Pl: I.C. J. de Huyser. fecit 1772Pl: I.Vliegende Eekhoorn.Aard Eekhoorn.Amerikaansche Bunsem.[141]Voortekens van een Orkaan.Den 15. November verhaalde my de HeerKockeen toeval, dat hem overgekomen was, en te bevestigen scheen dat de orkanen door zekere tekens van te voren zig aankondigen. Hy zeilde naar deWest Indienin een klein Jagt, en had een oud man aan boord, die langen tyd deze zee bevaren had. De oude man de diepte peilende riep den stuurman toe, den HeerKockte zeggen, dat hy terstonds de boten moest uitzetten met een genoegzaam getal volks, om het Jagt gedurende de stilte voortteroeyen, ten einde het Eiland zo schielyk als mogelyk was te bereiken, dat voor hun lag, dewyl men binnen vierentwintig uren een geweldig orkaan te wagten had. De HeerKockvroeg hem waarom hy dit dagt, en de oude man zeide hem, dat hy by het peilen het lood enige vademen dieper in het water gezien had dan te voren; dat derhalven het water eensklaps helder was geworden, het welk hy voor een onfeilbaar teken van een aanstaande orkaan in zee hield. De HeerKockzag ook de ongewone klaarheid van het water. Hy gaf dan onmiddelyk bevel om de boot in ’t water te brengen en het Jagt voortteroeyen; zo dat zy voor den nagt in behouden haven kwamen. Dog voordat zy die nog volkomen bereikt hadden, begonnen de golven al hoger en hoger te gaan, en het water scheen als te koken, schoon men nog genen wind gewaar werd. Des nagts ontstond het Orkaan en woedde zo vreeslyk, dat niet alleen ’er vele schepen vergingen, en de daken werden weggerukt, maar dat zelfs het Jagt van den HeerKocken andere schepen, schoon in veilige havens leggende, door het geweldig opzetten der baren zo ver op ’t land gezet werden, dat ’er verscheiden’ weken verliepen voor dat zy ’er weder af kwamen.Een oudHollandschschipper zeide, dat hy eens enen Hai in de Bai vanNew Yorkgevangen had, die opengesneden zynde ene menigte van alen in zyn’ maag had.Oude potten gevonden.De HeerBartramvertoonde my den 18. November een aarden pot, die op ene plaats gevonden was daar voorheen deWildengewoond hadden. De man, die hem het eerst had opgegraven, bewaarde daar smeer in om zyn’ schoenen en laarzen mede te smeren. De HeerBartramkoftden pot van hem. Zy was nog onbeschadigd. Ik kon ’er nog verglazing, nog kleur op onderkennen, maar van buiten had hy veel sieraden, en over ’t geheel was hy zeer wel gemaakt. Ook vertoonde my de HeerBartramvelerhande stukken van gebroken aarden vaten, welken deWildenvoorheen gebruikten. Het was duidelyk aan deze allen te zien dat zy niet van enkelde klei gemaakt waren, dog dat ’er verscheiden’ andere stoffen onder gemengd waren, volgens de natuur der plaatsen daar zy waren gemaakt. DieWilden, by voorbeeld, die digt aan de zeekust woonden, stampten oester- en mosselschelpen, en mengden die met de klei. Anderen, die dieper in het Land hunne woonplaatsen[142]hadden, waar men bergkrystallen vinden kon, mengden die ook gestampt onder de potaarde. Dog hoe zy in ’t maken dier potten te werk gingen is gantsch onbekend. Zeker is het dat zy ze niet hard bakten, want zy waren zo week dat men ze met een mes kon aan stukken snyden. Egter scheen het werk zeer goed te zyn, want men vindt nog gehele vaten of stukken in den grond die in ’t geheel niet beschadigd zyn, schoon zy meer dan tagtig jaren onder de aarde gelegen hebben. Voor dat deEuropeanenzig inNoord Amerikanederzetteden, hadden deWildengeen ander vaatwerk om hun eten in te koken dan deze aarden potten van hun eigen maaksel. Dog sedert derzelver aankomst hebben zy altyd potten, ketels, en ander vaatwerk van hungekoft, en zig niet meer bekommerd om die zelven te maken, zo dat zy deze konst geheel verloren hebben. Dus zyn, zelfs onder deWilden, potten van hun eigen maaksel ene grote zeldzaamheid gevonden. Ik heb ’er van gezien die uit een soort van ’tTalcumvanLinnæusbestonden.Leyen.De HeerBartramtoonde my ook kleine stukken van ene zwarte Lei, die overvloedig op sommige plaatsen aan de RivierSkulkillgevonden wordt. Men vindt ’er stukken van die vier voet en meer in ’t vierkant zyn. De kleur en ’t maaksel is het zelve als de Tafellei,143uitgenomen dat die wat dikker is. De Inwoonders omstreeks deSkulkilldekken ’er hunne daken mede, en de HeerBartramverzekerde my dat hy een geheel dak gezien had bestaande uit vier zulke Leyen. De stralen der zonne, de hette, de koude, en de regen hebben genen invloed op dezen steen.Stalactites.Nog verhaalde die Heer dat op vele plaatsen holen gevonden wierden, die diep onder ’t gebergte doorliepen. Hy was in verscheidenen van dezelven geweest, en had ’er veelstalactitesvan verschillende grootte boven aan in ’t binnenste van de bergen gevonden. Zy waren van verscheiden kleuren. Dog het byzonderste was, dat hy ’er enigen vond die uiterlyk van boven tot onder toe als gescheurd waren. Hy had ’er sommige stukken van naarLondengezonden, dog had ’er thans geen.Reis naarRakoon.Den 20. November ging ik in den morgen, nevens enen Vriend, op een reisje naarRakooninNew Jersey, daar veleZwedenwaren, die hunne eigene kerk hebben. Wy moesten drieEng.mylen afdoen eer wy aan het Veer kwamen, daar wy over deDellawarekonden gezet worden. Het land was hier op vele plaatsen zeer laag. De vlaktens wierden by elken vloed overstroomd, en liepen by de ebbe weer ledig. Evenwel had men zig deze vlaktens door middel van dyken weten ten nutte te maken. Het waren nu weilanden.[143]Hier waren veleWaterbeukenaan beide de zyden van den weg geplant, digt op een, welken in den zomer ene aangename lommer geven, aangezien de grootte en menigvuldigheid van hunne bladeren. Dit maakt den weg zeer vermakelyk, gelykenden naar ene lommerryke laan. DeDellawareis hier omtrent even zo breed als byPhiladelphia. Digt by het Veer waren verscheiden aardige huizen op beide de zyden gebouwd, waar de Reizigers verfrisschingen krygen kunnen. Op onze uitreis vanPensylvanienaarNew Jerseywierden wy over deDellawaregezet in een vaartuig dat den waard aan de zyde vanPensylvanieaanging; maar op onze terugreis moesten wy dat van den man die aan de overzyde woont gebruiken. Zo als wy de Rivier over waren bevonden wy ons in ene andere Provincie, want deDellawaremaakt de grensscheiding uit tusschenPensylvanieenNew Jersey, zo dat al wat ten westen der Rivier legt tot het eerst genoemde, en het geen ten oosten is tot hetlaatstgemelde gewest behoort. Dog beide de Landschappen hebben verschillende wetten en verschillende munt.Landsdouwe.Wy vervolgden onze reis verder, en merkten welhaast op, dat het land aan die zyde daar wy thans waren gantsch anders ’er uitzag dan aan de overzyde, want inPensylvaniebestaat de grond meerder uit klei en zwarte aarde en is zeer vrugtbaar; maar inNew Jerseyis hy zandiger en mager, zo dat de voeten der paarden op vele plaatsen zeer diep in ’t zand zakten. Digt by de plaats daar wy waren overgezet, een eind wegs langs den oever, was een tamelyk zwaar Dennebosch. De bomen waren niet zeer hoog, dog in hunne grootste kragt; tusschen beiden vertoonde zig hier en daar enig eiken kreupelhout. Maar na dat wy omtrent drieEng.mylen verder waren, eindigde het Dennewoud, en wy zagen niet meer van die bomen voor dat wy by de Kerk vanRakoonkwamen. In alle de delen vanPensylvaniedaar ik geweest ben, heb ik weinig Dennebomen gevonden; in tegendeel zyn ze menigvuldig inNew Jersey, en vooral in het beneden deel van dat Landschap. Vervolgens zagen wy den gantschen dag geen ander geboomte dan dat zyn blad laat vallen; meest Eiken van verscheiden’ soorten en grote hoogte; dog zy stonden overal zo ver van malkander dat ’er een rytuig tusschen door kon ryden, zynde daar weinig of gene struiken die het verhinderen konden. De bladeren bedekten thans den grond ter hoogte van ene hand breedte, het welk de bovenste zwarte aarde moet doen toenemen. Op vele plaatsen stroomden kleine beekjes. Het land was gemeenlyk vlak, dog maakte hierendaar enen langzaam opgaanden heuvel. Grote bergen vertoonden zig niet, en op sommige plaatsen vonden wy enige stenen, die niet groter dan een vuist waren. Men zag enige huizen verspreid staan, en op ene plaats alleen lag een klein dorp. Het land was meer met hout bedekt dan bebouwd, en wy waren meest altyd in een bosch.[144]Riviertjes.Dien dag en de volgenden trokken wy verscheiden zogenaamdeKillsof kleine riviertjes over, die langzaam naar deDellawareuit het land henen vloeiden. Als het ty in deDellawareopkwam, zwollen deze stroompjes ook een eind wegs. Voorheen moeten zy by den vloed veel breder geweest zyn, dog tegenwoordig worden zy door dyken belet de naburige weiden te overstromen. Langs alle de rivieren waren hier dyken gelegd, zo dat het water by den vloed hoger was dan het land. In de dyken waren schutdeuren, waardoor men het water uit- en inlaten kon. Zy lagen somtyds aan den buitenkant van den dyk, zo dat het binnenwater hoger zynde ze open drong, en het buiten water ze toesloot.Dien avond namen wy onzen intrek by enenZweed, genoemdPeter Rambo.Pynbomen.De Pynbomen die wy dezen dag gezien hadden, waren van dat soort dat dubbelde bladeren en langwerpige zaadhuisjes of pynappelen, met schubben gedekt, draagt.144DeEngelschennoemen ze onderscheidshalvenDennen van New Jersey. Gemeenlyk zitten ’er maar twee bladen of prikkels in ene schede, gelyk by deZweedschen. Dog uit sommige scheden kwamen ’er drie. De zaadhuisjes hadden lange stekels, zo dat ze kwalyk aanteraken waren. In de verte zien ’er anders deze Dennen juist zo uit als onzeZweedschen. Uit dezelven werd zeer veel teer gebrand, waarvan ik hierna breder spreken zal. Zy deugen voor niets anders, als allen te klein zynde. Als men ze voor palen in de aarde gebruikt, vergaan zy binnen kort. Zo dra zy geveld worden komen ’er wormen in. Men gebruikt ze egter om te branden in plaatsen daar men geen ander hout krygen kan. Ook maakte men ’er hier en daar smidskolen van, gelyk ik in ’t vervolg verhalen zal. Dog ’er is nog iets byzonders omtrent deze bomen aantemerken, het welk nevens my vele menschen bevonden hebben. In de grote hette des zomers zoekt het vee hun lommer veel meer dan dat van den Eik, of andere bomen, wier blad zeer dik is, en als het de laatsten onder de Dennen gemengd vindt, gaat het altyd onder de Dennen staan, schoon ’er ene betere lommer onder de anderen is; en wanneer ’er maar een enkelde van deze bomen te vinden is, loopt ’er zo veel vee onder als ’er onder staan kan. Sommigen wilden hieruit opmaken dat de harstagtige uitwaassemingen van den Denneboom voordelig voor het vee zyn, en het meer genegen maken om onder dezelven dan onder andere bomen te staan.Lepelboom ofKalmia.DeLepelboom145komt noit tot ene grote hoogte. Wy zagen[145]hem dezen dag op verscheiden’ plaatsen. DeZwedengaven hem dezen naam, omdat deWilden, die hier voorheen woonden gewoon waren hunne lepels en spanen van dit hout te maken. Ik heb zulk een lepel in myn Kabinet, gemaakt uit dit hout door enenAmerikaan, die op de zelve plaats waar nuPhiladelphiastaat verscheiden herten gedood heeft, want in dien tyd was die plaats geheel bedekt met bomen en kreupelhout. DeEngelschennoemen dezen boomLaurel, om dat zyne bladen zeer veel naar die van denLaurocerasusgelyken. De RidderLinnæusheeft, volgens zyne byzondere vriendschap jegens my, de goedheid gehad, hem den naam te geven van debreedbladerigenKalmia.146Deze boom tiert het best tegens de heuvels, vooral aan de noordzyde als ’er een beekje langs loopt; om die reden kan men staat makenKalmiaste vinden wanneer men op ene steile plaats komt waar een beekje omtrent loopt. Maar hy staat veeltyds vermengd onder de beuken. Hoe hoger deKalmiategens het noorden op den heuvel staat te minder groeit zy. Ik heb ze niet alleen inPensylvanieenNew Jersey, maar ook, dog schaarsch, inNew Yorkgezien. Ik vond ze noit noordelyker dan 42.gr. N.schoon ik ’er zeer oplettede of zy ’er ook waren. Deze boom behoudt zyne fraye groene bladeren den winter over; zo dat, wanneer de andere bomen al hun sieraad kwyt zyn, zy de bosschen met hun groen opluisteren. Omtrent Mai begint hy hier te bloeyen, en dan betwist hy den rang van schoonheid aan alle de bekende bomen. De bloemen zyn ontelbaar, en zitten aan grote trossen. Voor dat zy opengaan hebben zy een schoon rood; maar naderhand verbleekt ze de zon, zo dat zy geheel wit worden. Sommigen hebben ene rozekleur. Haar gedaante is zonderling, want zy gelyken veel naar een kroes der Ouden. Dog de reuk is zo aangenaam niet. Op sommige plaatsen was men gewoon op kersmis en nieuwjaarsdag de kerken met de takken van dezen boom, die dan geheel groen zyn, opteschikken.Vergiftig.Dog deze boom heeft ene andere eigenschap. Zyne bladen zyn een vergift voor sommige, en een voedsel voor andere dieren. De ondervinding heeft geleerd, dat, als de schapen ’er van eten, zy of ten eersten sterven, of zeer ziek worden, en ’er bezwaarlyk van opkomen. De jonge en tedere schapen sterven van ene kleine hoeveelheid, dog die wat ouder zyn kunnen wat meer verdragen. Egter is dit voedsel hun dodelyk, wanneer zy ’er wat veel van eten. Het zelve heeft plaats omtrent de kalveren, die ’er ook van sterven, of ten minsten bezwaarlyk ’er afkomen. Het heugt my dat in denherfstvan 1748. sommige kalveren van die bladen gegeten hadden, zeer ziek wierden, opzwollen, schuim op[146]den mond kregen, en ’t nauwlyks op de benen houden konden. Men reddede ze egter door ’t ingeven van buskruid en andere middelen. De schapen zyn het meest aan ’t gevaar bloot gesteld van door deze bladeren in bekoring gebragt te worden in den winter, want, na lang op stal gehouden te zyn geweest, zyn zy gretig naar alle groen, vooral als de sneuw nog op het veld legt. Paarden en Ossen bekomt dit blad ook zeer kwalyk, en schoon ’er noit een van gestorven is, gelooft men egter in ’t gemeen dat indien zy ’er wat veel van aten zy ’er ook van sterven zouden, want men heeft opgemerkt, dat als zy ’er maar ene geringe hoeveelheid van aten zy ’er voor lyden moesten. Daarentegen zyn deze bladeren een voedsel in den winter voor de Herten, wanneer het veld onder de sneuw legt, en zy niets anders vinden kunnen. Wanneer men ze dan schiet is hun gedarmte met dit blad opgevuld, en het is iets wonderlyks dat, als men die ingewanden den honden geeft, dezelven daar wild en als dronken van worden, en somtyds ook zo ziek dat het schynt dat zy ’er van zullen sterven. Dog de menschen hebben geen ongemak van het eten van het vleesch van zulke herten. Ook zyn deze bladeren in den winter een voedsel voor zekeren vogel, dien deZwedeninNoord AmerikaHazelhoengenoemd hebben, die hier den winter over blyft. Als men dan ’er een van schiet, vindt men den krop vol van deze bladeren.Het hout.Het hout van deKalmiais zeer hard, en daarom gebruikt men het om assen in katrolblokken te maken; dog vooral dient het voor weversspoelen, waartoe de wevers geen hout hieromstreeks beter houden, want het is vast, laat zig ligt glad maken en springt niet. De schrynwerkers en drayers maken ’er ook allerlei werk van, waartoe men anders gewoon is het beste soort van hout te gebruiken. Byzonderlyk neemt men daartoe den wortel, dewyl die doorgaans geel is. Het hout is zo fyn en hard als men ’t zou kunnen wenschen. Uit het middelpunt lopen verscheiden stralen uit, dog wat ver van malkander. Als men het loof in ’t vuur smyt, spat het als of men ’er zout in gegoid had. Men gebruikt des winters de takken met de bladeren daaraan om de schoorstenen te vegen. In ’t jaar 1750. werden de meeste bomen inPensylvanievan zekere rupsen kaal geschoren, dog dezen waagden zig niet op deKalmia. Enige lieden beweerden dar als ’er des zomers brand in een bosch ontstond, het vuur zig door dezen boom liet stuiten.Mais.Zo wel deZwedenals de andere Inwoonders planten zeer veelMais, niet alleen voor zig maar ook voor hun vee. Men beweerde dat ’er geen beter voer voor de varkens was, om dat zy ’er zeer vet van wierden, en hun vleesch ’er enen beteren smaak door kreeg als van enig ander voedsel. Ik heb derKoninglyke Zweedsche Maatschappye[147]der Wetenschappentwee Vertogen over dit soort van graan gegeven, die in hare Verhandelingen te vinden zyn.147De wielen der karren die men hier gebruikt bestaan uit twee soorten van hout. Tot de velgen neemt men den Spaanschen, en tot de speken den Witten Eik.Sassafras.DeSassafrasboomwies hier overal. DeZwedennoemen hem hierSaltenbras, ofSalsenfras. Als men wat van dit hout in ’t vuur werpt, springt het even als of ’er zout in lag. Men gebruikt het voor palen aan de tuinen, want het duurt lang in de aarde. Anders denkt men dat ’er nauwlyks een hout te vinden is, dat in de blote lugt zo zeer van de wormen wordt aangegrepen, als dit, want zy vreten het in korten tyd door en door. DeZwedenzeiden dat deWilden, die voorheen hier woonden, ’er schalen van maakten. Als men iets van den boom, of deszelfs jonge scheuten, afsnydt, en het onder den neus houdt, heeft het enen sterken dog aangenamen reuk. Sommigen schillen den wortel, en brouwen de schil in hun bier, om dat zy denken dat dit zeer gezond is. Men legt de schil ook in brandewyn, of terwyl men hem nog bezig is over te halen, of naderhand als hy al klaar is, insgelyks voor de gezondheid.Goed tegens de waterzugt.Een oudeZweedherinnerde zig nog dat zyne Moeder verscheiden’ menschen van de waterzugt genezen had, door middel van een afkooksel van den Sassafraswortel in water, elken morgen genomen, dog te gelyk kopte zy den lyder op de voeten.Gebruikt tegens de weegluizen.Wanneer men een stuk lands met hout bewassen bebouwen wil, laat men ’er gemeenlyk de Sassafrasbomen op, om dat zy sterk in de bladen zyn, en in de zware hette het vee lommer verschaffen. VeleZwedenwaschten met een afkooksel van de schil des wortels van den Sassafras het vaatwerk uit, waarin zy Cyder, bier, of brandewyn brouwen wilden, om dat zy zig verbeeldden dat daardoor de dranken gezonder wierden. Sommigen hadden de posten hunner bedden van die hout laten maken om de weegluizen te verdryven, het welk zy meenden dat door zynen sterken reuk dat ongedierte hinderen zou daarin te nestelen. Zo lang ook dat hout zynen sterken reuk behoudt had men ’er ene goede uitwerking van bespeurd, dog naderhand kon men niet merken dat het veel hielp. EnigeEngelschenverhaalden dat het enige jaren geleden teLondenin ’t gebruik was geweest de bloemen van den Sassafras als thee te drinken, om dat men het voor zeer gezond hield. Dog toen men begon te bedenken dat deze drank veel tegens deVenusziektegebruikt wierd, schafte men het af, uit vrees van kwade verdenking. InPensylvanieplagten enige menschen de spaanders van[148]dit hout in de kasten te leggen, om de motten uit het wollen goed te houden. De wortel behoudt langen tyd zynen reuk. Ik heb ’er enen gezien die wel vyf of zes jaar in ene lade gelegen had en nog zeer sterk rook.Rambo, deZweed, vertelde dat deWildenvoorheen allerlei leder met den bast van den kastenjen eik rood plagten te verwen. En enige oude lieden bragten zig te binnen dat hier in ’t jaar 1697. een zo harde winter geweest was, dat het ys in deDellawaretwee voeten dikte had gehad.Digt en zwaar Gras.Aoke Helmwas een der voornaamsteZwedenin dezen oord, wiens Vader met denZweedschenGouverneurPrinzherwaards gekomen was. Hy was over de zeventig jaar oud. Deze oude man verhaalde ons dat in zyne kindschheid in de bosschen een zeer digt gras plegt te wassen, wel twee voeten hoog, dog dat het thans zo verminderd was, dat het vee werk had genoeg te vinden, en dat tegenwoordig vier koeyen niet meer melk gaven dan toen ene, dog de oorzaken van deze verandering zyn ligt te vinden. In de jeugd van den oudenHelmwas het land weinig bebouwd, en men hield ’er nauwlyks het tiende deel van het vee dat men ’er nu houdt, dus had ene koe toen zo veelDuur maar een jaar.voedsel als nu tien. Verders, het meeste gras duurt hier maar een jaar, en wast niet, gelyk by ons inZwedenhet meeste doet, verscheiden jaren voort uit enen den zelven wortel. Dus moet men ieder jaar op nieuws gras zayen. Het groot getal van beesten nu verhindertGebrek.het voortzayen dewyl zy het gras afeten eer het bloeyen kan. Dus moet men zig niet verwonderen dat het gras tegenwoordig zo dun staat. Dit maakt dat men, vooral des winters, op reis verlegen genoeg is met zyne paarden, en dat zo wel inPensylvanieenMarylandals inNew Jersey, want het gras is daar gantsch niet overvloedig aan te treffen, dewyl het door het vee afgeschoren wordt eer het zaad schiet. Maar verder noordwaards, als inKanada, heeft men soorten van overblyvend gras genoeg. Zo wyslyk heeft het de Schepper geschikt. Alle de koude gewesten moesten natuurlyk een duurzaam gras voortbrengen, dewyl de Inwoonders, wegens den langdurigen winter, meer hoi voor hun vee behoefden. De zuidelyke landschappen daarentegen hebben minder van dat soort van gras, vermits het vee den gehelen winter over in het veld blyven kan. Egter hebben vele voorzigtige liedenEuropischduurzaam graszaad op hunne weilanden gestroid, het welk daar zeer wel scheen te slagen.Mispelbomen.DePersimon, of de by deZwedenzogenaamdeMispelboom148wies hier vry algemeen. Ik heb ’er reeds van gesproken, nogthans zal ik ’er[149]iets byvoegen. Zyne vrugten begonnen thans ryp te worden, en eetbaar te zyn. Men at ze nu gelyk ander ooft. Zy zyn zeer zoet en sappig, dog een weinig t’zamentrekkend. Ik at ’er gemeenlyk zeerMispelbier.veel van zonder nadeel. Men brouwt van de Mispelen een aangenaam bier, op deze wys. Laat in den herfst, als de vrugt reeds door de vorst aangedaan is, kneedt men de vrugt in een deeg van weit of ander meel, maakt ’er koekjes van, zet ze in den oven, tot dat ze door en door gebakken en droog zyn. Dan neemt men ze ’er uit. Als men nu aan ’t brouwen gaan zal, zet men enen pot op ’t vuur vol koud water, en legt ’er enige koekjes in. Het water warm wordende gaan deze koekjes van een. Men neemt het dan van ’t vuur, roert het wakker om, zo dat het alles wel door een gemengd wordt. Dan giet men het alles in een ketel. Dus gaat men voort tot dat men koeken genoeg week gemaakt heeft. Dan doet men het mout in den brouwketel, en behandelt het gelyk als bier. Dit bier wordt voor aangenamer gehouden dan meest alle anderen. Men maakt ook brandewyn van de mispelen. Dit geschiedt aldus. Men doet ’er ene genoegzame menigte van in een ketel, en laat ze daar ene week in, of iets langer, tot dat ze door en door zagt zyn. Dan giet men ’er water op, en dan moeten zy van zelven gisten, zonder dat men ’er iets by doet. Vervolgens stookt men ’er op de gewone manier brandewyn van, die gezegd wordt zeer goed te zyn, vooral als men onder de mispelen enige zoete wilde druiven doet. Enige mispelen zyn reeds op het einde van September ryp, dog de meesten later, en velen niet voor November of December, wanneer de vorst ze aandoen kan. Het hout van dezen boom is goed voor allerlei schrynwerk. Dog, als het geveld zynde in de vrye lugt blyft leggen, is het een van de eerste houten die rotten, en in een jaar tyds deugt ’er niets meer van. Als de Mispelboom eens geworteld heeft, kan men hem bezwaarlyk uitroeyen, dewyl zy zig te veel verspreiden. Men zeide my, dat als men een tak afsneed en in de aarde stak, hy wortel schoot. Dog in zeer harde winters vriezen deze bomen dikwyls dood, en kunnen, zo wel als de Persikeboom, niet zeer tegens de koude.Kawoerden.Vele soorten vanKawoerdenenMeloenenworden hier geteeld, zynde gedeeltelyk reeds by de oudeAmerikanenbekend geweest, gedeeltelykMeloenen.door deEuropeanenovergebragt. Van de Kawoerden had men een soort dat aan het einde krom is, dog anders langwerpig, en dus wierden zyCrocknacksofKromhalzengenoemd. Men kan ze byna den gehelen winter over goed houden. Nog zyn ’er zekere andere Kawoerden die ook goed blyven. Anderen wederom worden aan stukken gesneden, aan draden geregen, en te drogen gehangen.Men kookt of stooft ze daarna, zo als men wil; en zy kunnen het gehele jaar over[150]duren. Men eet en bereidt hier allerhande soorten van Kawoerden, gelyk by ons. Vele landlieden hebben ’er gehele velden van.Squashes.DeSquasheszyn een soort van kawoerden, dat deEuropeanenvan de Inlanders gekregen hebben, en waarvan ik reeds gesproken heb. Men eet ze gekookt, alleen of by vleesch. Zy vereischen weinig zorg, want zy slagen in allerlei gronden. Als men het zaad in den herfst in de aarde brengt draagt het vrugt in de volgende lente.Kalabassen.DeKalabassenzyn ook een soort van Kawoerden, die veel geplant dog niet gegeten worden. Men maakt ’er allerhande keukengereedschap van. Zy zyn tederder dan deSquashes, en worden hier niet altyd ryp, dog alleen by warm weder. Om ’er keukengereedschap van te maken, worden zy eerst wel gedroogd, het zaad en de vleeschige stof, waarin het legt, neemt men ’er uit, en smyt het weg. De schillen worden van binnen schoon geschraapt; en dan maakt men ’er allerlei lepels, schotels, en andere dingen van om eetwaren in te bewaren. Byzonder zyn zy goed om zaden en planten ’er in over zee te verzenden, want die behouden hunne vrugtbare kragt veel langer inKalabassendan anders. Sommigen plegen de buitenste schillen derKalabassen, voor dat zy ze openen, af te schrapen, daarna te drogen, en dan van binnen schoon te maken; dit maakt ze zo hard als been. Men kan ze ook afwasschen, zo dat zy hare witte kleur altyd behouden.Boekweit.De meeste Landlieden in dezen oord zayen Boekweit. Dit geschiedt in ’t midden van Juli, want later gezaid zoude zy door de vorst bedorven worden; en als men ze vroeger zait bloeit zy den gehelen zomer over, dog de bloemen vallen af zonder zaad te geven. Sommigen ploegen den grond twee malen waar zy Boekweit zayen willen, dog anderen maar eens, omtrent ene week voor dat ze zayen. Zodra men gezaid heeft, wordt het landgeëgd. Men heeft ondervonden dat in een nat jaar de Boekweit wel voortkomt. Zy blyft op het veld tot dat het begint te vriezen. Als de oogst goed is, krygt men twintig, dertig, ja veertig voor een. Zulken oogst had deZweedscheKosterRagnilson, in wiens huis wy thans ons verblyf hadden. Men maakt ’er koeken en puddings van. De koeken worden gemeenlyk des morgens in de pan op een steen gebakken, geboterd, en by de thee of koffy, in stede van geroost en geboterd brood, gelyk anders deEngelschendoen, gegeten. De vogels met Boekweit gevoed leggen meer eyeren. Ook worden ’er de varkens zeer vet van. Het stroo gebruikt men niet, maar laat het op het veld, of stroit het in de boomgaarden, om als een soort van mist te dienen, wanneer het rot. Geen dier wil ’er van eten ten zy in den uitersten nood, als het veld met sneuw bedekt, en niets anders te vinden is. Hoe gemeen de Boekweit in deEngelscheVolkplantingen ook is, hebben ’er egter deFranscheninKanadagene regte kennis aan.[151]Ligtende wormen.Wy vonden, den 23. Nov. tegens den avond enige ligt gevende wormen. Hun lichaam was lynregt, bestaande uit elf geledingen, een weinig puntig van voren en van agteren. De lengte van den kop tot den staart was vyf en ene halve meetkundige lyn. De kleur was bruin, en de geledingen als die derOnisci. De sprieten waren kort en regt. De zes voeten zaten aan de voorste geledingen. Als de worm liep liet hy het agterste deel op den grond slepen, en dit hielp zyne beweging. Het uiterste van den staart bevatte de stof die in ’t donker een groenagtig ligt geeft. De worm konde ze intrekken, zo dat hy geen ligt gave. Schoon het den gantschen dag sterk geregend had, kropen zy in menigte onder het kreupelhout, zo dat de grond als met starren bezaid scheen. In ’t vervolg zal ik gelegenheid hebben van een ander soort van gekorven gedierte of vlieg te spreken, die door de lugt vliegende by nagt als vuurvonken ligt geeft. Zoude wel deze ligtende wormen ene verscheidenheid wezen van deLampyris NoctilucavanLinnæus?Ilex Aquifolium.HetIlex Aquifoliumwies op waterige plaatsen hier en daar in ’t woud. Men moest dit gewas onder de zeldzamen rekenen. Het blad blyft zomer en winter groen. DeZwedendrogen de bladeren, maken ze tot poeder, koken ze in dun bier, en gebruiken ze in ’t zydewee.Verwstoffen.Men verwt hier rood metBraziliehouten met een soort van boommos, en blauw metIndigo. Om zwart te verwen plukt men de bladen van de wilde zuring149en kookt ze met de stof, welke dan gedroogd en op nieuws metCampechehouten koperrood gekookt wordt. Dit zwart is zeer bestendig. Men spint en weeft zelf hier veel van de dagelyksche klederen, en verwt die in huis. Het vlas wordt van velen gebouwd, en slaagt wel. Dog de hennip gebruikt men weinig.Sikkels en Seissen.De Rogge, de Weit, en de Boekweit worden met den sikkel gemaid, dog de Haver met de seis. De sikkels, die men hier gebruikt, zyn lang en smal, en het scherpe is met kleine tandtjes van binnen bezet. De landen blyven een jaar braak leggen, en gedurende dien tyd weidt er het vee op.Zelfs de niet veel vermogende landlieden in dezen oord hebben hunnen boomgaard, min of meer groot volgens hunnen rykdom. De bomen zyn gemeenlyk Persike-,Appel-en Kerssebomen.Vervolg van de Reis.Wy verlieten deze plaats den 24. Nov. een weinig voor den middag, en vervolgden onze reis, deZweedscheKerk teRakoonvoorby, naarPeils groves. Het land aan beide zyden van den weg is zandig en tamelyk vlak. Hier en daar ziet men, dog niet dikwyls, enige Landhoeven. Daar waren grote streken nog enkeld bosch, meest uit verscheiden soorten van Eiken en uit Hikorybomen bestaande. Egter kon men[152]in deze bosschen zeer wel voortkomen, zelfs met een rytuig, want men vond ’er weinig laag hout en stenen in. Dog hier en daar lagen enige bomen, ’t zy door storm geveld, of uit ouderdom omgevallen, die enige verhindering maakten.Waarnemingen omtrent het toenemen van het land.Gedurende myn verblyf teRakoon, nu en den gehelen volgenden winter, deed ik myn best om van de oudeZwedenalle mogelyke onderrigting te krygen, aangaande het toenemen van het land, en ’t verminderen van het water in deze oorden. Ik zal hier gewagen wat onderrigtingen ik kreeg. Ik geef ze zo als ik ze ontvangen heb, met maar weinige aanmerkingen; dus kan de Lezer daaruit zulke gevolgen trekken als hy wil.EenZweed,Kinggenoemd, meer dan vyftig jaren oud, hield zig voor overtuigd, dat, omtrent dezen tyd, de kleine meertjes, poelen, bronnen en rivieren minder water hadden dan toen hy een jonge was. Hy kon verscheiden meren noemen, die men in zyne jeugd met grote schuiten bevoer, en zelfs in ’t heetste van den zomer water genoeg hadden, dog nu of geheel of voor het grootste gedeelte droog waren, en die ten minsten des zomers geen water meer hadden. Hy zelf had by gebrek van water den visch zien sterven; en het scheen hem toe dat het tegenwoordig des zomers zo veel niet regende als voorheen. Een man van zyne bloedvrienden, die omtrent agt mylen van deDellawareaf, op enen heuvel by een riviertje woonde, had enen put doen graven, en op de diepte van veertig voet ene menigte van oester en mosselschelpen, van riet, en stukken van gebrokene takken gevonden. Ik vroeg hoe zy dagten dat dit alles daar gekomen was, en het antwoord was, dat sommigen meenden dat alles daar reeds van den zondvloed af zo gelegen had, en anderen dat het land toenam.Peter Rambo, een man van digt by de zestig jaar, verzekerde my dat op verscheiden’ plaatsen teRakoon, waar men putten, of met een ander inzigt diep in den grond, gegraven had, men ene menigte van mosselschelpen en andere voortbrengsels van de zee had gevonden. Somtyds had men stukken houts ontmoet ter diepte van twintig voet, waarvan sommigen versteend waren, en anderen ’er uitzagen als verbrand. Op die diepte vond men eens ene grote lepel. Zoude het verbrande hout niet zwart geworden zyn door onderaardsche minerale dampen? Dog velen hebben ’er uit opgemaakt, datAmerikareeds voor den Zondvloed bewoond was. Dezelve man verhaalde my verders, dat men ook ticchelstenen diep in den grond gevonden had. Maar zoude niet de steenkleurige klei, waaruit de grond hier grotendeels bestaat, hard zynde, voor ticchelstenen zyn aangezien? Ik heb horen zeggen dat die klei, hard zynde, veel naar gebakken steen gelykt. Hy zeide ook, dat de rivieren nog even zo hoog waren als men wist dat zy[153]oit waren geweest; maar in de kleine meertjes, in poelen en vyvers was merkelyk minder water.Maons Keen, een andereZweedvan meer dan zeventig jaar, verzekerde, dat, by het graven van enen put, hy, op de diepte van veertig voet, een groot stuk kastanjenhout, en wortels en stelen van riet gezien had, nevens ene kleiagtige aarde, gelyk die welke men gemeenlyk aan het strand van zeeboezems vindt, daar men zout water heeft. Deze klei had den zelven reuk en enen zoutagtigen smaak. Hy en verscheiden’ anderen maakten daaruit op, dat al het land waarRakoonenPenns-neckleggen van ouds geheel door de zee bedekt was. Ook was ’er op ene grote diepte ene spaan, gelyk die derWilden, gevonden.Sven LockenWillem Cobb, beiden meer dan vyftig jaar oud, kwamen daarin volkomen overeen, dat men op vele plaatsen hieromstreeks by het graven naar wellen zeer veel riet, het meest verrot, gevonden had ter diepte van dertig en meer voeten. En ’t werkvolk vanCobbzelven was in ’t graven ter diepte van twintig voet op enen dikken tak gekomen, die hen belet had voorttegaan, tot dat men hem doorgehakt had. Het hout was zeer hard. Ook is het zeer gemeen van niet diep in den grond ene menigte te vinden van niet geheel verrotte bladen van allerlei soort. By het maken van enen molendyk, enige jaren geleden, op de rivier waarby de kerk vanRakoonstaat, en het doorgraven ten dien einde van ene bank, vond men dat die meest uit oesterschalen bestond, schoon men hier meer dan honderdentwintigEng.mylen van zee is. Zy, nevens alle de Inwoonders vanRakoon, besloten hieruit, zonder dat men het hun in ’t hoofd gebragt had, dat deze landstreek in oude tyden door de zee bedekt was geweest. Ook verzekerden zy, dat vele kleine meertjes, die in hunne jeugd, zelfs in den zomer, vol waters waren, nu des zomers nauwlyks een beekje uitmaakten, uitgenomen by harde regenvlagen; dog zy vonden niet dat de rivieren van water verminderd waren.Aoke Helm, een gryzaard van zeventig jaar, vond by ’t graven van enen put eerst zand en kleine stenen, en dat ter diepte van agt voeten, daarna ene bleke en vervolgens ene zwarte klei. Op vyftien voeten vond hy een stuk hard hout, en verscheiden stukken van vuurstenen. Hy verhaalde dat hy verscheiden’ plaatsen in deDellawarekende daar men in zyn jeugd met schuiten voer, en die nu in kleine Eilandtjes veranderd waren, waarvan er sommigen byna eneEng.myl lengte hadden. Deze Eilandtjes ontstaan uit zandbanken die zig in den stroom vastzetten, waarop vervolgens het water enige klei aanspoelt, in de welke biezen beginnen te groeyen, en dus wordt het allengskens tot land.By ene zamenkomst van de oudsteZwedenuit het kerspel vanRakoon, kreeg ik het volgende antwoord op de vragen die ik aangaande[154]deze zaak deed. Waar men hier ook putten graaft vindt mem overal ter diepte van twintig of dertig voet vele oesterschelpen enClams. Op vele plaatsen heeft men by ’t graven ene menigte gevonden van biezen en riet, meest alles onbeschadigd. Eens heeft men enen gehelen bondel van vlas ontmoet wel tusschen de twintig en drieentwintig voet onder den grond. Het was al zo weinig beschadigd als of het eerst onlangs onder de aarde was geraakt. Alle de menschen stonden verwonderd, kunnende niemant begrypen hoe het daar gekomen was. Dog ik verbeelde my dat die goede lieden de ene of de andereAmerikaanscheplant, als het wildeVirginischevlas150of hetAntirrhinum Canadense, dat veel naar vlas gelykt, voor vlas aanzagen; en het was ook opmerkelyk dat die bondel omwonden zou geweest zyn. DeEuropersop hunne aankomst vonden nergens vlas inAmerika. Hoe kon ’er dan een bondel van onder de aarde komen? Gebrande kolen heeft men dikwyls in den grond gevonden. De koster,Erik Ragnilsson, had ’er velen van gezien. Ook heeft men dikwyls ter diepte van boven de twintig voeten takken en blokken houts ontmoet. Op sommige plaatsen had men spanen by deWildenin gebruik uitgegraven. En uit dit alles maakten zy op, dat deze landstreek voorheen zee geweest was. Dog men moet hierby opmerken, dat meest alle die putten op plaatsen gegraven wierden daar ene nieuwe plantery wierd aangelegd, waar men het hout eerst had weggehakt, dat ’er misschien verscheiden’ euwen gestaan had. Uit alle deze aanmerkingen, en nog anderen, die ik in ’t vervolg ’er byvoegen zal, kan men opmaken, dat een groot deel vanNew Jerseyin overoude tyden een gedeelte was van den bodem der zee, en naderhand voortgebragt is geworden door de modder, slik en andere stoffen, die deDellawaremet zig gevoerd heeft. Evenwel maakt het uitstek byKaap May, waarvan in ’t vervolg, deze zaak nog meer of min nog twyffelagtig.Planten die altyd groen blyven.De gewassen die hier zomer en winter hun blad houden zyn.DeIlex Aquifolium, of Hulst.DeKalmia Latifolia, de breedbladerigeKalmia.DeKalmia angustifolia, de smalbladerigeKalmia, een soort van den eersten.DeMagnolia glauca, de Beverboom. De jonge planten van dezen boom alleen behouden des winters haar blad, en de ouden niet.HetViscum album, het gemene Mistelboompje, wassende gemeenlyk op deNyssa aquatica, deLiquidambar styraciflua, den Eik en de Linde, zo dat de toppen dier bomen ’er des winters gantsch groen van schynen.[155]DeMyrica ceriferaof de Talkboom. Dog van dezen behouden maar enige jonge bomen hun loof, de meesten laten het vallen.De Sparreboom.151De Denneboom.152DeCupressus thyoides, of de witte Jenever, anders de witte Ceder.DeJuniperus Virginiana, de Rode Jenever, of Ceder.Verscheiden’ Eiken en andere bomen laten hier in den winter hun blad vallen, die wat zuidelyker, gelyk inKarolina, het gantsche jaar door groen blyven.Hetuitvallen dertanden inAmerika.Men heeft opgemerkt dat deEuropeaneninNoord Amerika, het zy zy inZweden, inEngeland, inDuitschland, of inHolland, of zelfs inAmerikavanEuropeaanscheouders geboren zyn, hunne tanden veel vroeger kwyt raken dan in andere landen; byzonderlyk had dit plaats omtrent de Vrouwen. Men zag dikwyls meisjes van twintig jaar, die reeds de helft van hare tanden verloren hadden, zonder hoop te hebben nieuwen te zullen krygen. Ik heb naar de oorzaak hiervan gezogt, dog ik weet niet of ik de ware gevonden heb. Velen waren van mening dat de lugt hier te lande nadelig was voor de tanden, en dit is zeker dat het weder nergens onbestendiger wezen kan; want een zeer hete dag eindigt dikwyls met ene scherpe koude, en zo ook omgekeerd. Dog deze veranderlykheid kan het uitvallen der tanden niet veroorzaken, dewylDog niet by deWilden.dit by deWildengene plaats heeft, die, schoon zy in de zelve lugt leven, altyd witte en schone tanden behouden, gelyk ik zelf gezien, en ook van vele anderen gehoord heb. Daar zyn ’er die dit aan ’t onmatig gebruik van vrugten en zoetigheden toeschryven; dog ik heb vele menschen gekend die hierin geen overdaad begingen, en evenwel hunne tanden kwyt raakten.Of dit komt van het thee drinken.Ik begon het thee drinken, dat hier des morgens en des middags geschiedt, te verdenken, het welk tegenwoordig vooral onder de Vrouwen zo gemeen is, dat ’er nauwlyks zelfs ene Boerin of arme Vrouw is, die des morgens geen thee drinke. En in deze mening wierd ik bevestigd op ene reis, die ik deed in de oordenwaardeWildennog wonen. De Generaal MajorJohnsonverhaalde my toen, dat velen van deWilden, die digt by deEuropeanenwoonden, geleerd hadden thee te drinken, en dat men opgemerkt had dat zulkeAmerikaanscheVrouwlieden, die zig zeer daaraan gewend hadden, even als deEuropischeVrouwen, hare tanden vroeg kwyt raakten, schoon zy ze voorheen gantsch zuiver hadden gehad. Integendeel zulken die gene thee gebruikten behielden hare tanden tot enen hogen ouderdom.[156]Dog naderhand bevond ik dat het gebruik der thee niet de enige oorzaak van dit verlies der tanden wezen kon. Verscheiden jonge Vrouwspersonen, inEuropageboren, klaagden dat zy hare meeste tanden waren kwytgeraakt zodra zy inAmerikagekomen waren. Ik vroeg, of zy niet dagten dat dit van het menigvuldig thee drinken kwam, dewyl men weet, dat sterke thee de tanden als opvreet; dog zy antwoordden dat zy reeds begonnen hadden hare tanden te verliezen voor dat zy nog thee gedronken hadden. Maar myn onderzoek voortzettende, vond ik ten laatsten ene genoegzame oorzaak van dit uitvallen der tanden. AlleVan het warm eten.deze Vrouwen bekenden dat zy zeer gesteld waren om alles zo warm te eten als het maar mogelyk was. Dit was even het zelve met de andere Vrouwen in het land, die hare tanden veel vroeger verliezen dan de Mans. Zy drinken veel meer thee des morgens en des namiddags dan de Mans, wier bezigheden hun den tyd niet laten van lang aan de theetafel te zitten. Behalven dat, deEngelscheMans geven weinig om thee, maar houden meer van een kompunch. Als deEngelscheVrouwen thee drinken gieten zy ze niet in de schoteltjes, maar gebruiken ze zo heet als zy kunnen uit het kopje. DewildeVrouwlieden volgen ze daarin na. Integendeel, dieWilden, wier tanden wit en gaaf zyn, eten of drinken noit iets warm.Ik vroeg verscheiden van de oudeZwedenof hunne Ouders en Landslieden hier ook hunne tanden zo vroeg verloren hadden, dog zy zeiden van neen.Bengtson, de Kerkeraad vanPhiladelphia, verzekerde my, dat zyn vader op zyn zeventigste jaar persikestenen en noten met zyn tanden kraken kon, en dit zal tegenwoordig niemant hier op die jaren ondernemen. Dit bevestigt het geen ik gezegd heb, want in dien tyd was het gebruik der thee inNoord Amerikaonbekend.Koortsen.Gene ziekte is hier gemeender dan die welke deEngelschenFever and aguenoemen, ene koude koorts, die of ene alledaagsche, andere- of derdedaagsche is. Dog het gebeurt dikwyls dat iemant, die ene derdedaagsche koorts gehad heeft, en ze ene week is kwyt geweest, ene alledaagsche in de plaats krygt, en als die weg is, na enigen tyd, weder door ene derdedaagsche wordt aangetast. De koorts begint gemeenlyk op het laatst van Augustus of het begin van September, en duurt den herfst en den winter over tot aan de lente, wanneer zy geheel verdwynt.De Vreemdelingen worden ’er gemeenlyk het eerste of het twede jaar na hunne aankomst van aangetast, en veel sterker dan de Inboorlingen, zo dat zy ’er somtyds aan sterven. Maar als zy ’er de eerste maal doorkomen, zyn zy ’er gemeenlyk het twede jaar, en somtyds altyd vry van. Men zegt hier in ’t gemeen dat de Vreemdelingen de koorts krygen om zig aan de lugt te gewennen. De Inboorlingen vanEuropischeafkomst hebben op sommigen plaatsen alle jaren een aanval van koorts,[157]dog sommigen zyn ’er spoedig van af, daar anderen zes maanden lang daaraan sukkelen, en enigen zelfs tot hunnen dood toe. DeWildenzyn ’er ook aan onderhevig, dog zo sterk niet als deEuropeanen. Geen ouderdom is ’er van bevryd; waar deze koorts heerscht ziet men ’er gryzaards en kinderen in de wieg, dikwyls niet boven de drie weken oud, van geplaagd. Dezen herfst was zy hier veel sterker dan naar gewoonte. Zy maakt de menschen zo bleek als doden en schrikkelyk zwak, dog laat hun nogthans toe in de tusschentyden hunne bezigheden waartenemen. Het is zonderling, dat ’er alle jaren sommige streken zyn daar de koorts regeert, en anderen daar niemant ’er van weet. Ook zyn ’er plaatsen waar men ’er voorheen niets van plegt te weten, dog daar zy nu gemeender begint te worden. Vele oude lieden verzekerden eenstemmig dat de koorts noit zo hevig en aanhoudend was geweest toen zy kinderen waren als nu. Dog anderen, ook ruim zo oud als de eersten, waren van gedagte, dat de koorts voorheen naar evenredigheid der Inwoonders wel zo algemeen en zo sterk geweest was, dog dat men in dien tyd, toen ’er veel minder menschen waren, en de planteryen zo ver van malkanderen lagen, daar zo veel agt niet op had kunnen nemen; zo dat het waarschynlyk is, dat de uitwerkingen der koorts altyd omtrent gelyk geweest zyn.Oorzaken.Het is moeilyk de ware oorzaken dezer ziekte te bepalen; daar schynen ’er verscheiden’ te zyn, en die niet altyd dezelven; somtyds, en ik denk gemeenlyk, lopen ’er verscheiden t’zamen. Ik heb ’er Geneeskundigen over onderhouden, en zie hier wat zy ’er van dagten.Sommigen meenden dat de gesteldheid van de lugt in dit land oorzaak is van deze koorts, dog de meesten beweren dat zy veroorzaakt wordt door de staande en rottende wateren; en dit schynt de ondervinding te bekragtigen. Want men heeft opgemerkt, dat zulken die in denabuurschapvan moerassen en poelen wonen, of op zulke plaatsen waar men een staand en stinkend water vindt, genoegzaam ieder jaar de koorts krygen, en ’er veel ligter dan anderen van worden aangetast. En dit gebeurt voornaamlyk in een jaargetyde, dat de wateren, door de onmatige hette het meest uitwaassemen, en de lugt met kwade dampen vervullen. Ook is de koorts zeer sterk op alle lage plaatsen, en waar tweemaal in de vierentwintig uren het zeewater met het ty opkomt, en zig met het zoete water vermengt. Des zomers wordt men, over zulke plaatsen reizende, dikwyls gedwongen zyne neusgaten toetehouden, uit hoofde van den stank, dien de vermenging van het zoete met het zoute water voortbrengt. Om deze reden worden de menschen tePenns-neck, en teSaleminNew Jersey, waar de grond de gezegde eigenschappen heeft, jaarlyks veel sterker door de koorts geplaagd, dan die op hoger gronden wonen.[158]Indien iemant wonende op hoge landen, waar men vry is van de koorts, naar de lager landen trekt, kan hy wel staat maken van alle jaren op den gewonen tyd de koorts te krygen zo lang hy daar blyft wonen. Menschen, die de frischste kleur hadden, uit de hoger landen naar de lagere verhuizende, en daar enen tyd lang blyvende vertoeven, hebben alle hunne kleur verloren, en zyn zo bleek geworden als doden. Dit kan egter de enige oorzaak van de koorts niet wezen, want ik ben in lage landen geweest, daar veel staande wateren waren, waar de menschen zeiden zelden van de koorts gekweld te worden; dog deze plaatsen lagen twee of drie graden meer noordwaards.Anderen waren van gevoelen dat het onvoorzigtig en onmatig eten van vrugten zeer veel de oorzaak was van deze koorts. Dit heeft byzonderlyk plaats omtrent deEuropeanendie eerst overkomen, en nog niet aan de lugt en de vrugten vanAmerikagewend zyn, want zy die hier geboren zyn kunnen ’er meer van verdragen, en zyn egter niet geheel vry van de kwade gevolgen der onmatigheid. Ik heb hierover veleEngelschenenDuitschersuit eigen’ondervindinghoren spreken. Zy bekenden het dikwyls beproefd te hebben, dat als zy eens of tweemaal nugteren van een watermeloen aten zy verzekerd konden wezen van binnen weinige dagen ene koude koorts te hebben. En het is merkwaardig het geen deFranscheninKanadamy vertelden, dat de koortsen daar minder gemeen waren, schoon men daar niet minder watermeloenen gebruikte dan in deEngelscheVolkplantingen, en dat men noit opgemerkt had dat zy koorts veroorzaakten; maar dat wanneer men in ’t hete van den zomer by deIllinoizenkomt, eenAmerikaanschvolk, dat op de zelve breedte metPensylvanieenNew Jerseywoont, zy geen watermeloenen eten konden zonder de aanvallen ener koude koorts te bespeuren, en dat deWildenhen ook waarschuwden van zo gevaarlyk ene vrugt niet te eten. Doet ons dit niet denken dat de groter trap van hette inPensylvanieen het Land derIllinoizen, beiden vyf of zes graden zuidelyker danKanadagelegen, die vrugt gevaarlyker maakt? In deEngelscheVolkplantingen heeft ieder Boer watermeloenen, die men onder ’t hoyen gebruikt, of gedurende het werken in den oogst, wanneer het volk niets in de maag heeft, om zig in de hette te verkoelen, gelyk deze sappige vrugt zeer frisch is. Ook eet men hier in den zomer zeer veel meloenen, komkommers, kawoerden,squashes, moerbezien, appelen, persiken, kerssen, en ander ooft, al het welk ook het zyne doet ter bevordering der koorts.Dog dat de levenswys hier zeer veel aan toebrengt, kan men besluiten uit de eenparige berigten van oude lieden aangaande de tyden hunner kindschheid, volgens welke berigten de menschen in die tyden aan[159]zo vele ongemakken niet onderhevig en zelden ziek waren. Alle de oudeZwedenverklaarden, dat hunne Landslieden die zig hier het eerst nederzetteden enen hogen ouderdom bereikten, en dat hunne kinderen omtrent tot die zelve jaren kwamen; dog dat de kleinkinderen en de kleinkleinkinderen den ouderdom van hunne voorouders niet hadden bereikt, en zo gezond en sterk op ver na niet geweest waren. Dog deZwedenleefden hier in ’t begin zeer matig. Zy waren te arm om brandewyn enrumte kopen, die zy ook zelven niet stookten. Egter hadden zy somtyds een goed sterk bier. Zy wisten ook genen cyder te maken, die nu zo gemeen in ’t Land is. Koffi, thee, chokolaat, waaruit zelfs nu het Landvolk ten dele zyn ontbyt maakt, waren onbekend. De meesten hadden noit suiker ofpunchgeproefd. De thee, die men nu hier drinkt, is of zeer verlegen, of met allerlei kruiden vermengd, zodat zy nauwlyks meer den naam van thee verdient; gevolgelyk kan zy niet dan ene kwade uitwerking op zulken doen die dezelve in menigte gebruiken; behalven dat zy niet missen kan van de ingewanden te verslappen, daar zy ’s morgens en ’s namiddags byna kokend heet gedronken wordt. DeWilden, afkomelingen van de oorspronglyke bewoonders dezes Lands, verstrekken tot een bewys van het geen ik zegge. ’T is bekend dat hunne voorouders, ten tyde van de aankomst derEuropeanen, zeer oud wierden; ’t was niets vreemds van ’er lieden onder te vinden die boven de honderd jaar waren. Zy leefden sober, en dronken niets dan water. Brandewyn,rum, wyn, en andere sterke dranken waren hun onbekend. Dog sedert dat deChristenenhun die dranken hebben leren drinken, en zy ze zo aangenaam gevonden hebben, bereiken zulken die hunne lusten niet kunnen tegengaan niet de helft van de jaren hunner voorvaderen.Eindelyk, daar waren ’er die beweerden, dat het uitroeyen van zo vele welruikende planten, waarmede op de aankomst derEuropeanende bosschen vol waren, dog die het vee thans vernield heeft, kon worden aangezien als ene van de grote oorzaken van de voortgangen der koortsen. De menigte dezer bloemen verspreidde alle morgens en avonden enen lieflyken geur in de bosschen. Het is derhalven niet vreemd te denken, dat daardoor de schadelykheid der rottige uitwaassemingen gematigd werd, zo dat zy zo gevaarlyk in dien tyd niet waren.Middelen daar tegen.Verscheiden’ geneesmiddelen worden tegens deze kwaal aangewend. DeKinawas voorheen een onfeilbaar middel, dog tegenswoordig doet zy altyd die uitwerking niet, schoon men ze hier voor zuiver en onvervalscht bekomt. Vele lieden beschuldigden dit middel van iets kwaads in het lichaam agter te laten. Dog men heeft gemeenlyk ondervonden, dat als deKinagoed was en terstonds in ’t begin der koorts gebruikt wierd, eer het lichaam verzwakt was, zy de koorts altyd verdreef, zo[160]dat de huiveringen niet weder kwamen, en men gene pynen nog zwaarte in de leden overhield. Maar als de kwaal was ingeworteld en de Lyders sterk verslapt had, of dat zy natuurlyk zwak waren, verliet hen de koorts wel op ’t gebruik der Kina, dog keerde een veertien dagen daarna weder, en dwong hen ze op nieuws te gebruiken; waarvan het gevolg dikwyls was pyn en styfheid in de leden en somtyds in de ingewanden, waardoor zy belet wierden te gaan, welke pyn hun vele jaren bybleef, en dikwyls tot den dood toe. Deze kwade uitwerking wordt gedeeltelyk aan den koortsbast, dien men hier zelden onvervalscht bekomt, en gedeeltelyk aan de onvoorzigtigheid der Lyders onder ’t gebruiken van denzelven toegeschreven. Een van myne kennissen was zeer ervaren in ’t verdryven van de koorts door de Kina, welke hy gaf zodra de koorts zig in ’t lichaam vastgezet had. Dog voor dat hy ze gebruikte nam hy een zweetmiddel, dewyl hy dit zeer heilzaam gevonden had. En gelyk hier de koorts veeltyds van dien aard is dat zy niet doet zweten, zelfs niet in hare hette, moest men door andere middelen de uitwaasseming bevorderen. Ten dien einde nam de Lyder het middel op den dag van de huivering en moest dien avond zonder eten zyn. Den volgenden morgen moest hy in ’t warme bed blyven, veel thee drinken, en wel toegedekt zyn, om sterk te kunnen uitwaassemen. Dus bleef hy tot dat het zweten ophield, verliet dan het bed in ene warme kamer, waschte het lichaam met bloed-lauw water, om het te zuiveren van de vuiligheid door het zweten veroorzaakt, ten einde die de poren niet mogte verstoppen. De Lyder wierd daarop afgeveegd, en nam eindelyk de Kina verscheiden’ malen op den zelven dag in. Dit wierd twee of drie malen herhaald, op de dagen na dat de zieke de koorts gehad had, en zy verliet hem gemeenlyk zonder weder te komen, en zonder dat hy ’er in ’t vervolg bleek van zag.De schors van den wortel des Tulpebooms153op de wys der Kina genomen heeft somtyds de zelve uitwerking.Sommige menschen schillen de wortels van den Kornoeljeboom,154en geven de schil den zieken in. Verscheidenen, die door de Kina niet geholpen wierden, zyn door dit middel genezen. Ik heb ook menschen gezien die geholpen waren door zwavel fyn gestampt, met suiker vermengd, alle avonden voor dat zy naar bed gingen, en alle ogtenden voor dat ze opstonden, te gebruiken. Dit deden zy drie of vier malen in den tusschentyd dat zy van de koorts vry waren, en namen ’er telkens wat warmen drank op, om de poeder te doen zakken. Dog sommigen vonden hier geen baat by.Anderen namen den gelen bast van den persikeboom, byzonderlyk dien van den wortel, en kookten hem in water, tot dat ’er de helft van[161]vervlogen was. Hiervan nam de zieke elken morgen een wynglas vol voor dat hy iets gegeten had. Deze drank heeft enen onaangenamen smaak, en trekt den mond by een gelyk aluin; dog hy had vele menschen teRakoongeholpen, die andere middelen te vergeefs gebruikt hadden.Weder anderen kookten de bladen derPotentilla reptans, of derPotentilla Canadensis, in water, en dronken ’er van voor dat de huivering aankwam; en het is bekend dat ’er velen door geholpen zyn.De Bewoonders van den stroomMahawk, zo welAmerikanenalsEuropers, stampen den wortel van hetGeum rivale. Deze poeder wordt van sommigen in water gekookt tot dat het afkooksel vry sterk is; anderen gieten ’er maar koud water op, en laten ’t enen dag over staan; enigen mengen ze met brandewyn. Van dit middel moet de Lyder een glas vol nugteren nemen op zynen vryen dag. Men verzekerde dat dit een der zekerste middelen was, en de Kina overtrof.Die genen welken digt by de yzermynen woonden betuigden zelden of noit door deze koorts te worden aangetast; dog wanneer zy ze egter hadden, dronken zy het water uit bronnen die uit de yzermynen komen, en enen sterken staalsmaak hebben. Dit middel verzekerden ze my onfeilbaar te zyn. Anderen, die niet digt by zulke bronnen woonden, trokken ’er voor enige dagen naar toe, als zy de koorts hadden, om het water te drinken, dat hen gemeenlyk hielp.Ik heb boven reeds aangemerkt, dat saly met citroensap zeer heilzaam tegens de koorts bevonden is.Dog men had opgemerkt dat een middel dat den een hielp dikwyls kragteloos op den ander is.Borstontstekingen.Borstontstekingen155zyn ook ene ziekte waardoor men hier dikwyls wordt aangetast. Velen van de oudeZwedenvertelden my dat zy in hunne jeugd ’er weinig van gehoord hadden, dog dat deze ziekte nu zo gemeen was dat zy jaarlyks vele menschen wegsleepte. Maar men heeft opgemerkt dat zy in sommige jaren zo kwaadaardig niet is als in anderen, wanneer zy de meeste Lyders doodt. Ook is zy sterker op de ene dan op de andere plaats.In den herfst van 1728. sleepte zy vele menschen weg tePenns-neck, ene plaats benedenRakoon, digter aan deDellaware, waar veleZwedenwaren gevestigd. De meestenZwedenstierven ’er van, schoon zy zeer talryk waren. Dit heeft gemaakt dat hunne kleine kinderen, die overbleven, met de kinderen derEngelschenopgroeyende, hunne moedertaal vergeten hebben, zo dat ’er weinigen zyn die nu hetZweedschverstaan. Sedert dien tyd heeft deze ziekte jaarlyks wel enige menschen[162]tePenns-neckom hals geholpen, dog in geen groot getal. Zy scheen, als ware het, te rusten, tot in den herfst van dit jaar 1748. wanneer zy op nieuw ysselyk begon te woeden. Iedere week stierven ’er van zes tot tien oude menschen aan. Het was ene warePleuritis, maar zy had deze byzonderheid, dat zy met ene grote zwelling onder den strot en den hals en met ene belemmerde doorzwelging begon. Sommigen hielden ze voor aanstekend. Enigen verklaarden in goeden ernst dat als zy in ene familie kwam, zy, niet alleen die in ’t zelve huis woonden, maar ook zulken van de familie aangreep die ’er ver van daan hun verblyf hielden. Velen zyn ’er tePenns-neckgeweest, die, zonder dat zy hunne zieke bloedvrienden bezogt hadden, de ziekte gekregen hebben, en ’er aan gestorven zyn. Ik wil de waarheid hiervan niet betwisten, dog vind het gevolg niet gegrond. De ziekte woedde het meest in November. Egter stierven ’er enige oude lieden den volgenden winter aan. Dog de kinderen liepen ’er tamelyk vry van. De Geneeskundigen vonden zig in deze ziekte zeer verlegen.Oorzaken.Het is bezwaarlyk de oorzaken van zo geweldige ziektens juist te bepalen. Een oudeEngelscheHeelmeester sprak ’er dus over. Men drinkt hier in den zomer veel punch en andere hete dranken, waardoor het bloed verdikt en de aderen in ’t middenrif156opgezet worden. Tegen ’t einde van October en ’t begin van November wordt het weder veranderlyk, zo dat het op den zelven dag nu heet dan weder koud is. Als de menschen by dit veranderlyke weder veel in de lugt zyn krygen zy dit ongemak. Ook is het zeker dat de lugt het ene jaar ongezonder is dan het andere, het welk van de hette en andere omstandigheden afhangt, en dit doet veel tot deze ziekte. Het is aanmerkelyk dat ’er in ’t jaar 1728. en 1748., toen ’er zo vele menschen tePenns-neckstierven, teRakoonweinig doden waren, schoon beide de plaatsen digt by malkander leggen, en dezelve lugt en grondsgesteldheid hebben. MaarPenn’s necklegt zeer laag, enRakoontamelyk hoog. TePenn’s neckwoont men tusschen poelen en moerassen, waarin het water staat te rotten; het is ’er vol van bomen, die den wind afkeren. Ook wordt het water tePenn’s neckniet voor zo goed gehouden als teRakoon, schoon ’er geen onderscheid is in den smaak. Het wordt daarenboven in sommige kleine stroompjes brakagtig, als deDellawareby den vloed opzet en ’er in komt. Op de oevers van deze stroompjes wonen veleZweden, en gebruiken ’er het water van.Philadelphia.Den 3. December 1748. vertrok ik weder naarPhiladelphia, waar ik nog dien avond aankwam.Wilde druiven.In de bosschen vindt men overvloed van verscheiden’ soorten van[163]wildeDruiven. Een soort, aanmerkelyk door zyne grootte, wast in de poelen, en wordt zeer gezogt van denRakoon. Deze druif wordt van deEngelschenVossedruif157andersPoeldruif, geheten. Zy zyn niet aangenaam van smaak, en de Inwoonders eten ze zelden, dog wel een klein soort van druif, die op enen drogen grond groeit. Men gebruikt ze in den herfst rauw. Zy zyn aangenaam, een mengsel van zoet en zuur. Sommigen drogen ze, en bakken ze in taarten, of zetten ze droog voor. Voorheen maakten ’er deZwedenenen tamelyk goeden wyn van; dog hier zyn zy van uitgescheiden. EnigeEngelschenevenwel perssen ’er nog enen lieflyken drank uit, dien zy my verzekerden zo goed te wezen als de besteFranschewyn, en lang te duren.Wyn.Om dezen wyn te maken, verzamelt men de druiven van den 21. September af tot den 11. November toe, dat is als zy beginnen ryp te worden. Men moet ze snyden by droog weder, nadat de dauw weg is. Zy worden afgeveegd. Een groot vat staat ’er gereed, waarin of syroop of brandewyn geweest is. Dit maakt men wel schoon, slaat ’er enen der bodems uit, en plaatst het op ene bekwame wys op stukken houts in den kelder, of in een warm vertrek omtrent twee voet boven den grond. De druiven worden in het vat gedaan, en, als zy wat gezonken zyn, doet men ’er drie of vier dagen daaraan weder nieuwen by. Een man gaat ’er met blote voeten in, en treedt de druiven. In omtrent een half uur is ’er het sap al uit. Dan keert de man de ondersten boven, treedt ze nog een kwartier; en dit is genoeg om ’er het goede vogt uit te krygen; want langer te treden zou ook de onrype druiven doen breken, en den wyn enen kwaden smaak geven. Dan dekt men het vat toe met een digt deksel, of met twee deksels als men genen kelder heeft, of het weder zeer koud is. Dus laat men het vogt gisten, en in de volgende vier of vyf dagen werkt het zeer sterk. Zodra het gisten ophoudt wordt ’er een gat gemaakt omtrent zes duim van den bodem, en men tapt wat van het vogt ’er uit, tweemaal iederen dag. Zodra dat klaar en bezonken is, laat men het vogt over in een kleinder vat. Van twintig bossen druiven krygt men omtrent twintiggallonssap. Het kleine vat blyft stil staan, en de most gist voor de twede reis; en dan is het noodzakelyk dat het vat geheel vol zy. De schuim, die zig boven aan het sponsgat zat, moet ’er afgenomen, en het vat gedurig weder opgevuld worden. Dit duurt tot omtrent Kersmis, en dan mag men het vaatje stoppen, op het laatste is de wyn in Februari gereed en gebotteld. Ook heeft men hier de gewoonte enige rype druiven in een[164]vat te werpen om ’er azyn van te maken, die zeer goed is. Velen maakten van deze druiven enen brandewyn, die enen aangenamen smaak heeft, dog die egter nog lieflyker is als ’er wat mispelen onder zyn. Het hout van deze wyngaarden is van geen gebruik, voor stokken is het te buigzaam. Als men in den stam houwt, komt ’er binnen kort een witte smakeloze harst voor den dag. Men plant ze in vele tuinen om de prielen met hun groot blad te dekken. Als hier, in Mai en Juni, de wyngaarden bloeyen, geven de bloemen enen sterken dog zeer lieflyken en verfrisschenden reuk, die zig zelfs op enen groten afstand vernemen doet. Om dien tyd in de bosschen komende kan men uit derzelver reuk bemerken, dat ’er wyngaarden zyn. Hoe streng ook de winters zyn, doen zy egter den wyngaard niet aan. Elke druif is omtrent zo groot als ene erwt, dog wat meer zuidwaards hebben zy de grootte van ene gemene razyn, en enen aangenaamen smaak. Binnen in het land maken zy gedurende een deel van den herfst het voornaamste voedsel voor de Beren uit, die op de bomen klouteren om de druiven te plukken. Men meent, dat als de wilde druiven zorgvuldig aangekweekt en behandeld wierden zy groter en beter zyn zouden.Voortekens rakende het weder.Ik zal hier van twee voortekens aangaande het weder gewagen, waar aan men hier veel geloofs sloeg. Sommigen wilden kunnen voorzeggen dat de aanstaande winter niet zeer gestreng zoude zyn, om dat zy in October wilde ganzen en andere trekvogels naar het zuiden hadden zien vliegen, die kort daar aan terug gekomen, en in groten getale noordwaards gevlogen waren. Inderdaad de volgende winter is een van de gematigdsten geweest.Enige lieden voorzeiden den 5. December, dat wy voor den avond van den 6. regen hebben zouden. De reden van deze voorzegging was, dat dezen morgen, by het ryzen der zon zy uit hunne vensters alles zeer duidelyk aan de overzyde der Rivier had kunnen zien, zo dat alles veel nader by dan gewoonlyk scheen te zyn, en dat dit gemeenlyk een teken van regen was. De voorspelling wierd ook tamelyk juist vervuld.Het yzer denWildenonbekend.Voor de aankomst derEuropeanenhadden deWildengene kennis aan het yzer, schoon dat zeer overvloedig in hun land valt. Evenwel wisten zy enigermate zig van het koper te bedienen. EnigeHollandersbewaarden nog de overlevering, dat hunne Voorouders, by hunDog niet het koper.nederzetten teNew York, veleAmerikanenontmoet hadden, die koperen tabakspypen hadden, en die hun door tekens te kennen gaven, dat zy ze in de nabuurschap kregen. Naderhand werd de schone kopermyn ontdekt die opSecond RivertusschenElizabeth-townenNew Yorkis. By het graven in deze myn vond men gaten waaruit enig koper[165]gehaald was, en enige werktuigen, waarvan deAmerikanenwaarschynlyk zig bediend hadden om het metaal voor hunne pypen te krygen. Zulke gaten in de bergen zyn ook op sommige plaatsen vanPensylvanie, te weten benedenNewcastlezeewaards aan, gevonden, en geven altyd te kennen dat ’er kopererts in te vinden is. Sommigen hebben zig verbeeld, dat deSpanjaards, na de ontdekking vanMexiko, langs de kust vanNoord Amerikagezeild, en nu en dan aan land getreden zyn, om te zien of ’er ook enig goud of zilver zoude te vinden wezen, en dat die misschien deze gaten in de bergen gemaakt hebben. Maar, als men al veronderstelt dat zy dus langs de kust gevaren zyn, konden zy onmogelyk ten eersten de kopermynen vinden, en hielden zig waarschynlyk niet op met dit erts, daar zy meer goud en zilver zogten. Het is dan genoegzaam zeker dat deAmerikanendeze gaten gegraven hebben. Of zoude men durven vermoeden, dat de oudeNoren, lang voor de ontdekking vanColombus, hier aangeland zyn, en deze koperaderen gevonden hebben, toen zy naar hetvoortreffelyke Wynland158voeren, waarvan onze oude overlevering,Sagorgenoemd, spreekt, welkWynlandongetwyffeldNoord Amerikawas? Dog hieromtrent zal ik in ’t vervolg gelegenheid hebben, myne gedagten beter te uiten. Het is aanmerkelyk dat overal, daar men onlangs diergelyke gaten in de bergen gevonden heeft, welken duidelyk gezien kunnen worden van menschen gegraven te zyn, dezelven met veel aarde bedekt waren, als of men ze voor de vreemden verborgen had willen houden.
Pl: I.C. J. de Huyser. fecit 1772Pl: I.Vliegende Eekhoorn.Aard Eekhoorn.Amerikaansche Bunsem.[141]Voortekens van een Orkaan.Den 15. November verhaalde my de HeerKockeen toeval, dat hem overgekomen was, en te bevestigen scheen dat de orkanen door zekere tekens van te voren zig aankondigen. Hy zeilde naar deWest Indienin een klein Jagt, en had een oud man aan boord, die langen tyd deze zee bevaren had. De oude man de diepte peilende riep den stuurman toe, den HeerKockte zeggen, dat hy terstonds de boten moest uitzetten met een genoegzaam getal volks, om het Jagt gedurende de stilte voortteroeyen, ten einde het Eiland zo schielyk als mogelyk was te bereiken, dat voor hun lag, dewyl men binnen vierentwintig uren een geweldig orkaan te wagten had. De HeerKockvroeg hem waarom hy dit dagt, en de oude man zeide hem, dat hy by het peilen het lood enige vademen dieper in het water gezien had dan te voren; dat derhalven het water eensklaps helder was geworden, het welk hy voor een onfeilbaar teken van een aanstaande orkaan in zee hield. De HeerKockzag ook de ongewone klaarheid van het water. Hy gaf dan onmiddelyk bevel om de boot in ’t water te brengen en het Jagt voortteroeyen; zo dat zy voor den nagt in behouden haven kwamen. Dog voordat zy die nog volkomen bereikt hadden, begonnen de golven al hoger en hoger te gaan, en het water scheen als te koken, schoon men nog genen wind gewaar werd. Des nagts ontstond het Orkaan en woedde zo vreeslyk, dat niet alleen ’er vele schepen vergingen, en de daken werden weggerukt, maar dat zelfs het Jagt van den HeerKocken andere schepen, schoon in veilige havens leggende, door het geweldig opzetten der baren zo ver op ’t land gezet werden, dat ’er verscheiden’ weken verliepen voor dat zy ’er weder af kwamen.Een oudHollandschschipper zeide, dat hy eens enen Hai in de Bai vanNew Yorkgevangen had, die opengesneden zynde ene menigte van alen in zyn’ maag had.Oude potten gevonden.De HeerBartramvertoonde my den 18. November een aarden pot, die op ene plaats gevonden was daar voorheen deWildengewoond hadden. De man, die hem het eerst had opgegraven, bewaarde daar smeer in om zyn’ schoenen en laarzen mede te smeren. De HeerBartramkoftden pot van hem. Zy was nog onbeschadigd. Ik kon ’er nog verglazing, nog kleur op onderkennen, maar van buiten had hy veel sieraden, en over ’t geheel was hy zeer wel gemaakt. Ook vertoonde my de HeerBartramvelerhande stukken van gebroken aarden vaten, welken deWildenvoorheen gebruikten. Het was duidelyk aan deze allen te zien dat zy niet van enkelde klei gemaakt waren, dog dat ’er verscheiden’ andere stoffen onder gemengd waren, volgens de natuur der plaatsen daar zy waren gemaakt. DieWilden, by voorbeeld, die digt aan de zeekust woonden, stampten oester- en mosselschelpen, en mengden die met de klei. Anderen, die dieper in het Land hunne woonplaatsen[142]hadden, waar men bergkrystallen vinden kon, mengden die ook gestampt onder de potaarde. Dog hoe zy in ’t maken dier potten te werk gingen is gantsch onbekend. Zeker is het dat zy ze niet hard bakten, want zy waren zo week dat men ze met een mes kon aan stukken snyden. Egter scheen het werk zeer goed te zyn, want men vindt nog gehele vaten of stukken in den grond die in ’t geheel niet beschadigd zyn, schoon zy meer dan tagtig jaren onder de aarde gelegen hebben. Voor dat deEuropeanenzig inNoord Amerikanederzetteden, hadden deWildengeen ander vaatwerk om hun eten in te koken dan deze aarden potten van hun eigen maaksel. Dog sedert derzelver aankomst hebben zy altyd potten, ketels, en ander vaatwerk van hungekoft, en zig niet meer bekommerd om die zelven te maken, zo dat zy deze konst geheel verloren hebben. Dus zyn, zelfs onder deWilden, potten van hun eigen maaksel ene grote zeldzaamheid gevonden. Ik heb ’er van gezien die uit een soort van ’tTalcumvanLinnæusbestonden.Leyen.De HeerBartramtoonde my ook kleine stukken van ene zwarte Lei, die overvloedig op sommige plaatsen aan de RivierSkulkillgevonden wordt. Men vindt ’er stukken van die vier voet en meer in ’t vierkant zyn. De kleur en ’t maaksel is het zelve als de Tafellei,143uitgenomen dat die wat dikker is. De Inwoonders omstreeks deSkulkilldekken ’er hunne daken mede, en de HeerBartramverzekerde my dat hy een geheel dak gezien had bestaande uit vier zulke Leyen. De stralen der zonne, de hette, de koude, en de regen hebben genen invloed op dezen steen.Stalactites.Nog verhaalde die Heer dat op vele plaatsen holen gevonden wierden, die diep onder ’t gebergte doorliepen. Hy was in verscheidenen van dezelven geweest, en had ’er veelstalactitesvan verschillende grootte boven aan in ’t binnenste van de bergen gevonden. Zy waren van verscheiden kleuren. Dog het byzonderste was, dat hy ’er enigen vond die uiterlyk van boven tot onder toe als gescheurd waren. Hy had ’er sommige stukken van naarLondengezonden, dog had ’er thans geen.Reis naarRakoon.Den 20. November ging ik in den morgen, nevens enen Vriend, op een reisje naarRakooninNew Jersey, daar veleZwedenwaren, die hunne eigene kerk hebben. Wy moesten drieEng.mylen afdoen eer wy aan het Veer kwamen, daar wy over deDellawarekonden gezet worden. Het land was hier op vele plaatsen zeer laag. De vlaktens wierden by elken vloed overstroomd, en liepen by de ebbe weer ledig. Evenwel had men zig deze vlaktens door middel van dyken weten ten nutte te maken. Het waren nu weilanden.[143]Hier waren veleWaterbeukenaan beide de zyden van den weg geplant, digt op een, welken in den zomer ene aangename lommer geven, aangezien de grootte en menigvuldigheid van hunne bladeren. Dit maakt den weg zeer vermakelyk, gelykenden naar ene lommerryke laan. DeDellawareis hier omtrent even zo breed als byPhiladelphia. Digt by het Veer waren verscheiden aardige huizen op beide de zyden gebouwd, waar de Reizigers verfrisschingen krygen kunnen. Op onze uitreis vanPensylvanienaarNew Jerseywierden wy over deDellawaregezet in een vaartuig dat den waard aan de zyde vanPensylvanieaanging; maar op onze terugreis moesten wy dat van den man die aan de overzyde woont gebruiken. Zo als wy de Rivier over waren bevonden wy ons in ene andere Provincie, want deDellawaremaakt de grensscheiding uit tusschenPensylvanieenNew Jersey, zo dat al wat ten westen der Rivier legt tot het eerst genoemde, en het geen ten oosten is tot hetlaatstgemelde gewest behoort. Dog beide de Landschappen hebben verschillende wetten en verschillende munt.Landsdouwe.Wy vervolgden onze reis verder, en merkten welhaast op, dat het land aan die zyde daar wy thans waren gantsch anders ’er uitzag dan aan de overzyde, want inPensylvaniebestaat de grond meerder uit klei en zwarte aarde en is zeer vrugtbaar; maar inNew Jerseyis hy zandiger en mager, zo dat de voeten der paarden op vele plaatsen zeer diep in ’t zand zakten. Digt by de plaats daar wy waren overgezet, een eind wegs langs den oever, was een tamelyk zwaar Dennebosch. De bomen waren niet zeer hoog, dog in hunne grootste kragt; tusschen beiden vertoonde zig hier en daar enig eiken kreupelhout. Maar na dat wy omtrent drieEng.mylen verder waren, eindigde het Dennewoud, en wy zagen niet meer van die bomen voor dat wy by de Kerk vanRakoonkwamen. In alle de delen vanPensylvaniedaar ik geweest ben, heb ik weinig Dennebomen gevonden; in tegendeel zyn ze menigvuldig inNew Jersey, en vooral in het beneden deel van dat Landschap. Vervolgens zagen wy den gantschen dag geen ander geboomte dan dat zyn blad laat vallen; meest Eiken van verscheiden’ soorten en grote hoogte; dog zy stonden overal zo ver van malkander dat ’er een rytuig tusschen door kon ryden, zynde daar weinig of gene struiken die het verhinderen konden. De bladeren bedekten thans den grond ter hoogte van ene hand breedte, het welk de bovenste zwarte aarde moet doen toenemen. Op vele plaatsen stroomden kleine beekjes. Het land was gemeenlyk vlak, dog maakte hierendaar enen langzaam opgaanden heuvel. Grote bergen vertoonden zig niet, en op sommige plaatsen vonden wy enige stenen, die niet groter dan een vuist waren. Men zag enige huizen verspreid staan, en op ene plaats alleen lag een klein dorp. Het land was meer met hout bedekt dan bebouwd, en wy waren meest altyd in een bosch.[144]Riviertjes.Dien dag en de volgenden trokken wy verscheiden zogenaamdeKillsof kleine riviertjes over, die langzaam naar deDellawareuit het land henen vloeiden. Als het ty in deDellawareopkwam, zwollen deze stroompjes ook een eind wegs. Voorheen moeten zy by den vloed veel breder geweest zyn, dog tegenwoordig worden zy door dyken belet de naburige weiden te overstromen. Langs alle de rivieren waren hier dyken gelegd, zo dat het water by den vloed hoger was dan het land. In de dyken waren schutdeuren, waardoor men het water uit- en inlaten kon. Zy lagen somtyds aan den buitenkant van den dyk, zo dat het binnenwater hoger zynde ze open drong, en het buiten water ze toesloot.Dien avond namen wy onzen intrek by enenZweed, genoemdPeter Rambo.Pynbomen.De Pynbomen die wy dezen dag gezien hadden, waren van dat soort dat dubbelde bladeren en langwerpige zaadhuisjes of pynappelen, met schubben gedekt, draagt.144DeEngelschennoemen ze onderscheidshalvenDennen van New Jersey. Gemeenlyk zitten ’er maar twee bladen of prikkels in ene schede, gelyk by deZweedschen. Dog uit sommige scheden kwamen ’er drie. De zaadhuisjes hadden lange stekels, zo dat ze kwalyk aanteraken waren. In de verte zien ’er anders deze Dennen juist zo uit als onzeZweedschen. Uit dezelven werd zeer veel teer gebrand, waarvan ik hierna breder spreken zal. Zy deugen voor niets anders, als allen te klein zynde. Als men ze voor palen in de aarde gebruikt, vergaan zy binnen kort. Zo dra zy geveld worden komen ’er wormen in. Men gebruikt ze egter om te branden in plaatsen daar men geen ander hout krygen kan. Ook maakte men ’er hier en daar smidskolen van, gelyk ik in ’t vervolg verhalen zal. Dog ’er is nog iets byzonders omtrent deze bomen aantemerken, het welk nevens my vele menschen bevonden hebben. In de grote hette des zomers zoekt het vee hun lommer veel meer dan dat van den Eik, of andere bomen, wier blad zeer dik is, en als het de laatsten onder de Dennen gemengd vindt, gaat het altyd onder de Dennen staan, schoon ’er ene betere lommer onder de anderen is; en wanneer ’er maar een enkelde van deze bomen te vinden is, loopt ’er zo veel vee onder als ’er onder staan kan. Sommigen wilden hieruit opmaken dat de harstagtige uitwaassemingen van den Denneboom voordelig voor het vee zyn, en het meer genegen maken om onder dezelven dan onder andere bomen te staan.Lepelboom ofKalmia.DeLepelboom145komt noit tot ene grote hoogte. Wy zagen[145]hem dezen dag op verscheiden’ plaatsen. DeZwedengaven hem dezen naam, omdat deWilden, die hier voorheen woonden gewoon waren hunne lepels en spanen van dit hout te maken. Ik heb zulk een lepel in myn Kabinet, gemaakt uit dit hout door enenAmerikaan, die op de zelve plaats waar nuPhiladelphiastaat verscheiden herten gedood heeft, want in dien tyd was die plaats geheel bedekt met bomen en kreupelhout. DeEngelschennoemen dezen boomLaurel, om dat zyne bladen zeer veel naar die van denLaurocerasusgelyken. De RidderLinnæusheeft, volgens zyne byzondere vriendschap jegens my, de goedheid gehad, hem den naam te geven van debreedbladerigenKalmia.146Deze boom tiert het best tegens de heuvels, vooral aan de noordzyde als ’er een beekje langs loopt; om die reden kan men staat makenKalmiaste vinden wanneer men op ene steile plaats komt waar een beekje omtrent loopt. Maar hy staat veeltyds vermengd onder de beuken. Hoe hoger deKalmiategens het noorden op den heuvel staat te minder groeit zy. Ik heb ze niet alleen inPensylvanieenNew Jersey, maar ook, dog schaarsch, inNew Yorkgezien. Ik vond ze noit noordelyker dan 42.gr. N.schoon ik ’er zeer oplettede of zy ’er ook waren. Deze boom behoudt zyne fraye groene bladeren den winter over; zo dat, wanneer de andere bomen al hun sieraad kwyt zyn, zy de bosschen met hun groen opluisteren. Omtrent Mai begint hy hier te bloeyen, en dan betwist hy den rang van schoonheid aan alle de bekende bomen. De bloemen zyn ontelbaar, en zitten aan grote trossen. Voor dat zy opengaan hebben zy een schoon rood; maar naderhand verbleekt ze de zon, zo dat zy geheel wit worden. Sommigen hebben ene rozekleur. Haar gedaante is zonderling, want zy gelyken veel naar een kroes der Ouden. Dog de reuk is zo aangenaam niet. Op sommige plaatsen was men gewoon op kersmis en nieuwjaarsdag de kerken met de takken van dezen boom, die dan geheel groen zyn, opteschikken.Vergiftig.Dog deze boom heeft ene andere eigenschap. Zyne bladen zyn een vergift voor sommige, en een voedsel voor andere dieren. De ondervinding heeft geleerd, dat, als de schapen ’er van eten, zy of ten eersten sterven, of zeer ziek worden, en ’er bezwaarlyk van opkomen. De jonge en tedere schapen sterven van ene kleine hoeveelheid, dog die wat ouder zyn kunnen wat meer verdragen. Egter is dit voedsel hun dodelyk, wanneer zy ’er wat veel van eten. Het zelve heeft plaats omtrent de kalveren, die ’er ook van sterven, of ten minsten bezwaarlyk ’er afkomen. Het heugt my dat in denherfstvan 1748. sommige kalveren van die bladen gegeten hadden, zeer ziek wierden, opzwollen, schuim op[146]den mond kregen, en ’t nauwlyks op de benen houden konden. Men reddede ze egter door ’t ingeven van buskruid en andere middelen. De schapen zyn het meest aan ’t gevaar bloot gesteld van door deze bladeren in bekoring gebragt te worden in den winter, want, na lang op stal gehouden te zyn geweest, zyn zy gretig naar alle groen, vooral als de sneuw nog op het veld legt. Paarden en Ossen bekomt dit blad ook zeer kwalyk, en schoon ’er noit een van gestorven is, gelooft men egter in ’t gemeen dat indien zy ’er wat veel van aten zy ’er ook van sterven zouden, want men heeft opgemerkt, dat als zy ’er maar ene geringe hoeveelheid van aten zy ’er voor lyden moesten. Daarentegen zyn deze bladeren een voedsel in den winter voor de Herten, wanneer het veld onder de sneuw legt, en zy niets anders vinden kunnen. Wanneer men ze dan schiet is hun gedarmte met dit blad opgevuld, en het is iets wonderlyks dat, als men die ingewanden den honden geeft, dezelven daar wild en als dronken van worden, en somtyds ook zo ziek dat het schynt dat zy ’er van zullen sterven. Dog de menschen hebben geen ongemak van het eten van het vleesch van zulke herten. Ook zyn deze bladeren in den winter een voedsel voor zekeren vogel, dien deZwedeninNoord AmerikaHazelhoengenoemd hebben, die hier den winter over blyft. Als men dan ’er een van schiet, vindt men den krop vol van deze bladeren.Het hout.Het hout van deKalmiais zeer hard, en daarom gebruikt men het om assen in katrolblokken te maken; dog vooral dient het voor weversspoelen, waartoe de wevers geen hout hieromstreeks beter houden, want het is vast, laat zig ligt glad maken en springt niet. De schrynwerkers en drayers maken ’er ook allerlei werk van, waartoe men anders gewoon is het beste soort van hout te gebruiken. Byzonderlyk neemt men daartoe den wortel, dewyl die doorgaans geel is. Het hout is zo fyn en hard als men ’t zou kunnen wenschen. Uit het middelpunt lopen verscheiden stralen uit, dog wat ver van malkander. Als men het loof in ’t vuur smyt, spat het als of men ’er zout in gegoid had. Men gebruikt des winters de takken met de bladeren daaraan om de schoorstenen te vegen. In ’t jaar 1750. werden de meeste bomen inPensylvanievan zekere rupsen kaal geschoren, dog dezen waagden zig niet op deKalmia. Enige lieden beweerden dar als ’er des zomers brand in een bosch ontstond, het vuur zig door dezen boom liet stuiten.Mais.Zo wel deZwedenals de andere Inwoonders planten zeer veelMais, niet alleen voor zig maar ook voor hun vee. Men beweerde dat ’er geen beter voer voor de varkens was, om dat zy ’er zeer vet van wierden, en hun vleesch ’er enen beteren smaak door kreeg als van enig ander voedsel. Ik heb derKoninglyke Zweedsche Maatschappye[147]der Wetenschappentwee Vertogen over dit soort van graan gegeven, die in hare Verhandelingen te vinden zyn.147De wielen der karren die men hier gebruikt bestaan uit twee soorten van hout. Tot de velgen neemt men den Spaanschen, en tot de speken den Witten Eik.Sassafras.DeSassafrasboomwies hier overal. DeZwedennoemen hem hierSaltenbras, ofSalsenfras. Als men wat van dit hout in ’t vuur werpt, springt het even als of ’er zout in lag. Men gebruikt het voor palen aan de tuinen, want het duurt lang in de aarde. Anders denkt men dat ’er nauwlyks een hout te vinden is, dat in de blote lugt zo zeer van de wormen wordt aangegrepen, als dit, want zy vreten het in korten tyd door en door. DeZwedenzeiden dat deWilden, die voorheen hier woonden, ’er schalen van maakten. Als men iets van den boom, of deszelfs jonge scheuten, afsnydt, en het onder den neus houdt, heeft het enen sterken dog aangenamen reuk. Sommigen schillen den wortel, en brouwen de schil in hun bier, om dat zy denken dat dit zeer gezond is. Men legt de schil ook in brandewyn, of terwyl men hem nog bezig is over te halen, of naderhand als hy al klaar is, insgelyks voor de gezondheid.Goed tegens de waterzugt.Een oudeZweedherinnerde zig nog dat zyne Moeder verscheiden’ menschen van de waterzugt genezen had, door middel van een afkooksel van den Sassafraswortel in water, elken morgen genomen, dog te gelyk kopte zy den lyder op de voeten.Gebruikt tegens de weegluizen.Wanneer men een stuk lands met hout bewassen bebouwen wil, laat men ’er gemeenlyk de Sassafrasbomen op, om dat zy sterk in de bladen zyn, en in de zware hette het vee lommer verschaffen. VeleZwedenwaschten met een afkooksel van de schil des wortels van den Sassafras het vaatwerk uit, waarin zy Cyder, bier, of brandewyn brouwen wilden, om dat zy zig verbeeldden dat daardoor de dranken gezonder wierden. Sommigen hadden de posten hunner bedden van die hout laten maken om de weegluizen te verdryven, het welk zy meenden dat door zynen sterken reuk dat ongedierte hinderen zou daarin te nestelen. Zo lang ook dat hout zynen sterken reuk behoudt had men ’er ene goede uitwerking van bespeurd, dog naderhand kon men niet merken dat het veel hielp. EnigeEngelschenverhaalden dat het enige jaren geleden teLondenin ’t gebruik was geweest de bloemen van den Sassafras als thee te drinken, om dat men het voor zeer gezond hield. Dog toen men begon te bedenken dat deze drank veel tegens deVenusziektegebruikt wierd, schafte men het af, uit vrees van kwade verdenking. InPensylvanieplagten enige menschen de spaanders van[148]dit hout in de kasten te leggen, om de motten uit het wollen goed te houden. De wortel behoudt langen tyd zynen reuk. Ik heb ’er enen gezien die wel vyf of zes jaar in ene lade gelegen had en nog zeer sterk rook.Rambo, deZweed, vertelde dat deWildenvoorheen allerlei leder met den bast van den kastenjen eik rood plagten te verwen. En enige oude lieden bragten zig te binnen dat hier in ’t jaar 1697. een zo harde winter geweest was, dat het ys in deDellawaretwee voeten dikte had gehad.Digt en zwaar Gras.Aoke Helmwas een der voornaamsteZwedenin dezen oord, wiens Vader met denZweedschenGouverneurPrinzherwaards gekomen was. Hy was over de zeventig jaar oud. Deze oude man verhaalde ons dat in zyne kindschheid in de bosschen een zeer digt gras plegt te wassen, wel twee voeten hoog, dog dat het thans zo verminderd was, dat het vee werk had genoeg te vinden, en dat tegenwoordig vier koeyen niet meer melk gaven dan toen ene, dog de oorzaken van deze verandering zyn ligt te vinden. In de jeugd van den oudenHelmwas het land weinig bebouwd, en men hield ’er nauwlyks het tiende deel van het vee dat men ’er nu houdt, dus had ene koe toen zo veelDuur maar een jaar.voedsel als nu tien. Verders, het meeste gras duurt hier maar een jaar, en wast niet, gelyk by ons inZwedenhet meeste doet, verscheiden jaren voort uit enen den zelven wortel. Dus moet men ieder jaar op nieuws gras zayen. Het groot getal van beesten nu verhindertGebrek.het voortzayen dewyl zy het gras afeten eer het bloeyen kan. Dus moet men zig niet verwonderen dat het gras tegenwoordig zo dun staat. Dit maakt dat men, vooral des winters, op reis verlegen genoeg is met zyne paarden, en dat zo wel inPensylvanieenMarylandals inNew Jersey, want het gras is daar gantsch niet overvloedig aan te treffen, dewyl het door het vee afgeschoren wordt eer het zaad schiet. Maar verder noordwaards, als inKanada, heeft men soorten van overblyvend gras genoeg. Zo wyslyk heeft het de Schepper geschikt. Alle de koude gewesten moesten natuurlyk een duurzaam gras voortbrengen, dewyl de Inwoonders, wegens den langdurigen winter, meer hoi voor hun vee behoefden. De zuidelyke landschappen daarentegen hebben minder van dat soort van gras, vermits het vee den gehelen winter over in het veld blyven kan. Egter hebben vele voorzigtige liedenEuropischduurzaam graszaad op hunne weilanden gestroid, het welk daar zeer wel scheen te slagen.Mispelbomen.DePersimon, of de by deZwedenzogenaamdeMispelboom148wies hier vry algemeen. Ik heb ’er reeds van gesproken, nogthans zal ik ’er[149]iets byvoegen. Zyne vrugten begonnen thans ryp te worden, en eetbaar te zyn. Men at ze nu gelyk ander ooft. Zy zyn zeer zoet en sappig, dog een weinig t’zamentrekkend. Ik at ’er gemeenlyk zeerMispelbier.veel van zonder nadeel. Men brouwt van de Mispelen een aangenaam bier, op deze wys. Laat in den herfst, als de vrugt reeds door de vorst aangedaan is, kneedt men de vrugt in een deeg van weit of ander meel, maakt ’er koekjes van, zet ze in den oven, tot dat ze door en door gebakken en droog zyn. Dan neemt men ze ’er uit. Als men nu aan ’t brouwen gaan zal, zet men enen pot op ’t vuur vol koud water, en legt ’er enige koekjes in. Het water warm wordende gaan deze koekjes van een. Men neemt het dan van ’t vuur, roert het wakker om, zo dat het alles wel door een gemengd wordt. Dan giet men het alles in een ketel. Dus gaat men voort tot dat men koeken genoeg week gemaakt heeft. Dan doet men het mout in den brouwketel, en behandelt het gelyk als bier. Dit bier wordt voor aangenamer gehouden dan meest alle anderen. Men maakt ook brandewyn van de mispelen. Dit geschiedt aldus. Men doet ’er ene genoegzame menigte van in een ketel, en laat ze daar ene week in, of iets langer, tot dat ze door en door zagt zyn. Dan giet men ’er water op, en dan moeten zy van zelven gisten, zonder dat men ’er iets by doet. Vervolgens stookt men ’er op de gewone manier brandewyn van, die gezegd wordt zeer goed te zyn, vooral als men onder de mispelen enige zoete wilde druiven doet. Enige mispelen zyn reeds op het einde van September ryp, dog de meesten later, en velen niet voor November of December, wanneer de vorst ze aandoen kan. Het hout van dezen boom is goed voor allerlei schrynwerk. Dog, als het geveld zynde in de vrye lugt blyft leggen, is het een van de eerste houten die rotten, en in een jaar tyds deugt ’er niets meer van. Als de Mispelboom eens geworteld heeft, kan men hem bezwaarlyk uitroeyen, dewyl zy zig te veel verspreiden. Men zeide my, dat als men een tak afsneed en in de aarde stak, hy wortel schoot. Dog in zeer harde winters vriezen deze bomen dikwyls dood, en kunnen, zo wel als de Persikeboom, niet zeer tegens de koude.Kawoerden.Vele soorten vanKawoerdenenMeloenenworden hier geteeld, zynde gedeeltelyk reeds by de oudeAmerikanenbekend geweest, gedeeltelykMeloenen.door deEuropeanenovergebragt. Van de Kawoerden had men een soort dat aan het einde krom is, dog anders langwerpig, en dus wierden zyCrocknacksofKromhalzengenoemd. Men kan ze byna den gehelen winter over goed houden. Nog zyn ’er zekere andere Kawoerden die ook goed blyven. Anderen wederom worden aan stukken gesneden, aan draden geregen, en te drogen gehangen.Men kookt of stooft ze daarna, zo als men wil; en zy kunnen het gehele jaar over[150]duren. Men eet en bereidt hier allerhande soorten van Kawoerden, gelyk by ons. Vele landlieden hebben ’er gehele velden van.Squashes.DeSquasheszyn een soort van kawoerden, dat deEuropeanenvan de Inlanders gekregen hebben, en waarvan ik reeds gesproken heb. Men eet ze gekookt, alleen of by vleesch. Zy vereischen weinig zorg, want zy slagen in allerlei gronden. Als men het zaad in den herfst in de aarde brengt draagt het vrugt in de volgende lente.Kalabassen.DeKalabassenzyn ook een soort van Kawoerden, die veel geplant dog niet gegeten worden. Men maakt ’er allerhande keukengereedschap van. Zy zyn tederder dan deSquashes, en worden hier niet altyd ryp, dog alleen by warm weder. Om ’er keukengereedschap van te maken, worden zy eerst wel gedroogd, het zaad en de vleeschige stof, waarin het legt, neemt men ’er uit, en smyt het weg. De schillen worden van binnen schoon geschraapt; en dan maakt men ’er allerlei lepels, schotels, en andere dingen van om eetwaren in te bewaren. Byzonder zyn zy goed om zaden en planten ’er in over zee te verzenden, want die behouden hunne vrugtbare kragt veel langer inKalabassendan anders. Sommigen plegen de buitenste schillen derKalabassen, voor dat zy ze openen, af te schrapen, daarna te drogen, en dan van binnen schoon te maken; dit maakt ze zo hard als been. Men kan ze ook afwasschen, zo dat zy hare witte kleur altyd behouden.Boekweit.De meeste Landlieden in dezen oord zayen Boekweit. Dit geschiedt in ’t midden van Juli, want later gezaid zoude zy door de vorst bedorven worden; en als men ze vroeger zait bloeit zy den gehelen zomer over, dog de bloemen vallen af zonder zaad te geven. Sommigen ploegen den grond twee malen waar zy Boekweit zayen willen, dog anderen maar eens, omtrent ene week voor dat ze zayen. Zodra men gezaid heeft, wordt het landgeëgd. Men heeft ondervonden dat in een nat jaar de Boekweit wel voortkomt. Zy blyft op het veld tot dat het begint te vriezen. Als de oogst goed is, krygt men twintig, dertig, ja veertig voor een. Zulken oogst had deZweedscheKosterRagnilson, in wiens huis wy thans ons verblyf hadden. Men maakt ’er koeken en puddings van. De koeken worden gemeenlyk des morgens in de pan op een steen gebakken, geboterd, en by de thee of koffy, in stede van geroost en geboterd brood, gelyk anders deEngelschendoen, gegeten. De vogels met Boekweit gevoed leggen meer eyeren. Ook worden ’er de varkens zeer vet van. Het stroo gebruikt men niet, maar laat het op het veld, of stroit het in de boomgaarden, om als een soort van mist te dienen, wanneer het rot. Geen dier wil ’er van eten ten zy in den uitersten nood, als het veld met sneuw bedekt, en niets anders te vinden is. Hoe gemeen de Boekweit in deEngelscheVolkplantingen ook is, hebben ’er egter deFranscheninKanadagene regte kennis aan.[151]Ligtende wormen.Wy vonden, den 23. Nov. tegens den avond enige ligt gevende wormen. Hun lichaam was lynregt, bestaande uit elf geledingen, een weinig puntig van voren en van agteren. De lengte van den kop tot den staart was vyf en ene halve meetkundige lyn. De kleur was bruin, en de geledingen als die derOnisci. De sprieten waren kort en regt. De zes voeten zaten aan de voorste geledingen. Als de worm liep liet hy het agterste deel op den grond slepen, en dit hielp zyne beweging. Het uiterste van den staart bevatte de stof die in ’t donker een groenagtig ligt geeft. De worm konde ze intrekken, zo dat hy geen ligt gave. Schoon het den gantschen dag sterk geregend had, kropen zy in menigte onder het kreupelhout, zo dat de grond als met starren bezaid scheen. In ’t vervolg zal ik gelegenheid hebben van een ander soort van gekorven gedierte of vlieg te spreken, die door de lugt vliegende by nagt als vuurvonken ligt geeft. Zoude wel deze ligtende wormen ene verscheidenheid wezen van deLampyris NoctilucavanLinnæus?Ilex Aquifolium.HetIlex Aquifoliumwies op waterige plaatsen hier en daar in ’t woud. Men moest dit gewas onder de zeldzamen rekenen. Het blad blyft zomer en winter groen. DeZwedendrogen de bladeren, maken ze tot poeder, koken ze in dun bier, en gebruiken ze in ’t zydewee.Verwstoffen.Men verwt hier rood metBraziliehouten met een soort van boommos, en blauw metIndigo. Om zwart te verwen plukt men de bladen van de wilde zuring149en kookt ze met de stof, welke dan gedroogd en op nieuws metCampechehouten koperrood gekookt wordt. Dit zwart is zeer bestendig. Men spint en weeft zelf hier veel van de dagelyksche klederen, en verwt die in huis. Het vlas wordt van velen gebouwd, en slaagt wel. Dog de hennip gebruikt men weinig.Sikkels en Seissen.De Rogge, de Weit, en de Boekweit worden met den sikkel gemaid, dog de Haver met de seis. De sikkels, die men hier gebruikt, zyn lang en smal, en het scherpe is met kleine tandtjes van binnen bezet. De landen blyven een jaar braak leggen, en gedurende dien tyd weidt er het vee op.Zelfs de niet veel vermogende landlieden in dezen oord hebben hunnen boomgaard, min of meer groot volgens hunnen rykdom. De bomen zyn gemeenlyk Persike-,Appel-en Kerssebomen.Vervolg van de Reis.Wy verlieten deze plaats den 24. Nov. een weinig voor den middag, en vervolgden onze reis, deZweedscheKerk teRakoonvoorby, naarPeils groves. Het land aan beide zyden van den weg is zandig en tamelyk vlak. Hier en daar ziet men, dog niet dikwyls, enige Landhoeven. Daar waren grote streken nog enkeld bosch, meest uit verscheiden soorten van Eiken en uit Hikorybomen bestaande. Egter kon men[152]in deze bosschen zeer wel voortkomen, zelfs met een rytuig, want men vond ’er weinig laag hout en stenen in. Dog hier en daar lagen enige bomen, ’t zy door storm geveld, of uit ouderdom omgevallen, die enige verhindering maakten.Waarnemingen omtrent het toenemen van het land.Gedurende myn verblyf teRakoon, nu en den gehelen volgenden winter, deed ik myn best om van de oudeZwedenalle mogelyke onderrigting te krygen, aangaande het toenemen van het land, en ’t verminderen van het water in deze oorden. Ik zal hier gewagen wat onderrigtingen ik kreeg. Ik geef ze zo als ik ze ontvangen heb, met maar weinige aanmerkingen; dus kan de Lezer daaruit zulke gevolgen trekken als hy wil.EenZweed,Kinggenoemd, meer dan vyftig jaren oud, hield zig voor overtuigd, dat, omtrent dezen tyd, de kleine meertjes, poelen, bronnen en rivieren minder water hadden dan toen hy een jonge was. Hy kon verscheiden meren noemen, die men in zyne jeugd met grote schuiten bevoer, en zelfs in ’t heetste van den zomer water genoeg hadden, dog nu of geheel of voor het grootste gedeelte droog waren, en die ten minsten des zomers geen water meer hadden. Hy zelf had by gebrek van water den visch zien sterven; en het scheen hem toe dat het tegenwoordig des zomers zo veel niet regende als voorheen. Een man van zyne bloedvrienden, die omtrent agt mylen van deDellawareaf, op enen heuvel by een riviertje woonde, had enen put doen graven, en op de diepte van veertig voet ene menigte van oester en mosselschelpen, van riet, en stukken van gebrokene takken gevonden. Ik vroeg hoe zy dagten dat dit alles daar gekomen was, en het antwoord was, dat sommigen meenden dat alles daar reeds van den zondvloed af zo gelegen had, en anderen dat het land toenam.Peter Rambo, een man van digt by de zestig jaar, verzekerde my dat op verscheiden’ plaatsen teRakoon, waar men putten, of met een ander inzigt diep in den grond, gegraven had, men ene menigte van mosselschelpen en andere voortbrengsels van de zee had gevonden. Somtyds had men stukken houts ontmoet ter diepte van twintig voet, waarvan sommigen versteend waren, en anderen ’er uitzagen als verbrand. Op die diepte vond men eens ene grote lepel. Zoude het verbrande hout niet zwart geworden zyn door onderaardsche minerale dampen? Dog velen hebben ’er uit opgemaakt, datAmerikareeds voor den Zondvloed bewoond was. Dezelve man verhaalde my verders, dat men ook ticchelstenen diep in den grond gevonden had. Maar zoude niet de steenkleurige klei, waaruit de grond hier grotendeels bestaat, hard zynde, voor ticchelstenen zyn aangezien? Ik heb horen zeggen dat die klei, hard zynde, veel naar gebakken steen gelykt. Hy zeide ook, dat de rivieren nog even zo hoog waren als men wist dat zy[153]oit waren geweest; maar in de kleine meertjes, in poelen en vyvers was merkelyk minder water.Maons Keen, een andereZweedvan meer dan zeventig jaar, verzekerde, dat, by het graven van enen put, hy, op de diepte van veertig voet, een groot stuk kastanjenhout, en wortels en stelen van riet gezien had, nevens ene kleiagtige aarde, gelyk die welke men gemeenlyk aan het strand van zeeboezems vindt, daar men zout water heeft. Deze klei had den zelven reuk en enen zoutagtigen smaak. Hy en verscheiden’ anderen maakten daaruit op, dat al het land waarRakoonenPenns-neckleggen van ouds geheel door de zee bedekt was. Ook was ’er op ene grote diepte ene spaan, gelyk die derWilden, gevonden.Sven LockenWillem Cobb, beiden meer dan vyftig jaar oud, kwamen daarin volkomen overeen, dat men op vele plaatsen hieromstreeks by het graven naar wellen zeer veel riet, het meest verrot, gevonden had ter diepte van dertig en meer voeten. En ’t werkvolk vanCobbzelven was in ’t graven ter diepte van twintig voet op enen dikken tak gekomen, die hen belet had voorttegaan, tot dat men hem doorgehakt had. Het hout was zeer hard. Ook is het zeer gemeen van niet diep in den grond ene menigte te vinden van niet geheel verrotte bladen van allerlei soort. By het maken van enen molendyk, enige jaren geleden, op de rivier waarby de kerk vanRakoonstaat, en het doorgraven ten dien einde van ene bank, vond men dat die meest uit oesterschalen bestond, schoon men hier meer dan honderdentwintigEng.mylen van zee is. Zy, nevens alle de Inwoonders vanRakoon, besloten hieruit, zonder dat men het hun in ’t hoofd gebragt had, dat deze landstreek in oude tyden door de zee bedekt was geweest. Ook verzekerden zy, dat vele kleine meertjes, die in hunne jeugd, zelfs in den zomer, vol waters waren, nu des zomers nauwlyks een beekje uitmaakten, uitgenomen by harde regenvlagen; dog zy vonden niet dat de rivieren van water verminderd waren.Aoke Helm, een gryzaard van zeventig jaar, vond by ’t graven van enen put eerst zand en kleine stenen, en dat ter diepte van agt voeten, daarna ene bleke en vervolgens ene zwarte klei. Op vyftien voeten vond hy een stuk hard hout, en verscheiden stukken van vuurstenen. Hy verhaalde dat hy verscheiden’ plaatsen in deDellawarekende daar men in zyn jeugd met schuiten voer, en die nu in kleine Eilandtjes veranderd waren, waarvan er sommigen byna eneEng.myl lengte hadden. Deze Eilandtjes ontstaan uit zandbanken die zig in den stroom vastzetten, waarop vervolgens het water enige klei aanspoelt, in de welke biezen beginnen te groeyen, en dus wordt het allengskens tot land.By ene zamenkomst van de oudsteZwedenuit het kerspel vanRakoon, kreeg ik het volgende antwoord op de vragen die ik aangaande[154]deze zaak deed. Waar men hier ook putten graaft vindt mem overal ter diepte van twintig of dertig voet vele oesterschelpen enClams. Op vele plaatsen heeft men by ’t graven ene menigte gevonden van biezen en riet, meest alles onbeschadigd. Eens heeft men enen gehelen bondel van vlas ontmoet wel tusschen de twintig en drieentwintig voet onder den grond. Het was al zo weinig beschadigd als of het eerst onlangs onder de aarde was geraakt. Alle de menschen stonden verwonderd, kunnende niemant begrypen hoe het daar gekomen was. Dog ik verbeelde my dat die goede lieden de ene of de andereAmerikaanscheplant, als het wildeVirginischevlas150of hetAntirrhinum Canadense, dat veel naar vlas gelykt, voor vlas aanzagen; en het was ook opmerkelyk dat die bondel omwonden zou geweest zyn. DeEuropersop hunne aankomst vonden nergens vlas inAmerika. Hoe kon ’er dan een bondel van onder de aarde komen? Gebrande kolen heeft men dikwyls in den grond gevonden. De koster,Erik Ragnilsson, had ’er velen van gezien. Ook heeft men dikwyls ter diepte van boven de twintig voeten takken en blokken houts ontmoet. Op sommige plaatsen had men spanen by deWildenin gebruik uitgegraven. En uit dit alles maakten zy op, dat deze landstreek voorheen zee geweest was. Dog men moet hierby opmerken, dat meest alle die putten op plaatsen gegraven wierden daar ene nieuwe plantery wierd aangelegd, waar men het hout eerst had weggehakt, dat ’er misschien verscheiden’ euwen gestaan had. Uit alle deze aanmerkingen, en nog anderen, die ik in ’t vervolg ’er byvoegen zal, kan men opmaken, dat een groot deel vanNew Jerseyin overoude tyden een gedeelte was van den bodem der zee, en naderhand voortgebragt is geworden door de modder, slik en andere stoffen, die deDellawaremet zig gevoerd heeft. Evenwel maakt het uitstek byKaap May, waarvan in ’t vervolg, deze zaak nog meer of min nog twyffelagtig.Planten die altyd groen blyven.De gewassen die hier zomer en winter hun blad houden zyn.DeIlex Aquifolium, of Hulst.DeKalmia Latifolia, de breedbladerigeKalmia.DeKalmia angustifolia, de smalbladerigeKalmia, een soort van den eersten.DeMagnolia glauca, de Beverboom. De jonge planten van dezen boom alleen behouden des winters haar blad, en de ouden niet.HetViscum album, het gemene Mistelboompje, wassende gemeenlyk op deNyssa aquatica, deLiquidambar styraciflua, den Eik en de Linde, zo dat de toppen dier bomen ’er des winters gantsch groen van schynen.[155]DeMyrica ceriferaof de Talkboom. Dog van dezen behouden maar enige jonge bomen hun loof, de meesten laten het vallen.De Sparreboom.151De Denneboom.152DeCupressus thyoides, of de witte Jenever, anders de witte Ceder.DeJuniperus Virginiana, de Rode Jenever, of Ceder.Verscheiden’ Eiken en andere bomen laten hier in den winter hun blad vallen, die wat zuidelyker, gelyk inKarolina, het gantsche jaar door groen blyven.Hetuitvallen dertanden inAmerika.Men heeft opgemerkt dat deEuropeaneninNoord Amerika, het zy zy inZweden, inEngeland, inDuitschland, of inHolland, of zelfs inAmerikavanEuropeaanscheouders geboren zyn, hunne tanden veel vroeger kwyt raken dan in andere landen; byzonderlyk had dit plaats omtrent de Vrouwen. Men zag dikwyls meisjes van twintig jaar, die reeds de helft van hare tanden verloren hadden, zonder hoop te hebben nieuwen te zullen krygen. Ik heb naar de oorzaak hiervan gezogt, dog ik weet niet of ik de ware gevonden heb. Velen waren van mening dat de lugt hier te lande nadelig was voor de tanden, en dit is zeker dat het weder nergens onbestendiger wezen kan; want een zeer hete dag eindigt dikwyls met ene scherpe koude, en zo ook omgekeerd. Dog deze veranderlykheid kan het uitvallen der tanden niet veroorzaken, dewylDog niet by deWilden.dit by deWildengene plaats heeft, die, schoon zy in de zelve lugt leven, altyd witte en schone tanden behouden, gelyk ik zelf gezien, en ook van vele anderen gehoord heb. Daar zyn ’er die dit aan ’t onmatig gebruik van vrugten en zoetigheden toeschryven; dog ik heb vele menschen gekend die hierin geen overdaad begingen, en evenwel hunne tanden kwyt raakten.Of dit komt van het thee drinken.Ik begon het thee drinken, dat hier des morgens en des middags geschiedt, te verdenken, het welk tegenwoordig vooral onder de Vrouwen zo gemeen is, dat ’er nauwlyks zelfs ene Boerin of arme Vrouw is, die des morgens geen thee drinke. En in deze mening wierd ik bevestigd op ene reis, die ik deed in de oordenwaardeWildennog wonen. De Generaal MajorJohnsonverhaalde my toen, dat velen van deWilden, die digt by deEuropeanenwoonden, geleerd hadden thee te drinken, en dat men opgemerkt had dat zulkeAmerikaanscheVrouwlieden, die zig zeer daaraan gewend hadden, even als deEuropischeVrouwen, hare tanden vroeg kwyt raakten, schoon zy ze voorheen gantsch zuiver hadden gehad. Integendeel zulken die gene thee gebruikten behielden hare tanden tot enen hogen ouderdom.[156]Dog naderhand bevond ik dat het gebruik der thee niet de enige oorzaak van dit verlies der tanden wezen kon. Verscheiden jonge Vrouwspersonen, inEuropageboren, klaagden dat zy hare meeste tanden waren kwytgeraakt zodra zy inAmerikagekomen waren. Ik vroeg, of zy niet dagten dat dit van het menigvuldig thee drinken kwam, dewyl men weet, dat sterke thee de tanden als opvreet; dog zy antwoordden dat zy reeds begonnen hadden hare tanden te verliezen voor dat zy nog thee gedronken hadden. Maar myn onderzoek voortzettende, vond ik ten laatsten ene genoegzame oorzaak van dit uitvallen der tanden. AlleVan het warm eten.deze Vrouwen bekenden dat zy zeer gesteld waren om alles zo warm te eten als het maar mogelyk was. Dit was even het zelve met de andere Vrouwen in het land, die hare tanden veel vroeger verliezen dan de Mans. Zy drinken veel meer thee des morgens en des namiddags dan de Mans, wier bezigheden hun den tyd niet laten van lang aan de theetafel te zitten. Behalven dat, deEngelscheMans geven weinig om thee, maar houden meer van een kompunch. Als deEngelscheVrouwen thee drinken gieten zy ze niet in de schoteltjes, maar gebruiken ze zo heet als zy kunnen uit het kopje. DewildeVrouwlieden volgen ze daarin na. Integendeel, dieWilden, wier tanden wit en gaaf zyn, eten of drinken noit iets warm.Ik vroeg verscheiden van de oudeZwedenof hunne Ouders en Landslieden hier ook hunne tanden zo vroeg verloren hadden, dog zy zeiden van neen.Bengtson, de Kerkeraad vanPhiladelphia, verzekerde my, dat zyn vader op zyn zeventigste jaar persikestenen en noten met zyn tanden kraken kon, en dit zal tegenwoordig niemant hier op die jaren ondernemen. Dit bevestigt het geen ik gezegd heb, want in dien tyd was het gebruik der thee inNoord Amerikaonbekend.Koortsen.Gene ziekte is hier gemeender dan die welke deEngelschenFever and aguenoemen, ene koude koorts, die of ene alledaagsche, andere- of derdedaagsche is. Dog het gebeurt dikwyls dat iemant, die ene derdedaagsche koorts gehad heeft, en ze ene week is kwyt geweest, ene alledaagsche in de plaats krygt, en als die weg is, na enigen tyd, weder door ene derdedaagsche wordt aangetast. De koorts begint gemeenlyk op het laatst van Augustus of het begin van September, en duurt den herfst en den winter over tot aan de lente, wanneer zy geheel verdwynt.De Vreemdelingen worden ’er gemeenlyk het eerste of het twede jaar na hunne aankomst van aangetast, en veel sterker dan de Inboorlingen, zo dat zy ’er somtyds aan sterven. Maar als zy ’er de eerste maal doorkomen, zyn zy ’er gemeenlyk het twede jaar, en somtyds altyd vry van. Men zegt hier in ’t gemeen dat de Vreemdelingen de koorts krygen om zig aan de lugt te gewennen. De Inboorlingen vanEuropischeafkomst hebben op sommigen plaatsen alle jaren een aanval van koorts,[157]dog sommigen zyn ’er spoedig van af, daar anderen zes maanden lang daaraan sukkelen, en enigen zelfs tot hunnen dood toe. DeWildenzyn ’er ook aan onderhevig, dog zo sterk niet als deEuropeanen. Geen ouderdom is ’er van bevryd; waar deze koorts heerscht ziet men ’er gryzaards en kinderen in de wieg, dikwyls niet boven de drie weken oud, van geplaagd. Dezen herfst was zy hier veel sterker dan naar gewoonte. Zy maakt de menschen zo bleek als doden en schrikkelyk zwak, dog laat hun nogthans toe in de tusschentyden hunne bezigheden waartenemen. Het is zonderling, dat ’er alle jaren sommige streken zyn daar de koorts regeert, en anderen daar niemant ’er van weet. Ook zyn ’er plaatsen waar men ’er voorheen niets van plegt te weten, dog daar zy nu gemeender begint te worden. Vele oude lieden verzekerden eenstemmig dat de koorts noit zo hevig en aanhoudend was geweest toen zy kinderen waren als nu. Dog anderen, ook ruim zo oud als de eersten, waren van gedagte, dat de koorts voorheen naar evenredigheid der Inwoonders wel zo algemeen en zo sterk geweest was, dog dat men in dien tyd, toen ’er veel minder menschen waren, en de planteryen zo ver van malkanderen lagen, daar zo veel agt niet op had kunnen nemen; zo dat het waarschynlyk is, dat de uitwerkingen der koorts altyd omtrent gelyk geweest zyn.Oorzaken.Het is moeilyk de ware oorzaken dezer ziekte te bepalen; daar schynen ’er verscheiden’ te zyn, en die niet altyd dezelven; somtyds, en ik denk gemeenlyk, lopen ’er verscheiden t’zamen. Ik heb ’er Geneeskundigen over onderhouden, en zie hier wat zy ’er van dagten.Sommigen meenden dat de gesteldheid van de lugt in dit land oorzaak is van deze koorts, dog de meesten beweren dat zy veroorzaakt wordt door de staande en rottende wateren; en dit schynt de ondervinding te bekragtigen. Want men heeft opgemerkt, dat zulken die in denabuurschapvan moerassen en poelen wonen, of op zulke plaatsen waar men een staand en stinkend water vindt, genoegzaam ieder jaar de koorts krygen, en ’er veel ligter dan anderen van worden aangetast. En dit gebeurt voornaamlyk in een jaargetyde, dat de wateren, door de onmatige hette het meest uitwaassemen, en de lugt met kwade dampen vervullen. Ook is de koorts zeer sterk op alle lage plaatsen, en waar tweemaal in de vierentwintig uren het zeewater met het ty opkomt, en zig met het zoete water vermengt. Des zomers wordt men, over zulke plaatsen reizende, dikwyls gedwongen zyne neusgaten toetehouden, uit hoofde van den stank, dien de vermenging van het zoete met het zoute water voortbrengt. Om deze reden worden de menschen tePenns-neck, en teSaleminNew Jersey, waar de grond de gezegde eigenschappen heeft, jaarlyks veel sterker door de koorts geplaagd, dan die op hoger gronden wonen.[158]Indien iemant wonende op hoge landen, waar men vry is van de koorts, naar de lager landen trekt, kan hy wel staat maken van alle jaren op den gewonen tyd de koorts te krygen zo lang hy daar blyft wonen. Menschen, die de frischste kleur hadden, uit de hoger landen naar de lagere verhuizende, en daar enen tyd lang blyvende vertoeven, hebben alle hunne kleur verloren, en zyn zo bleek geworden als doden. Dit kan egter de enige oorzaak van de koorts niet wezen, want ik ben in lage landen geweest, daar veel staande wateren waren, waar de menschen zeiden zelden van de koorts gekweld te worden; dog deze plaatsen lagen twee of drie graden meer noordwaards.Anderen waren van gevoelen dat het onvoorzigtig en onmatig eten van vrugten zeer veel de oorzaak was van deze koorts. Dit heeft byzonderlyk plaats omtrent deEuropeanendie eerst overkomen, en nog niet aan de lugt en de vrugten vanAmerikagewend zyn, want zy die hier geboren zyn kunnen ’er meer van verdragen, en zyn egter niet geheel vry van de kwade gevolgen der onmatigheid. Ik heb hierover veleEngelschenenDuitschersuit eigen’ondervindinghoren spreken. Zy bekenden het dikwyls beproefd te hebben, dat als zy eens of tweemaal nugteren van een watermeloen aten zy verzekerd konden wezen van binnen weinige dagen ene koude koorts te hebben. En het is merkwaardig het geen deFranscheninKanadamy vertelden, dat de koortsen daar minder gemeen waren, schoon men daar niet minder watermeloenen gebruikte dan in deEngelscheVolkplantingen, en dat men noit opgemerkt had dat zy koorts veroorzaakten; maar dat wanneer men in ’t hete van den zomer by deIllinoizenkomt, eenAmerikaanschvolk, dat op de zelve breedte metPensylvanieenNew Jerseywoont, zy geen watermeloenen eten konden zonder de aanvallen ener koude koorts te bespeuren, en dat deWildenhen ook waarschuwden van zo gevaarlyk ene vrugt niet te eten. Doet ons dit niet denken dat de groter trap van hette inPensylvanieen het Land derIllinoizen, beiden vyf of zes graden zuidelyker danKanadagelegen, die vrugt gevaarlyker maakt? In deEngelscheVolkplantingen heeft ieder Boer watermeloenen, die men onder ’t hoyen gebruikt, of gedurende het werken in den oogst, wanneer het volk niets in de maag heeft, om zig in de hette te verkoelen, gelyk deze sappige vrugt zeer frisch is. Ook eet men hier in den zomer zeer veel meloenen, komkommers, kawoerden,squashes, moerbezien, appelen, persiken, kerssen, en ander ooft, al het welk ook het zyne doet ter bevordering der koorts.Dog dat de levenswys hier zeer veel aan toebrengt, kan men besluiten uit de eenparige berigten van oude lieden aangaande de tyden hunner kindschheid, volgens welke berigten de menschen in die tyden aan[159]zo vele ongemakken niet onderhevig en zelden ziek waren. Alle de oudeZwedenverklaarden, dat hunne Landslieden die zig hier het eerst nederzetteden enen hogen ouderdom bereikten, en dat hunne kinderen omtrent tot die zelve jaren kwamen; dog dat de kleinkinderen en de kleinkleinkinderen den ouderdom van hunne voorouders niet hadden bereikt, en zo gezond en sterk op ver na niet geweest waren. Dog deZwedenleefden hier in ’t begin zeer matig. Zy waren te arm om brandewyn enrumte kopen, die zy ook zelven niet stookten. Egter hadden zy somtyds een goed sterk bier. Zy wisten ook genen cyder te maken, die nu zo gemeen in ’t Land is. Koffi, thee, chokolaat, waaruit zelfs nu het Landvolk ten dele zyn ontbyt maakt, waren onbekend. De meesten hadden noit suiker ofpunchgeproefd. De thee, die men nu hier drinkt, is of zeer verlegen, of met allerlei kruiden vermengd, zodat zy nauwlyks meer den naam van thee verdient; gevolgelyk kan zy niet dan ene kwade uitwerking op zulken doen die dezelve in menigte gebruiken; behalven dat zy niet missen kan van de ingewanden te verslappen, daar zy ’s morgens en ’s namiddags byna kokend heet gedronken wordt. DeWilden, afkomelingen van de oorspronglyke bewoonders dezes Lands, verstrekken tot een bewys van het geen ik zegge. ’T is bekend dat hunne voorouders, ten tyde van de aankomst derEuropeanen, zeer oud wierden; ’t was niets vreemds van ’er lieden onder te vinden die boven de honderd jaar waren. Zy leefden sober, en dronken niets dan water. Brandewyn,rum, wyn, en andere sterke dranken waren hun onbekend. Dog sedert dat deChristenenhun die dranken hebben leren drinken, en zy ze zo aangenaam gevonden hebben, bereiken zulken die hunne lusten niet kunnen tegengaan niet de helft van de jaren hunner voorvaderen.Eindelyk, daar waren ’er die beweerden, dat het uitroeyen van zo vele welruikende planten, waarmede op de aankomst derEuropeanende bosschen vol waren, dog die het vee thans vernield heeft, kon worden aangezien als ene van de grote oorzaken van de voortgangen der koortsen. De menigte dezer bloemen verspreidde alle morgens en avonden enen lieflyken geur in de bosschen. Het is derhalven niet vreemd te denken, dat daardoor de schadelykheid der rottige uitwaassemingen gematigd werd, zo dat zy zo gevaarlyk in dien tyd niet waren.Middelen daar tegen.Verscheiden’ geneesmiddelen worden tegens deze kwaal aangewend. DeKinawas voorheen een onfeilbaar middel, dog tegenswoordig doet zy altyd die uitwerking niet, schoon men ze hier voor zuiver en onvervalscht bekomt. Vele lieden beschuldigden dit middel van iets kwaads in het lichaam agter te laten. Dog men heeft gemeenlyk ondervonden, dat als deKinagoed was en terstonds in ’t begin der koorts gebruikt wierd, eer het lichaam verzwakt was, zy de koorts altyd verdreef, zo[160]dat de huiveringen niet weder kwamen, en men gene pynen nog zwaarte in de leden overhield. Maar als de kwaal was ingeworteld en de Lyders sterk verslapt had, of dat zy natuurlyk zwak waren, verliet hen de koorts wel op ’t gebruik der Kina, dog keerde een veertien dagen daarna weder, en dwong hen ze op nieuws te gebruiken; waarvan het gevolg dikwyls was pyn en styfheid in de leden en somtyds in de ingewanden, waardoor zy belet wierden te gaan, welke pyn hun vele jaren bybleef, en dikwyls tot den dood toe. Deze kwade uitwerking wordt gedeeltelyk aan den koortsbast, dien men hier zelden onvervalscht bekomt, en gedeeltelyk aan de onvoorzigtigheid der Lyders onder ’t gebruiken van denzelven toegeschreven. Een van myne kennissen was zeer ervaren in ’t verdryven van de koorts door de Kina, welke hy gaf zodra de koorts zig in ’t lichaam vastgezet had. Dog voor dat hy ze gebruikte nam hy een zweetmiddel, dewyl hy dit zeer heilzaam gevonden had. En gelyk hier de koorts veeltyds van dien aard is dat zy niet doet zweten, zelfs niet in hare hette, moest men door andere middelen de uitwaasseming bevorderen. Ten dien einde nam de Lyder het middel op den dag van de huivering en moest dien avond zonder eten zyn. Den volgenden morgen moest hy in ’t warme bed blyven, veel thee drinken, en wel toegedekt zyn, om sterk te kunnen uitwaassemen. Dus bleef hy tot dat het zweten ophield, verliet dan het bed in ene warme kamer, waschte het lichaam met bloed-lauw water, om het te zuiveren van de vuiligheid door het zweten veroorzaakt, ten einde die de poren niet mogte verstoppen. De Lyder wierd daarop afgeveegd, en nam eindelyk de Kina verscheiden’ malen op den zelven dag in. Dit wierd twee of drie malen herhaald, op de dagen na dat de zieke de koorts gehad had, en zy verliet hem gemeenlyk zonder weder te komen, en zonder dat hy ’er in ’t vervolg bleek van zag.De schors van den wortel des Tulpebooms153op de wys der Kina genomen heeft somtyds de zelve uitwerking.Sommige menschen schillen de wortels van den Kornoeljeboom,154en geven de schil den zieken in. Verscheidenen, die door de Kina niet geholpen wierden, zyn door dit middel genezen. Ik heb ook menschen gezien die geholpen waren door zwavel fyn gestampt, met suiker vermengd, alle avonden voor dat zy naar bed gingen, en alle ogtenden voor dat ze opstonden, te gebruiken. Dit deden zy drie of vier malen in den tusschentyd dat zy van de koorts vry waren, en namen ’er telkens wat warmen drank op, om de poeder te doen zakken. Dog sommigen vonden hier geen baat by.Anderen namen den gelen bast van den persikeboom, byzonderlyk dien van den wortel, en kookten hem in water, tot dat ’er de helft van[161]vervlogen was. Hiervan nam de zieke elken morgen een wynglas vol voor dat hy iets gegeten had. Deze drank heeft enen onaangenamen smaak, en trekt den mond by een gelyk aluin; dog hy had vele menschen teRakoongeholpen, die andere middelen te vergeefs gebruikt hadden.Weder anderen kookten de bladen derPotentilla reptans, of derPotentilla Canadensis, in water, en dronken ’er van voor dat de huivering aankwam; en het is bekend dat ’er velen door geholpen zyn.De Bewoonders van den stroomMahawk, zo welAmerikanenalsEuropers, stampen den wortel van hetGeum rivale. Deze poeder wordt van sommigen in water gekookt tot dat het afkooksel vry sterk is; anderen gieten ’er maar koud water op, en laten ’t enen dag over staan; enigen mengen ze met brandewyn. Van dit middel moet de Lyder een glas vol nugteren nemen op zynen vryen dag. Men verzekerde dat dit een der zekerste middelen was, en de Kina overtrof.Die genen welken digt by de yzermynen woonden betuigden zelden of noit door deze koorts te worden aangetast; dog wanneer zy ze egter hadden, dronken zy het water uit bronnen die uit de yzermynen komen, en enen sterken staalsmaak hebben. Dit middel verzekerden ze my onfeilbaar te zyn. Anderen, die niet digt by zulke bronnen woonden, trokken ’er voor enige dagen naar toe, als zy de koorts hadden, om het water te drinken, dat hen gemeenlyk hielp.Ik heb boven reeds aangemerkt, dat saly met citroensap zeer heilzaam tegens de koorts bevonden is.Dog men had opgemerkt dat een middel dat den een hielp dikwyls kragteloos op den ander is.Borstontstekingen.Borstontstekingen155zyn ook ene ziekte waardoor men hier dikwyls wordt aangetast. Velen van de oudeZwedenvertelden my dat zy in hunne jeugd ’er weinig van gehoord hadden, dog dat deze ziekte nu zo gemeen was dat zy jaarlyks vele menschen wegsleepte. Maar men heeft opgemerkt dat zy in sommige jaren zo kwaadaardig niet is als in anderen, wanneer zy de meeste Lyders doodt. Ook is zy sterker op de ene dan op de andere plaats.In den herfst van 1728. sleepte zy vele menschen weg tePenns-neck, ene plaats benedenRakoon, digter aan deDellaware, waar veleZwedenwaren gevestigd. De meestenZwedenstierven ’er van, schoon zy zeer talryk waren. Dit heeft gemaakt dat hunne kleine kinderen, die overbleven, met de kinderen derEngelschenopgroeyende, hunne moedertaal vergeten hebben, zo dat ’er weinigen zyn die nu hetZweedschverstaan. Sedert dien tyd heeft deze ziekte jaarlyks wel enige menschen[162]tePenns-neckom hals geholpen, dog in geen groot getal. Zy scheen, als ware het, te rusten, tot in den herfst van dit jaar 1748. wanneer zy op nieuw ysselyk begon te woeden. Iedere week stierven ’er van zes tot tien oude menschen aan. Het was ene warePleuritis, maar zy had deze byzonderheid, dat zy met ene grote zwelling onder den strot en den hals en met ene belemmerde doorzwelging begon. Sommigen hielden ze voor aanstekend. Enigen verklaarden in goeden ernst dat als zy in ene familie kwam, zy, niet alleen die in ’t zelve huis woonden, maar ook zulken van de familie aangreep die ’er ver van daan hun verblyf hielden. Velen zyn ’er tePenns-neckgeweest, die, zonder dat zy hunne zieke bloedvrienden bezogt hadden, de ziekte gekregen hebben, en ’er aan gestorven zyn. Ik wil de waarheid hiervan niet betwisten, dog vind het gevolg niet gegrond. De ziekte woedde het meest in November. Egter stierven ’er enige oude lieden den volgenden winter aan. Dog de kinderen liepen ’er tamelyk vry van. De Geneeskundigen vonden zig in deze ziekte zeer verlegen.Oorzaken.Het is bezwaarlyk de oorzaken van zo geweldige ziektens juist te bepalen. Een oudeEngelscheHeelmeester sprak ’er dus over. Men drinkt hier in den zomer veel punch en andere hete dranken, waardoor het bloed verdikt en de aderen in ’t middenrif156opgezet worden. Tegen ’t einde van October en ’t begin van November wordt het weder veranderlyk, zo dat het op den zelven dag nu heet dan weder koud is. Als de menschen by dit veranderlyke weder veel in de lugt zyn krygen zy dit ongemak. Ook is het zeker dat de lugt het ene jaar ongezonder is dan het andere, het welk van de hette en andere omstandigheden afhangt, en dit doet veel tot deze ziekte. Het is aanmerkelyk dat ’er in ’t jaar 1728. en 1748., toen ’er zo vele menschen tePenns-neckstierven, teRakoonweinig doden waren, schoon beide de plaatsen digt by malkander leggen, en dezelve lugt en grondsgesteldheid hebben. MaarPenn’s necklegt zeer laag, enRakoontamelyk hoog. TePenn’s neckwoont men tusschen poelen en moerassen, waarin het water staat te rotten; het is ’er vol van bomen, die den wind afkeren. Ook wordt het water tePenn’s neckniet voor zo goed gehouden als teRakoon, schoon ’er geen onderscheid is in den smaak. Het wordt daarenboven in sommige kleine stroompjes brakagtig, als deDellawareby den vloed opzet en ’er in komt. Op de oevers van deze stroompjes wonen veleZweden, en gebruiken ’er het water van.Philadelphia.Den 3. December 1748. vertrok ik weder naarPhiladelphia, waar ik nog dien avond aankwam.Wilde druiven.In de bosschen vindt men overvloed van verscheiden’ soorten van[163]wildeDruiven. Een soort, aanmerkelyk door zyne grootte, wast in de poelen, en wordt zeer gezogt van denRakoon. Deze druif wordt van deEngelschenVossedruif157andersPoeldruif, geheten. Zy zyn niet aangenaam van smaak, en de Inwoonders eten ze zelden, dog wel een klein soort van druif, die op enen drogen grond groeit. Men gebruikt ze in den herfst rauw. Zy zyn aangenaam, een mengsel van zoet en zuur. Sommigen drogen ze, en bakken ze in taarten, of zetten ze droog voor. Voorheen maakten ’er deZwedenenen tamelyk goeden wyn van; dog hier zyn zy van uitgescheiden. EnigeEngelschenevenwel perssen ’er nog enen lieflyken drank uit, dien zy my verzekerden zo goed te wezen als de besteFranschewyn, en lang te duren.Wyn.Om dezen wyn te maken, verzamelt men de druiven van den 21. September af tot den 11. November toe, dat is als zy beginnen ryp te worden. Men moet ze snyden by droog weder, nadat de dauw weg is. Zy worden afgeveegd. Een groot vat staat ’er gereed, waarin of syroop of brandewyn geweest is. Dit maakt men wel schoon, slaat ’er enen der bodems uit, en plaatst het op ene bekwame wys op stukken houts in den kelder, of in een warm vertrek omtrent twee voet boven den grond. De druiven worden in het vat gedaan, en, als zy wat gezonken zyn, doet men ’er drie of vier dagen daaraan weder nieuwen by. Een man gaat ’er met blote voeten in, en treedt de druiven. In omtrent een half uur is ’er het sap al uit. Dan keert de man de ondersten boven, treedt ze nog een kwartier; en dit is genoeg om ’er het goede vogt uit te krygen; want langer te treden zou ook de onrype druiven doen breken, en den wyn enen kwaden smaak geven. Dan dekt men het vat toe met een digt deksel, of met twee deksels als men genen kelder heeft, of het weder zeer koud is. Dus laat men het vogt gisten, en in de volgende vier of vyf dagen werkt het zeer sterk. Zodra het gisten ophoudt wordt ’er een gat gemaakt omtrent zes duim van den bodem, en men tapt wat van het vogt ’er uit, tweemaal iederen dag. Zodra dat klaar en bezonken is, laat men het vogt over in een kleinder vat. Van twintig bossen druiven krygt men omtrent twintiggallonssap. Het kleine vat blyft stil staan, en de most gist voor de twede reis; en dan is het noodzakelyk dat het vat geheel vol zy. De schuim, die zig boven aan het sponsgat zat, moet ’er afgenomen, en het vat gedurig weder opgevuld worden. Dit duurt tot omtrent Kersmis, en dan mag men het vaatje stoppen, op het laatste is de wyn in Februari gereed en gebotteld. Ook heeft men hier de gewoonte enige rype druiven in een[164]vat te werpen om ’er azyn van te maken, die zeer goed is. Velen maakten van deze druiven enen brandewyn, die enen aangenamen smaak heeft, dog die egter nog lieflyker is als ’er wat mispelen onder zyn. Het hout van deze wyngaarden is van geen gebruik, voor stokken is het te buigzaam. Als men in den stam houwt, komt ’er binnen kort een witte smakeloze harst voor den dag. Men plant ze in vele tuinen om de prielen met hun groot blad te dekken. Als hier, in Mai en Juni, de wyngaarden bloeyen, geven de bloemen enen sterken dog zeer lieflyken en verfrisschenden reuk, die zig zelfs op enen groten afstand vernemen doet. Om dien tyd in de bosschen komende kan men uit derzelver reuk bemerken, dat ’er wyngaarden zyn. Hoe streng ook de winters zyn, doen zy egter den wyngaard niet aan. Elke druif is omtrent zo groot als ene erwt, dog wat meer zuidwaards hebben zy de grootte van ene gemene razyn, en enen aangenaamen smaak. Binnen in het land maken zy gedurende een deel van den herfst het voornaamste voedsel voor de Beren uit, die op de bomen klouteren om de druiven te plukken. Men meent, dat als de wilde druiven zorgvuldig aangekweekt en behandeld wierden zy groter en beter zyn zouden.Voortekens rakende het weder.Ik zal hier van twee voortekens aangaande het weder gewagen, waar aan men hier veel geloofs sloeg. Sommigen wilden kunnen voorzeggen dat de aanstaande winter niet zeer gestreng zoude zyn, om dat zy in October wilde ganzen en andere trekvogels naar het zuiden hadden zien vliegen, die kort daar aan terug gekomen, en in groten getale noordwaards gevlogen waren. Inderdaad de volgende winter is een van de gematigdsten geweest.Enige lieden voorzeiden den 5. December, dat wy voor den avond van den 6. regen hebben zouden. De reden van deze voorzegging was, dat dezen morgen, by het ryzen der zon zy uit hunne vensters alles zeer duidelyk aan de overzyde der Rivier had kunnen zien, zo dat alles veel nader by dan gewoonlyk scheen te zyn, en dat dit gemeenlyk een teken van regen was. De voorspelling wierd ook tamelyk juist vervuld.Het yzer denWildenonbekend.Voor de aankomst derEuropeanenhadden deWildengene kennis aan het yzer, schoon dat zeer overvloedig in hun land valt. Evenwel wisten zy enigermate zig van het koper te bedienen. EnigeHollandersbewaarden nog de overlevering, dat hunne Voorouders, by hunDog niet het koper.nederzetten teNew York, veleAmerikanenontmoet hadden, die koperen tabakspypen hadden, en die hun door tekens te kennen gaven, dat zy ze in de nabuurschap kregen. Naderhand werd de schone kopermyn ontdekt die opSecond RivertusschenElizabeth-townenNew Yorkis. By het graven in deze myn vond men gaten waaruit enig koper[165]gehaald was, en enige werktuigen, waarvan deAmerikanenwaarschynlyk zig bediend hadden om het metaal voor hunne pypen te krygen. Zulke gaten in de bergen zyn ook op sommige plaatsen vanPensylvanie, te weten benedenNewcastlezeewaards aan, gevonden, en geven altyd te kennen dat ’er kopererts in te vinden is. Sommigen hebben zig verbeeld, dat deSpanjaards, na de ontdekking vanMexiko, langs de kust vanNoord Amerikagezeild, en nu en dan aan land getreden zyn, om te zien of ’er ook enig goud of zilver zoude te vinden wezen, en dat die misschien deze gaten in de bergen gemaakt hebben. Maar, als men al veronderstelt dat zy dus langs de kust gevaren zyn, konden zy onmogelyk ten eersten de kopermynen vinden, en hielden zig waarschynlyk niet op met dit erts, daar zy meer goud en zilver zogten. Het is dan genoegzaam zeker dat deAmerikanendeze gaten gegraven hebben. Of zoude men durven vermoeden, dat de oudeNoren, lang voor de ontdekking vanColombus, hier aangeland zyn, en deze koperaderen gevonden hebben, toen zy naar hetvoortreffelyke Wynland158voeren, waarvan onze oude overlevering,Sagorgenoemd, spreekt, welkWynlandongetwyffeldNoord Amerikawas? Dog hieromtrent zal ik in ’t vervolg gelegenheid hebben, myne gedagten beter te uiten. Het is aanmerkelyk dat overal, daar men onlangs diergelyke gaten in de bergen gevonden heeft, welken duidelyk gezien kunnen worden van menschen gegraven te zyn, dezelven met veel aarde bedekt waren, als of men ze voor de vreemden verborgen had willen houden.
Pl: I.C. J. de Huyser. fecit 1772Pl: I.Vliegende Eekhoorn.Aard Eekhoorn.Amerikaansche Bunsem.[141]Voortekens van een Orkaan.Den 15. November verhaalde my de HeerKockeen toeval, dat hem overgekomen was, en te bevestigen scheen dat de orkanen door zekere tekens van te voren zig aankondigen. Hy zeilde naar deWest Indienin een klein Jagt, en had een oud man aan boord, die langen tyd deze zee bevaren had. De oude man de diepte peilende riep den stuurman toe, den HeerKockte zeggen, dat hy terstonds de boten moest uitzetten met een genoegzaam getal volks, om het Jagt gedurende de stilte voortteroeyen, ten einde het Eiland zo schielyk als mogelyk was te bereiken, dat voor hun lag, dewyl men binnen vierentwintig uren een geweldig orkaan te wagten had. De HeerKockvroeg hem waarom hy dit dagt, en de oude man zeide hem, dat hy by het peilen het lood enige vademen dieper in het water gezien had dan te voren; dat derhalven het water eensklaps helder was geworden, het welk hy voor een onfeilbaar teken van een aanstaande orkaan in zee hield. De HeerKockzag ook de ongewone klaarheid van het water. Hy gaf dan onmiddelyk bevel om de boot in ’t water te brengen en het Jagt voortteroeyen; zo dat zy voor den nagt in behouden haven kwamen. Dog voordat zy die nog volkomen bereikt hadden, begonnen de golven al hoger en hoger te gaan, en het water scheen als te koken, schoon men nog genen wind gewaar werd. Des nagts ontstond het Orkaan en woedde zo vreeslyk, dat niet alleen ’er vele schepen vergingen, en de daken werden weggerukt, maar dat zelfs het Jagt van den HeerKocken andere schepen, schoon in veilige havens leggende, door het geweldig opzetten der baren zo ver op ’t land gezet werden, dat ’er verscheiden’ weken verliepen voor dat zy ’er weder af kwamen.Een oudHollandschschipper zeide, dat hy eens enen Hai in de Bai vanNew Yorkgevangen had, die opengesneden zynde ene menigte van alen in zyn’ maag had.Oude potten gevonden.De HeerBartramvertoonde my den 18. November een aarden pot, die op ene plaats gevonden was daar voorheen deWildengewoond hadden. De man, die hem het eerst had opgegraven, bewaarde daar smeer in om zyn’ schoenen en laarzen mede te smeren. De HeerBartramkoftden pot van hem. Zy was nog onbeschadigd. Ik kon ’er nog verglazing, nog kleur op onderkennen, maar van buiten had hy veel sieraden, en over ’t geheel was hy zeer wel gemaakt. Ook vertoonde my de HeerBartramvelerhande stukken van gebroken aarden vaten, welken deWildenvoorheen gebruikten. Het was duidelyk aan deze allen te zien dat zy niet van enkelde klei gemaakt waren, dog dat ’er verscheiden’ andere stoffen onder gemengd waren, volgens de natuur der plaatsen daar zy waren gemaakt. DieWilden, by voorbeeld, die digt aan de zeekust woonden, stampten oester- en mosselschelpen, en mengden die met de klei. Anderen, die dieper in het Land hunne woonplaatsen[142]hadden, waar men bergkrystallen vinden kon, mengden die ook gestampt onder de potaarde. Dog hoe zy in ’t maken dier potten te werk gingen is gantsch onbekend. Zeker is het dat zy ze niet hard bakten, want zy waren zo week dat men ze met een mes kon aan stukken snyden. Egter scheen het werk zeer goed te zyn, want men vindt nog gehele vaten of stukken in den grond die in ’t geheel niet beschadigd zyn, schoon zy meer dan tagtig jaren onder de aarde gelegen hebben. Voor dat deEuropeanenzig inNoord Amerikanederzetteden, hadden deWildengeen ander vaatwerk om hun eten in te koken dan deze aarden potten van hun eigen maaksel. Dog sedert derzelver aankomst hebben zy altyd potten, ketels, en ander vaatwerk van hungekoft, en zig niet meer bekommerd om die zelven te maken, zo dat zy deze konst geheel verloren hebben. Dus zyn, zelfs onder deWilden, potten van hun eigen maaksel ene grote zeldzaamheid gevonden. Ik heb ’er van gezien die uit een soort van ’tTalcumvanLinnæusbestonden.Leyen.De HeerBartramtoonde my ook kleine stukken van ene zwarte Lei, die overvloedig op sommige plaatsen aan de RivierSkulkillgevonden wordt. Men vindt ’er stukken van die vier voet en meer in ’t vierkant zyn. De kleur en ’t maaksel is het zelve als de Tafellei,143uitgenomen dat die wat dikker is. De Inwoonders omstreeks deSkulkilldekken ’er hunne daken mede, en de HeerBartramverzekerde my dat hy een geheel dak gezien had bestaande uit vier zulke Leyen. De stralen der zonne, de hette, de koude, en de regen hebben genen invloed op dezen steen.Stalactites.Nog verhaalde die Heer dat op vele plaatsen holen gevonden wierden, die diep onder ’t gebergte doorliepen. Hy was in verscheidenen van dezelven geweest, en had ’er veelstalactitesvan verschillende grootte boven aan in ’t binnenste van de bergen gevonden. Zy waren van verscheiden kleuren. Dog het byzonderste was, dat hy ’er enigen vond die uiterlyk van boven tot onder toe als gescheurd waren. Hy had ’er sommige stukken van naarLondengezonden, dog had ’er thans geen.Reis naarRakoon.Den 20. November ging ik in den morgen, nevens enen Vriend, op een reisje naarRakooninNew Jersey, daar veleZwedenwaren, die hunne eigene kerk hebben. Wy moesten drieEng.mylen afdoen eer wy aan het Veer kwamen, daar wy over deDellawarekonden gezet worden. Het land was hier op vele plaatsen zeer laag. De vlaktens wierden by elken vloed overstroomd, en liepen by de ebbe weer ledig. Evenwel had men zig deze vlaktens door middel van dyken weten ten nutte te maken. Het waren nu weilanden.[143]Hier waren veleWaterbeukenaan beide de zyden van den weg geplant, digt op een, welken in den zomer ene aangename lommer geven, aangezien de grootte en menigvuldigheid van hunne bladeren. Dit maakt den weg zeer vermakelyk, gelykenden naar ene lommerryke laan. DeDellawareis hier omtrent even zo breed als byPhiladelphia. Digt by het Veer waren verscheiden aardige huizen op beide de zyden gebouwd, waar de Reizigers verfrisschingen krygen kunnen. Op onze uitreis vanPensylvanienaarNew Jerseywierden wy over deDellawaregezet in een vaartuig dat den waard aan de zyde vanPensylvanieaanging; maar op onze terugreis moesten wy dat van den man die aan de overzyde woont gebruiken. Zo als wy de Rivier over waren bevonden wy ons in ene andere Provincie, want deDellawaremaakt de grensscheiding uit tusschenPensylvanieenNew Jersey, zo dat al wat ten westen der Rivier legt tot het eerst genoemde, en het geen ten oosten is tot hetlaatstgemelde gewest behoort. Dog beide de Landschappen hebben verschillende wetten en verschillende munt.Landsdouwe.Wy vervolgden onze reis verder, en merkten welhaast op, dat het land aan die zyde daar wy thans waren gantsch anders ’er uitzag dan aan de overzyde, want inPensylvaniebestaat de grond meerder uit klei en zwarte aarde en is zeer vrugtbaar; maar inNew Jerseyis hy zandiger en mager, zo dat de voeten der paarden op vele plaatsen zeer diep in ’t zand zakten. Digt by de plaats daar wy waren overgezet, een eind wegs langs den oever, was een tamelyk zwaar Dennebosch. De bomen waren niet zeer hoog, dog in hunne grootste kragt; tusschen beiden vertoonde zig hier en daar enig eiken kreupelhout. Maar na dat wy omtrent drieEng.mylen verder waren, eindigde het Dennewoud, en wy zagen niet meer van die bomen voor dat wy by de Kerk vanRakoonkwamen. In alle de delen vanPensylvaniedaar ik geweest ben, heb ik weinig Dennebomen gevonden; in tegendeel zyn ze menigvuldig inNew Jersey, en vooral in het beneden deel van dat Landschap. Vervolgens zagen wy den gantschen dag geen ander geboomte dan dat zyn blad laat vallen; meest Eiken van verscheiden’ soorten en grote hoogte; dog zy stonden overal zo ver van malkander dat ’er een rytuig tusschen door kon ryden, zynde daar weinig of gene struiken die het verhinderen konden. De bladeren bedekten thans den grond ter hoogte van ene hand breedte, het welk de bovenste zwarte aarde moet doen toenemen. Op vele plaatsen stroomden kleine beekjes. Het land was gemeenlyk vlak, dog maakte hierendaar enen langzaam opgaanden heuvel. Grote bergen vertoonden zig niet, en op sommige plaatsen vonden wy enige stenen, die niet groter dan een vuist waren. Men zag enige huizen verspreid staan, en op ene plaats alleen lag een klein dorp. Het land was meer met hout bedekt dan bebouwd, en wy waren meest altyd in een bosch.[144]Riviertjes.Dien dag en de volgenden trokken wy verscheiden zogenaamdeKillsof kleine riviertjes over, die langzaam naar deDellawareuit het land henen vloeiden. Als het ty in deDellawareopkwam, zwollen deze stroompjes ook een eind wegs. Voorheen moeten zy by den vloed veel breder geweest zyn, dog tegenwoordig worden zy door dyken belet de naburige weiden te overstromen. Langs alle de rivieren waren hier dyken gelegd, zo dat het water by den vloed hoger was dan het land. In de dyken waren schutdeuren, waardoor men het water uit- en inlaten kon. Zy lagen somtyds aan den buitenkant van den dyk, zo dat het binnenwater hoger zynde ze open drong, en het buiten water ze toesloot.Dien avond namen wy onzen intrek by enenZweed, genoemdPeter Rambo.Pynbomen.De Pynbomen die wy dezen dag gezien hadden, waren van dat soort dat dubbelde bladeren en langwerpige zaadhuisjes of pynappelen, met schubben gedekt, draagt.144DeEngelschennoemen ze onderscheidshalvenDennen van New Jersey. Gemeenlyk zitten ’er maar twee bladen of prikkels in ene schede, gelyk by deZweedschen. Dog uit sommige scheden kwamen ’er drie. De zaadhuisjes hadden lange stekels, zo dat ze kwalyk aanteraken waren. In de verte zien ’er anders deze Dennen juist zo uit als onzeZweedschen. Uit dezelven werd zeer veel teer gebrand, waarvan ik hierna breder spreken zal. Zy deugen voor niets anders, als allen te klein zynde. Als men ze voor palen in de aarde gebruikt, vergaan zy binnen kort. Zo dra zy geveld worden komen ’er wormen in. Men gebruikt ze egter om te branden in plaatsen daar men geen ander hout krygen kan. Ook maakte men ’er hier en daar smidskolen van, gelyk ik in ’t vervolg verhalen zal. Dog ’er is nog iets byzonders omtrent deze bomen aantemerken, het welk nevens my vele menschen bevonden hebben. In de grote hette des zomers zoekt het vee hun lommer veel meer dan dat van den Eik, of andere bomen, wier blad zeer dik is, en als het de laatsten onder de Dennen gemengd vindt, gaat het altyd onder de Dennen staan, schoon ’er ene betere lommer onder de anderen is; en wanneer ’er maar een enkelde van deze bomen te vinden is, loopt ’er zo veel vee onder als ’er onder staan kan. Sommigen wilden hieruit opmaken dat de harstagtige uitwaassemingen van den Denneboom voordelig voor het vee zyn, en het meer genegen maken om onder dezelven dan onder andere bomen te staan.Lepelboom ofKalmia.DeLepelboom145komt noit tot ene grote hoogte. Wy zagen[145]hem dezen dag op verscheiden’ plaatsen. DeZwedengaven hem dezen naam, omdat deWilden, die hier voorheen woonden gewoon waren hunne lepels en spanen van dit hout te maken. Ik heb zulk een lepel in myn Kabinet, gemaakt uit dit hout door enenAmerikaan, die op de zelve plaats waar nuPhiladelphiastaat verscheiden herten gedood heeft, want in dien tyd was die plaats geheel bedekt met bomen en kreupelhout. DeEngelschennoemen dezen boomLaurel, om dat zyne bladen zeer veel naar die van denLaurocerasusgelyken. De RidderLinnæusheeft, volgens zyne byzondere vriendschap jegens my, de goedheid gehad, hem den naam te geven van debreedbladerigenKalmia.146Deze boom tiert het best tegens de heuvels, vooral aan de noordzyde als ’er een beekje langs loopt; om die reden kan men staat makenKalmiaste vinden wanneer men op ene steile plaats komt waar een beekje omtrent loopt. Maar hy staat veeltyds vermengd onder de beuken. Hoe hoger deKalmiategens het noorden op den heuvel staat te minder groeit zy. Ik heb ze niet alleen inPensylvanieenNew Jersey, maar ook, dog schaarsch, inNew Yorkgezien. Ik vond ze noit noordelyker dan 42.gr. N.schoon ik ’er zeer oplettede of zy ’er ook waren. Deze boom behoudt zyne fraye groene bladeren den winter over; zo dat, wanneer de andere bomen al hun sieraad kwyt zyn, zy de bosschen met hun groen opluisteren. Omtrent Mai begint hy hier te bloeyen, en dan betwist hy den rang van schoonheid aan alle de bekende bomen. De bloemen zyn ontelbaar, en zitten aan grote trossen. Voor dat zy opengaan hebben zy een schoon rood; maar naderhand verbleekt ze de zon, zo dat zy geheel wit worden. Sommigen hebben ene rozekleur. Haar gedaante is zonderling, want zy gelyken veel naar een kroes der Ouden. Dog de reuk is zo aangenaam niet. Op sommige plaatsen was men gewoon op kersmis en nieuwjaarsdag de kerken met de takken van dezen boom, die dan geheel groen zyn, opteschikken.Vergiftig.Dog deze boom heeft ene andere eigenschap. Zyne bladen zyn een vergift voor sommige, en een voedsel voor andere dieren. De ondervinding heeft geleerd, dat, als de schapen ’er van eten, zy of ten eersten sterven, of zeer ziek worden, en ’er bezwaarlyk van opkomen. De jonge en tedere schapen sterven van ene kleine hoeveelheid, dog die wat ouder zyn kunnen wat meer verdragen. Egter is dit voedsel hun dodelyk, wanneer zy ’er wat veel van eten. Het zelve heeft plaats omtrent de kalveren, die ’er ook van sterven, of ten minsten bezwaarlyk ’er afkomen. Het heugt my dat in denherfstvan 1748. sommige kalveren van die bladen gegeten hadden, zeer ziek wierden, opzwollen, schuim op[146]den mond kregen, en ’t nauwlyks op de benen houden konden. Men reddede ze egter door ’t ingeven van buskruid en andere middelen. De schapen zyn het meest aan ’t gevaar bloot gesteld van door deze bladeren in bekoring gebragt te worden in den winter, want, na lang op stal gehouden te zyn geweest, zyn zy gretig naar alle groen, vooral als de sneuw nog op het veld legt. Paarden en Ossen bekomt dit blad ook zeer kwalyk, en schoon ’er noit een van gestorven is, gelooft men egter in ’t gemeen dat indien zy ’er wat veel van aten zy ’er ook van sterven zouden, want men heeft opgemerkt, dat als zy ’er maar ene geringe hoeveelheid van aten zy ’er voor lyden moesten. Daarentegen zyn deze bladeren een voedsel in den winter voor de Herten, wanneer het veld onder de sneuw legt, en zy niets anders vinden kunnen. Wanneer men ze dan schiet is hun gedarmte met dit blad opgevuld, en het is iets wonderlyks dat, als men die ingewanden den honden geeft, dezelven daar wild en als dronken van worden, en somtyds ook zo ziek dat het schynt dat zy ’er van zullen sterven. Dog de menschen hebben geen ongemak van het eten van het vleesch van zulke herten. Ook zyn deze bladeren in den winter een voedsel voor zekeren vogel, dien deZwedeninNoord AmerikaHazelhoengenoemd hebben, die hier den winter over blyft. Als men dan ’er een van schiet, vindt men den krop vol van deze bladeren.Het hout.Het hout van deKalmiais zeer hard, en daarom gebruikt men het om assen in katrolblokken te maken; dog vooral dient het voor weversspoelen, waartoe de wevers geen hout hieromstreeks beter houden, want het is vast, laat zig ligt glad maken en springt niet. De schrynwerkers en drayers maken ’er ook allerlei werk van, waartoe men anders gewoon is het beste soort van hout te gebruiken. Byzonderlyk neemt men daartoe den wortel, dewyl die doorgaans geel is. Het hout is zo fyn en hard als men ’t zou kunnen wenschen. Uit het middelpunt lopen verscheiden stralen uit, dog wat ver van malkander. Als men het loof in ’t vuur smyt, spat het als of men ’er zout in gegoid had. Men gebruikt des winters de takken met de bladeren daaraan om de schoorstenen te vegen. In ’t jaar 1750. werden de meeste bomen inPensylvanievan zekere rupsen kaal geschoren, dog dezen waagden zig niet op deKalmia. Enige lieden beweerden dar als ’er des zomers brand in een bosch ontstond, het vuur zig door dezen boom liet stuiten.Mais.Zo wel deZwedenals de andere Inwoonders planten zeer veelMais, niet alleen voor zig maar ook voor hun vee. Men beweerde dat ’er geen beter voer voor de varkens was, om dat zy ’er zeer vet van wierden, en hun vleesch ’er enen beteren smaak door kreeg als van enig ander voedsel. Ik heb derKoninglyke Zweedsche Maatschappye[147]der Wetenschappentwee Vertogen over dit soort van graan gegeven, die in hare Verhandelingen te vinden zyn.147De wielen der karren die men hier gebruikt bestaan uit twee soorten van hout. Tot de velgen neemt men den Spaanschen, en tot de speken den Witten Eik.Sassafras.DeSassafrasboomwies hier overal. DeZwedennoemen hem hierSaltenbras, ofSalsenfras. Als men wat van dit hout in ’t vuur werpt, springt het even als of ’er zout in lag. Men gebruikt het voor palen aan de tuinen, want het duurt lang in de aarde. Anders denkt men dat ’er nauwlyks een hout te vinden is, dat in de blote lugt zo zeer van de wormen wordt aangegrepen, als dit, want zy vreten het in korten tyd door en door. DeZwedenzeiden dat deWilden, die voorheen hier woonden, ’er schalen van maakten. Als men iets van den boom, of deszelfs jonge scheuten, afsnydt, en het onder den neus houdt, heeft het enen sterken dog aangenamen reuk. Sommigen schillen den wortel, en brouwen de schil in hun bier, om dat zy denken dat dit zeer gezond is. Men legt de schil ook in brandewyn, of terwyl men hem nog bezig is over te halen, of naderhand als hy al klaar is, insgelyks voor de gezondheid.Goed tegens de waterzugt.Een oudeZweedherinnerde zig nog dat zyne Moeder verscheiden’ menschen van de waterzugt genezen had, door middel van een afkooksel van den Sassafraswortel in water, elken morgen genomen, dog te gelyk kopte zy den lyder op de voeten.Gebruikt tegens de weegluizen.Wanneer men een stuk lands met hout bewassen bebouwen wil, laat men ’er gemeenlyk de Sassafrasbomen op, om dat zy sterk in de bladen zyn, en in de zware hette het vee lommer verschaffen. VeleZwedenwaschten met een afkooksel van de schil des wortels van den Sassafras het vaatwerk uit, waarin zy Cyder, bier, of brandewyn brouwen wilden, om dat zy zig verbeeldden dat daardoor de dranken gezonder wierden. Sommigen hadden de posten hunner bedden van die hout laten maken om de weegluizen te verdryven, het welk zy meenden dat door zynen sterken reuk dat ongedierte hinderen zou daarin te nestelen. Zo lang ook dat hout zynen sterken reuk behoudt had men ’er ene goede uitwerking van bespeurd, dog naderhand kon men niet merken dat het veel hielp. EnigeEngelschenverhaalden dat het enige jaren geleden teLondenin ’t gebruik was geweest de bloemen van den Sassafras als thee te drinken, om dat men het voor zeer gezond hield. Dog toen men begon te bedenken dat deze drank veel tegens deVenusziektegebruikt wierd, schafte men het af, uit vrees van kwade verdenking. InPensylvanieplagten enige menschen de spaanders van[148]dit hout in de kasten te leggen, om de motten uit het wollen goed te houden. De wortel behoudt langen tyd zynen reuk. Ik heb ’er enen gezien die wel vyf of zes jaar in ene lade gelegen had en nog zeer sterk rook.Rambo, deZweed, vertelde dat deWildenvoorheen allerlei leder met den bast van den kastenjen eik rood plagten te verwen. En enige oude lieden bragten zig te binnen dat hier in ’t jaar 1697. een zo harde winter geweest was, dat het ys in deDellawaretwee voeten dikte had gehad.Digt en zwaar Gras.Aoke Helmwas een der voornaamsteZwedenin dezen oord, wiens Vader met denZweedschenGouverneurPrinzherwaards gekomen was. Hy was over de zeventig jaar oud. Deze oude man verhaalde ons dat in zyne kindschheid in de bosschen een zeer digt gras plegt te wassen, wel twee voeten hoog, dog dat het thans zo verminderd was, dat het vee werk had genoeg te vinden, en dat tegenwoordig vier koeyen niet meer melk gaven dan toen ene, dog de oorzaken van deze verandering zyn ligt te vinden. In de jeugd van den oudenHelmwas het land weinig bebouwd, en men hield ’er nauwlyks het tiende deel van het vee dat men ’er nu houdt, dus had ene koe toen zo veelDuur maar een jaar.voedsel als nu tien. Verders, het meeste gras duurt hier maar een jaar, en wast niet, gelyk by ons inZwedenhet meeste doet, verscheiden jaren voort uit enen den zelven wortel. Dus moet men ieder jaar op nieuws gras zayen. Het groot getal van beesten nu verhindertGebrek.het voortzayen dewyl zy het gras afeten eer het bloeyen kan. Dus moet men zig niet verwonderen dat het gras tegenwoordig zo dun staat. Dit maakt dat men, vooral des winters, op reis verlegen genoeg is met zyne paarden, en dat zo wel inPensylvanieenMarylandals inNew Jersey, want het gras is daar gantsch niet overvloedig aan te treffen, dewyl het door het vee afgeschoren wordt eer het zaad schiet. Maar verder noordwaards, als inKanada, heeft men soorten van overblyvend gras genoeg. Zo wyslyk heeft het de Schepper geschikt. Alle de koude gewesten moesten natuurlyk een duurzaam gras voortbrengen, dewyl de Inwoonders, wegens den langdurigen winter, meer hoi voor hun vee behoefden. De zuidelyke landschappen daarentegen hebben minder van dat soort van gras, vermits het vee den gehelen winter over in het veld blyven kan. Egter hebben vele voorzigtige liedenEuropischduurzaam graszaad op hunne weilanden gestroid, het welk daar zeer wel scheen te slagen.Mispelbomen.DePersimon, of de by deZwedenzogenaamdeMispelboom148wies hier vry algemeen. Ik heb ’er reeds van gesproken, nogthans zal ik ’er[149]iets byvoegen. Zyne vrugten begonnen thans ryp te worden, en eetbaar te zyn. Men at ze nu gelyk ander ooft. Zy zyn zeer zoet en sappig, dog een weinig t’zamentrekkend. Ik at ’er gemeenlyk zeerMispelbier.veel van zonder nadeel. Men brouwt van de Mispelen een aangenaam bier, op deze wys. Laat in den herfst, als de vrugt reeds door de vorst aangedaan is, kneedt men de vrugt in een deeg van weit of ander meel, maakt ’er koekjes van, zet ze in den oven, tot dat ze door en door gebakken en droog zyn. Dan neemt men ze ’er uit. Als men nu aan ’t brouwen gaan zal, zet men enen pot op ’t vuur vol koud water, en legt ’er enige koekjes in. Het water warm wordende gaan deze koekjes van een. Men neemt het dan van ’t vuur, roert het wakker om, zo dat het alles wel door een gemengd wordt. Dan giet men het alles in een ketel. Dus gaat men voort tot dat men koeken genoeg week gemaakt heeft. Dan doet men het mout in den brouwketel, en behandelt het gelyk als bier. Dit bier wordt voor aangenamer gehouden dan meest alle anderen. Men maakt ook brandewyn van de mispelen. Dit geschiedt aldus. Men doet ’er ene genoegzame menigte van in een ketel, en laat ze daar ene week in, of iets langer, tot dat ze door en door zagt zyn. Dan giet men ’er water op, en dan moeten zy van zelven gisten, zonder dat men ’er iets by doet. Vervolgens stookt men ’er op de gewone manier brandewyn van, die gezegd wordt zeer goed te zyn, vooral als men onder de mispelen enige zoete wilde druiven doet. Enige mispelen zyn reeds op het einde van September ryp, dog de meesten later, en velen niet voor November of December, wanneer de vorst ze aandoen kan. Het hout van dezen boom is goed voor allerlei schrynwerk. Dog, als het geveld zynde in de vrye lugt blyft leggen, is het een van de eerste houten die rotten, en in een jaar tyds deugt ’er niets meer van. Als de Mispelboom eens geworteld heeft, kan men hem bezwaarlyk uitroeyen, dewyl zy zig te veel verspreiden. Men zeide my, dat als men een tak afsneed en in de aarde stak, hy wortel schoot. Dog in zeer harde winters vriezen deze bomen dikwyls dood, en kunnen, zo wel als de Persikeboom, niet zeer tegens de koude.Kawoerden.Vele soorten vanKawoerdenenMeloenenworden hier geteeld, zynde gedeeltelyk reeds by de oudeAmerikanenbekend geweest, gedeeltelykMeloenen.door deEuropeanenovergebragt. Van de Kawoerden had men een soort dat aan het einde krom is, dog anders langwerpig, en dus wierden zyCrocknacksofKromhalzengenoemd. Men kan ze byna den gehelen winter over goed houden. Nog zyn ’er zekere andere Kawoerden die ook goed blyven. Anderen wederom worden aan stukken gesneden, aan draden geregen, en te drogen gehangen.Men kookt of stooft ze daarna, zo als men wil; en zy kunnen het gehele jaar over[150]duren. Men eet en bereidt hier allerhande soorten van Kawoerden, gelyk by ons. Vele landlieden hebben ’er gehele velden van.Squashes.DeSquasheszyn een soort van kawoerden, dat deEuropeanenvan de Inlanders gekregen hebben, en waarvan ik reeds gesproken heb. Men eet ze gekookt, alleen of by vleesch. Zy vereischen weinig zorg, want zy slagen in allerlei gronden. Als men het zaad in den herfst in de aarde brengt draagt het vrugt in de volgende lente.Kalabassen.DeKalabassenzyn ook een soort van Kawoerden, die veel geplant dog niet gegeten worden. Men maakt ’er allerhande keukengereedschap van. Zy zyn tederder dan deSquashes, en worden hier niet altyd ryp, dog alleen by warm weder. Om ’er keukengereedschap van te maken, worden zy eerst wel gedroogd, het zaad en de vleeschige stof, waarin het legt, neemt men ’er uit, en smyt het weg. De schillen worden van binnen schoon geschraapt; en dan maakt men ’er allerlei lepels, schotels, en andere dingen van om eetwaren in te bewaren. Byzonder zyn zy goed om zaden en planten ’er in over zee te verzenden, want die behouden hunne vrugtbare kragt veel langer inKalabassendan anders. Sommigen plegen de buitenste schillen derKalabassen, voor dat zy ze openen, af te schrapen, daarna te drogen, en dan van binnen schoon te maken; dit maakt ze zo hard als been. Men kan ze ook afwasschen, zo dat zy hare witte kleur altyd behouden.Boekweit.De meeste Landlieden in dezen oord zayen Boekweit. Dit geschiedt in ’t midden van Juli, want later gezaid zoude zy door de vorst bedorven worden; en als men ze vroeger zait bloeit zy den gehelen zomer over, dog de bloemen vallen af zonder zaad te geven. Sommigen ploegen den grond twee malen waar zy Boekweit zayen willen, dog anderen maar eens, omtrent ene week voor dat ze zayen. Zodra men gezaid heeft, wordt het landgeëgd. Men heeft ondervonden dat in een nat jaar de Boekweit wel voortkomt. Zy blyft op het veld tot dat het begint te vriezen. Als de oogst goed is, krygt men twintig, dertig, ja veertig voor een. Zulken oogst had deZweedscheKosterRagnilson, in wiens huis wy thans ons verblyf hadden. Men maakt ’er koeken en puddings van. De koeken worden gemeenlyk des morgens in de pan op een steen gebakken, geboterd, en by de thee of koffy, in stede van geroost en geboterd brood, gelyk anders deEngelschendoen, gegeten. De vogels met Boekweit gevoed leggen meer eyeren. Ook worden ’er de varkens zeer vet van. Het stroo gebruikt men niet, maar laat het op het veld, of stroit het in de boomgaarden, om als een soort van mist te dienen, wanneer het rot. Geen dier wil ’er van eten ten zy in den uitersten nood, als het veld met sneuw bedekt, en niets anders te vinden is. Hoe gemeen de Boekweit in deEngelscheVolkplantingen ook is, hebben ’er egter deFranscheninKanadagene regte kennis aan.[151]Ligtende wormen.Wy vonden, den 23. Nov. tegens den avond enige ligt gevende wormen. Hun lichaam was lynregt, bestaande uit elf geledingen, een weinig puntig van voren en van agteren. De lengte van den kop tot den staart was vyf en ene halve meetkundige lyn. De kleur was bruin, en de geledingen als die derOnisci. De sprieten waren kort en regt. De zes voeten zaten aan de voorste geledingen. Als de worm liep liet hy het agterste deel op den grond slepen, en dit hielp zyne beweging. Het uiterste van den staart bevatte de stof die in ’t donker een groenagtig ligt geeft. De worm konde ze intrekken, zo dat hy geen ligt gave. Schoon het den gantschen dag sterk geregend had, kropen zy in menigte onder het kreupelhout, zo dat de grond als met starren bezaid scheen. In ’t vervolg zal ik gelegenheid hebben van een ander soort van gekorven gedierte of vlieg te spreken, die door de lugt vliegende by nagt als vuurvonken ligt geeft. Zoude wel deze ligtende wormen ene verscheidenheid wezen van deLampyris NoctilucavanLinnæus?Ilex Aquifolium.HetIlex Aquifoliumwies op waterige plaatsen hier en daar in ’t woud. Men moest dit gewas onder de zeldzamen rekenen. Het blad blyft zomer en winter groen. DeZwedendrogen de bladeren, maken ze tot poeder, koken ze in dun bier, en gebruiken ze in ’t zydewee.Verwstoffen.Men verwt hier rood metBraziliehouten met een soort van boommos, en blauw metIndigo. Om zwart te verwen plukt men de bladen van de wilde zuring149en kookt ze met de stof, welke dan gedroogd en op nieuws metCampechehouten koperrood gekookt wordt. Dit zwart is zeer bestendig. Men spint en weeft zelf hier veel van de dagelyksche klederen, en verwt die in huis. Het vlas wordt van velen gebouwd, en slaagt wel. Dog de hennip gebruikt men weinig.Sikkels en Seissen.De Rogge, de Weit, en de Boekweit worden met den sikkel gemaid, dog de Haver met de seis. De sikkels, die men hier gebruikt, zyn lang en smal, en het scherpe is met kleine tandtjes van binnen bezet. De landen blyven een jaar braak leggen, en gedurende dien tyd weidt er het vee op.Zelfs de niet veel vermogende landlieden in dezen oord hebben hunnen boomgaard, min of meer groot volgens hunnen rykdom. De bomen zyn gemeenlyk Persike-,Appel-en Kerssebomen.Vervolg van de Reis.Wy verlieten deze plaats den 24. Nov. een weinig voor den middag, en vervolgden onze reis, deZweedscheKerk teRakoonvoorby, naarPeils groves. Het land aan beide zyden van den weg is zandig en tamelyk vlak. Hier en daar ziet men, dog niet dikwyls, enige Landhoeven. Daar waren grote streken nog enkeld bosch, meest uit verscheiden soorten van Eiken en uit Hikorybomen bestaande. Egter kon men[152]in deze bosschen zeer wel voortkomen, zelfs met een rytuig, want men vond ’er weinig laag hout en stenen in. Dog hier en daar lagen enige bomen, ’t zy door storm geveld, of uit ouderdom omgevallen, die enige verhindering maakten.Waarnemingen omtrent het toenemen van het land.Gedurende myn verblyf teRakoon, nu en den gehelen volgenden winter, deed ik myn best om van de oudeZwedenalle mogelyke onderrigting te krygen, aangaande het toenemen van het land, en ’t verminderen van het water in deze oorden. Ik zal hier gewagen wat onderrigtingen ik kreeg. Ik geef ze zo als ik ze ontvangen heb, met maar weinige aanmerkingen; dus kan de Lezer daaruit zulke gevolgen trekken als hy wil.EenZweed,Kinggenoemd, meer dan vyftig jaren oud, hield zig voor overtuigd, dat, omtrent dezen tyd, de kleine meertjes, poelen, bronnen en rivieren minder water hadden dan toen hy een jonge was. Hy kon verscheiden meren noemen, die men in zyne jeugd met grote schuiten bevoer, en zelfs in ’t heetste van den zomer water genoeg hadden, dog nu of geheel of voor het grootste gedeelte droog waren, en die ten minsten des zomers geen water meer hadden. Hy zelf had by gebrek van water den visch zien sterven; en het scheen hem toe dat het tegenwoordig des zomers zo veel niet regende als voorheen. Een man van zyne bloedvrienden, die omtrent agt mylen van deDellawareaf, op enen heuvel by een riviertje woonde, had enen put doen graven, en op de diepte van veertig voet ene menigte van oester en mosselschelpen, van riet, en stukken van gebrokene takken gevonden. Ik vroeg hoe zy dagten dat dit alles daar gekomen was, en het antwoord was, dat sommigen meenden dat alles daar reeds van den zondvloed af zo gelegen had, en anderen dat het land toenam.Peter Rambo, een man van digt by de zestig jaar, verzekerde my dat op verscheiden’ plaatsen teRakoon, waar men putten, of met een ander inzigt diep in den grond, gegraven had, men ene menigte van mosselschelpen en andere voortbrengsels van de zee had gevonden. Somtyds had men stukken houts ontmoet ter diepte van twintig voet, waarvan sommigen versteend waren, en anderen ’er uitzagen als verbrand. Op die diepte vond men eens ene grote lepel. Zoude het verbrande hout niet zwart geworden zyn door onderaardsche minerale dampen? Dog velen hebben ’er uit opgemaakt, datAmerikareeds voor den Zondvloed bewoond was. Dezelve man verhaalde my verders, dat men ook ticchelstenen diep in den grond gevonden had. Maar zoude niet de steenkleurige klei, waaruit de grond hier grotendeels bestaat, hard zynde, voor ticchelstenen zyn aangezien? Ik heb horen zeggen dat die klei, hard zynde, veel naar gebakken steen gelykt. Hy zeide ook, dat de rivieren nog even zo hoog waren als men wist dat zy[153]oit waren geweest; maar in de kleine meertjes, in poelen en vyvers was merkelyk minder water.Maons Keen, een andereZweedvan meer dan zeventig jaar, verzekerde, dat, by het graven van enen put, hy, op de diepte van veertig voet, een groot stuk kastanjenhout, en wortels en stelen van riet gezien had, nevens ene kleiagtige aarde, gelyk die welke men gemeenlyk aan het strand van zeeboezems vindt, daar men zout water heeft. Deze klei had den zelven reuk en enen zoutagtigen smaak. Hy en verscheiden’ anderen maakten daaruit op, dat al het land waarRakoonenPenns-neckleggen van ouds geheel door de zee bedekt was. Ook was ’er op ene grote diepte ene spaan, gelyk die derWilden, gevonden.Sven LockenWillem Cobb, beiden meer dan vyftig jaar oud, kwamen daarin volkomen overeen, dat men op vele plaatsen hieromstreeks by het graven naar wellen zeer veel riet, het meest verrot, gevonden had ter diepte van dertig en meer voeten. En ’t werkvolk vanCobbzelven was in ’t graven ter diepte van twintig voet op enen dikken tak gekomen, die hen belet had voorttegaan, tot dat men hem doorgehakt had. Het hout was zeer hard. Ook is het zeer gemeen van niet diep in den grond ene menigte te vinden van niet geheel verrotte bladen van allerlei soort. By het maken van enen molendyk, enige jaren geleden, op de rivier waarby de kerk vanRakoonstaat, en het doorgraven ten dien einde van ene bank, vond men dat die meest uit oesterschalen bestond, schoon men hier meer dan honderdentwintigEng.mylen van zee is. Zy, nevens alle de Inwoonders vanRakoon, besloten hieruit, zonder dat men het hun in ’t hoofd gebragt had, dat deze landstreek in oude tyden door de zee bedekt was geweest. Ook verzekerden zy, dat vele kleine meertjes, die in hunne jeugd, zelfs in den zomer, vol waters waren, nu des zomers nauwlyks een beekje uitmaakten, uitgenomen by harde regenvlagen; dog zy vonden niet dat de rivieren van water verminderd waren.Aoke Helm, een gryzaard van zeventig jaar, vond by ’t graven van enen put eerst zand en kleine stenen, en dat ter diepte van agt voeten, daarna ene bleke en vervolgens ene zwarte klei. Op vyftien voeten vond hy een stuk hard hout, en verscheiden stukken van vuurstenen. Hy verhaalde dat hy verscheiden’ plaatsen in deDellawarekende daar men in zyn jeugd met schuiten voer, en die nu in kleine Eilandtjes veranderd waren, waarvan er sommigen byna eneEng.myl lengte hadden. Deze Eilandtjes ontstaan uit zandbanken die zig in den stroom vastzetten, waarop vervolgens het water enige klei aanspoelt, in de welke biezen beginnen te groeyen, en dus wordt het allengskens tot land.By ene zamenkomst van de oudsteZwedenuit het kerspel vanRakoon, kreeg ik het volgende antwoord op de vragen die ik aangaande[154]deze zaak deed. Waar men hier ook putten graaft vindt mem overal ter diepte van twintig of dertig voet vele oesterschelpen enClams. Op vele plaatsen heeft men by ’t graven ene menigte gevonden van biezen en riet, meest alles onbeschadigd. Eens heeft men enen gehelen bondel van vlas ontmoet wel tusschen de twintig en drieentwintig voet onder den grond. Het was al zo weinig beschadigd als of het eerst onlangs onder de aarde was geraakt. Alle de menschen stonden verwonderd, kunnende niemant begrypen hoe het daar gekomen was. Dog ik verbeelde my dat die goede lieden de ene of de andereAmerikaanscheplant, als het wildeVirginischevlas150of hetAntirrhinum Canadense, dat veel naar vlas gelykt, voor vlas aanzagen; en het was ook opmerkelyk dat die bondel omwonden zou geweest zyn. DeEuropersop hunne aankomst vonden nergens vlas inAmerika. Hoe kon ’er dan een bondel van onder de aarde komen? Gebrande kolen heeft men dikwyls in den grond gevonden. De koster,Erik Ragnilsson, had ’er velen van gezien. Ook heeft men dikwyls ter diepte van boven de twintig voeten takken en blokken houts ontmoet. Op sommige plaatsen had men spanen by deWildenin gebruik uitgegraven. En uit dit alles maakten zy op, dat deze landstreek voorheen zee geweest was. Dog men moet hierby opmerken, dat meest alle die putten op plaatsen gegraven wierden daar ene nieuwe plantery wierd aangelegd, waar men het hout eerst had weggehakt, dat ’er misschien verscheiden’ euwen gestaan had. Uit alle deze aanmerkingen, en nog anderen, die ik in ’t vervolg ’er byvoegen zal, kan men opmaken, dat een groot deel vanNew Jerseyin overoude tyden een gedeelte was van den bodem der zee, en naderhand voortgebragt is geworden door de modder, slik en andere stoffen, die deDellawaremet zig gevoerd heeft. Evenwel maakt het uitstek byKaap May, waarvan in ’t vervolg, deze zaak nog meer of min nog twyffelagtig.Planten die altyd groen blyven.De gewassen die hier zomer en winter hun blad houden zyn.DeIlex Aquifolium, of Hulst.DeKalmia Latifolia, de breedbladerigeKalmia.DeKalmia angustifolia, de smalbladerigeKalmia, een soort van den eersten.DeMagnolia glauca, de Beverboom. De jonge planten van dezen boom alleen behouden des winters haar blad, en de ouden niet.HetViscum album, het gemene Mistelboompje, wassende gemeenlyk op deNyssa aquatica, deLiquidambar styraciflua, den Eik en de Linde, zo dat de toppen dier bomen ’er des winters gantsch groen van schynen.[155]DeMyrica ceriferaof de Talkboom. Dog van dezen behouden maar enige jonge bomen hun loof, de meesten laten het vallen.De Sparreboom.151De Denneboom.152DeCupressus thyoides, of de witte Jenever, anders de witte Ceder.DeJuniperus Virginiana, de Rode Jenever, of Ceder.Verscheiden’ Eiken en andere bomen laten hier in den winter hun blad vallen, die wat zuidelyker, gelyk inKarolina, het gantsche jaar door groen blyven.Hetuitvallen dertanden inAmerika.Men heeft opgemerkt dat deEuropeaneninNoord Amerika, het zy zy inZweden, inEngeland, inDuitschland, of inHolland, of zelfs inAmerikavanEuropeaanscheouders geboren zyn, hunne tanden veel vroeger kwyt raken dan in andere landen; byzonderlyk had dit plaats omtrent de Vrouwen. Men zag dikwyls meisjes van twintig jaar, die reeds de helft van hare tanden verloren hadden, zonder hoop te hebben nieuwen te zullen krygen. Ik heb naar de oorzaak hiervan gezogt, dog ik weet niet of ik de ware gevonden heb. Velen waren van mening dat de lugt hier te lande nadelig was voor de tanden, en dit is zeker dat het weder nergens onbestendiger wezen kan; want een zeer hete dag eindigt dikwyls met ene scherpe koude, en zo ook omgekeerd. Dog deze veranderlykheid kan het uitvallen der tanden niet veroorzaken, dewylDog niet by deWilden.dit by deWildengene plaats heeft, die, schoon zy in de zelve lugt leven, altyd witte en schone tanden behouden, gelyk ik zelf gezien, en ook van vele anderen gehoord heb. Daar zyn ’er die dit aan ’t onmatig gebruik van vrugten en zoetigheden toeschryven; dog ik heb vele menschen gekend die hierin geen overdaad begingen, en evenwel hunne tanden kwyt raakten.Of dit komt van het thee drinken.Ik begon het thee drinken, dat hier des morgens en des middags geschiedt, te verdenken, het welk tegenwoordig vooral onder de Vrouwen zo gemeen is, dat ’er nauwlyks zelfs ene Boerin of arme Vrouw is, die des morgens geen thee drinke. En in deze mening wierd ik bevestigd op ene reis, die ik deed in de oordenwaardeWildennog wonen. De Generaal MajorJohnsonverhaalde my toen, dat velen van deWilden, die digt by deEuropeanenwoonden, geleerd hadden thee te drinken, en dat men opgemerkt had dat zulkeAmerikaanscheVrouwlieden, die zig zeer daaraan gewend hadden, even als deEuropischeVrouwen, hare tanden vroeg kwyt raakten, schoon zy ze voorheen gantsch zuiver hadden gehad. Integendeel zulken die gene thee gebruikten behielden hare tanden tot enen hogen ouderdom.[156]Dog naderhand bevond ik dat het gebruik der thee niet de enige oorzaak van dit verlies der tanden wezen kon. Verscheiden jonge Vrouwspersonen, inEuropageboren, klaagden dat zy hare meeste tanden waren kwytgeraakt zodra zy inAmerikagekomen waren. Ik vroeg, of zy niet dagten dat dit van het menigvuldig thee drinken kwam, dewyl men weet, dat sterke thee de tanden als opvreet; dog zy antwoordden dat zy reeds begonnen hadden hare tanden te verliezen voor dat zy nog thee gedronken hadden. Maar myn onderzoek voortzettende, vond ik ten laatsten ene genoegzame oorzaak van dit uitvallen der tanden. AlleVan het warm eten.deze Vrouwen bekenden dat zy zeer gesteld waren om alles zo warm te eten als het maar mogelyk was. Dit was even het zelve met de andere Vrouwen in het land, die hare tanden veel vroeger verliezen dan de Mans. Zy drinken veel meer thee des morgens en des namiddags dan de Mans, wier bezigheden hun den tyd niet laten van lang aan de theetafel te zitten. Behalven dat, deEngelscheMans geven weinig om thee, maar houden meer van een kompunch. Als deEngelscheVrouwen thee drinken gieten zy ze niet in de schoteltjes, maar gebruiken ze zo heet als zy kunnen uit het kopje. DewildeVrouwlieden volgen ze daarin na. Integendeel, dieWilden, wier tanden wit en gaaf zyn, eten of drinken noit iets warm.Ik vroeg verscheiden van de oudeZwedenof hunne Ouders en Landslieden hier ook hunne tanden zo vroeg verloren hadden, dog zy zeiden van neen.Bengtson, de Kerkeraad vanPhiladelphia, verzekerde my, dat zyn vader op zyn zeventigste jaar persikestenen en noten met zyn tanden kraken kon, en dit zal tegenwoordig niemant hier op die jaren ondernemen. Dit bevestigt het geen ik gezegd heb, want in dien tyd was het gebruik der thee inNoord Amerikaonbekend.Koortsen.Gene ziekte is hier gemeender dan die welke deEngelschenFever and aguenoemen, ene koude koorts, die of ene alledaagsche, andere- of derdedaagsche is. Dog het gebeurt dikwyls dat iemant, die ene derdedaagsche koorts gehad heeft, en ze ene week is kwyt geweest, ene alledaagsche in de plaats krygt, en als die weg is, na enigen tyd, weder door ene derdedaagsche wordt aangetast. De koorts begint gemeenlyk op het laatst van Augustus of het begin van September, en duurt den herfst en den winter over tot aan de lente, wanneer zy geheel verdwynt.De Vreemdelingen worden ’er gemeenlyk het eerste of het twede jaar na hunne aankomst van aangetast, en veel sterker dan de Inboorlingen, zo dat zy ’er somtyds aan sterven. Maar als zy ’er de eerste maal doorkomen, zyn zy ’er gemeenlyk het twede jaar, en somtyds altyd vry van. Men zegt hier in ’t gemeen dat de Vreemdelingen de koorts krygen om zig aan de lugt te gewennen. De Inboorlingen vanEuropischeafkomst hebben op sommigen plaatsen alle jaren een aanval van koorts,[157]dog sommigen zyn ’er spoedig van af, daar anderen zes maanden lang daaraan sukkelen, en enigen zelfs tot hunnen dood toe. DeWildenzyn ’er ook aan onderhevig, dog zo sterk niet als deEuropeanen. Geen ouderdom is ’er van bevryd; waar deze koorts heerscht ziet men ’er gryzaards en kinderen in de wieg, dikwyls niet boven de drie weken oud, van geplaagd. Dezen herfst was zy hier veel sterker dan naar gewoonte. Zy maakt de menschen zo bleek als doden en schrikkelyk zwak, dog laat hun nogthans toe in de tusschentyden hunne bezigheden waartenemen. Het is zonderling, dat ’er alle jaren sommige streken zyn daar de koorts regeert, en anderen daar niemant ’er van weet. Ook zyn ’er plaatsen waar men ’er voorheen niets van plegt te weten, dog daar zy nu gemeender begint te worden. Vele oude lieden verzekerden eenstemmig dat de koorts noit zo hevig en aanhoudend was geweest toen zy kinderen waren als nu. Dog anderen, ook ruim zo oud als de eersten, waren van gedagte, dat de koorts voorheen naar evenredigheid der Inwoonders wel zo algemeen en zo sterk geweest was, dog dat men in dien tyd, toen ’er veel minder menschen waren, en de planteryen zo ver van malkanderen lagen, daar zo veel agt niet op had kunnen nemen; zo dat het waarschynlyk is, dat de uitwerkingen der koorts altyd omtrent gelyk geweest zyn.Oorzaken.Het is moeilyk de ware oorzaken dezer ziekte te bepalen; daar schynen ’er verscheiden’ te zyn, en die niet altyd dezelven; somtyds, en ik denk gemeenlyk, lopen ’er verscheiden t’zamen. Ik heb ’er Geneeskundigen over onderhouden, en zie hier wat zy ’er van dagten.Sommigen meenden dat de gesteldheid van de lugt in dit land oorzaak is van deze koorts, dog de meesten beweren dat zy veroorzaakt wordt door de staande en rottende wateren; en dit schynt de ondervinding te bekragtigen. Want men heeft opgemerkt, dat zulken die in denabuurschapvan moerassen en poelen wonen, of op zulke plaatsen waar men een staand en stinkend water vindt, genoegzaam ieder jaar de koorts krygen, en ’er veel ligter dan anderen van worden aangetast. En dit gebeurt voornaamlyk in een jaargetyde, dat de wateren, door de onmatige hette het meest uitwaassemen, en de lugt met kwade dampen vervullen. Ook is de koorts zeer sterk op alle lage plaatsen, en waar tweemaal in de vierentwintig uren het zeewater met het ty opkomt, en zig met het zoete water vermengt. Des zomers wordt men, over zulke plaatsen reizende, dikwyls gedwongen zyne neusgaten toetehouden, uit hoofde van den stank, dien de vermenging van het zoete met het zoute water voortbrengt. Om deze reden worden de menschen tePenns-neck, en teSaleminNew Jersey, waar de grond de gezegde eigenschappen heeft, jaarlyks veel sterker door de koorts geplaagd, dan die op hoger gronden wonen.[158]Indien iemant wonende op hoge landen, waar men vry is van de koorts, naar de lager landen trekt, kan hy wel staat maken van alle jaren op den gewonen tyd de koorts te krygen zo lang hy daar blyft wonen. Menschen, die de frischste kleur hadden, uit de hoger landen naar de lagere verhuizende, en daar enen tyd lang blyvende vertoeven, hebben alle hunne kleur verloren, en zyn zo bleek geworden als doden. Dit kan egter de enige oorzaak van de koorts niet wezen, want ik ben in lage landen geweest, daar veel staande wateren waren, waar de menschen zeiden zelden van de koorts gekweld te worden; dog deze plaatsen lagen twee of drie graden meer noordwaards.Anderen waren van gevoelen dat het onvoorzigtig en onmatig eten van vrugten zeer veel de oorzaak was van deze koorts. Dit heeft byzonderlyk plaats omtrent deEuropeanendie eerst overkomen, en nog niet aan de lugt en de vrugten vanAmerikagewend zyn, want zy die hier geboren zyn kunnen ’er meer van verdragen, en zyn egter niet geheel vry van de kwade gevolgen der onmatigheid. Ik heb hierover veleEngelschenenDuitschersuit eigen’ondervindinghoren spreken. Zy bekenden het dikwyls beproefd te hebben, dat als zy eens of tweemaal nugteren van een watermeloen aten zy verzekerd konden wezen van binnen weinige dagen ene koude koorts te hebben. En het is merkwaardig het geen deFranscheninKanadamy vertelden, dat de koortsen daar minder gemeen waren, schoon men daar niet minder watermeloenen gebruikte dan in deEngelscheVolkplantingen, en dat men noit opgemerkt had dat zy koorts veroorzaakten; maar dat wanneer men in ’t hete van den zomer by deIllinoizenkomt, eenAmerikaanschvolk, dat op de zelve breedte metPensylvanieenNew Jerseywoont, zy geen watermeloenen eten konden zonder de aanvallen ener koude koorts te bespeuren, en dat deWildenhen ook waarschuwden van zo gevaarlyk ene vrugt niet te eten. Doet ons dit niet denken dat de groter trap van hette inPensylvanieen het Land derIllinoizen, beiden vyf of zes graden zuidelyker danKanadagelegen, die vrugt gevaarlyker maakt? In deEngelscheVolkplantingen heeft ieder Boer watermeloenen, die men onder ’t hoyen gebruikt, of gedurende het werken in den oogst, wanneer het volk niets in de maag heeft, om zig in de hette te verkoelen, gelyk deze sappige vrugt zeer frisch is. Ook eet men hier in den zomer zeer veel meloenen, komkommers, kawoerden,squashes, moerbezien, appelen, persiken, kerssen, en ander ooft, al het welk ook het zyne doet ter bevordering der koorts.Dog dat de levenswys hier zeer veel aan toebrengt, kan men besluiten uit de eenparige berigten van oude lieden aangaande de tyden hunner kindschheid, volgens welke berigten de menschen in die tyden aan[159]zo vele ongemakken niet onderhevig en zelden ziek waren. Alle de oudeZwedenverklaarden, dat hunne Landslieden die zig hier het eerst nederzetteden enen hogen ouderdom bereikten, en dat hunne kinderen omtrent tot die zelve jaren kwamen; dog dat de kleinkinderen en de kleinkleinkinderen den ouderdom van hunne voorouders niet hadden bereikt, en zo gezond en sterk op ver na niet geweest waren. Dog deZwedenleefden hier in ’t begin zeer matig. Zy waren te arm om brandewyn enrumte kopen, die zy ook zelven niet stookten. Egter hadden zy somtyds een goed sterk bier. Zy wisten ook genen cyder te maken, die nu zo gemeen in ’t Land is. Koffi, thee, chokolaat, waaruit zelfs nu het Landvolk ten dele zyn ontbyt maakt, waren onbekend. De meesten hadden noit suiker ofpunchgeproefd. De thee, die men nu hier drinkt, is of zeer verlegen, of met allerlei kruiden vermengd, zodat zy nauwlyks meer den naam van thee verdient; gevolgelyk kan zy niet dan ene kwade uitwerking op zulken doen die dezelve in menigte gebruiken; behalven dat zy niet missen kan van de ingewanden te verslappen, daar zy ’s morgens en ’s namiddags byna kokend heet gedronken wordt. DeWilden, afkomelingen van de oorspronglyke bewoonders dezes Lands, verstrekken tot een bewys van het geen ik zegge. ’T is bekend dat hunne voorouders, ten tyde van de aankomst derEuropeanen, zeer oud wierden; ’t was niets vreemds van ’er lieden onder te vinden die boven de honderd jaar waren. Zy leefden sober, en dronken niets dan water. Brandewyn,rum, wyn, en andere sterke dranken waren hun onbekend. Dog sedert dat deChristenenhun die dranken hebben leren drinken, en zy ze zo aangenaam gevonden hebben, bereiken zulken die hunne lusten niet kunnen tegengaan niet de helft van de jaren hunner voorvaderen.Eindelyk, daar waren ’er die beweerden, dat het uitroeyen van zo vele welruikende planten, waarmede op de aankomst derEuropeanende bosschen vol waren, dog die het vee thans vernield heeft, kon worden aangezien als ene van de grote oorzaken van de voortgangen der koortsen. De menigte dezer bloemen verspreidde alle morgens en avonden enen lieflyken geur in de bosschen. Het is derhalven niet vreemd te denken, dat daardoor de schadelykheid der rottige uitwaassemingen gematigd werd, zo dat zy zo gevaarlyk in dien tyd niet waren.Middelen daar tegen.Verscheiden’ geneesmiddelen worden tegens deze kwaal aangewend. DeKinawas voorheen een onfeilbaar middel, dog tegenswoordig doet zy altyd die uitwerking niet, schoon men ze hier voor zuiver en onvervalscht bekomt. Vele lieden beschuldigden dit middel van iets kwaads in het lichaam agter te laten. Dog men heeft gemeenlyk ondervonden, dat als deKinagoed was en terstonds in ’t begin der koorts gebruikt wierd, eer het lichaam verzwakt was, zy de koorts altyd verdreef, zo[160]dat de huiveringen niet weder kwamen, en men gene pynen nog zwaarte in de leden overhield. Maar als de kwaal was ingeworteld en de Lyders sterk verslapt had, of dat zy natuurlyk zwak waren, verliet hen de koorts wel op ’t gebruik der Kina, dog keerde een veertien dagen daarna weder, en dwong hen ze op nieuws te gebruiken; waarvan het gevolg dikwyls was pyn en styfheid in de leden en somtyds in de ingewanden, waardoor zy belet wierden te gaan, welke pyn hun vele jaren bybleef, en dikwyls tot den dood toe. Deze kwade uitwerking wordt gedeeltelyk aan den koortsbast, dien men hier zelden onvervalscht bekomt, en gedeeltelyk aan de onvoorzigtigheid der Lyders onder ’t gebruiken van denzelven toegeschreven. Een van myne kennissen was zeer ervaren in ’t verdryven van de koorts door de Kina, welke hy gaf zodra de koorts zig in ’t lichaam vastgezet had. Dog voor dat hy ze gebruikte nam hy een zweetmiddel, dewyl hy dit zeer heilzaam gevonden had. En gelyk hier de koorts veeltyds van dien aard is dat zy niet doet zweten, zelfs niet in hare hette, moest men door andere middelen de uitwaasseming bevorderen. Ten dien einde nam de Lyder het middel op den dag van de huivering en moest dien avond zonder eten zyn. Den volgenden morgen moest hy in ’t warme bed blyven, veel thee drinken, en wel toegedekt zyn, om sterk te kunnen uitwaassemen. Dus bleef hy tot dat het zweten ophield, verliet dan het bed in ene warme kamer, waschte het lichaam met bloed-lauw water, om het te zuiveren van de vuiligheid door het zweten veroorzaakt, ten einde die de poren niet mogte verstoppen. De Lyder wierd daarop afgeveegd, en nam eindelyk de Kina verscheiden’ malen op den zelven dag in. Dit wierd twee of drie malen herhaald, op de dagen na dat de zieke de koorts gehad had, en zy verliet hem gemeenlyk zonder weder te komen, en zonder dat hy ’er in ’t vervolg bleek van zag.De schors van den wortel des Tulpebooms153op de wys der Kina genomen heeft somtyds de zelve uitwerking.Sommige menschen schillen de wortels van den Kornoeljeboom,154en geven de schil den zieken in. Verscheidenen, die door de Kina niet geholpen wierden, zyn door dit middel genezen. Ik heb ook menschen gezien die geholpen waren door zwavel fyn gestampt, met suiker vermengd, alle avonden voor dat zy naar bed gingen, en alle ogtenden voor dat ze opstonden, te gebruiken. Dit deden zy drie of vier malen in den tusschentyd dat zy van de koorts vry waren, en namen ’er telkens wat warmen drank op, om de poeder te doen zakken. Dog sommigen vonden hier geen baat by.Anderen namen den gelen bast van den persikeboom, byzonderlyk dien van den wortel, en kookten hem in water, tot dat ’er de helft van[161]vervlogen was. Hiervan nam de zieke elken morgen een wynglas vol voor dat hy iets gegeten had. Deze drank heeft enen onaangenamen smaak, en trekt den mond by een gelyk aluin; dog hy had vele menschen teRakoongeholpen, die andere middelen te vergeefs gebruikt hadden.Weder anderen kookten de bladen derPotentilla reptans, of derPotentilla Canadensis, in water, en dronken ’er van voor dat de huivering aankwam; en het is bekend dat ’er velen door geholpen zyn.De Bewoonders van den stroomMahawk, zo welAmerikanenalsEuropers, stampen den wortel van hetGeum rivale. Deze poeder wordt van sommigen in water gekookt tot dat het afkooksel vry sterk is; anderen gieten ’er maar koud water op, en laten ’t enen dag over staan; enigen mengen ze met brandewyn. Van dit middel moet de Lyder een glas vol nugteren nemen op zynen vryen dag. Men verzekerde dat dit een der zekerste middelen was, en de Kina overtrof.Die genen welken digt by de yzermynen woonden betuigden zelden of noit door deze koorts te worden aangetast; dog wanneer zy ze egter hadden, dronken zy het water uit bronnen die uit de yzermynen komen, en enen sterken staalsmaak hebben. Dit middel verzekerden ze my onfeilbaar te zyn. Anderen, die niet digt by zulke bronnen woonden, trokken ’er voor enige dagen naar toe, als zy de koorts hadden, om het water te drinken, dat hen gemeenlyk hielp.Ik heb boven reeds aangemerkt, dat saly met citroensap zeer heilzaam tegens de koorts bevonden is.Dog men had opgemerkt dat een middel dat den een hielp dikwyls kragteloos op den ander is.Borstontstekingen.Borstontstekingen155zyn ook ene ziekte waardoor men hier dikwyls wordt aangetast. Velen van de oudeZwedenvertelden my dat zy in hunne jeugd ’er weinig van gehoord hadden, dog dat deze ziekte nu zo gemeen was dat zy jaarlyks vele menschen wegsleepte. Maar men heeft opgemerkt dat zy in sommige jaren zo kwaadaardig niet is als in anderen, wanneer zy de meeste Lyders doodt. Ook is zy sterker op de ene dan op de andere plaats.In den herfst van 1728. sleepte zy vele menschen weg tePenns-neck, ene plaats benedenRakoon, digter aan deDellaware, waar veleZwedenwaren gevestigd. De meestenZwedenstierven ’er van, schoon zy zeer talryk waren. Dit heeft gemaakt dat hunne kleine kinderen, die overbleven, met de kinderen derEngelschenopgroeyende, hunne moedertaal vergeten hebben, zo dat ’er weinigen zyn die nu hetZweedschverstaan. Sedert dien tyd heeft deze ziekte jaarlyks wel enige menschen[162]tePenns-neckom hals geholpen, dog in geen groot getal. Zy scheen, als ware het, te rusten, tot in den herfst van dit jaar 1748. wanneer zy op nieuw ysselyk begon te woeden. Iedere week stierven ’er van zes tot tien oude menschen aan. Het was ene warePleuritis, maar zy had deze byzonderheid, dat zy met ene grote zwelling onder den strot en den hals en met ene belemmerde doorzwelging begon. Sommigen hielden ze voor aanstekend. Enigen verklaarden in goeden ernst dat als zy in ene familie kwam, zy, niet alleen die in ’t zelve huis woonden, maar ook zulken van de familie aangreep die ’er ver van daan hun verblyf hielden. Velen zyn ’er tePenns-neckgeweest, die, zonder dat zy hunne zieke bloedvrienden bezogt hadden, de ziekte gekregen hebben, en ’er aan gestorven zyn. Ik wil de waarheid hiervan niet betwisten, dog vind het gevolg niet gegrond. De ziekte woedde het meest in November. Egter stierven ’er enige oude lieden den volgenden winter aan. Dog de kinderen liepen ’er tamelyk vry van. De Geneeskundigen vonden zig in deze ziekte zeer verlegen.Oorzaken.Het is bezwaarlyk de oorzaken van zo geweldige ziektens juist te bepalen. Een oudeEngelscheHeelmeester sprak ’er dus over. Men drinkt hier in den zomer veel punch en andere hete dranken, waardoor het bloed verdikt en de aderen in ’t middenrif156opgezet worden. Tegen ’t einde van October en ’t begin van November wordt het weder veranderlyk, zo dat het op den zelven dag nu heet dan weder koud is. Als de menschen by dit veranderlyke weder veel in de lugt zyn krygen zy dit ongemak. Ook is het zeker dat de lugt het ene jaar ongezonder is dan het andere, het welk van de hette en andere omstandigheden afhangt, en dit doet veel tot deze ziekte. Het is aanmerkelyk dat ’er in ’t jaar 1728. en 1748., toen ’er zo vele menschen tePenns-neckstierven, teRakoonweinig doden waren, schoon beide de plaatsen digt by malkander leggen, en dezelve lugt en grondsgesteldheid hebben. MaarPenn’s necklegt zeer laag, enRakoontamelyk hoog. TePenn’s neckwoont men tusschen poelen en moerassen, waarin het water staat te rotten; het is ’er vol van bomen, die den wind afkeren. Ook wordt het water tePenn’s neckniet voor zo goed gehouden als teRakoon, schoon ’er geen onderscheid is in den smaak. Het wordt daarenboven in sommige kleine stroompjes brakagtig, als deDellawareby den vloed opzet en ’er in komt. Op de oevers van deze stroompjes wonen veleZweden, en gebruiken ’er het water van.Philadelphia.Den 3. December 1748. vertrok ik weder naarPhiladelphia, waar ik nog dien avond aankwam.Wilde druiven.In de bosschen vindt men overvloed van verscheiden’ soorten van[163]wildeDruiven. Een soort, aanmerkelyk door zyne grootte, wast in de poelen, en wordt zeer gezogt van denRakoon. Deze druif wordt van deEngelschenVossedruif157andersPoeldruif, geheten. Zy zyn niet aangenaam van smaak, en de Inwoonders eten ze zelden, dog wel een klein soort van druif, die op enen drogen grond groeit. Men gebruikt ze in den herfst rauw. Zy zyn aangenaam, een mengsel van zoet en zuur. Sommigen drogen ze, en bakken ze in taarten, of zetten ze droog voor. Voorheen maakten ’er deZwedenenen tamelyk goeden wyn van; dog hier zyn zy van uitgescheiden. EnigeEngelschenevenwel perssen ’er nog enen lieflyken drank uit, dien zy my verzekerden zo goed te wezen als de besteFranschewyn, en lang te duren.Wyn.Om dezen wyn te maken, verzamelt men de druiven van den 21. September af tot den 11. November toe, dat is als zy beginnen ryp te worden. Men moet ze snyden by droog weder, nadat de dauw weg is. Zy worden afgeveegd. Een groot vat staat ’er gereed, waarin of syroop of brandewyn geweest is. Dit maakt men wel schoon, slaat ’er enen der bodems uit, en plaatst het op ene bekwame wys op stukken houts in den kelder, of in een warm vertrek omtrent twee voet boven den grond. De druiven worden in het vat gedaan, en, als zy wat gezonken zyn, doet men ’er drie of vier dagen daaraan weder nieuwen by. Een man gaat ’er met blote voeten in, en treedt de druiven. In omtrent een half uur is ’er het sap al uit. Dan keert de man de ondersten boven, treedt ze nog een kwartier; en dit is genoeg om ’er het goede vogt uit te krygen; want langer te treden zou ook de onrype druiven doen breken, en den wyn enen kwaden smaak geven. Dan dekt men het vat toe met een digt deksel, of met twee deksels als men genen kelder heeft, of het weder zeer koud is. Dus laat men het vogt gisten, en in de volgende vier of vyf dagen werkt het zeer sterk. Zodra het gisten ophoudt wordt ’er een gat gemaakt omtrent zes duim van den bodem, en men tapt wat van het vogt ’er uit, tweemaal iederen dag. Zodra dat klaar en bezonken is, laat men het vogt over in een kleinder vat. Van twintig bossen druiven krygt men omtrent twintiggallonssap. Het kleine vat blyft stil staan, en de most gist voor de twede reis; en dan is het noodzakelyk dat het vat geheel vol zy. De schuim, die zig boven aan het sponsgat zat, moet ’er afgenomen, en het vat gedurig weder opgevuld worden. Dit duurt tot omtrent Kersmis, en dan mag men het vaatje stoppen, op het laatste is de wyn in Februari gereed en gebotteld. Ook heeft men hier de gewoonte enige rype druiven in een[164]vat te werpen om ’er azyn van te maken, die zeer goed is. Velen maakten van deze druiven enen brandewyn, die enen aangenamen smaak heeft, dog die egter nog lieflyker is als ’er wat mispelen onder zyn. Het hout van deze wyngaarden is van geen gebruik, voor stokken is het te buigzaam. Als men in den stam houwt, komt ’er binnen kort een witte smakeloze harst voor den dag. Men plant ze in vele tuinen om de prielen met hun groot blad te dekken. Als hier, in Mai en Juni, de wyngaarden bloeyen, geven de bloemen enen sterken dog zeer lieflyken en verfrisschenden reuk, die zig zelfs op enen groten afstand vernemen doet. Om dien tyd in de bosschen komende kan men uit derzelver reuk bemerken, dat ’er wyngaarden zyn. Hoe streng ook de winters zyn, doen zy egter den wyngaard niet aan. Elke druif is omtrent zo groot als ene erwt, dog wat meer zuidwaards hebben zy de grootte van ene gemene razyn, en enen aangenaamen smaak. Binnen in het land maken zy gedurende een deel van den herfst het voornaamste voedsel voor de Beren uit, die op de bomen klouteren om de druiven te plukken. Men meent, dat als de wilde druiven zorgvuldig aangekweekt en behandeld wierden zy groter en beter zyn zouden.Voortekens rakende het weder.Ik zal hier van twee voortekens aangaande het weder gewagen, waar aan men hier veel geloofs sloeg. Sommigen wilden kunnen voorzeggen dat de aanstaande winter niet zeer gestreng zoude zyn, om dat zy in October wilde ganzen en andere trekvogels naar het zuiden hadden zien vliegen, die kort daar aan terug gekomen, en in groten getale noordwaards gevlogen waren. Inderdaad de volgende winter is een van de gematigdsten geweest.Enige lieden voorzeiden den 5. December, dat wy voor den avond van den 6. regen hebben zouden. De reden van deze voorzegging was, dat dezen morgen, by het ryzen der zon zy uit hunne vensters alles zeer duidelyk aan de overzyde der Rivier had kunnen zien, zo dat alles veel nader by dan gewoonlyk scheen te zyn, en dat dit gemeenlyk een teken van regen was. De voorspelling wierd ook tamelyk juist vervuld.Het yzer denWildenonbekend.Voor de aankomst derEuropeanenhadden deWildengene kennis aan het yzer, schoon dat zeer overvloedig in hun land valt. Evenwel wisten zy enigermate zig van het koper te bedienen. EnigeHollandersbewaarden nog de overlevering, dat hunne Voorouders, by hunDog niet het koper.nederzetten teNew York, veleAmerikanenontmoet hadden, die koperen tabakspypen hadden, en die hun door tekens te kennen gaven, dat zy ze in de nabuurschap kregen. Naderhand werd de schone kopermyn ontdekt die opSecond RivertusschenElizabeth-townenNew Yorkis. By het graven in deze myn vond men gaten waaruit enig koper[165]gehaald was, en enige werktuigen, waarvan deAmerikanenwaarschynlyk zig bediend hadden om het metaal voor hunne pypen te krygen. Zulke gaten in de bergen zyn ook op sommige plaatsen vanPensylvanie, te weten benedenNewcastlezeewaards aan, gevonden, en geven altyd te kennen dat ’er kopererts in te vinden is. Sommigen hebben zig verbeeld, dat deSpanjaards, na de ontdekking vanMexiko, langs de kust vanNoord Amerikagezeild, en nu en dan aan land getreden zyn, om te zien of ’er ook enig goud of zilver zoude te vinden wezen, en dat die misschien deze gaten in de bergen gemaakt hebben. Maar, als men al veronderstelt dat zy dus langs de kust gevaren zyn, konden zy onmogelyk ten eersten de kopermynen vinden, en hielden zig waarschynlyk niet op met dit erts, daar zy meer goud en zilver zogten. Het is dan genoegzaam zeker dat deAmerikanendeze gaten gegraven hebben. Of zoude men durven vermoeden, dat de oudeNoren, lang voor de ontdekking vanColombus, hier aangeland zyn, en deze koperaderen gevonden hebben, toen zy naar hetvoortreffelyke Wynland158voeren, waarvan onze oude overlevering,Sagorgenoemd, spreekt, welkWynlandongetwyffeldNoord Amerikawas? Dog hieromtrent zal ik in ’t vervolg gelegenheid hebben, myne gedagten beter te uiten. Het is aanmerkelyk dat overal, daar men onlangs diergelyke gaten in de bergen gevonden heeft, welken duidelyk gezien kunnen worden van menschen gegraven te zyn, dezelven met veel aarde bedekt waren, als of men ze voor de vreemden verborgen had willen houden.
Pl: I.C. J. de Huyser. fecit 1772Pl: I.Vliegende Eekhoorn.Aard Eekhoorn.Amerikaansche Bunsem.
C. J. de Huyser. fecit 1772
Pl: I.
Vliegende Eekhoorn.
Aard Eekhoorn.
Amerikaansche Bunsem.
[141]
Voortekens van een Orkaan.
Den 15. November verhaalde my de HeerKockeen toeval, dat hem overgekomen was, en te bevestigen scheen dat de orkanen door zekere tekens van te voren zig aankondigen. Hy zeilde naar deWest Indienin een klein Jagt, en had een oud man aan boord, die langen tyd deze zee bevaren had. De oude man de diepte peilende riep den stuurman toe, den HeerKockte zeggen, dat hy terstonds de boten moest uitzetten met een genoegzaam getal volks, om het Jagt gedurende de stilte voortteroeyen, ten einde het Eiland zo schielyk als mogelyk was te bereiken, dat voor hun lag, dewyl men binnen vierentwintig uren een geweldig orkaan te wagten had. De HeerKockvroeg hem waarom hy dit dagt, en de oude man zeide hem, dat hy by het peilen het lood enige vademen dieper in het water gezien had dan te voren; dat derhalven het water eensklaps helder was geworden, het welk hy voor een onfeilbaar teken van een aanstaande orkaan in zee hield. De HeerKockzag ook de ongewone klaarheid van het water. Hy gaf dan onmiddelyk bevel om de boot in ’t water te brengen en het Jagt voortteroeyen; zo dat zy voor den nagt in behouden haven kwamen. Dog voordat zy die nog volkomen bereikt hadden, begonnen de golven al hoger en hoger te gaan, en het water scheen als te koken, schoon men nog genen wind gewaar werd. Des nagts ontstond het Orkaan en woedde zo vreeslyk, dat niet alleen ’er vele schepen vergingen, en de daken werden weggerukt, maar dat zelfs het Jagt van den HeerKocken andere schepen, schoon in veilige havens leggende, door het geweldig opzetten der baren zo ver op ’t land gezet werden, dat ’er verscheiden’ weken verliepen voor dat zy ’er weder af kwamen.
Een oudHollandschschipper zeide, dat hy eens enen Hai in de Bai vanNew Yorkgevangen had, die opengesneden zynde ene menigte van alen in zyn’ maag had.
Oude potten gevonden.
De HeerBartramvertoonde my den 18. November een aarden pot, die op ene plaats gevonden was daar voorheen deWildengewoond hadden. De man, die hem het eerst had opgegraven, bewaarde daar smeer in om zyn’ schoenen en laarzen mede te smeren. De HeerBartramkoftden pot van hem. Zy was nog onbeschadigd. Ik kon ’er nog verglazing, nog kleur op onderkennen, maar van buiten had hy veel sieraden, en over ’t geheel was hy zeer wel gemaakt. Ook vertoonde my de HeerBartramvelerhande stukken van gebroken aarden vaten, welken deWildenvoorheen gebruikten. Het was duidelyk aan deze allen te zien dat zy niet van enkelde klei gemaakt waren, dog dat ’er verscheiden’ andere stoffen onder gemengd waren, volgens de natuur der plaatsen daar zy waren gemaakt. DieWilden, by voorbeeld, die digt aan de zeekust woonden, stampten oester- en mosselschelpen, en mengden die met de klei. Anderen, die dieper in het Land hunne woonplaatsen[142]hadden, waar men bergkrystallen vinden kon, mengden die ook gestampt onder de potaarde. Dog hoe zy in ’t maken dier potten te werk gingen is gantsch onbekend. Zeker is het dat zy ze niet hard bakten, want zy waren zo week dat men ze met een mes kon aan stukken snyden. Egter scheen het werk zeer goed te zyn, want men vindt nog gehele vaten of stukken in den grond die in ’t geheel niet beschadigd zyn, schoon zy meer dan tagtig jaren onder de aarde gelegen hebben. Voor dat deEuropeanenzig inNoord Amerikanederzetteden, hadden deWildengeen ander vaatwerk om hun eten in te koken dan deze aarden potten van hun eigen maaksel. Dog sedert derzelver aankomst hebben zy altyd potten, ketels, en ander vaatwerk van hungekoft, en zig niet meer bekommerd om die zelven te maken, zo dat zy deze konst geheel verloren hebben. Dus zyn, zelfs onder deWilden, potten van hun eigen maaksel ene grote zeldzaamheid gevonden. Ik heb ’er van gezien die uit een soort van ’tTalcumvanLinnæusbestonden.
Leyen.
De HeerBartramtoonde my ook kleine stukken van ene zwarte Lei, die overvloedig op sommige plaatsen aan de RivierSkulkillgevonden wordt. Men vindt ’er stukken van die vier voet en meer in ’t vierkant zyn. De kleur en ’t maaksel is het zelve als de Tafellei,143uitgenomen dat die wat dikker is. De Inwoonders omstreeks deSkulkilldekken ’er hunne daken mede, en de HeerBartramverzekerde my dat hy een geheel dak gezien had bestaande uit vier zulke Leyen. De stralen der zonne, de hette, de koude, en de regen hebben genen invloed op dezen steen.
Stalactites.
Nog verhaalde die Heer dat op vele plaatsen holen gevonden wierden, die diep onder ’t gebergte doorliepen. Hy was in verscheidenen van dezelven geweest, en had ’er veelstalactitesvan verschillende grootte boven aan in ’t binnenste van de bergen gevonden. Zy waren van verscheiden kleuren. Dog het byzonderste was, dat hy ’er enigen vond die uiterlyk van boven tot onder toe als gescheurd waren. Hy had ’er sommige stukken van naarLondengezonden, dog had ’er thans geen.
Reis naarRakoon.
Den 20. November ging ik in den morgen, nevens enen Vriend, op een reisje naarRakooninNew Jersey, daar veleZwedenwaren, die hunne eigene kerk hebben. Wy moesten drieEng.mylen afdoen eer wy aan het Veer kwamen, daar wy over deDellawarekonden gezet worden. Het land was hier op vele plaatsen zeer laag. De vlaktens wierden by elken vloed overstroomd, en liepen by de ebbe weer ledig. Evenwel had men zig deze vlaktens door middel van dyken weten ten nutte te maken. Het waren nu weilanden.[143]Hier waren veleWaterbeukenaan beide de zyden van den weg geplant, digt op een, welken in den zomer ene aangename lommer geven, aangezien de grootte en menigvuldigheid van hunne bladeren. Dit maakt den weg zeer vermakelyk, gelykenden naar ene lommerryke laan. DeDellawareis hier omtrent even zo breed als byPhiladelphia. Digt by het Veer waren verscheiden aardige huizen op beide de zyden gebouwd, waar de Reizigers verfrisschingen krygen kunnen. Op onze uitreis vanPensylvanienaarNew Jerseywierden wy over deDellawaregezet in een vaartuig dat den waard aan de zyde vanPensylvanieaanging; maar op onze terugreis moesten wy dat van den man die aan de overzyde woont gebruiken. Zo als wy de Rivier over waren bevonden wy ons in ene andere Provincie, want deDellawaremaakt de grensscheiding uit tusschenPensylvanieenNew Jersey, zo dat al wat ten westen der Rivier legt tot het eerst genoemde, en het geen ten oosten is tot hetlaatstgemelde gewest behoort. Dog beide de Landschappen hebben verschillende wetten en verschillende munt.
Landsdouwe.
Wy vervolgden onze reis verder, en merkten welhaast op, dat het land aan die zyde daar wy thans waren gantsch anders ’er uitzag dan aan de overzyde, want inPensylvaniebestaat de grond meerder uit klei en zwarte aarde en is zeer vrugtbaar; maar inNew Jerseyis hy zandiger en mager, zo dat de voeten der paarden op vele plaatsen zeer diep in ’t zand zakten. Digt by de plaats daar wy waren overgezet, een eind wegs langs den oever, was een tamelyk zwaar Dennebosch. De bomen waren niet zeer hoog, dog in hunne grootste kragt; tusschen beiden vertoonde zig hier en daar enig eiken kreupelhout. Maar na dat wy omtrent drieEng.mylen verder waren, eindigde het Dennewoud, en wy zagen niet meer van die bomen voor dat wy by de Kerk vanRakoonkwamen. In alle de delen vanPensylvaniedaar ik geweest ben, heb ik weinig Dennebomen gevonden; in tegendeel zyn ze menigvuldig inNew Jersey, en vooral in het beneden deel van dat Landschap. Vervolgens zagen wy den gantschen dag geen ander geboomte dan dat zyn blad laat vallen; meest Eiken van verscheiden’ soorten en grote hoogte; dog zy stonden overal zo ver van malkander dat ’er een rytuig tusschen door kon ryden, zynde daar weinig of gene struiken die het verhinderen konden. De bladeren bedekten thans den grond ter hoogte van ene hand breedte, het welk de bovenste zwarte aarde moet doen toenemen. Op vele plaatsen stroomden kleine beekjes. Het land was gemeenlyk vlak, dog maakte hierendaar enen langzaam opgaanden heuvel. Grote bergen vertoonden zig niet, en op sommige plaatsen vonden wy enige stenen, die niet groter dan een vuist waren. Men zag enige huizen verspreid staan, en op ene plaats alleen lag een klein dorp. Het land was meer met hout bedekt dan bebouwd, en wy waren meest altyd in een bosch.[144]
Riviertjes.
Dien dag en de volgenden trokken wy verscheiden zogenaamdeKillsof kleine riviertjes over, die langzaam naar deDellawareuit het land henen vloeiden. Als het ty in deDellawareopkwam, zwollen deze stroompjes ook een eind wegs. Voorheen moeten zy by den vloed veel breder geweest zyn, dog tegenwoordig worden zy door dyken belet de naburige weiden te overstromen. Langs alle de rivieren waren hier dyken gelegd, zo dat het water by den vloed hoger was dan het land. In de dyken waren schutdeuren, waardoor men het water uit- en inlaten kon. Zy lagen somtyds aan den buitenkant van den dyk, zo dat het binnenwater hoger zynde ze open drong, en het buiten water ze toesloot.
Dien avond namen wy onzen intrek by enenZweed, genoemdPeter Rambo.
Pynbomen.
De Pynbomen die wy dezen dag gezien hadden, waren van dat soort dat dubbelde bladeren en langwerpige zaadhuisjes of pynappelen, met schubben gedekt, draagt.144DeEngelschennoemen ze onderscheidshalvenDennen van New Jersey. Gemeenlyk zitten ’er maar twee bladen of prikkels in ene schede, gelyk by deZweedschen. Dog uit sommige scheden kwamen ’er drie. De zaadhuisjes hadden lange stekels, zo dat ze kwalyk aanteraken waren. In de verte zien ’er anders deze Dennen juist zo uit als onzeZweedschen. Uit dezelven werd zeer veel teer gebrand, waarvan ik hierna breder spreken zal. Zy deugen voor niets anders, als allen te klein zynde. Als men ze voor palen in de aarde gebruikt, vergaan zy binnen kort. Zo dra zy geveld worden komen ’er wormen in. Men gebruikt ze egter om te branden in plaatsen daar men geen ander hout krygen kan. Ook maakte men ’er hier en daar smidskolen van, gelyk ik in ’t vervolg verhalen zal. Dog ’er is nog iets byzonders omtrent deze bomen aantemerken, het welk nevens my vele menschen bevonden hebben. In de grote hette des zomers zoekt het vee hun lommer veel meer dan dat van den Eik, of andere bomen, wier blad zeer dik is, en als het de laatsten onder de Dennen gemengd vindt, gaat het altyd onder de Dennen staan, schoon ’er ene betere lommer onder de anderen is; en wanneer ’er maar een enkelde van deze bomen te vinden is, loopt ’er zo veel vee onder als ’er onder staan kan. Sommigen wilden hieruit opmaken dat de harstagtige uitwaassemingen van den Denneboom voordelig voor het vee zyn, en het meer genegen maken om onder dezelven dan onder andere bomen te staan.
Lepelboom ofKalmia.
DeLepelboom145komt noit tot ene grote hoogte. Wy zagen[145]hem dezen dag op verscheiden’ plaatsen. DeZwedengaven hem dezen naam, omdat deWilden, die hier voorheen woonden gewoon waren hunne lepels en spanen van dit hout te maken. Ik heb zulk een lepel in myn Kabinet, gemaakt uit dit hout door enenAmerikaan, die op de zelve plaats waar nuPhiladelphiastaat verscheiden herten gedood heeft, want in dien tyd was die plaats geheel bedekt met bomen en kreupelhout. DeEngelschennoemen dezen boomLaurel, om dat zyne bladen zeer veel naar die van denLaurocerasusgelyken. De RidderLinnæusheeft, volgens zyne byzondere vriendschap jegens my, de goedheid gehad, hem den naam te geven van debreedbladerigenKalmia.146Deze boom tiert het best tegens de heuvels, vooral aan de noordzyde als ’er een beekje langs loopt; om die reden kan men staat makenKalmiaste vinden wanneer men op ene steile plaats komt waar een beekje omtrent loopt. Maar hy staat veeltyds vermengd onder de beuken. Hoe hoger deKalmiategens het noorden op den heuvel staat te minder groeit zy. Ik heb ze niet alleen inPensylvanieenNew Jersey, maar ook, dog schaarsch, inNew Yorkgezien. Ik vond ze noit noordelyker dan 42.gr. N.schoon ik ’er zeer oplettede of zy ’er ook waren. Deze boom behoudt zyne fraye groene bladeren den winter over; zo dat, wanneer de andere bomen al hun sieraad kwyt zyn, zy de bosschen met hun groen opluisteren. Omtrent Mai begint hy hier te bloeyen, en dan betwist hy den rang van schoonheid aan alle de bekende bomen. De bloemen zyn ontelbaar, en zitten aan grote trossen. Voor dat zy opengaan hebben zy een schoon rood; maar naderhand verbleekt ze de zon, zo dat zy geheel wit worden. Sommigen hebben ene rozekleur. Haar gedaante is zonderling, want zy gelyken veel naar een kroes der Ouden. Dog de reuk is zo aangenaam niet. Op sommige plaatsen was men gewoon op kersmis en nieuwjaarsdag de kerken met de takken van dezen boom, die dan geheel groen zyn, opteschikken.
Vergiftig.
Dog deze boom heeft ene andere eigenschap. Zyne bladen zyn een vergift voor sommige, en een voedsel voor andere dieren. De ondervinding heeft geleerd, dat, als de schapen ’er van eten, zy of ten eersten sterven, of zeer ziek worden, en ’er bezwaarlyk van opkomen. De jonge en tedere schapen sterven van ene kleine hoeveelheid, dog die wat ouder zyn kunnen wat meer verdragen. Egter is dit voedsel hun dodelyk, wanneer zy ’er wat veel van eten. Het zelve heeft plaats omtrent de kalveren, die ’er ook van sterven, of ten minsten bezwaarlyk ’er afkomen. Het heugt my dat in denherfstvan 1748. sommige kalveren van die bladen gegeten hadden, zeer ziek wierden, opzwollen, schuim op[146]den mond kregen, en ’t nauwlyks op de benen houden konden. Men reddede ze egter door ’t ingeven van buskruid en andere middelen. De schapen zyn het meest aan ’t gevaar bloot gesteld van door deze bladeren in bekoring gebragt te worden in den winter, want, na lang op stal gehouden te zyn geweest, zyn zy gretig naar alle groen, vooral als de sneuw nog op het veld legt. Paarden en Ossen bekomt dit blad ook zeer kwalyk, en schoon ’er noit een van gestorven is, gelooft men egter in ’t gemeen dat indien zy ’er wat veel van aten zy ’er ook van sterven zouden, want men heeft opgemerkt, dat als zy ’er maar ene geringe hoeveelheid van aten zy ’er voor lyden moesten. Daarentegen zyn deze bladeren een voedsel in den winter voor de Herten, wanneer het veld onder de sneuw legt, en zy niets anders vinden kunnen. Wanneer men ze dan schiet is hun gedarmte met dit blad opgevuld, en het is iets wonderlyks dat, als men die ingewanden den honden geeft, dezelven daar wild en als dronken van worden, en somtyds ook zo ziek dat het schynt dat zy ’er van zullen sterven. Dog de menschen hebben geen ongemak van het eten van het vleesch van zulke herten. Ook zyn deze bladeren in den winter een voedsel voor zekeren vogel, dien deZwedeninNoord AmerikaHazelhoengenoemd hebben, die hier den winter over blyft. Als men dan ’er een van schiet, vindt men den krop vol van deze bladeren.
Het hout.
Het hout van deKalmiais zeer hard, en daarom gebruikt men het om assen in katrolblokken te maken; dog vooral dient het voor weversspoelen, waartoe de wevers geen hout hieromstreeks beter houden, want het is vast, laat zig ligt glad maken en springt niet. De schrynwerkers en drayers maken ’er ook allerlei werk van, waartoe men anders gewoon is het beste soort van hout te gebruiken. Byzonderlyk neemt men daartoe den wortel, dewyl die doorgaans geel is. Het hout is zo fyn en hard als men ’t zou kunnen wenschen. Uit het middelpunt lopen verscheiden stralen uit, dog wat ver van malkander. Als men het loof in ’t vuur smyt, spat het als of men ’er zout in gegoid had. Men gebruikt des winters de takken met de bladeren daaraan om de schoorstenen te vegen. In ’t jaar 1750. werden de meeste bomen inPensylvanievan zekere rupsen kaal geschoren, dog dezen waagden zig niet op deKalmia. Enige lieden beweerden dar als ’er des zomers brand in een bosch ontstond, het vuur zig door dezen boom liet stuiten.
Mais.
Zo wel deZwedenals de andere Inwoonders planten zeer veelMais, niet alleen voor zig maar ook voor hun vee. Men beweerde dat ’er geen beter voer voor de varkens was, om dat zy ’er zeer vet van wierden, en hun vleesch ’er enen beteren smaak door kreeg als van enig ander voedsel. Ik heb derKoninglyke Zweedsche Maatschappye[147]der Wetenschappentwee Vertogen over dit soort van graan gegeven, die in hare Verhandelingen te vinden zyn.147
De wielen der karren die men hier gebruikt bestaan uit twee soorten van hout. Tot de velgen neemt men den Spaanschen, en tot de speken den Witten Eik.
Sassafras.
DeSassafrasboomwies hier overal. DeZwedennoemen hem hierSaltenbras, ofSalsenfras. Als men wat van dit hout in ’t vuur werpt, springt het even als of ’er zout in lag. Men gebruikt het voor palen aan de tuinen, want het duurt lang in de aarde. Anders denkt men dat ’er nauwlyks een hout te vinden is, dat in de blote lugt zo zeer van de wormen wordt aangegrepen, als dit, want zy vreten het in korten tyd door en door. DeZwedenzeiden dat deWilden, die voorheen hier woonden, ’er schalen van maakten. Als men iets van den boom, of deszelfs jonge scheuten, afsnydt, en het onder den neus houdt, heeft het enen sterken dog aangenamen reuk. Sommigen schillen den wortel, en brouwen de schil in hun bier, om dat zy denken dat dit zeer gezond is. Men legt de schil ook in brandewyn, of terwyl men hem nog bezig is over te halen, of naderhand als hy al klaar is, insgelyks voor de gezondheid.
Goed tegens de waterzugt.
Een oudeZweedherinnerde zig nog dat zyne Moeder verscheiden’ menschen van de waterzugt genezen had, door middel van een afkooksel van den Sassafraswortel in water, elken morgen genomen, dog te gelyk kopte zy den lyder op de voeten.
Gebruikt tegens de weegluizen.
Wanneer men een stuk lands met hout bewassen bebouwen wil, laat men ’er gemeenlyk de Sassafrasbomen op, om dat zy sterk in de bladen zyn, en in de zware hette het vee lommer verschaffen. VeleZwedenwaschten met een afkooksel van de schil des wortels van den Sassafras het vaatwerk uit, waarin zy Cyder, bier, of brandewyn brouwen wilden, om dat zy zig verbeeldden dat daardoor de dranken gezonder wierden. Sommigen hadden de posten hunner bedden van die hout laten maken om de weegluizen te verdryven, het welk zy meenden dat door zynen sterken reuk dat ongedierte hinderen zou daarin te nestelen. Zo lang ook dat hout zynen sterken reuk behoudt had men ’er ene goede uitwerking van bespeurd, dog naderhand kon men niet merken dat het veel hielp. EnigeEngelschenverhaalden dat het enige jaren geleden teLondenin ’t gebruik was geweest de bloemen van den Sassafras als thee te drinken, om dat men het voor zeer gezond hield. Dog toen men begon te bedenken dat deze drank veel tegens deVenusziektegebruikt wierd, schafte men het af, uit vrees van kwade verdenking. InPensylvanieplagten enige menschen de spaanders van[148]dit hout in de kasten te leggen, om de motten uit het wollen goed te houden. De wortel behoudt langen tyd zynen reuk. Ik heb ’er enen gezien die wel vyf of zes jaar in ene lade gelegen had en nog zeer sterk rook.
Rambo, deZweed, vertelde dat deWildenvoorheen allerlei leder met den bast van den kastenjen eik rood plagten te verwen. En enige oude lieden bragten zig te binnen dat hier in ’t jaar 1697. een zo harde winter geweest was, dat het ys in deDellawaretwee voeten dikte had gehad.
Digt en zwaar Gras.
Aoke Helmwas een der voornaamsteZwedenin dezen oord, wiens Vader met denZweedschenGouverneurPrinzherwaards gekomen was. Hy was over de zeventig jaar oud. Deze oude man verhaalde ons dat in zyne kindschheid in de bosschen een zeer digt gras plegt te wassen, wel twee voeten hoog, dog dat het thans zo verminderd was, dat het vee werk had genoeg te vinden, en dat tegenwoordig vier koeyen niet meer melk gaven dan toen ene, dog de oorzaken van deze verandering zyn ligt te vinden. In de jeugd van den oudenHelmwas het land weinig bebouwd, en men hield ’er nauwlyks het tiende deel van het vee dat men ’er nu houdt, dus had ene koe toen zo veelDuur maar een jaar.voedsel als nu tien. Verders, het meeste gras duurt hier maar een jaar, en wast niet, gelyk by ons inZwedenhet meeste doet, verscheiden jaren voort uit enen den zelven wortel. Dus moet men ieder jaar op nieuws gras zayen. Het groot getal van beesten nu verhindertGebrek.het voortzayen dewyl zy het gras afeten eer het bloeyen kan. Dus moet men zig niet verwonderen dat het gras tegenwoordig zo dun staat. Dit maakt dat men, vooral des winters, op reis verlegen genoeg is met zyne paarden, en dat zo wel inPensylvanieenMarylandals inNew Jersey, want het gras is daar gantsch niet overvloedig aan te treffen, dewyl het door het vee afgeschoren wordt eer het zaad schiet. Maar verder noordwaards, als inKanada, heeft men soorten van overblyvend gras genoeg. Zo wyslyk heeft het de Schepper geschikt. Alle de koude gewesten moesten natuurlyk een duurzaam gras voortbrengen, dewyl de Inwoonders, wegens den langdurigen winter, meer hoi voor hun vee behoefden. De zuidelyke landschappen daarentegen hebben minder van dat soort van gras, vermits het vee den gehelen winter over in het veld blyven kan. Egter hebben vele voorzigtige liedenEuropischduurzaam graszaad op hunne weilanden gestroid, het welk daar zeer wel scheen te slagen.
Mispelbomen.
DePersimon, of de by deZwedenzogenaamdeMispelboom148wies hier vry algemeen. Ik heb ’er reeds van gesproken, nogthans zal ik ’er[149]iets byvoegen. Zyne vrugten begonnen thans ryp te worden, en eetbaar te zyn. Men at ze nu gelyk ander ooft. Zy zyn zeer zoet en sappig, dog een weinig t’zamentrekkend. Ik at ’er gemeenlyk zeerMispelbier.veel van zonder nadeel. Men brouwt van de Mispelen een aangenaam bier, op deze wys. Laat in den herfst, als de vrugt reeds door de vorst aangedaan is, kneedt men de vrugt in een deeg van weit of ander meel, maakt ’er koekjes van, zet ze in den oven, tot dat ze door en door gebakken en droog zyn. Dan neemt men ze ’er uit. Als men nu aan ’t brouwen gaan zal, zet men enen pot op ’t vuur vol koud water, en legt ’er enige koekjes in. Het water warm wordende gaan deze koekjes van een. Men neemt het dan van ’t vuur, roert het wakker om, zo dat het alles wel door een gemengd wordt. Dan giet men het alles in een ketel. Dus gaat men voort tot dat men koeken genoeg week gemaakt heeft. Dan doet men het mout in den brouwketel, en behandelt het gelyk als bier. Dit bier wordt voor aangenamer gehouden dan meest alle anderen. Men maakt ook brandewyn van de mispelen. Dit geschiedt aldus. Men doet ’er ene genoegzame menigte van in een ketel, en laat ze daar ene week in, of iets langer, tot dat ze door en door zagt zyn. Dan giet men ’er water op, en dan moeten zy van zelven gisten, zonder dat men ’er iets by doet. Vervolgens stookt men ’er op de gewone manier brandewyn van, die gezegd wordt zeer goed te zyn, vooral als men onder de mispelen enige zoete wilde druiven doet. Enige mispelen zyn reeds op het einde van September ryp, dog de meesten later, en velen niet voor November of December, wanneer de vorst ze aandoen kan. Het hout van dezen boom is goed voor allerlei schrynwerk. Dog, als het geveld zynde in de vrye lugt blyft leggen, is het een van de eerste houten die rotten, en in een jaar tyds deugt ’er niets meer van. Als de Mispelboom eens geworteld heeft, kan men hem bezwaarlyk uitroeyen, dewyl zy zig te veel verspreiden. Men zeide my, dat als men een tak afsneed en in de aarde stak, hy wortel schoot. Dog in zeer harde winters vriezen deze bomen dikwyls dood, en kunnen, zo wel als de Persikeboom, niet zeer tegens de koude.
Kawoerden.
Vele soorten vanKawoerdenenMeloenenworden hier geteeld, zynde gedeeltelyk reeds by de oudeAmerikanenbekend geweest, gedeeltelykMeloenen.door deEuropeanenovergebragt. Van de Kawoerden had men een soort dat aan het einde krom is, dog anders langwerpig, en dus wierden zyCrocknacksofKromhalzengenoemd. Men kan ze byna den gehelen winter over goed houden. Nog zyn ’er zekere andere Kawoerden die ook goed blyven. Anderen wederom worden aan stukken gesneden, aan draden geregen, en te drogen gehangen.Men kookt of stooft ze daarna, zo als men wil; en zy kunnen het gehele jaar over[150]duren. Men eet en bereidt hier allerhande soorten van Kawoerden, gelyk by ons. Vele landlieden hebben ’er gehele velden van.
Squashes.
DeSquasheszyn een soort van kawoerden, dat deEuropeanenvan de Inlanders gekregen hebben, en waarvan ik reeds gesproken heb. Men eet ze gekookt, alleen of by vleesch. Zy vereischen weinig zorg, want zy slagen in allerlei gronden. Als men het zaad in den herfst in de aarde brengt draagt het vrugt in de volgende lente.
Kalabassen.
DeKalabassenzyn ook een soort van Kawoerden, die veel geplant dog niet gegeten worden. Men maakt ’er allerhande keukengereedschap van. Zy zyn tederder dan deSquashes, en worden hier niet altyd ryp, dog alleen by warm weder. Om ’er keukengereedschap van te maken, worden zy eerst wel gedroogd, het zaad en de vleeschige stof, waarin het legt, neemt men ’er uit, en smyt het weg. De schillen worden van binnen schoon geschraapt; en dan maakt men ’er allerlei lepels, schotels, en andere dingen van om eetwaren in te bewaren. Byzonder zyn zy goed om zaden en planten ’er in over zee te verzenden, want die behouden hunne vrugtbare kragt veel langer inKalabassendan anders. Sommigen plegen de buitenste schillen derKalabassen, voor dat zy ze openen, af te schrapen, daarna te drogen, en dan van binnen schoon te maken; dit maakt ze zo hard als been. Men kan ze ook afwasschen, zo dat zy hare witte kleur altyd behouden.
Boekweit.
De meeste Landlieden in dezen oord zayen Boekweit. Dit geschiedt in ’t midden van Juli, want later gezaid zoude zy door de vorst bedorven worden; en als men ze vroeger zait bloeit zy den gehelen zomer over, dog de bloemen vallen af zonder zaad te geven. Sommigen ploegen den grond twee malen waar zy Boekweit zayen willen, dog anderen maar eens, omtrent ene week voor dat ze zayen. Zodra men gezaid heeft, wordt het landgeëgd. Men heeft ondervonden dat in een nat jaar de Boekweit wel voortkomt. Zy blyft op het veld tot dat het begint te vriezen. Als de oogst goed is, krygt men twintig, dertig, ja veertig voor een. Zulken oogst had deZweedscheKosterRagnilson, in wiens huis wy thans ons verblyf hadden. Men maakt ’er koeken en puddings van. De koeken worden gemeenlyk des morgens in de pan op een steen gebakken, geboterd, en by de thee of koffy, in stede van geroost en geboterd brood, gelyk anders deEngelschendoen, gegeten. De vogels met Boekweit gevoed leggen meer eyeren. Ook worden ’er de varkens zeer vet van. Het stroo gebruikt men niet, maar laat het op het veld, of stroit het in de boomgaarden, om als een soort van mist te dienen, wanneer het rot. Geen dier wil ’er van eten ten zy in den uitersten nood, als het veld met sneuw bedekt, en niets anders te vinden is. Hoe gemeen de Boekweit in deEngelscheVolkplantingen ook is, hebben ’er egter deFranscheninKanadagene regte kennis aan.[151]
Ligtende wormen.
Wy vonden, den 23. Nov. tegens den avond enige ligt gevende wormen. Hun lichaam was lynregt, bestaande uit elf geledingen, een weinig puntig van voren en van agteren. De lengte van den kop tot den staart was vyf en ene halve meetkundige lyn. De kleur was bruin, en de geledingen als die derOnisci. De sprieten waren kort en regt. De zes voeten zaten aan de voorste geledingen. Als de worm liep liet hy het agterste deel op den grond slepen, en dit hielp zyne beweging. Het uiterste van den staart bevatte de stof die in ’t donker een groenagtig ligt geeft. De worm konde ze intrekken, zo dat hy geen ligt gave. Schoon het den gantschen dag sterk geregend had, kropen zy in menigte onder het kreupelhout, zo dat de grond als met starren bezaid scheen. In ’t vervolg zal ik gelegenheid hebben van een ander soort van gekorven gedierte of vlieg te spreken, die door de lugt vliegende by nagt als vuurvonken ligt geeft. Zoude wel deze ligtende wormen ene verscheidenheid wezen van deLampyris NoctilucavanLinnæus?
Ilex Aquifolium.
HetIlex Aquifoliumwies op waterige plaatsen hier en daar in ’t woud. Men moest dit gewas onder de zeldzamen rekenen. Het blad blyft zomer en winter groen. DeZwedendrogen de bladeren, maken ze tot poeder, koken ze in dun bier, en gebruiken ze in ’t zydewee.
Verwstoffen.
Men verwt hier rood metBraziliehouten met een soort van boommos, en blauw metIndigo. Om zwart te verwen plukt men de bladen van de wilde zuring149en kookt ze met de stof, welke dan gedroogd en op nieuws metCampechehouten koperrood gekookt wordt. Dit zwart is zeer bestendig. Men spint en weeft zelf hier veel van de dagelyksche klederen, en verwt die in huis. Het vlas wordt van velen gebouwd, en slaagt wel. Dog de hennip gebruikt men weinig.
Sikkels en Seissen.
De Rogge, de Weit, en de Boekweit worden met den sikkel gemaid, dog de Haver met de seis. De sikkels, die men hier gebruikt, zyn lang en smal, en het scherpe is met kleine tandtjes van binnen bezet. De landen blyven een jaar braak leggen, en gedurende dien tyd weidt er het vee op.
Zelfs de niet veel vermogende landlieden in dezen oord hebben hunnen boomgaard, min of meer groot volgens hunnen rykdom. De bomen zyn gemeenlyk Persike-,Appel-en Kerssebomen.
Vervolg van de Reis.
Wy verlieten deze plaats den 24. Nov. een weinig voor den middag, en vervolgden onze reis, deZweedscheKerk teRakoonvoorby, naarPeils groves. Het land aan beide zyden van den weg is zandig en tamelyk vlak. Hier en daar ziet men, dog niet dikwyls, enige Landhoeven. Daar waren grote streken nog enkeld bosch, meest uit verscheiden soorten van Eiken en uit Hikorybomen bestaande. Egter kon men[152]in deze bosschen zeer wel voortkomen, zelfs met een rytuig, want men vond ’er weinig laag hout en stenen in. Dog hier en daar lagen enige bomen, ’t zy door storm geveld, of uit ouderdom omgevallen, die enige verhindering maakten.
Waarnemingen omtrent het toenemen van het land.
Gedurende myn verblyf teRakoon, nu en den gehelen volgenden winter, deed ik myn best om van de oudeZwedenalle mogelyke onderrigting te krygen, aangaande het toenemen van het land, en ’t verminderen van het water in deze oorden. Ik zal hier gewagen wat onderrigtingen ik kreeg. Ik geef ze zo als ik ze ontvangen heb, met maar weinige aanmerkingen; dus kan de Lezer daaruit zulke gevolgen trekken als hy wil.
EenZweed,Kinggenoemd, meer dan vyftig jaren oud, hield zig voor overtuigd, dat, omtrent dezen tyd, de kleine meertjes, poelen, bronnen en rivieren minder water hadden dan toen hy een jonge was. Hy kon verscheiden meren noemen, die men in zyne jeugd met grote schuiten bevoer, en zelfs in ’t heetste van den zomer water genoeg hadden, dog nu of geheel of voor het grootste gedeelte droog waren, en die ten minsten des zomers geen water meer hadden. Hy zelf had by gebrek van water den visch zien sterven; en het scheen hem toe dat het tegenwoordig des zomers zo veel niet regende als voorheen. Een man van zyne bloedvrienden, die omtrent agt mylen van deDellawareaf, op enen heuvel by een riviertje woonde, had enen put doen graven, en op de diepte van veertig voet ene menigte van oester en mosselschelpen, van riet, en stukken van gebrokene takken gevonden. Ik vroeg hoe zy dagten dat dit alles daar gekomen was, en het antwoord was, dat sommigen meenden dat alles daar reeds van den zondvloed af zo gelegen had, en anderen dat het land toenam.
Peter Rambo, een man van digt by de zestig jaar, verzekerde my dat op verscheiden’ plaatsen teRakoon, waar men putten, of met een ander inzigt diep in den grond, gegraven had, men ene menigte van mosselschelpen en andere voortbrengsels van de zee had gevonden. Somtyds had men stukken houts ontmoet ter diepte van twintig voet, waarvan sommigen versteend waren, en anderen ’er uitzagen als verbrand. Op die diepte vond men eens ene grote lepel. Zoude het verbrande hout niet zwart geworden zyn door onderaardsche minerale dampen? Dog velen hebben ’er uit opgemaakt, datAmerikareeds voor den Zondvloed bewoond was. Dezelve man verhaalde my verders, dat men ook ticchelstenen diep in den grond gevonden had. Maar zoude niet de steenkleurige klei, waaruit de grond hier grotendeels bestaat, hard zynde, voor ticchelstenen zyn aangezien? Ik heb horen zeggen dat die klei, hard zynde, veel naar gebakken steen gelykt. Hy zeide ook, dat de rivieren nog even zo hoog waren als men wist dat zy[153]oit waren geweest; maar in de kleine meertjes, in poelen en vyvers was merkelyk minder water.
Maons Keen, een andereZweedvan meer dan zeventig jaar, verzekerde, dat, by het graven van enen put, hy, op de diepte van veertig voet, een groot stuk kastanjenhout, en wortels en stelen van riet gezien had, nevens ene kleiagtige aarde, gelyk die welke men gemeenlyk aan het strand van zeeboezems vindt, daar men zout water heeft. Deze klei had den zelven reuk en enen zoutagtigen smaak. Hy en verscheiden’ anderen maakten daaruit op, dat al het land waarRakoonenPenns-neckleggen van ouds geheel door de zee bedekt was. Ook was ’er op ene grote diepte ene spaan, gelyk die derWilden, gevonden.
Sven LockenWillem Cobb, beiden meer dan vyftig jaar oud, kwamen daarin volkomen overeen, dat men op vele plaatsen hieromstreeks by het graven naar wellen zeer veel riet, het meest verrot, gevonden had ter diepte van dertig en meer voeten. En ’t werkvolk vanCobbzelven was in ’t graven ter diepte van twintig voet op enen dikken tak gekomen, die hen belet had voorttegaan, tot dat men hem doorgehakt had. Het hout was zeer hard. Ook is het zeer gemeen van niet diep in den grond ene menigte te vinden van niet geheel verrotte bladen van allerlei soort. By het maken van enen molendyk, enige jaren geleden, op de rivier waarby de kerk vanRakoonstaat, en het doorgraven ten dien einde van ene bank, vond men dat die meest uit oesterschalen bestond, schoon men hier meer dan honderdentwintigEng.mylen van zee is. Zy, nevens alle de Inwoonders vanRakoon, besloten hieruit, zonder dat men het hun in ’t hoofd gebragt had, dat deze landstreek in oude tyden door de zee bedekt was geweest. Ook verzekerden zy, dat vele kleine meertjes, die in hunne jeugd, zelfs in den zomer, vol waters waren, nu des zomers nauwlyks een beekje uitmaakten, uitgenomen by harde regenvlagen; dog zy vonden niet dat de rivieren van water verminderd waren.
Aoke Helm, een gryzaard van zeventig jaar, vond by ’t graven van enen put eerst zand en kleine stenen, en dat ter diepte van agt voeten, daarna ene bleke en vervolgens ene zwarte klei. Op vyftien voeten vond hy een stuk hard hout, en verscheiden stukken van vuurstenen. Hy verhaalde dat hy verscheiden’ plaatsen in deDellawarekende daar men in zyn jeugd met schuiten voer, en die nu in kleine Eilandtjes veranderd waren, waarvan er sommigen byna eneEng.myl lengte hadden. Deze Eilandtjes ontstaan uit zandbanken die zig in den stroom vastzetten, waarop vervolgens het water enige klei aanspoelt, in de welke biezen beginnen te groeyen, en dus wordt het allengskens tot land.
By ene zamenkomst van de oudsteZwedenuit het kerspel vanRakoon, kreeg ik het volgende antwoord op de vragen die ik aangaande[154]deze zaak deed. Waar men hier ook putten graaft vindt mem overal ter diepte van twintig of dertig voet vele oesterschelpen enClams. Op vele plaatsen heeft men by ’t graven ene menigte gevonden van biezen en riet, meest alles onbeschadigd. Eens heeft men enen gehelen bondel van vlas ontmoet wel tusschen de twintig en drieentwintig voet onder den grond. Het was al zo weinig beschadigd als of het eerst onlangs onder de aarde was geraakt. Alle de menschen stonden verwonderd, kunnende niemant begrypen hoe het daar gekomen was. Dog ik verbeelde my dat die goede lieden de ene of de andereAmerikaanscheplant, als het wildeVirginischevlas150of hetAntirrhinum Canadense, dat veel naar vlas gelykt, voor vlas aanzagen; en het was ook opmerkelyk dat die bondel omwonden zou geweest zyn. DeEuropersop hunne aankomst vonden nergens vlas inAmerika. Hoe kon ’er dan een bondel van onder de aarde komen? Gebrande kolen heeft men dikwyls in den grond gevonden. De koster,Erik Ragnilsson, had ’er velen van gezien. Ook heeft men dikwyls ter diepte van boven de twintig voeten takken en blokken houts ontmoet. Op sommige plaatsen had men spanen by deWildenin gebruik uitgegraven. En uit dit alles maakten zy op, dat deze landstreek voorheen zee geweest was. Dog men moet hierby opmerken, dat meest alle die putten op plaatsen gegraven wierden daar ene nieuwe plantery wierd aangelegd, waar men het hout eerst had weggehakt, dat ’er misschien verscheiden’ euwen gestaan had. Uit alle deze aanmerkingen, en nog anderen, die ik in ’t vervolg ’er byvoegen zal, kan men opmaken, dat een groot deel vanNew Jerseyin overoude tyden een gedeelte was van den bodem der zee, en naderhand voortgebragt is geworden door de modder, slik en andere stoffen, die deDellawaremet zig gevoerd heeft. Evenwel maakt het uitstek byKaap May, waarvan in ’t vervolg, deze zaak nog meer of min nog twyffelagtig.
Planten die altyd groen blyven.
De gewassen die hier zomer en winter hun blad houden zyn.
DeIlex Aquifolium, of Hulst.
DeKalmia Latifolia, de breedbladerigeKalmia.
DeKalmia angustifolia, de smalbladerigeKalmia, een soort van den eersten.
DeMagnolia glauca, de Beverboom. De jonge planten van dezen boom alleen behouden des winters haar blad, en de ouden niet.
HetViscum album, het gemene Mistelboompje, wassende gemeenlyk op deNyssa aquatica, deLiquidambar styraciflua, den Eik en de Linde, zo dat de toppen dier bomen ’er des winters gantsch groen van schynen.[155]
DeMyrica ceriferaof de Talkboom. Dog van dezen behouden maar enige jonge bomen hun loof, de meesten laten het vallen.
De Sparreboom.151
De Denneboom.152
DeCupressus thyoides, of de witte Jenever, anders de witte Ceder.
DeJuniperus Virginiana, de Rode Jenever, of Ceder.
Verscheiden’ Eiken en andere bomen laten hier in den winter hun blad vallen, die wat zuidelyker, gelyk inKarolina, het gantsche jaar door groen blyven.
Hetuitvallen dertanden inAmerika.
Men heeft opgemerkt dat deEuropeaneninNoord Amerika, het zy zy inZweden, inEngeland, inDuitschland, of inHolland, of zelfs inAmerikavanEuropeaanscheouders geboren zyn, hunne tanden veel vroeger kwyt raken dan in andere landen; byzonderlyk had dit plaats omtrent de Vrouwen. Men zag dikwyls meisjes van twintig jaar, die reeds de helft van hare tanden verloren hadden, zonder hoop te hebben nieuwen te zullen krygen. Ik heb naar de oorzaak hiervan gezogt, dog ik weet niet of ik de ware gevonden heb. Velen waren van mening dat de lugt hier te lande nadelig was voor de tanden, en dit is zeker dat het weder nergens onbestendiger wezen kan; want een zeer hete dag eindigt dikwyls met ene scherpe koude, en zo ook omgekeerd. Dog deze veranderlykheid kan het uitvallen der tanden niet veroorzaken, dewylDog niet by deWilden.dit by deWildengene plaats heeft, die, schoon zy in de zelve lugt leven, altyd witte en schone tanden behouden, gelyk ik zelf gezien, en ook van vele anderen gehoord heb. Daar zyn ’er die dit aan ’t onmatig gebruik van vrugten en zoetigheden toeschryven; dog ik heb vele menschen gekend die hierin geen overdaad begingen, en evenwel hunne tanden kwyt raakten.
Of dit komt van het thee drinken.
Ik begon het thee drinken, dat hier des morgens en des middags geschiedt, te verdenken, het welk tegenwoordig vooral onder de Vrouwen zo gemeen is, dat ’er nauwlyks zelfs ene Boerin of arme Vrouw is, die des morgens geen thee drinke. En in deze mening wierd ik bevestigd op ene reis, die ik deed in de oordenwaardeWildennog wonen. De Generaal MajorJohnsonverhaalde my toen, dat velen van deWilden, die digt by deEuropeanenwoonden, geleerd hadden thee te drinken, en dat men opgemerkt had dat zulkeAmerikaanscheVrouwlieden, die zig zeer daaraan gewend hadden, even als deEuropischeVrouwen, hare tanden vroeg kwyt raakten, schoon zy ze voorheen gantsch zuiver hadden gehad. Integendeel zulken die gene thee gebruikten behielden hare tanden tot enen hogen ouderdom.[156]
Dog naderhand bevond ik dat het gebruik der thee niet de enige oorzaak van dit verlies der tanden wezen kon. Verscheiden jonge Vrouwspersonen, inEuropageboren, klaagden dat zy hare meeste tanden waren kwytgeraakt zodra zy inAmerikagekomen waren. Ik vroeg, of zy niet dagten dat dit van het menigvuldig thee drinken kwam, dewyl men weet, dat sterke thee de tanden als opvreet; dog zy antwoordden dat zy reeds begonnen hadden hare tanden te verliezen voor dat zy nog thee gedronken hadden. Maar myn onderzoek voortzettende, vond ik ten laatsten ene genoegzame oorzaak van dit uitvallen der tanden. AlleVan het warm eten.deze Vrouwen bekenden dat zy zeer gesteld waren om alles zo warm te eten als het maar mogelyk was. Dit was even het zelve met de andere Vrouwen in het land, die hare tanden veel vroeger verliezen dan de Mans. Zy drinken veel meer thee des morgens en des namiddags dan de Mans, wier bezigheden hun den tyd niet laten van lang aan de theetafel te zitten. Behalven dat, deEngelscheMans geven weinig om thee, maar houden meer van een kompunch. Als deEngelscheVrouwen thee drinken gieten zy ze niet in de schoteltjes, maar gebruiken ze zo heet als zy kunnen uit het kopje. DewildeVrouwlieden volgen ze daarin na. Integendeel, dieWilden, wier tanden wit en gaaf zyn, eten of drinken noit iets warm.
Ik vroeg verscheiden van de oudeZwedenof hunne Ouders en Landslieden hier ook hunne tanden zo vroeg verloren hadden, dog zy zeiden van neen.Bengtson, de Kerkeraad vanPhiladelphia, verzekerde my, dat zyn vader op zyn zeventigste jaar persikestenen en noten met zyn tanden kraken kon, en dit zal tegenwoordig niemant hier op die jaren ondernemen. Dit bevestigt het geen ik gezegd heb, want in dien tyd was het gebruik der thee inNoord Amerikaonbekend.
Koortsen.
Gene ziekte is hier gemeender dan die welke deEngelschenFever and aguenoemen, ene koude koorts, die of ene alledaagsche, andere- of derdedaagsche is. Dog het gebeurt dikwyls dat iemant, die ene derdedaagsche koorts gehad heeft, en ze ene week is kwyt geweest, ene alledaagsche in de plaats krygt, en als die weg is, na enigen tyd, weder door ene derdedaagsche wordt aangetast. De koorts begint gemeenlyk op het laatst van Augustus of het begin van September, en duurt den herfst en den winter over tot aan de lente, wanneer zy geheel verdwynt.
De Vreemdelingen worden ’er gemeenlyk het eerste of het twede jaar na hunne aankomst van aangetast, en veel sterker dan de Inboorlingen, zo dat zy ’er somtyds aan sterven. Maar als zy ’er de eerste maal doorkomen, zyn zy ’er gemeenlyk het twede jaar, en somtyds altyd vry van. Men zegt hier in ’t gemeen dat de Vreemdelingen de koorts krygen om zig aan de lugt te gewennen. De Inboorlingen vanEuropischeafkomst hebben op sommigen plaatsen alle jaren een aanval van koorts,[157]dog sommigen zyn ’er spoedig van af, daar anderen zes maanden lang daaraan sukkelen, en enigen zelfs tot hunnen dood toe. DeWildenzyn ’er ook aan onderhevig, dog zo sterk niet als deEuropeanen. Geen ouderdom is ’er van bevryd; waar deze koorts heerscht ziet men ’er gryzaards en kinderen in de wieg, dikwyls niet boven de drie weken oud, van geplaagd. Dezen herfst was zy hier veel sterker dan naar gewoonte. Zy maakt de menschen zo bleek als doden en schrikkelyk zwak, dog laat hun nogthans toe in de tusschentyden hunne bezigheden waartenemen. Het is zonderling, dat ’er alle jaren sommige streken zyn daar de koorts regeert, en anderen daar niemant ’er van weet. Ook zyn ’er plaatsen waar men ’er voorheen niets van plegt te weten, dog daar zy nu gemeender begint te worden. Vele oude lieden verzekerden eenstemmig dat de koorts noit zo hevig en aanhoudend was geweest toen zy kinderen waren als nu. Dog anderen, ook ruim zo oud als de eersten, waren van gedagte, dat de koorts voorheen naar evenredigheid der Inwoonders wel zo algemeen en zo sterk geweest was, dog dat men in dien tyd, toen ’er veel minder menschen waren, en de planteryen zo ver van malkanderen lagen, daar zo veel agt niet op had kunnen nemen; zo dat het waarschynlyk is, dat de uitwerkingen der koorts altyd omtrent gelyk geweest zyn.
Oorzaken.
Het is moeilyk de ware oorzaken dezer ziekte te bepalen; daar schynen ’er verscheiden’ te zyn, en die niet altyd dezelven; somtyds, en ik denk gemeenlyk, lopen ’er verscheiden t’zamen. Ik heb ’er Geneeskundigen over onderhouden, en zie hier wat zy ’er van dagten.
Sommigen meenden dat de gesteldheid van de lugt in dit land oorzaak is van deze koorts, dog de meesten beweren dat zy veroorzaakt wordt door de staande en rottende wateren; en dit schynt de ondervinding te bekragtigen. Want men heeft opgemerkt, dat zulken die in denabuurschapvan moerassen en poelen wonen, of op zulke plaatsen waar men een staand en stinkend water vindt, genoegzaam ieder jaar de koorts krygen, en ’er veel ligter dan anderen van worden aangetast. En dit gebeurt voornaamlyk in een jaargetyde, dat de wateren, door de onmatige hette het meest uitwaassemen, en de lugt met kwade dampen vervullen. Ook is de koorts zeer sterk op alle lage plaatsen, en waar tweemaal in de vierentwintig uren het zeewater met het ty opkomt, en zig met het zoete water vermengt. Des zomers wordt men, over zulke plaatsen reizende, dikwyls gedwongen zyne neusgaten toetehouden, uit hoofde van den stank, dien de vermenging van het zoete met het zoute water voortbrengt. Om deze reden worden de menschen tePenns-neck, en teSaleminNew Jersey, waar de grond de gezegde eigenschappen heeft, jaarlyks veel sterker door de koorts geplaagd, dan die op hoger gronden wonen.[158]Indien iemant wonende op hoge landen, waar men vry is van de koorts, naar de lager landen trekt, kan hy wel staat maken van alle jaren op den gewonen tyd de koorts te krygen zo lang hy daar blyft wonen. Menschen, die de frischste kleur hadden, uit de hoger landen naar de lagere verhuizende, en daar enen tyd lang blyvende vertoeven, hebben alle hunne kleur verloren, en zyn zo bleek geworden als doden. Dit kan egter de enige oorzaak van de koorts niet wezen, want ik ben in lage landen geweest, daar veel staande wateren waren, waar de menschen zeiden zelden van de koorts gekweld te worden; dog deze plaatsen lagen twee of drie graden meer noordwaards.
Anderen waren van gevoelen dat het onvoorzigtig en onmatig eten van vrugten zeer veel de oorzaak was van deze koorts. Dit heeft byzonderlyk plaats omtrent deEuropeanendie eerst overkomen, en nog niet aan de lugt en de vrugten vanAmerikagewend zyn, want zy die hier geboren zyn kunnen ’er meer van verdragen, en zyn egter niet geheel vry van de kwade gevolgen der onmatigheid. Ik heb hierover veleEngelschenenDuitschersuit eigen’ondervindinghoren spreken. Zy bekenden het dikwyls beproefd te hebben, dat als zy eens of tweemaal nugteren van een watermeloen aten zy verzekerd konden wezen van binnen weinige dagen ene koude koorts te hebben. En het is merkwaardig het geen deFranscheninKanadamy vertelden, dat de koortsen daar minder gemeen waren, schoon men daar niet minder watermeloenen gebruikte dan in deEngelscheVolkplantingen, en dat men noit opgemerkt had dat zy koorts veroorzaakten; maar dat wanneer men in ’t hete van den zomer by deIllinoizenkomt, eenAmerikaanschvolk, dat op de zelve breedte metPensylvanieenNew Jerseywoont, zy geen watermeloenen eten konden zonder de aanvallen ener koude koorts te bespeuren, en dat deWildenhen ook waarschuwden van zo gevaarlyk ene vrugt niet te eten. Doet ons dit niet denken dat de groter trap van hette inPensylvanieen het Land derIllinoizen, beiden vyf of zes graden zuidelyker danKanadagelegen, die vrugt gevaarlyker maakt? In deEngelscheVolkplantingen heeft ieder Boer watermeloenen, die men onder ’t hoyen gebruikt, of gedurende het werken in den oogst, wanneer het volk niets in de maag heeft, om zig in de hette te verkoelen, gelyk deze sappige vrugt zeer frisch is. Ook eet men hier in den zomer zeer veel meloenen, komkommers, kawoerden,squashes, moerbezien, appelen, persiken, kerssen, en ander ooft, al het welk ook het zyne doet ter bevordering der koorts.
Dog dat de levenswys hier zeer veel aan toebrengt, kan men besluiten uit de eenparige berigten van oude lieden aangaande de tyden hunner kindschheid, volgens welke berigten de menschen in die tyden aan[159]zo vele ongemakken niet onderhevig en zelden ziek waren. Alle de oudeZwedenverklaarden, dat hunne Landslieden die zig hier het eerst nederzetteden enen hogen ouderdom bereikten, en dat hunne kinderen omtrent tot die zelve jaren kwamen; dog dat de kleinkinderen en de kleinkleinkinderen den ouderdom van hunne voorouders niet hadden bereikt, en zo gezond en sterk op ver na niet geweest waren. Dog deZwedenleefden hier in ’t begin zeer matig. Zy waren te arm om brandewyn enrumte kopen, die zy ook zelven niet stookten. Egter hadden zy somtyds een goed sterk bier. Zy wisten ook genen cyder te maken, die nu zo gemeen in ’t Land is. Koffi, thee, chokolaat, waaruit zelfs nu het Landvolk ten dele zyn ontbyt maakt, waren onbekend. De meesten hadden noit suiker ofpunchgeproefd. De thee, die men nu hier drinkt, is of zeer verlegen, of met allerlei kruiden vermengd, zodat zy nauwlyks meer den naam van thee verdient; gevolgelyk kan zy niet dan ene kwade uitwerking op zulken doen die dezelve in menigte gebruiken; behalven dat zy niet missen kan van de ingewanden te verslappen, daar zy ’s morgens en ’s namiddags byna kokend heet gedronken wordt. DeWilden, afkomelingen van de oorspronglyke bewoonders dezes Lands, verstrekken tot een bewys van het geen ik zegge. ’T is bekend dat hunne voorouders, ten tyde van de aankomst derEuropeanen, zeer oud wierden; ’t was niets vreemds van ’er lieden onder te vinden die boven de honderd jaar waren. Zy leefden sober, en dronken niets dan water. Brandewyn,rum, wyn, en andere sterke dranken waren hun onbekend. Dog sedert dat deChristenenhun die dranken hebben leren drinken, en zy ze zo aangenaam gevonden hebben, bereiken zulken die hunne lusten niet kunnen tegengaan niet de helft van de jaren hunner voorvaderen.
Eindelyk, daar waren ’er die beweerden, dat het uitroeyen van zo vele welruikende planten, waarmede op de aankomst derEuropeanende bosschen vol waren, dog die het vee thans vernield heeft, kon worden aangezien als ene van de grote oorzaken van de voortgangen der koortsen. De menigte dezer bloemen verspreidde alle morgens en avonden enen lieflyken geur in de bosschen. Het is derhalven niet vreemd te denken, dat daardoor de schadelykheid der rottige uitwaassemingen gematigd werd, zo dat zy zo gevaarlyk in dien tyd niet waren.
Middelen daar tegen.
Verscheiden’ geneesmiddelen worden tegens deze kwaal aangewend. DeKinawas voorheen een onfeilbaar middel, dog tegenswoordig doet zy altyd die uitwerking niet, schoon men ze hier voor zuiver en onvervalscht bekomt. Vele lieden beschuldigden dit middel van iets kwaads in het lichaam agter te laten. Dog men heeft gemeenlyk ondervonden, dat als deKinagoed was en terstonds in ’t begin der koorts gebruikt wierd, eer het lichaam verzwakt was, zy de koorts altyd verdreef, zo[160]dat de huiveringen niet weder kwamen, en men gene pynen nog zwaarte in de leden overhield. Maar als de kwaal was ingeworteld en de Lyders sterk verslapt had, of dat zy natuurlyk zwak waren, verliet hen de koorts wel op ’t gebruik der Kina, dog keerde een veertien dagen daarna weder, en dwong hen ze op nieuws te gebruiken; waarvan het gevolg dikwyls was pyn en styfheid in de leden en somtyds in de ingewanden, waardoor zy belet wierden te gaan, welke pyn hun vele jaren bybleef, en dikwyls tot den dood toe. Deze kwade uitwerking wordt gedeeltelyk aan den koortsbast, dien men hier zelden onvervalscht bekomt, en gedeeltelyk aan de onvoorzigtigheid der Lyders onder ’t gebruiken van denzelven toegeschreven. Een van myne kennissen was zeer ervaren in ’t verdryven van de koorts door de Kina, welke hy gaf zodra de koorts zig in ’t lichaam vastgezet had. Dog voor dat hy ze gebruikte nam hy een zweetmiddel, dewyl hy dit zeer heilzaam gevonden had. En gelyk hier de koorts veeltyds van dien aard is dat zy niet doet zweten, zelfs niet in hare hette, moest men door andere middelen de uitwaasseming bevorderen. Ten dien einde nam de Lyder het middel op den dag van de huivering en moest dien avond zonder eten zyn. Den volgenden morgen moest hy in ’t warme bed blyven, veel thee drinken, en wel toegedekt zyn, om sterk te kunnen uitwaassemen. Dus bleef hy tot dat het zweten ophield, verliet dan het bed in ene warme kamer, waschte het lichaam met bloed-lauw water, om het te zuiveren van de vuiligheid door het zweten veroorzaakt, ten einde die de poren niet mogte verstoppen. De Lyder wierd daarop afgeveegd, en nam eindelyk de Kina verscheiden’ malen op den zelven dag in. Dit wierd twee of drie malen herhaald, op de dagen na dat de zieke de koorts gehad had, en zy verliet hem gemeenlyk zonder weder te komen, en zonder dat hy ’er in ’t vervolg bleek van zag.
De schors van den wortel des Tulpebooms153op de wys der Kina genomen heeft somtyds de zelve uitwerking.
Sommige menschen schillen de wortels van den Kornoeljeboom,154en geven de schil den zieken in. Verscheidenen, die door de Kina niet geholpen wierden, zyn door dit middel genezen. Ik heb ook menschen gezien die geholpen waren door zwavel fyn gestampt, met suiker vermengd, alle avonden voor dat zy naar bed gingen, en alle ogtenden voor dat ze opstonden, te gebruiken. Dit deden zy drie of vier malen in den tusschentyd dat zy van de koorts vry waren, en namen ’er telkens wat warmen drank op, om de poeder te doen zakken. Dog sommigen vonden hier geen baat by.
Anderen namen den gelen bast van den persikeboom, byzonderlyk dien van den wortel, en kookten hem in water, tot dat ’er de helft van[161]vervlogen was. Hiervan nam de zieke elken morgen een wynglas vol voor dat hy iets gegeten had. Deze drank heeft enen onaangenamen smaak, en trekt den mond by een gelyk aluin; dog hy had vele menschen teRakoongeholpen, die andere middelen te vergeefs gebruikt hadden.
Weder anderen kookten de bladen derPotentilla reptans, of derPotentilla Canadensis, in water, en dronken ’er van voor dat de huivering aankwam; en het is bekend dat ’er velen door geholpen zyn.
De Bewoonders van den stroomMahawk, zo welAmerikanenalsEuropers, stampen den wortel van hetGeum rivale. Deze poeder wordt van sommigen in water gekookt tot dat het afkooksel vry sterk is; anderen gieten ’er maar koud water op, en laten ’t enen dag over staan; enigen mengen ze met brandewyn. Van dit middel moet de Lyder een glas vol nugteren nemen op zynen vryen dag. Men verzekerde dat dit een der zekerste middelen was, en de Kina overtrof.
Die genen welken digt by de yzermynen woonden betuigden zelden of noit door deze koorts te worden aangetast; dog wanneer zy ze egter hadden, dronken zy het water uit bronnen die uit de yzermynen komen, en enen sterken staalsmaak hebben. Dit middel verzekerden ze my onfeilbaar te zyn. Anderen, die niet digt by zulke bronnen woonden, trokken ’er voor enige dagen naar toe, als zy de koorts hadden, om het water te drinken, dat hen gemeenlyk hielp.
Ik heb boven reeds aangemerkt, dat saly met citroensap zeer heilzaam tegens de koorts bevonden is.
Dog men had opgemerkt dat een middel dat den een hielp dikwyls kragteloos op den ander is.
Borstontstekingen.
Borstontstekingen155zyn ook ene ziekte waardoor men hier dikwyls wordt aangetast. Velen van de oudeZwedenvertelden my dat zy in hunne jeugd ’er weinig van gehoord hadden, dog dat deze ziekte nu zo gemeen was dat zy jaarlyks vele menschen wegsleepte. Maar men heeft opgemerkt dat zy in sommige jaren zo kwaadaardig niet is als in anderen, wanneer zy de meeste Lyders doodt. Ook is zy sterker op de ene dan op de andere plaats.
In den herfst van 1728. sleepte zy vele menschen weg tePenns-neck, ene plaats benedenRakoon, digter aan deDellaware, waar veleZwedenwaren gevestigd. De meestenZwedenstierven ’er van, schoon zy zeer talryk waren. Dit heeft gemaakt dat hunne kleine kinderen, die overbleven, met de kinderen derEngelschenopgroeyende, hunne moedertaal vergeten hebben, zo dat ’er weinigen zyn die nu hetZweedschverstaan. Sedert dien tyd heeft deze ziekte jaarlyks wel enige menschen[162]tePenns-neckom hals geholpen, dog in geen groot getal. Zy scheen, als ware het, te rusten, tot in den herfst van dit jaar 1748. wanneer zy op nieuw ysselyk begon te woeden. Iedere week stierven ’er van zes tot tien oude menschen aan. Het was ene warePleuritis, maar zy had deze byzonderheid, dat zy met ene grote zwelling onder den strot en den hals en met ene belemmerde doorzwelging begon. Sommigen hielden ze voor aanstekend. Enigen verklaarden in goeden ernst dat als zy in ene familie kwam, zy, niet alleen die in ’t zelve huis woonden, maar ook zulken van de familie aangreep die ’er ver van daan hun verblyf hielden. Velen zyn ’er tePenns-neckgeweest, die, zonder dat zy hunne zieke bloedvrienden bezogt hadden, de ziekte gekregen hebben, en ’er aan gestorven zyn. Ik wil de waarheid hiervan niet betwisten, dog vind het gevolg niet gegrond. De ziekte woedde het meest in November. Egter stierven ’er enige oude lieden den volgenden winter aan. Dog de kinderen liepen ’er tamelyk vry van. De Geneeskundigen vonden zig in deze ziekte zeer verlegen.
Oorzaken.
Het is bezwaarlyk de oorzaken van zo geweldige ziektens juist te bepalen. Een oudeEngelscheHeelmeester sprak ’er dus over. Men drinkt hier in den zomer veel punch en andere hete dranken, waardoor het bloed verdikt en de aderen in ’t middenrif156opgezet worden. Tegen ’t einde van October en ’t begin van November wordt het weder veranderlyk, zo dat het op den zelven dag nu heet dan weder koud is. Als de menschen by dit veranderlyke weder veel in de lugt zyn krygen zy dit ongemak. Ook is het zeker dat de lugt het ene jaar ongezonder is dan het andere, het welk van de hette en andere omstandigheden afhangt, en dit doet veel tot deze ziekte. Het is aanmerkelyk dat ’er in ’t jaar 1728. en 1748., toen ’er zo vele menschen tePenns-neckstierven, teRakoonweinig doden waren, schoon beide de plaatsen digt by malkander leggen, en dezelve lugt en grondsgesteldheid hebben. MaarPenn’s necklegt zeer laag, enRakoontamelyk hoog. TePenn’s neckwoont men tusschen poelen en moerassen, waarin het water staat te rotten; het is ’er vol van bomen, die den wind afkeren. Ook wordt het water tePenn’s neckniet voor zo goed gehouden als teRakoon, schoon ’er geen onderscheid is in den smaak. Het wordt daarenboven in sommige kleine stroompjes brakagtig, als deDellawareby den vloed opzet en ’er in komt. Op de oevers van deze stroompjes wonen veleZweden, en gebruiken ’er het water van.
Philadelphia.
Den 3. December 1748. vertrok ik weder naarPhiladelphia, waar ik nog dien avond aankwam.
Wilde druiven.
In de bosschen vindt men overvloed van verscheiden’ soorten van[163]wildeDruiven. Een soort, aanmerkelyk door zyne grootte, wast in de poelen, en wordt zeer gezogt van denRakoon. Deze druif wordt van deEngelschenVossedruif157andersPoeldruif, geheten. Zy zyn niet aangenaam van smaak, en de Inwoonders eten ze zelden, dog wel een klein soort van druif, die op enen drogen grond groeit. Men gebruikt ze in den herfst rauw. Zy zyn aangenaam, een mengsel van zoet en zuur. Sommigen drogen ze, en bakken ze in taarten, of zetten ze droog voor. Voorheen maakten ’er deZwedenenen tamelyk goeden wyn van; dog hier zyn zy van uitgescheiden. EnigeEngelschenevenwel perssen ’er nog enen lieflyken drank uit, dien zy my verzekerden zo goed te wezen als de besteFranschewyn, en lang te duren.
Wyn.
Om dezen wyn te maken, verzamelt men de druiven van den 21. September af tot den 11. November toe, dat is als zy beginnen ryp te worden. Men moet ze snyden by droog weder, nadat de dauw weg is. Zy worden afgeveegd. Een groot vat staat ’er gereed, waarin of syroop of brandewyn geweest is. Dit maakt men wel schoon, slaat ’er enen der bodems uit, en plaatst het op ene bekwame wys op stukken houts in den kelder, of in een warm vertrek omtrent twee voet boven den grond. De druiven worden in het vat gedaan, en, als zy wat gezonken zyn, doet men ’er drie of vier dagen daaraan weder nieuwen by. Een man gaat ’er met blote voeten in, en treedt de druiven. In omtrent een half uur is ’er het sap al uit. Dan keert de man de ondersten boven, treedt ze nog een kwartier; en dit is genoeg om ’er het goede vogt uit te krygen; want langer te treden zou ook de onrype druiven doen breken, en den wyn enen kwaden smaak geven. Dan dekt men het vat toe met een digt deksel, of met twee deksels als men genen kelder heeft, of het weder zeer koud is. Dus laat men het vogt gisten, en in de volgende vier of vyf dagen werkt het zeer sterk. Zodra het gisten ophoudt wordt ’er een gat gemaakt omtrent zes duim van den bodem, en men tapt wat van het vogt ’er uit, tweemaal iederen dag. Zodra dat klaar en bezonken is, laat men het vogt over in een kleinder vat. Van twintig bossen druiven krygt men omtrent twintiggallonssap. Het kleine vat blyft stil staan, en de most gist voor de twede reis; en dan is het noodzakelyk dat het vat geheel vol zy. De schuim, die zig boven aan het sponsgat zat, moet ’er afgenomen, en het vat gedurig weder opgevuld worden. Dit duurt tot omtrent Kersmis, en dan mag men het vaatje stoppen, op het laatste is de wyn in Februari gereed en gebotteld. Ook heeft men hier de gewoonte enige rype druiven in een[164]vat te werpen om ’er azyn van te maken, die zeer goed is. Velen maakten van deze druiven enen brandewyn, die enen aangenamen smaak heeft, dog die egter nog lieflyker is als ’er wat mispelen onder zyn. Het hout van deze wyngaarden is van geen gebruik, voor stokken is het te buigzaam. Als men in den stam houwt, komt ’er binnen kort een witte smakeloze harst voor den dag. Men plant ze in vele tuinen om de prielen met hun groot blad te dekken. Als hier, in Mai en Juni, de wyngaarden bloeyen, geven de bloemen enen sterken dog zeer lieflyken en verfrisschenden reuk, die zig zelfs op enen groten afstand vernemen doet. Om dien tyd in de bosschen komende kan men uit derzelver reuk bemerken, dat ’er wyngaarden zyn. Hoe streng ook de winters zyn, doen zy egter den wyngaard niet aan. Elke druif is omtrent zo groot als ene erwt, dog wat meer zuidwaards hebben zy de grootte van ene gemene razyn, en enen aangenaamen smaak. Binnen in het land maken zy gedurende een deel van den herfst het voornaamste voedsel voor de Beren uit, die op de bomen klouteren om de druiven te plukken. Men meent, dat als de wilde druiven zorgvuldig aangekweekt en behandeld wierden zy groter en beter zyn zouden.
Voortekens rakende het weder.
Ik zal hier van twee voortekens aangaande het weder gewagen, waar aan men hier veel geloofs sloeg. Sommigen wilden kunnen voorzeggen dat de aanstaande winter niet zeer gestreng zoude zyn, om dat zy in October wilde ganzen en andere trekvogels naar het zuiden hadden zien vliegen, die kort daar aan terug gekomen, en in groten getale noordwaards gevlogen waren. Inderdaad de volgende winter is een van de gematigdsten geweest.
Enige lieden voorzeiden den 5. December, dat wy voor den avond van den 6. regen hebben zouden. De reden van deze voorzegging was, dat dezen morgen, by het ryzen der zon zy uit hunne vensters alles zeer duidelyk aan de overzyde der Rivier had kunnen zien, zo dat alles veel nader by dan gewoonlyk scheen te zyn, en dat dit gemeenlyk een teken van regen was. De voorspelling wierd ook tamelyk juist vervuld.
Het yzer denWildenonbekend.
Voor de aankomst derEuropeanenhadden deWildengene kennis aan het yzer, schoon dat zeer overvloedig in hun land valt. Evenwel wisten zy enigermate zig van het koper te bedienen. EnigeHollandersbewaarden nog de overlevering, dat hunne Voorouders, by hunDog niet het koper.nederzetten teNew York, veleAmerikanenontmoet hadden, die koperen tabakspypen hadden, en die hun door tekens te kennen gaven, dat zy ze in de nabuurschap kregen. Naderhand werd de schone kopermyn ontdekt die opSecond RivertusschenElizabeth-townenNew Yorkis. By het graven in deze myn vond men gaten waaruit enig koper[165]gehaald was, en enige werktuigen, waarvan deAmerikanenwaarschynlyk zig bediend hadden om het metaal voor hunne pypen te krygen. Zulke gaten in de bergen zyn ook op sommige plaatsen vanPensylvanie, te weten benedenNewcastlezeewaards aan, gevonden, en geven altyd te kennen dat ’er kopererts in te vinden is. Sommigen hebben zig verbeeld, dat deSpanjaards, na de ontdekking vanMexiko, langs de kust vanNoord Amerikagezeild, en nu en dan aan land getreden zyn, om te zien of ’er ook enig goud of zilver zoude te vinden wezen, en dat die misschien deze gaten in de bergen gemaakt hebben. Maar, als men al veronderstelt dat zy dus langs de kust gevaren zyn, konden zy onmogelyk ten eersten de kopermynen vinden, en hielden zig waarschynlyk niet op met dit erts, daar zy meer goud en zilver zogten. Het is dan genoegzaam zeker dat deAmerikanendeze gaten gegraven hebben. Of zoude men durven vermoeden, dat de oudeNoren, lang voor de ontdekking vanColombus, hier aangeland zyn, en deze koperaderen gevonden hebben, toen zy naar hetvoortreffelyke Wynland158voeren, waarvan onze oude overlevering,Sagorgenoemd, spreekt, welkWynlandongetwyffeldNoord Amerikawas? Dog hieromtrent zal ik in ’t vervolg gelegenheid hebben, myne gedagten beter te uiten. Het is aanmerkelyk dat overal, daar men onlangs diergelyke gaten in de bergen gevonden heeft, welken duidelyk gezien kunnen worden van menschen gegraven te zyn, dezelven met veel aarde bedekt waren, als of men ze voor de vreemden verborgen had willen houden.