ’er geheel groen uit, zynde reeds in ’t blad; dus is deze boom een van de vroegsten die zyn blad krygt.Ik zag heden voor het eerst denSassafrasboombloeyen. De bladeren waren nog niet uit. De bloemen ruiken aangenaam.DeLupinus.DeLupinus perennisis menigvuldig in de bosschen, en wast in goede en kwade gronden. Dikwyls zag ik hem op schrale gronden en heiden tieren, waar niets anders voortkomen kon. Zyne bloemen, die gemeenlyk in Mai voor den dag komen, staan zeer frai door haren purperagtigen weerschyn. Men zeide my dat het vee deze bloemen gaarne eet; dog het speet me dikwyls te ondervinden dat het ’er zo fel niet op was als men zeide, vooral als ’er iets anders te eten viel, en dan raakte het deze plant zelden aan, hoe malsch en groen zy ’er ook uitzag. De paarden aten de bloemen, maar niet de stelen en bladen. Als het vee deze plant in de lente eten zal, moet de noodzakelykheid en de honger ze smakelyk maken. Men vindt hier gene zo schoon met gras bewassen weilanden als inZweden, in de bosschen moet het vee zyn voedsel zoeken. De grond is daar gemeenlyk gelyk, ten minsten zyn ’er weinig heuveltjes. De bomen staan wyd uit malkander, dog de grond tusschen hun is niet met groene zoden bedekt, want daar zyn maar weinig soorten van gras, en dat staat zeer yl. De grond is zeer los, ten dele door de menigte van verrotte bladeren die denzelven een groot deel van het jaar bedekken. Dus vindt het vee[12]weinig gras in de wouden, en moet zig behelpen met al wat het krygen kan, het zy goed of kwaad. Ik zag dit voorjaar het vee de jonge scheuten van ’t geboomte afbyten en opeten, want ’er waren nog gene planten opgekomen, en die staan ook zeer schaarsch hier en daar verspreid, gelyk ik reeds heb aangemerkt. Dus kan men ligt begrypen dat de honger het vee dwingen kan om planten te eten die het niet zoude aanraken als het beter voedsel kon vinden. Egter denk ik dat het der moeite waard zyn zoude deze plant ter verbetering van magere gronden te gebruiken, en dat het niet onmogelyk zoude zyn middelen te vinden om ze het vee smakelyk te maken.Eiken.DeEikenhebben hier dezelve eigenschappen als deEuropischen. Zy behouden hunne dode bladen byna den gantschen winter over, en krygen eerst laat anderen. Zy begonnen eerst ’er enige weinigen te vertonen.De Hommelvogel.DeHommelvogel, by deZwedenKoningsvogel,9genoemd, kwam dien dag het eerst te voorschyn.Een Kever.De Kever, byLinnæusMeloë Proscarabæus, zat op de bladeren van den witten Nieswortel,10en at ze. Ik zag ze in weinig minuten een gantsch blad opeten. Sommigen hadden zig zo dik gevreten dat ze kwalyk kruipen konden. Dus was deze plant, die voor andere, dieren volstrekt dodelyk is, voor hun een lekker voedsel.Ligtgevendevliegen.DeLigtgevende Vliegenverschenen dezen avond voor het eerst van ’t jaar, en vlogen tusschen ’t geboomte. Het was als of ’er vuurvonken door de lugt vlogen. Elders zal ik ze breder beschryven.Des avonds keerde ik weder naarRakoon.Late koude nagten.De Nagt tusschen den laatsten April en den 1. Mai was zo koud, dat by ’t opkomen der zon de grond zo wit was van den ryp als of het gesneuwd had. DeZweedscheThermometer stond 1½ gr. onder ’t vriespunt. Wy zagen geen ys in de wateren en rivieren die enige diepte hadden, dog op zulken in de welken maaromtrentdrie duimen waters was vond men ys van omtrent de dikte van een derde ener lyn. Den avond te voren was de wind zuidelyk, dog ’s nagts was het stil. De Appel- en Karssebomen waren in vollen bloei. De Persikebomen hadden al byna uitgebloeid. De meeste bomen in de bosschen hadden reeds nieuwe en tedere bladen, en het grootste getal stond te bloeyen, als de meeste Eiken, de Kornoeljebomen, de Hikories, Pruimbomen, Sassafrassen en Beuken.Planten beschadigd.De planten die van de vorst geleden hadden waren, I. deHikories, van de welken aan de jonge bomen de bladeren bevroren waren, zo dat zy na den middag geheel zwart waren. Het meeste blad was byna overal[13]digt by poelen en in de bosschen door de koude bedorven. II. DeZwarte Eiken, waarvan ’er velen waren wier blad beschadigd was. III. De jongeWitte Eikenhadden ook veel aan hun blad geleden. IV. De bloeisems der Karssebomen waren op vele plaatsen ook beschadigd. V. De bloemen van deEngelscheWalnootbomen hadden zeer veel geleden. VI. Sommige bomen van deRhus glabrahadden al loof, het welk geheel bevroren was. VII. Van deRhus radicanshadden de jonge tedere bomen veel van de vorst geleden, en hunne bladen waren gedeeltelyk dood gevroren. VIII. Van deThalictraof wilde Ruite waren en bloemen en bladen beschadigd. IX. Van hetPodophyllum peltatumwas ’er van de vyf honderd pas een dat geleden had. X. Een groot deel Varen, onlangs opgekomen, was vernield. Vele andere gewassen waren ’er nog beschadigd, dog ik konde ze wegens hunne kleinte niet onderkennen.Bartsia coccinea.DeBartsia coccineawies overvloedig in verscheiden lage weiden. De knoppen waren reeds schoon karmynrood, en gaven aan de weiden een sieraad. Men heeft nog geen ander gebruik van deze plant gemaakt, dan dat zy het oog verlustigt.Walnootboom.Een van deZwedenhad hier enenEngelschenWalnootboom11in zynen tuin geplant, die nu twee vadem hoog was. Hy stond in vollen bloei, en had reeds grote bladen; maar de zwarte Walnootbomen, die hier van zelven wassen, hadden nog bladeren nog bloemen. Dog de vorst van den laatsten nagt had alle de bladeren van den Europischen boom vernield. Dr.Franklinzeide my naderhand, dat ’er sommigeEngelscheWalnootbomen tePhiladelphiageplant geweest waren die wel slaagden, dog de vorst doodde ze allen.Bomen die nog geen blad hadden.Ik gaf nauwkeurig agt op de bomen die nog geen blad hadden, en dezen waren:De zwarte Walnootboom, de Esch, deAcer Negundo, hier dewitte Eschgenoemd, deNyssa aquatica, dePersimon, devitis Labruscaof wilde Wyngaard, en deRhus glabraof deSumach.Uitlopende bomen.De bladen der volgende bomen waren nu aan ’t uitkomen; de Rode Moerbezie en Kastanjeboom, de Waterbeuk, en de Sassafrasboom. Van de Hikories hadden sommigen reeds grote bladeren, dog anderen hadden ’er nog genen. By de verscheidenheden die men onder dit soort van bomen heeft, denk ik, zal ook het zelve verschil plaats hebben.DeVirginischeKarsseboom wast hier en daar in de bosschen. Zyne bladen waren reeds tamelyk groot, dog zyne bloemen waren nog niet volkomen open.[14]De Sassafrasboom stond overal in bloei, dog zyne bladeren waren nog niet geheel en al ontwikkeld.DeStoraxboom.DeLiquidambar Styracifluaof deStoraxboomwast in de bosschen, vooral in enen natten grond, in en by waterstroompjes. DeEngelschennoemen hemSweet Gum-tree. De bladen begonnen in het bovenste des booms uittespruiten. Deze boom wordt zeer zwaar, en hy wykt in hoogte den grootsten sparren en eiken niet. Wanneer hy begint hoog te worden sterven de onderste takken, vallen af, en laten ten laatsten den stam gantsch glad en zonder takken, houdende de boom alleen maar ene kroon boven aan. De zaden zitten in ronde hoekige huisjes, die in den herfst afvallen; en dewyl de boom zeer hoog is dryven de winden de zaden zeer ver heen.Men kan dit hout zeer glad maken, vermits deszelfs aderen zeer fyn zyn, dog het is niet hard, zo dat men ’er met een mes letters in kan snyden, die ’er schynen in gegraveerd te zyn. De HeerLewis Evanszeide my ondervonden te hebben, dat ’er in dit Land geen beter hout is om gegoten metalen in te bearbeiden dan dit. Ik vroeg den HeerBartramof hy de gom van dezen boom gevonden had, die zo beroemd is in de Geneeskonst. Hy zeide my dat een zeer sterk ruikende gom altyd uit iedere snede loopt die in den boom gemaakt wordt, dog dat de hoeveelheid hier te gering was om de moeite van ’t verzamelen te vergoeden. Deze ruikende gom heeft denEngelschennaam voortgebragt. Hoe meer men zuidwaards komt des te groter hoeveelheid van gom geeft de boom, zo dat ze daar ligt te verzamelen is. De HeerBartramwas van gedagte dat deze boom eigenlyk voor de lugtstreek vanKarolinageschikt is, dog door verscheiden’ toevallen verder noordwaards, tot inNew Yorktoe, het welk zyne uiterste grenspalen schynt te zyn, is gebragt geworden. In de zuidelyke gewesten brengt de warmte de gom rykelyk voort, dog zo gaat het niet in ’t noorden.Reis naarSalem.Den 2. Mai reisde ik naarSalemmet inzigt om het Land te zien.Geboomte.DeSassafrasboomstond hier en daar in de bosschen en om de rasteringen. Men kon hem nu van verre door zynen bloeisem ontdekken, die nu open zynde hem geheel geel maakte. Het blad was nog niet uit.Weiden.Op sommige weilanden was het gras reeds tamelyk hoog; dog men moet aanmerken dat deze weiden moerassig zyn, en dat ’er geen vee dit jaar was op geweest. Deze weilanden worden tweemaal in ’t jaar gemaid, te weten in Mai en het einde van Augustus. Ik zag dezen dag enigen van deze weiden, waarop het gras reeds bekwaam was om gemaid te worden, en vele weilanden inZwedenhebben in den hoityd zo goed gras niet. Deze weiden lagen in vallyen en by poelen, waar[15]de Zon grote kragt oeffent. Het gras bestond voornamelyk uit dat soort ’t welkCarexgenoemd wordt.Pruimbomen.De wildePruimbomenwaren nu overal in bloei. Zy wassen hier en daar in de bosschen, dog gemeenlyk digt by moerassen op natte gronden. Men kent ze van verre aan hunnen witten bloeisem. De vrugt is schoon op ’t oog, en wordt ryp zynde gegeten.De Kornoeljeboom.DeCornus FloridaofKornoeljeboomwast in de bosschen, op de heuvels, op de vlaktens, in de dalen, in poelen en by beekjes. Dus kan ik niet zeggen welke zyn regte grond is; egter schynt hy op enen lagen dog niet vogtigen grond het best te slagen. Hy was nu versierd met zyne grote witte bekleedsels waarin de bloemen zitten, die den boom van verre doen in ’t oog lopen. Het is om dezen tyd een vermaak door de bosschen te reizen, zo schoon worden zy gemaakt door den bloeisem van dezen boom. De bloemen die in de bekleedsels zyn opgesloten begonnen dezen dag open te gaan. De boom komt tot gene grote hoogte of zwaarte, dog krygt omtrent die van onzen Sorbeboom. Daar zyn drie soorten van dezen boom in de bosschen, een met grote witte bloembekleedsels, een twede met kleine witten, en een derde met roodagtige.Gevogelte.De bosschen waren thans vol van vogelen. Ik zag, vooral de kleinder soorten, overal op den grond huppelen, of onder ’t kreupelhout kruipen, zonder zeer schuw te zyn, dus het den slangen zeer ligt valt ze te doden. Ik geloof dat de Ratelslang weinig meer te doen heeft dan stil te leggen, en, zonder dat zy lang behoeft te wagten, zal wel de een of de ander kleine vogel haar op ’t lyf lopen en gelegenheid geven van hem zonder betovering te vangen.Salem.Salemis ene kleine handel dryvende plaats, een stuk wegs van deDellawareafgelegen. De huizen staan ver van malkander, en zyn ten dele van steen en ten dele van hout. Een beekje loopt langs de Stad en valt in deDellaware. De Ingezetenen leven van den handel zo goed als zy konnen. In de nabuurschap vanSalemzyn sommige lage en moerassige weiden, en om die reden wordt het voor ene ongezonde plaats gehouden. De ondervinding heeft doen zien, dat zulken die zig hier van andere plaatsen kwamen nederzetten zeer bleek en ziekelyk wierden, schoon zy in ene volmaakte gezondheid waren en ’er wel uitzagen op hunne aankomst. Deze ziekelyke toestand blyft hun gemeenlyk altyd by. De schuld hiervan geeft men aan de stinkende uitwaassemingen der moerassen, die men zelfs van verre door den reuk gewaar wordt. De afgaande koortsen heerschen hier zeer sterk tegens den herfst. Twee jonge lieden, die met my naarAmerikawaren overgekomen, gingen gezond en wel naarSalem, dog binnen[16]weinig weken vielen zy ziek, en eer de winter half om was waren zy beiden dood.Saffraan.DeSaffraanwordt hier veel geplant, dog zy is zoo goed en zo sterk niet als deEngelscheenFransche. Misschien wordt zy beter als zy enige jaren, gelyk de Tabak, gelegen heeft.Katoen plant.HetGossipium herbaceum, of de Katoen die op ene plant gevonden wordt, is een gewas van maar een jaar, en velen van de Ingezetenen vanSalembegonnen het te zaijen. Sommigen kregen de zaden uitKarolina, waar grote Katoenplanteryen zyn, dog anderen hadden ze uit de Katoen die zegekofthadden uitgeplukt en geplant. Men zeide dat men in ’t eerst moeite had om de zaden der hier geplante Katoen tot rypheid te krygen, want inKarolina, van waar men ze gekregen had, zyn de zomers veel langduriger en warmer. Dog naderhand hebben de zaden zig meer naar de lugtstreek gewend, en komen vroeger aan en tot rypheid.Rakoon.Des avonds keerde ik naarRakoonte rug.DeCrabtree.Crabtreeis de naam van een soort van wilde Appelbomen, die in de bosschen groeyen, maar vooral op kleine heuveltjes by de rivieren.12InNew Jerseyis de boom enigsins raar, dog inPensylvanieis hy overvloedig. Sommigen hadden enen enkelden van deze bomen digt by hunne Landhoeven geplant, om den aangenamen reuk van zyne bloeisems. Hy had den 4. Mai sedert een dag of twee begonnen te bloeyen. De bloemen zyn juist gelyk aan die van den gemenen Appelboom, uitgenomen dat die van denCrabtreewat roder kleur hebben, schoon op sommige Appelbomen de bloemen al zo rood zyn. Dog de reuk onderscheidt ze volkomen, want deze wilde bomen ruiken zeer aangenaam. De Appelen van deze bomen zyn klein en zuur; egter zeide men dat zy eetbaar waren. Zy blyven den gantschen winter over onder den boom leggen, krygen dan ene gele kleur, en bederven zelden eer dan in de lente.Aanmerking.Ik kan niet voorby hier ene aanmerking te maken. DeCrabtreesbegonnen eerst den 3. of 4. Mai hunne bloemen te tonen, daar integendeel de gemene Appelbomen, die uitEuropaovergebragt waren, al hunnen bloeisem kwyt waren. Zo begonnen ook de wilde Karssebomen eerst den 12.Mai te bloeyen, en de tammen bloeiden reeds den 24. April. De zwarte Walnoten uit dit Land oorspronglyk hadden nog bladen nog bloemen, schoon deEuropischenreeds grote bladen en bloemen droegen. Hieruit blykt dat bomen uitEuropaovergebragt,[17]schoon van den zelven aard als de wildeAmerikaanschen, veel vroeger bloeyen dan de anderen. Ik kan de reden hiervan niet zeggen, of het moest zyn dat deEuropischebomen aan ’t bloeyen gaan zodra zy dien trap van warmte krygen daar zy in hun vaderland aan zyn gewend. Zy weten niet, zou men zeggen, dat hier na zulk ene warmte een of meer koude nagten staan te wagten, die hunne bloeisems vernielen kunnen, want in de koude landen komen zelden na zo hete dagen zo koude nagten die den bloeisem kunnen beschadigen.13Integendeel schynen de wilde bomen van dit Land geleerd te hebben zig op die vroege warmte niet te verlaten, maar te wagten naar ene sterker hitte, wanneer zy voor gene vorst meer te vrezen hebben. Hierom gebeurt het dikwyls dat de bloeisem van deEuropischebomen dood vriest, daar de inlandschen niets lyden. Wy erkennen hier de wysheid van den Schepper.Reis naarRapaapo.Vroeg in den morgen van den 5. Mai ging ik naarRapaapo, een groot dorp bestaande uit zeer verstroid leggende landhoeven. Daar woonden volstrekt niets danZweden, zo dat de Ingezetenen deZweedschetaal behouden hebben met maar enigeEngelschewoorden vermengd. Myn oogmerk was gedeeltelyk den oord te bezigtigen, kruiden en andere merkwaardige dingen te zoeken, en deels om de plaatsen te vinden waar de Witte Ceder, ofCupressus thyoidesgroeit.Pinxterbloemen.DeMaibloemen, zo als deZwedenze noemen, waren overal menigvuldig in de bosschen, vooral op droge of ten minsten niet zeer natte plaatsen. DeZwedengeven haar dien naam om dat ze in Mai in vollen luister staan. SommigeZwedenen deHollandersheten zePinxterbloemen, om dat zy wezenlyk om Pinxteren bloeyen. DeEngelschennoemen zeWild Honeysuckles, en op enigen afstand hebben zy wel wat gelykenis naar de Kamperfoelie.14De bloemen waren nu open, en gaven een nieuw sieraad aan de bosschen, zynde weinig minder schoon dan de bloemen van de Kamperfoelie en hetHedysarum. Zy zitten rondom ’t bovenste van den steel, en zyn of van ene donker rode of van ene levendig rode kleur, dog als zy enigen tyd gestaan hebben worden zy van de zon gebleekt en allengskens wit. Ik weet niet hoeColdenze geel kan noemen.15Zy wassen niet altyd even hoog. Sommigen waren zo groot als een volwassen man, en groter zelfs, anderen waren laag, en sommigen kwamen niet boven drie of[18]vier duimen van den grond, egter waren ze allen vol van bloemen. Men heeft nog geen gebruik van deze plant weten te maken, alleen zet men de bloemen in potten tot sieraad. Zy hebben enigen geur, dien ik egter niet lieflyk vinden kan. Dog de fraiheid der kleur maakt ze ene plaats in den bloemtuin waardig.Rogge.Ik zag dien dag voor het eerst van het jaar enige airen vanRogge. InZwedenbegint zy omtrent den 18. Mai O. S. hare airen te vertonen. Dog inNieuw Zwedenzeide men dat men ze reeds in April plegt te zien, zelfs al komt de lente laat. Deze lente wierd overal voor ene van de laatst komenden gehouden.Bullfrog.Manteskoris de naam dien deZwedenaan een soort van Kikkers geven. DeEngelschennoemen zeBullfrogs,16ofBulkikkers. Ik had dien dag voor de eerste maal gelegenheid ze te horen en te zien. Ik hoorde onverwagt onder ’t ryden een gebulk, zo dat ik niet anders meende of er was een stier in ’t kreupelhout, dewyl ik aan dezen Kikker niet dagt. Ik begon bevreesd te worden dat misschien een boosaardige stier digt by my wezen mogt, schoon ik hem niet zag. Ik bleef ook in die gedagte tot dat ik een uur of twee later met enigeZwedenover dit soort van Kikkers in gesprek kwam, en toen begreep ik dat het ’er een geweest moest zyn dien ik onder weg zo had horen bulken, want men zeide my dat ’er ene menigte van hier in ’t water waren. Ik ving ’er vervolgens enigen. Hy is ontwyffelbaar de grootste van alle de Kikkers hier te lande. Men zeide dat zy tegens den herfst, wanneer het begon koud te worden, zig in de modder begraven, waar zy slapende den winter overblyven. Maar zo schielyk het begint warm te worden komen zy weder te voorschyn en beginnen hunne stemmen te laten horen. Als het ene vroege lente is verneemt men ze reeds op het einde van Maart O. S. Zy onthouden zig voornamelyk in stilstaande poelen. Daar vindt men ze in tamelyke menigte, dog niet veel in lopend water. Als ’er velen by een zyn maken zy een verschrikkelyk geraas wanneer zy allen te gelyk aan ’t schreuwen gaan. Hun geluid is volkomen dat van enen stier die een weinig heesch is. Men heeft somtyds werk van malkander te verstaan als zy regt aan ’t schreuwen zyn. Zy bulken allen te gelyk, houden dan een weinig op, en beginnen weer op nieuw. Men zoude zeggen dat zy enen Kapitein hadden, zo dat als die begint zy allen hunne kelen opzetten, en als hy ophoudt zy allen stil zyn. Als de Kapitein het teken geeft van te zwygen hoort men hem een geluid geven als dat vanpoep. By dag[19]gaan zy zelden zo vreeslyk aan als het geen donker weder is, dog des nagts laten zy zig vooral horen. Des avonds, als het stil is, kan men ze wel anderhalveEng.myl ver vernemen. Zy zitten als zy schreuwen aan de kanten van het water onder het hout, en steken de koppen boven. Dus kan men, als men zagtjes gaat, ze zeer naby komen, voor dat ze voortgaan. Zodra zy onder water zyn agten zy zig in veiligheid, al is het water nog zo klaar.Somwylen zitten zy een eind wegs van ’t water af, dog vernemen zo dra geen onraad of zy spoeden zig naar den poel. Zy kunnen sterk springen, en doen in elken sprong somtyds meer dan twee vadem wegs af. Ik hoorde de oudeZwedenene grappige historie vertellen, die gebeurd was toen deZwedenen deWildennog by malkander woonden. Het is bekend dat die menschen zeer sterk lopen kunnen. Ik heb ze by den GouverneurJohnsonde beste paarden in vollen loop niet alleen zien byhouden maar zelfs voorby snellen. Om nu te tonen wat treffelyke springers deze vorsschen zyn, hadden enigeZwedenmet enen jongenAmerikaangewed dat hy den Kikker niet zoude inhalen, mits die twee sprongen vooruit ware. Men bragt dan enenBullfrog, die in een naburig water gevangen was, zettede hem op den grond, en brandde hem op den rug; het vuur en deAmerikaan, die de Vorsch zogt intehalen, deden het dier zyne sprongen sterk verdubbelen. DeAmerikaanbegon op den gestelden tyd te lopen, dog het geluid dat hy daar door maakte deed den Kikker zig des te meer haasten, zo dat hy ’t water bereikte eer hem deAmerikaankon bykomen.Sommige jaren zyn zy talryker dan anderen. Men wist niet te zeggen of de slangen oit dit soort van Kikvorschen eten, gelyk zy alle de kleindere soorten doen. Zy verslinden jonge ganzen en endvogels, en halen ook wel kiekens weg, die te digt by ’t water komen. Ik heb niet gemerkt dat zy byten als men ze in de hand houdt, schoon zy kleine tandtjes hebben; als men ze slaat schreyen zy gelyk kleine kinderen. Men verhaalde my dat sommige lieden de agterbouten dezer Kikkers eten, en dat dit ene smakelyke spys is.Witte Jeneverboom.DeWitte Jeneverboom, gelyk hem deZwedennoemen, wast in de poelen hier en in andere gewesten vanAmerika. Zyn stam ziet ’er uit als die van onzezwarteJeneverbomen, dog de bladen zyn anders. DeEngelschennoemen hem denWitten Ceder, om dat de planken die ’er van komen naar die van den Ceder gelyken. Dog de boom hoort eigenlyk tot het soort der Cypressen,17zo dat nog deZweedschenog deEngelschenaam de regte is. Hy groeit altyd in natte[20]gronden, dus is het moeilyk by hem te komen, zynde de grond tusschen de kleine heuveltjes gemeenlyk onder water. De boom wast zo wel op die heuveltjes als in het water. Zy staan digt by malkander, worden hoog en hebben regte stammen. Dog men heeft hun getal sterk verminderd. Daar men ze laat groeyen worden zy als de grootste dennen; zy bewaren hun groen in den winter. De zwaarsten hebben gene takken om laag. De poelen waarin zy wassen heten by deEngelschenCeder Swamps. Dezen zyn talryk inNew Jersey, en in sommige gedeeltens vanPensylvanieenNew York. De noordelykste plaats daar men hem tot nog toe gevonden heeft is byGosheninNew York, 41.gr.25.min. N.gelyk ik van Dr.Coldengehoord heb. Meer noordwaards wast hy niet in ’t wild. Hy is een van die bomen die ’t meest der verrottinge wederstaan, en hy blyft langer goed boven dan onder de aarde. Om deze reden gebruikt men hem tot verscheiden’ eindens, als tot heiningen en palen, dog daartoe is egter de Rode Ceder beter. Voor Kanoos is hy goed. De jonge bomen worden gebruikt tot hoepels om tonnen en vaten, de zwaren tot timmerhout. Ook bouwt men ’er huizen van, die langer duren dan die vanAmerikaanschEikenhout getimmerd zyn. Vele huizen teRapaapowaren van dit hout; dog het best dat ’er van gemaakt wordt zyn berden voor de daken, die men voor de besten van allen houdt, om dat zy ’t duurzaamst zyn, uitgenomen alleen die uit het Rode Cederhout, en om dat zy zeer ligt zyn, zo dat ’er gene zware sparren gevorderd worden, om het dak te schragen. Om deze reden behoeven de muren ook niet zwaar te wezen. By brand is ’er ook geen groot gevaar van het vallen dezer berden te vrezen, dewyl zy zo ligt zyn; ook zuigen zy het water in, zynde zy zeer sponsagtig, zo dat de daken in zulk een geval ligt kunnen nat gemaakt worden; egter belet hunne vettigheid dat het water ze zoude bederven. Als zy in brand staan, en de wind de brokken voortjaagt, vallen zy byna als dove kolen neder, en verspreiden den brand niet ligt verder. Ook kan men des noods zulke daken gemakkelyk doorhouwen. Om deze hoedanigheden houdt men veel van dit hout voor de daken, als men het krygen kan. Dit maakt dat alle de kerken en de huizen der best gestelde borgers daken van berden hebben. InNew Yorkwast wel dit hout niet, dog men laat het veel van andere plaatsen komen. Velen van deze berden worden ten dien einde jaarlyks vanEggharbouren andere plaatsen vanNew Jerseynaar de StadNew Yorkuitgevoerd, van waar zy het gantsche gewest over worden gezonden. Ook worden ’er velen naar deWest Indiengebragt. Dus arbeidt men hier met alle magt om niet alleen deze bomen te verminderen, maar zelfs om ze geheel uitteroeyen. Men denkt hier, vooral omtrent het hout, maar om het tegenwoordige, en geensins[21]om de nakomelingschap. Dit is de oorzaak dat veleCederswampsgeheel van grote bomen ontbloot zyn, en dat men ’er maar enige weinige kleine boompjes in vindt, en ik heb opgemerkt, door het tellen van de houtkringen, dat zy niet schielyk groeyen, en enen langen tyd nodig hebben eer zy voor timmerhout dienen kunnen. ’T is bekend dat een boom ieder jaar een kring krygt; een stam van agttien duim in de middellyn had honderd en agt kringen aan zyn dikker eind; een ander van twee voet in ’t kruis had honderd twee en veertig kringen. Dus worden ’er tagtig jaren groeyens vereischt eer een van deze bomen, uit een zaad gefokt, bekwaam is tot timmerhout. Onder de voordelen die deze Witte Cederen berden boven anderen hebben, rekent men hunne lugtigheid; dog deze hoedanigheid zou met den tyd wel nadelig voorPhiladelphiaen andere plaatsen kunnen worden. Ik heb de dikte der muren van verscheiden huizen gemeten die drie verdiepingen hoog waren, behalven de kelders en de zolders, en vond ze meest negen en enen halven of tien duimen dik; en dus is het geen wonder dat by geweldige orkanen de gevels van vele stenen huizen door den wind geschud worden, vooral die wat bloot staan. En dewyl deze bomen haast zullen ontbreken, en men genoodzaakt wezen zal zwaarder stoffen tot het maken van daken te gebruiken, zullen die zwakke muren, die nu genoegzaam den last van het dak dragen kunnen, niet meer voldoen, en instorten, of moeten onderstut worden, of men zal genoodzaakt zyn ze geheel aftebreken. Sommigen gebruiken de spaanders van dit hout als thee, en verzekerden my dat deze thee veel gezonder was dan enige andere. Alle de Ingezetenen hier waren van gedagte dat het water in deCederswampsgezonder om te drinken is dan enig ander; het verwekt enen groten eetlust, het welk men tragtte met verscheiden’ voorbeelden te bewyzen. Men schryft deze eigenschappen ten dele aan het water zelf toe, het welk door den harst van den boom bezwangerd wordt, en ten dele aan de uitwaassemingen van den boom, die zig door den reuk doen vernemen. Ook dagt men dat de geelagtige kleur van het water, dat tusschen de bomen in staat, van den harst der bomen komt, die uit de wortels uitsypert. Ook kwamen zy allen hierin overeen, dat dit water altyd zeer koud is zelfs in ’t heetste van den zomer, het welk gedeeltelyk schynt te komen van de schaduw die de bomen maken. Ik kende verscheiden’ lieden die voornemens waren naar deze moerassen te gaan, om het water, ter herstelling van hunnen eetlust, te gebruiken. De HeerBartramplantte enen witten Ceder in enen drogen grond, dog hy wilde daar niet slagen. Hy zettede hem toen in ene moerassige aarde, waar hy scheen als te herleven en wel voort kwam, en, schoon hy niet meer dan eens mans hoogte bereikte, was hy vol van zaadhuisjes. Ene zaak is nog ten opzigte van dezen boom merkwaardig. De HeerBartramhad twee[22]jaren in de lente zyne takken afgesneden en ze in de natte aarde gestoken, waar zy wortelen geschoten hadden en voortgekomen waren. Ik heb dit met myne ogen gezien.Rode Jeneverboom.DeRode JeneverboomderZweden, dog by deEngelschenenFranschenRode Cedergeheten, is een boom daar ik al dikwyls van gewaagd heb. DeZweedschenaam is de eigenlykste, aangezien de boom tot het geslagt der Jeneverbomen behoort.18Als hy eerst begint te wassen gelykt hy veel naar denZweedschenJeneverboom,19dog naderhand krygt hy geheel andere bladen. De bes gelykt volmaaktelyk die van denZweedschenJeneverboom, ten opzigte van hare kleur en gedaante, dog zy zyn zo dik niet, schoon zy zeer hoog worden. TeRakoonstonden deze bomen verspreid en waren niet zeer zwaar. Dog op andere plaatsen heb ik ze op bossen by malkander zien staan. Zy beminnen den zelven grond als deZweedscheJeneverbomen; vooral vindt men ze op de schuinschtens by de rivieren, in ene drooge en veeltyds schrale aarde. Ik heb ze overvloedig, zo zwaar als de grootste dennen, op droge en magere heiden zien groeyen. Naar den kant vanKanadaof in de nog noordelyker delen, waar ik ze ontmoet heb, zoeken zy de steile kanten der bergen, en wassen daar onder de gemene Jeneverbomen. De noordelykste plaats waar ik ze in ’t wild gevonden heb is inKanada, agttienFranschemylen ten zuiden van het FortSaint Jean, omtrent 44.gr.30.min. N.Ook heb ik dezen boom zeer wel zien voortkomen op het Eiland vanMagdalena;20behorende aan den Gouverneur vanMontreal, den BaronDe Longueil. Dog hy was uit meer zuidelyke oorden derwaards overgebragt. Dit hout is ontwyffelbaar het duurzaamste dat dit Land oplevert. Om die reden gebruikt men het in alle gevallen waarin men voor het rotten van het hout te vrezen heeft, vooral voor palen, die in den grond moeten geslagen worden. Sommigen zeggen dat als een yzer nevens enen paal van dit hout in den grond gestoken wordt, het yzer al zo schielyk door den roest vergaan zal als de paal verrotten. Op vele plaatsen worden de heiningen, zo wel de palen als de balken, van dit hout gemaakt. Ook maakt men ’er de beste kanoos van, die langst duren en ligt zyn. TeNew Yorkheb ik tamelyk zware Jagten gezien die van dit hout gebouwd waren. Dog vele Jagten die vanNew Yorkde rivierHudsonop naarAlbanygaan zyn op ene andere wys gebouwd, gelyk ik voorheen al aangetekend heb. TePhiladelphiakan men van dit hout gene vaartuigen maken, omdat het daar te schaarsch en niet zwaar genoeg is. Om de zelve reden gebruikt[23]men daar denRoden Cederook niet om de huizen te dekken, dog daar dit hout gemeender is maakt men ’er zeer goede daken van. Het merg van dezen boom is van een schoon rood, en al wat ’er van gemaakt wordt is zeer frai en geeft enen lieflyken en gezonden reuk. Dog de kleur verbleekt allengskens; was dit zo niet zo zoude ’er geen schoonder hout voor schrynwerk wezen. Ik zag ene zaal ten huize van den HeerNorris, een van dePensylvanischeParlementsleden, zynde eenQuaker, sedert vele jaren met dit hout beschoten. Die Heer verzekerde my dat de Ceder in ’t begin ’er zeer frai had uitgezien, dog toen ik ’er was was de kleur geheel verbleekt, zo dat het zeer lelyk stond. Byzonderlyk had de zon by de vensters de kleur geheel doen verschieten, zo dat menMahoganyin de plaats had moeten nemen. Evenwel wierd my verzekerd dat het hout zyne kleur bewaart als ’er een dun vernis wordt opgelegd wanneer het nog nieuw, en maar kort van te voren geschaafd is, en men zorg draagt dat het naderhand niet gestoten of gewreven worde. Ten minsten doet het vernis de kleur langer stand houden dan anders. Om den aangenamen reuk die het hout heeft, leggen sommigen de splinters en de krullen ’er van tusschen het wollen goed, om het voor de motten te bewaren. Om die zelve reden maakt men ’er ookbureauxen ander werk van. Dog deze reuk gaat ’er van af, en dan dient het hout niet langer om het ongedierte te weren. Somtyds wordt het naarEngelandvoor timmerhout gezonden, en wel betaald. Op de landgoederen der aanzienlykste lieden vanPhiladelphiavindt men gemeenlyk ene laan van deze bomen, die van den groten weg naar het huis gaat. De onderste takken houwt men af, en laat alleen de kroon over. In den winter, als de meeste andere bomen hun blad kwyt zyn, staan dezen zeer schoon. Deze boom groeit ook zeer langzaam, want een stam van dertien duimen in ’t kruis had honderd en agtentagtig kringen, een ander van agttien duimen had ’er ten minsten tweehonderd en vyftig, want velen van die kringen waren zo fyn dat men ze niet tellen konde. Deze boom wordt even als de gemene Jeneverboom voortgeplant, te weten door middel van de vogels, die de bessen opeten en de zaden geheel onbeschadigd kwyt raken. Ter aanmoediging van het aantelen van dezen nuttigen boom heeft men in ’t jaar 1749. in enenPensylvanischenAlmanak ene beschryving van de wys waarop dit het best geschieden kan, door den HeerBartramopgemaakt, ingelascht.Rakoon.Des avonds keerde ik naarRakoonte rug.DeMoerbezieboombegon omstreeks den 6. Mai te bloeyen, dog zyn blad was nog klein. Men onderscheidde deze bomen in mannelyken en vrouwelyken, en hield die welken noit vrugt droegen voor mannelyke en de anderen voor vrouwelyke bomen.[24]Smilax laurifolia.DeSmilax laurifoliawas menigvuldig in de poelen hieromstreeks. Hare bladeren waren nu aan ’t uitkomen, want zy laat die alle winters vallen. Zy klimt op langs de bomen en heesters, en loopt van den enen boom naar den anderen, zo dat zy de doorgangen sluit tusschen het geboomte, en het zeer moeilyk maakt door de bosschen en moerassen daar zy veel wast doortekomen. De steel is van onderen vol lange stekels, al zo sterk als die van den rozeboom, welken aan de klederen blyven haken en ze doen scheuren. Deze lastige plant kan een mensch, dat naar kruiden zoekt of anders door het hout gaat, zeer in verlegenheid en in gevaar brengen, want behalven de schade die zy aan de klederen toebrengt, die ’er geheel door bedorven worden, zo maakt zy de bosschen zo donker en ondoorkomelyk, dat men dikwyls op handen en voeten door de kleine openingen die zy hier en daar laat moet doorkruipen, en in dat geval kan men niet voorzigtig genoeg zyn om niet door ene slang, waarvan hier te lande ene grote menigte is, in ’t aangezigt gebeten te worden. De steel dezer plant heeft de zelve kleur als de jonge rozebomen. Hy is geheel groen en glad tusschen de doornen in, zo dat een onkundige de plant in den winter, wanneer zy zonder bladeren is, voor een soort van doorn nemen zoude.Rupsen.De bomen waren den 8. Mai vol vanRupsen; waarvan een soort byzonderlyk opmerking verdient. Dezen maakten grote witagtige webben tusschen de takken, zo dat men ze zelfs op enigen afstand kon zien. In elk van deze webben waren duizenden van Rupsen, die naderhand zig daaruit over de Appelbomen verspreidden. Zy vraten de bladeren op, en lieten ’er dikwyls niet een aan enen gehelen tak. Men verhaalde my, dat zy enige jaren geleden zo veel schade gedaan hadden, dat de Appel- en Perebomen nauwlyks enige vrugt voortbragten, en dat zelfs vele bomen stierven. Om de Rupsen te vernielen staken zy een bos stroo op enen stok gestoken in brand en hielden die onder de webben of nesten, waardoor een deel verbrandde en de overigen op de aarde vallen moesten. Egter kropen zeer velen van die Rupsen wederom in den boom, het welk men zoude hebben kunnen voorkomen als men ze dood getrapt had. Ik riep de hoenders naar zulke plaatsen waar velen van dit ongedierte kropen, dog zy wilden ze niet eten. Ook hielden ’er de wilde vogels niet van, want de bomen waren vol webben, schoon ene grote menigte vogeltjes in de tuinen en boomgaarden nestelden.De nagten bleven tot na het midden van Mai zeer donker. Een uur van zonsondergang was het onmogelyk een boek te lezen, hoe groot ook de druk mogt zyn. Om tien uren was het zo duister als inZwedenin de donkerste dog starreligte nagten van den herfst. Ook kwam het my voor, dat schoon de nagten helder waren, de starren[25]egter zo veel ligts niet gaven als by ons. En daar thans de meeste nagten de lugt geheel betrokken was, konde ik ze vergelyken by de regenagtige winternagten vanZweden. Dus was het in dit jaargety zeer bezwaarlyk van des nagts te reizen, daar menschen nog paarden den weg vinden konden. De nagten kwamen my, die aan de heldereZweedschezomernagten gewend was, hier zeer onaangenaam voor. Wy denken dikwyls, niet beter wetende, datZwedeneen niet zo goed land is als anderen. Zo andere gewesten hunne voordelen hebben, heeftZwedenook de zynen. En alles wel gewogen zynde, zo blyftZwedenaltyd een zo goed land als enig ander.Voordelen vanZwedenbovenNoord Amerika.Ik wil hier kortelyk aanmerken waarin ikZwedenden voorrang bovenNoord Amerikageven, en waarom ik, gelykUlysseszynItaka, het oudeZwedenboven hetNieuwestellen zoude.De nagten zyn hier den gehelen zomer over zeer donker, en des winters zyn zy ruim zo duister, zo niet duisterder, dan deZweedschewinternagten, want men ziet hier geen Noorderligt, en de starren schynen niet zeer helder. Het is iets buitengemeens als men eens of tweemaal in een jaar het Noorderligt ziet. Des winters legt ’er geen sneuw dan maar enige dagen, zo dat zy weinig toebrengt om de nagten optehelderen, en het reizen gemakkelyk te maken. En egter is de koude dikwyls al zo scherp als inZweden. De smeltende sneuw veroorzaakt veel nats. Ratelslangen, Hoornslangen, roodbuikige, groene en andere Slangen, tegens welker beet dikwyls geen middel is, zyn hier talryk. Voeg daar de Woudluizen by, die in de bosschen veeltyds zo menigvuldig zyn dat men ’er niet door gaan kan, zonder vol van dat ongedierte te raken, en dat men niet durft te gaan zitten, hoe aangenaam anders de oord zy. Hoe lastig zy voor menschen en beesten zyn heb ik in de Verhandelingen derKon. Zweedsche Maatschappybeschreven. Het weder is zo onbestendig, dat als men den enen dag de hette nauwlyks verduren kan, men den anderen over de koude klaagt. Zelfs verandert het weder dikwyls verscheiden malen op enen dag. Dit maakt zeer vele zieken. De hette is hier des zomers schrikkelyk, en de koude des winters somwylen doordringend. Dog voor de koude kan men middelen gebruiken, maar tegens de zware hette is niet veel te doen. Dikwyls is het gebeurd dat de menschen op het veld van de hette dood zyn ter neder gevallen. Ook heerschen hier vele ziektens, die jaarlyks toenemen. Inzonderheid ontsnapt byna niemant aan de anderendaagsche koortsen, maar moet die, nevens nog andere kwalen, meest ieder jaar doorstaan. Erwten kan men hier niet telen, wegens de wormen die ze opvreten. In de Rogge en op de karssenbomen zyn ook vele wormen. De rupsen verteren dikwyls al het loof op het geboomte, zo dat het dikwyls gene vrugt draagt, en ’er veeltyds van sterft. Het gras wordt ook veel van[26]’t gewormte vernield. Ook doet dat ongedierte de pruimen, nog niet half ryp, afvallen. De eikenbomen zyn ver na zo goed niet in ’t gebruik als deEuropischen. De heiningen houden ’t niet langer dan agttien jaar uit. De huizen staan niet lang. De weilanden zyn slegt, en het hoi deugt niet veel. In de bosschen moet het vee op kruiden azen die het niet dan in den hoogsten nood zal aanroeren. Dikwyls kan men in grote bosschen, daar de bomen ver uit malkander staan, nauwlyks een grasscheutje aantreffen. Dus wordt het vee genoodzaakt den gehelen winter en zelfs al ver in den zomer zig met jonge scheuten en takken van bomen te behelpen, daar somtyds geen blad aan zit. Dit maakt dat het vee zo weinig melk geeft, en jaarlyks in grootte meer en meer afneemt. De huizen deugen in den winter niet veel. Dikwyls ontstaan ’er stormen en orkanen, die ene menigte bomen uit den grond rukken, huizen en daken omwerpen, en vele andere schade doen. Enigen van deze nadelen zoude men door de konst kunnen voorkomen, dog velen kunnen in ’t geheel niet, of ten minsten niet zonder vele moeite, verholpen worden. Zo heeft elk land zyne voordelen en zyne ongemakken. Gelukkig hy die met het zyne kan tevreden zyn!Slegte Landbouw.De Rogge stond meest zeer dun en slegt, het welk grotendeels van de onagtzame wys van bouwen, en van de magerheid der akkers, die zelden of noit gemist worden, komt. Als men een stuk lands, dat enige honderden van jaren een woud geweest is, en daar ook gemeenlyk ene dikke tuinaarde legt, om te bebouwen genomen heeft, zo gaat men daarmede voort zo lang het iets dragen wil, en als het ophoudt iets voorttebrengen laat men het onbebouwd leggen, en neemt een ander stuk woest land, waar op nog ene vrugtbare aarde is. Zulk ene wys van landbouw kan maar enigen tyd geoeffend worden, en zy moet voor het toekomende zeer kwade gevolgen na zig slepen, die een ieder ligt voorzien kan. Dog enige weinigen gingen wat beter met hun land om. DeEngelschenhebben het in den landbouw verder dan enig ander volk gebragt. Dog de vrugtbare bovenkorst, die zy, by hunne aankomst hier te lande, op enen grond die altyd met zwaar geboomte was bedekt geweest vonden, heeft hen tot onagtzame akkerlieden gemaakt. Het is bekend dat deWildenvan onheuglyke tyden af dit land bewoond hebben, en dat zy byna geen land bebouwden, dog alleen van de jagt en vischvangst leefden. ’T is waar, zy plantten Mais, sommige soorten van bonen en kawoerden; dog al het land dat een enkeld huisgezin toen bepootte was nauwlyks zo veel als nu een Boer om kool en rapen voor zyn gezin te telen neemt. Dus konden zy nauwlyks ene maand van hunnen land- en tuinbouw bestaan. Gemeenlyk zyn ook de kleine dorpen derWildentwee of drieZweedschemylen van malkander af gelegen.[27]Hieruit kan men opmaken hoe weinig gronds zy voorheen bebouwd hebben. Al het overige lieten zy in rust, en met geboomte overwassen. En al namen zy na het uitputten van het ene kleine stuk lands een nieuw, zo wilde dit in vergelyking van de bystere uitgestrektheid des lands niets zeggen. Dus kon zig de vrugtbare aarde door het jaarlyksch afvallen van het blad zeer sterk vermeerderen. Dit was oorzaak dat deEuropershier enen zo schonen en vrugtbaren grond vonden, die in vele euwen niet was uitgemergeld geworden, en de aarde tusschen ’t geboomte was zo lugtig als de best bearbeide tuinaarde. Zy hadden maar de bomen om te hakken, ze op malkanderen te leggen, en enigermate het afgevallene blad wegteherken, om ten eersten het land zonder grote moeite omteploegen en te bezayen, waarop een uitmunde oogst volgde. Deze gemakkelyke wys van landbouwen heeft deEuropersbekoord om den landbouw derWildennatevolgen, namelyk van een land zo lang het zonder bemistiging enigsins vrugtbaar blyft te gebruiken, en wanneer het uitgemergeld is het woest te laten leggen, en een nieuw stuk lands te ontginnen. Dit maakt hier den landbouw en de kennis van denzelven zo gering, dat men van deEngelschen, deZweden, deDuitschers, of deHollandershier te lande in dit opzigt niets anders leren kan, dan ten hunnen koste uit hunne zorgeloosheid het nadeel van dezelve optemaken. In een woord, en koornlanden, en weilanden, en houtgewas, en veeteelt, alles wordt hier even onagtzamelyk behandeld, zo dat men hier de in dit stuk der Huishouding zo beroemdeEngelschenniet vinden zoude. Nauwlyks kunnen wy inZwedenenFinlandmet het hout onverstandiger handelen dan men hier doet. Men ziet maar op de tegenwoordige winst, en denkt niet om het toekomende. Het vee wordt dagelyks met werken afgemat, en neemt van wege gebrek aan voeder gedurig in grootte af. Ik heb verscheiden’ kruiden op myne reizen waargenomen die de paarden en ossen boven alle anderen kozen, welken niet alleen in ’t wild wiessen, maar ook op zeer magere plaatsen zeer wel voortkwamen. Dog de Ingezetenen wisten dezelven niet ten hunnen nutte aantewenden, zynde zeer onkundig in de Natuurlyke Historie, welke ook hier te lande, gelyk in vele andere gewesten, van velen voor een nutteloos tydverdryf wordt aangezien. Ik ben door de ondervinding verzekerd, dat ik door middel dezer wetenschap binnen weinig jaren in staat zoude zyn den magersten en dorsten grond, waar ene koe nauwlyks den kost zoude kunnen vinden, in de vetste en beste weiden te verkeren, daar grote kudden een genoegzaam voeder vinden en vet geweid zouden kunnen worden. Ik sta toe, dat deze voordelige gewassen niet overal, nog op het land van elk, gevonden wierden, maar ieder, die slegts enig inzigt in de kennis der Natuur heeft, zoude dezelven gemakkelyk van de plaatsen daar zy vallen kunnen halen. Ik was verwonderd als ik de[28]Boeren over de slegtheid der weiden hoorde klagen; dog ik merkte te gelyk op hoe lui en nalatig zy waren, en wat voortreffelyke kruiden dikwyls op den eigenen grond van deze lieden wiessen, die slegts een weinig hulp van zo enen onverschilligen Heer vorderden. Ik vond overal de wysheid en goedheid van den groten Schepper, dog niet de kennis en den lust om die behoorlyk aantewenden. Hoe gelukkig is de Landman niet die zyne voordelen kent!Tot deze uitweiding heeft my de hier te lande zo zeer veronagtzaamde landbouw gebragt. Ik heb ook gedeeltelyk de oorzaak willen aanwyzen, waarom men in deze Reisbeschryving zo weinig zaken aantreft die tot volmaking der Huishouding betrekkelyk zyn. Egter ontken ik niet dat ik hier en daar enen enkelden bekwamen Huishouder heb aangetroffen; dog zy waren dun gezaid.Roofvogels.Roofvogels, die op hoenders en ander gevogelte azen, vindt men hier in menigte, en byna nog meer dan inZweden. Zy genieten hier ene grote vryheid, kunnende uit de zware bosschen den hoenders onverwagt op ’t lyf vallen. Des nagts is het makke gevogelte niet buiten gevaar voor de Nagtuilen, waarvan ’er hier velen zyn. Zy onthouden zig merendeels in de moerassen, maken des nagts een akelig geluid, en overvallen van daar de hoenders, die gemeenlyk in de Appel-, en Perenbomen zitten te slapen. Maar sedert men hier de bosschen zo sterk afhouwt, wordt den Roofvogels hunne vryheid niet weinig benomen.Herten.Men vindt hier in de zware bosschen veleHerten. Zy schynen van het zelve soort te zyn als onzeEuropischen. EenEngelschmanhad ’er een dat tam was. Het is opmerkelyk dat zo wild deze dieren ook in de bosschen zyn, daar zy zig voornamelyk in de Cedermoerassen ophouden, zy, als men ze jong krygt, zo mak worden, dat zy zelfs by onbekende menschen komen. De makke hinde die ik zag was donker bruin, uitgenomen van onder op den buik en op ’t onderste van den staart, daar zy wit was. De oren waren grauw. De snoet was smal. Voor ’t overige was het gehele lichaam bevallig. De hairen waren digt dog kort. De staart kwam omtrent tot het gewrigt van de knie. Aan het gewrigt der beide agtervoeten zat binnenwaards een knobbel. Zy had een schelletje om den hals, op dat men ze in de bosschen voor ene makke kennen en niet schieten zoude. Zy liep overal heen waar zy wilde, en kon over de hoogste heiningen springen, zo dat men haar niet wel zou hebben kunnen opsluiten. Somtyds liep zy ver het bosch in, en bleef wel enen nagt of twee uit, dog kwam naderhand weder, gelyk ander vee, te huis. Als zy uit het bosch weder kwam wierd zy somwylen van wilde herten vergezeld, vooral in den bronstyd; zo dat de eigenaar door haar gelegenheid kreeg van digt by zyn huis verscheiden wilde[29]bokkenmenen te schieten. Nu was zy met jong. Zy had enen sterken reuk,zag haar dikwyls den kop om hoog in den wind houden en naar den kant keren van waar de wind kwam, schoon men nog niemant op den weg vernam, en de menschen eerst een uur later te voorschyn kwamen. Zodra de wilde Herten menschen ruiken, gaan zy aan ’t lopen. In den winter wierd zy met hoi en koorn gevoed; dog des zomers ging zy in het bosch den kost zoeken, en at gras en andere kruiden. De man, wien zy toekwam en die ’er meerder mak gemaakt had, zeide dat hy de hinden tePhiladelphiaverkoft, van waar zy als iets zeldzaams naar andere plaatsen verzonden werden. Hy had voor het stuk vyfentwintig, dertig, tot veertig schellingen toe, naar dat hy enen koper vond, gekregen. De wilde Herten aten des zomers gras en andere kruiden, dog des winters, als zulks niet te vinden is, de toppen der takken. Reeds heb ik aangemerkt dat zy zonder gevaar van denLepelboometen kunnen. In den langen en harden winter, die van den 19. December 1740. tot den 13. Maart 1741. O. S. duurde, waarin ook zeer veel sneuw viel, vond men op vele plaatsen de Herten in de sneuw dood leggen, vooral meer binnenlands waar de sneuw dieper lag. Of dit nu kwam om dat zy niet uit de diepe sneuw hadden weten te komen, of van de koude, of by gebrek van voeder, weet men niet. Zo verhalen ook oude lieden, dat, toen hier in ’t jaar 1705. die zware en buitengewone sneuw viel die in de Almanakken van dit Land als iets zonderlings aangetekend staat, en die meer dan anderhalveZweedscheel diep lag, ’er ene zeer grote menigte Herten werden dood gevonden, dewyl zy door de diepe sneuw niet door konden. Ook vond men toen vele vogels dood leggen. TeMatsongkwam een Hert by het vee in den stal, at mede van het hoi, en was zo door den honger benauwd, dat het tam wierd en niet weder weg liep. Het bleef sedert, even als een huisdier, by het huis. Alle bejaarde lieden getuigden dat ’er in hunne kindschheid hier veel meer Herten dan nu voor handen waren. Het was toen niet zeldzaam ’er dertig of veertig by malkander te zien. De reden van deze vermindering is de groter bevolking van het Land. Dog verder landwaards in, waar nog zware bosschen en woestenyen zyn, vindt men ’er nog veel. Onder de vyanden der Herten zyn deLynxen,21die men hier vindt, en de zelven zyn als deZweedscheWolflynxen. Dezen klouteren op enen[30]boom, en als ’er een Hert onder heen komt, springen zy ’er op, houden zig ’er wel op vast, byten het een gat in ’t lyf, zuigen ’er het bloed uit, en verlaten het niet voor dat zy het omgebragt hebben.

Reis naarPhiladelphia.

Den 12. April 1749. vertrok ik vanRakoonnaarPhiladelphiaen de omgelegen’ plaatsen, om te vernemen of daar reeds meerder gewassen opgekomen waren dan teRakoonen inNew Jerseyin ’t algemeen. Het vogtige weder, dat wy enige dagen gehad hadden, had de wegen in lage en kleyagtige oorden zeer slegt gemaakt.

Afgevallen loof verbrand.

De bladen, die den laatsten herfst afgevallen waren, bedekten den grond ter hoogte van drie of vier duimen. Dog, daar hier door het groeyen van het gras gehouden werd verhinderd te worden, had men de gewoonte van in Maart deze bladeren in brand te steken. Ik vond op deze plaatsen den grond op die wys afgebrand. Maar schoon dit in een zeker opzigt voordelig is, doet het in een ander veel kwaads, dewyl alle de jonge scheuten der bomen met het verdorde loof te gelyk verbrand worden, het welk het hout grotendeels vermindert, en op zulke plaatsen, daar men verscheiden’ jaren aan een de afgevallen bladeren verbrand had, kwam geen nieuw hout op; zo dat als eindelyk de oude bomen werden omgehouwen ’er niets dan naakte woeste velden overbleven. Ook vernielde men op die wys allerhande planten, of beroofde ze ten minsten van hare kragt om te groeyen. Een groot deel der gewassen en meest alle de soorten van gras duren hier maar een jaar, en hunne zaadtjes leggen tusschen het afgevallen blad, met het welke zy te gelyk door ’t vuur verteerd worden. Dit geeft ons ene nieuwe oorzaak aan de hand van de boven reeds gewaagde algemene klagte, dat men tegenwoordig minder kruiden en minder gras in ’t land vindt dan voorheen. Ook vernielt men dus een groot getal dode of holle bomen, welken men anders[2]tot brandhout had kunnen bezigen, en dus de bosschen enigsins sparen. Behalven dat verbrandt op deze wys ook een goed gedeelte van de bovenkorst der aarde, om van andere nadelen niet te gewagen. Om deze redenen heeft de Regering vanPensylvanieonlangs dit verbranden van ’t loof verboden; dog dit verbod wierd in ’t algemeen afgekeurd, en ieder deed naar zyn goeddunken.

Houtluizen.

Men vond om dezen tyd ene verbazende menigte vanHoutluizenin de bosschen. Dit is een zeer onaangenaam gedierte, want zodra men op den grond of enen omgehouwenen boom gaat zitten, kruipt ’er een heir van luizen den mensch op ’t lyf, en kommen zonder dat men ’t merkt op het blote lichaam. Ik heb in deVerhandelingenderZweedsche Maatschappyvoor het jaar 1754. een breedvoerig verslag van de slegte eigenschappen en andere byzonderheden van dit gedierte gegeven.

Versteend hout.

Ik ontving dien dag een stuk van versteend hout, dat men teRakoondiep in den grond gevonden had. In dit hout zag men de vezels en de binnenste ringen nog zeer duidelyk. Het scheen een stuk Hikory te zyn.

Clams.

Men gaf my ook enigen van die Mosselschelpen welkenClamsby de Engelschen heten. Deze Clams waren niet varsch, dog van de zodanigen welken men byna door gantschNew Jerseydiep in de aarde vindt. Men ontmoet ze levendig alleenlyk maar in het zoute water aan den zeekant, dog dezen waren teRakoonagt of negenEng.mylen van deDellawareen byna honderd mylen van zee gevonden. Dien avond ging ik den HeerBartrambezoeken.

Wespennesten.

Twee Wespennesten hingen in enen hogen Ahorn boven het water. Zy waren even gelyk de onzen, uitgenomen dat ze groter waren. Ieder nest was ene halve el in ’t kruis. In elk lagen drie waschkoeken boven malkander. De onderste was de grootste, en de bovenste de kleinste. Men zag ’er enige eyeren in. De onderste koek was in de middlellyn zeven en een halven duim, en de bovenste vier en een halven. De celletjes waarin de eyeren of de jonge wespen lagen waren zeshoekig, en de kleur van het nest was grauw. Men zeide dat de wespen deze nesten uit de pluizen maken, die aan de oude heiningen en muren zitten. Ene donkerbruine Bye met zwarte hoornen, twee zwarte kringen onder ’t lyf, en purpere vleugels vloog tusschen de bomen, en behoorde misschien tot deze nesten.

Een ander soort.

Een ander soort vanWespen, groter dan dezen, maken hunne nesten geheel open. Zy bestaan slegts uit enen koek, die door niets gedekt wordt, en maar bloot tusschen de takken hangt. De celletjes zyn horizontaal; en wanneer ’er eitjes of jonge wespen in zyn, zo heeft ieder celletje een soort van deksel boven zig, op dat ’er de regen niet in kome. Dog waar by onweder de oude wespen blyven weet ik niet, ten zy zy in de reten der rotsen kruipen. De[3]bovenzyde van den koek is met een soort van smeer bedekt, zo dat de regen ’er niet door kan dringen. De celletjes zyn gemeenlyk zeshoekig, vyf, zes of zeven lynen diep, en twee lynen in de doorsnede. De HeerBartrammerkte aan dat deze nesten uit ene twederhande stof zamengesteld waren, namelyk van de pluizen, die men op oude tuinen vindt, en die door den wind ’er afwayen, want men ziet ’er de wespen dikwyls zelven op zitten en die afknagen. Maar de kanten van het deksel der celletjes bestaan uit ene zelfstandigheid uit het dierenryk, of ene lymige stof, die de wespen opgeven of in hunne monden bereiden; want als men deze zelfstandigheid in ’t vuur werpt, brandt zy niet, maar wordt alleenlyk gezengd, gelyk hair of hoorn. Dog de bodem van het nest brandt gelyk linnen of half verrot hout, en laat enen reuk van gebrand hout na. De wespen, welker nesten ik hier beschreven heb, hebben op het voorhoofd drie zwarte glinsterende stippen,1en op het lyf ene vyfhoekige zwarte vlak. Tegens het einde van den herfst kruipen deze wespen in de spleten der bergen, waar zy den winter ongevoelig overbrengen. In de lente, als de zon begint kragt te krygen, komen zy des daags te voorschyn, dog keren tegens den avond, wanneer het begint koud te worden, weder naar hunne holen. Ik zag ze vroeg in de lente by zonneschyn in en omtrent sommige reten in de bergen. Men verhaalde my van een ander soort van Wespen, die hunne nesten onder den grond maken.

De Zwemmer.

DeGyrinus natatorof de zogenaamdeZwemmer, een waterkever, danste in menigte op ’t water.

Reis naarChester.

Den 14. in den morgen reisde ik naarChester. Op vele plaatsen langs den weg zyn zaagmolens, dog die ik dien dag zag hadden maar ene zaag. Ik bemerkte ook dat de bosschen in dit oord zeer ruw behandeld waren. Het is hier de gewoonte by het opregten van zaagmolens, koornmolens of yzerwerken, het water een goed deel wegs naar beneden te leiden, in geval de grond naby enen waterval niet bekwaam is voor het gebouw.

Rakoon.

Den 16. keerde ik weder naarRakoon.

Zwaluwen.

Men heeft hier te lande vierderlei soorten vanZwaluwen, namelyk die in de schuren, die in de schoorstenen, die onder den grond zig onthouden, en eindelyk een soort dat deEngelschenMartinsheten.

Die in de schuren zig onthouden, of deHuiszwaluwen, hebben enen[4]gevorkten staart. Ik vond ze op alle de plaatsen vanNoord Amerikadie ik gezien heb. Zy komen met opzigt harer kleur zeer veel met deEuropischeHuiszwaluwen overeen, dog ’er is enig onderscheid in het geluid. Dit jaar lettede ik niet op wanneer zy te voorschyn kwamen; dog het volgende zag ik ze het eerst den 10. April N. S. en den volgenden dag ’s morgens zag ik ’er een grote menigte van op palen en planken zitten, die zo nat waren als of zy zo uit de zee gekomen waren.2[5]Zy maken hare nesten in de huizen en onder de daken aan de buitenzyden. Ook vond ik deze nesten op bergen en klippen, welker bovenste wat buiten het onderste uitstak. Buiten dat nestelden zy onder de hoeken van loodregte klippen. En dit leert ons waar de Zwaluwen voor dat deEuropershuizen hier te lande gebouwd hadden genesteld hebben; want dit konden zy onmogelyk in of tegen de hutten derWildendoen. Ene[6]zeer geloofwaardige vrouw, zo wel als hare kinderen, verhaalden my het volgende geval, verzekerende ooggetuigen daarvan geweest te zyn. Een paar Zwaluwen maakten haar nest in den stal dezer vrouw; het wyfje lag eitjes en ging aan ’t broeden. Enige dagen daarna zag men het wyfje steeds op de eyeren zitten, maar het mannetje rondom het nest vliegen, somtyds op enen spyker zig zettende, en een droevig geluid makende,[7]waaruit zyn ongerustheid bleek, en by een nader onderzoek vond men het wyfje dood op het nest en smeet het weg. Toen ging het mannetje op de eyeren zitten, maar, twee uren daarop hebbende gezeten, en dit werk voor hem te lastig vindende, vloog hy weg, en kwam des nademiddags met een ander wyfje terug, dat op de eitjes ging zitten, en naderhand de jonge Zwaluwen opbragt, tot dat zy in staat waren voor zig zelven te zorgen. Men was het hier niet eens aangaande het verblyf der Zwaluwen in den winter. De meesteZwedendagten dat zy op den bodem der zee lagen, anderen, en dit was ook het gevoelen derEngelschenen derFranscheninKanada, meenden dat zy in den herfst zuidwaards verhuisden en in de lente terug kwamen. Ook ben ik voor zeker teAlbanyonderrigt geworden, dat men ze dikwyls in diepe holen en reten in rotsen gedurende den winter slapende gevonden heeft.

DeSchoorsteenzwaluwenworden dus geheten om dat zy hare nesten in de schoorstenen maken, waarin des zomers niet gestookt wordt; somtyds zelfs storen zy zig niet aan den rook als de vuren niet te sterk zyn, en blyven in den schoorsteen. Ik zag ze dit jaar niet dan laat in Mai, maar het volgende jaar 1750. kwamen zy den 3. Mai te voorschyn, want zy komen altyd later dan de andere Zwaluwen. ’T is zonderling dat elke veder in hare staarten met ene styve, scherpe spits, byna als de punt van enen priem eindigt. Met deze staarten hegten zy zig aan de muren der schoorstenen vast, houden zig met de poten, en drukken den staart tegens de stenen aan, die haar dan tot een stut dient. Zy maken den gantschen dag een schrikkelyk geweld in de schoorstenen met op en neder te vliegen, zo dat men somtyds zeggen zoude dat het donderde. Maar dewyl deze Zwaluwen alleen in de schoorstenen nestelen, zo is de vraag waar zy zig voor de aankomst der Europers hebben opgehouden,[8]aangezien het bekend is dat deWildengene schoorstenen hebben, en hun vuur op den grond in hunne hutten leggen. Waarschynlyk is het dat zy toen hunne nesten in holle bomen maakten. De HeerBartramen vele anderen waren hier van dit gevoelen.Catesbyheeft deze Zwaluw beschreven en afgebeeld, en de RidderLinnæusnoem: zeHirundo Pelasgia.

DeAardzwaluwenvindt men overal inAmerika. Zy maken hare nesten in den grond op de steile oevers van zeen en rivieren.3

Martinsis de naam dien deEngelscheneen soort van Zwaluwen geven, welkenCatesbyook afgebeeld heeft onder den naam vanHirundo purpurea. Zy zyn hier zo gemeen niet als de andere soorten. Ik heb op vele plaatsen gezien dat men buiten voor de muren kleine houten hokjes voor haar gemaakt had om in te nestelen, want men heeft ze gaarn by de huizen, vermits zy zodra genen havik of krai gewaar worden, of zy zetten ze na, en waarschuwen de hoenders met haar geschreuw van de nabyheid van derzelver vyanden. Ook verbergen zig de kiekens zodra zy deze Zwaluwen horen schreuwen.

Dirca palustris.

DeZwedenenEngelschennoemen deDirca palustrisMuizenhout.4Deze plant stond den 17. April in vollen bloei. TeAlbanynoemt men zeLederhout, omdat de bast zo buigzaam is als leder. DeFranscheninKanadaheten zeLoodhout.5DeWildendie voormaals onder deZwedenwoonden, gebruiken de schors dezer plant om manden, banden, en andere dingen van te maken. En inderdaad zy is daar zeer goed toe, ter oorzake van hare sterkte en buigzaamheid, waarin zy den Lindenbast niets toegeeft. DeEngelschen,Hollanders, enFranscheninNoord Amerikagebruiken dezen bast in alle die gevallen waarin wy ons inEuropavan den Lindenbast bedienen. Het hout zelf is zeer tai, zo dat zonder behulp van een mes men niet ligt enen tak kan afbreken. Sommigen gebruiken de takken tot roeden om de kinderen te tugtigen.

Aardbezien.

Den 20. April vond ik voor het eerst van ’t jaar deAardbezienin bloei. De vrugt is gemeenlyk groter dog minder aangenaam dan inZweden.

Oogsten.

De jaarlyksche oogst wordt hier te lande altyd toereikende gehouden om den ingezetenen van brood te voorzien, schoon de een voordeliger uitvalt dan de ander. Een eerwaardige zeventigjarigeZweed,Aoke Helmgenaamd, zeide dat gedurende zynen gehelen levenstyd hier geen eigenlyk gezegd miswas voorgevallen was, dog dat men altyd genoeg koorns gehad had. Ook eet men hier altyd zuiver brood van rog, weit,[9]koornsof mais, en noit van minder koorn, veel minder dat met zemelen of andersins vermengd is. Vele oudeZwedenenEngelschenbevestigden dit zeggen, en zeiden dat het hun niet heugde dat oit de oogst zo slegt was uitgevallen dat ’er het gemeen gebrek door geleden had, veel minder dat ’er oit een hongersnood geweest was. Somtyds steeg wel de prys der granen het ene jaar hoger dan het andere, het geen door al te grote droogte, of slegt weder veroorzaakt werd, dog ’er was egter altyd koorns genoeg voor de noodwendigheden van het volk. Ook is het niet waarschynelyk dat ’er hier te lande oit een grote hongersnood kome ten zy het Gode behagen mogt dit Land op ene byzondere wys te bezoeken. Want door ene meer dan zestigjarige ondervinding heeft men de gesteldheid van het weder grondig leren kennen. Men heeft hier gene koude nagten die het jonge graan beschadigen konnen. De regens houden zelden lang aan, en zo is het ook met de droogte. Maar vooral doen hier zeer veel de menigerlei soorten van koorn toe, die men hier teelt, en op onderscheiden’ tyden zait, zo dat als het een kwalyk uitvalt het ander gemeenlyk wel slaagt. De zomer is zo lang dat men van sommige soorten van graan drie oogsten heeft. Nauwlyks is ’er ene maand van Mai tot November ingesloten toe waarin men niet het ene of andere graan of sommige vrugten inzamelt. Het zou zekerlyk een grote ramp wezen indien de oogst hier niet wel opnam, want men legt hier, gelyk op vele andere plaatsen, genen voorraad op, en houdt zig te vrede met voor het tegenwoordige genoeg te hebben.

Persikebomen.

DePersikebomenstonden nu overal in bloei; de bladen waren nog niet uit, en dus stonden de bloemen des te schoonder, doende hare bleek rode kleur ene voortreffelyke uitwerking, en zy zaten zo digt op een dat de takken ’er geheel van bedekt schenen. De andere vrugtbomen waren nog niet aan ’t bloeyen, alleen begonnen de Appelbloeisems zig te vertonen.

Currants.

Currantsis de naam dien deEngelschen6enZwedenaan enen struik geven die op natte gronden, digt by poelen wast, en nu bloeide. De bloemen zyn wit, ruiken wel, en zitten aan langwerpige trossen. De vrugt is goed om te eten als zy ryp is. DeStylusis draadagtig en korter dan deStamina. In ’t midden is hy in vyf delen ofStigmataverdeeld.Gronoviusnoemt deze plantMespilus, enLinnæusCratægus.

DeCaprimulgus.

DeZwedengeven den naam vanWhipperiwillen deEngelschendien vanWhippoorwillaan een soort van Nagtvogel, dien men in[10]Noord Amerikabyna den gehelen nagt over hoort schreuwen.CatesbyenEdwards7beiden hebben hem beschreven en afgebeeld.Linnæushoudt hem voor een soort van denCaprimulgus Europæus,8dewyl de gedaante, de kleur, en de eigenschappen deze beide vogels bezwaarlyk doen onderscheiden. Dog het geluid van den Amerikaanschen vogel doet hem van den Europischen en van alle andere vogels onderkennen. Men vindt hem hier des winters niet, dog hy komt met de lente weder. Ik hoorde hem voor ’t eerst den 22. April, en vele menschen zeiden dat dit de eerste zomer was dat zy hem hoorden. ZynEngelscheenZweedschenaam worden van zyn geluid ontleend; maar om juist te spreken, hy roept niet eigenlykWhipperiwillofWhip-poor-will, dog veeleerWhipperiwhip, wordende de eerste en laatste lettergrepen duidelyk uitgesproken en de twee middelsten kort. DeEngelschenveranderen dit geluid inWhip-poor-willom het enige betekenis te geven, als wilde het zeggen denarmen wilden man te kastyden. Men hoort nog ziet dezen vogel noit by dag, dog na het ondergaan der zon begint hy te roepen, en houdt daarmede den nagt over aan. Na enigen tyd op ene plaats geroepen te hebben, vliegt hy naar ene andere en begint daar op nieuws. Hy komt gemeenlyk verscheiden’ malen op enen nagt, en laat zig digt by de huizen horen. Ik heb dikwyls des avonds laat gezien dat hy op de huizen kwam zitten om te roepen. Hy was niet zeer schuw, want als men stil bleef liet hy zig ten eersten horen. Hy zoekt de huizen ter oorzake der Insekten, waarvan hy leeft, die des avonds digt by de huizen talryk zyn. Als hy stil zat te schreuwen, en een Insekt zag voorby vliegen, vloog hy het schielyk na, ving het, en zettede zig weder neer. Somtyds hoort men ’er vier, vyf, of meer van, digt by malkanderen, als ware het om stryd, roepen, en een groot geweld in de bosschen maken. In de steden hoort men ze zelden, zynde zy daar of uitgeroeid of verjaagd door het gedurige schieten. Zy houden niet van op de bomen te zitten, maar zyn het meest op den grond, of in laag kreupelhout, of op de onderste palen van de tuinen. Zy vliegen altyd digt by de aarde. Des avonds houden zy met roepen aan tot dat het geheel donker is, zyn dan stil tot dat de dageraad begint te naderen, en schreuwen dan tot dat de zon opkomt. Schoon ik met voordagt ’er naar luisterde, heb ik ze noit in ’t midden van den nagt gehoord, en velen anderen is het zelve gebeurd. Men zegt dat zy gene nesten maken, maar twee eyeren in het open[11]zand leggen. Myn Bediende schoot eens op enen, en, schoon hy hem miste, viel hy egter van schrik neder, lag enigen tyd als dood, dog kwam naderhand by. Hy tragtte noit te byten als men hem in de hand had, dog zogt zig los te spartelen. Boven en vlak onder de ogen had hy, gelyk andere Nagtvogels, verscheiden’ zwarte, lange en harde hairen. DeEuropersaten dezen vogel.Catesbyverhaalt dat volgens het zeggen derWildenmen dezen vogel noit vernomen heeft voor het leveren van enen zekeren slag, waarin deEngelscheneen groot getalWildendeden sneuvelen; en derhalven denken zy dat deze vogels, die zo rusteloos zyn en zulk een droevig geluid maken, de zielen zyn hunner gesneuvelde Voorouders.

Bloeyende bomen.

Den 24. April begonnen deKarssebomenhunnen bloeisem te vertonen. Zy hadden reeds tamelyk grote bladeren. DeAppelbomenbegonnen ook te bloeyen, dog de Karssebomen waren hun voor. Dog zy kregen ook ene groenagtige kleur van hun uitspruitend blad.

DeMoerbeziebomenstonden nog geheel naakt; zo dat ik met verdriet opmerkte dat deze boom een van de laatsten is die groen wordt, en een van de eersten die zyne vrugten tot rypheid brengt.

Den 26. reisde ik des morgens naarPenn’s Neck. DeTulpebomen, vooral de volwassenen, zagen ’er geheel groen uit, zynde reeds in ’t blad; dus is deze boom een van de vroegsten die zyn blad krygt.

Ik zag heden voor het eerst denSassafrasboombloeyen. De bladeren waren nog niet uit. De bloemen ruiken aangenaam.

DeLupinus.

DeLupinus perennisis menigvuldig in de bosschen, en wast in goede en kwade gronden. Dikwyls zag ik hem op schrale gronden en heiden tieren, waar niets anders voortkomen kon. Zyne bloemen, die gemeenlyk in Mai voor den dag komen, staan zeer frai door haren purperagtigen weerschyn. Men zeide my dat het vee deze bloemen gaarne eet; dog het speet me dikwyls te ondervinden dat het ’er zo fel niet op was als men zeide, vooral als ’er iets anders te eten viel, en dan raakte het deze plant zelden aan, hoe malsch en groen zy ’er ook uitzag. De paarden aten de bloemen, maar niet de stelen en bladen. Als het vee deze plant in de lente eten zal, moet de noodzakelykheid en de honger ze smakelyk maken. Men vindt hier gene zo schoon met gras bewassen weilanden als inZweden, in de bosschen moet het vee zyn voedsel zoeken. De grond is daar gemeenlyk gelyk, ten minsten zyn ’er weinig heuveltjes. De bomen staan wyd uit malkander, dog de grond tusschen hun is niet met groene zoden bedekt, want daar zyn maar weinig soorten van gras, en dat staat zeer yl. De grond is zeer los, ten dele door de menigte van verrotte bladeren die denzelven een groot deel van het jaar bedekken. Dus vindt het vee[12]weinig gras in de wouden, en moet zig behelpen met al wat het krygen kan, het zy goed of kwaad. Ik zag dit voorjaar het vee de jonge scheuten van ’t geboomte afbyten en opeten, want ’er waren nog gene planten opgekomen, en die staan ook zeer schaarsch hier en daar verspreid, gelyk ik reeds heb aangemerkt. Dus kan men ligt begrypen dat de honger het vee dwingen kan om planten te eten die het niet zoude aanraken als het beter voedsel kon vinden. Egter denk ik dat het der moeite waard zyn zoude deze plant ter verbetering van magere gronden te gebruiken, en dat het niet onmogelyk zoude zyn middelen te vinden om ze het vee smakelyk te maken.

Eiken.

DeEikenhebben hier dezelve eigenschappen als deEuropischen. Zy behouden hunne dode bladen byna den gantschen winter over, en krygen eerst laat anderen. Zy begonnen eerst ’er enige weinigen te vertonen.

De Hommelvogel.

DeHommelvogel, by deZwedenKoningsvogel,9genoemd, kwam dien dag het eerst te voorschyn.

Een Kever.

De Kever, byLinnæusMeloë Proscarabæus, zat op de bladeren van den witten Nieswortel,10en at ze. Ik zag ze in weinig minuten een gantsch blad opeten. Sommigen hadden zig zo dik gevreten dat ze kwalyk kruipen konden. Dus was deze plant, die voor andere, dieren volstrekt dodelyk is, voor hun een lekker voedsel.

Ligtgevendevliegen.

DeLigtgevende Vliegenverschenen dezen avond voor het eerst van ’t jaar, en vlogen tusschen ’t geboomte. Het was als of ’er vuurvonken door de lugt vlogen. Elders zal ik ze breder beschryven.

Des avonds keerde ik weder naarRakoon.

Late koude nagten.

De Nagt tusschen den laatsten April en den 1. Mai was zo koud, dat by ’t opkomen der zon de grond zo wit was van den ryp als of het gesneuwd had. DeZweedscheThermometer stond 1½ gr. onder ’t vriespunt. Wy zagen geen ys in de wateren en rivieren die enige diepte hadden, dog op zulken in de welken maaromtrentdrie duimen waters was vond men ys van omtrent de dikte van een derde ener lyn. Den avond te voren was de wind zuidelyk, dog ’s nagts was het stil. De Appel- en Karssebomen waren in vollen bloei. De Persikebomen hadden al byna uitgebloeid. De meeste bomen in de bosschen hadden reeds nieuwe en tedere bladen, en het grootste getal stond te bloeyen, als de meeste Eiken, de Kornoeljebomen, de Hikories, Pruimbomen, Sassafrassen en Beuken.

Planten beschadigd.

De planten die van de vorst geleden hadden waren, I. deHikories, van de welken aan de jonge bomen de bladeren bevroren waren, zo dat zy na den middag geheel zwart waren. Het meeste blad was byna overal[13]digt by poelen en in de bosschen door de koude bedorven. II. DeZwarte Eiken, waarvan ’er velen waren wier blad beschadigd was. III. De jongeWitte Eikenhadden ook veel aan hun blad geleden. IV. De bloeisems der Karssebomen waren op vele plaatsen ook beschadigd. V. De bloemen van deEngelscheWalnootbomen hadden zeer veel geleden. VI. Sommige bomen van deRhus glabrahadden al loof, het welk geheel bevroren was. VII. Van deRhus radicanshadden de jonge tedere bomen veel van de vorst geleden, en hunne bladen waren gedeeltelyk dood gevroren. VIII. Van deThalictraof wilde Ruite waren en bloemen en bladen beschadigd. IX. Van hetPodophyllum peltatumwas ’er van de vyf honderd pas een dat geleden had. X. Een groot deel Varen, onlangs opgekomen, was vernield. Vele andere gewassen waren ’er nog beschadigd, dog ik konde ze wegens hunne kleinte niet onderkennen.

Bartsia coccinea.

DeBartsia coccineawies overvloedig in verscheiden lage weiden. De knoppen waren reeds schoon karmynrood, en gaven aan de weiden een sieraad. Men heeft nog geen ander gebruik van deze plant gemaakt, dan dat zy het oog verlustigt.

Walnootboom.

Een van deZwedenhad hier enenEngelschenWalnootboom11in zynen tuin geplant, die nu twee vadem hoog was. Hy stond in vollen bloei, en had reeds grote bladen; maar de zwarte Walnootbomen, die hier van zelven wassen, hadden nog bladeren nog bloemen. Dog de vorst van den laatsten nagt had alle de bladeren van den Europischen boom vernield. Dr.Franklinzeide my naderhand, dat ’er sommigeEngelscheWalnootbomen tePhiladelphiageplant geweest waren die wel slaagden, dog de vorst doodde ze allen.

Bomen die nog geen blad hadden.

Ik gaf nauwkeurig agt op de bomen die nog geen blad hadden, en dezen waren:

De zwarte Walnootboom, de Esch, deAcer Negundo, hier dewitte Eschgenoemd, deNyssa aquatica, dePersimon, devitis Labruscaof wilde Wyngaard, en deRhus glabraof deSumach.

Uitlopende bomen.

De bladen der volgende bomen waren nu aan ’t uitkomen; de Rode Moerbezie en Kastanjeboom, de Waterbeuk, en de Sassafrasboom. Van de Hikories hadden sommigen reeds grote bladeren, dog anderen hadden ’er nog genen. By de verscheidenheden die men onder dit soort van bomen heeft, denk ik, zal ook het zelve verschil plaats hebben.

DeVirginischeKarsseboom wast hier en daar in de bosschen. Zyne bladen waren reeds tamelyk groot, dog zyne bloemen waren nog niet volkomen open.[14]

De Sassafrasboom stond overal in bloei, dog zyne bladeren waren nog niet geheel en al ontwikkeld.

DeStoraxboom.

DeLiquidambar Styracifluaof deStoraxboomwast in de bosschen, vooral in enen natten grond, in en by waterstroompjes. DeEngelschennoemen hemSweet Gum-tree. De bladen begonnen in het bovenste des booms uittespruiten. Deze boom wordt zeer zwaar, en hy wykt in hoogte den grootsten sparren en eiken niet. Wanneer hy begint hoog te worden sterven de onderste takken, vallen af, en laten ten laatsten den stam gantsch glad en zonder takken, houdende de boom alleen maar ene kroon boven aan. De zaden zitten in ronde hoekige huisjes, die in den herfst afvallen; en dewyl de boom zeer hoog is dryven de winden de zaden zeer ver heen.

Men kan dit hout zeer glad maken, vermits deszelfs aderen zeer fyn zyn, dog het is niet hard, zo dat men ’er met een mes letters in kan snyden, die ’er schynen in gegraveerd te zyn. De HeerLewis Evanszeide my ondervonden te hebben, dat ’er in dit Land geen beter hout is om gegoten metalen in te bearbeiden dan dit. Ik vroeg den HeerBartramof hy de gom van dezen boom gevonden had, die zo beroemd is in de Geneeskonst. Hy zeide my dat een zeer sterk ruikende gom altyd uit iedere snede loopt die in den boom gemaakt wordt, dog dat de hoeveelheid hier te gering was om de moeite van ’t verzamelen te vergoeden. Deze ruikende gom heeft denEngelschennaam voortgebragt. Hoe meer men zuidwaards komt des te groter hoeveelheid van gom geeft de boom, zo dat ze daar ligt te verzamelen is. De HeerBartramwas van gedagte dat deze boom eigenlyk voor de lugtstreek vanKarolinageschikt is, dog door verscheiden’ toevallen verder noordwaards, tot inNew Yorktoe, het welk zyne uiterste grenspalen schynt te zyn, is gebragt geworden. In de zuidelyke gewesten brengt de warmte de gom rykelyk voort, dog zo gaat het niet in ’t noorden.

Reis naarSalem.

Den 2. Mai reisde ik naarSalemmet inzigt om het Land te zien.

Geboomte.

DeSassafrasboomstond hier en daar in de bosschen en om de rasteringen. Men kon hem nu van verre door zynen bloeisem ontdekken, die nu open zynde hem geheel geel maakte. Het blad was nog niet uit.

Weiden.

Op sommige weilanden was het gras reeds tamelyk hoog; dog men moet aanmerken dat deze weiden moerassig zyn, en dat ’er geen vee dit jaar was op geweest. Deze weilanden worden tweemaal in ’t jaar gemaid, te weten in Mai en het einde van Augustus. Ik zag dezen dag enigen van deze weiden, waarop het gras reeds bekwaam was om gemaid te worden, en vele weilanden inZwedenhebben in den hoityd zo goed gras niet. Deze weiden lagen in vallyen en by poelen, waar[15]de Zon grote kragt oeffent. Het gras bestond voornamelyk uit dat soort ’t welkCarexgenoemd wordt.

Pruimbomen.

De wildePruimbomenwaren nu overal in bloei. Zy wassen hier en daar in de bosschen, dog gemeenlyk digt by moerassen op natte gronden. Men kent ze van verre aan hunnen witten bloeisem. De vrugt is schoon op ’t oog, en wordt ryp zynde gegeten.

De Kornoeljeboom.

DeCornus FloridaofKornoeljeboomwast in de bosschen, op de heuvels, op de vlaktens, in de dalen, in poelen en by beekjes. Dus kan ik niet zeggen welke zyn regte grond is; egter schynt hy op enen lagen dog niet vogtigen grond het best te slagen. Hy was nu versierd met zyne grote witte bekleedsels waarin de bloemen zitten, die den boom van verre doen in ’t oog lopen. Het is om dezen tyd een vermaak door de bosschen te reizen, zo schoon worden zy gemaakt door den bloeisem van dezen boom. De bloemen die in de bekleedsels zyn opgesloten begonnen dezen dag open te gaan. De boom komt tot gene grote hoogte of zwaarte, dog krygt omtrent die van onzen Sorbeboom. Daar zyn drie soorten van dezen boom in de bosschen, een met grote witte bloembekleedsels, een twede met kleine witten, en een derde met roodagtige.

Gevogelte.

De bosschen waren thans vol van vogelen. Ik zag, vooral de kleinder soorten, overal op den grond huppelen, of onder ’t kreupelhout kruipen, zonder zeer schuw te zyn, dus het den slangen zeer ligt valt ze te doden. Ik geloof dat de Ratelslang weinig meer te doen heeft dan stil te leggen, en, zonder dat zy lang behoeft te wagten, zal wel de een of de ander kleine vogel haar op ’t lyf lopen en gelegenheid geven van hem zonder betovering te vangen.

Salem.

Salemis ene kleine handel dryvende plaats, een stuk wegs van deDellawareafgelegen. De huizen staan ver van malkander, en zyn ten dele van steen en ten dele van hout. Een beekje loopt langs de Stad en valt in deDellaware. De Ingezetenen leven van den handel zo goed als zy konnen. In de nabuurschap vanSalemzyn sommige lage en moerassige weiden, en om die reden wordt het voor ene ongezonde plaats gehouden. De ondervinding heeft doen zien, dat zulken die zig hier van andere plaatsen kwamen nederzetten zeer bleek en ziekelyk wierden, schoon zy in ene volmaakte gezondheid waren en ’er wel uitzagen op hunne aankomst. Deze ziekelyke toestand blyft hun gemeenlyk altyd by. De schuld hiervan geeft men aan de stinkende uitwaassemingen der moerassen, die men zelfs van verre door den reuk gewaar wordt. De afgaande koortsen heerschen hier zeer sterk tegens den herfst. Twee jonge lieden, die met my naarAmerikawaren overgekomen, gingen gezond en wel naarSalem, dog binnen[16]weinig weken vielen zy ziek, en eer de winter half om was waren zy beiden dood.

Saffraan.

DeSaffraanwordt hier veel geplant, dog zy is zoo goed en zo sterk niet als deEngelscheenFransche. Misschien wordt zy beter als zy enige jaren, gelyk de Tabak, gelegen heeft.

Katoen plant.

HetGossipium herbaceum, of de Katoen die op ene plant gevonden wordt, is een gewas van maar een jaar, en velen van de Ingezetenen vanSalembegonnen het te zaijen. Sommigen kregen de zaden uitKarolina, waar grote Katoenplanteryen zyn, dog anderen hadden ze uit de Katoen die zegekofthadden uitgeplukt en geplant. Men zeide dat men in ’t eerst moeite had om de zaden der hier geplante Katoen tot rypheid te krygen, want inKarolina, van waar men ze gekregen had, zyn de zomers veel langduriger en warmer. Dog naderhand hebben de zaden zig meer naar de lugtstreek gewend, en komen vroeger aan en tot rypheid.

Rakoon.

Des avonds keerde ik naarRakoonte rug.

DeCrabtree.

Crabtreeis de naam van een soort van wilde Appelbomen, die in de bosschen groeyen, maar vooral op kleine heuveltjes by de rivieren.12InNew Jerseyis de boom enigsins raar, dog inPensylvanieis hy overvloedig. Sommigen hadden enen enkelden van deze bomen digt by hunne Landhoeven geplant, om den aangenamen reuk van zyne bloeisems. Hy had den 4. Mai sedert een dag of twee begonnen te bloeyen. De bloemen zyn juist gelyk aan die van den gemenen Appelboom, uitgenomen dat die van denCrabtreewat roder kleur hebben, schoon op sommige Appelbomen de bloemen al zo rood zyn. Dog de reuk onderscheidt ze volkomen, want deze wilde bomen ruiken zeer aangenaam. De Appelen van deze bomen zyn klein en zuur; egter zeide men dat zy eetbaar waren. Zy blyven den gantschen winter over onder den boom leggen, krygen dan ene gele kleur, en bederven zelden eer dan in de lente.

Aanmerking.

Ik kan niet voorby hier ene aanmerking te maken. DeCrabtreesbegonnen eerst den 3. of 4. Mai hunne bloemen te tonen, daar integendeel de gemene Appelbomen, die uitEuropaovergebragt waren, al hunnen bloeisem kwyt waren. Zo begonnen ook de wilde Karssebomen eerst den 12.Mai te bloeyen, en de tammen bloeiden reeds den 24. April. De zwarte Walnoten uit dit Land oorspronglyk hadden nog bladen nog bloemen, schoon deEuropischenreeds grote bladen en bloemen droegen. Hieruit blykt dat bomen uitEuropaovergebragt,[17]schoon van den zelven aard als de wildeAmerikaanschen, veel vroeger bloeyen dan de anderen. Ik kan de reden hiervan niet zeggen, of het moest zyn dat deEuropischebomen aan ’t bloeyen gaan zodra zy dien trap van warmte krygen daar zy in hun vaderland aan zyn gewend. Zy weten niet, zou men zeggen, dat hier na zulk ene warmte een of meer koude nagten staan te wagten, die hunne bloeisems vernielen kunnen, want in de koude landen komen zelden na zo hete dagen zo koude nagten die den bloeisem kunnen beschadigen.13Integendeel schynen de wilde bomen van dit Land geleerd te hebben zig op die vroege warmte niet te verlaten, maar te wagten naar ene sterker hitte, wanneer zy voor gene vorst meer te vrezen hebben. Hierom gebeurt het dikwyls dat de bloeisem van deEuropischebomen dood vriest, daar de inlandschen niets lyden. Wy erkennen hier de wysheid van den Schepper.

Reis naarRapaapo.

Vroeg in den morgen van den 5. Mai ging ik naarRapaapo, een groot dorp bestaande uit zeer verstroid leggende landhoeven. Daar woonden volstrekt niets danZweden, zo dat de Ingezetenen deZweedschetaal behouden hebben met maar enigeEngelschewoorden vermengd. Myn oogmerk was gedeeltelyk den oord te bezigtigen, kruiden en andere merkwaardige dingen te zoeken, en deels om de plaatsen te vinden waar de Witte Ceder, ofCupressus thyoidesgroeit.

Pinxterbloemen.

DeMaibloemen, zo als deZwedenze noemen, waren overal menigvuldig in de bosschen, vooral op droge of ten minsten niet zeer natte plaatsen. DeZwedengeven haar dien naam om dat ze in Mai in vollen luister staan. SommigeZwedenen deHollandersheten zePinxterbloemen, om dat zy wezenlyk om Pinxteren bloeyen. DeEngelschennoemen zeWild Honeysuckles, en op enigen afstand hebben zy wel wat gelykenis naar de Kamperfoelie.14De bloemen waren nu open, en gaven een nieuw sieraad aan de bosschen, zynde weinig minder schoon dan de bloemen van de Kamperfoelie en hetHedysarum. Zy zitten rondom ’t bovenste van den steel, en zyn of van ene donker rode of van ene levendig rode kleur, dog als zy enigen tyd gestaan hebben worden zy van de zon gebleekt en allengskens wit. Ik weet niet hoeColdenze geel kan noemen.15Zy wassen niet altyd even hoog. Sommigen waren zo groot als een volwassen man, en groter zelfs, anderen waren laag, en sommigen kwamen niet boven drie of[18]vier duimen van den grond, egter waren ze allen vol van bloemen. Men heeft nog geen gebruik van deze plant weten te maken, alleen zet men de bloemen in potten tot sieraad. Zy hebben enigen geur, dien ik egter niet lieflyk vinden kan. Dog de fraiheid der kleur maakt ze ene plaats in den bloemtuin waardig.

Rogge.

Ik zag dien dag voor het eerst van het jaar enige airen vanRogge. InZwedenbegint zy omtrent den 18. Mai O. S. hare airen te vertonen. Dog inNieuw Zwedenzeide men dat men ze reeds in April plegt te zien, zelfs al komt de lente laat. Deze lente wierd overal voor ene van de laatst komenden gehouden.

Bullfrog.

Manteskoris de naam dien deZwedenaan een soort van Kikkers geven. DeEngelschennoemen zeBullfrogs,16ofBulkikkers. Ik had dien dag voor de eerste maal gelegenheid ze te horen en te zien. Ik hoorde onverwagt onder ’t ryden een gebulk, zo dat ik niet anders meende of er was een stier in ’t kreupelhout, dewyl ik aan dezen Kikker niet dagt. Ik begon bevreesd te worden dat misschien een boosaardige stier digt by my wezen mogt, schoon ik hem niet zag. Ik bleef ook in die gedagte tot dat ik een uur of twee later met enigeZwedenover dit soort van Kikkers in gesprek kwam, en toen begreep ik dat het ’er een geweest moest zyn dien ik onder weg zo had horen bulken, want men zeide my dat ’er ene menigte van hier in ’t water waren. Ik ving ’er vervolgens enigen. Hy is ontwyffelbaar de grootste van alle de Kikkers hier te lande. Men zeide dat zy tegens den herfst, wanneer het begon koud te worden, zig in de modder begraven, waar zy slapende den winter overblyven. Maar zo schielyk het begint warm te worden komen zy weder te voorschyn en beginnen hunne stemmen te laten horen. Als het ene vroege lente is verneemt men ze reeds op het einde van Maart O. S. Zy onthouden zig voornamelyk in stilstaande poelen. Daar vindt men ze in tamelyke menigte, dog niet veel in lopend water. Als ’er velen by een zyn maken zy een verschrikkelyk geraas wanneer zy allen te gelyk aan ’t schreuwen gaan. Hun geluid is volkomen dat van enen stier die een weinig heesch is. Men heeft somtyds werk van malkander te verstaan als zy regt aan ’t schreuwen zyn. Zy bulken allen te gelyk, houden dan een weinig op, en beginnen weer op nieuw. Men zoude zeggen dat zy enen Kapitein hadden, zo dat als die begint zy allen hunne kelen opzetten, en als hy ophoudt zy allen stil zyn. Als de Kapitein het teken geeft van te zwygen hoort men hem een geluid geven als dat vanpoep. By dag[19]gaan zy zelden zo vreeslyk aan als het geen donker weder is, dog des nagts laten zy zig vooral horen. Des avonds, als het stil is, kan men ze wel anderhalveEng.myl ver vernemen. Zy zitten als zy schreuwen aan de kanten van het water onder het hout, en steken de koppen boven. Dus kan men, als men zagtjes gaat, ze zeer naby komen, voor dat ze voortgaan. Zodra zy onder water zyn agten zy zig in veiligheid, al is het water nog zo klaar.

Somwylen zitten zy een eind wegs van ’t water af, dog vernemen zo dra geen onraad of zy spoeden zig naar den poel. Zy kunnen sterk springen, en doen in elken sprong somtyds meer dan twee vadem wegs af. Ik hoorde de oudeZwedenene grappige historie vertellen, die gebeurd was toen deZwedenen deWildennog by malkander woonden. Het is bekend dat die menschen zeer sterk lopen kunnen. Ik heb ze by den GouverneurJohnsonde beste paarden in vollen loop niet alleen zien byhouden maar zelfs voorby snellen. Om nu te tonen wat treffelyke springers deze vorsschen zyn, hadden enigeZwedenmet enen jongenAmerikaangewed dat hy den Kikker niet zoude inhalen, mits die twee sprongen vooruit ware. Men bragt dan enenBullfrog, die in een naburig water gevangen was, zettede hem op den grond, en brandde hem op den rug; het vuur en deAmerikaan, die de Vorsch zogt intehalen, deden het dier zyne sprongen sterk verdubbelen. DeAmerikaanbegon op den gestelden tyd te lopen, dog het geluid dat hy daar door maakte deed den Kikker zig des te meer haasten, zo dat hy ’t water bereikte eer hem deAmerikaankon bykomen.

Sommige jaren zyn zy talryker dan anderen. Men wist niet te zeggen of de slangen oit dit soort van Kikvorschen eten, gelyk zy alle de kleindere soorten doen. Zy verslinden jonge ganzen en endvogels, en halen ook wel kiekens weg, die te digt by ’t water komen. Ik heb niet gemerkt dat zy byten als men ze in de hand houdt, schoon zy kleine tandtjes hebben; als men ze slaat schreyen zy gelyk kleine kinderen. Men verhaalde my dat sommige lieden de agterbouten dezer Kikkers eten, en dat dit ene smakelyke spys is.

Witte Jeneverboom.

DeWitte Jeneverboom, gelyk hem deZwedennoemen, wast in de poelen hier en in andere gewesten vanAmerika. Zyn stam ziet ’er uit als die van onzezwarteJeneverbomen, dog de bladen zyn anders. DeEngelschennoemen hem denWitten Ceder, om dat de planken die ’er van komen naar die van den Ceder gelyken. Dog de boom hoort eigenlyk tot het soort der Cypressen,17zo dat nog deZweedschenog deEngelschenaam de regte is. Hy groeit altyd in natte[20]gronden, dus is het moeilyk by hem te komen, zynde de grond tusschen de kleine heuveltjes gemeenlyk onder water. De boom wast zo wel op die heuveltjes als in het water. Zy staan digt by malkander, worden hoog en hebben regte stammen. Dog men heeft hun getal sterk verminderd. Daar men ze laat groeyen worden zy als de grootste dennen; zy bewaren hun groen in den winter. De zwaarsten hebben gene takken om laag. De poelen waarin zy wassen heten by deEngelschenCeder Swamps. Dezen zyn talryk inNew Jersey, en in sommige gedeeltens vanPensylvanieenNew York. De noordelykste plaats daar men hem tot nog toe gevonden heeft is byGosheninNew York, 41.gr.25.min. N.gelyk ik van Dr.Coldengehoord heb. Meer noordwaards wast hy niet in ’t wild. Hy is een van die bomen die ’t meest der verrottinge wederstaan, en hy blyft langer goed boven dan onder de aarde. Om deze reden gebruikt men hem tot verscheiden’ eindens, als tot heiningen en palen, dog daartoe is egter de Rode Ceder beter. Voor Kanoos is hy goed. De jonge bomen worden gebruikt tot hoepels om tonnen en vaten, de zwaren tot timmerhout. Ook bouwt men ’er huizen van, die langer duren dan die vanAmerikaanschEikenhout getimmerd zyn. Vele huizen teRapaapowaren van dit hout; dog het best dat ’er van gemaakt wordt zyn berden voor de daken, die men voor de besten van allen houdt, om dat zy ’t duurzaamst zyn, uitgenomen alleen die uit het Rode Cederhout, en om dat zy zeer ligt zyn, zo dat ’er gene zware sparren gevorderd worden, om het dak te schragen. Om deze reden behoeven de muren ook niet zwaar te wezen. By brand is ’er ook geen groot gevaar van het vallen dezer berden te vrezen, dewyl zy zo ligt zyn; ook zuigen zy het water in, zynde zy zeer sponsagtig, zo dat de daken in zulk een geval ligt kunnen nat gemaakt worden; egter belet hunne vettigheid dat het water ze zoude bederven. Als zy in brand staan, en de wind de brokken voortjaagt, vallen zy byna als dove kolen neder, en verspreiden den brand niet ligt verder. Ook kan men des noods zulke daken gemakkelyk doorhouwen. Om deze hoedanigheden houdt men veel van dit hout voor de daken, als men het krygen kan. Dit maakt dat alle de kerken en de huizen der best gestelde borgers daken van berden hebben. InNew Yorkwast wel dit hout niet, dog men laat het veel van andere plaatsen komen. Velen van deze berden worden ten dien einde jaarlyks vanEggharbouren andere plaatsen vanNew Jerseynaar de StadNew Yorkuitgevoerd, van waar zy het gantsche gewest over worden gezonden. Ook worden ’er velen naar deWest Indiengebragt. Dus arbeidt men hier met alle magt om niet alleen deze bomen te verminderen, maar zelfs om ze geheel uitteroeyen. Men denkt hier, vooral omtrent het hout, maar om het tegenwoordige, en geensins[21]om de nakomelingschap. Dit is de oorzaak dat veleCederswampsgeheel van grote bomen ontbloot zyn, en dat men ’er maar enige weinige kleine boompjes in vindt, en ik heb opgemerkt, door het tellen van de houtkringen, dat zy niet schielyk groeyen, en enen langen tyd nodig hebben eer zy voor timmerhout dienen kunnen. ’T is bekend dat een boom ieder jaar een kring krygt; een stam van agttien duim in de middellyn had honderd en agt kringen aan zyn dikker eind; een ander van twee voet in ’t kruis had honderd twee en veertig kringen. Dus worden ’er tagtig jaren groeyens vereischt eer een van deze bomen, uit een zaad gefokt, bekwaam is tot timmerhout. Onder de voordelen die deze Witte Cederen berden boven anderen hebben, rekent men hunne lugtigheid; dog deze hoedanigheid zou met den tyd wel nadelig voorPhiladelphiaen andere plaatsen kunnen worden. Ik heb de dikte der muren van verscheiden huizen gemeten die drie verdiepingen hoog waren, behalven de kelders en de zolders, en vond ze meest negen en enen halven of tien duimen dik; en dus is het geen wonder dat by geweldige orkanen de gevels van vele stenen huizen door den wind geschud worden, vooral die wat bloot staan. En dewyl deze bomen haast zullen ontbreken, en men genoodzaakt wezen zal zwaarder stoffen tot het maken van daken te gebruiken, zullen die zwakke muren, die nu genoegzaam den last van het dak dragen kunnen, niet meer voldoen, en instorten, of moeten onderstut worden, of men zal genoodzaakt zyn ze geheel aftebreken. Sommigen gebruiken de spaanders van dit hout als thee, en verzekerden my dat deze thee veel gezonder was dan enige andere. Alle de Ingezetenen hier waren van gedagte dat het water in deCederswampsgezonder om te drinken is dan enig ander; het verwekt enen groten eetlust, het welk men tragtte met verscheiden’ voorbeelden te bewyzen. Men schryft deze eigenschappen ten dele aan het water zelf toe, het welk door den harst van den boom bezwangerd wordt, en ten dele aan de uitwaassemingen van den boom, die zig door den reuk doen vernemen. Ook dagt men dat de geelagtige kleur van het water, dat tusschen de bomen in staat, van den harst der bomen komt, die uit de wortels uitsypert. Ook kwamen zy allen hierin overeen, dat dit water altyd zeer koud is zelfs in ’t heetste van den zomer, het welk gedeeltelyk schynt te komen van de schaduw die de bomen maken. Ik kende verscheiden’ lieden die voornemens waren naar deze moerassen te gaan, om het water, ter herstelling van hunnen eetlust, te gebruiken. De HeerBartramplantte enen witten Ceder in enen drogen grond, dog hy wilde daar niet slagen. Hy zettede hem toen in ene moerassige aarde, waar hy scheen als te herleven en wel voort kwam, en, schoon hy niet meer dan eens mans hoogte bereikte, was hy vol van zaadhuisjes. Ene zaak is nog ten opzigte van dezen boom merkwaardig. De HeerBartramhad twee[22]jaren in de lente zyne takken afgesneden en ze in de natte aarde gestoken, waar zy wortelen geschoten hadden en voortgekomen waren. Ik heb dit met myne ogen gezien.

Rode Jeneverboom.

DeRode JeneverboomderZweden, dog by deEngelschenenFranschenRode Cedergeheten, is een boom daar ik al dikwyls van gewaagd heb. DeZweedschenaam is de eigenlykste, aangezien de boom tot het geslagt der Jeneverbomen behoort.18Als hy eerst begint te wassen gelykt hy veel naar denZweedschenJeneverboom,19dog naderhand krygt hy geheel andere bladen. De bes gelykt volmaaktelyk die van denZweedschenJeneverboom, ten opzigte van hare kleur en gedaante, dog zy zyn zo dik niet, schoon zy zeer hoog worden. TeRakoonstonden deze bomen verspreid en waren niet zeer zwaar. Dog op andere plaatsen heb ik ze op bossen by malkander zien staan. Zy beminnen den zelven grond als deZweedscheJeneverbomen; vooral vindt men ze op de schuinschtens by de rivieren, in ene drooge en veeltyds schrale aarde. Ik heb ze overvloedig, zo zwaar als de grootste dennen, op droge en magere heiden zien groeyen. Naar den kant vanKanadaof in de nog noordelyker delen, waar ik ze ontmoet heb, zoeken zy de steile kanten der bergen, en wassen daar onder de gemene Jeneverbomen. De noordelykste plaats waar ik ze in ’t wild gevonden heb is inKanada, agttienFranschemylen ten zuiden van het FortSaint Jean, omtrent 44.gr.30.min. N.Ook heb ik dezen boom zeer wel zien voortkomen op het Eiland vanMagdalena;20behorende aan den Gouverneur vanMontreal, den BaronDe Longueil. Dog hy was uit meer zuidelyke oorden derwaards overgebragt. Dit hout is ontwyffelbaar het duurzaamste dat dit Land oplevert. Om die reden gebruikt men het in alle gevallen waarin men voor het rotten van het hout te vrezen heeft, vooral voor palen, die in den grond moeten geslagen worden. Sommigen zeggen dat als een yzer nevens enen paal van dit hout in den grond gestoken wordt, het yzer al zo schielyk door den roest vergaan zal als de paal verrotten. Op vele plaatsen worden de heiningen, zo wel de palen als de balken, van dit hout gemaakt. Ook maakt men ’er de beste kanoos van, die langst duren en ligt zyn. TeNew Yorkheb ik tamelyk zware Jagten gezien die van dit hout gebouwd waren. Dog vele Jagten die vanNew Yorkde rivierHudsonop naarAlbanygaan zyn op ene andere wys gebouwd, gelyk ik voorheen al aangetekend heb. TePhiladelphiakan men van dit hout gene vaartuigen maken, omdat het daar te schaarsch en niet zwaar genoeg is. Om de zelve reden gebruikt[23]men daar denRoden Cederook niet om de huizen te dekken, dog daar dit hout gemeender is maakt men ’er zeer goede daken van. Het merg van dezen boom is van een schoon rood, en al wat ’er van gemaakt wordt is zeer frai en geeft enen lieflyken en gezonden reuk. Dog de kleur verbleekt allengskens; was dit zo niet zo zoude ’er geen schoonder hout voor schrynwerk wezen. Ik zag ene zaal ten huize van den HeerNorris, een van dePensylvanischeParlementsleden, zynde eenQuaker, sedert vele jaren met dit hout beschoten. Die Heer verzekerde my dat de Ceder in ’t begin ’er zeer frai had uitgezien, dog toen ik ’er was was de kleur geheel verbleekt, zo dat het zeer lelyk stond. Byzonderlyk had de zon by de vensters de kleur geheel doen verschieten, zo dat menMahoganyin de plaats had moeten nemen. Evenwel wierd my verzekerd dat het hout zyne kleur bewaart als ’er een dun vernis wordt opgelegd wanneer het nog nieuw, en maar kort van te voren geschaafd is, en men zorg draagt dat het naderhand niet gestoten of gewreven worde. Ten minsten doet het vernis de kleur langer stand houden dan anders. Om den aangenamen reuk die het hout heeft, leggen sommigen de splinters en de krullen ’er van tusschen het wollen goed, om het voor de motten te bewaren. Om die zelve reden maakt men ’er ookbureauxen ander werk van. Dog deze reuk gaat ’er van af, en dan dient het hout niet langer om het ongedierte te weren. Somtyds wordt het naarEngelandvoor timmerhout gezonden, en wel betaald. Op de landgoederen der aanzienlykste lieden vanPhiladelphiavindt men gemeenlyk ene laan van deze bomen, die van den groten weg naar het huis gaat. De onderste takken houwt men af, en laat alleen de kroon over. In den winter, als de meeste andere bomen hun blad kwyt zyn, staan dezen zeer schoon. Deze boom groeit ook zeer langzaam, want een stam van dertien duimen in ’t kruis had honderd en agtentagtig kringen, een ander van agttien duimen had ’er ten minsten tweehonderd en vyftig, want velen van die kringen waren zo fyn dat men ze niet tellen konde. Deze boom wordt even als de gemene Jeneverboom voortgeplant, te weten door middel van de vogels, die de bessen opeten en de zaden geheel onbeschadigd kwyt raken. Ter aanmoediging van het aantelen van dezen nuttigen boom heeft men in ’t jaar 1749. in enenPensylvanischenAlmanak ene beschryving van de wys waarop dit het best geschieden kan, door den HeerBartramopgemaakt, ingelascht.

Rakoon.

Des avonds keerde ik naarRakoonte rug.

DeMoerbezieboombegon omstreeks den 6. Mai te bloeyen, dog zyn blad was nog klein. Men onderscheidde deze bomen in mannelyken en vrouwelyken, en hield die welken noit vrugt droegen voor mannelyke en de anderen voor vrouwelyke bomen.[24]

Smilax laurifolia.

DeSmilax laurifoliawas menigvuldig in de poelen hieromstreeks. Hare bladeren waren nu aan ’t uitkomen, want zy laat die alle winters vallen. Zy klimt op langs de bomen en heesters, en loopt van den enen boom naar den anderen, zo dat zy de doorgangen sluit tusschen het geboomte, en het zeer moeilyk maakt door de bosschen en moerassen daar zy veel wast doortekomen. De steel is van onderen vol lange stekels, al zo sterk als die van den rozeboom, welken aan de klederen blyven haken en ze doen scheuren. Deze lastige plant kan een mensch, dat naar kruiden zoekt of anders door het hout gaat, zeer in verlegenheid en in gevaar brengen, want behalven de schade die zy aan de klederen toebrengt, die ’er geheel door bedorven worden, zo maakt zy de bosschen zo donker en ondoorkomelyk, dat men dikwyls op handen en voeten door de kleine openingen die zy hier en daar laat moet doorkruipen, en in dat geval kan men niet voorzigtig genoeg zyn om niet door ene slang, waarvan hier te lande ene grote menigte is, in ’t aangezigt gebeten te worden. De steel dezer plant heeft de zelve kleur als de jonge rozebomen. Hy is geheel groen en glad tusschen de doornen in, zo dat een onkundige de plant in den winter, wanneer zy zonder bladeren is, voor een soort van doorn nemen zoude.

Rupsen.

De bomen waren den 8. Mai vol vanRupsen; waarvan een soort byzonderlyk opmerking verdient. Dezen maakten grote witagtige webben tusschen de takken, zo dat men ze zelfs op enigen afstand kon zien. In elk van deze webben waren duizenden van Rupsen, die naderhand zig daaruit over de Appelbomen verspreidden. Zy vraten de bladeren op, en lieten ’er dikwyls niet een aan enen gehelen tak. Men verhaalde my, dat zy enige jaren geleden zo veel schade gedaan hadden, dat de Appel- en Perebomen nauwlyks enige vrugt voortbragten, en dat zelfs vele bomen stierven. Om de Rupsen te vernielen staken zy een bos stroo op enen stok gestoken in brand en hielden die onder de webben of nesten, waardoor een deel verbrandde en de overigen op de aarde vallen moesten. Egter kropen zeer velen van die Rupsen wederom in den boom, het welk men zoude hebben kunnen voorkomen als men ze dood getrapt had. Ik riep de hoenders naar zulke plaatsen waar velen van dit ongedierte kropen, dog zy wilden ze niet eten. Ook hielden ’er de wilde vogels niet van, want de bomen waren vol webben, schoon ene grote menigte vogeltjes in de tuinen en boomgaarden nestelden.

De nagten bleven tot na het midden van Mai zeer donker. Een uur van zonsondergang was het onmogelyk een boek te lezen, hoe groot ook de druk mogt zyn. Om tien uren was het zo duister als inZwedenin de donkerste dog starreligte nagten van den herfst. Ook kwam het my voor, dat schoon de nagten helder waren, de starren[25]egter zo veel ligts niet gaven als by ons. En daar thans de meeste nagten de lugt geheel betrokken was, konde ik ze vergelyken by de regenagtige winternagten vanZweden. Dus was het in dit jaargety zeer bezwaarlyk van des nagts te reizen, daar menschen nog paarden den weg vinden konden. De nagten kwamen my, die aan de heldereZweedschezomernagten gewend was, hier zeer onaangenaam voor. Wy denken dikwyls, niet beter wetende, datZwedeneen niet zo goed land is als anderen. Zo andere gewesten hunne voordelen hebben, heeftZwedenook de zynen. En alles wel gewogen zynde, zo blyftZwedenaltyd een zo goed land als enig ander.

Voordelen vanZwedenbovenNoord Amerika.

Ik wil hier kortelyk aanmerken waarin ikZwedenden voorrang bovenNoord Amerikageven, en waarom ik, gelykUlysseszynItaka, het oudeZwedenboven hetNieuwestellen zoude.

De nagten zyn hier den gehelen zomer over zeer donker, en des winters zyn zy ruim zo duister, zo niet duisterder, dan deZweedschewinternagten, want men ziet hier geen Noorderligt, en de starren schynen niet zeer helder. Het is iets buitengemeens als men eens of tweemaal in een jaar het Noorderligt ziet. Des winters legt ’er geen sneuw dan maar enige dagen, zo dat zy weinig toebrengt om de nagten optehelderen, en het reizen gemakkelyk te maken. En egter is de koude dikwyls al zo scherp als inZweden. De smeltende sneuw veroorzaakt veel nats. Ratelslangen, Hoornslangen, roodbuikige, groene en andere Slangen, tegens welker beet dikwyls geen middel is, zyn hier talryk. Voeg daar de Woudluizen by, die in de bosschen veeltyds zo menigvuldig zyn dat men ’er niet door gaan kan, zonder vol van dat ongedierte te raken, en dat men niet durft te gaan zitten, hoe aangenaam anders de oord zy. Hoe lastig zy voor menschen en beesten zyn heb ik in de Verhandelingen derKon. Zweedsche Maatschappybeschreven. Het weder is zo onbestendig, dat als men den enen dag de hette nauwlyks verduren kan, men den anderen over de koude klaagt. Zelfs verandert het weder dikwyls verscheiden malen op enen dag. Dit maakt zeer vele zieken. De hette is hier des zomers schrikkelyk, en de koude des winters somwylen doordringend. Dog voor de koude kan men middelen gebruiken, maar tegens de zware hette is niet veel te doen. Dikwyls is het gebeurd dat de menschen op het veld van de hette dood zyn ter neder gevallen. Ook heerschen hier vele ziektens, die jaarlyks toenemen. Inzonderheid ontsnapt byna niemant aan de anderendaagsche koortsen, maar moet die, nevens nog andere kwalen, meest ieder jaar doorstaan. Erwten kan men hier niet telen, wegens de wormen die ze opvreten. In de Rogge en op de karssenbomen zyn ook vele wormen. De rupsen verteren dikwyls al het loof op het geboomte, zo dat het dikwyls gene vrugt draagt, en ’er veeltyds van sterft. Het gras wordt ook veel van[26]’t gewormte vernield. Ook doet dat ongedierte de pruimen, nog niet half ryp, afvallen. De eikenbomen zyn ver na zo goed niet in ’t gebruik als deEuropischen. De heiningen houden ’t niet langer dan agttien jaar uit. De huizen staan niet lang. De weilanden zyn slegt, en het hoi deugt niet veel. In de bosschen moet het vee op kruiden azen die het niet dan in den hoogsten nood zal aanroeren. Dikwyls kan men in grote bosschen, daar de bomen ver uit malkander staan, nauwlyks een grasscheutje aantreffen. Dus wordt het vee genoodzaakt den gehelen winter en zelfs al ver in den zomer zig met jonge scheuten en takken van bomen te behelpen, daar somtyds geen blad aan zit. Dit maakt dat het vee zo weinig melk geeft, en jaarlyks in grootte meer en meer afneemt. De huizen deugen in den winter niet veel. Dikwyls ontstaan ’er stormen en orkanen, die ene menigte bomen uit den grond rukken, huizen en daken omwerpen, en vele andere schade doen. Enigen van deze nadelen zoude men door de konst kunnen voorkomen, dog velen kunnen in ’t geheel niet, of ten minsten niet zonder vele moeite, verholpen worden. Zo heeft elk land zyne voordelen en zyne ongemakken. Gelukkig hy die met het zyne kan tevreden zyn!

Slegte Landbouw.

De Rogge stond meest zeer dun en slegt, het welk grotendeels van de onagtzame wys van bouwen, en van de magerheid der akkers, die zelden of noit gemist worden, komt. Als men een stuk lands, dat enige honderden van jaren een woud geweest is, en daar ook gemeenlyk ene dikke tuinaarde legt, om te bebouwen genomen heeft, zo gaat men daarmede voort zo lang het iets dragen wil, en als het ophoudt iets voorttebrengen laat men het onbebouwd leggen, en neemt een ander stuk woest land, waar op nog ene vrugtbare aarde is. Zulk ene wys van landbouw kan maar enigen tyd geoeffend worden, en zy moet voor het toekomende zeer kwade gevolgen na zig slepen, die een ieder ligt voorzien kan. Dog enige weinigen gingen wat beter met hun land om. DeEngelschenhebben het in den landbouw verder dan enig ander volk gebragt. Dog de vrugtbare bovenkorst, die zy, by hunne aankomst hier te lande, op enen grond die altyd met zwaar geboomte was bedekt geweest vonden, heeft hen tot onagtzame akkerlieden gemaakt. Het is bekend dat deWildenvan onheuglyke tyden af dit land bewoond hebben, en dat zy byna geen land bebouwden, dog alleen van de jagt en vischvangst leefden. ’T is waar, zy plantten Mais, sommige soorten van bonen en kawoerden; dog al het land dat een enkeld huisgezin toen bepootte was nauwlyks zo veel als nu een Boer om kool en rapen voor zyn gezin te telen neemt. Dus konden zy nauwlyks ene maand van hunnen land- en tuinbouw bestaan. Gemeenlyk zyn ook de kleine dorpen derWildentwee of drieZweedschemylen van malkander af gelegen.[27]Hieruit kan men opmaken hoe weinig gronds zy voorheen bebouwd hebben. Al het overige lieten zy in rust, en met geboomte overwassen. En al namen zy na het uitputten van het ene kleine stuk lands een nieuw, zo wilde dit in vergelyking van de bystere uitgestrektheid des lands niets zeggen. Dus kon zig de vrugtbare aarde door het jaarlyksch afvallen van het blad zeer sterk vermeerderen. Dit was oorzaak dat deEuropershier enen zo schonen en vrugtbaren grond vonden, die in vele euwen niet was uitgemergeld geworden, en de aarde tusschen ’t geboomte was zo lugtig als de best bearbeide tuinaarde. Zy hadden maar de bomen om te hakken, ze op malkanderen te leggen, en enigermate het afgevallene blad wegteherken, om ten eersten het land zonder grote moeite omteploegen en te bezayen, waarop een uitmunde oogst volgde. Deze gemakkelyke wys van landbouwen heeft deEuropersbekoord om den landbouw derWildennatevolgen, namelyk van een land zo lang het zonder bemistiging enigsins vrugtbaar blyft te gebruiken, en wanneer het uitgemergeld is het woest te laten leggen, en een nieuw stuk lands te ontginnen. Dit maakt hier den landbouw en de kennis van denzelven zo gering, dat men van deEngelschen, deZweden, deDuitschers, of deHollandershier te lande in dit opzigt niets anders leren kan, dan ten hunnen koste uit hunne zorgeloosheid het nadeel van dezelve optemaken. In een woord, en koornlanden, en weilanden, en houtgewas, en veeteelt, alles wordt hier even onagtzamelyk behandeld, zo dat men hier de in dit stuk der Huishouding zo beroemdeEngelschenniet vinden zoude. Nauwlyks kunnen wy inZwedenenFinlandmet het hout onverstandiger handelen dan men hier doet. Men ziet maar op de tegenwoordige winst, en denkt niet om het toekomende. Het vee wordt dagelyks met werken afgemat, en neemt van wege gebrek aan voeder gedurig in grootte af. Ik heb verscheiden’ kruiden op myne reizen waargenomen die de paarden en ossen boven alle anderen kozen, welken niet alleen in ’t wild wiessen, maar ook op zeer magere plaatsen zeer wel voortkwamen. Dog de Ingezetenen wisten dezelven niet ten hunnen nutte aantewenden, zynde zeer onkundig in de Natuurlyke Historie, welke ook hier te lande, gelyk in vele andere gewesten, van velen voor een nutteloos tydverdryf wordt aangezien. Ik ben door de ondervinding verzekerd, dat ik door middel dezer wetenschap binnen weinig jaren in staat zoude zyn den magersten en dorsten grond, waar ene koe nauwlyks den kost zoude kunnen vinden, in de vetste en beste weiden te verkeren, daar grote kudden een genoegzaam voeder vinden en vet geweid zouden kunnen worden. Ik sta toe, dat deze voordelige gewassen niet overal, nog op het land van elk, gevonden wierden, maar ieder, die slegts enig inzigt in de kennis der Natuur heeft, zoude dezelven gemakkelyk van de plaatsen daar zy vallen kunnen halen. Ik was verwonderd als ik de[28]Boeren over de slegtheid der weiden hoorde klagen; dog ik merkte te gelyk op hoe lui en nalatig zy waren, en wat voortreffelyke kruiden dikwyls op den eigenen grond van deze lieden wiessen, die slegts een weinig hulp van zo enen onverschilligen Heer vorderden. Ik vond overal de wysheid en goedheid van den groten Schepper, dog niet de kennis en den lust om die behoorlyk aantewenden. Hoe gelukkig is de Landman niet die zyne voordelen kent!

Tot deze uitweiding heeft my de hier te lande zo zeer veronagtzaamde landbouw gebragt. Ik heb ook gedeeltelyk de oorzaak willen aanwyzen, waarom men in deze Reisbeschryving zo weinig zaken aantreft die tot volmaking der Huishouding betrekkelyk zyn. Egter ontken ik niet dat ik hier en daar enen enkelden bekwamen Huishouder heb aangetroffen; dog zy waren dun gezaid.

Roofvogels.

Roofvogels, die op hoenders en ander gevogelte azen, vindt men hier in menigte, en byna nog meer dan inZweden. Zy genieten hier ene grote vryheid, kunnende uit de zware bosschen den hoenders onverwagt op ’t lyf vallen. Des nagts is het makke gevogelte niet buiten gevaar voor de Nagtuilen, waarvan ’er hier velen zyn. Zy onthouden zig merendeels in de moerassen, maken des nagts een akelig geluid, en overvallen van daar de hoenders, die gemeenlyk in de Appel-, en Perenbomen zitten te slapen. Maar sedert men hier de bosschen zo sterk afhouwt, wordt den Roofvogels hunne vryheid niet weinig benomen.

Herten.

Men vindt hier in de zware bosschen veleHerten. Zy schynen van het zelve soort te zyn als onzeEuropischen. EenEngelschmanhad ’er een dat tam was. Het is opmerkelyk dat zo wild deze dieren ook in de bosschen zyn, daar zy zig voornamelyk in de Cedermoerassen ophouden, zy, als men ze jong krygt, zo mak worden, dat zy zelfs by onbekende menschen komen. De makke hinde die ik zag was donker bruin, uitgenomen van onder op den buik en op ’t onderste van den staart, daar zy wit was. De oren waren grauw. De snoet was smal. Voor ’t overige was het gehele lichaam bevallig. De hairen waren digt dog kort. De staart kwam omtrent tot het gewrigt van de knie. Aan het gewrigt der beide agtervoeten zat binnenwaards een knobbel. Zy had een schelletje om den hals, op dat men ze in de bosschen voor ene makke kennen en niet schieten zoude. Zy liep overal heen waar zy wilde, en kon over de hoogste heiningen springen, zo dat men haar niet wel zou hebben kunnen opsluiten. Somtyds liep zy ver het bosch in, en bleef wel enen nagt of twee uit, dog kwam naderhand weder, gelyk ander vee, te huis. Als zy uit het bosch weder kwam wierd zy somwylen van wilde herten vergezeld, vooral in den bronstyd; zo dat de eigenaar door haar gelegenheid kreeg van digt by zyn huis verscheiden wilde[29]bokkenmenen te schieten. Nu was zy met jong. Zy had enen sterken reuk,zag haar dikwyls den kop om hoog in den wind houden en naar den kant keren van waar de wind kwam, schoon men nog niemant op den weg vernam, en de menschen eerst een uur later te voorschyn kwamen. Zodra de wilde Herten menschen ruiken, gaan zy aan ’t lopen. In den winter wierd zy met hoi en koorn gevoed; dog des zomers ging zy in het bosch den kost zoeken, en at gras en andere kruiden. De man, wien zy toekwam en die ’er meerder mak gemaakt had, zeide dat hy de hinden tePhiladelphiaverkoft, van waar zy als iets zeldzaams naar andere plaatsen verzonden werden. Hy had voor het stuk vyfentwintig, dertig, tot veertig schellingen toe, naar dat hy enen koper vond, gekregen. De wilde Herten aten des zomers gras en andere kruiden, dog des winters, als zulks niet te vinden is, de toppen der takken. Reeds heb ik aangemerkt dat zy zonder gevaar van denLepelboometen kunnen. In den langen en harden winter, die van den 19. December 1740. tot den 13. Maart 1741. O. S. duurde, waarin ook zeer veel sneuw viel, vond men op vele plaatsen de Herten in de sneuw dood leggen, vooral meer binnenlands waar de sneuw dieper lag. Of dit nu kwam om dat zy niet uit de diepe sneuw hadden weten te komen, of van de koude, of by gebrek van voeder, weet men niet. Zo verhalen ook oude lieden, dat, toen hier in ’t jaar 1705. die zware en buitengewone sneuw viel die in de Almanakken van dit Land als iets zonderlings aangetekend staat, en die meer dan anderhalveZweedscheel diep lag, ’er ene zeer grote menigte Herten werden dood gevonden, dewyl zy door de diepe sneuw niet door konden. Ook vond men toen vele vogels dood leggen. TeMatsongkwam een Hert by het vee in den stal, at mede van het hoi, en was zo door den honger benauwd, dat het tam wierd en niet weder weg liep. Het bleef sedert, even als een huisdier, by het huis. Alle bejaarde lieden getuigden dat ’er in hunne kindschheid hier veel meer Herten dan nu voor handen waren. Het was toen niet zeldzaam ’er dertig of veertig by malkander te zien. De reden van deze vermindering is de groter bevolking van het Land. Dog verder landwaards in, waar nog zware bosschen en woestenyen zyn, vindt men ’er nog veel. Onder de vyanden der Herten zyn deLynxen,21die men hier vindt, en de zelven zyn als deZweedscheWolflynxen. Dezen klouteren op enen[30]boom, en als ’er een Hert onder heen komt, springen zy ’er op, houden zig ’er wel op vast, byten het een gat in ’t lyf, zuigen ’er het bloed uit, en verlaten het niet voor dat zy het omgebragt hebben.


Back to IndexNext