Chapter 22

Verbastering der menschen inKanada.Men was van gedagte dat deFranschen, die inEuropageboren en naarKanadawaren overgekomen, daar gemeenlyk gezonder waren dan in hun vaderland, en ouder wierden dan die inAmerikageboren waren. Ook hield men het daar voor, dat de EuropischeFranschensterker waren in het werken en ’t verdragen van ongemakken als de hier geborenen. De afgaande koortsen, welken deEuropersinPensylvanieaankomende gemeenlyk krygen, wil men dat hier onbekend zyn, en men zou hier terstonds zo gezond zyn als naderhand, wanneer men aan de lugtstreek gewend is. DeEngelschenhebben dikwyls opgemerkt dat de inAmerikageboreneEuropeanenniet zo wel de ongemakken der zeevaart uithouden, of de lugt vanZuid Amerikaverdragen kunnen, als zy die inEuropageboren zyn. Dit zou ook by deFranscheninKanadaeven eens wezen. Als deKanadiersnaarMartinique,Domingoen andere Eilanden vanAmerika, gaan, worden zy na een kort verblyf altyd ziek en sterven. Die genen die in die gewesten ziek worden komen ’er zelden door, ten zy zy weder naarKanadagaan. Integendeel kunnen zy die regelregt uitFrankryknaar deWest Indien[82]overkomen de lugt daar veel beter verdragen, en worden ’er oud. Dit bekragtigden my vele lieden inKanada.Een man door deWildenvermoord.Den 3. Juli, terwyl wy het middagmaal namen, hoorden wy enige malen agtereen een geweldig en naar geschreuw op de Rivier op enigen afstand van het Fort. De Kommandant zeide terstond dat dit geschreuw hem kwalyk behaagde, dewyl hy uit het zelve opmaakte dat deWilden, die uit geweest waren om zig op deEngelschente wreken, in hun oogmerk geslaagd waren, en dat hun geschreuw te kennen gaf dat zy enenEngelschmanvermoord hadden. Zodra ik aan het venster kwam zag ik ene schuit met enen langen stok op den voorsteven, waaraan het bovenste van een bebloed hoofd hing. By hunne aankomst aan land hoorden wy dat deWilden, die zes in getal waren, hunnen togt van de plaats daar wy gezien hadden dat zy hadden overnagt tot binnen de grenzen derEngelschenvoortgezet, daar enen man, met zyn jongetje op een akker met mayen bezig gevonden, hem stilletjes bekropen, en onverwagt op de plaats met enen kogel dood geschoten hadden. Dit was geschied niet ver van het dorp daar twee jaar geleden de Broeder van enen dezer moordenaren, ten oorlog tegens deEngelschenuitgetogen, gedood was. Zy sneden, volgens hunne gewoonte, den doden den hoofdschedel af, dien zy nevens de klederen en het kind van den verslagenen, een jongetje van negen jaren, medenamen, en zo naarKanadaterug keerden. Zodra zy omtrent het Fort gekomen waren hingen zy het hoofd aan enen stok voor op den steven, en schreuwden den gantschen weg langs, tot eenHunne kleding.teken dat zy den zegen behaald en hun oogmerk bereikt hadden. Zy waren, volgens hun gebruik, alleen met een hembd gekleed; dog van den vermoordenEngelschmanhad de een den rok, de ander zyne koussen aan, de derde zynen hoed op, en zo verders. Het aangezigt hadden zy zig byna geheel met vermilioen beschilderd, waarmede ook hunne hembden op de schouders bestreken waren. In de oren droegen de meesten zeer grote ringen, die hun zeer hinderlyk schenen te moeten zyn, dewyl zy gedwongen waren die vast te houden als zy springen of enige andere sterke beweging maken wilden. Enigen hadden gordels van de vellen van Ratelslangen met de ratels ’er aan om ’t lyf. Het jongetje van den verslagenen had niets anders dan een hembd en koussen aan, en ene muts op ’t hoofd. Zy hadden zyn hembd ook op de schouders rood gemaakt. By ’t uittreden uit de schuit hadden zy den stok daar ’t hoofd op stak in de hand, en gingen ’er aldansendeen zingende mede langs den oever. Hun inzigt met het jongetje was hem naar hun verblyfplaats te brengen, daar optevoeden, in de plaats des verslagenen Broeders aantenemen, en aan ene van hunne nabestaanden uittehuwelyken, en zig dus met hem te vermaagschappen. Schoon zy nu deze vyandelykheid in vredenstyd begaan hadden, regelregt tegens[83]het verbod van den Gouverneur vanMontrealaan, en in weerwil van den raad van den Kommandant alhier, konde hy egter niet af van hun eten en andere noodwendigheden voor de reis te geven, dewyl hy hen niet dorst te verbitteren. Maar toen zy teMontrealgekomen waren deed de Gouverneur ze niet alleen kastyden, maar nam hun ook het kind af, en zond het zyner Moeder weder t’huis. De HeerLusignanvroeg hun wat zy my en mynen Reisgezellen zouden gedaan hebben indien wy in hunne handen gevallen waren, en zy antwoordden dat hun inzigt voornamelyk geweest was zig op die van het dorp te wreken daar hun Broeder omgekomen was, en dat zy derhalven ons misschien wel onbeledigd zouden gelaten hebben, egter zou dit veel hebben afgehangen van de gemoedsgesteldheid in de welke zy op dien tyd waren als zy ons aantroffen.Een Geraamte gevonden.Enige jaren geleden had men in het Land derIllinoizeneen geraamte gevonden van een verbazend groot dier. Een van de Officieren der Bezetting verzekerde my dat hy het gezien had. DeAmerikanenhadden het in een moeras ontdekt. Zy stonden op het eerste gezigt zeer verbysterd, en, gevraagd zynde waar voor zy het hielden, zeiden zy,voor het geraamte van den Voorvader of het Opperhoofd van alle de Bevers. Het was buitenmate groot, en had dikke en ene halve el lange sneuwwitte tanden. Men hield het voor het geraamte van enen Elefant. De Officier, die het gezien had, verzekerde dat men nog het beloop van den snuit duidelyk had kunnen onderkennen, schoon die reeds tot stof vergaan was. Hy wist niet dat men ’er enige beenderen van weggenomen had, maar hy dagt dat alles was blyven leggen. Ik hoorde sedert op sommige plaatsen vanKanadavan dit geraamte spreken.62Beren.DeBerenzyn hieromstreeks menigvuldig. By de Vesting hield men er enen die drie maanden oud was. Hy was van de zelve gedaante en den zelven aard als onzeEuropischegemene Beren, uitgenomen alleen dat zyn’ oren langer en zyn’ hairen styver schenen te zyn. Zyn’ kleur was zwartbruin. Hy speelde met enen hond. Van de vellen dezer Beren gaat jaarlyks ene menigte naarFrankryk. DeWildenmaken ene olie van het Berenvet, waarmede zy des zomers het gezigt, de handen, en alle de ongedekte plaatsen des lichaams tegens het byten der Muggen besmeren. Behalven dit, bestryken zy zig zeer dikwyls met deze olie, wanneer zy of koude gevat, of zig zeer vermoeid of gekneusd hebben, en in andere gevallen meer. Zy denken dat dit smeren het vel zagt en buigzaam maakt, en veel tot het bereiken van enen hogen ouderdom toebrengt.[84]Paardenbloemen.De gemenePaardenbloem63wies hier veel op de weiden en langs de wegen, en stond nu in bloei. In ’t voorjaar als de bladen beginnen uittekomen, en zo groot worden dat men de plant kennen kan, graven deFranschende wortelen op, wasschen ze af, snyden ze door, en eten ze als salade. Zy smaken wat bitter. Men heeft hier de gewoonte niet van de bladen te eten.Afgedankte Soldaten.De Soldaten, die met den vrede afgedankt waren, hadden reeds op de hun aangewezene landen, die rondom het Fort lagen, huizen gezet. Dog de meesten dezer huizen waren niet meer dan hutten, en gelyk aan de armelykste woningen by ons; maar het volk had het tamelyk wel, en at goed weitenbrood. De huizen waren van planken, stonden loodregt en vlak by malkander. Men had de reten met klei toegesmeerd. De vloer was van klei of van zwarten kalksteen. Van dien steen waren ook de haarden, uitgenomen dat de plaats voor het vuur geschikt van uitgezogte grauwe zandstenen, grotelyks uit kwarts bestaande, gemaakt was. Op sommige plaatsen had men evenwel hier den zwarten kalksteen toe genomen. Men verzekerde dat deze steen wel tegens het vuur konde, mits de stenen wat groot waren. Glazen vond men niet in de vensters.Galium tinctorium.HetGalium tinctoriumwierd inKanadadoor deFranschenTisavo-jaune rougegenaamd. Het wies hier overvloedig, vooral in ene goede vogtige tuinaarde. Met de wortelen verwen deWildende pinnen der stekelvarkens rood welken zy in verscheiden’ van hunne stofjes invlegten; en deze kleur verschiet niet ligt. DeFranscheVrouwen inKanadaverwen ook met deze wortelen, die klein zyn gelyk die van ’tGallium luteum.De Paarden lopen hier den gehelen winter over in ’t veld, en zoeken den kost. Egter wil men dat ze in ’t voorjaar vet zyn.Walvisch Geraamte.Men had het geraamte van enen Walvisch enige mylen vanQuebec, en eneFranschemyl van de RivierSt. Laurencegevonden, op ene plaats waar tegenswoordig geen lopend water komt. Dit geraamte was zeer groot. De Kommandant had verscheiden lieden gesproken die het gezien hadden.Schuiten.DeSchuitendie men hier gebruikt waren van drieerlei soort. I. Bastenschuiten, uit bast gemaakt dog met houten ribben; II. Kanoos, die men hier van wit Dennenhout maakt. Menroeytze niet, maar doet ze voortgaan door middel van een soort van riem, die men in de hand houdt en heen en weer beweegt;64dog men kan daar de helft van de kragt niet mede doen als met roeyen. Het derde soort van vaartuigen noemt menBateaux. Zy zyn hier altyd groot, en worden gebruikt om zware[85]vragten te vervoeren. De bodem, die altyd plat is, bestaat uit rood, dog meest uit wit eikenhout, om des te beter tegens het stoten op de stenen te kunnen. Het boord is van vurenhout, en dit geschiedt om de ligtheid. Men maakt hier teer en pek in overvloed.Soldaten.DeSoldatengenoten hier enige voorregten die zy niet overal hebben. Die hier in bezetting waren kregen een rykelyk onderhoud. Elk ontving daags anderhalf pond weitenbrood. Ook kregen zy erwten, spek, gerookt of gezouten vleesch, en zelfs meer dan zy op konden. Nu en dan wierd ’er een os of ander beest geslagt, waarvan het varsche vleesch onder de Soldaten werd uitgedeeld. De Officieren onderhielden op ’s Konings kosten melkkoeyen. Ieder Soldaat had zyn tuintje buiten het Fort, waarin sommigen speelhuisjes gezet hadden, en zy allerhande moeskruiden teelden. De Kommandant zeide dat dit gebruik in dit Land algemeen was by zulke Vestingen in wier nabuurschap gene grote stad lag, van waar men groentens krygen kon. In vredenstyden behoefden de Soldaten gene wagten waartenemen. En daar het Meer hier digt by vol van visch is, en de bosschen van wild, zo kan ieder die maar wat naarstig is hier ene tafel houden als een Heer. Ieder krygt alle twee jaren enen nieuwen rok, maar alle jaar ene vest, ene muts, enen hoed, een paar koussen, een das, een paar schoenen, en in den winter vry brandhout. Aan soldy heeft ieder vyfsolsdaags. Dog als zy voor den Koning werken moeten krygt ieder dertigsols. Dus was het geen wonder dat het krygsvolk ’er hier frisch, vet, sterk en wakker uitzag. Die ziek wordt komt in ’t Hospitaal, waar hy alles vry heeft.Zy konden, ook ligt verlof krygen, en hielden egter hunne soldy en hun gewoon onderhoud, mits zy de wagtlonen betaalden, als ’er wagten te doen waren. Den Kommandant en den Officieren bewees men alle de verschuldigde eer; egter gingen de Officiers met de Soldaten als hunne spitsbroeders gemeenzaam om. Dikwyls zaten zy met malkander te praten. De Soldaten, die hier uitFrankryknaartoe gezonden worden, moeten tot enen zekeren ouderdom toe dienen; waarna zy hun afscheid, en vryheid krygen een stuk lands te bebouwen. Maar als zy alleen voor zekere jaren hebben dienst genomen, krygen zy na ’t eindigen van die hun ontslag, indien zy het begeren. Dit doen de meesten die inKanadageboren zyn. Als een Soldaat zyn omslag gekregen heeft wordt hem van ’s Konings wegen een stuk lands geschonken, van veertigarpentsin de lengte, en drie in de breedte, als de grond overal goed is, dog wat meer als die niet veel deugt. Ook krygt hy onderstand om een woest land te ontginnen. De eerste drie of vier jaren krygt hy eten voor hem, zyne vrouw en kinderen. Nog schenkt hem de Koning ene koe, en de noodzakelykste werktuigen. Andere[86]Soldaten, die ’er door den Koning voor betaald worden, helpen hem zyn huis bouwen. Dit zyn aanmerkelyke ondersteuningen voor eerst beginnenden; en in een land daar de Soldaten zo wel behandeld worden, zoude men zeggen, kan de Koning niet verlegen zyn om troepen. Om het land des te beter te bevolken heeft men voorgeslagen jaarlyks uitFrankrykdriehonderd man overtevoeren, en den ouden Soldaten hun afscheid te geven, waardoor zy gelegenheid mogten hebben te trouwen, en zig aan den landbouw overtegeven. Het land dat men hier den afgedankten Soldaten had geschonken was zeer goed, bestaande doorgaans uit ene met klei vermengde dikke tuinaarde.Eggen.De Eggen, waarvan men zig hier bedient, zyn geheel van hout, en driehoekig. De Ploegen waren ook niet veel beter. De raderen waren plomp en dik, en al het hout was zo zwaar dat een paard werks genoeg had om enen ploeg op den gelyken grond voorttetrekken.Rotsen.Hier en daar op de rotsen lagen stenen van verscheidenerlei soort. Sommigen waren tamelyk groot van twee tot drie ellen dikte en anderhalve el breedte; anderen wat kleinder. Zy kwamen egter allen in den aard van den steen overeen, alleen bemerkte ik deze verscheidenheden.Enigen bestonden uit enen Kwarts van kleur gelykende naar bruine kandysuiker, en uit enen zwarten fynen glimmer, die met zwarten hoornsteen en enige weinige korrels van blauwen spaath vermengd was. De kwarts was het voornaamste; ook was ’er vry veel glimmer, dog weinig spaath in. Deze verschillende steenstoffen waren zeer wel door malkander vermengd, zo dat men ze op ’t gezigt wel van malkanderen onderscheiden, dog niet met werktuigen afzonderen kon. De steen was hard en vast, en de kwartskorrels zagen ’er fyn uit.Anderen bestonden uit grauwen kwarts, zwarten glimmer en hoornsteen, met enige weinige spaathkorrels. Weinig spaath was ’er in, vry veel glimmer, dog meest kwarts. De steen was hard en vast, en verschilde alleen in kleur van den voorgaanden.Enigen bestonden uit een mengsel van helderen kwarts en zwarten glimmer, waarby ettelyke rode kwartskorrels kwamen. De spaath had hier de overhand; de glimmer lag in dikke schyven. Deze steen was zo vermengd niet als de voorgaanden, ook niet zo hard en vast.De bergen waarop hetFort St. Fredericstaat, en die welken hier omstreeks leggen, waarop de beschreven’ stenen gevonden worden, bestaan doorgaans uit enen koolzwarten kalksteen, die gelyk leyen op lagen legt. Men zou hem ene lei noemen kunnen die door het vuur tot kalk wordt.65Deze steen is van binnen pekzwart, en doorgebroken[87]zynde zeer fyn. Hier en daar vertonen zig in denzelven kleine spaathkorrels en andere ongelykheden, die ’er aderen in formeren. De beddingen die boven op de bergen leggen zyn van enen grauwen digten kalksteen, die maar ene verscheidenheid is van den voorgaanden. In den zwarten kalksteen treft men byna overal ene menigte van allerhande versteningen van mosselschelpen, hoorns, en andere dingen aan. De versteningen die men hier meest vindt zyn de volgenden:Petrefacta.PectinitesofOstreæ pectineszyn het die ’t grootste getal uitmaken. Somtyds komt men op grote beddingen, die niet anders dan aan een gewassen schelpen van dit soort zyn. Zy zyn grotendeels maar klein, en zelden meer dan anderhalven duim. Men vindt ze op twederlei wyzen versteend. Het eerste soort toont overal in den steen indrukken van de verhevene zyde der schelp, dog niet het geringste teken der schaal, en alleen maar de indrukken. In het andere bespeurt men de schaal zelve nog in den steen zittende, zo dat zy, als ze helder van kleur is, ligt van den zwarten steen zelven kan onderscheiden worden. Van beide de soorten vindt men ’er velen, dog van het eerste de meesten. Enigen zyn verheven, vooral in het midden, anderen daarentegen zyn in het midden ingedrukt; dog in de meesten is de buitenste oppervlakte merkelyk verheven. De strepen lopen altyd in de langte, namelyk van het middelpunt naar den rand.VersteendeAmmonshoornenzyn ’er ook veel, dog egter veel minder dan de voorgaanden. Men vond ze ook zo wel met als zonder schalen. Dog ’er waren ook vele versteende slakkenhuizen onder. Verscheidenen dezer Ammonshoornen waren zeer groot, zo dat ik niet weet ’er oit groter gezien te hebben. Zy bedroegen in de doorsnede meer dan eenZweedscheel.Men kon velerlei soorten van Koralen bespeuren in de stenen vastgewassen, van de welken zy egter wel aftezonderen waren. Sommigen waren steenplanten of witte takagtige koralen,66anderen, dog minder in getal, waren starkoralen.67Steenballen.Ik moet den naam vanSteenballengeven aan een soort van vreemden steen, waarvan de rotsen op vele plaatsen vol waren. Zy hadden de gedaante van een halven kloot, waarvan de verhevene zyde buiten de rots uitstak, en de onderste daar vast was ingedrukt. Zy bestaan. louter uit evenwydig lopende vezelen, die van den bodem en als uit een middelpunt beginnen, en zig over de oppervlakte des kloots uitbreiden. De kleur is grauw. Van buiten zyn deze ballen glad, dog hebben veel[88]kleine gaatjes, zo dat zy ’er uitzien als waren ze met ene helder grauwe korst overtogen. In de middellyn zyn zy een of anderhalven duim.Zand.Onder andere soorten vanZand, die men hier op de Oevers van het MeerChamplainvindt, zyn ’er byzonderlyk twee zeer zeldzaam, die men meest op dezelve plaats by malkander aantreft, namelyk een zwart en een roodbruin of granaatkleurig zand.Met zwarte zand legt altyd het bovenste en bestaat uit zeer fyne korrels. Met een vergrootglas beschouwd zynde vindt men ze donkerblauw of yzerkleurig. Enigen zyn rond, dog de meesten hoekig en glanzig. In de zon glinsteren zy sterk. Zy worden allen door den Zeilsteen aangetrokken. Onder dezen vindt men enige granaatkleurige korrels, van den zelven aard als het daar onder leggend rode zand. Dit rode zand is ook zeer fyn, dog zo niet als het zwarte. De korrels hebben niet alleen de kleur van granaten, maar zyn inderdaad niets anders dan gebroken granaten. Enigen zyn rond, anderen wat hoekig, dog zy blinken allen en zyn half doorschynend. De Zeilsteen heeft ’er niet het minste vermogen op. Ook glinsteren zy niet sterk in de zon. Dit granaatzand krygt men zelden zuiver, dog het is gemeenlyk met het daaronder leggende witte kwartszand vermengd. Deze twee soorten van zand, te weten het zwarte en het rode, vindt men niet overal, maar alleen op zekere plaatsen aan den oever, en dan altyd in de zelve order. Boven op legt het zwarte zand ongevaar het vierde van een duim dik. Als men dit voorzigtig wegdoet, wordt het ondergelegene hoe langer hoe roder, tot dat het eindelyk volkomen de kleur van granaat heeft. Dit zand legt gemeenlyk een weinig dikker dan het zwarte. Wanneer men dit voorzigtig weggestreken heeft komt het witte kwartszand te voorschyn, het welk boven op zeer met het rode vermengd is, dog wat lager geheel wit wordt. Dit legt ruim vier duim diep, en heeft ronde korrels, zodat het volmaakt naar parelzand gelykt. Onder het zelve is nog een ligtgrauw hoekig kwartszand verborgen. Op sommige plaatsen legt het granaatzand boven op, en vlak daaronder het ligtgrauwe hoekige, zonder dat men ’er ene enkelde korrel van het zwarte of van het parelzand onder vinden kan.Wat de oorsprong van dit zwarte of donkerblauwe zand zy kan ik niet zeggen, want men weet niet dat hier in de nabuurschap yzererts te vinden is. Egter dunkt het my waarschynlyk te zyn dat ’er yzererts is, dewyl het op vele plaatsen vanKanadavry gemeen is, en dit zwarte zand op meest alle de oevers der Meren en Rivieren inKanada, schoon niet overvloedig, gevonden wordt. Het granaatzand heeft zynen oorsprong hieromstreeks; want, hoewel de rotsen byFort St. Fredericgeen granaatkorrels bevatten, vindt men egter op de oevers groter of kleinder stenen verschillende van dat soort ’t geen op de bergen en klippen[89]gevonden wordt, de welken aan stukken gestoten en by het granaatzand gelegd zynde daar niet van te onderscheiden zyn. En verder noordwaards inKanada, benedenQuebec, bevatten de bergen veel granaat. Ook is dit rode zand zeer gemeen aan de RivierSt. Laurence. Dit werk is niet geschikt om hier de overige aanmerkingen intevoegen die ik gemaakt heb over verscheiden delfstoffen, dewyl weinig lezers ’er smaak in vinden zouden.Apocynum androsæmifolium.HetApocynum androsæmifolium68wast overvloedig op de hoogtens in de bosschen, en had thans bloeisems. DeFranschennoemen hetHerbe à la puce.69Als men in den steel snydt of ’er een stuk afplukt, zo loopt ’er een wit melkagtig sap uit. DeFranschenschreven dezer plant alle de eigenschappen toe welken ik van denVergiftboomboven70gemeld heb, namelyk dat dit sap voor sommigen vergiftig, voor anderen schadeloos is. Sommigen kunnen niet omtrent den boom komen of zy raken vol van blazen. Ik zag enen Soldaat de hand vol blazen worden, alleen omdat hy de plant uittrok om ze my te tonen. Ook zwellen by vele menschen het aangezigt en de handen alleen van de uitwaassemingen dezer plant. Allen stemden hierin overeen dat als men het sap op de hand krygt, de hand niet alleen dik wordt, maar dat ook de huid ’er als van weg gevreten wordt, ten minsten oordeelde men dat ’er maar weinige menschen waren waaraan men die uitwerkingen niet bespeurde. Dog ik heb ’er nimmer ongemak van gehad, schoon ik meer dan eens, en in tegenwoordig van vele lieden, die ’er verwonderd over waren, en my ’er allerhande ongemakken uit voorspelden, niet alleen de gehele plant aangetast, maar zelfs de beide handen met het sap bestreken heb, zo dat zy geheel wit waren. Zelfs heb ik de plant zo lang in de hand gewreven tot dat zy geheel aan stukken ware. Nogthans heb ik ’er geen het minste leed van gekregen. Het vee eet van deze plant niet.71Klissen.HetKlissenkruid72wies op verscheiden’ plaatsen rondom de Vesting. De Kommandant zeide dat men in ’t voorjaar de tedere scheutjes van dit gewas als radys eet, na ’er de schil te hebben afgetrokken.Sison.HetSison Canadensewast tamelyk veel in de bosschen door geheelNoord Amerika. DeFranschennoemden hetWilde Kervel, en eten het in ’t voorjaar als kervel. Men prees het zeer, en hield het voor een der beste moeskruiden die men hier in de lente had.Katoenplant.De van deFranschenzogenaamdeKatoenplant,73groeide hier[90]veel op de kanten der heuvels, en zo wel in slegte als in goede aarde. Als men den steel kwetst komt ’er een melkagtig sap uit te voorschyn, waarom men de plant voor vergiftig houdt. Des niettemin vergaderen deFranschenin ’t voorjaar de tedere stelen, als zy eerst uitkomen, en maken die als aspersjes klaar, zonder dat hun dit voedsel kwaad doet, dewyl de stelen zo vroeg nog niet vergiftig zyn. De bloemen geven enen aangenamen geur, zo dat zy in dien tyd, vooral des avonds, het reizen in de bosschen zeer aangenaam maken. DeFranschenmaken suiker uit de bloemen. Ten dien einde plukt men ze des morgens vroeg, als zy nog met dauw bedekt zyn; den dauw drukt men uit, en kookt ’er suiker uit, die bruin dog zeer goed is. Als de scheuten volkomen ryp zyn zit ’er om het zaad een soort van wol, die de katoen zeer gelyk is, van de welke de plant harenFranschennaam gekregen heeft. De arme lieden vergaderden ze, en vulden ’er hunne bedden mede in plaats van veeren. Vooral gebruikt men ze voor kinderbedden. InKanadabloeit de plant in ’t einde van Juni en ’t begin van Juli, en het zaad wordt in ’t midden van September N. S. ryp. De paarden eten ’er noit van.Reis over het MeerChamplain.Den 16. Juli des morgens begaf ik my op reis over het MeerChamplainnaar het hoge gebergte, dat op den westelyken oever van het zelve legt, om te zien wat zeldzame gewassen en andere merkwaardigheden daar te vinden waren. Als men op enigen afstand van het Fort op de rotsen staat ziet men ene ry hoge bergen ten westen het Meer, die van het zuiden naar het noorden lopen. En als men zig naar het oosten keert, zo komt ’er ene andere schakel van bergen in ’t gezigt, die zig ook van ’t zuiden naar het noorden strekken. Dog die laatsten zyn wel tien of twaalfEng.mylen van het Meer af. Het land tusschen beiden is laag en geheel met hout bewassen. De bergen zyn ook meest overal vol van zwaar hout, uitgenomen op sommige plaatsen daar het door ’t vuur verteerd is. Zy zyn op sommige plaatsen steil, op anderen niet. Wy voeren het Meer over in ene kleineKano, die maar drie personen dragen konde, en aan land gekomen zynde wandelden wy naar ’t gebergte. De kanten waren tamelyk steil, en met aarde bedekt; dog hier en daar lagen zware stenen. Alles was met hout bewassen. Maar op sommige plekken was het verbrand. Na veel moeite geraakten wy eindelyk op den top van enen berg, die boven op met ene lugtige aarde bedekt was. Dog deze berg was niet een van de hoogsten; wat verder lagen ’er die veel hoger waren, dog wy hadden genen tyd om ’er naar toe te gaan, dewyl de wind begon optesteken, en wy maar een zo klein vaartuig hadden. Wy troffen hier niets zeldzaams aan.Op den oever teruggekeerd vonden wy den wind zo sterk dat wy met onze Kano niet verder op het water durfden komen. Ik liet dan enen[91]man terug om de Kano naar huis te brengen wanneer de wind wat zou gaan leggen, en wandelde metJungströmhet water om naar ’t Fort, dat een weg was van omtrent zevenEng.mylen. Wy volgden den oever, waar noit een weg geweest was, en kwamen dan over steile bergen, dan over scherpe rotsen, dan door dikke bosschen, dan door diepe moerassen. De oord had den naam van een verblyf te zyn voor duizenden van Ratelslangen. Dog gelukkig wierden wy ’er gene gewaar. De oever was somtyds vol stenen, waaronder verscheiden’ vry zware hoekige rotsen. Somwylen waren zy rond en glad geslepen. Ook vonden wy op enige plaatsen zand, ten dele van het boven beschrevene granaatzand, ten dele grauw zand. Hierendaar vond men ook zwart yzerzand. Op de bergen vond men stenen van enen fynen roden glimsteen. Op sommige plaatsen stonden er bomen tusschen den oever en de bergen; dog op andere was de oever moerassig.VersteendeAmmonshoornslagen ’er veel op enige plaatsen tusschen de stenen en rotsen. De rotsen bestonden uit enen grauwen kalksteen, zynden slegts ene verscheidenheid van den zwarten. Zy leggen in beddingen. Sommigen waren vol van versteningen, met of zonder schalen. Op ene plaats zagen wy verbazend grote Ammonshoornen, die meer dan eneZweedscheel breed waren. Het water had hierendaar den steen van boven afgeslepen, dog had die uitwerking op de versteningen niet kunnen maken. Zy lagen boven op de rots, als of zy ’er op gelymd waren.De bergen op den oever waren ontzaglyk hoog en groot. Zy bestonden alleen uit enen harden grauwen rotssteen, die niet in beddingen, gelyk de kalksteen, lag. Een grauwe kwarts en een donkere glimsteen maakten ’er eigenlyk het voornaamste van uit. Daar zy aan den oever lagen kwam de rots tot aan het water, dog daar zy een weinig van denzelven verwyderd lagen kwamen de grauwe of zwarte kalksteensbeddingen het digst aan ’t Meer. Maar ik vond nergens dat grote grauwe rotsen deze bergen van kalksteen bedekten.DeZizania aquaticawies in de modder der beken, en stond in vollen bloei.Ziektens derWilden.De ziektens, die het meest onder deWildenheerschen, zyn rhumatismische pynen en borstontstekingen. Dezen worden vooral veroorzaakt door dien zy dikwyls gedwongen zyn des nagts in de bosschen en op vogtige plaatsen op den grond te slapen, en ook door de schielyke overgangen van het weder van hette in koude, waaraan de lugt hier zeer onderworpen is; ten dele daardoor dat zy zig dikwyls aan brandewyn bezuipen en zig dan nakend in de open lugt, zelfs in den winter in slegt weer te slapen leggen. DeFranschenzyn ook zeer aan deze ongemakken onderhevig, byzonder aan borstontstekingen. De Kommandant verhaalde[92]dat hy eens aan dit ongemak zeer slegt geweest, dog door den HeerSarrasinop de volgende wys ’er van genezen was. Hy begon met hem zweetdryvende middelen te geven, en liet hem een uur agt of tien zweten. Daarop opende hy hem enen ader, en liet hem op nieuws zweten. Daarna schreef hy hem ene nieuwe aderlating voor. DoctorSarrasinwas Koninglyke Geneesheer teQuebecen Korrespondent der Kon. Maatschappy der Wetenschappen teParys. Hy had grote inzigten zo wel in de oeffening der Geneeskunde, als in de Ontleedkunde en andere Wetenschappen. Ook was hy zeer aangenaam in den omgang. Hy stierf teQuebecaan ene kwaadaardige koorts, die daar door een schip was overgebragt, en van de welke hy besmet wierd by ’t bezoeken der Kranken in ’t Hospitaal. Hy liet enen zoon na, die ook de Geneeskonst beoeffende, en naarFrankrykgegaan was om ’er verder in te vorderen; dog hy overleed daar.Venuskwalen.Afgaande koortsen regeren hier ook somtyds. Ook heeft zig de Venusziekte hier te lande gevestigd. DeWildenzelven zyn ’er van besmet geraakt, zo dat ’er velen zyn die ze hebben. Zy weten ze egter ook in den grond te genezen. Men heeft verscheiden’ voorbeelden dat lieden, zo welFranschenalsAmerikanen, welken deze ziekte tot in ’t gebeente was doorgedrongen, door deWilden, binnen den tyd van vyf of zes weken, volkomen ’er van zyn genezen geworden. Dog deFranschenhebben niet kunnen uitvinden wat een middel zy gebruiken. Dit wist men dat zy geen kwikzilver, op enigerhande wys toebereid, gebruikten, en dat het voornaamste middel in wortelen bestond. Dog welke wortelen het waren konde men niet zeggen. Naderhand heb ik het ontdekt, en ’er breedvoerig aan de Kon.ZweedscheMaatschappy, in hare Verhandelingen van het jaar 1750. verslag van gedaan.74Lintwormen.De ongemakken die deLintworm75veroorzaakt zyn inEuropawel bekend. In deEngelscheVolkplantingen inNoord Amerikawas hy niet gemeen; dog hier inKanadawierden ’er enige menschen van gekweld. Men wist dezen worm hier zo wel te beschryven als of men de Verhandelingen derKon. ZweedscheMaatschappy gelezen had. Somtyds raken de menschen ’er kwyt die enige vademen lang zyn. Men kende gene byzondere middelen tegen dit ongemak, nog wist ’er de oorzaak van aantewyzen, dog men giste dat het van het gebruik van sommige vrugten kwam.Fort St. Frederic.Fort St. Frederic is ene Vesting aan het zuider eind van ’t MeerChamplaingelegen. Het staat op ene uitstekende landtong, geformeerd door het Meer en de Rivier, welke ontstaat uit de vereniging[93]derWoodcreeken het MeerSt. Sacrement. Deze Rivier is hier enen goeden musketschoot wyd. DeEngelschennoemen deze VestingCrownpoint. DenFranschennaam draagt zy naar denFranschenSekretaris van staatFrederic Maurepas, die toen zy werd aangelegd het voornaamste opzigt over de zeezaken inFrankrykhad; en daar de meeste plaatsen inKanadanaar Heiligen genoemd worden, zo heeft de gewoonte eenSaintvoor den naamFredericgevoegd. De Vesting legt op ene klip, bestaande, gelyk gezegd is, uit zwarten kalksteen of lei. Zy is een vierkant, heeft hoge en dikke muren, gemaakt van den gemelden steen, twee of drie snaphaanschoten van de plaats af gehouwen. Aan de oosterzyde in de Vesting is een hoge toren, die veilig is voor de bomben, hebbende zware muren, en zynde rondom van boven tot onder met geschut voorzien. Op dezen toren woont de Kommandant. In het Fort is een klein kerkje, en aan de andere zyde vindt men de woningen der Officieren en Soldaten. Naar den landkant leggen scherpe klippen, meer dan enenkanonschootver van ’t Fort. Dog enigen, die weinig wyken voor de hoogte der muren, leggen digt by de plaats. Het land hieromstreeks is goed; en voor den laatsten oorlog hadden zig hier veleFranschehuisgezinnen, vooral van ontslagene Soldaten, nedergezet. Dog de kryg dwong hen of dieper inKanadate wyken, of zig digt onder de Vesting neertezetten, en daar des nagts te gaan slapen. Thans kwamen ’er velen van terug, en men meende dat ’er hier zig met den herfst nog veertig of vyftig huisgezinnen zouden komen nederslaan, welken men landeryen zoude aanwyzen. Wat van de Vesting af, oostwaards, staat een windmolen, die van steen gebouwd en van dikke muren voorzien is, waar men het meeste meel dat in de plaats gebruikt wordt maalt. Deze molen is zo gemaakt dat hy enigermaten tot een buitenwerk dienen kan, want boven in den zelven leggen vier of vyf stukken kanon. In den laatsten oorlog lag hier een goed deel Soldaten, om het oog op de Rivier te houden, en te zien of ’er ookEngelschevaartuigen op dezelve in de verte verschenen, het geen men uit het Fort niet doen kan. En als men hier niet op zyne hoede was, kon de vyand met schuiten digt onder de westzyde der Vesting komen, uit de welke men ze niet zou kunnen ontdekken van wegen de hoogte des oevers. Dog men heeft enen groven misslag begaan met het Fort niet op de plaats te leggen daar nu de molen staat; behalven dat men daar het Fort, door middel ener vereniging der Rivier die van het MeerSt. Sacrementkomt en het MeerChamplain, in den lossen kalksteen uitgehouwen, met een lopend water had kunnen omringen, zodat het op het uiterste der landtong zou hebben komen te staan. Dus zoude men ’er altyd varsch water gehad, en het Fort zou niet zo digt by de hoge rotsen gelegen hebben.[94]Vertrek.Den 19. Juli waren wy, na enige dagen naar het Jagt, dat den gehelen zomer over tusschenFort St. JeanenFort St. Fredericheen en weder vaart, en na deszelfs aankomst op goeden wind gewagt te hebben, tot ons vertrek van hier gereed. Gedurende ons verblyf had ons de HeerLusignanmet allerhande beleefdheden als overladen. Ik had de eer al dien tyd aan zyne tafel te spyzen. Myn Bediende at met den zynen. Wy hadden buiten dat onze kamer en bed, en werden bediend. By ons vertrek voorzag ons die Heer met rykelyken voorraad tot aan hetFort St. Jean. In een woord, onze eigene Landslieden hadden ons gene grotere beleefdheden kunnen bewyzen dan die Heer en de overige Officieren gedaan hebben.Het MeerChamplain.Voor den middag om elf uur gingen wy op reis. De wind was goed. Aan beide de zyden van het Meer lagen hoge bergen, die als ene schakel uitmaakten, dog met dit onderscheid, gelyk ik al aangemerkt heb, dat aan de oostzyde tusschen het Meer en ’t gebergte een laag van met hout bewassen land gelegen is, ter langte van tusschen de twaalf of agttienEng.mylen. Agter dit gebergte behoort het land totNieuw Engeland. Dus maakten deze bergen ene grensscheiding uit. Aan de westzyde stieten de bergen vlak tegens het Meer. Het was in ’t eerst maar een uur breed, dog wierd daarna hoe langer hoe breder. Tot op een uur gaans van hetFort St. Fredericwas het land aan de oostzyde bewoond, dog verder louter bosch. Omtrent tienFranschemylen van de Vesting werd het Meer vier mylen breed. Hier en daar zag men Eilanden, en de Kapitein van ’t Jagt zeide dat ’er in dit Meer zestig Eilanden lagen, waaronder ’er enigen zeer groot waren. Ook verzekerde hy dat het zo diep was, dat men op de meeste plaatsen met ene lyn van honderd vademen genen grond peilen kon; en digt aan land, voornamelyk waar dwarslopende bergen leggen, vindt men dikwyls ruim tagtig vadem waters, zo dat ’er geen middel is om te ankeren. VeertienFranschemylen van het Fort lagen vier grote Eilanden in het Meer, dat daar zes mylen breed is. Den gantschen dag was het droevig weer, en de wolken, die zeer laag hingen, schenen tegens ’t gebergte aantestoten, en het als met enen nevel te hullen. Van verscheiden bergen steeg de nevel als een rook in de hoogte. Hier en daar wierp zig ene kleine Rivier in ’t Meer. Agter het gebergte aan de westzyde was het land, gelyk men my berigtte, enige mylen ver gantsch vlak en met hout bedekt, van vele stromen, beken, moerassen en kleine meren doorsneden, en zeer bekwaam om bewoond te worden. De oever was somtyds klipagtig, en bestond somtyds uit zand. Tegens den avond begonnen de bergen allengskens aftenemen. Het water was zeer helder, en wy bemerkten gene klippen of ondieptens. Des avonds laat ging de wind leggen, en wy wierpen het anker onder ’t land. Den 20. voeren wy des morgens met enen gunstigen[95]wind voort. De plaats daar wy overnagtten was ten halvenwegeFort St. Jean, van waar totFort St. Fredericmen eenenveertigFr.mylen te water rekent. Het gebergte was ons nu uit het gezigt, en het land was laag en boschryk. De oever bestond uit zand. Byna overal scheen het Meer eenZweedschemyl breed, dog het was inderdaad breder, en de Eilanden deden het smaller schynen.Hier en daar zag men aan den oeverWildenin schuiten van bast. Dog geen van hun woonde aan het Meer, en zy waren hier alleen om Steuren te vangen, waarvan ’er hier veel zyn. Wy zagen ze somwylen hoog uit het water springen. DezeAmerikanenleiden ene byzondere levenswys. Een gedeelte van het jaar leven zy voomamelyk van hunnen kleinen voorraad van Mais, bonen en kawoerden; om dezen tyd bestaan zy van visch zonder brood of iets anders; op enen anderen tyd wederom eten zy niets als wild. Desniettemin worden zy oud, zyn gezond, en kunnen meerder ongemakken uitstaan dan anderen. Zy zyn altyd vrolyk en vergenoegd; zingen en dansen geduriglyk: zo dat zy hunne levenswys voor die welke inEuropaals de beste geagt wordt niet zouden willen ruilen.Omtrent tienFr.mylen eer wy aanFort St. Jeankwamen, ontdekten wy huizen op den westelyken oever van het Meer, die kort voor den laatsten oorlog door deFranschenbewoond geweest waren. Thans waren zy sterk bezig met dezelven weder te gaan betrekken. Dit waren de eerste huizen die wy zagen sedert wy die byFort St. Fredericverlaten hadden.Houten Fort.Voor dezen was ’er ene houten Vesting op den oostelyken oever van het Meer geweest, waarvan men ons de legplaats aanwees. Zy was nu met hout bewassen. Zy had denFranschentegens de invallen derWildengediend. Men verzekerde ons dat veleFranschenin dezen oord door dezelven waren omgebragt. Ook verhaalde men ons dat men hier vier vrouwen tegens enen man onder deFranschenrekent, nadien alle jaren vele mans op hunne reizen, die zy ondernemen om met deWildenhandel te dryven, van dezelven vermoord worden.Wy zagen enen stenen windmolen op een uitstek lands aan den oostelyken oever staan. De oord was voor den kryg vanFranschenbewoond geweest, die nog niet teruggekomen waren. Wy waren nog agtFr.mylen vanFort St. Jean. DeEngelschenen hunneAmerikanenhadden hier de meeste huizen verbrand.Het Jagt dat ons voerde was het eerste dat men hier gebouwd had. Voor dezen bediende men zig maar van grote zogenaamdeBateauxomvoorraadte vervoeren. De Kapitein, die hier in ’t land geboren was, had het zelf gebouwd, de eerste den weg voor het Meer gevonden, en[96]de dieptens gemeten om met het zelve tusschenFort St. FredericenFort St. Jeante varen. Hier, over den molen, heeft men drie vadem waters. Dog naderhand, totFort St. Jean, wordt het wat ondieper. Hier en daar zagen wy huizen op den oever. De Kapitein hadOttervellenin de kajuit hangen, die volkomen naar deEuropischengeleken. Van deze Otters zoude men ’er velen inKanadavinden.De vellen vanZeehondenworden hier veel gebruikt om koffers te overtrekken. De mantelpakken waren ’er ook veel van gemaakt. Ook had ’er de gemene man tabaksbeurzen van. Van gedaante waren zy even gelyk aan die men inNoorwegenenZwedenvindt. Het gemene volk was hier gewoon op reis te roken, dog ik merkte niet dat hier iemant de gewoonte had van tabak te kauwen. Men vindt veel van deze Zeehonden in den Zeeboezem benedenQuebec, die, even als deZweedschen, met grauwe en zwarte vlakken gespikkeld zyn. Zy gaan de RivierSt. Laurencezo hoog op als het water zout is. Men heeft ze op geen der grote Meren hier inKanadabespeurd. DeFranschennoemen zeZeewolven.76Ongodsdienstigheid derEngelschenenHollanders.DeFranschenzyn in hunne Volkplanteryen veel gezetter op den uiterlyken Godsdienst dan deEngelschenenHollanders. Op de Jagten der twee laatst genoemde volken had men de gewoonte niet van ’s morgens of ’s avonds bedestonden te houden. Zelden of noit bad men over tafel. Dog op ditFranscheJagt wierd ’s morgens en ’s avonds gebeden, en des zondags meer dan naar gewoonte. Voor en na den maaltyd maakten zy het kruis en deden een kort gebed. De Kapitein deed alle ogtenden zyn gebed op de knien leggende. InFort St. Frederickwam ook de gantsche Bezetting ’s morgens en ’s avonds tot het gebed. Dog het was jammer dat de gebeden in ’tLatyngedaan werden, het geen weinigen verstonden.Zodra wy den molen voorby waren wierd het Meer zo smal dat het niet veel boven een musketschoot breed was. Dus geleek het veel eer naar ene rivier. Het land was aan weerskanten laag en met bomen bewassen die hun blad ’s winters laten vallen. Hier en daar zagen wy ene hut op den oever, anders was het land onbewoond. Men had hier niet boven de zes of tien voet diepte; en hier en daar vertoonde zig een Eilandtje. Gedurende onze gehele reis lag het Meer altyd zuidzuidwest en noordnoordoost.Op sommige plaatsen vanKanadazyn grote streken lands die byzondere personen toekomen. Wanneer dan iemant de vryheid krygt van een stuk van het zelve te bebouwen, dat gemeenlyk veertigarpentslang, en drie breed is, is hy verpligt, wanneer hy enigsins in staat is, den eigenaar ene zekere som77jaarlyks te betalen.[97]Het Meer wierd nu zo ondiep dat men genoodzaakt was van met takken den weg voor ’t Jagt te peilen. Op sommige plaatsen egter had men twee vadem waters.Des avonds by het ondergaan der zonne kwamen wy byFort St. Jeanaan.Fort St. Jean.Fort St. Jean is ene sterkte van hout, door deFranschenin het jaar 1743. aan de west zyde van den mond van het MeerChamplaindigt aan ’t water gebouwd, met inzigt om het omleggende land, dat men bevolken wilde, te dekken, en om tot een magazyn te dienen voor den voorraad en de krygsgereedschappen, die jaarlyks vanMontrealnaarFort St. Fredericgezonden worden, welken men van hier gemakkelyk naar de laatst genoemde plaats zenden kan, het welk men meer naar om laag niet doen kan, dewyl een paar snaphaanschoten lager als dit Fort ene ondiepte is vol met stenen, waar men niet dan met zo genaamdeBateauxover komen kan. Voorheen was hetFortChamblan, dat vierFr.mylen lager legt, een magazyn. Dog men moest van daar het goed met schuiten naar de Jagten op de plaats daar nu dit Fort staat voeren, behalven dat de weg vanMontrealnaarFort Chamblanover land, en langer was.Fort St. Jeanlegt laag, op enen zandigen en rondom vlakken grond, meest met hout bewassen. De Vesting is een vierkant en beslaat eenarpentgronds. Beneden tegens het Meer staat een hoog houten gebouw op elken hoek, van vier verdiepingen, hebbende enen grondslag van steen ter hoogte van anderhalven vadem. In deze gebouwen, die veelhoekig zyn, ziet men schietgaten. Op de twee andere hoeken aan de landzyde staan twee kleine houten huizen van twee verdiepingen hoog. Zy dienen tot woningen voor de Soldaten en tot versterking der plaats. Tusschen deze gebouwen staan palissades, gemaakt van ’t hout derThuya, het welk hier gehouden wordt der verrotting in de aarde langer te wederstaan dan het dennenhout. Wat meer beneden staan dubbelde palissades. Agter de palissades heeft men voor de Soldaten ene borstwering gemaakt, waarvan zy dezelven verdedigen konnen. Op het einde van den oorlog in het voorleden jaar lagen hier tweehonderd mannen in bezetting. Dog nu zyn ’er maar een Kommandant, een Kommies, een Bakker en zes Soldaten. De Kommandant was de RidderDe Gannes, een aangenaam man, en zwager van den HeerLusignan. Het land rondom de Vesting was vet en vrugtbaar, dog niet bebouwd. Men zogt menschen om zig hier neder te zetten.Marengoins.DeFranscheninKanadageven den naam vanMarengoinsaan de Muggen, enen naam die men wil dat van deWildenontleend is. Van dit ongedierte waren de bosschen rondom het Fort zo vol, dat men het met regt hetFort der Marengoinszou hebben mogen noemen. De moerassen en lage boschryke landen zyn haar vaderland. Als het hout gekapt[98]en het water afgeleid werd, zouden zy hier zo wel als op andere plaatsen verminderen.Ratelslangen.De Ratelslang is, volgens het eenparig berigt derFranschen, hier, nog verder noordwaards, byQuebecofMontreal, niet te vinden, en het gebergte omFort St. Fredericis hare uiterste grenspaal aan dezen kant. Ook zegt men, dat ’er meer noordwaards aan gene Slangen zyn wier vergift den menschen schadelyk zyn konne; ook vlugten zy op het gezigt van een mensch. Myne overige aanmerkingen over de Ratelslangen kan men vinden inde Verhandelingen der Kon. Zweedsche Maatschappy der Wetenschappenvoor het jaar 1752.Den 22. Juli kwamen hier paarden aan vanPrairieom ons aftehalen, welken de Kommandant op myn verzoek had doen komen, dewyl ’er hier geen te vinden waren, want de plaats was nog maar een jaar aangelegd geweest. De menschen die de paarden bragten hadden brieven aan den Kommandant by zig, zo wel van den Gouverneur Generaal vanKanada, denMarquis LaGalissonière, geschreven teQuebecden 15. Juli, als van den Vice Gouverneur teMontreal, denBaron De Longueuil, van den 21. van die maand; waarin gemeld wierd, dat ik hun byzonderlyk van hetFranscheHof was aanbevolen, en dat men my van alle noodwendigheden voorzien en ten spoedigsten myne reis bevorderen moest. Twee ankers wyns en enige andere dingen, welke men dagt dat ik van doen hebben zoude, wierden den Kommandanttoegeschikt. Des avonds dronken wy onder ’t lossen van het geschut de gezondheden der Koningen vanFrankryken vanZweden, zo wel als van den Gouverneur en anderen.Vertrek.Den 23 des morgens gingen wy op reis naarPrairie, om verders naarMontrealte komen. Men rekende van hier tot aanPrairiezesFr.mylen te land, en van daar totMontreallangs de RivierSt. Laurencederde half uur. Wy hielden ons in ’t begin aan den oever, hebbende ter regterhand de RivierSt. Jean. Dus noemt men den mond van het MeerChamplain, dat in de Rivier St. Laurence valt, schoon die van sommigen ook deChamplain Riviergeheten wordt. Na eneFr.myl ver gereden te hebben verlieten wy de Rivier, en sloegen links af. Het land was hier overal laag, met hout bewassen, en vry nat, zo dat wy langzaam voort kwamen. Men moet aanmerken datFort St. Jeanin den verleden’ zomer eerst gebouwd en toen deze weg gebaand is. Tweehonderdenzestig man, die elk daags dertigSolskregen, werkten ’er toen op ’s Konings kosten aan; en men zeide dat de arbeid dezen herfst verder voortgezet zou worden. De laagheid van het land bragt vele Muggen en Vliegen voort. Na dat wy drieFr.mylen gereden hadden wierd het land vry van hout. Het scheen voorheen een moeras geweest te zyn, dat nu opgedroogd was. Het gezigt was hier aan alle kanten vry ruim. Aan de regterhand zagen wy van verre twee hoge bergen, die zig de een voor den ander vertoonden,[99]en niet ver vanFort Champlainaf lagen. Ook kon men den hogen berg, die vlak byMontreallegt ontdekken. De weg liep byna lynregt. Wy kwamen weder op een laag drassig land, daarna in een bosch, bestaande voomamelyk uitPynbomen met van onder verzilverde bladen.78Het land daar wy door trokken was vet, en kan met den tyd zeer vrugtbaar worden. Rotsen zag men niet, en zelfs byna gene stenen langs den weg.Verder, ongevaar vierFr.mylen vanFort St. Jean, bekwam het land een ander aanzien. Het was hier overal bewoond. Wy zagen byna niets dan fraye wyd uitgestrekte akkers, staande met de schoonste weit; hier en daar stonden ook erwten en haver. Ander graan vernamen wy niet. De Landhoeven stonden op zig zelven. De huizen waren klein en van hout. In plaats van mos, die men hier niet vond, maakte men de reten digt met klei. De daken waren spits en met stro gedekt. De oord tot aan de RivierSt. Laurencetoe was in myn oog een van de schoonste die ik inNoord Amerikagezien heb.Prairie.Omtrent den middag kwamen wy tePrairieaan, leggende op ene hoogte aan de RivierSt. Laurence. Wy bleven hier dezen dag, vermits ik begerig was het land rondom te bezigtigen.Prairie de la Magdeleneis een klein vlek, gelegen aan den oostelyken oever der RivierSt. Laurence, derdehalveFr.myl vanMontreal, dat men hier duidelyk noordwestwaards aan de overzyde der Rivier zien kon. Het land rondomPrairieis vlak. Van alle kanten ziet men grote akkers en weilanden. DeSt. Laurenceis hier ruim anderhalveFr.myl breed. De huizen zyn hier meest van hout, met spitse houten daken, en de voegen in de wanden zyn met klei aangevuld. In ’t midden van het vlek staat een frai stenen kerkje, met enen toren en ene klok. Voor de kerkdeur is een houten kruis, met alle de werktuigen die men denkt dat tot het lyden van den Zaligmaker gediend hebben. Het vlek was met palissades omringd, voorheen tegens de stroperyen derWildendaar gesteld. Buiten de palissades zyn verscheiden moes- en andere tuinen, dog weinig vrugtbomen daar in. De oevers waren hier niet zeer hoog. Hier onthield zig een Priester en een Kapitein, dien menKommandantnoemde. De koornlanden waren groot, dog men zag ’er gene rog, gerst of mais. In deSt. Laurenceis zuidwestwaards van hier een zware waterval, welken men hier gemakkelyk kan horen. Als in ’t voorjaar het ys los gaat lopen dikwyls verscheiden’ landeryen onder. En, in plaats dat deNyldoor zyne overstromingen het land vrugtbaar maakt, doen hier deze overstromingen[100]niets dan schade; want zy brengen allerhande gewassen op het land, welker zaden het vol van onkruid maken. Op dien tyd moet het vee ver weg gedreven worden. Dog het water blyft maar twee of drie dagen staan. Deze overstromingen ontstaan voornamelyk door het verstoppen der Rivier door ’t ys.DeZizania aquaticawast veel in een beekje, dat een weinig benedenPrairieloopt.Voortreis.Den 24. Juli stapten wy in eenbateauom langs deSt. LaurencenaarMontrealte varen. Wy lieten ons met den stroom dwars over naar beneden dryven. Het water stroomde sterk, dog het is hier niet diep, zo dat de Jagten niet hoger dan totMontrealkomen kunnen, uitgenomen in ’t voorjaar, wanneer zy dikwyls tot bovenPrairiekunnen opvaren. VanPrairieaf ziet men de StadMontrealzeer duidelyk leggen. By onze aankomst aldaar zagen wy veel volks aan de poort staan, welk nieuwsgierig wasZwedente zien, een volk daar zy van te voren niets van gehoord, dog die zy nu verstaan hadden dat verwagt wierden. Ook waren wy de eersteZwedendie men wist dat oit teMontrealzig vertoond hadden. Zodra wy aan land traden kwam my een Officier verzoeken aan het huis van den Gouverneur te komen. De BaronDe Longueuilwas nog Vice-Gouverneur, dog hy wagtte dagelyks zyne verdere aanstelling uitFrankryk. Hy ontving my met de grootste beleefdheid, en toonde my brieven van den Gouverneur Generaal, waarin hy berigtte last te hebben my in alles vry te houden, en op kosten des Konings vanFrankrykhier te lande te doen reizen. In een woord, ik ontving hier nu, en na myne terugkomst vanQuebec, grotere gunstbewyzen dan ik zou hebben kunnen verwagten.Levenswys.De levenswys derFranscheninAmerikais van die derEngelschenin dat werelddeel even zo zeer verschillend als zy inEuropais. De vrouwen waren hier zeer wel gemaakt. Zy waren wel opgebragt, en betoonden ene grote onschuldige vryheid. Des zondags waren zy zeer opgeschikt, byna gelyk onzeZweedschevrouwen, dog in de week niet zo zeer. Maar zy waren ’er altyd zeer opgezet van wel gekapt te zyn. In de week dragen zy een aardig net jakje, en enen korten rok, die halfwegen de benen komt, als wilden zy daarin deAmerikaanschevrouwlieden navolgen. De hakken der schoenen waren zo hoog en smal, dat men zig verwonderen moet dat zy ’er mede gaan kunnen. In de huishouding overtroffen zy verre deEngelschevrouwen, die, om de waarheid te zeggen, het zo ver gebragt hadden van al den last van ’t huishouden op de mans te werpen, en den gantschen dag met de handen over malkander ledig doorbrengen.79[101]Dog deKanadaschevrouwen steken de handen beter uit de mouw, vooral de gemenen, die zig overal op de akkers, in de stallen, en elders laten zien daar te werken valt. Dog zy schynen niet al te zindelyk op het huisraad en de vertrekken. De vloer werd hier dikwyls niet eens in een geheel jaar schoon gemaakt. Dus kwam het zulken die onlangs onder deEngelschenenHollandersverkeerd hadden, by de welken het schrobben en wasschen een stuk is van geen minder gewigt dan de Godsdienst zelf, hier vry morssig voor. Om egter het stuiven te beletten begoot men den vloer met water zo dikwyls als de stof begon te vliegen. Ik zag hier met genoegen dat de dogters zelfs van de eerste lieden, die van den Gouverneur niet uitgenomen, zig eenvouwdig kleedden, en overal ter bezorging van het huishouden door het huis, byna als meiden, liepen. Het gedurig groeten op de straten, en het wedergeven van bezoeken, was ene lastige gewoonte, die hier aangenomen was.Enigen, die met deWilden, welken omtrent vyftigFr.mylen van deHudsonsbayafwonen, op de Beverjagt geweest waren, verhaalden my, dat de dieren, om wier huid het inzonderheid te doen is, en die men daar menigvuldig vindt, zyn, Bevers, wilde Katten of Lynxen, en Marters. Men houdt de vellen der dieren voor des te beter hoe noordelyker zy gevangen worden, dewyl die digter hair hebben dan zulken die men meer naar ’t zuiden vindt.Witte Patryzen.Een soort vogels, die men ’s winters in grote menigte digt by deHudsonsbayvindt, worden van deFranschenWitte Patryzengenoemd. Zonder twyffel is dit de zelve Vogel dien men inZwedenSneuwhoenders80heet. Hoe kouder het is en ’er meer sneuw valt des te overvloediger zyn ze. Men beschreef ze als hebbende ruige witte poten, zynde geheel wit, behalven drie of vier zwarte staartvederen. Het vleesch zou wel smakend zyn. UitEdward’sNatuurlyke Historie der Vogels81blykt het dat de Sneuwhoenders aan deHudsonsbayzeer gemeen zyn.Hazen.Aan deHudsonsbayzyn ook veleHazen. Men vindt ’er ook veel inKanada, waar ik ze dikwyls zelf gezien heb. Zy zyn volkomen als de onzen. Des zomers zyn zy grauwbruin, en ’s winters sneuwwit gelyk als inZweden.[102]Konsten.Met de konsten, als Bouwkonst, Ticchelbakkeryen, Schrynwerkers- en Drayerskonst, en diergelyken, is men hier nog zo ver niet gekomen als wel behoorde. DeEngelschenzyn hierin denFranschenveel voor. Waarschynlyk komt dit daarvan daan dat inKanadade meeste Werklieden maar afgedankte Soldaten zyn, die niet veel gelegenheid gehad hebben te leren, dog door de noodzakelykheid of by toeval alleen tot hun ambagt gebragt zyn. Enigen waren ’er egter aantetreffen die tamelyk kundig waren. Ik zag ’er enen die vry goede uurwyzers maakte, en die konst zig zelven geleerd had.Vliegen.Men heeft my verhaald dat de gemeneHuisvliegenvoor honderdvyftig jaren hier niet bekend geweest zyn. DeWildenbevestigden het zelve, en zyn van gedagte dat de Huisvliegen met de schepen die gestrand zyn hier zyn gekomen. Ik wil dit niet ontkennen; dog dit weet ik dat wy tusschenSaratogaenCrownpointin de wildernissen altyd ene menigte van die vliegen om ons hadden, als wy gingen zitten om uitterusten of te eten; en dit maakt het wat twyffelagtig of zy hier niet al veel vroeger geweest en of zy wel uitEuropahier eerst gebragt zyn. ’T is waar, men zou kunnen zeggen dat die Vliegen sedert den tyd dat hetFort Annehier stond in die woestenyen zyn overgebleven, toen deEngelschenzig daar ophielden, en dat verscheiden Reizigers door den reuk van hunnen medegevoerden voorraad de vliegen hebben kunnen met zig naar de wildernissen lokken.Wilde Koeyen.WildRundveetreft men overvloedig in de zuiderdelen vanKanadaaan, en het heeft zig daar reeds van aloude tyden opgehouden. In het Land derIllinoizen, leggende omtrent op de zelve breedte alsPhiladelphia, is ’er zeer veel van. Verder noordwaards vindt men ’er weinig. Ik zag ene huid van dit vee. Zy was zo groot als die van enen onzer zwaarste Ossen, dog hairiger. De hairen waren donkerbruin, omtrent als die van enen bruinen Beer. Dog die welken het digst aan ’t vel zaten waren zo fyn als wol. Dit vel was niet zeer dik, en zou inFrankrykniet zo hoog als een Berenvel geschat worden. Onder anderen gebruikt men deze vellen om des winters de voeten in te warmen. Velen van deze wilde Koeyen hebben ene fyne wol, welke voor de Schapenwol niet wykt, zo zy die niet overtreft. Men heeft ’er koussen, klederen, handschoenen en andere dingen van gemaakt, zo goed als of zy van de beste wol waren. DeWildenmaken ’er voor zig allerhande dingen van. Het vleesch wykt niet voor dat der beste Ossen. De huid kan dienen tot alles waar men inEuropade ossenhuiden toe gebruikt. Men wil dat deze wilde beesten zwaarder zyn dan deEuropischen. Hunne hoornen zyn wel kort, dog dik aan den wortel. Enigen hebben al getragt om deze beesten mak te maken, uit hoofde van verscheiden overeenkomsten die ze mee het tamme vee hebben, vooral om dat zy zo veel[103]sterker zyn, en dus zeer nuttig voor den landbouw zouden kunnen wezen. Zy hadden ten dien einde van deze wilde kalveren onder het tamme vee laten lopen en groot worden. Dezen hebben een jaar of drie geleefd, dog zyn eindelyk gestorven. Ook zyn zy altyd enigsins wild gebleven. Zodat men de konst van ze regt tam te maken niet gevonden heeft. Ook schenen zy niet wel tegens de koude te kunnen. En inderdaad, hoe heet ook de zomers daar mogen zyn, vindt men ze zelden meer noordwaards aan dan ik gezegd heb. Men dagt dat het met den tyd, als het Land derIllinoizenwat meer bevolkt wezen zal, het ligter zal vallen ze te temmen.82Ik heb reeds kortelyk hier boven van dit soort van Rundvee gesproken.De Vrede afgekondigd.Den 27. Juli werd hier de Vrede tusschenFrankrykenEngelandafgekondigd. De Soldaten waren onder de wapenen; men loste het geschut en ’t klein geweer. Enige vuurwerken wierden ’er afgestoken, en des avonds was de gehele Stad verligt. Tot diep in den nagt krielden de straten van menschen. Ik spysde des avonds met vele Officiers en andere lieden van aanzien by den Gouverneur.EilandMagdalene.Den 28. begeleidde ik den Gouverneur en zyn Huisgezin naar een klein Eiland,Magdalenegenoemd, en hem alleen toebehorende. Het lag vlak over de Stad in deSt. Laurenceaan den oostelyken oever. De Gouverneur had hier een net dog klein huis, en enen schonen tuin. De Rivier loopt tusschen de Stad en het Eiland door, en stroomt daar vry sterk. Digt aan de Stad is zy zo diep dat ’er Jagten door konnen dog by het Eiland wordt zy ondieper, zo dat men daar bomen moet. Op het Eiland stond een molen, die door den stroom der Rivier werd omgedreven, zonder dat men ’er enen molendam had behoeven te maken.Geboomte.DeRhus glabrawast hier overvloedig. Nergens heb ik ze zo zwaar gezien. Sommigen waren tot vier vadem hoog, en dik naar evenredigheid.DeSassafrasis hier geplant, dog worde hier niet in ’t wild gevonden, maar wel meer Zuidwaards.Fort Annewas de noordlykste plaats daar deze boom in ’t wild voortkomt. Die genen welken hier stonden waren al verscheiden jaren oud, dog nog maar heesters, pas anderhalve el hoog. Dit komt daarvandaan dat by elken winter de boom tot aan den wortel toe bevriest, en ieder voorjaar nieuwe scheuten maken moet. Even zo was het ook byFort Anne,FortNicholson,[104]enOswego. Het zal dan vergeefsche moeite gedaan zyn dezen boom onder ene koude lugtstreek te planten.DeRode Moerbezienhad men hier ook geplant. Ik zag ’er enigen van die derdenhalven vadem hoog waren. Dezen hadden ’er omtrent twintig jaren gestaan, en men had ze uit zuidelyker plaatsen hier gebragt. OmMontrealwassen zy niet in ’t wild. Meer als twintigEng.mylen ten noorden vanAlbanyvindt men ze niet, waar de Boeren zeiden dat ’er nog enige weinigen in de bosschen groeiden. Ik vernam bySaratogaof men ’er daar nog vond, dog het antwoord was van neen. Die bomen welken op het Eiland stonden kwamen zeer wel voort, schoon zy enen slegten grond hadden. Zy droegen een zwaar blad, dog dit jaar gene vrugten. Ik vernam egter dat zy ene vry sterke koude konden doorstaan.DeWaterbeukenwaren hier ook geplant en hoog geworden. DeFranschennoemen dezen boomKatoenboom.83Men vond hem nergens in ’t wild aan deSt. Laurence, nog noordelyker danFort St. Frederic.DeRode Cederstond ook in den tuin des Gouverneurs. Hy was hier ook van elders gebragt, en wast in deze streek niet in ’t wild.Om half zeven vertrokken wy van dit aangename Eiland naar huis, en kregen daar de tyding van de aankomst van den Zoon des Gouverneurs, die zig een jaar inFrankrykhad opgehouden, en die de aanstelling des Konings voor zynen Vader als Gouverneur medebragt.Men gebruikt hier wayers gemaakt van wilde Kalkoenenstaarten, welken men zodra de vogel geschoten is uitspreidt en zo droogt, zo dat zy altyd de gedaante van wayers behouden. Zo wel de aanzienlykste Heren als de Vrouwen hadden by zonneschyn zulke wayers in de hand als zy uit wandelen gingen.Gras.Het gras omstreeks vanMontrealbestond byna geheel uit een soort vanPoa.84Het is fyn, staat digt, en tiert wel op droge hoogtens. Dog het heeft weinig bladeren, zodat de fyne steel het meeste voedsel uitmaken moet. Wy hebben vele soorten van gras die voordeliger zyn.Pruimen.De wildePruimenbomenwiessen in menigte op de hoogtens langs de beken buiten de Stad. Zy zaten zo vol pruimen dat ’er de takken van bogen. De pruimen waren egter nog niet ryp. Zy zyn rood en vry goed. Enigen maken ze in.Aalbessen.Men zag vele zwarteAalbessenin ’t wild wassen. De bessen waren[105]Peen.ryp, dog klein, en niet zeer smakelyk.Peengroeiden ’er overal in menigte. Dit deed my denken dat dit gewas oorspronglyk aanAmerikaeigen was, dog naderhand ben ik van gedagte veranderd, dewyl ik ’er genen in het Land derIroquoizengevonden heb. Ook zoude men ze hier te lande te vergeefs zoeken dan op plaatsen waarEuropischeplanteryen geweest zyn.De Gouverneur.DeGouverneur GeneraalvanKanadahoudt zyn verblyf teQuebec, dog hy komt dikwyls teMontreal, en brengt ’er niet zelden den winter door. Maar des zomers is hy meest teQuebec, vermits daar dan de schepen aankomen die brieven medebrengen. Ook heeft hy ’er andere bezigheden. Als hy teMontrealis woont hy op het zo genaamdeSlot, het welk een groot stenen huis is. Het is ten behoeven van den Gouverneur GeneraalVaudreuilgebouwd, en hoort nog zyner familie toe, die het den Koning voor eene zekere som verhuurt. De GeneraalDe la Galissonièrehoudt meer vanMontrealals vanQuebec; ook legt de eerste plaats veel aangenamer.Geld.Men heeft inKanadabyna geen ander geld dan papier. Ik zag byna geen andere munt dan enige kleineFransche Sols, uit koper met een weinig zilver vermengd gemaakt. Zulk een stuk geldt hier anderhalveSol. De Briefjes waren niet gedrukt maar geschreven. Zie hier hunnen oorsprong. De Koning had gevonden, dat het, wegens kapers, schipbreuken en andere ongelukken op zee, gevaarlyk was geld ter betaling der troepen en andersins overtezenden, en had derhalven last gegeven dat de Gouverneur vanQuebecof de Kommissaris teMontreal, wanneer ’er betalingen moesten geschieden, een zeker getal van Briefjes schryven zou naar dat de som groot was. Deze Briefjes behelsden dat zy voor zo en zo veel tot de maand van October aanstaande gelden zouden. De Intendant of de Kommissaris ondertekent deze Briefjes. Zy gaan dan voor geld. In October staat het den houderen vry dezelven den Intendant teQuebecof den Kommissaris teMontrealte brengen, en ’er wisselbrieven opFrankrykvoor te nemen. De Koninglyke schatkist inFrankrykvoldoet dan deze wisselbrieven. Heeft men geen geld dit jaar inFrankrykvan doen zo kan men zyn Briefje tot den volgenden October bewaren. In October alleen kan men ze voor wisselbrieven verruilen. Zy zyn van verscheiden’ sommen, gelyk onze Bankbriefjes inZweden. Sommigen zyn van nog minder dan eneLivre. Tegen den herfst, als de koopvaardyschepen uitFrankrykaankomen, zoeken de Kooplieden zo veel van deze Briefjes byeentekrygen als ze kunnen, om ze voor wisselbrieven opFrankrykte verruilen. Deze Wissels zyn ten dele gedrukt, met openlating van den naam, de som, en diergelyken. Daar deze Briefjes allen geschreven zyn kunnen zy ligt door schelmen worden nagemaakt, het welk ook somtyds geschiedt. Dog de straffen, die hierop[106]staan, en niet zelden des misdadigers leven in gevaar stellen, maken dit zeldzaam. By gebrek van lopend geld verliezen de kopers of verkopers dikwyls een weinig, dewyl men tusschen een en tweelivresniet betalen kan, en dus moet de een of de ander iets laten vallen. EenSolis de laagste munt inKanada, en omtrent zo veel als eenPennyin deEngelscheVolkplantingen. EneLivre, of eenFranchoudt twintigSols, en drieLivresmaken eenEcu.

Verbastering der menschen inKanada.Men was van gedagte dat deFranschen, die inEuropageboren en naarKanadawaren overgekomen, daar gemeenlyk gezonder waren dan in hun vaderland, en ouder wierden dan die inAmerikageboren waren. Ook hield men het daar voor, dat de EuropischeFranschensterker waren in het werken en ’t verdragen van ongemakken als de hier geborenen. De afgaande koortsen, welken deEuropersinPensylvanieaankomende gemeenlyk krygen, wil men dat hier onbekend zyn, en men zou hier terstonds zo gezond zyn als naderhand, wanneer men aan de lugtstreek gewend is. DeEngelschenhebben dikwyls opgemerkt dat de inAmerikageboreneEuropeanenniet zo wel de ongemakken der zeevaart uithouden, of de lugt vanZuid Amerikaverdragen kunnen, als zy die inEuropageboren zyn. Dit zou ook by deFranscheninKanadaeven eens wezen. Als deKanadiersnaarMartinique,Domingoen andere Eilanden vanAmerika, gaan, worden zy na een kort verblyf altyd ziek en sterven. Die genen die in die gewesten ziek worden komen ’er zelden door, ten zy zy weder naarKanadagaan. Integendeel kunnen zy die regelregt uitFrankryknaar deWest Indien[82]overkomen de lugt daar veel beter verdragen, en worden ’er oud. Dit bekragtigden my vele lieden inKanada.Een man door deWildenvermoord.Den 3. Juli, terwyl wy het middagmaal namen, hoorden wy enige malen agtereen een geweldig en naar geschreuw op de Rivier op enigen afstand van het Fort. De Kommandant zeide terstond dat dit geschreuw hem kwalyk behaagde, dewyl hy uit het zelve opmaakte dat deWilden, die uit geweest waren om zig op deEngelschente wreken, in hun oogmerk geslaagd waren, en dat hun geschreuw te kennen gaf dat zy enenEngelschmanvermoord hadden. Zodra ik aan het venster kwam zag ik ene schuit met enen langen stok op den voorsteven, waaraan het bovenste van een bebloed hoofd hing. By hunne aankomst aan land hoorden wy dat deWilden, die zes in getal waren, hunnen togt van de plaats daar wy gezien hadden dat zy hadden overnagt tot binnen de grenzen derEngelschenvoortgezet, daar enen man, met zyn jongetje op een akker met mayen bezig gevonden, hem stilletjes bekropen, en onverwagt op de plaats met enen kogel dood geschoten hadden. Dit was geschied niet ver van het dorp daar twee jaar geleden de Broeder van enen dezer moordenaren, ten oorlog tegens deEngelschenuitgetogen, gedood was. Zy sneden, volgens hunne gewoonte, den doden den hoofdschedel af, dien zy nevens de klederen en het kind van den verslagenen, een jongetje van negen jaren, medenamen, en zo naarKanadaterug keerden. Zodra zy omtrent het Fort gekomen waren hingen zy het hoofd aan enen stok voor op den steven, en schreuwden den gantschen weg langs, tot eenHunne kleding.teken dat zy den zegen behaald en hun oogmerk bereikt hadden. Zy waren, volgens hun gebruik, alleen met een hembd gekleed; dog van den vermoordenEngelschmanhad de een den rok, de ander zyne koussen aan, de derde zynen hoed op, en zo verders. Het aangezigt hadden zy zig byna geheel met vermilioen beschilderd, waarmede ook hunne hembden op de schouders bestreken waren. In de oren droegen de meesten zeer grote ringen, die hun zeer hinderlyk schenen te moeten zyn, dewyl zy gedwongen waren die vast te houden als zy springen of enige andere sterke beweging maken wilden. Enigen hadden gordels van de vellen van Ratelslangen met de ratels ’er aan om ’t lyf. Het jongetje van den verslagenen had niets anders dan een hembd en koussen aan, en ene muts op ’t hoofd. Zy hadden zyn hembd ook op de schouders rood gemaakt. By ’t uittreden uit de schuit hadden zy den stok daar ’t hoofd op stak in de hand, en gingen ’er aldansendeen zingende mede langs den oever. Hun inzigt met het jongetje was hem naar hun verblyfplaats te brengen, daar optevoeden, in de plaats des verslagenen Broeders aantenemen, en aan ene van hunne nabestaanden uittehuwelyken, en zig dus met hem te vermaagschappen. Schoon zy nu deze vyandelykheid in vredenstyd begaan hadden, regelregt tegens[83]het verbod van den Gouverneur vanMontrealaan, en in weerwil van den raad van den Kommandant alhier, konde hy egter niet af van hun eten en andere noodwendigheden voor de reis te geven, dewyl hy hen niet dorst te verbitteren. Maar toen zy teMontrealgekomen waren deed de Gouverneur ze niet alleen kastyden, maar nam hun ook het kind af, en zond het zyner Moeder weder t’huis. De HeerLusignanvroeg hun wat zy my en mynen Reisgezellen zouden gedaan hebben indien wy in hunne handen gevallen waren, en zy antwoordden dat hun inzigt voornamelyk geweest was zig op die van het dorp te wreken daar hun Broeder omgekomen was, en dat zy derhalven ons misschien wel onbeledigd zouden gelaten hebben, egter zou dit veel hebben afgehangen van de gemoedsgesteldheid in de welke zy op dien tyd waren als zy ons aantroffen.Een Geraamte gevonden.Enige jaren geleden had men in het Land derIllinoizeneen geraamte gevonden van een verbazend groot dier. Een van de Officieren der Bezetting verzekerde my dat hy het gezien had. DeAmerikanenhadden het in een moeras ontdekt. Zy stonden op het eerste gezigt zeer verbysterd, en, gevraagd zynde waar voor zy het hielden, zeiden zy,voor het geraamte van den Voorvader of het Opperhoofd van alle de Bevers. Het was buitenmate groot, en had dikke en ene halve el lange sneuwwitte tanden. Men hield het voor het geraamte van enen Elefant. De Officier, die het gezien had, verzekerde dat men nog het beloop van den snuit duidelyk had kunnen onderkennen, schoon die reeds tot stof vergaan was. Hy wist niet dat men ’er enige beenderen van weggenomen had, maar hy dagt dat alles was blyven leggen. Ik hoorde sedert op sommige plaatsen vanKanadavan dit geraamte spreken.62Beren.DeBerenzyn hieromstreeks menigvuldig. By de Vesting hield men er enen die drie maanden oud was. Hy was van de zelve gedaante en den zelven aard als onzeEuropischegemene Beren, uitgenomen alleen dat zyn’ oren langer en zyn’ hairen styver schenen te zyn. Zyn’ kleur was zwartbruin. Hy speelde met enen hond. Van de vellen dezer Beren gaat jaarlyks ene menigte naarFrankryk. DeWildenmaken ene olie van het Berenvet, waarmede zy des zomers het gezigt, de handen, en alle de ongedekte plaatsen des lichaams tegens het byten der Muggen besmeren. Behalven dit, bestryken zy zig zeer dikwyls met deze olie, wanneer zy of koude gevat, of zig zeer vermoeid of gekneusd hebben, en in andere gevallen meer. Zy denken dat dit smeren het vel zagt en buigzaam maakt, en veel tot het bereiken van enen hogen ouderdom toebrengt.[84]Paardenbloemen.De gemenePaardenbloem63wies hier veel op de weiden en langs de wegen, en stond nu in bloei. In ’t voorjaar als de bladen beginnen uittekomen, en zo groot worden dat men de plant kennen kan, graven deFranschende wortelen op, wasschen ze af, snyden ze door, en eten ze als salade. Zy smaken wat bitter. Men heeft hier de gewoonte niet van de bladen te eten.Afgedankte Soldaten.De Soldaten, die met den vrede afgedankt waren, hadden reeds op de hun aangewezene landen, die rondom het Fort lagen, huizen gezet. Dog de meesten dezer huizen waren niet meer dan hutten, en gelyk aan de armelykste woningen by ons; maar het volk had het tamelyk wel, en at goed weitenbrood. De huizen waren van planken, stonden loodregt en vlak by malkander. Men had de reten met klei toegesmeerd. De vloer was van klei of van zwarten kalksteen. Van dien steen waren ook de haarden, uitgenomen dat de plaats voor het vuur geschikt van uitgezogte grauwe zandstenen, grotelyks uit kwarts bestaande, gemaakt was. Op sommige plaatsen had men evenwel hier den zwarten kalksteen toe genomen. Men verzekerde dat deze steen wel tegens het vuur konde, mits de stenen wat groot waren. Glazen vond men niet in de vensters.Galium tinctorium.HetGalium tinctoriumwierd inKanadadoor deFranschenTisavo-jaune rougegenaamd. Het wies hier overvloedig, vooral in ene goede vogtige tuinaarde. Met de wortelen verwen deWildende pinnen der stekelvarkens rood welken zy in verscheiden’ van hunne stofjes invlegten; en deze kleur verschiet niet ligt. DeFranscheVrouwen inKanadaverwen ook met deze wortelen, die klein zyn gelyk die van ’tGallium luteum.De Paarden lopen hier den gehelen winter over in ’t veld, en zoeken den kost. Egter wil men dat ze in ’t voorjaar vet zyn.Walvisch Geraamte.Men had het geraamte van enen Walvisch enige mylen vanQuebec, en eneFranschemyl van de RivierSt. Laurencegevonden, op ene plaats waar tegenswoordig geen lopend water komt. Dit geraamte was zeer groot. De Kommandant had verscheiden lieden gesproken die het gezien hadden.Schuiten.DeSchuitendie men hier gebruikt waren van drieerlei soort. I. Bastenschuiten, uit bast gemaakt dog met houten ribben; II. Kanoos, die men hier van wit Dennenhout maakt. Menroeytze niet, maar doet ze voortgaan door middel van een soort van riem, die men in de hand houdt en heen en weer beweegt;64dog men kan daar de helft van de kragt niet mede doen als met roeyen. Het derde soort van vaartuigen noemt menBateaux. Zy zyn hier altyd groot, en worden gebruikt om zware[85]vragten te vervoeren. De bodem, die altyd plat is, bestaat uit rood, dog meest uit wit eikenhout, om des te beter tegens het stoten op de stenen te kunnen. Het boord is van vurenhout, en dit geschiedt om de ligtheid. Men maakt hier teer en pek in overvloed.Soldaten.DeSoldatengenoten hier enige voorregten die zy niet overal hebben. Die hier in bezetting waren kregen een rykelyk onderhoud. Elk ontving daags anderhalf pond weitenbrood. Ook kregen zy erwten, spek, gerookt of gezouten vleesch, en zelfs meer dan zy op konden. Nu en dan wierd ’er een os of ander beest geslagt, waarvan het varsche vleesch onder de Soldaten werd uitgedeeld. De Officieren onderhielden op ’s Konings kosten melkkoeyen. Ieder Soldaat had zyn tuintje buiten het Fort, waarin sommigen speelhuisjes gezet hadden, en zy allerhande moeskruiden teelden. De Kommandant zeide dat dit gebruik in dit Land algemeen was by zulke Vestingen in wier nabuurschap gene grote stad lag, van waar men groentens krygen kon. In vredenstyden behoefden de Soldaten gene wagten waartenemen. En daar het Meer hier digt by vol van visch is, en de bosschen van wild, zo kan ieder die maar wat naarstig is hier ene tafel houden als een Heer. Ieder krygt alle twee jaren enen nieuwen rok, maar alle jaar ene vest, ene muts, enen hoed, een paar koussen, een das, een paar schoenen, en in den winter vry brandhout. Aan soldy heeft ieder vyfsolsdaags. Dog als zy voor den Koning werken moeten krygt ieder dertigsols. Dus was het geen wonder dat het krygsvolk ’er hier frisch, vet, sterk en wakker uitzag. Die ziek wordt komt in ’t Hospitaal, waar hy alles vry heeft.Zy konden, ook ligt verlof krygen, en hielden egter hunne soldy en hun gewoon onderhoud, mits zy de wagtlonen betaalden, als ’er wagten te doen waren. Den Kommandant en den Officieren bewees men alle de verschuldigde eer; egter gingen de Officiers met de Soldaten als hunne spitsbroeders gemeenzaam om. Dikwyls zaten zy met malkander te praten. De Soldaten, die hier uitFrankryknaartoe gezonden worden, moeten tot enen zekeren ouderdom toe dienen; waarna zy hun afscheid, en vryheid krygen een stuk lands te bebouwen. Maar als zy alleen voor zekere jaren hebben dienst genomen, krygen zy na ’t eindigen van die hun ontslag, indien zy het begeren. Dit doen de meesten die inKanadageboren zyn. Als een Soldaat zyn omslag gekregen heeft wordt hem van ’s Konings wegen een stuk lands geschonken, van veertigarpentsin de lengte, en drie in de breedte, als de grond overal goed is, dog wat meer als die niet veel deugt. Ook krygt hy onderstand om een woest land te ontginnen. De eerste drie of vier jaren krygt hy eten voor hem, zyne vrouw en kinderen. Nog schenkt hem de Koning ene koe, en de noodzakelykste werktuigen. Andere[86]Soldaten, die ’er door den Koning voor betaald worden, helpen hem zyn huis bouwen. Dit zyn aanmerkelyke ondersteuningen voor eerst beginnenden; en in een land daar de Soldaten zo wel behandeld worden, zoude men zeggen, kan de Koning niet verlegen zyn om troepen. Om het land des te beter te bevolken heeft men voorgeslagen jaarlyks uitFrankrykdriehonderd man overtevoeren, en den ouden Soldaten hun afscheid te geven, waardoor zy gelegenheid mogten hebben te trouwen, en zig aan den landbouw overtegeven. Het land dat men hier den afgedankten Soldaten had geschonken was zeer goed, bestaande doorgaans uit ene met klei vermengde dikke tuinaarde.Eggen.De Eggen, waarvan men zig hier bedient, zyn geheel van hout, en driehoekig. De Ploegen waren ook niet veel beter. De raderen waren plomp en dik, en al het hout was zo zwaar dat een paard werks genoeg had om enen ploeg op den gelyken grond voorttetrekken.Rotsen.Hier en daar op de rotsen lagen stenen van verscheidenerlei soort. Sommigen waren tamelyk groot van twee tot drie ellen dikte en anderhalve el breedte; anderen wat kleinder. Zy kwamen egter allen in den aard van den steen overeen, alleen bemerkte ik deze verscheidenheden.Enigen bestonden uit enen Kwarts van kleur gelykende naar bruine kandysuiker, en uit enen zwarten fynen glimmer, die met zwarten hoornsteen en enige weinige korrels van blauwen spaath vermengd was. De kwarts was het voornaamste; ook was ’er vry veel glimmer, dog weinig spaath in. Deze verschillende steenstoffen waren zeer wel door malkander vermengd, zo dat men ze op ’t gezigt wel van malkanderen onderscheiden, dog niet met werktuigen afzonderen kon. De steen was hard en vast, en de kwartskorrels zagen ’er fyn uit.Anderen bestonden uit grauwen kwarts, zwarten glimmer en hoornsteen, met enige weinige spaathkorrels. Weinig spaath was ’er in, vry veel glimmer, dog meest kwarts. De steen was hard en vast, en verschilde alleen in kleur van den voorgaanden.Enigen bestonden uit een mengsel van helderen kwarts en zwarten glimmer, waarby ettelyke rode kwartskorrels kwamen. De spaath had hier de overhand; de glimmer lag in dikke schyven. Deze steen was zo vermengd niet als de voorgaanden, ook niet zo hard en vast.De bergen waarop hetFort St. Fredericstaat, en die welken hier omstreeks leggen, waarop de beschreven’ stenen gevonden worden, bestaan doorgaans uit enen koolzwarten kalksteen, die gelyk leyen op lagen legt. Men zou hem ene lei noemen kunnen die door het vuur tot kalk wordt.65Deze steen is van binnen pekzwart, en doorgebroken[87]zynde zeer fyn. Hier en daar vertonen zig in denzelven kleine spaathkorrels en andere ongelykheden, die ’er aderen in formeren. De beddingen die boven op de bergen leggen zyn van enen grauwen digten kalksteen, die maar ene verscheidenheid is van den voorgaanden. In den zwarten kalksteen treft men byna overal ene menigte van allerhande versteningen van mosselschelpen, hoorns, en andere dingen aan. De versteningen die men hier meest vindt zyn de volgenden:Petrefacta.PectinitesofOstreæ pectineszyn het die ’t grootste getal uitmaken. Somtyds komt men op grote beddingen, die niet anders dan aan een gewassen schelpen van dit soort zyn. Zy zyn grotendeels maar klein, en zelden meer dan anderhalven duim. Men vindt ze op twederlei wyzen versteend. Het eerste soort toont overal in den steen indrukken van de verhevene zyde der schelp, dog niet het geringste teken der schaal, en alleen maar de indrukken. In het andere bespeurt men de schaal zelve nog in den steen zittende, zo dat zy, als ze helder van kleur is, ligt van den zwarten steen zelven kan onderscheiden worden. Van beide de soorten vindt men ’er velen, dog van het eerste de meesten. Enigen zyn verheven, vooral in het midden, anderen daarentegen zyn in het midden ingedrukt; dog in de meesten is de buitenste oppervlakte merkelyk verheven. De strepen lopen altyd in de langte, namelyk van het middelpunt naar den rand.VersteendeAmmonshoornenzyn ’er ook veel, dog egter veel minder dan de voorgaanden. Men vond ze ook zo wel met als zonder schalen. Dog ’er waren ook vele versteende slakkenhuizen onder. Verscheidenen dezer Ammonshoornen waren zeer groot, zo dat ik niet weet ’er oit groter gezien te hebben. Zy bedroegen in de doorsnede meer dan eenZweedscheel.Men kon velerlei soorten van Koralen bespeuren in de stenen vastgewassen, van de welken zy egter wel aftezonderen waren. Sommigen waren steenplanten of witte takagtige koralen,66anderen, dog minder in getal, waren starkoralen.67Steenballen.Ik moet den naam vanSteenballengeven aan een soort van vreemden steen, waarvan de rotsen op vele plaatsen vol waren. Zy hadden de gedaante van een halven kloot, waarvan de verhevene zyde buiten de rots uitstak, en de onderste daar vast was ingedrukt. Zy bestaan. louter uit evenwydig lopende vezelen, die van den bodem en als uit een middelpunt beginnen, en zig over de oppervlakte des kloots uitbreiden. De kleur is grauw. Van buiten zyn deze ballen glad, dog hebben veel[88]kleine gaatjes, zo dat zy ’er uitzien als waren ze met ene helder grauwe korst overtogen. In de middellyn zyn zy een of anderhalven duim.Zand.Onder andere soorten vanZand, die men hier op de Oevers van het MeerChamplainvindt, zyn ’er byzonderlyk twee zeer zeldzaam, die men meest op dezelve plaats by malkander aantreft, namelyk een zwart en een roodbruin of granaatkleurig zand.Met zwarte zand legt altyd het bovenste en bestaat uit zeer fyne korrels. Met een vergrootglas beschouwd zynde vindt men ze donkerblauw of yzerkleurig. Enigen zyn rond, dog de meesten hoekig en glanzig. In de zon glinsteren zy sterk. Zy worden allen door den Zeilsteen aangetrokken. Onder dezen vindt men enige granaatkleurige korrels, van den zelven aard als het daar onder leggend rode zand. Dit rode zand is ook zeer fyn, dog zo niet als het zwarte. De korrels hebben niet alleen de kleur van granaten, maar zyn inderdaad niets anders dan gebroken granaten. Enigen zyn rond, anderen wat hoekig, dog zy blinken allen en zyn half doorschynend. De Zeilsteen heeft ’er niet het minste vermogen op. Ook glinsteren zy niet sterk in de zon. Dit granaatzand krygt men zelden zuiver, dog het is gemeenlyk met het daaronder leggende witte kwartszand vermengd. Deze twee soorten van zand, te weten het zwarte en het rode, vindt men niet overal, maar alleen op zekere plaatsen aan den oever, en dan altyd in de zelve order. Boven op legt het zwarte zand ongevaar het vierde van een duim dik. Als men dit voorzigtig wegdoet, wordt het ondergelegene hoe langer hoe roder, tot dat het eindelyk volkomen de kleur van granaat heeft. Dit zand legt gemeenlyk een weinig dikker dan het zwarte. Wanneer men dit voorzigtig weggestreken heeft komt het witte kwartszand te voorschyn, het welk boven op zeer met het rode vermengd is, dog wat lager geheel wit wordt. Dit legt ruim vier duim diep, en heeft ronde korrels, zodat het volmaakt naar parelzand gelykt. Onder het zelve is nog een ligtgrauw hoekig kwartszand verborgen. Op sommige plaatsen legt het granaatzand boven op, en vlak daaronder het ligtgrauwe hoekige, zonder dat men ’er ene enkelde korrel van het zwarte of van het parelzand onder vinden kan.Wat de oorsprong van dit zwarte of donkerblauwe zand zy kan ik niet zeggen, want men weet niet dat hier in de nabuurschap yzererts te vinden is. Egter dunkt het my waarschynlyk te zyn dat ’er yzererts is, dewyl het op vele plaatsen vanKanadavry gemeen is, en dit zwarte zand op meest alle de oevers der Meren en Rivieren inKanada, schoon niet overvloedig, gevonden wordt. Het granaatzand heeft zynen oorsprong hieromstreeks; want, hoewel de rotsen byFort St. Fredericgeen granaatkorrels bevatten, vindt men egter op de oevers groter of kleinder stenen verschillende van dat soort ’t geen op de bergen en klippen[89]gevonden wordt, de welken aan stukken gestoten en by het granaatzand gelegd zynde daar niet van te onderscheiden zyn. En verder noordwaards inKanada, benedenQuebec, bevatten de bergen veel granaat. Ook is dit rode zand zeer gemeen aan de RivierSt. Laurence. Dit werk is niet geschikt om hier de overige aanmerkingen intevoegen die ik gemaakt heb over verscheiden delfstoffen, dewyl weinig lezers ’er smaak in vinden zouden.Apocynum androsæmifolium.HetApocynum androsæmifolium68wast overvloedig op de hoogtens in de bosschen, en had thans bloeisems. DeFranschennoemen hetHerbe à la puce.69Als men in den steel snydt of ’er een stuk afplukt, zo loopt ’er een wit melkagtig sap uit. DeFranschenschreven dezer plant alle de eigenschappen toe welken ik van denVergiftboomboven70gemeld heb, namelyk dat dit sap voor sommigen vergiftig, voor anderen schadeloos is. Sommigen kunnen niet omtrent den boom komen of zy raken vol van blazen. Ik zag enen Soldaat de hand vol blazen worden, alleen omdat hy de plant uittrok om ze my te tonen. Ook zwellen by vele menschen het aangezigt en de handen alleen van de uitwaassemingen dezer plant. Allen stemden hierin overeen dat als men het sap op de hand krygt, de hand niet alleen dik wordt, maar dat ook de huid ’er als van weg gevreten wordt, ten minsten oordeelde men dat ’er maar weinige menschen waren waaraan men die uitwerkingen niet bespeurde. Dog ik heb ’er nimmer ongemak van gehad, schoon ik meer dan eens, en in tegenwoordig van vele lieden, die ’er verwonderd over waren, en my ’er allerhande ongemakken uit voorspelden, niet alleen de gehele plant aangetast, maar zelfs de beide handen met het sap bestreken heb, zo dat zy geheel wit waren. Zelfs heb ik de plant zo lang in de hand gewreven tot dat zy geheel aan stukken ware. Nogthans heb ik ’er geen het minste leed van gekregen. Het vee eet van deze plant niet.71Klissen.HetKlissenkruid72wies op verscheiden’ plaatsen rondom de Vesting. De Kommandant zeide dat men in ’t voorjaar de tedere scheutjes van dit gewas als radys eet, na ’er de schil te hebben afgetrokken.Sison.HetSison Canadensewast tamelyk veel in de bosschen door geheelNoord Amerika. DeFranschennoemden hetWilde Kervel, en eten het in ’t voorjaar als kervel. Men prees het zeer, en hield het voor een der beste moeskruiden die men hier in de lente had.Katoenplant.De van deFranschenzogenaamdeKatoenplant,73groeide hier[90]veel op de kanten der heuvels, en zo wel in slegte als in goede aarde. Als men den steel kwetst komt ’er een melkagtig sap uit te voorschyn, waarom men de plant voor vergiftig houdt. Des niettemin vergaderen deFranschenin ’t voorjaar de tedere stelen, als zy eerst uitkomen, en maken die als aspersjes klaar, zonder dat hun dit voedsel kwaad doet, dewyl de stelen zo vroeg nog niet vergiftig zyn. De bloemen geven enen aangenamen geur, zo dat zy in dien tyd, vooral des avonds, het reizen in de bosschen zeer aangenaam maken. DeFranschenmaken suiker uit de bloemen. Ten dien einde plukt men ze des morgens vroeg, als zy nog met dauw bedekt zyn; den dauw drukt men uit, en kookt ’er suiker uit, die bruin dog zeer goed is. Als de scheuten volkomen ryp zyn zit ’er om het zaad een soort van wol, die de katoen zeer gelyk is, van de welke de plant harenFranschennaam gekregen heeft. De arme lieden vergaderden ze, en vulden ’er hunne bedden mede in plaats van veeren. Vooral gebruikt men ze voor kinderbedden. InKanadabloeit de plant in ’t einde van Juni en ’t begin van Juli, en het zaad wordt in ’t midden van September N. S. ryp. De paarden eten ’er noit van.Reis over het MeerChamplain.Den 16. Juli des morgens begaf ik my op reis over het MeerChamplainnaar het hoge gebergte, dat op den westelyken oever van het zelve legt, om te zien wat zeldzame gewassen en andere merkwaardigheden daar te vinden waren. Als men op enigen afstand van het Fort op de rotsen staat ziet men ene ry hoge bergen ten westen het Meer, die van het zuiden naar het noorden lopen. En als men zig naar het oosten keert, zo komt ’er ene andere schakel van bergen in ’t gezigt, die zig ook van ’t zuiden naar het noorden strekken. Dog die laatsten zyn wel tien of twaalfEng.mylen van het Meer af. Het land tusschen beiden is laag en geheel met hout bewassen. De bergen zyn ook meest overal vol van zwaar hout, uitgenomen op sommige plaatsen daar het door ’t vuur verteerd is. Zy zyn op sommige plaatsen steil, op anderen niet. Wy voeren het Meer over in ene kleineKano, die maar drie personen dragen konde, en aan land gekomen zynde wandelden wy naar ’t gebergte. De kanten waren tamelyk steil, en met aarde bedekt; dog hier en daar lagen zware stenen. Alles was met hout bewassen. Maar op sommige plekken was het verbrand. Na veel moeite geraakten wy eindelyk op den top van enen berg, die boven op met ene lugtige aarde bedekt was. Dog deze berg was niet een van de hoogsten; wat verder lagen ’er die veel hoger waren, dog wy hadden genen tyd om ’er naar toe te gaan, dewyl de wind begon optesteken, en wy maar een zo klein vaartuig hadden. Wy troffen hier niets zeldzaams aan.Op den oever teruggekeerd vonden wy den wind zo sterk dat wy met onze Kano niet verder op het water durfden komen. Ik liet dan enen[91]man terug om de Kano naar huis te brengen wanneer de wind wat zou gaan leggen, en wandelde metJungströmhet water om naar ’t Fort, dat een weg was van omtrent zevenEng.mylen. Wy volgden den oever, waar noit een weg geweest was, en kwamen dan over steile bergen, dan over scherpe rotsen, dan door dikke bosschen, dan door diepe moerassen. De oord had den naam van een verblyf te zyn voor duizenden van Ratelslangen. Dog gelukkig wierden wy ’er gene gewaar. De oever was somtyds vol stenen, waaronder verscheiden’ vry zware hoekige rotsen. Somwylen waren zy rond en glad geslepen. Ook vonden wy op enige plaatsen zand, ten dele van het boven beschrevene granaatzand, ten dele grauw zand. Hierendaar vond men ook zwart yzerzand. Op de bergen vond men stenen van enen fynen roden glimsteen. Op sommige plaatsen stonden er bomen tusschen den oever en de bergen; dog op andere was de oever moerassig.VersteendeAmmonshoornslagen ’er veel op enige plaatsen tusschen de stenen en rotsen. De rotsen bestonden uit enen grauwen kalksteen, zynden slegts ene verscheidenheid van den zwarten. Zy leggen in beddingen. Sommigen waren vol van versteningen, met of zonder schalen. Op ene plaats zagen wy verbazend grote Ammonshoornen, die meer dan eneZweedscheel breed waren. Het water had hierendaar den steen van boven afgeslepen, dog had die uitwerking op de versteningen niet kunnen maken. Zy lagen boven op de rots, als of zy ’er op gelymd waren.De bergen op den oever waren ontzaglyk hoog en groot. Zy bestonden alleen uit enen harden grauwen rotssteen, die niet in beddingen, gelyk de kalksteen, lag. Een grauwe kwarts en een donkere glimsteen maakten ’er eigenlyk het voornaamste van uit. Daar zy aan den oever lagen kwam de rots tot aan het water, dog daar zy een weinig van denzelven verwyderd lagen kwamen de grauwe of zwarte kalksteensbeddingen het digst aan ’t Meer. Maar ik vond nergens dat grote grauwe rotsen deze bergen van kalksteen bedekten.DeZizania aquaticawies in de modder der beken, en stond in vollen bloei.Ziektens derWilden.De ziektens, die het meest onder deWildenheerschen, zyn rhumatismische pynen en borstontstekingen. Dezen worden vooral veroorzaakt door dien zy dikwyls gedwongen zyn des nagts in de bosschen en op vogtige plaatsen op den grond te slapen, en ook door de schielyke overgangen van het weder van hette in koude, waaraan de lugt hier zeer onderworpen is; ten dele daardoor dat zy zig dikwyls aan brandewyn bezuipen en zig dan nakend in de open lugt, zelfs in den winter in slegt weer te slapen leggen. DeFranschenzyn ook zeer aan deze ongemakken onderhevig, byzonder aan borstontstekingen. De Kommandant verhaalde[92]dat hy eens aan dit ongemak zeer slegt geweest, dog door den HeerSarrasinop de volgende wys ’er van genezen was. Hy begon met hem zweetdryvende middelen te geven, en liet hem een uur agt of tien zweten. Daarop opende hy hem enen ader, en liet hem op nieuws zweten. Daarna schreef hy hem ene nieuwe aderlating voor. DoctorSarrasinwas Koninglyke Geneesheer teQuebecen Korrespondent der Kon. Maatschappy der Wetenschappen teParys. Hy had grote inzigten zo wel in de oeffening der Geneeskunde, als in de Ontleedkunde en andere Wetenschappen. Ook was hy zeer aangenaam in den omgang. Hy stierf teQuebecaan ene kwaadaardige koorts, die daar door een schip was overgebragt, en van de welke hy besmet wierd by ’t bezoeken der Kranken in ’t Hospitaal. Hy liet enen zoon na, die ook de Geneeskonst beoeffende, en naarFrankrykgegaan was om ’er verder in te vorderen; dog hy overleed daar.Venuskwalen.Afgaande koortsen regeren hier ook somtyds. Ook heeft zig de Venusziekte hier te lande gevestigd. DeWildenzelven zyn ’er van besmet geraakt, zo dat ’er velen zyn die ze hebben. Zy weten ze egter ook in den grond te genezen. Men heeft verscheiden’ voorbeelden dat lieden, zo welFranschenalsAmerikanen, welken deze ziekte tot in ’t gebeente was doorgedrongen, door deWilden, binnen den tyd van vyf of zes weken, volkomen ’er van zyn genezen geworden. Dog deFranschenhebben niet kunnen uitvinden wat een middel zy gebruiken. Dit wist men dat zy geen kwikzilver, op enigerhande wys toebereid, gebruikten, en dat het voornaamste middel in wortelen bestond. Dog welke wortelen het waren konde men niet zeggen. Naderhand heb ik het ontdekt, en ’er breedvoerig aan de Kon.ZweedscheMaatschappy, in hare Verhandelingen van het jaar 1750. verslag van gedaan.74Lintwormen.De ongemakken die deLintworm75veroorzaakt zyn inEuropawel bekend. In deEngelscheVolkplantingen inNoord Amerikawas hy niet gemeen; dog hier inKanadawierden ’er enige menschen van gekweld. Men wist dezen worm hier zo wel te beschryven als of men de Verhandelingen derKon. ZweedscheMaatschappy gelezen had. Somtyds raken de menschen ’er kwyt die enige vademen lang zyn. Men kende gene byzondere middelen tegen dit ongemak, nog wist ’er de oorzaak van aantewyzen, dog men giste dat het van het gebruik van sommige vrugten kwam.Fort St. Frederic.Fort St. Frederic is ene Vesting aan het zuider eind van ’t MeerChamplaingelegen. Het staat op ene uitstekende landtong, geformeerd door het Meer en de Rivier, welke ontstaat uit de vereniging[93]derWoodcreeken het MeerSt. Sacrement. Deze Rivier is hier enen goeden musketschoot wyd. DeEngelschennoemen deze VestingCrownpoint. DenFranschennaam draagt zy naar denFranschenSekretaris van staatFrederic Maurepas, die toen zy werd aangelegd het voornaamste opzigt over de zeezaken inFrankrykhad; en daar de meeste plaatsen inKanadanaar Heiligen genoemd worden, zo heeft de gewoonte eenSaintvoor den naamFredericgevoegd. De Vesting legt op ene klip, bestaande, gelyk gezegd is, uit zwarten kalksteen of lei. Zy is een vierkant, heeft hoge en dikke muren, gemaakt van den gemelden steen, twee of drie snaphaanschoten van de plaats af gehouwen. Aan de oosterzyde in de Vesting is een hoge toren, die veilig is voor de bomben, hebbende zware muren, en zynde rondom van boven tot onder met geschut voorzien. Op dezen toren woont de Kommandant. In het Fort is een klein kerkje, en aan de andere zyde vindt men de woningen der Officieren en Soldaten. Naar den landkant leggen scherpe klippen, meer dan enenkanonschootver van ’t Fort. Dog enigen, die weinig wyken voor de hoogte der muren, leggen digt by de plaats. Het land hieromstreeks is goed; en voor den laatsten oorlog hadden zig hier veleFranschehuisgezinnen, vooral van ontslagene Soldaten, nedergezet. Dog de kryg dwong hen of dieper inKanadate wyken, of zig digt onder de Vesting neertezetten, en daar des nagts te gaan slapen. Thans kwamen ’er velen van terug, en men meende dat ’er hier zig met den herfst nog veertig of vyftig huisgezinnen zouden komen nederslaan, welken men landeryen zoude aanwyzen. Wat van de Vesting af, oostwaards, staat een windmolen, die van steen gebouwd en van dikke muren voorzien is, waar men het meeste meel dat in de plaats gebruikt wordt maalt. Deze molen is zo gemaakt dat hy enigermaten tot een buitenwerk dienen kan, want boven in den zelven leggen vier of vyf stukken kanon. In den laatsten oorlog lag hier een goed deel Soldaten, om het oog op de Rivier te houden, en te zien of ’er ookEngelschevaartuigen op dezelve in de verte verschenen, het geen men uit het Fort niet doen kan. En als men hier niet op zyne hoede was, kon de vyand met schuiten digt onder de westzyde der Vesting komen, uit de welke men ze niet zou kunnen ontdekken van wegen de hoogte des oevers. Dog men heeft enen groven misslag begaan met het Fort niet op de plaats te leggen daar nu de molen staat; behalven dat men daar het Fort, door middel ener vereniging der Rivier die van het MeerSt. Sacrementkomt en het MeerChamplain, in den lossen kalksteen uitgehouwen, met een lopend water had kunnen omringen, zodat het op het uiterste der landtong zou hebben komen te staan. Dus zoude men ’er altyd varsch water gehad, en het Fort zou niet zo digt by de hoge rotsen gelegen hebben.[94]Vertrek.Den 19. Juli waren wy, na enige dagen naar het Jagt, dat den gehelen zomer over tusschenFort St. JeanenFort St. Fredericheen en weder vaart, en na deszelfs aankomst op goeden wind gewagt te hebben, tot ons vertrek van hier gereed. Gedurende ons verblyf had ons de HeerLusignanmet allerhande beleefdheden als overladen. Ik had de eer al dien tyd aan zyne tafel te spyzen. Myn Bediende at met den zynen. Wy hadden buiten dat onze kamer en bed, en werden bediend. By ons vertrek voorzag ons die Heer met rykelyken voorraad tot aan hetFort St. Jean. In een woord, onze eigene Landslieden hadden ons gene grotere beleefdheden kunnen bewyzen dan die Heer en de overige Officieren gedaan hebben.Het MeerChamplain.Voor den middag om elf uur gingen wy op reis. De wind was goed. Aan beide de zyden van het Meer lagen hoge bergen, die als ene schakel uitmaakten, dog met dit onderscheid, gelyk ik al aangemerkt heb, dat aan de oostzyde tusschen het Meer en ’t gebergte een laag van met hout bewassen land gelegen is, ter langte van tusschen de twaalf of agttienEng.mylen. Agter dit gebergte behoort het land totNieuw Engeland. Dus maakten deze bergen ene grensscheiding uit. Aan de westzyde stieten de bergen vlak tegens het Meer. Het was in ’t eerst maar een uur breed, dog wierd daarna hoe langer hoe breder. Tot op een uur gaans van hetFort St. Fredericwas het land aan de oostzyde bewoond, dog verder louter bosch. Omtrent tienFranschemylen van de Vesting werd het Meer vier mylen breed. Hier en daar zag men Eilanden, en de Kapitein van ’t Jagt zeide dat ’er in dit Meer zestig Eilanden lagen, waaronder ’er enigen zeer groot waren. Ook verzekerde hy dat het zo diep was, dat men op de meeste plaatsen met ene lyn van honderd vademen genen grond peilen kon; en digt aan land, voornamelyk waar dwarslopende bergen leggen, vindt men dikwyls ruim tagtig vadem waters, zo dat ’er geen middel is om te ankeren. VeertienFranschemylen van het Fort lagen vier grote Eilanden in het Meer, dat daar zes mylen breed is. Den gantschen dag was het droevig weer, en de wolken, die zeer laag hingen, schenen tegens ’t gebergte aantestoten, en het als met enen nevel te hullen. Van verscheiden bergen steeg de nevel als een rook in de hoogte. Hier en daar wierp zig ene kleine Rivier in ’t Meer. Agter het gebergte aan de westzyde was het land, gelyk men my berigtte, enige mylen ver gantsch vlak en met hout bedekt, van vele stromen, beken, moerassen en kleine meren doorsneden, en zeer bekwaam om bewoond te worden. De oever was somtyds klipagtig, en bestond somtyds uit zand. Tegens den avond begonnen de bergen allengskens aftenemen. Het water was zeer helder, en wy bemerkten gene klippen of ondieptens. Des avonds laat ging de wind leggen, en wy wierpen het anker onder ’t land. Den 20. voeren wy des morgens met enen gunstigen[95]wind voort. De plaats daar wy overnagtten was ten halvenwegeFort St. Jean, van waar totFort St. Fredericmen eenenveertigFr.mylen te water rekent. Het gebergte was ons nu uit het gezigt, en het land was laag en boschryk. De oever bestond uit zand. Byna overal scheen het Meer eenZweedschemyl breed, dog het was inderdaad breder, en de Eilanden deden het smaller schynen.Hier en daar zag men aan den oeverWildenin schuiten van bast. Dog geen van hun woonde aan het Meer, en zy waren hier alleen om Steuren te vangen, waarvan ’er hier veel zyn. Wy zagen ze somwylen hoog uit het water springen. DezeAmerikanenleiden ene byzondere levenswys. Een gedeelte van het jaar leven zy voomamelyk van hunnen kleinen voorraad van Mais, bonen en kawoerden; om dezen tyd bestaan zy van visch zonder brood of iets anders; op enen anderen tyd wederom eten zy niets als wild. Desniettemin worden zy oud, zyn gezond, en kunnen meerder ongemakken uitstaan dan anderen. Zy zyn altyd vrolyk en vergenoegd; zingen en dansen geduriglyk: zo dat zy hunne levenswys voor die welke inEuropaals de beste geagt wordt niet zouden willen ruilen.Omtrent tienFr.mylen eer wy aanFort St. Jeankwamen, ontdekten wy huizen op den westelyken oever van het Meer, die kort voor den laatsten oorlog door deFranschenbewoond geweest waren. Thans waren zy sterk bezig met dezelven weder te gaan betrekken. Dit waren de eerste huizen die wy zagen sedert wy die byFort St. Fredericverlaten hadden.Houten Fort.Voor dezen was ’er ene houten Vesting op den oostelyken oever van het Meer geweest, waarvan men ons de legplaats aanwees. Zy was nu met hout bewassen. Zy had denFranschentegens de invallen derWildengediend. Men verzekerde ons dat veleFranschenin dezen oord door dezelven waren omgebragt. Ook verhaalde men ons dat men hier vier vrouwen tegens enen man onder deFranschenrekent, nadien alle jaren vele mans op hunne reizen, die zy ondernemen om met deWildenhandel te dryven, van dezelven vermoord worden.Wy zagen enen stenen windmolen op een uitstek lands aan den oostelyken oever staan. De oord was voor den kryg vanFranschenbewoond geweest, die nog niet teruggekomen waren. Wy waren nog agtFr.mylen vanFort St. Jean. DeEngelschenen hunneAmerikanenhadden hier de meeste huizen verbrand.Het Jagt dat ons voerde was het eerste dat men hier gebouwd had. Voor dezen bediende men zig maar van grote zogenaamdeBateauxomvoorraadte vervoeren. De Kapitein, die hier in ’t land geboren was, had het zelf gebouwd, de eerste den weg voor het Meer gevonden, en[96]de dieptens gemeten om met het zelve tusschenFort St. FredericenFort St. Jeante varen. Hier, over den molen, heeft men drie vadem waters. Dog naderhand, totFort St. Jean, wordt het wat ondieper. Hier en daar zagen wy huizen op den oever. De Kapitein hadOttervellenin de kajuit hangen, die volkomen naar deEuropischengeleken. Van deze Otters zoude men ’er velen inKanadavinden.De vellen vanZeehondenworden hier veel gebruikt om koffers te overtrekken. De mantelpakken waren ’er ook veel van gemaakt. Ook had ’er de gemene man tabaksbeurzen van. Van gedaante waren zy even gelyk aan die men inNoorwegenenZwedenvindt. Het gemene volk was hier gewoon op reis te roken, dog ik merkte niet dat hier iemant de gewoonte had van tabak te kauwen. Men vindt veel van deze Zeehonden in den Zeeboezem benedenQuebec, die, even als deZweedschen, met grauwe en zwarte vlakken gespikkeld zyn. Zy gaan de RivierSt. Laurencezo hoog op als het water zout is. Men heeft ze op geen der grote Meren hier inKanadabespeurd. DeFranschennoemen zeZeewolven.76Ongodsdienstigheid derEngelschenenHollanders.DeFranschenzyn in hunne Volkplanteryen veel gezetter op den uiterlyken Godsdienst dan deEngelschenenHollanders. Op de Jagten der twee laatst genoemde volken had men de gewoonte niet van ’s morgens of ’s avonds bedestonden te houden. Zelden of noit bad men over tafel. Dog op ditFranscheJagt wierd ’s morgens en ’s avonds gebeden, en des zondags meer dan naar gewoonte. Voor en na den maaltyd maakten zy het kruis en deden een kort gebed. De Kapitein deed alle ogtenden zyn gebed op de knien leggende. InFort St. Frederickwam ook de gantsche Bezetting ’s morgens en ’s avonds tot het gebed. Dog het was jammer dat de gebeden in ’tLatyngedaan werden, het geen weinigen verstonden.Zodra wy den molen voorby waren wierd het Meer zo smal dat het niet veel boven een musketschoot breed was. Dus geleek het veel eer naar ene rivier. Het land was aan weerskanten laag en met bomen bewassen die hun blad ’s winters laten vallen. Hier en daar zagen wy ene hut op den oever, anders was het land onbewoond. Men had hier niet boven de zes of tien voet diepte; en hier en daar vertoonde zig een Eilandtje. Gedurende onze gehele reis lag het Meer altyd zuidzuidwest en noordnoordoost.Op sommige plaatsen vanKanadazyn grote streken lands die byzondere personen toekomen. Wanneer dan iemant de vryheid krygt van een stuk van het zelve te bebouwen, dat gemeenlyk veertigarpentslang, en drie breed is, is hy verpligt, wanneer hy enigsins in staat is, den eigenaar ene zekere som77jaarlyks te betalen.[97]Het Meer wierd nu zo ondiep dat men genoodzaakt was van met takken den weg voor ’t Jagt te peilen. Op sommige plaatsen egter had men twee vadem waters.Des avonds by het ondergaan der zonne kwamen wy byFort St. Jeanaan.Fort St. Jean.Fort St. Jean is ene sterkte van hout, door deFranschenin het jaar 1743. aan de west zyde van den mond van het MeerChamplaindigt aan ’t water gebouwd, met inzigt om het omleggende land, dat men bevolken wilde, te dekken, en om tot een magazyn te dienen voor den voorraad en de krygsgereedschappen, die jaarlyks vanMontrealnaarFort St. Fredericgezonden worden, welken men van hier gemakkelyk naar de laatst genoemde plaats zenden kan, het welk men meer naar om laag niet doen kan, dewyl een paar snaphaanschoten lager als dit Fort ene ondiepte is vol met stenen, waar men niet dan met zo genaamdeBateauxover komen kan. Voorheen was hetFortChamblan, dat vierFr.mylen lager legt, een magazyn. Dog men moest van daar het goed met schuiten naar de Jagten op de plaats daar nu dit Fort staat voeren, behalven dat de weg vanMontrealnaarFort Chamblanover land, en langer was.Fort St. Jeanlegt laag, op enen zandigen en rondom vlakken grond, meest met hout bewassen. De Vesting is een vierkant en beslaat eenarpentgronds. Beneden tegens het Meer staat een hoog houten gebouw op elken hoek, van vier verdiepingen, hebbende enen grondslag van steen ter hoogte van anderhalven vadem. In deze gebouwen, die veelhoekig zyn, ziet men schietgaten. Op de twee andere hoeken aan de landzyde staan twee kleine houten huizen van twee verdiepingen hoog. Zy dienen tot woningen voor de Soldaten en tot versterking der plaats. Tusschen deze gebouwen staan palissades, gemaakt van ’t hout derThuya, het welk hier gehouden wordt der verrotting in de aarde langer te wederstaan dan het dennenhout. Wat meer beneden staan dubbelde palissades. Agter de palissades heeft men voor de Soldaten ene borstwering gemaakt, waarvan zy dezelven verdedigen konnen. Op het einde van den oorlog in het voorleden jaar lagen hier tweehonderd mannen in bezetting. Dog nu zyn ’er maar een Kommandant, een Kommies, een Bakker en zes Soldaten. De Kommandant was de RidderDe Gannes, een aangenaam man, en zwager van den HeerLusignan. Het land rondom de Vesting was vet en vrugtbaar, dog niet bebouwd. Men zogt menschen om zig hier neder te zetten.Marengoins.DeFranscheninKanadageven den naam vanMarengoinsaan de Muggen, enen naam die men wil dat van deWildenontleend is. Van dit ongedierte waren de bosschen rondom het Fort zo vol, dat men het met regt hetFort der Marengoinszou hebben mogen noemen. De moerassen en lage boschryke landen zyn haar vaderland. Als het hout gekapt[98]en het water afgeleid werd, zouden zy hier zo wel als op andere plaatsen verminderen.Ratelslangen.De Ratelslang is, volgens het eenparig berigt derFranschen, hier, nog verder noordwaards, byQuebecofMontreal, niet te vinden, en het gebergte omFort St. Fredericis hare uiterste grenspaal aan dezen kant. Ook zegt men, dat ’er meer noordwaards aan gene Slangen zyn wier vergift den menschen schadelyk zyn konne; ook vlugten zy op het gezigt van een mensch. Myne overige aanmerkingen over de Ratelslangen kan men vinden inde Verhandelingen der Kon. Zweedsche Maatschappy der Wetenschappenvoor het jaar 1752.Den 22. Juli kwamen hier paarden aan vanPrairieom ons aftehalen, welken de Kommandant op myn verzoek had doen komen, dewyl ’er hier geen te vinden waren, want de plaats was nog maar een jaar aangelegd geweest. De menschen die de paarden bragten hadden brieven aan den Kommandant by zig, zo wel van den Gouverneur Generaal vanKanada, denMarquis LaGalissonière, geschreven teQuebecden 15. Juli, als van den Vice Gouverneur teMontreal, denBaron De Longueuil, van den 21. van die maand; waarin gemeld wierd, dat ik hun byzonderlyk van hetFranscheHof was aanbevolen, en dat men my van alle noodwendigheden voorzien en ten spoedigsten myne reis bevorderen moest. Twee ankers wyns en enige andere dingen, welke men dagt dat ik van doen hebben zoude, wierden den Kommandanttoegeschikt. Des avonds dronken wy onder ’t lossen van het geschut de gezondheden der Koningen vanFrankryken vanZweden, zo wel als van den Gouverneur en anderen.Vertrek.Den 23 des morgens gingen wy op reis naarPrairie, om verders naarMontrealte komen. Men rekende van hier tot aanPrairiezesFr.mylen te land, en van daar totMontreallangs de RivierSt. Laurencederde half uur. Wy hielden ons in ’t begin aan den oever, hebbende ter regterhand de RivierSt. Jean. Dus noemt men den mond van het MeerChamplain, dat in de Rivier St. Laurence valt, schoon die van sommigen ook deChamplain Riviergeheten wordt. Na eneFr.myl ver gereden te hebben verlieten wy de Rivier, en sloegen links af. Het land was hier overal laag, met hout bewassen, en vry nat, zo dat wy langzaam voort kwamen. Men moet aanmerken datFort St. Jeanin den verleden’ zomer eerst gebouwd en toen deze weg gebaand is. Tweehonderdenzestig man, die elk daags dertigSolskregen, werkten ’er toen op ’s Konings kosten aan; en men zeide dat de arbeid dezen herfst verder voortgezet zou worden. De laagheid van het land bragt vele Muggen en Vliegen voort. Na dat wy drieFr.mylen gereden hadden wierd het land vry van hout. Het scheen voorheen een moeras geweest te zyn, dat nu opgedroogd was. Het gezigt was hier aan alle kanten vry ruim. Aan de regterhand zagen wy van verre twee hoge bergen, die zig de een voor den ander vertoonden,[99]en niet ver vanFort Champlainaf lagen. Ook kon men den hogen berg, die vlak byMontreallegt ontdekken. De weg liep byna lynregt. Wy kwamen weder op een laag drassig land, daarna in een bosch, bestaande voomamelyk uitPynbomen met van onder verzilverde bladen.78Het land daar wy door trokken was vet, en kan met den tyd zeer vrugtbaar worden. Rotsen zag men niet, en zelfs byna gene stenen langs den weg.Verder, ongevaar vierFr.mylen vanFort St. Jean, bekwam het land een ander aanzien. Het was hier overal bewoond. Wy zagen byna niets dan fraye wyd uitgestrekte akkers, staande met de schoonste weit; hier en daar stonden ook erwten en haver. Ander graan vernamen wy niet. De Landhoeven stonden op zig zelven. De huizen waren klein en van hout. In plaats van mos, die men hier niet vond, maakte men de reten digt met klei. De daken waren spits en met stro gedekt. De oord tot aan de RivierSt. Laurencetoe was in myn oog een van de schoonste die ik inNoord Amerikagezien heb.Prairie.Omtrent den middag kwamen wy tePrairieaan, leggende op ene hoogte aan de RivierSt. Laurence. Wy bleven hier dezen dag, vermits ik begerig was het land rondom te bezigtigen.Prairie de la Magdeleneis een klein vlek, gelegen aan den oostelyken oever der RivierSt. Laurence, derdehalveFr.myl vanMontreal, dat men hier duidelyk noordwestwaards aan de overzyde der Rivier zien kon. Het land rondomPrairieis vlak. Van alle kanten ziet men grote akkers en weilanden. DeSt. Laurenceis hier ruim anderhalveFr.myl breed. De huizen zyn hier meest van hout, met spitse houten daken, en de voegen in de wanden zyn met klei aangevuld. In ’t midden van het vlek staat een frai stenen kerkje, met enen toren en ene klok. Voor de kerkdeur is een houten kruis, met alle de werktuigen die men denkt dat tot het lyden van den Zaligmaker gediend hebben. Het vlek was met palissades omringd, voorheen tegens de stroperyen derWildendaar gesteld. Buiten de palissades zyn verscheiden moes- en andere tuinen, dog weinig vrugtbomen daar in. De oevers waren hier niet zeer hoog. Hier onthield zig een Priester en een Kapitein, dien menKommandantnoemde. De koornlanden waren groot, dog men zag ’er gene rog, gerst of mais. In deSt. Laurenceis zuidwestwaards van hier een zware waterval, welken men hier gemakkelyk kan horen. Als in ’t voorjaar het ys los gaat lopen dikwyls verscheiden’ landeryen onder. En, in plaats dat deNyldoor zyne overstromingen het land vrugtbaar maakt, doen hier deze overstromingen[100]niets dan schade; want zy brengen allerhande gewassen op het land, welker zaden het vol van onkruid maken. Op dien tyd moet het vee ver weg gedreven worden. Dog het water blyft maar twee of drie dagen staan. Deze overstromingen ontstaan voornamelyk door het verstoppen der Rivier door ’t ys.DeZizania aquaticawast veel in een beekje, dat een weinig benedenPrairieloopt.Voortreis.Den 24. Juli stapten wy in eenbateauom langs deSt. LaurencenaarMontrealte varen. Wy lieten ons met den stroom dwars over naar beneden dryven. Het water stroomde sterk, dog het is hier niet diep, zo dat de Jagten niet hoger dan totMontrealkomen kunnen, uitgenomen in ’t voorjaar, wanneer zy dikwyls tot bovenPrairiekunnen opvaren. VanPrairieaf ziet men de StadMontrealzeer duidelyk leggen. By onze aankomst aldaar zagen wy veel volks aan de poort staan, welk nieuwsgierig wasZwedente zien, een volk daar zy van te voren niets van gehoord, dog die zy nu verstaan hadden dat verwagt wierden. Ook waren wy de eersteZwedendie men wist dat oit teMontrealzig vertoond hadden. Zodra wy aan land traden kwam my een Officier verzoeken aan het huis van den Gouverneur te komen. De BaronDe Longueuilwas nog Vice-Gouverneur, dog hy wagtte dagelyks zyne verdere aanstelling uitFrankryk. Hy ontving my met de grootste beleefdheid, en toonde my brieven van den Gouverneur Generaal, waarin hy berigtte last te hebben my in alles vry te houden, en op kosten des Konings vanFrankrykhier te lande te doen reizen. In een woord, ik ontving hier nu, en na myne terugkomst vanQuebec, grotere gunstbewyzen dan ik zou hebben kunnen verwagten.Levenswys.De levenswys derFranscheninAmerikais van die derEngelschenin dat werelddeel even zo zeer verschillend als zy inEuropais. De vrouwen waren hier zeer wel gemaakt. Zy waren wel opgebragt, en betoonden ene grote onschuldige vryheid. Des zondags waren zy zeer opgeschikt, byna gelyk onzeZweedschevrouwen, dog in de week niet zo zeer. Maar zy waren ’er altyd zeer opgezet van wel gekapt te zyn. In de week dragen zy een aardig net jakje, en enen korten rok, die halfwegen de benen komt, als wilden zy daarin deAmerikaanschevrouwlieden navolgen. De hakken der schoenen waren zo hoog en smal, dat men zig verwonderen moet dat zy ’er mede gaan kunnen. In de huishouding overtroffen zy verre deEngelschevrouwen, die, om de waarheid te zeggen, het zo ver gebragt hadden van al den last van ’t huishouden op de mans te werpen, en den gantschen dag met de handen over malkander ledig doorbrengen.79[101]Dog deKanadaschevrouwen steken de handen beter uit de mouw, vooral de gemenen, die zig overal op de akkers, in de stallen, en elders laten zien daar te werken valt. Dog zy schynen niet al te zindelyk op het huisraad en de vertrekken. De vloer werd hier dikwyls niet eens in een geheel jaar schoon gemaakt. Dus kwam het zulken die onlangs onder deEngelschenenHollandersverkeerd hadden, by de welken het schrobben en wasschen een stuk is van geen minder gewigt dan de Godsdienst zelf, hier vry morssig voor. Om egter het stuiven te beletten begoot men den vloer met water zo dikwyls als de stof begon te vliegen. Ik zag hier met genoegen dat de dogters zelfs van de eerste lieden, die van den Gouverneur niet uitgenomen, zig eenvouwdig kleedden, en overal ter bezorging van het huishouden door het huis, byna als meiden, liepen. Het gedurig groeten op de straten, en het wedergeven van bezoeken, was ene lastige gewoonte, die hier aangenomen was.Enigen, die met deWilden, welken omtrent vyftigFr.mylen van deHudsonsbayafwonen, op de Beverjagt geweest waren, verhaalden my, dat de dieren, om wier huid het inzonderheid te doen is, en die men daar menigvuldig vindt, zyn, Bevers, wilde Katten of Lynxen, en Marters. Men houdt de vellen der dieren voor des te beter hoe noordelyker zy gevangen worden, dewyl die digter hair hebben dan zulken die men meer naar ’t zuiden vindt.Witte Patryzen.Een soort vogels, die men ’s winters in grote menigte digt by deHudsonsbayvindt, worden van deFranschenWitte Patryzengenoemd. Zonder twyffel is dit de zelve Vogel dien men inZwedenSneuwhoenders80heet. Hoe kouder het is en ’er meer sneuw valt des te overvloediger zyn ze. Men beschreef ze als hebbende ruige witte poten, zynde geheel wit, behalven drie of vier zwarte staartvederen. Het vleesch zou wel smakend zyn. UitEdward’sNatuurlyke Historie der Vogels81blykt het dat de Sneuwhoenders aan deHudsonsbayzeer gemeen zyn.Hazen.Aan deHudsonsbayzyn ook veleHazen. Men vindt ’er ook veel inKanada, waar ik ze dikwyls zelf gezien heb. Zy zyn volkomen als de onzen. Des zomers zyn zy grauwbruin, en ’s winters sneuwwit gelyk als inZweden.[102]Konsten.Met de konsten, als Bouwkonst, Ticchelbakkeryen, Schrynwerkers- en Drayerskonst, en diergelyken, is men hier nog zo ver niet gekomen als wel behoorde. DeEngelschenzyn hierin denFranschenveel voor. Waarschynlyk komt dit daarvan daan dat inKanadade meeste Werklieden maar afgedankte Soldaten zyn, die niet veel gelegenheid gehad hebben te leren, dog door de noodzakelykheid of by toeval alleen tot hun ambagt gebragt zyn. Enigen waren ’er egter aantetreffen die tamelyk kundig waren. Ik zag ’er enen die vry goede uurwyzers maakte, en die konst zig zelven geleerd had.Vliegen.Men heeft my verhaald dat de gemeneHuisvliegenvoor honderdvyftig jaren hier niet bekend geweest zyn. DeWildenbevestigden het zelve, en zyn van gedagte dat de Huisvliegen met de schepen die gestrand zyn hier zyn gekomen. Ik wil dit niet ontkennen; dog dit weet ik dat wy tusschenSaratogaenCrownpointin de wildernissen altyd ene menigte van die vliegen om ons hadden, als wy gingen zitten om uitterusten of te eten; en dit maakt het wat twyffelagtig of zy hier niet al veel vroeger geweest en of zy wel uitEuropahier eerst gebragt zyn. ’T is waar, men zou kunnen zeggen dat die Vliegen sedert den tyd dat hetFort Annehier stond in die woestenyen zyn overgebleven, toen deEngelschenzig daar ophielden, en dat verscheiden Reizigers door den reuk van hunnen medegevoerden voorraad de vliegen hebben kunnen met zig naar de wildernissen lokken.Wilde Koeyen.WildRundveetreft men overvloedig in de zuiderdelen vanKanadaaan, en het heeft zig daar reeds van aloude tyden opgehouden. In het Land derIllinoizen, leggende omtrent op de zelve breedte alsPhiladelphia, is ’er zeer veel van. Verder noordwaards vindt men ’er weinig. Ik zag ene huid van dit vee. Zy was zo groot als die van enen onzer zwaarste Ossen, dog hairiger. De hairen waren donkerbruin, omtrent als die van enen bruinen Beer. Dog die welken het digst aan ’t vel zaten waren zo fyn als wol. Dit vel was niet zeer dik, en zou inFrankrykniet zo hoog als een Berenvel geschat worden. Onder anderen gebruikt men deze vellen om des winters de voeten in te warmen. Velen van deze wilde Koeyen hebben ene fyne wol, welke voor de Schapenwol niet wykt, zo zy die niet overtreft. Men heeft ’er koussen, klederen, handschoenen en andere dingen van gemaakt, zo goed als of zy van de beste wol waren. DeWildenmaken ’er voor zig allerhande dingen van. Het vleesch wykt niet voor dat der beste Ossen. De huid kan dienen tot alles waar men inEuropade ossenhuiden toe gebruikt. Men wil dat deze wilde beesten zwaarder zyn dan deEuropischen. Hunne hoornen zyn wel kort, dog dik aan den wortel. Enigen hebben al getragt om deze beesten mak te maken, uit hoofde van verscheiden overeenkomsten die ze mee het tamme vee hebben, vooral om dat zy zo veel[103]sterker zyn, en dus zeer nuttig voor den landbouw zouden kunnen wezen. Zy hadden ten dien einde van deze wilde kalveren onder het tamme vee laten lopen en groot worden. Dezen hebben een jaar of drie geleefd, dog zyn eindelyk gestorven. Ook zyn zy altyd enigsins wild gebleven. Zodat men de konst van ze regt tam te maken niet gevonden heeft. Ook schenen zy niet wel tegens de koude te kunnen. En inderdaad, hoe heet ook de zomers daar mogen zyn, vindt men ze zelden meer noordwaards aan dan ik gezegd heb. Men dagt dat het met den tyd, als het Land derIllinoizenwat meer bevolkt wezen zal, het ligter zal vallen ze te temmen.82Ik heb reeds kortelyk hier boven van dit soort van Rundvee gesproken.De Vrede afgekondigd.Den 27. Juli werd hier de Vrede tusschenFrankrykenEngelandafgekondigd. De Soldaten waren onder de wapenen; men loste het geschut en ’t klein geweer. Enige vuurwerken wierden ’er afgestoken, en des avonds was de gehele Stad verligt. Tot diep in den nagt krielden de straten van menschen. Ik spysde des avonds met vele Officiers en andere lieden van aanzien by den Gouverneur.EilandMagdalene.Den 28. begeleidde ik den Gouverneur en zyn Huisgezin naar een klein Eiland,Magdalenegenoemd, en hem alleen toebehorende. Het lag vlak over de Stad in deSt. Laurenceaan den oostelyken oever. De Gouverneur had hier een net dog klein huis, en enen schonen tuin. De Rivier loopt tusschen de Stad en het Eiland door, en stroomt daar vry sterk. Digt aan de Stad is zy zo diep dat ’er Jagten door konnen dog by het Eiland wordt zy ondieper, zo dat men daar bomen moet. Op het Eiland stond een molen, die door den stroom der Rivier werd omgedreven, zonder dat men ’er enen molendam had behoeven te maken.Geboomte.DeRhus glabrawast hier overvloedig. Nergens heb ik ze zo zwaar gezien. Sommigen waren tot vier vadem hoog, en dik naar evenredigheid.DeSassafrasis hier geplant, dog worde hier niet in ’t wild gevonden, maar wel meer Zuidwaards.Fort Annewas de noordlykste plaats daar deze boom in ’t wild voortkomt. Die genen welken hier stonden waren al verscheiden jaren oud, dog nog maar heesters, pas anderhalve el hoog. Dit komt daarvandaan dat by elken winter de boom tot aan den wortel toe bevriest, en ieder voorjaar nieuwe scheuten maken moet. Even zo was het ook byFort Anne,FortNicholson,[104]enOswego. Het zal dan vergeefsche moeite gedaan zyn dezen boom onder ene koude lugtstreek te planten.DeRode Moerbezienhad men hier ook geplant. Ik zag ’er enigen van die derdenhalven vadem hoog waren. Dezen hadden ’er omtrent twintig jaren gestaan, en men had ze uit zuidelyker plaatsen hier gebragt. OmMontrealwassen zy niet in ’t wild. Meer als twintigEng.mylen ten noorden vanAlbanyvindt men ze niet, waar de Boeren zeiden dat ’er nog enige weinigen in de bosschen groeiden. Ik vernam bySaratogaof men ’er daar nog vond, dog het antwoord was van neen. Die bomen welken op het Eiland stonden kwamen zeer wel voort, schoon zy enen slegten grond hadden. Zy droegen een zwaar blad, dog dit jaar gene vrugten. Ik vernam egter dat zy ene vry sterke koude konden doorstaan.DeWaterbeukenwaren hier ook geplant en hoog geworden. DeFranschennoemen dezen boomKatoenboom.83Men vond hem nergens in ’t wild aan deSt. Laurence, nog noordelyker danFort St. Frederic.DeRode Cederstond ook in den tuin des Gouverneurs. Hy was hier ook van elders gebragt, en wast in deze streek niet in ’t wild.Om half zeven vertrokken wy van dit aangename Eiland naar huis, en kregen daar de tyding van de aankomst van den Zoon des Gouverneurs, die zig een jaar inFrankrykhad opgehouden, en die de aanstelling des Konings voor zynen Vader als Gouverneur medebragt.Men gebruikt hier wayers gemaakt van wilde Kalkoenenstaarten, welken men zodra de vogel geschoten is uitspreidt en zo droogt, zo dat zy altyd de gedaante van wayers behouden. Zo wel de aanzienlykste Heren als de Vrouwen hadden by zonneschyn zulke wayers in de hand als zy uit wandelen gingen.Gras.Het gras omstreeks vanMontrealbestond byna geheel uit een soort vanPoa.84Het is fyn, staat digt, en tiert wel op droge hoogtens. Dog het heeft weinig bladeren, zodat de fyne steel het meeste voedsel uitmaken moet. Wy hebben vele soorten van gras die voordeliger zyn.Pruimen.De wildePruimenbomenwiessen in menigte op de hoogtens langs de beken buiten de Stad. Zy zaten zo vol pruimen dat ’er de takken van bogen. De pruimen waren egter nog niet ryp. Zy zyn rood en vry goed. Enigen maken ze in.Aalbessen.Men zag vele zwarteAalbessenin ’t wild wassen. De bessen waren[105]Peen.ryp, dog klein, en niet zeer smakelyk.Peengroeiden ’er overal in menigte. Dit deed my denken dat dit gewas oorspronglyk aanAmerikaeigen was, dog naderhand ben ik van gedagte veranderd, dewyl ik ’er genen in het Land derIroquoizengevonden heb. Ook zoude men ze hier te lande te vergeefs zoeken dan op plaatsen waarEuropischeplanteryen geweest zyn.De Gouverneur.DeGouverneur GeneraalvanKanadahoudt zyn verblyf teQuebec, dog hy komt dikwyls teMontreal, en brengt ’er niet zelden den winter door. Maar des zomers is hy meest teQuebec, vermits daar dan de schepen aankomen die brieven medebrengen. Ook heeft hy ’er andere bezigheden. Als hy teMontrealis woont hy op het zo genaamdeSlot, het welk een groot stenen huis is. Het is ten behoeven van den Gouverneur GeneraalVaudreuilgebouwd, en hoort nog zyner familie toe, die het den Koning voor eene zekere som verhuurt. De GeneraalDe la Galissonièrehoudt meer vanMontrealals vanQuebec; ook legt de eerste plaats veel aangenamer.Geld.Men heeft inKanadabyna geen ander geld dan papier. Ik zag byna geen andere munt dan enige kleineFransche Sols, uit koper met een weinig zilver vermengd gemaakt. Zulk een stuk geldt hier anderhalveSol. De Briefjes waren niet gedrukt maar geschreven. Zie hier hunnen oorsprong. De Koning had gevonden, dat het, wegens kapers, schipbreuken en andere ongelukken op zee, gevaarlyk was geld ter betaling der troepen en andersins overtezenden, en had derhalven last gegeven dat de Gouverneur vanQuebecof de Kommissaris teMontreal, wanneer ’er betalingen moesten geschieden, een zeker getal van Briefjes schryven zou naar dat de som groot was. Deze Briefjes behelsden dat zy voor zo en zo veel tot de maand van October aanstaande gelden zouden. De Intendant of de Kommissaris ondertekent deze Briefjes. Zy gaan dan voor geld. In October staat het den houderen vry dezelven den Intendant teQuebecof den Kommissaris teMontrealte brengen, en ’er wisselbrieven opFrankrykvoor te nemen. De Koninglyke schatkist inFrankrykvoldoet dan deze wisselbrieven. Heeft men geen geld dit jaar inFrankrykvan doen zo kan men zyn Briefje tot den volgenden October bewaren. In October alleen kan men ze voor wisselbrieven verruilen. Zy zyn van verscheiden’ sommen, gelyk onze Bankbriefjes inZweden. Sommigen zyn van nog minder dan eneLivre. Tegen den herfst, als de koopvaardyschepen uitFrankrykaankomen, zoeken de Kooplieden zo veel van deze Briefjes byeentekrygen als ze kunnen, om ze voor wisselbrieven opFrankrykte verruilen. Deze Wissels zyn ten dele gedrukt, met openlating van den naam, de som, en diergelyken. Daar deze Briefjes allen geschreven zyn kunnen zy ligt door schelmen worden nagemaakt, het welk ook somtyds geschiedt. Dog de straffen, die hierop[106]staan, en niet zelden des misdadigers leven in gevaar stellen, maken dit zeldzaam. By gebrek van lopend geld verliezen de kopers of verkopers dikwyls een weinig, dewyl men tusschen een en tweelivresniet betalen kan, en dus moet de een of de ander iets laten vallen. EenSolis de laagste munt inKanada, en omtrent zo veel als eenPennyin deEngelscheVolkplantingen. EneLivre, of eenFranchoudt twintigSols, en drieLivresmaken eenEcu.

Verbastering der menschen inKanada.Men was van gedagte dat deFranschen, die inEuropageboren en naarKanadawaren overgekomen, daar gemeenlyk gezonder waren dan in hun vaderland, en ouder wierden dan die inAmerikageboren waren. Ook hield men het daar voor, dat de EuropischeFranschensterker waren in het werken en ’t verdragen van ongemakken als de hier geborenen. De afgaande koortsen, welken deEuropersinPensylvanieaankomende gemeenlyk krygen, wil men dat hier onbekend zyn, en men zou hier terstonds zo gezond zyn als naderhand, wanneer men aan de lugtstreek gewend is. DeEngelschenhebben dikwyls opgemerkt dat de inAmerikageboreneEuropeanenniet zo wel de ongemakken der zeevaart uithouden, of de lugt vanZuid Amerikaverdragen kunnen, als zy die inEuropageboren zyn. Dit zou ook by deFranscheninKanadaeven eens wezen. Als deKanadiersnaarMartinique,Domingoen andere Eilanden vanAmerika, gaan, worden zy na een kort verblyf altyd ziek en sterven. Die genen die in die gewesten ziek worden komen ’er zelden door, ten zy zy weder naarKanadagaan. Integendeel kunnen zy die regelregt uitFrankryknaar deWest Indien[82]overkomen de lugt daar veel beter verdragen, en worden ’er oud. Dit bekragtigden my vele lieden inKanada.Een man door deWildenvermoord.Den 3. Juli, terwyl wy het middagmaal namen, hoorden wy enige malen agtereen een geweldig en naar geschreuw op de Rivier op enigen afstand van het Fort. De Kommandant zeide terstond dat dit geschreuw hem kwalyk behaagde, dewyl hy uit het zelve opmaakte dat deWilden, die uit geweest waren om zig op deEngelschente wreken, in hun oogmerk geslaagd waren, en dat hun geschreuw te kennen gaf dat zy enenEngelschmanvermoord hadden. Zodra ik aan het venster kwam zag ik ene schuit met enen langen stok op den voorsteven, waaraan het bovenste van een bebloed hoofd hing. By hunne aankomst aan land hoorden wy dat deWilden, die zes in getal waren, hunnen togt van de plaats daar wy gezien hadden dat zy hadden overnagt tot binnen de grenzen derEngelschenvoortgezet, daar enen man, met zyn jongetje op een akker met mayen bezig gevonden, hem stilletjes bekropen, en onverwagt op de plaats met enen kogel dood geschoten hadden. Dit was geschied niet ver van het dorp daar twee jaar geleden de Broeder van enen dezer moordenaren, ten oorlog tegens deEngelschenuitgetogen, gedood was. Zy sneden, volgens hunne gewoonte, den doden den hoofdschedel af, dien zy nevens de klederen en het kind van den verslagenen, een jongetje van negen jaren, medenamen, en zo naarKanadaterug keerden. Zodra zy omtrent het Fort gekomen waren hingen zy het hoofd aan enen stok voor op den steven, en schreuwden den gantschen weg langs, tot eenHunne kleding.teken dat zy den zegen behaald en hun oogmerk bereikt hadden. Zy waren, volgens hun gebruik, alleen met een hembd gekleed; dog van den vermoordenEngelschmanhad de een den rok, de ander zyne koussen aan, de derde zynen hoed op, en zo verders. Het aangezigt hadden zy zig byna geheel met vermilioen beschilderd, waarmede ook hunne hembden op de schouders bestreken waren. In de oren droegen de meesten zeer grote ringen, die hun zeer hinderlyk schenen te moeten zyn, dewyl zy gedwongen waren die vast te houden als zy springen of enige andere sterke beweging maken wilden. Enigen hadden gordels van de vellen van Ratelslangen met de ratels ’er aan om ’t lyf. Het jongetje van den verslagenen had niets anders dan een hembd en koussen aan, en ene muts op ’t hoofd. Zy hadden zyn hembd ook op de schouders rood gemaakt. By ’t uittreden uit de schuit hadden zy den stok daar ’t hoofd op stak in de hand, en gingen ’er aldansendeen zingende mede langs den oever. Hun inzigt met het jongetje was hem naar hun verblyfplaats te brengen, daar optevoeden, in de plaats des verslagenen Broeders aantenemen, en aan ene van hunne nabestaanden uittehuwelyken, en zig dus met hem te vermaagschappen. Schoon zy nu deze vyandelykheid in vredenstyd begaan hadden, regelregt tegens[83]het verbod van den Gouverneur vanMontrealaan, en in weerwil van den raad van den Kommandant alhier, konde hy egter niet af van hun eten en andere noodwendigheden voor de reis te geven, dewyl hy hen niet dorst te verbitteren. Maar toen zy teMontrealgekomen waren deed de Gouverneur ze niet alleen kastyden, maar nam hun ook het kind af, en zond het zyner Moeder weder t’huis. De HeerLusignanvroeg hun wat zy my en mynen Reisgezellen zouden gedaan hebben indien wy in hunne handen gevallen waren, en zy antwoordden dat hun inzigt voornamelyk geweest was zig op die van het dorp te wreken daar hun Broeder omgekomen was, en dat zy derhalven ons misschien wel onbeledigd zouden gelaten hebben, egter zou dit veel hebben afgehangen van de gemoedsgesteldheid in de welke zy op dien tyd waren als zy ons aantroffen.Een Geraamte gevonden.Enige jaren geleden had men in het Land derIllinoizeneen geraamte gevonden van een verbazend groot dier. Een van de Officieren der Bezetting verzekerde my dat hy het gezien had. DeAmerikanenhadden het in een moeras ontdekt. Zy stonden op het eerste gezigt zeer verbysterd, en, gevraagd zynde waar voor zy het hielden, zeiden zy,voor het geraamte van den Voorvader of het Opperhoofd van alle de Bevers. Het was buitenmate groot, en had dikke en ene halve el lange sneuwwitte tanden. Men hield het voor het geraamte van enen Elefant. De Officier, die het gezien had, verzekerde dat men nog het beloop van den snuit duidelyk had kunnen onderkennen, schoon die reeds tot stof vergaan was. Hy wist niet dat men ’er enige beenderen van weggenomen had, maar hy dagt dat alles was blyven leggen. Ik hoorde sedert op sommige plaatsen vanKanadavan dit geraamte spreken.62Beren.DeBerenzyn hieromstreeks menigvuldig. By de Vesting hield men er enen die drie maanden oud was. Hy was van de zelve gedaante en den zelven aard als onzeEuropischegemene Beren, uitgenomen alleen dat zyn’ oren langer en zyn’ hairen styver schenen te zyn. Zyn’ kleur was zwartbruin. Hy speelde met enen hond. Van de vellen dezer Beren gaat jaarlyks ene menigte naarFrankryk. DeWildenmaken ene olie van het Berenvet, waarmede zy des zomers het gezigt, de handen, en alle de ongedekte plaatsen des lichaams tegens het byten der Muggen besmeren. Behalven dit, bestryken zy zig zeer dikwyls met deze olie, wanneer zy of koude gevat, of zig zeer vermoeid of gekneusd hebben, en in andere gevallen meer. Zy denken dat dit smeren het vel zagt en buigzaam maakt, en veel tot het bereiken van enen hogen ouderdom toebrengt.[84]Paardenbloemen.De gemenePaardenbloem63wies hier veel op de weiden en langs de wegen, en stond nu in bloei. In ’t voorjaar als de bladen beginnen uittekomen, en zo groot worden dat men de plant kennen kan, graven deFranschende wortelen op, wasschen ze af, snyden ze door, en eten ze als salade. Zy smaken wat bitter. Men heeft hier de gewoonte niet van de bladen te eten.Afgedankte Soldaten.De Soldaten, die met den vrede afgedankt waren, hadden reeds op de hun aangewezene landen, die rondom het Fort lagen, huizen gezet. Dog de meesten dezer huizen waren niet meer dan hutten, en gelyk aan de armelykste woningen by ons; maar het volk had het tamelyk wel, en at goed weitenbrood. De huizen waren van planken, stonden loodregt en vlak by malkander. Men had de reten met klei toegesmeerd. De vloer was van klei of van zwarten kalksteen. Van dien steen waren ook de haarden, uitgenomen dat de plaats voor het vuur geschikt van uitgezogte grauwe zandstenen, grotelyks uit kwarts bestaande, gemaakt was. Op sommige plaatsen had men evenwel hier den zwarten kalksteen toe genomen. Men verzekerde dat deze steen wel tegens het vuur konde, mits de stenen wat groot waren. Glazen vond men niet in de vensters.Galium tinctorium.HetGalium tinctoriumwierd inKanadadoor deFranschenTisavo-jaune rougegenaamd. Het wies hier overvloedig, vooral in ene goede vogtige tuinaarde. Met de wortelen verwen deWildende pinnen der stekelvarkens rood welken zy in verscheiden’ van hunne stofjes invlegten; en deze kleur verschiet niet ligt. DeFranscheVrouwen inKanadaverwen ook met deze wortelen, die klein zyn gelyk die van ’tGallium luteum.De Paarden lopen hier den gehelen winter over in ’t veld, en zoeken den kost. Egter wil men dat ze in ’t voorjaar vet zyn.Walvisch Geraamte.Men had het geraamte van enen Walvisch enige mylen vanQuebec, en eneFranschemyl van de RivierSt. Laurencegevonden, op ene plaats waar tegenswoordig geen lopend water komt. Dit geraamte was zeer groot. De Kommandant had verscheiden lieden gesproken die het gezien hadden.Schuiten.DeSchuitendie men hier gebruikt waren van drieerlei soort. I. Bastenschuiten, uit bast gemaakt dog met houten ribben; II. Kanoos, die men hier van wit Dennenhout maakt. Menroeytze niet, maar doet ze voortgaan door middel van een soort van riem, die men in de hand houdt en heen en weer beweegt;64dog men kan daar de helft van de kragt niet mede doen als met roeyen. Het derde soort van vaartuigen noemt menBateaux. Zy zyn hier altyd groot, en worden gebruikt om zware[85]vragten te vervoeren. De bodem, die altyd plat is, bestaat uit rood, dog meest uit wit eikenhout, om des te beter tegens het stoten op de stenen te kunnen. Het boord is van vurenhout, en dit geschiedt om de ligtheid. Men maakt hier teer en pek in overvloed.Soldaten.DeSoldatengenoten hier enige voorregten die zy niet overal hebben. Die hier in bezetting waren kregen een rykelyk onderhoud. Elk ontving daags anderhalf pond weitenbrood. Ook kregen zy erwten, spek, gerookt of gezouten vleesch, en zelfs meer dan zy op konden. Nu en dan wierd ’er een os of ander beest geslagt, waarvan het varsche vleesch onder de Soldaten werd uitgedeeld. De Officieren onderhielden op ’s Konings kosten melkkoeyen. Ieder Soldaat had zyn tuintje buiten het Fort, waarin sommigen speelhuisjes gezet hadden, en zy allerhande moeskruiden teelden. De Kommandant zeide dat dit gebruik in dit Land algemeen was by zulke Vestingen in wier nabuurschap gene grote stad lag, van waar men groentens krygen kon. In vredenstyden behoefden de Soldaten gene wagten waartenemen. En daar het Meer hier digt by vol van visch is, en de bosschen van wild, zo kan ieder die maar wat naarstig is hier ene tafel houden als een Heer. Ieder krygt alle twee jaren enen nieuwen rok, maar alle jaar ene vest, ene muts, enen hoed, een paar koussen, een das, een paar schoenen, en in den winter vry brandhout. Aan soldy heeft ieder vyfsolsdaags. Dog als zy voor den Koning werken moeten krygt ieder dertigsols. Dus was het geen wonder dat het krygsvolk ’er hier frisch, vet, sterk en wakker uitzag. Die ziek wordt komt in ’t Hospitaal, waar hy alles vry heeft.Zy konden, ook ligt verlof krygen, en hielden egter hunne soldy en hun gewoon onderhoud, mits zy de wagtlonen betaalden, als ’er wagten te doen waren. Den Kommandant en den Officieren bewees men alle de verschuldigde eer; egter gingen de Officiers met de Soldaten als hunne spitsbroeders gemeenzaam om. Dikwyls zaten zy met malkander te praten. De Soldaten, die hier uitFrankryknaartoe gezonden worden, moeten tot enen zekeren ouderdom toe dienen; waarna zy hun afscheid, en vryheid krygen een stuk lands te bebouwen. Maar als zy alleen voor zekere jaren hebben dienst genomen, krygen zy na ’t eindigen van die hun ontslag, indien zy het begeren. Dit doen de meesten die inKanadageboren zyn. Als een Soldaat zyn omslag gekregen heeft wordt hem van ’s Konings wegen een stuk lands geschonken, van veertigarpentsin de lengte, en drie in de breedte, als de grond overal goed is, dog wat meer als die niet veel deugt. Ook krygt hy onderstand om een woest land te ontginnen. De eerste drie of vier jaren krygt hy eten voor hem, zyne vrouw en kinderen. Nog schenkt hem de Koning ene koe, en de noodzakelykste werktuigen. Andere[86]Soldaten, die ’er door den Koning voor betaald worden, helpen hem zyn huis bouwen. Dit zyn aanmerkelyke ondersteuningen voor eerst beginnenden; en in een land daar de Soldaten zo wel behandeld worden, zoude men zeggen, kan de Koning niet verlegen zyn om troepen. Om het land des te beter te bevolken heeft men voorgeslagen jaarlyks uitFrankrykdriehonderd man overtevoeren, en den ouden Soldaten hun afscheid te geven, waardoor zy gelegenheid mogten hebben te trouwen, en zig aan den landbouw overtegeven. Het land dat men hier den afgedankten Soldaten had geschonken was zeer goed, bestaande doorgaans uit ene met klei vermengde dikke tuinaarde.Eggen.De Eggen, waarvan men zig hier bedient, zyn geheel van hout, en driehoekig. De Ploegen waren ook niet veel beter. De raderen waren plomp en dik, en al het hout was zo zwaar dat een paard werks genoeg had om enen ploeg op den gelyken grond voorttetrekken.Rotsen.Hier en daar op de rotsen lagen stenen van verscheidenerlei soort. Sommigen waren tamelyk groot van twee tot drie ellen dikte en anderhalve el breedte; anderen wat kleinder. Zy kwamen egter allen in den aard van den steen overeen, alleen bemerkte ik deze verscheidenheden.Enigen bestonden uit enen Kwarts van kleur gelykende naar bruine kandysuiker, en uit enen zwarten fynen glimmer, die met zwarten hoornsteen en enige weinige korrels van blauwen spaath vermengd was. De kwarts was het voornaamste; ook was ’er vry veel glimmer, dog weinig spaath in. Deze verschillende steenstoffen waren zeer wel door malkander vermengd, zo dat men ze op ’t gezigt wel van malkanderen onderscheiden, dog niet met werktuigen afzonderen kon. De steen was hard en vast, en de kwartskorrels zagen ’er fyn uit.Anderen bestonden uit grauwen kwarts, zwarten glimmer en hoornsteen, met enige weinige spaathkorrels. Weinig spaath was ’er in, vry veel glimmer, dog meest kwarts. De steen was hard en vast, en verschilde alleen in kleur van den voorgaanden.Enigen bestonden uit een mengsel van helderen kwarts en zwarten glimmer, waarby ettelyke rode kwartskorrels kwamen. De spaath had hier de overhand; de glimmer lag in dikke schyven. Deze steen was zo vermengd niet als de voorgaanden, ook niet zo hard en vast.De bergen waarop hetFort St. Fredericstaat, en die welken hier omstreeks leggen, waarop de beschreven’ stenen gevonden worden, bestaan doorgaans uit enen koolzwarten kalksteen, die gelyk leyen op lagen legt. Men zou hem ene lei noemen kunnen die door het vuur tot kalk wordt.65Deze steen is van binnen pekzwart, en doorgebroken[87]zynde zeer fyn. Hier en daar vertonen zig in denzelven kleine spaathkorrels en andere ongelykheden, die ’er aderen in formeren. De beddingen die boven op de bergen leggen zyn van enen grauwen digten kalksteen, die maar ene verscheidenheid is van den voorgaanden. In den zwarten kalksteen treft men byna overal ene menigte van allerhande versteningen van mosselschelpen, hoorns, en andere dingen aan. De versteningen die men hier meest vindt zyn de volgenden:Petrefacta.PectinitesofOstreæ pectineszyn het die ’t grootste getal uitmaken. Somtyds komt men op grote beddingen, die niet anders dan aan een gewassen schelpen van dit soort zyn. Zy zyn grotendeels maar klein, en zelden meer dan anderhalven duim. Men vindt ze op twederlei wyzen versteend. Het eerste soort toont overal in den steen indrukken van de verhevene zyde der schelp, dog niet het geringste teken der schaal, en alleen maar de indrukken. In het andere bespeurt men de schaal zelve nog in den steen zittende, zo dat zy, als ze helder van kleur is, ligt van den zwarten steen zelven kan onderscheiden worden. Van beide de soorten vindt men ’er velen, dog van het eerste de meesten. Enigen zyn verheven, vooral in het midden, anderen daarentegen zyn in het midden ingedrukt; dog in de meesten is de buitenste oppervlakte merkelyk verheven. De strepen lopen altyd in de langte, namelyk van het middelpunt naar den rand.VersteendeAmmonshoornenzyn ’er ook veel, dog egter veel minder dan de voorgaanden. Men vond ze ook zo wel met als zonder schalen. Dog ’er waren ook vele versteende slakkenhuizen onder. Verscheidenen dezer Ammonshoornen waren zeer groot, zo dat ik niet weet ’er oit groter gezien te hebben. Zy bedroegen in de doorsnede meer dan eenZweedscheel.Men kon velerlei soorten van Koralen bespeuren in de stenen vastgewassen, van de welken zy egter wel aftezonderen waren. Sommigen waren steenplanten of witte takagtige koralen,66anderen, dog minder in getal, waren starkoralen.67Steenballen.Ik moet den naam vanSteenballengeven aan een soort van vreemden steen, waarvan de rotsen op vele plaatsen vol waren. Zy hadden de gedaante van een halven kloot, waarvan de verhevene zyde buiten de rots uitstak, en de onderste daar vast was ingedrukt. Zy bestaan. louter uit evenwydig lopende vezelen, die van den bodem en als uit een middelpunt beginnen, en zig over de oppervlakte des kloots uitbreiden. De kleur is grauw. Van buiten zyn deze ballen glad, dog hebben veel[88]kleine gaatjes, zo dat zy ’er uitzien als waren ze met ene helder grauwe korst overtogen. In de middellyn zyn zy een of anderhalven duim.Zand.Onder andere soorten vanZand, die men hier op de Oevers van het MeerChamplainvindt, zyn ’er byzonderlyk twee zeer zeldzaam, die men meest op dezelve plaats by malkander aantreft, namelyk een zwart en een roodbruin of granaatkleurig zand.Met zwarte zand legt altyd het bovenste en bestaat uit zeer fyne korrels. Met een vergrootglas beschouwd zynde vindt men ze donkerblauw of yzerkleurig. Enigen zyn rond, dog de meesten hoekig en glanzig. In de zon glinsteren zy sterk. Zy worden allen door den Zeilsteen aangetrokken. Onder dezen vindt men enige granaatkleurige korrels, van den zelven aard als het daar onder leggend rode zand. Dit rode zand is ook zeer fyn, dog zo niet als het zwarte. De korrels hebben niet alleen de kleur van granaten, maar zyn inderdaad niets anders dan gebroken granaten. Enigen zyn rond, anderen wat hoekig, dog zy blinken allen en zyn half doorschynend. De Zeilsteen heeft ’er niet het minste vermogen op. Ook glinsteren zy niet sterk in de zon. Dit granaatzand krygt men zelden zuiver, dog het is gemeenlyk met het daaronder leggende witte kwartszand vermengd. Deze twee soorten van zand, te weten het zwarte en het rode, vindt men niet overal, maar alleen op zekere plaatsen aan den oever, en dan altyd in de zelve order. Boven op legt het zwarte zand ongevaar het vierde van een duim dik. Als men dit voorzigtig wegdoet, wordt het ondergelegene hoe langer hoe roder, tot dat het eindelyk volkomen de kleur van granaat heeft. Dit zand legt gemeenlyk een weinig dikker dan het zwarte. Wanneer men dit voorzigtig weggestreken heeft komt het witte kwartszand te voorschyn, het welk boven op zeer met het rode vermengd is, dog wat lager geheel wit wordt. Dit legt ruim vier duim diep, en heeft ronde korrels, zodat het volmaakt naar parelzand gelykt. Onder het zelve is nog een ligtgrauw hoekig kwartszand verborgen. Op sommige plaatsen legt het granaatzand boven op, en vlak daaronder het ligtgrauwe hoekige, zonder dat men ’er ene enkelde korrel van het zwarte of van het parelzand onder vinden kan.Wat de oorsprong van dit zwarte of donkerblauwe zand zy kan ik niet zeggen, want men weet niet dat hier in de nabuurschap yzererts te vinden is. Egter dunkt het my waarschynlyk te zyn dat ’er yzererts is, dewyl het op vele plaatsen vanKanadavry gemeen is, en dit zwarte zand op meest alle de oevers der Meren en Rivieren inKanada, schoon niet overvloedig, gevonden wordt. Het granaatzand heeft zynen oorsprong hieromstreeks; want, hoewel de rotsen byFort St. Fredericgeen granaatkorrels bevatten, vindt men egter op de oevers groter of kleinder stenen verschillende van dat soort ’t geen op de bergen en klippen[89]gevonden wordt, de welken aan stukken gestoten en by het granaatzand gelegd zynde daar niet van te onderscheiden zyn. En verder noordwaards inKanada, benedenQuebec, bevatten de bergen veel granaat. Ook is dit rode zand zeer gemeen aan de RivierSt. Laurence. Dit werk is niet geschikt om hier de overige aanmerkingen intevoegen die ik gemaakt heb over verscheiden delfstoffen, dewyl weinig lezers ’er smaak in vinden zouden.Apocynum androsæmifolium.HetApocynum androsæmifolium68wast overvloedig op de hoogtens in de bosschen, en had thans bloeisems. DeFranschennoemen hetHerbe à la puce.69Als men in den steel snydt of ’er een stuk afplukt, zo loopt ’er een wit melkagtig sap uit. DeFranschenschreven dezer plant alle de eigenschappen toe welken ik van denVergiftboomboven70gemeld heb, namelyk dat dit sap voor sommigen vergiftig, voor anderen schadeloos is. Sommigen kunnen niet omtrent den boom komen of zy raken vol van blazen. Ik zag enen Soldaat de hand vol blazen worden, alleen omdat hy de plant uittrok om ze my te tonen. Ook zwellen by vele menschen het aangezigt en de handen alleen van de uitwaassemingen dezer plant. Allen stemden hierin overeen dat als men het sap op de hand krygt, de hand niet alleen dik wordt, maar dat ook de huid ’er als van weg gevreten wordt, ten minsten oordeelde men dat ’er maar weinige menschen waren waaraan men die uitwerkingen niet bespeurde. Dog ik heb ’er nimmer ongemak van gehad, schoon ik meer dan eens, en in tegenwoordig van vele lieden, die ’er verwonderd over waren, en my ’er allerhande ongemakken uit voorspelden, niet alleen de gehele plant aangetast, maar zelfs de beide handen met het sap bestreken heb, zo dat zy geheel wit waren. Zelfs heb ik de plant zo lang in de hand gewreven tot dat zy geheel aan stukken ware. Nogthans heb ik ’er geen het minste leed van gekregen. Het vee eet van deze plant niet.71Klissen.HetKlissenkruid72wies op verscheiden’ plaatsen rondom de Vesting. De Kommandant zeide dat men in ’t voorjaar de tedere scheutjes van dit gewas als radys eet, na ’er de schil te hebben afgetrokken.Sison.HetSison Canadensewast tamelyk veel in de bosschen door geheelNoord Amerika. DeFranschennoemden hetWilde Kervel, en eten het in ’t voorjaar als kervel. Men prees het zeer, en hield het voor een der beste moeskruiden die men hier in de lente had.Katoenplant.De van deFranschenzogenaamdeKatoenplant,73groeide hier[90]veel op de kanten der heuvels, en zo wel in slegte als in goede aarde. Als men den steel kwetst komt ’er een melkagtig sap uit te voorschyn, waarom men de plant voor vergiftig houdt. Des niettemin vergaderen deFranschenin ’t voorjaar de tedere stelen, als zy eerst uitkomen, en maken die als aspersjes klaar, zonder dat hun dit voedsel kwaad doet, dewyl de stelen zo vroeg nog niet vergiftig zyn. De bloemen geven enen aangenamen geur, zo dat zy in dien tyd, vooral des avonds, het reizen in de bosschen zeer aangenaam maken. DeFranschenmaken suiker uit de bloemen. Ten dien einde plukt men ze des morgens vroeg, als zy nog met dauw bedekt zyn; den dauw drukt men uit, en kookt ’er suiker uit, die bruin dog zeer goed is. Als de scheuten volkomen ryp zyn zit ’er om het zaad een soort van wol, die de katoen zeer gelyk is, van de welke de plant harenFranschennaam gekregen heeft. De arme lieden vergaderden ze, en vulden ’er hunne bedden mede in plaats van veeren. Vooral gebruikt men ze voor kinderbedden. InKanadabloeit de plant in ’t einde van Juni en ’t begin van Juli, en het zaad wordt in ’t midden van September N. S. ryp. De paarden eten ’er noit van.Reis over het MeerChamplain.Den 16. Juli des morgens begaf ik my op reis over het MeerChamplainnaar het hoge gebergte, dat op den westelyken oever van het zelve legt, om te zien wat zeldzame gewassen en andere merkwaardigheden daar te vinden waren. Als men op enigen afstand van het Fort op de rotsen staat ziet men ene ry hoge bergen ten westen het Meer, die van het zuiden naar het noorden lopen. En als men zig naar het oosten keert, zo komt ’er ene andere schakel van bergen in ’t gezigt, die zig ook van ’t zuiden naar het noorden strekken. Dog die laatsten zyn wel tien of twaalfEng.mylen van het Meer af. Het land tusschen beiden is laag en geheel met hout bewassen. De bergen zyn ook meest overal vol van zwaar hout, uitgenomen op sommige plaatsen daar het door ’t vuur verteerd is. Zy zyn op sommige plaatsen steil, op anderen niet. Wy voeren het Meer over in ene kleineKano, die maar drie personen dragen konde, en aan land gekomen zynde wandelden wy naar ’t gebergte. De kanten waren tamelyk steil, en met aarde bedekt; dog hier en daar lagen zware stenen. Alles was met hout bewassen. Maar op sommige plekken was het verbrand. Na veel moeite geraakten wy eindelyk op den top van enen berg, die boven op met ene lugtige aarde bedekt was. Dog deze berg was niet een van de hoogsten; wat verder lagen ’er die veel hoger waren, dog wy hadden genen tyd om ’er naar toe te gaan, dewyl de wind begon optesteken, en wy maar een zo klein vaartuig hadden. Wy troffen hier niets zeldzaams aan.Op den oever teruggekeerd vonden wy den wind zo sterk dat wy met onze Kano niet verder op het water durfden komen. Ik liet dan enen[91]man terug om de Kano naar huis te brengen wanneer de wind wat zou gaan leggen, en wandelde metJungströmhet water om naar ’t Fort, dat een weg was van omtrent zevenEng.mylen. Wy volgden den oever, waar noit een weg geweest was, en kwamen dan over steile bergen, dan over scherpe rotsen, dan door dikke bosschen, dan door diepe moerassen. De oord had den naam van een verblyf te zyn voor duizenden van Ratelslangen. Dog gelukkig wierden wy ’er gene gewaar. De oever was somtyds vol stenen, waaronder verscheiden’ vry zware hoekige rotsen. Somwylen waren zy rond en glad geslepen. Ook vonden wy op enige plaatsen zand, ten dele van het boven beschrevene granaatzand, ten dele grauw zand. Hierendaar vond men ook zwart yzerzand. Op de bergen vond men stenen van enen fynen roden glimsteen. Op sommige plaatsen stonden er bomen tusschen den oever en de bergen; dog op andere was de oever moerassig.VersteendeAmmonshoornslagen ’er veel op enige plaatsen tusschen de stenen en rotsen. De rotsen bestonden uit enen grauwen kalksteen, zynden slegts ene verscheidenheid van den zwarten. Zy leggen in beddingen. Sommigen waren vol van versteningen, met of zonder schalen. Op ene plaats zagen wy verbazend grote Ammonshoornen, die meer dan eneZweedscheel breed waren. Het water had hierendaar den steen van boven afgeslepen, dog had die uitwerking op de versteningen niet kunnen maken. Zy lagen boven op de rots, als of zy ’er op gelymd waren.De bergen op den oever waren ontzaglyk hoog en groot. Zy bestonden alleen uit enen harden grauwen rotssteen, die niet in beddingen, gelyk de kalksteen, lag. Een grauwe kwarts en een donkere glimsteen maakten ’er eigenlyk het voornaamste van uit. Daar zy aan den oever lagen kwam de rots tot aan het water, dog daar zy een weinig van denzelven verwyderd lagen kwamen de grauwe of zwarte kalksteensbeddingen het digst aan ’t Meer. Maar ik vond nergens dat grote grauwe rotsen deze bergen van kalksteen bedekten.DeZizania aquaticawies in de modder der beken, en stond in vollen bloei.Ziektens derWilden.De ziektens, die het meest onder deWildenheerschen, zyn rhumatismische pynen en borstontstekingen. Dezen worden vooral veroorzaakt door dien zy dikwyls gedwongen zyn des nagts in de bosschen en op vogtige plaatsen op den grond te slapen, en ook door de schielyke overgangen van het weder van hette in koude, waaraan de lugt hier zeer onderworpen is; ten dele daardoor dat zy zig dikwyls aan brandewyn bezuipen en zig dan nakend in de open lugt, zelfs in den winter in slegt weer te slapen leggen. DeFranschenzyn ook zeer aan deze ongemakken onderhevig, byzonder aan borstontstekingen. De Kommandant verhaalde[92]dat hy eens aan dit ongemak zeer slegt geweest, dog door den HeerSarrasinop de volgende wys ’er van genezen was. Hy begon met hem zweetdryvende middelen te geven, en liet hem een uur agt of tien zweten. Daarop opende hy hem enen ader, en liet hem op nieuws zweten. Daarna schreef hy hem ene nieuwe aderlating voor. DoctorSarrasinwas Koninglyke Geneesheer teQuebecen Korrespondent der Kon. Maatschappy der Wetenschappen teParys. Hy had grote inzigten zo wel in de oeffening der Geneeskunde, als in de Ontleedkunde en andere Wetenschappen. Ook was hy zeer aangenaam in den omgang. Hy stierf teQuebecaan ene kwaadaardige koorts, die daar door een schip was overgebragt, en van de welke hy besmet wierd by ’t bezoeken der Kranken in ’t Hospitaal. Hy liet enen zoon na, die ook de Geneeskonst beoeffende, en naarFrankrykgegaan was om ’er verder in te vorderen; dog hy overleed daar.Venuskwalen.Afgaande koortsen regeren hier ook somtyds. Ook heeft zig de Venusziekte hier te lande gevestigd. DeWildenzelven zyn ’er van besmet geraakt, zo dat ’er velen zyn die ze hebben. Zy weten ze egter ook in den grond te genezen. Men heeft verscheiden’ voorbeelden dat lieden, zo welFranschenalsAmerikanen, welken deze ziekte tot in ’t gebeente was doorgedrongen, door deWilden, binnen den tyd van vyf of zes weken, volkomen ’er van zyn genezen geworden. Dog deFranschenhebben niet kunnen uitvinden wat een middel zy gebruiken. Dit wist men dat zy geen kwikzilver, op enigerhande wys toebereid, gebruikten, en dat het voornaamste middel in wortelen bestond. Dog welke wortelen het waren konde men niet zeggen. Naderhand heb ik het ontdekt, en ’er breedvoerig aan de Kon.ZweedscheMaatschappy, in hare Verhandelingen van het jaar 1750. verslag van gedaan.74Lintwormen.De ongemakken die deLintworm75veroorzaakt zyn inEuropawel bekend. In deEngelscheVolkplantingen inNoord Amerikawas hy niet gemeen; dog hier inKanadawierden ’er enige menschen van gekweld. Men wist dezen worm hier zo wel te beschryven als of men de Verhandelingen derKon. ZweedscheMaatschappy gelezen had. Somtyds raken de menschen ’er kwyt die enige vademen lang zyn. Men kende gene byzondere middelen tegen dit ongemak, nog wist ’er de oorzaak van aantewyzen, dog men giste dat het van het gebruik van sommige vrugten kwam.Fort St. Frederic.Fort St. Frederic is ene Vesting aan het zuider eind van ’t MeerChamplaingelegen. Het staat op ene uitstekende landtong, geformeerd door het Meer en de Rivier, welke ontstaat uit de vereniging[93]derWoodcreeken het MeerSt. Sacrement. Deze Rivier is hier enen goeden musketschoot wyd. DeEngelschennoemen deze VestingCrownpoint. DenFranschennaam draagt zy naar denFranschenSekretaris van staatFrederic Maurepas, die toen zy werd aangelegd het voornaamste opzigt over de zeezaken inFrankrykhad; en daar de meeste plaatsen inKanadanaar Heiligen genoemd worden, zo heeft de gewoonte eenSaintvoor den naamFredericgevoegd. De Vesting legt op ene klip, bestaande, gelyk gezegd is, uit zwarten kalksteen of lei. Zy is een vierkant, heeft hoge en dikke muren, gemaakt van den gemelden steen, twee of drie snaphaanschoten van de plaats af gehouwen. Aan de oosterzyde in de Vesting is een hoge toren, die veilig is voor de bomben, hebbende zware muren, en zynde rondom van boven tot onder met geschut voorzien. Op dezen toren woont de Kommandant. In het Fort is een klein kerkje, en aan de andere zyde vindt men de woningen der Officieren en Soldaten. Naar den landkant leggen scherpe klippen, meer dan enenkanonschootver van ’t Fort. Dog enigen, die weinig wyken voor de hoogte der muren, leggen digt by de plaats. Het land hieromstreeks is goed; en voor den laatsten oorlog hadden zig hier veleFranschehuisgezinnen, vooral van ontslagene Soldaten, nedergezet. Dog de kryg dwong hen of dieper inKanadate wyken, of zig digt onder de Vesting neertezetten, en daar des nagts te gaan slapen. Thans kwamen ’er velen van terug, en men meende dat ’er hier zig met den herfst nog veertig of vyftig huisgezinnen zouden komen nederslaan, welken men landeryen zoude aanwyzen. Wat van de Vesting af, oostwaards, staat een windmolen, die van steen gebouwd en van dikke muren voorzien is, waar men het meeste meel dat in de plaats gebruikt wordt maalt. Deze molen is zo gemaakt dat hy enigermaten tot een buitenwerk dienen kan, want boven in den zelven leggen vier of vyf stukken kanon. In den laatsten oorlog lag hier een goed deel Soldaten, om het oog op de Rivier te houden, en te zien of ’er ookEngelschevaartuigen op dezelve in de verte verschenen, het geen men uit het Fort niet doen kan. En als men hier niet op zyne hoede was, kon de vyand met schuiten digt onder de westzyde der Vesting komen, uit de welke men ze niet zou kunnen ontdekken van wegen de hoogte des oevers. Dog men heeft enen groven misslag begaan met het Fort niet op de plaats te leggen daar nu de molen staat; behalven dat men daar het Fort, door middel ener vereniging der Rivier die van het MeerSt. Sacrementkomt en het MeerChamplain, in den lossen kalksteen uitgehouwen, met een lopend water had kunnen omringen, zodat het op het uiterste der landtong zou hebben komen te staan. Dus zoude men ’er altyd varsch water gehad, en het Fort zou niet zo digt by de hoge rotsen gelegen hebben.[94]Vertrek.Den 19. Juli waren wy, na enige dagen naar het Jagt, dat den gehelen zomer over tusschenFort St. JeanenFort St. Fredericheen en weder vaart, en na deszelfs aankomst op goeden wind gewagt te hebben, tot ons vertrek van hier gereed. Gedurende ons verblyf had ons de HeerLusignanmet allerhande beleefdheden als overladen. Ik had de eer al dien tyd aan zyne tafel te spyzen. Myn Bediende at met den zynen. Wy hadden buiten dat onze kamer en bed, en werden bediend. By ons vertrek voorzag ons die Heer met rykelyken voorraad tot aan hetFort St. Jean. In een woord, onze eigene Landslieden hadden ons gene grotere beleefdheden kunnen bewyzen dan die Heer en de overige Officieren gedaan hebben.Het MeerChamplain.Voor den middag om elf uur gingen wy op reis. De wind was goed. Aan beide de zyden van het Meer lagen hoge bergen, die als ene schakel uitmaakten, dog met dit onderscheid, gelyk ik al aangemerkt heb, dat aan de oostzyde tusschen het Meer en ’t gebergte een laag van met hout bewassen land gelegen is, ter langte van tusschen de twaalf of agttienEng.mylen. Agter dit gebergte behoort het land totNieuw Engeland. Dus maakten deze bergen ene grensscheiding uit. Aan de westzyde stieten de bergen vlak tegens het Meer. Het was in ’t eerst maar een uur breed, dog wierd daarna hoe langer hoe breder. Tot op een uur gaans van hetFort St. Fredericwas het land aan de oostzyde bewoond, dog verder louter bosch. Omtrent tienFranschemylen van de Vesting werd het Meer vier mylen breed. Hier en daar zag men Eilanden, en de Kapitein van ’t Jagt zeide dat ’er in dit Meer zestig Eilanden lagen, waaronder ’er enigen zeer groot waren. Ook verzekerde hy dat het zo diep was, dat men op de meeste plaatsen met ene lyn van honderd vademen genen grond peilen kon; en digt aan land, voornamelyk waar dwarslopende bergen leggen, vindt men dikwyls ruim tagtig vadem waters, zo dat ’er geen middel is om te ankeren. VeertienFranschemylen van het Fort lagen vier grote Eilanden in het Meer, dat daar zes mylen breed is. Den gantschen dag was het droevig weer, en de wolken, die zeer laag hingen, schenen tegens ’t gebergte aantestoten, en het als met enen nevel te hullen. Van verscheiden bergen steeg de nevel als een rook in de hoogte. Hier en daar wierp zig ene kleine Rivier in ’t Meer. Agter het gebergte aan de westzyde was het land, gelyk men my berigtte, enige mylen ver gantsch vlak en met hout bedekt, van vele stromen, beken, moerassen en kleine meren doorsneden, en zeer bekwaam om bewoond te worden. De oever was somtyds klipagtig, en bestond somtyds uit zand. Tegens den avond begonnen de bergen allengskens aftenemen. Het water was zeer helder, en wy bemerkten gene klippen of ondieptens. Des avonds laat ging de wind leggen, en wy wierpen het anker onder ’t land. Den 20. voeren wy des morgens met enen gunstigen[95]wind voort. De plaats daar wy overnagtten was ten halvenwegeFort St. Jean, van waar totFort St. Fredericmen eenenveertigFr.mylen te water rekent. Het gebergte was ons nu uit het gezigt, en het land was laag en boschryk. De oever bestond uit zand. Byna overal scheen het Meer eenZweedschemyl breed, dog het was inderdaad breder, en de Eilanden deden het smaller schynen.Hier en daar zag men aan den oeverWildenin schuiten van bast. Dog geen van hun woonde aan het Meer, en zy waren hier alleen om Steuren te vangen, waarvan ’er hier veel zyn. Wy zagen ze somwylen hoog uit het water springen. DezeAmerikanenleiden ene byzondere levenswys. Een gedeelte van het jaar leven zy voomamelyk van hunnen kleinen voorraad van Mais, bonen en kawoerden; om dezen tyd bestaan zy van visch zonder brood of iets anders; op enen anderen tyd wederom eten zy niets als wild. Desniettemin worden zy oud, zyn gezond, en kunnen meerder ongemakken uitstaan dan anderen. Zy zyn altyd vrolyk en vergenoegd; zingen en dansen geduriglyk: zo dat zy hunne levenswys voor die welke inEuropaals de beste geagt wordt niet zouden willen ruilen.Omtrent tienFr.mylen eer wy aanFort St. Jeankwamen, ontdekten wy huizen op den westelyken oever van het Meer, die kort voor den laatsten oorlog door deFranschenbewoond geweest waren. Thans waren zy sterk bezig met dezelven weder te gaan betrekken. Dit waren de eerste huizen die wy zagen sedert wy die byFort St. Fredericverlaten hadden.Houten Fort.Voor dezen was ’er ene houten Vesting op den oostelyken oever van het Meer geweest, waarvan men ons de legplaats aanwees. Zy was nu met hout bewassen. Zy had denFranschentegens de invallen derWildengediend. Men verzekerde ons dat veleFranschenin dezen oord door dezelven waren omgebragt. Ook verhaalde men ons dat men hier vier vrouwen tegens enen man onder deFranschenrekent, nadien alle jaren vele mans op hunne reizen, die zy ondernemen om met deWildenhandel te dryven, van dezelven vermoord worden.Wy zagen enen stenen windmolen op een uitstek lands aan den oostelyken oever staan. De oord was voor den kryg vanFranschenbewoond geweest, die nog niet teruggekomen waren. Wy waren nog agtFr.mylen vanFort St. Jean. DeEngelschenen hunneAmerikanenhadden hier de meeste huizen verbrand.Het Jagt dat ons voerde was het eerste dat men hier gebouwd had. Voor dezen bediende men zig maar van grote zogenaamdeBateauxomvoorraadte vervoeren. De Kapitein, die hier in ’t land geboren was, had het zelf gebouwd, de eerste den weg voor het Meer gevonden, en[96]de dieptens gemeten om met het zelve tusschenFort St. FredericenFort St. Jeante varen. Hier, over den molen, heeft men drie vadem waters. Dog naderhand, totFort St. Jean, wordt het wat ondieper. Hier en daar zagen wy huizen op den oever. De Kapitein hadOttervellenin de kajuit hangen, die volkomen naar deEuropischengeleken. Van deze Otters zoude men ’er velen inKanadavinden.De vellen vanZeehondenworden hier veel gebruikt om koffers te overtrekken. De mantelpakken waren ’er ook veel van gemaakt. Ook had ’er de gemene man tabaksbeurzen van. Van gedaante waren zy even gelyk aan die men inNoorwegenenZwedenvindt. Het gemene volk was hier gewoon op reis te roken, dog ik merkte niet dat hier iemant de gewoonte had van tabak te kauwen. Men vindt veel van deze Zeehonden in den Zeeboezem benedenQuebec, die, even als deZweedschen, met grauwe en zwarte vlakken gespikkeld zyn. Zy gaan de RivierSt. Laurencezo hoog op als het water zout is. Men heeft ze op geen der grote Meren hier inKanadabespeurd. DeFranschennoemen zeZeewolven.76Ongodsdienstigheid derEngelschenenHollanders.DeFranschenzyn in hunne Volkplanteryen veel gezetter op den uiterlyken Godsdienst dan deEngelschenenHollanders. Op de Jagten der twee laatst genoemde volken had men de gewoonte niet van ’s morgens of ’s avonds bedestonden te houden. Zelden of noit bad men over tafel. Dog op ditFranscheJagt wierd ’s morgens en ’s avonds gebeden, en des zondags meer dan naar gewoonte. Voor en na den maaltyd maakten zy het kruis en deden een kort gebed. De Kapitein deed alle ogtenden zyn gebed op de knien leggende. InFort St. Frederickwam ook de gantsche Bezetting ’s morgens en ’s avonds tot het gebed. Dog het was jammer dat de gebeden in ’tLatyngedaan werden, het geen weinigen verstonden.Zodra wy den molen voorby waren wierd het Meer zo smal dat het niet veel boven een musketschoot breed was. Dus geleek het veel eer naar ene rivier. Het land was aan weerskanten laag en met bomen bewassen die hun blad ’s winters laten vallen. Hier en daar zagen wy ene hut op den oever, anders was het land onbewoond. Men had hier niet boven de zes of tien voet diepte; en hier en daar vertoonde zig een Eilandtje. Gedurende onze gehele reis lag het Meer altyd zuidzuidwest en noordnoordoost.Op sommige plaatsen vanKanadazyn grote streken lands die byzondere personen toekomen. Wanneer dan iemant de vryheid krygt van een stuk van het zelve te bebouwen, dat gemeenlyk veertigarpentslang, en drie breed is, is hy verpligt, wanneer hy enigsins in staat is, den eigenaar ene zekere som77jaarlyks te betalen.[97]Het Meer wierd nu zo ondiep dat men genoodzaakt was van met takken den weg voor ’t Jagt te peilen. Op sommige plaatsen egter had men twee vadem waters.Des avonds by het ondergaan der zonne kwamen wy byFort St. Jeanaan.Fort St. Jean.Fort St. Jean is ene sterkte van hout, door deFranschenin het jaar 1743. aan de west zyde van den mond van het MeerChamplaindigt aan ’t water gebouwd, met inzigt om het omleggende land, dat men bevolken wilde, te dekken, en om tot een magazyn te dienen voor den voorraad en de krygsgereedschappen, die jaarlyks vanMontrealnaarFort St. Fredericgezonden worden, welken men van hier gemakkelyk naar de laatst genoemde plaats zenden kan, het welk men meer naar om laag niet doen kan, dewyl een paar snaphaanschoten lager als dit Fort ene ondiepte is vol met stenen, waar men niet dan met zo genaamdeBateauxover komen kan. Voorheen was hetFortChamblan, dat vierFr.mylen lager legt, een magazyn. Dog men moest van daar het goed met schuiten naar de Jagten op de plaats daar nu dit Fort staat voeren, behalven dat de weg vanMontrealnaarFort Chamblanover land, en langer was.Fort St. Jeanlegt laag, op enen zandigen en rondom vlakken grond, meest met hout bewassen. De Vesting is een vierkant en beslaat eenarpentgronds. Beneden tegens het Meer staat een hoog houten gebouw op elken hoek, van vier verdiepingen, hebbende enen grondslag van steen ter hoogte van anderhalven vadem. In deze gebouwen, die veelhoekig zyn, ziet men schietgaten. Op de twee andere hoeken aan de landzyde staan twee kleine houten huizen van twee verdiepingen hoog. Zy dienen tot woningen voor de Soldaten en tot versterking der plaats. Tusschen deze gebouwen staan palissades, gemaakt van ’t hout derThuya, het welk hier gehouden wordt der verrotting in de aarde langer te wederstaan dan het dennenhout. Wat meer beneden staan dubbelde palissades. Agter de palissades heeft men voor de Soldaten ene borstwering gemaakt, waarvan zy dezelven verdedigen konnen. Op het einde van den oorlog in het voorleden jaar lagen hier tweehonderd mannen in bezetting. Dog nu zyn ’er maar een Kommandant, een Kommies, een Bakker en zes Soldaten. De Kommandant was de RidderDe Gannes, een aangenaam man, en zwager van den HeerLusignan. Het land rondom de Vesting was vet en vrugtbaar, dog niet bebouwd. Men zogt menschen om zig hier neder te zetten.Marengoins.DeFranscheninKanadageven den naam vanMarengoinsaan de Muggen, enen naam die men wil dat van deWildenontleend is. Van dit ongedierte waren de bosschen rondom het Fort zo vol, dat men het met regt hetFort der Marengoinszou hebben mogen noemen. De moerassen en lage boschryke landen zyn haar vaderland. Als het hout gekapt[98]en het water afgeleid werd, zouden zy hier zo wel als op andere plaatsen verminderen.Ratelslangen.De Ratelslang is, volgens het eenparig berigt derFranschen, hier, nog verder noordwaards, byQuebecofMontreal, niet te vinden, en het gebergte omFort St. Fredericis hare uiterste grenspaal aan dezen kant. Ook zegt men, dat ’er meer noordwaards aan gene Slangen zyn wier vergift den menschen schadelyk zyn konne; ook vlugten zy op het gezigt van een mensch. Myne overige aanmerkingen over de Ratelslangen kan men vinden inde Verhandelingen der Kon. Zweedsche Maatschappy der Wetenschappenvoor het jaar 1752.Den 22. Juli kwamen hier paarden aan vanPrairieom ons aftehalen, welken de Kommandant op myn verzoek had doen komen, dewyl ’er hier geen te vinden waren, want de plaats was nog maar een jaar aangelegd geweest. De menschen die de paarden bragten hadden brieven aan den Kommandant by zig, zo wel van den Gouverneur Generaal vanKanada, denMarquis LaGalissonière, geschreven teQuebecden 15. Juli, als van den Vice Gouverneur teMontreal, denBaron De Longueuil, van den 21. van die maand; waarin gemeld wierd, dat ik hun byzonderlyk van hetFranscheHof was aanbevolen, en dat men my van alle noodwendigheden voorzien en ten spoedigsten myne reis bevorderen moest. Twee ankers wyns en enige andere dingen, welke men dagt dat ik van doen hebben zoude, wierden den Kommandanttoegeschikt. Des avonds dronken wy onder ’t lossen van het geschut de gezondheden der Koningen vanFrankryken vanZweden, zo wel als van den Gouverneur en anderen.Vertrek.Den 23 des morgens gingen wy op reis naarPrairie, om verders naarMontrealte komen. Men rekende van hier tot aanPrairiezesFr.mylen te land, en van daar totMontreallangs de RivierSt. Laurencederde half uur. Wy hielden ons in ’t begin aan den oever, hebbende ter regterhand de RivierSt. Jean. Dus noemt men den mond van het MeerChamplain, dat in de Rivier St. Laurence valt, schoon die van sommigen ook deChamplain Riviergeheten wordt. Na eneFr.myl ver gereden te hebben verlieten wy de Rivier, en sloegen links af. Het land was hier overal laag, met hout bewassen, en vry nat, zo dat wy langzaam voort kwamen. Men moet aanmerken datFort St. Jeanin den verleden’ zomer eerst gebouwd en toen deze weg gebaand is. Tweehonderdenzestig man, die elk daags dertigSolskregen, werkten ’er toen op ’s Konings kosten aan; en men zeide dat de arbeid dezen herfst verder voortgezet zou worden. De laagheid van het land bragt vele Muggen en Vliegen voort. Na dat wy drieFr.mylen gereden hadden wierd het land vry van hout. Het scheen voorheen een moeras geweest te zyn, dat nu opgedroogd was. Het gezigt was hier aan alle kanten vry ruim. Aan de regterhand zagen wy van verre twee hoge bergen, die zig de een voor den ander vertoonden,[99]en niet ver vanFort Champlainaf lagen. Ook kon men den hogen berg, die vlak byMontreallegt ontdekken. De weg liep byna lynregt. Wy kwamen weder op een laag drassig land, daarna in een bosch, bestaande voomamelyk uitPynbomen met van onder verzilverde bladen.78Het land daar wy door trokken was vet, en kan met den tyd zeer vrugtbaar worden. Rotsen zag men niet, en zelfs byna gene stenen langs den weg.Verder, ongevaar vierFr.mylen vanFort St. Jean, bekwam het land een ander aanzien. Het was hier overal bewoond. Wy zagen byna niets dan fraye wyd uitgestrekte akkers, staande met de schoonste weit; hier en daar stonden ook erwten en haver. Ander graan vernamen wy niet. De Landhoeven stonden op zig zelven. De huizen waren klein en van hout. In plaats van mos, die men hier niet vond, maakte men de reten digt met klei. De daken waren spits en met stro gedekt. De oord tot aan de RivierSt. Laurencetoe was in myn oog een van de schoonste die ik inNoord Amerikagezien heb.Prairie.Omtrent den middag kwamen wy tePrairieaan, leggende op ene hoogte aan de RivierSt. Laurence. Wy bleven hier dezen dag, vermits ik begerig was het land rondom te bezigtigen.Prairie de la Magdeleneis een klein vlek, gelegen aan den oostelyken oever der RivierSt. Laurence, derdehalveFr.myl vanMontreal, dat men hier duidelyk noordwestwaards aan de overzyde der Rivier zien kon. Het land rondomPrairieis vlak. Van alle kanten ziet men grote akkers en weilanden. DeSt. Laurenceis hier ruim anderhalveFr.myl breed. De huizen zyn hier meest van hout, met spitse houten daken, en de voegen in de wanden zyn met klei aangevuld. In ’t midden van het vlek staat een frai stenen kerkje, met enen toren en ene klok. Voor de kerkdeur is een houten kruis, met alle de werktuigen die men denkt dat tot het lyden van den Zaligmaker gediend hebben. Het vlek was met palissades omringd, voorheen tegens de stroperyen derWildendaar gesteld. Buiten de palissades zyn verscheiden moes- en andere tuinen, dog weinig vrugtbomen daar in. De oevers waren hier niet zeer hoog. Hier onthield zig een Priester en een Kapitein, dien menKommandantnoemde. De koornlanden waren groot, dog men zag ’er gene rog, gerst of mais. In deSt. Laurenceis zuidwestwaards van hier een zware waterval, welken men hier gemakkelyk kan horen. Als in ’t voorjaar het ys los gaat lopen dikwyls verscheiden’ landeryen onder. En, in plaats dat deNyldoor zyne overstromingen het land vrugtbaar maakt, doen hier deze overstromingen[100]niets dan schade; want zy brengen allerhande gewassen op het land, welker zaden het vol van onkruid maken. Op dien tyd moet het vee ver weg gedreven worden. Dog het water blyft maar twee of drie dagen staan. Deze overstromingen ontstaan voornamelyk door het verstoppen der Rivier door ’t ys.DeZizania aquaticawast veel in een beekje, dat een weinig benedenPrairieloopt.Voortreis.Den 24. Juli stapten wy in eenbateauom langs deSt. LaurencenaarMontrealte varen. Wy lieten ons met den stroom dwars over naar beneden dryven. Het water stroomde sterk, dog het is hier niet diep, zo dat de Jagten niet hoger dan totMontrealkomen kunnen, uitgenomen in ’t voorjaar, wanneer zy dikwyls tot bovenPrairiekunnen opvaren. VanPrairieaf ziet men de StadMontrealzeer duidelyk leggen. By onze aankomst aldaar zagen wy veel volks aan de poort staan, welk nieuwsgierig wasZwedente zien, een volk daar zy van te voren niets van gehoord, dog die zy nu verstaan hadden dat verwagt wierden. Ook waren wy de eersteZwedendie men wist dat oit teMontrealzig vertoond hadden. Zodra wy aan land traden kwam my een Officier verzoeken aan het huis van den Gouverneur te komen. De BaronDe Longueuilwas nog Vice-Gouverneur, dog hy wagtte dagelyks zyne verdere aanstelling uitFrankryk. Hy ontving my met de grootste beleefdheid, en toonde my brieven van den Gouverneur Generaal, waarin hy berigtte last te hebben my in alles vry te houden, en op kosten des Konings vanFrankrykhier te lande te doen reizen. In een woord, ik ontving hier nu, en na myne terugkomst vanQuebec, grotere gunstbewyzen dan ik zou hebben kunnen verwagten.Levenswys.De levenswys derFranscheninAmerikais van die derEngelschenin dat werelddeel even zo zeer verschillend als zy inEuropais. De vrouwen waren hier zeer wel gemaakt. Zy waren wel opgebragt, en betoonden ene grote onschuldige vryheid. Des zondags waren zy zeer opgeschikt, byna gelyk onzeZweedschevrouwen, dog in de week niet zo zeer. Maar zy waren ’er altyd zeer opgezet van wel gekapt te zyn. In de week dragen zy een aardig net jakje, en enen korten rok, die halfwegen de benen komt, als wilden zy daarin deAmerikaanschevrouwlieden navolgen. De hakken der schoenen waren zo hoog en smal, dat men zig verwonderen moet dat zy ’er mede gaan kunnen. In de huishouding overtroffen zy verre deEngelschevrouwen, die, om de waarheid te zeggen, het zo ver gebragt hadden van al den last van ’t huishouden op de mans te werpen, en den gantschen dag met de handen over malkander ledig doorbrengen.79[101]Dog deKanadaschevrouwen steken de handen beter uit de mouw, vooral de gemenen, die zig overal op de akkers, in de stallen, en elders laten zien daar te werken valt. Dog zy schynen niet al te zindelyk op het huisraad en de vertrekken. De vloer werd hier dikwyls niet eens in een geheel jaar schoon gemaakt. Dus kwam het zulken die onlangs onder deEngelschenenHollandersverkeerd hadden, by de welken het schrobben en wasschen een stuk is van geen minder gewigt dan de Godsdienst zelf, hier vry morssig voor. Om egter het stuiven te beletten begoot men den vloer met water zo dikwyls als de stof begon te vliegen. Ik zag hier met genoegen dat de dogters zelfs van de eerste lieden, die van den Gouverneur niet uitgenomen, zig eenvouwdig kleedden, en overal ter bezorging van het huishouden door het huis, byna als meiden, liepen. Het gedurig groeten op de straten, en het wedergeven van bezoeken, was ene lastige gewoonte, die hier aangenomen was.Enigen, die met deWilden, welken omtrent vyftigFr.mylen van deHudsonsbayafwonen, op de Beverjagt geweest waren, verhaalden my, dat de dieren, om wier huid het inzonderheid te doen is, en die men daar menigvuldig vindt, zyn, Bevers, wilde Katten of Lynxen, en Marters. Men houdt de vellen der dieren voor des te beter hoe noordelyker zy gevangen worden, dewyl die digter hair hebben dan zulken die men meer naar ’t zuiden vindt.Witte Patryzen.Een soort vogels, die men ’s winters in grote menigte digt by deHudsonsbayvindt, worden van deFranschenWitte Patryzengenoemd. Zonder twyffel is dit de zelve Vogel dien men inZwedenSneuwhoenders80heet. Hoe kouder het is en ’er meer sneuw valt des te overvloediger zyn ze. Men beschreef ze als hebbende ruige witte poten, zynde geheel wit, behalven drie of vier zwarte staartvederen. Het vleesch zou wel smakend zyn. UitEdward’sNatuurlyke Historie der Vogels81blykt het dat de Sneuwhoenders aan deHudsonsbayzeer gemeen zyn.Hazen.Aan deHudsonsbayzyn ook veleHazen. Men vindt ’er ook veel inKanada, waar ik ze dikwyls zelf gezien heb. Zy zyn volkomen als de onzen. Des zomers zyn zy grauwbruin, en ’s winters sneuwwit gelyk als inZweden.[102]Konsten.Met de konsten, als Bouwkonst, Ticchelbakkeryen, Schrynwerkers- en Drayerskonst, en diergelyken, is men hier nog zo ver niet gekomen als wel behoorde. DeEngelschenzyn hierin denFranschenveel voor. Waarschynlyk komt dit daarvan daan dat inKanadade meeste Werklieden maar afgedankte Soldaten zyn, die niet veel gelegenheid gehad hebben te leren, dog door de noodzakelykheid of by toeval alleen tot hun ambagt gebragt zyn. Enigen waren ’er egter aantetreffen die tamelyk kundig waren. Ik zag ’er enen die vry goede uurwyzers maakte, en die konst zig zelven geleerd had.Vliegen.Men heeft my verhaald dat de gemeneHuisvliegenvoor honderdvyftig jaren hier niet bekend geweest zyn. DeWildenbevestigden het zelve, en zyn van gedagte dat de Huisvliegen met de schepen die gestrand zyn hier zyn gekomen. Ik wil dit niet ontkennen; dog dit weet ik dat wy tusschenSaratogaenCrownpointin de wildernissen altyd ene menigte van die vliegen om ons hadden, als wy gingen zitten om uitterusten of te eten; en dit maakt het wat twyffelagtig of zy hier niet al veel vroeger geweest en of zy wel uitEuropahier eerst gebragt zyn. ’T is waar, men zou kunnen zeggen dat die Vliegen sedert den tyd dat hetFort Annehier stond in die woestenyen zyn overgebleven, toen deEngelschenzig daar ophielden, en dat verscheiden Reizigers door den reuk van hunnen medegevoerden voorraad de vliegen hebben kunnen met zig naar de wildernissen lokken.Wilde Koeyen.WildRundveetreft men overvloedig in de zuiderdelen vanKanadaaan, en het heeft zig daar reeds van aloude tyden opgehouden. In het Land derIllinoizen, leggende omtrent op de zelve breedte alsPhiladelphia, is ’er zeer veel van. Verder noordwaards vindt men ’er weinig. Ik zag ene huid van dit vee. Zy was zo groot als die van enen onzer zwaarste Ossen, dog hairiger. De hairen waren donkerbruin, omtrent als die van enen bruinen Beer. Dog die welken het digst aan ’t vel zaten waren zo fyn als wol. Dit vel was niet zeer dik, en zou inFrankrykniet zo hoog als een Berenvel geschat worden. Onder anderen gebruikt men deze vellen om des winters de voeten in te warmen. Velen van deze wilde Koeyen hebben ene fyne wol, welke voor de Schapenwol niet wykt, zo zy die niet overtreft. Men heeft ’er koussen, klederen, handschoenen en andere dingen van gemaakt, zo goed als of zy van de beste wol waren. DeWildenmaken ’er voor zig allerhande dingen van. Het vleesch wykt niet voor dat der beste Ossen. De huid kan dienen tot alles waar men inEuropade ossenhuiden toe gebruikt. Men wil dat deze wilde beesten zwaarder zyn dan deEuropischen. Hunne hoornen zyn wel kort, dog dik aan den wortel. Enigen hebben al getragt om deze beesten mak te maken, uit hoofde van verscheiden overeenkomsten die ze mee het tamme vee hebben, vooral om dat zy zo veel[103]sterker zyn, en dus zeer nuttig voor den landbouw zouden kunnen wezen. Zy hadden ten dien einde van deze wilde kalveren onder het tamme vee laten lopen en groot worden. Dezen hebben een jaar of drie geleefd, dog zyn eindelyk gestorven. Ook zyn zy altyd enigsins wild gebleven. Zodat men de konst van ze regt tam te maken niet gevonden heeft. Ook schenen zy niet wel tegens de koude te kunnen. En inderdaad, hoe heet ook de zomers daar mogen zyn, vindt men ze zelden meer noordwaards aan dan ik gezegd heb. Men dagt dat het met den tyd, als het Land derIllinoizenwat meer bevolkt wezen zal, het ligter zal vallen ze te temmen.82Ik heb reeds kortelyk hier boven van dit soort van Rundvee gesproken.De Vrede afgekondigd.Den 27. Juli werd hier de Vrede tusschenFrankrykenEngelandafgekondigd. De Soldaten waren onder de wapenen; men loste het geschut en ’t klein geweer. Enige vuurwerken wierden ’er afgestoken, en des avonds was de gehele Stad verligt. Tot diep in den nagt krielden de straten van menschen. Ik spysde des avonds met vele Officiers en andere lieden van aanzien by den Gouverneur.EilandMagdalene.Den 28. begeleidde ik den Gouverneur en zyn Huisgezin naar een klein Eiland,Magdalenegenoemd, en hem alleen toebehorende. Het lag vlak over de Stad in deSt. Laurenceaan den oostelyken oever. De Gouverneur had hier een net dog klein huis, en enen schonen tuin. De Rivier loopt tusschen de Stad en het Eiland door, en stroomt daar vry sterk. Digt aan de Stad is zy zo diep dat ’er Jagten door konnen dog by het Eiland wordt zy ondieper, zo dat men daar bomen moet. Op het Eiland stond een molen, die door den stroom der Rivier werd omgedreven, zonder dat men ’er enen molendam had behoeven te maken.Geboomte.DeRhus glabrawast hier overvloedig. Nergens heb ik ze zo zwaar gezien. Sommigen waren tot vier vadem hoog, en dik naar evenredigheid.DeSassafrasis hier geplant, dog worde hier niet in ’t wild gevonden, maar wel meer Zuidwaards.Fort Annewas de noordlykste plaats daar deze boom in ’t wild voortkomt. Die genen welken hier stonden waren al verscheiden jaren oud, dog nog maar heesters, pas anderhalve el hoog. Dit komt daarvandaan dat by elken winter de boom tot aan den wortel toe bevriest, en ieder voorjaar nieuwe scheuten maken moet. Even zo was het ook byFort Anne,FortNicholson,[104]enOswego. Het zal dan vergeefsche moeite gedaan zyn dezen boom onder ene koude lugtstreek te planten.DeRode Moerbezienhad men hier ook geplant. Ik zag ’er enigen van die derdenhalven vadem hoog waren. Dezen hadden ’er omtrent twintig jaren gestaan, en men had ze uit zuidelyker plaatsen hier gebragt. OmMontrealwassen zy niet in ’t wild. Meer als twintigEng.mylen ten noorden vanAlbanyvindt men ze niet, waar de Boeren zeiden dat ’er nog enige weinigen in de bosschen groeiden. Ik vernam bySaratogaof men ’er daar nog vond, dog het antwoord was van neen. Die bomen welken op het Eiland stonden kwamen zeer wel voort, schoon zy enen slegten grond hadden. Zy droegen een zwaar blad, dog dit jaar gene vrugten. Ik vernam egter dat zy ene vry sterke koude konden doorstaan.DeWaterbeukenwaren hier ook geplant en hoog geworden. DeFranschennoemen dezen boomKatoenboom.83Men vond hem nergens in ’t wild aan deSt. Laurence, nog noordelyker danFort St. Frederic.DeRode Cederstond ook in den tuin des Gouverneurs. Hy was hier ook van elders gebragt, en wast in deze streek niet in ’t wild.Om half zeven vertrokken wy van dit aangename Eiland naar huis, en kregen daar de tyding van de aankomst van den Zoon des Gouverneurs, die zig een jaar inFrankrykhad opgehouden, en die de aanstelling des Konings voor zynen Vader als Gouverneur medebragt.Men gebruikt hier wayers gemaakt van wilde Kalkoenenstaarten, welken men zodra de vogel geschoten is uitspreidt en zo droogt, zo dat zy altyd de gedaante van wayers behouden. Zo wel de aanzienlykste Heren als de Vrouwen hadden by zonneschyn zulke wayers in de hand als zy uit wandelen gingen.Gras.Het gras omstreeks vanMontrealbestond byna geheel uit een soort vanPoa.84Het is fyn, staat digt, en tiert wel op droge hoogtens. Dog het heeft weinig bladeren, zodat de fyne steel het meeste voedsel uitmaken moet. Wy hebben vele soorten van gras die voordeliger zyn.Pruimen.De wildePruimenbomenwiessen in menigte op de hoogtens langs de beken buiten de Stad. Zy zaten zo vol pruimen dat ’er de takken van bogen. De pruimen waren egter nog niet ryp. Zy zyn rood en vry goed. Enigen maken ze in.Aalbessen.Men zag vele zwarteAalbessenin ’t wild wassen. De bessen waren[105]Peen.ryp, dog klein, en niet zeer smakelyk.Peengroeiden ’er overal in menigte. Dit deed my denken dat dit gewas oorspronglyk aanAmerikaeigen was, dog naderhand ben ik van gedagte veranderd, dewyl ik ’er genen in het Land derIroquoizengevonden heb. Ook zoude men ze hier te lande te vergeefs zoeken dan op plaatsen waarEuropischeplanteryen geweest zyn.De Gouverneur.DeGouverneur GeneraalvanKanadahoudt zyn verblyf teQuebec, dog hy komt dikwyls teMontreal, en brengt ’er niet zelden den winter door. Maar des zomers is hy meest teQuebec, vermits daar dan de schepen aankomen die brieven medebrengen. Ook heeft hy ’er andere bezigheden. Als hy teMontrealis woont hy op het zo genaamdeSlot, het welk een groot stenen huis is. Het is ten behoeven van den Gouverneur GeneraalVaudreuilgebouwd, en hoort nog zyner familie toe, die het den Koning voor eene zekere som verhuurt. De GeneraalDe la Galissonièrehoudt meer vanMontrealals vanQuebec; ook legt de eerste plaats veel aangenamer.Geld.Men heeft inKanadabyna geen ander geld dan papier. Ik zag byna geen andere munt dan enige kleineFransche Sols, uit koper met een weinig zilver vermengd gemaakt. Zulk een stuk geldt hier anderhalveSol. De Briefjes waren niet gedrukt maar geschreven. Zie hier hunnen oorsprong. De Koning had gevonden, dat het, wegens kapers, schipbreuken en andere ongelukken op zee, gevaarlyk was geld ter betaling der troepen en andersins overtezenden, en had derhalven last gegeven dat de Gouverneur vanQuebecof de Kommissaris teMontreal, wanneer ’er betalingen moesten geschieden, een zeker getal van Briefjes schryven zou naar dat de som groot was. Deze Briefjes behelsden dat zy voor zo en zo veel tot de maand van October aanstaande gelden zouden. De Intendant of de Kommissaris ondertekent deze Briefjes. Zy gaan dan voor geld. In October staat het den houderen vry dezelven den Intendant teQuebecof den Kommissaris teMontrealte brengen, en ’er wisselbrieven opFrankrykvoor te nemen. De Koninglyke schatkist inFrankrykvoldoet dan deze wisselbrieven. Heeft men geen geld dit jaar inFrankrykvan doen zo kan men zyn Briefje tot den volgenden October bewaren. In October alleen kan men ze voor wisselbrieven verruilen. Zy zyn van verscheiden’ sommen, gelyk onze Bankbriefjes inZweden. Sommigen zyn van nog minder dan eneLivre. Tegen den herfst, als de koopvaardyschepen uitFrankrykaankomen, zoeken de Kooplieden zo veel van deze Briefjes byeentekrygen als ze kunnen, om ze voor wisselbrieven opFrankrykte verruilen. Deze Wissels zyn ten dele gedrukt, met openlating van den naam, de som, en diergelyken. Daar deze Briefjes allen geschreven zyn kunnen zy ligt door schelmen worden nagemaakt, het welk ook somtyds geschiedt. Dog de straffen, die hierop[106]staan, en niet zelden des misdadigers leven in gevaar stellen, maken dit zeldzaam. By gebrek van lopend geld verliezen de kopers of verkopers dikwyls een weinig, dewyl men tusschen een en tweelivresniet betalen kan, en dus moet de een of de ander iets laten vallen. EenSolis de laagste munt inKanada, en omtrent zo veel als eenPennyin deEngelscheVolkplantingen. EneLivre, of eenFranchoudt twintigSols, en drieLivresmaken eenEcu.

Verbastering der menschen inKanada.

Men was van gedagte dat deFranschen, die inEuropageboren en naarKanadawaren overgekomen, daar gemeenlyk gezonder waren dan in hun vaderland, en ouder wierden dan die inAmerikageboren waren. Ook hield men het daar voor, dat de EuropischeFranschensterker waren in het werken en ’t verdragen van ongemakken als de hier geborenen. De afgaande koortsen, welken deEuropersinPensylvanieaankomende gemeenlyk krygen, wil men dat hier onbekend zyn, en men zou hier terstonds zo gezond zyn als naderhand, wanneer men aan de lugtstreek gewend is. DeEngelschenhebben dikwyls opgemerkt dat de inAmerikageboreneEuropeanenniet zo wel de ongemakken der zeevaart uithouden, of de lugt vanZuid Amerikaverdragen kunnen, als zy die inEuropageboren zyn. Dit zou ook by deFranscheninKanadaeven eens wezen. Als deKanadiersnaarMartinique,Domingoen andere Eilanden vanAmerika, gaan, worden zy na een kort verblyf altyd ziek en sterven. Die genen die in die gewesten ziek worden komen ’er zelden door, ten zy zy weder naarKanadagaan. Integendeel kunnen zy die regelregt uitFrankryknaar deWest Indien[82]overkomen de lugt daar veel beter verdragen, en worden ’er oud. Dit bekragtigden my vele lieden inKanada.

Een man door deWildenvermoord.

Den 3. Juli, terwyl wy het middagmaal namen, hoorden wy enige malen agtereen een geweldig en naar geschreuw op de Rivier op enigen afstand van het Fort. De Kommandant zeide terstond dat dit geschreuw hem kwalyk behaagde, dewyl hy uit het zelve opmaakte dat deWilden, die uit geweest waren om zig op deEngelschente wreken, in hun oogmerk geslaagd waren, en dat hun geschreuw te kennen gaf dat zy enenEngelschmanvermoord hadden. Zodra ik aan het venster kwam zag ik ene schuit met enen langen stok op den voorsteven, waaraan het bovenste van een bebloed hoofd hing. By hunne aankomst aan land hoorden wy dat deWilden, die zes in getal waren, hunnen togt van de plaats daar wy gezien hadden dat zy hadden overnagt tot binnen de grenzen derEngelschenvoortgezet, daar enen man, met zyn jongetje op een akker met mayen bezig gevonden, hem stilletjes bekropen, en onverwagt op de plaats met enen kogel dood geschoten hadden. Dit was geschied niet ver van het dorp daar twee jaar geleden de Broeder van enen dezer moordenaren, ten oorlog tegens deEngelschenuitgetogen, gedood was. Zy sneden, volgens hunne gewoonte, den doden den hoofdschedel af, dien zy nevens de klederen en het kind van den verslagenen, een jongetje van negen jaren, medenamen, en zo naarKanadaterug keerden. Zodra zy omtrent het Fort gekomen waren hingen zy het hoofd aan enen stok voor op den steven, en schreuwden den gantschen weg langs, tot eenHunne kleding.teken dat zy den zegen behaald en hun oogmerk bereikt hadden. Zy waren, volgens hun gebruik, alleen met een hembd gekleed; dog van den vermoordenEngelschmanhad de een den rok, de ander zyne koussen aan, de derde zynen hoed op, en zo verders. Het aangezigt hadden zy zig byna geheel met vermilioen beschilderd, waarmede ook hunne hembden op de schouders bestreken waren. In de oren droegen de meesten zeer grote ringen, die hun zeer hinderlyk schenen te moeten zyn, dewyl zy gedwongen waren die vast te houden als zy springen of enige andere sterke beweging maken wilden. Enigen hadden gordels van de vellen van Ratelslangen met de ratels ’er aan om ’t lyf. Het jongetje van den verslagenen had niets anders dan een hembd en koussen aan, en ene muts op ’t hoofd. Zy hadden zyn hembd ook op de schouders rood gemaakt. By ’t uittreden uit de schuit hadden zy den stok daar ’t hoofd op stak in de hand, en gingen ’er aldansendeen zingende mede langs den oever. Hun inzigt met het jongetje was hem naar hun verblyfplaats te brengen, daar optevoeden, in de plaats des verslagenen Broeders aantenemen, en aan ene van hunne nabestaanden uittehuwelyken, en zig dus met hem te vermaagschappen. Schoon zy nu deze vyandelykheid in vredenstyd begaan hadden, regelregt tegens[83]het verbod van den Gouverneur vanMontrealaan, en in weerwil van den raad van den Kommandant alhier, konde hy egter niet af van hun eten en andere noodwendigheden voor de reis te geven, dewyl hy hen niet dorst te verbitteren. Maar toen zy teMontrealgekomen waren deed de Gouverneur ze niet alleen kastyden, maar nam hun ook het kind af, en zond het zyner Moeder weder t’huis. De HeerLusignanvroeg hun wat zy my en mynen Reisgezellen zouden gedaan hebben indien wy in hunne handen gevallen waren, en zy antwoordden dat hun inzigt voornamelyk geweest was zig op die van het dorp te wreken daar hun Broeder omgekomen was, en dat zy derhalven ons misschien wel onbeledigd zouden gelaten hebben, egter zou dit veel hebben afgehangen van de gemoedsgesteldheid in de welke zy op dien tyd waren als zy ons aantroffen.

Een Geraamte gevonden.

Enige jaren geleden had men in het Land derIllinoizeneen geraamte gevonden van een verbazend groot dier. Een van de Officieren der Bezetting verzekerde my dat hy het gezien had. DeAmerikanenhadden het in een moeras ontdekt. Zy stonden op het eerste gezigt zeer verbysterd, en, gevraagd zynde waar voor zy het hielden, zeiden zy,voor het geraamte van den Voorvader of het Opperhoofd van alle de Bevers. Het was buitenmate groot, en had dikke en ene halve el lange sneuwwitte tanden. Men hield het voor het geraamte van enen Elefant. De Officier, die het gezien had, verzekerde dat men nog het beloop van den snuit duidelyk had kunnen onderkennen, schoon die reeds tot stof vergaan was. Hy wist niet dat men ’er enige beenderen van weggenomen had, maar hy dagt dat alles was blyven leggen. Ik hoorde sedert op sommige plaatsen vanKanadavan dit geraamte spreken.62

Beren.

DeBerenzyn hieromstreeks menigvuldig. By de Vesting hield men er enen die drie maanden oud was. Hy was van de zelve gedaante en den zelven aard als onzeEuropischegemene Beren, uitgenomen alleen dat zyn’ oren langer en zyn’ hairen styver schenen te zyn. Zyn’ kleur was zwartbruin. Hy speelde met enen hond. Van de vellen dezer Beren gaat jaarlyks ene menigte naarFrankryk. DeWildenmaken ene olie van het Berenvet, waarmede zy des zomers het gezigt, de handen, en alle de ongedekte plaatsen des lichaams tegens het byten der Muggen besmeren. Behalven dit, bestryken zy zig zeer dikwyls met deze olie, wanneer zy of koude gevat, of zig zeer vermoeid of gekneusd hebben, en in andere gevallen meer. Zy denken dat dit smeren het vel zagt en buigzaam maakt, en veel tot het bereiken van enen hogen ouderdom toebrengt.[84]

Paardenbloemen.

De gemenePaardenbloem63wies hier veel op de weiden en langs de wegen, en stond nu in bloei. In ’t voorjaar als de bladen beginnen uittekomen, en zo groot worden dat men de plant kennen kan, graven deFranschende wortelen op, wasschen ze af, snyden ze door, en eten ze als salade. Zy smaken wat bitter. Men heeft hier de gewoonte niet van de bladen te eten.

Afgedankte Soldaten.

De Soldaten, die met den vrede afgedankt waren, hadden reeds op de hun aangewezene landen, die rondom het Fort lagen, huizen gezet. Dog de meesten dezer huizen waren niet meer dan hutten, en gelyk aan de armelykste woningen by ons; maar het volk had het tamelyk wel, en at goed weitenbrood. De huizen waren van planken, stonden loodregt en vlak by malkander. Men had de reten met klei toegesmeerd. De vloer was van klei of van zwarten kalksteen. Van dien steen waren ook de haarden, uitgenomen dat de plaats voor het vuur geschikt van uitgezogte grauwe zandstenen, grotelyks uit kwarts bestaande, gemaakt was. Op sommige plaatsen had men evenwel hier den zwarten kalksteen toe genomen. Men verzekerde dat deze steen wel tegens het vuur konde, mits de stenen wat groot waren. Glazen vond men niet in de vensters.

Galium tinctorium.

HetGalium tinctoriumwierd inKanadadoor deFranschenTisavo-jaune rougegenaamd. Het wies hier overvloedig, vooral in ene goede vogtige tuinaarde. Met de wortelen verwen deWildende pinnen der stekelvarkens rood welken zy in verscheiden’ van hunne stofjes invlegten; en deze kleur verschiet niet ligt. DeFranscheVrouwen inKanadaverwen ook met deze wortelen, die klein zyn gelyk die van ’tGallium luteum.

De Paarden lopen hier den gehelen winter over in ’t veld, en zoeken den kost. Egter wil men dat ze in ’t voorjaar vet zyn.

Walvisch Geraamte.

Men had het geraamte van enen Walvisch enige mylen vanQuebec, en eneFranschemyl van de RivierSt. Laurencegevonden, op ene plaats waar tegenswoordig geen lopend water komt. Dit geraamte was zeer groot. De Kommandant had verscheiden lieden gesproken die het gezien hadden.

Schuiten.

DeSchuitendie men hier gebruikt waren van drieerlei soort. I. Bastenschuiten, uit bast gemaakt dog met houten ribben; II. Kanoos, die men hier van wit Dennenhout maakt. Menroeytze niet, maar doet ze voortgaan door middel van een soort van riem, die men in de hand houdt en heen en weer beweegt;64dog men kan daar de helft van de kragt niet mede doen als met roeyen. Het derde soort van vaartuigen noemt menBateaux. Zy zyn hier altyd groot, en worden gebruikt om zware[85]vragten te vervoeren. De bodem, die altyd plat is, bestaat uit rood, dog meest uit wit eikenhout, om des te beter tegens het stoten op de stenen te kunnen. Het boord is van vurenhout, en dit geschiedt om de ligtheid. Men maakt hier teer en pek in overvloed.

Soldaten.

DeSoldatengenoten hier enige voorregten die zy niet overal hebben. Die hier in bezetting waren kregen een rykelyk onderhoud. Elk ontving daags anderhalf pond weitenbrood. Ook kregen zy erwten, spek, gerookt of gezouten vleesch, en zelfs meer dan zy op konden. Nu en dan wierd ’er een os of ander beest geslagt, waarvan het varsche vleesch onder de Soldaten werd uitgedeeld. De Officieren onderhielden op ’s Konings kosten melkkoeyen. Ieder Soldaat had zyn tuintje buiten het Fort, waarin sommigen speelhuisjes gezet hadden, en zy allerhande moeskruiden teelden. De Kommandant zeide dat dit gebruik in dit Land algemeen was by zulke Vestingen in wier nabuurschap gene grote stad lag, van waar men groentens krygen kon. In vredenstyden behoefden de Soldaten gene wagten waartenemen. En daar het Meer hier digt by vol van visch is, en de bosschen van wild, zo kan ieder die maar wat naarstig is hier ene tafel houden als een Heer. Ieder krygt alle twee jaren enen nieuwen rok, maar alle jaar ene vest, ene muts, enen hoed, een paar koussen, een das, een paar schoenen, en in den winter vry brandhout. Aan soldy heeft ieder vyfsolsdaags. Dog als zy voor den Koning werken moeten krygt ieder dertigsols. Dus was het geen wonder dat het krygsvolk ’er hier frisch, vet, sterk en wakker uitzag. Die ziek wordt komt in ’t Hospitaal, waar hy alles vry heeft.Zy konden, ook ligt verlof krygen, en hielden egter hunne soldy en hun gewoon onderhoud, mits zy de wagtlonen betaalden, als ’er wagten te doen waren. Den Kommandant en den Officieren bewees men alle de verschuldigde eer; egter gingen de Officiers met de Soldaten als hunne spitsbroeders gemeenzaam om. Dikwyls zaten zy met malkander te praten. De Soldaten, die hier uitFrankryknaartoe gezonden worden, moeten tot enen zekeren ouderdom toe dienen; waarna zy hun afscheid, en vryheid krygen een stuk lands te bebouwen. Maar als zy alleen voor zekere jaren hebben dienst genomen, krygen zy na ’t eindigen van die hun ontslag, indien zy het begeren. Dit doen de meesten die inKanadageboren zyn. Als een Soldaat zyn omslag gekregen heeft wordt hem van ’s Konings wegen een stuk lands geschonken, van veertigarpentsin de lengte, en drie in de breedte, als de grond overal goed is, dog wat meer als die niet veel deugt. Ook krygt hy onderstand om een woest land te ontginnen. De eerste drie of vier jaren krygt hy eten voor hem, zyne vrouw en kinderen. Nog schenkt hem de Koning ene koe, en de noodzakelykste werktuigen. Andere[86]Soldaten, die ’er door den Koning voor betaald worden, helpen hem zyn huis bouwen. Dit zyn aanmerkelyke ondersteuningen voor eerst beginnenden; en in een land daar de Soldaten zo wel behandeld worden, zoude men zeggen, kan de Koning niet verlegen zyn om troepen. Om het land des te beter te bevolken heeft men voorgeslagen jaarlyks uitFrankrykdriehonderd man overtevoeren, en den ouden Soldaten hun afscheid te geven, waardoor zy gelegenheid mogten hebben te trouwen, en zig aan den landbouw overtegeven. Het land dat men hier den afgedankten Soldaten had geschonken was zeer goed, bestaande doorgaans uit ene met klei vermengde dikke tuinaarde.

Eggen.

De Eggen, waarvan men zig hier bedient, zyn geheel van hout, en driehoekig. De Ploegen waren ook niet veel beter. De raderen waren plomp en dik, en al het hout was zo zwaar dat een paard werks genoeg had om enen ploeg op den gelyken grond voorttetrekken.

Rotsen.

Hier en daar op de rotsen lagen stenen van verscheidenerlei soort. Sommigen waren tamelyk groot van twee tot drie ellen dikte en anderhalve el breedte; anderen wat kleinder. Zy kwamen egter allen in den aard van den steen overeen, alleen bemerkte ik deze verscheidenheden.

Enigen bestonden uit enen Kwarts van kleur gelykende naar bruine kandysuiker, en uit enen zwarten fynen glimmer, die met zwarten hoornsteen en enige weinige korrels van blauwen spaath vermengd was. De kwarts was het voornaamste; ook was ’er vry veel glimmer, dog weinig spaath in. Deze verschillende steenstoffen waren zeer wel door malkander vermengd, zo dat men ze op ’t gezigt wel van malkanderen onderscheiden, dog niet met werktuigen afzonderen kon. De steen was hard en vast, en de kwartskorrels zagen ’er fyn uit.

Anderen bestonden uit grauwen kwarts, zwarten glimmer en hoornsteen, met enige weinige spaathkorrels. Weinig spaath was ’er in, vry veel glimmer, dog meest kwarts. De steen was hard en vast, en verschilde alleen in kleur van den voorgaanden.

Enigen bestonden uit een mengsel van helderen kwarts en zwarten glimmer, waarby ettelyke rode kwartskorrels kwamen. De spaath had hier de overhand; de glimmer lag in dikke schyven. Deze steen was zo vermengd niet als de voorgaanden, ook niet zo hard en vast.

De bergen waarop hetFort St. Fredericstaat, en die welken hier omstreeks leggen, waarop de beschreven’ stenen gevonden worden, bestaan doorgaans uit enen koolzwarten kalksteen, die gelyk leyen op lagen legt. Men zou hem ene lei noemen kunnen die door het vuur tot kalk wordt.65Deze steen is van binnen pekzwart, en doorgebroken[87]zynde zeer fyn. Hier en daar vertonen zig in denzelven kleine spaathkorrels en andere ongelykheden, die ’er aderen in formeren. De beddingen die boven op de bergen leggen zyn van enen grauwen digten kalksteen, die maar ene verscheidenheid is van den voorgaanden. In den zwarten kalksteen treft men byna overal ene menigte van allerhande versteningen van mosselschelpen, hoorns, en andere dingen aan. De versteningen die men hier meest vindt zyn de volgenden:

Petrefacta.

PectinitesofOstreæ pectineszyn het die ’t grootste getal uitmaken. Somtyds komt men op grote beddingen, die niet anders dan aan een gewassen schelpen van dit soort zyn. Zy zyn grotendeels maar klein, en zelden meer dan anderhalven duim. Men vindt ze op twederlei wyzen versteend. Het eerste soort toont overal in den steen indrukken van de verhevene zyde der schelp, dog niet het geringste teken der schaal, en alleen maar de indrukken. In het andere bespeurt men de schaal zelve nog in den steen zittende, zo dat zy, als ze helder van kleur is, ligt van den zwarten steen zelven kan onderscheiden worden. Van beide de soorten vindt men ’er velen, dog van het eerste de meesten. Enigen zyn verheven, vooral in het midden, anderen daarentegen zyn in het midden ingedrukt; dog in de meesten is de buitenste oppervlakte merkelyk verheven. De strepen lopen altyd in de langte, namelyk van het middelpunt naar den rand.

VersteendeAmmonshoornenzyn ’er ook veel, dog egter veel minder dan de voorgaanden. Men vond ze ook zo wel met als zonder schalen. Dog ’er waren ook vele versteende slakkenhuizen onder. Verscheidenen dezer Ammonshoornen waren zeer groot, zo dat ik niet weet ’er oit groter gezien te hebben. Zy bedroegen in de doorsnede meer dan eenZweedscheel.

Men kon velerlei soorten van Koralen bespeuren in de stenen vastgewassen, van de welken zy egter wel aftezonderen waren. Sommigen waren steenplanten of witte takagtige koralen,66anderen, dog minder in getal, waren starkoralen.67

Steenballen.

Ik moet den naam vanSteenballengeven aan een soort van vreemden steen, waarvan de rotsen op vele plaatsen vol waren. Zy hadden de gedaante van een halven kloot, waarvan de verhevene zyde buiten de rots uitstak, en de onderste daar vast was ingedrukt. Zy bestaan. louter uit evenwydig lopende vezelen, die van den bodem en als uit een middelpunt beginnen, en zig over de oppervlakte des kloots uitbreiden. De kleur is grauw. Van buiten zyn deze ballen glad, dog hebben veel[88]kleine gaatjes, zo dat zy ’er uitzien als waren ze met ene helder grauwe korst overtogen. In de middellyn zyn zy een of anderhalven duim.

Zand.

Onder andere soorten vanZand, die men hier op de Oevers van het MeerChamplainvindt, zyn ’er byzonderlyk twee zeer zeldzaam, die men meest op dezelve plaats by malkander aantreft, namelyk een zwart en een roodbruin of granaatkleurig zand.

Met zwarte zand legt altyd het bovenste en bestaat uit zeer fyne korrels. Met een vergrootglas beschouwd zynde vindt men ze donkerblauw of yzerkleurig. Enigen zyn rond, dog de meesten hoekig en glanzig. In de zon glinsteren zy sterk. Zy worden allen door den Zeilsteen aangetrokken. Onder dezen vindt men enige granaatkleurige korrels, van den zelven aard als het daar onder leggend rode zand. Dit rode zand is ook zeer fyn, dog zo niet als het zwarte. De korrels hebben niet alleen de kleur van granaten, maar zyn inderdaad niets anders dan gebroken granaten. Enigen zyn rond, anderen wat hoekig, dog zy blinken allen en zyn half doorschynend. De Zeilsteen heeft ’er niet het minste vermogen op. Ook glinsteren zy niet sterk in de zon. Dit granaatzand krygt men zelden zuiver, dog het is gemeenlyk met het daaronder leggende witte kwartszand vermengd. Deze twee soorten van zand, te weten het zwarte en het rode, vindt men niet overal, maar alleen op zekere plaatsen aan den oever, en dan altyd in de zelve order. Boven op legt het zwarte zand ongevaar het vierde van een duim dik. Als men dit voorzigtig wegdoet, wordt het ondergelegene hoe langer hoe roder, tot dat het eindelyk volkomen de kleur van granaat heeft. Dit zand legt gemeenlyk een weinig dikker dan het zwarte. Wanneer men dit voorzigtig weggestreken heeft komt het witte kwartszand te voorschyn, het welk boven op zeer met het rode vermengd is, dog wat lager geheel wit wordt. Dit legt ruim vier duim diep, en heeft ronde korrels, zodat het volmaakt naar parelzand gelykt. Onder het zelve is nog een ligtgrauw hoekig kwartszand verborgen. Op sommige plaatsen legt het granaatzand boven op, en vlak daaronder het ligtgrauwe hoekige, zonder dat men ’er ene enkelde korrel van het zwarte of van het parelzand onder vinden kan.

Wat de oorsprong van dit zwarte of donkerblauwe zand zy kan ik niet zeggen, want men weet niet dat hier in de nabuurschap yzererts te vinden is. Egter dunkt het my waarschynlyk te zyn dat ’er yzererts is, dewyl het op vele plaatsen vanKanadavry gemeen is, en dit zwarte zand op meest alle de oevers der Meren en Rivieren inKanada, schoon niet overvloedig, gevonden wordt. Het granaatzand heeft zynen oorsprong hieromstreeks; want, hoewel de rotsen byFort St. Fredericgeen granaatkorrels bevatten, vindt men egter op de oevers groter of kleinder stenen verschillende van dat soort ’t geen op de bergen en klippen[89]gevonden wordt, de welken aan stukken gestoten en by het granaatzand gelegd zynde daar niet van te onderscheiden zyn. En verder noordwaards inKanada, benedenQuebec, bevatten de bergen veel granaat. Ook is dit rode zand zeer gemeen aan de RivierSt. Laurence. Dit werk is niet geschikt om hier de overige aanmerkingen intevoegen die ik gemaakt heb over verscheiden delfstoffen, dewyl weinig lezers ’er smaak in vinden zouden.

Apocynum androsæmifolium.

HetApocynum androsæmifolium68wast overvloedig op de hoogtens in de bosschen, en had thans bloeisems. DeFranschennoemen hetHerbe à la puce.69Als men in den steel snydt of ’er een stuk afplukt, zo loopt ’er een wit melkagtig sap uit. DeFranschenschreven dezer plant alle de eigenschappen toe welken ik van denVergiftboomboven70gemeld heb, namelyk dat dit sap voor sommigen vergiftig, voor anderen schadeloos is. Sommigen kunnen niet omtrent den boom komen of zy raken vol van blazen. Ik zag enen Soldaat de hand vol blazen worden, alleen omdat hy de plant uittrok om ze my te tonen. Ook zwellen by vele menschen het aangezigt en de handen alleen van de uitwaassemingen dezer plant. Allen stemden hierin overeen dat als men het sap op de hand krygt, de hand niet alleen dik wordt, maar dat ook de huid ’er als van weg gevreten wordt, ten minsten oordeelde men dat ’er maar weinige menschen waren waaraan men die uitwerkingen niet bespeurde. Dog ik heb ’er nimmer ongemak van gehad, schoon ik meer dan eens, en in tegenwoordig van vele lieden, die ’er verwonderd over waren, en my ’er allerhande ongemakken uit voorspelden, niet alleen de gehele plant aangetast, maar zelfs de beide handen met het sap bestreken heb, zo dat zy geheel wit waren. Zelfs heb ik de plant zo lang in de hand gewreven tot dat zy geheel aan stukken ware. Nogthans heb ik ’er geen het minste leed van gekregen. Het vee eet van deze plant niet.71

Klissen.

HetKlissenkruid72wies op verscheiden’ plaatsen rondom de Vesting. De Kommandant zeide dat men in ’t voorjaar de tedere scheutjes van dit gewas als radys eet, na ’er de schil te hebben afgetrokken.

Sison.

HetSison Canadensewast tamelyk veel in de bosschen door geheelNoord Amerika. DeFranschennoemden hetWilde Kervel, en eten het in ’t voorjaar als kervel. Men prees het zeer, en hield het voor een der beste moeskruiden die men hier in de lente had.

Katoenplant.

De van deFranschenzogenaamdeKatoenplant,73groeide hier[90]veel op de kanten der heuvels, en zo wel in slegte als in goede aarde. Als men den steel kwetst komt ’er een melkagtig sap uit te voorschyn, waarom men de plant voor vergiftig houdt. Des niettemin vergaderen deFranschenin ’t voorjaar de tedere stelen, als zy eerst uitkomen, en maken die als aspersjes klaar, zonder dat hun dit voedsel kwaad doet, dewyl de stelen zo vroeg nog niet vergiftig zyn. De bloemen geven enen aangenamen geur, zo dat zy in dien tyd, vooral des avonds, het reizen in de bosschen zeer aangenaam maken. DeFranschenmaken suiker uit de bloemen. Ten dien einde plukt men ze des morgens vroeg, als zy nog met dauw bedekt zyn; den dauw drukt men uit, en kookt ’er suiker uit, die bruin dog zeer goed is. Als de scheuten volkomen ryp zyn zit ’er om het zaad een soort van wol, die de katoen zeer gelyk is, van de welke de plant harenFranschennaam gekregen heeft. De arme lieden vergaderden ze, en vulden ’er hunne bedden mede in plaats van veeren. Vooral gebruikt men ze voor kinderbedden. InKanadabloeit de plant in ’t einde van Juni en ’t begin van Juli, en het zaad wordt in ’t midden van September N. S. ryp. De paarden eten ’er noit van.

Reis over het MeerChamplain.

Den 16. Juli des morgens begaf ik my op reis over het MeerChamplainnaar het hoge gebergte, dat op den westelyken oever van het zelve legt, om te zien wat zeldzame gewassen en andere merkwaardigheden daar te vinden waren. Als men op enigen afstand van het Fort op de rotsen staat ziet men ene ry hoge bergen ten westen het Meer, die van het zuiden naar het noorden lopen. En als men zig naar het oosten keert, zo komt ’er ene andere schakel van bergen in ’t gezigt, die zig ook van ’t zuiden naar het noorden strekken. Dog die laatsten zyn wel tien of twaalfEng.mylen van het Meer af. Het land tusschen beiden is laag en geheel met hout bewassen. De bergen zyn ook meest overal vol van zwaar hout, uitgenomen op sommige plaatsen daar het door ’t vuur verteerd is. Zy zyn op sommige plaatsen steil, op anderen niet. Wy voeren het Meer over in ene kleineKano, die maar drie personen dragen konde, en aan land gekomen zynde wandelden wy naar ’t gebergte. De kanten waren tamelyk steil, en met aarde bedekt; dog hier en daar lagen zware stenen. Alles was met hout bewassen. Maar op sommige plekken was het verbrand. Na veel moeite geraakten wy eindelyk op den top van enen berg, die boven op met ene lugtige aarde bedekt was. Dog deze berg was niet een van de hoogsten; wat verder lagen ’er die veel hoger waren, dog wy hadden genen tyd om ’er naar toe te gaan, dewyl de wind begon optesteken, en wy maar een zo klein vaartuig hadden. Wy troffen hier niets zeldzaams aan.

Op den oever teruggekeerd vonden wy den wind zo sterk dat wy met onze Kano niet verder op het water durfden komen. Ik liet dan enen[91]man terug om de Kano naar huis te brengen wanneer de wind wat zou gaan leggen, en wandelde metJungströmhet water om naar ’t Fort, dat een weg was van omtrent zevenEng.mylen. Wy volgden den oever, waar noit een weg geweest was, en kwamen dan over steile bergen, dan over scherpe rotsen, dan door dikke bosschen, dan door diepe moerassen. De oord had den naam van een verblyf te zyn voor duizenden van Ratelslangen. Dog gelukkig wierden wy ’er gene gewaar. De oever was somtyds vol stenen, waaronder verscheiden’ vry zware hoekige rotsen. Somwylen waren zy rond en glad geslepen. Ook vonden wy op enige plaatsen zand, ten dele van het boven beschrevene granaatzand, ten dele grauw zand. Hierendaar vond men ook zwart yzerzand. Op de bergen vond men stenen van enen fynen roden glimsteen. Op sommige plaatsen stonden er bomen tusschen den oever en de bergen; dog op andere was de oever moerassig.

VersteendeAmmonshoornslagen ’er veel op enige plaatsen tusschen de stenen en rotsen. De rotsen bestonden uit enen grauwen kalksteen, zynden slegts ene verscheidenheid van den zwarten. Zy leggen in beddingen. Sommigen waren vol van versteningen, met of zonder schalen. Op ene plaats zagen wy verbazend grote Ammonshoornen, die meer dan eneZweedscheel breed waren. Het water had hierendaar den steen van boven afgeslepen, dog had die uitwerking op de versteningen niet kunnen maken. Zy lagen boven op de rots, als of zy ’er op gelymd waren.

De bergen op den oever waren ontzaglyk hoog en groot. Zy bestonden alleen uit enen harden grauwen rotssteen, die niet in beddingen, gelyk de kalksteen, lag. Een grauwe kwarts en een donkere glimsteen maakten ’er eigenlyk het voornaamste van uit. Daar zy aan den oever lagen kwam de rots tot aan het water, dog daar zy een weinig van denzelven verwyderd lagen kwamen de grauwe of zwarte kalksteensbeddingen het digst aan ’t Meer. Maar ik vond nergens dat grote grauwe rotsen deze bergen van kalksteen bedekten.

DeZizania aquaticawies in de modder der beken, en stond in vollen bloei.

Ziektens derWilden.

De ziektens, die het meest onder deWildenheerschen, zyn rhumatismische pynen en borstontstekingen. Dezen worden vooral veroorzaakt door dien zy dikwyls gedwongen zyn des nagts in de bosschen en op vogtige plaatsen op den grond te slapen, en ook door de schielyke overgangen van het weder van hette in koude, waaraan de lugt hier zeer onderworpen is; ten dele daardoor dat zy zig dikwyls aan brandewyn bezuipen en zig dan nakend in de open lugt, zelfs in den winter in slegt weer te slapen leggen. DeFranschenzyn ook zeer aan deze ongemakken onderhevig, byzonder aan borstontstekingen. De Kommandant verhaalde[92]dat hy eens aan dit ongemak zeer slegt geweest, dog door den HeerSarrasinop de volgende wys ’er van genezen was. Hy begon met hem zweetdryvende middelen te geven, en liet hem een uur agt of tien zweten. Daarop opende hy hem enen ader, en liet hem op nieuws zweten. Daarna schreef hy hem ene nieuwe aderlating voor. DoctorSarrasinwas Koninglyke Geneesheer teQuebecen Korrespondent der Kon. Maatschappy der Wetenschappen teParys. Hy had grote inzigten zo wel in de oeffening der Geneeskunde, als in de Ontleedkunde en andere Wetenschappen. Ook was hy zeer aangenaam in den omgang. Hy stierf teQuebecaan ene kwaadaardige koorts, die daar door een schip was overgebragt, en van de welke hy besmet wierd by ’t bezoeken der Kranken in ’t Hospitaal. Hy liet enen zoon na, die ook de Geneeskonst beoeffende, en naarFrankrykgegaan was om ’er verder in te vorderen; dog hy overleed daar.

Venuskwalen.

Afgaande koortsen regeren hier ook somtyds. Ook heeft zig de Venusziekte hier te lande gevestigd. DeWildenzelven zyn ’er van besmet geraakt, zo dat ’er velen zyn die ze hebben. Zy weten ze egter ook in den grond te genezen. Men heeft verscheiden’ voorbeelden dat lieden, zo welFranschenalsAmerikanen, welken deze ziekte tot in ’t gebeente was doorgedrongen, door deWilden, binnen den tyd van vyf of zes weken, volkomen ’er van zyn genezen geworden. Dog deFranschenhebben niet kunnen uitvinden wat een middel zy gebruiken. Dit wist men dat zy geen kwikzilver, op enigerhande wys toebereid, gebruikten, en dat het voornaamste middel in wortelen bestond. Dog welke wortelen het waren konde men niet zeggen. Naderhand heb ik het ontdekt, en ’er breedvoerig aan de Kon.ZweedscheMaatschappy, in hare Verhandelingen van het jaar 1750. verslag van gedaan.74

Lintwormen.

De ongemakken die deLintworm75veroorzaakt zyn inEuropawel bekend. In deEngelscheVolkplantingen inNoord Amerikawas hy niet gemeen; dog hier inKanadawierden ’er enige menschen van gekweld. Men wist dezen worm hier zo wel te beschryven als of men de Verhandelingen derKon. ZweedscheMaatschappy gelezen had. Somtyds raken de menschen ’er kwyt die enige vademen lang zyn. Men kende gene byzondere middelen tegen dit ongemak, nog wist ’er de oorzaak van aantewyzen, dog men giste dat het van het gebruik van sommige vrugten kwam.

Fort St. Frederic.

Fort St. Frederic is ene Vesting aan het zuider eind van ’t MeerChamplaingelegen. Het staat op ene uitstekende landtong, geformeerd door het Meer en de Rivier, welke ontstaat uit de vereniging[93]derWoodcreeken het MeerSt. Sacrement. Deze Rivier is hier enen goeden musketschoot wyd. DeEngelschennoemen deze VestingCrownpoint. DenFranschennaam draagt zy naar denFranschenSekretaris van staatFrederic Maurepas, die toen zy werd aangelegd het voornaamste opzigt over de zeezaken inFrankrykhad; en daar de meeste plaatsen inKanadanaar Heiligen genoemd worden, zo heeft de gewoonte eenSaintvoor den naamFredericgevoegd. De Vesting legt op ene klip, bestaande, gelyk gezegd is, uit zwarten kalksteen of lei. Zy is een vierkant, heeft hoge en dikke muren, gemaakt van den gemelden steen, twee of drie snaphaanschoten van de plaats af gehouwen. Aan de oosterzyde in de Vesting is een hoge toren, die veilig is voor de bomben, hebbende zware muren, en zynde rondom van boven tot onder met geschut voorzien. Op dezen toren woont de Kommandant. In het Fort is een klein kerkje, en aan de andere zyde vindt men de woningen der Officieren en Soldaten. Naar den landkant leggen scherpe klippen, meer dan enenkanonschootver van ’t Fort. Dog enigen, die weinig wyken voor de hoogte der muren, leggen digt by de plaats. Het land hieromstreeks is goed; en voor den laatsten oorlog hadden zig hier veleFranschehuisgezinnen, vooral van ontslagene Soldaten, nedergezet. Dog de kryg dwong hen of dieper inKanadate wyken, of zig digt onder de Vesting neertezetten, en daar des nagts te gaan slapen. Thans kwamen ’er velen van terug, en men meende dat ’er hier zig met den herfst nog veertig of vyftig huisgezinnen zouden komen nederslaan, welken men landeryen zoude aanwyzen. Wat van de Vesting af, oostwaards, staat een windmolen, die van steen gebouwd en van dikke muren voorzien is, waar men het meeste meel dat in de plaats gebruikt wordt maalt. Deze molen is zo gemaakt dat hy enigermaten tot een buitenwerk dienen kan, want boven in den zelven leggen vier of vyf stukken kanon. In den laatsten oorlog lag hier een goed deel Soldaten, om het oog op de Rivier te houden, en te zien of ’er ookEngelschevaartuigen op dezelve in de verte verschenen, het geen men uit het Fort niet doen kan. En als men hier niet op zyne hoede was, kon de vyand met schuiten digt onder de westzyde der Vesting komen, uit de welke men ze niet zou kunnen ontdekken van wegen de hoogte des oevers. Dog men heeft enen groven misslag begaan met het Fort niet op de plaats te leggen daar nu de molen staat; behalven dat men daar het Fort, door middel ener vereniging der Rivier die van het MeerSt. Sacrementkomt en het MeerChamplain, in den lossen kalksteen uitgehouwen, met een lopend water had kunnen omringen, zodat het op het uiterste der landtong zou hebben komen te staan. Dus zoude men ’er altyd varsch water gehad, en het Fort zou niet zo digt by de hoge rotsen gelegen hebben.[94]

Vertrek.

Den 19. Juli waren wy, na enige dagen naar het Jagt, dat den gehelen zomer over tusschenFort St. JeanenFort St. Fredericheen en weder vaart, en na deszelfs aankomst op goeden wind gewagt te hebben, tot ons vertrek van hier gereed. Gedurende ons verblyf had ons de HeerLusignanmet allerhande beleefdheden als overladen. Ik had de eer al dien tyd aan zyne tafel te spyzen. Myn Bediende at met den zynen. Wy hadden buiten dat onze kamer en bed, en werden bediend. By ons vertrek voorzag ons die Heer met rykelyken voorraad tot aan hetFort St. Jean. In een woord, onze eigene Landslieden hadden ons gene grotere beleefdheden kunnen bewyzen dan die Heer en de overige Officieren gedaan hebben.

Het MeerChamplain.

Voor den middag om elf uur gingen wy op reis. De wind was goed. Aan beide de zyden van het Meer lagen hoge bergen, die als ene schakel uitmaakten, dog met dit onderscheid, gelyk ik al aangemerkt heb, dat aan de oostzyde tusschen het Meer en ’t gebergte een laag van met hout bewassen land gelegen is, ter langte van tusschen de twaalf of agttienEng.mylen. Agter dit gebergte behoort het land totNieuw Engeland. Dus maakten deze bergen ene grensscheiding uit. Aan de westzyde stieten de bergen vlak tegens het Meer. Het was in ’t eerst maar een uur breed, dog wierd daarna hoe langer hoe breder. Tot op een uur gaans van hetFort St. Fredericwas het land aan de oostzyde bewoond, dog verder louter bosch. Omtrent tienFranschemylen van de Vesting werd het Meer vier mylen breed. Hier en daar zag men Eilanden, en de Kapitein van ’t Jagt zeide dat ’er in dit Meer zestig Eilanden lagen, waaronder ’er enigen zeer groot waren. Ook verzekerde hy dat het zo diep was, dat men op de meeste plaatsen met ene lyn van honderd vademen genen grond peilen kon; en digt aan land, voornamelyk waar dwarslopende bergen leggen, vindt men dikwyls ruim tagtig vadem waters, zo dat ’er geen middel is om te ankeren. VeertienFranschemylen van het Fort lagen vier grote Eilanden in het Meer, dat daar zes mylen breed is. Den gantschen dag was het droevig weer, en de wolken, die zeer laag hingen, schenen tegens ’t gebergte aantestoten, en het als met enen nevel te hullen. Van verscheiden bergen steeg de nevel als een rook in de hoogte. Hier en daar wierp zig ene kleine Rivier in ’t Meer. Agter het gebergte aan de westzyde was het land, gelyk men my berigtte, enige mylen ver gantsch vlak en met hout bedekt, van vele stromen, beken, moerassen en kleine meren doorsneden, en zeer bekwaam om bewoond te worden. De oever was somtyds klipagtig, en bestond somtyds uit zand. Tegens den avond begonnen de bergen allengskens aftenemen. Het water was zeer helder, en wy bemerkten gene klippen of ondieptens. Des avonds laat ging de wind leggen, en wy wierpen het anker onder ’t land. Den 20. voeren wy des morgens met enen gunstigen[95]wind voort. De plaats daar wy overnagtten was ten halvenwegeFort St. Jean, van waar totFort St. Fredericmen eenenveertigFr.mylen te water rekent. Het gebergte was ons nu uit het gezigt, en het land was laag en boschryk. De oever bestond uit zand. Byna overal scheen het Meer eenZweedschemyl breed, dog het was inderdaad breder, en de Eilanden deden het smaller schynen.

Hier en daar zag men aan den oeverWildenin schuiten van bast. Dog geen van hun woonde aan het Meer, en zy waren hier alleen om Steuren te vangen, waarvan ’er hier veel zyn. Wy zagen ze somwylen hoog uit het water springen. DezeAmerikanenleiden ene byzondere levenswys. Een gedeelte van het jaar leven zy voomamelyk van hunnen kleinen voorraad van Mais, bonen en kawoerden; om dezen tyd bestaan zy van visch zonder brood of iets anders; op enen anderen tyd wederom eten zy niets als wild. Desniettemin worden zy oud, zyn gezond, en kunnen meerder ongemakken uitstaan dan anderen. Zy zyn altyd vrolyk en vergenoegd; zingen en dansen geduriglyk: zo dat zy hunne levenswys voor die welke inEuropaals de beste geagt wordt niet zouden willen ruilen.

Omtrent tienFr.mylen eer wy aanFort St. Jeankwamen, ontdekten wy huizen op den westelyken oever van het Meer, die kort voor den laatsten oorlog door deFranschenbewoond geweest waren. Thans waren zy sterk bezig met dezelven weder te gaan betrekken. Dit waren de eerste huizen die wy zagen sedert wy die byFort St. Fredericverlaten hadden.

Houten Fort.

Voor dezen was ’er ene houten Vesting op den oostelyken oever van het Meer geweest, waarvan men ons de legplaats aanwees. Zy was nu met hout bewassen. Zy had denFranschentegens de invallen derWildengediend. Men verzekerde ons dat veleFranschenin dezen oord door dezelven waren omgebragt. Ook verhaalde men ons dat men hier vier vrouwen tegens enen man onder deFranschenrekent, nadien alle jaren vele mans op hunne reizen, die zy ondernemen om met deWildenhandel te dryven, van dezelven vermoord worden.

Wy zagen enen stenen windmolen op een uitstek lands aan den oostelyken oever staan. De oord was voor den kryg vanFranschenbewoond geweest, die nog niet teruggekomen waren. Wy waren nog agtFr.mylen vanFort St. Jean. DeEngelschenen hunneAmerikanenhadden hier de meeste huizen verbrand.

Het Jagt dat ons voerde was het eerste dat men hier gebouwd had. Voor dezen bediende men zig maar van grote zogenaamdeBateauxomvoorraadte vervoeren. De Kapitein, die hier in ’t land geboren was, had het zelf gebouwd, de eerste den weg voor het Meer gevonden, en[96]de dieptens gemeten om met het zelve tusschenFort St. FredericenFort St. Jeante varen. Hier, over den molen, heeft men drie vadem waters. Dog naderhand, totFort St. Jean, wordt het wat ondieper. Hier en daar zagen wy huizen op den oever. De Kapitein hadOttervellenin de kajuit hangen, die volkomen naar deEuropischengeleken. Van deze Otters zoude men ’er velen inKanadavinden.

De vellen vanZeehondenworden hier veel gebruikt om koffers te overtrekken. De mantelpakken waren ’er ook veel van gemaakt. Ook had ’er de gemene man tabaksbeurzen van. Van gedaante waren zy even gelyk aan die men inNoorwegenenZwedenvindt. Het gemene volk was hier gewoon op reis te roken, dog ik merkte niet dat hier iemant de gewoonte had van tabak te kauwen. Men vindt veel van deze Zeehonden in den Zeeboezem benedenQuebec, die, even als deZweedschen, met grauwe en zwarte vlakken gespikkeld zyn. Zy gaan de RivierSt. Laurencezo hoog op als het water zout is. Men heeft ze op geen der grote Meren hier inKanadabespeurd. DeFranschennoemen zeZeewolven.76

Ongodsdienstigheid derEngelschenenHollanders.

DeFranschenzyn in hunne Volkplanteryen veel gezetter op den uiterlyken Godsdienst dan deEngelschenenHollanders. Op de Jagten der twee laatst genoemde volken had men de gewoonte niet van ’s morgens of ’s avonds bedestonden te houden. Zelden of noit bad men over tafel. Dog op ditFranscheJagt wierd ’s morgens en ’s avonds gebeden, en des zondags meer dan naar gewoonte. Voor en na den maaltyd maakten zy het kruis en deden een kort gebed. De Kapitein deed alle ogtenden zyn gebed op de knien leggende. InFort St. Frederickwam ook de gantsche Bezetting ’s morgens en ’s avonds tot het gebed. Dog het was jammer dat de gebeden in ’tLatyngedaan werden, het geen weinigen verstonden.

Zodra wy den molen voorby waren wierd het Meer zo smal dat het niet veel boven een musketschoot breed was. Dus geleek het veel eer naar ene rivier. Het land was aan weerskanten laag en met bomen bewassen die hun blad ’s winters laten vallen. Hier en daar zagen wy ene hut op den oever, anders was het land onbewoond. Men had hier niet boven de zes of tien voet diepte; en hier en daar vertoonde zig een Eilandtje. Gedurende onze gehele reis lag het Meer altyd zuidzuidwest en noordnoordoost.

Op sommige plaatsen vanKanadazyn grote streken lands die byzondere personen toekomen. Wanneer dan iemant de vryheid krygt van een stuk van het zelve te bebouwen, dat gemeenlyk veertigarpentslang, en drie breed is, is hy verpligt, wanneer hy enigsins in staat is, den eigenaar ene zekere som77jaarlyks te betalen.[97]

Het Meer wierd nu zo ondiep dat men genoodzaakt was van met takken den weg voor ’t Jagt te peilen. Op sommige plaatsen egter had men twee vadem waters.

Des avonds by het ondergaan der zonne kwamen wy byFort St. Jeanaan.

Fort St. Jean.

Fort St. Jean is ene sterkte van hout, door deFranschenin het jaar 1743. aan de west zyde van den mond van het MeerChamplaindigt aan ’t water gebouwd, met inzigt om het omleggende land, dat men bevolken wilde, te dekken, en om tot een magazyn te dienen voor den voorraad en de krygsgereedschappen, die jaarlyks vanMontrealnaarFort St. Fredericgezonden worden, welken men van hier gemakkelyk naar de laatst genoemde plaats zenden kan, het welk men meer naar om laag niet doen kan, dewyl een paar snaphaanschoten lager als dit Fort ene ondiepte is vol met stenen, waar men niet dan met zo genaamdeBateauxover komen kan. Voorheen was hetFortChamblan, dat vierFr.mylen lager legt, een magazyn. Dog men moest van daar het goed met schuiten naar de Jagten op de plaats daar nu dit Fort staat voeren, behalven dat de weg vanMontrealnaarFort Chamblanover land, en langer was.Fort St. Jeanlegt laag, op enen zandigen en rondom vlakken grond, meest met hout bewassen. De Vesting is een vierkant en beslaat eenarpentgronds. Beneden tegens het Meer staat een hoog houten gebouw op elken hoek, van vier verdiepingen, hebbende enen grondslag van steen ter hoogte van anderhalven vadem. In deze gebouwen, die veelhoekig zyn, ziet men schietgaten. Op de twee andere hoeken aan de landzyde staan twee kleine houten huizen van twee verdiepingen hoog. Zy dienen tot woningen voor de Soldaten en tot versterking der plaats. Tusschen deze gebouwen staan palissades, gemaakt van ’t hout derThuya, het welk hier gehouden wordt der verrotting in de aarde langer te wederstaan dan het dennenhout. Wat meer beneden staan dubbelde palissades. Agter de palissades heeft men voor de Soldaten ene borstwering gemaakt, waarvan zy dezelven verdedigen konnen. Op het einde van den oorlog in het voorleden jaar lagen hier tweehonderd mannen in bezetting. Dog nu zyn ’er maar een Kommandant, een Kommies, een Bakker en zes Soldaten. De Kommandant was de RidderDe Gannes, een aangenaam man, en zwager van den HeerLusignan. Het land rondom de Vesting was vet en vrugtbaar, dog niet bebouwd. Men zogt menschen om zig hier neder te zetten.

Marengoins.

DeFranscheninKanadageven den naam vanMarengoinsaan de Muggen, enen naam die men wil dat van deWildenontleend is. Van dit ongedierte waren de bosschen rondom het Fort zo vol, dat men het met regt hetFort der Marengoinszou hebben mogen noemen. De moerassen en lage boschryke landen zyn haar vaderland. Als het hout gekapt[98]en het water afgeleid werd, zouden zy hier zo wel als op andere plaatsen verminderen.

Ratelslangen.

De Ratelslang is, volgens het eenparig berigt derFranschen, hier, nog verder noordwaards, byQuebecofMontreal, niet te vinden, en het gebergte omFort St. Fredericis hare uiterste grenspaal aan dezen kant. Ook zegt men, dat ’er meer noordwaards aan gene Slangen zyn wier vergift den menschen schadelyk zyn konne; ook vlugten zy op het gezigt van een mensch. Myne overige aanmerkingen over de Ratelslangen kan men vinden inde Verhandelingen der Kon. Zweedsche Maatschappy der Wetenschappenvoor het jaar 1752.

Den 22. Juli kwamen hier paarden aan vanPrairieom ons aftehalen, welken de Kommandant op myn verzoek had doen komen, dewyl ’er hier geen te vinden waren, want de plaats was nog maar een jaar aangelegd geweest. De menschen die de paarden bragten hadden brieven aan den Kommandant by zig, zo wel van den Gouverneur Generaal vanKanada, denMarquis LaGalissonière, geschreven teQuebecden 15. Juli, als van den Vice Gouverneur teMontreal, denBaron De Longueuil, van den 21. van die maand; waarin gemeld wierd, dat ik hun byzonderlyk van hetFranscheHof was aanbevolen, en dat men my van alle noodwendigheden voorzien en ten spoedigsten myne reis bevorderen moest. Twee ankers wyns en enige andere dingen, welke men dagt dat ik van doen hebben zoude, wierden den Kommandanttoegeschikt. Des avonds dronken wy onder ’t lossen van het geschut de gezondheden der Koningen vanFrankryken vanZweden, zo wel als van den Gouverneur en anderen.

Vertrek.

Den 23 des morgens gingen wy op reis naarPrairie, om verders naarMontrealte komen. Men rekende van hier tot aanPrairiezesFr.mylen te land, en van daar totMontreallangs de RivierSt. Laurencederde half uur. Wy hielden ons in ’t begin aan den oever, hebbende ter regterhand de RivierSt. Jean. Dus noemt men den mond van het MeerChamplain, dat in de Rivier St. Laurence valt, schoon die van sommigen ook deChamplain Riviergeheten wordt. Na eneFr.myl ver gereden te hebben verlieten wy de Rivier, en sloegen links af. Het land was hier overal laag, met hout bewassen, en vry nat, zo dat wy langzaam voort kwamen. Men moet aanmerken datFort St. Jeanin den verleden’ zomer eerst gebouwd en toen deze weg gebaand is. Tweehonderdenzestig man, die elk daags dertigSolskregen, werkten ’er toen op ’s Konings kosten aan; en men zeide dat de arbeid dezen herfst verder voortgezet zou worden. De laagheid van het land bragt vele Muggen en Vliegen voort. Na dat wy drieFr.mylen gereden hadden wierd het land vry van hout. Het scheen voorheen een moeras geweest te zyn, dat nu opgedroogd was. Het gezigt was hier aan alle kanten vry ruim. Aan de regterhand zagen wy van verre twee hoge bergen, die zig de een voor den ander vertoonden,[99]en niet ver vanFort Champlainaf lagen. Ook kon men den hogen berg, die vlak byMontreallegt ontdekken. De weg liep byna lynregt. Wy kwamen weder op een laag drassig land, daarna in een bosch, bestaande voomamelyk uitPynbomen met van onder verzilverde bladen.78Het land daar wy door trokken was vet, en kan met den tyd zeer vrugtbaar worden. Rotsen zag men niet, en zelfs byna gene stenen langs den weg.

Verder, ongevaar vierFr.mylen vanFort St. Jean, bekwam het land een ander aanzien. Het was hier overal bewoond. Wy zagen byna niets dan fraye wyd uitgestrekte akkers, staande met de schoonste weit; hier en daar stonden ook erwten en haver. Ander graan vernamen wy niet. De Landhoeven stonden op zig zelven. De huizen waren klein en van hout. In plaats van mos, die men hier niet vond, maakte men de reten digt met klei. De daken waren spits en met stro gedekt. De oord tot aan de RivierSt. Laurencetoe was in myn oog een van de schoonste die ik inNoord Amerikagezien heb.

Prairie.

Omtrent den middag kwamen wy tePrairieaan, leggende op ene hoogte aan de RivierSt. Laurence. Wy bleven hier dezen dag, vermits ik begerig was het land rondom te bezigtigen.

Prairie de la Magdeleneis een klein vlek, gelegen aan den oostelyken oever der RivierSt. Laurence, derdehalveFr.myl vanMontreal, dat men hier duidelyk noordwestwaards aan de overzyde der Rivier zien kon. Het land rondomPrairieis vlak. Van alle kanten ziet men grote akkers en weilanden. DeSt. Laurenceis hier ruim anderhalveFr.myl breed. De huizen zyn hier meest van hout, met spitse houten daken, en de voegen in de wanden zyn met klei aangevuld. In ’t midden van het vlek staat een frai stenen kerkje, met enen toren en ene klok. Voor de kerkdeur is een houten kruis, met alle de werktuigen die men denkt dat tot het lyden van den Zaligmaker gediend hebben. Het vlek was met palissades omringd, voorheen tegens de stroperyen derWildendaar gesteld. Buiten de palissades zyn verscheiden moes- en andere tuinen, dog weinig vrugtbomen daar in. De oevers waren hier niet zeer hoog. Hier onthield zig een Priester en een Kapitein, dien menKommandantnoemde. De koornlanden waren groot, dog men zag ’er gene rog, gerst of mais. In deSt. Laurenceis zuidwestwaards van hier een zware waterval, welken men hier gemakkelyk kan horen. Als in ’t voorjaar het ys los gaat lopen dikwyls verscheiden’ landeryen onder. En, in plaats dat deNyldoor zyne overstromingen het land vrugtbaar maakt, doen hier deze overstromingen[100]niets dan schade; want zy brengen allerhande gewassen op het land, welker zaden het vol van onkruid maken. Op dien tyd moet het vee ver weg gedreven worden. Dog het water blyft maar twee of drie dagen staan. Deze overstromingen ontstaan voornamelyk door het verstoppen der Rivier door ’t ys.

DeZizania aquaticawast veel in een beekje, dat een weinig benedenPrairieloopt.

Voortreis.

Den 24. Juli stapten wy in eenbateauom langs deSt. LaurencenaarMontrealte varen. Wy lieten ons met den stroom dwars over naar beneden dryven. Het water stroomde sterk, dog het is hier niet diep, zo dat de Jagten niet hoger dan totMontrealkomen kunnen, uitgenomen in ’t voorjaar, wanneer zy dikwyls tot bovenPrairiekunnen opvaren. VanPrairieaf ziet men de StadMontrealzeer duidelyk leggen. By onze aankomst aldaar zagen wy veel volks aan de poort staan, welk nieuwsgierig wasZwedente zien, een volk daar zy van te voren niets van gehoord, dog die zy nu verstaan hadden dat verwagt wierden. Ook waren wy de eersteZwedendie men wist dat oit teMontrealzig vertoond hadden. Zodra wy aan land traden kwam my een Officier verzoeken aan het huis van den Gouverneur te komen. De BaronDe Longueuilwas nog Vice-Gouverneur, dog hy wagtte dagelyks zyne verdere aanstelling uitFrankryk. Hy ontving my met de grootste beleefdheid, en toonde my brieven van den Gouverneur Generaal, waarin hy berigtte last te hebben my in alles vry te houden, en op kosten des Konings vanFrankrykhier te lande te doen reizen. In een woord, ik ontving hier nu, en na myne terugkomst vanQuebec, grotere gunstbewyzen dan ik zou hebben kunnen verwagten.

Levenswys.

De levenswys derFranscheninAmerikais van die derEngelschenin dat werelddeel even zo zeer verschillend als zy inEuropais. De vrouwen waren hier zeer wel gemaakt. Zy waren wel opgebragt, en betoonden ene grote onschuldige vryheid. Des zondags waren zy zeer opgeschikt, byna gelyk onzeZweedschevrouwen, dog in de week niet zo zeer. Maar zy waren ’er altyd zeer opgezet van wel gekapt te zyn. In de week dragen zy een aardig net jakje, en enen korten rok, die halfwegen de benen komt, als wilden zy daarin deAmerikaanschevrouwlieden navolgen. De hakken der schoenen waren zo hoog en smal, dat men zig verwonderen moet dat zy ’er mede gaan kunnen. In de huishouding overtroffen zy verre deEngelschevrouwen, die, om de waarheid te zeggen, het zo ver gebragt hadden van al den last van ’t huishouden op de mans te werpen, en den gantschen dag met de handen over malkander ledig doorbrengen.79[101]Dog deKanadaschevrouwen steken de handen beter uit de mouw, vooral de gemenen, die zig overal op de akkers, in de stallen, en elders laten zien daar te werken valt. Dog zy schynen niet al te zindelyk op het huisraad en de vertrekken. De vloer werd hier dikwyls niet eens in een geheel jaar schoon gemaakt. Dus kwam het zulken die onlangs onder deEngelschenenHollandersverkeerd hadden, by de welken het schrobben en wasschen een stuk is van geen minder gewigt dan de Godsdienst zelf, hier vry morssig voor. Om egter het stuiven te beletten begoot men den vloer met water zo dikwyls als de stof begon te vliegen. Ik zag hier met genoegen dat de dogters zelfs van de eerste lieden, die van den Gouverneur niet uitgenomen, zig eenvouwdig kleedden, en overal ter bezorging van het huishouden door het huis, byna als meiden, liepen. Het gedurig groeten op de straten, en het wedergeven van bezoeken, was ene lastige gewoonte, die hier aangenomen was.

Enigen, die met deWilden, welken omtrent vyftigFr.mylen van deHudsonsbayafwonen, op de Beverjagt geweest waren, verhaalden my, dat de dieren, om wier huid het inzonderheid te doen is, en die men daar menigvuldig vindt, zyn, Bevers, wilde Katten of Lynxen, en Marters. Men houdt de vellen der dieren voor des te beter hoe noordelyker zy gevangen worden, dewyl die digter hair hebben dan zulken die men meer naar ’t zuiden vindt.

Witte Patryzen.

Een soort vogels, die men ’s winters in grote menigte digt by deHudsonsbayvindt, worden van deFranschenWitte Patryzengenoemd. Zonder twyffel is dit de zelve Vogel dien men inZwedenSneuwhoenders80heet. Hoe kouder het is en ’er meer sneuw valt des te overvloediger zyn ze. Men beschreef ze als hebbende ruige witte poten, zynde geheel wit, behalven drie of vier zwarte staartvederen. Het vleesch zou wel smakend zyn. UitEdward’sNatuurlyke Historie der Vogels81blykt het dat de Sneuwhoenders aan deHudsonsbayzeer gemeen zyn.

Hazen.

Aan deHudsonsbayzyn ook veleHazen. Men vindt ’er ook veel inKanada, waar ik ze dikwyls zelf gezien heb. Zy zyn volkomen als de onzen. Des zomers zyn zy grauwbruin, en ’s winters sneuwwit gelyk als inZweden.[102]

Konsten.

Met de konsten, als Bouwkonst, Ticchelbakkeryen, Schrynwerkers- en Drayerskonst, en diergelyken, is men hier nog zo ver niet gekomen als wel behoorde. DeEngelschenzyn hierin denFranschenveel voor. Waarschynlyk komt dit daarvan daan dat inKanadade meeste Werklieden maar afgedankte Soldaten zyn, die niet veel gelegenheid gehad hebben te leren, dog door de noodzakelykheid of by toeval alleen tot hun ambagt gebragt zyn. Enigen waren ’er egter aantetreffen die tamelyk kundig waren. Ik zag ’er enen die vry goede uurwyzers maakte, en die konst zig zelven geleerd had.

Vliegen.

Men heeft my verhaald dat de gemeneHuisvliegenvoor honderdvyftig jaren hier niet bekend geweest zyn. DeWildenbevestigden het zelve, en zyn van gedagte dat de Huisvliegen met de schepen die gestrand zyn hier zyn gekomen. Ik wil dit niet ontkennen; dog dit weet ik dat wy tusschenSaratogaenCrownpointin de wildernissen altyd ene menigte van die vliegen om ons hadden, als wy gingen zitten om uitterusten of te eten; en dit maakt het wat twyffelagtig of zy hier niet al veel vroeger geweest en of zy wel uitEuropahier eerst gebragt zyn. ’T is waar, men zou kunnen zeggen dat die Vliegen sedert den tyd dat hetFort Annehier stond in die woestenyen zyn overgebleven, toen deEngelschenzig daar ophielden, en dat verscheiden Reizigers door den reuk van hunnen medegevoerden voorraad de vliegen hebben kunnen met zig naar de wildernissen lokken.

Wilde Koeyen.

WildRundveetreft men overvloedig in de zuiderdelen vanKanadaaan, en het heeft zig daar reeds van aloude tyden opgehouden. In het Land derIllinoizen, leggende omtrent op de zelve breedte alsPhiladelphia, is ’er zeer veel van. Verder noordwaards vindt men ’er weinig. Ik zag ene huid van dit vee. Zy was zo groot als die van enen onzer zwaarste Ossen, dog hairiger. De hairen waren donkerbruin, omtrent als die van enen bruinen Beer. Dog die welken het digst aan ’t vel zaten waren zo fyn als wol. Dit vel was niet zeer dik, en zou inFrankrykniet zo hoog als een Berenvel geschat worden. Onder anderen gebruikt men deze vellen om des winters de voeten in te warmen. Velen van deze wilde Koeyen hebben ene fyne wol, welke voor de Schapenwol niet wykt, zo zy die niet overtreft. Men heeft ’er koussen, klederen, handschoenen en andere dingen van gemaakt, zo goed als of zy van de beste wol waren. DeWildenmaken ’er voor zig allerhande dingen van. Het vleesch wykt niet voor dat der beste Ossen. De huid kan dienen tot alles waar men inEuropade ossenhuiden toe gebruikt. Men wil dat deze wilde beesten zwaarder zyn dan deEuropischen. Hunne hoornen zyn wel kort, dog dik aan den wortel. Enigen hebben al getragt om deze beesten mak te maken, uit hoofde van verscheiden overeenkomsten die ze mee het tamme vee hebben, vooral om dat zy zo veel[103]sterker zyn, en dus zeer nuttig voor den landbouw zouden kunnen wezen. Zy hadden ten dien einde van deze wilde kalveren onder het tamme vee laten lopen en groot worden. Dezen hebben een jaar of drie geleefd, dog zyn eindelyk gestorven. Ook zyn zy altyd enigsins wild gebleven. Zodat men de konst van ze regt tam te maken niet gevonden heeft. Ook schenen zy niet wel tegens de koude te kunnen. En inderdaad, hoe heet ook de zomers daar mogen zyn, vindt men ze zelden meer noordwaards aan dan ik gezegd heb. Men dagt dat het met den tyd, als het Land derIllinoizenwat meer bevolkt wezen zal, het ligter zal vallen ze te temmen.82Ik heb reeds kortelyk hier boven van dit soort van Rundvee gesproken.

De Vrede afgekondigd.

Den 27. Juli werd hier de Vrede tusschenFrankrykenEngelandafgekondigd. De Soldaten waren onder de wapenen; men loste het geschut en ’t klein geweer. Enige vuurwerken wierden ’er afgestoken, en des avonds was de gehele Stad verligt. Tot diep in den nagt krielden de straten van menschen. Ik spysde des avonds met vele Officiers en andere lieden van aanzien by den Gouverneur.

EilandMagdalene.

Den 28. begeleidde ik den Gouverneur en zyn Huisgezin naar een klein Eiland,Magdalenegenoemd, en hem alleen toebehorende. Het lag vlak over de Stad in deSt. Laurenceaan den oostelyken oever. De Gouverneur had hier een net dog klein huis, en enen schonen tuin. De Rivier loopt tusschen de Stad en het Eiland door, en stroomt daar vry sterk. Digt aan de Stad is zy zo diep dat ’er Jagten door konnen dog by het Eiland wordt zy ondieper, zo dat men daar bomen moet. Op het Eiland stond een molen, die door den stroom der Rivier werd omgedreven, zonder dat men ’er enen molendam had behoeven te maken.

Geboomte.

DeRhus glabrawast hier overvloedig. Nergens heb ik ze zo zwaar gezien. Sommigen waren tot vier vadem hoog, en dik naar evenredigheid.

DeSassafrasis hier geplant, dog worde hier niet in ’t wild gevonden, maar wel meer Zuidwaards.Fort Annewas de noordlykste plaats daar deze boom in ’t wild voortkomt. Die genen welken hier stonden waren al verscheiden jaren oud, dog nog maar heesters, pas anderhalve el hoog. Dit komt daarvandaan dat by elken winter de boom tot aan den wortel toe bevriest, en ieder voorjaar nieuwe scheuten maken moet. Even zo was het ook byFort Anne,FortNicholson,[104]enOswego. Het zal dan vergeefsche moeite gedaan zyn dezen boom onder ene koude lugtstreek te planten.

DeRode Moerbezienhad men hier ook geplant. Ik zag ’er enigen van die derdenhalven vadem hoog waren. Dezen hadden ’er omtrent twintig jaren gestaan, en men had ze uit zuidelyker plaatsen hier gebragt. OmMontrealwassen zy niet in ’t wild. Meer als twintigEng.mylen ten noorden vanAlbanyvindt men ze niet, waar de Boeren zeiden dat ’er nog enige weinigen in de bosschen groeiden. Ik vernam bySaratogaof men ’er daar nog vond, dog het antwoord was van neen. Die bomen welken op het Eiland stonden kwamen zeer wel voort, schoon zy enen slegten grond hadden. Zy droegen een zwaar blad, dog dit jaar gene vrugten. Ik vernam egter dat zy ene vry sterke koude konden doorstaan.

DeWaterbeukenwaren hier ook geplant en hoog geworden. DeFranschennoemen dezen boomKatoenboom.83Men vond hem nergens in ’t wild aan deSt. Laurence, nog noordelyker danFort St. Frederic.

DeRode Cederstond ook in den tuin des Gouverneurs. Hy was hier ook van elders gebragt, en wast in deze streek niet in ’t wild.

Om half zeven vertrokken wy van dit aangename Eiland naar huis, en kregen daar de tyding van de aankomst van den Zoon des Gouverneurs, die zig een jaar inFrankrykhad opgehouden, en die de aanstelling des Konings voor zynen Vader als Gouverneur medebragt.

Men gebruikt hier wayers gemaakt van wilde Kalkoenenstaarten, welken men zodra de vogel geschoten is uitspreidt en zo droogt, zo dat zy altyd de gedaante van wayers behouden. Zo wel de aanzienlykste Heren als de Vrouwen hadden by zonneschyn zulke wayers in de hand als zy uit wandelen gingen.

Gras.

Het gras omstreeks vanMontrealbestond byna geheel uit een soort vanPoa.84Het is fyn, staat digt, en tiert wel op droge hoogtens. Dog het heeft weinig bladeren, zodat de fyne steel het meeste voedsel uitmaken moet. Wy hebben vele soorten van gras die voordeliger zyn.

Pruimen.

De wildePruimenbomenwiessen in menigte op de hoogtens langs de beken buiten de Stad. Zy zaten zo vol pruimen dat ’er de takken van bogen. De pruimen waren egter nog niet ryp. Zy zyn rood en vry goed. Enigen maken ze in.

Aalbessen.

Men zag vele zwarteAalbessenin ’t wild wassen. De bessen waren[105]Peen.ryp, dog klein, en niet zeer smakelyk.Peengroeiden ’er overal in menigte. Dit deed my denken dat dit gewas oorspronglyk aanAmerikaeigen was, dog naderhand ben ik van gedagte veranderd, dewyl ik ’er genen in het Land derIroquoizengevonden heb. Ook zoude men ze hier te lande te vergeefs zoeken dan op plaatsen waarEuropischeplanteryen geweest zyn.

De Gouverneur.

DeGouverneur GeneraalvanKanadahoudt zyn verblyf teQuebec, dog hy komt dikwyls teMontreal, en brengt ’er niet zelden den winter door. Maar des zomers is hy meest teQuebec, vermits daar dan de schepen aankomen die brieven medebrengen. Ook heeft hy ’er andere bezigheden. Als hy teMontrealis woont hy op het zo genaamdeSlot, het welk een groot stenen huis is. Het is ten behoeven van den Gouverneur GeneraalVaudreuilgebouwd, en hoort nog zyner familie toe, die het den Koning voor eene zekere som verhuurt. De GeneraalDe la Galissonièrehoudt meer vanMontrealals vanQuebec; ook legt de eerste plaats veel aangenamer.

Geld.

Men heeft inKanadabyna geen ander geld dan papier. Ik zag byna geen andere munt dan enige kleineFransche Sols, uit koper met een weinig zilver vermengd gemaakt. Zulk een stuk geldt hier anderhalveSol. De Briefjes waren niet gedrukt maar geschreven. Zie hier hunnen oorsprong. De Koning had gevonden, dat het, wegens kapers, schipbreuken en andere ongelukken op zee, gevaarlyk was geld ter betaling der troepen en andersins overtezenden, en had derhalven last gegeven dat de Gouverneur vanQuebecof de Kommissaris teMontreal, wanneer ’er betalingen moesten geschieden, een zeker getal van Briefjes schryven zou naar dat de som groot was. Deze Briefjes behelsden dat zy voor zo en zo veel tot de maand van October aanstaande gelden zouden. De Intendant of de Kommissaris ondertekent deze Briefjes. Zy gaan dan voor geld. In October staat het den houderen vry dezelven den Intendant teQuebecof den Kommissaris teMontrealte brengen, en ’er wisselbrieven opFrankrykvoor te nemen. De Koninglyke schatkist inFrankrykvoldoet dan deze wisselbrieven. Heeft men geen geld dit jaar inFrankrykvan doen zo kan men zyn Briefje tot den volgenden October bewaren. In October alleen kan men ze voor wisselbrieven verruilen. Zy zyn van verscheiden’ sommen, gelyk onze Bankbriefjes inZweden. Sommigen zyn van nog minder dan eneLivre. Tegen den herfst, als de koopvaardyschepen uitFrankrykaankomen, zoeken de Kooplieden zo veel van deze Briefjes byeentekrygen als ze kunnen, om ze voor wisselbrieven opFrankrykte verruilen. Deze Wissels zyn ten dele gedrukt, met openlating van den naam, de som, en diergelyken. Daar deze Briefjes allen geschreven zyn kunnen zy ligt door schelmen worden nagemaakt, het welk ook somtyds geschiedt. Dog de straffen, die hierop[106]staan, en niet zelden des misdadigers leven in gevaar stellen, maken dit zeldzaam. By gebrek van lopend geld verliezen de kopers of verkopers dikwyls een weinig, dewyl men tusschen een en tweelivresniet betalen kan, en dus moet de een of de ander iets laten vallen. EenSolis de laagste munt inKanada, en omtrent zo veel als eenPennyin deEngelscheVolkplantingen. EneLivre, of eenFranchoudt twintigSols, en drieLivresmaken eenEcu.


Back to IndexNext