Chapter 8

Oesterschalen in den grond.De zelve Man verhaalde ook, dat hy onder in enen put vele oesterschelpen gevonden had, wel zeventigEng.mylen van de zee en vier van ene rivier. Zy lagen op ene diepte van veertien voeten. Het water van den put was brakagtig, dog dat van de rivier zoet. By het zetten van enen zaagmolen, anderhalve myl van ene rivier, had hy eerst zand, en toen klei gevonden, die vol zat van oesterschalen. Daar onder vond hy vele sneppen van zeevogels, zo als hy ze noemde, die al geheel versteend waren. Dit zyn vermoedelykGlossopetrægeweest.Vossen.Men vindt in deEngelscheVolkplantingen twee soorten vanVossen, het ene grauw en het andere ros. Maar in ’t vervolg zal ik nog van anderen spreken, die men somtyds inKanadaverneemt.Grauwe Vossen.De grauwe Vossen heeft men hier altyd. Zy zyn inPensylvanieen de zuidelyke Provincien gemeen, maar vry zeldzaam in de noordelyken, waarom deFranscheninKanadazeVirginische Vossennoemen. Zy doen geen kwaad aan de lammeren, maar roven het gevogelte weg als zy maar kunnen. Egter schynt men ze niet voor een zeer schadelyk dier te houden, want ’er staat gene beloning op het doden derzelven. De Hoedemakers zoeken hunne vellen sterk, en gebruiken het hair. Ook voert men ’er klederen mede. Het vet gebruikt men tegens allerlei pyn in de leden. Men wil dat zy zo hard niet lopen kunnen als de rossen. Zy worden somtyds tam gemaakt, dog men houdt ze altyd vast gebonden. De HeerCatesbyheeft dit soort van Vossen beschreven en met zyne kleuren natuurlyk afgebeeld.122Een van deze vellenkostinPensylvanietwee schellingen en zespence.Rosse Vossen.De Rosse Vossen zyn hier schaarsch, en volkomen de zelve met deEuropischen. De HeerBartramen verscheiden anderen verzekerden my, dat, volgens het algemene getuigenis derWilden, dit soort voorOorsprong.de aankomst derEuropeanenhier niet bekend geweest is. Maar aangaande de wys waarop zy hier gekomen zyn heb ik twederlei berigt. De HeerBartramheeft van de Inlanders gehoord, dat deze Vossen niet lang na de aankomst derEuropers, kort na enen zeer kouden winter, waarin de gehele zee noordwaards aan toegevroren was, het eerst verschenen. Waaruit men wilde opmaken dat zy misschien uitGroenlandof de noordelyke delen vanAsiaofEuropaover het ys gekomen waren. Dog de HeerEvansen anderen verzekerden my, dat het volgende berigt daarvan ook gegeven wierd. Een ryk Heer uitNieuw Engeland, die een groot liefhebber van ’t jagen was, bragt een groot getal Vossen[123]uitEuropaover, en liet ze op zyn landgoed lopen, op dat hy het vermaak van de Vossejagt mogt konnen nemen.123Dit zou reeds in het begin gebeurd zyn datNieuw Engelanddoor deEuropeanenbevolkt werd. Van die Vossen zouden alle de Rosse Vossen, die ’er zyn, afkomstig wezen. Zy worden nu onder de schadelyke dieren gerekend, want zy vergenoegen zig niet, gelyk de Grauwen, met gevogelte, maar vreten zelfs de lammeren op. Om deze reden is ’er inPensylvanieene beloning van twee schellingen beloofd aan hem die enen ouden, en van ene schelling aan hem die enen jongen vos doodt. In de andere Provincies is het zelve vastgesteld. Hun vel wordt zeer gezogt en is even zo duur als dat van de Grauwe Vossen.Wolven.Daar zyn hier twee verscheidenheden vanWolven, die egter van het zelve soort schynen te zyn, sommigen zyn geelagtig of helder grauw, en de anderen zwart of donkerbruin. De oudeZwedenverhaalden dat in hunne kindschheid, en nog meer by de aankomst hunner vaderen, ’er ontzaglyk vele wolven in het land waren, en dat men alle nagten hun gehuil hoorde. Ook verscheurden zy dikwyls schapen, varkens en anderKinderziekte onder deWilden.klein vee. Omtrent den tyd dat deZwedenen deEngelschenzig hier neder gezet hadden, wierden ook deWildenvan de kinderziekte aangetast, ene kwaal die zy van deEuropeanenovererfden, en waarvan zy van te voren niets wisten. Vele honderden stierven ’er van, en de meesteWildenvan het toen zogenaamdeNieuw Zwedenkwamen ’er door om. Op dien tyd kwamen de Wolven, gelokt door den stank van zo vele lyken, in zulke menigte te voorschyn, dat zy alle die lyken verslonden, en zelfs de arme zieke menschen in hunne hutten aantastten, zo dat het klein getal dat nog gezond was genoeg te doen had met ze[124]wegtejagen. Maar sedert dien tyd zyn ze verdwenen, zo dat men ze zelden ziet, en het gebeurt weinig dat zy enig kwaad doen. Dit schryft men daaraan toe, dat het land nu beter bebouwd wordt, en dat men ’er velen van doodt. Maar hoger op in ’t Land, waar het zo wel niet bebouwd wordt, zyn ze nog overvloedig. Op de kusten vanPensylvanieenNew Jerseyblyven de schapen ’s nagts over in ’t veld, zonder dat men voor de Wolven vreest. Egter is ’er ene beloning beloofd van twintig schellingen inPensylvanieen van dertig inNew Jersey, aan hem die enen doden Wolf levert, en hy behoudt daarenboven het vel. Daar zyn voorbeelden dat deze Wolven zo mak als honden gemaakt zyn.Wilde Stieren.De wildeStierenhouden zig voornaamlyk in de bosschen vanKarolinaop. De Inwoonders jagen ’er veeltyds op, en zouten het vleesch in, gelyk gemeen ossevleesch, en geven het hunnen Dienstboden te eten. Dog de huid is van weinig nut, hebbende te wyde poren om ze tot schoenen te gebruiken. De arme menschen egter slapen op deze huiden in plaats van bedden.Planten.HetViscum filamentosum,124wordt inKarolinaovervloedig gevonden. De Inwoonders gebruiken het als stroo in de bedden, en tot opschik voor de paarden. Het vee houdt ’er veel van. Ook is het goed om in te pakken.HetSpartium scoparium125wies in den tuin van den HeerBartram, uit zaad dat hy uitEngelandgekregen had. Hy zeide, dat hy ’er verscheiden’ planten van had gehad, dog dat ze van de koude gestorven waren. Evenwel wast het inZwedenin het wild.Truffels.Ook had die Heer enigeTruffels,126die hy uit enen zandigen grond inNew Jerseygekregen had, waar zy overvloedig zyn. Hy vertoonde ze aan zynen Vriend uitKarolina, en vroeg hem of zy deTukkahooderWildenwaren. Dog deze zeide van neen, en voegde ’er by, dat, schoon de Truffels inKarolinazeer gemeen waren, hy ze egter noit anders dan in melk tegens den buikloop had zien gebruiken. Maar van deTukkahoo.Tukkahoogaf hy ons de volgende beschryving. Zy wast in vele poelen en moerassen in menigte. De varkens wroeten hare wortels op. DeWildeninKarolinazoeken ze ook op, terwyl zy door de bosschen zwerven, drogen ze in de zon, malen ze, en bakken ’er brood van. Zo lang de wortel nog varsch is heeft hy enen brandigen en wrangen smaak, dog die gaat ’er by het drogen af. Naar deze eigenschappen te oordelen, zou het deArum Virginianum127zyn.Na den maaltyd keerde ik weder naar de Stad.[125]Byen.VeleEngelschenenZwedenhouden hierByen, die hun jaarlyks een tamelyk voordeel aanbrengen. Zy slagen hier zeer wel. Het wasch wordt het meest aan de Koopliedenverkoft, dog de honig gebruiken de Eigenaars zelven. In ’t algemeen wierd ’er vastgesteld dat de gemene Byen voor de aankomst derEuropeanenniet inNoord Amerikabekend waren, maar dat deEngelschenze het eerst hebben medegebragt. Ook verklaren deWildendat hunne ouders noit enige byen, ’t zy in de bosschen, ’t zy ergens anders gezien hebben, voor dat deEuropeanenhier enigen tyd gevestigd waren geweest. Ook hebben zy ’er genen anderen naam voor dan die van deEngelsche Vlieg. Tegenswoordig zyn zy zeer menigvuldig in het Land. Egter heeft men opgemerkt dat de Byen, wanneer zy zwermen, zig altyd naar het zuiden en noit naar het noorden verspreiden. Het schynt dat zy de landen de laatste streek uit gelegen zo goed niet vinden voor haar gestel. Zy kunnen ’t inKanadaniet houden, en sterven daar allen des winters. Het scheen my toe dat zy inAmerikawat kleinder waren dan inZweden. Tot nog toe heeft men ze niet in de bosschen aan genen kantderBlauwe Bergengevonden, het welk my in de gedagte bevestigt dat zy hier onlangs eerst zyn overgebragt. Door iemant wierd aan den HeerBartramverhaald, dat hy op zyne reizen in de bosschen een ander soort van Byen gevonden had, die, in plaats van den honig en het wasch in huisjes verdeeld te houden, die beiden onder een vermengd in enen zak by zig droegen. Dog dit berigt vereischt opheldering en bekragtiging.Vermindering van gevogelte.Alle de oude lieden inAmerikageboren, die ik over deze zaak onderhield, stemden hierin overeen, dat ’er tegenswoordig op ver na zo veel eetbaar gevogelte niet was als voorheen toen zy kinderen waren, en dat deze vermindering zigtbaar was. Zy zeiden zelfs, dat zy reeds ’er hunne ouders over hadden horen klagen, in wier jonge jaren de bayen, rivieren, en poelen van allerhande watervogels, als ganzen, enden, en diergelyken, vol waren. Dog tegenswoordig ziet men ’er somtyds niet enen enkelden vogel op. Voor zestig of zeventig jaar kon een enig man wel tagtig enden op enen morgen schieten, en thans staat men dikwyls te vergeefs op te passen dat ’er een enige kome. Een negentigjarigeZweedverzekerde my, dat hy in zyne jeugd eens drieentwintig enden in enen schoot gedood had. Zulk een geluk zal thans niemant hebben; en men moet dikwyls enen gantschen dag lopen om ’er twee of drie te zien. De Kraanvogels128kwamen in dien tyd by honderden[126]in ’t voorjaar over, dog tegenwoordig maar weinig. De wilde Kalkoenen en de Patryzen waren voorheen met grote troepen in de bosschen. Maar tegenwoordig is men moede van ’t lopen eer men enen enkelden vogel kan doen opstaan.Het is niet moeilyk de reden van deze vermindering uittevinden. Voor de aankomst derEuropeanenwas het land onbebouwd en vol zware bosschen. De weinigeWilden, die hier woonden, stoorden de vogels zelden. Zy dreven genen handel onder zig. Zy kenden nog yzer, nog buskruid. Het honderdste gedeelte van de vogels, die toen daar zo menigvuldig waren, was overvloedig om het klein getal Inwoonders te voeden. En wanneer men daarby bedenkt hoe veel tyds zy besteden moesten om hunne kleine Maislanden te bebouwen, om te visschen, om op bevers, herten, beren, en ander wild te jagen, zal men ligt begrypen dat zy weinig om het storen van ’t gevogelte denken konden. Maar sedert de aankomst van zo veleEuropeanenzyn de zaken geheel veranderd. Het land is wel bevolkt, het gevogelte is gedeeltelyk gedood, gedeeltelyk verjaagd: in de lente worden de eyeren, en de oude en de jonge vogels zonder onderscheid, weggenomen, dewyl ’er gene schikkingen gemaakt zyn die zulks beletten. En zo ’er al gemaakt waren, zou de geest van vryheid, die hier sterk heerscht, dezelven weinig doen in agt nemen. Maar schoon het eetbaar gevogelte zeer verminderd is, zyn ’er anderen die eer vermeerderd zyn. Dit kan men eigenlyk het meest zeggen van een soort van Krayen, by deEngelschenZwarte Vogels129en by deZwedenMaisdievengenoemd. Ook hebben zig de Eekhoorns zeer vermenigvuldigd, welken zo wel als de evengenoemde vogel op Mais azen, of ten minden ’er zeer op gesteld zyn. Naar mate nu de bevolking toeneemt, vermeerdert de bouw van de Mais; gevolglyk wordt het voedsel van dit gedierte vermenigvuldigd. Voeg hierby, dat men het zelve zelden eet, en dus niet hindert zig te vermenigvuldigen. Ook zyn ’er nog andere vogels welken men niet eet, die tegenwoordig byna al zo talryk zyn als zy voor de aankomst derEuropeanenwaren. De klagten over ’t verminderen van het eetbare gevogelte waren door gantschNoord Amerikagemeen.En van den visch.Oude lieden hadden met den visch even het zelve als met het gevogelte zien gebeuren. In hunne jeugd waren de bayen, rivieren, en poelen zo vol van visch dat men in enen trek ’s morgens vroeg gedaan zo veel ving als een paard slepen kon. Maar tegenwoordig zyn de zaken geheel veranderd; men vischt dikwyls met al zyn want enen gantschen nagt voor genoegzaam niets. De oorzaken van deze vermindering[127]in den visch zyn gedeeltelyk dezelven als die van de vermindering van het gevogelte, visschende men nu geduriger en op meerderhande wyzen dan te voren. De talryke molens op de beekjes en rivieren brengen hier toe ook iets by, want men heeft opgemerkt dat de visch de rivieren opzwemt om zyne kuit in stille wateren te schieten, en dat als hy werken ontmoet die zynen voortgang stuiten, hy terug keert en nimmer wederkomt. Dit verzekerde my een ryk man vanBoston. In een zeker water van zyn’ vader plegt men des winters en byna ook den gehelen zomer door een zeker soort van Haringen te vangen, dog sedert dat men enen molen op dat water gezet had, waren zy niet meer te bespeuren. Dus klaagde men hier overal over ’t verlopen van den visch. Het zelve zeiden sommige oude lieden ook van de Oesters teNew York, want schoon die daar steeds in ene aanmerkelyke menigte gevangen worden, en zy zo vet en lekker zyn als men ze wenschen kan, zeggen alle de oestervangers dat zy grotelyks alle jaren verminderen. De waarschynlykste reden hiervan is het onophoudelyke vangen van dezelven.Waarnemingen aangaande den visch.De HeerFranklinverhaalde my dat in den oord vanNieuw Engeland, daar zyn vader gewoond had, twee rivieren in zee vielen, waarvan in de ene zeer veel haring gevangen wierd en in de andere niet een. Egter waren de plaatsen daar deze rivieren zig in zee stortten niet ver van malkander. Men had opgemerkt, dat, wanneer de haring in de lente kwam om zyne kuit te schieten, hy altyd de ene en noit de andere rivier opzwom. Dit deed den ouden HeerFranklinlust krygen te beproeven of hy niet zou kunnen maken dat zy ook in de andere kwamen. Met dit inzigt zettede hy zyn’ netten uit toen zy kwamen om op te zwemmen en ving ’er enigen. Hy nam ’er de kuit uit, en bragt die zorgvuldig in de andere rivier over. De kuit kwam uit, en sedert heeft men veel meer haringen alle jaren in dat water gevangen dan in het ander, en dit blyft nog zo. Dit geeft aanleiding om te denken, dat de visch altyd gaarne daar zyn kuit schiet waar hy zelf is uitgebroeid, en waar hy het eerst in ’t water komt, als ware hy aan die plaatsen gewend.De volgende waarneming is ook opmerkenswaard. Niemant heeft voorheen gehoord dat men by KaapHinlopenkabeljauwen ving; men ving ze altyd aan den mond derDellaware, dog tegenwoordig zyn zy op de eerstgenoemde plaats menigvuldig. En hieruit zou men kunnen opmaken, dat de visch ook dikwyls uit eigen’ beweging van verblyf verandert.Verhaal aangaandeGroenland.Een Schipper, die inGroenlandgeweest was, verzekerde volgens zyne eigene ondervinding, dat ten noorden de 70.gr.de hette veel sterker was dan meer zuidwaards. Hieruit besloot hy dat de hette onder den Pool nog veel geweldiger zyn moest, dewyl de zon daar nog[128]langer zonder ondergaan blyft schynen. Het zelve met de zelve gevolgtrekking had de HeerFranklinook van de Schippers teBostongehoord, die in de noordelykste gewesten van ons halfrond geweest waren. Maar nog wonderbaarder is het geen hy verstond van KapiteinHenry Atkins, die nog teBostonwoont. Enigen tyd op de kusten vanNieuw Engelandene slegte vangst gehad hebbende, zeilde hy meer noordwaards tot op de hoogte vanGroenland. Op ’t laatst kwam hy zo ver, dat hy menschen vond die noitEuropeanengezien hadden, en het geen nog vreemder luidt, die geen kennis in ’t geheel van het gebruik van ’t vuur hadden, en, zo zy al die kennis gehad hadden, zouden zy ’er niets aan hebben gehad, dewyl ’er geen hout in dat land was. Dit volk at den visch en het vleesch geheel rauw. De Kapitein ruilde van deze menschen enige zeer zeldzame vellen voor sommige kleinigheden. Hy heeft op het sterkste betuigd dat dit volk het vuur niet kende. Reeds is het bekend dat ver op naar ’t Noorden nog bomen, nog struiken, nog enig hout te vinden zyn. Maar het is niet waarschynlyk, dat de Inwoonders van zulk een land den traan der visschen en het vet der dieren niet in hunne lampen branden en gebruiken zouden om hun eten te koken en hunne hutten in den winter te verwarmen, byzonderlyk ook om gedurende hunnen winterschen nagt van enige maanden ligt te hebben. Zoude buiten dit zulk ene duisternis wel te verdragen zyn?HetMoose-deer.In verscheiden’ geschriften leeft men van een zeer groot dier, dat men inNieuw Engelanden andere plaatsen vanNoord Amerikavinden zou. InIerlandgraaft men somtyds lange en getakte hoorns uit den grond; en geen mensch in de wereld kent een dier dat zulke hoorns heeft. Dit heeft velen lieden aanleiding gegeven om te denken, dat zy van het inNoord Amerikazo berugteMoose-deerwaren, welk dier voorheen in dat Eiland zou moeten geweest zyn. Zelfs heeft men ’er uit opgemaakt datIerlandvoorheen aanAmerikavast geweest is, of ten minsten dat ene keten van Eilanden, die nu weg zyn, ene verbindtenis tusschen die twee gewesten gemaakt heeft. Dit deed my onderzoek doen, of een dier met zo grote hoorns, als men hetMoose-deergeeft, oit in deze gewesten gezien was. De HeerBartramhad veel onderzoeks hier naar gedaan, dog niemant kon hem enig geloofwaardig berigt hier omtrent geven, en dus was hy van gedagte dat ’er zulk een dier niet was. De HeerFranklinverhaalde, dat hy, nog een jonge zynde, twee beesten gezien had die menMoose-deernoemde; dog het stond hem zeer wel voor dat zy van zulk ene grootte niet waren als zy moesten zyn geweest, indien de hoorns inIerlandgevonden voor hun gepast zouden geweest zyn: de twee beesten, die hy zag, wierden naarBostongebragt, om ze van[129]daar aan KoninginAnnate zenden. De hoogte was als die van een groot paard, dog de kop en de hoorns waren hoger. De HeerDudleyheeft ene beschryving gegeven van hetMoose-deerdat men inNoord Amerikavindt.130InKanadazynde vernam ik dikwyls by deFranschen, of men daar oit zo groot een dier gezien had als sommigen zeggen dat ’er inNoord Amerikazyn, en met zo verschrikkelyke hoorns als ’er inIerlandgegraven worden. Dog zy hadden ’er noit van gehoord, veel min ’er gezien. Sommigen deden ’er by, dat indien ’er zulk een dier was zy het noodzaakelyk zouden hebben moetenIs waarschynlyk de Eland.zien, dewyl zy de bosschen zoo veel doorkruisten. Men vindt hier Elanden, die van het zelve soort zyn als deZweedschen, of ene verscheidenheid van dezelven. Van dezen worden ’er dikwyls enigen gevangen die zwaarder zyn dan naar gewoonte; en hier van daan zal misschien het spreukje van het grote dier met de grote hoorns gekomen zyn. Deze Eland wordt door deFranscheninKanadaOriginalgeheten, welken naam zy van deWildenontleend hebben. Misschien meentDudleyin zyne beschryving van hetMoose-deerniets anders dan deze zware Elanden.131Een zeldzame steen.De HeerFranklinvereerde my een stuk van enen steen dien men, om dat hy het vuur zo wel weerstaat, inNieuw Engelandgebruikt om ’er smeltovens van te maken. Hy bestaat uit een mengsel vanSlangesteenofLapis ollarisenAsbest. Het grootste deel is een blauwe Slangesteen, vet en glad in ’t aanraken, en gemakkelyk om te snyden en te bewerken. Hier en daar zyn enige glinsterende starretjes, gelyk in dien Asbest wiens vezels uit het middelste als uit een middelpunt voorkomen.132Dezen steen houwt men niet uit de rotsen, maar vindt hem hier en daar op ’t land.Zeepsteen.Een andere steen wordt van sommigeZwedenZeepsteen133genoemd, om dat men hem gebruikt om vlakken uit de klederen te doen. Men zou hem in ’t LatynSaxum talcosum particulis spataceis granatisque immixtisnoemen. Ene nadere beschryving zal ik in een ander werk geven. Nu voeg ik ’er maar by, dat de grondkleur bleek groen is met sommige donker blauwe vlakken, en somtyds met enigen die in ’t[130]groene vallen. Hy is zeer glad op ’t gevoel en als gegolfd, en laat zig gemakkelyk zagen en snyden, maar wordt dan niet zeer gelyk. Ik heb ’er van gezien die een vadem en meer lang waren, breed naar evenredigheid, en gemeenlyk van zes duim tot een voet dik. Ik kan niets van zyne oorspronglyke grootte zeggen; ik ben noit op de plaats geweest daar zy gegraven worden, en heb ze maar tePhiladelphiagezien, waar zy gebragt worden alreeds gesneden zynde. De talkdeeltjes zyn in dezen steen omtrent dertigmaal zo veel als de anderen. Men vindt hem op vele plaatsen in het Land, by voorbeeld in de nabuurschap vanChesterinPensylvanie. DeEngelschennoemen hem ookZeepsteen.134Deze steen wordt voornamelyk op deze wys gebruikt. Eerst dient hy om vlakken uit de klederen te doen. Dog hier toe is de gehele steen niet even goed, want tusschen zyne heldere deeltjes zitten enige donkeren, die geheel uit Slangesteen bestaan, en gemakkelyk met een mes kunnen gesneden worden. Wat van dezen lossen steen tot stof geschraapt en op een smeervlak gestroid, ’t zy in zyde of andere stof, trekt het vet tot zig, en afgewreven zynde neemt het de vlak met zig weg. En gelyk deze steen ook zeer tegen ’t vuur bestand is, maken de Landlieden ’er hunne haarden van, vooral de plaats daar het vuur legt, en de hette ’t grootst is, want hy houdt het sterkst vuur uit. Als men genoeg van dezen steen vinden kan maakt men ’er de stoepen van in plaats van gebakken’ stenen, die men ’er anders toe neemt.De muren om de hoven, tuinen, en begraafplaatsen, die gemeenlyk van gebakken stenen gemetseld worden, overdekt men met deze steenen, om dat zy zo wel tegens zon, lugt, regen en wind bestand zyn, en niet veranderen maar de ticchels bewaren. Om deze reden maakt men gemeenlyk de deurposten, waarin de hengsels vatten, en de posten van de kelder vensters van dezen steen; in verscheidene openbare gebouwen is ’er de gehele benedenmuur van gemaakt, en in andere huizen worden ’er de hoeken mede opgetrokken.Zout.Het zout dat in deEngelsche Noord AmerikaanscheVolkplantingen gebruikt wordt, haalt men uit deWest Indien. DeWildenhebben op sommige plaatsen Zoutbronnen, uit welker water zy zout koken. In ’t vervolg zal ik gelegenheid hebben om enigen derzelven[131]te beschryven. De HeerFranklinwas van gedagte, dat men inPensylvaniegemakkelyker uit het zeewater een goed zout maken zou kunnen dan inNieuw Engeland, waar het somtyds geschiedt, schoon deszelfs legging meer noordelyk is.Looderts.Men heeft inPensylvanieeenLoodertsontdekt, dog het was in te geringe menigte dan dat iemant ’er gebruik van zou hebben willenZeilstenen.maken. Men heeft ’er ookZeilstenenvan ene tamelyke deugd gevonden, en ik bezit ’er zelfverscheiden’stukken van.Yzer.Yzer wordt inPensylvanieen de andereEngelscheProvincies in zulke menigte gevonden, dat men ’er geheelEuropamede zou kunnen voorzien, en misschien wel de gehele wereld. Het erts is hier veel ligter te bewerken dan inZweden; want op vele plaatsen kan men met een byl, een koevoet, en een houten beitel even zo ligt het erts los maken, als men by ons een kuil in ene harde aarde graaft. Zy weten op vele plaatsen niets van te boren, te doen springen, te branden. Daarby is het erts zeer smeltbaar. Van dit yzer wordt zulk een voorraad gewonnen, dat niet alleen de talryke bewoonders dezer Volkplantingen daar genoeg van hebben, maar dat ’er ook zeer veel van jaarlyks naar deAmerikaanscheEilanden gezonden wordt. Zelfs heeft men sedert enigen tyd begonnen daar mede opEuropate handelen. Dit yzer wordt beter dan enig ander voor de schepen gehouden, wordende veel minder dan hetZweedschedoor het zoute water weggevreten. Enigen zyn van mening dat zy, ongeagt de vragt, hun yzer inEngelandbeter koop leveren kunnen dan enig ander volk, vooral wanneer het land nog meer bebouwd, en daar door de daglonen minder zwaar wezen zullen.Bergvlas.DeAmiantus fibris separabilibus molliusculisvan den BisschopBrowalliuswordt inPensylvanietamelyk veel gevonden.135Sommige stukken zyn zeer zagt, anderen wederom vry tai. De HeerFranklinhad, toen hy meer dan twintig jaren geleden ene reis naarEngelanddeed, ene beurs vanAmiantgehad, en die aanSirHans Sloanevereerd. Ook heb ik papier gezien dat van dezen steen gemaakt was. Ik bewaar ’er enige stukken van in myn Kabinet. De HeerFranklinhad van anderen gehoord, dat als men een stuk van dezen steen des winters in de lugt, aan de koude en ’t nat bloot gesteld, laat leggen, hy daardoor gemakkelyk te spinnen wordt; dog hy wist niet hoe ver men hier staat op maken kon. By die gelegenheid verhaalde hy een kortswylig voorval dat hy ’er mede gehad had. Hy had ’er enige stukken van op den papiermolen gegeven om ’er een vel papier van te maken.[132]Toen hem dit gebragt werd, vouwde hy ’t in malkander, wierp het in ’t vuur, zeggende den man die ’t bragt dat hy een wonderwerk zien zoude. Deze, onkundig van de eigenschap dezer stof, was over deze vertoning zeer verwonderd. De HeerFranklinlag hem de zaak, dog niet volkomen, uit. Terwyl hy eens uit de kamer gegaan was, kwamen ’er enigen van zyne kennissen binnen, die terstond het papier kenden. De goede ambagtsman dagt hun iets zeer wonderlyks te verhalen. Hy vertelde hun dan dat hy een vel papier zo kondig toebereid had dat het in ’t vuur niet brandde. Zy hielden zig als of zy het voor onmogelyk hielden. Dog hy beweerde de zaak des te yveriger. Eindelyk kwam het tot ene weddenschap. Dog terwyl hy het vuur wat aanstookte besmeerden de anderen het papier behendig met vet. De man smeet het gerust in ’t vuur, en op het ogenblik was het in volle vlam. Hy stond zonder een woord te kunnen zeggen, terwyl de anderen hun lacchen niet inhouden konden. Zy ontdekten hem daarop het gantsche geheim.Mieren.In verscheiden huizen der Stad liepen veel kleineMieren, die haar verblyf of onder den grond of in de holtens der muren hielden. Hare gehele langte bedroeg ene meetkundige lyn. Zy waren zwart of donker rood. Zy hielden veel, even gelyk de Mieren in andere landen, van zoetigheden. De HeerFranklintoonde zig zeer geneigd te geloven, dat deze diertjes op de ene of de andere wys malkander hunne gedagten konden doen weten. Hy beriep zig daaromtrent op enige ondervindingen. Als ene Mier wat suiker of iets anders vindt, loopt zy ten eersten naar haar hol heen. Nauwlyks heeft zy daar ene wyl vertoefd, of een gantsch heir komt ’er uit te voorschyn, kruipt naar de gevondene suiker toe, en vangt terstond aan dezelve by stukken weg te slepen. Ene Mier behoeft ook maar ene dode vlieg hier of daar aan te treffen, die zy alleen niet wegslepen kan, of zy ylt naar huis, en na enige ogenblikken ziet men ’er meer voor den dag komen, en ’t gevonden aas met gemene kragten wegvoeren. Enigen tyd geleden had de HeerFranklinin ene kast een klein aarden potje met syroop staan gehad, in de welke vele Mieren ingeslopen waren, die de zoetigheid gretiglyk op aten. Dog hy merkte het, schudde ze daar uit, en bond den pot met enen dunnen draad aan enen spyker aan den balk vast. Maar by geval was ’er ene enkelde Mier ingebleven. Deze vrat zig zat, dog konde niet wegkomen. Zy liep lang, dog te vergeefs, herom. Eindelyk vond zy den weg langs den draad naar den balk. Daarvan daan liep zy den wand langs, naar den grond. Nauwlyks een half uur daarna, kwam een grote zwerm te voorschyn, trok naar de zoldering en lynregt op den draad aan. Langs den zelven kropen zy weder in den pot en gingen aan ’t eten. Hier mede hielden zy zo lang[133]aan als ’er wat in was. Ondertusschen liep de ene hoop den draad langs af, en de andere op.Voortekens omtrent het weder.Een Man van aanzien, die zig lang in dit Land had opgehouden, verzekerde, dat hy sedert byna twintig jaren door de ondervinding opgemerkt had, het geen ook anderen zo vaststelden, dat het aanstaande weder in den gehelen winter hier gemeenlyk zo is als op den 1. November ouden styl. Is het dien gehelen dag helder, zo zal ’er dien winter niet veel sneuw en regen vallen. Maar is het den halven dag klaar en de andere helft betrokken, zo zal het begin van den winter schoon, dog het einde en de lente ruw en onaangenaam zyn. Van gelyken aard waren ook de overige voorspellingen. Op andere plaatsen heb ik ook van diergelyke voortekens van ’t weder gehoord.136Dog gelyk een goed oordeel het vertrouwen op de zelven vermindert, zo hebben ook de gedane aantekeningen aangaande het weder getoond hoe dikwyls deze voortekens gefeild hebben.Bronnen.Pensylvanieis ryk aan bronnen. Men zal gemeenlyk ten minsten aan enen kant van elken berg ene bron ontmoeten, waaruit een helder water voortkomt. Dit water wordt dikwyls naar een klein stenen gebouw geleid, waar men het stuit, en den grond doet overstromen. Hier bewaart men des zomers niet alleen de melk, maar verkoelt ’er ook den wyn en andere dranken in. Vele landhuizen waren ook zo aangelegd dat ’er een klein stroompje onder de keuken of de voorraadkamer door liep, om het water by de hand te hebben.Vyvers.Niet alleen lieden van groot aanzien, maar alle zulken die enig vermogen bezitten, hebben gemeenlyk by hunne landhuizen vischvyvers, waarin zy altyd zorg dragen dat de visch varsch water kryge. Om deze reden waren de vyvers meest digt by ene bron.Middel om het gras te doen wassen.Ik merkte op verscheiden’ plaatsen van dit gewest op hoe men middel wist om veel gras op de weilanden te hebben. De weiden leggen meest tusschen de heuvels en de dalen, waar vele beekjes door stromen. Als de grond te nat is leidt men het meeste water in gruppen af. Dog om voor te komen dat de hete zon het gras verdorre, zoekt men alle de naburige bronnen op, en leidt het water in alle de beekjes, die natuurlyk naar de laagtens lopen, langs het hoogste van de weiden, uit welken men des noods langs sloten het water in de vlakte brengt, zo dat alle de weilanden bewaterd worden. Komt ’er ene wat al te diepe plaats tusschen in, zo leidt men het water langs ene houten buis daar over heen. En om het water des te hoger te hebben, heeft men[134]by de bronnen zelven dyken gemaakt, waar tusschen het zig verzamelen moet, tot dat het die hoogte verkregen hebbe dat het door juist dien weg lopen moet dien men het voorgeschreven heeft. Somtyds heeft men zelfs wel eneEng.myl ver het water over heuvelen en de tusschen gelegene dalen, door middel van houten’ buizen, heen, naar zulke plaatsen gebragt, daar men het hebben wilde. Iemant die het niet gezien heeft kan nauwlyks geloven wat een schoon gras op die weilanden wast, byzonderlyk digt by die afleidingen, daar in tegendeel anderen, waarmede men zo niet gehandeld heeft, ’er bedroefd uitzien. De weiden tusschen de heuvelen leggende hebben meest alle hoger kanten, dus men het water ligt op de zelve leiden kan. De weilanden wierden gemeenlyk driemaal iederen zomer gemaid. Dog de zomer duurt hier zes of zeven maanden.Wanneer het loof afvalt.De bladeren waren omstreeks het midden van November allen afgevallen, zo wel van de Eiken als andere bomen, die gewoon zyn hun blad te wisselen, en bedekten in de bosschen den grond wel zes duim hoog. Deze menigte van blad schynt de bovenste zwarte aarde zeer te moeten doen aangroeyen. Egter is zy niet boven de drie of vier duimen dik in de bosschen, en onder dezelve legt ene steenkleurige klei, gemengd met een zand van de zelve kleur. Het is zonderling dat een grond, die noit bebouwd is geworden, met zo gering ene zwarte aarde bedekt is. Dog hier van in ’t vervolg nader.Eekhoorns.DeEekhoorns, die hier in de bosschen zeer menigvuldig zyn, zyn van verscheiden’ soorten. Ik zal de gemeensten nauwkeurig beschryven.Grauwe Eekhoorns.DeGrauwe Eekhoornszyn overvloedig inPensylvanie, en de andere delen vanNoord Amerika. Van grootte zyn ze omtrent gelyk deZweedschen, dog iets groter, en blyven altyd grauw. De bosschen, vooral inPensylvanie, bestaan meest uit bomen die hun blad laten vallen, en in dezen houden zig de Eekhoorns het liefst op.Catesbyheeft hen, onder den naam van dengroten aschgrauwen Virginischen Eekhoornbeschreven, en naar het leven afgebeeld.137DeZwedennoemen hemGrao Ickorn, en dit is het zelve met hetEngelschGrey Squirrel, ofGrauwe Eekhoorn. Zy hebben hun nest merendeels in holle bomen, en brengen ’er mos, stroo, en andere buigzame dingen naartoe. Hun voedzel is voornaamlyk noten, als hazelnoten,Chinquapins, kastanjes, walnoten,hikorynoten, en eikels. Maar deMaisis hun liefste kost. De grond in de bosschen legt in den herfst vol van eikels en andere noten. Hiervan verzamelen de Eekhoorns enen goeden voorraad voor den winter, en bewaren ze in gaten,[135]die ze graven, op verscheiden’ plaatsen, hier en daar wat. Ook dragen zy ’er veel van naar hunne nesten.Zo dra de winter komt, en de koude en sneuw hen in hunne nesten sluiten, blyven zy daar verscheiden’ dagen binnen, en leven van den voorraad dien zy daar by een gebragt hebben. Zo dra het weder wat zagter is komen zy voor den dag, en graven een van de gaten open, waar in hun overige voorraad legt. Daar eten zy ten eersten een deel van op, en dragen het overige naar het nest op den boom. In de volgende winters merkten wy dikwyls op, dat als het zagt weder geweest was en ’er ene strenge koude op stond te volgen, de Eekhoorns een dag of twee sterk door de bosschen herom liepen, deels om zig regt zat te vreten, en deels om hunne nesten met enen nieuwen voorraad voor de aanstaande koude te voorzien, gedurende welke zy t’huis blyven. Wanneer men ze dan in ene ongewone menigte herom lopen zag, konde men daaruit vry zeker ene op handen zynde vorst voorspellen.De Varkens, die hier in ’t veld lopen zo lang ’er geen sneuw legt, om hunnen kost te zoeken, doen den armen Eekhoorns grote schade, door hunne magazynen om te wroeten en den voorraad op te vreten. Zo wel deWildenals deEuropersdoen hun best om deze voorraadhuizen te vinden, dewyl alle de noten die ’er in leggen uitgezogt zyn, en niet alleen door en door ryp, maar ook niet wormstekig. Zo is het ook met de noten en eikels, die de Boschmuis138in den herfst vergadert. DeZwedenverhalen dat ’er in den langen winter van het jaar 1741. zulke menigte van sneuw viel, dat de Eekhoorns niet by hunne magazynen komen konden, zo dat ’er velen van honger sterven moesten.Ik heb reeds van de schade gesproken die zy op de Maisvelden doen. Zy doen des te meer kwaads om dat zy niet al het koorn, maar alleen het binnenste en zoetste eten, en al het overige te gelyk afbyten. Ik heb eens omtrent het eind van April, dat de Eiken in vollen bloei stonden, ene menigte Eekhoorns in de bomen gezien, somtyds vyf, zes en meer, op elken boom, die de bloemsteeltjes, een weinig beneden de bloem afbeten, en ze op den grond vallen lieten. Of zy ’er iets van aten, of ’er enig ander gebruik van maakten, kan ik niet zeggen. Maar de grond lag vol van eikebloeisems, waaraan de steel nog zat.Ditmaakt dat de bomen zo veel eikels, ten nutte der varkens en andere dieren, niet voortbrengen als zy anders doen zouden.Mak gemaakt.Van alle de wilde dieren dezes Lands kunnen de Eekhoorns het gemakkelykst getemd worden, vooral als men ze jong krygt. Ik heb ze[136]zo mak gezien dat ze de kinderen in de bosschen en overal na liepen, en op de schouders kwamen zitten. Somtyds gingen zy maar een stuk wegs in ’t hout mede, en keerden dan terug naar de hokjes die voor hun gemaakt waaren. Als zy eten, zitten zy op hun agterste, en houden het eten tusschen de voorpootjes, en den staart in de hoogte. Wanneer men den makken meer geeft dan ze op kunnen, brengen zy ’t naar hunne koyen, en bewaren het onder de wol of het ander goed daar zy op leggen. Zy waren niet bang voor vreemde menschen, en lieten zig van ieder aanraken, zonder te willen byten. Zy komen somtyds zelfs enen vreemden op den schoot, en gaan daar leggen slapen. Zy spelen met de katten en de honden, en eten ook brood.De Grauwe wilde Eekhoorns houden ook den staart om hoog als zy zitten. Als zy een mensch zien bewegen zy den staart gedurig, en knarssen op de tanden, dus zy een vry sterk geluid maken, en het is moeilyk ze te doen zwygen. Dit maakt, dat zulken die uit gaan om vogels of andere dieren te schieten dikwyls regt boos op hun worden, dewyl hun geraas hen ontdekt, en het wild waarschuwt. Schoon een Grauwe Eekhoorn niet zeer schuw schynt, is hy egter moeilyk te doden, want zodra hy een mensch ziet, klimt hy op enen boom, en gaat gemeenlyk in ’t topje zitten. Daar tragt hy zig agter de takken te verbergen om niet gezien te worden, en schoon de jager onder rondom den boom gaat, doet de Eekhoorn het zelve al zo schielyk, zo niet schielyker. Vindt hy twee takken die t’zamen komen, hy gaat ’er tusschen zitten, en klemt zig zo sterk ’er in dat hy nauwlyks zigtbaar is. Men mag dan den boom schudden, met takken of stenen goyen, ja zelfs ’er op schieten, hy verroert zig niet. Vindt hy drie takken die t’zamen komen, zo verschuilt hy ’er zig tusschen, en dan is hy genoegzaam buiten gevaar. Somtyds ontsnapt hy op enen boom daar oude eekhoorn- of vogelnesten in zyn, en dan sluipt hy ’er in, zonder dat men hem ’er uit kan krygen, het zy met smyten, schudden of schieten; want de Grauwe Eekhoorn springt zelden van den enen boom op den anderen, ten zy in den uitersten nood. Zy lopen gemeenlyk den zelven weg langs den boom naar boven en naar beneden, met het hoofd vooruit. Verscheidenen, die ik in de bosschen schoot, waren vol van vloyen.Talrykheid.Ik heb reeds aangemerkt dat ’er tegenswoordig veel meer Eekhoorns zyn dan voorheen, dog het is aanmerkenswaard dat ’er in sommige jaren een veel groter getal van Eekhoorns uit de binnenlanden naarPensylvanieen de andere Volkplantingen afkomt dan in de anderen. Zy komen gemeenlyk in den herfst, en hebben het dan zeer druk met in de bosschen noten en eikels te verzamelen, die zy in holle bomen of hunne magazynen brengen. Zy zyn zo naarstig in het aanleggen van hunne voorraadhuizen, dat schoon de noten dat jaar zeer overvloedig geweest[137]zyn, men ’er bezwaarlyk veel van vinden kan. Men beweerde hier ondervonden te hebben, dat als ’er zo veel Eekhoorns uit de binnenlanden kwamen de volgende winter gemeenlyk gestreng was. Dog dit is niet altyd zo, gelyk ik in den herfst van 1749. bevonden heb, wanneer ’er een groot getal Eekhoorns in de Volkplantingen afkwam, en egter was de winter niet harder dan naar gewoonte. Dog het bleek dat hun verhuizen aan de schaarschheid van noten en eikels in de bovenlanden moest toegeschreven worden. Om deze reden keren zy gemeenlyk het volgende jaar weder naar hunne oude woonplaats te rug.Hun vleesch.De huid.Sommige menschen houden het vleesch van de Eekhoorns voor ene grote lekkerny, dog anderen maken ’er in ’t geheel geen werk van. De huid deugt niet veel, alleen snydt men ’er nog wel riemen uit, om dat zy redelyk tai zyn. Sommigen gebruiken ze om klederen te voeren by gebrek van iets beters.Betoverd door de Ratelslang.DeRatelslangverslindt den Eekhoorn dikwyls ongeagt zyne gezwindheid. Dit handeloze schepsel wil men dat dikwyls zo vlug een dier alleen door zyne betovering vangt. Ik had noit gelegenheid van het te zien, maar zo vele geloofwaardige lieden verzekerden my ’er van, verklarende het met grote opmerkzaamheid zelven gezien te nebben, dat ik my gedwongen vinde een zo eenparig getuigenis aantenemen. Deze betovering geschiedt op de volgende wys. De slang legt onder den boom waarop de Eekhoorn zit, hare ogen zyn op hem gevestigd, en van dat ogenblik af kan hy niet ontkomen. Hy begint een droevig geschrei, het welk zo kenbaar is dat ieder die het hoort daaruit weet dat hy van de slang betoverd wordt. De Eekhoorn loopt enigen tyd den boom wat af en wederom op, dog altyd wat meerder naar beneden dan naar boven. De slang blyft van onderen hare ogen op het beestje gevestigd houden, met zulke ene aandagt dat men ’er omtrent komende een groot geweld kan maken zonder dat zy het eens merke. De Eekhoorn ondertusschen komt al lager en lager, en springt op ’t laatst der slange te gemoet, welker bek alreeds open is om hem in te zwelgen. Het arme beestje loopt dan onder een naar gehuil in den mond der slang, die, als het niet te groot is, het in eens doorzwelgt. Maar is de proi te groot om in eens doortegaan, zo belikt de slang het zo lang tot dat het glad genoeg is om op eenmaal te kunnen doorgeslikt worden. Alle de merkwaardige omstandigheden van deze betovering heb ik beschreven in deVerhandelingen der Zweedsche Koninglyke Maatschappy der Wetenschappenvoor het jaar 1753. Dus wil ik hier niet breedvoeriger wezen. De zelve toverkragt wordt aan de zogenaamdeZwarte Slangook toegeschreven.139[138]Zyn zeer schadelyk.De Eekhoorns doen niet alleen ene merkelyke schade in de Mais terwyl zy op ’t veld staat, gelyk ik reeds heb aangemerkt, maar zelfs wanneer zy reeds in de schuren is, want, als zy ’er by komen kunnen, zyn zy in staat in weinige nagten wel ene gantsche ton vol naar hunne holen te verslepen. Om deze reden heeft de Regering in de meesteAmerikaanscheVolkplantingen ene beloning gezet op den kop van iederen Eekhoorn. Het schynt onbegrypelyk zulk een geld als ’er inPensylvanie, alleen van den 1. Januari 1749. tot den 1. Januari 1750. toe, voor Eekhoorns koppen betaald is. Toen de Afgevaardigden der Provincie vergaderden klaagden zy allen dat hun schatkist door alle die beloningen voor Eekhoorns koppen leeg geraakt was, want ’er stond toen een prys van driepenceop. In dat jaar waren agtduizend ponden St.Pensylvanischgeld voor pryzen betaald. Dit is my verzekerd van een man die zelf de rekeningen had nagezien.Vele menschen, vooral jonge lieden, lieten al ander ambagt varen, en gingen naar de bosschen om Eekhoorns te schieten. Dog de Regering heeft sedert den prys tot de helft verminderd.Vliegende Eekhoorns.DeVliegende Eekhoornszyn een byzonder soort, en schynen de zelven te zyn die men in sommige delen vanFinlandvindt, en die door de HeerLinnæusin zyneFauna SuecicaNo. 38.Sciurus volansgenoemd wordt. Op zyn hoogst is deAmerikaanscheVliegende Eekhoorn ene verscheidenheid van denFinlandschen.Catesby140heeft hem naar het leven beschreven en afgetekend. Hy geeft hem den zelven naam. Men vindt dit dier in de bosschen, dog niet menigvuldig. Zelden ziet men ze by dag, ten zy ze gedwongen worden door het storen hunner nesten zig te vertonen, want zy slapen over dag; dog zo dra het begint donker te worden, komen zy te voorschyn, en lopen byna den gantschen nagt. Zy onthouden zig in holle bomen; en by het vellen derzelven komen ’er somtyds zeven en meer van voor den dag. Door middel van een vel met het welk hen de Voorzienigheid aan hunne beide[139]zyden voorzien heeft, kunnen zy van den enen boom op den anderen vliegen. Deze vellen spannen zy uit als vleugels, en trekken ze weder in zo dra zy den naburigen boom bereikt hebben. Sommige menschen zeggen dat zy altyd horizontaal vliegen, dog anderen verzekerden dat zy eerst een weinig naar beneden gaan en dan weer ryzen, wanneer zy omtrent den boom zyn in den welken zy vliegen willen. Zy kunnen ’t niet verder brengen dan vier of vyf vadem. Van alle de Eekhoorns zyn dezen ’t gemakkelykst te temmen. De kinderen nemen ze mede naar school of waar zy ook henen gaan, zonder dat deze dieren oit zoeken te ontsnappen. Als zy den Eekhoorn wegzetten springt hy hun ten eersten weder op het lyf, kruipt hun in den boezem, in de mouwen, of in de ployen van de klederen, en gaat daar leggen slapen. Zyn voedsel is even het zelve als dat der overige Eekhoorns.Aardeekhoorns.In de bosschen vindt men een klein soort van Eekhoorns, by deEngelschenAardeekhoornsgenoemd.Catesbyheeft ze beschreven en afgebeeld141onder den naam vanGestreepten Eekhoorn.142Deze woont niet, gelyk de anderen, in holle bomen, maar onder den grond, daar zy, omtrent als de Konynen, holen graven, waarnaartoe zy de vlugt nemen wanner zy onraad gewaar worden. Die holen gaan diep in den grond, en verdelen zig in verscheiden armen, waarvan sommigen ook openingen boven de aarde hebben, zo dat zy, wanneer het gat daar zy uitgekomen zyn mogt toegestopt worden, enen anderen weg vinden om te ontvlugten. Maar in denherfst, wanneer het blad sterk valt, is het waard om hunne verlegenheid te zien, als zy vervolgd worden, want dan, hunne holen door de bladeren toegestopt zynde, hebben zy veel werks om ze zo schielyk te vinden. Dan lopen zy ginds en weder, als of zy den weg vergeten waren, en schynen niet te kunnen begrypen waar de ingangen van hunne holen gebleven zyn. Als men ze dan vervolgt, of in de handen klapt, blyft hun gene anderetoevlugtover dan op de bomen te klouteren, het geen zy anders noit doen. Dit soort is inPensylvanieveel talryker dan in de andere Provincien vanNoord Amerika, die ik bezogt heb. Zy zyn gemeenlyk zes duim lang, behalven hunnen krommen staart, en zeer dun. Het vel is roodagtig bruin, en getekend met vyf zwarte strepen, ene vlak op den rug[140]en twee aan iedere zyde. Hun aas is allerlei koorn, rog, garst, weit, mais, eikels, noten en diergelyken. Zy verzamelen ook in den herfst hunnen wintervoorraad, en bewaren dien in hunne holen. Als zy op een koornstapel komen doen zy al zo veel schade als de muizen en ratten. Men heeft dikwyls opgemerkt, dat, als zy rogge gegeten hadden en dan weit kwamen te vinden, zy de rogge overgaven om den buik op nieuws met weit te vullen, als zynde meerder naar hunnen smaak. Als men de Mais op ’t veld inzamelt maken zy hun werk van de airen aftebyten, en hunne bekken met koorn te vullen, zo dat hunne wangen geheel opgezet zyn. Met dezen buit haasten zy zig naar hunne holen.Hunne holen.EenZweed, vry laat in ’t najaar enen molendam doende maken, en daartoe de aarde van enen naburigen heuvel gebruikende, ontmoette een hol van deze Eekhoorns. Hy volgde den gang dien hy gevonden had, en ontdekte enen anderen, die ’er, als een tak uit den hoofdstam, uitkwam, en byna twee voet lang was, aan het einde van den welken hy ene menigte uitgezogte eikels vond, die het kleinezorgvuldigedier voor den winter had opgelegd. Kort daarna vond hy enen anderen gang op zyde, gelyk aan den voorgaanden, dog die enen frayen voorraad van Mais bevattede. Een volgende diende om Hikorynoten te bewaren, en de laatste gang, die ook de meest verborgene was, bevatte omtrent twee hoeden vol uitmuntende kastanjes.Des winters ziet men deze Eekhoorns zelden, levende zy dan in hunne holen van den verzamelden voorraad. Evenwel komen zy nog wel eens op enen moyen dag te voorschyn. Dikwyls graven zy in de kelders, waarin de landlieden hunne appelen bewaren, die zy dan ten dele opeten, en ten dele bederven, zo dat ’er weinig van overblyft. In de Mais gaan zy niet minder ruw te werk. Dog de katten zyn hunne grote vyanden, die ze dood byten en opvreten, of ze hunnen jongen t’huis brengen. Deze Eekhoorns worden van gene menschen gegeten; ook gebruikt men hun vel niet.Dit soort laat zig het minst mak maken; want, schoon zy al zeer jong gevonden zyn, is het nogthans gevaarlyk ze met de blote hand aanteraken, dewyl zy zeer scherp byten als men niet oppast. Verscheiden kinderen, die veel moeite genomen hadden om ze te temmen, zeiden dat zy gene kans zagen om ze zo mak te maken als de andere soorten. Het best gaat het nog als men ze krygt nog geheel klein zynde. Vele menschen hielden ze in koyen terwyl zy nog wild waren, om dat zy ’er zeer aardig uitzien.By ene andere gelegenheid zal ik van den zwarten en roodbruinen Eekhoorn spreken, die ook hier gevonden wordt.

Oesterschalen in den grond.De zelve Man verhaalde ook, dat hy onder in enen put vele oesterschelpen gevonden had, wel zeventigEng.mylen van de zee en vier van ene rivier. Zy lagen op ene diepte van veertien voeten. Het water van den put was brakagtig, dog dat van de rivier zoet. By het zetten van enen zaagmolen, anderhalve myl van ene rivier, had hy eerst zand, en toen klei gevonden, die vol zat van oesterschalen. Daar onder vond hy vele sneppen van zeevogels, zo als hy ze noemde, die al geheel versteend waren. Dit zyn vermoedelykGlossopetrægeweest.Vossen.Men vindt in deEngelscheVolkplantingen twee soorten vanVossen, het ene grauw en het andere ros. Maar in ’t vervolg zal ik nog van anderen spreken, die men somtyds inKanadaverneemt.Grauwe Vossen.De grauwe Vossen heeft men hier altyd. Zy zyn inPensylvanieen de zuidelyke Provincien gemeen, maar vry zeldzaam in de noordelyken, waarom deFranscheninKanadazeVirginische Vossennoemen. Zy doen geen kwaad aan de lammeren, maar roven het gevogelte weg als zy maar kunnen. Egter schynt men ze niet voor een zeer schadelyk dier te houden, want ’er staat gene beloning op het doden derzelven. De Hoedemakers zoeken hunne vellen sterk, en gebruiken het hair. Ook voert men ’er klederen mede. Het vet gebruikt men tegens allerlei pyn in de leden. Men wil dat zy zo hard niet lopen kunnen als de rossen. Zy worden somtyds tam gemaakt, dog men houdt ze altyd vast gebonden. De HeerCatesbyheeft dit soort van Vossen beschreven en met zyne kleuren natuurlyk afgebeeld.122Een van deze vellenkostinPensylvanietwee schellingen en zespence.Rosse Vossen.De Rosse Vossen zyn hier schaarsch, en volkomen de zelve met deEuropischen. De HeerBartramen verscheiden anderen verzekerden my, dat, volgens het algemene getuigenis derWilden, dit soort voorOorsprong.de aankomst derEuropeanenhier niet bekend geweest is. Maar aangaande de wys waarop zy hier gekomen zyn heb ik twederlei berigt. De HeerBartramheeft van de Inlanders gehoord, dat deze Vossen niet lang na de aankomst derEuropers, kort na enen zeer kouden winter, waarin de gehele zee noordwaards aan toegevroren was, het eerst verschenen. Waaruit men wilde opmaken dat zy misschien uitGroenlandof de noordelyke delen vanAsiaofEuropaover het ys gekomen waren. Dog de HeerEvansen anderen verzekerden my, dat het volgende berigt daarvan ook gegeven wierd. Een ryk Heer uitNieuw Engeland, die een groot liefhebber van ’t jagen was, bragt een groot getal Vossen[123]uitEuropaover, en liet ze op zyn landgoed lopen, op dat hy het vermaak van de Vossejagt mogt konnen nemen.123Dit zou reeds in het begin gebeurd zyn datNieuw Engelanddoor deEuropeanenbevolkt werd. Van die Vossen zouden alle de Rosse Vossen, die ’er zyn, afkomstig wezen. Zy worden nu onder de schadelyke dieren gerekend, want zy vergenoegen zig niet, gelyk de Grauwen, met gevogelte, maar vreten zelfs de lammeren op. Om deze reden is ’er inPensylvanieene beloning van twee schellingen beloofd aan hem die enen ouden, en van ene schelling aan hem die enen jongen vos doodt. In de andere Provincies is het zelve vastgesteld. Hun vel wordt zeer gezogt en is even zo duur als dat van de Grauwe Vossen.Wolven.Daar zyn hier twee verscheidenheden vanWolven, die egter van het zelve soort schynen te zyn, sommigen zyn geelagtig of helder grauw, en de anderen zwart of donkerbruin. De oudeZwedenverhaalden dat in hunne kindschheid, en nog meer by de aankomst hunner vaderen, ’er ontzaglyk vele wolven in het land waren, en dat men alle nagten hun gehuil hoorde. Ook verscheurden zy dikwyls schapen, varkens en anderKinderziekte onder deWilden.klein vee. Omtrent den tyd dat deZwedenen deEngelschenzig hier neder gezet hadden, wierden ook deWildenvan de kinderziekte aangetast, ene kwaal die zy van deEuropeanenovererfden, en waarvan zy van te voren niets wisten. Vele honderden stierven ’er van, en de meesteWildenvan het toen zogenaamdeNieuw Zwedenkwamen ’er door om. Op dien tyd kwamen de Wolven, gelokt door den stank van zo vele lyken, in zulke menigte te voorschyn, dat zy alle die lyken verslonden, en zelfs de arme zieke menschen in hunne hutten aantastten, zo dat het klein getal dat nog gezond was genoeg te doen had met ze[124]wegtejagen. Maar sedert dien tyd zyn ze verdwenen, zo dat men ze zelden ziet, en het gebeurt weinig dat zy enig kwaad doen. Dit schryft men daaraan toe, dat het land nu beter bebouwd wordt, en dat men ’er velen van doodt. Maar hoger op in ’t Land, waar het zo wel niet bebouwd wordt, zyn ze nog overvloedig. Op de kusten vanPensylvanieenNew Jerseyblyven de schapen ’s nagts over in ’t veld, zonder dat men voor de Wolven vreest. Egter is ’er ene beloning beloofd van twintig schellingen inPensylvanieen van dertig inNew Jersey, aan hem die enen doden Wolf levert, en hy behoudt daarenboven het vel. Daar zyn voorbeelden dat deze Wolven zo mak als honden gemaakt zyn.Wilde Stieren.De wildeStierenhouden zig voornaamlyk in de bosschen vanKarolinaop. De Inwoonders jagen ’er veeltyds op, en zouten het vleesch in, gelyk gemeen ossevleesch, en geven het hunnen Dienstboden te eten. Dog de huid is van weinig nut, hebbende te wyde poren om ze tot schoenen te gebruiken. De arme menschen egter slapen op deze huiden in plaats van bedden.Planten.HetViscum filamentosum,124wordt inKarolinaovervloedig gevonden. De Inwoonders gebruiken het als stroo in de bedden, en tot opschik voor de paarden. Het vee houdt ’er veel van. Ook is het goed om in te pakken.HetSpartium scoparium125wies in den tuin van den HeerBartram, uit zaad dat hy uitEngelandgekregen had. Hy zeide, dat hy ’er verscheiden’ planten van had gehad, dog dat ze van de koude gestorven waren. Evenwel wast het inZwedenin het wild.Truffels.Ook had die Heer enigeTruffels,126die hy uit enen zandigen grond inNew Jerseygekregen had, waar zy overvloedig zyn. Hy vertoonde ze aan zynen Vriend uitKarolina, en vroeg hem of zy deTukkahooderWildenwaren. Dog deze zeide van neen, en voegde ’er by, dat, schoon de Truffels inKarolinazeer gemeen waren, hy ze egter noit anders dan in melk tegens den buikloop had zien gebruiken. Maar van deTukkahoo.Tukkahoogaf hy ons de volgende beschryving. Zy wast in vele poelen en moerassen in menigte. De varkens wroeten hare wortels op. DeWildeninKarolinazoeken ze ook op, terwyl zy door de bosschen zwerven, drogen ze in de zon, malen ze, en bakken ’er brood van. Zo lang de wortel nog varsch is heeft hy enen brandigen en wrangen smaak, dog die gaat ’er by het drogen af. Naar deze eigenschappen te oordelen, zou het deArum Virginianum127zyn.Na den maaltyd keerde ik weder naar de Stad.[125]Byen.VeleEngelschenenZwedenhouden hierByen, die hun jaarlyks een tamelyk voordeel aanbrengen. Zy slagen hier zeer wel. Het wasch wordt het meest aan de Koopliedenverkoft, dog de honig gebruiken de Eigenaars zelven. In ’t algemeen wierd ’er vastgesteld dat de gemene Byen voor de aankomst derEuropeanenniet inNoord Amerikabekend waren, maar dat deEngelschenze het eerst hebben medegebragt. Ook verklaren deWildendat hunne ouders noit enige byen, ’t zy in de bosschen, ’t zy ergens anders gezien hebben, voor dat deEuropeanenhier enigen tyd gevestigd waren geweest. Ook hebben zy ’er genen anderen naam voor dan die van deEngelsche Vlieg. Tegenswoordig zyn zy zeer menigvuldig in het Land. Egter heeft men opgemerkt dat de Byen, wanneer zy zwermen, zig altyd naar het zuiden en noit naar het noorden verspreiden. Het schynt dat zy de landen de laatste streek uit gelegen zo goed niet vinden voor haar gestel. Zy kunnen ’t inKanadaniet houden, en sterven daar allen des winters. Het scheen my toe dat zy inAmerikawat kleinder waren dan inZweden. Tot nog toe heeft men ze niet in de bosschen aan genen kantderBlauwe Bergengevonden, het welk my in de gedagte bevestigt dat zy hier onlangs eerst zyn overgebragt. Door iemant wierd aan den HeerBartramverhaald, dat hy op zyne reizen in de bosschen een ander soort van Byen gevonden had, die, in plaats van den honig en het wasch in huisjes verdeeld te houden, die beiden onder een vermengd in enen zak by zig droegen. Dog dit berigt vereischt opheldering en bekragtiging.Vermindering van gevogelte.Alle de oude lieden inAmerikageboren, die ik over deze zaak onderhield, stemden hierin overeen, dat ’er tegenswoordig op ver na zo veel eetbaar gevogelte niet was als voorheen toen zy kinderen waren, en dat deze vermindering zigtbaar was. Zy zeiden zelfs, dat zy reeds ’er hunne ouders over hadden horen klagen, in wier jonge jaren de bayen, rivieren, en poelen van allerhande watervogels, als ganzen, enden, en diergelyken, vol waren. Dog tegenswoordig ziet men ’er somtyds niet enen enkelden vogel op. Voor zestig of zeventig jaar kon een enig man wel tagtig enden op enen morgen schieten, en thans staat men dikwyls te vergeefs op te passen dat ’er een enige kome. Een negentigjarigeZweedverzekerde my, dat hy in zyne jeugd eens drieentwintig enden in enen schoot gedood had. Zulk een geluk zal thans niemant hebben; en men moet dikwyls enen gantschen dag lopen om ’er twee of drie te zien. De Kraanvogels128kwamen in dien tyd by honderden[126]in ’t voorjaar over, dog tegenwoordig maar weinig. De wilde Kalkoenen en de Patryzen waren voorheen met grote troepen in de bosschen. Maar tegenwoordig is men moede van ’t lopen eer men enen enkelden vogel kan doen opstaan.Het is niet moeilyk de reden van deze vermindering uittevinden. Voor de aankomst derEuropeanenwas het land onbebouwd en vol zware bosschen. De weinigeWilden, die hier woonden, stoorden de vogels zelden. Zy dreven genen handel onder zig. Zy kenden nog yzer, nog buskruid. Het honderdste gedeelte van de vogels, die toen daar zo menigvuldig waren, was overvloedig om het klein getal Inwoonders te voeden. En wanneer men daarby bedenkt hoe veel tyds zy besteden moesten om hunne kleine Maislanden te bebouwen, om te visschen, om op bevers, herten, beren, en ander wild te jagen, zal men ligt begrypen dat zy weinig om het storen van ’t gevogelte denken konden. Maar sedert de aankomst van zo veleEuropeanenzyn de zaken geheel veranderd. Het land is wel bevolkt, het gevogelte is gedeeltelyk gedood, gedeeltelyk verjaagd: in de lente worden de eyeren, en de oude en de jonge vogels zonder onderscheid, weggenomen, dewyl ’er gene schikkingen gemaakt zyn die zulks beletten. En zo ’er al gemaakt waren, zou de geest van vryheid, die hier sterk heerscht, dezelven weinig doen in agt nemen. Maar schoon het eetbaar gevogelte zeer verminderd is, zyn ’er anderen die eer vermeerderd zyn. Dit kan men eigenlyk het meest zeggen van een soort van Krayen, by deEngelschenZwarte Vogels129en by deZwedenMaisdievengenoemd. Ook hebben zig de Eekhoorns zeer vermenigvuldigd, welken zo wel als de evengenoemde vogel op Mais azen, of ten minden ’er zeer op gesteld zyn. Naar mate nu de bevolking toeneemt, vermeerdert de bouw van de Mais; gevolglyk wordt het voedsel van dit gedierte vermenigvuldigd. Voeg hierby, dat men het zelve zelden eet, en dus niet hindert zig te vermenigvuldigen. Ook zyn ’er nog andere vogels welken men niet eet, die tegenwoordig byna al zo talryk zyn als zy voor de aankomst derEuropeanenwaren. De klagten over ’t verminderen van het eetbare gevogelte waren door gantschNoord Amerikagemeen.En van den visch.Oude lieden hadden met den visch even het zelve als met het gevogelte zien gebeuren. In hunne jeugd waren de bayen, rivieren, en poelen zo vol van visch dat men in enen trek ’s morgens vroeg gedaan zo veel ving als een paard slepen kon. Maar tegenwoordig zyn de zaken geheel veranderd; men vischt dikwyls met al zyn want enen gantschen nagt voor genoegzaam niets. De oorzaken van deze vermindering[127]in den visch zyn gedeeltelyk dezelven als die van de vermindering van het gevogelte, visschende men nu geduriger en op meerderhande wyzen dan te voren. De talryke molens op de beekjes en rivieren brengen hier toe ook iets by, want men heeft opgemerkt dat de visch de rivieren opzwemt om zyne kuit in stille wateren te schieten, en dat als hy werken ontmoet die zynen voortgang stuiten, hy terug keert en nimmer wederkomt. Dit verzekerde my een ryk man vanBoston. In een zeker water van zyn’ vader plegt men des winters en byna ook den gehelen zomer door een zeker soort van Haringen te vangen, dog sedert dat men enen molen op dat water gezet had, waren zy niet meer te bespeuren. Dus klaagde men hier overal over ’t verlopen van den visch. Het zelve zeiden sommige oude lieden ook van de Oesters teNew York, want schoon die daar steeds in ene aanmerkelyke menigte gevangen worden, en zy zo vet en lekker zyn als men ze wenschen kan, zeggen alle de oestervangers dat zy grotelyks alle jaren verminderen. De waarschynlykste reden hiervan is het onophoudelyke vangen van dezelven.Waarnemingen aangaande den visch.De HeerFranklinverhaalde my dat in den oord vanNieuw Engeland, daar zyn vader gewoond had, twee rivieren in zee vielen, waarvan in de ene zeer veel haring gevangen wierd en in de andere niet een. Egter waren de plaatsen daar deze rivieren zig in zee stortten niet ver van malkander. Men had opgemerkt, dat, wanneer de haring in de lente kwam om zyne kuit te schieten, hy altyd de ene en noit de andere rivier opzwom. Dit deed den ouden HeerFranklinlust krygen te beproeven of hy niet zou kunnen maken dat zy ook in de andere kwamen. Met dit inzigt zettede hy zyn’ netten uit toen zy kwamen om op te zwemmen en ving ’er enigen. Hy nam ’er de kuit uit, en bragt die zorgvuldig in de andere rivier over. De kuit kwam uit, en sedert heeft men veel meer haringen alle jaren in dat water gevangen dan in het ander, en dit blyft nog zo. Dit geeft aanleiding om te denken, dat de visch altyd gaarne daar zyn kuit schiet waar hy zelf is uitgebroeid, en waar hy het eerst in ’t water komt, als ware hy aan die plaatsen gewend.De volgende waarneming is ook opmerkenswaard. Niemant heeft voorheen gehoord dat men by KaapHinlopenkabeljauwen ving; men ving ze altyd aan den mond derDellaware, dog tegenwoordig zyn zy op de eerstgenoemde plaats menigvuldig. En hieruit zou men kunnen opmaken, dat de visch ook dikwyls uit eigen’ beweging van verblyf verandert.Verhaal aangaandeGroenland.Een Schipper, die inGroenlandgeweest was, verzekerde volgens zyne eigene ondervinding, dat ten noorden de 70.gr.de hette veel sterker was dan meer zuidwaards. Hieruit besloot hy dat de hette onder den Pool nog veel geweldiger zyn moest, dewyl de zon daar nog[128]langer zonder ondergaan blyft schynen. Het zelve met de zelve gevolgtrekking had de HeerFranklinook van de Schippers teBostongehoord, die in de noordelykste gewesten van ons halfrond geweest waren. Maar nog wonderbaarder is het geen hy verstond van KapiteinHenry Atkins, die nog teBostonwoont. Enigen tyd op de kusten vanNieuw Engelandene slegte vangst gehad hebbende, zeilde hy meer noordwaards tot op de hoogte vanGroenland. Op ’t laatst kwam hy zo ver, dat hy menschen vond die noitEuropeanengezien hadden, en het geen nog vreemder luidt, die geen kennis in ’t geheel van het gebruik van ’t vuur hadden, en, zo zy al die kennis gehad hadden, zouden zy ’er niets aan hebben gehad, dewyl ’er geen hout in dat land was. Dit volk at den visch en het vleesch geheel rauw. De Kapitein ruilde van deze menschen enige zeer zeldzame vellen voor sommige kleinigheden. Hy heeft op het sterkste betuigd dat dit volk het vuur niet kende. Reeds is het bekend dat ver op naar ’t Noorden nog bomen, nog struiken, nog enig hout te vinden zyn. Maar het is niet waarschynlyk, dat de Inwoonders van zulk een land den traan der visschen en het vet der dieren niet in hunne lampen branden en gebruiken zouden om hun eten te koken en hunne hutten in den winter te verwarmen, byzonderlyk ook om gedurende hunnen winterschen nagt van enige maanden ligt te hebben. Zoude buiten dit zulk ene duisternis wel te verdragen zyn?HetMoose-deer.In verscheiden’ geschriften leeft men van een zeer groot dier, dat men inNieuw Engelanden andere plaatsen vanNoord Amerikavinden zou. InIerlandgraaft men somtyds lange en getakte hoorns uit den grond; en geen mensch in de wereld kent een dier dat zulke hoorns heeft. Dit heeft velen lieden aanleiding gegeven om te denken, dat zy van het inNoord Amerikazo berugteMoose-deerwaren, welk dier voorheen in dat Eiland zou moeten geweest zyn. Zelfs heeft men ’er uit opgemaakt datIerlandvoorheen aanAmerikavast geweest is, of ten minsten dat ene keten van Eilanden, die nu weg zyn, ene verbindtenis tusschen die twee gewesten gemaakt heeft. Dit deed my onderzoek doen, of een dier met zo grote hoorns, als men hetMoose-deergeeft, oit in deze gewesten gezien was. De HeerBartramhad veel onderzoeks hier naar gedaan, dog niemant kon hem enig geloofwaardig berigt hier omtrent geven, en dus was hy van gedagte dat ’er zulk een dier niet was. De HeerFranklinverhaalde, dat hy, nog een jonge zynde, twee beesten gezien had die menMoose-deernoemde; dog het stond hem zeer wel voor dat zy van zulk ene grootte niet waren als zy moesten zyn geweest, indien de hoorns inIerlandgevonden voor hun gepast zouden geweest zyn: de twee beesten, die hy zag, wierden naarBostongebragt, om ze van[129]daar aan KoninginAnnate zenden. De hoogte was als die van een groot paard, dog de kop en de hoorns waren hoger. De HeerDudleyheeft ene beschryving gegeven van hetMoose-deerdat men inNoord Amerikavindt.130InKanadazynde vernam ik dikwyls by deFranschen, of men daar oit zo groot een dier gezien had als sommigen zeggen dat ’er inNoord Amerikazyn, en met zo verschrikkelyke hoorns als ’er inIerlandgegraven worden. Dog zy hadden ’er noit van gehoord, veel min ’er gezien. Sommigen deden ’er by, dat indien ’er zulk een dier was zy het noodzaakelyk zouden hebben moetenIs waarschynlyk de Eland.zien, dewyl zy de bosschen zoo veel doorkruisten. Men vindt hier Elanden, die van het zelve soort zyn als deZweedschen, of ene verscheidenheid van dezelven. Van dezen worden ’er dikwyls enigen gevangen die zwaarder zyn dan naar gewoonte; en hier van daan zal misschien het spreukje van het grote dier met de grote hoorns gekomen zyn. Deze Eland wordt door deFranscheninKanadaOriginalgeheten, welken naam zy van deWildenontleend hebben. Misschien meentDudleyin zyne beschryving van hetMoose-deerniets anders dan deze zware Elanden.131Een zeldzame steen.De HeerFranklinvereerde my een stuk van enen steen dien men, om dat hy het vuur zo wel weerstaat, inNieuw Engelandgebruikt om ’er smeltovens van te maken. Hy bestaat uit een mengsel vanSlangesteenofLapis ollarisenAsbest. Het grootste deel is een blauwe Slangesteen, vet en glad in ’t aanraken, en gemakkelyk om te snyden en te bewerken. Hier en daar zyn enige glinsterende starretjes, gelyk in dien Asbest wiens vezels uit het middelste als uit een middelpunt voorkomen.132Dezen steen houwt men niet uit de rotsen, maar vindt hem hier en daar op ’t land.Zeepsteen.Een andere steen wordt van sommigeZwedenZeepsteen133genoemd, om dat men hem gebruikt om vlakken uit de klederen te doen. Men zou hem in ’t LatynSaxum talcosum particulis spataceis granatisque immixtisnoemen. Ene nadere beschryving zal ik in een ander werk geven. Nu voeg ik ’er maar by, dat de grondkleur bleek groen is met sommige donker blauwe vlakken, en somtyds met enigen die in ’t[130]groene vallen. Hy is zeer glad op ’t gevoel en als gegolfd, en laat zig gemakkelyk zagen en snyden, maar wordt dan niet zeer gelyk. Ik heb ’er van gezien die een vadem en meer lang waren, breed naar evenredigheid, en gemeenlyk van zes duim tot een voet dik. Ik kan niets van zyne oorspronglyke grootte zeggen; ik ben noit op de plaats geweest daar zy gegraven worden, en heb ze maar tePhiladelphiagezien, waar zy gebragt worden alreeds gesneden zynde. De talkdeeltjes zyn in dezen steen omtrent dertigmaal zo veel als de anderen. Men vindt hem op vele plaatsen in het Land, by voorbeeld in de nabuurschap vanChesterinPensylvanie. DeEngelschennoemen hem ookZeepsteen.134Deze steen wordt voornamelyk op deze wys gebruikt. Eerst dient hy om vlakken uit de klederen te doen. Dog hier toe is de gehele steen niet even goed, want tusschen zyne heldere deeltjes zitten enige donkeren, die geheel uit Slangesteen bestaan, en gemakkelyk met een mes kunnen gesneden worden. Wat van dezen lossen steen tot stof geschraapt en op een smeervlak gestroid, ’t zy in zyde of andere stof, trekt het vet tot zig, en afgewreven zynde neemt het de vlak met zig weg. En gelyk deze steen ook zeer tegen ’t vuur bestand is, maken de Landlieden ’er hunne haarden van, vooral de plaats daar het vuur legt, en de hette ’t grootst is, want hy houdt het sterkst vuur uit. Als men genoeg van dezen steen vinden kan maakt men ’er de stoepen van in plaats van gebakken’ stenen, die men ’er anders toe neemt.De muren om de hoven, tuinen, en begraafplaatsen, die gemeenlyk van gebakken stenen gemetseld worden, overdekt men met deze steenen, om dat zy zo wel tegens zon, lugt, regen en wind bestand zyn, en niet veranderen maar de ticchels bewaren. Om deze reden maakt men gemeenlyk de deurposten, waarin de hengsels vatten, en de posten van de kelder vensters van dezen steen; in verscheidene openbare gebouwen is ’er de gehele benedenmuur van gemaakt, en in andere huizen worden ’er de hoeken mede opgetrokken.Zout.Het zout dat in deEngelsche Noord AmerikaanscheVolkplantingen gebruikt wordt, haalt men uit deWest Indien. DeWildenhebben op sommige plaatsen Zoutbronnen, uit welker water zy zout koken. In ’t vervolg zal ik gelegenheid hebben om enigen derzelven[131]te beschryven. De HeerFranklinwas van gedagte, dat men inPensylvaniegemakkelyker uit het zeewater een goed zout maken zou kunnen dan inNieuw Engeland, waar het somtyds geschiedt, schoon deszelfs legging meer noordelyk is.Looderts.Men heeft inPensylvanieeenLoodertsontdekt, dog het was in te geringe menigte dan dat iemant ’er gebruik van zou hebben willenZeilstenen.maken. Men heeft ’er ookZeilstenenvan ene tamelyke deugd gevonden, en ik bezit ’er zelfverscheiden’stukken van.Yzer.Yzer wordt inPensylvanieen de andereEngelscheProvincies in zulke menigte gevonden, dat men ’er geheelEuropamede zou kunnen voorzien, en misschien wel de gehele wereld. Het erts is hier veel ligter te bewerken dan inZweden; want op vele plaatsen kan men met een byl, een koevoet, en een houten beitel even zo ligt het erts los maken, als men by ons een kuil in ene harde aarde graaft. Zy weten op vele plaatsen niets van te boren, te doen springen, te branden. Daarby is het erts zeer smeltbaar. Van dit yzer wordt zulk een voorraad gewonnen, dat niet alleen de talryke bewoonders dezer Volkplantingen daar genoeg van hebben, maar dat ’er ook zeer veel van jaarlyks naar deAmerikaanscheEilanden gezonden wordt. Zelfs heeft men sedert enigen tyd begonnen daar mede opEuropate handelen. Dit yzer wordt beter dan enig ander voor de schepen gehouden, wordende veel minder dan hetZweedschedoor het zoute water weggevreten. Enigen zyn van mening dat zy, ongeagt de vragt, hun yzer inEngelandbeter koop leveren kunnen dan enig ander volk, vooral wanneer het land nog meer bebouwd, en daar door de daglonen minder zwaar wezen zullen.Bergvlas.DeAmiantus fibris separabilibus molliusculisvan den BisschopBrowalliuswordt inPensylvanietamelyk veel gevonden.135Sommige stukken zyn zeer zagt, anderen wederom vry tai. De HeerFranklinhad, toen hy meer dan twintig jaren geleden ene reis naarEngelanddeed, ene beurs vanAmiantgehad, en die aanSirHans Sloanevereerd. Ook heb ik papier gezien dat van dezen steen gemaakt was. Ik bewaar ’er enige stukken van in myn Kabinet. De HeerFranklinhad van anderen gehoord, dat als men een stuk van dezen steen des winters in de lugt, aan de koude en ’t nat bloot gesteld, laat leggen, hy daardoor gemakkelyk te spinnen wordt; dog hy wist niet hoe ver men hier staat op maken kon. By die gelegenheid verhaalde hy een kortswylig voorval dat hy ’er mede gehad had. Hy had ’er enige stukken van op den papiermolen gegeven om ’er een vel papier van te maken.[132]Toen hem dit gebragt werd, vouwde hy ’t in malkander, wierp het in ’t vuur, zeggende den man die ’t bragt dat hy een wonderwerk zien zoude. Deze, onkundig van de eigenschap dezer stof, was over deze vertoning zeer verwonderd. De HeerFranklinlag hem de zaak, dog niet volkomen, uit. Terwyl hy eens uit de kamer gegaan was, kwamen ’er enigen van zyne kennissen binnen, die terstond het papier kenden. De goede ambagtsman dagt hun iets zeer wonderlyks te verhalen. Hy vertelde hun dan dat hy een vel papier zo kondig toebereid had dat het in ’t vuur niet brandde. Zy hielden zig als of zy het voor onmogelyk hielden. Dog hy beweerde de zaak des te yveriger. Eindelyk kwam het tot ene weddenschap. Dog terwyl hy het vuur wat aanstookte besmeerden de anderen het papier behendig met vet. De man smeet het gerust in ’t vuur, en op het ogenblik was het in volle vlam. Hy stond zonder een woord te kunnen zeggen, terwyl de anderen hun lacchen niet inhouden konden. Zy ontdekten hem daarop het gantsche geheim.Mieren.In verscheiden huizen der Stad liepen veel kleineMieren, die haar verblyf of onder den grond of in de holtens der muren hielden. Hare gehele langte bedroeg ene meetkundige lyn. Zy waren zwart of donker rood. Zy hielden veel, even gelyk de Mieren in andere landen, van zoetigheden. De HeerFranklintoonde zig zeer geneigd te geloven, dat deze diertjes op de ene of de andere wys malkander hunne gedagten konden doen weten. Hy beriep zig daaromtrent op enige ondervindingen. Als ene Mier wat suiker of iets anders vindt, loopt zy ten eersten naar haar hol heen. Nauwlyks heeft zy daar ene wyl vertoefd, of een gantsch heir komt ’er uit te voorschyn, kruipt naar de gevondene suiker toe, en vangt terstond aan dezelve by stukken weg te slepen. Ene Mier behoeft ook maar ene dode vlieg hier of daar aan te treffen, die zy alleen niet wegslepen kan, of zy ylt naar huis, en na enige ogenblikken ziet men ’er meer voor den dag komen, en ’t gevonden aas met gemene kragten wegvoeren. Enigen tyd geleden had de HeerFranklinin ene kast een klein aarden potje met syroop staan gehad, in de welke vele Mieren ingeslopen waren, die de zoetigheid gretiglyk op aten. Dog hy merkte het, schudde ze daar uit, en bond den pot met enen dunnen draad aan enen spyker aan den balk vast. Maar by geval was ’er ene enkelde Mier ingebleven. Deze vrat zig zat, dog konde niet wegkomen. Zy liep lang, dog te vergeefs, herom. Eindelyk vond zy den weg langs den draad naar den balk. Daarvan daan liep zy den wand langs, naar den grond. Nauwlyks een half uur daarna, kwam een grote zwerm te voorschyn, trok naar de zoldering en lynregt op den draad aan. Langs den zelven kropen zy weder in den pot en gingen aan ’t eten. Hier mede hielden zy zo lang[133]aan als ’er wat in was. Ondertusschen liep de ene hoop den draad langs af, en de andere op.Voortekens omtrent het weder.Een Man van aanzien, die zig lang in dit Land had opgehouden, verzekerde, dat hy sedert byna twintig jaren door de ondervinding opgemerkt had, het geen ook anderen zo vaststelden, dat het aanstaande weder in den gehelen winter hier gemeenlyk zo is als op den 1. November ouden styl. Is het dien gehelen dag helder, zo zal ’er dien winter niet veel sneuw en regen vallen. Maar is het den halven dag klaar en de andere helft betrokken, zo zal het begin van den winter schoon, dog het einde en de lente ruw en onaangenaam zyn. Van gelyken aard waren ook de overige voorspellingen. Op andere plaatsen heb ik ook van diergelyke voortekens van ’t weder gehoord.136Dog gelyk een goed oordeel het vertrouwen op de zelven vermindert, zo hebben ook de gedane aantekeningen aangaande het weder getoond hoe dikwyls deze voortekens gefeild hebben.Bronnen.Pensylvanieis ryk aan bronnen. Men zal gemeenlyk ten minsten aan enen kant van elken berg ene bron ontmoeten, waaruit een helder water voortkomt. Dit water wordt dikwyls naar een klein stenen gebouw geleid, waar men het stuit, en den grond doet overstromen. Hier bewaart men des zomers niet alleen de melk, maar verkoelt ’er ook den wyn en andere dranken in. Vele landhuizen waren ook zo aangelegd dat ’er een klein stroompje onder de keuken of de voorraadkamer door liep, om het water by de hand te hebben.Vyvers.Niet alleen lieden van groot aanzien, maar alle zulken die enig vermogen bezitten, hebben gemeenlyk by hunne landhuizen vischvyvers, waarin zy altyd zorg dragen dat de visch varsch water kryge. Om deze reden waren de vyvers meest digt by ene bron.Middel om het gras te doen wassen.Ik merkte op verscheiden’ plaatsen van dit gewest op hoe men middel wist om veel gras op de weilanden te hebben. De weiden leggen meest tusschen de heuvels en de dalen, waar vele beekjes door stromen. Als de grond te nat is leidt men het meeste water in gruppen af. Dog om voor te komen dat de hete zon het gras verdorre, zoekt men alle de naburige bronnen op, en leidt het water in alle de beekjes, die natuurlyk naar de laagtens lopen, langs het hoogste van de weiden, uit welken men des noods langs sloten het water in de vlakte brengt, zo dat alle de weilanden bewaterd worden. Komt ’er ene wat al te diepe plaats tusschen in, zo leidt men het water langs ene houten buis daar over heen. En om het water des te hoger te hebben, heeft men[134]by de bronnen zelven dyken gemaakt, waar tusschen het zig verzamelen moet, tot dat het die hoogte verkregen hebbe dat het door juist dien weg lopen moet dien men het voorgeschreven heeft. Somtyds heeft men zelfs wel eneEng.myl ver het water over heuvelen en de tusschen gelegene dalen, door middel van houten’ buizen, heen, naar zulke plaatsen gebragt, daar men het hebben wilde. Iemant die het niet gezien heeft kan nauwlyks geloven wat een schoon gras op die weilanden wast, byzonderlyk digt by die afleidingen, daar in tegendeel anderen, waarmede men zo niet gehandeld heeft, ’er bedroefd uitzien. De weiden tusschen de heuvelen leggende hebben meest alle hoger kanten, dus men het water ligt op de zelve leiden kan. De weilanden wierden gemeenlyk driemaal iederen zomer gemaid. Dog de zomer duurt hier zes of zeven maanden.Wanneer het loof afvalt.De bladeren waren omstreeks het midden van November allen afgevallen, zo wel van de Eiken als andere bomen, die gewoon zyn hun blad te wisselen, en bedekten in de bosschen den grond wel zes duim hoog. Deze menigte van blad schynt de bovenste zwarte aarde zeer te moeten doen aangroeyen. Egter is zy niet boven de drie of vier duimen dik in de bosschen, en onder dezelve legt ene steenkleurige klei, gemengd met een zand van de zelve kleur. Het is zonderling dat een grond, die noit bebouwd is geworden, met zo gering ene zwarte aarde bedekt is. Dog hier van in ’t vervolg nader.Eekhoorns.DeEekhoorns, die hier in de bosschen zeer menigvuldig zyn, zyn van verscheiden’ soorten. Ik zal de gemeensten nauwkeurig beschryven.Grauwe Eekhoorns.DeGrauwe Eekhoornszyn overvloedig inPensylvanie, en de andere delen vanNoord Amerika. Van grootte zyn ze omtrent gelyk deZweedschen, dog iets groter, en blyven altyd grauw. De bosschen, vooral inPensylvanie, bestaan meest uit bomen die hun blad laten vallen, en in dezen houden zig de Eekhoorns het liefst op.Catesbyheeft hen, onder den naam van dengroten aschgrauwen Virginischen Eekhoornbeschreven, en naar het leven afgebeeld.137DeZwedennoemen hemGrao Ickorn, en dit is het zelve met hetEngelschGrey Squirrel, ofGrauwe Eekhoorn. Zy hebben hun nest merendeels in holle bomen, en brengen ’er mos, stroo, en andere buigzame dingen naartoe. Hun voedzel is voornaamlyk noten, als hazelnoten,Chinquapins, kastanjes, walnoten,hikorynoten, en eikels. Maar deMaisis hun liefste kost. De grond in de bosschen legt in den herfst vol van eikels en andere noten. Hiervan verzamelen de Eekhoorns enen goeden voorraad voor den winter, en bewaren ze in gaten,[135]die ze graven, op verscheiden’ plaatsen, hier en daar wat. Ook dragen zy ’er veel van naar hunne nesten.Zo dra de winter komt, en de koude en sneuw hen in hunne nesten sluiten, blyven zy daar verscheiden’ dagen binnen, en leven van den voorraad dien zy daar by een gebragt hebben. Zo dra het weder wat zagter is komen zy voor den dag, en graven een van de gaten open, waar in hun overige voorraad legt. Daar eten zy ten eersten een deel van op, en dragen het overige naar het nest op den boom. In de volgende winters merkten wy dikwyls op, dat als het zagt weder geweest was en ’er ene strenge koude op stond te volgen, de Eekhoorns een dag of twee sterk door de bosschen herom liepen, deels om zig regt zat te vreten, en deels om hunne nesten met enen nieuwen voorraad voor de aanstaande koude te voorzien, gedurende welke zy t’huis blyven. Wanneer men ze dan in ene ongewone menigte herom lopen zag, konde men daaruit vry zeker ene op handen zynde vorst voorspellen.De Varkens, die hier in ’t veld lopen zo lang ’er geen sneuw legt, om hunnen kost te zoeken, doen den armen Eekhoorns grote schade, door hunne magazynen om te wroeten en den voorraad op te vreten. Zo wel deWildenals deEuropersdoen hun best om deze voorraadhuizen te vinden, dewyl alle de noten die ’er in leggen uitgezogt zyn, en niet alleen door en door ryp, maar ook niet wormstekig. Zo is het ook met de noten en eikels, die de Boschmuis138in den herfst vergadert. DeZwedenverhalen dat ’er in den langen winter van het jaar 1741. zulke menigte van sneuw viel, dat de Eekhoorns niet by hunne magazynen komen konden, zo dat ’er velen van honger sterven moesten.Ik heb reeds van de schade gesproken die zy op de Maisvelden doen. Zy doen des te meer kwaads om dat zy niet al het koorn, maar alleen het binnenste en zoetste eten, en al het overige te gelyk afbyten. Ik heb eens omtrent het eind van April, dat de Eiken in vollen bloei stonden, ene menigte Eekhoorns in de bomen gezien, somtyds vyf, zes en meer, op elken boom, die de bloemsteeltjes, een weinig beneden de bloem afbeten, en ze op den grond vallen lieten. Of zy ’er iets van aten, of ’er enig ander gebruik van maakten, kan ik niet zeggen. Maar de grond lag vol van eikebloeisems, waaraan de steel nog zat.Ditmaakt dat de bomen zo veel eikels, ten nutte der varkens en andere dieren, niet voortbrengen als zy anders doen zouden.Mak gemaakt.Van alle de wilde dieren dezes Lands kunnen de Eekhoorns het gemakkelykst getemd worden, vooral als men ze jong krygt. Ik heb ze[136]zo mak gezien dat ze de kinderen in de bosschen en overal na liepen, en op de schouders kwamen zitten. Somtyds gingen zy maar een stuk wegs in ’t hout mede, en keerden dan terug naar de hokjes die voor hun gemaakt waaren. Als zy eten, zitten zy op hun agterste, en houden het eten tusschen de voorpootjes, en den staart in de hoogte. Wanneer men den makken meer geeft dan ze op kunnen, brengen zy ’t naar hunne koyen, en bewaren het onder de wol of het ander goed daar zy op leggen. Zy waren niet bang voor vreemde menschen, en lieten zig van ieder aanraken, zonder te willen byten. Zy komen somtyds zelfs enen vreemden op den schoot, en gaan daar leggen slapen. Zy spelen met de katten en de honden, en eten ook brood.De Grauwe wilde Eekhoorns houden ook den staart om hoog als zy zitten. Als zy een mensch zien bewegen zy den staart gedurig, en knarssen op de tanden, dus zy een vry sterk geluid maken, en het is moeilyk ze te doen zwygen. Dit maakt, dat zulken die uit gaan om vogels of andere dieren te schieten dikwyls regt boos op hun worden, dewyl hun geraas hen ontdekt, en het wild waarschuwt. Schoon een Grauwe Eekhoorn niet zeer schuw schynt, is hy egter moeilyk te doden, want zodra hy een mensch ziet, klimt hy op enen boom, en gaat gemeenlyk in ’t topje zitten. Daar tragt hy zig agter de takken te verbergen om niet gezien te worden, en schoon de jager onder rondom den boom gaat, doet de Eekhoorn het zelve al zo schielyk, zo niet schielyker. Vindt hy twee takken die t’zamen komen, hy gaat ’er tusschen zitten, en klemt zig zo sterk ’er in dat hy nauwlyks zigtbaar is. Men mag dan den boom schudden, met takken of stenen goyen, ja zelfs ’er op schieten, hy verroert zig niet. Vindt hy drie takken die t’zamen komen, zo verschuilt hy ’er zig tusschen, en dan is hy genoegzaam buiten gevaar. Somtyds ontsnapt hy op enen boom daar oude eekhoorn- of vogelnesten in zyn, en dan sluipt hy ’er in, zonder dat men hem ’er uit kan krygen, het zy met smyten, schudden of schieten; want de Grauwe Eekhoorn springt zelden van den enen boom op den anderen, ten zy in den uitersten nood. Zy lopen gemeenlyk den zelven weg langs den boom naar boven en naar beneden, met het hoofd vooruit. Verscheidenen, die ik in de bosschen schoot, waren vol van vloyen.Talrykheid.Ik heb reeds aangemerkt dat ’er tegenswoordig veel meer Eekhoorns zyn dan voorheen, dog het is aanmerkenswaard dat ’er in sommige jaren een veel groter getal van Eekhoorns uit de binnenlanden naarPensylvanieen de andere Volkplantingen afkomt dan in de anderen. Zy komen gemeenlyk in den herfst, en hebben het dan zeer druk met in de bosschen noten en eikels te verzamelen, die zy in holle bomen of hunne magazynen brengen. Zy zyn zo naarstig in het aanleggen van hunne voorraadhuizen, dat schoon de noten dat jaar zeer overvloedig geweest[137]zyn, men ’er bezwaarlyk veel van vinden kan. Men beweerde hier ondervonden te hebben, dat als ’er zo veel Eekhoorns uit de binnenlanden kwamen de volgende winter gemeenlyk gestreng was. Dog dit is niet altyd zo, gelyk ik in den herfst van 1749. bevonden heb, wanneer ’er een groot getal Eekhoorns in de Volkplantingen afkwam, en egter was de winter niet harder dan naar gewoonte. Dog het bleek dat hun verhuizen aan de schaarschheid van noten en eikels in de bovenlanden moest toegeschreven worden. Om deze reden keren zy gemeenlyk het volgende jaar weder naar hunne oude woonplaats te rug.Hun vleesch.De huid.Sommige menschen houden het vleesch van de Eekhoorns voor ene grote lekkerny, dog anderen maken ’er in ’t geheel geen werk van. De huid deugt niet veel, alleen snydt men ’er nog wel riemen uit, om dat zy redelyk tai zyn. Sommigen gebruiken ze om klederen te voeren by gebrek van iets beters.Betoverd door de Ratelslang.DeRatelslangverslindt den Eekhoorn dikwyls ongeagt zyne gezwindheid. Dit handeloze schepsel wil men dat dikwyls zo vlug een dier alleen door zyne betovering vangt. Ik had noit gelegenheid van het te zien, maar zo vele geloofwaardige lieden verzekerden my ’er van, verklarende het met grote opmerkzaamheid zelven gezien te nebben, dat ik my gedwongen vinde een zo eenparig getuigenis aantenemen. Deze betovering geschiedt op de volgende wys. De slang legt onder den boom waarop de Eekhoorn zit, hare ogen zyn op hem gevestigd, en van dat ogenblik af kan hy niet ontkomen. Hy begint een droevig geschrei, het welk zo kenbaar is dat ieder die het hoort daaruit weet dat hy van de slang betoverd wordt. De Eekhoorn loopt enigen tyd den boom wat af en wederom op, dog altyd wat meerder naar beneden dan naar boven. De slang blyft van onderen hare ogen op het beestje gevestigd houden, met zulke ene aandagt dat men ’er omtrent komende een groot geweld kan maken zonder dat zy het eens merke. De Eekhoorn ondertusschen komt al lager en lager, en springt op ’t laatst der slange te gemoet, welker bek alreeds open is om hem in te zwelgen. Het arme beestje loopt dan onder een naar gehuil in den mond der slang, die, als het niet te groot is, het in eens doorzwelgt. Maar is de proi te groot om in eens doortegaan, zo belikt de slang het zo lang tot dat het glad genoeg is om op eenmaal te kunnen doorgeslikt worden. Alle de merkwaardige omstandigheden van deze betovering heb ik beschreven in deVerhandelingen der Zweedsche Koninglyke Maatschappy der Wetenschappenvoor het jaar 1753. Dus wil ik hier niet breedvoeriger wezen. De zelve toverkragt wordt aan de zogenaamdeZwarte Slangook toegeschreven.139[138]Zyn zeer schadelyk.De Eekhoorns doen niet alleen ene merkelyke schade in de Mais terwyl zy op ’t veld staat, gelyk ik reeds heb aangemerkt, maar zelfs wanneer zy reeds in de schuren is, want, als zy ’er by komen kunnen, zyn zy in staat in weinige nagten wel ene gantsche ton vol naar hunne holen te verslepen. Om deze reden heeft de Regering in de meesteAmerikaanscheVolkplantingen ene beloning gezet op den kop van iederen Eekhoorn. Het schynt onbegrypelyk zulk een geld als ’er inPensylvanie, alleen van den 1. Januari 1749. tot den 1. Januari 1750. toe, voor Eekhoorns koppen betaald is. Toen de Afgevaardigden der Provincie vergaderden klaagden zy allen dat hun schatkist door alle die beloningen voor Eekhoorns koppen leeg geraakt was, want ’er stond toen een prys van driepenceop. In dat jaar waren agtduizend ponden St.Pensylvanischgeld voor pryzen betaald. Dit is my verzekerd van een man die zelf de rekeningen had nagezien.Vele menschen, vooral jonge lieden, lieten al ander ambagt varen, en gingen naar de bosschen om Eekhoorns te schieten. Dog de Regering heeft sedert den prys tot de helft verminderd.Vliegende Eekhoorns.DeVliegende Eekhoornszyn een byzonder soort, en schynen de zelven te zyn die men in sommige delen vanFinlandvindt, en die door de HeerLinnæusin zyneFauna SuecicaNo. 38.Sciurus volansgenoemd wordt. Op zyn hoogst is deAmerikaanscheVliegende Eekhoorn ene verscheidenheid van denFinlandschen.Catesby140heeft hem naar het leven beschreven en afgetekend. Hy geeft hem den zelven naam. Men vindt dit dier in de bosschen, dog niet menigvuldig. Zelden ziet men ze by dag, ten zy ze gedwongen worden door het storen hunner nesten zig te vertonen, want zy slapen over dag; dog zo dra het begint donker te worden, komen zy te voorschyn, en lopen byna den gantschen nagt. Zy onthouden zig in holle bomen; en by het vellen derzelven komen ’er somtyds zeven en meer van voor den dag. Door middel van een vel met het welk hen de Voorzienigheid aan hunne beide[139]zyden voorzien heeft, kunnen zy van den enen boom op den anderen vliegen. Deze vellen spannen zy uit als vleugels, en trekken ze weder in zo dra zy den naburigen boom bereikt hebben. Sommige menschen zeggen dat zy altyd horizontaal vliegen, dog anderen verzekerden dat zy eerst een weinig naar beneden gaan en dan weer ryzen, wanneer zy omtrent den boom zyn in den welken zy vliegen willen. Zy kunnen ’t niet verder brengen dan vier of vyf vadem. Van alle de Eekhoorns zyn dezen ’t gemakkelykst te temmen. De kinderen nemen ze mede naar school of waar zy ook henen gaan, zonder dat deze dieren oit zoeken te ontsnappen. Als zy den Eekhoorn wegzetten springt hy hun ten eersten weder op het lyf, kruipt hun in den boezem, in de mouwen, of in de ployen van de klederen, en gaat daar leggen slapen. Zyn voedsel is even het zelve als dat der overige Eekhoorns.Aardeekhoorns.In de bosschen vindt men een klein soort van Eekhoorns, by deEngelschenAardeekhoornsgenoemd.Catesbyheeft ze beschreven en afgebeeld141onder den naam vanGestreepten Eekhoorn.142Deze woont niet, gelyk de anderen, in holle bomen, maar onder den grond, daar zy, omtrent als de Konynen, holen graven, waarnaartoe zy de vlugt nemen wanner zy onraad gewaar worden. Die holen gaan diep in den grond, en verdelen zig in verscheiden armen, waarvan sommigen ook openingen boven de aarde hebben, zo dat zy, wanneer het gat daar zy uitgekomen zyn mogt toegestopt worden, enen anderen weg vinden om te ontvlugten. Maar in denherfst, wanneer het blad sterk valt, is het waard om hunne verlegenheid te zien, als zy vervolgd worden, want dan, hunne holen door de bladeren toegestopt zynde, hebben zy veel werks om ze zo schielyk te vinden. Dan lopen zy ginds en weder, als of zy den weg vergeten waren, en schynen niet te kunnen begrypen waar de ingangen van hunne holen gebleven zyn. Als men ze dan vervolgt, of in de handen klapt, blyft hun gene anderetoevlugtover dan op de bomen te klouteren, het geen zy anders noit doen. Dit soort is inPensylvanieveel talryker dan in de andere Provincien vanNoord Amerika, die ik bezogt heb. Zy zyn gemeenlyk zes duim lang, behalven hunnen krommen staart, en zeer dun. Het vel is roodagtig bruin, en getekend met vyf zwarte strepen, ene vlak op den rug[140]en twee aan iedere zyde. Hun aas is allerlei koorn, rog, garst, weit, mais, eikels, noten en diergelyken. Zy verzamelen ook in den herfst hunnen wintervoorraad, en bewaren dien in hunne holen. Als zy op een koornstapel komen doen zy al zo veel schade als de muizen en ratten. Men heeft dikwyls opgemerkt, dat, als zy rogge gegeten hadden en dan weit kwamen te vinden, zy de rogge overgaven om den buik op nieuws met weit te vullen, als zynde meerder naar hunnen smaak. Als men de Mais op ’t veld inzamelt maken zy hun werk van de airen aftebyten, en hunne bekken met koorn te vullen, zo dat hunne wangen geheel opgezet zyn. Met dezen buit haasten zy zig naar hunne holen.Hunne holen.EenZweed, vry laat in ’t najaar enen molendam doende maken, en daartoe de aarde van enen naburigen heuvel gebruikende, ontmoette een hol van deze Eekhoorns. Hy volgde den gang dien hy gevonden had, en ontdekte enen anderen, die ’er, als een tak uit den hoofdstam, uitkwam, en byna twee voet lang was, aan het einde van den welken hy ene menigte uitgezogte eikels vond, die het kleinezorgvuldigedier voor den winter had opgelegd. Kort daarna vond hy enen anderen gang op zyde, gelyk aan den voorgaanden, dog die enen frayen voorraad van Mais bevattede. Een volgende diende om Hikorynoten te bewaren, en de laatste gang, die ook de meest verborgene was, bevatte omtrent twee hoeden vol uitmuntende kastanjes.Des winters ziet men deze Eekhoorns zelden, levende zy dan in hunne holen van den verzamelden voorraad. Evenwel komen zy nog wel eens op enen moyen dag te voorschyn. Dikwyls graven zy in de kelders, waarin de landlieden hunne appelen bewaren, die zy dan ten dele opeten, en ten dele bederven, zo dat ’er weinig van overblyft. In de Mais gaan zy niet minder ruw te werk. Dog de katten zyn hunne grote vyanden, die ze dood byten en opvreten, of ze hunnen jongen t’huis brengen. Deze Eekhoorns worden van gene menschen gegeten; ook gebruikt men hun vel niet.Dit soort laat zig het minst mak maken; want, schoon zy al zeer jong gevonden zyn, is het nogthans gevaarlyk ze met de blote hand aanteraken, dewyl zy zeer scherp byten als men niet oppast. Verscheiden kinderen, die veel moeite genomen hadden om ze te temmen, zeiden dat zy gene kans zagen om ze zo mak te maken als de andere soorten. Het best gaat het nog als men ze krygt nog geheel klein zynde. Vele menschen hielden ze in koyen terwyl zy nog wild waren, om dat zy ’er zeer aardig uitzien.By ene andere gelegenheid zal ik van den zwarten en roodbruinen Eekhoorn spreken, die ook hier gevonden wordt.

Oesterschalen in den grond.De zelve Man verhaalde ook, dat hy onder in enen put vele oesterschelpen gevonden had, wel zeventigEng.mylen van de zee en vier van ene rivier. Zy lagen op ene diepte van veertien voeten. Het water van den put was brakagtig, dog dat van de rivier zoet. By het zetten van enen zaagmolen, anderhalve myl van ene rivier, had hy eerst zand, en toen klei gevonden, die vol zat van oesterschalen. Daar onder vond hy vele sneppen van zeevogels, zo als hy ze noemde, die al geheel versteend waren. Dit zyn vermoedelykGlossopetrægeweest.Vossen.Men vindt in deEngelscheVolkplantingen twee soorten vanVossen, het ene grauw en het andere ros. Maar in ’t vervolg zal ik nog van anderen spreken, die men somtyds inKanadaverneemt.Grauwe Vossen.De grauwe Vossen heeft men hier altyd. Zy zyn inPensylvanieen de zuidelyke Provincien gemeen, maar vry zeldzaam in de noordelyken, waarom deFranscheninKanadazeVirginische Vossennoemen. Zy doen geen kwaad aan de lammeren, maar roven het gevogelte weg als zy maar kunnen. Egter schynt men ze niet voor een zeer schadelyk dier te houden, want ’er staat gene beloning op het doden derzelven. De Hoedemakers zoeken hunne vellen sterk, en gebruiken het hair. Ook voert men ’er klederen mede. Het vet gebruikt men tegens allerlei pyn in de leden. Men wil dat zy zo hard niet lopen kunnen als de rossen. Zy worden somtyds tam gemaakt, dog men houdt ze altyd vast gebonden. De HeerCatesbyheeft dit soort van Vossen beschreven en met zyne kleuren natuurlyk afgebeeld.122Een van deze vellenkostinPensylvanietwee schellingen en zespence.Rosse Vossen.De Rosse Vossen zyn hier schaarsch, en volkomen de zelve met deEuropischen. De HeerBartramen verscheiden anderen verzekerden my, dat, volgens het algemene getuigenis derWilden, dit soort voorOorsprong.de aankomst derEuropeanenhier niet bekend geweest is. Maar aangaande de wys waarop zy hier gekomen zyn heb ik twederlei berigt. De HeerBartramheeft van de Inlanders gehoord, dat deze Vossen niet lang na de aankomst derEuropers, kort na enen zeer kouden winter, waarin de gehele zee noordwaards aan toegevroren was, het eerst verschenen. Waaruit men wilde opmaken dat zy misschien uitGroenlandof de noordelyke delen vanAsiaofEuropaover het ys gekomen waren. Dog de HeerEvansen anderen verzekerden my, dat het volgende berigt daarvan ook gegeven wierd. Een ryk Heer uitNieuw Engeland, die een groot liefhebber van ’t jagen was, bragt een groot getal Vossen[123]uitEuropaover, en liet ze op zyn landgoed lopen, op dat hy het vermaak van de Vossejagt mogt konnen nemen.123Dit zou reeds in het begin gebeurd zyn datNieuw Engelanddoor deEuropeanenbevolkt werd. Van die Vossen zouden alle de Rosse Vossen, die ’er zyn, afkomstig wezen. Zy worden nu onder de schadelyke dieren gerekend, want zy vergenoegen zig niet, gelyk de Grauwen, met gevogelte, maar vreten zelfs de lammeren op. Om deze reden is ’er inPensylvanieene beloning van twee schellingen beloofd aan hem die enen ouden, en van ene schelling aan hem die enen jongen vos doodt. In de andere Provincies is het zelve vastgesteld. Hun vel wordt zeer gezogt en is even zo duur als dat van de Grauwe Vossen.Wolven.Daar zyn hier twee verscheidenheden vanWolven, die egter van het zelve soort schynen te zyn, sommigen zyn geelagtig of helder grauw, en de anderen zwart of donkerbruin. De oudeZwedenverhaalden dat in hunne kindschheid, en nog meer by de aankomst hunner vaderen, ’er ontzaglyk vele wolven in het land waren, en dat men alle nagten hun gehuil hoorde. Ook verscheurden zy dikwyls schapen, varkens en anderKinderziekte onder deWilden.klein vee. Omtrent den tyd dat deZwedenen deEngelschenzig hier neder gezet hadden, wierden ook deWildenvan de kinderziekte aangetast, ene kwaal die zy van deEuropeanenovererfden, en waarvan zy van te voren niets wisten. Vele honderden stierven ’er van, en de meesteWildenvan het toen zogenaamdeNieuw Zwedenkwamen ’er door om. Op dien tyd kwamen de Wolven, gelokt door den stank van zo vele lyken, in zulke menigte te voorschyn, dat zy alle die lyken verslonden, en zelfs de arme zieke menschen in hunne hutten aantastten, zo dat het klein getal dat nog gezond was genoeg te doen had met ze[124]wegtejagen. Maar sedert dien tyd zyn ze verdwenen, zo dat men ze zelden ziet, en het gebeurt weinig dat zy enig kwaad doen. Dit schryft men daaraan toe, dat het land nu beter bebouwd wordt, en dat men ’er velen van doodt. Maar hoger op in ’t Land, waar het zo wel niet bebouwd wordt, zyn ze nog overvloedig. Op de kusten vanPensylvanieenNew Jerseyblyven de schapen ’s nagts over in ’t veld, zonder dat men voor de Wolven vreest. Egter is ’er ene beloning beloofd van twintig schellingen inPensylvanieen van dertig inNew Jersey, aan hem die enen doden Wolf levert, en hy behoudt daarenboven het vel. Daar zyn voorbeelden dat deze Wolven zo mak als honden gemaakt zyn.Wilde Stieren.De wildeStierenhouden zig voornaamlyk in de bosschen vanKarolinaop. De Inwoonders jagen ’er veeltyds op, en zouten het vleesch in, gelyk gemeen ossevleesch, en geven het hunnen Dienstboden te eten. Dog de huid is van weinig nut, hebbende te wyde poren om ze tot schoenen te gebruiken. De arme menschen egter slapen op deze huiden in plaats van bedden.Planten.HetViscum filamentosum,124wordt inKarolinaovervloedig gevonden. De Inwoonders gebruiken het als stroo in de bedden, en tot opschik voor de paarden. Het vee houdt ’er veel van. Ook is het goed om in te pakken.HetSpartium scoparium125wies in den tuin van den HeerBartram, uit zaad dat hy uitEngelandgekregen had. Hy zeide, dat hy ’er verscheiden’ planten van had gehad, dog dat ze van de koude gestorven waren. Evenwel wast het inZwedenin het wild.Truffels.Ook had die Heer enigeTruffels,126die hy uit enen zandigen grond inNew Jerseygekregen had, waar zy overvloedig zyn. Hy vertoonde ze aan zynen Vriend uitKarolina, en vroeg hem of zy deTukkahooderWildenwaren. Dog deze zeide van neen, en voegde ’er by, dat, schoon de Truffels inKarolinazeer gemeen waren, hy ze egter noit anders dan in melk tegens den buikloop had zien gebruiken. Maar van deTukkahoo.Tukkahoogaf hy ons de volgende beschryving. Zy wast in vele poelen en moerassen in menigte. De varkens wroeten hare wortels op. DeWildeninKarolinazoeken ze ook op, terwyl zy door de bosschen zwerven, drogen ze in de zon, malen ze, en bakken ’er brood van. Zo lang de wortel nog varsch is heeft hy enen brandigen en wrangen smaak, dog die gaat ’er by het drogen af. Naar deze eigenschappen te oordelen, zou het deArum Virginianum127zyn.Na den maaltyd keerde ik weder naar de Stad.[125]Byen.VeleEngelschenenZwedenhouden hierByen, die hun jaarlyks een tamelyk voordeel aanbrengen. Zy slagen hier zeer wel. Het wasch wordt het meest aan de Koopliedenverkoft, dog de honig gebruiken de Eigenaars zelven. In ’t algemeen wierd ’er vastgesteld dat de gemene Byen voor de aankomst derEuropeanenniet inNoord Amerikabekend waren, maar dat deEngelschenze het eerst hebben medegebragt. Ook verklaren deWildendat hunne ouders noit enige byen, ’t zy in de bosschen, ’t zy ergens anders gezien hebben, voor dat deEuropeanenhier enigen tyd gevestigd waren geweest. Ook hebben zy ’er genen anderen naam voor dan die van deEngelsche Vlieg. Tegenswoordig zyn zy zeer menigvuldig in het Land. Egter heeft men opgemerkt dat de Byen, wanneer zy zwermen, zig altyd naar het zuiden en noit naar het noorden verspreiden. Het schynt dat zy de landen de laatste streek uit gelegen zo goed niet vinden voor haar gestel. Zy kunnen ’t inKanadaniet houden, en sterven daar allen des winters. Het scheen my toe dat zy inAmerikawat kleinder waren dan inZweden. Tot nog toe heeft men ze niet in de bosschen aan genen kantderBlauwe Bergengevonden, het welk my in de gedagte bevestigt dat zy hier onlangs eerst zyn overgebragt. Door iemant wierd aan den HeerBartramverhaald, dat hy op zyne reizen in de bosschen een ander soort van Byen gevonden had, die, in plaats van den honig en het wasch in huisjes verdeeld te houden, die beiden onder een vermengd in enen zak by zig droegen. Dog dit berigt vereischt opheldering en bekragtiging.Vermindering van gevogelte.Alle de oude lieden inAmerikageboren, die ik over deze zaak onderhield, stemden hierin overeen, dat ’er tegenswoordig op ver na zo veel eetbaar gevogelte niet was als voorheen toen zy kinderen waren, en dat deze vermindering zigtbaar was. Zy zeiden zelfs, dat zy reeds ’er hunne ouders over hadden horen klagen, in wier jonge jaren de bayen, rivieren, en poelen van allerhande watervogels, als ganzen, enden, en diergelyken, vol waren. Dog tegenswoordig ziet men ’er somtyds niet enen enkelden vogel op. Voor zestig of zeventig jaar kon een enig man wel tagtig enden op enen morgen schieten, en thans staat men dikwyls te vergeefs op te passen dat ’er een enige kome. Een negentigjarigeZweedverzekerde my, dat hy in zyne jeugd eens drieentwintig enden in enen schoot gedood had. Zulk een geluk zal thans niemant hebben; en men moet dikwyls enen gantschen dag lopen om ’er twee of drie te zien. De Kraanvogels128kwamen in dien tyd by honderden[126]in ’t voorjaar over, dog tegenwoordig maar weinig. De wilde Kalkoenen en de Patryzen waren voorheen met grote troepen in de bosschen. Maar tegenwoordig is men moede van ’t lopen eer men enen enkelden vogel kan doen opstaan.Het is niet moeilyk de reden van deze vermindering uittevinden. Voor de aankomst derEuropeanenwas het land onbebouwd en vol zware bosschen. De weinigeWilden, die hier woonden, stoorden de vogels zelden. Zy dreven genen handel onder zig. Zy kenden nog yzer, nog buskruid. Het honderdste gedeelte van de vogels, die toen daar zo menigvuldig waren, was overvloedig om het klein getal Inwoonders te voeden. En wanneer men daarby bedenkt hoe veel tyds zy besteden moesten om hunne kleine Maislanden te bebouwen, om te visschen, om op bevers, herten, beren, en ander wild te jagen, zal men ligt begrypen dat zy weinig om het storen van ’t gevogelte denken konden. Maar sedert de aankomst van zo veleEuropeanenzyn de zaken geheel veranderd. Het land is wel bevolkt, het gevogelte is gedeeltelyk gedood, gedeeltelyk verjaagd: in de lente worden de eyeren, en de oude en de jonge vogels zonder onderscheid, weggenomen, dewyl ’er gene schikkingen gemaakt zyn die zulks beletten. En zo ’er al gemaakt waren, zou de geest van vryheid, die hier sterk heerscht, dezelven weinig doen in agt nemen. Maar schoon het eetbaar gevogelte zeer verminderd is, zyn ’er anderen die eer vermeerderd zyn. Dit kan men eigenlyk het meest zeggen van een soort van Krayen, by deEngelschenZwarte Vogels129en by deZwedenMaisdievengenoemd. Ook hebben zig de Eekhoorns zeer vermenigvuldigd, welken zo wel als de evengenoemde vogel op Mais azen, of ten minden ’er zeer op gesteld zyn. Naar mate nu de bevolking toeneemt, vermeerdert de bouw van de Mais; gevolglyk wordt het voedsel van dit gedierte vermenigvuldigd. Voeg hierby, dat men het zelve zelden eet, en dus niet hindert zig te vermenigvuldigen. Ook zyn ’er nog andere vogels welken men niet eet, die tegenwoordig byna al zo talryk zyn als zy voor de aankomst derEuropeanenwaren. De klagten over ’t verminderen van het eetbare gevogelte waren door gantschNoord Amerikagemeen.En van den visch.Oude lieden hadden met den visch even het zelve als met het gevogelte zien gebeuren. In hunne jeugd waren de bayen, rivieren, en poelen zo vol van visch dat men in enen trek ’s morgens vroeg gedaan zo veel ving als een paard slepen kon. Maar tegenwoordig zyn de zaken geheel veranderd; men vischt dikwyls met al zyn want enen gantschen nagt voor genoegzaam niets. De oorzaken van deze vermindering[127]in den visch zyn gedeeltelyk dezelven als die van de vermindering van het gevogelte, visschende men nu geduriger en op meerderhande wyzen dan te voren. De talryke molens op de beekjes en rivieren brengen hier toe ook iets by, want men heeft opgemerkt dat de visch de rivieren opzwemt om zyne kuit in stille wateren te schieten, en dat als hy werken ontmoet die zynen voortgang stuiten, hy terug keert en nimmer wederkomt. Dit verzekerde my een ryk man vanBoston. In een zeker water van zyn’ vader plegt men des winters en byna ook den gehelen zomer door een zeker soort van Haringen te vangen, dog sedert dat men enen molen op dat water gezet had, waren zy niet meer te bespeuren. Dus klaagde men hier overal over ’t verlopen van den visch. Het zelve zeiden sommige oude lieden ook van de Oesters teNew York, want schoon die daar steeds in ene aanmerkelyke menigte gevangen worden, en zy zo vet en lekker zyn als men ze wenschen kan, zeggen alle de oestervangers dat zy grotelyks alle jaren verminderen. De waarschynlykste reden hiervan is het onophoudelyke vangen van dezelven.Waarnemingen aangaande den visch.De HeerFranklinverhaalde my dat in den oord vanNieuw Engeland, daar zyn vader gewoond had, twee rivieren in zee vielen, waarvan in de ene zeer veel haring gevangen wierd en in de andere niet een. Egter waren de plaatsen daar deze rivieren zig in zee stortten niet ver van malkander. Men had opgemerkt, dat, wanneer de haring in de lente kwam om zyne kuit te schieten, hy altyd de ene en noit de andere rivier opzwom. Dit deed den ouden HeerFranklinlust krygen te beproeven of hy niet zou kunnen maken dat zy ook in de andere kwamen. Met dit inzigt zettede hy zyn’ netten uit toen zy kwamen om op te zwemmen en ving ’er enigen. Hy nam ’er de kuit uit, en bragt die zorgvuldig in de andere rivier over. De kuit kwam uit, en sedert heeft men veel meer haringen alle jaren in dat water gevangen dan in het ander, en dit blyft nog zo. Dit geeft aanleiding om te denken, dat de visch altyd gaarne daar zyn kuit schiet waar hy zelf is uitgebroeid, en waar hy het eerst in ’t water komt, als ware hy aan die plaatsen gewend.De volgende waarneming is ook opmerkenswaard. Niemant heeft voorheen gehoord dat men by KaapHinlopenkabeljauwen ving; men ving ze altyd aan den mond derDellaware, dog tegenwoordig zyn zy op de eerstgenoemde plaats menigvuldig. En hieruit zou men kunnen opmaken, dat de visch ook dikwyls uit eigen’ beweging van verblyf verandert.Verhaal aangaandeGroenland.Een Schipper, die inGroenlandgeweest was, verzekerde volgens zyne eigene ondervinding, dat ten noorden de 70.gr.de hette veel sterker was dan meer zuidwaards. Hieruit besloot hy dat de hette onder den Pool nog veel geweldiger zyn moest, dewyl de zon daar nog[128]langer zonder ondergaan blyft schynen. Het zelve met de zelve gevolgtrekking had de HeerFranklinook van de Schippers teBostongehoord, die in de noordelykste gewesten van ons halfrond geweest waren. Maar nog wonderbaarder is het geen hy verstond van KapiteinHenry Atkins, die nog teBostonwoont. Enigen tyd op de kusten vanNieuw Engelandene slegte vangst gehad hebbende, zeilde hy meer noordwaards tot op de hoogte vanGroenland. Op ’t laatst kwam hy zo ver, dat hy menschen vond die noitEuropeanengezien hadden, en het geen nog vreemder luidt, die geen kennis in ’t geheel van het gebruik van ’t vuur hadden, en, zo zy al die kennis gehad hadden, zouden zy ’er niets aan hebben gehad, dewyl ’er geen hout in dat land was. Dit volk at den visch en het vleesch geheel rauw. De Kapitein ruilde van deze menschen enige zeer zeldzame vellen voor sommige kleinigheden. Hy heeft op het sterkste betuigd dat dit volk het vuur niet kende. Reeds is het bekend dat ver op naar ’t Noorden nog bomen, nog struiken, nog enig hout te vinden zyn. Maar het is niet waarschynlyk, dat de Inwoonders van zulk een land den traan der visschen en het vet der dieren niet in hunne lampen branden en gebruiken zouden om hun eten te koken en hunne hutten in den winter te verwarmen, byzonderlyk ook om gedurende hunnen winterschen nagt van enige maanden ligt te hebben. Zoude buiten dit zulk ene duisternis wel te verdragen zyn?HetMoose-deer.In verscheiden’ geschriften leeft men van een zeer groot dier, dat men inNieuw Engelanden andere plaatsen vanNoord Amerikavinden zou. InIerlandgraaft men somtyds lange en getakte hoorns uit den grond; en geen mensch in de wereld kent een dier dat zulke hoorns heeft. Dit heeft velen lieden aanleiding gegeven om te denken, dat zy van het inNoord Amerikazo berugteMoose-deerwaren, welk dier voorheen in dat Eiland zou moeten geweest zyn. Zelfs heeft men ’er uit opgemaakt datIerlandvoorheen aanAmerikavast geweest is, of ten minsten dat ene keten van Eilanden, die nu weg zyn, ene verbindtenis tusschen die twee gewesten gemaakt heeft. Dit deed my onderzoek doen, of een dier met zo grote hoorns, als men hetMoose-deergeeft, oit in deze gewesten gezien was. De HeerBartramhad veel onderzoeks hier naar gedaan, dog niemant kon hem enig geloofwaardig berigt hier omtrent geven, en dus was hy van gedagte dat ’er zulk een dier niet was. De HeerFranklinverhaalde, dat hy, nog een jonge zynde, twee beesten gezien had die menMoose-deernoemde; dog het stond hem zeer wel voor dat zy van zulk ene grootte niet waren als zy moesten zyn geweest, indien de hoorns inIerlandgevonden voor hun gepast zouden geweest zyn: de twee beesten, die hy zag, wierden naarBostongebragt, om ze van[129]daar aan KoninginAnnate zenden. De hoogte was als die van een groot paard, dog de kop en de hoorns waren hoger. De HeerDudleyheeft ene beschryving gegeven van hetMoose-deerdat men inNoord Amerikavindt.130InKanadazynde vernam ik dikwyls by deFranschen, of men daar oit zo groot een dier gezien had als sommigen zeggen dat ’er inNoord Amerikazyn, en met zo verschrikkelyke hoorns als ’er inIerlandgegraven worden. Dog zy hadden ’er noit van gehoord, veel min ’er gezien. Sommigen deden ’er by, dat indien ’er zulk een dier was zy het noodzaakelyk zouden hebben moetenIs waarschynlyk de Eland.zien, dewyl zy de bosschen zoo veel doorkruisten. Men vindt hier Elanden, die van het zelve soort zyn als deZweedschen, of ene verscheidenheid van dezelven. Van dezen worden ’er dikwyls enigen gevangen die zwaarder zyn dan naar gewoonte; en hier van daan zal misschien het spreukje van het grote dier met de grote hoorns gekomen zyn. Deze Eland wordt door deFranscheninKanadaOriginalgeheten, welken naam zy van deWildenontleend hebben. Misschien meentDudleyin zyne beschryving van hetMoose-deerniets anders dan deze zware Elanden.131Een zeldzame steen.De HeerFranklinvereerde my een stuk van enen steen dien men, om dat hy het vuur zo wel weerstaat, inNieuw Engelandgebruikt om ’er smeltovens van te maken. Hy bestaat uit een mengsel vanSlangesteenofLapis ollarisenAsbest. Het grootste deel is een blauwe Slangesteen, vet en glad in ’t aanraken, en gemakkelyk om te snyden en te bewerken. Hier en daar zyn enige glinsterende starretjes, gelyk in dien Asbest wiens vezels uit het middelste als uit een middelpunt voorkomen.132Dezen steen houwt men niet uit de rotsen, maar vindt hem hier en daar op ’t land.Zeepsteen.Een andere steen wordt van sommigeZwedenZeepsteen133genoemd, om dat men hem gebruikt om vlakken uit de klederen te doen. Men zou hem in ’t LatynSaxum talcosum particulis spataceis granatisque immixtisnoemen. Ene nadere beschryving zal ik in een ander werk geven. Nu voeg ik ’er maar by, dat de grondkleur bleek groen is met sommige donker blauwe vlakken, en somtyds met enigen die in ’t[130]groene vallen. Hy is zeer glad op ’t gevoel en als gegolfd, en laat zig gemakkelyk zagen en snyden, maar wordt dan niet zeer gelyk. Ik heb ’er van gezien die een vadem en meer lang waren, breed naar evenredigheid, en gemeenlyk van zes duim tot een voet dik. Ik kan niets van zyne oorspronglyke grootte zeggen; ik ben noit op de plaats geweest daar zy gegraven worden, en heb ze maar tePhiladelphiagezien, waar zy gebragt worden alreeds gesneden zynde. De talkdeeltjes zyn in dezen steen omtrent dertigmaal zo veel als de anderen. Men vindt hem op vele plaatsen in het Land, by voorbeeld in de nabuurschap vanChesterinPensylvanie. DeEngelschennoemen hem ookZeepsteen.134Deze steen wordt voornamelyk op deze wys gebruikt. Eerst dient hy om vlakken uit de klederen te doen. Dog hier toe is de gehele steen niet even goed, want tusschen zyne heldere deeltjes zitten enige donkeren, die geheel uit Slangesteen bestaan, en gemakkelyk met een mes kunnen gesneden worden. Wat van dezen lossen steen tot stof geschraapt en op een smeervlak gestroid, ’t zy in zyde of andere stof, trekt het vet tot zig, en afgewreven zynde neemt het de vlak met zig weg. En gelyk deze steen ook zeer tegen ’t vuur bestand is, maken de Landlieden ’er hunne haarden van, vooral de plaats daar het vuur legt, en de hette ’t grootst is, want hy houdt het sterkst vuur uit. Als men genoeg van dezen steen vinden kan maakt men ’er de stoepen van in plaats van gebakken’ stenen, die men ’er anders toe neemt.De muren om de hoven, tuinen, en begraafplaatsen, die gemeenlyk van gebakken stenen gemetseld worden, overdekt men met deze steenen, om dat zy zo wel tegens zon, lugt, regen en wind bestand zyn, en niet veranderen maar de ticchels bewaren. Om deze reden maakt men gemeenlyk de deurposten, waarin de hengsels vatten, en de posten van de kelder vensters van dezen steen; in verscheidene openbare gebouwen is ’er de gehele benedenmuur van gemaakt, en in andere huizen worden ’er de hoeken mede opgetrokken.Zout.Het zout dat in deEngelsche Noord AmerikaanscheVolkplantingen gebruikt wordt, haalt men uit deWest Indien. DeWildenhebben op sommige plaatsen Zoutbronnen, uit welker water zy zout koken. In ’t vervolg zal ik gelegenheid hebben om enigen derzelven[131]te beschryven. De HeerFranklinwas van gedagte, dat men inPensylvaniegemakkelyker uit het zeewater een goed zout maken zou kunnen dan inNieuw Engeland, waar het somtyds geschiedt, schoon deszelfs legging meer noordelyk is.Looderts.Men heeft inPensylvanieeenLoodertsontdekt, dog het was in te geringe menigte dan dat iemant ’er gebruik van zou hebben willenZeilstenen.maken. Men heeft ’er ookZeilstenenvan ene tamelyke deugd gevonden, en ik bezit ’er zelfverscheiden’stukken van.Yzer.Yzer wordt inPensylvanieen de andereEngelscheProvincies in zulke menigte gevonden, dat men ’er geheelEuropamede zou kunnen voorzien, en misschien wel de gehele wereld. Het erts is hier veel ligter te bewerken dan inZweden; want op vele plaatsen kan men met een byl, een koevoet, en een houten beitel even zo ligt het erts los maken, als men by ons een kuil in ene harde aarde graaft. Zy weten op vele plaatsen niets van te boren, te doen springen, te branden. Daarby is het erts zeer smeltbaar. Van dit yzer wordt zulk een voorraad gewonnen, dat niet alleen de talryke bewoonders dezer Volkplantingen daar genoeg van hebben, maar dat ’er ook zeer veel van jaarlyks naar deAmerikaanscheEilanden gezonden wordt. Zelfs heeft men sedert enigen tyd begonnen daar mede opEuropate handelen. Dit yzer wordt beter dan enig ander voor de schepen gehouden, wordende veel minder dan hetZweedschedoor het zoute water weggevreten. Enigen zyn van mening dat zy, ongeagt de vragt, hun yzer inEngelandbeter koop leveren kunnen dan enig ander volk, vooral wanneer het land nog meer bebouwd, en daar door de daglonen minder zwaar wezen zullen.Bergvlas.DeAmiantus fibris separabilibus molliusculisvan den BisschopBrowalliuswordt inPensylvanietamelyk veel gevonden.135Sommige stukken zyn zeer zagt, anderen wederom vry tai. De HeerFranklinhad, toen hy meer dan twintig jaren geleden ene reis naarEngelanddeed, ene beurs vanAmiantgehad, en die aanSirHans Sloanevereerd. Ook heb ik papier gezien dat van dezen steen gemaakt was. Ik bewaar ’er enige stukken van in myn Kabinet. De HeerFranklinhad van anderen gehoord, dat als men een stuk van dezen steen des winters in de lugt, aan de koude en ’t nat bloot gesteld, laat leggen, hy daardoor gemakkelyk te spinnen wordt; dog hy wist niet hoe ver men hier staat op maken kon. By die gelegenheid verhaalde hy een kortswylig voorval dat hy ’er mede gehad had. Hy had ’er enige stukken van op den papiermolen gegeven om ’er een vel papier van te maken.[132]Toen hem dit gebragt werd, vouwde hy ’t in malkander, wierp het in ’t vuur, zeggende den man die ’t bragt dat hy een wonderwerk zien zoude. Deze, onkundig van de eigenschap dezer stof, was over deze vertoning zeer verwonderd. De HeerFranklinlag hem de zaak, dog niet volkomen, uit. Terwyl hy eens uit de kamer gegaan was, kwamen ’er enigen van zyne kennissen binnen, die terstond het papier kenden. De goede ambagtsman dagt hun iets zeer wonderlyks te verhalen. Hy vertelde hun dan dat hy een vel papier zo kondig toebereid had dat het in ’t vuur niet brandde. Zy hielden zig als of zy het voor onmogelyk hielden. Dog hy beweerde de zaak des te yveriger. Eindelyk kwam het tot ene weddenschap. Dog terwyl hy het vuur wat aanstookte besmeerden de anderen het papier behendig met vet. De man smeet het gerust in ’t vuur, en op het ogenblik was het in volle vlam. Hy stond zonder een woord te kunnen zeggen, terwyl de anderen hun lacchen niet inhouden konden. Zy ontdekten hem daarop het gantsche geheim.Mieren.In verscheiden huizen der Stad liepen veel kleineMieren, die haar verblyf of onder den grond of in de holtens der muren hielden. Hare gehele langte bedroeg ene meetkundige lyn. Zy waren zwart of donker rood. Zy hielden veel, even gelyk de Mieren in andere landen, van zoetigheden. De HeerFranklintoonde zig zeer geneigd te geloven, dat deze diertjes op de ene of de andere wys malkander hunne gedagten konden doen weten. Hy beriep zig daaromtrent op enige ondervindingen. Als ene Mier wat suiker of iets anders vindt, loopt zy ten eersten naar haar hol heen. Nauwlyks heeft zy daar ene wyl vertoefd, of een gantsch heir komt ’er uit te voorschyn, kruipt naar de gevondene suiker toe, en vangt terstond aan dezelve by stukken weg te slepen. Ene Mier behoeft ook maar ene dode vlieg hier of daar aan te treffen, die zy alleen niet wegslepen kan, of zy ylt naar huis, en na enige ogenblikken ziet men ’er meer voor den dag komen, en ’t gevonden aas met gemene kragten wegvoeren. Enigen tyd geleden had de HeerFranklinin ene kast een klein aarden potje met syroop staan gehad, in de welke vele Mieren ingeslopen waren, die de zoetigheid gretiglyk op aten. Dog hy merkte het, schudde ze daar uit, en bond den pot met enen dunnen draad aan enen spyker aan den balk vast. Maar by geval was ’er ene enkelde Mier ingebleven. Deze vrat zig zat, dog konde niet wegkomen. Zy liep lang, dog te vergeefs, herom. Eindelyk vond zy den weg langs den draad naar den balk. Daarvan daan liep zy den wand langs, naar den grond. Nauwlyks een half uur daarna, kwam een grote zwerm te voorschyn, trok naar de zoldering en lynregt op den draad aan. Langs den zelven kropen zy weder in den pot en gingen aan ’t eten. Hier mede hielden zy zo lang[133]aan als ’er wat in was. Ondertusschen liep de ene hoop den draad langs af, en de andere op.Voortekens omtrent het weder.Een Man van aanzien, die zig lang in dit Land had opgehouden, verzekerde, dat hy sedert byna twintig jaren door de ondervinding opgemerkt had, het geen ook anderen zo vaststelden, dat het aanstaande weder in den gehelen winter hier gemeenlyk zo is als op den 1. November ouden styl. Is het dien gehelen dag helder, zo zal ’er dien winter niet veel sneuw en regen vallen. Maar is het den halven dag klaar en de andere helft betrokken, zo zal het begin van den winter schoon, dog het einde en de lente ruw en onaangenaam zyn. Van gelyken aard waren ook de overige voorspellingen. Op andere plaatsen heb ik ook van diergelyke voortekens van ’t weder gehoord.136Dog gelyk een goed oordeel het vertrouwen op de zelven vermindert, zo hebben ook de gedane aantekeningen aangaande het weder getoond hoe dikwyls deze voortekens gefeild hebben.Bronnen.Pensylvanieis ryk aan bronnen. Men zal gemeenlyk ten minsten aan enen kant van elken berg ene bron ontmoeten, waaruit een helder water voortkomt. Dit water wordt dikwyls naar een klein stenen gebouw geleid, waar men het stuit, en den grond doet overstromen. Hier bewaart men des zomers niet alleen de melk, maar verkoelt ’er ook den wyn en andere dranken in. Vele landhuizen waren ook zo aangelegd dat ’er een klein stroompje onder de keuken of de voorraadkamer door liep, om het water by de hand te hebben.Vyvers.Niet alleen lieden van groot aanzien, maar alle zulken die enig vermogen bezitten, hebben gemeenlyk by hunne landhuizen vischvyvers, waarin zy altyd zorg dragen dat de visch varsch water kryge. Om deze reden waren de vyvers meest digt by ene bron.Middel om het gras te doen wassen.Ik merkte op verscheiden’ plaatsen van dit gewest op hoe men middel wist om veel gras op de weilanden te hebben. De weiden leggen meest tusschen de heuvels en de dalen, waar vele beekjes door stromen. Als de grond te nat is leidt men het meeste water in gruppen af. Dog om voor te komen dat de hete zon het gras verdorre, zoekt men alle de naburige bronnen op, en leidt het water in alle de beekjes, die natuurlyk naar de laagtens lopen, langs het hoogste van de weiden, uit welken men des noods langs sloten het water in de vlakte brengt, zo dat alle de weilanden bewaterd worden. Komt ’er ene wat al te diepe plaats tusschen in, zo leidt men het water langs ene houten buis daar over heen. En om het water des te hoger te hebben, heeft men[134]by de bronnen zelven dyken gemaakt, waar tusschen het zig verzamelen moet, tot dat het die hoogte verkregen hebbe dat het door juist dien weg lopen moet dien men het voorgeschreven heeft. Somtyds heeft men zelfs wel eneEng.myl ver het water over heuvelen en de tusschen gelegene dalen, door middel van houten’ buizen, heen, naar zulke plaatsen gebragt, daar men het hebben wilde. Iemant die het niet gezien heeft kan nauwlyks geloven wat een schoon gras op die weilanden wast, byzonderlyk digt by die afleidingen, daar in tegendeel anderen, waarmede men zo niet gehandeld heeft, ’er bedroefd uitzien. De weiden tusschen de heuvelen leggende hebben meest alle hoger kanten, dus men het water ligt op de zelve leiden kan. De weilanden wierden gemeenlyk driemaal iederen zomer gemaid. Dog de zomer duurt hier zes of zeven maanden.Wanneer het loof afvalt.De bladeren waren omstreeks het midden van November allen afgevallen, zo wel van de Eiken als andere bomen, die gewoon zyn hun blad te wisselen, en bedekten in de bosschen den grond wel zes duim hoog. Deze menigte van blad schynt de bovenste zwarte aarde zeer te moeten doen aangroeyen. Egter is zy niet boven de drie of vier duimen dik in de bosschen, en onder dezelve legt ene steenkleurige klei, gemengd met een zand van de zelve kleur. Het is zonderling dat een grond, die noit bebouwd is geworden, met zo gering ene zwarte aarde bedekt is. Dog hier van in ’t vervolg nader.Eekhoorns.DeEekhoorns, die hier in de bosschen zeer menigvuldig zyn, zyn van verscheiden’ soorten. Ik zal de gemeensten nauwkeurig beschryven.Grauwe Eekhoorns.DeGrauwe Eekhoornszyn overvloedig inPensylvanie, en de andere delen vanNoord Amerika. Van grootte zyn ze omtrent gelyk deZweedschen, dog iets groter, en blyven altyd grauw. De bosschen, vooral inPensylvanie, bestaan meest uit bomen die hun blad laten vallen, en in dezen houden zig de Eekhoorns het liefst op.Catesbyheeft hen, onder den naam van dengroten aschgrauwen Virginischen Eekhoornbeschreven, en naar het leven afgebeeld.137DeZwedennoemen hemGrao Ickorn, en dit is het zelve met hetEngelschGrey Squirrel, ofGrauwe Eekhoorn. Zy hebben hun nest merendeels in holle bomen, en brengen ’er mos, stroo, en andere buigzame dingen naartoe. Hun voedzel is voornaamlyk noten, als hazelnoten,Chinquapins, kastanjes, walnoten,hikorynoten, en eikels. Maar deMaisis hun liefste kost. De grond in de bosschen legt in den herfst vol van eikels en andere noten. Hiervan verzamelen de Eekhoorns enen goeden voorraad voor den winter, en bewaren ze in gaten,[135]die ze graven, op verscheiden’ plaatsen, hier en daar wat. Ook dragen zy ’er veel van naar hunne nesten.Zo dra de winter komt, en de koude en sneuw hen in hunne nesten sluiten, blyven zy daar verscheiden’ dagen binnen, en leven van den voorraad dien zy daar by een gebragt hebben. Zo dra het weder wat zagter is komen zy voor den dag, en graven een van de gaten open, waar in hun overige voorraad legt. Daar eten zy ten eersten een deel van op, en dragen het overige naar het nest op den boom. In de volgende winters merkten wy dikwyls op, dat als het zagt weder geweest was en ’er ene strenge koude op stond te volgen, de Eekhoorns een dag of twee sterk door de bosschen herom liepen, deels om zig regt zat te vreten, en deels om hunne nesten met enen nieuwen voorraad voor de aanstaande koude te voorzien, gedurende welke zy t’huis blyven. Wanneer men ze dan in ene ongewone menigte herom lopen zag, konde men daaruit vry zeker ene op handen zynde vorst voorspellen.De Varkens, die hier in ’t veld lopen zo lang ’er geen sneuw legt, om hunnen kost te zoeken, doen den armen Eekhoorns grote schade, door hunne magazynen om te wroeten en den voorraad op te vreten. Zo wel deWildenals deEuropersdoen hun best om deze voorraadhuizen te vinden, dewyl alle de noten die ’er in leggen uitgezogt zyn, en niet alleen door en door ryp, maar ook niet wormstekig. Zo is het ook met de noten en eikels, die de Boschmuis138in den herfst vergadert. DeZwedenverhalen dat ’er in den langen winter van het jaar 1741. zulke menigte van sneuw viel, dat de Eekhoorns niet by hunne magazynen komen konden, zo dat ’er velen van honger sterven moesten.Ik heb reeds van de schade gesproken die zy op de Maisvelden doen. Zy doen des te meer kwaads om dat zy niet al het koorn, maar alleen het binnenste en zoetste eten, en al het overige te gelyk afbyten. Ik heb eens omtrent het eind van April, dat de Eiken in vollen bloei stonden, ene menigte Eekhoorns in de bomen gezien, somtyds vyf, zes en meer, op elken boom, die de bloemsteeltjes, een weinig beneden de bloem afbeten, en ze op den grond vallen lieten. Of zy ’er iets van aten, of ’er enig ander gebruik van maakten, kan ik niet zeggen. Maar de grond lag vol van eikebloeisems, waaraan de steel nog zat.Ditmaakt dat de bomen zo veel eikels, ten nutte der varkens en andere dieren, niet voortbrengen als zy anders doen zouden.Mak gemaakt.Van alle de wilde dieren dezes Lands kunnen de Eekhoorns het gemakkelykst getemd worden, vooral als men ze jong krygt. Ik heb ze[136]zo mak gezien dat ze de kinderen in de bosschen en overal na liepen, en op de schouders kwamen zitten. Somtyds gingen zy maar een stuk wegs in ’t hout mede, en keerden dan terug naar de hokjes die voor hun gemaakt waaren. Als zy eten, zitten zy op hun agterste, en houden het eten tusschen de voorpootjes, en den staart in de hoogte. Wanneer men den makken meer geeft dan ze op kunnen, brengen zy ’t naar hunne koyen, en bewaren het onder de wol of het ander goed daar zy op leggen. Zy waren niet bang voor vreemde menschen, en lieten zig van ieder aanraken, zonder te willen byten. Zy komen somtyds zelfs enen vreemden op den schoot, en gaan daar leggen slapen. Zy spelen met de katten en de honden, en eten ook brood.De Grauwe wilde Eekhoorns houden ook den staart om hoog als zy zitten. Als zy een mensch zien bewegen zy den staart gedurig, en knarssen op de tanden, dus zy een vry sterk geluid maken, en het is moeilyk ze te doen zwygen. Dit maakt, dat zulken die uit gaan om vogels of andere dieren te schieten dikwyls regt boos op hun worden, dewyl hun geraas hen ontdekt, en het wild waarschuwt. Schoon een Grauwe Eekhoorn niet zeer schuw schynt, is hy egter moeilyk te doden, want zodra hy een mensch ziet, klimt hy op enen boom, en gaat gemeenlyk in ’t topje zitten. Daar tragt hy zig agter de takken te verbergen om niet gezien te worden, en schoon de jager onder rondom den boom gaat, doet de Eekhoorn het zelve al zo schielyk, zo niet schielyker. Vindt hy twee takken die t’zamen komen, hy gaat ’er tusschen zitten, en klemt zig zo sterk ’er in dat hy nauwlyks zigtbaar is. Men mag dan den boom schudden, met takken of stenen goyen, ja zelfs ’er op schieten, hy verroert zig niet. Vindt hy drie takken die t’zamen komen, zo verschuilt hy ’er zig tusschen, en dan is hy genoegzaam buiten gevaar. Somtyds ontsnapt hy op enen boom daar oude eekhoorn- of vogelnesten in zyn, en dan sluipt hy ’er in, zonder dat men hem ’er uit kan krygen, het zy met smyten, schudden of schieten; want de Grauwe Eekhoorn springt zelden van den enen boom op den anderen, ten zy in den uitersten nood. Zy lopen gemeenlyk den zelven weg langs den boom naar boven en naar beneden, met het hoofd vooruit. Verscheidenen, die ik in de bosschen schoot, waren vol van vloyen.Talrykheid.Ik heb reeds aangemerkt dat ’er tegenswoordig veel meer Eekhoorns zyn dan voorheen, dog het is aanmerkenswaard dat ’er in sommige jaren een veel groter getal van Eekhoorns uit de binnenlanden naarPensylvanieen de andere Volkplantingen afkomt dan in de anderen. Zy komen gemeenlyk in den herfst, en hebben het dan zeer druk met in de bosschen noten en eikels te verzamelen, die zy in holle bomen of hunne magazynen brengen. Zy zyn zo naarstig in het aanleggen van hunne voorraadhuizen, dat schoon de noten dat jaar zeer overvloedig geweest[137]zyn, men ’er bezwaarlyk veel van vinden kan. Men beweerde hier ondervonden te hebben, dat als ’er zo veel Eekhoorns uit de binnenlanden kwamen de volgende winter gemeenlyk gestreng was. Dog dit is niet altyd zo, gelyk ik in den herfst van 1749. bevonden heb, wanneer ’er een groot getal Eekhoorns in de Volkplantingen afkwam, en egter was de winter niet harder dan naar gewoonte. Dog het bleek dat hun verhuizen aan de schaarschheid van noten en eikels in de bovenlanden moest toegeschreven worden. Om deze reden keren zy gemeenlyk het volgende jaar weder naar hunne oude woonplaats te rug.Hun vleesch.De huid.Sommige menschen houden het vleesch van de Eekhoorns voor ene grote lekkerny, dog anderen maken ’er in ’t geheel geen werk van. De huid deugt niet veel, alleen snydt men ’er nog wel riemen uit, om dat zy redelyk tai zyn. Sommigen gebruiken ze om klederen te voeren by gebrek van iets beters.Betoverd door de Ratelslang.DeRatelslangverslindt den Eekhoorn dikwyls ongeagt zyne gezwindheid. Dit handeloze schepsel wil men dat dikwyls zo vlug een dier alleen door zyne betovering vangt. Ik had noit gelegenheid van het te zien, maar zo vele geloofwaardige lieden verzekerden my ’er van, verklarende het met grote opmerkzaamheid zelven gezien te nebben, dat ik my gedwongen vinde een zo eenparig getuigenis aantenemen. Deze betovering geschiedt op de volgende wys. De slang legt onder den boom waarop de Eekhoorn zit, hare ogen zyn op hem gevestigd, en van dat ogenblik af kan hy niet ontkomen. Hy begint een droevig geschrei, het welk zo kenbaar is dat ieder die het hoort daaruit weet dat hy van de slang betoverd wordt. De Eekhoorn loopt enigen tyd den boom wat af en wederom op, dog altyd wat meerder naar beneden dan naar boven. De slang blyft van onderen hare ogen op het beestje gevestigd houden, met zulke ene aandagt dat men ’er omtrent komende een groot geweld kan maken zonder dat zy het eens merke. De Eekhoorn ondertusschen komt al lager en lager, en springt op ’t laatst der slange te gemoet, welker bek alreeds open is om hem in te zwelgen. Het arme beestje loopt dan onder een naar gehuil in den mond der slang, die, als het niet te groot is, het in eens doorzwelgt. Maar is de proi te groot om in eens doortegaan, zo belikt de slang het zo lang tot dat het glad genoeg is om op eenmaal te kunnen doorgeslikt worden. Alle de merkwaardige omstandigheden van deze betovering heb ik beschreven in deVerhandelingen der Zweedsche Koninglyke Maatschappy der Wetenschappenvoor het jaar 1753. Dus wil ik hier niet breedvoeriger wezen. De zelve toverkragt wordt aan de zogenaamdeZwarte Slangook toegeschreven.139[138]Zyn zeer schadelyk.De Eekhoorns doen niet alleen ene merkelyke schade in de Mais terwyl zy op ’t veld staat, gelyk ik reeds heb aangemerkt, maar zelfs wanneer zy reeds in de schuren is, want, als zy ’er by komen kunnen, zyn zy in staat in weinige nagten wel ene gantsche ton vol naar hunne holen te verslepen. Om deze reden heeft de Regering in de meesteAmerikaanscheVolkplantingen ene beloning gezet op den kop van iederen Eekhoorn. Het schynt onbegrypelyk zulk een geld als ’er inPensylvanie, alleen van den 1. Januari 1749. tot den 1. Januari 1750. toe, voor Eekhoorns koppen betaald is. Toen de Afgevaardigden der Provincie vergaderden klaagden zy allen dat hun schatkist door alle die beloningen voor Eekhoorns koppen leeg geraakt was, want ’er stond toen een prys van driepenceop. In dat jaar waren agtduizend ponden St.Pensylvanischgeld voor pryzen betaald. Dit is my verzekerd van een man die zelf de rekeningen had nagezien.Vele menschen, vooral jonge lieden, lieten al ander ambagt varen, en gingen naar de bosschen om Eekhoorns te schieten. Dog de Regering heeft sedert den prys tot de helft verminderd.Vliegende Eekhoorns.DeVliegende Eekhoornszyn een byzonder soort, en schynen de zelven te zyn die men in sommige delen vanFinlandvindt, en die door de HeerLinnæusin zyneFauna SuecicaNo. 38.Sciurus volansgenoemd wordt. Op zyn hoogst is deAmerikaanscheVliegende Eekhoorn ene verscheidenheid van denFinlandschen.Catesby140heeft hem naar het leven beschreven en afgetekend. Hy geeft hem den zelven naam. Men vindt dit dier in de bosschen, dog niet menigvuldig. Zelden ziet men ze by dag, ten zy ze gedwongen worden door het storen hunner nesten zig te vertonen, want zy slapen over dag; dog zo dra het begint donker te worden, komen zy te voorschyn, en lopen byna den gantschen nagt. Zy onthouden zig in holle bomen; en by het vellen derzelven komen ’er somtyds zeven en meer van voor den dag. Door middel van een vel met het welk hen de Voorzienigheid aan hunne beide[139]zyden voorzien heeft, kunnen zy van den enen boom op den anderen vliegen. Deze vellen spannen zy uit als vleugels, en trekken ze weder in zo dra zy den naburigen boom bereikt hebben. Sommige menschen zeggen dat zy altyd horizontaal vliegen, dog anderen verzekerden dat zy eerst een weinig naar beneden gaan en dan weer ryzen, wanneer zy omtrent den boom zyn in den welken zy vliegen willen. Zy kunnen ’t niet verder brengen dan vier of vyf vadem. Van alle de Eekhoorns zyn dezen ’t gemakkelykst te temmen. De kinderen nemen ze mede naar school of waar zy ook henen gaan, zonder dat deze dieren oit zoeken te ontsnappen. Als zy den Eekhoorn wegzetten springt hy hun ten eersten weder op het lyf, kruipt hun in den boezem, in de mouwen, of in de ployen van de klederen, en gaat daar leggen slapen. Zyn voedsel is even het zelve als dat der overige Eekhoorns.Aardeekhoorns.In de bosschen vindt men een klein soort van Eekhoorns, by deEngelschenAardeekhoornsgenoemd.Catesbyheeft ze beschreven en afgebeeld141onder den naam vanGestreepten Eekhoorn.142Deze woont niet, gelyk de anderen, in holle bomen, maar onder den grond, daar zy, omtrent als de Konynen, holen graven, waarnaartoe zy de vlugt nemen wanner zy onraad gewaar worden. Die holen gaan diep in den grond, en verdelen zig in verscheiden armen, waarvan sommigen ook openingen boven de aarde hebben, zo dat zy, wanneer het gat daar zy uitgekomen zyn mogt toegestopt worden, enen anderen weg vinden om te ontvlugten. Maar in denherfst, wanneer het blad sterk valt, is het waard om hunne verlegenheid te zien, als zy vervolgd worden, want dan, hunne holen door de bladeren toegestopt zynde, hebben zy veel werks om ze zo schielyk te vinden. Dan lopen zy ginds en weder, als of zy den weg vergeten waren, en schynen niet te kunnen begrypen waar de ingangen van hunne holen gebleven zyn. Als men ze dan vervolgt, of in de handen klapt, blyft hun gene anderetoevlugtover dan op de bomen te klouteren, het geen zy anders noit doen. Dit soort is inPensylvanieveel talryker dan in de andere Provincien vanNoord Amerika, die ik bezogt heb. Zy zyn gemeenlyk zes duim lang, behalven hunnen krommen staart, en zeer dun. Het vel is roodagtig bruin, en getekend met vyf zwarte strepen, ene vlak op den rug[140]en twee aan iedere zyde. Hun aas is allerlei koorn, rog, garst, weit, mais, eikels, noten en diergelyken. Zy verzamelen ook in den herfst hunnen wintervoorraad, en bewaren dien in hunne holen. Als zy op een koornstapel komen doen zy al zo veel schade als de muizen en ratten. Men heeft dikwyls opgemerkt, dat, als zy rogge gegeten hadden en dan weit kwamen te vinden, zy de rogge overgaven om den buik op nieuws met weit te vullen, als zynde meerder naar hunnen smaak. Als men de Mais op ’t veld inzamelt maken zy hun werk van de airen aftebyten, en hunne bekken met koorn te vullen, zo dat hunne wangen geheel opgezet zyn. Met dezen buit haasten zy zig naar hunne holen.Hunne holen.EenZweed, vry laat in ’t najaar enen molendam doende maken, en daartoe de aarde van enen naburigen heuvel gebruikende, ontmoette een hol van deze Eekhoorns. Hy volgde den gang dien hy gevonden had, en ontdekte enen anderen, die ’er, als een tak uit den hoofdstam, uitkwam, en byna twee voet lang was, aan het einde van den welken hy ene menigte uitgezogte eikels vond, die het kleinezorgvuldigedier voor den winter had opgelegd. Kort daarna vond hy enen anderen gang op zyde, gelyk aan den voorgaanden, dog die enen frayen voorraad van Mais bevattede. Een volgende diende om Hikorynoten te bewaren, en de laatste gang, die ook de meest verborgene was, bevatte omtrent twee hoeden vol uitmuntende kastanjes.Des winters ziet men deze Eekhoorns zelden, levende zy dan in hunne holen van den verzamelden voorraad. Evenwel komen zy nog wel eens op enen moyen dag te voorschyn. Dikwyls graven zy in de kelders, waarin de landlieden hunne appelen bewaren, die zy dan ten dele opeten, en ten dele bederven, zo dat ’er weinig van overblyft. In de Mais gaan zy niet minder ruw te werk. Dog de katten zyn hunne grote vyanden, die ze dood byten en opvreten, of ze hunnen jongen t’huis brengen. Deze Eekhoorns worden van gene menschen gegeten; ook gebruikt men hun vel niet.Dit soort laat zig het minst mak maken; want, schoon zy al zeer jong gevonden zyn, is het nogthans gevaarlyk ze met de blote hand aanteraken, dewyl zy zeer scherp byten als men niet oppast. Verscheiden kinderen, die veel moeite genomen hadden om ze te temmen, zeiden dat zy gene kans zagen om ze zo mak te maken als de andere soorten. Het best gaat het nog als men ze krygt nog geheel klein zynde. Vele menschen hielden ze in koyen terwyl zy nog wild waren, om dat zy ’er zeer aardig uitzien.By ene andere gelegenheid zal ik van den zwarten en roodbruinen Eekhoorn spreken, die ook hier gevonden wordt.

Oesterschalen in den grond.

De zelve Man verhaalde ook, dat hy onder in enen put vele oesterschelpen gevonden had, wel zeventigEng.mylen van de zee en vier van ene rivier. Zy lagen op ene diepte van veertien voeten. Het water van den put was brakagtig, dog dat van de rivier zoet. By het zetten van enen zaagmolen, anderhalve myl van ene rivier, had hy eerst zand, en toen klei gevonden, die vol zat van oesterschalen. Daar onder vond hy vele sneppen van zeevogels, zo als hy ze noemde, die al geheel versteend waren. Dit zyn vermoedelykGlossopetrægeweest.

Vossen.

Men vindt in deEngelscheVolkplantingen twee soorten vanVossen, het ene grauw en het andere ros. Maar in ’t vervolg zal ik nog van anderen spreken, die men somtyds inKanadaverneemt.Grauwe Vossen.De grauwe Vossen heeft men hier altyd. Zy zyn inPensylvanieen de zuidelyke Provincien gemeen, maar vry zeldzaam in de noordelyken, waarom deFranscheninKanadazeVirginische Vossennoemen. Zy doen geen kwaad aan de lammeren, maar roven het gevogelte weg als zy maar kunnen. Egter schynt men ze niet voor een zeer schadelyk dier te houden, want ’er staat gene beloning op het doden derzelven. De Hoedemakers zoeken hunne vellen sterk, en gebruiken het hair. Ook voert men ’er klederen mede. Het vet gebruikt men tegens allerlei pyn in de leden. Men wil dat zy zo hard niet lopen kunnen als de rossen. Zy worden somtyds tam gemaakt, dog men houdt ze altyd vast gebonden. De HeerCatesbyheeft dit soort van Vossen beschreven en met zyne kleuren natuurlyk afgebeeld.122Een van deze vellenkostinPensylvanietwee schellingen en zespence.

Rosse Vossen.

De Rosse Vossen zyn hier schaarsch, en volkomen de zelve met deEuropischen. De HeerBartramen verscheiden anderen verzekerden my, dat, volgens het algemene getuigenis derWilden, dit soort voorOorsprong.de aankomst derEuropeanenhier niet bekend geweest is. Maar aangaande de wys waarop zy hier gekomen zyn heb ik twederlei berigt. De HeerBartramheeft van de Inlanders gehoord, dat deze Vossen niet lang na de aankomst derEuropers, kort na enen zeer kouden winter, waarin de gehele zee noordwaards aan toegevroren was, het eerst verschenen. Waaruit men wilde opmaken dat zy misschien uitGroenlandof de noordelyke delen vanAsiaofEuropaover het ys gekomen waren. Dog de HeerEvansen anderen verzekerden my, dat het volgende berigt daarvan ook gegeven wierd. Een ryk Heer uitNieuw Engeland, die een groot liefhebber van ’t jagen was, bragt een groot getal Vossen[123]uitEuropaover, en liet ze op zyn landgoed lopen, op dat hy het vermaak van de Vossejagt mogt konnen nemen.123Dit zou reeds in het begin gebeurd zyn datNieuw Engelanddoor deEuropeanenbevolkt werd. Van die Vossen zouden alle de Rosse Vossen, die ’er zyn, afkomstig wezen. Zy worden nu onder de schadelyke dieren gerekend, want zy vergenoegen zig niet, gelyk de Grauwen, met gevogelte, maar vreten zelfs de lammeren op. Om deze reden is ’er inPensylvanieene beloning van twee schellingen beloofd aan hem die enen ouden, en van ene schelling aan hem die enen jongen vos doodt. In de andere Provincies is het zelve vastgesteld. Hun vel wordt zeer gezogt en is even zo duur als dat van de Grauwe Vossen.

Wolven.

Daar zyn hier twee verscheidenheden vanWolven, die egter van het zelve soort schynen te zyn, sommigen zyn geelagtig of helder grauw, en de anderen zwart of donkerbruin. De oudeZwedenverhaalden dat in hunne kindschheid, en nog meer by de aankomst hunner vaderen, ’er ontzaglyk vele wolven in het land waren, en dat men alle nagten hun gehuil hoorde. Ook verscheurden zy dikwyls schapen, varkens en anderKinderziekte onder deWilden.klein vee. Omtrent den tyd dat deZwedenen deEngelschenzig hier neder gezet hadden, wierden ook deWildenvan de kinderziekte aangetast, ene kwaal die zy van deEuropeanenovererfden, en waarvan zy van te voren niets wisten. Vele honderden stierven ’er van, en de meesteWildenvan het toen zogenaamdeNieuw Zwedenkwamen ’er door om. Op dien tyd kwamen de Wolven, gelokt door den stank van zo vele lyken, in zulke menigte te voorschyn, dat zy alle die lyken verslonden, en zelfs de arme zieke menschen in hunne hutten aantastten, zo dat het klein getal dat nog gezond was genoeg te doen had met ze[124]wegtejagen. Maar sedert dien tyd zyn ze verdwenen, zo dat men ze zelden ziet, en het gebeurt weinig dat zy enig kwaad doen. Dit schryft men daaraan toe, dat het land nu beter bebouwd wordt, en dat men ’er velen van doodt. Maar hoger op in ’t Land, waar het zo wel niet bebouwd wordt, zyn ze nog overvloedig. Op de kusten vanPensylvanieenNew Jerseyblyven de schapen ’s nagts over in ’t veld, zonder dat men voor de Wolven vreest. Egter is ’er ene beloning beloofd van twintig schellingen inPensylvanieen van dertig inNew Jersey, aan hem die enen doden Wolf levert, en hy behoudt daarenboven het vel. Daar zyn voorbeelden dat deze Wolven zo mak als honden gemaakt zyn.

Wilde Stieren.

De wildeStierenhouden zig voornaamlyk in de bosschen vanKarolinaop. De Inwoonders jagen ’er veeltyds op, en zouten het vleesch in, gelyk gemeen ossevleesch, en geven het hunnen Dienstboden te eten. Dog de huid is van weinig nut, hebbende te wyde poren om ze tot schoenen te gebruiken. De arme menschen egter slapen op deze huiden in plaats van bedden.

Planten.

HetViscum filamentosum,124wordt inKarolinaovervloedig gevonden. De Inwoonders gebruiken het als stroo in de bedden, en tot opschik voor de paarden. Het vee houdt ’er veel van. Ook is het goed om in te pakken.

HetSpartium scoparium125wies in den tuin van den HeerBartram, uit zaad dat hy uitEngelandgekregen had. Hy zeide, dat hy ’er verscheiden’ planten van had gehad, dog dat ze van de koude gestorven waren. Evenwel wast het inZwedenin het wild.

Truffels.

Ook had die Heer enigeTruffels,126die hy uit enen zandigen grond inNew Jerseygekregen had, waar zy overvloedig zyn. Hy vertoonde ze aan zynen Vriend uitKarolina, en vroeg hem of zy deTukkahooderWildenwaren. Dog deze zeide van neen, en voegde ’er by, dat, schoon de Truffels inKarolinazeer gemeen waren, hy ze egter noit anders dan in melk tegens den buikloop had zien gebruiken. Maar van deTukkahoo.Tukkahoogaf hy ons de volgende beschryving. Zy wast in vele poelen en moerassen in menigte. De varkens wroeten hare wortels op. DeWildeninKarolinazoeken ze ook op, terwyl zy door de bosschen zwerven, drogen ze in de zon, malen ze, en bakken ’er brood van. Zo lang de wortel nog varsch is heeft hy enen brandigen en wrangen smaak, dog die gaat ’er by het drogen af. Naar deze eigenschappen te oordelen, zou het deArum Virginianum127zyn.

Na den maaltyd keerde ik weder naar de Stad.[125]

Byen.

VeleEngelschenenZwedenhouden hierByen, die hun jaarlyks een tamelyk voordeel aanbrengen. Zy slagen hier zeer wel. Het wasch wordt het meest aan de Koopliedenverkoft, dog de honig gebruiken de Eigenaars zelven. In ’t algemeen wierd ’er vastgesteld dat de gemene Byen voor de aankomst derEuropeanenniet inNoord Amerikabekend waren, maar dat deEngelschenze het eerst hebben medegebragt. Ook verklaren deWildendat hunne ouders noit enige byen, ’t zy in de bosschen, ’t zy ergens anders gezien hebben, voor dat deEuropeanenhier enigen tyd gevestigd waren geweest. Ook hebben zy ’er genen anderen naam voor dan die van deEngelsche Vlieg. Tegenswoordig zyn zy zeer menigvuldig in het Land. Egter heeft men opgemerkt dat de Byen, wanneer zy zwermen, zig altyd naar het zuiden en noit naar het noorden verspreiden. Het schynt dat zy de landen de laatste streek uit gelegen zo goed niet vinden voor haar gestel. Zy kunnen ’t inKanadaniet houden, en sterven daar allen des winters. Het scheen my toe dat zy inAmerikawat kleinder waren dan inZweden. Tot nog toe heeft men ze niet in de bosschen aan genen kantderBlauwe Bergengevonden, het welk my in de gedagte bevestigt dat zy hier onlangs eerst zyn overgebragt. Door iemant wierd aan den HeerBartramverhaald, dat hy op zyne reizen in de bosschen een ander soort van Byen gevonden had, die, in plaats van den honig en het wasch in huisjes verdeeld te houden, die beiden onder een vermengd in enen zak by zig droegen. Dog dit berigt vereischt opheldering en bekragtiging.

Vermindering van gevogelte.

Alle de oude lieden inAmerikageboren, die ik over deze zaak onderhield, stemden hierin overeen, dat ’er tegenswoordig op ver na zo veel eetbaar gevogelte niet was als voorheen toen zy kinderen waren, en dat deze vermindering zigtbaar was. Zy zeiden zelfs, dat zy reeds ’er hunne ouders over hadden horen klagen, in wier jonge jaren de bayen, rivieren, en poelen van allerhande watervogels, als ganzen, enden, en diergelyken, vol waren. Dog tegenswoordig ziet men ’er somtyds niet enen enkelden vogel op. Voor zestig of zeventig jaar kon een enig man wel tagtig enden op enen morgen schieten, en thans staat men dikwyls te vergeefs op te passen dat ’er een enige kome. Een negentigjarigeZweedverzekerde my, dat hy in zyne jeugd eens drieentwintig enden in enen schoot gedood had. Zulk een geluk zal thans niemant hebben; en men moet dikwyls enen gantschen dag lopen om ’er twee of drie te zien. De Kraanvogels128kwamen in dien tyd by honderden[126]in ’t voorjaar over, dog tegenwoordig maar weinig. De wilde Kalkoenen en de Patryzen waren voorheen met grote troepen in de bosschen. Maar tegenwoordig is men moede van ’t lopen eer men enen enkelden vogel kan doen opstaan.

Het is niet moeilyk de reden van deze vermindering uittevinden. Voor de aankomst derEuropeanenwas het land onbebouwd en vol zware bosschen. De weinigeWilden, die hier woonden, stoorden de vogels zelden. Zy dreven genen handel onder zig. Zy kenden nog yzer, nog buskruid. Het honderdste gedeelte van de vogels, die toen daar zo menigvuldig waren, was overvloedig om het klein getal Inwoonders te voeden. En wanneer men daarby bedenkt hoe veel tyds zy besteden moesten om hunne kleine Maislanden te bebouwen, om te visschen, om op bevers, herten, beren, en ander wild te jagen, zal men ligt begrypen dat zy weinig om het storen van ’t gevogelte denken konden. Maar sedert de aankomst van zo veleEuropeanenzyn de zaken geheel veranderd. Het land is wel bevolkt, het gevogelte is gedeeltelyk gedood, gedeeltelyk verjaagd: in de lente worden de eyeren, en de oude en de jonge vogels zonder onderscheid, weggenomen, dewyl ’er gene schikkingen gemaakt zyn die zulks beletten. En zo ’er al gemaakt waren, zou de geest van vryheid, die hier sterk heerscht, dezelven weinig doen in agt nemen. Maar schoon het eetbaar gevogelte zeer verminderd is, zyn ’er anderen die eer vermeerderd zyn. Dit kan men eigenlyk het meest zeggen van een soort van Krayen, by deEngelschenZwarte Vogels129en by deZwedenMaisdievengenoemd. Ook hebben zig de Eekhoorns zeer vermenigvuldigd, welken zo wel als de evengenoemde vogel op Mais azen, of ten minden ’er zeer op gesteld zyn. Naar mate nu de bevolking toeneemt, vermeerdert de bouw van de Mais; gevolglyk wordt het voedsel van dit gedierte vermenigvuldigd. Voeg hierby, dat men het zelve zelden eet, en dus niet hindert zig te vermenigvuldigen. Ook zyn ’er nog andere vogels welken men niet eet, die tegenwoordig byna al zo talryk zyn als zy voor de aankomst derEuropeanenwaren. De klagten over ’t verminderen van het eetbare gevogelte waren door gantschNoord Amerikagemeen.

En van den visch.

Oude lieden hadden met den visch even het zelve als met het gevogelte zien gebeuren. In hunne jeugd waren de bayen, rivieren, en poelen zo vol van visch dat men in enen trek ’s morgens vroeg gedaan zo veel ving als een paard slepen kon. Maar tegenwoordig zyn de zaken geheel veranderd; men vischt dikwyls met al zyn want enen gantschen nagt voor genoegzaam niets. De oorzaken van deze vermindering[127]in den visch zyn gedeeltelyk dezelven als die van de vermindering van het gevogelte, visschende men nu geduriger en op meerderhande wyzen dan te voren. De talryke molens op de beekjes en rivieren brengen hier toe ook iets by, want men heeft opgemerkt dat de visch de rivieren opzwemt om zyne kuit in stille wateren te schieten, en dat als hy werken ontmoet die zynen voortgang stuiten, hy terug keert en nimmer wederkomt. Dit verzekerde my een ryk man vanBoston. In een zeker water van zyn’ vader plegt men des winters en byna ook den gehelen zomer door een zeker soort van Haringen te vangen, dog sedert dat men enen molen op dat water gezet had, waren zy niet meer te bespeuren. Dus klaagde men hier overal over ’t verlopen van den visch. Het zelve zeiden sommige oude lieden ook van de Oesters teNew York, want schoon die daar steeds in ene aanmerkelyke menigte gevangen worden, en zy zo vet en lekker zyn als men ze wenschen kan, zeggen alle de oestervangers dat zy grotelyks alle jaren verminderen. De waarschynlykste reden hiervan is het onophoudelyke vangen van dezelven.

Waarnemingen aangaande den visch.

De HeerFranklinverhaalde my dat in den oord vanNieuw Engeland, daar zyn vader gewoond had, twee rivieren in zee vielen, waarvan in de ene zeer veel haring gevangen wierd en in de andere niet een. Egter waren de plaatsen daar deze rivieren zig in zee stortten niet ver van malkander. Men had opgemerkt, dat, wanneer de haring in de lente kwam om zyne kuit te schieten, hy altyd de ene en noit de andere rivier opzwom. Dit deed den ouden HeerFranklinlust krygen te beproeven of hy niet zou kunnen maken dat zy ook in de andere kwamen. Met dit inzigt zettede hy zyn’ netten uit toen zy kwamen om op te zwemmen en ving ’er enigen. Hy nam ’er de kuit uit, en bragt die zorgvuldig in de andere rivier over. De kuit kwam uit, en sedert heeft men veel meer haringen alle jaren in dat water gevangen dan in het ander, en dit blyft nog zo. Dit geeft aanleiding om te denken, dat de visch altyd gaarne daar zyn kuit schiet waar hy zelf is uitgebroeid, en waar hy het eerst in ’t water komt, als ware hy aan die plaatsen gewend.

De volgende waarneming is ook opmerkenswaard. Niemant heeft voorheen gehoord dat men by KaapHinlopenkabeljauwen ving; men ving ze altyd aan den mond derDellaware, dog tegenwoordig zyn zy op de eerstgenoemde plaats menigvuldig. En hieruit zou men kunnen opmaken, dat de visch ook dikwyls uit eigen’ beweging van verblyf verandert.

Verhaal aangaandeGroenland.

Een Schipper, die inGroenlandgeweest was, verzekerde volgens zyne eigene ondervinding, dat ten noorden de 70.gr.de hette veel sterker was dan meer zuidwaards. Hieruit besloot hy dat de hette onder den Pool nog veel geweldiger zyn moest, dewyl de zon daar nog[128]langer zonder ondergaan blyft schynen. Het zelve met de zelve gevolgtrekking had de HeerFranklinook van de Schippers teBostongehoord, die in de noordelykste gewesten van ons halfrond geweest waren. Maar nog wonderbaarder is het geen hy verstond van KapiteinHenry Atkins, die nog teBostonwoont. Enigen tyd op de kusten vanNieuw Engelandene slegte vangst gehad hebbende, zeilde hy meer noordwaards tot op de hoogte vanGroenland. Op ’t laatst kwam hy zo ver, dat hy menschen vond die noitEuropeanengezien hadden, en het geen nog vreemder luidt, die geen kennis in ’t geheel van het gebruik van ’t vuur hadden, en, zo zy al die kennis gehad hadden, zouden zy ’er niets aan hebben gehad, dewyl ’er geen hout in dat land was. Dit volk at den visch en het vleesch geheel rauw. De Kapitein ruilde van deze menschen enige zeer zeldzame vellen voor sommige kleinigheden. Hy heeft op het sterkste betuigd dat dit volk het vuur niet kende. Reeds is het bekend dat ver op naar ’t Noorden nog bomen, nog struiken, nog enig hout te vinden zyn. Maar het is niet waarschynlyk, dat de Inwoonders van zulk een land den traan der visschen en het vet der dieren niet in hunne lampen branden en gebruiken zouden om hun eten te koken en hunne hutten in den winter te verwarmen, byzonderlyk ook om gedurende hunnen winterschen nagt van enige maanden ligt te hebben. Zoude buiten dit zulk ene duisternis wel te verdragen zyn?

HetMoose-deer.

In verscheiden’ geschriften leeft men van een zeer groot dier, dat men inNieuw Engelanden andere plaatsen vanNoord Amerikavinden zou. InIerlandgraaft men somtyds lange en getakte hoorns uit den grond; en geen mensch in de wereld kent een dier dat zulke hoorns heeft. Dit heeft velen lieden aanleiding gegeven om te denken, dat zy van het inNoord Amerikazo berugteMoose-deerwaren, welk dier voorheen in dat Eiland zou moeten geweest zyn. Zelfs heeft men ’er uit opgemaakt datIerlandvoorheen aanAmerikavast geweest is, of ten minsten dat ene keten van Eilanden, die nu weg zyn, ene verbindtenis tusschen die twee gewesten gemaakt heeft. Dit deed my onderzoek doen, of een dier met zo grote hoorns, als men hetMoose-deergeeft, oit in deze gewesten gezien was. De HeerBartramhad veel onderzoeks hier naar gedaan, dog niemant kon hem enig geloofwaardig berigt hier omtrent geven, en dus was hy van gedagte dat ’er zulk een dier niet was. De HeerFranklinverhaalde, dat hy, nog een jonge zynde, twee beesten gezien had die menMoose-deernoemde; dog het stond hem zeer wel voor dat zy van zulk ene grootte niet waren als zy moesten zyn geweest, indien de hoorns inIerlandgevonden voor hun gepast zouden geweest zyn: de twee beesten, die hy zag, wierden naarBostongebragt, om ze van[129]daar aan KoninginAnnate zenden. De hoogte was als die van een groot paard, dog de kop en de hoorns waren hoger. De HeerDudleyheeft ene beschryving gegeven van hetMoose-deerdat men inNoord Amerikavindt.130InKanadazynde vernam ik dikwyls by deFranschen, of men daar oit zo groot een dier gezien had als sommigen zeggen dat ’er inNoord Amerikazyn, en met zo verschrikkelyke hoorns als ’er inIerlandgegraven worden. Dog zy hadden ’er noit van gehoord, veel min ’er gezien. Sommigen deden ’er by, dat indien ’er zulk een dier was zy het noodzaakelyk zouden hebben moetenIs waarschynlyk de Eland.zien, dewyl zy de bosschen zoo veel doorkruisten. Men vindt hier Elanden, die van het zelve soort zyn als deZweedschen, of ene verscheidenheid van dezelven. Van dezen worden ’er dikwyls enigen gevangen die zwaarder zyn dan naar gewoonte; en hier van daan zal misschien het spreukje van het grote dier met de grote hoorns gekomen zyn. Deze Eland wordt door deFranscheninKanadaOriginalgeheten, welken naam zy van deWildenontleend hebben. Misschien meentDudleyin zyne beschryving van hetMoose-deerniets anders dan deze zware Elanden.131

Een zeldzame steen.

De HeerFranklinvereerde my een stuk van enen steen dien men, om dat hy het vuur zo wel weerstaat, inNieuw Engelandgebruikt om ’er smeltovens van te maken. Hy bestaat uit een mengsel vanSlangesteenofLapis ollarisenAsbest. Het grootste deel is een blauwe Slangesteen, vet en glad in ’t aanraken, en gemakkelyk om te snyden en te bewerken. Hier en daar zyn enige glinsterende starretjes, gelyk in dien Asbest wiens vezels uit het middelste als uit een middelpunt voorkomen.132Dezen steen houwt men niet uit de rotsen, maar vindt hem hier en daar op ’t land.

Zeepsteen.

Een andere steen wordt van sommigeZwedenZeepsteen133genoemd, om dat men hem gebruikt om vlakken uit de klederen te doen. Men zou hem in ’t LatynSaxum talcosum particulis spataceis granatisque immixtisnoemen. Ene nadere beschryving zal ik in een ander werk geven. Nu voeg ik ’er maar by, dat de grondkleur bleek groen is met sommige donker blauwe vlakken, en somtyds met enigen die in ’t[130]groene vallen. Hy is zeer glad op ’t gevoel en als gegolfd, en laat zig gemakkelyk zagen en snyden, maar wordt dan niet zeer gelyk. Ik heb ’er van gezien die een vadem en meer lang waren, breed naar evenredigheid, en gemeenlyk van zes duim tot een voet dik. Ik kan niets van zyne oorspronglyke grootte zeggen; ik ben noit op de plaats geweest daar zy gegraven worden, en heb ze maar tePhiladelphiagezien, waar zy gebragt worden alreeds gesneden zynde. De talkdeeltjes zyn in dezen steen omtrent dertigmaal zo veel als de anderen. Men vindt hem op vele plaatsen in het Land, by voorbeeld in de nabuurschap vanChesterinPensylvanie. DeEngelschennoemen hem ookZeepsteen.134

Deze steen wordt voornamelyk op deze wys gebruikt. Eerst dient hy om vlakken uit de klederen te doen. Dog hier toe is de gehele steen niet even goed, want tusschen zyne heldere deeltjes zitten enige donkeren, die geheel uit Slangesteen bestaan, en gemakkelyk met een mes kunnen gesneden worden. Wat van dezen lossen steen tot stof geschraapt en op een smeervlak gestroid, ’t zy in zyde of andere stof, trekt het vet tot zig, en afgewreven zynde neemt het de vlak met zig weg. En gelyk deze steen ook zeer tegen ’t vuur bestand is, maken de Landlieden ’er hunne haarden van, vooral de plaats daar het vuur legt, en de hette ’t grootst is, want hy houdt het sterkst vuur uit. Als men genoeg van dezen steen vinden kan maakt men ’er de stoepen van in plaats van gebakken’ stenen, die men ’er anders toe neemt.

De muren om de hoven, tuinen, en begraafplaatsen, die gemeenlyk van gebakken stenen gemetseld worden, overdekt men met deze steenen, om dat zy zo wel tegens zon, lugt, regen en wind bestand zyn, en niet veranderen maar de ticchels bewaren. Om deze reden maakt men gemeenlyk de deurposten, waarin de hengsels vatten, en de posten van de kelder vensters van dezen steen; in verscheidene openbare gebouwen is ’er de gehele benedenmuur van gemaakt, en in andere huizen worden ’er de hoeken mede opgetrokken.

Zout.

Het zout dat in deEngelsche Noord AmerikaanscheVolkplantingen gebruikt wordt, haalt men uit deWest Indien. DeWildenhebben op sommige plaatsen Zoutbronnen, uit welker water zy zout koken. In ’t vervolg zal ik gelegenheid hebben om enigen derzelven[131]te beschryven. De HeerFranklinwas van gedagte, dat men inPensylvaniegemakkelyker uit het zeewater een goed zout maken zou kunnen dan inNieuw Engeland, waar het somtyds geschiedt, schoon deszelfs legging meer noordelyk is.

Looderts.

Men heeft inPensylvanieeenLoodertsontdekt, dog het was in te geringe menigte dan dat iemant ’er gebruik van zou hebben willenZeilstenen.maken. Men heeft ’er ookZeilstenenvan ene tamelyke deugd gevonden, en ik bezit ’er zelfverscheiden’stukken van.

Yzer.

Yzer wordt inPensylvanieen de andereEngelscheProvincies in zulke menigte gevonden, dat men ’er geheelEuropamede zou kunnen voorzien, en misschien wel de gehele wereld. Het erts is hier veel ligter te bewerken dan inZweden; want op vele plaatsen kan men met een byl, een koevoet, en een houten beitel even zo ligt het erts los maken, als men by ons een kuil in ene harde aarde graaft. Zy weten op vele plaatsen niets van te boren, te doen springen, te branden. Daarby is het erts zeer smeltbaar. Van dit yzer wordt zulk een voorraad gewonnen, dat niet alleen de talryke bewoonders dezer Volkplantingen daar genoeg van hebben, maar dat ’er ook zeer veel van jaarlyks naar deAmerikaanscheEilanden gezonden wordt. Zelfs heeft men sedert enigen tyd begonnen daar mede opEuropate handelen. Dit yzer wordt beter dan enig ander voor de schepen gehouden, wordende veel minder dan hetZweedschedoor het zoute water weggevreten. Enigen zyn van mening dat zy, ongeagt de vragt, hun yzer inEngelandbeter koop leveren kunnen dan enig ander volk, vooral wanneer het land nog meer bebouwd, en daar door de daglonen minder zwaar wezen zullen.

Bergvlas.

DeAmiantus fibris separabilibus molliusculisvan den BisschopBrowalliuswordt inPensylvanietamelyk veel gevonden.135Sommige stukken zyn zeer zagt, anderen wederom vry tai. De HeerFranklinhad, toen hy meer dan twintig jaren geleden ene reis naarEngelanddeed, ene beurs vanAmiantgehad, en die aanSirHans Sloanevereerd. Ook heb ik papier gezien dat van dezen steen gemaakt was. Ik bewaar ’er enige stukken van in myn Kabinet. De HeerFranklinhad van anderen gehoord, dat als men een stuk van dezen steen des winters in de lugt, aan de koude en ’t nat bloot gesteld, laat leggen, hy daardoor gemakkelyk te spinnen wordt; dog hy wist niet hoe ver men hier staat op maken kon. By die gelegenheid verhaalde hy een kortswylig voorval dat hy ’er mede gehad had. Hy had ’er enige stukken van op den papiermolen gegeven om ’er een vel papier van te maken.[132]Toen hem dit gebragt werd, vouwde hy ’t in malkander, wierp het in ’t vuur, zeggende den man die ’t bragt dat hy een wonderwerk zien zoude. Deze, onkundig van de eigenschap dezer stof, was over deze vertoning zeer verwonderd. De HeerFranklinlag hem de zaak, dog niet volkomen, uit. Terwyl hy eens uit de kamer gegaan was, kwamen ’er enigen van zyne kennissen binnen, die terstond het papier kenden. De goede ambagtsman dagt hun iets zeer wonderlyks te verhalen. Hy vertelde hun dan dat hy een vel papier zo kondig toebereid had dat het in ’t vuur niet brandde. Zy hielden zig als of zy het voor onmogelyk hielden. Dog hy beweerde de zaak des te yveriger. Eindelyk kwam het tot ene weddenschap. Dog terwyl hy het vuur wat aanstookte besmeerden de anderen het papier behendig met vet. De man smeet het gerust in ’t vuur, en op het ogenblik was het in volle vlam. Hy stond zonder een woord te kunnen zeggen, terwyl de anderen hun lacchen niet inhouden konden. Zy ontdekten hem daarop het gantsche geheim.

Mieren.

In verscheiden huizen der Stad liepen veel kleineMieren, die haar verblyf of onder den grond of in de holtens der muren hielden. Hare gehele langte bedroeg ene meetkundige lyn. Zy waren zwart of donker rood. Zy hielden veel, even gelyk de Mieren in andere landen, van zoetigheden. De HeerFranklintoonde zig zeer geneigd te geloven, dat deze diertjes op de ene of de andere wys malkander hunne gedagten konden doen weten. Hy beriep zig daaromtrent op enige ondervindingen. Als ene Mier wat suiker of iets anders vindt, loopt zy ten eersten naar haar hol heen. Nauwlyks heeft zy daar ene wyl vertoefd, of een gantsch heir komt ’er uit te voorschyn, kruipt naar de gevondene suiker toe, en vangt terstond aan dezelve by stukken weg te slepen. Ene Mier behoeft ook maar ene dode vlieg hier of daar aan te treffen, die zy alleen niet wegslepen kan, of zy ylt naar huis, en na enige ogenblikken ziet men ’er meer voor den dag komen, en ’t gevonden aas met gemene kragten wegvoeren. Enigen tyd geleden had de HeerFranklinin ene kast een klein aarden potje met syroop staan gehad, in de welke vele Mieren ingeslopen waren, die de zoetigheid gretiglyk op aten. Dog hy merkte het, schudde ze daar uit, en bond den pot met enen dunnen draad aan enen spyker aan den balk vast. Maar by geval was ’er ene enkelde Mier ingebleven. Deze vrat zig zat, dog konde niet wegkomen. Zy liep lang, dog te vergeefs, herom. Eindelyk vond zy den weg langs den draad naar den balk. Daarvan daan liep zy den wand langs, naar den grond. Nauwlyks een half uur daarna, kwam een grote zwerm te voorschyn, trok naar de zoldering en lynregt op den draad aan. Langs den zelven kropen zy weder in den pot en gingen aan ’t eten. Hier mede hielden zy zo lang[133]aan als ’er wat in was. Ondertusschen liep de ene hoop den draad langs af, en de andere op.

Voortekens omtrent het weder.

Een Man van aanzien, die zig lang in dit Land had opgehouden, verzekerde, dat hy sedert byna twintig jaren door de ondervinding opgemerkt had, het geen ook anderen zo vaststelden, dat het aanstaande weder in den gehelen winter hier gemeenlyk zo is als op den 1. November ouden styl. Is het dien gehelen dag helder, zo zal ’er dien winter niet veel sneuw en regen vallen. Maar is het den halven dag klaar en de andere helft betrokken, zo zal het begin van den winter schoon, dog het einde en de lente ruw en onaangenaam zyn. Van gelyken aard waren ook de overige voorspellingen. Op andere plaatsen heb ik ook van diergelyke voortekens van ’t weder gehoord.136Dog gelyk een goed oordeel het vertrouwen op de zelven vermindert, zo hebben ook de gedane aantekeningen aangaande het weder getoond hoe dikwyls deze voortekens gefeild hebben.

Bronnen.

Pensylvanieis ryk aan bronnen. Men zal gemeenlyk ten minsten aan enen kant van elken berg ene bron ontmoeten, waaruit een helder water voortkomt. Dit water wordt dikwyls naar een klein stenen gebouw geleid, waar men het stuit, en den grond doet overstromen. Hier bewaart men des zomers niet alleen de melk, maar verkoelt ’er ook den wyn en andere dranken in. Vele landhuizen waren ook zo aangelegd dat ’er een klein stroompje onder de keuken of de voorraadkamer door liep, om het water by de hand te hebben.

Vyvers.

Niet alleen lieden van groot aanzien, maar alle zulken die enig vermogen bezitten, hebben gemeenlyk by hunne landhuizen vischvyvers, waarin zy altyd zorg dragen dat de visch varsch water kryge. Om deze reden waren de vyvers meest digt by ene bron.

Middel om het gras te doen wassen.

Ik merkte op verscheiden’ plaatsen van dit gewest op hoe men middel wist om veel gras op de weilanden te hebben. De weiden leggen meest tusschen de heuvels en de dalen, waar vele beekjes door stromen. Als de grond te nat is leidt men het meeste water in gruppen af. Dog om voor te komen dat de hete zon het gras verdorre, zoekt men alle de naburige bronnen op, en leidt het water in alle de beekjes, die natuurlyk naar de laagtens lopen, langs het hoogste van de weiden, uit welken men des noods langs sloten het water in de vlakte brengt, zo dat alle de weilanden bewaterd worden. Komt ’er ene wat al te diepe plaats tusschen in, zo leidt men het water langs ene houten buis daar over heen. En om het water des te hoger te hebben, heeft men[134]by de bronnen zelven dyken gemaakt, waar tusschen het zig verzamelen moet, tot dat het die hoogte verkregen hebbe dat het door juist dien weg lopen moet dien men het voorgeschreven heeft. Somtyds heeft men zelfs wel eneEng.myl ver het water over heuvelen en de tusschen gelegene dalen, door middel van houten’ buizen, heen, naar zulke plaatsen gebragt, daar men het hebben wilde. Iemant die het niet gezien heeft kan nauwlyks geloven wat een schoon gras op die weilanden wast, byzonderlyk digt by die afleidingen, daar in tegendeel anderen, waarmede men zo niet gehandeld heeft, ’er bedroefd uitzien. De weiden tusschen de heuvelen leggende hebben meest alle hoger kanten, dus men het water ligt op de zelve leiden kan. De weilanden wierden gemeenlyk driemaal iederen zomer gemaid. Dog de zomer duurt hier zes of zeven maanden.

Wanneer het loof afvalt.

De bladeren waren omstreeks het midden van November allen afgevallen, zo wel van de Eiken als andere bomen, die gewoon zyn hun blad te wisselen, en bedekten in de bosschen den grond wel zes duim hoog. Deze menigte van blad schynt de bovenste zwarte aarde zeer te moeten doen aangroeyen. Egter is zy niet boven de drie of vier duimen dik in de bosschen, en onder dezelve legt ene steenkleurige klei, gemengd met een zand van de zelve kleur. Het is zonderling dat een grond, die noit bebouwd is geworden, met zo gering ene zwarte aarde bedekt is. Dog hier van in ’t vervolg nader.

Eekhoorns.

DeEekhoorns, die hier in de bosschen zeer menigvuldig zyn, zyn van verscheiden’ soorten. Ik zal de gemeensten nauwkeurig beschryven.

Grauwe Eekhoorns.

DeGrauwe Eekhoornszyn overvloedig inPensylvanie, en de andere delen vanNoord Amerika. Van grootte zyn ze omtrent gelyk deZweedschen, dog iets groter, en blyven altyd grauw. De bosschen, vooral inPensylvanie, bestaan meest uit bomen die hun blad laten vallen, en in dezen houden zig de Eekhoorns het liefst op.Catesbyheeft hen, onder den naam van dengroten aschgrauwen Virginischen Eekhoornbeschreven, en naar het leven afgebeeld.137DeZwedennoemen hemGrao Ickorn, en dit is het zelve met hetEngelschGrey Squirrel, ofGrauwe Eekhoorn. Zy hebben hun nest merendeels in holle bomen, en brengen ’er mos, stroo, en andere buigzame dingen naartoe. Hun voedzel is voornaamlyk noten, als hazelnoten,Chinquapins, kastanjes, walnoten,hikorynoten, en eikels. Maar deMaisis hun liefste kost. De grond in de bosschen legt in den herfst vol van eikels en andere noten. Hiervan verzamelen de Eekhoorns enen goeden voorraad voor den winter, en bewaren ze in gaten,[135]die ze graven, op verscheiden’ plaatsen, hier en daar wat. Ook dragen zy ’er veel van naar hunne nesten.

Zo dra de winter komt, en de koude en sneuw hen in hunne nesten sluiten, blyven zy daar verscheiden’ dagen binnen, en leven van den voorraad dien zy daar by een gebragt hebben. Zo dra het weder wat zagter is komen zy voor den dag, en graven een van de gaten open, waar in hun overige voorraad legt. Daar eten zy ten eersten een deel van op, en dragen het overige naar het nest op den boom. In de volgende winters merkten wy dikwyls op, dat als het zagt weder geweest was en ’er ene strenge koude op stond te volgen, de Eekhoorns een dag of twee sterk door de bosschen herom liepen, deels om zig regt zat te vreten, en deels om hunne nesten met enen nieuwen voorraad voor de aanstaande koude te voorzien, gedurende welke zy t’huis blyven. Wanneer men ze dan in ene ongewone menigte herom lopen zag, konde men daaruit vry zeker ene op handen zynde vorst voorspellen.

De Varkens, die hier in ’t veld lopen zo lang ’er geen sneuw legt, om hunnen kost te zoeken, doen den armen Eekhoorns grote schade, door hunne magazynen om te wroeten en den voorraad op te vreten. Zo wel deWildenals deEuropersdoen hun best om deze voorraadhuizen te vinden, dewyl alle de noten die ’er in leggen uitgezogt zyn, en niet alleen door en door ryp, maar ook niet wormstekig. Zo is het ook met de noten en eikels, die de Boschmuis138in den herfst vergadert. DeZwedenverhalen dat ’er in den langen winter van het jaar 1741. zulke menigte van sneuw viel, dat de Eekhoorns niet by hunne magazynen komen konden, zo dat ’er velen van honger sterven moesten.

Ik heb reeds van de schade gesproken die zy op de Maisvelden doen. Zy doen des te meer kwaads om dat zy niet al het koorn, maar alleen het binnenste en zoetste eten, en al het overige te gelyk afbyten. Ik heb eens omtrent het eind van April, dat de Eiken in vollen bloei stonden, ene menigte Eekhoorns in de bomen gezien, somtyds vyf, zes en meer, op elken boom, die de bloemsteeltjes, een weinig beneden de bloem afbeten, en ze op den grond vallen lieten. Of zy ’er iets van aten, of ’er enig ander gebruik van maakten, kan ik niet zeggen. Maar de grond lag vol van eikebloeisems, waaraan de steel nog zat.Ditmaakt dat de bomen zo veel eikels, ten nutte der varkens en andere dieren, niet voortbrengen als zy anders doen zouden.

Mak gemaakt.

Van alle de wilde dieren dezes Lands kunnen de Eekhoorns het gemakkelykst getemd worden, vooral als men ze jong krygt. Ik heb ze[136]zo mak gezien dat ze de kinderen in de bosschen en overal na liepen, en op de schouders kwamen zitten. Somtyds gingen zy maar een stuk wegs in ’t hout mede, en keerden dan terug naar de hokjes die voor hun gemaakt waaren. Als zy eten, zitten zy op hun agterste, en houden het eten tusschen de voorpootjes, en den staart in de hoogte. Wanneer men den makken meer geeft dan ze op kunnen, brengen zy ’t naar hunne koyen, en bewaren het onder de wol of het ander goed daar zy op leggen. Zy waren niet bang voor vreemde menschen, en lieten zig van ieder aanraken, zonder te willen byten. Zy komen somtyds zelfs enen vreemden op den schoot, en gaan daar leggen slapen. Zy spelen met de katten en de honden, en eten ook brood.

De Grauwe wilde Eekhoorns houden ook den staart om hoog als zy zitten. Als zy een mensch zien bewegen zy den staart gedurig, en knarssen op de tanden, dus zy een vry sterk geluid maken, en het is moeilyk ze te doen zwygen. Dit maakt, dat zulken die uit gaan om vogels of andere dieren te schieten dikwyls regt boos op hun worden, dewyl hun geraas hen ontdekt, en het wild waarschuwt. Schoon een Grauwe Eekhoorn niet zeer schuw schynt, is hy egter moeilyk te doden, want zodra hy een mensch ziet, klimt hy op enen boom, en gaat gemeenlyk in ’t topje zitten. Daar tragt hy zig agter de takken te verbergen om niet gezien te worden, en schoon de jager onder rondom den boom gaat, doet de Eekhoorn het zelve al zo schielyk, zo niet schielyker. Vindt hy twee takken die t’zamen komen, hy gaat ’er tusschen zitten, en klemt zig zo sterk ’er in dat hy nauwlyks zigtbaar is. Men mag dan den boom schudden, met takken of stenen goyen, ja zelfs ’er op schieten, hy verroert zig niet. Vindt hy drie takken die t’zamen komen, zo verschuilt hy ’er zig tusschen, en dan is hy genoegzaam buiten gevaar. Somtyds ontsnapt hy op enen boom daar oude eekhoorn- of vogelnesten in zyn, en dan sluipt hy ’er in, zonder dat men hem ’er uit kan krygen, het zy met smyten, schudden of schieten; want de Grauwe Eekhoorn springt zelden van den enen boom op den anderen, ten zy in den uitersten nood. Zy lopen gemeenlyk den zelven weg langs den boom naar boven en naar beneden, met het hoofd vooruit. Verscheidenen, die ik in de bosschen schoot, waren vol van vloyen.

Talrykheid.

Ik heb reeds aangemerkt dat ’er tegenswoordig veel meer Eekhoorns zyn dan voorheen, dog het is aanmerkenswaard dat ’er in sommige jaren een veel groter getal van Eekhoorns uit de binnenlanden naarPensylvanieen de andere Volkplantingen afkomt dan in de anderen. Zy komen gemeenlyk in den herfst, en hebben het dan zeer druk met in de bosschen noten en eikels te verzamelen, die zy in holle bomen of hunne magazynen brengen. Zy zyn zo naarstig in het aanleggen van hunne voorraadhuizen, dat schoon de noten dat jaar zeer overvloedig geweest[137]zyn, men ’er bezwaarlyk veel van vinden kan. Men beweerde hier ondervonden te hebben, dat als ’er zo veel Eekhoorns uit de binnenlanden kwamen de volgende winter gemeenlyk gestreng was. Dog dit is niet altyd zo, gelyk ik in den herfst van 1749. bevonden heb, wanneer ’er een groot getal Eekhoorns in de Volkplantingen afkwam, en egter was de winter niet harder dan naar gewoonte. Dog het bleek dat hun verhuizen aan de schaarschheid van noten en eikels in de bovenlanden moest toegeschreven worden. Om deze reden keren zy gemeenlyk het volgende jaar weder naar hunne oude woonplaats te rug.

Hun vleesch.

De huid.

Sommige menschen houden het vleesch van de Eekhoorns voor ene grote lekkerny, dog anderen maken ’er in ’t geheel geen werk van. De huid deugt niet veel, alleen snydt men ’er nog wel riemen uit, om dat zy redelyk tai zyn. Sommigen gebruiken ze om klederen te voeren by gebrek van iets beters.

Betoverd door de Ratelslang.

DeRatelslangverslindt den Eekhoorn dikwyls ongeagt zyne gezwindheid. Dit handeloze schepsel wil men dat dikwyls zo vlug een dier alleen door zyne betovering vangt. Ik had noit gelegenheid van het te zien, maar zo vele geloofwaardige lieden verzekerden my ’er van, verklarende het met grote opmerkzaamheid zelven gezien te nebben, dat ik my gedwongen vinde een zo eenparig getuigenis aantenemen. Deze betovering geschiedt op de volgende wys. De slang legt onder den boom waarop de Eekhoorn zit, hare ogen zyn op hem gevestigd, en van dat ogenblik af kan hy niet ontkomen. Hy begint een droevig geschrei, het welk zo kenbaar is dat ieder die het hoort daaruit weet dat hy van de slang betoverd wordt. De Eekhoorn loopt enigen tyd den boom wat af en wederom op, dog altyd wat meerder naar beneden dan naar boven. De slang blyft van onderen hare ogen op het beestje gevestigd houden, met zulke ene aandagt dat men ’er omtrent komende een groot geweld kan maken zonder dat zy het eens merke. De Eekhoorn ondertusschen komt al lager en lager, en springt op ’t laatst der slange te gemoet, welker bek alreeds open is om hem in te zwelgen. Het arme beestje loopt dan onder een naar gehuil in den mond der slang, die, als het niet te groot is, het in eens doorzwelgt. Maar is de proi te groot om in eens doortegaan, zo belikt de slang het zo lang tot dat het glad genoeg is om op eenmaal te kunnen doorgeslikt worden. Alle de merkwaardige omstandigheden van deze betovering heb ik beschreven in deVerhandelingen der Zweedsche Koninglyke Maatschappy der Wetenschappenvoor het jaar 1753. Dus wil ik hier niet breedvoeriger wezen. De zelve toverkragt wordt aan de zogenaamdeZwarte Slangook toegeschreven.139[138]

Zyn zeer schadelyk.

De Eekhoorns doen niet alleen ene merkelyke schade in de Mais terwyl zy op ’t veld staat, gelyk ik reeds heb aangemerkt, maar zelfs wanneer zy reeds in de schuren is, want, als zy ’er by komen kunnen, zyn zy in staat in weinige nagten wel ene gantsche ton vol naar hunne holen te verslepen. Om deze reden heeft de Regering in de meesteAmerikaanscheVolkplantingen ene beloning gezet op den kop van iederen Eekhoorn. Het schynt onbegrypelyk zulk een geld als ’er inPensylvanie, alleen van den 1. Januari 1749. tot den 1. Januari 1750. toe, voor Eekhoorns koppen betaald is. Toen de Afgevaardigden der Provincie vergaderden klaagden zy allen dat hun schatkist door alle die beloningen voor Eekhoorns koppen leeg geraakt was, want ’er stond toen een prys van driepenceop. In dat jaar waren agtduizend ponden St.Pensylvanischgeld voor pryzen betaald. Dit is my verzekerd van een man die zelf de rekeningen had nagezien.

Vele menschen, vooral jonge lieden, lieten al ander ambagt varen, en gingen naar de bosschen om Eekhoorns te schieten. Dog de Regering heeft sedert den prys tot de helft verminderd.

Vliegende Eekhoorns.

DeVliegende Eekhoornszyn een byzonder soort, en schynen de zelven te zyn die men in sommige delen vanFinlandvindt, en die door de HeerLinnæusin zyneFauna SuecicaNo. 38.Sciurus volansgenoemd wordt. Op zyn hoogst is deAmerikaanscheVliegende Eekhoorn ene verscheidenheid van denFinlandschen.Catesby140heeft hem naar het leven beschreven en afgetekend. Hy geeft hem den zelven naam. Men vindt dit dier in de bosschen, dog niet menigvuldig. Zelden ziet men ze by dag, ten zy ze gedwongen worden door het storen hunner nesten zig te vertonen, want zy slapen over dag; dog zo dra het begint donker te worden, komen zy te voorschyn, en lopen byna den gantschen nagt. Zy onthouden zig in holle bomen; en by het vellen derzelven komen ’er somtyds zeven en meer van voor den dag. Door middel van een vel met het welk hen de Voorzienigheid aan hunne beide[139]zyden voorzien heeft, kunnen zy van den enen boom op den anderen vliegen. Deze vellen spannen zy uit als vleugels, en trekken ze weder in zo dra zy den naburigen boom bereikt hebben. Sommige menschen zeggen dat zy altyd horizontaal vliegen, dog anderen verzekerden dat zy eerst een weinig naar beneden gaan en dan weer ryzen, wanneer zy omtrent den boom zyn in den welken zy vliegen willen. Zy kunnen ’t niet verder brengen dan vier of vyf vadem. Van alle de Eekhoorns zyn dezen ’t gemakkelykst te temmen. De kinderen nemen ze mede naar school of waar zy ook henen gaan, zonder dat deze dieren oit zoeken te ontsnappen. Als zy den Eekhoorn wegzetten springt hy hun ten eersten weder op het lyf, kruipt hun in den boezem, in de mouwen, of in de ployen van de klederen, en gaat daar leggen slapen. Zyn voedsel is even het zelve als dat der overige Eekhoorns.

Aardeekhoorns.

In de bosschen vindt men een klein soort van Eekhoorns, by deEngelschenAardeekhoornsgenoemd.Catesbyheeft ze beschreven en afgebeeld141onder den naam vanGestreepten Eekhoorn.142Deze woont niet, gelyk de anderen, in holle bomen, maar onder den grond, daar zy, omtrent als de Konynen, holen graven, waarnaartoe zy de vlugt nemen wanner zy onraad gewaar worden. Die holen gaan diep in den grond, en verdelen zig in verscheiden armen, waarvan sommigen ook openingen boven de aarde hebben, zo dat zy, wanneer het gat daar zy uitgekomen zyn mogt toegestopt worden, enen anderen weg vinden om te ontvlugten. Maar in denherfst, wanneer het blad sterk valt, is het waard om hunne verlegenheid te zien, als zy vervolgd worden, want dan, hunne holen door de bladeren toegestopt zynde, hebben zy veel werks om ze zo schielyk te vinden. Dan lopen zy ginds en weder, als of zy den weg vergeten waren, en schynen niet te kunnen begrypen waar de ingangen van hunne holen gebleven zyn. Als men ze dan vervolgt, of in de handen klapt, blyft hun gene anderetoevlugtover dan op de bomen te klouteren, het geen zy anders noit doen. Dit soort is inPensylvanieveel talryker dan in de andere Provincien vanNoord Amerika, die ik bezogt heb. Zy zyn gemeenlyk zes duim lang, behalven hunnen krommen staart, en zeer dun. Het vel is roodagtig bruin, en getekend met vyf zwarte strepen, ene vlak op den rug[140]en twee aan iedere zyde. Hun aas is allerlei koorn, rog, garst, weit, mais, eikels, noten en diergelyken. Zy verzamelen ook in den herfst hunnen wintervoorraad, en bewaren dien in hunne holen. Als zy op een koornstapel komen doen zy al zo veel schade als de muizen en ratten. Men heeft dikwyls opgemerkt, dat, als zy rogge gegeten hadden en dan weit kwamen te vinden, zy de rogge overgaven om den buik op nieuws met weit te vullen, als zynde meerder naar hunnen smaak. Als men de Mais op ’t veld inzamelt maken zy hun werk van de airen aftebyten, en hunne bekken met koorn te vullen, zo dat hunne wangen geheel opgezet zyn. Met dezen buit haasten zy zig naar hunne holen.

Hunne holen.

EenZweed, vry laat in ’t najaar enen molendam doende maken, en daartoe de aarde van enen naburigen heuvel gebruikende, ontmoette een hol van deze Eekhoorns. Hy volgde den gang dien hy gevonden had, en ontdekte enen anderen, die ’er, als een tak uit den hoofdstam, uitkwam, en byna twee voet lang was, aan het einde van den welken hy ene menigte uitgezogte eikels vond, die het kleinezorgvuldigedier voor den winter had opgelegd. Kort daarna vond hy enen anderen gang op zyde, gelyk aan den voorgaanden, dog die enen frayen voorraad van Mais bevattede. Een volgende diende om Hikorynoten te bewaren, en de laatste gang, die ook de meest verborgene was, bevatte omtrent twee hoeden vol uitmuntende kastanjes.

Des winters ziet men deze Eekhoorns zelden, levende zy dan in hunne holen van den verzamelden voorraad. Evenwel komen zy nog wel eens op enen moyen dag te voorschyn. Dikwyls graven zy in de kelders, waarin de landlieden hunne appelen bewaren, die zy dan ten dele opeten, en ten dele bederven, zo dat ’er weinig van overblyft. In de Mais gaan zy niet minder ruw te werk. Dog de katten zyn hunne grote vyanden, die ze dood byten en opvreten, of ze hunnen jongen t’huis brengen. Deze Eekhoorns worden van gene menschen gegeten; ook gebruikt men hun vel niet.

Dit soort laat zig het minst mak maken; want, schoon zy al zeer jong gevonden zyn, is het nogthans gevaarlyk ze met de blote hand aanteraken, dewyl zy zeer scherp byten als men niet oppast. Verscheiden kinderen, die veel moeite genomen hadden om ze te temmen, zeiden dat zy gene kans zagen om ze zo mak te maken als de andere soorten. Het best gaat het nog als men ze krygt nog geheel klein zynde. Vele menschen hielden ze in koyen terwyl zy nog wild waren, om dat zy ’er zeer aardig uitzien.

By ene andere gelegenheid zal ik van den zwarten en roodbruinen Eekhoorn spreken, die ook hier gevonden wordt.


Back to IndexNext