Dienstboden.De loon der Dienstboden is gemeenlyk voor enen braven Knegt honderdvyftigLivresin ’t jaar, en voor ene Meid honderd. Een Ambagtsman won daags drie of vierLivres, en een gemeen Daghuurder dertig of veertigSols. Op het land waren de lonen gemeenlyk iets lager. De reden van de duurte der daghuren zeide men de schaarschheid te zyn der werklieden. Want ieder vindt hier ligt een land daar hy zig nederzetten kan, en dus behoeven weinigen anderen te dienen.Montreal.Montrealis ten opzigt der grootte en der rykdommen de twede stad vanKanada, dog ten opzigte der legging is zy de eerste. Een weinig boven de stad verdeelt zig deSt. Laurencein enige takken, en maakt dus enige Eilanden, op het grootste van de welken de Stad legt. Het is tienFr.mylen lang, en omtrent op zyn meest vier breed. Op de oostzyde van dit Eiland aan enen der grootste armen derSt. Laurencelegt de stad. Deze legging is zeer aangenaam en voordelig. De Stad is een regthoekig langwerpig vierkant, welks ene lange zyde met de Rivier evenwydig loopt. Aan de andere zyde leggen voortreflyke koornlanden, weiden, en bosschen. Zy heetMontrealnaar enen zwaren berg, die omtrent ene halve myl van de stad af legt naar het westen toe, en dien men over de bosschen heen zien kan. De HeerCartier, een der eersteFranschendieKanadawat nauwkeuriger leerden kennen, noemde ze aldus by zyne aankomst op het Eiland in het jaar 1535., terwyl hy dezen hogen berg en tegelyk de stad derWildenHoshelagabezogt. DeFranschenspreken het woordMontrealhier gemeenlykMorealuit. De Geestelyken, die alle plaatsen hier te lande wel naar den enen of anderen Heilig zouden willen noemen, hebben het ook met deze stad beproefd, en zeVille Mariegenaamd. Dog die naam heeft niet willen opnemen. De stad is tamelyk sterk, en heeft enen hogen dikken muur rondom, en aan de landzyde ene diepe grast met water, zodat zy van stropende partyen niets te vrezen heeft. Dog ene belegering zoude zy niet lang uithouden, dewyl hare grootte alteveel manschap zou vereischen om ze te verdedigen, en daarby de meeste huizen van hout zyn. Hier zyn verscheiden’ kerken, van de welken ik alleen die noemen zal die den Monnikken vanSt. Sulpitiustoebehoort, de Kerk derJesuiten, die derFranciskanen, die van ’t Nonnenklooster, en die van ’t Hospitaal. De eerste is de fraiste, zo wel van buiten als van binnen, niet alleen van[107]de Kerken hier in de Stad als van gantschKanada. De Priesters van de Kweekschool vanSt. Sulpitiushebben een groot schoon huis, waar zy by malkander wonen. Het Kollegie derFranciskanenofBedelmonnikkenis ook een goed huis dog niet zo pragtig. Dat derJesuitenis niet groot, maar wel gebouwd. By deze geestelyke gebouwen zyn schone grote tuinen, ten dele tot vermaak en gezondheid, en ten dele ten nutte der huishouding. De meeste huizen zyn van hout, dog evenwel zeer frai. Enigen zyn van steen. Meest alle de huizen der voornaamste lieden hebben ene deur aan de straat, met banken op de stoep, waar de menschen komen zitten om lugt te scheppen. De straten die in de langte lopen zyn breed en lynregt. Zy worden door de dwarsstraten in regte hoeken doorsneden. Enigen zyn geplaveid, dog de meesten zeer ongelyk. Aan den waterkant heeft de Stad twee grote en drie kleine poorten, en aan de landzyde heeft zy ’er ook verscheiden. De Gouverneur van de Stad moet zyn eigen huis betalen, hoewel enigen zeggen dat de Kroon iets tot de huur geeft. De Gouverneur Generaal woont vry op het slot, gelyk gezegd is.Nonnenklooster.In de Stad is een Nonnenklooster, en buiten dezelve legt ’er een dat het maar half is, want de Paus heeft ’er nog zyne bevestiging niet aan gegeven. In het eerste wierd geen meisje aangenomen ten zy ’er vyfhonderdecusvoor betaald werden. Enigen ontving men wel voor driehonderdecus, dog die moesten de anderen als meiden oppassen.Hospitaal.De Koning heeft een Hospitaal voor zieke Soldaten doen bouwen. De kranke kreeg daar wat hy nodig had, en de Kroon betaalde daags twaalfsolsvoor zyn onderhoud. De Heelmeesters worden van den Koning bezoldigd. Een Officier by gelegenheid van den dienst des Konings krank geworden geniet hier vryen kost en oppassing, dog zo hy buiten den dienst des Konings ziek wordt moet hy alles uit zyn zak betalen. Als in ’t Hospitaal enige plaatsen open zyn neemt men ook wel arme menschen in die niet in dienst zyn; en dezen hebben artzenyen en den Wondheelder voor niet; dog voor hun eten en andersins moeten zy daags twaalfsolsbetalen.Markten.Alle vrydagen wordt hier markt gehouden, waar men zig van allerlei voortbrengselen des lands voorzien kan, als men zelf gene Landgoederen of tuinen heeft. Gantsche zwermen derAmerikanenkomen dan ook in de Stad, om te kopen ofte verkopen.Afwyking der Naald.De Afwyking der Naald was hier 10.gr.38.min. W.De HeerGillion, een Geestelyke van veel liefhebbery voor de Wis- en Starrekunde, had in den tuin der Kweekschool ene middagslyn getrokken, die hy zeide dikwyls volgens de Zon en de Starren onderzogt en juist bevonden te hebben. Ik vergeleek zorgvuldig myn kompas met deze middaglyn, en vond de afwyking volkomen zo als ik ze opgegeven heb.[108]Volgens de waarnemingen van dien zelven Heer is de Breedte vanMontreal45.gr.27.min. N.Waarnemingen.Een ander Geestelyke, namelyk de HeerPontarion, had in ’t begin van dit jaar enige waarnemingen met den Thermometer gedaan. Hy had zig van dien vanReaumurbediend, die in een venster gehangen had dat somtyds geheel en somtyds half open stond, en gevolglyk heeft hy zelden de grootste koude van de lugt aangewezen. Ik wil echter een kort uittreksel uit zyne waarnemingen voor de wintermaanden geven. De grootste koude inJanuariwas den 18. staande toen de Thermometer op 23. gr. onder ’t vriespunt. De minste koude was den 31. staande hy toen op het vriespunt. De meeste dagen tekende hy 12. of 15. gr. onder dat punt. InFebruarihad men de grootste koude den 19. en 25. De Thermometer stond toen 14. gr. onder het punt van vorst, en de minste koude had men den 3. wanneer hy 8. gr. boven het vriespunt rees. De meeste dagen stond hy op 11. gr. onder dat punt. InMaartwas het den 3. het koudst, tekenende de Thermometer toen 10. gr. onder vorst, en den 22. 23. en 24. het warmst, stygende toen de Thermometer tot 15. gr. boven vorst. De meeste dagen stond hy 4. gr. onder dat punt. InAprilgevoelde men de grootste koude den 7. zakkende de Thermometer 5. gr. onder ’t vriespunt; den 25. was het weder het zagtst, en de Thermometer was 20. gr. boven dat punt. De meeste dagen hield hy zig op 12. gr. boven het zelve. Dog ik merkte uit de wys waarop deze waarnemingen gedaan waren, dat de koude dagelyks wel een graad of zes sterker moet geweest zyn dan hy ze aangetekend had. Ook had hy in zyn dagboek aangetekend dat het ys in deSt. LaurencebyMontrealden 3. April, en byQuebeceerst den 20. los geraakt was. Den 3. Mai begonnen zig byMontrealenige bloeisems te vertonen, en den 12. was de vorst zo sterk dat de bomen van den ryp zo wit waren als of het gesneuwd had. Voor ’t overige wierd my in ’t algemeen berigt dat het ys in de Rivier alle winters gemeenlyk een en somtyds wel tweeFr.voeten dik was.Verscheiden’ van de Geestelyken zeiden my, dat sedert het land inKanadameer bebouwd werd de zomer veel’ langer was dan voorheen. Hy komt vroeger en duurt later. Dog de koude, schoon zy zo lang niet aanhield, dagten zy even sterk te zyn. De zomers hielden zy ook voor niet heter als voor dezen. De noord en noordwesten winden zyn de koudsten teMontreal.Vertrek.Den 2. Augustus des morgens vroeg vertrokken wy vanMontrealnaarQuebecin ene schuit, ofBateau, in gezelschap van den Onder Major van Montreal, den HeerDe Sermonville. De schuit werd van twaalf Soldaten geroeid. Wy voeren deSt. Laurenceaf, die hier tamelyk breed was. Aan de linkerhand lag het Eiland vanMontreal, en[109]aan de regterhand zag men nu kleine eilanden, dan het vaste land. Het Eiland vanMontrealwas aan den oever zeer digt bewoond. Het land was vlak. De oevers bestonden uit tuinaarde, en waren omtrent een of twee vademen hoog. Het hout was langs den oever eneEng.myl ver geheel weg gehakt. De huizen waren van hout of van steen, dog allen van buiten gewit. De stallen en schuren waren allen van hout. De grond was tot koorn- of tot weilanden aangewend. Aan beide zyden der Rivier ontdekten wy stenen kerken met torens, welken allen aan dien kant der kerken stonden die naar de Rivier gekeerd was. Men hield zig hier niet aan de gewoonte van den toren aan de westzyde der kerk te bouwen. Tot op zesFr.mylen vanMontreallagen in de Rivier verscheiden’ eilanden, groten en kleinen, waarvan het grootste gedeelte bewoond werd. Zulken waarop gene huizen stonden had men egter tot akkers of weilanden gemaakt. Wy zagen den gehelen dag berg, heuvel, nog steen; het land was doorgaans vlak, en bestond uit tuinaarde.Landhoeven.Alle de Landhoeven staan inKanadaafgezonderd. By elke kerk was wel een klein dorp, dog dat bestond grotendeels uit den tuin en het huis van den Priester, de school, het kosterhuis, en zelden uit boerenhuizen. En als ’er al enige Boeren om de kerk heen by malkander woonden, lagen dog hunne landeryen afgezonderd. De Boerderyen aan deSt. Laurencestrekken zig meest in de lengte langs de Rivier, of ten minsten lagen zy niet veel van dezelve af. Tusschen de Boerderyen was gemeenlyk ene ruimte van drie of vierArpents. Enigen dezer Boerderyen hadden kleine boomgaarden, dog de meesten niet; egter had meest elke Boer enen moestuin.Menschen, die in ’t zuiden vanKanadaen naar den kant van deMissisippigereisd hadden, berigtten eenstemmig, dat daar ene menigte van schone Persiken in ’t wild wast, welken deWildenbeweerden dat daar van oude tyden af altyd gevonden geweest zyn.De Boerenhuizen zyn dikwyls van steen, dog somtyds ook van hout, en bestaan uit drie of vier kamers. Zelden vond men glas in de vensters, dog meest papier. Zy hebben enen yzeren kacchel in ene der kamers, en de voegen der wanden zyn met klei digt gemaakt. De schuren en stallen zyn meest met stro gedekt. De heiningen waren een weinig anders dan by ons.Kruissen.Hierendaar zagen wy kruissen staan langs den weg die nevens den oever loopt. Zulke kruissen vindt men veel op de wegen inKanada, en zy dienen om de godsdienstigheid der reizigers op te wekken. Zy zyn van hout en twee of drie vademen hoog. Op de zyde die naar den weg gekeerd is ziet men ’er een vierkant gat in uitgehouwen, waarin een[110]beeldtje staat of van den Verlosser, of van de Heilige Maagd, hebbende den Zaligmaker als een klein kind op den arm. Dit was met een glas bedekt om het voor de lugt, regen en stof te beschutten. De voorbygangers maken ’er een kruis voor, nemen den hoed af, of knielen. Sommigen van deze kruissen, vooral die digt by ene kerk staan, zyn opgeschikt. Alle de werktuigen, die men maar bedenken kan dat de Joden by ’t lyden van den Heiland gebruikt hebben, vindt men ’er by. De Haan vanPetrusstaat dikwyls ten oosten van het kruis.De Landsdouw.Het land, dat wy dezen dag zagen, gaf een vermakelyk uitzigt. Het was genoeglyk te zien hoe wel en sterk het bewoond was. Het scheen een gedurig dorp te zyn, dat byMontrealbegint en totQuebec, ene langte van dertigZweedschemylen, zo niet verder, duurt. Weinige plaatsen waren ’er maar waar de Boerderyen meer dan drie of vierArpentsvan malkander verwyderd lagen. Op zulke plaatsen, daar de Rivier ene myl of twee lynregt loopt, was het gezigt vooral verrukkelyk; en dan schenen de huizen in de verte vlak naast malkander te staan.Kleding der Boerinnen.De Boerinnen inKanadadragen altyd een soort van kappen, die meest agter over geslagen zyn, en dikwyls in den nek hangen. Hare jakken zyn kort; de rokken zyn nauw en komen pas halfwege de benen. Om den hals hebben zy gemeenlyk een zilveren kruis afhangen. Sommigen zyn zeer naarstig; dog ik heb ’er ook gezien die niet veel meer uitvoerden dan deEngelscheVrouwen in dit werelddeel gewoon zyn, en den gantschen dag zaten te gapen en te snappen. By het beuzelen door het huis, en ’t drentelen van de eene kamer in de andere, zyn zy, en vooral de ongetrouwden, zeer gewoon een liedtje tusschen de tanden te neurien, daar vry wat vanamourencoeurin komt. By de Boeren was het de gewoonte dat als de Man gasten had en aan tafel zat de vrouw agter zynen stoel stond om hem te dienen. Maar in de steden zyn de Vrouwen meer in aanzien, en zy staan daar naar geen minder gezag dan dat van de Mans. Als zy uitgaan of op reis zyn dragen zy enen groten mantel, dien zy over hare klederen heen slaan. Deze mantels waren of grauw, of bruin, of blauw. Zy gaven in grootte onzen mansmantels niet toe. Somtyds bedienden zig de Heren wel van deze vrouwenmantels, als zy uit waren en van den regen overvallen wierden. Onder deze mantels konden de vrouwen zeer verwaarloosd gekleed uitgaan.Molens.Wy zagen hierendaar windmolens staan, die meest van onderen van steen en van boven met planken gedekt waren, kunnende het dak met de wieken naar den wind gedraid worden.De Rivier was niet overal even breed. Hier en daar was zy byna tweeEng.mylen en op anderen pas een vierde van zulk ene myl[111]breed. De oever was somtyds hoog en steil, somtyds laag en gloijend.Om drie uur na den middag voeren wy de plaats voorby waar de Rivier die uit het MeerChamplainkomt zig in deSt. Laurencestort, in ’t midden van de welke hier een groot Eiland lag, het welk de Jagten aan de zuidzyde omvaren, dewyl daar de Rivier het diepst is, dog de schuiten kiezen de noordelykste doorvaart, om dat die weg korter, en ’er voor haar waters genoeg is. Behalven dat Eiland lagen ’er nog verscheiden’ anderen, die allen bewoond waren. Verder weg, en voor dat wy aanLac St. Pierrekwamen, was het land aan beide zyden der Rivier onbewoond, vermits het zo laag was dat het gedurig overstroomd zou zyn. Dog lager, daar het hoger is, is het even zo bebouwd als het geen wy voorby gevaren waren.Lac St. Pierre.Lac St. Pierreis een wyde boezem, dien deSt. Laurencemaakt. Wy konden hier nauwlyks iets als hemel en water zien. Men zegt dat dit Meer zevenFr.mylen lang en drie breed is. Als men ’er midden op is vertoond zig van verre naar het westen een land, dat over de bosschen heen kykt. Hierendaar zag men grote plaatsen vol van een soort van biezen, byLinnæusScirpus palustris. Omtrent dit Meer ziet men nergens huizen of bebouwde landen, vermits het land overal te laag is en het in ’t voorjaar onderloopt, zo dat men met schuiten tusschen de bomen kan doorvaren. Maar op enigen afstand van het Meer, waar het land wat hoger is, leggen de Boerderyen, de ene naast de andere. Wy zagen dezen dag gene eilanden, dog den volgenden werden wy ’er enigen gewaar.Des avonds laat verlieten wy hetLac St. Pierre, en roeiden enen kleinen stroom op,La Rivière des loupsgeheten, om een huis te vinden waar wy den nagt konden overbrengen. Na dat wy eneEng.myl geroeid hadden begon het land aan beide zyden van den stroom bewoond te worden. De oever was enigsins hoog, en het land vlak. Wy overnagtten in een Boerenhuis. Tot hiertoe waren wy binnen ’t Regtsgebied vanMontrealgeweest, en hier begon dat van den Gouverneur vanTrois Rivières, van welke plaats wy nu agtFr.mylen af waren.Den 3. Aug. om vyf uur des morgens gingen wy weer op reis, eerst het kleine Riviertje af, en daarna langs hetLac St. Pierre. Na enigen tyd zagen wy van verre in ’t noordwesten ene lange ry van hoge bergen, die boven het lage land zeer hoog uitsteken. Op den noordwestelyken oever was het Meer op de meeste plaatsen tamelyk digt bewoond. Dog aan de zuidoosterzyde zag men gene Boerdery, en maar alleen een laag met houtbedektland, dat somwylen onderloopt, maar agter het welk verscheiden’ Landhoeven gezegd worden te leggen. Daar het Meer ten einde loopt wordt de Rivier weder smal, zo dat zy niet boven anderhalve[112]Eng.myl breed is, en verder weg wordt zy nog smalder. Van het einde des Meers totTrois Rivièresrekent men drieFr.mylen. Om elf uur voor den middag kwamen wy daaraan, en woonden ’er den godsdienst by.Trois Rivières.TroisRivièresis een klein vlek, gelykende wel naar een groot dorp. Men rekent het onder de drie steden vanKanada, te wetenQuebec,Montreal, enTroisRivières. Het legt in ’t midden tusschen de twee eerst genoemden, dertigFr.mylen van elke. De plaats legt aan de noordzyde derSt. Laurence, op ene vlakke dog wat verhevene zandbank. De legging is zeer aangenaam. Aan de eene zyde loopt de Rivier, die hier anderhalveEng.myl breed is, en aan de andere wordt de plaats door schone landeryen omgeven, schoon de aarde merendeels zandig is. Men vindt hier twee stenen kerken, een Nonnenklooster en een huis voorFranciskanerMonnikken. Hier is ook de verblyfplaats van den derden Gouverneur, die inKanadais. Zyn huis is ook van steen. De meeste andere huizen zyn van hout, ene verdieping hoog, middelmatig gebouwd, en staan verstroid. De oever is louter zand, en tamelyk verheven. By sterken wind wordt dit zand zo opgejaagd dat men werk heeft uit de ogen te zien. De Nonnen, waarvan men ’er omtrent tweeëntwintig telde, werden voor zeer handig in allerlei vrouwelyke handwerken gehouden, als nayen, borduren, en diergelyken. Voorheen bloeide deze plaats boven de anderen, dewyl deWildenvan alle kanten hier met hunne waren t’zamen vloeiden. Maar sedert dat dezen, zo wel van wege den oorlog met deIroquoizen, als om andere oorzaken, begonnen hebben ten dele naarQuebecenMontreal, ten dele naar deEngelscheVolkplantingen te gaan, is haar welstand afgenomen. Thans bestaan de Ingezetenen voornamelyk van den landbouw. Ook trekken zy enig voordeel van de naby gelegen yzerwerken. Omtrent eneEng.myl beneden de plaats valt een andere grote Rivier, die zig daar aan haren mond in drie takken verdeelt, in deSt. Laurence, zodat het in ’t voorbyvaren schynt als of zig hier drie Rivieren ontlastten. Dit heeft aanleiding gegeven om die Rivier, en de een weinig van daar gelegene Stad,Trois Rivièreste noemen.Eb en vloed.De eb en vloed doen zig in deSt. LaurenceeneFr.myl bovenTrois Rivièresbemerken, schoon zo weinig dat men het nauwlyks bespeurt. Dog in den tyd als dag en nagt even lang zyn, in de lente en in den herfst, gelyk ook by nieuwe en by volle maan, is het verschil tusschen eb en vloed twee voet.Gevolgelyk gaat de vloed en eb vry hoog de Rivier op, want men is hier langs deSt. Laurenceomtrent honderdvyftigFr.mylen van zee.Yzerwerken.Terwyl myne reisgezellen hier uitrustten, steeg ik te paard om het Yzerwerk alhier te bezigtigen. Het land, dat ik doorreed, was tamelyk[113]hoog, zandig, en meest vlak. Ik vernam gene stenen, en veel minder enige bergen.Dit Yzerwerk, het enige dat men hier te lande vindt, legt drieFr.mylen ten westen vanTrois Rivières. Men had hier twee grote hamers, en by elk van dezen enen kleinen, allen onder het zelve dak. De blaasbalgen waren van hout; en voor het overige was alles even als inZweden. De smeltoven stond nevens de hamers, en was even als by ons. Het erts haalt men derdehalveFr.myl van het Yzerwerk af, en wordt des winters met sleden derwaards gebragt. Het is een zeker soort van erts het welk in aderen in den grond legt,85welk omtrent enen voet onder de bovenste korst der aarde al slingerende lopen. Elke ader is van zes tot agttien duim diep, en onder dezelven is een wit zand, het welk dezelven omvangt; boven op legt ene tuinaarde. Dit erts is tamelyk overvloedig. Men vindt het in losse klompen in de aderen ter grootte van ene of twee vuisten. Dog enigen zyn veel groter. Het erts kan tusschen de vingers fyn gewreven worden. Men gebruikt om het smelten te bevorderen enen grauwen kalksteen, die hier in de nabuurschap valt, gelyk ook een zeker mergel. Kolen kan men hier in overvloed hebben dewyl ’er rondom veel hout wast, het welk van onheuglyke tyden herwaards ongestoord gestaan heeft. De kolen die men uit bomen brandt welken altyd groen blyven houdt men voor de besten om te smeden, dog die van bomen die hun loof vallen laten zyn beter voor de smeltovens. Het yzer dat men hier smeedt wordt van allen als week en buigzaam beschreven, zo dat het niet ligt valt het te breken; ook wil men dat het niet ligt roest. In deze opzigten is ’er by den scheepsbouw een groot verschil tusschen dit en hetSpaanscheyzer. Dit yzerwerk werd in het jaar 1737. van byzondere personen opgerigt, die het naderhand den Koning hebben afgestaan. Men giet hier kanonnen en mortieren van verschillende grootte, kacchels, die in gantschKanadain gebruik zyn, ketels, en andere dingen. Ook smeedt men hier yzeren staven. Men heeft ook beproefd staal te maken, dog dit heeft nog niet willen gelukken, dewyl men de konst niet regt verstond. Men vindt hier verscheiden’ Opzigters, die in fraye huizen wonen. Dog in ’t algemeen wierd gezegd dat de winst de kosten in lange niet konde opwegen. Dit schreef men daaraan toe dat het land nog niet genoeg bewoond was, zo dat het kleine getal inwoonders genoeg met den landbouw te doen heeft, en men gevolgelyk werk heeft van menschen te vinden om in het yzer te arbeiden. Dog met dit alles kan ik kwalyk begrypen dat de Koning hierby[114]kan verliezen, aangezien den overvloed, en de smeedbaarheid van het yzer, en de nabyheid van de plaats waar het erts gevonden wordt. Het yzer is goed, en kan gemakkelyk door het land verspreid worden; en het gehele land moet zig hier van yzer voorzien. De Bedienden schenen hier niet kwalyk te varen. Het yzerwerk heeft door enen stroom gemeenschap met deSt. Laurence, langs dewelke men al het werk gemakkelyk met vaartuigen kan vervoeren. Des avonds keerde ik weder naarTrois Rivièresterug.Vertrek.Den 4. Augustus des morgens by ’t aanbreken van den dag gingen wy weder op reis. Het land aan de noordzyde der Rivier was enigsins verheven, zandig en overal digt aan de Rivier sterk bewoond. Men zeide dat het ook aan de zuidoostelyke zyde even zo wel bebouwd was, schoon men van de Rivier niets dan bosch zag. Men woont daar wat meer landwaards in, om dat het land digt by de Rivier laag is en somtyds onderloopt. ByTrois Rivièreswas deSt. Laurencewat smalder geworden, dog zy wierd wat lager weer breder, zelfs tot meer dan tweeEng.mylen.Wy zagen dien dag verscheiden’ stenen kerken, waarvan sommigen zeer wel gebouwd waren. Het land was aan weerskanten der Rivier sterk bewoond, tot op drie vierden van eneEng.myl, dog verder beginnen de bosschen en de wildernissen. Maar alle de rivieren en beken, die in deSt. Laurencevallen, zyn ook wel bewoond. Ik merkte op dat de bebouwde landen inKanadavlak nevens de rivieren lagen, uitgenomen by de steden, om welken heen enige mylen ver de landen bebouwd waren. Op de meeste eilanden in de Rivier woonden ook menschen. De oevers begonnen nu zeer hoog, en steil te worden, hoewel zy meest uit aarde bestonden. Hierendaar viel een beekje in de Rivier, onder welken ’er een was dat was dat deFranschenRivière puante86noemen, ’t welk omtrent tweeFr.mylen benedenTrois Rivièresin deSt. Laurence, aan derzelver oostelyke zyde, valt. Op dit water legt een weinig hoger een steedjeBecancourtgenaamd.DeAbenaki.Deze plaats wordt alleen van eenAmerikaanschvolk,Abenakigeheten, bewoond, welken tot den Roomschen Godsdienst overgegaan zyn, enJesuietschePriesters hebben. Van verre noordwestwaards zag men ene ry van hoge bergen, lopende van ’t zuiden naar ’t noorden, en boven al het land, dat doorgaans vlak was, heen kykende.Kalkovens.Men had op de Rivier hier enige kalkovens aangelegd. Den kalksteen groef men hieromstreeks in enigsins hoger gronden. Hy was digt en grauw, en gaf enen witten kalk.Granen.De landen zyn hier voornamelyk bezaid met weit, haver, mais en erwten. Kawoerden en watermeloenen waren ’er in menigte by de hoeven. Men at hier te lande niets dan weitenbrood.[115]EenHummingbirdof Bloemzuigertje vloog door het kreupelhout op ene plaats daar wy heden aan land gegaan waren. DeFranschennoemden hemOiseau mouche,87en zeiden dat hy inKanadavry gemeen is. Ik zag ’er naderhand nog enigen van byQuebec.Om vyf uur na den middag wierden wy door enen sterken tegenwind en regen gedwongen ons nagtverblyf te nemen. Ik merkte dat hoe meer menQuebecnaderde het land des te vryer werd. Wy waren nu twaalfFr.mylen van die plaats af.Visschery.Hier was ene zeer byzondere wys om visch te vangen in gebruik. Men plaatst kleine heggen van zamengevlogten rys, zo digt dat ’er geen visch door kan, en van enige voeten hoog, naar dat het water diep is, digt by den oever. Tot dit einde kiest men zulke plaatsen daar by de eb al het water wegloopt, zo dat de heggen dan droog staan. Binnen dezelven legt men verscheiden’ fuiken, van onderen wyd, staande overeind, en derdehalve el hoog en iets minder wyd. Onder in dezelven is de ingang voor de visschen, gemaakt van rys, en somtyds van garen. Aan het andere einde, gekeerd naar den kant waar de stroom van daan komt, is een andere ingang, gelyk de eerste, die naar een soort van planken hok geleidt, omtrent vier voet lang, twee diep, en twee breed. By elke fuik is ene heg, lopende schuinsch naar de grote heg, welke den visch naar de fuik moet leiden. Als het water nu hoog is zwemt de visch, byzonderlyk de aal, de rivier op, dog by de eb wordt hy naar beneden gedreven, en stuit dan tegens deze heggen, welke hy zo lang volgt tot dat hy in het hok komt. Het hok heeft boven ene opening met een deksel ’er op, waar door men den visch uitneemt. Deze visschery was voornamelyk voor de alen gemaakt. Op vele plaatsen had men netten in plaats van heggen.De oevers der Rivier bestonden hier niet meer uit aarde, maar uit een soort van lei. Zy waren buitengemeen hoog en steil. De lei was zwart, trekkende wat naar het bruine. Zy was zeer brosch, zo dat men ze met den vinger aan stukken breken kon, en lag in lagen, dewelken zig egter zo verdelen lieten dat zy niet breder waren dan de rug van een mes. Aan de lugt blootgesteld viel zy in kleine stukken. De gantsche oever lag vol van een fyn zand, ontstaan uit deze vermolmde leyen. Enige beddingen liepen horizontaal, anderen een weinig schuinsch, zo dat zy aan ’t noorden een weinig hoger waren dan aan ’t zuiden, en dikwyls net in ’t tegendeel. Hierendaar maakten zy bogten gelyk als halve cirkels. Somtyds wierden de beddingen ter diepte van enige ellen door ene loodregte lyn doorsneden, zo dat de leyen op de zyden dier lyn ’er als een gladde muur uitzagen. Op sommige[116]plaatsen vond men tusschen de leyen ene laag ter dikte van omtrent vier duim, van enen grauwen, digten, tamelyk weken kalksteen, uit den welken deWildenvan overoude tyden her hunne tabakspypen maakten, gelyk deFranschennog tegenswoordig doen.88Den 5. zetteden wy onze reis des morgens voort, al roeyende, dewyl wy enen harden wind tegen hadden. Het land behield de gedaante die wy beschreven hebben. De oevers waren hoog en steil, en bestonden uit de gemelde zwarte lei. Het land was vlak, en aan de Rivier tot op enigen afstand toe landwaards in digt bewoond. Wy ontmoetten gene eilanden; dog op sommige plaatsen lagen grote stenen in de Rivier, die men by laag water zien kon. Op deze stenen zyn verscheiden’ vaartuigen verongelukt. De breedte der Rivier bedraagt somtyds meer dan drievierden van eneEng.myl, somtyds ene halve, en somtyds meer dan twee mylen. Op verscheiden’ plaatsen vindt men zulke aalvisscheryen als wy beschreven hebben; en men bediende zig ten dien einde op vele plaatsen van netten in plaats van gevlogten rys.Wandluizen.Wandluizen zyn ’er overvloedig inKanada, en ik ontmoette ze overal waar ik huisvestede, zo wel in de steden als op het land. Men wist ’er geen ander middel tegen dan geduld te nemen.Krekels.DeKrekelszyn hier overal menigvuldig, vooral op het land, daar zy in de schoorstenen zitten. Ook vindt men ze in de steden. Zy blyven hier zomer en winter, en byten de klederen dikwyls voor tydverdryf aan stukken.Nader byQuebecworden de oevers meer gloyend. Noordwaards vertoonde zig ene ry hoge bergen. Omtrent derde halveFr.myl van die Stad wordt de Rivier zo smal, dat zy niet boven enen musketschootQuebec.breed is. Het land aan beide zyden liep schuinsch op, was bergagtig, boschryk, en vol klippen. Des avonds om vier uur kwamen wy teQuebec. Wy konden de stad niet zien voor dat wy ’er vlak by waren, nadien een hoge berg ons het gezigt ’er van benam. Egter ontdekt men van verre een stuk van de vestingwerken die op den berg leggen. Zodra de SoldatenQuebecin ’t oog kregen, riepen zy dat allen die hier noit geweest waren gedoopt moesten worden, ten zy zy een drinkgeld gaven. Dit was een gebruik hier te lande, aan het welk zelfs de Gouverneur Generaal zig onderwerpen moest. Wy hadden gene reden ons hier tegen te verzetten, en de roeyers by hunne[117]aankomst voor hunnen zwaren arbeid niet enen vrolyken avond te gunnen.Terstonds by myne aankomst in de stad bragt my de Officier, die my vanMontrealbegeleid had, naar het slot, by den toenmaligen Vice Gouverneur Generaal, denMarquisLaGalissonière. Dit was een Heer van ongemene verdiensten, die my gedurende myn gehele verblyf alhier met uitmuntende goedheid bejegende. Hy had reeds kamers voor my doen bestellen, en droeg zorg voor alles wat wy van doen mogten hebben. Ook had ik dagelyks de eer by hem ter tafel verzogt te worden.Quebec, de Hoofdstad vanKanada, legt op den westelyken oever derSt. Laurence, op een uitstek lands, gemaakt van die Rivier aan het oosten, en de RivierSt. Charlesaan het noorden. Zuidwaards wordt de berg waarop de stad legt nog hoger, en agter denzelven beginnen grote weiden; westwaards strekt zig de berg nog een stuk wegs uit. Men verdeelt de stad in enehogeen enelage stad.89Het gemelde uitstek lands is uit de modder, door de Rivier van tyd tot tyd aangespoeld, en ene rots ontstaan, welke daar legt, en niet uit ene langzame afneming van ’t water. De hoge stad legt boven de andere op den berg, en is vyf of zes maal groter dan de lage, dog niet zo sterk bewoond. De berg waarop de bovenstad legt is hoger dan de huizen der benedenstad, schoon die van drie of vier verdiepingen zyn: als men uit het Slot naar de benedenstad, die ’er vlak onder legt, afziet, is het om duizelig te worden. En van daar naar het Slot om hoog ziende, schynt dat in de lugt te staan. Daar is maar een toegang van de benedenstad naar boven, zynde een deel van den berg in de lugt gesprongen. Deze toegang is zeer steil, schoon hy krom loopt. Egter rydt men hem met wagens op en af. In de lage stad wonen byna alle de kooplieden. De huizen staan daar digt by een. De straten zyn nauw, ongelyk en haast altyd vogtig. Men vindt ’er ene kerk en ene marktplaats. In de hoge Stad wonen de aanzienlykste lieden, behalven verscheiden amptenaars en ambagtsgezellen. Ook staan hier de voomaamste gebouwen, waaronder de volgenden de aanmerkenswaardigste zyn.I. Het Slot. Dit is aan den zuidkant van den berg gelegen, waar hy zeer steil is, vlak boven de benedenstad. Eigenlyk is het geen kasteel, maar een langwerpig gebouw van steen, twee verdiepingen hoog, en strekt zig van ’t zuiden naar ’t noorden. Aan de westzyde is een hof, met enen muur en huizen omringd. Oostwaards tegens de Rivier aan is ene gallery even zo lang als het gebouw zelf, omtrent enen vadem breed. Zy is met gladde stenen bestraat, en aan den buitenkant met[118]yzeren tralien omgeven, zo dat men van daar in de stad en langs de Rivier zien kan. Hier gaat men gemeenlyk na den maaltyd zig een weinig vertreden. Ook wagten hier die genen welken den Gouverneur spreken moeten tot dat het hem gelegen komt. In dit Slot woont de Gouverneur Generaal van geheelKanada, voor het welk dagelyks ene sterke wagt optrekt, en als de Gouverneur of Bisschop voorbygaat komt de wagt in ’t geweer, en wordt de trom geroerd. De Gouverneur heeft op het Slot zyne kapel waarin hy zyne gebeden doet, schoon hy dikwyls ook in de stad in de kerk der Barrevoeters de Misse bywoont.II. Zyn hier zeven of agt kerken, allen van steen gebouwd, namelyk.1. DeHoofdkerk, leggende aan de regterhand als men uit de benedenstad in de bovenstad komt, een weinig voorby het Hof van den Bisschop. Men was thans bezig om ze schoonder dan voorheen te maken. Zy heeft aan de westzyde enen ronden toren met twee verdiepingen, in de onderste van welken de klokken hangen; aan de oostzyde is ook een klein rond torentje. De preekstoel is verguld. De banken zyn frai.2. DeJesuieten Kerk, zynde ene kruiskerk, en hebbende enen ronden toren. Deze was de enige kerk in de stad die een uurwyzer en slag had.3. De kerk derBarrevoetersof derRecollecten, leggende vlak over de poort van ’t slot. Zy ziet ’er vry wel uit, en heeft enen enigsins hogen spitsen toren en een klokkenhuis.4. De kerk derUrselinen, hebbende enen ronden spitsen toren.5. DeHospitaalkerk.6. De Kapel des Bisschops.7. De Kerk in de benedenstad, gebouwd in ’t jaar 1690. na dat de Stad van deEngelschenvry geraakt was. Zy wordtNôtre Dame de la Victoiregenoemd. Zy heeft eenen kleinen vierkanten toren, van boven rond, midden op het dak.8. De kleine Kapel van den Gouverneur op het Slot, welke ook voor ene Kerk kan gerekend worden.III. Het Huis van den Bisschop, welk het eerste is dat men aan de regterhand ontmoet, als men van de benedenstad naar de hoge Stad gaat. Het is een frai groot gebouw, met enen moestuin, die in zyne muren legt.IV. Het Kollegie derJesuieten, dat ik op ene andere plaats breedvoeriger beschryven zal. Het ziet ’er pragtiger uit dan het Slot zelfs, dog legt zo aangenaam niet. Het is byna viermaal zo groot als het Slot, en het schoonste gebouw van de Stad. Het legt aan de noordzyde van ene marktplaats, aan welker zuidzyde de Hoofdkerk staat.V. Het Klooster derBarrevoeters, leggende westwaards nevens het[119]Slot, vlak daar over. Het is een groot gebouw met enen frayen tuin. Het huis is twee verdiepingen hoog, op elke van welken een lange gang is met cellen.VI. HetHôtel Dieuzal ik nader beschryven. De Nonnen die de zieken oppassen zyn van de Augustyner order.VII. HetHuis der Geestelykheid90is een groot gebouw aan de noordoostzyde der Hoofdkerk. Aan den enen kant heeft het enen ruimen hof, en aan den anderen, tegens de Rivier aan, enen groten boomgaard en moestuin. Geen van alle de gebouwen in de Stad heeft een zo bekoorlyk uitzigt als ’er in dien tuin is, waarvan men benedenwaards in de Rivier en alomme heen over ’t land ver weg ziet. DeJesuietenin tegendeel hebben geen uitzigt ter wereld. Ook kunnen zig deBarrevoetersover het hunne niet zeer beroemen. In dit gebouw wonen alle de Geestelyken der Stad met hunnen Opzigter by malkander. Zy bezitten hier inKanadaop vele plaatsen grote landeryen, die hun door de Regering geschonken zyn, van de welken zy de inkomsten genieten, waaruit zy rykelyk bestaan kunnen.VIII. HetNonnenklooster der Urselinen, zal ik beneden nader beschryven.Meer openbare huizen van enig aanzien vindt men hier in de Stad niet, dog noordwest even buiten dezelve legt het huis van denIntendant, een openbaar gebouw, zo groot en aanzienlyk dat het wel voor een Slot zou kunnen doorgaan. Het is met blik gedekt, en staat in ene twede benedenstad, welke zuidwaards op de RivierSt. Charleslegt, en heeft aan de noordzyde enen schonen en groten tuin. Hier worden alle de beraadslagingen die het land in ’t algemeen raken gehouden, en de Heren die ’t bestier vanregts-en burgerlyke zaken hebben vergaderen hier. DeIntendantzit als dan voor. Dog als het zaken van groot gewigt zyn komt ’er de Gouverneur zelf. Aan de ene zyde van dit gebouw is het Magazyn der Kroon, en aan de andere het Gevangenhuis.DeHuizenzyn hier doorgaans van steen. In de bovenstad hebben zy gemeenlyk maar ene verdieping, alleen de openbare gebouwen uitgenomen. Hier en daar stonden nog enige houten huizen; dog als die bouwvallig worden mag men ze niet vernieuwen. De stenen huizen en de kerken zyn niet van tichelstenen, maar van de zwarte kalkleyen, waaruit de berg daarQuebecop legt bestaat, gebouwd. Als men deze leyen uit den berg haalt zyn zy in ’t eerst zo vast dat zy niet afschilferen. Maar als zy enigen tyd in de lugt geweest zyn beginnen zy zig in dunne schyven te verdelen. Deze steen is week, en ligt te bearbeiden. De muren rondom de Stad en om de tuinen in dezelve bestaan ook grotendeels[120]uit dezen steen. De daken der openbare gebouwen zyn met gemene leyen gedekt, welken men uitFrankrykherwaards brengt, dewyl ’er hier te lande genen van dat soort gevonden worden. Deze leyendaken hebben het enige jaren tegens de lugt en ’t weder goed gemaakt, en zyn nog in staat. De andere huizen zyn meest met planken gedekt, leggende of met de sparren evenwydig dwars over dezelven heen. De hoeken der huizen en de posten der vensters waren dikwyls van enen grauwen fynen kalksteen, die sterk ruikt.91Deze steen was op sommige plaatsen beter dan de zwarte kalkleyen, die in de lugt altyd in schyven vallen. De meeste huizen waren van buiten gewit. De vensters sloegen meest allen naar binnen open, dat veel plaats in de kamers wegnam. Des winters bediende men zig op sommige plaatsen van dubbelde vensters. Men verwarmde de vertrekken met kleine yzeren kacchels. De vloeren waren zeer morssig, en wierden niet meer dan eens in ’t jaar gezuiverd.Het Buskruidmagazyn staat op het hoogste van den berg waarop de Stad legt, een weinig ten zuiden van het Slot.De straten in de bovenstad zyn breed genoeg, dog zeer oneffen door dien de Stad op enen berg legt, zo dat het hier lastig is te gaan en te ryden. De zwarte kalklei steekt hare scherpe hoeken dikwyls omhoog, het welk de schoenen schrikkelyk slyt. Voor ’t overige heeft men gene regelmatigheid by ’t aanleggen der straten gebruikt, zo dat zy krom en dwars lopen.Grootte.De menigte van tuinen, die zo wel by de byzondere huizen als by de kloosters zyn, maken dat de Stad vry groot schynt, dog dat zy geen zeer groot getal van huizen bevat. Van ’t zuiden naar het noorden is zy zeshonderd, en van den oever aan de benedenstad tot aan den westelyken muur driehonderd vyftig of vierhonderdToiseslang. Dog deze gehele ruimte is niet bewoond; aan de zuid en aan de westzyde zyn digt aan de muren grote opene plaatsen, waar tegenswoordig gene huizen staan, en die men betimmeren kan indien de Stad in ’t vervolg meer inwoonders krygt.De Bisschop.De Bisschop, die hier zynen zetel houdt, is de enige in gantschKanada. Zyn gebied strekt zig uit totLouisiana, de Bai vanMexikoen deZuid Zee. Geen Bisschop, uitgenomen de Paus, had oit een uitgestrekter Bisdom. Dog de geestelyke schapen, die zyne stemme horen, zyn op zekeren afstand vanQuebeczeer weinig in getal, en houden zig dikwyls enige honderd mylen ver van malkander op.[121]Handel.Quebecis de enige zee- en handelplaats vanKanada, van waar alle de waren die naar buiten gaan worden afgezonden. De haven is op de Rivier onder de Stad. DeSt. Laurenceis daar omtrent een vierde van eneFr.myl breed en vyfentwintig vadem diep. De grond is goed om te ankeren. Men legt ’er voor alle stormen in zekerheid. De noordoosten wind is hier de gevaarlykste. Toen ik aankwam telde ik dertien vaartuigen, groten en kleinen t’zamen genomen, en men verwagtte ’er nog meer. Dog men moet aanmerken dat gene andere danFranscheSchepen hier komen mogen. Egter konnen ’er velen zyn, die uit verscheiden havens zo inFrankrykals in deFransche AmerikaanscheEilanden komen. VeleFranscheKooplieden uitMontreal, na meer dan een half jaar onder deWildente hebben gereisd, om pelteryen op te kopen, van waar zy gemeenlyk op het einde van Augustus terugkomen, begeven zig van daar in September en October naarQuebec, om daar hunne waren aftezenden. Dus zoude men denken dat de StadQuebecuit hoofde van dit voorregt van alles te verzenden, zeer ryk moest zyn, dog velen zeiden dat dit zo niet was. Enigen, stond men toe, waren wel gegoed; maar de meesten bezaten niet boven het geen zy noodwendig tot hun onderhoud van noden hadden, en zeer velen waren diep in schulden. Dit schreef men aan de pragt toe, willende de een voor den ander niet onder doen. De Kooplieden hielden veel van zig kostbaar te kleden, lekker te eten en te drinken, vele schotels op tafel te hebben, en grootsch te leven. De Vrouwen gingen alle dagen zo opgeschikt als moesten zy aan ’t Hof wezen.Sterkte.De Stad is rondom, en byzonderlyk aan de landzyde, door enen hogen muur omringd, die nog niet geheel voltoid was, dog men arbeidde sterk ’er aan. De muur werd ten dele van de voorheen gemelde zwarte kalkleyen, en ten dele van enen grauwen zandsteen gemetseld. By de poorten gebruikte men enen grauwen kalksteen. Aan den waterkant had men nog gene muren aangelegd, dog de natuur heeft daar de plaats vry sterk gemaakt, dewyl de berg daar niet wel te beklimmen is. Buiten dat heeft men hier geschut geplant, zo dat het genoegzaam ondoenlyk is met vaartuigen voor de Stad te komen, zonder in den grond geschoten te worden. Aan de landzyde leggen ook hoge bergen. Dus schynt de plaats, en door de natuur en door de konst, vry wel versterkt.Lotgevallen.Quebecwierd door den GouverneurSamuel de Champlainin het jaar 1608. aangelegd. De Stad nam langzaam toe. In ’t jaar 1629. maakten ’er zig deEngelschen, onderLewisenThomas Kerk, met verdrag meester van. DeEngelschenvondenQuebecen gantschKanadain zulk enen staat van gebrek aan noodwendigheden, dat zy daar veeleer als vrienden dan als vyanden ontvangen wierden. De genoemdeKerkswaren broeders van den AdmiraalDavid Kerk, die met zyne vloot een weinig lager lag.[122]In ’t jaar 1632. werdQuebecte gelyk metKanadaby den vrede aan deFranschenteruggegeven. Aanmerking verdient het, dat men in dien tyd inFrankrykin overweging nam of het der moeite wel waard wezen zoudeKanadavan deEngelschenterug te vorderen. De meesten oordeelden dat men het niet terug moest eischen, dewyl het een koud gewest was, de uitgaven de inkomsten ver te boven gingen, en datFrankrykeen zo uitgestrekt land niet van inwoonders voorzien kon zonder zig zelf uitteputten, gelyk aanSpanjegebeurd was. Beter was ’t het volk inFrankrykte houden, en het aantemoedigen tot het beoeffenen van allerlei handwerken, waardoor deEuropers, die inAmerikavolkplantingen hadden, genoodzaakt zouden worden om met hunne waren in deFranschehavens te komen ten einde daar deFranschehandwerken te halen. Dog zulken die wat verder dagten waren van oordeel, dat de lugtstreek zo ruw niet was, en dat ’er grote misslagen door de Maatschappy begaan wierden, waardoor de uitgaven zo hoog liepen. Men moest, zeiden zy, niet ene grote menigte volks op eenmaal, dog allengskens enige weinigen te gelyk, zo datFrankrykhet niet voelen kon, overvoeren. Daar was grond om te hopen dat dit Land met den tydFrankrykmagtig zou maken, dewyl ’t het volk gelegenheid geven zou van zig op de zeevaart, deharing-, dorsch-, walvisch-en robbenvangst toe te leggen. Dus zou dit land in een zeker opzigt ene school voor zeevolk worden. Voorts vertoonden zy wat voordelen ’er gelegen waren in ’t bezit van zo velerhande soorten van pelteryen, in de bekering der Heidenen, en in zo grote bosschen, waaruit men scheepstimmerhout halen kon. En al trok men ’er geen ander voordeel van, zo vorderde nogthans het belang vanFrankrykdoor ’t bezit van dit Land den aanwasch van de magt derEngelscheninAmerikate hinderen, en dus hun toenemend vermogen, dat voorFrankrykanders onverdraaglyk stond te worden, palen te zetten. De tyd heeft geleerd dat deze lieden een goed inzigt in de zaak gehad, en den grond gelegd hebben voor den aanwas van de magt derFranschen. O! hadden wyZwedende zaak ook dus ingezien, toen wy in ’t bezit vanNieuw Zweden, het beste van alle de gewesten vanNoord Amerika, waren! Een wys en voorzigtig man ziet niet alleen op het tegenwoordige maar ook op het toekomende.In ’t begin vanFebruari1663. gevoelde men teQuebec, en in een groot deel vanKanada, die zware aardbeving waarvan men nog de tekens zien kan. Dog geen mensch verloor ’er het leven by.In October 1690. wierdQuebecdoor denEngelschenGeneraalWilliam Phibsbelegerd; dog hy moest na enige dagen met groot verlies aftrekken. DeEngelschenpoogden wel enige reizen de geledene schade te boeten; dog deSt. Laurenceheeft altyd getoond enen goeden[123]voormuur voorKanadate zyn, en dat een onervarene en een vyand dezelve niet ligt opvaart zonder schade te lyden. Op enigen afstand vanQuebecis zy vol van verborgen’ klippen; de stroom is ’er geweldig; en de schepen zyn op vele plaatsen genoodzaakt dikwyls te wenden.Naam.De Stad wordt gezegd haren naam van eenNormanschwoord, wegens hare legging op een uitstek lands, te ontlenen. Als men op de Rivier byIsle d’Orleansis kan men deSt. Laurenceboven de stad niet zien, en de RivierSt. Charles, die beneden de stad loopt, schynt het vervolg van deSt. Laurencete zyn. Dog wat hoger opkomende ziet men den regten loop derSt. Laurence, die op ’t eerste gezigt naar enen groten zeeboezem of den mond ener rivier gelykt. Dit had enen der Matrozen die dit gezigt onverwagt in ’t oog viel aanleiding gegeven van in zyne spraak uitteroepen,Que bec!dat iswat een uitstek lands!En hiervan meent men dat de stad haren naam gekregen heeft. Anderen leiden dien naam van ’tAlgonkinschewoordQuebegoofQuebekaf, het welk hetvernauwenener zaak beduidt, dewyl de Rivier voor de stad nauwer wordt.DeSt. Laurenceis voor de stad een vierde van eneFranschemyl breed. Het zoute zeewater komt noit tot voor de plaats, en het meeste water dat men hier gebruikt wordt uit de Rivier gehaald. Allen stemden hierin overeen, dat, hoe breed ook de Rivier is, en hoe sterk ze ook vooral by de ebbe stroomt, zy nogthans den gehelen winter met ys bedekt is, zo dat men ’er byna al dien tyd over gaan of ryden kan. Men wil zelfs, dat, als de Rivier in Mai open is, het somtyds gebeurt dat ’er in die maand zo koude nagten invallen, dat zy op nieuws toevriest, zo dat men ’er over gaan kan. Dit is een duidelyk bewys dat de koude hier zeer gestreng is, vooral als men let op het geen zo aanstonds aangaande het ty in deze Rivier zal gezegd worden. De grootste breedte der Rivier by haren uitloop in zee zal omtrent zesentwintigFr.mylen bedragen, schoon men de juiste palen tusschen de Rivier en de zee by hare vereniging met dezelve niet kan aanwyzen, dewyl zy allengskens wyder en wyder wordt en ongemerkt in zee stort. Het meeste water, dat in vele grote Meren inKanadais, waaronder ’er vier of vyf gevonden worden die zeer groot zyn, moet zig door deze Rivier in zee lozen. De vaart uit zee langs deSt. Laurenceis uit hoofde van den sterken stroom en de menigvuldige zandbanken, die zig nu en dan verzetten, zeer gevaarlyk. DeEngelschenhebben dit tweemalen ondervonden als zyKanadawilden aantasten. Derhalven beschouwen deFranschendeze Rivier als den voormuur vanKanada.92[124]De vloed gaat, gelyk ik reeds gemeld heb, ver bovenQuebec. Het onderscheid tusschen den hoogsten vloed en de laagste ebbe is daar gemeenlyk vyftien of zestienFr.voeten. Dog by nieuwe of volle maan wil men dat het verschil wel zeventien of agttien voeten bedraagt, het welk inderdaad een aanmerkelyk verschil is.Ginseng.Ginsengis de naam dien deFranschenhier te lande aan ene plant geven, op welker wortel deChinezengroten prys stellen.93Van onheuglyke tyden af is zy inChineesch Tartaryeen inKoreagewassen, waar zy jaarlyks verzameld en naarChinagevoerd wordt. VaderDu Halde94zegt dat zy de kostelykste en nuttigste plant van allen is die inOost Tartaryevallen, en alle jaren ene grote menigte kruidzoekers naar de woestenyen van dat land lokt. DeMantchou Tartarennoemen zeOrhota, dat is deKoningin der planten.95Zy wordt zo van deTartarenalsChinezenzeer geroemd, zo wel om hare uitmuntende kragt ter genezing van vele zware ziektens, als wegens het vermogen dat zy hebben zou ter versterking van de kragten des lichaams en ter opwekking van verzwakte zinnen. Zy is in zulk ene agting dat het once goedenGinsengtePekingzeven of agt oncen zilvers geldt. Toen de liefhebbers der kruidkunde inKanadadeze plant het eerst afgebeeld zagen, herinnerden zy zig ene diergelyke daar te lande gezien te hebben. Zy wierden in hunne mening bevestigd doordien verscheiden’ streken vanKanadaop juist de zelve Poolshoogte leggen als die plaatsen vanTartaryewaar deGinsengin ’t wild wast. Ook bedrogen zy zig niet. Zy vonden die plant op vele plaatsen vanNoord Amerikain de bosschen, zo wel in deFranscheals in deEngelscheVolkplantingen, in menigte van zelfwassende. Zy zoekt de schaduw en ene diepe tuinaarde, dog gene natte of verhevene plaatsen. Men kan egter niet zeggen dat zy zeer gemeen is, want somtyds kan men enige mylen door de bosschen reizen zonder ene enkelde plant te vinden. Dog waar zy[125]wast; wast zy in menigte. Zy bloeit in Mai en Juni, en de bessen zyn ryp op het einde van Augustus. Men kan ze met den wortel ’er aan verplanten, en zy gaat dan weer ten eersten aan ’t groeyen. Enige menschen, die de bessen in hunne tuinen gezaid hadden, zeiden dat zy een of twee jaren in den grond blyven leggen voor dat zy opkomen. DeIroquoizennoemen deze wortelsGarangtoging, het welk eenkindbetekent, dewyl zy enige gelykenis op een kind hebben. Dog volgens de mening van anderen beduidt dit woord enedye, waarnaar de wortel meer gelykt. De kragt, welke deFranschendezen wortel toeschryven, bestaat daarin dat zy de benauwdheid der borst wegneemt, de maag versterkt, en de vrouwen vrugtbaar maakt. Men dreef ’er thans enen sterken handel mede. De wortelen worden hier in menigte verzamelt, en naarFrankrykgezonden, van waar men ze met groot voordeel naarChinaverzendt.96In ’t eerst toen men ze naarEuropabegon te zenden wierden zy duur betaald. Men verhaalde dat enigeFranscheongelooflyke schatten met dezen handel opChinagewonnen hadden. Dog de menigte die ’er van overkwam heeft den prys inChina, en gevolglyk inFrankrykenKanadazelfs zeer doen dalen. Egter vinden de Kooplieden hunne rekening zeer wel by dezen handel. In den zomer van het jaar 1748. betaalde men teQuebeczesFranscheGuldens voor het pond. Gemeenlyk geldt het daar honderdSols. Toen ik inKanadawas kregen alle de Kooplieden teQuebecen teMontreallast van hunne Korrespondenten inFrankrykom ene grote menigteGinsengovertezenden. Dus werd zy thans meer dan oit getrokken. Men zogt ze dan ook met alle vlyt. DeWildenvooral zwierven alomme om ze te vinden, en ze den kooplieden teMontrealte brengen. Den ganschen zomer konden de Boeren in den omtrek van die stad niet enenAmerikaankrygen, om, volgens gewoonte, hen in den oogst te helpen, zo bezig was dat volk met het zoeken naarGinsengs. Velen vreesden dat als men enige jaren voortvoer met deze wortels zo yverig te zoeken, zonder hier en daar enige planten te laten staan ten einde het geslagt voorttezetten, ’er weinig binnen korten tyd van overblyven zou; en dit is zeer waarschynlyk. Ook berigtte men in ’t algemeen dat dit gewas voorheen overvloedig rondomMontrealplegt gevonden te worden, dog tegenwoordig was ’er niet ene enkelde plant te zien. Dit dwong deWildendezen zomer om ze ver binnen de grenzen derEngelschente gaan zoeken. Men heeft met deze wortelen, na dat zy door deWildenzyn aangebragt, nog veel[126]moeite; want men legt ze uit malkander op den grond om te drogen, waartoe twee maanden of meer tyds vereischt wordt, naardat het weder is. Ondertusschen moeten zy daags eens of tweemaal omgekeerd worden, op dat zy niet beschimmelen, of verrotten. Wat ten noorden vanMontrealheeft men ze nergens in ’t wild gevonden. De Opzigter der Geestelykheid hier te lande en anderen verhaalden my dat deChinezendenKanadaschen Ginsengvoor even zo goed als denTartaarschenhouden;97en dat nog niemant wel wist hoe deChinezenze toebereiden. Dog men denkt dat als de wortel begonnen heeft te drogen zy een afkooksel van de bladeren maken, en hem daarin laten weken. De wortel inChinatoebereid is doorschynend en ziet ’er uit als hoorn. Om goed te zyn moet de wortel zwaar en van binnen gesloten zyn.Herba capillaris.Het doorgaans inKanadazo genoemdeHerba capillaris98is ook een van de gewassen waarmede dit gewest enen sterken handel dryft. DeEngelschennoemen hetMaagdenhair.99Het groeit overvloedig in alle hunneAmerikaanscheVolkplantingen, die ik doorreisd heb. Ook is het zeer gemeen in de zuidelyke delen vanKanada, dog omstreeksQuebecheb ik het niet vernomen. Deze plant slaagt niet dan in de schaduw en op goede gronden. Verscheiden menschen teAlbanyen inKanadaberigteden, dat de bladen derzelven zeer veel als thee in teringen, verkoudheden en andere borstkwalen gebruikt werden. Dit had men van deWildengeleerd, die van overoude tyden her van dit middel zig bediend hadden. DeAmerikaanscheHerba capillariszou in de Geneeskonst beter zyn dan hetEuropisch Vrouwenhair.100Ook wordt ’er jaarlyks veel van naarFrankrykgezonden. De prys is niet altyd de zelve, en schikt zig naar de deugd der waar, hare toebereiding, en de menigte die ’er van is. Gemeenlyk kost het pond teQuebecvan vyf tot vyftiensols. Om dezen tyd van het jaar begaven zig deWildenin groten getale naar de bosschen ver bovenMontrealom dit gewas optezoeken en te vergaderen.Moeskruiden.DeMoeskruidenkomen hier zeer wel voort. Dewitte Koolstond zeer wel, schoon de rupsen ze zeer beschadigd hadden. DeUyenswaren, zo wel als de andere soorten vanLook, zeer in gebruik. Niet minder at men hier kawoerden, meloenen, salade, endyvie, erwten, bonen, peen, en komkommers. Men had ook tamelyk veel rode Beten,[127]Radys, Tym, en Marjolyn. Ook zaide men veel Rapen, die inzonderheid des winters veel gegeten werden. Witte peen gebruikte men ook tamelyk veel. Weinig hield men van Artisjokken. Nog de gemene101nog deBermudische Potatoes102worden hier geplant, om dat zy voor smakeloos gehouden worden, en men lachte deEngelschenuit om dat zy ’er zo veel werks van maakten. DeBrassica gongylodesvanLinnæus103was onbekend in geheelNoord Amerikaby deZweden, deEngelschen, deHollanders,Ieren,DuitschersenFranschen. De genen die hier zig op het aanfokken der Moeskruiden toeleiden hebben my verzekerd, dat zy genoodzaakt waren jaarlyks nieuwe zaden uitFrankrykte doen komen, dewyl zy inKanadamet het derde jaar hunne kragt verloren, en niet meer zo goede en smakelyke planten voortbragten.Onkunde derWilden.By deWilden, die van overoude tyden af inNoord Amerikagewoond hebben, en die van enerlei afkomst zyn en dezelve taal spreken, heeft men nimmer enige letters, veel minder geschriften of boeken ontdekt. Zy hebben gevolgelyk vele euwen lang in de grofste onkunde geleefd. Dit is oorzaak dat zy niet het minste weten aangaande de oude gesteldheid des Lands, en al wat zy ’er van weten steunt op losse vertellingen en horen zeggens. Niemant is ’er die wete of voor dezeWilden, die nu hier wonen, een ander volk in bezit van ’t Land geweest is, nog of iemant voorColumbus’tyden dit Werelddeel bezogt hebbe. Even zo onbekend is het of voorheen hier oit hetChristendomgepredikt zy. Ik vroeg verscheideneJesuieten, die door dit grote Land omreisden, of zy oit by deWildenenige sporen hadden kunnen ontdekken vanChristenen, die voor heen hier geweest mogten zyn; dog zy wisten ’er niets van. Zo onkundig als dezeWildenin het schryven en de wetenschappen zyn, en altyd geweest zyn, zo onkundig zyn zy ook in de bouwkunst en de handwerken. Vergeefs zoekt men by hen welgebouwde steden en huizen, vestingwerken, torens, pilaren, en diergelyke dingen, welken men in de oude wereld van vroege tyden af kan aanwyzen. De gebouwen dezer menschen zyn slegts elendige hutten van boomschorssen, aan alle zyden voor regen en wind open. Al hun muurwerk bestaat daarin dat zy enige stenen rondom de plaats daar zy vuur in hunne hutten maken leggen, om te verhinderen dat het vuur te ver voortkruipe, of liever om dus de plaats te onderscheiden voor het vuur. Een Reiziger vindt hier niet het tiende deel van het vermaak dat men in andere van ouds bewoonde[128]landen in ’t reizen geniet, waar men byna iederen dag een overblyfsel der Aloudheid ontmoet, nu ene beroemde stad, dan puinhopen van een oud kasteel; nu een slagveld, waar enige euwen geleden een bloedig treffen tusschen magtige en beroemde Vorsten of Veldoverstens voorgevallen is; dan de geboorteplaats van den enen of den anderen geleerden en door de gantsche wereld beroemden man. Op zulke plaatsen kan men zyne gedagten op velerhande wyzen strelen, en zo vele gebeurde zaken levendig voorstellen. Dog hier vindt men niets van dezen aard. De geschiedenis gaat hier niet hoger dan de aankomst derEuropers. Wat men van vroegere tyden verhaalt heeft groter gelykenis naar enen droom of een verdigtsel dan naar ene gebeurtenis. Evenwel heeft men enige merktekens van Oudheid inNoord Amerikagevonden, waaruit men opmaken kan, of dat dit gewest in de voorgaande euwen van het een of ander in de wetenschappen meer ervaren volk, dan het welk deEuropersdaar gevonden hebben, is bewoond geweest, of dat ’er uit de Oude Wereld herwaards een zware krygstogt moet ondernomen zyn.Reis over land naar deZuid Zeeen gedane ontdekkingen.Dit wordt door een verhaal bevestigd, dat ik den HeerVerandrier, die zelfde onderneming naar deZuid Zee, van de welke ik zo aanstonds gewagen zal, geleidde, aan de tafel van den Gouverneur Generaal hoorde doen, en het welk my naderhand verscheiden ooggetuigen bevestigd hebben. Zie hier kortelyk waar in dit verhaal bestond. Weinige jaren voor myn aankomst hier te lande kreeg gemelde HeerVerandriervan den toenmaligen Gouverneur Generaal, den RidderDe Beauharnois, bevel om met enen hoop krygsvolks enen togt dwars doorNoord Amerika, vanKanadaaf tot aan deZuid Zee, te doen, om te onderzoeken hoe groot de afstand dier zee van dat geweest ware, en welke voordelenKanadaofLouisianavan de gemeenschap mee dezelve trekken konde. De reis wierd vanMontrealaf te paard, en, zo veel het stromen, meren, bergen, en zo voorts, toelieten, regt toe westwaards aan voortgezet. Toen zy diep in het Land gekomen, en velerlei volken voorby gereisd waren, vonden zy somwylen grote velden, geheel van hout ontbloot en met zeer hoog gewassen gras bedekt, die enige dagreizen aanhielden. Op velen van deze velden was de grond doorgaans met voren doorsneden, als waren zy voorheen beploegd geweest. En hier moet men aanmerken dat geen van de thans inAmerikawoonagtige wilde volken deze voren heeft konnen trekken, dewyl dezen nog paarden, nog ossen, nog ploegen, nog enig ander bouwgereedschap bezitten, en voor de aankomst derEuropersnoit enen ploeg gezien hebben. Op twee of drie plaatsen, dog ver van malkander, waren in de rotsen indrukken van voeten, zo wel van kinderen als van volwassen menschen te zien. Dog dit is ontwyffelbaar voor een spel der natuur te houden. Toen zy zo ver naar ’t westen gekomen[129]waren, waar, zo veel men weet, noit eenEuropergeweest is, vonden zy hier en daar, zo wel in bosschen als op uitgestrekte vlaktens, grote pylaren van steen, rustende tegen malkander. De pylaren bestonden elk uit een stuk, en deFranschenkonden niet anders zien of zy waren door menschenhanden opgerigt. Somtyds vonden zy zulke stenen op malkander, en als tot een muur gemetseld. Op enige plaatsen waar zy zulke stenen aantroffen zagen zy gene andere stenen in de nabuurschap. Op genen van deze stenen konden zy enig schrift of letters ontdekken, hoe zeer zy ’er ook naar zogten. Eindelyk egter vonden zy enen groten steen gelykenden wel naar enen pylaar, en op dien enen kleinderen, die aan beide zyden van onbekende letters vol was. Dezen steen, die omtrent de lengte van enenFranschenvoet en de breedte ener hand had, braken zy los, en voerden hem naderhand naarKanada, van waar hy naarFrankrykaan den Graaf vanMaurepasgezonden wierd. Wat ’er vervolgens van geworden was, wisten zy niet, dog zy geloofden dat hy nog in ’t Kabinet van dien Heer was. Verscheiden’Jesuieten, die zelfs hier inKanadadien steen in handen gehad hadden, berigteden eenparig, dat zy de daarop gegraveerde letters met die vergeleken hadden welken men alsTartarischeletters opgegeven vindt, en dat zy van het zelve soort met dezelven schenen te zyn.104Maar schoon de op deze onderneming afgezonden’[130]Franschenzig alle bedenkelyke moeite gaven, om van daaromstreeks wonendeAmerikanente vernemen, wanneer en van wien die steenpylaren opgerigt waren, wat overleveringen zy daarvan hadden, wat die letters te kennen gaven, wie ze ’er op gezet hadden, wat soort van letters het waren, en tot welke taal zy behoorden, en diergelyken, konden zy ’er niet de minste onderrigting aangaande krygen, en deWildenwaren ’er ruim zo onkundig omtrent als deFranschen. Het enige dat zy wisten te zeggen was dat die stenen daar van overoude tyden her gestaan hadden. De plaatsen waar men deze overblyfsels vond waren wel negenhonderdFr.mylen westwaards vanMontreal. Het ware oogmerk dier Reis, namelyk om tot deZuid Zeedoortedringen, en den afstand derzelver vanKanadate bepalen, wierd door deze afgezondene manschap niet bereikt, dewyl zy zig bewegen lieten om deel in enen oorlog te nemen tusschen twee ver vanKanadaaf wonende wilde volken, in den welken enigen van deFranschengevangen genomen, en de overigen gedwongen werden van ’t voortzetten hunner Reis aftezien en terugtekeren. Van de allerverst wonendeWildenten westen, by wie zy kwamen, verstonden zy egter, dat zy maar enige dagreizen van deZuid Zeeafwaren; dat zy zelven dikwyls met deSpanjaardenaan die Zee wonende handel dreven, en somtyds naar deHudsonsbaireisden en met deEngelschenhandelden. Enigen van dezeWildenhadden huizen van aarde gemaakt. Velen van die Volken hadden nimmer van te voren enenFranschmangezien. Zy waren gedeeltelyk met vellen gekleed, dog velen gingen geheel naakt.Vlaktens met voren doortrokken.Allen die inKanadawaren en ver landwaards in, ’t zy naar ’t zuiden, dog voornamelyk naar ’t westen, gereisd hadden, kwamen hierin overeen, dat men daar op vele plaatsen grote vlaktens aantrof, geheel van hout ontbloot, en waar de grond met voren doorsneden was, als[131]waren daar voorheen beploegde akkers geweest. Waar dit van daan kwam kon niemant zeggen; want de koornlanden van het grootste dorp derWildenkunnen niet wel meer plaats beslaan dan vier of vyf van onze mergens, en de gemelde gevoorde vlaktens beslaan dikwyls ene ruimte van verscheidene dagen reizens, uitgenomen dat men hier en daar ene enkelde plaats aantreft waar gene voren zyn, en enige kleine heuvels.Meerder overblyfsels van de Oudheid konde ik inKanadaniet te weten komen, hoe sterk ik my ’er ook op toeleide. In ’t vervolg myner Reisbeschryving gedurende het jaar 1750.105zal ik gelegenheid vinden nog twee merkwaardige zaken aantetekenen. Dog dat onzeSkandinavierslang voorColumbusreistogten naarNoord Amerikaondernomen hebben, heeft onder anderen de HeerGeorge Westmanin zyne teAoboin ’t jaar 1747. ter verkryging van den graad vanMeesterverdedigde Verhandeling bewezen, werwaards ik den Lezer verzende.Nonnenklooster.Den 8. Augustus ging ik des morgens het grootste Nonnenklooster inQuebecbezigtigen. Het is genen man geoorloofd ’er intekomen, uitgezonderd in zekere vertrekken die door tralies van het overige afgescheiden zyn, door welke tralies men van buiten met de Nonnen van binnen spreken kan. Dog om my des te groter gunst te bewyzen maakte de Gouverneur Generaal dat de Bisschop my verlof gaf het Klooster van binnen te bezien. De Bisschop alleen kan deze vryheid geven, dog het geschiedt zelden. Alleen mogen de Geneesheer en de Wondheler ’er inkomen. De HeerGaulthier, een man van grote inzigten zowel in de Artsenykonst als in de Kruidkunde, was thans Koninglyke Arts, en verzelde my in ’t Klooster. Wy bezagen eerst het Hospitaal, dat zo aanstonds beschreven zal worden, en daarop gingen wy in ’t Klooster, dat een deel van ’t Hospitaal uitmaakt. Het was een groot stenen gebouw, van drie verdiepingen, van binnen in lange gangen, met kameren, zalen en andere vertrekken aan beide zyden afgedeeld. De kamers der Nonnen waren op de bovenste verdieping aan beide zyden van den gang. Zy waren klein, en van binnen niet geschilderd, alleen hingen ’er papieren printjes van Heiligen en diergelyken, gelyk ook het beeld van den Zaligmaker aan het kruis. Een bed met gordynen en ene goede legging, een kleine lessenaar, en een paar stoelen, was alles wat men ’er vond. Noit wordt ’er vuur gemaakt, en de Nonnen moeten ’s winters in de koude leggen. In den gang stond een yzeren kacchel, die ’s winters gestookt wordt, en als men dan de deuren der kamertjes open laat zo komt ’er nog al enige warme lugt in. Op de middelste verdieping waren de vertrekken daar zig de Nonnen door den dag ophielden als zy by malkander kwamen, onder anderen het vertrek waar zy werken. Dit was ruim, geschilderd en net. Ook stond ’er een kacchel. Hier waren zy met allerlei[132]handwerk bezig, als nayen, borduren, vergulden, ’t maken van zyden bloemen, die de natuurlyken vry wel geleken. In een ander vertrek hielden zy hare raadsvergaderingen. Een ander was voor de zulken die een weinig onpasselyk waren, dog zodanigen die gevaarlyk ziek waren lagen in een ander vertrek. In een ander wederom wierden de Nieuwelingen onderrigt. Ook was ’er ene eetzaal. Hier stonden rondom tafels. Aan ene zyde was een kleine predikstoel, waarop eenFranschboek over de levens der Heiligen lag. Onder ’t eten spreekt niemant een woord, en ene van de oudste Nonnen treedt op den predikstoel en leest den overigen een stuk uit dat boek voor. Wanneer dat boek uit is nemen zy een ander. Zy zitten aan die zyde der tafel dat naar den muur gekeerd is. Byna in alle de kamers en zalen stond ene vergulde tafel, waarop kaarssen stonden te branden voor het beeld van den Zaligmaker en de beelden van enige Heiligen. By deze tafels doen zy hare gebeden. Aan de ene zyde was de Kerk, en nevens dezelve ene grote zaal, die door tralies van de kerk was afgescheiden, zo dat de Nonnen wel in de kerk kyken, dog ’er niet in komen konden. In deze zaal zyn de Nonnen gedurende den dienst, en de Priester is in de kerk. Als hy zyn plegtgewaad aandoet, reiken hem de Nonnen dat door de tralies toe, staande het haar noit vry met den Priester in de Sakristy te gaan, of met hem in een vertrek te zyn. Behalven dezen waren hier nog verscheiden andere vertrekken, welker gebruik ik my niet te binnen brengen kan. Beneden was de keuken, het bakhuis, verscheiden spyskamers en andere gemakken. Op de zolders wordt het koorn bewaard en hetlinnengedroogd. Gelyk met de twede verdieping was van buiten een balkon rondom het gantsche gebouw, waar de Nonnen zig wat verlugtigen mogten. Het uitzigt uit het Klooster was aan alle kanten zeer schoon en ruim. Aan de ene zyde van ’t gebouw was een grote tuin, waar de Nonnen ook mogten wandelen. De tuin lag in enen hogen muur, en was vol van allerlei moeskruiden en vrugtbomen. In dit klooster waren omtrent vyftig Nonnen, die meest allen boven de veertig jaren hadden. Twee jonge Juffrouwen alleen wierden voorbereid tot den geestelyken staat. Zulke Nieuwelingen moeten eerst twee of drie proefjaren uitstaan, gedurende welken tyd het haar vrystaat weder uit het klooster te gaan, als haar dat leven niet behaagt. Dog als zy eens als Nonnen aangenomen zyn, moeten zy ’er haar gantsche leven blyven. En merkt men dat zy naar verandering haken, zo steekt men ze in een vertrek waar zy noit kunnen uit komen. Deze Nonnen gaan noit verder uit het Klooster als in ’t Hospitaal, dat daar vlak nevens legt, en een deel van ’t Klooster uitmaakt. Daar gaan zy om de zieken optepassen. Toen ik afscheid nam vroeg my de Abdis of my hare inrigtingen wel bevielen. En toen ik van ja geantwoord had, schoon ik zeide de levenswys zeer gedwongen te vinden, zeide zy my, dat[133]zy met hare Zusters God hartelyk bidden zou om myne bekering. Van verscheiden’ menschen heb ik gehoord, dat ’er zig weinig Juffrouwen in dit Klooster begeven voor dat zy tot zulke jaren gekomen zyn waarop haar weinig hoop over is van te zullen trouwen. In alle de drie Kloosters vanQuebeczagen ’er de Nonnen meest zeer oud uit, zo dat het zo evengemelde zeggen niet ongegrond schynt. Men was het overal hierin eens dat inKanada, zo wel op het land als in de steden, ver na zo veel mans als vrouwen niet waren, dewyl ’er vele mans op reis, ’t zy naar deWest Indien, waar ook velen zig neerzetten, ’t zy door het land, omkomen, en de oorlog ’er velen wegsleept. En dit dwingt verscheiden’ vrouwen zig in het Klooster te begeven.
Dienstboden.De loon der Dienstboden is gemeenlyk voor enen braven Knegt honderdvyftigLivresin ’t jaar, en voor ene Meid honderd. Een Ambagtsman won daags drie of vierLivres, en een gemeen Daghuurder dertig of veertigSols. Op het land waren de lonen gemeenlyk iets lager. De reden van de duurte der daghuren zeide men de schaarschheid te zyn der werklieden. Want ieder vindt hier ligt een land daar hy zig nederzetten kan, en dus behoeven weinigen anderen te dienen.Montreal.Montrealis ten opzigt der grootte en der rykdommen de twede stad vanKanada, dog ten opzigte der legging is zy de eerste. Een weinig boven de stad verdeelt zig deSt. Laurencein enige takken, en maakt dus enige Eilanden, op het grootste van de welken de Stad legt. Het is tienFr.mylen lang, en omtrent op zyn meest vier breed. Op de oostzyde van dit Eiland aan enen der grootste armen derSt. Laurencelegt de stad. Deze legging is zeer aangenaam en voordelig. De Stad is een regthoekig langwerpig vierkant, welks ene lange zyde met de Rivier evenwydig loopt. Aan de andere zyde leggen voortreflyke koornlanden, weiden, en bosschen. Zy heetMontrealnaar enen zwaren berg, die omtrent ene halve myl van de stad af legt naar het westen toe, en dien men over de bosschen heen zien kan. De HeerCartier, een der eersteFranschendieKanadawat nauwkeuriger leerden kennen, noemde ze aldus by zyne aankomst op het Eiland in het jaar 1535., terwyl hy dezen hogen berg en tegelyk de stad derWildenHoshelagabezogt. DeFranschenspreken het woordMontrealhier gemeenlykMorealuit. De Geestelyken, die alle plaatsen hier te lande wel naar den enen of anderen Heilig zouden willen noemen, hebben het ook met deze stad beproefd, en zeVille Mariegenaamd. Dog die naam heeft niet willen opnemen. De stad is tamelyk sterk, en heeft enen hogen dikken muur rondom, en aan de landzyde ene diepe grast met water, zodat zy van stropende partyen niets te vrezen heeft. Dog ene belegering zoude zy niet lang uithouden, dewyl hare grootte alteveel manschap zou vereischen om ze te verdedigen, en daarby de meeste huizen van hout zyn. Hier zyn verscheiden’ kerken, van de welken ik alleen die noemen zal die den Monnikken vanSt. Sulpitiustoebehoort, de Kerk derJesuiten, die derFranciskanen, die van ’t Nonnenklooster, en die van ’t Hospitaal. De eerste is de fraiste, zo wel van buiten als van binnen, niet alleen van[107]de Kerken hier in de Stad als van gantschKanada. De Priesters van de Kweekschool vanSt. Sulpitiushebben een groot schoon huis, waar zy by malkander wonen. Het Kollegie derFranciskanenofBedelmonnikkenis ook een goed huis dog niet zo pragtig. Dat derJesuitenis niet groot, maar wel gebouwd. By deze geestelyke gebouwen zyn schone grote tuinen, ten dele tot vermaak en gezondheid, en ten dele ten nutte der huishouding. De meeste huizen zyn van hout, dog evenwel zeer frai. Enigen zyn van steen. Meest alle de huizen der voornaamste lieden hebben ene deur aan de straat, met banken op de stoep, waar de menschen komen zitten om lugt te scheppen. De straten die in de langte lopen zyn breed en lynregt. Zy worden door de dwarsstraten in regte hoeken doorsneden. Enigen zyn geplaveid, dog de meesten zeer ongelyk. Aan den waterkant heeft de Stad twee grote en drie kleine poorten, en aan de landzyde heeft zy ’er ook verscheiden. De Gouverneur van de Stad moet zyn eigen huis betalen, hoewel enigen zeggen dat de Kroon iets tot de huur geeft. De Gouverneur Generaal woont vry op het slot, gelyk gezegd is.Nonnenklooster.In de Stad is een Nonnenklooster, en buiten dezelve legt ’er een dat het maar half is, want de Paus heeft ’er nog zyne bevestiging niet aan gegeven. In het eerste wierd geen meisje aangenomen ten zy ’er vyfhonderdecusvoor betaald werden. Enigen ontving men wel voor driehonderdecus, dog die moesten de anderen als meiden oppassen.Hospitaal.De Koning heeft een Hospitaal voor zieke Soldaten doen bouwen. De kranke kreeg daar wat hy nodig had, en de Kroon betaalde daags twaalfsolsvoor zyn onderhoud. De Heelmeesters worden van den Koning bezoldigd. Een Officier by gelegenheid van den dienst des Konings krank geworden geniet hier vryen kost en oppassing, dog zo hy buiten den dienst des Konings ziek wordt moet hy alles uit zyn zak betalen. Als in ’t Hospitaal enige plaatsen open zyn neemt men ook wel arme menschen in die niet in dienst zyn; en dezen hebben artzenyen en den Wondheelder voor niet; dog voor hun eten en andersins moeten zy daags twaalfsolsbetalen.Markten.Alle vrydagen wordt hier markt gehouden, waar men zig van allerlei voortbrengselen des lands voorzien kan, als men zelf gene Landgoederen of tuinen heeft. Gantsche zwermen derAmerikanenkomen dan ook in de Stad, om te kopen ofte verkopen.Afwyking der Naald.De Afwyking der Naald was hier 10.gr.38.min. W.De HeerGillion, een Geestelyke van veel liefhebbery voor de Wis- en Starrekunde, had in den tuin der Kweekschool ene middagslyn getrokken, die hy zeide dikwyls volgens de Zon en de Starren onderzogt en juist bevonden te hebben. Ik vergeleek zorgvuldig myn kompas met deze middaglyn, en vond de afwyking volkomen zo als ik ze opgegeven heb.[108]Volgens de waarnemingen van dien zelven Heer is de Breedte vanMontreal45.gr.27.min. N.Waarnemingen.Een ander Geestelyke, namelyk de HeerPontarion, had in ’t begin van dit jaar enige waarnemingen met den Thermometer gedaan. Hy had zig van dien vanReaumurbediend, die in een venster gehangen had dat somtyds geheel en somtyds half open stond, en gevolglyk heeft hy zelden de grootste koude van de lugt aangewezen. Ik wil echter een kort uittreksel uit zyne waarnemingen voor de wintermaanden geven. De grootste koude inJanuariwas den 18. staande toen de Thermometer op 23. gr. onder ’t vriespunt. De minste koude was den 31. staande hy toen op het vriespunt. De meeste dagen tekende hy 12. of 15. gr. onder dat punt. InFebruarihad men de grootste koude den 19. en 25. De Thermometer stond toen 14. gr. onder het punt van vorst, en de minste koude had men den 3. wanneer hy 8. gr. boven het vriespunt rees. De meeste dagen stond hy op 11. gr. onder dat punt. InMaartwas het den 3. het koudst, tekenende de Thermometer toen 10. gr. onder vorst, en den 22. 23. en 24. het warmst, stygende toen de Thermometer tot 15. gr. boven vorst. De meeste dagen stond hy 4. gr. onder dat punt. InAprilgevoelde men de grootste koude den 7. zakkende de Thermometer 5. gr. onder ’t vriespunt; den 25. was het weder het zagtst, en de Thermometer was 20. gr. boven dat punt. De meeste dagen hield hy zig op 12. gr. boven het zelve. Dog ik merkte uit de wys waarop deze waarnemingen gedaan waren, dat de koude dagelyks wel een graad of zes sterker moet geweest zyn dan hy ze aangetekend had. Ook had hy in zyn dagboek aangetekend dat het ys in deSt. LaurencebyMontrealden 3. April, en byQuebeceerst den 20. los geraakt was. Den 3. Mai begonnen zig byMontrealenige bloeisems te vertonen, en den 12. was de vorst zo sterk dat de bomen van den ryp zo wit waren als of het gesneuwd had. Voor ’t overige wierd my in ’t algemeen berigt dat het ys in de Rivier alle winters gemeenlyk een en somtyds wel tweeFr.voeten dik was.Verscheiden’ van de Geestelyken zeiden my, dat sedert het land inKanadameer bebouwd werd de zomer veel’ langer was dan voorheen. Hy komt vroeger en duurt later. Dog de koude, schoon zy zo lang niet aanhield, dagten zy even sterk te zyn. De zomers hielden zy ook voor niet heter als voor dezen. De noord en noordwesten winden zyn de koudsten teMontreal.Vertrek.Den 2. Augustus des morgens vroeg vertrokken wy vanMontrealnaarQuebecin ene schuit, ofBateau, in gezelschap van den Onder Major van Montreal, den HeerDe Sermonville. De schuit werd van twaalf Soldaten geroeid. Wy voeren deSt. Laurenceaf, die hier tamelyk breed was. Aan de linkerhand lag het Eiland vanMontreal, en[109]aan de regterhand zag men nu kleine eilanden, dan het vaste land. Het Eiland vanMontrealwas aan den oever zeer digt bewoond. Het land was vlak. De oevers bestonden uit tuinaarde, en waren omtrent een of twee vademen hoog. Het hout was langs den oever eneEng.myl ver geheel weg gehakt. De huizen waren van hout of van steen, dog allen van buiten gewit. De stallen en schuren waren allen van hout. De grond was tot koorn- of tot weilanden aangewend. Aan beide zyden der Rivier ontdekten wy stenen kerken met torens, welken allen aan dien kant der kerken stonden die naar de Rivier gekeerd was. Men hield zig hier niet aan de gewoonte van den toren aan de westzyde der kerk te bouwen. Tot op zesFr.mylen vanMontreallagen in de Rivier verscheiden’ eilanden, groten en kleinen, waarvan het grootste gedeelte bewoond werd. Zulken waarop gene huizen stonden had men egter tot akkers of weilanden gemaakt. Wy zagen den gehelen dag berg, heuvel, nog steen; het land was doorgaans vlak, en bestond uit tuinaarde.Landhoeven.Alle de Landhoeven staan inKanadaafgezonderd. By elke kerk was wel een klein dorp, dog dat bestond grotendeels uit den tuin en het huis van den Priester, de school, het kosterhuis, en zelden uit boerenhuizen. En als ’er al enige Boeren om de kerk heen by malkander woonden, lagen dog hunne landeryen afgezonderd. De Boerderyen aan deSt. Laurencestrekken zig meest in de lengte langs de Rivier, of ten minsten lagen zy niet veel van dezelve af. Tusschen de Boerderyen was gemeenlyk ene ruimte van drie of vierArpents. Enigen dezer Boerderyen hadden kleine boomgaarden, dog de meesten niet; egter had meest elke Boer enen moestuin.Menschen, die in ’t zuiden vanKanadaen naar den kant van deMissisippigereisd hadden, berigtten eenstemmig, dat daar ene menigte van schone Persiken in ’t wild wast, welken deWildenbeweerden dat daar van oude tyden af altyd gevonden geweest zyn.De Boerenhuizen zyn dikwyls van steen, dog somtyds ook van hout, en bestaan uit drie of vier kamers. Zelden vond men glas in de vensters, dog meest papier. Zy hebben enen yzeren kacchel in ene der kamers, en de voegen der wanden zyn met klei digt gemaakt. De schuren en stallen zyn meest met stro gedekt. De heiningen waren een weinig anders dan by ons.Kruissen.Hierendaar zagen wy kruissen staan langs den weg die nevens den oever loopt. Zulke kruissen vindt men veel op de wegen inKanada, en zy dienen om de godsdienstigheid der reizigers op te wekken. Zy zyn van hout en twee of drie vademen hoog. Op de zyde die naar den weg gekeerd is ziet men ’er een vierkant gat in uitgehouwen, waarin een[110]beeldtje staat of van den Verlosser, of van de Heilige Maagd, hebbende den Zaligmaker als een klein kind op den arm. Dit was met een glas bedekt om het voor de lugt, regen en stof te beschutten. De voorbygangers maken ’er een kruis voor, nemen den hoed af, of knielen. Sommigen van deze kruissen, vooral die digt by ene kerk staan, zyn opgeschikt. Alle de werktuigen, die men maar bedenken kan dat de Joden by ’t lyden van den Heiland gebruikt hebben, vindt men ’er by. De Haan vanPetrusstaat dikwyls ten oosten van het kruis.De Landsdouw.Het land, dat wy dezen dag zagen, gaf een vermakelyk uitzigt. Het was genoeglyk te zien hoe wel en sterk het bewoond was. Het scheen een gedurig dorp te zyn, dat byMontrealbegint en totQuebec, ene langte van dertigZweedschemylen, zo niet verder, duurt. Weinige plaatsen waren ’er maar waar de Boerderyen meer dan drie of vierArpentsvan malkander verwyderd lagen. Op zulke plaatsen, daar de Rivier ene myl of twee lynregt loopt, was het gezigt vooral verrukkelyk; en dan schenen de huizen in de verte vlak naast malkander te staan.Kleding der Boerinnen.De Boerinnen inKanadadragen altyd een soort van kappen, die meest agter over geslagen zyn, en dikwyls in den nek hangen. Hare jakken zyn kort; de rokken zyn nauw en komen pas halfwege de benen. Om den hals hebben zy gemeenlyk een zilveren kruis afhangen. Sommigen zyn zeer naarstig; dog ik heb ’er ook gezien die niet veel meer uitvoerden dan deEngelscheVrouwen in dit werelddeel gewoon zyn, en den gantschen dag zaten te gapen en te snappen. By het beuzelen door het huis, en ’t drentelen van de eene kamer in de andere, zyn zy, en vooral de ongetrouwden, zeer gewoon een liedtje tusschen de tanden te neurien, daar vry wat vanamourencoeurin komt. By de Boeren was het de gewoonte dat als de Man gasten had en aan tafel zat de vrouw agter zynen stoel stond om hem te dienen. Maar in de steden zyn de Vrouwen meer in aanzien, en zy staan daar naar geen minder gezag dan dat van de Mans. Als zy uitgaan of op reis zyn dragen zy enen groten mantel, dien zy over hare klederen heen slaan. Deze mantels waren of grauw, of bruin, of blauw. Zy gaven in grootte onzen mansmantels niet toe. Somtyds bedienden zig de Heren wel van deze vrouwenmantels, als zy uit waren en van den regen overvallen wierden. Onder deze mantels konden de vrouwen zeer verwaarloosd gekleed uitgaan.Molens.Wy zagen hierendaar windmolens staan, die meest van onderen van steen en van boven met planken gedekt waren, kunnende het dak met de wieken naar den wind gedraid worden.De Rivier was niet overal even breed. Hier en daar was zy byna tweeEng.mylen en op anderen pas een vierde van zulk ene myl[111]breed. De oever was somtyds hoog en steil, somtyds laag en gloijend.Om drie uur na den middag voeren wy de plaats voorby waar de Rivier die uit het MeerChamplainkomt zig in deSt. Laurencestort, in ’t midden van de welke hier een groot Eiland lag, het welk de Jagten aan de zuidzyde omvaren, dewyl daar de Rivier het diepst is, dog de schuiten kiezen de noordelykste doorvaart, om dat die weg korter, en ’er voor haar waters genoeg is. Behalven dat Eiland lagen ’er nog verscheiden’ anderen, die allen bewoond waren. Verder weg, en voor dat wy aanLac St. Pierrekwamen, was het land aan beide zyden der Rivier onbewoond, vermits het zo laag was dat het gedurig overstroomd zou zyn. Dog lager, daar het hoger is, is het even zo bebouwd als het geen wy voorby gevaren waren.Lac St. Pierre.Lac St. Pierreis een wyde boezem, dien deSt. Laurencemaakt. Wy konden hier nauwlyks iets als hemel en water zien. Men zegt dat dit Meer zevenFr.mylen lang en drie breed is. Als men ’er midden op is vertoond zig van verre naar het westen een land, dat over de bosschen heen kykt. Hierendaar zag men grote plaatsen vol van een soort van biezen, byLinnæusScirpus palustris. Omtrent dit Meer ziet men nergens huizen of bebouwde landen, vermits het land overal te laag is en het in ’t voorjaar onderloopt, zo dat men met schuiten tusschen de bomen kan doorvaren. Maar op enigen afstand van het Meer, waar het land wat hoger is, leggen de Boerderyen, de ene naast de andere. Wy zagen dezen dag gene eilanden, dog den volgenden werden wy ’er enigen gewaar.Des avonds laat verlieten wy hetLac St. Pierre, en roeiden enen kleinen stroom op,La Rivière des loupsgeheten, om een huis te vinden waar wy den nagt konden overbrengen. Na dat wy eneEng.myl geroeid hadden begon het land aan beide zyden van den stroom bewoond te worden. De oever was enigsins hoog, en het land vlak. Wy overnagtten in een Boerenhuis. Tot hiertoe waren wy binnen ’t Regtsgebied vanMontrealgeweest, en hier begon dat van den Gouverneur vanTrois Rivières, van welke plaats wy nu agtFr.mylen af waren.Den 3. Aug. om vyf uur des morgens gingen wy weer op reis, eerst het kleine Riviertje af, en daarna langs hetLac St. Pierre. Na enigen tyd zagen wy van verre in ’t noordwesten ene lange ry van hoge bergen, die boven het lage land zeer hoog uitsteken. Op den noordwestelyken oever was het Meer op de meeste plaatsen tamelyk digt bewoond. Dog aan de zuidoosterzyde zag men gene Boerdery, en maar alleen een laag met houtbedektland, dat somwylen onderloopt, maar agter het welk verscheiden’ Landhoeven gezegd worden te leggen. Daar het Meer ten einde loopt wordt de Rivier weder smal, zo dat zy niet boven anderhalve[112]Eng.myl breed is, en verder weg wordt zy nog smalder. Van het einde des Meers totTrois Rivièresrekent men drieFr.mylen. Om elf uur voor den middag kwamen wy daaraan, en woonden ’er den godsdienst by.Trois Rivières.TroisRivièresis een klein vlek, gelykende wel naar een groot dorp. Men rekent het onder de drie steden vanKanada, te wetenQuebec,Montreal, enTroisRivières. Het legt in ’t midden tusschen de twee eerst genoemden, dertigFr.mylen van elke. De plaats legt aan de noordzyde derSt. Laurence, op ene vlakke dog wat verhevene zandbank. De legging is zeer aangenaam. Aan de eene zyde loopt de Rivier, die hier anderhalveEng.myl breed is, en aan de andere wordt de plaats door schone landeryen omgeven, schoon de aarde merendeels zandig is. Men vindt hier twee stenen kerken, een Nonnenklooster en een huis voorFranciskanerMonnikken. Hier is ook de verblyfplaats van den derden Gouverneur, die inKanadais. Zyn huis is ook van steen. De meeste andere huizen zyn van hout, ene verdieping hoog, middelmatig gebouwd, en staan verstroid. De oever is louter zand, en tamelyk verheven. By sterken wind wordt dit zand zo opgejaagd dat men werk heeft uit de ogen te zien. De Nonnen, waarvan men ’er omtrent tweeëntwintig telde, werden voor zeer handig in allerlei vrouwelyke handwerken gehouden, als nayen, borduren, en diergelyken. Voorheen bloeide deze plaats boven de anderen, dewyl deWildenvan alle kanten hier met hunne waren t’zamen vloeiden. Maar sedert dat dezen, zo wel van wege den oorlog met deIroquoizen, als om andere oorzaken, begonnen hebben ten dele naarQuebecenMontreal, ten dele naar deEngelscheVolkplantingen te gaan, is haar welstand afgenomen. Thans bestaan de Ingezetenen voornamelyk van den landbouw. Ook trekken zy enig voordeel van de naby gelegen yzerwerken. Omtrent eneEng.myl beneden de plaats valt een andere grote Rivier, die zig daar aan haren mond in drie takken verdeelt, in deSt. Laurence, zodat het in ’t voorbyvaren schynt als of zig hier drie Rivieren ontlastten. Dit heeft aanleiding gegeven om die Rivier, en de een weinig van daar gelegene Stad,Trois Rivièreste noemen.Eb en vloed.De eb en vloed doen zig in deSt. LaurenceeneFr.myl bovenTrois Rivièresbemerken, schoon zo weinig dat men het nauwlyks bespeurt. Dog in den tyd als dag en nagt even lang zyn, in de lente en in den herfst, gelyk ook by nieuwe en by volle maan, is het verschil tusschen eb en vloed twee voet.Gevolgelyk gaat de vloed en eb vry hoog de Rivier op, want men is hier langs deSt. Laurenceomtrent honderdvyftigFr.mylen van zee.Yzerwerken.Terwyl myne reisgezellen hier uitrustten, steeg ik te paard om het Yzerwerk alhier te bezigtigen. Het land, dat ik doorreed, was tamelyk[113]hoog, zandig, en meest vlak. Ik vernam gene stenen, en veel minder enige bergen.Dit Yzerwerk, het enige dat men hier te lande vindt, legt drieFr.mylen ten westen vanTrois Rivières. Men had hier twee grote hamers, en by elk van dezen enen kleinen, allen onder het zelve dak. De blaasbalgen waren van hout; en voor het overige was alles even als inZweden. De smeltoven stond nevens de hamers, en was even als by ons. Het erts haalt men derdehalveFr.myl van het Yzerwerk af, en wordt des winters met sleden derwaards gebragt. Het is een zeker soort van erts het welk in aderen in den grond legt,85welk omtrent enen voet onder de bovenste korst der aarde al slingerende lopen. Elke ader is van zes tot agttien duim diep, en onder dezelven is een wit zand, het welk dezelven omvangt; boven op legt ene tuinaarde. Dit erts is tamelyk overvloedig. Men vindt het in losse klompen in de aderen ter grootte van ene of twee vuisten. Dog enigen zyn veel groter. Het erts kan tusschen de vingers fyn gewreven worden. Men gebruikt om het smelten te bevorderen enen grauwen kalksteen, die hier in de nabuurschap valt, gelyk ook een zeker mergel. Kolen kan men hier in overvloed hebben dewyl ’er rondom veel hout wast, het welk van onheuglyke tyden herwaards ongestoord gestaan heeft. De kolen die men uit bomen brandt welken altyd groen blyven houdt men voor de besten om te smeden, dog die van bomen die hun loof vallen laten zyn beter voor de smeltovens. Het yzer dat men hier smeedt wordt van allen als week en buigzaam beschreven, zo dat het niet ligt valt het te breken; ook wil men dat het niet ligt roest. In deze opzigten is ’er by den scheepsbouw een groot verschil tusschen dit en hetSpaanscheyzer. Dit yzerwerk werd in het jaar 1737. van byzondere personen opgerigt, die het naderhand den Koning hebben afgestaan. Men giet hier kanonnen en mortieren van verschillende grootte, kacchels, die in gantschKanadain gebruik zyn, ketels, en andere dingen. Ook smeedt men hier yzeren staven. Men heeft ook beproefd staal te maken, dog dit heeft nog niet willen gelukken, dewyl men de konst niet regt verstond. Men vindt hier verscheiden’ Opzigters, die in fraye huizen wonen. Dog in ’t algemeen wierd gezegd dat de winst de kosten in lange niet konde opwegen. Dit schreef men daaraan toe dat het land nog niet genoeg bewoond was, zo dat het kleine getal inwoonders genoeg met den landbouw te doen heeft, en men gevolgelyk werk heeft van menschen te vinden om in het yzer te arbeiden. Dog met dit alles kan ik kwalyk begrypen dat de Koning hierby[114]kan verliezen, aangezien den overvloed, en de smeedbaarheid van het yzer, en de nabyheid van de plaats waar het erts gevonden wordt. Het yzer is goed, en kan gemakkelyk door het land verspreid worden; en het gehele land moet zig hier van yzer voorzien. De Bedienden schenen hier niet kwalyk te varen. Het yzerwerk heeft door enen stroom gemeenschap met deSt. Laurence, langs dewelke men al het werk gemakkelyk met vaartuigen kan vervoeren. Des avonds keerde ik weder naarTrois Rivièresterug.Vertrek.Den 4. Augustus des morgens by ’t aanbreken van den dag gingen wy weder op reis. Het land aan de noordzyde der Rivier was enigsins verheven, zandig en overal digt aan de Rivier sterk bewoond. Men zeide dat het ook aan de zuidoostelyke zyde even zo wel bebouwd was, schoon men van de Rivier niets dan bosch zag. Men woont daar wat meer landwaards in, om dat het land digt by de Rivier laag is en somtyds onderloopt. ByTrois Rivièreswas deSt. Laurencewat smalder geworden, dog zy wierd wat lager weer breder, zelfs tot meer dan tweeEng.mylen.Wy zagen dien dag verscheiden’ stenen kerken, waarvan sommigen zeer wel gebouwd waren. Het land was aan weerskanten der Rivier sterk bewoond, tot op drie vierden van eneEng.myl, dog verder beginnen de bosschen en de wildernissen. Maar alle de rivieren en beken, die in deSt. Laurencevallen, zyn ook wel bewoond. Ik merkte op dat de bebouwde landen inKanadavlak nevens de rivieren lagen, uitgenomen by de steden, om welken heen enige mylen ver de landen bebouwd waren. Op de meeste eilanden in de Rivier woonden ook menschen. De oevers begonnen nu zeer hoog, en steil te worden, hoewel zy meest uit aarde bestonden. Hierendaar viel een beekje in de Rivier, onder welken ’er een was dat was dat deFranschenRivière puante86noemen, ’t welk omtrent tweeFr.mylen benedenTrois Rivièresin deSt. Laurence, aan derzelver oostelyke zyde, valt. Op dit water legt een weinig hoger een steedjeBecancourtgenaamd.DeAbenaki.Deze plaats wordt alleen van eenAmerikaanschvolk,Abenakigeheten, bewoond, welken tot den Roomschen Godsdienst overgegaan zyn, enJesuietschePriesters hebben. Van verre noordwestwaards zag men ene ry van hoge bergen, lopende van ’t zuiden naar ’t noorden, en boven al het land, dat doorgaans vlak was, heen kykende.Kalkovens.Men had op de Rivier hier enige kalkovens aangelegd. Den kalksteen groef men hieromstreeks in enigsins hoger gronden. Hy was digt en grauw, en gaf enen witten kalk.Granen.De landen zyn hier voornamelyk bezaid met weit, haver, mais en erwten. Kawoerden en watermeloenen waren ’er in menigte by de hoeven. Men at hier te lande niets dan weitenbrood.[115]EenHummingbirdof Bloemzuigertje vloog door het kreupelhout op ene plaats daar wy heden aan land gegaan waren. DeFranschennoemden hemOiseau mouche,87en zeiden dat hy inKanadavry gemeen is. Ik zag ’er naderhand nog enigen van byQuebec.Om vyf uur na den middag wierden wy door enen sterken tegenwind en regen gedwongen ons nagtverblyf te nemen. Ik merkte dat hoe meer menQuebecnaderde het land des te vryer werd. Wy waren nu twaalfFr.mylen van die plaats af.Visschery.Hier was ene zeer byzondere wys om visch te vangen in gebruik. Men plaatst kleine heggen van zamengevlogten rys, zo digt dat ’er geen visch door kan, en van enige voeten hoog, naar dat het water diep is, digt by den oever. Tot dit einde kiest men zulke plaatsen daar by de eb al het water wegloopt, zo dat de heggen dan droog staan. Binnen dezelven legt men verscheiden’ fuiken, van onderen wyd, staande overeind, en derdehalve el hoog en iets minder wyd. Onder in dezelven is de ingang voor de visschen, gemaakt van rys, en somtyds van garen. Aan het andere einde, gekeerd naar den kant waar de stroom van daan komt, is een andere ingang, gelyk de eerste, die naar een soort van planken hok geleidt, omtrent vier voet lang, twee diep, en twee breed. By elke fuik is ene heg, lopende schuinsch naar de grote heg, welke den visch naar de fuik moet leiden. Als het water nu hoog is zwemt de visch, byzonderlyk de aal, de rivier op, dog by de eb wordt hy naar beneden gedreven, en stuit dan tegens deze heggen, welke hy zo lang volgt tot dat hy in het hok komt. Het hok heeft boven ene opening met een deksel ’er op, waar door men den visch uitneemt. Deze visschery was voornamelyk voor de alen gemaakt. Op vele plaatsen had men netten in plaats van heggen.De oevers der Rivier bestonden hier niet meer uit aarde, maar uit een soort van lei. Zy waren buitengemeen hoog en steil. De lei was zwart, trekkende wat naar het bruine. Zy was zeer brosch, zo dat men ze met den vinger aan stukken breken kon, en lag in lagen, dewelken zig egter zo verdelen lieten dat zy niet breder waren dan de rug van een mes. Aan de lugt blootgesteld viel zy in kleine stukken. De gantsche oever lag vol van een fyn zand, ontstaan uit deze vermolmde leyen. Enige beddingen liepen horizontaal, anderen een weinig schuinsch, zo dat zy aan ’t noorden een weinig hoger waren dan aan ’t zuiden, en dikwyls net in ’t tegendeel. Hierendaar maakten zy bogten gelyk als halve cirkels. Somtyds wierden de beddingen ter diepte van enige ellen door ene loodregte lyn doorsneden, zo dat de leyen op de zyden dier lyn ’er als een gladde muur uitzagen. Op sommige[116]plaatsen vond men tusschen de leyen ene laag ter dikte van omtrent vier duim, van enen grauwen, digten, tamelyk weken kalksteen, uit den welken deWildenvan overoude tyden her hunne tabakspypen maakten, gelyk deFranschennog tegenswoordig doen.88Den 5. zetteden wy onze reis des morgens voort, al roeyende, dewyl wy enen harden wind tegen hadden. Het land behield de gedaante die wy beschreven hebben. De oevers waren hoog en steil, en bestonden uit de gemelde zwarte lei. Het land was vlak, en aan de Rivier tot op enigen afstand toe landwaards in digt bewoond. Wy ontmoetten gene eilanden; dog op sommige plaatsen lagen grote stenen in de Rivier, die men by laag water zien kon. Op deze stenen zyn verscheiden’ vaartuigen verongelukt. De breedte der Rivier bedraagt somtyds meer dan drievierden van eneEng.myl, somtyds ene halve, en somtyds meer dan twee mylen. Op verscheiden’ plaatsen vindt men zulke aalvisscheryen als wy beschreven hebben; en men bediende zig ten dien einde op vele plaatsen van netten in plaats van gevlogten rys.Wandluizen.Wandluizen zyn ’er overvloedig inKanada, en ik ontmoette ze overal waar ik huisvestede, zo wel in de steden als op het land. Men wist ’er geen ander middel tegen dan geduld te nemen.Krekels.DeKrekelszyn hier overal menigvuldig, vooral op het land, daar zy in de schoorstenen zitten. Ook vindt men ze in de steden. Zy blyven hier zomer en winter, en byten de klederen dikwyls voor tydverdryf aan stukken.Nader byQuebecworden de oevers meer gloyend. Noordwaards vertoonde zig ene ry hoge bergen. Omtrent derde halveFr.myl van die Stad wordt de Rivier zo smal, dat zy niet boven enen musketschootQuebec.breed is. Het land aan beide zyden liep schuinsch op, was bergagtig, boschryk, en vol klippen. Des avonds om vier uur kwamen wy teQuebec. Wy konden de stad niet zien voor dat wy ’er vlak by waren, nadien een hoge berg ons het gezigt ’er van benam. Egter ontdekt men van verre een stuk van de vestingwerken die op den berg leggen. Zodra de SoldatenQuebecin ’t oog kregen, riepen zy dat allen die hier noit geweest waren gedoopt moesten worden, ten zy zy een drinkgeld gaven. Dit was een gebruik hier te lande, aan het welk zelfs de Gouverneur Generaal zig onderwerpen moest. Wy hadden gene reden ons hier tegen te verzetten, en de roeyers by hunne[117]aankomst voor hunnen zwaren arbeid niet enen vrolyken avond te gunnen.Terstonds by myne aankomst in de stad bragt my de Officier, die my vanMontrealbegeleid had, naar het slot, by den toenmaligen Vice Gouverneur Generaal, denMarquisLaGalissonière. Dit was een Heer van ongemene verdiensten, die my gedurende myn gehele verblyf alhier met uitmuntende goedheid bejegende. Hy had reeds kamers voor my doen bestellen, en droeg zorg voor alles wat wy van doen mogten hebben. Ook had ik dagelyks de eer by hem ter tafel verzogt te worden.Quebec, de Hoofdstad vanKanada, legt op den westelyken oever derSt. Laurence, op een uitstek lands, gemaakt van die Rivier aan het oosten, en de RivierSt. Charlesaan het noorden. Zuidwaards wordt de berg waarop de stad legt nog hoger, en agter denzelven beginnen grote weiden; westwaards strekt zig de berg nog een stuk wegs uit. Men verdeelt de stad in enehogeen enelage stad.89Het gemelde uitstek lands is uit de modder, door de Rivier van tyd tot tyd aangespoeld, en ene rots ontstaan, welke daar legt, en niet uit ene langzame afneming van ’t water. De hoge stad legt boven de andere op den berg, en is vyf of zes maal groter dan de lage, dog niet zo sterk bewoond. De berg waarop de bovenstad legt is hoger dan de huizen der benedenstad, schoon die van drie of vier verdiepingen zyn: als men uit het Slot naar de benedenstad, die ’er vlak onder legt, afziet, is het om duizelig te worden. En van daar naar het Slot om hoog ziende, schynt dat in de lugt te staan. Daar is maar een toegang van de benedenstad naar boven, zynde een deel van den berg in de lugt gesprongen. Deze toegang is zeer steil, schoon hy krom loopt. Egter rydt men hem met wagens op en af. In de lage stad wonen byna alle de kooplieden. De huizen staan daar digt by een. De straten zyn nauw, ongelyk en haast altyd vogtig. Men vindt ’er ene kerk en ene marktplaats. In de hoge Stad wonen de aanzienlykste lieden, behalven verscheiden amptenaars en ambagtsgezellen. Ook staan hier de voomaamste gebouwen, waaronder de volgenden de aanmerkenswaardigste zyn.I. Het Slot. Dit is aan den zuidkant van den berg gelegen, waar hy zeer steil is, vlak boven de benedenstad. Eigenlyk is het geen kasteel, maar een langwerpig gebouw van steen, twee verdiepingen hoog, en strekt zig van ’t zuiden naar ’t noorden. Aan de westzyde is een hof, met enen muur en huizen omringd. Oostwaards tegens de Rivier aan is ene gallery even zo lang als het gebouw zelf, omtrent enen vadem breed. Zy is met gladde stenen bestraat, en aan den buitenkant met[118]yzeren tralien omgeven, zo dat men van daar in de stad en langs de Rivier zien kan. Hier gaat men gemeenlyk na den maaltyd zig een weinig vertreden. Ook wagten hier die genen welken den Gouverneur spreken moeten tot dat het hem gelegen komt. In dit Slot woont de Gouverneur Generaal van geheelKanada, voor het welk dagelyks ene sterke wagt optrekt, en als de Gouverneur of Bisschop voorbygaat komt de wagt in ’t geweer, en wordt de trom geroerd. De Gouverneur heeft op het Slot zyne kapel waarin hy zyne gebeden doet, schoon hy dikwyls ook in de stad in de kerk der Barrevoeters de Misse bywoont.II. Zyn hier zeven of agt kerken, allen van steen gebouwd, namelyk.1. DeHoofdkerk, leggende aan de regterhand als men uit de benedenstad in de bovenstad komt, een weinig voorby het Hof van den Bisschop. Men was thans bezig om ze schoonder dan voorheen te maken. Zy heeft aan de westzyde enen ronden toren met twee verdiepingen, in de onderste van welken de klokken hangen; aan de oostzyde is ook een klein rond torentje. De preekstoel is verguld. De banken zyn frai.2. DeJesuieten Kerk, zynde ene kruiskerk, en hebbende enen ronden toren. Deze was de enige kerk in de stad die een uurwyzer en slag had.3. De kerk derBarrevoetersof derRecollecten, leggende vlak over de poort van ’t slot. Zy ziet ’er vry wel uit, en heeft enen enigsins hogen spitsen toren en een klokkenhuis.4. De kerk derUrselinen, hebbende enen ronden spitsen toren.5. DeHospitaalkerk.6. De Kapel des Bisschops.7. De Kerk in de benedenstad, gebouwd in ’t jaar 1690. na dat de Stad van deEngelschenvry geraakt was. Zy wordtNôtre Dame de la Victoiregenoemd. Zy heeft eenen kleinen vierkanten toren, van boven rond, midden op het dak.8. De kleine Kapel van den Gouverneur op het Slot, welke ook voor ene Kerk kan gerekend worden.III. Het Huis van den Bisschop, welk het eerste is dat men aan de regterhand ontmoet, als men van de benedenstad naar de hoge Stad gaat. Het is een frai groot gebouw, met enen moestuin, die in zyne muren legt.IV. Het Kollegie derJesuieten, dat ik op ene andere plaats breedvoeriger beschryven zal. Het ziet ’er pragtiger uit dan het Slot zelfs, dog legt zo aangenaam niet. Het is byna viermaal zo groot als het Slot, en het schoonste gebouw van de Stad. Het legt aan de noordzyde van ene marktplaats, aan welker zuidzyde de Hoofdkerk staat.V. Het Klooster derBarrevoeters, leggende westwaards nevens het[119]Slot, vlak daar over. Het is een groot gebouw met enen frayen tuin. Het huis is twee verdiepingen hoog, op elke van welken een lange gang is met cellen.VI. HetHôtel Dieuzal ik nader beschryven. De Nonnen die de zieken oppassen zyn van de Augustyner order.VII. HetHuis der Geestelykheid90is een groot gebouw aan de noordoostzyde der Hoofdkerk. Aan den enen kant heeft het enen ruimen hof, en aan den anderen, tegens de Rivier aan, enen groten boomgaard en moestuin. Geen van alle de gebouwen in de Stad heeft een zo bekoorlyk uitzigt als ’er in dien tuin is, waarvan men benedenwaards in de Rivier en alomme heen over ’t land ver weg ziet. DeJesuietenin tegendeel hebben geen uitzigt ter wereld. Ook kunnen zig deBarrevoetersover het hunne niet zeer beroemen. In dit gebouw wonen alle de Geestelyken der Stad met hunnen Opzigter by malkander. Zy bezitten hier inKanadaop vele plaatsen grote landeryen, die hun door de Regering geschonken zyn, van de welken zy de inkomsten genieten, waaruit zy rykelyk bestaan kunnen.VIII. HetNonnenklooster der Urselinen, zal ik beneden nader beschryven.Meer openbare huizen van enig aanzien vindt men hier in de Stad niet, dog noordwest even buiten dezelve legt het huis van denIntendant, een openbaar gebouw, zo groot en aanzienlyk dat het wel voor een Slot zou kunnen doorgaan. Het is met blik gedekt, en staat in ene twede benedenstad, welke zuidwaards op de RivierSt. Charleslegt, en heeft aan de noordzyde enen schonen en groten tuin. Hier worden alle de beraadslagingen die het land in ’t algemeen raken gehouden, en de Heren die ’t bestier vanregts-en burgerlyke zaken hebben vergaderen hier. DeIntendantzit als dan voor. Dog als het zaken van groot gewigt zyn komt ’er de Gouverneur zelf. Aan de ene zyde van dit gebouw is het Magazyn der Kroon, en aan de andere het Gevangenhuis.DeHuizenzyn hier doorgaans van steen. In de bovenstad hebben zy gemeenlyk maar ene verdieping, alleen de openbare gebouwen uitgenomen. Hier en daar stonden nog enige houten huizen; dog als die bouwvallig worden mag men ze niet vernieuwen. De stenen huizen en de kerken zyn niet van tichelstenen, maar van de zwarte kalkleyen, waaruit de berg daarQuebecop legt bestaat, gebouwd. Als men deze leyen uit den berg haalt zyn zy in ’t eerst zo vast dat zy niet afschilferen. Maar als zy enigen tyd in de lugt geweest zyn beginnen zy zig in dunne schyven te verdelen. Deze steen is week, en ligt te bearbeiden. De muren rondom de Stad en om de tuinen in dezelve bestaan ook grotendeels[120]uit dezen steen. De daken der openbare gebouwen zyn met gemene leyen gedekt, welken men uitFrankrykherwaards brengt, dewyl ’er hier te lande genen van dat soort gevonden worden. Deze leyendaken hebben het enige jaren tegens de lugt en ’t weder goed gemaakt, en zyn nog in staat. De andere huizen zyn meest met planken gedekt, leggende of met de sparren evenwydig dwars over dezelven heen. De hoeken der huizen en de posten der vensters waren dikwyls van enen grauwen fynen kalksteen, die sterk ruikt.91Deze steen was op sommige plaatsen beter dan de zwarte kalkleyen, die in de lugt altyd in schyven vallen. De meeste huizen waren van buiten gewit. De vensters sloegen meest allen naar binnen open, dat veel plaats in de kamers wegnam. Des winters bediende men zig op sommige plaatsen van dubbelde vensters. Men verwarmde de vertrekken met kleine yzeren kacchels. De vloeren waren zeer morssig, en wierden niet meer dan eens in ’t jaar gezuiverd.Het Buskruidmagazyn staat op het hoogste van den berg waarop de Stad legt, een weinig ten zuiden van het Slot.De straten in de bovenstad zyn breed genoeg, dog zeer oneffen door dien de Stad op enen berg legt, zo dat het hier lastig is te gaan en te ryden. De zwarte kalklei steekt hare scherpe hoeken dikwyls omhoog, het welk de schoenen schrikkelyk slyt. Voor ’t overige heeft men gene regelmatigheid by ’t aanleggen der straten gebruikt, zo dat zy krom en dwars lopen.Grootte.De menigte van tuinen, die zo wel by de byzondere huizen als by de kloosters zyn, maken dat de Stad vry groot schynt, dog dat zy geen zeer groot getal van huizen bevat. Van ’t zuiden naar het noorden is zy zeshonderd, en van den oever aan de benedenstad tot aan den westelyken muur driehonderd vyftig of vierhonderdToiseslang. Dog deze gehele ruimte is niet bewoond; aan de zuid en aan de westzyde zyn digt aan de muren grote opene plaatsen, waar tegenswoordig gene huizen staan, en die men betimmeren kan indien de Stad in ’t vervolg meer inwoonders krygt.De Bisschop.De Bisschop, die hier zynen zetel houdt, is de enige in gantschKanada. Zyn gebied strekt zig uit totLouisiana, de Bai vanMexikoen deZuid Zee. Geen Bisschop, uitgenomen de Paus, had oit een uitgestrekter Bisdom. Dog de geestelyke schapen, die zyne stemme horen, zyn op zekeren afstand vanQuebeczeer weinig in getal, en houden zig dikwyls enige honderd mylen ver van malkander op.[121]Handel.Quebecis de enige zee- en handelplaats vanKanada, van waar alle de waren die naar buiten gaan worden afgezonden. De haven is op de Rivier onder de Stad. DeSt. Laurenceis daar omtrent een vierde van eneFr.myl breed en vyfentwintig vadem diep. De grond is goed om te ankeren. Men legt ’er voor alle stormen in zekerheid. De noordoosten wind is hier de gevaarlykste. Toen ik aankwam telde ik dertien vaartuigen, groten en kleinen t’zamen genomen, en men verwagtte ’er nog meer. Dog men moet aanmerken dat gene andere danFranscheSchepen hier komen mogen. Egter konnen ’er velen zyn, die uit verscheiden havens zo inFrankrykals in deFransche AmerikaanscheEilanden komen. VeleFranscheKooplieden uitMontreal, na meer dan een half jaar onder deWildente hebben gereisd, om pelteryen op te kopen, van waar zy gemeenlyk op het einde van Augustus terugkomen, begeven zig van daar in September en October naarQuebec, om daar hunne waren aftezenden. Dus zoude men denken dat de StadQuebecuit hoofde van dit voorregt van alles te verzenden, zeer ryk moest zyn, dog velen zeiden dat dit zo niet was. Enigen, stond men toe, waren wel gegoed; maar de meesten bezaten niet boven het geen zy noodwendig tot hun onderhoud van noden hadden, en zeer velen waren diep in schulden. Dit schreef men aan de pragt toe, willende de een voor den ander niet onder doen. De Kooplieden hielden veel van zig kostbaar te kleden, lekker te eten en te drinken, vele schotels op tafel te hebben, en grootsch te leven. De Vrouwen gingen alle dagen zo opgeschikt als moesten zy aan ’t Hof wezen.Sterkte.De Stad is rondom, en byzonderlyk aan de landzyde, door enen hogen muur omringd, die nog niet geheel voltoid was, dog men arbeidde sterk ’er aan. De muur werd ten dele van de voorheen gemelde zwarte kalkleyen, en ten dele van enen grauwen zandsteen gemetseld. By de poorten gebruikte men enen grauwen kalksteen. Aan den waterkant had men nog gene muren aangelegd, dog de natuur heeft daar de plaats vry sterk gemaakt, dewyl de berg daar niet wel te beklimmen is. Buiten dat heeft men hier geschut geplant, zo dat het genoegzaam ondoenlyk is met vaartuigen voor de Stad te komen, zonder in den grond geschoten te worden. Aan de landzyde leggen ook hoge bergen. Dus schynt de plaats, en door de natuur en door de konst, vry wel versterkt.Lotgevallen.Quebecwierd door den GouverneurSamuel de Champlainin het jaar 1608. aangelegd. De Stad nam langzaam toe. In ’t jaar 1629. maakten ’er zig deEngelschen, onderLewisenThomas Kerk, met verdrag meester van. DeEngelschenvondenQuebecen gantschKanadain zulk enen staat van gebrek aan noodwendigheden, dat zy daar veeleer als vrienden dan als vyanden ontvangen wierden. De genoemdeKerkswaren broeders van den AdmiraalDavid Kerk, die met zyne vloot een weinig lager lag.[122]In ’t jaar 1632. werdQuebecte gelyk metKanadaby den vrede aan deFranschenteruggegeven. Aanmerking verdient het, dat men in dien tyd inFrankrykin overweging nam of het der moeite wel waard wezen zoudeKanadavan deEngelschenterug te vorderen. De meesten oordeelden dat men het niet terug moest eischen, dewyl het een koud gewest was, de uitgaven de inkomsten ver te boven gingen, en datFrankrykeen zo uitgestrekt land niet van inwoonders voorzien kon zonder zig zelf uitteputten, gelyk aanSpanjegebeurd was. Beter was ’t het volk inFrankrykte houden, en het aantemoedigen tot het beoeffenen van allerlei handwerken, waardoor deEuropers, die inAmerikavolkplantingen hadden, genoodzaakt zouden worden om met hunne waren in deFranschehavens te komen ten einde daar deFranschehandwerken te halen. Dog zulken die wat verder dagten waren van oordeel, dat de lugtstreek zo ruw niet was, en dat ’er grote misslagen door de Maatschappy begaan wierden, waardoor de uitgaven zo hoog liepen. Men moest, zeiden zy, niet ene grote menigte volks op eenmaal, dog allengskens enige weinigen te gelyk, zo datFrankrykhet niet voelen kon, overvoeren. Daar was grond om te hopen dat dit Land met den tydFrankrykmagtig zou maken, dewyl ’t het volk gelegenheid geven zou van zig op de zeevaart, deharing-, dorsch-, walvisch-en robbenvangst toe te leggen. Dus zou dit land in een zeker opzigt ene school voor zeevolk worden. Voorts vertoonden zy wat voordelen ’er gelegen waren in ’t bezit van zo velerhande soorten van pelteryen, in de bekering der Heidenen, en in zo grote bosschen, waaruit men scheepstimmerhout halen kon. En al trok men ’er geen ander voordeel van, zo vorderde nogthans het belang vanFrankrykdoor ’t bezit van dit Land den aanwasch van de magt derEngelscheninAmerikate hinderen, en dus hun toenemend vermogen, dat voorFrankrykanders onverdraaglyk stond te worden, palen te zetten. De tyd heeft geleerd dat deze lieden een goed inzigt in de zaak gehad, en den grond gelegd hebben voor den aanwas van de magt derFranschen. O! hadden wyZwedende zaak ook dus ingezien, toen wy in ’t bezit vanNieuw Zweden, het beste van alle de gewesten vanNoord Amerika, waren! Een wys en voorzigtig man ziet niet alleen op het tegenwoordige maar ook op het toekomende.In ’t begin vanFebruari1663. gevoelde men teQuebec, en in een groot deel vanKanada, die zware aardbeving waarvan men nog de tekens zien kan. Dog geen mensch verloor ’er het leven by.In October 1690. wierdQuebecdoor denEngelschenGeneraalWilliam Phibsbelegerd; dog hy moest na enige dagen met groot verlies aftrekken. DeEngelschenpoogden wel enige reizen de geledene schade te boeten; dog deSt. Laurenceheeft altyd getoond enen goeden[123]voormuur voorKanadate zyn, en dat een onervarene en een vyand dezelve niet ligt opvaart zonder schade te lyden. Op enigen afstand vanQuebecis zy vol van verborgen’ klippen; de stroom is ’er geweldig; en de schepen zyn op vele plaatsen genoodzaakt dikwyls te wenden.Naam.De Stad wordt gezegd haren naam van eenNormanschwoord, wegens hare legging op een uitstek lands, te ontlenen. Als men op de Rivier byIsle d’Orleansis kan men deSt. Laurenceboven de stad niet zien, en de RivierSt. Charles, die beneden de stad loopt, schynt het vervolg van deSt. Laurencete zyn. Dog wat hoger opkomende ziet men den regten loop derSt. Laurence, die op ’t eerste gezigt naar enen groten zeeboezem of den mond ener rivier gelykt. Dit had enen der Matrozen die dit gezigt onverwagt in ’t oog viel aanleiding gegeven van in zyne spraak uitteroepen,Que bec!dat iswat een uitstek lands!En hiervan meent men dat de stad haren naam gekregen heeft. Anderen leiden dien naam van ’tAlgonkinschewoordQuebegoofQuebekaf, het welk hetvernauwenener zaak beduidt, dewyl de Rivier voor de stad nauwer wordt.DeSt. Laurenceis voor de stad een vierde van eneFranschemyl breed. Het zoute zeewater komt noit tot voor de plaats, en het meeste water dat men hier gebruikt wordt uit de Rivier gehaald. Allen stemden hierin overeen, dat, hoe breed ook de Rivier is, en hoe sterk ze ook vooral by de ebbe stroomt, zy nogthans den gehelen winter met ys bedekt is, zo dat men ’er byna al dien tyd over gaan of ryden kan. Men wil zelfs, dat, als de Rivier in Mai open is, het somtyds gebeurt dat ’er in die maand zo koude nagten invallen, dat zy op nieuws toevriest, zo dat men ’er over gaan kan. Dit is een duidelyk bewys dat de koude hier zeer gestreng is, vooral als men let op het geen zo aanstonds aangaande het ty in deze Rivier zal gezegd worden. De grootste breedte der Rivier by haren uitloop in zee zal omtrent zesentwintigFr.mylen bedragen, schoon men de juiste palen tusschen de Rivier en de zee by hare vereniging met dezelve niet kan aanwyzen, dewyl zy allengskens wyder en wyder wordt en ongemerkt in zee stort. Het meeste water, dat in vele grote Meren inKanadais, waaronder ’er vier of vyf gevonden worden die zeer groot zyn, moet zig door deze Rivier in zee lozen. De vaart uit zee langs deSt. Laurenceis uit hoofde van den sterken stroom en de menigvuldige zandbanken, die zig nu en dan verzetten, zeer gevaarlyk. DeEngelschenhebben dit tweemalen ondervonden als zyKanadawilden aantasten. Derhalven beschouwen deFranschendeze Rivier als den voormuur vanKanada.92[124]De vloed gaat, gelyk ik reeds gemeld heb, ver bovenQuebec. Het onderscheid tusschen den hoogsten vloed en de laagste ebbe is daar gemeenlyk vyftien of zestienFr.voeten. Dog by nieuwe of volle maan wil men dat het verschil wel zeventien of agttien voeten bedraagt, het welk inderdaad een aanmerkelyk verschil is.Ginseng.Ginsengis de naam dien deFranschenhier te lande aan ene plant geven, op welker wortel deChinezengroten prys stellen.93Van onheuglyke tyden af is zy inChineesch Tartaryeen inKoreagewassen, waar zy jaarlyks verzameld en naarChinagevoerd wordt. VaderDu Halde94zegt dat zy de kostelykste en nuttigste plant van allen is die inOost Tartaryevallen, en alle jaren ene grote menigte kruidzoekers naar de woestenyen van dat land lokt. DeMantchou Tartarennoemen zeOrhota, dat is deKoningin der planten.95Zy wordt zo van deTartarenalsChinezenzeer geroemd, zo wel om hare uitmuntende kragt ter genezing van vele zware ziektens, als wegens het vermogen dat zy hebben zou ter versterking van de kragten des lichaams en ter opwekking van verzwakte zinnen. Zy is in zulk ene agting dat het once goedenGinsengtePekingzeven of agt oncen zilvers geldt. Toen de liefhebbers der kruidkunde inKanadadeze plant het eerst afgebeeld zagen, herinnerden zy zig ene diergelyke daar te lande gezien te hebben. Zy wierden in hunne mening bevestigd doordien verscheiden’ streken vanKanadaop juist de zelve Poolshoogte leggen als die plaatsen vanTartaryewaar deGinsengin ’t wild wast. Ook bedrogen zy zig niet. Zy vonden die plant op vele plaatsen vanNoord Amerikain de bosschen, zo wel in deFranscheals in deEngelscheVolkplantingen, in menigte van zelfwassende. Zy zoekt de schaduw en ene diepe tuinaarde, dog gene natte of verhevene plaatsen. Men kan egter niet zeggen dat zy zeer gemeen is, want somtyds kan men enige mylen door de bosschen reizen zonder ene enkelde plant te vinden. Dog waar zy[125]wast; wast zy in menigte. Zy bloeit in Mai en Juni, en de bessen zyn ryp op het einde van Augustus. Men kan ze met den wortel ’er aan verplanten, en zy gaat dan weer ten eersten aan ’t groeyen. Enige menschen, die de bessen in hunne tuinen gezaid hadden, zeiden dat zy een of twee jaren in den grond blyven leggen voor dat zy opkomen. DeIroquoizennoemen deze wortelsGarangtoging, het welk eenkindbetekent, dewyl zy enige gelykenis op een kind hebben. Dog volgens de mening van anderen beduidt dit woord enedye, waarnaar de wortel meer gelykt. De kragt, welke deFranschendezen wortel toeschryven, bestaat daarin dat zy de benauwdheid der borst wegneemt, de maag versterkt, en de vrouwen vrugtbaar maakt. Men dreef ’er thans enen sterken handel mede. De wortelen worden hier in menigte verzamelt, en naarFrankrykgezonden, van waar men ze met groot voordeel naarChinaverzendt.96In ’t eerst toen men ze naarEuropabegon te zenden wierden zy duur betaald. Men verhaalde dat enigeFranscheongelooflyke schatten met dezen handel opChinagewonnen hadden. Dog de menigte die ’er van overkwam heeft den prys inChina, en gevolglyk inFrankrykenKanadazelfs zeer doen dalen. Egter vinden de Kooplieden hunne rekening zeer wel by dezen handel. In den zomer van het jaar 1748. betaalde men teQuebeczesFranscheGuldens voor het pond. Gemeenlyk geldt het daar honderdSols. Toen ik inKanadawas kregen alle de Kooplieden teQuebecen teMontreallast van hunne Korrespondenten inFrankrykom ene grote menigteGinsengovertezenden. Dus werd zy thans meer dan oit getrokken. Men zogt ze dan ook met alle vlyt. DeWildenvooral zwierven alomme om ze te vinden, en ze den kooplieden teMontrealte brengen. Den ganschen zomer konden de Boeren in den omtrek van die stad niet enenAmerikaankrygen, om, volgens gewoonte, hen in den oogst te helpen, zo bezig was dat volk met het zoeken naarGinsengs. Velen vreesden dat als men enige jaren voortvoer met deze wortels zo yverig te zoeken, zonder hier en daar enige planten te laten staan ten einde het geslagt voorttezetten, ’er weinig binnen korten tyd van overblyven zou; en dit is zeer waarschynlyk. Ook berigtte men in ’t algemeen dat dit gewas voorheen overvloedig rondomMontrealplegt gevonden te worden, dog tegenwoordig was ’er niet ene enkelde plant te zien. Dit dwong deWildendezen zomer om ze ver binnen de grenzen derEngelschente gaan zoeken. Men heeft met deze wortelen, na dat zy door deWildenzyn aangebragt, nog veel[126]moeite; want men legt ze uit malkander op den grond om te drogen, waartoe twee maanden of meer tyds vereischt wordt, naardat het weder is. Ondertusschen moeten zy daags eens of tweemaal omgekeerd worden, op dat zy niet beschimmelen, of verrotten. Wat ten noorden vanMontrealheeft men ze nergens in ’t wild gevonden. De Opzigter der Geestelykheid hier te lande en anderen verhaalden my dat deChinezendenKanadaschen Ginsengvoor even zo goed als denTartaarschenhouden;97en dat nog niemant wel wist hoe deChinezenze toebereiden. Dog men denkt dat als de wortel begonnen heeft te drogen zy een afkooksel van de bladeren maken, en hem daarin laten weken. De wortel inChinatoebereid is doorschynend en ziet ’er uit als hoorn. Om goed te zyn moet de wortel zwaar en van binnen gesloten zyn.Herba capillaris.Het doorgaans inKanadazo genoemdeHerba capillaris98is ook een van de gewassen waarmede dit gewest enen sterken handel dryft. DeEngelschennoemen hetMaagdenhair.99Het groeit overvloedig in alle hunneAmerikaanscheVolkplantingen, die ik doorreisd heb. Ook is het zeer gemeen in de zuidelyke delen vanKanada, dog omstreeksQuebecheb ik het niet vernomen. Deze plant slaagt niet dan in de schaduw en op goede gronden. Verscheiden menschen teAlbanyen inKanadaberigteden, dat de bladen derzelven zeer veel als thee in teringen, verkoudheden en andere borstkwalen gebruikt werden. Dit had men van deWildengeleerd, die van overoude tyden her van dit middel zig bediend hadden. DeAmerikaanscheHerba capillariszou in de Geneeskonst beter zyn dan hetEuropisch Vrouwenhair.100Ook wordt ’er jaarlyks veel van naarFrankrykgezonden. De prys is niet altyd de zelve, en schikt zig naar de deugd der waar, hare toebereiding, en de menigte die ’er van is. Gemeenlyk kost het pond teQuebecvan vyf tot vyftiensols. Om dezen tyd van het jaar begaven zig deWildenin groten getale naar de bosschen ver bovenMontrealom dit gewas optezoeken en te vergaderen.Moeskruiden.DeMoeskruidenkomen hier zeer wel voort. Dewitte Koolstond zeer wel, schoon de rupsen ze zeer beschadigd hadden. DeUyenswaren, zo wel als de andere soorten vanLook, zeer in gebruik. Niet minder at men hier kawoerden, meloenen, salade, endyvie, erwten, bonen, peen, en komkommers. Men had ook tamelyk veel rode Beten,[127]Radys, Tym, en Marjolyn. Ook zaide men veel Rapen, die inzonderheid des winters veel gegeten werden. Witte peen gebruikte men ook tamelyk veel. Weinig hield men van Artisjokken. Nog de gemene101nog deBermudische Potatoes102worden hier geplant, om dat zy voor smakeloos gehouden worden, en men lachte deEngelschenuit om dat zy ’er zo veel werks van maakten. DeBrassica gongylodesvanLinnæus103was onbekend in geheelNoord Amerikaby deZweden, deEngelschen, deHollanders,Ieren,DuitschersenFranschen. De genen die hier zig op het aanfokken der Moeskruiden toeleiden hebben my verzekerd, dat zy genoodzaakt waren jaarlyks nieuwe zaden uitFrankrykte doen komen, dewyl zy inKanadamet het derde jaar hunne kragt verloren, en niet meer zo goede en smakelyke planten voortbragten.Onkunde derWilden.By deWilden, die van overoude tyden af inNoord Amerikagewoond hebben, en die van enerlei afkomst zyn en dezelve taal spreken, heeft men nimmer enige letters, veel minder geschriften of boeken ontdekt. Zy hebben gevolgelyk vele euwen lang in de grofste onkunde geleefd. Dit is oorzaak dat zy niet het minste weten aangaande de oude gesteldheid des Lands, en al wat zy ’er van weten steunt op losse vertellingen en horen zeggens. Niemant is ’er die wete of voor dezeWilden, die nu hier wonen, een ander volk in bezit van ’t Land geweest is, nog of iemant voorColumbus’tyden dit Werelddeel bezogt hebbe. Even zo onbekend is het of voorheen hier oit hetChristendomgepredikt zy. Ik vroeg verscheideneJesuieten, die door dit grote Land omreisden, of zy oit by deWildenenige sporen hadden kunnen ontdekken vanChristenen, die voor heen hier geweest mogten zyn; dog zy wisten ’er niets van. Zo onkundig als dezeWildenin het schryven en de wetenschappen zyn, en altyd geweest zyn, zo onkundig zyn zy ook in de bouwkunst en de handwerken. Vergeefs zoekt men by hen welgebouwde steden en huizen, vestingwerken, torens, pilaren, en diergelyke dingen, welken men in de oude wereld van vroege tyden af kan aanwyzen. De gebouwen dezer menschen zyn slegts elendige hutten van boomschorssen, aan alle zyden voor regen en wind open. Al hun muurwerk bestaat daarin dat zy enige stenen rondom de plaats daar zy vuur in hunne hutten maken leggen, om te verhinderen dat het vuur te ver voortkruipe, of liever om dus de plaats te onderscheiden voor het vuur. Een Reiziger vindt hier niet het tiende deel van het vermaak dat men in andere van ouds bewoonde[128]landen in ’t reizen geniet, waar men byna iederen dag een overblyfsel der Aloudheid ontmoet, nu ene beroemde stad, dan puinhopen van een oud kasteel; nu een slagveld, waar enige euwen geleden een bloedig treffen tusschen magtige en beroemde Vorsten of Veldoverstens voorgevallen is; dan de geboorteplaats van den enen of den anderen geleerden en door de gantsche wereld beroemden man. Op zulke plaatsen kan men zyne gedagten op velerhande wyzen strelen, en zo vele gebeurde zaken levendig voorstellen. Dog hier vindt men niets van dezen aard. De geschiedenis gaat hier niet hoger dan de aankomst derEuropers. Wat men van vroegere tyden verhaalt heeft groter gelykenis naar enen droom of een verdigtsel dan naar ene gebeurtenis. Evenwel heeft men enige merktekens van Oudheid inNoord Amerikagevonden, waaruit men opmaken kan, of dat dit gewest in de voorgaande euwen van het een of ander in de wetenschappen meer ervaren volk, dan het welk deEuropersdaar gevonden hebben, is bewoond geweest, of dat ’er uit de Oude Wereld herwaards een zware krygstogt moet ondernomen zyn.Reis over land naar deZuid Zeeen gedane ontdekkingen.Dit wordt door een verhaal bevestigd, dat ik den HeerVerandrier, die zelfde onderneming naar deZuid Zee, van de welke ik zo aanstonds gewagen zal, geleidde, aan de tafel van den Gouverneur Generaal hoorde doen, en het welk my naderhand verscheiden ooggetuigen bevestigd hebben. Zie hier kortelyk waar in dit verhaal bestond. Weinige jaren voor myn aankomst hier te lande kreeg gemelde HeerVerandriervan den toenmaligen Gouverneur Generaal, den RidderDe Beauharnois, bevel om met enen hoop krygsvolks enen togt dwars doorNoord Amerika, vanKanadaaf tot aan deZuid Zee, te doen, om te onderzoeken hoe groot de afstand dier zee van dat geweest ware, en welke voordelenKanadaofLouisianavan de gemeenschap mee dezelve trekken konde. De reis wierd vanMontrealaf te paard, en, zo veel het stromen, meren, bergen, en zo voorts, toelieten, regt toe westwaards aan voortgezet. Toen zy diep in het Land gekomen, en velerlei volken voorby gereisd waren, vonden zy somwylen grote velden, geheel van hout ontbloot en met zeer hoog gewassen gras bedekt, die enige dagreizen aanhielden. Op velen van deze velden was de grond doorgaans met voren doorsneden, als waren zy voorheen beploegd geweest. En hier moet men aanmerken dat geen van de thans inAmerikawoonagtige wilde volken deze voren heeft konnen trekken, dewyl dezen nog paarden, nog ossen, nog ploegen, nog enig ander bouwgereedschap bezitten, en voor de aankomst derEuropersnoit enen ploeg gezien hebben. Op twee of drie plaatsen, dog ver van malkander, waren in de rotsen indrukken van voeten, zo wel van kinderen als van volwassen menschen te zien. Dog dit is ontwyffelbaar voor een spel der natuur te houden. Toen zy zo ver naar ’t westen gekomen[129]waren, waar, zo veel men weet, noit eenEuropergeweest is, vonden zy hier en daar, zo wel in bosschen als op uitgestrekte vlaktens, grote pylaren van steen, rustende tegen malkander. De pylaren bestonden elk uit een stuk, en deFranschenkonden niet anders zien of zy waren door menschenhanden opgerigt. Somtyds vonden zy zulke stenen op malkander, en als tot een muur gemetseld. Op enige plaatsen waar zy zulke stenen aantroffen zagen zy gene andere stenen in de nabuurschap. Op genen van deze stenen konden zy enig schrift of letters ontdekken, hoe zeer zy ’er ook naar zogten. Eindelyk egter vonden zy enen groten steen gelykenden wel naar enen pylaar, en op dien enen kleinderen, die aan beide zyden van onbekende letters vol was. Dezen steen, die omtrent de lengte van enenFranschenvoet en de breedte ener hand had, braken zy los, en voerden hem naderhand naarKanada, van waar hy naarFrankrykaan den Graaf vanMaurepasgezonden wierd. Wat ’er vervolgens van geworden was, wisten zy niet, dog zy geloofden dat hy nog in ’t Kabinet van dien Heer was. Verscheiden’Jesuieten, die zelfs hier inKanadadien steen in handen gehad hadden, berigteden eenparig, dat zy de daarop gegraveerde letters met die vergeleken hadden welken men alsTartarischeletters opgegeven vindt, en dat zy van het zelve soort met dezelven schenen te zyn.104Maar schoon de op deze onderneming afgezonden’[130]Franschenzig alle bedenkelyke moeite gaven, om van daaromstreeks wonendeAmerikanente vernemen, wanneer en van wien die steenpylaren opgerigt waren, wat overleveringen zy daarvan hadden, wat die letters te kennen gaven, wie ze ’er op gezet hadden, wat soort van letters het waren, en tot welke taal zy behoorden, en diergelyken, konden zy ’er niet de minste onderrigting aangaande krygen, en deWildenwaren ’er ruim zo onkundig omtrent als deFranschen. Het enige dat zy wisten te zeggen was dat die stenen daar van overoude tyden her gestaan hadden. De plaatsen waar men deze overblyfsels vond waren wel negenhonderdFr.mylen westwaards vanMontreal. Het ware oogmerk dier Reis, namelyk om tot deZuid Zeedoortedringen, en den afstand derzelver vanKanadate bepalen, wierd door deze afgezondene manschap niet bereikt, dewyl zy zig bewegen lieten om deel in enen oorlog te nemen tusschen twee ver vanKanadaaf wonende wilde volken, in den welken enigen van deFranschengevangen genomen, en de overigen gedwongen werden van ’t voortzetten hunner Reis aftezien en terugtekeren. Van de allerverst wonendeWildenten westen, by wie zy kwamen, verstonden zy egter, dat zy maar enige dagreizen van deZuid Zeeafwaren; dat zy zelven dikwyls met deSpanjaardenaan die Zee wonende handel dreven, en somtyds naar deHudsonsbaireisden en met deEngelschenhandelden. Enigen van dezeWildenhadden huizen van aarde gemaakt. Velen van die Volken hadden nimmer van te voren enenFranschmangezien. Zy waren gedeeltelyk met vellen gekleed, dog velen gingen geheel naakt.Vlaktens met voren doortrokken.Allen die inKanadawaren en ver landwaards in, ’t zy naar ’t zuiden, dog voornamelyk naar ’t westen, gereisd hadden, kwamen hierin overeen, dat men daar op vele plaatsen grote vlaktens aantrof, geheel van hout ontbloot, en waar de grond met voren doorsneden was, als[131]waren daar voorheen beploegde akkers geweest. Waar dit van daan kwam kon niemant zeggen; want de koornlanden van het grootste dorp derWildenkunnen niet wel meer plaats beslaan dan vier of vyf van onze mergens, en de gemelde gevoorde vlaktens beslaan dikwyls ene ruimte van verscheidene dagen reizens, uitgenomen dat men hier en daar ene enkelde plaats aantreft waar gene voren zyn, en enige kleine heuvels.Meerder overblyfsels van de Oudheid konde ik inKanadaniet te weten komen, hoe sterk ik my ’er ook op toeleide. In ’t vervolg myner Reisbeschryving gedurende het jaar 1750.105zal ik gelegenheid vinden nog twee merkwaardige zaken aantetekenen. Dog dat onzeSkandinavierslang voorColumbusreistogten naarNoord Amerikaondernomen hebben, heeft onder anderen de HeerGeorge Westmanin zyne teAoboin ’t jaar 1747. ter verkryging van den graad vanMeesterverdedigde Verhandeling bewezen, werwaards ik den Lezer verzende.Nonnenklooster.Den 8. Augustus ging ik des morgens het grootste Nonnenklooster inQuebecbezigtigen. Het is genen man geoorloofd ’er intekomen, uitgezonderd in zekere vertrekken die door tralies van het overige afgescheiden zyn, door welke tralies men van buiten met de Nonnen van binnen spreken kan. Dog om my des te groter gunst te bewyzen maakte de Gouverneur Generaal dat de Bisschop my verlof gaf het Klooster van binnen te bezien. De Bisschop alleen kan deze vryheid geven, dog het geschiedt zelden. Alleen mogen de Geneesheer en de Wondheler ’er inkomen. De HeerGaulthier, een man van grote inzigten zowel in de Artsenykonst als in de Kruidkunde, was thans Koninglyke Arts, en verzelde my in ’t Klooster. Wy bezagen eerst het Hospitaal, dat zo aanstonds beschreven zal worden, en daarop gingen wy in ’t Klooster, dat een deel van ’t Hospitaal uitmaakt. Het was een groot stenen gebouw, van drie verdiepingen, van binnen in lange gangen, met kameren, zalen en andere vertrekken aan beide zyden afgedeeld. De kamers der Nonnen waren op de bovenste verdieping aan beide zyden van den gang. Zy waren klein, en van binnen niet geschilderd, alleen hingen ’er papieren printjes van Heiligen en diergelyken, gelyk ook het beeld van den Zaligmaker aan het kruis. Een bed met gordynen en ene goede legging, een kleine lessenaar, en een paar stoelen, was alles wat men ’er vond. Noit wordt ’er vuur gemaakt, en de Nonnen moeten ’s winters in de koude leggen. In den gang stond een yzeren kacchel, die ’s winters gestookt wordt, en als men dan de deuren der kamertjes open laat zo komt ’er nog al enige warme lugt in. Op de middelste verdieping waren de vertrekken daar zig de Nonnen door den dag ophielden als zy by malkander kwamen, onder anderen het vertrek waar zy werken. Dit was ruim, geschilderd en net. Ook stond ’er een kacchel. Hier waren zy met allerlei[132]handwerk bezig, als nayen, borduren, vergulden, ’t maken van zyden bloemen, die de natuurlyken vry wel geleken. In een ander vertrek hielden zy hare raadsvergaderingen. Een ander was voor de zulken die een weinig onpasselyk waren, dog zodanigen die gevaarlyk ziek waren lagen in een ander vertrek. In een ander wederom wierden de Nieuwelingen onderrigt. Ook was ’er ene eetzaal. Hier stonden rondom tafels. Aan ene zyde was een kleine predikstoel, waarop eenFranschboek over de levens der Heiligen lag. Onder ’t eten spreekt niemant een woord, en ene van de oudste Nonnen treedt op den predikstoel en leest den overigen een stuk uit dat boek voor. Wanneer dat boek uit is nemen zy een ander. Zy zitten aan die zyde der tafel dat naar den muur gekeerd is. Byna in alle de kamers en zalen stond ene vergulde tafel, waarop kaarssen stonden te branden voor het beeld van den Zaligmaker en de beelden van enige Heiligen. By deze tafels doen zy hare gebeden. Aan de ene zyde was de Kerk, en nevens dezelve ene grote zaal, die door tralies van de kerk was afgescheiden, zo dat de Nonnen wel in de kerk kyken, dog ’er niet in komen konden. In deze zaal zyn de Nonnen gedurende den dienst, en de Priester is in de kerk. Als hy zyn plegtgewaad aandoet, reiken hem de Nonnen dat door de tralies toe, staande het haar noit vry met den Priester in de Sakristy te gaan, of met hem in een vertrek te zyn. Behalven dezen waren hier nog verscheiden andere vertrekken, welker gebruik ik my niet te binnen brengen kan. Beneden was de keuken, het bakhuis, verscheiden spyskamers en andere gemakken. Op de zolders wordt het koorn bewaard en hetlinnengedroogd. Gelyk met de twede verdieping was van buiten een balkon rondom het gantsche gebouw, waar de Nonnen zig wat verlugtigen mogten. Het uitzigt uit het Klooster was aan alle kanten zeer schoon en ruim. Aan de ene zyde van ’t gebouw was een grote tuin, waar de Nonnen ook mogten wandelen. De tuin lag in enen hogen muur, en was vol van allerlei moeskruiden en vrugtbomen. In dit klooster waren omtrent vyftig Nonnen, die meest allen boven de veertig jaren hadden. Twee jonge Juffrouwen alleen wierden voorbereid tot den geestelyken staat. Zulke Nieuwelingen moeten eerst twee of drie proefjaren uitstaan, gedurende welken tyd het haar vrystaat weder uit het klooster te gaan, als haar dat leven niet behaagt. Dog als zy eens als Nonnen aangenomen zyn, moeten zy ’er haar gantsche leven blyven. En merkt men dat zy naar verandering haken, zo steekt men ze in een vertrek waar zy noit kunnen uit komen. Deze Nonnen gaan noit verder uit het Klooster als in ’t Hospitaal, dat daar vlak nevens legt, en een deel van ’t Klooster uitmaakt. Daar gaan zy om de zieken optepassen. Toen ik afscheid nam vroeg my de Abdis of my hare inrigtingen wel bevielen. En toen ik van ja geantwoord had, schoon ik zeide de levenswys zeer gedwongen te vinden, zeide zy my, dat[133]zy met hare Zusters God hartelyk bidden zou om myne bekering. Van verscheiden’ menschen heb ik gehoord, dat ’er zig weinig Juffrouwen in dit Klooster begeven voor dat zy tot zulke jaren gekomen zyn waarop haar weinig hoop over is van te zullen trouwen. In alle de drie Kloosters vanQuebeczagen ’er de Nonnen meest zeer oud uit, zo dat het zo evengemelde zeggen niet ongegrond schynt. Men was het overal hierin eens dat inKanada, zo wel op het land als in de steden, ver na zo veel mans als vrouwen niet waren, dewyl ’er vele mans op reis, ’t zy naar deWest Indien, waar ook velen zig neerzetten, ’t zy door het land, omkomen, en de oorlog ’er velen wegsleept. En dit dwingt verscheiden’ vrouwen zig in het Klooster te begeven.
Dienstboden.De loon der Dienstboden is gemeenlyk voor enen braven Knegt honderdvyftigLivresin ’t jaar, en voor ene Meid honderd. Een Ambagtsman won daags drie of vierLivres, en een gemeen Daghuurder dertig of veertigSols. Op het land waren de lonen gemeenlyk iets lager. De reden van de duurte der daghuren zeide men de schaarschheid te zyn der werklieden. Want ieder vindt hier ligt een land daar hy zig nederzetten kan, en dus behoeven weinigen anderen te dienen.Montreal.Montrealis ten opzigt der grootte en der rykdommen de twede stad vanKanada, dog ten opzigte der legging is zy de eerste. Een weinig boven de stad verdeelt zig deSt. Laurencein enige takken, en maakt dus enige Eilanden, op het grootste van de welken de Stad legt. Het is tienFr.mylen lang, en omtrent op zyn meest vier breed. Op de oostzyde van dit Eiland aan enen der grootste armen derSt. Laurencelegt de stad. Deze legging is zeer aangenaam en voordelig. De Stad is een regthoekig langwerpig vierkant, welks ene lange zyde met de Rivier evenwydig loopt. Aan de andere zyde leggen voortreflyke koornlanden, weiden, en bosschen. Zy heetMontrealnaar enen zwaren berg, die omtrent ene halve myl van de stad af legt naar het westen toe, en dien men over de bosschen heen zien kan. De HeerCartier, een der eersteFranschendieKanadawat nauwkeuriger leerden kennen, noemde ze aldus by zyne aankomst op het Eiland in het jaar 1535., terwyl hy dezen hogen berg en tegelyk de stad derWildenHoshelagabezogt. DeFranschenspreken het woordMontrealhier gemeenlykMorealuit. De Geestelyken, die alle plaatsen hier te lande wel naar den enen of anderen Heilig zouden willen noemen, hebben het ook met deze stad beproefd, en zeVille Mariegenaamd. Dog die naam heeft niet willen opnemen. De stad is tamelyk sterk, en heeft enen hogen dikken muur rondom, en aan de landzyde ene diepe grast met water, zodat zy van stropende partyen niets te vrezen heeft. Dog ene belegering zoude zy niet lang uithouden, dewyl hare grootte alteveel manschap zou vereischen om ze te verdedigen, en daarby de meeste huizen van hout zyn. Hier zyn verscheiden’ kerken, van de welken ik alleen die noemen zal die den Monnikken vanSt. Sulpitiustoebehoort, de Kerk derJesuiten, die derFranciskanen, die van ’t Nonnenklooster, en die van ’t Hospitaal. De eerste is de fraiste, zo wel van buiten als van binnen, niet alleen van[107]de Kerken hier in de Stad als van gantschKanada. De Priesters van de Kweekschool vanSt. Sulpitiushebben een groot schoon huis, waar zy by malkander wonen. Het Kollegie derFranciskanenofBedelmonnikkenis ook een goed huis dog niet zo pragtig. Dat derJesuitenis niet groot, maar wel gebouwd. By deze geestelyke gebouwen zyn schone grote tuinen, ten dele tot vermaak en gezondheid, en ten dele ten nutte der huishouding. De meeste huizen zyn van hout, dog evenwel zeer frai. Enigen zyn van steen. Meest alle de huizen der voornaamste lieden hebben ene deur aan de straat, met banken op de stoep, waar de menschen komen zitten om lugt te scheppen. De straten die in de langte lopen zyn breed en lynregt. Zy worden door de dwarsstraten in regte hoeken doorsneden. Enigen zyn geplaveid, dog de meesten zeer ongelyk. Aan den waterkant heeft de Stad twee grote en drie kleine poorten, en aan de landzyde heeft zy ’er ook verscheiden. De Gouverneur van de Stad moet zyn eigen huis betalen, hoewel enigen zeggen dat de Kroon iets tot de huur geeft. De Gouverneur Generaal woont vry op het slot, gelyk gezegd is.Nonnenklooster.In de Stad is een Nonnenklooster, en buiten dezelve legt ’er een dat het maar half is, want de Paus heeft ’er nog zyne bevestiging niet aan gegeven. In het eerste wierd geen meisje aangenomen ten zy ’er vyfhonderdecusvoor betaald werden. Enigen ontving men wel voor driehonderdecus, dog die moesten de anderen als meiden oppassen.Hospitaal.De Koning heeft een Hospitaal voor zieke Soldaten doen bouwen. De kranke kreeg daar wat hy nodig had, en de Kroon betaalde daags twaalfsolsvoor zyn onderhoud. De Heelmeesters worden van den Koning bezoldigd. Een Officier by gelegenheid van den dienst des Konings krank geworden geniet hier vryen kost en oppassing, dog zo hy buiten den dienst des Konings ziek wordt moet hy alles uit zyn zak betalen. Als in ’t Hospitaal enige plaatsen open zyn neemt men ook wel arme menschen in die niet in dienst zyn; en dezen hebben artzenyen en den Wondheelder voor niet; dog voor hun eten en andersins moeten zy daags twaalfsolsbetalen.Markten.Alle vrydagen wordt hier markt gehouden, waar men zig van allerlei voortbrengselen des lands voorzien kan, als men zelf gene Landgoederen of tuinen heeft. Gantsche zwermen derAmerikanenkomen dan ook in de Stad, om te kopen ofte verkopen.Afwyking der Naald.De Afwyking der Naald was hier 10.gr.38.min. W.De HeerGillion, een Geestelyke van veel liefhebbery voor de Wis- en Starrekunde, had in den tuin der Kweekschool ene middagslyn getrokken, die hy zeide dikwyls volgens de Zon en de Starren onderzogt en juist bevonden te hebben. Ik vergeleek zorgvuldig myn kompas met deze middaglyn, en vond de afwyking volkomen zo als ik ze opgegeven heb.[108]Volgens de waarnemingen van dien zelven Heer is de Breedte vanMontreal45.gr.27.min. N.Waarnemingen.Een ander Geestelyke, namelyk de HeerPontarion, had in ’t begin van dit jaar enige waarnemingen met den Thermometer gedaan. Hy had zig van dien vanReaumurbediend, die in een venster gehangen had dat somtyds geheel en somtyds half open stond, en gevolglyk heeft hy zelden de grootste koude van de lugt aangewezen. Ik wil echter een kort uittreksel uit zyne waarnemingen voor de wintermaanden geven. De grootste koude inJanuariwas den 18. staande toen de Thermometer op 23. gr. onder ’t vriespunt. De minste koude was den 31. staande hy toen op het vriespunt. De meeste dagen tekende hy 12. of 15. gr. onder dat punt. InFebruarihad men de grootste koude den 19. en 25. De Thermometer stond toen 14. gr. onder het punt van vorst, en de minste koude had men den 3. wanneer hy 8. gr. boven het vriespunt rees. De meeste dagen stond hy op 11. gr. onder dat punt. InMaartwas het den 3. het koudst, tekenende de Thermometer toen 10. gr. onder vorst, en den 22. 23. en 24. het warmst, stygende toen de Thermometer tot 15. gr. boven vorst. De meeste dagen stond hy 4. gr. onder dat punt. InAprilgevoelde men de grootste koude den 7. zakkende de Thermometer 5. gr. onder ’t vriespunt; den 25. was het weder het zagtst, en de Thermometer was 20. gr. boven dat punt. De meeste dagen hield hy zig op 12. gr. boven het zelve. Dog ik merkte uit de wys waarop deze waarnemingen gedaan waren, dat de koude dagelyks wel een graad of zes sterker moet geweest zyn dan hy ze aangetekend had. Ook had hy in zyn dagboek aangetekend dat het ys in deSt. LaurencebyMontrealden 3. April, en byQuebeceerst den 20. los geraakt was. Den 3. Mai begonnen zig byMontrealenige bloeisems te vertonen, en den 12. was de vorst zo sterk dat de bomen van den ryp zo wit waren als of het gesneuwd had. Voor ’t overige wierd my in ’t algemeen berigt dat het ys in de Rivier alle winters gemeenlyk een en somtyds wel tweeFr.voeten dik was.Verscheiden’ van de Geestelyken zeiden my, dat sedert het land inKanadameer bebouwd werd de zomer veel’ langer was dan voorheen. Hy komt vroeger en duurt later. Dog de koude, schoon zy zo lang niet aanhield, dagten zy even sterk te zyn. De zomers hielden zy ook voor niet heter als voor dezen. De noord en noordwesten winden zyn de koudsten teMontreal.Vertrek.Den 2. Augustus des morgens vroeg vertrokken wy vanMontrealnaarQuebecin ene schuit, ofBateau, in gezelschap van den Onder Major van Montreal, den HeerDe Sermonville. De schuit werd van twaalf Soldaten geroeid. Wy voeren deSt. Laurenceaf, die hier tamelyk breed was. Aan de linkerhand lag het Eiland vanMontreal, en[109]aan de regterhand zag men nu kleine eilanden, dan het vaste land. Het Eiland vanMontrealwas aan den oever zeer digt bewoond. Het land was vlak. De oevers bestonden uit tuinaarde, en waren omtrent een of twee vademen hoog. Het hout was langs den oever eneEng.myl ver geheel weg gehakt. De huizen waren van hout of van steen, dog allen van buiten gewit. De stallen en schuren waren allen van hout. De grond was tot koorn- of tot weilanden aangewend. Aan beide zyden der Rivier ontdekten wy stenen kerken met torens, welken allen aan dien kant der kerken stonden die naar de Rivier gekeerd was. Men hield zig hier niet aan de gewoonte van den toren aan de westzyde der kerk te bouwen. Tot op zesFr.mylen vanMontreallagen in de Rivier verscheiden’ eilanden, groten en kleinen, waarvan het grootste gedeelte bewoond werd. Zulken waarop gene huizen stonden had men egter tot akkers of weilanden gemaakt. Wy zagen den gehelen dag berg, heuvel, nog steen; het land was doorgaans vlak, en bestond uit tuinaarde.Landhoeven.Alle de Landhoeven staan inKanadaafgezonderd. By elke kerk was wel een klein dorp, dog dat bestond grotendeels uit den tuin en het huis van den Priester, de school, het kosterhuis, en zelden uit boerenhuizen. En als ’er al enige Boeren om de kerk heen by malkander woonden, lagen dog hunne landeryen afgezonderd. De Boerderyen aan deSt. Laurencestrekken zig meest in de lengte langs de Rivier, of ten minsten lagen zy niet veel van dezelve af. Tusschen de Boerderyen was gemeenlyk ene ruimte van drie of vierArpents. Enigen dezer Boerderyen hadden kleine boomgaarden, dog de meesten niet; egter had meest elke Boer enen moestuin.Menschen, die in ’t zuiden vanKanadaen naar den kant van deMissisippigereisd hadden, berigtten eenstemmig, dat daar ene menigte van schone Persiken in ’t wild wast, welken deWildenbeweerden dat daar van oude tyden af altyd gevonden geweest zyn.De Boerenhuizen zyn dikwyls van steen, dog somtyds ook van hout, en bestaan uit drie of vier kamers. Zelden vond men glas in de vensters, dog meest papier. Zy hebben enen yzeren kacchel in ene der kamers, en de voegen der wanden zyn met klei digt gemaakt. De schuren en stallen zyn meest met stro gedekt. De heiningen waren een weinig anders dan by ons.Kruissen.Hierendaar zagen wy kruissen staan langs den weg die nevens den oever loopt. Zulke kruissen vindt men veel op de wegen inKanada, en zy dienen om de godsdienstigheid der reizigers op te wekken. Zy zyn van hout en twee of drie vademen hoog. Op de zyde die naar den weg gekeerd is ziet men ’er een vierkant gat in uitgehouwen, waarin een[110]beeldtje staat of van den Verlosser, of van de Heilige Maagd, hebbende den Zaligmaker als een klein kind op den arm. Dit was met een glas bedekt om het voor de lugt, regen en stof te beschutten. De voorbygangers maken ’er een kruis voor, nemen den hoed af, of knielen. Sommigen van deze kruissen, vooral die digt by ene kerk staan, zyn opgeschikt. Alle de werktuigen, die men maar bedenken kan dat de Joden by ’t lyden van den Heiland gebruikt hebben, vindt men ’er by. De Haan vanPetrusstaat dikwyls ten oosten van het kruis.De Landsdouw.Het land, dat wy dezen dag zagen, gaf een vermakelyk uitzigt. Het was genoeglyk te zien hoe wel en sterk het bewoond was. Het scheen een gedurig dorp te zyn, dat byMontrealbegint en totQuebec, ene langte van dertigZweedschemylen, zo niet verder, duurt. Weinige plaatsen waren ’er maar waar de Boerderyen meer dan drie of vierArpentsvan malkander verwyderd lagen. Op zulke plaatsen, daar de Rivier ene myl of twee lynregt loopt, was het gezigt vooral verrukkelyk; en dan schenen de huizen in de verte vlak naast malkander te staan.Kleding der Boerinnen.De Boerinnen inKanadadragen altyd een soort van kappen, die meest agter over geslagen zyn, en dikwyls in den nek hangen. Hare jakken zyn kort; de rokken zyn nauw en komen pas halfwege de benen. Om den hals hebben zy gemeenlyk een zilveren kruis afhangen. Sommigen zyn zeer naarstig; dog ik heb ’er ook gezien die niet veel meer uitvoerden dan deEngelscheVrouwen in dit werelddeel gewoon zyn, en den gantschen dag zaten te gapen en te snappen. By het beuzelen door het huis, en ’t drentelen van de eene kamer in de andere, zyn zy, en vooral de ongetrouwden, zeer gewoon een liedtje tusschen de tanden te neurien, daar vry wat vanamourencoeurin komt. By de Boeren was het de gewoonte dat als de Man gasten had en aan tafel zat de vrouw agter zynen stoel stond om hem te dienen. Maar in de steden zyn de Vrouwen meer in aanzien, en zy staan daar naar geen minder gezag dan dat van de Mans. Als zy uitgaan of op reis zyn dragen zy enen groten mantel, dien zy over hare klederen heen slaan. Deze mantels waren of grauw, of bruin, of blauw. Zy gaven in grootte onzen mansmantels niet toe. Somtyds bedienden zig de Heren wel van deze vrouwenmantels, als zy uit waren en van den regen overvallen wierden. Onder deze mantels konden de vrouwen zeer verwaarloosd gekleed uitgaan.Molens.Wy zagen hierendaar windmolens staan, die meest van onderen van steen en van boven met planken gedekt waren, kunnende het dak met de wieken naar den wind gedraid worden.De Rivier was niet overal even breed. Hier en daar was zy byna tweeEng.mylen en op anderen pas een vierde van zulk ene myl[111]breed. De oever was somtyds hoog en steil, somtyds laag en gloijend.Om drie uur na den middag voeren wy de plaats voorby waar de Rivier die uit het MeerChamplainkomt zig in deSt. Laurencestort, in ’t midden van de welke hier een groot Eiland lag, het welk de Jagten aan de zuidzyde omvaren, dewyl daar de Rivier het diepst is, dog de schuiten kiezen de noordelykste doorvaart, om dat die weg korter, en ’er voor haar waters genoeg is. Behalven dat Eiland lagen ’er nog verscheiden’ anderen, die allen bewoond waren. Verder weg, en voor dat wy aanLac St. Pierrekwamen, was het land aan beide zyden der Rivier onbewoond, vermits het zo laag was dat het gedurig overstroomd zou zyn. Dog lager, daar het hoger is, is het even zo bebouwd als het geen wy voorby gevaren waren.Lac St. Pierre.Lac St. Pierreis een wyde boezem, dien deSt. Laurencemaakt. Wy konden hier nauwlyks iets als hemel en water zien. Men zegt dat dit Meer zevenFr.mylen lang en drie breed is. Als men ’er midden op is vertoond zig van verre naar het westen een land, dat over de bosschen heen kykt. Hierendaar zag men grote plaatsen vol van een soort van biezen, byLinnæusScirpus palustris. Omtrent dit Meer ziet men nergens huizen of bebouwde landen, vermits het land overal te laag is en het in ’t voorjaar onderloopt, zo dat men met schuiten tusschen de bomen kan doorvaren. Maar op enigen afstand van het Meer, waar het land wat hoger is, leggen de Boerderyen, de ene naast de andere. Wy zagen dezen dag gene eilanden, dog den volgenden werden wy ’er enigen gewaar.Des avonds laat verlieten wy hetLac St. Pierre, en roeiden enen kleinen stroom op,La Rivière des loupsgeheten, om een huis te vinden waar wy den nagt konden overbrengen. Na dat wy eneEng.myl geroeid hadden begon het land aan beide zyden van den stroom bewoond te worden. De oever was enigsins hoog, en het land vlak. Wy overnagtten in een Boerenhuis. Tot hiertoe waren wy binnen ’t Regtsgebied vanMontrealgeweest, en hier begon dat van den Gouverneur vanTrois Rivières, van welke plaats wy nu agtFr.mylen af waren.Den 3. Aug. om vyf uur des morgens gingen wy weer op reis, eerst het kleine Riviertje af, en daarna langs hetLac St. Pierre. Na enigen tyd zagen wy van verre in ’t noordwesten ene lange ry van hoge bergen, die boven het lage land zeer hoog uitsteken. Op den noordwestelyken oever was het Meer op de meeste plaatsen tamelyk digt bewoond. Dog aan de zuidoosterzyde zag men gene Boerdery, en maar alleen een laag met houtbedektland, dat somwylen onderloopt, maar agter het welk verscheiden’ Landhoeven gezegd worden te leggen. Daar het Meer ten einde loopt wordt de Rivier weder smal, zo dat zy niet boven anderhalve[112]Eng.myl breed is, en verder weg wordt zy nog smalder. Van het einde des Meers totTrois Rivièresrekent men drieFr.mylen. Om elf uur voor den middag kwamen wy daaraan, en woonden ’er den godsdienst by.Trois Rivières.TroisRivièresis een klein vlek, gelykende wel naar een groot dorp. Men rekent het onder de drie steden vanKanada, te wetenQuebec,Montreal, enTroisRivières. Het legt in ’t midden tusschen de twee eerst genoemden, dertigFr.mylen van elke. De plaats legt aan de noordzyde derSt. Laurence, op ene vlakke dog wat verhevene zandbank. De legging is zeer aangenaam. Aan de eene zyde loopt de Rivier, die hier anderhalveEng.myl breed is, en aan de andere wordt de plaats door schone landeryen omgeven, schoon de aarde merendeels zandig is. Men vindt hier twee stenen kerken, een Nonnenklooster en een huis voorFranciskanerMonnikken. Hier is ook de verblyfplaats van den derden Gouverneur, die inKanadais. Zyn huis is ook van steen. De meeste andere huizen zyn van hout, ene verdieping hoog, middelmatig gebouwd, en staan verstroid. De oever is louter zand, en tamelyk verheven. By sterken wind wordt dit zand zo opgejaagd dat men werk heeft uit de ogen te zien. De Nonnen, waarvan men ’er omtrent tweeëntwintig telde, werden voor zeer handig in allerlei vrouwelyke handwerken gehouden, als nayen, borduren, en diergelyken. Voorheen bloeide deze plaats boven de anderen, dewyl deWildenvan alle kanten hier met hunne waren t’zamen vloeiden. Maar sedert dat dezen, zo wel van wege den oorlog met deIroquoizen, als om andere oorzaken, begonnen hebben ten dele naarQuebecenMontreal, ten dele naar deEngelscheVolkplantingen te gaan, is haar welstand afgenomen. Thans bestaan de Ingezetenen voornamelyk van den landbouw. Ook trekken zy enig voordeel van de naby gelegen yzerwerken. Omtrent eneEng.myl beneden de plaats valt een andere grote Rivier, die zig daar aan haren mond in drie takken verdeelt, in deSt. Laurence, zodat het in ’t voorbyvaren schynt als of zig hier drie Rivieren ontlastten. Dit heeft aanleiding gegeven om die Rivier, en de een weinig van daar gelegene Stad,Trois Rivièreste noemen.Eb en vloed.De eb en vloed doen zig in deSt. LaurenceeneFr.myl bovenTrois Rivièresbemerken, schoon zo weinig dat men het nauwlyks bespeurt. Dog in den tyd als dag en nagt even lang zyn, in de lente en in den herfst, gelyk ook by nieuwe en by volle maan, is het verschil tusschen eb en vloed twee voet.Gevolgelyk gaat de vloed en eb vry hoog de Rivier op, want men is hier langs deSt. Laurenceomtrent honderdvyftigFr.mylen van zee.Yzerwerken.Terwyl myne reisgezellen hier uitrustten, steeg ik te paard om het Yzerwerk alhier te bezigtigen. Het land, dat ik doorreed, was tamelyk[113]hoog, zandig, en meest vlak. Ik vernam gene stenen, en veel minder enige bergen.Dit Yzerwerk, het enige dat men hier te lande vindt, legt drieFr.mylen ten westen vanTrois Rivières. Men had hier twee grote hamers, en by elk van dezen enen kleinen, allen onder het zelve dak. De blaasbalgen waren van hout; en voor het overige was alles even als inZweden. De smeltoven stond nevens de hamers, en was even als by ons. Het erts haalt men derdehalveFr.myl van het Yzerwerk af, en wordt des winters met sleden derwaards gebragt. Het is een zeker soort van erts het welk in aderen in den grond legt,85welk omtrent enen voet onder de bovenste korst der aarde al slingerende lopen. Elke ader is van zes tot agttien duim diep, en onder dezelven is een wit zand, het welk dezelven omvangt; boven op legt ene tuinaarde. Dit erts is tamelyk overvloedig. Men vindt het in losse klompen in de aderen ter grootte van ene of twee vuisten. Dog enigen zyn veel groter. Het erts kan tusschen de vingers fyn gewreven worden. Men gebruikt om het smelten te bevorderen enen grauwen kalksteen, die hier in de nabuurschap valt, gelyk ook een zeker mergel. Kolen kan men hier in overvloed hebben dewyl ’er rondom veel hout wast, het welk van onheuglyke tyden herwaards ongestoord gestaan heeft. De kolen die men uit bomen brandt welken altyd groen blyven houdt men voor de besten om te smeden, dog die van bomen die hun loof vallen laten zyn beter voor de smeltovens. Het yzer dat men hier smeedt wordt van allen als week en buigzaam beschreven, zo dat het niet ligt valt het te breken; ook wil men dat het niet ligt roest. In deze opzigten is ’er by den scheepsbouw een groot verschil tusschen dit en hetSpaanscheyzer. Dit yzerwerk werd in het jaar 1737. van byzondere personen opgerigt, die het naderhand den Koning hebben afgestaan. Men giet hier kanonnen en mortieren van verschillende grootte, kacchels, die in gantschKanadain gebruik zyn, ketels, en andere dingen. Ook smeedt men hier yzeren staven. Men heeft ook beproefd staal te maken, dog dit heeft nog niet willen gelukken, dewyl men de konst niet regt verstond. Men vindt hier verscheiden’ Opzigters, die in fraye huizen wonen. Dog in ’t algemeen wierd gezegd dat de winst de kosten in lange niet konde opwegen. Dit schreef men daaraan toe dat het land nog niet genoeg bewoond was, zo dat het kleine getal inwoonders genoeg met den landbouw te doen heeft, en men gevolgelyk werk heeft van menschen te vinden om in het yzer te arbeiden. Dog met dit alles kan ik kwalyk begrypen dat de Koning hierby[114]kan verliezen, aangezien den overvloed, en de smeedbaarheid van het yzer, en de nabyheid van de plaats waar het erts gevonden wordt. Het yzer is goed, en kan gemakkelyk door het land verspreid worden; en het gehele land moet zig hier van yzer voorzien. De Bedienden schenen hier niet kwalyk te varen. Het yzerwerk heeft door enen stroom gemeenschap met deSt. Laurence, langs dewelke men al het werk gemakkelyk met vaartuigen kan vervoeren. Des avonds keerde ik weder naarTrois Rivièresterug.Vertrek.Den 4. Augustus des morgens by ’t aanbreken van den dag gingen wy weder op reis. Het land aan de noordzyde der Rivier was enigsins verheven, zandig en overal digt aan de Rivier sterk bewoond. Men zeide dat het ook aan de zuidoostelyke zyde even zo wel bebouwd was, schoon men van de Rivier niets dan bosch zag. Men woont daar wat meer landwaards in, om dat het land digt by de Rivier laag is en somtyds onderloopt. ByTrois Rivièreswas deSt. Laurencewat smalder geworden, dog zy wierd wat lager weer breder, zelfs tot meer dan tweeEng.mylen.Wy zagen dien dag verscheiden’ stenen kerken, waarvan sommigen zeer wel gebouwd waren. Het land was aan weerskanten der Rivier sterk bewoond, tot op drie vierden van eneEng.myl, dog verder beginnen de bosschen en de wildernissen. Maar alle de rivieren en beken, die in deSt. Laurencevallen, zyn ook wel bewoond. Ik merkte op dat de bebouwde landen inKanadavlak nevens de rivieren lagen, uitgenomen by de steden, om welken heen enige mylen ver de landen bebouwd waren. Op de meeste eilanden in de Rivier woonden ook menschen. De oevers begonnen nu zeer hoog, en steil te worden, hoewel zy meest uit aarde bestonden. Hierendaar viel een beekje in de Rivier, onder welken ’er een was dat was dat deFranschenRivière puante86noemen, ’t welk omtrent tweeFr.mylen benedenTrois Rivièresin deSt. Laurence, aan derzelver oostelyke zyde, valt. Op dit water legt een weinig hoger een steedjeBecancourtgenaamd.DeAbenaki.Deze plaats wordt alleen van eenAmerikaanschvolk,Abenakigeheten, bewoond, welken tot den Roomschen Godsdienst overgegaan zyn, enJesuietschePriesters hebben. Van verre noordwestwaards zag men ene ry van hoge bergen, lopende van ’t zuiden naar ’t noorden, en boven al het land, dat doorgaans vlak was, heen kykende.Kalkovens.Men had op de Rivier hier enige kalkovens aangelegd. Den kalksteen groef men hieromstreeks in enigsins hoger gronden. Hy was digt en grauw, en gaf enen witten kalk.Granen.De landen zyn hier voornamelyk bezaid met weit, haver, mais en erwten. Kawoerden en watermeloenen waren ’er in menigte by de hoeven. Men at hier te lande niets dan weitenbrood.[115]EenHummingbirdof Bloemzuigertje vloog door het kreupelhout op ene plaats daar wy heden aan land gegaan waren. DeFranschennoemden hemOiseau mouche,87en zeiden dat hy inKanadavry gemeen is. Ik zag ’er naderhand nog enigen van byQuebec.Om vyf uur na den middag wierden wy door enen sterken tegenwind en regen gedwongen ons nagtverblyf te nemen. Ik merkte dat hoe meer menQuebecnaderde het land des te vryer werd. Wy waren nu twaalfFr.mylen van die plaats af.Visschery.Hier was ene zeer byzondere wys om visch te vangen in gebruik. Men plaatst kleine heggen van zamengevlogten rys, zo digt dat ’er geen visch door kan, en van enige voeten hoog, naar dat het water diep is, digt by den oever. Tot dit einde kiest men zulke plaatsen daar by de eb al het water wegloopt, zo dat de heggen dan droog staan. Binnen dezelven legt men verscheiden’ fuiken, van onderen wyd, staande overeind, en derdehalve el hoog en iets minder wyd. Onder in dezelven is de ingang voor de visschen, gemaakt van rys, en somtyds van garen. Aan het andere einde, gekeerd naar den kant waar de stroom van daan komt, is een andere ingang, gelyk de eerste, die naar een soort van planken hok geleidt, omtrent vier voet lang, twee diep, en twee breed. By elke fuik is ene heg, lopende schuinsch naar de grote heg, welke den visch naar de fuik moet leiden. Als het water nu hoog is zwemt de visch, byzonderlyk de aal, de rivier op, dog by de eb wordt hy naar beneden gedreven, en stuit dan tegens deze heggen, welke hy zo lang volgt tot dat hy in het hok komt. Het hok heeft boven ene opening met een deksel ’er op, waar door men den visch uitneemt. Deze visschery was voornamelyk voor de alen gemaakt. Op vele plaatsen had men netten in plaats van heggen.De oevers der Rivier bestonden hier niet meer uit aarde, maar uit een soort van lei. Zy waren buitengemeen hoog en steil. De lei was zwart, trekkende wat naar het bruine. Zy was zeer brosch, zo dat men ze met den vinger aan stukken breken kon, en lag in lagen, dewelken zig egter zo verdelen lieten dat zy niet breder waren dan de rug van een mes. Aan de lugt blootgesteld viel zy in kleine stukken. De gantsche oever lag vol van een fyn zand, ontstaan uit deze vermolmde leyen. Enige beddingen liepen horizontaal, anderen een weinig schuinsch, zo dat zy aan ’t noorden een weinig hoger waren dan aan ’t zuiden, en dikwyls net in ’t tegendeel. Hierendaar maakten zy bogten gelyk als halve cirkels. Somtyds wierden de beddingen ter diepte van enige ellen door ene loodregte lyn doorsneden, zo dat de leyen op de zyden dier lyn ’er als een gladde muur uitzagen. Op sommige[116]plaatsen vond men tusschen de leyen ene laag ter dikte van omtrent vier duim, van enen grauwen, digten, tamelyk weken kalksteen, uit den welken deWildenvan overoude tyden her hunne tabakspypen maakten, gelyk deFranschennog tegenswoordig doen.88Den 5. zetteden wy onze reis des morgens voort, al roeyende, dewyl wy enen harden wind tegen hadden. Het land behield de gedaante die wy beschreven hebben. De oevers waren hoog en steil, en bestonden uit de gemelde zwarte lei. Het land was vlak, en aan de Rivier tot op enigen afstand toe landwaards in digt bewoond. Wy ontmoetten gene eilanden; dog op sommige plaatsen lagen grote stenen in de Rivier, die men by laag water zien kon. Op deze stenen zyn verscheiden’ vaartuigen verongelukt. De breedte der Rivier bedraagt somtyds meer dan drievierden van eneEng.myl, somtyds ene halve, en somtyds meer dan twee mylen. Op verscheiden’ plaatsen vindt men zulke aalvisscheryen als wy beschreven hebben; en men bediende zig ten dien einde op vele plaatsen van netten in plaats van gevlogten rys.Wandluizen.Wandluizen zyn ’er overvloedig inKanada, en ik ontmoette ze overal waar ik huisvestede, zo wel in de steden als op het land. Men wist ’er geen ander middel tegen dan geduld te nemen.Krekels.DeKrekelszyn hier overal menigvuldig, vooral op het land, daar zy in de schoorstenen zitten. Ook vindt men ze in de steden. Zy blyven hier zomer en winter, en byten de klederen dikwyls voor tydverdryf aan stukken.Nader byQuebecworden de oevers meer gloyend. Noordwaards vertoonde zig ene ry hoge bergen. Omtrent derde halveFr.myl van die Stad wordt de Rivier zo smal, dat zy niet boven enen musketschootQuebec.breed is. Het land aan beide zyden liep schuinsch op, was bergagtig, boschryk, en vol klippen. Des avonds om vier uur kwamen wy teQuebec. Wy konden de stad niet zien voor dat wy ’er vlak by waren, nadien een hoge berg ons het gezigt ’er van benam. Egter ontdekt men van verre een stuk van de vestingwerken die op den berg leggen. Zodra de SoldatenQuebecin ’t oog kregen, riepen zy dat allen die hier noit geweest waren gedoopt moesten worden, ten zy zy een drinkgeld gaven. Dit was een gebruik hier te lande, aan het welk zelfs de Gouverneur Generaal zig onderwerpen moest. Wy hadden gene reden ons hier tegen te verzetten, en de roeyers by hunne[117]aankomst voor hunnen zwaren arbeid niet enen vrolyken avond te gunnen.Terstonds by myne aankomst in de stad bragt my de Officier, die my vanMontrealbegeleid had, naar het slot, by den toenmaligen Vice Gouverneur Generaal, denMarquisLaGalissonière. Dit was een Heer van ongemene verdiensten, die my gedurende myn gehele verblyf alhier met uitmuntende goedheid bejegende. Hy had reeds kamers voor my doen bestellen, en droeg zorg voor alles wat wy van doen mogten hebben. Ook had ik dagelyks de eer by hem ter tafel verzogt te worden.Quebec, de Hoofdstad vanKanada, legt op den westelyken oever derSt. Laurence, op een uitstek lands, gemaakt van die Rivier aan het oosten, en de RivierSt. Charlesaan het noorden. Zuidwaards wordt de berg waarop de stad legt nog hoger, en agter denzelven beginnen grote weiden; westwaards strekt zig de berg nog een stuk wegs uit. Men verdeelt de stad in enehogeen enelage stad.89Het gemelde uitstek lands is uit de modder, door de Rivier van tyd tot tyd aangespoeld, en ene rots ontstaan, welke daar legt, en niet uit ene langzame afneming van ’t water. De hoge stad legt boven de andere op den berg, en is vyf of zes maal groter dan de lage, dog niet zo sterk bewoond. De berg waarop de bovenstad legt is hoger dan de huizen der benedenstad, schoon die van drie of vier verdiepingen zyn: als men uit het Slot naar de benedenstad, die ’er vlak onder legt, afziet, is het om duizelig te worden. En van daar naar het Slot om hoog ziende, schynt dat in de lugt te staan. Daar is maar een toegang van de benedenstad naar boven, zynde een deel van den berg in de lugt gesprongen. Deze toegang is zeer steil, schoon hy krom loopt. Egter rydt men hem met wagens op en af. In de lage stad wonen byna alle de kooplieden. De huizen staan daar digt by een. De straten zyn nauw, ongelyk en haast altyd vogtig. Men vindt ’er ene kerk en ene marktplaats. In de hoge Stad wonen de aanzienlykste lieden, behalven verscheiden amptenaars en ambagtsgezellen. Ook staan hier de voomaamste gebouwen, waaronder de volgenden de aanmerkenswaardigste zyn.I. Het Slot. Dit is aan den zuidkant van den berg gelegen, waar hy zeer steil is, vlak boven de benedenstad. Eigenlyk is het geen kasteel, maar een langwerpig gebouw van steen, twee verdiepingen hoog, en strekt zig van ’t zuiden naar ’t noorden. Aan de westzyde is een hof, met enen muur en huizen omringd. Oostwaards tegens de Rivier aan is ene gallery even zo lang als het gebouw zelf, omtrent enen vadem breed. Zy is met gladde stenen bestraat, en aan den buitenkant met[118]yzeren tralien omgeven, zo dat men van daar in de stad en langs de Rivier zien kan. Hier gaat men gemeenlyk na den maaltyd zig een weinig vertreden. Ook wagten hier die genen welken den Gouverneur spreken moeten tot dat het hem gelegen komt. In dit Slot woont de Gouverneur Generaal van geheelKanada, voor het welk dagelyks ene sterke wagt optrekt, en als de Gouverneur of Bisschop voorbygaat komt de wagt in ’t geweer, en wordt de trom geroerd. De Gouverneur heeft op het Slot zyne kapel waarin hy zyne gebeden doet, schoon hy dikwyls ook in de stad in de kerk der Barrevoeters de Misse bywoont.II. Zyn hier zeven of agt kerken, allen van steen gebouwd, namelyk.1. DeHoofdkerk, leggende aan de regterhand als men uit de benedenstad in de bovenstad komt, een weinig voorby het Hof van den Bisschop. Men was thans bezig om ze schoonder dan voorheen te maken. Zy heeft aan de westzyde enen ronden toren met twee verdiepingen, in de onderste van welken de klokken hangen; aan de oostzyde is ook een klein rond torentje. De preekstoel is verguld. De banken zyn frai.2. DeJesuieten Kerk, zynde ene kruiskerk, en hebbende enen ronden toren. Deze was de enige kerk in de stad die een uurwyzer en slag had.3. De kerk derBarrevoetersof derRecollecten, leggende vlak over de poort van ’t slot. Zy ziet ’er vry wel uit, en heeft enen enigsins hogen spitsen toren en een klokkenhuis.4. De kerk derUrselinen, hebbende enen ronden spitsen toren.5. DeHospitaalkerk.6. De Kapel des Bisschops.7. De Kerk in de benedenstad, gebouwd in ’t jaar 1690. na dat de Stad van deEngelschenvry geraakt was. Zy wordtNôtre Dame de la Victoiregenoemd. Zy heeft eenen kleinen vierkanten toren, van boven rond, midden op het dak.8. De kleine Kapel van den Gouverneur op het Slot, welke ook voor ene Kerk kan gerekend worden.III. Het Huis van den Bisschop, welk het eerste is dat men aan de regterhand ontmoet, als men van de benedenstad naar de hoge Stad gaat. Het is een frai groot gebouw, met enen moestuin, die in zyne muren legt.IV. Het Kollegie derJesuieten, dat ik op ene andere plaats breedvoeriger beschryven zal. Het ziet ’er pragtiger uit dan het Slot zelfs, dog legt zo aangenaam niet. Het is byna viermaal zo groot als het Slot, en het schoonste gebouw van de Stad. Het legt aan de noordzyde van ene marktplaats, aan welker zuidzyde de Hoofdkerk staat.V. Het Klooster derBarrevoeters, leggende westwaards nevens het[119]Slot, vlak daar over. Het is een groot gebouw met enen frayen tuin. Het huis is twee verdiepingen hoog, op elke van welken een lange gang is met cellen.VI. HetHôtel Dieuzal ik nader beschryven. De Nonnen die de zieken oppassen zyn van de Augustyner order.VII. HetHuis der Geestelykheid90is een groot gebouw aan de noordoostzyde der Hoofdkerk. Aan den enen kant heeft het enen ruimen hof, en aan den anderen, tegens de Rivier aan, enen groten boomgaard en moestuin. Geen van alle de gebouwen in de Stad heeft een zo bekoorlyk uitzigt als ’er in dien tuin is, waarvan men benedenwaards in de Rivier en alomme heen over ’t land ver weg ziet. DeJesuietenin tegendeel hebben geen uitzigt ter wereld. Ook kunnen zig deBarrevoetersover het hunne niet zeer beroemen. In dit gebouw wonen alle de Geestelyken der Stad met hunnen Opzigter by malkander. Zy bezitten hier inKanadaop vele plaatsen grote landeryen, die hun door de Regering geschonken zyn, van de welken zy de inkomsten genieten, waaruit zy rykelyk bestaan kunnen.VIII. HetNonnenklooster der Urselinen, zal ik beneden nader beschryven.Meer openbare huizen van enig aanzien vindt men hier in de Stad niet, dog noordwest even buiten dezelve legt het huis van denIntendant, een openbaar gebouw, zo groot en aanzienlyk dat het wel voor een Slot zou kunnen doorgaan. Het is met blik gedekt, en staat in ene twede benedenstad, welke zuidwaards op de RivierSt. Charleslegt, en heeft aan de noordzyde enen schonen en groten tuin. Hier worden alle de beraadslagingen die het land in ’t algemeen raken gehouden, en de Heren die ’t bestier vanregts-en burgerlyke zaken hebben vergaderen hier. DeIntendantzit als dan voor. Dog als het zaken van groot gewigt zyn komt ’er de Gouverneur zelf. Aan de ene zyde van dit gebouw is het Magazyn der Kroon, en aan de andere het Gevangenhuis.DeHuizenzyn hier doorgaans van steen. In de bovenstad hebben zy gemeenlyk maar ene verdieping, alleen de openbare gebouwen uitgenomen. Hier en daar stonden nog enige houten huizen; dog als die bouwvallig worden mag men ze niet vernieuwen. De stenen huizen en de kerken zyn niet van tichelstenen, maar van de zwarte kalkleyen, waaruit de berg daarQuebecop legt bestaat, gebouwd. Als men deze leyen uit den berg haalt zyn zy in ’t eerst zo vast dat zy niet afschilferen. Maar als zy enigen tyd in de lugt geweest zyn beginnen zy zig in dunne schyven te verdelen. Deze steen is week, en ligt te bearbeiden. De muren rondom de Stad en om de tuinen in dezelve bestaan ook grotendeels[120]uit dezen steen. De daken der openbare gebouwen zyn met gemene leyen gedekt, welken men uitFrankrykherwaards brengt, dewyl ’er hier te lande genen van dat soort gevonden worden. Deze leyendaken hebben het enige jaren tegens de lugt en ’t weder goed gemaakt, en zyn nog in staat. De andere huizen zyn meest met planken gedekt, leggende of met de sparren evenwydig dwars over dezelven heen. De hoeken der huizen en de posten der vensters waren dikwyls van enen grauwen fynen kalksteen, die sterk ruikt.91Deze steen was op sommige plaatsen beter dan de zwarte kalkleyen, die in de lugt altyd in schyven vallen. De meeste huizen waren van buiten gewit. De vensters sloegen meest allen naar binnen open, dat veel plaats in de kamers wegnam. Des winters bediende men zig op sommige plaatsen van dubbelde vensters. Men verwarmde de vertrekken met kleine yzeren kacchels. De vloeren waren zeer morssig, en wierden niet meer dan eens in ’t jaar gezuiverd.Het Buskruidmagazyn staat op het hoogste van den berg waarop de Stad legt, een weinig ten zuiden van het Slot.De straten in de bovenstad zyn breed genoeg, dog zeer oneffen door dien de Stad op enen berg legt, zo dat het hier lastig is te gaan en te ryden. De zwarte kalklei steekt hare scherpe hoeken dikwyls omhoog, het welk de schoenen schrikkelyk slyt. Voor ’t overige heeft men gene regelmatigheid by ’t aanleggen der straten gebruikt, zo dat zy krom en dwars lopen.Grootte.De menigte van tuinen, die zo wel by de byzondere huizen als by de kloosters zyn, maken dat de Stad vry groot schynt, dog dat zy geen zeer groot getal van huizen bevat. Van ’t zuiden naar het noorden is zy zeshonderd, en van den oever aan de benedenstad tot aan den westelyken muur driehonderd vyftig of vierhonderdToiseslang. Dog deze gehele ruimte is niet bewoond; aan de zuid en aan de westzyde zyn digt aan de muren grote opene plaatsen, waar tegenswoordig gene huizen staan, en die men betimmeren kan indien de Stad in ’t vervolg meer inwoonders krygt.De Bisschop.De Bisschop, die hier zynen zetel houdt, is de enige in gantschKanada. Zyn gebied strekt zig uit totLouisiana, de Bai vanMexikoen deZuid Zee. Geen Bisschop, uitgenomen de Paus, had oit een uitgestrekter Bisdom. Dog de geestelyke schapen, die zyne stemme horen, zyn op zekeren afstand vanQuebeczeer weinig in getal, en houden zig dikwyls enige honderd mylen ver van malkander op.[121]Handel.Quebecis de enige zee- en handelplaats vanKanada, van waar alle de waren die naar buiten gaan worden afgezonden. De haven is op de Rivier onder de Stad. DeSt. Laurenceis daar omtrent een vierde van eneFr.myl breed en vyfentwintig vadem diep. De grond is goed om te ankeren. Men legt ’er voor alle stormen in zekerheid. De noordoosten wind is hier de gevaarlykste. Toen ik aankwam telde ik dertien vaartuigen, groten en kleinen t’zamen genomen, en men verwagtte ’er nog meer. Dog men moet aanmerken dat gene andere danFranscheSchepen hier komen mogen. Egter konnen ’er velen zyn, die uit verscheiden havens zo inFrankrykals in deFransche AmerikaanscheEilanden komen. VeleFranscheKooplieden uitMontreal, na meer dan een half jaar onder deWildente hebben gereisd, om pelteryen op te kopen, van waar zy gemeenlyk op het einde van Augustus terugkomen, begeven zig van daar in September en October naarQuebec, om daar hunne waren aftezenden. Dus zoude men denken dat de StadQuebecuit hoofde van dit voorregt van alles te verzenden, zeer ryk moest zyn, dog velen zeiden dat dit zo niet was. Enigen, stond men toe, waren wel gegoed; maar de meesten bezaten niet boven het geen zy noodwendig tot hun onderhoud van noden hadden, en zeer velen waren diep in schulden. Dit schreef men aan de pragt toe, willende de een voor den ander niet onder doen. De Kooplieden hielden veel van zig kostbaar te kleden, lekker te eten en te drinken, vele schotels op tafel te hebben, en grootsch te leven. De Vrouwen gingen alle dagen zo opgeschikt als moesten zy aan ’t Hof wezen.Sterkte.De Stad is rondom, en byzonderlyk aan de landzyde, door enen hogen muur omringd, die nog niet geheel voltoid was, dog men arbeidde sterk ’er aan. De muur werd ten dele van de voorheen gemelde zwarte kalkleyen, en ten dele van enen grauwen zandsteen gemetseld. By de poorten gebruikte men enen grauwen kalksteen. Aan den waterkant had men nog gene muren aangelegd, dog de natuur heeft daar de plaats vry sterk gemaakt, dewyl de berg daar niet wel te beklimmen is. Buiten dat heeft men hier geschut geplant, zo dat het genoegzaam ondoenlyk is met vaartuigen voor de Stad te komen, zonder in den grond geschoten te worden. Aan de landzyde leggen ook hoge bergen. Dus schynt de plaats, en door de natuur en door de konst, vry wel versterkt.Lotgevallen.Quebecwierd door den GouverneurSamuel de Champlainin het jaar 1608. aangelegd. De Stad nam langzaam toe. In ’t jaar 1629. maakten ’er zig deEngelschen, onderLewisenThomas Kerk, met verdrag meester van. DeEngelschenvondenQuebecen gantschKanadain zulk enen staat van gebrek aan noodwendigheden, dat zy daar veeleer als vrienden dan als vyanden ontvangen wierden. De genoemdeKerkswaren broeders van den AdmiraalDavid Kerk, die met zyne vloot een weinig lager lag.[122]In ’t jaar 1632. werdQuebecte gelyk metKanadaby den vrede aan deFranschenteruggegeven. Aanmerking verdient het, dat men in dien tyd inFrankrykin overweging nam of het der moeite wel waard wezen zoudeKanadavan deEngelschenterug te vorderen. De meesten oordeelden dat men het niet terug moest eischen, dewyl het een koud gewest was, de uitgaven de inkomsten ver te boven gingen, en datFrankrykeen zo uitgestrekt land niet van inwoonders voorzien kon zonder zig zelf uitteputten, gelyk aanSpanjegebeurd was. Beter was ’t het volk inFrankrykte houden, en het aantemoedigen tot het beoeffenen van allerlei handwerken, waardoor deEuropers, die inAmerikavolkplantingen hadden, genoodzaakt zouden worden om met hunne waren in deFranschehavens te komen ten einde daar deFranschehandwerken te halen. Dog zulken die wat verder dagten waren van oordeel, dat de lugtstreek zo ruw niet was, en dat ’er grote misslagen door de Maatschappy begaan wierden, waardoor de uitgaven zo hoog liepen. Men moest, zeiden zy, niet ene grote menigte volks op eenmaal, dog allengskens enige weinigen te gelyk, zo datFrankrykhet niet voelen kon, overvoeren. Daar was grond om te hopen dat dit Land met den tydFrankrykmagtig zou maken, dewyl ’t het volk gelegenheid geven zou van zig op de zeevaart, deharing-, dorsch-, walvisch-en robbenvangst toe te leggen. Dus zou dit land in een zeker opzigt ene school voor zeevolk worden. Voorts vertoonden zy wat voordelen ’er gelegen waren in ’t bezit van zo velerhande soorten van pelteryen, in de bekering der Heidenen, en in zo grote bosschen, waaruit men scheepstimmerhout halen kon. En al trok men ’er geen ander voordeel van, zo vorderde nogthans het belang vanFrankrykdoor ’t bezit van dit Land den aanwasch van de magt derEngelscheninAmerikate hinderen, en dus hun toenemend vermogen, dat voorFrankrykanders onverdraaglyk stond te worden, palen te zetten. De tyd heeft geleerd dat deze lieden een goed inzigt in de zaak gehad, en den grond gelegd hebben voor den aanwas van de magt derFranschen. O! hadden wyZwedende zaak ook dus ingezien, toen wy in ’t bezit vanNieuw Zweden, het beste van alle de gewesten vanNoord Amerika, waren! Een wys en voorzigtig man ziet niet alleen op het tegenwoordige maar ook op het toekomende.In ’t begin vanFebruari1663. gevoelde men teQuebec, en in een groot deel vanKanada, die zware aardbeving waarvan men nog de tekens zien kan. Dog geen mensch verloor ’er het leven by.In October 1690. wierdQuebecdoor denEngelschenGeneraalWilliam Phibsbelegerd; dog hy moest na enige dagen met groot verlies aftrekken. DeEngelschenpoogden wel enige reizen de geledene schade te boeten; dog deSt. Laurenceheeft altyd getoond enen goeden[123]voormuur voorKanadate zyn, en dat een onervarene en een vyand dezelve niet ligt opvaart zonder schade te lyden. Op enigen afstand vanQuebecis zy vol van verborgen’ klippen; de stroom is ’er geweldig; en de schepen zyn op vele plaatsen genoodzaakt dikwyls te wenden.Naam.De Stad wordt gezegd haren naam van eenNormanschwoord, wegens hare legging op een uitstek lands, te ontlenen. Als men op de Rivier byIsle d’Orleansis kan men deSt. Laurenceboven de stad niet zien, en de RivierSt. Charles, die beneden de stad loopt, schynt het vervolg van deSt. Laurencete zyn. Dog wat hoger opkomende ziet men den regten loop derSt. Laurence, die op ’t eerste gezigt naar enen groten zeeboezem of den mond ener rivier gelykt. Dit had enen der Matrozen die dit gezigt onverwagt in ’t oog viel aanleiding gegeven van in zyne spraak uitteroepen,Que bec!dat iswat een uitstek lands!En hiervan meent men dat de stad haren naam gekregen heeft. Anderen leiden dien naam van ’tAlgonkinschewoordQuebegoofQuebekaf, het welk hetvernauwenener zaak beduidt, dewyl de Rivier voor de stad nauwer wordt.DeSt. Laurenceis voor de stad een vierde van eneFranschemyl breed. Het zoute zeewater komt noit tot voor de plaats, en het meeste water dat men hier gebruikt wordt uit de Rivier gehaald. Allen stemden hierin overeen, dat, hoe breed ook de Rivier is, en hoe sterk ze ook vooral by de ebbe stroomt, zy nogthans den gehelen winter met ys bedekt is, zo dat men ’er byna al dien tyd over gaan of ryden kan. Men wil zelfs, dat, als de Rivier in Mai open is, het somtyds gebeurt dat ’er in die maand zo koude nagten invallen, dat zy op nieuws toevriest, zo dat men ’er over gaan kan. Dit is een duidelyk bewys dat de koude hier zeer gestreng is, vooral als men let op het geen zo aanstonds aangaande het ty in deze Rivier zal gezegd worden. De grootste breedte der Rivier by haren uitloop in zee zal omtrent zesentwintigFr.mylen bedragen, schoon men de juiste palen tusschen de Rivier en de zee by hare vereniging met dezelve niet kan aanwyzen, dewyl zy allengskens wyder en wyder wordt en ongemerkt in zee stort. Het meeste water, dat in vele grote Meren inKanadais, waaronder ’er vier of vyf gevonden worden die zeer groot zyn, moet zig door deze Rivier in zee lozen. De vaart uit zee langs deSt. Laurenceis uit hoofde van den sterken stroom en de menigvuldige zandbanken, die zig nu en dan verzetten, zeer gevaarlyk. DeEngelschenhebben dit tweemalen ondervonden als zyKanadawilden aantasten. Derhalven beschouwen deFranschendeze Rivier als den voormuur vanKanada.92[124]De vloed gaat, gelyk ik reeds gemeld heb, ver bovenQuebec. Het onderscheid tusschen den hoogsten vloed en de laagste ebbe is daar gemeenlyk vyftien of zestienFr.voeten. Dog by nieuwe of volle maan wil men dat het verschil wel zeventien of agttien voeten bedraagt, het welk inderdaad een aanmerkelyk verschil is.Ginseng.Ginsengis de naam dien deFranschenhier te lande aan ene plant geven, op welker wortel deChinezengroten prys stellen.93Van onheuglyke tyden af is zy inChineesch Tartaryeen inKoreagewassen, waar zy jaarlyks verzameld en naarChinagevoerd wordt. VaderDu Halde94zegt dat zy de kostelykste en nuttigste plant van allen is die inOost Tartaryevallen, en alle jaren ene grote menigte kruidzoekers naar de woestenyen van dat land lokt. DeMantchou Tartarennoemen zeOrhota, dat is deKoningin der planten.95Zy wordt zo van deTartarenalsChinezenzeer geroemd, zo wel om hare uitmuntende kragt ter genezing van vele zware ziektens, als wegens het vermogen dat zy hebben zou ter versterking van de kragten des lichaams en ter opwekking van verzwakte zinnen. Zy is in zulk ene agting dat het once goedenGinsengtePekingzeven of agt oncen zilvers geldt. Toen de liefhebbers der kruidkunde inKanadadeze plant het eerst afgebeeld zagen, herinnerden zy zig ene diergelyke daar te lande gezien te hebben. Zy wierden in hunne mening bevestigd doordien verscheiden’ streken vanKanadaop juist de zelve Poolshoogte leggen als die plaatsen vanTartaryewaar deGinsengin ’t wild wast. Ook bedrogen zy zig niet. Zy vonden die plant op vele plaatsen vanNoord Amerikain de bosschen, zo wel in deFranscheals in deEngelscheVolkplantingen, in menigte van zelfwassende. Zy zoekt de schaduw en ene diepe tuinaarde, dog gene natte of verhevene plaatsen. Men kan egter niet zeggen dat zy zeer gemeen is, want somtyds kan men enige mylen door de bosschen reizen zonder ene enkelde plant te vinden. Dog waar zy[125]wast; wast zy in menigte. Zy bloeit in Mai en Juni, en de bessen zyn ryp op het einde van Augustus. Men kan ze met den wortel ’er aan verplanten, en zy gaat dan weer ten eersten aan ’t groeyen. Enige menschen, die de bessen in hunne tuinen gezaid hadden, zeiden dat zy een of twee jaren in den grond blyven leggen voor dat zy opkomen. DeIroquoizennoemen deze wortelsGarangtoging, het welk eenkindbetekent, dewyl zy enige gelykenis op een kind hebben. Dog volgens de mening van anderen beduidt dit woord enedye, waarnaar de wortel meer gelykt. De kragt, welke deFranschendezen wortel toeschryven, bestaat daarin dat zy de benauwdheid der borst wegneemt, de maag versterkt, en de vrouwen vrugtbaar maakt. Men dreef ’er thans enen sterken handel mede. De wortelen worden hier in menigte verzamelt, en naarFrankrykgezonden, van waar men ze met groot voordeel naarChinaverzendt.96In ’t eerst toen men ze naarEuropabegon te zenden wierden zy duur betaald. Men verhaalde dat enigeFranscheongelooflyke schatten met dezen handel opChinagewonnen hadden. Dog de menigte die ’er van overkwam heeft den prys inChina, en gevolglyk inFrankrykenKanadazelfs zeer doen dalen. Egter vinden de Kooplieden hunne rekening zeer wel by dezen handel. In den zomer van het jaar 1748. betaalde men teQuebeczesFranscheGuldens voor het pond. Gemeenlyk geldt het daar honderdSols. Toen ik inKanadawas kregen alle de Kooplieden teQuebecen teMontreallast van hunne Korrespondenten inFrankrykom ene grote menigteGinsengovertezenden. Dus werd zy thans meer dan oit getrokken. Men zogt ze dan ook met alle vlyt. DeWildenvooral zwierven alomme om ze te vinden, en ze den kooplieden teMontrealte brengen. Den ganschen zomer konden de Boeren in den omtrek van die stad niet enenAmerikaankrygen, om, volgens gewoonte, hen in den oogst te helpen, zo bezig was dat volk met het zoeken naarGinsengs. Velen vreesden dat als men enige jaren voortvoer met deze wortels zo yverig te zoeken, zonder hier en daar enige planten te laten staan ten einde het geslagt voorttezetten, ’er weinig binnen korten tyd van overblyven zou; en dit is zeer waarschynlyk. Ook berigtte men in ’t algemeen dat dit gewas voorheen overvloedig rondomMontrealplegt gevonden te worden, dog tegenwoordig was ’er niet ene enkelde plant te zien. Dit dwong deWildendezen zomer om ze ver binnen de grenzen derEngelschente gaan zoeken. Men heeft met deze wortelen, na dat zy door deWildenzyn aangebragt, nog veel[126]moeite; want men legt ze uit malkander op den grond om te drogen, waartoe twee maanden of meer tyds vereischt wordt, naardat het weder is. Ondertusschen moeten zy daags eens of tweemaal omgekeerd worden, op dat zy niet beschimmelen, of verrotten. Wat ten noorden vanMontrealheeft men ze nergens in ’t wild gevonden. De Opzigter der Geestelykheid hier te lande en anderen verhaalden my dat deChinezendenKanadaschen Ginsengvoor even zo goed als denTartaarschenhouden;97en dat nog niemant wel wist hoe deChinezenze toebereiden. Dog men denkt dat als de wortel begonnen heeft te drogen zy een afkooksel van de bladeren maken, en hem daarin laten weken. De wortel inChinatoebereid is doorschynend en ziet ’er uit als hoorn. Om goed te zyn moet de wortel zwaar en van binnen gesloten zyn.Herba capillaris.Het doorgaans inKanadazo genoemdeHerba capillaris98is ook een van de gewassen waarmede dit gewest enen sterken handel dryft. DeEngelschennoemen hetMaagdenhair.99Het groeit overvloedig in alle hunneAmerikaanscheVolkplantingen, die ik doorreisd heb. Ook is het zeer gemeen in de zuidelyke delen vanKanada, dog omstreeksQuebecheb ik het niet vernomen. Deze plant slaagt niet dan in de schaduw en op goede gronden. Verscheiden menschen teAlbanyen inKanadaberigteden, dat de bladen derzelven zeer veel als thee in teringen, verkoudheden en andere borstkwalen gebruikt werden. Dit had men van deWildengeleerd, die van overoude tyden her van dit middel zig bediend hadden. DeAmerikaanscheHerba capillariszou in de Geneeskonst beter zyn dan hetEuropisch Vrouwenhair.100Ook wordt ’er jaarlyks veel van naarFrankrykgezonden. De prys is niet altyd de zelve, en schikt zig naar de deugd der waar, hare toebereiding, en de menigte die ’er van is. Gemeenlyk kost het pond teQuebecvan vyf tot vyftiensols. Om dezen tyd van het jaar begaven zig deWildenin groten getale naar de bosschen ver bovenMontrealom dit gewas optezoeken en te vergaderen.Moeskruiden.DeMoeskruidenkomen hier zeer wel voort. Dewitte Koolstond zeer wel, schoon de rupsen ze zeer beschadigd hadden. DeUyenswaren, zo wel als de andere soorten vanLook, zeer in gebruik. Niet minder at men hier kawoerden, meloenen, salade, endyvie, erwten, bonen, peen, en komkommers. Men had ook tamelyk veel rode Beten,[127]Radys, Tym, en Marjolyn. Ook zaide men veel Rapen, die inzonderheid des winters veel gegeten werden. Witte peen gebruikte men ook tamelyk veel. Weinig hield men van Artisjokken. Nog de gemene101nog deBermudische Potatoes102worden hier geplant, om dat zy voor smakeloos gehouden worden, en men lachte deEngelschenuit om dat zy ’er zo veel werks van maakten. DeBrassica gongylodesvanLinnæus103was onbekend in geheelNoord Amerikaby deZweden, deEngelschen, deHollanders,Ieren,DuitschersenFranschen. De genen die hier zig op het aanfokken der Moeskruiden toeleiden hebben my verzekerd, dat zy genoodzaakt waren jaarlyks nieuwe zaden uitFrankrykte doen komen, dewyl zy inKanadamet het derde jaar hunne kragt verloren, en niet meer zo goede en smakelyke planten voortbragten.Onkunde derWilden.By deWilden, die van overoude tyden af inNoord Amerikagewoond hebben, en die van enerlei afkomst zyn en dezelve taal spreken, heeft men nimmer enige letters, veel minder geschriften of boeken ontdekt. Zy hebben gevolgelyk vele euwen lang in de grofste onkunde geleefd. Dit is oorzaak dat zy niet het minste weten aangaande de oude gesteldheid des Lands, en al wat zy ’er van weten steunt op losse vertellingen en horen zeggens. Niemant is ’er die wete of voor dezeWilden, die nu hier wonen, een ander volk in bezit van ’t Land geweest is, nog of iemant voorColumbus’tyden dit Werelddeel bezogt hebbe. Even zo onbekend is het of voorheen hier oit hetChristendomgepredikt zy. Ik vroeg verscheideneJesuieten, die door dit grote Land omreisden, of zy oit by deWildenenige sporen hadden kunnen ontdekken vanChristenen, die voor heen hier geweest mogten zyn; dog zy wisten ’er niets van. Zo onkundig als dezeWildenin het schryven en de wetenschappen zyn, en altyd geweest zyn, zo onkundig zyn zy ook in de bouwkunst en de handwerken. Vergeefs zoekt men by hen welgebouwde steden en huizen, vestingwerken, torens, pilaren, en diergelyke dingen, welken men in de oude wereld van vroege tyden af kan aanwyzen. De gebouwen dezer menschen zyn slegts elendige hutten van boomschorssen, aan alle zyden voor regen en wind open. Al hun muurwerk bestaat daarin dat zy enige stenen rondom de plaats daar zy vuur in hunne hutten maken leggen, om te verhinderen dat het vuur te ver voortkruipe, of liever om dus de plaats te onderscheiden voor het vuur. Een Reiziger vindt hier niet het tiende deel van het vermaak dat men in andere van ouds bewoonde[128]landen in ’t reizen geniet, waar men byna iederen dag een overblyfsel der Aloudheid ontmoet, nu ene beroemde stad, dan puinhopen van een oud kasteel; nu een slagveld, waar enige euwen geleden een bloedig treffen tusschen magtige en beroemde Vorsten of Veldoverstens voorgevallen is; dan de geboorteplaats van den enen of den anderen geleerden en door de gantsche wereld beroemden man. Op zulke plaatsen kan men zyne gedagten op velerhande wyzen strelen, en zo vele gebeurde zaken levendig voorstellen. Dog hier vindt men niets van dezen aard. De geschiedenis gaat hier niet hoger dan de aankomst derEuropers. Wat men van vroegere tyden verhaalt heeft groter gelykenis naar enen droom of een verdigtsel dan naar ene gebeurtenis. Evenwel heeft men enige merktekens van Oudheid inNoord Amerikagevonden, waaruit men opmaken kan, of dat dit gewest in de voorgaande euwen van het een of ander in de wetenschappen meer ervaren volk, dan het welk deEuropersdaar gevonden hebben, is bewoond geweest, of dat ’er uit de Oude Wereld herwaards een zware krygstogt moet ondernomen zyn.Reis over land naar deZuid Zeeen gedane ontdekkingen.Dit wordt door een verhaal bevestigd, dat ik den HeerVerandrier, die zelfde onderneming naar deZuid Zee, van de welke ik zo aanstonds gewagen zal, geleidde, aan de tafel van den Gouverneur Generaal hoorde doen, en het welk my naderhand verscheiden ooggetuigen bevestigd hebben. Zie hier kortelyk waar in dit verhaal bestond. Weinige jaren voor myn aankomst hier te lande kreeg gemelde HeerVerandriervan den toenmaligen Gouverneur Generaal, den RidderDe Beauharnois, bevel om met enen hoop krygsvolks enen togt dwars doorNoord Amerika, vanKanadaaf tot aan deZuid Zee, te doen, om te onderzoeken hoe groot de afstand dier zee van dat geweest ware, en welke voordelenKanadaofLouisianavan de gemeenschap mee dezelve trekken konde. De reis wierd vanMontrealaf te paard, en, zo veel het stromen, meren, bergen, en zo voorts, toelieten, regt toe westwaards aan voortgezet. Toen zy diep in het Land gekomen, en velerlei volken voorby gereisd waren, vonden zy somwylen grote velden, geheel van hout ontbloot en met zeer hoog gewassen gras bedekt, die enige dagreizen aanhielden. Op velen van deze velden was de grond doorgaans met voren doorsneden, als waren zy voorheen beploegd geweest. En hier moet men aanmerken dat geen van de thans inAmerikawoonagtige wilde volken deze voren heeft konnen trekken, dewyl dezen nog paarden, nog ossen, nog ploegen, nog enig ander bouwgereedschap bezitten, en voor de aankomst derEuropersnoit enen ploeg gezien hebben. Op twee of drie plaatsen, dog ver van malkander, waren in de rotsen indrukken van voeten, zo wel van kinderen als van volwassen menschen te zien. Dog dit is ontwyffelbaar voor een spel der natuur te houden. Toen zy zo ver naar ’t westen gekomen[129]waren, waar, zo veel men weet, noit eenEuropergeweest is, vonden zy hier en daar, zo wel in bosschen als op uitgestrekte vlaktens, grote pylaren van steen, rustende tegen malkander. De pylaren bestonden elk uit een stuk, en deFranschenkonden niet anders zien of zy waren door menschenhanden opgerigt. Somtyds vonden zy zulke stenen op malkander, en als tot een muur gemetseld. Op enige plaatsen waar zy zulke stenen aantroffen zagen zy gene andere stenen in de nabuurschap. Op genen van deze stenen konden zy enig schrift of letters ontdekken, hoe zeer zy ’er ook naar zogten. Eindelyk egter vonden zy enen groten steen gelykenden wel naar enen pylaar, en op dien enen kleinderen, die aan beide zyden van onbekende letters vol was. Dezen steen, die omtrent de lengte van enenFranschenvoet en de breedte ener hand had, braken zy los, en voerden hem naderhand naarKanada, van waar hy naarFrankrykaan den Graaf vanMaurepasgezonden wierd. Wat ’er vervolgens van geworden was, wisten zy niet, dog zy geloofden dat hy nog in ’t Kabinet van dien Heer was. Verscheiden’Jesuieten, die zelfs hier inKanadadien steen in handen gehad hadden, berigteden eenparig, dat zy de daarop gegraveerde letters met die vergeleken hadden welken men alsTartarischeletters opgegeven vindt, en dat zy van het zelve soort met dezelven schenen te zyn.104Maar schoon de op deze onderneming afgezonden’[130]Franschenzig alle bedenkelyke moeite gaven, om van daaromstreeks wonendeAmerikanente vernemen, wanneer en van wien die steenpylaren opgerigt waren, wat overleveringen zy daarvan hadden, wat die letters te kennen gaven, wie ze ’er op gezet hadden, wat soort van letters het waren, en tot welke taal zy behoorden, en diergelyken, konden zy ’er niet de minste onderrigting aangaande krygen, en deWildenwaren ’er ruim zo onkundig omtrent als deFranschen. Het enige dat zy wisten te zeggen was dat die stenen daar van overoude tyden her gestaan hadden. De plaatsen waar men deze overblyfsels vond waren wel negenhonderdFr.mylen westwaards vanMontreal. Het ware oogmerk dier Reis, namelyk om tot deZuid Zeedoortedringen, en den afstand derzelver vanKanadate bepalen, wierd door deze afgezondene manschap niet bereikt, dewyl zy zig bewegen lieten om deel in enen oorlog te nemen tusschen twee ver vanKanadaaf wonende wilde volken, in den welken enigen van deFranschengevangen genomen, en de overigen gedwongen werden van ’t voortzetten hunner Reis aftezien en terugtekeren. Van de allerverst wonendeWildenten westen, by wie zy kwamen, verstonden zy egter, dat zy maar enige dagreizen van deZuid Zeeafwaren; dat zy zelven dikwyls met deSpanjaardenaan die Zee wonende handel dreven, en somtyds naar deHudsonsbaireisden en met deEngelschenhandelden. Enigen van dezeWildenhadden huizen van aarde gemaakt. Velen van die Volken hadden nimmer van te voren enenFranschmangezien. Zy waren gedeeltelyk met vellen gekleed, dog velen gingen geheel naakt.Vlaktens met voren doortrokken.Allen die inKanadawaren en ver landwaards in, ’t zy naar ’t zuiden, dog voornamelyk naar ’t westen, gereisd hadden, kwamen hierin overeen, dat men daar op vele plaatsen grote vlaktens aantrof, geheel van hout ontbloot, en waar de grond met voren doorsneden was, als[131]waren daar voorheen beploegde akkers geweest. Waar dit van daan kwam kon niemant zeggen; want de koornlanden van het grootste dorp derWildenkunnen niet wel meer plaats beslaan dan vier of vyf van onze mergens, en de gemelde gevoorde vlaktens beslaan dikwyls ene ruimte van verscheidene dagen reizens, uitgenomen dat men hier en daar ene enkelde plaats aantreft waar gene voren zyn, en enige kleine heuvels.Meerder overblyfsels van de Oudheid konde ik inKanadaniet te weten komen, hoe sterk ik my ’er ook op toeleide. In ’t vervolg myner Reisbeschryving gedurende het jaar 1750.105zal ik gelegenheid vinden nog twee merkwaardige zaken aantetekenen. Dog dat onzeSkandinavierslang voorColumbusreistogten naarNoord Amerikaondernomen hebben, heeft onder anderen de HeerGeorge Westmanin zyne teAoboin ’t jaar 1747. ter verkryging van den graad vanMeesterverdedigde Verhandeling bewezen, werwaards ik den Lezer verzende.Nonnenklooster.Den 8. Augustus ging ik des morgens het grootste Nonnenklooster inQuebecbezigtigen. Het is genen man geoorloofd ’er intekomen, uitgezonderd in zekere vertrekken die door tralies van het overige afgescheiden zyn, door welke tralies men van buiten met de Nonnen van binnen spreken kan. Dog om my des te groter gunst te bewyzen maakte de Gouverneur Generaal dat de Bisschop my verlof gaf het Klooster van binnen te bezien. De Bisschop alleen kan deze vryheid geven, dog het geschiedt zelden. Alleen mogen de Geneesheer en de Wondheler ’er inkomen. De HeerGaulthier, een man van grote inzigten zowel in de Artsenykonst als in de Kruidkunde, was thans Koninglyke Arts, en verzelde my in ’t Klooster. Wy bezagen eerst het Hospitaal, dat zo aanstonds beschreven zal worden, en daarop gingen wy in ’t Klooster, dat een deel van ’t Hospitaal uitmaakt. Het was een groot stenen gebouw, van drie verdiepingen, van binnen in lange gangen, met kameren, zalen en andere vertrekken aan beide zyden afgedeeld. De kamers der Nonnen waren op de bovenste verdieping aan beide zyden van den gang. Zy waren klein, en van binnen niet geschilderd, alleen hingen ’er papieren printjes van Heiligen en diergelyken, gelyk ook het beeld van den Zaligmaker aan het kruis. Een bed met gordynen en ene goede legging, een kleine lessenaar, en een paar stoelen, was alles wat men ’er vond. Noit wordt ’er vuur gemaakt, en de Nonnen moeten ’s winters in de koude leggen. In den gang stond een yzeren kacchel, die ’s winters gestookt wordt, en als men dan de deuren der kamertjes open laat zo komt ’er nog al enige warme lugt in. Op de middelste verdieping waren de vertrekken daar zig de Nonnen door den dag ophielden als zy by malkander kwamen, onder anderen het vertrek waar zy werken. Dit was ruim, geschilderd en net. Ook stond ’er een kacchel. Hier waren zy met allerlei[132]handwerk bezig, als nayen, borduren, vergulden, ’t maken van zyden bloemen, die de natuurlyken vry wel geleken. In een ander vertrek hielden zy hare raadsvergaderingen. Een ander was voor de zulken die een weinig onpasselyk waren, dog zodanigen die gevaarlyk ziek waren lagen in een ander vertrek. In een ander wederom wierden de Nieuwelingen onderrigt. Ook was ’er ene eetzaal. Hier stonden rondom tafels. Aan ene zyde was een kleine predikstoel, waarop eenFranschboek over de levens der Heiligen lag. Onder ’t eten spreekt niemant een woord, en ene van de oudste Nonnen treedt op den predikstoel en leest den overigen een stuk uit dat boek voor. Wanneer dat boek uit is nemen zy een ander. Zy zitten aan die zyde der tafel dat naar den muur gekeerd is. Byna in alle de kamers en zalen stond ene vergulde tafel, waarop kaarssen stonden te branden voor het beeld van den Zaligmaker en de beelden van enige Heiligen. By deze tafels doen zy hare gebeden. Aan de ene zyde was de Kerk, en nevens dezelve ene grote zaal, die door tralies van de kerk was afgescheiden, zo dat de Nonnen wel in de kerk kyken, dog ’er niet in komen konden. In deze zaal zyn de Nonnen gedurende den dienst, en de Priester is in de kerk. Als hy zyn plegtgewaad aandoet, reiken hem de Nonnen dat door de tralies toe, staande het haar noit vry met den Priester in de Sakristy te gaan, of met hem in een vertrek te zyn. Behalven dezen waren hier nog verscheiden andere vertrekken, welker gebruik ik my niet te binnen brengen kan. Beneden was de keuken, het bakhuis, verscheiden spyskamers en andere gemakken. Op de zolders wordt het koorn bewaard en hetlinnengedroogd. Gelyk met de twede verdieping was van buiten een balkon rondom het gantsche gebouw, waar de Nonnen zig wat verlugtigen mogten. Het uitzigt uit het Klooster was aan alle kanten zeer schoon en ruim. Aan de ene zyde van ’t gebouw was een grote tuin, waar de Nonnen ook mogten wandelen. De tuin lag in enen hogen muur, en was vol van allerlei moeskruiden en vrugtbomen. In dit klooster waren omtrent vyftig Nonnen, die meest allen boven de veertig jaren hadden. Twee jonge Juffrouwen alleen wierden voorbereid tot den geestelyken staat. Zulke Nieuwelingen moeten eerst twee of drie proefjaren uitstaan, gedurende welken tyd het haar vrystaat weder uit het klooster te gaan, als haar dat leven niet behaagt. Dog als zy eens als Nonnen aangenomen zyn, moeten zy ’er haar gantsche leven blyven. En merkt men dat zy naar verandering haken, zo steekt men ze in een vertrek waar zy noit kunnen uit komen. Deze Nonnen gaan noit verder uit het Klooster als in ’t Hospitaal, dat daar vlak nevens legt, en een deel van ’t Klooster uitmaakt. Daar gaan zy om de zieken optepassen. Toen ik afscheid nam vroeg my de Abdis of my hare inrigtingen wel bevielen. En toen ik van ja geantwoord had, schoon ik zeide de levenswys zeer gedwongen te vinden, zeide zy my, dat[133]zy met hare Zusters God hartelyk bidden zou om myne bekering. Van verscheiden’ menschen heb ik gehoord, dat ’er zig weinig Juffrouwen in dit Klooster begeven voor dat zy tot zulke jaren gekomen zyn waarop haar weinig hoop over is van te zullen trouwen. In alle de drie Kloosters vanQuebeczagen ’er de Nonnen meest zeer oud uit, zo dat het zo evengemelde zeggen niet ongegrond schynt. Men was het overal hierin eens dat inKanada, zo wel op het land als in de steden, ver na zo veel mans als vrouwen niet waren, dewyl ’er vele mans op reis, ’t zy naar deWest Indien, waar ook velen zig neerzetten, ’t zy door het land, omkomen, en de oorlog ’er velen wegsleept. En dit dwingt verscheiden’ vrouwen zig in het Klooster te begeven.
Dienstboden.
De loon der Dienstboden is gemeenlyk voor enen braven Knegt honderdvyftigLivresin ’t jaar, en voor ene Meid honderd. Een Ambagtsman won daags drie of vierLivres, en een gemeen Daghuurder dertig of veertigSols. Op het land waren de lonen gemeenlyk iets lager. De reden van de duurte der daghuren zeide men de schaarschheid te zyn der werklieden. Want ieder vindt hier ligt een land daar hy zig nederzetten kan, en dus behoeven weinigen anderen te dienen.
Montreal.
Montrealis ten opzigt der grootte en der rykdommen de twede stad vanKanada, dog ten opzigte der legging is zy de eerste. Een weinig boven de stad verdeelt zig deSt. Laurencein enige takken, en maakt dus enige Eilanden, op het grootste van de welken de Stad legt. Het is tienFr.mylen lang, en omtrent op zyn meest vier breed. Op de oostzyde van dit Eiland aan enen der grootste armen derSt. Laurencelegt de stad. Deze legging is zeer aangenaam en voordelig. De Stad is een regthoekig langwerpig vierkant, welks ene lange zyde met de Rivier evenwydig loopt. Aan de andere zyde leggen voortreflyke koornlanden, weiden, en bosschen. Zy heetMontrealnaar enen zwaren berg, die omtrent ene halve myl van de stad af legt naar het westen toe, en dien men over de bosschen heen zien kan. De HeerCartier, een der eersteFranschendieKanadawat nauwkeuriger leerden kennen, noemde ze aldus by zyne aankomst op het Eiland in het jaar 1535., terwyl hy dezen hogen berg en tegelyk de stad derWildenHoshelagabezogt. DeFranschenspreken het woordMontrealhier gemeenlykMorealuit. De Geestelyken, die alle plaatsen hier te lande wel naar den enen of anderen Heilig zouden willen noemen, hebben het ook met deze stad beproefd, en zeVille Mariegenaamd. Dog die naam heeft niet willen opnemen. De stad is tamelyk sterk, en heeft enen hogen dikken muur rondom, en aan de landzyde ene diepe grast met water, zodat zy van stropende partyen niets te vrezen heeft. Dog ene belegering zoude zy niet lang uithouden, dewyl hare grootte alteveel manschap zou vereischen om ze te verdedigen, en daarby de meeste huizen van hout zyn. Hier zyn verscheiden’ kerken, van de welken ik alleen die noemen zal die den Monnikken vanSt. Sulpitiustoebehoort, de Kerk derJesuiten, die derFranciskanen, die van ’t Nonnenklooster, en die van ’t Hospitaal. De eerste is de fraiste, zo wel van buiten als van binnen, niet alleen van[107]de Kerken hier in de Stad als van gantschKanada. De Priesters van de Kweekschool vanSt. Sulpitiushebben een groot schoon huis, waar zy by malkander wonen. Het Kollegie derFranciskanenofBedelmonnikkenis ook een goed huis dog niet zo pragtig. Dat derJesuitenis niet groot, maar wel gebouwd. By deze geestelyke gebouwen zyn schone grote tuinen, ten dele tot vermaak en gezondheid, en ten dele ten nutte der huishouding. De meeste huizen zyn van hout, dog evenwel zeer frai. Enigen zyn van steen. Meest alle de huizen der voornaamste lieden hebben ene deur aan de straat, met banken op de stoep, waar de menschen komen zitten om lugt te scheppen. De straten die in de langte lopen zyn breed en lynregt. Zy worden door de dwarsstraten in regte hoeken doorsneden. Enigen zyn geplaveid, dog de meesten zeer ongelyk. Aan den waterkant heeft de Stad twee grote en drie kleine poorten, en aan de landzyde heeft zy ’er ook verscheiden. De Gouverneur van de Stad moet zyn eigen huis betalen, hoewel enigen zeggen dat de Kroon iets tot de huur geeft. De Gouverneur Generaal woont vry op het slot, gelyk gezegd is.
Nonnenklooster.
In de Stad is een Nonnenklooster, en buiten dezelve legt ’er een dat het maar half is, want de Paus heeft ’er nog zyne bevestiging niet aan gegeven. In het eerste wierd geen meisje aangenomen ten zy ’er vyfhonderdecusvoor betaald werden. Enigen ontving men wel voor driehonderdecus, dog die moesten de anderen als meiden oppassen.
Hospitaal.
De Koning heeft een Hospitaal voor zieke Soldaten doen bouwen. De kranke kreeg daar wat hy nodig had, en de Kroon betaalde daags twaalfsolsvoor zyn onderhoud. De Heelmeesters worden van den Koning bezoldigd. Een Officier by gelegenheid van den dienst des Konings krank geworden geniet hier vryen kost en oppassing, dog zo hy buiten den dienst des Konings ziek wordt moet hy alles uit zyn zak betalen. Als in ’t Hospitaal enige plaatsen open zyn neemt men ook wel arme menschen in die niet in dienst zyn; en dezen hebben artzenyen en den Wondheelder voor niet; dog voor hun eten en andersins moeten zy daags twaalfsolsbetalen.
Markten.
Alle vrydagen wordt hier markt gehouden, waar men zig van allerlei voortbrengselen des lands voorzien kan, als men zelf gene Landgoederen of tuinen heeft. Gantsche zwermen derAmerikanenkomen dan ook in de Stad, om te kopen ofte verkopen.
Afwyking der Naald.
De Afwyking der Naald was hier 10.gr.38.min. W.De HeerGillion, een Geestelyke van veel liefhebbery voor de Wis- en Starrekunde, had in den tuin der Kweekschool ene middagslyn getrokken, die hy zeide dikwyls volgens de Zon en de Starren onderzogt en juist bevonden te hebben. Ik vergeleek zorgvuldig myn kompas met deze middaglyn, en vond de afwyking volkomen zo als ik ze opgegeven heb.[108]Volgens de waarnemingen van dien zelven Heer is de Breedte vanMontreal45.gr.27.min. N.
Waarnemingen.
Een ander Geestelyke, namelyk de HeerPontarion, had in ’t begin van dit jaar enige waarnemingen met den Thermometer gedaan. Hy had zig van dien vanReaumurbediend, die in een venster gehangen had dat somtyds geheel en somtyds half open stond, en gevolglyk heeft hy zelden de grootste koude van de lugt aangewezen. Ik wil echter een kort uittreksel uit zyne waarnemingen voor de wintermaanden geven. De grootste koude inJanuariwas den 18. staande toen de Thermometer op 23. gr. onder ’t vriespunt. De minste koude was den 31. staande hy toen op het vriespunt. De meeste dagen tekende hy 12. of 15. gr. onder dat punt. InFebruarihad men de grootste koude den 19. en 25. De Thermometer stond toen 14. gr. onder het punt van vorst, en de minste koude had men den 3. wanneer hy 8. gr. boven het vriespunt rees. De meeste dagen stond hy op 11. gr. onder dat punt. InMaartwas het den 3. het koudst, tekenende de Thermometer toen 10. gr. onder vorst, en den 22. 23. en 24. het warmst, stygende toen de Thermometer tot 15. gr. boven vorst. De meeste dagen stond hy 4. gr. onder dat punt. InAprilgevoelde men de grootste koude den 7. zakkende de Thermometer 5. gr. onder ’t vriespunt; den 25. was het weder het zagtst, en de Thermometer was 20. gr. boven dat punt. De meeste dagen hield hy zig op 12. gr. boven het zelve. Dog ik merkte uit de wys waarop deze waarnemingen gedaan waren, dat de koude dagelyks wel een graad of zes sterker moet geweest zyn dan hy ze aangetekend had. Ook had hy in zyn dagboek aangetekend dat het ys in deSt. LaurencebyMontrealden 3. April, en byQuebeceerst den 20. los geraakt was. Den 3. Mai begonnen zig byMontrealenige bloeisems te vertonen, en den 12. was de vorst zo sterk dat de bomen van den ryp zo wit waren als of het gesneuwd had. Voor ’t overige wierd my in ’t algemeen berigt dat het ys in de Rivier alle winters gemeenlyk een en somtyds wel tweeFr.voeten dik was.
Verscheiden’ van de Geestelyken zeiden my, dat sedert het land inKanadameer bebouwd werd de zomer veel’ langer was dan voorheen. Hy komt vroeger en duurt later. Dog de koude, schoon zy zo lang niet aanhield, dagten zy even sterk te zyn. De zomers hielden zy ook voor niet heter als voor dezen. De noord en noordwesten winden zyn de koudsten teMontreal.
Vertrek.
Den 2. Augustus des morgens vroeg vertrokken wy vanMontrealnaarQuebecin ene schuit, ofBateau, in gezelschap van den Onder Major van Montreal, den HeerDe Sermonville. De schuit werd van twaalf Soldaten geroeid. Wy voeren deSt. Laurenceaf, die hier tamelyk breed was. Aan de linkerhand lag het Eiland vanMontreal, en[109]aan de regterhand zag men nu kleine eilanden, dan het vaste land. Het Eiland vanMontrealwas aan den oever zeer digt bewoond. Het land was vlak. De oevers bestonden uit tuinaarde, en waren omtrent een of twee vademen hoog. Het hout was langs den oever eneEng.myl ver geheel weg gehakt. De huizen waren van hout of van steen, dog allen van buiten gewit. De stallen en schuren waren allen van hout. De grond was tot koorn- of tot weilanden aangewend. Aan beide zyden der Rivier ontdekten wy stenen kerken met torens, welken allen aan dien kant der kerken stonden die naar de Rivier gekeerd was. Men hield zig hier niet aan de gewoonte van den toren aan de westzyde der kerk te bouwen. Tot op zesFr.mylen vanMontreallagen in de Rivier verscheiden’ eilanden, groten en kleinen, waarvan het grootste gedeelte bewoond werd. Zulken waarop gene huizen stonden had men egter tot akkers of weilanden gemaakt. Wy zagen den gehelen dag berg, heuvel, nog steen; het land was doorgaans vlak, en bestond uit tuinaarde.
Landhoeven.
Alle de Landhoeven staan inKanadaafgezonderd. By elke kerk was wel een klein dorp, dog dat bestond grotendeels uit den tuin en het huis van den Priester, de school, het kosterhuis, en zelden uit boerenhuizen. En als ’er al enige Boeren om de kerk heen by malkander woonden, lagen dog hunne landeryen afgezonderd. De Boerderyen aan deSt. Laurencestrekken zig meest in de lengte langs de Rivier, of ten minsten lagen zy niet veel van dezelve af. Tusschen de Boerderyen was gemeenlyk ene ruimte van drie of vierArpents. Enigen dezer Boerderyen hadden kleine boomgaarden, dog de meesten niet; egter had meest elke Boer enen moestuin.
Menschen, die in ’t zuiden vanKanadaen naar den kant van deMissisippigereisd hadden, berigtten eenstemmig, dat daar ene menigte van schone Persiken in ’t wild wast, welken deWildenbeweerden dat daar van oude tyden af altyd gevonden geweest zyn.
De Boerenhuizen zyn dikwyls van steen, dog somtyds ook van hout, en bestaan uit drie of vier kamers. Zelden vond men glas in de vensters, dog meest papier. Zy hebben enen yzeren kacchel in ene der kamers, en de voegen der wanden zyn met klei digt gemaakt. De schuren en stallen zyn meest met stro gedekt. De heiningen waren een weinig anders dan by ons.
Kruissen.
Hierendaar zagen wy kruissen staan langs den weg die nevens den oever loopt. Zulke kruissen vindt men veel op de wegen inKanada, en zy dienen om de godsdienstigheid der reizigers op te wekken. Zy zyn van hout en twee of drie vademen hoog. Op de zyde die naar den weg gekeerd is ziet men ’er een vierkant gat in uitgehouwen, waarin een[110]beeldtje staat of van den Verlosser, of van de Heilige Maagd, hebbende den Zaligmaker als een klein kind op den arm. Dit was met een glas bedekt om het voor de lugt, regen en stof te beschutten. De voorbygangers maken ’er een kruis voor, nemen den hoed af, of knielen. Sommigen van deze kruissen, vooral die digt by ene kerk staan, zyn opgeschikt. Alle de werktuigen, die men maar bedenken kan dat de Joden by ’t lyden van den Heiland gebruikt hebben, vindt men ’er by. De Haan vanPetrusstaat dikwyls ten oosten van het kruis.
De Landsdouw.
Het land, dat wy dezen dag zagen, gaf een vermakelyk uitzigt. Het was genoeglyk te zien hoe wel en sterk het bewoond was. Het scheen een gedurig dorp te zyn, dat byMontrealbegint en totQuebec, ene langte van dertigZweedschemylen, zo niet verder, duurt. Weinige plaatsen waren ’er maar waar de Boerderyen meer dan drie of vierArpentsvan malkander verwyderd lagen. Op zulke plaatsen, daar de Rivier ene myl of twee lynregt loopt, was het gezigt vooral verrukkelyk; en dan schenen de huizen in de verte vlak naast malkander te staan.
Kleding der Boerinnen.
De Boerinnen inKanadadragen altyd een soort van kappen, die meest agter over geslagen zyn, en dikwyls in den nek hangen. Hare jakken zyn kort; de rokken zyn nauw en komen pas halfwege de benen. Om den hals hebben zy gemeenlyk een zilveren kruis afhangen. Sommigen zyn zeer naarstig; dog ik heb ’er ook gezien die niet veel meer uitvoerden dan deEngelscheVrouwen in dit werelddeel gewoon zyn, en den gantschen dag zaten te gapen en te snappen. By het beuzelen door het huis, en ’t drentelen van de eene kamer in de andere, zyn zy, en vooral de ongetrouwden, zeer gewoon een liedtje tusschen de tanden te neurien, daar vry wat vanamourencoeurin komt. By de Boeren was het de gewoonte dat als de Man gasten had en aan tafel zat de vrouw agter zynen stoel stond om hem te dienen. Maar in de steden zyn de Vrouwen meer in aanzien, en zy staan daar naar geen minder gezag dan dat van de Mans. Als zy uitgaan of op reis zyn dragen zy enen groten mantel, dien zy over hare klederen heen slaan. Deze mantels waren of grauw, of bruin, of blauw. Zy gaven in grootte onzen mansmantels niet toe. Somtyds bedienden zig de Heren wel van deze vrouwenmantels, als zy uit waren en van den regen overvallen wierden. Onder deze mantels konden de vrouwen zeer verwaarloosd gekleed uitgaan.
Molens.
Wy zagen hierendaar windmolens staan, die meest van onderen van steen en van boven met planken gedekt waren, kunnende het dak met de wieken naar den wind gedraid worden.
De Rivier was niet overal even breed. Hier en daar was zy byna tweeEng.mylen en op anderen pas een vierde van zulk ene myl[111]breed. De oever was somtyds hoog en steil, somtyds laag en gloijend.
Om drie uur na den middag voeren wy de plaats voorby waar de Rivier die uit het MeerChamplainkomt zig in deSt. Laurencestort, in ’t midden van de welke hier een groot Eiland lag, het welk de Jagten aan de zuidzyde omvaren, dewyl daar de Rivier het diepst is, dog de schuiten kiezen de noordelykste doorvaart, om dat die weg korter, en ’er voor haar waters genoeg is. Behalven dat Eiland lagen ’er nog verscheiden’ anderen, die allen bewoond waren. Verder weg, en voor dat wy aanLac St. Pierrekwamen, was het land aan beide zyden der Rivier onbewoond, vermits het zo laag was dat het gedurig overstroomd zou zyn. Dog lager, daar het hoger is, is het even zo bebouwd als het geen wy voorby gevaren waren.
Lac St. Pierre.
Lac St. Pierreis een wyde boezem, dien deSt. Laurencemaakt. Wy konden hier nauwlyks iets als hemel en water zien. Men zegt dat dit Meer zevenFr.mylen lang en drie breed is. Als men ’er midden op is vertoond zig van verre naar het westen een land, dat over de bosschen heen kykt. Hierendaar zag men grote plaatsen vol van een soort van biezen, byLinnæusScirpus palustris. Omtrent dit Meer ziet men nergens huizen of bebouwde landen, vermits het land overal te laag is en het in ’t voorjaar onderloopt, zo dat men met schuiten tusschen de bomen kan doorvaren. Maar op enigen afstand van het Meer, waar het land wat hoger is, leggen de Boerderyen, de ene naast de andere. Wy zagen dezen dag gene eilanden, dog den volgenden werden wy ’er enigen gewaar.
Des avonds laat verlieten wy hetLac St. Pierre, en roeiden enen kleinen stroom op,La Rivière des loupsgeheten, om een huis te vinden waar wy den nagt konden overbrengen. Na dat wy eneEng.myl geroeid hadden begon het land aan beide zyden van den stroom bewoond te worden. De oever was enigsins hoog, en het land vlak. Wy overnagtten in een Boerenhuis. Tot hiertoe waren wy binnen ’t Regtsgebied vanMontrealgeweest, en hier begon dat van den Gouverneur vanTrois Rivières, van welke plaats wy nu agtFr.mylen af waren.
Den 3. Aug. om vyf uur des morgens gingen wy weer op reis, eerst het kleine Riviertje af, en daarna langs hetLac St. Pierre. Na enigen tyd zagen wy van verre in ’t noordwesten ene lange ry van hoge bergen, die boven het lage land zeer hoog uitsteken. Op den noordwestelyken oever was het Meer op de meeste plaatsen tamelyk digt bewoond. Dog aan de zuidoosterzyde zag men gene Boerdery, en maar alleen een laag met houtbedektland, dat somwylen onderloopt, maar agter het welk verscheiden’ Landhoeven gezegd worden te leggen. Daar het Meer ten einde loopt wordt de Rivier weder smal, zo dat zy niet boven anderhalve[112]Eng.myl breed is, en verder weg wordt zy nog smalder. Van het einde des Meers totTrois Rivièresrekent men drieFr.mylen. Om elf uur voor den middag kwamen wy daaraan, en woonden ’er den godsdienst by.
Trois Rivières.
TroisRivièresis een klein vlek, gelykende wel naar een groot dorp. Men rekent het onder de drie steden vanKanada, te wetenQuebec,Montreal, enTroisRivières. Het legt in ’t midden tusschen de twee eerst genoemden, dertigFr.mylen van elke. De plaats legt aan de noordzyde derSt. Laurence, op ene vlakke dog wat verhevene zandbank. De legging is zeer aangenaam. Aan de eene zyde loopt de Rivier, die hier anderhalveEng.myl breed is, en aan de andere wordt de plaats door schone landeryen omgeven, schoon de aarde merendeels zandig is. Men vindt hier twee stenen kerken, een Nonnenklooster en een huis voorFranciskanerMonnikken. Hier is ook de verblyfplaats van den derden Gouverneur, die inKanadais. Zyn huis is ook van steen. De meeste andere huizen zyn van hout, ene verdieping hoog, middelmatig gebouwd, en staan verstroid. De oever is louter zand, en tamelyk verheven. By sterken wind wordt dit zand zo opgejaagd dat men werk heeft uit de ogen te zien. De Nonnen, waarvan men ’er omtrent tweeëntwintig telde, werden voor zeer handig in allerlei vrouwelyke handwerken gehouden, als nayen, borduren, en diergelyken. Voorheen bloeide deze plaats boven de anderen, dewyl deWildenvan alle kanten hier met hunne waren t’zamen vloeiden. Maar sedert dat dezen, zo wel van wege den oorlog met deIroquoizen, als om andere oorzaken, begonnen hebben ten dele naarQuebecenMontreal, ten dele naar deEngelscheVolkplantingen te gaan, is haar welstand afgenomen. Thans bestaan de Ingezetenen voornamelyk van den landbouw. Ook trekken zy enig voordeel van de naby gelegen yzerwerken. Omtrent eneEng.myl beneden de plaats valt een andere grote Rivier, die zig daar aan haren mond in drie takken verdeelt, in deSt. Laurence, zodat het in ’t voorbyvaren schynt als of zig hier drie Rivieren ontlastten. Dit heeft aanleiding gegeven om die Rivier, en de een weinig van daar gelegene Stad,Trois Rivièreste noemen.
Eb en vloed.
De eb en vloed doen zig in deSt. LaurenceeneFr.myl bovenTrois Rivièresbemerken, schoon zo weinig dat men het nauwlyks bespeurt. Dog in den tyd als dag en nagt even lang zyn, in de lente en in den herfst, gelyk ook by nieuwe en by volle maan, is het verschil tusschen eb en vloed twee voet.Gevolgelyk gaat de vloed en eb vry hoog de Rivier op, want men is hier langs deSt. Laurenceomtrent honderdvyftigFr.mylen van zee.
Yzerwerken.
Terwyl myne reisgezellen hier uitrustten, steeg ik te paard om het Yzerwerk alhier te bezigtigen. Het land, dat ik doorreed, was tamelyk[113]hoog, zandig, en meest vlak. Ik vernam gene stenen, en veel minder enige bergen.
Dit Yzerwerk, het enige dat men hier te lande vindt, legt drieFr.mylen ten westen vanTrois Rivières. Men had hier twee grote hamers, en by elk van dezen enen kleinen, allen onder het zelve dak. De blaasbalgen waren van hout; en voor het overige was alles even als inZweden. De smeltoven stond nevens de hamers, en was even als by ons. Het erts haalt men derdehalveFr.myl van het Yzerwerk af, en wordt des winters met sleden derwaards gebragt. Het is een zeker soort van erts het welk in aderen in den grond legt,85welk omtrent enen voet onder de bovenste korst der aarde al slingerende lopen. Elke ader is van zes tot agttien duim diep, en onder dezelven is een wit zand, het welk dezelven omvangt; boven op legt ene tuinaarde. Dit erts is tamelyk overvloedig. Men vindt het in losse klompen in de aderen ter grootte van ene of twee vuisten. Dog enigen zyn veel groter. Het erts kan tusschen de vingers fyn gewreven worden. Men gebruikt om het smelten te bevorderen enen grauwen kalksteen, die hier in de nabuurschap valt, gelyk ook een zeker mergel. Kolen kan men hier in overvloed hebben dewyl ’er rondom veel hout wast, het welk van onheuglyke tyden herwaards ongestoord gestaan heeft. De kolen die men uit bomen brandt welken altyd groen blyven houdt men voor de besten om te smeden, dog die van bomen die hun loof vallen laten zyn beter voor de smeltovens. Het yzer dat men hier smeedt wordt van allen als week en buigzaam beschreven, zo dat het niet ligt valt het te breken; ook wil men dat het niet ligt roest. In deze opzigten is ’er by den scheepsbouw een groot verschil tusschen dit en hetSpaanscheyzer. Dit yzerwerk werd in het jaar 1737. van byzondere personen opgerigt, die het naderhand den Koning hebben afgestaan. Men giet hier kanonnen en mortieren van verschillende grootte, kacchels, die in gantschKanadain gebruik zyn, ketels, en andere dingen. Ook smeedt men hier yzeren staven. Men heeft ook beproefd staal te maken, dog dit heeft nog niet willen gelukken, dewyl men de konst niet regt verstond. Men vindt hier verscheiden’ Opzigters, die in fraye huizen wonen. Dog in ’t algemeen wierd gezegd dat de winst de kosten in lange niet konde opwegen. Dit schreef men daaraan toe dat het land nog niet genoeg bewoond was, zo dat het kleine getal inwoonders genoeg met den landbouw te doen heeft, en men gevolgelyk werk heeft van menschen te vinden om in het yzer te arbeiden. Dog met dit alles kan ik kwalyk begrypen dat de Koning hierby[114]kan verliezen, aangezien den overvloed, en de smeedbaarheid van het yzer, en de nabyheid van de plaats waar het erts gevonden wordt. Het yzer is goed, en kan gemakkelyk door het land verspreid worden; en het gehele land moet zig hier van yzer voorzien. De Bedienden schenen hier niet kwalyk te varen. Het yzerwerk heeft door enen stroom gemeenschap met deSt. Laurence, langs dewelke men al het werk gemakkelyk met vaartuigen kan vervoeren. Des avonds keerde ik weder naarTrois Rivièresterug.
Vertrek.
Den 4. Augustus des morgens by ’t aanbreken van den dag gingen wy weder op reis. Het land aan de noordzyde der Rivier was enigsins verheven, zandig en overal digt aan de Rivier sterk bewoond. Men zeide dat het ook aan de zuidoostelyke zyde even zo wel bebouwd was, schoon men van de Rivier niets dan bosch zag. Men woont daar wat meer landwaards in, om dat het land digt by de Rivier laag is en somtyds onderloopt. ByTrois Rivièreswas deSt. Laurencewat smalder geworden, dog zy wierd wat lager weer breder, zelfs tot meer dan tweeEng.mylen.
Wy zagen dien dag verscheiden’ stenen kerken, waarvan sommigen zeer wel gebouwd waren. Het land was aan weerskanten der Rivier sterk bewoond, tot op drie vierden van eneEng.myl, dog verder beginnen de bosschen en de wildernissen. Maar alle de rivieren en beken, die in deSt. Laurencevallen, zyn ook wel bewoond. Ik merkte op dat de bebouwde landen inKanadavlak nevens de rivieren lagen, uitgenomen by de steden, om welken heen enige mylen ver de landen bebouwd waren. Op de meeste eilanden in de Rivier woonden ook menschen. De oevers begonnen nu zeer hoog, en steil te worden, hoewel zy meest uit aarde bestonden. Hierendaar viel een beekje in de Rivier, onder welken ’er een was dat was dat deFranschenRivière puante86noemen, ’t welk omtrent tweeFr.mylen benedenTrois Rivièresin deSt. Laurence, aan derzelver oostelyke zyde, valt. Op dit water legt een weinig hoger een steedjeBecancourtgenaamd.DeAbenaki.Deze plaats wordt alleen van eenAmerikaanschvolk,Abenakigeheten, bewoond, welken tot den Roomschen Godsdienst overgegaan zyn, enJesuietschePriesters hebben. Van verre noordwestwaards zag men ene ry van hoge bergen, lopende van ’t zuiden naar ’t noorden, en boven al het land, dat doorgaans vlak was, heen kykende.
Kalkovens.
Men had op de Rivier hier enige kalkovens aangelegd. Den kalksteen groef men hieromstreeks in enigsins hoger gronden. Hy was digt en grauw, en gaf enen witten kalk.
Granen.
De landen zyn hier voornamelyk bezaid met weit, haver, mais en erwten. Kawoerden en watermeloenen waren ’er in menigte by de hoeven. Men at hier te lande niets dan weitenbrood.[115]
EenHummingbirdof Bloemzuigertje vloog door het kreupelhout op ene plaats daar wy heden aan land gegaan waren. DeFranschennoemden hemOiseau mouche,87en zeiden dat hy inKanadavry gemeen is. Ik zag ’er naderhand nog enigen van byQuebec.
Om vyf uur na den middag wierden wy door enen sterken tegenwind en regen gedwongen ons nagtverblyf te nemen. Ik merkte dat hoe meer menQuebecnaderde het land des te vryer werd. Wy waren nu twaalfFr.mylen van die plaats af.
Visschery.
Hier was ene zeer byzondere wys om visch te vangen in gebruik. Men plaatst kleine heggen van zamengevlogten rys, zo digt dat ’er geen visch door kan, en van enige voeten hoog, naar dat het water diep is, digt by den oever. Tot dit einde kiest men zulke plaatsen daar by de eb al het water wegloopt, zo dat de heggen dan droog staan. Binnen dezelven legt men verscheiden’ fuiken, van onderen wyd, staande overeind, en derdehalve el hoog en iets minder wyd. Onder in dezelven is de ingang voor de visschen, gemaakt van rys, en somtyds van garen. Aan het andere einde, gekeerd naar den kant waar de stroom van daan komt, is een andere ingang, gelyk de eerste, die naar een soort van planken hok geleidt, omtrent vier voet lang, twee diep, en twee breed. By elke fuik is ene heg, lopende schuinsch naar de grote heg, welke den visch naar de fuik moet leiden. Als het water nu hoog is zwemt de visch, byzonderlyk de aal, de rivier op, dog by de eb wordt hy naar beneden gedreven, en stuit dan tegens deze heggen, welke hy zo lang volgt tot dat hy in het hok komt. Het hok heeft boven ene opening met een deksel ’er op, waar door men den visch uitneemt. Deze visschery was voornamelyk voor de alen gemaakt. Op vele plaatsen had men netten in plaats van heggen.
De oevers der Rivier bestonden hier niet meer uit aarde, maar uit een soort van lei. Zy waren buitengemeen hoog en steil. De lei was zwart, trekkende wat naar het bruine. Zy was zeer brosch, zo dat men ze met den vinger aan stukken breken kon, en lag in lagen, dewelken zig egter zo verdelen lieten dat zy niet breder waren dan de rug van een mes. Aan de lugt blootgesteld viel zy in kleine stukken. De gantsche oever lag vol van een fyn zand, ontstaan uit deze vermolmde leyen. Enige beddingen liepen horizontaal, anderen een weinig schuinsch, zo dat zy aan ’t noorden een weinig hoger waren dan aan ’t zuiden, en dikwyls net in ’t tegendeel. Hierendaar maakten zy bogten gelyk als halve cirkels. Somtyds wierden de beddingen ter diepte van enige ellen door ene loodregte lyn doorsneden, zo dat de leyen op de zyden dier lyn ’er als een gladde muur uitzagen. Op sommige[116]plaatsen vond men tusschen de leyen ene laag ter dikte van omtrent vier duim, van enen grauwen, digten, tamelyk weken kalksteen, uit den welken deWildenvan overoude tyden her hunne tabakspypen maakten, gelyk deFranschennog tegenswoordig doen.88
Den 5. zetteden wy onze reis des morgens voort, al roeyende, dewyl wy enen harden wind tegen hadden. Het land behield de gedaante die wy beschreven hebben. De oevers waren hoog en steil, en bestonden uit de gemelde zwarte lei. Het land was vlak, en aan de Rivier tot op enigen afstand toe landwaards in digt bewoond. Wy ontmoetten gene eilanden; dog op sommige plaatsen lagen grote stenen in de Rivier, die men by laag water zien kon. Op deze stenen zyn verscheiden’ vaartuigen verongelukt. De breedte der Rivier bedraagt somtyds meer dan drievierden van eneEng.myl, somtyds ene halve, en somtyds meer dan twee mylen. Op verscheiden’ plaatsen vindt men zulke aalvisscheryen als wy beschreven hebben; en men bediende zig ten dien einde op vele plaatsen van netten in plaats van gevlogten rys.
Wandluizen.
Wandluizen zyn ’er overvloedig inKanada, en ik ontmoette ze overal waar ik huisvestede, zo wel in de steden als op het land. Men wist ’er geen ander middel tegen dan geduld te nemen.
Krekels.
DeKrekelszyn hier overal menigvuldig, vooral op het land, daar zy in de schoorstenen zitten. Ook vindt men ze in de steden. Zy blyven hier zomer en winter, en byten de klederen dikwyls voor tydverdryf aan stukken.
Nader byQuebecworden de oevers meer gloyend. Noordwaards vertoonde zig ene ry hoge bergen. Omtrent derde halveFr.myl van die Stad wordt de Rivier zo smal, dat zy niet boven enen musketschootQuebec.breed is. Het land aan beide zyden liep schuinsch op, was bergagtig, boschryk, en vol klippen. Des avonds om vier uur kwamen wy teQuebec. Wy konden de stad niet zien voor dat wy ’er vlak by waren, nadien een hoge berg ons het gezigt ’er van benam. Egter ontdekt men van verre een stuk van de vestingwerken die op den berg leggen. Zodra de SoldatenQuebecin ’t oog kregen, riepen zy dat allen die hier noit geweest waren gedoopt moesten worden, ten zy zy een drinkgeld gaven. Dit was een gebruik hier te lande, aan het welk zelfs de Gouverneur Generaal zig onderwerpen moest. Wy hadden gene reden ons hier tegen te verzetten, en de roeyers by hunne[117]aankomst voor hunnen zwaren arbeid niet enen vrolyken avond te gunnen.
Terstonds by myne aankomst in de stad bragt my de Officier, die my vanMontrealbegeleid had, naar het slot, by den toenmaligen Vice Gouverneur Generaal, denMarquisLaGalissonière. Dit was een Heer van ongemene verdiensten, die my gedurende myn gehele verblyf alhier met uitmuntende goedheid bejegende. Hy had reeds kamers voor my doen bestellen, en droeg zorg voor alles wat wy van doen mogten hebben. Ook had ik dagelyks de eer by hem ter tafel verzogt te worden.
Quebec, de Hoofdstad vanKanada, legt op den westelyken oever derSt. Laurence, op een uitstek lands, gemaakt van die Rivier aan het oosten, en de RivierSt. Charlesaan het noorden. Zuidwaards wordt de berg waarop de stad legt nog hoger, en agter denzelven beginnen grote weiden; westwaards strekt zig de berg nog een stuk wegs uit. Men verdeelt de stad in enehogeen enelage stad.89Het gemelde uitstek lands is uit de modder, door de Rivier van tyd tot tyd aangespoeld, en ene rots ontstaan, welke daar legt, en niet uit ene langzame afneming van ’t water. De hoge stad legt boven de andere op den berg, en is vyf of zes maal groter dan de lage, dog niet zo sterk bewoond. De berg waarop de bovenstad legt is hoger dan de huizen der benedenstad, schoon die van drie of vier verdiepingen zyn: als men uit het Slot naar de benedenstad, die ’er vlak onder legt, afziet, is het om duizelig te worden. En van daar naar het Slot om hoog ziende, schynt dat in de lugt te staan. Daar is maar een toegang van de benedenstad naar boven, zynde een deel van den berg in de lugt gesprongen. Deze toegang is zeer steil, schoon hy krom loopt. Egter rydt men hem met wagens op en af. In de lage stad wonen byna alle de kooplieden. De huizen staan daar digt by een. De straten zyn nauw, ongelyk en haast altyd vogtig. Men vindt ’er ene kerk en ene marktplaats. In de hoge Stad wonen de aanzienlykste lieden, behalven verscheiden amptenaars en ambagtsgezellen. Ook staan hier de voomaamste gebouwen, waaronder de volgenden de aanmerkenswaardigste zyn.
I. Het Slot. Dit is aan den zuidkant van den berg gelegen, waar hy zeer steil is, vlak boven de benedenstad. Eigenlyk is het geen kasteel, maar een langwerpig gebouw van steen, twee verdiepingen hoog, en strekt zig van ’t zuiden naar ’t noorden. Aan de westzyde is een hof, met enen muur en huizen omringd. Oostwaards tegens de Rivier aan is ene gallery even zo lang als het gebouw zelf, omtrent enen vadem breed. Zy is met gladde stenen bestraat, en aan den buitenkant met[118]yzeren tralien omgeven, zo dat men van daar in de stad en langs de Rivier zien kan. Hier gaat men gemeenlyk na den maaltyd zig een weinig vertreden. Ook wagten hier die genen welken den Gouverneur spreken moeten tot dat het hem gelegen komt. In dit Slot woont de Gouverneur Generaal van geheelKanada, voor het welk dagelyks ene sterke wagt optrekt, en als de Gouverneur of Bisschop voorbygaat komt de wagt in ’t geweer, en wordt de trom geroerd. De Gouverneur heeft op het Slot zyne kapel waarin hy zyne gebeden doet, schoon hy dikwyls ook in de stad in de kerk der Barrevoeters de Misse bywoont.
II. Zyn hier zeven of agt kerken, allen van steen gebouwd, namelyk.
1. DeHoofdkerk, leggende aan de regterhand als men uit de benedenstad in de bovenstad komt, een weinig voorby het Hof van den Bisschop. Men was thans bezig om ze schoonder dan voorheen te maken. Zy heeft aan de westzyde enen ronden toren met twee verdiepingen, in de onderste van welken de klokken hangen; aan de oostzyde is ook een klein rond torentje. De preekstoel is verguld. De banken zyn frai.
2. DeJesuieten Kerk, zynde ene kruiskerk, en hebbende enen ronden toren. Deze was de enige kerk in de stad die een uurwyzer en slag had.
3. De kerk derBarrevoetersof derRecollecten, leggende vlak over de poort van ’t slot. Zy ziet ’er vry wel uit, en heeft enen enigsins hogen spitsen toren en een klokkenhuis.
4. De kerk derUrselinen, hebbende enen ronden spitsen toren.
5. DeHospitaalkerk.
6. De Kapel des Bisschops.
7. De Kerk in de benedenstad, gebouwd in ’t jaar 1690. na dat de Stad van deEngelschenvry geraakt was. Zy wordtNôtre Dame de la Victoiregenoemd. Zy heeft eenen kleinen vierkanten toren, van boven rond, midden op het dak.
8. De kleine Kapel van den Gouverneur op het Slot, welke ook voor ene Kerk kan gerekend worden.
III. Het Huis van den Bisschop, welk het eerste is dat men aan de regterhand ontmoet, als men van de benedenstad naar de hoge Stad gaat. Het is een frai groot gebouw, met enen moestuin, die in zyne muren legt.
IV. Het Kollegie derJesuieten, dat ik op ene andere plaats breedvoeriger beschryven zal. Het ziet ’er pragtiger uit dan het Slot zelfs, dog legt zo aangenaam niet. Het is byna viermaal zo groot als het Slot, en het schoonste gebouw van de Stad. Het legt aan de noordzyde van ene marktplaats, aan welker zuidzyde de Hoofdkerk staat.
V. Het Klooster derBarrevoeters, leggende westwaards nevens het[119]Slot, vlak daar over. Het is een groot gebouw met enen frayen tuin. Het huis is twee verdiepingen hoog, op elke van welken een lange gang is met cellen.
VI. HetHôtel Dieuzal ik nader beschryven. De Nonnen die de zieken oppassen zyn van de Augustyner order.
VII. HetHuis der Geestelykheid90is een groot gebouw aan de noordoostzyde der Hoofdkerk. Aan den enen kant heeft het enen ruimen hof, en aan den anderen, tegens de Rivier aan, enen groten boomgaard en moestuin. Geen van alle de gebouwen in de Stad heeft een zo bekoorlyk uitzigt als ’er in dien tuin is, waarvan men benedenwaards in de Rivier en alomme heen over ’t land ver weg ziet. DeJesuietenin tegendeel hebben geen uitzigt ter wereld. Ook kunnen zig deBarrevoetersover het hunne niet zeer beroemen. In dit gebouw wonen alle de Geestelyken der Stad met hunnen Opzigter by malkander. Zy bezitten hier inKanadaop vele plaatsen grote landeryen, die hun door de Regering geschonken zyn, van de welken zy de inkomsten genieten, waaruit zy rykelyk bestaan kunnen.
VIII. HetNonnenklooster der Urselinen, zal ik beneden nader beschryven.
Meer openbare huizen van enig aanzien vindt men hier in de Stad niet, dog noordwest even buiten dezelve legt het huis van denIntendant, een openbaar gebouw, zo groot en aanzienlyk dat het wel voor een Slot zou kunnen doorgaan. Het is met blik gedekt, en staat in ene twede benedenstad, welke zuidwaards op de RivierSt. Charleslegt, en heeft aan de noordzyde enen schonen en groten tuin. Hier worden alle de beraadslagingen die het land in ’t algemeen raken gehouden, en de Heren die ’t bestier vanregts-en burgerlyke zaken hebben vergaderen hier. DeIntendantzit als dan voor. Dog als het zaken van groot gewigt zyn komt ’er de Gouverneur zelf. Aan de ene zyde van dit gebouw is het Magazyn der Kroon, en aan de andere het Gevangenhuis.
DeHuizenzyn hier doorgaans van steen. In de bovenstad hebben zy gemeenlyk maar ene verdieping, alleen de openbare gebouwen uitgenomen. Hier en daar stonden nog enige houten huizen; dog als die bouwvallig worden mag men ze niet vernieuwen. De stenen huizen en de kerken zyn niet van tichelstenen, maar van de zwarte kalkleyen, waaruit de berg daarQuebecop legt bestaat, gebouwd. Als men deze leyen uit den berg haalt zyn zy in ’t eerst zo vast dat zy niet afschilferen. Maar als zy enigen tyd in de lugt geweest zyn beginnen zy zig in dunne schyven te verdelen. Deze steen is week, en ligt te bearbeiden. De muren rondom de Stad en om de tuinen in dezelve bestaan ook grotendeels[120]uit dezen steen. De daken der openbare gebouwen zyn met gemene leyen gedekt, welken men uitFrankrykherwaards brengt, dewyl ’er hier te lande genen van dat soort gevonden worden. Deze leyendaken hebben het enige jaren tegens de lugt en ’t weder goed gemaakt, en zyn nog in staat. De andere huizen zyn meest met planken gedekt, leggende of met de sparren evenwydig dwars over dezelven heen. De hoeken der huizen en de posten der vensters waren dikwyls van enen grauwen fynen kalksteen, die sterk ruikt.91Deze steen was op sommige plaatsen beter dan de zwarte kalkleyen, die in de lugt altyd in schyven vallen. De meeste huizen waren van buiten gewit. De vensters sloegen meest allen naar binnen open, dat veel plaats in de kamers wegnam. Des winters bediende men zig op sommige plaatsen van dubbelde vensters. Men verwarmde de vertrekken met kleine yzeren kacchels. De vloeren waren zeer morssig, en wierden niet meer dan eens in ’t jaar gezuiverd.
Het Buskruidmagazyn staat op het hoogste van den berg waarop de Stad legt, een weinig ten zuiden van het Slot.
De straten in de bovenstad zyn breed genoeg, dog zeer oneffen door dien de Stad op enen berg legt, zo dat het hier lastig is te gaan en te ryden. De zwarte kalklei steekt hare scherpe hoeken dikwyls omhoog, het welk de schoenen schrikkelyk slyt. Voor ’t overige heeft men gene regelmatigheid by ’t aanleggen der straten gebruikt, zo dat zy krom en dwars lopen.
Grootte.
De menigte van tuinen, die zo wel by de byzondere huizen als by de kloosters zyn, maken dat de Stad vry groot schynt, dog dat zy geen zeer groot getal van huizen bevat. Van ’t zuiden naar het noorden is zy zeshonderd, en van den oever aan de benedenstad tot aan den westelyken muur driehonderd vyftig of vierhonderdToiseslang. Dog deze gehele ruimte is niet bewoond; aan de zuid en aan de westzyde zyn digt aan de muren grote opene plaatsen, waar tegenswoordig gene huizen staan, en die men betimmeren kan indien de Stad in ’t vervolg meer inwoonders krygt.
De Bisschop.
De Bisschop, die hier zynen zetel houdt, is de enige in gantschKanada. Zyn gebied strekt zig uit totLouisiana, de Bai vanMexikoen deZuid Zee. Geen Bisschop, uitgenomen de Paus, had oit een uitgestrekter Bisdom. Dog de geestelyke schapen, die zyne stemme horen, zyn op zekeren afstand vanQuebeczeer weinig in getal, en houden zig dikwyls enige honderd mylen ver van malkander op.[121]
Handel.
Quebecis de enige zee- en handelplaats vanKanada, van waar alle de waren die naar buiten gaan worden afgezonden. De haven is op de Rivier onder de Stad. DeSt. Laurenceis daar omtrent een vierde van eneFr.myl breed en vyfentwintig vadem diep. De grond is goed om te ankeren. Men legt ’er voor alle stormen in zekerheid. De noordoosten wind is hier de gevaarlykste. Toen ik aankwam telde ik dertien vaartuigen, groten en kleinen t’zamen genomen, en men verwagtte ’er nog meer. Dog men moet aanmerken dat gene andere danFranscheSchepen hier komen mogen. Egter konnen ’er velen zyn, die uit verscheiden havens zo inFrankrykals in deFransche AmerikaanscheEilanden komen. VeleFranscheKooplieden uitMontreal, na meer dan een half jaar onder deWildente hebben gereisd, om pelteryen op te kopen, van waar zy gemeenlyk op het einde van Augustus terugkomen, begeven zig van daar in September en October naarQuebec, om daar hunne waren aftezenden. Dus zoude men denken dat de StadQuebecuit hoofde van dit voorregt van alles te verzenden, zeer ryk moest zyn, dog velen zeiden dat dit zo niet was. Enigen, stond men toe, waren wel gegoed; maar de meesten bezaten niet boven het geen zy noodwendig tot hun onderhoud van noden hadden, en zeer velen waren diep in schulden. Dit schreef men aan de pragt toe, willende de een voor den ander niet onder doen. De Kooplieden hielden veel van zig kostbaar te kleden, lekker te eten en te drinken, vele schotels op tafel te hebben, en grootsch te leven. De Vrouwen gingen alle dagen zo opgeschikt als moesten zy aan ’t Hof wezen.
Sterkte.
De Stad is rondom, en byzonderlyk aan de landzyde, door enen hogen muur omringd, die nog niet geheel voltoid was, dog men arbeidde sterk ’er aan. De muur werd ten dele van de voorheen gemelde zwarte kalkleyen, en ten dele van enen grauwen zandsteen gemetseld. By de poorten gebruikte men enen grauwen kalksteen. Aan den waterkant had men nog gene muren aangelegd, dog de natuur heeft daar de plaats vry sterk gemaakt, dewyl de berg daar niet wel te beklimmen is. Buiten dat heeft men hier geschut geplant, zo dat het genoegzaam ondoenlyk is met vaartuigen voor de Stad te komen, zonder in den grond geschoten te worden. Aan de landzyde leggen ook hoge bergen. Dus schynt de plaats, en door de natuur en door de konst, vry wel versterkt.
Lotgevallen.
Quebecwierd door den GouverneurSamuel de Champlainin het jaar 1608. aangelegd. De Stad nam langzaam toe. In ’t jaar 1629. maakten ’er zig deEngelschen, onderLewisenThomas Kerk, met verdrag meester van. DeEngelschenvondenQuebecen gantschKanadain zulk enen staat van gebrek aan noodwendigheden, dat zy daar veeleer als vrienden dan als vyanden ontvangen wierden. De genoemdeKerkswaren broeders van den AdmiraalDavid Kerk, die met zyne vloot een weinig lager lag.[122]In ’t jaar 1632. werdQuebecte gelyk metKanadaby den vrede aan deFranschenteruggegeven. Aanmerking verdient het, dat men in dien tyd inFrankrykin overweging nam of het der moeite wel waard wezen zoudeKanadavan deEngelschenterug te vorderen. De meesten oordeelden dat men het niet terug moest eischen, dewyl het een koud gewest was, de uitgaven de inkomsten ver te boven gingen, en datFrankrykeen zo uitgestrekt land niet van inwoonders voorzien kon zonder zig zelf uitteputten, gelyk aanSpanjegebeurd was. Beter was ’t het volk inFrankrykte houden, en het aantemoedigen tot het beoeffenen van allerlei handwerken, waardoor deEuropers, die inAmerikavolkplantingen hadden, genoodzaakt zouden worden om met hunne waren in deFranschehavens te komen ten einde daar deFranschehandwerken te halen. Dog zulken die wat verder dagten waren van oordeel, dat de lugtstreek zo ruw niet was, en dat ’er grote misslagen door de Maatschappy begaan wierden, waardoor de uitgaven zo hoog liepen. Men moest, zeiden zy, niet ene grote menigte volks op eenmaal, dog allengskens enige weinigen te gelyk, zo datFrankrykhet niet voelen kon, overvoeren. Daar was grond om te hopen dat dit Land met den tydFrankrykmagtig zou maken, dewyl ’t het volk gelegenheid geven zou van zig op de zeevaart, deharing-, dorsch-, walvisch-en robbenvangst toe te leggen. Dus zou dit land in een zeker opzigt ene school voor zeevolk worden. Voorts vertoonden zy wat voordelen ’er gelegen waren in ’t bezit van zo velerhande soorten van pelteryen, in de bekering der Heidenen, en in zo grote bosschen, waaruit men scheepstimmerhout halen kon. En al trok men ’er geen ander voordeel van, zo vorderde nogthans het belang vanFrankrykdoor ’t bezit van dit Land den aanwasch van de magt derEngelscheninAmerikate hinderen, en dus hun toenemend vermogen, dat voorFrankrykanders onverdraaglyk stond te worden, palen te zetten. De tyd heeft geleerd dat deze lieden een goed inzigt in de zaak gehad, en den grond gelegd hebben voor den aanwas van de magt derFranschen. O! hadden wyZwedende zaak ook dus ingezien, toen wy in ’t bezit vanNieuw Zweden, het beste van alle de gewesten vanNoord Amerika, waren! Een wys en voorzigtig man ziet niet alleen op het tegenwoordige maar ook op het toekomende.
In ’t begin vanFebruari1663. gevoelde men teQuebec, en in een groot deel vanKanada, die zware aardbeving waarvan men nog de tekens zien kan. Dog geen mensch verloor ’er het leven by.
In October 1690. wierdQuebecdoor denEngelschenGeneraalWilliam Phibsbelegerd; dog hy moest na enige dagen met groot verlies aftrekken. DeEngelschenpoogden wel enige reizen de geledene schade te boeten; dog deSt. Laurenceheeft altyd getoond enen goeden[123]voormuur voorKanadate zyn, en dat een onervarene en een vyand dezelve niet ligt opvaart zonder schade te lyden. Op enigen afstand vanQuebecis zy vol van verborgen’ klippen; de stroom is ’er geweldig; en de schepen zyn op vele plaatsen genoodzaakt dikwyls te wenden.
Naam.
De Stad wordt gezegd haren naam van eenNormanschwoord, wegens hare legging op een uitstek lands, te ontlenen. Als men op de Rivier byIsle d’Orleansis kan men deSt. Laurenceboven de stad niet zien, en de RivierSt. Charles, die beneden de stad loopt, schynt het vervolg van deSt. Laurencete zyn. Dog wat hoger opkomende ziet men den regten loop derSt. Laurence, die op ’t eerste gezigt naar enen groten zeeboezem of den mond ener rivier gelykt. Dit had enen der Matrozen die dit gezigt onverwagt in ’t oog viel aanleiding gegeven van in zyne spraak uitteroepen,Que bec!dat iswat een uitstek lands!En hiervan meent men dat de stad haren naam gekregen heeft. Anderen leiden dien naam van ’tAlgonkinschewoordQuebegoofQuebekaf, het welk hetvernauwenener zaak beduidt, dewyl de Rivier voor de stad nauwer wordt.
DeSt. Laurenceis voor de stad een vierde van eneFranschemyl breed. Het zoute zeewater komt noit tot voor de plaats, en het meeste water dat men hier gebruikt wordt uit de Rivier gehaald. Allen stemden hierin overeen, dat, hoe breed ook de Rivier is, en hoe sterk ze ook vooral by de ebbe stroomt, zy nogthans den gehelen winter met ys bedekt is, zo dat men ’er byna al dien tyd over gaan of ryden kan. Men wil zelfs, dat, als de Rivier in Mai open is, het somtyds gebeurt dat ’er in die maand zo koude nagten invallen, dat zy op nieuws toevriest, zo dat men ’er over gaan kan. Dit is een duidelyk bewys dat de koude hier zeer gestreng is, vooral als men let op het geen zo aanstonds aangaande het ty in deze Rivier zal gezegd worden. De grootste breedte der Rivier by haren uitloop in zee zal omtrent zesentwintigFr.mylen bedragen, schoon men de juiste palen tusschen de Rivier en de zee by hare vereniging met dezelve niet kan aanwyzen, dewyl zy allengskens wyder en wyder wordt en ongemerkt in zee stort. Het meeste water, dat in vele grote Meren inKanadais, waaronder ’er vier of vyf gevonden worden die zeer groot zyn, moet zig door deze Rivier in zee lozen. De vaart uit zee langs deSt. Laurenceis uit hoofde van den sterken stroom en de menigvuldige zandbanken, die zig nu en dan verzetten, zeer gevaarlyk. DeEngelschenhebben dit tweemalen ondervonden als zyKanadawilden aantasten. Derhalven beschouwen deFranschendeze Rivier als den voormuur vanKanada.92[124]
De vloed gaat, gelyk ik reeds gemeld heb, ver bovenQuebec. Het onderscheid tusschen den hoogsten vloed en de laagste ebbe is daar gemeenlyk vyftien of zestienFr.voeten. Dog by nieuwe of volle maan wil men dat het verschil wel zeventien of agttien voeten bedraagt, het welk inderdaad een aanmerkelyk verschil is.
Ginseng.
Ginsengis de naam dien deFranschenhier te lande aan ene plant geven, op welker wortel deChinezengroten prys stellen.93Van onheuglyke tyden af is zy inChineesch Tartaryeen inKoreagewassen, waar zy jaarlyks verzameld en naarChinagevoerd wordt. VaderDu Halde94zegt dat zy de kostelykste en nuttigste plant van allen is die inOost Tartaryevallen, en alle jaren ene grote menigte kruidzoekers naar de woestenyen van dat land lokt. DeMantchou Tartarennoemen zeOrhota, dat is deKoningin der planten.95Zy wordt zo van deTartarenalsChinezenzeer geroemd, zo wel om hare uitmuntende kragt ter genezing van vele zware ziektens, als wegens het vermogen dat zy hebben zou ter versterking van de kragten des lichaams en ter opwekking van verzwakte zinnen. Zy is in zulk ene agting dat het once goedenGinsengtePekingzeven of agt oncen zilvers geldt. Toen de liefhebbers der kruidkunde inKanadadeze plant het eerst afgebeeld zagen, herinnerden zy zig ene diergelyke daar te lande gezien te hebben. Zy wierden in hunne mening bevestigd doordien verscheiden’ streken vanKanadaop juist de zelve Poolshoogte leggen als die plaatsen vanTartaryewaar deGinsengin ’t wild wast. Ook bedrogen zy zig niet. Zy vonden die plant op vele plaatsen vanNoord Amerikain de bosschen, zo wel in deFranscheals in deEngelscheVolkplantingen, in menigte van zelfwassende. Zy zoekt de schaduw en ene diepe tuinaarde, dog gene natte of verhevene plaatsen. Men kan egter niet zeggen dat zy zeer gemeen is, want somtyds kan men enige mylen door de bosschen reizen zonder ene enkelde plant te vinden. Dog waar zy[125]wast; wast zy in menigte. Zy bloeit in Mai en Juni, en de bessen zyn ryp op het einde van Augustus. Men kan ze met den wortel ’er aan verplanten, en zy gaat dan weer ten eersten aan ’t groeyen. Enige menschen, die de bessen in hunne tuinen gezaid hadden, zeiden dat zy een of twee jaren in den grond blyven leggen voor dat zy opkomen. DeIroquoizennoemen deze wortelsGarangtoging, het welk eenkindbetekent, dewyl zy enige gelykenis op een kind hebben. Dog volgens de mening van anderen beduidt dit woord enedye, waarnaar de wortel meer gelykt. De kragt, welke deFranschendezen wortel toeschryven, bestaat daarin dat zy de benauwdheid der borst wegneemt, de maag versterkt, en de vrouwen vrugtbaar maakt. Men dreef ’er thans enen sterken handel mede. De wortelen worden hier in menigte verzamelt, en naarFrankrykgezonden, van waar men ze met groot voordeel naarChinaverzendt.96In ’t eerst toen men ze naarEuropabegon te zenden wierden zy duur betaald. Men verhaalde dat enigeFranscheongelooflyke schatten met dezen handel opChinagewonnen hadden. Dog de menigte die ’er van overkwam heeft den prys inChina, en gevolglyk inFrankrykenKanadazelfs zeer doen dalen. Egter vinden de Kooplieden hunne rekening zeer wel by dezen handel. In den zomer van het jaar 1748. betaalde men teQuebeczesFranscheGuldens voor het pond. Gemeenlyk geldt het daar honderdSols. Toen ik inKanadawas kregen alle de Kooplieden teQuebecen teMontreallast van hunne Korrespondenten inFrankrykom ene grote menigteGinsengovertezenden. Dus werd zy thans meer dan oit getrokken. Men zogt ze dan ook met alle vlyt. DeWildenvooral zwierven alomme om ze te vinden, en ze den kooplieden teMontrealte brengen. Den ganschen zomer konden de Boeren in den omtrek van die stad niet enenAmerikaankrygen, om, volgens gewoonte, hen in den oogst te helpen, zo bezig was dat volk met het zoeken naarGinsengs. Velen vreesden dat als men enige jaren voortvoer met deze wortels zo yverig te zoeken, zonder hier en daar enige planten te laten staan ten einde het geslagt voorttezetten, ’er weinig binnen korten tyd van overblyven zou; en dit is zeer waarschynlyk. Ook berigtte men in ’t algemeen dat dit gewas voorheen overvloedig rondomMontrealplegt gevonden te worden, dog tegenwoordig was ’er niet ene enkelde plant te zien. Dit dwong deWildendezen zomer om ze ver binnen de grenzen derEngelschente gaan zoeken. Men heeft met deze wortelen, na dat zy door deWildenzyn aangebragt, nog veel[126]moeite; want men legt ze uit malkander op den grond om te drogen, waartoe twee maanden of meer tyds vereischt wordt, naardat het weder is. Ondertusschen moeten zy daags eens of tweemaal omgekeerd worden, op dat zy niet beschimmelen, of verrotten. Wat ten noorden vanMontrealheeft men ze nergens in ’t wild gevonden. De Opzigter der Geestelykheid hier te lande en anderen verhaalden my dat deChinezendenKanadaschen Ginsengvoor even zo goed als denTartaarschenhouden;97en dat nog niemant wel wist hoe deChinezenze toebereiden. Dog men denkt dat als de wortel begonnen heeft te drogen zy een afkooksel van de bladeren maken, en hem daarin laten weken. De wortel inChinatoebereid is doorschynend en ziet ’er uit als hoorn. Om goed te zyn moet de wortel zwaar en van binnen gesloten zyn.
Herba capillaris.
Het doorgaans inKanadazo genoemdeHerba capillaris98is ook een van de gewassen waarmede dit gewest enen sterken handel dryft. DeEngelschennoemen hetMaagdenhair.99Het groeit overvloedig in alle hunneAmerikaanscheVolkplantingen, die ik doorreisd heb. Ook is het zeer gemeen in de zuidelyke delen vanKanada, dog omstreeksQuebecheb ik het niet vernomen. Deze plant slaagt niet dan in de schaduw en op goede gronden. Verscheiden menschen teAlbanyen inKanadaberigteden, dat de bladen derzelven zeer veel als thee in teringen, verkoudheden en andere borstkwalen gebruikt werden. Dit had men van deWildengeleerd, die van overoude tyden her van dit middel zig bediend hadden. DeAmerikaanscheHerba capillariszou in de Geneeskonst beter zyn dan hetEuropisch Vrouwenhair.100Ook wordt ’er jaarlyks veel van naarFrankrykgezonden. De prys is niet altyd de zelve, en schikt zig naar de deugd der waar, hare toebereiding, en de menigte die ’er van is. Gemeenlyk kost het pond teQuebecvan vyf tot vyftiensols. Om dezen tyd van het jaar begaven zig deWildenin groten getale naar de bosschen ver bovenMontrealom dit gewas optezoeken en te vergaderen.
Moeskruiden.
DeMoeskruidenkomen hier zeer wel voort. Dewitte Koolstond zeer wel, schoon de rupsen ze zeer beschadigd hadden. DeUyenswaren, zo wel als de andere soorten vanLook, zeer in gebruik. Niet minder at men hier kawoerden, meloenen, salade, endyvie, erwten, bonen, peen, en komkommers. Men had ook tamelyk veel rode Beten,[127]Radys, Tym, en Marjolyn. Ook zaide men veel Rapen, die inzonderheid des winters veel gegeten werden. Witte peen gebruikte men ook tamelyk veel. Weinig hield men van Artisjokken. Nog de gemene101nog deBermudische Potatoes102worden hier geplant, om dat zy voor smakeloos gehouden worden, en men lachte deEngelschenuit om dat zy ’er zo veel werks van maakten. DeBrassica gongylodesvanLinnæus103was onbekend in geheelNoord Amerikaby deZweden, deEngelschen, deHollanders,Ieren,DuitschersenFranschen. De genen die hier zig op het aanfokken der Moeskruiden toeleiden hebben my verzekerd, dat zy genoodzaakt waren jaarlyks nieuwe zaden uitFrankrykte doen komen, dewyl zy inKanadamet het derde jaar hunne kragt verloren, en niet meer zo goede en smakelyke planten voortbragten.
Onkunde derWilden.
By deWilden, die van overoude tyden af inNoord Amerikagewoond hebben, en die van enerlei afkomst zyn en dezelve taal spreken, heeft men nimmer enige letters, veel minder geschriften of boeken ontdekt. Zy hebben gevolgelyk vele euwen lang in de grofste onkunde geleefd. Dit is oorzaak dat zy niet het minste weten aangaande de oude gesteldheid des Lands, en al wat zy ’er van weten steunt op losse vertellingen en horen zeggens. Niemant is ’er die wete of voor dezeWilden, die nu hier wonen, een ander volk in bezit van ’t Land geweest is, nog of iemant voorColumbus’tyden dit Werelddeel bezogt hebbe. Even zo onbekend is het of voorheen hier oit hetChristendomgepredikt zy. Ik vroeg verscheideneJesuieten, die door dit grote Land omreisden, of zy oit by deWildenenige sporen hadden kunnen ontdekken vanChristenen, die voor heen hier geweest mogten zyn; dog zy wisten ’er niets van. Zo onkundig als dezeWildenin het schryven en de wetenschappen zyn, en altyd geweest zyn, zo onkundig zyn zy ook in de bouwkunst en de handwerken. Vergeefs zoekt men by hen welgebouwde steden en huizen, vestingwerken, torens, pilaren, en diergelyke dingen, welken men in de oude wereld van vroege tyden af kan aanwyzen. De gebouwen dezer menschen zyn slegts elendige hutten van boomschorssen, aan alle zyden voor regen en wind open. Al hun muurwerk bestaat daarin dat zy enige stenen rondom de plaats daar zy vuur in hunne hutten maken leggen, om te verhinderen dat het vuur te ver voortkruipe, of liever om dus de plaats te onderscheiden voor het vuur. Een Reiziger vindt hier niet het tiende deel van het vermaak dat men in andere van ouds bewoonde[128]landen in ’t reizen geniet, waar men byna iederen dag een overblyfsel der Aloudheid ontmoet, nu ene beroemde stad, dan puinhopen van een oud kasteel; nu een slagveld, waar enige euwen geleden een bloedig treffen tusschen magtige en beroemde Vorsten of Veldoverstens voorgevallen is; dan de geboorteplaats van den enen of den anderen geleerden en door de gantsche wereld beroemden man. Op zulke plaatsen kan men zyne gedagten op velerhande wyzen strelen, en zo vele gebeurde zaken levendig voorstellen. Dog hier vindt men niets van dezen aard. De geschiedenis gaat hier niet hoger dan de aankomst derEuropers. Wat men van vroegere tyden verhaalt heeft groter gelykenis naar enen droom of een verdigtsel dan naar ene gebeurtenis. Evenwel heeft men enige merktekens van Oudheid inNoord Amerikagevonden, waaruit men opmaken kan, of dat dit gewest in de voorgaande euwen van het een of ander in de wetenschappen meer ervaren volk, dan het welk deEuropersdaar gevonden hebben, is bewoond geweest, of dat ’er uit de Oude Wereld herwaards een zware krygstogt moet ondernomen zyn.
Reis over land naar deZuid Zeeen gedane ontdekkingen.
Dit wordt door een verhaal bevestigd, dat ik den HeerVerandrier, die zelfde onderneming naar deZuid Zee, van de welke ik zo aanstonds gewagen zal, geleidde, aan de tafel van den Gouverneur Generaal hoorde doen, en het welk my naderhand verscheiden ooggetuigen bevestigd hebben. Zie hier kortelyk waar in dit verhaal bestond. Weinige jaren voor myn aankomst hier te lande kreeg gemelde HeerVerandriervan den toenmaligen Gouverneur Generaal, den RidderDe Beauharnois, bevel om met enen hoop krygsvolks enen togt dwars doorNoord Amerika, vanKanadaaf tot aan deZuid Zee, te doen, om te onderzoeken hoe groot de afstand dier zee van dat geweest ware, en welke voordelenKanadaofLouisianavan de gemeenschap mee dezelve trekken konde. De reis wierd vanMontrealaf te paard, en, zo veel het stromen, meren, bergen, en zo voorts, toelieten, regt toe westwaards aan voortgezet. Toen zy diep in het Land gekomen, en velerlei volken voorby gereisd waren, vonden zy somwylen grote velden, geheel van hout ontbloot en met zeer hoog gewassen gras bedekt, die enige dagreizen aanhielden. Op velen van deze velden was de grond doorgaans met voren doorsneden, als waren zy voorheen beploegd geweest. En hier moet men aanmerken dat geen van de thans inAmerikawoonagtige wilde volken deze voren heeft konnen trekken, dewyl dezen nog paarden, nog ossen, nog ploegen, nog enig ander bouwgereedschap bezitten, en voor de aankomst derEuropersnoit enen ploeg gezien hebben. Op twee of drie plaatsen, dog ver van malkander, waren in de rotsen indrukken van voeten, zo wel van kinderen als van volwassen menschen te zien. Dog dit is ontwyffelbaar voor een spel der natuur te houden. Toen zy zo ver naar ’t westen gekomen[129]waren, waar, zo veel men weet, noit eenEuropergeweest is, vonden zy hier en daar, zo wel in bosschen als op uitgestrekte vlaktens, grote pylaren van steen, rustende tegen malkander. De pylaren bestonden elk uit een stuk, en deFranschenkonden niet anders zien of zy waren door menschenhanden opgerigt. Somtyds vonden zy zulke stenen op malkander, en als tot een muur gemetseld. Op enige plaatsen waar zy zulke stenen aantroffen zagen zy gene andere stenen in de nabuurschap. Op genen van deze stenen konden zy enig schrift of letters ontdekken, hoe zeer zy ’er ook naar zogten. Eindelyk egter vonden zy enen groten steen gelykenden wel naar enen pylaar, en op dien enen kleinderen, die aan beide zyden van onbekende letters vol was. Dezen steen, die omtrent de lengte van enenFranschenvoet en de breedte ener hand had, braken zy los, en voerden hem naderhand naarKanada, van waar hy naarFrankrykaan den Graaf vanMaurepasgezonden wierd. Wat ’er vervolgens van geworden was, wisten zy niet, dog zy geloofden dat hy nog in ’t Kabinet van dien Heer was. Verscheiden’Jesuieten, die zelfs hier inKanadadien steen in handen gehad hadden, berigteden eenparig, dat zy de daarop gegraveerde letters met die vergeleken hadden welken men alsTartarischeletters opgegeven vindt, en dat zy van het zelve soort met dezelven schenen te zyn.104Maar schoon de op deze onderneming afgezonden’[130]Franschenzig alle bedenkelyke moeite gaven, om van daaromstreeks wonendeAmerikanente vernemen, wanneer en van wien die steenpylaren opgerigt waren, wat overleveringen zy daarvan hadden, wat die letters te kennen gaven, wie ze ’er op gezet hadden, wat soort van letters het waren, en tot welke taal zy behoorden, en diergelyken, konden zy ’er niet de minste onderrigting aangaande krygen, en deWildenwaren ’er ruim zo onkundig omtrent als deFranschen. Het enige dat zy wisten te zeggen was dat die stenen daar van overoude tyden her gestaan hadden. De plaatsen waar men deze overblyfsels vond waren wel negenhonderdFr.mylen westwaards vanMontreal. Het ware oogmerk dier Reis, namelyk om tot deZuid Zeedoortedringen, en den afstand derzelver vanKanadate bepalen, wierd door deze afgezondene manschap niet bereikt, dewyl zy zig bewegen lieten om deel in enen oorlog te nemen tusschen twee ver vanKanadaaf wonende wilde volken, in den welken enigen van deFranschengevangen genomen, en de overigen gedwongen werden van ’t voortzetten hunner Reis aftezien en terugtekeren. Van de allerverst wonendeWildenten westen, by wie zy kwamen, verstonden zy egter, dat zy maar enige dagreizen van deZuid Zeeafwaren; dat zy zelven dikwyls met deSpanjaardenaan die Zee wonende handel dreven, en somtyds naar deHudsonsbaireisden en met deEngelschenhandelden. Enigen van dezeWildenhadden huizen van aarde gemaakt. Velen van die Volken hadden nimmer van te voren enenFranschmangezien. Zy waren gedeeltelyk met vellen gekleed, dog velen gingen geheel naakt.
Vlaktens met voren doortrokken.
Allen die inKanadawaren en ver landwaards in, ’t zy naar ’t zuiden, dog voornamelyk naar ’t westen, gereisd hadden, kwamen hierin overeen, dat men daar op vele plaatsen grote vlaktens aantrof, geheel van hout ontbloot, en waar de grond met voren doorsneden was, als[131]waren daar voorheen beploegde akkers geweest. Waar dit van daan kwam kon niemant zeggen; want de koornlanden van het grootste dorp derWildenkunnen niet wel meer plaats beslaan dan vier of vyf van onze mergens, en de gemelde gevoorde vlaktens beslaan dikwyls ene ruimte van verscheidene dagen reizens, uitgenomen dat men hier en daar ene enkelde plaats aantreft waar gene voren zyn, en enige kleine heuvels.
Meerder overblyfsels van de Oudheid konde ik inKanadaniet te weten komen, hoe sterk ik my ’er ook op toeleide. In ’t vervolg myner Reisbeschryving gedurende het jaar 1750.105zal ik gelegenheid vinden nog twee merkwaardige zaken aantetekenen. Dog dat onzeSkandinavierslang voorColumbusreistogten naarNoord Amerikaondernomen hebben, heeft onder anderen de HeerGeorge Westmanin zyne teAoboin ’t jaar 1747. ter verkryging van den graad vanMeesterverdedigde Verhandeling bewezen, werwaards ik den Lezer verzende.
Nonnenklooster.
Den 8. Augustus ging ik des morgens het grootste Nonnenklooster inQuebecbezigtigen. Het is genen man geoorloofd ’er intekomen, uitgezonderd in zekere vertrekken die door tralies van het overige afgescheiden zyn, door welke tralies men van buiten met de Nonnen van binnen spreken kan. Dog om my des te groter gunst te bewyzen maakte de Gouverneur Generaal dat de Bisschop my verlof gaf het Klooster van binnen te bezien. De Bisschop alleen kan deze vryheid geven, dog het geschiedt zelden. Alleen mogen de Geneesheer en de Wondheler ’er inkomen. De HeerGaulthier, een man van grote inzigten zowel in de Artsenykonst als in de Kruidkunde, was thans Koninglyke Arts, en verzelde my in ’t Klooster. Wy bezagen eerst het Hospitaal, dat zo aanstonds beschreven zal worden, en daarop gingen wy in ’t Klooster, dat een deel van ’t Hospitaal uitmaakt. Het was een groot stenen gebouw, van drie verdiepingen, van binnen in lange gangen, met kameren, zalen en andere vertrekken aan beide zyden afgedeeld. De kamers der Nonnen waren op de bovenste verdieping aan beide zyden van den gang. Zy waren klein, en van binnen niet geschilderd, alleen hingen ’er papieren printjes van Heiligen en diergelyken, gelyk ook het beeld van den Zaligmaker aan het kruis. Een bed met gordynen en ene goede legging, een kleine lessenaar, en een paar stoelen, was alles wat men ’er vond. Noit wordt ’er vuur gemaakt, en de Nonnen moeten ’s winters in de koude leggen. In den gang stond een yzeren kacchel, die ’s winters gestookt wordt, en als men dan de deuren der kamertjes open laat zo komt ’er nog al enige warme lugt in. Op de middelste verdieping waren de vertrekken daar zig de Nonnen door den dag ophielden als zy by malkander kwamen, onder anderen het vertrek waar zy werken. Dit was ruim, geschilderd en net. Ook stond ’er een kacchel. Hier waren zy met allerlei[132]handwerk bezig, als nayen, borduren, vergulden, ’t maken van zyden bloemen, die de natuurlyken vry wel geleken. In een ander vertrek hielden zy hare raadsvergaderingen. Een ander was voor de zulken die een weinig onpasselyk waren, dog zodanigen die gevaarlyk ziek waren lagen in een ander vertrek. In een ander wederom wierden de Nieuwelingen onderrigt. Ook was ’er ene eetzaal. Hier stonden rondom tafels. Aan ene zyde was een kleine predikstoel, waarop eenFranschboek over de levens der Heiligen lag. Onder ’t eten spreekt niemant een woord, en ene van de oudste Nonnen treedt op den predikstoel en leest den overigen een stuk uit dat boek voor. Wanneer dat boek uit is nemen zy een ander. Zy zitten aan die zyde der tafel dat naar den muur gekeerd is. Byna in alle de kamers en zalen stond ene vergulde tafel, waarop kaarssen stonden te branden voor het beeld van den Zaligmaker en de beelden van enige Heiligen. By deze tafels doen zy hare gebeden. Aan de ene zyde was de Kerk, en nevens dezelve ene grote zaal, die door tralies van de kerk was afgescheiden, zo dat de Nonnen wel in de kerk kyken, dog ’er niet in komen konden. In deze zaal zyn de Nonnen gedurende den dienst, en de Priester is in de kerk. Als hy zyn plegtgewaad aandoet, reiken hem de Nonnen dat door de tralies toe, staande het haar noit vry met den Priester in de Sakristy te gaan, of met hem in een vertrek te zyn. Behalven dezen waren hier nog verscheiden andere vertrekken, welker gebruik ik my niet te binnen brengen kan. Beneden was de keuken, het bakhuis, verscheiden spyskamers en andere gemakken. Op de zolders wordt het koorn bewaard en hetlinnengedroogd. Gelyk met de twede verdieping was van buiten een balkon rondom het gantsche gebouw, waar de Nonnen zig wat verlugtigen mogten. Het uitzigt uit het Klooster was aan alle kanten zeer schoon en ruim. Aan de ene zyde van ’t gebouw was een grote tuin, waar de Nonnen ook mogten wandelen. De tuin lag in enen hogen muur, en was vol van allerlei moeskruiden en vrugtbomen. In dit klooster waren omtrent vyftig Nonnen, die meest allen boven de veertig jaren hadden. Twee jonge Juffrouwen alleen wierden voorbereid tot den geestelyken staat. Zulke Nieuwelingen moeten eerst twee of drie proefjaren uitstaan, gedurende welken tyd het haar vrystaat weder uit het klooster te gaan, als haar dat leven niet behaagt. Dog als zy eens als Nonnen aangenomen zyn, moeten zy ’er haar gantsche leven blyven. En merkt men dat zy naar verandering haken, zo steekt men ze in een vertrek waar zy noit kunnen uit komen. Deze Nonnen gaan noit verder uit het Klooster als in ’t Hospitaal, dat daar vlak nevens legt, en een deel van ’t Klooster uitmaakt. Daar gaan zy om de zieken optepassen. Toen ik afscheid nam vroeg my de Abdis of my hare inrigtingen wel bevielen. En toen ik van ja geantwoord had, schoon ik zeide de levenswys zeer gedwongen te vinden, zeide zy my, dat[133]zy met hare Zusters God hartelyk bidden zou om myne bekering. Van verscheiden’ menschen heb ik gehoord, dat ’er zig weinig Juffrouwen in dit Klooster begeven voor dat zy tot zulke jaren gekomen zyn waarop haar weinig hoop over is van te zullen trouwen. In alle de drie Kloosters vanQuebeczagen ’er de Nonnen meest zeer oud uit, zo dat het zo evengemelde zeggen niet ongegrond schynt. Men was het overal hierin eens dat inKanada, zo wel op het land als in de steden, ver na zo veel mans als vrouwen niet waren, dewyl ’er vele mans op reis, ’t zy naar deWest Indien, waar ook velen zig neerzetten, ’t zy door het land, omkomen, en de oorlog ’er velen wegsleept. En dit dwingt verscheiden’ vrouwen zig in het Klooster te begeven.