III

IIISedert de feestelijke inwijding van het station te Merw zijn niet meer dan twee-en-vijftig dagen verloopen; na dit feest werd aan de troepen zes weken rust gegund; maar nu is men overal druk bezig met bouwen, zoowel bij het station als in de stad. Wij stappen uit den trein en vertrouwen onze valiezen aan perzischefacchini; omnibussen of openbare rijtuigen vindt men hier nog niet, maar ook dat zal wel komen. Te Askhabad bestaat zoo iets reeds. Overigens behoeft men niet ver te gaan: de nieuwe stad grenst vlak aan het station. De wandeling heeft dus op zich zelve niets te beteekenen: maar het stof! Tot over de enkels waadt gij door het stof, ge ademt het met volle longen in, het omgeeft u als eene dichte wolk. Dit is bepaald nadeelig voor de gezondheid; hierin moet en zal ook wel verbetering komen, maar men kan niet alles op eens verlangen.Onder het geleide van een jongen Pool, die duitsch spreekt en ons als tolk dient, gaan wij naar het voornaamste hôtel: daar zijn geen kamers open. Wij vervolgen onze wandeling door de breede straten, waar de zon brandt en nog geen lommer verkwikking schenkt, en begeven ons achtervolgens naar vijf logementen, allen opgevuld met officieren en ambtenaren. De zaak begint ernstig te worden: er rest ons nog maar één logement, dat pas voor eenige dagen is geopend en zelfs nog geen naam heeft; de metselaars leggen er de laatste hand aan en de kalk is nog niet droog. Men geeft ons zeer kleine kamertjes in de benedenverdieping: trouwens, alle hôtels hebben, even als de andere huizen en gebouwen, slechts eene verdieping. Een bed, een ongeverfde houten tafel, twee matten stoelen, maken het ameublement uit; het bed is een eenvoudige plank, bedekt met een dunne matras, welke met keisteenen schijnt opgevuld; als ik de deken oplicht komt een aardige duizendpoot te voorschijn, die haastig in den grond verdwijnt: een houten vloer is er nog niet. Ik deel al deze bijzonderheden mede, om eenig denkbeeld te geven van de ontberingen, die de Russen in deze streek hebben moeten lijden, van hunne taaie volharding en ontembare energie. En nu is de tijd der groote hitte nagenoeg voorbij; de laatste storm uit het noordoosten heeft eensklaps scheiding gemaakt tusschen den zomer en den herfst; acht dagen te voren teekende de thermometer, bij dag en bij nacht, tusschen de 40 en 45° (Celsius). Dan wemelt het overal van schorpioenen en van allerlei kruipend gedierte, het een al vergiftiger dan het andere. Nu is al dat gedierte weggekropen in den grond, in de spleten en gaten, welke men overal ook in de huizen aantreft, en zij houden zich daar schuil tot het volgende voorjaar. Maar in dien tusschentijd zullen de gaten wel zijn dicht gestopt en de planken vloeren gelegd.Na een ontbijt, dat u, zoo ge een lekkerbek zijt, zeker zou hebben doen walgen, gaan wij op weg om een bezoek af te leggen bij generaal Annenkof, directeur-generaal der werken van den transkaspischen spoorweg. Eene voorloopige houten brug van vijftig meter lengte, waarvan ook de spoorweg gebruik maakt, voert over de Moergab. De handelswijk, waar wij afgestapt zijn, ligt op den linker oever der rivier; haar rechtlijnige straten, die elkander kruisen, hebben overvloedige ruimte om zich in de oase te verlengen; zij prijken met jonge boompjes, die nu nog geen schaduw geven, maar over eenigen tijd de zonnige straten in fraaie boulevards zullen herscheppen. De administratieve wijk zal op den anderen oever der rivier verrijzen. De kern daarvan wordt reeds gevormd door een tiental groote gebouwen van baksteen, die een vrij goed figuur maken en bestemd zijn voor de burgerlijke en militaire ambtenaren en voor de beambten van den spoorweg. Ook de groote turkmeensche citadel ligt op den rechter oever; haar aarden wallen, welke de spoorweg doorsnijdt, zullen de toekomstige russische stad omgeven, welke alzoo geheel afgescheiden zal zijn van de handelswijk, waar het inlandsche element de overhand heeft.Na eene flinke wandeling in de brandende zon, ontdekken wij de woning van den generaal. Het is twee uur: het uur der siesta voor hen, die zich dat genot mogen gunnen. Maar niet ieder heeft daartoe den tijd. Wij worden aanstonds bij den generaal toegelaten. Zijne Excellencie, in uniform, omringd door tafels die met papieren, teekeningen en kaarten bedekt zijn, ontvangt ons met de grootste vriendelijkheid. Zijn geheele voorkomen teekent den werkzamen energieken man, die al zijne krachten wijdt aan de spoedige voltooiing van eene groote strategische onderneming.“En uweotkrytyi-list?vraagt hij eensklaps.—O! des te beter: alles is in orde. Ik heb zeer stellige en strenge bevelen, en het zou mij leed hebben gedaan, maar..... Hebt gij te Askhabad generaal Komarof gezien? Niet! Nu, dan moet ge nog heden uwe opwachting maken bij den kolonel Alikhanoff, den gouverneur van Merw, en bij den kolonel Liniëwitsch, den bevelhebber der troepen. En wacht niet, met hun uwe papieren te laten zien, tot zij u daarnaar vragen. Ik zal u mijn ordonnans medegeven en wacht u, heden avond, te dineeren, in mijn trein. Sedert vijftien maanden heb ik geen ander logies.”Wij vertrekken, voorafgegaan door een kozak, wiens borst behangen is met ordeteekens van Sint-George. Dit is eene ernstige onderscheiding, die wat te beteekenen heeft. Zoo vaak gij in Rusland het geel-zwarte lint op de borst van een officier of een soldaat ziet, weet ge met wien ge te doen hebt. De statuten dezer orde laten geene ruimtevoor gunstbewijs of willekeur: even als bij ons ten aanzien van de militaire Willemsorde, moet men ook, om de Sint-George-orde te verwerven, onder bepaalde omstandigheden zijn leven hebben gewaagd, deze of die uitstekende daad hebben verricht, om recht te hebben op het kruis van deze of die klasse. Het eenige onderscheid is, dat deze kruisen te gelijk gedragen worden: wie tot eene hoogere klasse opklimt, blijft toch het insigne van de lagere dragen. Op de handhaving van de regels dezer orde wordt zoo streng gelet, dat zelfs de tegenwoordige Keizer het kruis der eerste klasse niet bezit: alleen de grootvorsten Michael en Nikolaas bezitten dat, omdat zij, gedurende den laatsten turkschen oorlog, nieuwe provinciën aan het rijk hebben toegevoegd. De kozak, die ons vergezelt, is verscheidene malen gedekoreerd met het soldatenkruis; generaal Annenkof heeft het nog niet tot het officierskruis gebracht, ondanks eene ernstige verwonding: aan het gevest van zijn degen draagt hij een geel-zwart dragon, in zekeren zin het zinnebeeld van onnoodig moedbetoon. De generaal zelf verhaalt ons, dat hij aan zijn arm getroffen werd, omdat hij, zonder noodzaak, zich aan de zijde van Skobeleff aan een moorddadig geweervuur had blootgesteld.Wij waden inmiddels door het afschuwelijke stof, waartegen onze hooge laarzen ons ter nauwernood beschermen. De kolonels Liniëwitsch enAlikhanoff, die niet onder de bevelen staan van generaal Annenkof, aan wien uitsluitend de leiding der spoorwegwerken is opgedragen, ontvangen ons zeer vriendelijk, al is hunne gebrekkige kennis van het fransch een hinderpaal voor onze conversatie. Vooral de kennismaking metAlikhanoffinteresseerde mij zeer. Wie heeft niet hooren spreken van dien held, in het russische leger weinig minder beroemd dan Skobeleff zelf? Hij woont niet in een huis, maar in eene reusachtige tent, versierd met perzische en turkmeensche tapijten, met tropeeën van oostersche wapenen en soortgelijke zaken; met zijne hooge vorstelijke gestalte, zijn mannelijk schoon indrukwekkend gelaat, zijn prachtigen blonden baard, zou men hem, in deze omgeving, voor den beheerscher, den khan des lands kunnen aanzien. En dat is hij ook inderdaad. Afkomstig uit den Kaukasus, van geboorte een lesghische khan, wiens ware naam eigenlijk Ali is, heeft hij meer dan iemand anders bijgedragen tot de onderwerping van Merw: zijne hoedanigheid van Muzelman maakte hem bij voorkeur geschikt tot het voeren der onderhandelingen met de weduwe van den laatsten khan van Merw, die hare onderdanen tot onderwerping aan Rusland wist te bewegen. Hij oefent een bijna onbeperkten invloed uit op zijne geloofsgenooten, die te eerder zich aan zijne bevelen onderwerpen, omdat zij daardoor althans den schijn kunnen vermijden, aan een Christen te gehoorzamen. Daarbij is de roem van zijne schier fabelachtige dapperheid alom verspreid en omgeeft hem de glans van het avontuurlijke. Reeds tot den rang van kolonel opgeklommen, werd hij wegens een ongelukkig duel—het duel is in het russische leger verboden—van zijn rang ontzet; tot gemeen soldaat gedegradeerd, herwon hij in weinige jaren zijne epauletten; het laatst onderscheidde hij zich te Koetska, waar hij, onder de oogen van zijn chef, den generaal Komarof, eene ernstige kastijding toediende aan de Afghanen, die zich zelven voor onoverwinnelijk hielden. Alikhanoff, thans voor de tweede maal kolonel, gouverneur van het district Merw, opperste khan van de groote oase, is eerst vijf-en-dertig jaar oud!Deze bezoeken hielden ons bezig tot zeven uur, het uur voor het diner. De generaal had ons vooruit gewaarschuwd, dat wij het zonder dames moesten stellen: inderdaad zijn in het kamp geene vrouwen te vinden. Men heeft hier zoo veel te doen en werkt zoo ijverig, dat men het gemis niet voelt. Zelfs onder het diner wordt de arbeid niet vergeten. De generaal, die open tafel houdt, spreekt met zijne officieren en zijn ingenieurs over de te verrichten werkzaamheden, wint hunne adviezen in en laat zich tot in de geringste bijzonderheden omtrent alles inlichten. Zoodra de koffie is rondgediend, staat Zijne Excellencie op, groet en begeeft zich naar zijn waggon. Men gaat hier over het algemeen vroeg ter ruste om den volgenden morgen vroeg te kunnen beginnen.De trein, waarin wij zoo vriendelijk en gastvrij ontvangen worden, verdient wel eene korte beschrijving. Hij bestaat uit vijf wagens: een waggon met twee verdiepingen, die logies bevat voor den generaal, voor den dienstdoenden adjudant, voor den particulieren sekretaris en voor de ordonnancen; een waggon-eetzaal, waar gemakkelijk twintig personen kunnen aanzitten; een keuken-waggon; een bureau-waggon, waar de stukken, kaarten enz. zijn geborgen en waar de adjudant arbeidt; een open wagen, die met een licht dak is overdekt en van stores voorzien, waaruit men den weg kan overzien en waar, bij mooi weer, ook gegeten wordt.Het appartement van den generaal is keurig, smaakvol, maar is een miniatuurkamer. Verbeeld u dat ge in eensleeping-carmoest wonen! Maar het is gemakkelijk: men heeft alles vlak bij de hand. Als ge u des avonds ter rust begeeft, bepaalt gij het uur van vertrek: middernacht, twee uur, vijf uur in den morgen; de trein vertrekt zonder dat ge voor uw gewonen tijd behoeft op te staan; en op het bepaalde uur zijt gij ter plaatse uwer bestemming, met uw papieren, uw teekeningen, uwe geheele bibliotheek.Bij het heengaan spreekt de generaal met ons af, dat wij overmorgen ochtend bij hem zullen komen: wij zullen dan met hem een tocht maken in de richting van de Amoe-darja.6 September.—Wij hebben zeer slecht geslapen in ons logement, dat sedert weinige uren den weidschen naam draagt van Slavisch hôtel. Ik herinner mij, dat ik in Griekenland—niet te Athene, maar in de kleine binnenstadjes—aan tafel een zelfde servet gedurende verscheidene dagen door verschillende gasten heb zien gebruiken. Maakte iemand er aanmerking op, dat hij een vuil servet kreeg, dan antwoordde de bediendedood bedaard: “Κύριε(Heer), het is pas twee keer gebruikt.”—Hier gebeurt hetzelfde, niet enkel met servetten, maar ook met de beddelakens of liever met het eenige laken, waarin ge u zoo goed mogelijk wikkelen kunt. Al het linnengoed van onze gastwaardin wordt, met haar oude japonnen, in een koffer bewaard. Erger u daarover niet: al wat ge hier aanschouwt bestaat eerst sedert drie of vier maanden: deze stad van drieduizend zielen is als uit den grond verrezen: zij breidt zich met den dag uit en voltooit langzamerhand hare inrichting. In het volgende jaar zult ge hier ongetwijfeld goed logies kunnen vinden; over twintig jaar zal zij een der groote metropolen van Azië zijn. Na de voltooiing van den transkaspischen spoorweg zal Merw de stapelplaats worden van den handel van Centraal-Azië, van Bokhara, Kokhan, Badaksjan, Afghanistan; hare strategische beteekenis zal haar voor de russische regeering nog hooger belang bijzetten.In de vorige eeuw was de oase van Merw beroemd, zoowel om hare uitgestrektheid (zeshonderd-duizend hektaren), als om hare buitengewone vruchtbaarheid: de klaver leverde hier zeven oogsten per jaar, het koren gaf honderd korrels voor één. Volgens een oud oostersch spreekwoord, bracht te Merw een schepel koren honderd schepels voort. Deze staat van zaken heeft eene groote verandering ondergaan ten gevolge van de eindelooze oorlogen en veeten, waarin de Tekkés met al hunne naburen waren gewikkeld; maar de natuur van den grond schijnt geene verandering te hebben ondergaan, en niets belet de Russen om aan de streek hare vroegere welvaart terug te geven. Zij zullen dit kunnen doen door het herstellen van vervallen stuwen en andere werken, die het water van de Moergab ophielden en naar een aantal irrigatiekanalen afleidden. Reeds is daarmede een aanvang gemaakt; en na de voltooiing van die werken zal Merw op nieuw de korenschuur van Voor-Azië worden en, zoo noodig, ruimschoots kunnen voorzien in de behoeften van een russisch leger, dat in de vallei van den Indus zou moeten opereeren.Een straat te Merw.Een straat te Merw.Terwijl wij een kop thee gebruiken, komen kolonel Liniëwitsch en vervolgens generaal Annenkof ons een bezoek brengen. Het is nog zeer warm; de kolonel heeft zijn groen laken uniform aangetrokken, maar de generaal draagt een tenue van wit coutil met eene blauwe roodgestreepte broek. Zoo mag ik het zien: dat is praktisch. In de warme en gematigde provinciën des rijks hebben de russische soldaten een zomer- en een wintertenue, de groene en de witte uniform met eene groene en eene witte pet. Men schikt zich naar het klimaat, en alleen bij buitengewone gelegenheden kunnen de soldaten van koude huiveren: maar dan wikkelen zij hun hoofd en hun hals in een wollenbashlik, die geen tochtje doorlaat. Alleen de laarzen, die het been steunen zonder den marsch te bemoeilijken, worden het geheele jaar door gedragen.Wij doen den generaal uitgeleide. Eene karavaan zwaar beladen kameelen trekt juist voorbij, vergezeld van den onvermijdelijken ezel; op den ezel zit een jongen met eene vervaarlijke mutsvan schapenwol op het hoofd, die zonder ophouden met zijn stok het grauwtje slaat. Naar het schijnt, voelt de kameel zich bijzonder tot den ezel aangetrokken: hij volgt hem gedwee en regelt trouw zijn stap naar dien van zijn geleider, aan wien hij door een touw, dat hem in den mond gelegd wordt, is verbonden. Twee afschuwelijke Turkmenen, gekleed met de vuile gescheurde lange jas en met de reusachtige muts op het hoofd, dribbelen achter de karavaan aan. De generaal ziet hen met blijdschap: zij komen van Bokhara. Sedert de laatste tien of twaalf maanden, is de uitvoer van Bokhara naar Merw, bestaande in katoen, wollen stoffen, zijde, fijne houtsoorten, gestegen tot vijf millioen pond, dat wil zeggen tachtigduizend ton. Dat is een goed begin, en de bazar van Merw heeft reeds zekere beteekenis verkregen. Tweemaal per week wordt er op een open terrein, in de onmiddellijke nabijheid der stad, eene markt gehouden, die zeer druk wordt bezocht en wel, voorliefhebbersvan lokale kleur, de moeite van een bezoek waard is.Graftombe van sultan Sandjar. (Bladz. 367.)Graftombe van sultan Sandjar. (Bladz. 367.)Maar, mijn hemel! wat zijn die Turkmenen voor verreweg het meerendeel leelijk! Waar zijn de fiere, indrukwekkende krijgslieden, met den vlammenden, doorborenden blik, met de vorstelijke, krijgshaftige houding, waarvan de vroegere reizigers in de turkmeensche woestijn met zooveel ophef spreken. Om mij heen zie ik mannen met een breed laag voorhoofd, kleine, eenigszins schuin staande oogen, een min of meer platten neus, vrij dikke lippen, wijd uitstaande ooren, een dunnen zwarten baard en kort dik hair. Voeg daarbij dat hunne kleur zeer donker is, hun lichaamsbouwforsch en gespierd, hunne gestalte boven het middelmatige, en dat zij in den regel sterker zijn dan de Westerlingen. Maar iets edels of krijgshaftigs kan ik in hun voorkomen niet vinden; mijns inziens komen zij niet in vergelijking met de Arabieren. Is het oorspronkelijke ras misschien verbasterd door de vermenging met iranisch bloed? Wij zijn hier wel op tamelijken afstand van Perzië, maar de strooptochten der Turkmenen strekten zich zeer ver uit. Even als in de oasen van Atek en Akhal-Tekké en nog op andere plaatsen, heeft ook te Merw de verbintenis met uit Perzië medegevoerde vrouwen den oorspronkelijken type van het tartaarsche ras kunnen wijzigen. Zij erkennen zelven dat deze vermenging met een ontaard en diep vervallen volk geene goede vruchten heeft opgeleverd; de Turkmenen van het binnenland zien dan ook met zekere minachting neder op de stammen langs de grenzen, wier bloed niet meer zuiver is. Elke krijgsman van naam acht zich verplicht, althans ééne vrouw van zuiver turkmeensch ras te hebben, en de uit haar geboren kinderen worden van edeler bloed gerekend dan de anderen.Terwijl wij den rechter oever van de Moergab volgen, langs den voet der aarden wallen van de inlandsche citadel, zeker niet minder uitgestrekt dan die van Ghéok-Tépé, komen wij aan een groot kamp, waarvan de tenten welhaast eene inlandsche stad mogen heeten, naast de handelswijk, welke voor een groot deel door Joden uit Bokhara wordt bewoond. Gaarne zouden wij zulk eenekibitka(tent) hebben bezocht, en een blik geworpen op de tapijten waarmede zij versierd is, en vooral op de turkmeensche vrouwen, die in de straten van Merw niet te zien zijn. Maar de woeste, zeer gevaarlijke honden, die rondom het kamp de wacht houden, noodzaken ons op een eerbiedigen afstand te blijven: zonder onderscheid vallen zij iederen Europeaan aan; en wij zouden niet gaarne het lot deelen van dien russischen officier, die per rijtuig van Wladikaukas naar Tiflis reizende, een eind weegs te voet wilde afleggen, en wiens laarzen alleen werden teruggevonden: hij was door de honden opgegeten.Wij keeren naar de stad terug om de winkels te bezoeken: die winkels zijn evenwel niet anders dan de bekende kleine oostersche winkeltjes of kraampjes, die men overal in de Levant aantreft. De baksteenen huisjes, die geene bovenverdieping hebben, zijn in twee winkels, een aan de voor- en een aan de achterzijde, verdeeld. Het gebouwtje is met een planken zoldering gedekt, in afwachting dat eene verdieping worde opgetrokken. Daar de grond niets of zoo goed als niets kost, heeft men de goedkoopste en vlugste manier van bouwen aangenomen. De winkeliers zijn voor het meerendeel Joden uit Bokhara of Perzen. Het voornaamste produkt van de inlandsche nijverheid zijn de tapijten, waarvan het fijne weefsel, de sierlijke patronen en de nooit verbleekende kleuren algemeen beroemd zijn. Deze tapijten, die sedert de komst der Russen zeldzaam zijn geworden, worden door de vrouwen, en wel vooral door de oude vrouwen, vervaardigd. In de winkeltjes ziet men enkele van deze vrouwen, die zich niet, als bij de Arabieren, het gelaat omsluieren. De bewoners der turkmeensche steppen zijn wel orthodoxe Mohammedanen, maar godsdienstig fanatisme is hun ten eenemale vreemd. Zoo gij er op staat, zal het u niet veel moeite kosten, in de gelegenheid te worden gesteld om de jonge meisjes van zuiver turkmeensch bloed te bewonderen in haar dagelijksch kostuum, een lang zijden hemd; of zelfs in haar feesttoilet: een sjerp van roode of gele zijde, muiltjes, armbanden, halskettingen, oorringen, goud borduursel, en op het hoofd dat monumentale kapsel, met muntstukken, valsche of echte steenen, gouden en zilveren ornamenten behangen, en dikwijls van zoodanigen omvang dat het gelaat er bijna in wegschuilt.De Tekkés zijn van nature veeleer landbouwers dan handelaars; sedert de komst der Russen arbeiden zij met veel ijver aan de spoorwegwerken. Zij zijn zeer goede werklieden, zeer ijverig en zeer nauwgezet. Generaal Annenkof gebruikte twee-en-twintigduizend inlandsche werklieden te gelijkertijd voor het leggen der spoorbaan. Men kan ook hieruit afmeten, met hoeveel energie het werk werd aangevat en voltooid. Voor het zeer matige loon van achttien tot twintig roebels per maand, verrichten de Tekkés, naar het schijnt, meer werk dan de beste perzische aardwerkers; zelfs knapen van vijftien, zestien jaar arbeiden even goed als de volwassenen en verdienen hetzelfde loon.IV7 September.—Ten acht uren des morgens melden wij ons aan bij generaal Annenkof, wiens trein gereed is om te vertrekken. De zon is heeter dan gisteren; wij bestijgen den open waggon, welke den trein sluit. De burgerlijke en militaire werklieden zijn sedert lang aan den arbeid. Langs de groepen der soldaten heengaande, zegt de generaal met luider stemme:“Goeden morgen, mijne kinderen!”En de soldaten staken hun werk, stellen zich in postuur, met de pink op de naad van de broek, en antwoorden in koor:“Wij wenschen Uwe Excellencie eene goede gezondheid!”De weg waarop wij rijden is eerst in de laatste dagen gelegd, sedert de hervatting der werkzaamheden, die tijdens de groote hitte gestaakt waren. Wij rijden niettemin met eene snelheid van twintig kilometers in het uur; maar de lange materieel-treinen, die dikwijls uit vijftig wagens bestaan, leggen niet meer dan vijftien kilometers in het uur af. De weg doorsnijdt de oude turkmeensche vesting, waarbinnen geene kibitka meer verrijzen zal, buigt zich dan naar het noordoosten, en bereikt een minder bevolkt gedeelte van de oase. Eenige kilometers voorbij Merw gaan wij over een vrij belangrijken arm van de Moergab: zoo als men weet, verliest deze rivier, welke vroeger inde Amoe-darja uitliep, zich thans in het zand van de Karakoem. De ijzeren brug waarover wij rijden is zoo goed als voltooid; de generaal wil haar beproeven en laat zijn trein met eene snelheid van veertig kilometers in het uur er over heen snorren. De proef gelukt: wij komen niet in de rivier terecht.Twee uren na ons vertrek komen wij aan den vermaarden constructietrein, die vijftienhonderd menschen kan bevatten, en die elken dag eene etappe verder naar het Oosten voortschuift. Hij staat voor ons stil, en ik tel vier-en-dertig wagens; te weten: vier wagens met twee verdiepingen voor de officieren; een waggon-eetzaal voor de officieren; een keuken-waggon voor de officieren; drie keuken-waggons voor de manschappen (drie kompagniën elk van tweehonderd man); een ambulance-waggon; een telegraaf-waggon; eene smederij-waggon; een waggon met levensmiddelen; een reserve-waggon met al hetgeen noodig is voor het leggen der rails over eene lengte van twee kilometers; en eindelijk twintig waggons met twee verdiepingen voor de huisvesting der manschappen en der werklieden (zeshonderd russische soldaten en driehonderd inlandsche aardwerkers). De russische soldaten en de aziatische werklieden zijn in afzonderlijke waggons gehuisvest. Een russische waggon is zeven meter lang en drie meter breed; hij heeft op elke verdieping ruimte voor vijf-en-twintig man, die in een soort van kooien boven elkander slapen.Voor de inwijding van het station te Merw bestond deze trein uit vijf-en-veertig wagens met vijftienhonderd soldaten en werklieden: er waren toen redenen om zooveel mogelijk voortgang met het werk te maken, welke nu niet meer bestaan. Voorbij Merw verliest de transkaspische spoorweg een groot deel van zijne strategische waarde. Het naaste en onmiddellijke doel van den spoorweg was de pacificatie en de verzekering van het rustig bezit der turkmeensche oasen: dat doel is den 14denJuli 1886 bereikt.Het is tien uren in den morgen: de generaal houdt algemeene inspectie. Wij stijgen te paard en volgen Zijne Excellencie onder de luide kreten en begroetingen van de soldaten en zelfs van de Tekkés, die op hunne manier het russische saluut uitschreeuwen. Wij rijden langs den trein, waarin zich nog een aantal soldaten bevinden, deels op hunne slaapsteden uitgestrekt, deels de thee klaarmakende. Als wij hierover onze verwondering te kennen geven, heldert de generaal ons het raadsel op. Om, in dit klimaat, maanden lang, een moeilijken arbeid te kunnen volhouden, is het volstrekt noodig, de krachten der arbeiders te sparen. De manschappen worden dus in twee brigaden van gelijke sterkte verdeeld, die dagelijks niet langer dan zes uren werken, de eerste van zes uren in den morgen tot ʼs middags, de andere van ʼs middags tot zes uren ʼs avonds.Twee spoorwegbataillons, transkaspische bataillons genaamd, worden gebezigd voor den aanleg en de exploitatie van den weg. Het eerste bataillon heeft in 1880 de lijn tot Kizil-Arwat gemaakt; het is nu belast met de exploitatie en met de telegraafdienst. Het tweede transkaspische bataillon wordt uitsluitend gebruikt voor het leggen der rails, het plaatsen van de telegraaf, en in het algemeen voor alle werken, die niet aan inlanders kunnen worden toevertrouwd. Dit bataillon is eerst onlangs gevormd en werd in den tijd van twintig dagen, van 10 Mei tot 1 Juni 1885, saamgesteld uit soldaten van het staande leger, die de vereischte bekwaamheden bezaten. Sedert de weg tot Merw is doorgetrokken, wordt een deel der manschappen van dit tweede bataillon gebruikt voor de exploitatie: voor het leggen der rails zijn nu nog zeshonderd man aangewezen.Al de aard- en metselwerken worden door inlandsche werklieden verricht. De soldaten met hun witte boezeroen en witte pet, die onder het oog van hunne te paard gezeten officieren zoo vlug en handig met de rails omspringen, raken geen schop of troffel aan. Zij vinden de baan vooruit gereed gemaakt door de inlandsche aardwerkers, die, onder opzicht van de ingenieurs, in ploegen verdeeld, daaraan arbeiden. Ieders taak is juist aangewezen, en elke botsing tusschen het militaire en burgerlijke element voorkomen.Zijn de plannen door de ingenieurs opgemaakt en door den generaal goedgekeurd, dan tijgt een ploeg Turkmenen, onder leiding en bevel van de ingenieurs, aanstonds aan het werk voor het gereed maken der aarden baan. Zulk een ploeg is dikwijls zeer talrijk en wordt dan in onder-afdeelingen gesplitst: de hoofdzaak is dat deze werklieden steeds vóór zijn.—Op dien eersten ploeg volgt het bataillon met het leggen der rails belast, waaraan inlandsche opperlui zijn toegevoegd, die het grove werk moeten doen en den soldaten alle noodelooze vermoeienis besparen. Hieruit blijkt, dat zoo in het russische leger eene zeer strenge discipline heerscht, de officieren ook wel degelijk voor de gezondheid der soldaten zorgen.—Is het spoor eenmaal gelegd, dan komen de ingenieurs met hunne werklieden om de laatste hand aan het werk te leggen: zij gaan aan de militaire brigade vooraf en volgen haar. Ook moeten zij voor het onderhoud zorgen.Het is niet meer dan natuurlijk, dat waar het leggen van het spoor zoo vlug geschiedt, er daarna nog het een en ander na te zien, bij te werken en te verhelpen valt. Ongetwijfeld is de weg niet aanstonds volkomen in orde, maar dat wordt ook niet verlangd. Het is voldoende dat de spoorbaan geschikt zij voor den militairen trein en voor de treinen met materieel, die tweemaal per dag aankomen: en dit doel is bereikt, want tot heden is nog geen enkel ongeluk voorgevallen.Terwijl de generaal mij dit een en ander mededeelt, zijn wij bij de manschappen gekomen, die met het leggen der rails bezig zijn; de twee laatste rails zijn juist op de dwarsliggers gespijkerd, en ik heb ter nauwernood den tijd om mijn paard op de aarden baan te drijven, of de twee volgende rails zijn ook gelegd: binnen weinige sekonden is de lijn zeven meters verder doorgetrokken in de richting van Samarkand.Vlak voor mij zie ik een licht wagentje, datdoor inlanders, onder bevel van een soldaat, op het zoo even gelegde spoor wordt voortgeduwd; op dit wagentje liggen tusschen de twaalf en twintig rails. Aan het einde van de laatst gelegde rails gekomen, staat het stil; vier soldaten staan gereed, twee aan iedere zijde van den weg; met hunne tangen nemen zij twee rails van het wagentje en leggen ze op de baan; andere soldaten plaatsen die rails in de juiste richting en bevestigen ze met drie hamerslagen op de dwarsliggers; dan rijdt het wagentje weer zeven meters verder; wederom worden twee rails ontladen en gelegd. Deze operatie wordt onafgebroken met mathematische nauwkeurigheid uitgevoerd; gestadig verlengt zich de spoorlijn naar het Oosten.Waar komen nu de rails en de dwarsliggers en het verdere materieel van daan?Tweemaal in de vier-en-twintig uren wordt al het benoodigde voor het leggen van twee wersten aangevoerd door een reusachtigen trein van vijf-en-veertig tot vijftig wagens. De eerste trein komt ʼs nachts aan, voor de morgenbrigade, die van ʼs morgens zes tot ʼs middags twaalf uur werkt.—De tweede trein komt in den voormiddag, voor de andere, wier taak om twaalf uren begint en ʼs avonds om zes uur eindigt.—Deze treinen moeten achter den militairen trein stoppen, want er is geen dubbel spoor. Zij lossen dus hun materieel achter dien trein: de rails aan den eenen kant van den weg, de dwarsliggers aan den anderen. Zoodra de lossing is afgeloopen, vertrekt de trein op nieuw om voorraad te halen voor den volgenden dag.Danzet zich de militaire constructietrein in beweging en rijdt terug tot voorbij de plaats waar straks de trein met materieel stond, zoodat de baan vrij is voor het vervoer van de rails en het overige naar het einde van het spoor. Stuit men op geen buitengewone hinderpalen, dan zijn om twaalf uur twee kilometers voltooid; deconstructietreinrijdt nu zoo ver door, het ontbijt der soldaten met zich brengende.Dan tijgt de tweede brigade aan het werk. De trein met materieel, die in den loop van den morgen is aangekomen, nadert zoo dicht mogelijk den constructietrein, lost zijne lading en vertrekt weer; de constructietrein loopt op zijn beurt eenige honderden ellen achteruit, en dezelfde werkzaamheden beginnen op nieuw voor het vervoer en het leggen der rails en der dwarsliggers. Als de avond invalt zijn wederom twee kilometers van den transkaspischen spoorweg voltooid.Op deze wijze is het mogelijk geweest, binnen weinige maanden het traject door de turkmeensche woestijn tot stand te brengen, en den schijnbaar onoverkomelijken slagboom op te ruimen, dien de natuur tusschen Rusland en Engeland had opgeworpen. Toen de generaal naar zijn trein terugkeerde, vroeg hij mij welken indruk dit alles op mij gemaakt had: ik gaf hem mijne ongeveinsde bewondering te kennen en voegde er bij, dat zijne wijze van werken ongetwijfeld tot voorbeeld zal genomen worden bij elken spooraanleg midden door woestijnen.In waarheid, de boven omschreven regeling schijnt zeer eenvoudig; men zou zoo zeggen, alles loopt van zelf: maar weinigen zullen beseffen, hoeveel inspanning, hoeveel nadenken, voorzorg en oplettendheid er noodig is geweest, om dezen regelmatigen gang van het werk te verzekeren en vertraging te voorkomen. Daartoe bestond meer dan eene aanleiding.Wij zijn in een mohammedaansch land, en in den loop van het jaar schrijft de Koran verschillende feesten voor, die soms lang duren. De Tekkés zijn wel geen fanatieke Muzelmannen, maar toch zeer gesteld op de feestdagen, die tevens rustdagen zijn: zij blijven dikwijls weg als men hen het meest noodig heeft. Deze werkstakingen zijn zeer lastig, wanneer men met vijftien- of twintigduizend arbeiders te doen heeft: maar toch heeft het werk aan den spoorweg er nooit ernstig door geleden. Gebeurt het soms, dat om eene of andere reden de trein met materieel oponthoud ondervindt, dan neemt men zijn toevlucht tot den voorraad in den constructietrein en tot de depôts van dwarsliggers en rails, die de zorgzame generaal langs de geheele lijn heeft doen aanleggen.Maar de muzelmansche feesten zijn niet de grootste moeilijkheid. Alles wat voor den bouw van den transkaspischen spoorweg noodig is, moet uit europisch Rusland komen en dus over de Kaspische-zee worden vervoerd. De vaart op die zee is dikwijls zeer lastig en gevaarlijk; bovendien is de haven van Astrakan gedurende eenige maanden door vorst gesloten. Van daar vertraging en stilstand in den aanvoer van materieel. Toch werd het werk met de grootste regelmatigheid en zonder eenige stoornis voortgezet: reeds aanstonds, bij den aanvang der werkzaamheden, had de generaal een aanzienlijken voorraad van materieel in de magazijnen doen opleggen; was het noodig, dan werd daaruit genomen wat men behoefde, en de voorraad vervolgens weder aangevuld en kompleet gehouden.Staan reeds Europeanen verbaasd over de spoedige voltooiing van dien reuzenarbeid, dan kan men begrijpen, welken indruk dit op de Tekkés van Merw moet maken. Zij beseffen dat het eene vergeefsche poging zou zijn, den strijd te willen aanbinden met de Russen, die al loopende twee ijzeren sporen hebben gelegd tusschen de zee en hunne oase. Deze ijzeren sporen, welke de verovering mogelijk hebben gemaakt, hebben niet minder bijgedragen tot de volledige onderwerping en de aanvaarding van den nieuwen toestand, waarvan men gevoelt dat hij voor goed gevestigd is. Ik durf niet beoordeelen of het precies waar is, wat Elisée Reclus zegt, dat de Turkmenen zoo eerlijk en trouw zijn, dat iemand die een ander geld leent daarvoor geene schuldbekentenis vordert of die bekentenis in handen van zijn schuldenaar laat; maar al zou ik niet zoo onbepaald op hun nakomen van het gegeven woord vertrouwen, dit is zeker, dat de vreeze het begin der wijsheid is.Het leggen der rails.Het leggen der rails.Wij ontbijten met generaal Annenkof in zijn open wagen en hebben van daar het uitzicht op uitgestrekte ruïnen, waarvan ik nog niet gesprokenheb. De plaats waar wij ons bevinden heet Baïram-Ali; daar stond het Oude-Merw, op een plateau dat minder aan de overstroomingen van de Moergab was blootgesteld dan het lage land langs den oever. Rechts en links van den spoorweg, tot op een afstand van drie of vier kilometers, zien wij brokken van muren, van vierkante torens, van vestingwerken, en te midden van die bouwvallen een grafmonument met een grooten koepel gedekt.De geschiedenis van deze streek, die tegenwoordig bijna onbewoond is, maar vroeger de zetel was eener bloeiende beschaving, is nog zeer in het duister gehuld. Naar het schijnt, kan men haar in drie groote tijdperken verdeelen, waarvan het eerste zich tot omstreeks de zesde of zevende eeuw onzer jaartelling uitstrekt. Volgens de traditie zouden er in dien tijd twee groote bloeiende steden hebben bestaan, waarvan de eene door Zoroaster, de andere door Alexander de Groote zou zijn gesticht. Wel wijst men u enkele ruïnen aan, welke voor overblijfselen dezer steden worden gehouden; maar met zekerheid weet men omtrent dat tijdperk niets. Misschien zullen nasporingen en opgravingen daaromtrent eenig licht kunnen verspreiden.Het tweede tijdperk begint met de muzelmansche verovering. Omstreeks acht eeuwen geleden werd door sultan Sandjar de naar hem genoemde stad Sultan-Sandjar-Kala gesticht: het met den koepel gekroonde gebouw is zijn grafmonument. Deze machtige monarch, die uitgebreide waterwerken aanlegde, om de Moergab aan de uitbreiding van den landbouw dienstbaar te maken, was eigenlijk niet meer dan de stedehouder van den Khalief van Bagdad, die zich, als zoo vele andere stadhouders, bij het zinken van het khaliefaat, onafhankelijk had gemaakt. In de vijftiende eeuw werd Turkmenië door de Mongolen overstroomd: Merw, destijds de mededingster van Samarkand, werd verwoest. Men verhaalt dat Dsjenghis-Khan al de bewoners der rampzalige stad, ten getale van zevenhonderd-duizend, liet ombrengen.Het derde tijdperk eindelijk omvat het zoogenaamde perzische tijdvak, toen een groot deel van Turkmenië, althans in naam, van den Shâh van Perzië afhankelijk was. In dien tijd valt de stichting van een nieuw Merw, thans nog onder den naam van Baïram-Ali bekend. Ook deze stad telde in haar bloeitijd, naar men verzekert, eenige honderdduizenden inwoners: en de uitgestrektheid der ruïnen schijnt voor de waarheid der traditie te pleiten. De waterwerken werden hersteld; het land bloeide en genoot eene hooge mate van welvaart; maar in 1787 werden de Turkmenen van Merw geslagen door Maäzoen-Khan, emir van Bokhara, die de stad verwoestte, een groot deel der inwoners als gevangenen wegvoerde en de stuwen en waterwerken vernielde, waardoor een groot stuk van de oase tot een woestijn werd gemaakt.De oase schijnt toen gedurende eenigen tijd onbewoond te zijn geweest: daarna werd zij weder ingenomen door de Turkmenen van Pendjdeh, bekend onder den naam van Sarikhs. Hunne heerschappij duurt tot omstreeks 1830, toen zij door de ingeborenen des lands, de Tekkés, werden verdreven. Deze Tekkés, aangevoerd door een befaamden bandietenhoofdman, Kaoetsjoe-khan, werden de schrik van alle buren; zelfs de Russen hadden van hunne strooptochten te lijden. In 1855 verslaat Kaoetsjoe de troepen van den khan van Khiwa, maakt hem zelven gevangen en slaat hem het hoofd af, dat hij aan den Shâh van Perzië zendt. Pogingen, door de perzische regeering aangewend, om de vroegere opperhoogheid over Merw te herwinnen, mislukken ten eenenmale; in 1861 werden de Perzen geslagen en moesten terugtrekken met achterlating van een dertigtal kanonnen, die men nog te Merw, naast de woning van kolonel Alikhanoff zien kan. Latere expeditiën hadden geen beter gevolg of werden wel ontworpen maar niet uitgevoerd. Om zich tegen een dreigenden aanval der Russen te kunnen verdedigen, liet Kaoetsjoe-khan de groote citadel van Merw bouwen, die een omtrek heeft van acht kilometers. Toen de oorlog met Rusland eindelijk, in 1879, uitbrak, was Kaoetsjoe-khan reeds overleden: voor de muren van Ghéok-Tépé bracht zijn opvolger het russische leger eene nederlaag toe. Een veldtocht van een jaar, een geregeld beleg van eenige weken was noodig om deze krijgshaftige bandieten te dwingen en tot onderwerping te noodzaken. Omstreeks drie jaren na den val van Ghéok-Tépé bood Merw vrijwillig zijne onderwerping aan en werd de geheele oase bij het reusachtig rijk der Tsaren ingelijfd.De Russen schijnen er zich op te verstaan, om de verschillende volksstammen, die zij onder hun gezag vereenigen, ook voor zich te winnen en met de vreemde heerschappij te verzoenen. Hier althans zou niets u doen vermoeden, dat ge in een veroverd land zijt; uit de inlanders worden speciale korpsen gevormd, die bij een eventueelen oorlog groote diensten kunnen bewijzen, en waarbij de khans of aanzienlijken den graad van officier kunnen verwerven. Maar tusschen deze inlandsche en de russische officieren bestaat volstrekt geene gelijkstelling: al zijn de khans ook tot den rang van kolonel opgeklommen, zal hun toch nimmer het bevel over eene afdeeling kozakken worden opgedragen, en de tweede luitenants van het nationale leger bewijzen hun wel de eer, die zij hun volgens de militaire wet verschuldigd zijn, maar laten zich verder niet met hen in. Men acht de handhaving van dit onderscheid noodig voor het prestige van het heerschende ras.Wij mogen de gelegenheid niet verzuimen, om de ruïnen van het oude Merw te bezoeken, die in Europa bijna geheel onbekend zijn. Paarden worden gezadeld; een turkmeensche gids in russische dienst wordt ontboden: wij gaan op weg. Het zijn prachtige, sierlijke dieren, die turkmeensche paarden, met hun fijnen kop, hunne smalle borst, hunne gespierde pooten. Van gemengd arabisch ras, zijn zij nog beter tegen vermoeienissen bestand dan de volbloed arabische paarden. Zonder bezwaar kunnen zij een week lang honderd kilometer per dagafleggen. Zij worden in de tent, met de kinderen van het gezin groot gebracht en door de vrouwen gestreeld en geliefkoosd; het ontbreekt hun aan niets; ook waar, in eene armzalige kibitka, de meester en zijn gezin met lompen zijn gekleed, heeft het paard nog een goed warm dek.Aan de linkerzijde van de spoorbaan liggen de overblijfselen der oude stad Sultan-Sandjar-Kala, waarvan slechts de voornaamste monumenten nog staande zijn gebleven. Van de gewone huizen is hier, evenmin als in het latere Baïram-Ali, bijna geen spoor meer over: trouwens, dit laat zich begrijpen, daar verreweg de meeste gebouwen van pisé, gestampte aarde, zijn opgetrokken. Waar zal men ook in de eindelooze steppe steen vinden? De kleiaarde, in de zon gedroogd, verkrijgt voldoende hardheid om muren te bouwen van ettelijke ellen hoogte bij eene dikte van veertig tot vijftig duim. Het vervaardigen van baksteen was en is nog zeer kostbaar: niet dan bij uitzondering werd daarvan gebruik gemaakt. Met verbazing staat men stil voor deze vaak kolossale gebouwen, waarbij geen enkele steen is gebruikt, en die toch betrekkelijk goed bewaard zijn gebleven. Uit de verte zou men ze voor gewone gebouwen aanzien, en toch is alles louter aarde.Wij rijden langs een vormeloozen wal of dijk, volgens onzen gids, de omwalling der stad van Alexander. Heel zeker is hij daarvan niet, want als ge hem met vragen lastig valt, zal hij gereedelijk toegeven dat gij de overblijfselen voor u hebt van de stad van Zoroaster, van Ghiaoer-Kala (de sterkte van den ongeloovige). Als ge den wal beklimt, ziet ge niets dan de vlakke kale steppe, met hoog geel gras begroeid, en hier en daar eenige heuvels van aarde of scherven en puin. Vermoedelijk zouden hier niet onbelangrijke opgravingen zijn te doen.Wij begeven ons naar de weinige monumenten, die in de stad van sultan Sandjar nog de aandacht trekken. Dat zijn vooreerst twee groote gewelfde portieken of nissen, waarvan de achterwand met gekleurde tegels bekleed is: ongetwijfeld behoorden deze ruïnen vroeger tot eene moskee. Tegenover de portieken ziet men twee sarkophagen, insgelijks van baksteen, en in die sarkophagen twee kisten van dezelfde bouwstof, met een wit marmeren zerk gedekt. Niemand kan mij zeggen, wie daar begraven ligt. De graven schijnen nieuw, maar zijn toch, volgens onzen gids, eenige eeuwen oud.—Wij rijden vervolgens langs eene soort van citadel, waarvan de aarden wallen aan de buitenzijde met regelmatige vertikale insnijdingen zijn versierd, die een zonderling effekt maken: het is als zag men eene rij reusachtige overeind staande worsten. Eindelijk komen wij aan de belangrijkste ruïne der geheele streek, aan het graf van sultan Sandjar, op eene hoogte of terp gebouwd, waardoor het monument, uit de verte gezien, veel hooger schijnt dan het werkelijk is. Verbeeld u een rechthoekig gebouw, aan iedere zijde achttien tot twintig el breed, en gedekt door een koepel, die zich vijf-en-twintig el boven den grond verheft; alles van baksteenen, die door zoo hard cement verbonden zijn, dat zelfs het breekijzer daarop afstuit. Twee kleine deuren tegenover elkander geven toegang tot het inwendige van het gebouw, maar zij zijn zoo laag, dat een der officieren, prins Gagarin, even hoog van statuur als van geboorte, zich bijna in tweeën moet vouwen om binnen te gaan. Binnen getreden, moet ge twee of drie el afdalen om den vloer van het monument te bereiken. Waar is nu de tombe van sultan Sandjar? Is zij ergens verborgen of door Dsjenghis-Khan vernield? Misschienzullenlatere onderzoekingen dit raadsel ophelderen.Wij begeven ons nu naar de perzische stad Baïram-Ali, waardoor de spoorweg loopt. Een vrij groot aantal partikuliere woningen, vroeger zeker het eigendom van aanzienlijken en hoofden, zijn nog in tamelijk goeden toestand bewaard gebleven en bieden des noods den reiziger nog eene verblijfplaats aan. Bijna allen zijn naar hetzelfde model gemaakt, en bestaan in de eerste plaats uit een vierkant gebouwtje van zes tot tien meter hoog, in twee verdiepingen verdeeld. Eene zeer smalle lage deur geeft toegang tot de benedenverdieping; een trap ontbreekt, zoodat de bovenverdieping alleen met behulp van een ladder bereikbaar was; blijkbaar is dit zoo gemaakt met het oog op de verdediging tegen een vijandelijken aanval: dan was die bovenverdieping de laatste wijkplaats. Dit gebouwtje—men zou kunnen zeggen, deze vestingtoren—is op eenigen afstand omringd door een muur van omstreeks drie el hoogte, waarbinnen zich ongetwijfeld de eigenlijke woning van het gezin bevond: in dien muur was slechts een enkele doorgang, waartegenover, aan de buitenzijde, zich een klein gebouwtje bevond, bestemd tot wachthuis voor soldaten of tot verblijfplaats voor de slaven.Deze woningen zijn geheel van leem en kleiaarde en bevatten maar zeer weinig baksteen. Het gebruikvanpisé of van in de zon gedroogde steenen is niet alleen veel goedkooper, maar verdient ook uit het oogpunt van koelte en frischheid de voorkeur. Generaal Annenkof heeft opgemerkt, dat, in het heete jaargetijde, een verschil in temperatuur van tien tot twaalf graden valt waar te nemen te nemen tusschen huizen die van gebakken steen en huizen die van in de zon gedroogden steen zijn gebouwd.Het voornaamste monument van Baïram-Ali is de citadel, waarvan de muren met halfronde torens onwillekeurig aan het Kremlin herinneren. De omwalling is rechthoekig, en beslaat eene oppervlakte van omstreeks drie kilometers. De overblijfselen der poorten van de vesting zijn zeer bezienswaardig. In waarheid, de ruïnen van het oude Merw verdienen de aandacht der geleerden: wij zijn geen geleerden, en toch vergeten wij hier onzen tijd. Waarom is kolonel Alikhanoff niet bij ons? Hij zou ons misschien kunnen zeggen, wat die brokstukken van gebouwen eigenlijk beteekenen, waarvan wij te vergeefs de oorspronkelijke gedaante trachten te raden; hij zou ter verklaring de toevlucht kunnennemen tot de turkmeensche traditiën, waarvan hij volkomen op de hoogte is.De avond was reeds gedaald, toen wij onze paarden in galop zetten om naar den trein van den generaal terug te keeren, waarvan de lichten ons op een afstand van drie kilometerstegenblonken. Maar wij hebben het ongelukkig getroffen met onzen gids. Het terrein dezer verlaten steden wordt doorsneden door diepe grachten, die geheel begroeid en daardoor, vooral in de duisternis, voor de paarden niet te onderkennen zijn. Wij komen veel te laat ter plaatse onzer bestemming; gelukkig is de generaal voorkomend en ziet hij wat door de vingers ter wille van onze archeologische liefhebberijen.Ingang der citadel van Merw.Ingang der citadel van Merw.Het is vinnig koud op den open wagen: de uit Siberië komende noordoosten wind verstijft ons met zijn ijzigen adem. Voeg daarbij, dat een fijne regen ons voortdurend in het gezicht waait, nog verschroeid door de gloeiende zonnestralen van den vorigen dag. Er is inderdaad niet meer noodig om de koorts te krijgen; deze plotselinge overgangen van temperatuur maken het klimaat van deze streek voor vele gestellen zeer gevaarlijk. Na twee maanden van tropische hitte (Juli en Augustus), steekt plotseling een koude noordenwind op, waarmede de herfst aanvangt, die tot November duurt. De boomen ontbladeren zich en het voorkomen der oase ondergaat eene geheele verandering. Dan begint de winter met zeer strenge koude (vijftien tot twintig graden Celsius onder nul) en aanhoudende stormen uit het noordoosten. De lente (April en Mei) is misschien het eenige wezenlijke goede en aangename jaargetijde, waarin weldadige regens de warmte temperen en het aardrijk verkwikken, dat zich dan weer met zijnen groenen dos tooit. Men moet echter wel in het oog houden, dat er geene vergelijking is te maken tusschen de zon van Merw en die van sommige lage vochtige streken nabij de evennachtslijn: gevallen van zonnesteek zijn hier zeldzaam en niet gevaarlijk, hoewel de russische soldaten slechts eene eenvoudige witte pet dragen, die den nek onbedekt laat. Dit alleen bewijst, dat de zonnestralen, hoe ze ook mogen branden, hier veel minder te duchten zijn dan bij voorbeeld in de Roode-zee of in de indische kustlanden.Merw in den winter.Merw in den winter.

IIISedert de feestelijke inwijding van het station te Merw zijn niet meer dan twee-en-vijftig dagen verloopen; na dit feest werd aan de troepen zes weken rust gegund; maar nu is men overal druk bezig met bouwen, zoowel bij het station als in de stad. Wij stappen uit den trein en vertrouwen onze valiezen aan perzischefacchini; omnibussen of openbare rijtuigen vindt men hier nog niet, maar ook dat zal wel komen. Te Askhabad bestaat zoo iets reeds. Overigens behoeft men niet ver te gaan: de nieuwe stad grenst vlak aan het station. De wandeling heeft dus op zich zelve niets te beteekenen: maar het stof! Tot over de enkels waadt gij door het stof, ge ademt het met volle longen in, het omgeeft u als eene dichte wolk. Dit is bepaald nadeelig voor de gezondheid; hierin moet en zal ook wel verbetering komen, maar men kan niet alles op eens verlangen.Onder het geleide van een jongen Pool, die duitsch spreekt en ons als tolk dient, gaan wij naar het voornaamste hôtel: daar zijn geen kamers open. Wij vervolgen onze wandeling door de breede straten, waar de zon brandt en nog geen lommer verkwikking schenkt, en begeven ons achtervolgens naar vijf logementen, allen opgevuld met officieren en ambtenaren. De zaak begint ernstig te worden: er rest ons nog maar één logement, dat pas voor eenige dagen is geopend en zelfs nog geen naam heeft; de metselaars leggen er de laatste hand aan en de kalk is nog niet droog. Men geeft ons zeer kleine kamertjes in de benedenverdieping: trouwens, alle hôtels hebben, even als de andere huizen en gebouwen, slechts eene verdieping. Een bed, een ongeverfde houten tafel, twee matten stoelen, maken het ameublement uit; het bed is een eenvoudige plank, bedekt met een dunne matras, welke met keisteenen schijnt opgevuld; als ik de deken oplicht komt een aardige duizendpoot te voorschijn, die haastig in den grond verdwijnt: een houten vloer is er nog niet. Ik deel al deze bijzonderheden mede, om eenig denkbeeld te geven van de ontberingen, die de Russen in deze streek hebben moeten lijden, van hunne taaie volharding en ontembare energie. En nu is de tijd der groote hitte nagenoeg voorbij; de laatste storm uit het noordoosten heeft eensklaps scheiding gemaakt tusschen den zomer en den herfst; acht dagen te voren teekende de thermometer, bij dag en bij nacht, tusschen de 40 en 45° (Celsius). Dan wemelt het overal van schorpioenen en van allerlei kruipend gedierte, het een al vergiftiger dan het andere. Nu is al dat gedierte weggekropen in den grond, in de spleten en gaten, welke men overal ook in de huizen aantreft, en zij houden zich daar schuil tot het volgende voorjaar. Maar in dien tusschentijd zullen de gaten wel zijn dicht gestopt en de planken vloeren gelegd.Na een ontbijt, dat u, zoo ge een lekkerbek zijt, zeker zou hebben doen walgen, gaan wij op weg om een bezoek af te leggen bij generaal Annenkof, directeur-generaal der werken van den transkaspischen spoorweg. Eene voorloopige houten brug van vijftig meter lengte, waarvan ook de spoorweg gebruik maakt, voert over de Moergab. De handelswijk, waar wij afgestapt zijn, ligt op den linker oever der rivier; haar rechtlijnige straten, die elkander kruisen, hebben overvloedige ruimte om zich in de oase te verlengen; zij prijken met jonge boompjes, die nu nog geen schaduw geven, maar over eenigen tijd de zonnige straten in fraaie boulevards zullen herscheppen. De administratieve wijk zal op den anderen oever der rivier verrijzen. De kern daarvan wordt reeds gevormd door een tiental groote gebouwen van baksteen, die een vrij goed figuur maken en bestemd zijn voor de burgerlijke en militaire ambtenaren en voor de beambten van den spoorweg. Ook de groote turkmeensche citadel ligt op den rechter oever; haar aarden wallen, welke de spoorweg doorsnijdt, zullen de toekomstige russische stad omgeven, welke alzoo geheel afgescheiden zal zijn van de handelswijk, waar het inlandsche element de overhand heeft.Na eene flinke wandeling in de brandende zon, ontdekken wij de woning van den generaal. Het is twee uur: het uur der siesta voor hen, die zich dat genot mogen gunnen. Maar niet ieder heeft daartoe den tijd. Wij worden aanstonds bij den generaal toegelaten. Zijne Excellencie, in uniform, omringd door tafels die met papieren, teekeningen en kaarten bedekt zijn, ontvangt ons met de grootste vriendelijkheid. Zijn geheele voorkomen teekent den werkzamen energieken man, die al zijne krachten wijdt aan de spoedige voltooiing van eene groote strategische onderneming.“En uweotkrytyi-list?vraagt hij eensklaps.—O! des te beter: alles is in orde. Ik heb zeer stellige en strenge bevelen, en het zou mij leed hebben gedaan, maar..... Hebt gij te Askhabad generaal Komarof gezien? Niet! Nu, dan moet ge nog heden uwe opwachting maken bij den kolonel Alikhanoff, den gouverneur van Merw, en bij den kolonel Liniëwitsch, den bevelhebber der troepen. En wacht niet, met hun uwe papieren te laten zien, tot zij u daarnaar vragen. Ik zal u mijn ordonnans medegeven en wacht u, heden avond, te dineeren, in mijn trein. Sedert vijftien maanden heb ik geen ander logies.”Wij vertrekken, voorafgegaan door een kozak, wiens borst behangen is met ordeteekens van Sint-George. Dit is eene ernstige onderscheiding, die wat te beteekenen heeft. Zoo vaak gij in Rusland het geel-zwarte lint op de borst van een officier of een soldaat ziet, weet ge met wien ge te doen hebt. De statuten dezer orde laten geene ruimtevoor gunstbewijs of willekeur: even als bij ons ten aanzien van de militaire Willemsorde, moet men ook, om de Sint-George-orde te verwerven, onder bepaalde omstandigheden zijn leven hebben gewaagd, deze of die uitstekende daad hebben verricht, om recht te hebben op het kruis van deze of die klasse. Het eenige onderscheid is, dat deze kruisen te gelijk gedragen worden: wie tot eene hoogere klasse opklimt, blijft toch het insigne van de lagere dragen. Op de handhaving van de regels dezer orde wordt zoo streng gelet, dat zelfs de tegenwoordige Keizer het kruis der eerste klasse niet bezit: alleen de grootvorsten Michael en Nikolaas bezitten dat, omdat zij, gedurende den laatsten turkschen oorlog, nieuwe provinciën aan het rijk hebben toegevoegd. De kozak, die ons vergezelt, is verscheidene malen gedekoreerd met het soldatenkruis; generaal Annenkof heeft het nog niet tot het officierskruis gebracht, ondanks eene ernstige verwonding: aan het gevest van zijn degen draagt hij een geel-zwart dragon, in zekeren zin het zinnebeeld van onnoodig moedbetoon. De generaal zelf verhaalt ons, dat hij aan zijn arm getroffen werd, omdat hij, zonder noodzaak, zich aan de zijde van Skobeleff aan een moorddadig geweervuur had blootgesteld.Wij waden inmiddels door het afschuwelijke stof, waartegen onze hooge laarzen ons ter nauwernood beschermen. De kolonels Liniëwitsch enAlikhanoff, die niet onder de bevelen staan van generaal Annenkof, aan wien uitsluitend de leiding der spoorwegwerken is opgedragen, ontvangen ons zeer vriendelijk, al is hunne gebrekkige kennis van het fransch een hinderpaal voor onze conversatie. Vooral de kennismaking metAlikhanoffinteresseerde mij zeer. Wie heeft niet hooren spreken van dien held, in het russische leger weinig minder beroemd dan Skobeleff zelf? Hij woont niet in een huis, maar in eene reusachtige tent, versierd met perzische en turkmeensche tapijten, met tropeeën van oostersche wapenen en soortgelijke zaken; met zijne hooge vorstelijke gestalte, zijn mannelijk schoon indrukwekkend gelaat, zijn prachtigen blonden baard, zou men hem, in deze omgeving, voor den beheerscher, den khan des lands kunnen aanzien. En dat is hij ook inderdaad. Afkomstig uit den Kaukasus, van geboorte een lesghische khan, wiens ware naam eigenlijk Ali is, heeft hij meer dan iemand anders bijgedragen tot de onderwerping van Merw: zijne hoedanigheid van Muzelman maakte hem bij voorkeur geschikt tot het voeren der onderhandelingen met de weduwe van den laatsten khan van Merw, die hare onderdanen tot onderwerping aan Rusland wist te bewegen. Hij oefent een bijna onbeperkten invloed uit op zijne geloofsgenooten, die te eerder zich aan zijne bevelen onderwerpen, omdat zij daardoor althans den schijn kunnen vermijden, aan een Christen te gehoorzamen. Daarbij is de roem van zijne schier fabelachtige dapperheid alom verspreid en omgeeft hem de glans van het avontuurlijke. Reeds tot den rang van kolonel opgeklommen, werd hij wegens een ongelukkig duel—het duel is in het russische leger verboden—van zijn rang ontzet; tot gemeen soldaat gedegradeerd, herwon hij in weinige jaren zijne epauletten; het laatst onderscheidde hij zich te Koetska, waar hij, onder de oogen van zijn chef, den generaal Komarof, eene ernstige kastijding toediende aan de Afghanen, die zich zelven voor onoverwinnelijk hielden. Alikhanoff, thans voor de tweede maal kolonel, gouverneur van het district Merw, opperste khan van de groote oase, is eerst vijf-en-dertig jaar oud!Deze bezoeken hielden ons bezig tot zeven uur, het uur voor het diner. De generaal had ons vooruit gewaarschuwd, dat wij het zonder dames moesten stellen: inderdaad zijn in het kamp geene vrouwen te vinden. Men heeft hier zoo veel te doen en werkt zoo ijverig, dat men het gemis niet voelt. Zelfs onder het diner wordt de arbeid niet vergeten. De generaal, die open tafel houdt, spreekt met zijne officieren en zijn ingenieurs over de te verrichten werkzaamheden, wint hunne adviezen in en laat zich tot in de geringste bijzonderheden omtrent alles inlichten. Zoodra de koffie is rondgediend, staat Zijne Excellencie op, groet en begeeft zich naar zijn waggon. Men gaat hier over het algemeen vroeg ter ruste om den volgenden morgen vroeg te kunnen beginnen.De trein, waarin wij zoo vriendelijk en gastvrij ontvangen worden, verdient wel eene korte beschrijving. Hij bestaat uit vijf wagens: een waggon met twee verdiepingen, die logies bevat voor den generaal, voor den dienstdoenden adjudant, voor den particulieren sekretaris en voor de ordonnancen; een waggon-eetzaal, waar gemakkelijk twintig personen kunnen aanzitten; een keuken-waggon; een bureau-waggon, waar de stukken, kaarten enz. zijn geborgen en waar de adjudant arbeidt; een open wagen, die met een licht dak is overdekt en van stores voorzien, waaruit men den weg kan overzien en waar, bij mooi weer, ook gegeten wordt.Het appartement van den generaal is keurig, smaakvol, maar is een miniatuurkamer. Verbeeld u dat ge in eensleeping-carmoest wonen! Maar het is gemakkelijk: men heeft alles vlak bij de hand. Als ge u des avonds ter rust begeeft, bepaalt gij het uur van vertrek: middernacht, twee uur, vijf uur in den morgen; de trein vertrekt zonder dat ge voor uw gewonen tijd behoeft op te staan; en op het bepaalde uur zijt gij ter plaatse uwer bestemming, met uw papieren, uw teekeningen, uwe geheele bibliotheek.Bij het heengaan spreekt de generaal met ons af, dat wij overmorgen ochtend bij hem zullen komen: wij zullen dan met hem een tocht maken in de richting van de Amoe-darja.6 September.—Wij hebben zeer slecht geslapen in ons logement, dat sedert weinige uren den weidschen naam draagt van Slavisch hôtel. Ik herinner mij, dat ik in Griekenland—niet te Athene, maar in de kleine binnenstadjes—aan tafel een zelfde servet gedurende verscheidene dagen door verschillende gasten heb zien gebruiken. Maakte iemand er aanmerking op, dat hij een vuil servet kreeg, dan antwoordde de bediendedood bedaard: “Κύριε(Heer), het is pas twee keer gebruikt.”—Hier gebeurt hetzelfde, niet enkel met servetten, maar ook met de beddelakens of liever met het eenige laken, waarin ge u zoo goed mogelijk wikkelen kunt. Al het linnengoed van onze gastwaardin wordt, met haar oude japonnen, in een koffer bewaard. Erger u daarover niet: al wat ge hier aanschouwt bestaat eerst sedert drie of vier maanden: deze stad van drieduizend zielen is als uit den grond verrezen: zij breidt zich met den dag uit en voltooit langzamerhand hare inrichting. In het volgende jaar zult ge hier ongetwijfeld goed logies kunnen vinden; over twintig jaar zal zij een der groote metropolen van Azië zijn. Na de voltooiing van den transkaspischen spoorweg zal Merw de stapelplaats worden van den handel van Centraal-Azië, van Bokhara, Kokhan, Badaksjan, Afghanistan; hare strategische beteekenis zal haar voor de russische regeering nog hooger belang bijzetten.In de vorige eeuw was de oase van Merw beroemd, zoowel om hare uitgestrektheid (zeshonderd-duizend hektaren), als om hare buitengewone vruchtbaarheid: de klaver leverde hier zeven oogsten per jaar, het koren gaf honderd korrels voor één. Volgens een oud oostersch spreekwoord, bracht te Merw een schepel koren honderd schepels voort. Deze staat van zaken heeft eene groote verandering ondergaan ten gevolge van de eindelooze oorlogen en veeten, waarin de Tekkés met al hunne naburen waren gewikkeld; maar de natuur van den grond schijnt geene verandering te hebben ondergaan, en niets belet de Russen om aan de streek hare vroegere welvaart terug te geven. Zij zullen dit kunnen doen door het herstellen van vervallen stuwen en andere werken, die het water van de Moergab ophielden en naar een aantal irrigatiekanalen afleidden. Reeds is daarmede een aanvang gemaakt; en na de voltooiing van die werken zal Merw op nieuw de korenschuur van Voor-Azië worden en, zoo noodig, ruimschoots kunnen voorzien in de behoeften van een russisch leger, dat in de vallei van den Indus zou moeten opereeren.Een straat te Merw.Een straat te Merw.Terwijl wij een kop thee gebruiken, komen kolonel Liniëwitsch en vervolgens generaal Annenkof ons een bezoek brengen. Het is nog zeer warm; de kolonel heeft zijn groen laken uniform aangetrokken, maar de generaal draagt een tenue van wit coutil met eene blauwe roodgestreepte broek. Zoo mag ik het zien: dat is praktisch. In de warme en gematigde provinciën des rijks hebben de russische soldaten een zomer- en een wintertenue, de groene en de witte uniform met eene groene en eene witte pet. Men schikt zich naar het klimaat, en alleen bij buitengewone gelegenheden kunnen de soldaten van koude huiveren: maar dan wikkelen zij hun hoofd en hun hals in een wollenbashlik, die geen tochtje doorlaat. Alleen de laarzen, die het been steunen zonder den marsch te bemoeilijken, worden het geheele jaar door gedragen.Wij doen den generaal uitgeleide. Eene karavaan zwaar beladen kameelen trekt juist voorbij, vergezeld van den onvermijdelijken ezel; op den ezel zit een jongen met eene vervaarlijke mutsvan schapenwol op het hoofd, die zonder ophouden met zijn stok het grauwtje slaat. Naar het schijnt, voelt de kameel zich bijzonder tot den ezel aangetrokken: hij volgt hem gedwee en regelt trouw zijn stap naar dien van zijn geleider, aan wien hij door een touw, dat hem in den mond gelegd wordt, is verbonden. Twee afschuwelijke Turkmenen, gekleed met de vuile gescheurde lange jas en met de reusachtige muts op het hoofd, dribbelen achter de karavaan aan. De generaal ziet hen met blijdschap: zij komen van Bokhara. Sedert de laatste tien of twaalf maanden, is de uitvoer van Bokhara naar Merw, bestaande in katoen, wollen stoffen, zijde, fijne houtsoorten, gestegen tot vijf millioen pond, dat wil zeggen tachtigduizend ton. Dat is een goed begin, en de bazar van Merw heeft reeds zekere beteekenis verkregen. Tweemaal per week wordt er op een open terrein, in de onmiddellijke nabijheid der stad, eene markt gehouden, die zeer druk wordt bezocht en wel, voorliefhebbersvan lokale kleur, de moeite van een bezoek waard is.Graftombe van sultan Sandjar. (Bladz. 367.)Graftombe van sultan Sandjar. (Bladz. 367.)Maar, mijn hemel! wat zijn die Turkmenen voor verreweg het meerendeel leelijk! Waar zijn de fiere, indrukwekkende krijgslieden, met den vlammenden, doorborenden blik, met de vorstelijke, krijgshaftige houding, waarvan de vroegere reizigers in de turkmeensche woestijn met zooveel ophef spreken. Om mij heen zie ik mannen met een breed laag voorhoofd, kleine, eenigszins schuin staande oogen, een min of meer platten neus, vrij dikke lippen, wijd uitstaande ooren, een dunnen zwarten baard en kort dik hair. Voeg daarbij dat hunne kleur zeer donker is, hun lichaamsbouwforsch en gespierd, hunne gestalte boven het middelmatige, en dat zij in den regel sterker zijn dan de Westerlingen. Maar iets edels of krijgshaftigs kan ik in hun voorkomen niet vinden; mijns inziens komen zij niet in vergelijking met de Arabieren. Is het oorspronkelijke ras misschien verbasterd door de vermenging met iranisch bloed? Wij zijn hier wel op tamelijken afstand van Perzië, maar de strooptochten der Turkmenen strekten zich zeer ver uit. Even als in de oasen van Atek en Akhal-Tekké en nog op andere plaatsen, heeft ook te Merw de verbintenis met uit Perzië medegevoerde vrouwen den oorspronkelijken type van het tartaarsche ras kunnen wijzigen. Zij erkennen zelven dat deze vermenging met een ontaard en diep vervallen volk geene goede vruchten heeft opgeleverd; de Turkmenen van het binnenland zien dan ook met zekere minachting neder op de stammen langs de grenzen, wier bloed niet meer zuiver is. Elke krijgsman van naam acht zich verplicht, althans ééne vrouw van zuiver turkmeensch ras te hebben, en de uit haar geboren kinderen worden van edeler bloed gerekend dan de anderen.Terwijl wij den rechter oever van de Moergab volgen, langs den voet der aarden wallen van de inlandsche citadel, zeker niet minder uitgestrekt dan die van Ghéok-Tépé, komen wij aan een groot kamp, waarvan de tenten welhaast eene inlandsche stad mogen heeten, naast de handelswijk, welke voor een groot deel door Joden uit Bokhara wordt bewoond. Gaarne zouden wij zulk eenekibitka(tent) hebben bezocht, en een blik geworpen op de tapijten waarmede zij versierd is, en vooral op de turkmeensche vrouwen, die in de straten van Merw niet te zien zijn. Maar de woeste, zeer gevaarlijke honden, die rondom het kamp de wacht houden, noodzaken ons op een eerbiedigen afstand te blijven: zonder onderscheid vallen zij iederen Europeaan aan; en wij zouden niet gaarne het lot deelen van dien russischen officier, die per rijtuig van Wladikaukas naar Tiflis reizende, een eind weegs te voet wilde afleggen, en wiens laarzen alleen werden teruggevonden: hij was door de honden opgegeten.Wij keeren naar de stad terug om de winkels te bezoeken: die winkels zijn evenwel niet anders dan de bekende kleine oostersche winkeltjes of kraampjes, die men overal in de Levant aantreft. De baksteenen huisjes, die geene bovenverdieping hebben, zijn in twee winkels, een aan de voor- en een aan de achterzijde, verdeeld. Het gebouwtje is met een planken zoldering gedekt, in afwachting dat eene verdieping worde opgetrokken. Daar de grond niets of zoo goed als niets kost, heeft men de goedkoopste en vlugste manier van bouwen aangenomen. De winkeliers zijn voor het meerendeel Joden uit Bokhara of Perzen. Het voornaamste produkt van de inlandsche nijverheid zijn de tapijten, waarvan het fijne weefsel, de sierlijke patronen en de nooit verbleekende kleuren algemeen beroemd zijn. Deze tapijten, die sedert de komst der Russen zeldzaam zijn geworden, worden door de vrouwen, en wel vooral door de oude vrouwen, vervaardigd. In de winkeltjes ziet men enkele van deze vrouwen, die zich niet, als bij de Arabieren, het gelaat omsluieren. De bewoners der turkmeensche steppen zijn wel orthodoxe Mohammedanen, maar godsdienstig fanatisme is hun ten eenemale vreemd. Zoo gij er op staat, zal het u niet veel moeite kosten, in de gelegenheid te worden gesteld om de jonge meisjes van zuiver turkmeensch bloed te bewonderen in haar dagelijksch kostuum, een lang zijden hemd; of zelfs in haar feesttoilet: een sjerp van roode of gele zijde, muiltjes, armbanden, halskettingen, oorringen, goud borduursel, en op het hoofd dat monumentale kapsel, met muntstukken, valsche of echte steenen, gouden en zilveren ornamenten behangen, en dikwijls van zoodanigen omvang dat het gelaat er bijna in wegschuilt.De Tekkés zijn van nature veeleer landbouwers dan handelaars; sedert de komst der Russen arbeiden zij met veel ijver aan de spoorwegwerken. Zij zijn zeer goede werklieden, zeer ijverig en zeer nauwgezet. Generaal Annenkof gebruikte twee-en-twintigduizend inlandsche werklieden te gelijkertijd voor het leggen der spoorbaan. Men kan ook hieruit afmeten, met hoeveel energie het werk werd aangevat en voltooid. Voor het zeer matige loon van achttien tot twintig roebels per maand, verrichten de Tekkés, naar het schijnt, meer werk dan de beste perzische aardwerkers; zelfs knapen van vijftien, zestien jaar arbeiden even goed als de volwassenen en verdienen hetzelfde loon.IV7 September.—Ten acht uren des morgens melden wij ons aan bij generaal Annenkof, wiens trein gereed is om te vertrekken. De zon is heeter dan gisteren; wij bestijgen den open waggon, welke den trein sluit. De burgerlijke en militaire werklieden zijn sedert lang aan den arbeid. Langs de groepen der soldaten heengaande, zegt de generaal met luider stemme:“Goeden morgen, mijne kinderen!”En de soldaten staken hun werk, stellen zich in postuur, met de pink op de naad van de broek, en antwoorden in koor:“Wij wenschen Uwe Excellencie eene goede gezondheid!”De weg waarop wij rijden is eerst in de laatste dagen gelegd, sedert de hervatting der werkzaamheden, die tijdens de groote hitte gestaakt waren. Wij rijden niettemin met eene snelheid van twintig kilometers in het uur; maar de lange materieel-treinen, die dikwijls uit vijftig wagens bestaan, leggen niet meer dan vijftien kilometers in het uur af. De weg doorsnijdt de oude turkmeensche vesting, waarbinnen geene kibitka meer verrijzen zal, buigt zich dan naar het noordoosten, en bereikt een minder bevolkt gedeelte van de oase. Eenige kilometers voorbij Merw gaan wij over een vrij belangrijken arm van de Moergab: zoo als men weet, verliest deze rivier, welke vroeger inde Amoe-darja uitliep, zich thans in het zand van de Karakoem. De ijzeren brug waarover wij rijden is zoo goed als voltooid; de generaal wil haar beproeven en laat zijn trein met eene snelheid van veertig kilometers in het uur er over heen snorren. De proef gelukt: wij komen niet in de rivier terecht.Twee uren na ons vertrek komen wij aan den vermaarden constructietrein, die vijftienhonderd menschen kan bevatten, en die elken dag eene etappe verder naar het Oosten voortschuift. Hij staat voor ons stil, en ik tel vier-en-dertig wagens; te weten: vier wagens met twee verdiepingen voor de officieren; een waggon-eetzaal voor de officieren; een keuken-waggon voor de officieren; drie keuken-waggons voor de manschappen (drie kompagniën elk van tweehonderd man); een ambulance-waggon; een telegraaf-waggon; eene smederij-waggon; een waggon met levensmiddelen; een reserve-waggon met al hetgeen noodig is voor het leggen der rails over eene lengte van twee kilometers; en eindelijk twintig waggons met twee verdiepingen voor de huisvesting der manschappen en der werklieden (zeshonderd russische soldaten en driehonderd inlandsche aardwerkers). De russische soldaten en de aziatische werklieden zijn in afzonderlijke waggons gehuisvest. Een russische waggon is zeven meter lang en drie meter breed; hij heeft op elke verdieping ruimte voor vijf-en-twintig man, die in een soort van kooien boven elkander slapen.Voor de inwijding van het station te Merw bestond deze trein uit vijf-en-veertig wagens met vijftienhonderd soldaten en werklieden: er waren toen redenen om zooveel mogelijk voortgang met het werk te maken, welke nu niet meer bestaan. Voorbij Merw verliest de transkaspische spoorweg een groot deel van zijne strategische waarde. Het naaste en onmiddellijke doel van den spoorweg was de pacificatie en de verzekering van het rustig bezit der turkmeensche oasen: dat doel is den 14denJuli 1886 bereikt.Het is tien uren in den morgen: de generaal houdt algemeene inspectie. Wij stijgen te paard en volgen Zijne Excellencie onder de luide kreten en begroetingen van de soldaten en zelfs van de Tekkés, die op hunne manier het russische saluut uitschreeuwen. Wij rijden langs den trein, waarin zich nog een aantal soldaten bevinden, deels op hunne slaapsteden uitgestrekt, deels de thee klaarmakende. Als wij hierover onze verwondering te kennen geven, heldert de generaal ons het raadsel op. Om, in dit klimaat, maanden lang, een moeilijken arbeid te kunnen volhouden, is het volstrekt noodig, de krachten der arbeiders te sparen. De manschappen worden dus in twee brigaden van gelijke sterkte verdeeld, die dagelijks niet langer dan zes uren werken, de eerste van zes uren in den morgen tot ʼs middags, de andere van ʼs middags tot zes uren ʼs avonds.Twee spoorwegbataillons, transkaspische bataillons genaamd, worden gebezigd voor den aanleg en de exploitatie van den weg. Het eerste bataillon heeft in 1880 de lijn tot Kizil-Arwat gemaakt; het is nu belast met de exploitatie en met de telegraafdienst. Het tweede transkaspische bataillon wordt uitsluitend gebruikt voor het leggen der rails, het plaatsen van de telegraaf, en in het algemeen voor alle werken, die niet aan inlanders kunnen worden toevertrouwd. Dit bataillon is eerst onlangs gevormd en werd in den tijd van twintig dagen, van 10 Mei tot 1 Juni 1885, saamgesteld uit soldaten van het staande leger, die de vereischte bekwaamheden bezaten. Sedert de weg tot Merw is doorgetrokken, wordt een deel der manschappen van dit tweede bataillon gebruikt voor de exploitatie: voor het leggen der rails zijn nu nog zeshonderd man aangewezen.Al de aard- en metselwerken worden door inlandsche werklieden verricht. De soldaten met hun witte boezeroen en witte pet, die onder het oog van hunne te paard gezeten officieren zoo vlug en handig met de rails omspringen, raken geen schop of troffel aan. Zij vinden de baan vooruit gereed gemaakt door de inlandsche aardwerkers, die, onder opzicht van de ingenieurs, in ploegen verdeeld, daaraan arbeiden. Ieders taak is juist aangewezen, en elke botsing tusschen het militaire en burgerlijke element voorkomen.Zijn de plannen door de ingenieurs opgemaakt en door den generaal goedgekeurd, dan tijgt een ploeg Turkmenen, onder leiding en bevel van de ingenieurs, aanstonds aan het werk voor het gereed maken der aarden baan. Zulk een ploeg is dikwijls zeer talrijk en wordt dan in onder-afdeelingen gesplitst: de hoofdzaak is dat deze werklieden steeds vóór zijn.—Op dien eersten ploeg volgt het bataillon met het leggen der rails belast, waaraan inlandsche opperlui zijn toegevoegd, die het grove werk moeten doen en den soldaten alle noodelooze vermoeienis besparen. Hieruit blijkt, dat zoo in het russische leger eene zeer strenge discipline heerscht, de officieren ook wel degelijk voor de gezondheid der soldaten zorgen.—Is het spoor eenmaal gelegd, dan komen de ingenieurs met hunne werklieden om de laatste hand aan het werk te leggen: zij gaan aan de militaire brigade vooraf en volgen haar. Ook moeten zij voor het onderhoud zorgen.Het is niet meer dan natuurlijk, dat waar het leggen van het spoor zoo vlug geschiedt, er daarna nog het een en ander na te zien, bij te werken en te verhelpen valt. Ongetwijfeld is de weg niet aanstonds volkomen in orde, maar dat wordt ook niet verlangd. Het is voldoende dat de spoorbaan geschikt zij voor den militairen trein en voor de treinen met materieel, die tweemaal per dag aankomen: en dit doel is bereikt, want tot heden is nog geen enkel ongeluk voorgevallen.Terwijl de generaal mij dit een en ander mededeelt, zijn wij bij de manschappen gekomen, die met het leggen der rails bezig zijn; de twee laatste rails zijn juist op de dwarsliggers gespijkerd, en ik heb ter nauwernood den tijd om mijn paard op de aarden baan te drijven, of de twee volgende rails zijn ook gelegd: binnen weinige sekonden is de lijn zeven meters verder doorgetrokken in de richting van Samarkand.Vlak voor mij zie ik een licht wagentje, datdoor inlanders, onder bevel van een soldaat, op het zoo even gelegde spoor wordt voortgeduwd; op dit wagentje liggen tusschen de twaalf en twintig rails. Aan het einde van de laatst gelegde rails gekomen, staat het stil; vier soldaten staan gereed, twee aan iedere zijde van den weg; met hunne tangen nemen zij twee rails van het wagentje en leggen ze op de baan; andere soldaten plaatsen die rails in de juiste richting en bevestigen ze met drie hamerslagen op de dwarsliggers; dan rijdt het wagentje weer zeven meters verder; wederom worden twee rails ontladen en gelegd. Deze operatie wordt onafgebroken met mathematische nauwkeurigheid uitgevoerd; gestadig verlengt zich de spoorlijn naar het Oosten.Waar komen nu de rails en de dwarsliggers en het verdere materieel van daan?Tweemaal in de vier-en-twintig uren wordt al het benoodigde voor het leggen van twee wersten aangevoerd door een reusachtigen trein van vijf-en-veertig tot vijftig wagens. De eerste trein komt ʼs nachts aan, voor de morgenbrigade, die van ʼs morgens zes tot ʼs middags twaalf uur werkt.—De tweede trein komt in den voormiddag, voor de andere, wier taak om twaalf uren begint en ʼs avonds om zes uur eindigt.—Deze treinen moeten achter den militairen trein stoppen, want er is geen dubbel spoor. Zij lossen dus hun materieel achter dien trein: de rails aan den eenen kant van den weg, de dwarsliggers aan den anderen. Zoodra de lossing is afgeloopen, vertrekt de trein op nieuw om voorraad te halen voor den volgenden dag.Danzet zich de militaire constructietrein in beweging en rijdt terug tot voorbij de plaats waar straks de trein met materieel stond, zoodat de baan vrij is voor het vervoer van de rails en het overige naar het einde van het spoor. Stuit men op geen buitengewone hinderpalen, dan zijn om twaalf uur twee kilometers voltooid; deconstructietreinrijdt nu zoo ver door, het ontbijt der soldaten met zich brengende.Dan tijgt de tweede brigade aan het werk. De trein met materieel, die in den loop van den morgen is aangekomen, nadert zoo dicht mogelijk den constructietrein, lost zijne lading en vertrekt weer; de constructietrein loopt op zijn beurt eenige honderden ellen achteruit, en dezelfde werkzaamheden beginnen op nieuw voor het vervoer en het leggen der rails en der dwarsliggers. Als de avond invalt zijn wederom twee kilometers van den transkaspischen spoorweg voltooid.Op deze wijze is het mogelijk geweest, binnen weinige maanden het traject door de turkmeensche woestijn tot stand te brengen, en den schijnbaar onoverkomelijken slagboom op te ruimen, dien de natuur tusschen Rusland en Engeland had opgeworpen. Toen de generaal naar zijn trein terugkeerde, vroeg hij mij welken indruk dit alles op mij gemaakt had: ik gaf hem mijne ongeveinsde bewondering te kennen en voegde er bij, dat zijne wijze van werken ongetwijfeld tot voorbeeld zal genomen worden bij elken spooraanleg midden door woestijnen.In waarheid, de boven omschreven regeling schijnt zeer eenvoudig; men zou zoo zeggen, alles loopt van zelf: maar weinigen zullen beseffen, hoeveel inspanning, hoeveel nadenken, voorzorg en oplettendheid er noodig is geweest, om dezen regelmatigen gang van het werk te verzekeren en vertraging te voorkomen. Daartoe bestond meer dan eene aanleiding.Wij zijn in een mohammedaansch land, en in den loop van het jaar schrijft de Koran verschillende feesten voor, die soms lang duren. De Tekkés zijn wel geen fanatieke Muzelmannen, maar toch zeer gesteld op de feestdagen, die tevens rustdagen zijn: zij blijven dikwijls weg als men hen het meest noodig heeft. Deze werkstakingen zijn zeer lastig, wanneer men met vijftien- of twintigduizend arbeiders te doen heeft: maar toch heeft het werk aan den spoorweg er nooit ernstig door geleden. Gebeurt het soms, dat om eene of andere reden de trein met materieel oponthoud ondervindt, dan neemt men zijn toevlucht tot den voorraad in den constructietrein en tot de depôts van dwarsliggers en rails, die de zorgzame generaal langs de geheele lijn heeft doen aanleggen.Maar de muzelmansche feesten zijn niet de grootste moeilijkheid. Alles wat voor den bouw van den transkaspischen spoorweg noodig is, moet uit europisch Rusland komen en dus over de Kaspische-zee worden vervoerd. De vaart op die zee is dikwijls zeer lastig en gevaarlijk; bovendien is de haven van Astrakan gedurende eenige maanden door vorst gesloten. Van daar vertraging en stilstand in den aanvoer van materieel. Toch werd het werk met de grootste regelmatigheid en zonder eenige stoornis voortgezet: reeds aanstonds, bij den aanvang der werkzaamheden, had de generaal een aanzienlijken voorraad van materieel in de magazijnen doen opleggen; was het noodig, dan werd daaruit genomen wat men behoefde, en de voorraad vervolgens weder aangevuld en kompleet gehouden.Staan reeds Europeanen verbaasd over de spoedige voltooiing van dien reuzenarbeid, dan kan men begrijpen, welken indruk dit op de Tekkés van Merw moet maken. Zij beseffen dat het eene vergeefsche poging zou zijn, den strijd te willen aanbinden met de Russen, die al loopende twee ijzeren sporen hebben gelegd tusschen de zee en hunne oase. Deze ijzeren sporen, welke de verovering mogelijk hebben gemaakt, hebben niet minder bijgedragen tot de volledige onderwerping en de aanvaarding van den nieuwen toestand, waarvan men gevoelt dat hij voor goed gevestigd is. Ik durf niet beoordeelen of het precies waar is, wat Elisée Reclus zegt, dat de Turkmenen zoo eerlijk en trouw zijn, dat iemand die een ander geld leent daarvoor geene schuldbekentenis vordert of die bekentenis in handen van zijn schuldenaar laat; maar al zou ik niet zoo onbepaald op hun nakomen van het gegeven woord vertrouwen, dit is zeker, dat de vreeze het begin der wijsheid is.Het leggen der rails.Het leggen der rails.Wij ontbijten met generaal Annenkof in zijn open wagen en hebben van daar het uitzicht op uitgestrekte ruïnen, waarvan ik nog niet gesprokenheb. De plaats waar wij ons bevinden heet Baïram-Ali; daar stond het Oude-Merw, op een plateau dat minder aan de overstroomingen van de Moergab was blootgesteld dan het lage land langs den oever. Rechts en links van den spoorweg, tot op een afstand van drie of vier kilometers, zien wij brokken van muren, van vierkante torens, van vestingwerken, en te midden van die bouwvallen een grafmonument met een grooten koepel gedekt.De geschiedenis van deze streek, die tegenwoordig bijna onbewoond is, maar vroeger de zetel was eener bloeiende beschaving, is nog zeer in het duister gehuld. Naar het schijnt, kan men haar in drie groote tijdperken verdeelen, waarvan het eerste zich tot omstreeks de zesde of zevende eeuw onzer jaartelling uitstrekt. Volgens de traditie zouden er in dien tijd twee groote bloeiende steden hebben bestaan, waarvan de eene door Zoroaster, de andere door Alexander de Groote zou zijn gesticht. Wel wijst men u enkele ruïnen aan, welke voor overblijfselen dezer steden worden gehouden; maar met zekerheid weet men omtrent dat tijdperk niets. Misschien zullen nasporingen en opgravingen daaromtrent eenig licht kunnen verspreiden.Het tweede tijdperk begint met de muzelmansche verovering. Omstreeks acht eeuwen geleden werd door sultan Sandjar de naar hem genoemde stad Sultan-Sandjar-Kala gesticht: het met den koepel gekroonde gebouw is zijn grafmonument. Deze machtige monarch, die uitgebreide waterwerken aanlegde, om de Moergab aan de uitbreiding van den landbouw dienstbaar te maken, was eigenlijk niet meer dan de stedehouder van den Khalief van Bagdad, die zich, als zoo vele andere stadhouders, bij het zinken van het khaliefaat, onafhankelijk had gemaakt. In de vijftiende eeuw werd Turkmenië door de Mongolen overstroomd: Merw, destijds de mededingster van Samarkand, werd verwoest. Men verhaalt dat Dsjenghis-Khan al de bewoners der rampzalige stad, ten getale van zevenhonderd-duizend, liet ombrengen.Het derde tijdperk eindelijk omvat het zoogenaamde perzische tijdvak, toen een groot deel van Turkmenië, althans in naam, van den Shâh van Perzië afhankelijk was. In dien tijd valt de stichting van een nieuw Merw, thans nog onder den naam van Baïram-Ali bekend. Ook deze stad telde in haar bloeitijd, naar men verzekert, eenige honderdduizenden inwoners: en de uitgestrektheid der ruïnen schijnt voor de waarheid der traditie te pleiten. De waterwerken werden hersteld; het land bloeide en genoot eene hooge mate van welvaart; maar in 1787 werden de Turkmenen van Merw geslagen door Maäzoen-Khan, emir van Bokhara, die de stad verwoestte, een groot deel der inwoners als gevangenen wegvoerde en de stuwen en waterwerken vernielde, waardoor een groot stuk van de oase tot een woestijn werd gemaakt.De oase schijnt toen gedurende eenigen tijd onbewoond te zijn geweest: daarna werd zij weder ingenomen door de Turkmenen van Pendjdeh, bekend onder den naam van Sarikhs. Hunne heerschappij duurt tot omstreeks 1830, toen zij door de ingeborenen des lands, de Tekkés, werden verdreven. Deze Tekkés, aangevoerd door een befaamden bandietenhoofdman, Kaoetsjoe-khan, werden de schrik van alle buren; zelfs de Russen hadden van hunne strooptochten te lijden. In 1855 verslaat Kaoetsjoe de troepen van den khan van Khiwa, maakt hem zelven gevangen en slaat hem het hoofd af, dat hij aan den Shâh van Perzië zendt. Pogingen, door de perzische regeering aangewend, om de vroegere opperhoogheid over Merw te herwinnen, mislukken ten eenenmale; in 1861 werden de Perzen geslagen en moesten terugtrekken met achterlating van een dertigtal kanonnen, die men nog te Merw, naast de woning van kolonel Alikhanoff zien kan. Latere expeditiën hadden geen beter gevolg of werden wel ontworpen maar niet uitgevoerd. Om zich tegen een dreigenden aanval der Russen te kunnen verdedigen, liet Kaoetsjoe-khan de groote citadel van Merw bouwen, die een omtrek heeft van acht kilometers. Toen de oorlog met Rusland eindelijk, in 1879, uitbrak, was Kaoetsjoe-khan reeds overleden: voor de muren van Ghéok-Tépé bracht zijn opvolger het russische leger eene nederlaag toe. Een veldtocht van een jaar, een geregeld beleg van eenige weken was noodig om deze krijgshaftige bandieten te dwingen en tot onderwerping te noodzaken. Omstreeks drie jaren na den val van Ghéok-Tépé bood Merw vrijwillig zijne onderwerping aan en werd de geheele oase bij het reusachtig rijk der Tsaren ingelijfd.De Russen schijnen er zich op te verstaan, om de verschillende volksstammen, die zij onder hun gezag vereenigen, ook voor zich te winnen en met de vreemde heerschappij te verzoenen. Hier althans zou niets u doen vermoeden, dat ge in een veroverd land zijt; uit de inlanders worden speciale korpsen gevormd, die bij een eventueelen oorlog groote diensten kunnen bewijzen, en waarbij de khans of aanzienlijken den graad van officier kunnen verwerven. Maar tusschen deze inlandsche en de russische officieren bestaat volstrekt geene gelijkstelling: al zijn de khans ook tot den rang van kolonel opgeklommen, zal hun toch nimmer het bevel over eene afdeeling kozakken worden opgedragen, en de tweede luitenants van het nationale leger bewijzen hun wel de eer, die zij hun volgens de militaire wet verschuldigd zijn, maar laten zich verder niet met hen in. Men acht de handhaving van dit onderscheid noodig voor het prestige van het heerschende ras.Wij mogen de gelegenheid niet verzuimen, om de ruïnen van het oude Merw te bezoeken, die in Europa bijna geheel onbekend zijn. Paarden worden gezadeld; een turkmeensche gids in russische dienst wordt ontboden: wij gaan op weg. Het zijn prachtige, sierlijke dieren, die turkmeensche paarden, met hun fijnen kop, hunne smalle borst, hunne gespierde pooten. Van gemengd arabisch ras, zijn zij nog beter tegen vermoeienissen bestand dan de volbloed arabische paarden. Zonder bezwaar kunnen zij een week lang honderd kilometer per dagafleggen. Zij worden in de tent, met de kinderen van het gezin groot gebracht en door de vrouwen gestreeld en geliefkoosd; het ontbreekt hun aan niets; ook waar, in eene armzalige kibitka, de meester en zijn gezin met lompen zijn gekleed, heeft het paard nog een goed warm dek.Aan de linkerzijde van de spoorbaan liggen de overblijfselen der oude stad Sultan-Sandjar-Kala, waarvan slechts de voornaamste monumenten nog staande zijn gebleven. Van de gewone huizen is hier, evenmin als in het latere Baïram-Ali, bijna geen spoor meer over: trouwens, dit laat zich begrijpen, daar verreweg de meeste gebouwen van pisé, gestampte aarde, zijn opgetrokken. Waar zal men ook in de eindelooze steppe steen vinden? De kleiaarde, in de zon gedroogd, verkrijgt voldoende hardheid om muren te bouwen van ettelijke ellen hoogte bij eene dikte van veertig tot vijftig duim. Het vervaardigen van baksteen was en is nog zeer kostbaar: niet dan bij uitzondering werd daarvan gebruik gemaakt. Met verbazing staat men stil voor deze vaak kolossale gebouwen, waarbij geen enkele steen is gebruikt, en die toch betrekkelijk goed bewaard zijn gebleven. Uit de verte zou men ze voor gewone gebouwen aanzien, en toch is alles louter aarde.Wij rijden langs een vormeloozen wal of dijk, volgens onzen gids, de omwalling der stad van Alexander. Heel zeker is hij daarvan niet, want als ge hem met vragen lastig valt, zal hij gereedelijk toegeven dat gij de overblijfselen voor u hebt van de stad van Zoroaster, van Ghiaoer-Kala (de sterkte van den ongeloovige). Als ge den wal beklimt, ziet ge niets dan de vlakke kale steppe, met hoog geel gras begroeid, en hier en daar eenige heuvels van aarde of scherven en puin. Vermoedelijk zouden hier niet onbelangrijke opgravingen zijn te doen.Wij begeven ons naar de weinige monumenten, die in de stad van sultan Sandjar nog de aandacht trekken. Dat zijn vooreerst twee groote gewelfde portieken of nissen, waarvan de achterwand met gekleurde tegels bekleed is: ongetwijfeld behoorden deze ruïnen vroeger tot eene moskee. Tegenover de portieken ziet men twee sarkophagen, insgelijks van baksteen, en in die sarkophagen twee kisten van dezelfde bouwstof, met een wit marmeren zerk gedekt. Niemand kan mij zeggen, wie daar begraven ligt. De graven schijnen nieuw, maar zijn toch, volgens onzen gids, eenige eeuwen oud.—Wij rijden vervolgens langs eene soort van citadel, waarvan de aarden wallen aan de buitenzijde met regelmatige vertikale insnijdingen zijn versierd, die een zonderling effekt maken: het is als zag men eene rij reusachtige overeind staande worsten. Eindelijk komen wij aan de belangrijkste ruïne der geheele streek, aan het graf van sultan Sandjar, op eene hoogte of terp gebouwd, waardoor het monument, uit de verte gezien, veel hooger schijnt dan het werkelijk is. Verbeeld u een rechthoekig gebouw, aan iedere zijde achttien tot twintig el breed, en gedekt door een koepel, die zich vijf-en-twintig el boven den grond verheft; alles van baksteenen, die door zoo hard cement verbonden zijn, dat zelfs het breekijzer daarop afstuit. Twee kleine deuren tegenover elkander geven toegang tot het inwendige van het gebouw, maar zij zijn zoo laag, dat een der officieren, prins Gagarin, even hoog van statuur als van geboorte, zich bijna in tweeën moet vouwen om binnen te gaan. Binnen getreden, moet ge twee of drie el afdalen om den vloer van het monument te bereiken. Waar is nu de tombe van sultan Sandjar? Is zij ergens verborgen of door Dsjenghis-Khan vernield? Misschienzullenlatere onderzoekingen dit raadsel ophelderen.Wij begeven ons nu naar de perzische stad Baïram-Ali, waardoor de spoorweg loopt. Een vrij groot aantal partikuliere woningen, vroeger zeker het eigendom van aanzienlijken en hoofden, zijn nog in tamelijk goeden toestand bewaard gebleven en bieden des noods den reiziger nog eene verblijfplaats aan. Bijna allen zijn naar hetzelfde model gemaakt, en bestaan in de eerste plaats uit een vierkant gebouwtje van zes tot tien meter hoog, in twee verdiepingen verdeeld. Eene zeer smalle lage deur geeft toegang tot de benedenverdieping; een trap ontbreekt, zoodat de bovenverdieping alleen met behulp van een ladder bereikbaar was; blijkbaar is dit zoo gemaakt met het oog op de verdediging tegen een vijandelijken aanval: dan was die bovenverdieping de laatste wijkplaats. Dit gebouwtje—men zou kunnen zeggen, deze vestingtoren—is op eenigen afstand omringd door een muur van omstreeks drie el hoogte, waarbinnen zich ongetwijfeld de eigenlijke woning van het gezin bevond: in dien muur was slechts een enkele doorgang, waartegenover, aan de buitenzijde, zich een klein gebouwtje bevond, bestemd tot wachthuis voor soldaten of tot verblijfplaats voor de slaven.Deze woningen zijn geheel van leem en kleiaarde en bevatten maar zeer weinig baksteen. Het gebruikvanpisé of van in de zon gedroogde steenen is niet alleen veel goedkooper, maar verdient ook uit het oogpunt van koelte en frischheid de voorkeur. Generaal Annenkof heeft opgemerkt, dat, in het heete jaargetijde, een verschil in temperatuur van tien tot twaalf graden valt waar te nemen te nemen tusschen huizen die van gebakken steen en huizen die van in de zon gedroogden steen zijn gebouwd.Het voornaamste monument van Baïram-Ali is de citadel, waarvan de muren met halfronde torens onwillekeurig aan het Kremlin herinneren. De omwalling is rechthoekig, en beslaat eene oppervlakte van omstreeks drie kilometers. De overblijfselen der poorten van de vesting zijn zeer bezienswaardig. In waarheid, de ruïnen van het oude Merw verdienen de aandacht der geleerden: wij zijn geen geleerden, en toch vergeten wij hier onzen tijd. Waarom is kolonel Alikhanoff niet bij ons? Hij zou ons misschien kunnen zeggen, wat die brokstukken van gebouwen eigenlijk beteekenen, waarvan wij te vergeefs de oorspronkelijke gedaante trachten te raden; hij zou ter verklaring de toevlucht kunnennemen tot de turkmeensche traditiën, waarvan hij volkomen op de hoogte is.De avond was reeds gedaald, toen wij onze paarden in galop zetten om naar den trein van den generaal terug te keeren, waarvan de lichten ons op een afstand van drie kilometerstegenblonken. Maar wij hebben het ongelukkig getroffen met onzen gids. Het terrein dezer verlaten steden wordt doorsneden door diepe grachten, die geheel begroeid en daardoor, vooral in de duisternis, voor de paarden niet te onderkennen zijn. Wij komen veel te laat ter plaatse onzer bestemming; gelukkig is de generaal voorkomend en ziet hij wat door de vingers ter wille van onze archeologische liefhebberijen.Ingang der citadel van Merw.Ingang der citadel van Merw.Het is vinnig koud op den open wagen: de uit Siberië komende noordoosten wind verstijft ons met zijn ijzigen adem. Voeg daarbij, dat een fijne regen ons voortdurend in het gezicht waait, nog verschroeid door de gloeiende zonnestralen van den vorigen dag. Er is inderdaad niet meer noodig om de koorts te krijgen; deze plotselinge overgangen van temperatuur maken het klimaat van deze streek voor vele gestellen zeer gevaarlijk. Na twee maanden van tropische hitte (Juli en Augustus), steekt plotseling een koude noordenwind op, waarmede de herfst aanvangt, die tot November duurt. De boomen ontbladeren zich en het voorkomen der oase ondergaat eene geheele verandering. Dan begint de winter met zeer strenge koude (vijftien tot twintig graden Celsius onder nul) en aanhoudende stormen uit het noordoosten. De lente (April en Mei) is misschien het eenige wezenlijke goede en aangename jaargetijde, waarin weldadige regens de warmte temperen en het aardrijk verkwikken, dat zich dan weer met zijnen groenen dos tooit. Men moet echter wel in het oog houden, dat er geene vergelijking is te maken tusschen de zon van Merw en die van sommige lage vochtige streken nabij de evennachtslijn: gevallen van zonnesteek zijn hier zeldzaam en niet gevaarlijk, hoewel de russische soldaten slechts eene eenvoudige witte pet dragen, die den nek onbedekt laat. Dit alleen bewijst, dat de zonnestralen, hoe ze ook mogen branden, hier veel minder te duchten zijn dan bij voorbeeld in de Roode-zee of in de indische kustlanden.Merw in den winter.Merw in den winter.

IIISedert de feestelijke inwijding van het station te Merw zijn niet meer dan twee-en-vijftig dagen verloopen; na dit feest werd aan de troepen zes weken rust gegund; maar nu is men overal druk bezig met bouwen, zoowel bij het station als in de stad. Wij stappen uit den trein en vertrouwen onze valiezen aan perzischefacchini; omnibussen of openbare rijtuigen vindt men hier nog niet, maar ook dat zal wel komen. Te Askhabad bestaat zoo iets reeds. Overigens behoeft men niet ver te gaan: de nieuwe stad grenst vlak aan het station. De wandeling heeft dus op zich zelve niets te beteekenen: maar het stof! Tot over de enkels waadt gij door het stof, ge ademt het met volle longen in, het omgeeft u als eene dichte wolk. Dit is bepaald nadeelig voor de gezondheid; hierin moet en zal ook wel verbetering komen, maar men kan niet alles op eens verlangen.Onder het geleide van een jongen Pool, die duitsch spreekt en ons als tolk dient, gaan wij naar het voornaamste hôtel: daar zijn geen kamers open. Wij vervolgen onze wandeling door de breede straten, waar de zon brandt en nog geen lommer verkwikking schenkt, en begeven ons achtervolgens naar vijf logementen, allen opgevuld met officieren en ambtenaren. De zaak begint ernstig te worden: er rest ons nog maar één logement, dat pas voor eenige dagen is geopend en zelfs nog geen naam heeft; de metselaars leggen er de laatste hand aan en de kalk is nog niet droog. Men geeft ons zeer kleine kamertjes in de benedenverdieping: trouwens, alle hôtels hebben, even als de andere huizen en gebouwen, slechts eene verdieping. Een bed, een ongeverfde houten tafel, twee matten stoelen, maken het ameublement uit; het bed is een eenvoudige plank, bedekt met een dunne matras, welke met keisteenen schijnt opgevuld; als ik de deken oplicht komt een aardige duizendpoot te voorschijn, die haastig in den grond verdwijnt: een houten vloer is er nog niet. Ik deel al deze bijzonderheden mede, om eenig denkbeeld te geven van de ontberingen, die de Russen in deze streek hebben moeten lijden, van hunne taaie volharding en ontembare energie. En nu is de tijd der groote hitte nagenoeg voorbij; de laatste storm uit het noordoosten heeft eensklaps scheiding gemaakt tusschen den zomer en den herfst; acht dagen te voren teekende de thermometer, bij dag en bij nacht, tusschen de 40 en 45° (Celsius). Dan wemelt het overal van schorpioenen en van allerlei kruipend gedierte, het een al vergiftiger dan het andere. Nu is al dat gedierte weggekropen in den grond, in de spleten en gaten, welke men overal ook in de huizen aantreft, en zij houden zich daar schuil tot het volgende voorjaar. Maar in dien tusschentijd zullen de gaten wel zijn dicht gestopt en de planken vloeren gelegd.Na een ontbijt, dat u, zoo ge een lekkerbek zijt, zeker zou hebben doen walgen, gaan wij op weg om een bezoek af te leggen bij generaal Annenkof, directeur-generaal der werken van den transkaspischen spoorweg. Eene voorloopige houten brug van vijftig meter lengte, waarvan ook de spoorweg gebruik maakt, voert over de Moergab. De handelswijk, waar wij afgestapt zijn, ligt op den linker oever der rivier; haar rechtlijnige straten, die elkander kruisen, hebben overvloedige ruimte om zich in de oase te verlengen; zij prijken met jonge boompjes, die nu nog geen schaduw geven, maar over eenigen tijd de zonnige straten in fraaie boulevards zullen herscheppen. De administratieve wijk zal op den anderen oever der rivier verrijzen. De kern daarvan wordt reeds gevormd door een tiental groote gebouwen van baksteen, die een vrij goed figuur maken en bestemd zijn voor de burgerlijke en militaire ambtenaren en voor de beambten van den spoorweg. Ook de groote turkmeensche citadel ligt op den rechter oever; haar aarden wallen, welke de spoorweg doorsnijdt, zullen de toekomstige russische stad omgeven, welke alzoo geheel afgescheiden zal zijn van de handelswijk, waar het inlandsche element de overhand heeft.Na eene flinke wandeling in de brandende zon, ontdekken wij de woning van den generaal. Het is twee uur: het uur der siesta voor hen, die zich dat genot mogen gunnen. Maar niet ieder heeft daartoe den tijd. Wij worden aanstonds bij den generaal toegelaten. Zijne Excellencie, in uniform, omringd door tafels die met papieren, teekeningen en kaarten bedekt zijn, ontvangt ons met de grootste vriendelijkheid. Zijn geheele voorkomen teekent den werkzamen energieken man, die al zijne krachten wijdt aan de spoedige voltooiing van eene groote strategische onderneming.“En uweotkrytyi-list?vraagt hij eensklaps.—O! des te beter: alles is in orde. Ik heb zeer stellige en strenge bevelen, en het zou mij leed hebben gedaan, maar..... Hebt gij te Askhabad generaal Komarof gezien? Niet! Nu, dan moet ge nog heden uwe opwachting maken bij den kolonel Alikhanoff, den gouverneur van Merw, en bij den kolonel Liniëwitsch, den bevelhebber der troepen. En wacht niet, met hun uwe papieren te laten zien, tot zij u daarnaar vragen. Ik zal u mijn ordonnans medegeven en wacht u, heden avond, te dineeren, in mijn trein. Sedert vijftien maanden heb ik geen ander logies.”Wij vertrekken, voorafgegaan door een kozak, wiens borst behangen is met ordeteekens van Sint-George. Dit is eene ernstige onderscheiding, die wat te beteekenen heeft. Zoo vaak gij in Rusland het geel-zwarte lint op de borst van een officier of een soldaat ziet, weet ge met wien ge te doen hebt. De statuten dezer orde laten geene ruimtevoor gunstbewijs of willekeur: even als bij ons ten aanzien van de militaire Willemsorde, moet men ook, om de Sint-George-orde te verwerven, onder bepaalde omstandigheden zijn leven hebben gewaagd, deze of die uitstekende daad hebben verricht, om recht te hebben op het kruis van deze of die klasse. Het eenige onderscheid is, dat deze kruisen te gelijk gedragen worden: wie tot eene hoogere klasse opklimt, blijft toch het insigne van de lagere dragen. Op de handhaving van de regels dezer orde wordt zoo streng gelet, dat zelfs de tegenwoordige Keizer het kruis der eerste klasse niet bezit: alleen de grootvorsten Michael en Nikolaas bezitten dat, omdat zij, gedurende den laatsten turkschen oorlog, nieuwe provinciën aan het rijk hebben toegevoegd. De kozak, die ons vergezelt, is verscheidene malen gedekoreerd met het soldatenkruis; generaal Annenkof heeft het nog niet tot het officierskruis gebracht, ondanks eene ernstige verwonding: aan het gevest van zijn degen draagt hij een geel-zwart dragon, in zekeren zin het zinnebeeld van onnoodig moedbetoon. De generaal zelf verhaalt ons, dat hij aan zijn arm getroffen werd, omdat hij, zonder noodzaak, zich aan de zijde van Skobeleff aan een moorddadig geweervuur had blootgesteld.Wij waden inmiddels door het afschuwelijke stof, waartegen onze hooge laarzen ons ter nauwernood beschermen. De kolonels Liniëwitsch enAlikhanoff, die niet onder de bevelen staan van generaal Annenkof, aan wien uitsluitend de leiding der spoorwegwerken is opgedragen, ontvangen ons zeer vriendelijk, al is hunne gebrekkige kennis van het fransch een hinderpaal voor onze conversatie. Vooral de kennismaking metAlikhanoffinteresseerde mij zeer. Wie heeft niet hooren spreken van dien held, in het russische leger weinig minder beroemd dan Skobeleff zelf? Hij woont niet in een huis, maar in eene reusachtige tent, versierd met perzische en turkmeensche tapijten, met tropeeën van oostersche wapenen en soortgelijke zaken; met zijne hooge vorstelijke gestalte, zijn mannelijk schoon indrukwekkend gelaat, zijn prachtigen blonden baard, zou men hem, in deze omgeving, voor den beheerscher, den khan des lands kunnen aanzien. En dat is hij ook inderdaad. Afkomstig uit den Kaukasus, van geboorte een lesghische khan, wiens ware naam eigenlijk Ali is, heeft hij meer dan iemand anders bijgedragen tot de onderwerping van Merw: zijne hoedanigheid van Muzelman maakte hem bij voorkeur geschikt tot het voeren der onderhandelingen met de weduwe van den laatsten khan van Merw, die hare onderdanen tot onderwerping aan Rusland wist te bewegen. Hij oefent een bijna onbeperkten invloed uit op zijne geloofsgenooten, die te eerder zich aan zijne bevelen onderwerpen, omdat zij daardoor althans den schijn kunnen vermijden, aan een Christen te gehoorzamen. Daarbij is de roem van zijne schier fabelachtige dapperheid alom verspreid en omgeeft hem de glans van het avontuurlijke. Reeds tot den rang van kolonel opgeklommen, werd hij wegens een ongelukkig duel—het duel is in het russische leger verboden—van zijn rang ontzet; tot gemeen soldaat gedegradeerd, herwon hij in weinige jaren zijne epauletten; het laatst onderscheidde hij zich te Koetska, waar hij, onder de oogen van zijn chef, den generaal Komarof, eene ernstige kastijding toediende aan de Afghanen, die zich zelven voor onoverwinnelijk hielden. Alikhanoff, thans voor de tweede maal kolonel, gouverneur van het district Merw, opperste khan van de groote oase, is eerst vijf-en-dertig jaar oud!Deze bezoeken hielden ons bezig tot zeven uur, het uur voor het diner. De generaal had ons vooruit gewaarschuwd, dat wij het zonder dames moesten stellen: inderdaad zijn in het kamp geene vrouwen te vinden. Men heeft hier zoo veel te doen en werkt zoo ijverig, dat men het gemis niet voelt. Zelfs onder het diner wordt de arbeid niet vergeten. De generaal, die open tafel houdt, spreekt met zijne officieren en zijn ingenieurs over de te verrichten werkzaamheden, wint hunne adviezen in en laat zich tot in de geringste bijzonderheden omtrent alles inlichten. Zoodra de koffie is rondgediend, staat Zijne Excellencie op, groet en begeeft zich naar zijn waggon. Men gaat hier over het algemeen vroeg ter ruste om den volgenden morgen vroeg te kunnen beginnen.De trein, waarin wij zoo vriendelijk en gastvrij ontvangen worden, verdient wel eene korte beschrijving. Hij bestaat uit vijf wagens: een waggon met twee verdiepingen, die logies bevat voor den generaal, voor den dienstdoenden adjudant, voor den particulieren sekretaris en voor de ordonnancen; een waggon-eetzaal, waar gemakkelijk twintig personen kunnen aanzitten; een keuken-waggon; een bureau-waggon, waar de stukken, kaarten enz. zijn geborgen en waar de adjudant arbeidt; een open wagen, die met een licht dak is overdekt en van stores voorzien, waaruit men den weg kan overzien en waar, bij mooi weer, ook gegeten wordt.Het appartement van den generaal is keurig, smaakvol, maar is een miniatuurkamer. Verbeeld u dat ge in eensleeping-carmoest wonen! Maar het is gemakkelijk: men heeft alles vlak bij de hand. Als ge u des avonds ter rust begeeft, bepaalt gij het uur van vertrek: middernacht, twee uur, vijf uur in den morgen; de trein vertrekt zonder dat ge voor uw gewonen tijd behoeft op te staan; en op het bepaalde uur zijt gij ter plaatse uwer bestemming, met uw papieren, uw teekeningen, uwe geheele bibliotheek.Bij het heengaan spreekt de generaal met ons af, dat wij overmorgen ochtend bij hem zullen komen: wij zullen dan met hem een tocht maken in de richting van de Amoe-darja.6 September.—Wij hebben zeer slecht geslapen in ons logement, dat sedert weinige uren den weidschen naam draagt van Slavisch hôtel. Ik herinner mij, dat ik in Griekenland—niet te Athene, maar in de kleine binnenstadjes—aan tafel een zelfde servet gedurende verscheidene dagen door verschillende gasten heb zien gebruiken. Maakte iemand er aanmerking op, dat hij een vuil servet kreeg, dan antwoordde de bediendedood bedaard: “Κύριε(Heer), het is pas twee keer gebruikt.”—Hier gebeurt hetzelfde, niet enkel met servetten, maar ook met de beddelakens of liever met het eenige laken, waarin ge u zoo goed mogelijk wikkelen kunt. Al het linnengoed van onze gastwaardin wordt, met haar oude japonnen, in een koffer bewaard. Erger u daarover niet: al wat ge hier aanschouwt bestaat eerst sedert drie of vier maanden: deze stad van drieduizend zielen is als uit den grond verrezen: zij breidt zich met den dag uit en voltooit langzamerhand hare inrichting. In het volgende jaar zult ge hier ongetwijfeld goed logies kunnen vinden; over twintig jaar zal zij een der groote metropolen van Azië zijn. Na de voltooiing van den transkaspischen spoorweg zal Merw de stapelplaats worden van den handel van Centraal-Azië, van Bokhara, Kokhan, Badaksjan, Afghanistan; hare strategische beteekenis zal haar voor de russische regeering nog hooger belang bijzetten.In de vorige eeuw was de oase van Merw beroemd, zoowel om hare uitgestrektheid (zeshonderd-duizend hektaren), als om hare buitengewone vruchtbaarheid: de klaver leverde hier zeven oogsten per jaar, het koren gaf honderd korrels voor één. Volgens een oud oostersch spreekwoord, bracht te Merw een schepel koren honderd schepels voort. Deze staat van zaken heeft eene groote verandering ondergaan ten gevolge van de eindelooze oorlogen en veeten, waarin de Tekkés met al hunne naburen waren gewikkeld; maar de natuur van den grond schijnt geene verandering te hebben ondergaan, en niets belet de Russen om aan de streek hare vroegere welvaart terug te geven. Zij zullen dit kunnen doen door het herstellen van vervallen stuwen en andere werken, die het water van de Moergab ophielden en naar een aantal irrigatiekanalen afleidden. Reeds is daarmede een aanvang gemaakt; en na de voltooiing van die werken zal Merw op nieuw de korenschuur van Voor-Azië worden en, zoo noodig, ruimschoots kunnen voorzien in de behoeften van een russisch leger, dat in de vallei van den Indus zou moeten opereeren.Een straat te Merw.Een straat te Merw.Terwijl wij een kop thee gebruiken, komen kolonel Liniëwitsch en vervolgens generaal Annenkof ons een bezoek brengen. Het is nog zeer warm; de kolonel heeft zijn groen laken uniform aangetrokken, maar de generaal draagt een tenue van wit coutil met eene blauwe roodgestreepte broek. Zoo mag ik het zien: dat is praktisch. In de warme en gematigde provinciën des rijks hebben de russische soldaten een zomer- en een wintertenue, de groene en de witte uniform met eene groene en eene witte pet. Men schikt zich naar het klimaat, en alleen bij buitengewone gelegenheden kunnen de soldaten van koude huiveren: maar dan wikkelen zij hun hoofd en hun hals in een wollenbashlik, die geen tochtje doorlaat. Alleen de laarzen, die het been steunen zonder den marsch te bemoeilijken, worden het geheele jaar door gedragen.Wij doen den generaal uitgeleide. Eene karavaan zwaar beladen kameelen trekt juist voorbij, vergezeld van den onvermijdelijken ezel; op den ezel zit een jongen met eene vervaarlijke mutsvan schapenwol op het hoofd, die zonder ophouden met zijn stok het grauwtje slaat. Naar het schijnt, voelt de kameel zich bijzonder tot den ezel aangetrokken: hij volgt hem gedwee en regelt trouw zijn stap naar dien van zijn geleider, aan wien hij door een touw, dat hem in den mond gelegd wordt, is verbonden. Twee afschuwelijke Turkmenen, gekleed met de vuile gescheurde lange jas en met de reusachtige muts op het hoofd, dribbelen achter de karavaan aan. De generaal ziet hen met blijdschap: zij komen van Bokhara. Sedert de laatste tien of twaalf maanden, is de uitvoer van Bokhara naar Merw, bestaande in katoen, wollen stoffen, zijde, fijne houtsoorten, gestegen tot vijf millioen pond, dat wil zeggen tachtigduizend ton. Dat is een goed begin, en de bazar van Merw heeft reeds zekere beteekenis verkregen. Tweemaal per week wordt er op een open terrein, in de onmiddellijke nabijheid der stad, eene markt gehouden, die zeer druk wordt bezocht en wel, voorliefhebbersvan lokale kleur, de moeite van een bezoek waard is.Graftombe van sultan Sandjar. (Bladz. 367.)Graftombe van sultan Sandjar. (Bladz. 367.)Maar, mijn hemel! wat zijn die Turkmenen voor verreweg het meerendeel leelijk! Waar zijn de fiere, indrukwekkende krijgslieden, met den vlammenden, doorborenden blik, met de vorstelijke, krijgshaftige houding, waarvan de vroegere reizigers in de turkmeensche woestijn met zooveel ophef spreken. Om mij heen zie ik mannen met een breed laag voorhoofd, kleine, eenigszins schuin staande oogen, een min of meer platten neus, vrij dikke lippen, wijd uitstaande ooren, een dunnen zwarten baard en kort dik hair. Voeg daarbij dat hunne kleur zeer donker is, hun lichaamsbouwforsch en gespierd, hunne gestalte boven het middelmatige, en dat zij in den regel sterker zijn dan de Westerlingen. Maar iets edels of krijgshaftigs kan ik in hun voorkomen niet vinden; mijns inziens komen zij niet in vergelijking met de Arabieren. Is het oorspronkelijke ras misschien verbasterd door de vermenging met iranisch bloed? Wij zijn hier wel op tamelijken afstand van Perzië, maar de strooptochten der Turkmenen strekten zich zeer ver uit. Even als in de oasen van Atek en Akhal-Tekké en nog op andere plaatsen, heeft ook te Merw de verbintenis met uit Perzië medegevoerde vrouwen den oorspronkelijken type van het tartaarsche ras kunnen wijzigen. Zij erkennen zelven dat deze vermenging met een ontaard en diep vervallen volk geene goede vruchten heeft opgeleverd; de Turkmenen van het binnenland zien dan ook met zekere minachting neder op de stammen langs de grenzen, wier bloed niet meer zuiver is. Elke krijgsman van naam acht zich verplicht, althans ééne vrouw van zuiver turkmeensch ras te hebben, en de uit haar geboren kinderen worden van edeler bloed gerekend dan de anderen.Terwijl wij den rechter oever van de Moergab volgen, langs den voet der aarden wallen van de inlandsche citadel, zeker niet minder uitgestrekt dan die van Ghéok-Tépé, komen wij aan een groot kamp, waarvan de tenten welhaast eene inlandsche stad mogen heeten, naast de handelswijk, welke voor een groot deel door Joden uit Bokhara wordt bewoond. Gaarne zouden wij zulk eenekibitka(tent) hebben bezocht, en een blik geworpen op de tapijten waarmede zij versierd is, en vooral op de turkmeensche vrouwen, die in de straten van Merw niet te zien zijn. Maar de woeste, zeer gevaarlijke honden, die rondom het kamp de wacht houden, noodzaken ons op een eerbiedigen afstand te blijven: zonder onderscheid vallen zij iederen Europeaan aan; en wij zouden niet gaarne het lot deelen van dien russischen officier, die per rijtuig van Wladikaukas naar Tiflis reizende, een eind weegs te voet wilde afleggen, en wiens laarzen alleen werden teruggevonden: hij was door de honden opgegeten.Wij keeren naar de stad terug om de winkels te bezoeken: die winkels zijn evenwel niet anders dan de bekende kleine oostersche winkeltjes of kraampjes, die men overal in de Levant aantreft. De baksteenen huisjes, die geene bovenverdieping hebben, zijn in twee winkels, een aan de voor- en een aan de achterzijde, verdeeld. Het gebouwtje is met een planken zoldering gedekt, in afwachting dat eene verdieping worde opgetrokken. Daar de grond niets of zoo goed als niets kost, heeft men de goedkoopste en vlugste manier van bouwen aangenomen. De winkeliers zijn voor het meerendeel Joden uit Bokhara of Perzen. Het voornaamste produkt van de inlandsche nijverheid zijn de tapijten, waarvan het fijne weefsel, de sierlijke patronen en de nooit verbleekende kleuren algemeen beroemd zijn. Deze tapijten, die sedert de komst der Russen zeldzaam zijn geworden, worden door de vrouwen, en wel vooral door de oude vrouwen, vervaardigd. In de winkeltjes ziet men enkele van deze vrouwen, die zich niet, als bij de Arabieren, het gelaat omsluieren. De bewoners der turkmeensche steppen zijn wel orthodoxe Mohammedanen, maar godsdienstig fanatisme is hun ten eenemale vreemd. Zoo gij er op staat, zal het u niet veel moeite kosten, in de gelegenheid te worden gesteld om de jonge meisjes van zuiver turkmeensch bloed te bewonderen in haar dagelijksch kostuum, een lang zijden hemd; of zelfs in haar feesttoilet: een sjerp van roode of gele zijde, muiltjes, armbanden, halskettingen, oorringen, goud borduursel, en op het hoofd dat monumentale kapsel, met muntstukken, valsche of echte steenen, gouden en zilveren ornamenten behangen, en dikwijls van zoodanigen omvang dat het gelaat er bijna in wegschuilt.De Tekkés zijn van nature veeleer landbouwers dan handelaars; sedert de komst der Russen arbeiden zij met veel ijver aan de spoorwegwerken. Zij zijn zeer goede werklieden, zeer ijverig en zeer nauwgezet. Generaal Annenkof gebruikte twee-en-twintigduizend inlandsche werklieden te gelijkertijd voor het leggen der spoorbaan. Men kan ook hieruit afmeten, met hoeveel energie het werk werd aangevat en voltooid. Voor het zeer matige loon van achttien tot twintig roebels per maand, verrichten de Tekkés, naar het schijnt, meer werk dan de beste perzische aardwerkers; zelfs knapen van vijftien, zestien jaar arbeiden even goed als de volwassenen en verdienen hetzelfde loon.

Sedert de feestelijke inwijding van het station te Merw zijn niet meer dan twee-en-vijftig dagen verloopen; na dit feest werd aan de troepen zes weken rust gegund; maar nu is men overal druk bezig met bouwen, zoowel bij het station als in de stad. Wij stappen uit den trein en vertrouwen onze valiezen aan perzischefacchini; omnibussen of openbare rijtuigen vindt men hier nog niet, maar ook dat zal wel komen. Te Askhabad bestaat zoo iets reeds. Overigens behoeft men niet ver te gaan: de nieuwe stad grenst vlak aan het station. De wandeling heeft dus op zich zelve niets te beteekenen: maar het stof! Tot over de enkels waadt gij door het stof, ge ademt het met volle longen in, het omgeeft u als eene dichte wolk. Dit is bepaald nadeelig voor de gezondheid; hierin moet en zal ook wel verbetering komen, maar men kan niet alles op eens verlangen.

Onder het geleide van een jongen Pool, die duitsch spreekt en ons als tolk dient, gaan wij naar het voornaamste hôtel: daar zijn geen kamers open. Wij vervolgen onze wandeling door de breede straten, waar de zon brandt en nog geen lommer verkwikking schenkt, en begeven ons achtervolgens naar vijf logementen, allen opgevuld met officieren en ambtenaren. De zaak begint ernstig te worden: er rest ons nog maar één logement, dat pas voor eenige dagen is geopend en zelfs nog geen naam heeft; de metselaars leggen er de laatste hand aan en de kalk is nog niet droog. Men geeft ons zeer kleine kamertjes in de benedenverdieping: trouwens, alle hôtels hebben, even als de andere huizen en gebouwen, slechts eene verdieping. Een bed, een ongeverfde houten tafel, twee matten stoelen, maken het ameublement uit; het bed is een eenvoudige plank, bedekt met een dunne matras, welke met keisteenen schijnt opgevuld; als ik de deken oplicht komt een aardige duizendpoot te voorschijn, die haastig in den grond verdwijnt: een houten vloer is er nog niet. Ik deel al deze bijzonderheden mede, om eenig denkbeeld te geven van de ontberingen, die de Russen in deze streek hebben moeten lijden, van hunne taaie volharding en ontembare energie. En nu is de tijd der groote hitte nagenoeg voorbij; de laatste storm uit het noordoosten heeft eensklaps scheiding gemaakt tusschen den zomer en den herfst; acht dagen te voren teekende de thermometer, bij dag en bij nacht, tusschen de 40 en 45° (Celsius). Dan wemelt het overal van schorpioenen en van allerlei kruipend gedierte, het een al vergiftiger dan het andere. Nu is al dat gedierte weggekropen in den grond, in de spleten en gaten, welke men overal ook in de huizen aantreft, en zij houden zich daar schuil tot het volgende voorjaar. Maar in dien tusschentijd zullen de gaten wel zijn dicht gestopt en de planken vloeren gelegd.

Na een ontbijt, dat u, zoo ge een lekkerbek zijt, zeker zou hebben doen walgen, gaan wij op weg om een bezoek af te leggen bij generaal Annenkof, directeur-generaal der werken van den transkaspischen spoorweg. Eene voorloopige houten brug van vijftig meter lengte, waarvan ook de spoorweg gebruik maakt, voert over de Moergab. De handelswijk, waar wij afgestapt zijn, ligt op den linker oever der rivier; haar rechtlijnige straten, die elkander kruisen, hebben overvloedige ruimte om zich in de oase te verlengen; zij prijken met jonge boompjes, die nu nog geen schaduw geven, maar over eenigen tijd de zonnige straten in fraaie boulevards zullen herscheppen. De administratieve wijk zal op den anderen oever der rivier verrijzen. De kern daarvan wordt reeds gevormd door een tiental groote gebouwen van baksteen, die een vrij goed figuur maken en bestemd zijn voor de burgerlijke en militaire ambtenaren en voor de beambten van den spoorweg. Ook de groote turkmeensche citadel ligt op den rechter oever; haar aarden wallen, welke de spoorweg doorsnijdt, zullen de toekomstige russische stad omgeven, welke alzoo geheel afgescheiden zal zijn van de handelswijk, waar het inlandsche element de overhand heeft.

Na eene flinke wandeling in de brandende zon, ontdekken wij de woning van den generaal. Het is twee uur: het uur der siesta voor hen, die zich dat genot mogen gunnen. Maar niet ieder heeft daartoe den tijd. Wij worden aanstonds bij den generaal toegelaten. Zijne Excellencie, in uniform, omringd door tafels die met papieren, teekeningen en kaarten bedekt zijn, ontvangt ons met de grootste vriendelijkheid. Zijn geheele voorkomen teekent den werkzamen energieken man, die al zijne krachten wijdt aan de spoedige voltooiing van eene groote strategische onderneming.

“En uweotkrytyi-list?vraagt hij eensklaps.—O! des te beter: alles is in orde. Ik heb zeer stellige en strenge bevelen, en het zou mij leed hebben gedaan, maar..... Hebt gij te Askhabad generaal Komarof gezien? Niet! Nu, dan moet ge nog heden uwe opwachting maken bij den kolonel Alikhanoff, den gouverneur van Merw, en bij den kolonel Liniëwitsch, den bevelhebber der troepen. En wacht niet, met hun uwe papieren te laten zien, tot zij u daarnaar vragen. Ik zal u mijn ordonnans medegeven en wacht u, heden avond, te dineeren, in mijn trein. Sedert vijftien maanden heb ik geen ander logies.”

Wij vertrekken, voorafgegaan door een kozak, wiens borst behangen is met ordeteekens van Sint-George. Dit is eene ernstige onderscheiding, die wat te beteekenen heeft. Zoo vaak gij in Rusland het geel-zwarte lint op de borst van een officier of een soldaat ziet, weet ge met wien ge te doen hebt. De statuten dezer orde laten geene ruimtevoor gunstbewijs of willekeur: even als bij ons ten aanzien van de militaire Willemsorde, moet men ook, om de Sint-George-orde te verwerven, onder bepaalde omstandigheden zijn leven hebben gewaagd, deze of die uitstekende daad hebben verricht, om recht te hebben op het kruis van deze of die klasse. Het eenige onderscheid is, dat deze kruisen te gelijk gedragen worden: wie tot eene hoogere klasse opklimt, blijft toch het insigne van de lagere dragen. Op de handhaving van de regels dezer orde wordt zoo streng gelet, dat zelfs de tegenwoordige Keizer het kruis der eerste klasse niet bezit: alleen de grootvorsten Michael en Nikolaas bezitten dat, omdat zij, gedurende den laatsten turkschen oorlog, nieuwe provinciën aan het rijk hebben toegevoegd. De kozak, die ons vergezelt, is verscheidene malen gedekoreerd met het soldatenkruis; generaal Annenkof heeft het nog niet tot het officierskruis gebracht, ondanks eene ernstige verwonding: aan het gevest van zijn degen draagt hij een geel-zwart dragon, in zekeren zin het zinnebeeld van onnoodig moedbetoon. De generaal zelf verhaalt ons, dat hij aan zijn arm getroffen werd, omdat hij, zonder noodzaak, zich aan de zijde van Skobeleff aan een moorddadig geweervuur had blootgesteld.

Wij waden inmiddels door het afschuwelijke stof, waartegen onze hooge laarzen ons ter nauwernood beschermen. De kolonels Liniëwitsch enAlikhanoff, die niet onder de bevelen staan van generaal Annenkof, aan wien uitsluitend de leiding der spoorwegwerken is opgedragen, ontvangen ons zeer vriendelijk, al is hunne gebrekkige kennis van het fransch een hinderpaal voor onze conversatie. Vooral de kennismaking metAlikhanoffinteresseerde mij zeer. Wie heeft niet hooren spreken van dien held, in het russische leger weinig minder beroemd dan Skobeleff zelf? Hij woont niet in een huis, maar in eene reusachtige tent, versierd met perzische en turkmeensche tapijten, met tropeeën van oostersche wapenen en soortgelijke zaken; met zijne hooge vorstelijke gestalte, zijn mannelijk schoon indrukwekkend gelaat, zijn prachtigen blonden baard, zou men hem, in deze omgeving, voor den beheerscher, den khan des lands kunnen aanzien. En dat is hij ook inderdaad. Afkomstig uit den Kaukasus, van geboorte een lesghische khan, wiens ware naam eigenlijk Ali is, heeft hij meer dan iemand anders bijgedragen tot de onderwerping van Merw: zijne hoedanigheid van Muzelman maakte hem bij voorkeur geschikt tot het voeren der onderhandelingen met de weduwe van den laatsten khan van Merw, die hare onderdanen tot onderwerping aan Rusland wist te bewegen. Hij oefent een bijna onbeperkten invloed uit op zijne geloofsgenooten, die te eerder zich aan zijne bevelen onderwerpen, omdat zij daardoor althans den schijn kunnen vermijden, aan een Christen te gehoorzamen. Daarbij is de roem van zijne schier fabelachtige dapperheid alom verspreid en omgeeft hem de glans van het avontuurlijke. Reeds tot den rang van kolonel opgeklommen, werd hij wegens een ongelukkig duel—het duel is in het russische leger verboden—van zijn rang ontzet; tot gemeen soldaat gedegradeerd, herwon hij in weinige jaren zijne epauletten; het laatst onderscheidde hij zich te Koetska, waar hij, onder de oogen van zijn chef, den generaal Komarof, eene ernstige kastijding toediende aan de Afghanen, die zich zelven voor onoverwinnelijk hielden. Alikhanoff, thans voor de tweede maal kolonel, gouverneur van het district Merw, opperste khan van de groote oase, is eerst vijf-en-dertig jaar oud!

Deze bezoeken hielden ons bezig tot zeven uur, het uur voor het diner. De generaal had ons vooruit gewaarschuwd, dat wij het zonder dames moesten stellen: inderdaad zijn in het kamp geene vrouwen te vinden. Men heeft hier zoo veel te doen en werkt zoo ijverig, dat men het gemis niet voelt. Zelfs onder het diner wordt de arbeid niet vergeten. De generaal, die open tafel houdt, spreekt met zijne officieren en zijn ingenieurs over de te verrichten werkzaamheden, wint hunne adviezen in en laat zich tot in de geringste bijzonderheden omtrent alles inlichten. Zoodra de koffie is rondgediend, staat Zijne Excellencie op, groet en begeeft zich naar zijn waggon. Men gaat hier over het algemeen vroeg ter ruste om den volgenden morgen vroeg te kunnen beginnen.

De trein, waarin wij zoo vriendelijk en gastvrij ontvangen worden, verdient wel eene korte beschrijving. Hij bestaat uit vijf wagens: een waggon met twee verdiepingen, die logies bevat voor den generaal, voor den dienstdoenden adjudant, voor den particulieren sekretaris en voor de ordonnancen; een waggon-eetzaal, waar gemakkelijk twintig personen kunnen aanzitten; een keuken-waggon; een bureau-waggon, waar de stukken, kaarten enz. zijn geborgen en waar de adjudant arbeidt; een open wagen, die met een licht dak is overdekt en van stores voorzien, waaruit men den weg kan overzien en waar, bij mooi weer, ook gegeten wordt.

Het appartement van den generaal is keurig, smaakvol, maar is een miniatuurkamer. Verbeeld u dat ge in eensleeping-carmoest wonen! Maar het is gemakkelijk: men heeft alles vlak bij de hand. Als ge u des avonds ter rust begeeft, bepaalt gij het uur van vertrek: middernacht, twee uur, vijf uur in den morgen; de trein vertrekt zonder dat ge voor uw gewonen tijd behoeft op te staan; en op het bepaalde uur zijt gij ter plaatse uwer bestemming, met uw papieren, uw teekeningen, uwe geheele bibliotheek.

Bij het heengaan spreekt de generaal met ons af, dat wij overmorgen ochtend bij hem zullen komen: wij zullen dan met hem een tocht maken in de richting van de Amoe-darja.

6 September.—Wij hebben zeer slecht geslapen in ons logement, dat sedert weinige uren den weidschen naam draagt van Slavisch hôtel. Ik herinner mij, dat ik in Griekenland—niet te Athene, maar in de kleine binnenstadjes—aan tafel een zelfde servet gedurende verscheidene dagen door verschillende gasten heb zien gebruiken. Maakte iemand er aanmerking op, dat hij een vuil servet kreeg, dan antwoordde de bediendedood bedaard: “Κύριε(Heer), het is pas twee keer gebruikt.”—Hier gebeurt hetzelfde, niet enkel met servetten, maar ook met de beddelakens of liever met het eenige laken, waarin ge u zoo goed mogelijk wikkelen kunt. Al het linnengoed van onze gastwaardin wordt, met haar oude japonnen, in een koffer bewaard. Erger u daarover niet: al wat ge hier aanschouwt bestaat eerst sedert drie of vier maanden: deze stad van drieduizend zielen is als uit den grond verrezen: zij breidt zich met den dag uit en voltooit langzamerhand hare inrichting. In het volgende jaar zult ge hier ongetwijfeld goed logies kunnen vinden; over twintig jaar zal zij een der groote metropolen van Azië zijn. Na de voltooiing van den transkaspischen spoorweg zal Merw de stapelplaats worden van den handel van Centraal-Azië, van Bokhara, Kokhan, Badaksjan, Afghanistan; hare strategische beteekenis zal haar voor de russische regeering nog hooger belang bijzetten.

In de vorige eeuw was de oase van Merw beroemd, zoowel om hare uitgestrektheid (zeshonderd-duizend hektaren), als om hare buitengewone vruchtbaarheid: de klaver leverde hier zeven oogsten per jaar, het koren gaf honderd korrels voor één. Volgens een oud oostersch spreekwoord, bracht te Merw een schepel koren honderd schepels voort. Deze staat van zaken heeft eene groote verandering ondergaan ten gevolge van de eindelooze oorlogen en veeten, waarin de Tekkés met al hunne naburen waren gewikkeld; maar de natuur van den grond schijnt geene verandering te hebben ondergaan, en niets belet de Russen om aan de streek hare vroegere welvaart terug te geven. Zij zullen dit kunnen doen door het herstellen van vervallen stuwen en andere werken, die het water van de Moergab ophielden en naar een aantal irrigatiekanalen afleidden. Reeds is daarmede een aanvang gemaakt; en na de voltooiing van die werken zal Merw op nieuw de korenschuur van Voor-Azië worden en, zoo noodig, ruimschoots kunnen voorzien in de behoeften van een russisch leger, dat in de vallei van den Indus zou moeten opereeren.

Een straat te Merw.Een straat te Merw.

Een straat te Merw.

Terwijl wij een kop thee gebruiken, komen kolonel Liniëwitsch en vervolgens generaal Annenkof ons een bezoek brengen. Het is nog zeer warm; de kolonel heeft zijn groen laken uniform aangetrokken, maar de generaal draagt een tenue van wit coutil met eene blauwe roodgestreepte broek. Zoo mag ik het zien: dat is praktisch. In de warme en gematigde provinciën des rijks hebben de russische soldaten een zomer- en een wintertenue, de groene en de witte uniform met eene groene en eene witte pet. Men schikt zich naar het klimaat, en alleen bij buitengewone gelegenheden kunnen de soldaten van koude huiveren: maar dan wikkelen zij hun hoofd en hun hals in een wollenbashlik, die geen tochtje doorlaat. Alleen de laarzen, die het been steunen zonder den marsch te bemoeilijken, worden het geheele jaar door gedragen.

Wij doen den generaal uitgeleide. Eene karavaan zwaar beladen kameelen trekt juist voorbij, vergezeld van den onvermijdelijken ezel; op den ezel zit een jongen met eene vervaarlijke mutsvan schapenwol op het hoofd, die zonder ophouden met zijn stok het grauwtje slaat. Naar het schijnt, voelt de kameel zich bijzonder tot den ezel aangetrokken: hij volgt hem gedwee en regelt trouw zijn stap naar dien van zijn geleider, aan wien hij door een touw, dat hem in den mond gelegd wordt, is verbonden. Twee afschuwelijke Turkmenen, gekleed met de vuile gescheurde lange jas en met de reusachtige muts op het hoofd, dribbelen achter de karavaan aan. De generaal ziet hen met blijdschap: zij komen van Bokhara. Sedert de laatste tien of twaalf maanden, is de uitvoer van Bokhara naar Merw, bestaande in katoen, wollen stoffen, zijde, fijne houtsoorten, gestegen tot vijf millioen pond, dat wil zeggen tachtigduizend ton. Dat is een goed begin, en de bazar van Merw heeft reeds zekere beteekenis verkregen. Tweemaal per week wordt er op een open terrein, in de onmiddellijke nabijheid der stad, eene markt gehouden, die zeer druk wordt bezocht en wel, voorliefhebbersvan lokale kleur, de moeite van een bezoek waard is.

Graftombe van sultan Sandjar. (Bladz. 367.)Graftombe van sultan Sandjar. (Bladz. 367.)

Graftombe van sultan Sandjar. (Bladz. 367.)

Maar, mijn hemel! wat zijn die Turkmenen voor verreweg het meerendeel leelijk! Waar zijn de fiere, indrukwekkende krijgslieden, met den vlammenden, doorborenden blik, met de vorstelijke, krijgshaftige houding, waarvan de vroegere reizigers in de turkmeensche woestijn met zooveel ophef spreken. Om mij heen zie ik mannen met een breed laag voorhoofd, kleine, eenigszins schuin staande oogen, een min of meer platten neus, vrij dikke lippen, wijd uitstaande ooren, een dunnen zwarten baard en kort dik hair. Voeg daarbij dat hunne kleur zeer donker is, hun lichaamsbouwforsch en gespierd, hunne gestalte boven het middelmatige, en dat zij in den regel sterker zijn dan de Westerlingen. Maar iets edels of krijgshaftigs kan ik in hun voorkomen niet vinden; mijns inziens komen zij niet in vergelijking met de Arabieren. Is het oorspronkelijke ras misschien verbasterd door de vermenging met iranisch bloed? Wij zijn hier wel op tamelijken afstand van Perzië, maar de strooptochten der Turkmenen strekten zich zeer ver uit. Even als in de oasen van Atek en Akhal-Tekké en nog op andere plaatsen, heeft ook te Merw de verbintenis met uit Perzië medegevoerde vrouwen den oorspronkelijken type van het tartaarsche ras kunnen wijzigen. Zij erkennen zelven dat deze vermenging met een ontaard en diep vervallen volk geene goede vruchten heeft opgeleverd; de Turkmenen van het binnenland zien dan ook met zekere minachting neder op de stammen langs de grenzen, wier bloed niet meer zuiver is. Elke krijgsman van naam acht zich verplicht, althans ééne vrouw van zuiver turkmeensch ras te hebben, en de uit haar geboren kinderen worden van edeler bloed gerekend dan de anderen.

Terwijl wij den rechter oever van de Moergab volgen, langs den voet der aarden wallen van de inlandsche citadel, zeker niet minder uitgestrekt dan die van Ghéok-Tépé, komen wij aan een groot kamp, waarvan de tenten welhaast eene inlandsche stad mogen heeten, naast de handelswijk, welke voor een groot deel door Joden uit Bokhara wordt bewoond. Gaarne zouden wij zulk eenekibitka(tent) hebben bezocht, en een blik geworpen op de tapijten waarmede zij versierd is, en vooral op de turkmeensche vrouwen, die in de straten van Merw niet te zien zijn. Maar de woeste, zeer gevaarlijke honden, die rondom het kamp de wacht houden, noodzaken ons op een eerbiedigen afstand te blijven: zonder onderscheid vallen zij iederen Europeaan aan; en wij zouden niet gaarne het lot deelen van dien russischen officier, die per rijtuig van Wladikaukas naar Tiflis reizende, een eind weegs te voet wilde afleggen, en wiens laarzen alleen werden teruggevonden: hij was door de honden opgegeten.

Wij keeren naar de stad terug om de winkels te bezoeken: die winkels zijn evenwel niet anders dan de bekende kleine oostersche winkeltjes of kraampjes, die men overal in de Levant aantreft. De baksteenen huisjes, die geene bovenverdieping hebben, zijn in twee winkels, een aan de voor- en een aan de achterzijde, verdeeld. Het gebouwtje is met een planken zoldering gedekt, in afwachting dat eene verdieping worde opgetrokken. Daar de grond niets of zoo goed als niets kost, heeft men de goedkoopste en vlugste manier van bouwen aangenomen. De winkeliers zijn voor het meerendeel Joden uit Bokhara of Perzen. Het voornaamste produkt van de inlandsche nijverheid zijn de tapijten, waarvan het fijne weefsel, de sierlijke patronen en de nooit verbleekende kleuren algemeen beroemd zijn. Deze tapijten, die sedert de komst der Russen zeldzaam zijn geworden, worden door de vrouwen, en wel vooral door de oude vrouwen, vervaardigd. In de winkeltjes ziet men enkele van deze vrouwen, die zich niet, als bij de Arabieren, het gelaat omsluieren. De bewoners der turkmeensche steppen zijn wel orthodoxe Mohammedanen, maar godsdienstig fanatisme is hun ten eenemale vreemd. Zoo gij er op staat, zal het u niet veel moeite kosten, in de gelegenheid te worden gesteld om de jonge meisjes van zuiver turkmeensch bloed te bewonderen in haar dagelijksch kostuum, een lang zijden hemd; of zelfs in haar feesttoilet: een sjerp van roode of gele zijde, muiltjes, armbanden, halskettingen, oorringen, goud borduursel, en op het hoofd dat monumentale kapsel, met muntstukken, valsche of echte steenen, gouden en zilveren ornamenten behangen, en dikwijls van zoodanigen omvang dat het gelaat er bijna in wegschuilt.

De Tekkés zijn van nature veeleer landbouwers dan handelaars; sedert de komst der Russen arbeiden zij met veel ijver aan de spoorwegwerken. Zij zijn zeer goede werklieden, zeer ijverig en zeer nauwgezet. Generaal Annenkof gebruikte twee-en-twintigduizend inlandsche werklieden te gelijkertijd voor het leggen der spoorbaan. Men kan ook hieruit afmeten, met hoeveel energie het werk werd aangevat en voltooid. Voor het zeer matige loon van achttien tot twintig roebels per maand, verrichten de Tekkés, naar het schijnt, meer werk dan de beste perzische aardwerkers; zelfs knapen van vijftien, zestien jaar arbeiden even goed als de volwassenen en verdienen hetzelfde loon.

IV7 September.—Ten acht uren des morgens melden wij ons aan bij generaal Annenkof, wiens trein gereed is om te vertrekken. De zon is heeter dan gisteren; wij bestijgen den open waggon, welke den trein sluit. De burgerlijke en militaire werklieden zijn sedert lang aan den arbeid. Langs de groepen der soldaten heengaande, zegt de generaal met luider stemme:“Goeden morgen, mijne kinderen!”En de soldaten staken hun werk, stellen zich in postuur, met de pink op de naad van de broek, en antwoorden in koor:“Wij wenschen Uwe Excellencie eene goede gezondheid!”De weg waarop wij rijden is eerst in de laatste dagen gelegd, sedert de hervatting der werkzaamheden, die tijdens de groote hitte gestaakt waren. Wij rijden niettemin met eene snelheid van twintig kilometers in het uur; maar de lange materieel-treinen, die dikwijls uit vijftig wagens bestaan, leggen niet meer dan vijftien kilometers in het uur af. De weg doorsnijdt de oude turkmeensche vesting, waarbinnen geene kibitka meer verrijzen zal, buigt zich dan naar het noordoosten, en bereikt een minder bevolkt gedeelte van de oase. Eenige kilometers voorbij Merw gaan wij over een vrij belangrijken arm van de Moergab: zoo als men weet, verliest deze rivier, welke vroeger inde Amoe-darja uitliep, zich thans in het zand van de Karakoem. De ijzeren brug waarover wij rijden is zoo goed als voltooid; de generaal wil haar beproeven en laat zijn trein met eene snelheid van veertig kilometers in het uur er over heen snorren. De proef gelukt: wij komen niet in de rivier terecht.Twee uren na ons vertrek komen wij aan den vermaarden constructietrein, die vijftienhonderd menschen kan bevatten, en die elken dag eene etappe verder naar het Oosten voortschuift. Hij staat voor ons stil, en ik tel vier-en-dertig wagens; te weten: vier wagens met twee verdiepingen voor de officieren; een waggon-eetzaal voor de officieren; een keuken-waggon voor de officieren; drie keuken-waggons voor de manschappen (drie kompagniën elk van tweehonderd man); een ambulance-waggon; een telegraaf-waggon; eene smederij-waggon; een waggon met levensmiddelen; een reserve-waggon met al hetgeen noodig is voor het leggen der rails over eene lengte van twee kilometers; en eindelijk twintig waggons met twee verdiepingen voor de huisvesting der manschappen en der werklieden (zeshonderd russische soldaten en driehonderd inlandsche aardwerkers). De russische soldaten en de aziatische werklieden zijn in afzonderlijke waggons gehuisvest. Een russische waggon is zeven meter lang en drie meter breed; hij heeft op elke verdieping ruimte voor vijf-en-twintig man, die in een soort van kooien boven elkander slapen.Voor de inwijding van het station te Merw bestond deze trein uit vijf-en-veertig wagens met vijftienhonderd soldaten en werklieden: er waren toen redenen om zooveel mogelijk voortgang met het werk te maken, welke nu niet meer bestaan. Voorbij Merw verliest de transkaspische spoorweg een groot deel van zijne strategische waarde. Het naaste en onmiddellijke doel van den spoorweg was de pacificatie en de verzekering van het rustig bezit der turkmeensche oasen: dat doel is den 14denJuli 1886 bereikt.Het is tien uren in den morgen: de generaal houdt algemeene inspectie. Wij stijgen te paard en volgen Zijne Excellencie onder de luide kreten en begroetingen van de soldaten en zelfs van de Tekkés, die op hunne manier het russische saluut uitschreeuwen. Wij rijden langs den trein, waarin zich nog een aantal soldaten bevinden, deels op hunne slaapsteden uitgestrekt, deels de thee klaarmakende. Als wij hierover onze verwondering te kennen geven, heldert de generaal ons het raadsel op. Om, in dit klimaat, maanden lang, een moeilijken arbeid te kunnen volhouden, is het volstrekt noodig, de krachten der arbeiders te sparen. De manschappen worden dus in twee brigaden van gelijke sterkte verdeeld, die dagelijks niet langer dan zes uren werken, de eerste van zes uren in den morgen tot ʼs middags, de andere van ʼs middags tot zes uren ʼs avonds.Twee spoorwegbataillons, transkaspische bataillons genaamd, worden gebezigd voor den aanleg en de exploitatie van den weg. Het eerste bataillon heeft in 1880 de lijn tot Kizil-Arwat gemaakt; het is nu belast met de exploitatie en met de telegraafdienst. Het tweede transkaspische bataillon wordt uitsluitend gebruikt voor het leggen der rails, het plaatsen van de telegraaf, en in het algemeen voor alle werken, die niet aan inlanders kunnen worden toevertrouwd. Dit bataillon is eerst onlangs gevormd en werd in den tijd van twintig dagen, van 10 Mei tot 1 Juni 1885, saamgesteld uit soldaten van het staande leger, die de vereischte bekwaamheden bezaten. Sedert de weg tot Merw is doorgetrokken, wordt een deel der manschappen van dit tweede bataillon gebruikt voor de exploitatie: voor het leggen der rails zijn nu nog zeshonderd man aangewezen.Al de aard- en metselwerken worden door inlandsche werklieden verricht. De soldaten met hun witte boezeroen en witte pet, die onder het oog van hunne te paard gezeten officieren zoo vlug en handig met de rails omspringen, raken geen schop of troffel aan. Zij vinden de baan vooruit gereed gemaakt door de inlandsche aardwerkers, die, onder opzicht van de ingenieurs, in ploegen verdeeld, daaraan arbeiden. Ieders taak is juist aangewezen, en elke botsing tusschen het militaire en burgerlijke element voorkomen.Zijn de plannen door de ingenieurs opgemaakt en door den generaal goedgekeurd, dan tijgt een ploeg Turkmenen, onder leiding en bevel van de ingenieurs, aanstonds aan het werk voor het gereed maken der aarden baan. Zulk een ploeg is dikwijls zeer talrijk en wordt dan in onder-afdeelingen gesplitst: de hoofdzaak is dat deze werklieden steeds vóór zijn.—Op dien eersten ploeg volgt het bataillon met het leggen der rails belast, waaraan inlandsche opperlui zijn toegevoegd, die het grove werk moeten doen en den soldaten alle noodelooze vermoeienis besparen. Hieruit blijkt, dat zoo in het russische leger eene zeer strenge discipline heerscht, de officieren ook wel degelijk voor de gezondheid der soldaten zorgen.—Is het spoor eenmaal gelegd, dan komen de ingenieurs met hunne werklieden om de laatste hand aan het werk te leggen: zij gaan aan de militaire brigade vooraf en volgen haar. Ook moeten zij voor het onderhoud zorgen.Het is niet meer dan natuurlijk, dat waar het leggen van het spoor zoo vlug geschiedt, er daarna nog het een en ander na te zien, bij te werken en te verhelpen valt. Ongetwijfeld is de weg niet aanstonds volkomen in orde, maar dat wordt ook niet verlangd. Het is voldoende dat de spoorbaan geschikt zij voor den militairen trein en voor de treinen met materieel, die tweemaal per dag aankomen: en dit doel is bereikt, want tot heden is nog geen enkel ongeluk voorgevallen.Terwijl de generaal mij dit een en ander mededeelt, zijn wij bij de manschappen gekomen, die met het leggen der rails bezig zijn; de twee laatste rails zijn juist op de dwarsliggers gespijkerd, en ik heb ter nauwernood den tijd om mijn paard op de aarden baan te drijven, of de twee volgende rails zijn ook gelegd: binnen weinige sekonden is de lijn zeven meters verder doorgetrokken in de richting van Samarkand.Vlak voor mij zie ik een licht wagentje, datdoor inlanders, onder bevel van een soldaat, op het zoo even gelegde spoor wordt voortgeduwd; op dit wagentje liggen tusschen de twaalf en twintig rails. Aan het einde van de laatst gelegde rails gekomen, staat het stil; vier soldaten staan gereed, twee aan iedere zijde van den weg; met hunne tangen nemen zij twee rails van het wagentje en leggen ze op de baan; andere soldaten plaatsen die rails in de juiste richting en bevestigen ze met drie hamerslagen op de dwarsliggers; dan rijdt het wagentje weer zeven meters verder; wederom worden twee rails ontladen en gelegd. Deze operatie wordt onafgebroken met mathematische nauwkeurigheid uitgevoerd; gestadig verlengt zich de spoorlijn naar het Oosten.Waar komen nu de rails en de dwarsliggers en het verdere materieel van daan?Tweemaal in de vier-en-twintig uren wordt al het benoodigde voor het leggen van twee wersten aangevoerd door een reusachtigen trein van vijf-en-veertig tot vijftig wagens. De eerste trein komt ʼs nachts aan, voor de morgenbrigade, die van ʼs morgens zes tot ʼs middags twaalf uur werkt.—De tweede trein komt in den voormiddag, voor de andere, wier taak om twaalf uren begint en ʼs avonds om zes uur eindigt.—Deze treinen moeten achter den militairen trein stoppen, want er is geen dubbel spoor. Zij lossen dus hun materieel achter dien trein: de rails aan den eenen kant van den weg, de dwarsliggers aan den anderen. Zoodra de lossing is afgeloopen, vertrekt de trein op nieuw om voorraad te halen voor den volgenden dag.Danzet zich de militaire constructietrein in beweging en rijdt terug tot voorbij de plaats waar straks de trein met materieel stond, zoodat de baan vrij is voor het vervoer van de rails en het overige naar het einde van het spoor. Stuit men op geen buitengewone hinderpalen, dan zijn om twaalf uur twee kilometers voltooid; deconstructietreinrijdt nu zoo ver door, het ontbijt der soldaten met zich brengende.Dan tijgt de tweede brigade aan het werk. De trein met materieel, die in den loop van den morgen is aangekomen, nadert zoo dicht mogelijk den constructietrein, lost zijne lading en vertrekt weer; de constructietrein loopt op zijn beurt eenige honderden ellen achteruit, en dezelfde werkzaamheden beginnen op nieuw voor het vervoer en het leggen der rails en der dwarsliggers. Als de avond invalt zijn wederom twee kilometers van den transkaspischen spoorweg voltooid.Op deze wijze is het mogelijk geweest, binnen weinige maanden het traject door de turkmeensche woestijn tot stand te brengen, en den schijnbaar onoverkomelijken slagboom op te ruimen, dien de natuur tusschen Rusland en Engeland had opgeworpen. Toen de generaal naar zijn trein terugkeerde, vroeg hij mij welken indruk dit alles op mij gemaakt had: ik gaf hem mijne ongeveinsde bewondering te kennen en voegde er bij, dat zijne wijze van werken ongetwijfeld tot voorbeeld zal genomen worden bij elken spooraanleg midden door woestijnen.In waarheid, de boven omschreven regeling schijnt zeer eenvoudig; men zou zoo zeggen, alles loopt van zelf: maar weinigen zullen beseffen, hoeveel inspanning, hoeveel nadenken, voorzorg en oplettendheid er noodig is geweest, om dezen regelmatigen gang van het werk te verzekeren en vertraging te voorkomen. Daartoe bestond meer dan eene aanleiding.Wij zijn in een mohammedaansch land, en in den loop van het jaar schrijft de Koran verschillende feesten voor, die soms lang duren. De Tekkés zijn wel geen fanatieke Muzelmannen, maar toch zeer gesteld op de feestdagen, die tevens rustdagen zijn: zij blijven dikwijls weg als men hen het meest noodig heeft. Deze werkstakingen zijn zeer lastig, wanneer men met vijftien- of twintigduizend arbeiders te doen heeft: maar toch heeft het werk aan den spoorweg er nooit ernstig door geleden. Gebeurt het soms, dat om eene of andere reden de trein met materieel oponthoud ondervindt, dan neemt men zijn toevlucht tot den voorraad in den constructietrein en tot de depôts van dwarsliggers en rails, die de zorgzame generaal langs de geheele lijn heeft doen aanleggen.Maar de muzelmansche feesten zijn niet de grootste moeilijkheid. Alles wat voor den bouw van den transkaspischen spoorweg noodig is, moet uit europisch Rusland komen en dus over de Kaspische-zee worden vervoerd. De vaart op die zee is dikwijls zeer lastig en gevaarlijk; bovendien is de haven van Astrakan gedurende eenige maanden door vorst gesloten. Van daar vertraging en stilstand in den aanvoer van materieel. Toch werd het werk met de grootste regelmatigheid en zonder eenige stoornis voortgezet: reeds aanstonds, bij den aanvang der werkzaamheden, had de generaal een aanzienlijken voorraad van materieel in de magazijnen doen opleggen; was het noodig, dan werd daaruit genomen wat men behoefde, en de voorraad vervolgens weder aangevuld en kompleet gehouden.Staan reeds Europeanen verbaasd over de spoedige voltooiing van dien reuzenarbeid, dan kan men begrijpen, welken indruk dit op de Tekkés van Merw moet maken. Zij beseffen dat het eene vergeefsche poging zou zijn, den strijd te willen aanbinden met de Russen, die al loopende twee ijzeren sporen hebben gelegd tusschen de zee en hunne oase. Deze ijzeren sporen, welke de verovering mogelijk hebben gemaakt, hebben niet minder bijgedragen tot de volledige onderwerping en de aanvaarding van den nieuwen toestand, waarvan men gevoelt dat hij voor goed gevestigd is. Ik durf niet beoordeelen of het precies waar is, wat Elisée Reclus zegt, dat de Turkmenen zoo eerlijk en trouw zijn, dat iemand die een ander geld leent daarvoor geene schuldbekentenis vordert of die bekentenis in handen van zijn schuldenaar laat; maar al zou ik niet zoo onbepaald op hun nakomen van het gegeven woord vertrouwen, dit is zeker, dat de vreeze het begin der wijsheid is.Het leggen der rails.Het leggen der rails.Wij ontbijten met generaal Annenkof in zijn open wagen en hebben van daar het uitzicht op uitgestrekte ruïnen, waarvan ik nog niet gesprokenheb. De plaats waar wij ons bevinden heet Baïram-Ali; daar stond het Oude-Merw, op een plateau dat minder aan de overstroomingen van de Moergab was blootgesteld dan het lage land langs den oever. Rechts en links van den spoorweg, tot op een afstand van drie of vier kilometers, zien wij brokken van muren, van vierkante torens, van vestingwerken, en te midden van die bouwvallen een grafmonument met een grooten koepel gedekt.De geschiedenis van deze streek, die tegenwoordig bijna onbewoond is, maar vroeger de zetel was eener bloeiende beschaving, is nog zeer in het duister gehuld. Naar het schijnt, kan men haar in drie groote tijdperken verdeelen, waarvan het eerste zich tot omstreeks de zesde of zevende eeuw onzer jaartelling uitstrekt. Volgens de traditie zouden er in dien tijd twee groote bloeiende steden hebben bestaan, waarvan de eene door Zoroaster, de andere door Alexander de Groote zou zijn gesticht. Wel wijst men u enkele ruïnen aan, welke voor overblijfselen dezer steden worden gehouden; maar met zekerheid weet men omtrent dat tijdperk niets. Misschien zullen nasporingen en opgravingen daaromtrent eenig licht kunnen verspreiden.Het tweede tijdperk begint met de muzelmansche verovering. Omstreeks acht eeuwen geleden werd door sultan Sandjar de naar hem genoemde stad Sultan-Sandjar-Kala gesticht: het met den koepel gekroonde gebouw is zijn grafmonument. Deze machtige monarch, die uitgebreide waterwerken aanlegde, om de Moergab aan de uitbreiding van den landbouw dienstbaar te maken, was eigenlijk niet meer dan de stedehouder van den Khalief van Bagdad, die zich, als zoo vele andere stadhouders, bij het zinken van het khaliefaat, onafhankelijk had gemaakt. In de vijftiende eeuw werd Turkmenië door de Mongolen overstroomd: Merw, destijds de mededingster van Samarkand, werd verwoest. Men verhaalt dat Dsjenghis-Khan al de bewoners der rampzalige stad, ten getale van zevenhonderd-duizend, liet ombrengen.Het derde tijdperk eindelijk omvat het zoogenaamde perzische tijdvak, toen een groot deel van Turkmenië, althans in naam, van den Shâh van Perzië afhankelijk was. In dien tijd valt de stichting van een nieuw Merw, thans nog onder den naam van Baïram-Ali bekend. Ook deze stad telde in haar bloeitijd, naar men verzekert, eenige honderdduizenden inwoners: en de uitgestrektheid der ruïnen schijnt voor de waarheid der traditie te pleiten. De waterwerken werden hersteld; het land bloeide en genoot eene hooge mate van welvaart; maar in 1787 werden de Turkmenen van Merw geslagen door Maäzoen-Khan, emir van Bokhara, die de stad verwoestte, een groot deel der inwoners als gevangenen wegvoerde en de stuwen en waterwerken vernielde, waardoor een groot stuk van de oase tot een woestijn werd gemaakt.De oase schijnt toen gedurende eenigen tijd onbewoond te zijn geweest: daarna werd zij weder ingenomen door de Turkmenen van Pendjdeh, bekend onder den naam van Sarikhs. Hunne heerschappij duurt tot omstreeks 1830, toen zij door de ingeborenen des lands, de Tekkés, werden verdreven. Deze Tekkés, aangevoerd door een befaamden bandietenhoofdman, Kaoetsjoe-khan, werden de schrik van alle buren; zelfs de Russen hadden van hunne strooptochten te lijden. In 1855 verslaat Kaoetsjoe de troepen van den khan van Khiwa, maakt hem zelven gevangen en slaat hem het hoofd af, dat hij aan den Shâh van Perzië zendt. Pogingen, door de perzische regeering aangewend, om de vroegere opperhoogheid over Merw te herwinnen, mislukken ten eenenmale; in 1861 werden de Perzen geslagen en moesten terugtrekken met achterlating van een dertigtal kanonnen, die men nog te Merw, naast de woning van kolonel Alikhanoff zien kan. Latere expeditiën hadden geen beter gevolg of werden wel ontworpen maar niet uitgevoerd. Om zich tegen een dreigenden aanval der Russen te kunnen verdedigen, liet Kaoetsjoe-khan de groote citadel van Merw bouwen, die een omtrek heeft van acht kilometers. Toen de oorlog met Rusland eindelijk, in 1879, uitbrak, was Kaoetsjoe-khan reeds overleden: voor de muren van Ghéok-Tépé bracht zijn opvolger het russische leger eene nederlaag toe. Een veldtocht van een jaar, een geregeld beleg van eenige weken was noodig om deze krijgshaftige bandieten te dwingen en tot onderwerping te noodzaken. Omstreeks drie jaren na den val van Ghéok-Tépé bood Merw vrijwillig zijne onderwerping aan en werd de geheele oase bij het reusachtig rijk der Tsaren ingelijfd.De Russen schijnen er zich op te verstaan, om de verschillende volksstammen, die zij onder hun gezag vereenigen, ook voor zich te winnen en met de vreemde heerschappij te verzoenen. Hier althans zou niets u doen vermoeden, dat ge in een veroverd land zijt; uit de inlanders worden speciale korpsen gevormd, die bij een eventueelen oorlog groote diensten kunnen bewijzen, en waarbij de khans of aanzienlijken den graad van officier kunnen verwerven. Maar tusschen deze inlandsche en de russische officieren bestaat volstrekt geene gelijkstelling: al zijn de khans ook tot den rang van kolonel opgeklommen, zal hun toch nimmer het bevel over eene afdeeling kozakken worden opgedragen, en de tweede luitenants van het nationale leger bewijzen hun wel de eer, die zij hun volgens de militaire wet verschuldigd zijn, maar laten zich verder niet met hen in. Men acht de handhaving van dit onderscheid noodig voor het prestige van het heerschende ras.Wij mogen de gelegenheid niet verzuimen, om de ruïnen van het oude Merw te bezoeken, die in Europa bijna geheel onbekend zijn. Paarden worden gezadeld; een turkmeensche gids in russische dienst wordt ontboden: wij gaan op weg. Het zijn prachtige, sierlijke dieren, die turkmeensche paarden, met hun fijnen kop, hunne smalle borst, hunne gespierde pooten. Van gemengd arabisch ras, zijn zij nog beter tegen vermoeienissen bestand dan de volbloed arabische paarden. Zonder bezwaar kunnen zij een week lang honderd kilometer per dagafleggen. Zij worden in de tent, met de kinderen van het gezin groot gebracht en door de vrouwen gestreeld en geliefkoosd; het ontbreekt hun aan niets; ook waar, in eene armzalige kibitka, de meester en zijn gezin met lompen zijn gekleed, heeft het paard nog een goed warm dek.Aan de linkerzijde van de spoorbaan liggen de overblijfselen der oude stad Sultan-Sandjar-Kala, waarvan slechts de voornaamste monumenten nog staande zijn gebleven. Van de gewone huizen is hier, evenmin als in het latere Baïram-Ali, bijna geen spoor meer over: trouwens, dit laat zich begrijpen, daar verreweg de meeste gebouwen van pisé, gestampte aarde, zijn opgetrokken. Waar zal men ook in de eindelooze steppe steen vinden? De kleiaarde, in de zon gedroogd, verkrijgt voldoende hardheid om muren te bouwen van ettelijke ellen hoogte bij eene dikte van veertig tot vijftig duim. Het vervaardigen van baksteen was en is nog zeer kostbaar: niet dan bij uitzondering werd daarvan gebruik gemaakt. Met verbazing staat men stil voor deze vaak kolossale gebouwen, waarbij geen enkele steen is gebruikt, en die toch betrekkelijk goed bewaard zijn gebleven. Uit de verte zou men ze voor gewone gebouwen aanzien, en toch is alles louter aarde.Wij rijden langs een vormeloozen wal of dijk, volgens onzen gids, de omwalling der stad van Alexander. Heel zeker is hij daarvan niet, want als ge hem met vragen lastig valt, zal hij gereedelijk toegeven dat gij de overblijfselen voor u hebt van de stad van Zoroaster, van Ghiaoer-Kala (de sterkte van den ongeloovige). Als ge den wal beklimt, ziet ge niets dan de vlakke kale steppe, met hoog geel gras begroeid, en hier en daar eenige heuvels van aarde of scherven en puin. Vermoedelijk zouden hier niet onbelangrijke opgravingen zijn te doen.Wij begeven ons naar de weinige monumenten, die in de stad van sultan Sandjar nog de aandacht trekken. Dat zijn vooreerst twee groote gewelfde portieken of nissen, waarvan de achterwand met gekleurde tegels bekleed is: ongetwijfeld behoorden deze ruïnen vroeger tot eene moskee. Tegenover de portieken ziet men twee sarkophagen, insgelijks van baksteen, en in die sarkophagen twee kisten van dezelfde bouwstof, met een wit marmeren zerk gedekt. Niemand kan mij zeggen, wie daar begraven ligt. De graven schijnen nieuw, maar zijn toch, volgens onzen gids, eenige eeuwen oud.—Wij rijden vervolgens langs eene soort van citadel, waarvan de aarden wallen aan de buitenzijde met regelmatige vertikale insnijdingen zijn versierd, die een zonderling effekt maken: het is als zag men eene rij reusachtige overeind staande worsten. Eindelijk komen wij aan de belangrijkste ruïne der geheele streek, aan het graf van sultan Sandjar, op eene hoogte of terp gebouwd, waardoor het monument, uit de verte gezien, veel hooger schijnt dan het werkelijk is. Verbeeld u een rechthoekig gebouw, aan iedere zijde achttien tot twintig el breed, en gedekt door een koepel, die zich vijf-en-twintig el boven den grond verheft; alles van baksteenen, die door zoo hard cement verbonden zijn, dat zelfs het breekijzer daarop afstuit. Twee kleine deuren tegenover elkander geven toegang tot het inwendige van het gebouw, maar zij zijn zoo laag, dat een der officieren, prins Gagarin, even hoog van statuur als van geboorte, zich bijna in tweeën moet vouwen om binnen te gaan. Binnen getreden, moet ge twee of drie el afdalen om den vloer van het monument te bereiken. Waar is nu de tombe van sultan Sandjar? Is zij ergens verborgen of door Dsjenghis-Khan vernield? Misschienzullenlatere onderzoekingen dit raadsel ophelderen.Wij begeven ons nu naar de perzische stad Baïram-Ali, waardoor de spoorweg loopt. Een vrij groot aantal partikuliere woningen, vroeger zeker het eigendom van aanzienlijken en hoofden, zijn nog in tamelijk goeden toestand bewaard gebleven en bieden des noods den reiziger nog eene verblijfplaats aan. Bijna allen zijn naar hetzelfde model gemaakt, en bestaan in de eerste plaats uit een vierkant gebouwtje van zes tot tien meter hoog, in twee verdiepingen verdeeld. Eene zeer smalle lage deur geeft toegang tot de benedenverdieping; een trap ontbreekt, zoodat de bovenverdieping alleen met behulp van een ladder bereikbaar was; blijkbaar is dit zoo gemaakt met het oog op de verdediging tegen een vijandelijken aanval: dan was die bovenverdieping de laatste wijkplaats. Dit gebouwtje—men zou kunnen zeggen, deze vestingtoren—is op eenigen afstand omringd door een muur van omstreeks drie el hoogte, waarbinnen zich ongetwijfeld de eigenlijke woning van het gezin bevond: in dien muur was slechts een enkele doorgang, waartegenover, aan de buitenzijde, zich een klein gebouwtje bevond, bestemd tot wachthuis voor soldaten of tot verblijfplaats voor de slaven.Deze woningen zijn geheel van leem en kleiaarde en bevatten maar zeer weinig baksteen. Het gebruikvanpisé of van in de zon gedroogde steenen is niet alleen veel goedkooper, maar verdient ook uit het oogpunt van koelte en frischheid de voorkeur. Generaal Annenkof heeft opgemerkt, dat, in het heete jaargetijde, een verschil in temperatuur van tien tot twaalf graden valt waar te nemen te nemen tusschen huizen die van gebakken steen en huizen die van in de zon gedroogden steen zijn gebouwd.Het voornaamste monument van Baïram-Ali is de citadel, waarvan de muren met halfronde torens onwillekeurig aan het Kremlin herinneren. De omwalling is rechthoekig, en beslaat eene oppervlakte van omstreeks drie kilometers. De overblijfselen der poorten van de vesting zijn zeer bezienswaardig. In waarheid, de ruïnen van het oude Merw verdienen de aandacht der geleerden: wij zijn geen geleerden, en toch vergeten wij hier onzen tijd. Waarom is kolonel Alikhanoff niet bij ons? Hij zou ons misschien kunnen zeggen, wat die brokstukken van gebouwen eigenlijk beteekenen, waarvan wij te vergeefs de oorspronkelijke gedaante trachten te raden; hij zou ter verklaring de toevlucht kunnennemen tot de turkmeensche traditiën, waarvan hij volkomen op de hoogte is.De avond was reeds gedaald, toen wij onze paarden in galop zetten om naar den trein van den generaal terug te keeren, waarvan de lichten ons op een afstand van drie kilometerstegenblonken. Maar wij hebben het ongelukkig getroffen met onzen gids. Het terrein dezer verlaten steden wordt doorsneden door diepe grachten, die geheel begroeid en daardoor, vooral in de duisternis, voor de paarden niet te onderkennen zijn. Wij komen veel te laat ter plaatse onzer bestemming; gelukkig is de generaal voorkomend en ziet hij wat door de vingers ter wille van onze archeologische liefhebberijen.Ingang der citadel van Merw.Ingang der citadel van Merw.Het is vinnig koud op den open wagen: de uit Siberië komende noordoosten wind verstijft ons met zijn ijzigen adem. Voeg daarbij, dat een fijne regen ons voortdurend in het gezicht waait, nog verschroeid door de gloeiende zonnestralen van den vorigen dag. Er is inderdaad niet meer noodig om de koorts te krijgen; deze plotselinge overgangen van temperatuur maken het klimaat van deze streek voor vele gestellen zeer gevaarlijk. Na twee maanden van tropische hitte (Juli en Augustus), steekt plotseling een koude noordenwind op, waarmede de herfst aanvangt, die tot November duurt. De boomen ontbladeren zich en het voorkomen der oase ondergaat eene geheele verandering. Dan begint de winter met zeer strenge koude (vijftien tot twintig graden Celsius onder nul) en aanhoudende stormen uit het noordoosten. De lente (April en Mei) is misschien het eenige wezenlijke goede en aangename jaargetijde, waarin weldadige regens de warmte temperen en het aardrijk verkwikken, dat zich dan weer met zijnen groenen dos tooit. Men moet echter wel in het oog houden, dat er geene vergelijking is te maken tusschen de zon van Merw en die van sommige lage vochtige streken nabij de evennachtslijn: gevallen van zonnesteek zijn hier zeldzaam en niet gevaarlijk, hoewel de russische soldaten slechts eene eenvoudige witte pet dragen, die den nek onbedekt laat. Dit alleen bewijst, dat de zonnestralen, hoe ze ook mogen branden, hier veel minder te duchten zijn dan bij voorbeeld in de Roode-zee of in de indische kustlanden.Merw in den winter.Merw in den winter.

7 September.—Ten acht uren des morgens melden wij ons aan bij generaal Annenkof, wiens trein gereed is om te vertrekken. De zon is heeter dan gisteren; wij bestijgen den open waggon, welke den trein sluit. De burgerlijke en militaire werklieden zijn sedert lang aan den arbeid. Langs de groepen der soldaten heengaande, zegt de generaal met luider stemme:

“Goeden morgen, mijne kinderen!”

En de soldaten staken hun werk, stellen zich in postuur, met de pink op de naad van de broek, en antwoorden in koor:

“Wij wenschen Uwe Excellencie eene goede gezondheid!”

De weg waarop wij rijden is eerst in de laatste dagen gelegd, sedert de hervatting der werkzaamheden, die tijdens de groote hitte gestaakt waren. Wij rijden niettemin met eene snelheid van twintig kilometers in het uur; maar de lange materieel-treinen, die dikwijls uit vijftig wagens bestaan, leggen niet meer dan vijftien kilometers in het uur af. De weg doorsnijdt de oude turkmeensche vesting, waarbinnen geene kibitka meer verrijzen zal, buigt zich dan naar het noordoosten, en bereikt een minder bevolkt gedeelte van de oase. Eenige kilometers voorbij Merw gaan wij over een vrij belangrijken arm van de Moergab: zoo als men weet, verliest deze rivier, welke vroeger inde Amoe-darja uitliep, zich thans in het zand van de Karakoem. De ijzeren brug waarover wij rijden is zoo goed als voltooid; de generaal wil haar beproeven en laat zijn trein met eene snelheid van veertig kilometers in het uur er over heen snorren. De proef gelukt: wij komen niet in de rivier terecht.

Twee uren na ons vertrek komen wij aan den vermaarden constructietrein, die vijftienhonderd menschen kan bevatten, en die elken dag eene etappe verder naar het Oosten voortschuift. Hij staat voor ons stil, en ik tel vier-en-dertig wagens; te weten: vier wagens met twee verdiepingen voor de officieren; een waggon-eetzaal voor de officieren; een keuken-waggon voor de officieren; drie keuken-waggons voor de manschappen (drie kompagniën elk van tweehonderd man); een ambulance-waggon; een telegraaf-waggon; eene smederij-waggon; een waggon met levensmiddelen; een reserve-waggon met al hetgeen noodig is voor het leggen der rails over eene lengte van twee kilometers; en eindelijk twintig waggons met twee verdiepingen voor de huisvesting der manschappen en der werklieden (zeshonderd russische soldaten en driehonderd inlandsche aardwerkers). De russische soldaten en de aziatische werklieden zijn in afzonderlijke waggons gehuisvest. Een russische waggon is zeven meter lang en drie meter breed; hij heeft op elke verdieping ruimte voor vijf-en-twintig man, die in een soort van kooien boven elkander slapen.

Voor de inwijding van het station te Merw bestond deze trein uit vijf-en-veertig wagens met vijftienhonderd soldaten en werklieden: er waren toen redenen om zooveel mogelijk voortgang met het werk te maken, welke nu niet meer bestaan. Voorbij Merw verliest de transkaspische spoorweg een groot deel van zijne strategische waarde. Het naaste en onmiddellijke doel van den spoorweg was de pacificatie en de verzekering van het rustig bezit der turkmeensche oasen: dat doel is den 14denJuli 1886 bereikt.

Het is tien uren in den morgen: de generaal houdt algemeene inspectie. Wij stijgen te paard en volgen Zijne Excellencie onder de luide kreten en begroetingen van de soldaten en zelfs van de Tekkés, die op hunne manier het russische saluut uitschreeuwen. Wij rijden langs den trein, waarin zich nog een aantal soldaten bevinden, deels op hunne slaapsteden uitgestrekt, deels de thee klaarmakende. Als wij hierover onze verwondering te kennen geven, heldert de generaal ons het raadsel op. Om, in dit klimaat, maanden lang, een moeilijken arbeid te kunnen volhouden, is het volstrekt noodig, de krachten der arbeiders te sparen. De manschappen worden dus in twee brigaden van gelijke sterkte verdeeld, die dagelijks niet langer dan zes uren werken, de eerste van zes uren in den morgen tot ʼs middags, de andere van ʼs middags tot zes uren ʼs avonds.

Twee spoorwegbataillons, transkaspische bataillons genaamd, worden gebezigd voor den aanleg en de exploitatie van den weg. Het eerste bataillon heeft in 1880 de lijn tot Kizil-Arwat gemaakt; het is nu belast met de exploitatie en met de telegraafdienst. Het tweede transkaspische bataillon wordt uitsluitend gebruikt voor het leggen der rails, het plaatsen van de telegraaf, en in het algemeen voor alle werken, die niet aan inlanders kunnen worden toevertrouwd. Dit bataillon is eerst onlangs gevormd en werd in den tijd van twintig dagen, van 10 Mei tot 1 Juni 1885, saamgesteld uit soldaten van het staande leger, die de vereischte bekwaamheden bezaten. Sedert de weg tot Merw is doorgetrokken, wordt een deel der manschappen van dit tweede bataillon gebruikt voor de exploitatie: voor het leggen der rails zijn nu nog zeshonderd man aangewezen.

Al de aard- en metselwerken worden door inlandsche werklieden verricht. De soldaten met hun witte boezeroen en witte pet, die onder het oog van hunne te paard gezeten officieren zoo vlug en handig met de rails omspringen, raken geen schop of troffel aan. Zij vinden de baan vooruit gereed gemaakt door de inlandsche aardwerkers, die, onder opzicht van de ingenieurs, in ploegen verdeeld, daaraan arbeiden. Ieders taak is juist aangewezen, en elke botsing tusschen het militaire en burgerlijke element voorkomen.

Zijn de plannen door de ingenieurs opgemaakt en door den generaal goedgekeurd, dan tijgt een ploeg Turkmenen, onder leiding en bevel van de ingenieurs, aanstonds aan het werk voor het gereed maken der aarden baan. Zulk een ploeg is dikwijls zeer talrijk en wordt dan in onder-afdeelingen gesplitst: de hoofdzaak is dat deze werklieden steeds vóór zijn.—Op dien eersten ploeg volgt het bataillon met het leggen der rails belast, waaraan inlandsche opperlui zijn toegevoegd, die het grove werk moeten doen en den soldaten alle noodelooze vermoeienis besparen. Hieruit blijkt, dat zoo in het russische leger eene zeer strenge discipline heerscht, de officieren ook wel degelijk voor de gezondheid der soldaten zorgen.—Is het spoor eenmaal gelegd, dan komen de ingenieurs met hunne werklieden om de laatste hand aan het werk te leggen: zij gaan aan de militaire brigade vooraf en volgen haar. Ook moeten zij voor het onderhoud zorgen.

Het is niet meer dan natuurlijk, dat waar het leggen van het spoor zoo vlug geschiedt, er daarna nog het een en ander na te zien, bij te werken en te verhelpen valt. Ongetwijfeld is de weg niet aanstonds volkomen in orde, maar dat wordt ook niet verlangd. Het is voldoende dat de spoorbaan geschikt zij voor den militairen trein en voor de treinen met materieel, die tweemaal per dag aankomen: en dit doel is bereikt, want tot heden is nog geen enkel ongeluk voorgevallen.

Terwijl de generaal mij dit een en ander mededeelt, zijn wij bij de manschappen gekomen, die met het leggen der rails bezig zijn; de twee laatste rails zijn juist op de dwarsliggers gespijkerd, en ik heb ter nauwernood den tijd om mijn paard op de aarden baan te drijven, of de twee volgende rails zijn ook gelegd: binnen weinige sekonden is de lijn zeven meters verder doorgetrokken in de richting van Samarkand.

Vlak voor mij zie ik een licht wagentje, datdoor inlanders, onder bevel van een soldaat, op het zoo even gelegde spoor wordt voortgeduwd; op dit wagentje liggen tusschen de twaalf en twintig rails. Aan het einde van de laatst gelegde rails gekomen, staat het stil; vier soldaten staan gereed, twee aan iedere zijde van den weg; met hunne tangen nemen zij twee rails van het wagentje en leggen ze op de baan; andere soldaten plaatsen die rails in de juiste richting en bevestigen ze met drie hamerslagen op de dwarsliggers; dan rijdt het wagentje weer zeven meters verder; wederom worden twee rails ontladen en gelegd. Deze operatie wordt onafgebroken met mathematische nauwkeurigheid uitgevoerd; gestadig verlengt zich de spoorlijn naar het Oosten.

Waar komen nu de rails en de dwarsliggers en het verdere materieel van daan?

Tweemaal in de vier-en-twintig uren wordt al het benoodigde voor het leggen van twee wersten aangevoerd door een reusachtigen trein van vijf-en-veertig tot vijftig wagens. De eerste trein komt ʼs nachts aan, voor de morgenbrigade, die van ʼs morgens zes tot ʼs middags twaalf uur werkt.—De tweede trein komt in den voormiddag, voor de andere, wier taak om twaalf uren begint en ʼs avonds om zes uur eindigt.—Deze treinen moeten achter den militairen trein stoppen, want er is geen dubbel spoor. Zij lossen dus hun materieel achter dien trein: de rails aan den eenen kant van den weg, de dwarsliggers aan den anderen. Zoodra de lossing is afgeloopen, vertrekt de trein op nieuw om voorraad te halen voor den volgenden dag.

Danzet zich de militaire constructietrein in beweging en rijdt terug tot voorbij de plaats waar straks de trein met materieel stond, zoodat de baan vrij is voor het vervoer van de rails en het overige naar het einde van het spoor. Stuit men op geen buitengewone hinderpalen, dan zijn om twaalf uur twee kilometers voltooid; deconstructietreinrijdt nu zoo ver door, het ontbijt der soldaten met zich brengende.

Dan tijgt de tweede brigade aan het werk. De trein met materieel, die in den loop van den morgen is aangekomen, nadert zoo dicht mogelijk den constructietrein, lost zijne lading en vertrekt weer; de constructietrein loopt op zijn beurt eenige honderden ellen achteruit, en dezelfde werkzaamheden beginnen op nieuw voor het vervoer en het leggen der rails en der dwarsliggers. Als de avond invalt zijn wederom twee kilometers van den transkaspischen spoorweg voltooid.

Op deze wijze is het mogelijk geweest, binnen weinige maanden het traject door de turkmeensche woestijn tot stand te brengen, en den schijnbaar onoverkomelijken slagboom op te ruimen, dien de natuur tusschen Rusland en Engeland had opgeworpen. Toen de generaal naar zijn trein terugkeerde, vroeg hij mij welken indruk dit alles op mij gemaakt had: ik gaf hem mijne ongeveinsde bewondering te kennen en voegde er bij, dat zijne wijze van werken ongetwijfeld tot voorbeeld zal genomen worden bij elken spooraanleg midden door woestijnen.

In waarheid, de boven omschreven regeling schijnt zeer eenvoudig; men zou zoo zeggen, alles loopt van zelf: maar weinigen zullen beseffen, hoeveel inspanning, hoeveel nadenken, voorzorg en oplettendheid er noodig is geweest, om dezen regelmatigen gang van het werk te verzekeren en vertraging te voorkomen. Daartoe bestond meer dan eene aanleiding.

Wij zijn in een mohammedaansch land, en in den loop van het jaar schrijft de Koran verschillende feesten voor, die soms lang duren. De Tekkés zijn wel geen fanatieke Muzelmannen, maar toch zeer gesteld op de feestdagen, die tevens rustdagen zijn: zij blijven dikwijls weg als men hen het meest noodig heeft. Deze werkstakingen zijn zeer lastig, wanneer men met vijftien- of twintigduizend arbeiders te doen heeft: maar toch heeft het werk aan den spoorweg er nooit ernstig door geleden. Gebeurt het soms, dat om eene of andere reden de trein met materieel oponthoud ondervindt, dan neemt men zijn toevlucht tot den voorraad in den constructietrein en tot de depôts van dwarsliggers en rails, die de zorgzame generaal langs de geheele lijn heeft doen aanleggen.

Maar de muzelmansche feesten zijn niet de grootste moeilijkheid. Alles wat voor den bouw van den transkaspischen spoorweg noodig is, moet uit europisch Rusland komen en dus over de Kaspische-zee worden vervoerd. De vaart op die zee is dikwijls zeer lastig en gevaarlijk; bovendien is de haven van Astrakan gedurende eenige maanden door vorst gesloten. Van daar vertraging en stilstand in den aanvoer van materieel. Toch werd het werk met de grootste regelmatigheid en zonder eenige stoornis voortgezet: reeds aanstonds, bij den aanvang der werkzaamheden, had de generaal een aanzienlijken voorraad van materieel in de magazijnen doen opleggen; was het noodig, dan werd daaruit genomen wat men behoefde, en de voorraad vervolgens weder aangevuld en kompleet gehouden.

Staan reeds Europeanen verbaasd over de spoedige voltooiing van dien reuzenarbeid, dan kan men begrijpen, welken indruk dit op de Tekkés van Merw moet maken. Zij beseffen dat het eene vergeefsche poging zou zijn, den strijd te willen aanbinden met de Russen, die al loopende twee ijzeren sporen hebben gelegd tusschen de zee en hunne oase. Deze ijzeren sporen, welke de verovering mogelijk hebben gemaakt, hebben niet minder bijgedragen tot de volledige onderwerping en de aanvaarding van den nieuwen toestand, waarvan men gevoelt dat hij voor goed gevestigd is. Ik durf niet beoordeelen of het precies waar is, wat Elisée Reclus zegt, dat de Turkmenen zoo eerlijk en trouw zijn, dat iemand die een ander geld leent daarvoor geene schuldbekentenis vordert of die bekentenis in handen van zijn schuldenaar laat; maar al zou ik niet zoo onbepaald op hun nakomen van het gegeven woord vertrouwen, dit is zeker, dat de vreeze het begin der wijsheid is.

Het leggen der rails.Het leggen der rails.

Het leggen der rails.

Wij ontbijten met generaal Annenkof in zijn open wagen en hebben van daar het uitzicht op uitgestrekte ruïnen, waarvan ik nog niet gesprokenheb. De plaats waar wij ons bevinden heet Baïram-Ali; daar stond het Oude-Merw, op een plateau dat minder aan de overstroomingen van de Moergab was blootgesteld dan het lage land langs den oever. Rechts en links van den spoorweg, tot op een afstand van drie of vier kilometers, zien wij brokken van muren, van vierkante torens, van vestingwerken, en te midden van die bouwvallen een grafmonument met een grooten koepel gedekt.

De geschiedenis van deze streek, die tegenwoordig bijna onbewoond is, maar vroeger de zetel was eener bloeiende beschaving, is nog zeer in het duister gehuld. Naar het schijnt, kan men haar in drie groote tijdperken verdeelen, waarvan het eerste zich tot omstreeks de zesde of zevende eeuw onzer jaartelling uitstrekt. Volgens de traditie zouden er in dien tijd twee groote bloeiende steden hebben bestaan, waarvan de eene door Zoroaster, de andere door Alexander de Groote zou zijn gesticht. Wel wijst men u enkele ruïnen aan, welke voor overblijfselen dezer steden worden gehouden; maar met zekerheid weet men omtrent dat tijdperk niets. Misschien zullen nasporingen en opgravingen daaromtrent eenig licht kunnen verspreiden.

Het tweede tijdperk begint met de muzelmansche verovering. Omstreeks acht eeuwen geleden werd door sultan Sandjar de naar hem genoemde stad Sultan-Sandjar-Kala gesticht: het met den koepel gekroonde gebouw is zijn grafmonument. Deze machtige monarch, die uitgebreide waterwerken aanlegde, om de Moergab aan de uitbreiding van den landbouw dienstbaar te maken, was eigenlijk niet meer dan de stedehouder van den Khalief van Bagdad, die zich, als zoo vele andere stadhouders, bij het zinken van het khaliefaat, onafhankelijk had gemaakt. In de vijftiende eeuw werd Turkmenië door de Mongolen overstroomd: Merw, destijds de mededingster van Samarkand, werd verwoest. Men verhaalt dat Dsjenghis-Khan al de bewoners der rampzalige stad, ten getale van zevenhonderd-duizend, liet ombrengen.

Het derde tijdperk eindelijk omvat het zoogenaamde perzische tijdvak, toen een groot deel van Turkmenië, althans in naam, van den Shâh van Perzië afhankelijk was. In dien tijd valt de stichting van een nieuw Merw, thans nog onder den naam van Baïram-Ali bekend. Ook deze stad telde in haar bloeitijd, naar men verzekert, eenige honderdduizenden inwoners: en de uitgestrektheid der ruïnen schijnt voor de waarheid der traditie te pleiten. De waterwerken werden hersteld; het land bloeide en genoot eene hooge mate van welvaart; maar in 1787 werden de Turkmenen van Merw geslagen door Maäzoen-Khan, emir van Bokhara, die de stad verwoestte, een groot deel der inwoners als gevangenen wegvoerde en de stuwen en waterwerken vernielde, waardoor een groot stuk van de oase tot een woestijn werd gemaakt.

De oase schijnt toen gedurende eenigen tijd onbewoond te zijn geweest: daarna werd zij weder ingenomen door de Turkmenen van Pendjdeh, bekend onder den naam van Sarikhs. Hunne heerschappij duurt tot omstreeks 1830, toen zij door de ingeborenen des lands, de Tekkés, werden verdreven. Deze Tekkés, aangevoerd door een befaamden bandietenhoofdman, Kaoetsjoe-khan, werden de schrik van alle buren; zelfs de Russen hadden van hunne strooptochten te lijden. In 1855 verslaat Kaoetsjoe de troepen van den khan van Khiwa, maakt hem zelven gevangen en slaat hem het hoofd af, dat hij aan den Shâh van Perzië zendt. Pogingen, door de perzische regeering aangewend, om de vroegere opperhoogheid over Merw te herwinnen, mislukken ten eenenmale; in 1861 werden de Perzen geslagen en moesten terugtrekken met achterlating van een dertigtal kanonnen, die men nog te Merw, naast de woning van kolonel Alikhanoff zien kan. Latere expeditiën hadden geen beter gevolg of werden wel ontworpen maar niet uitgevoerd. Om zich tegen een dreigenden aanval der Russen te kunnen verdedigen, liet Kaoetsjoe-khan de groote citadel van Merw bouwen, die een omtrek heeft van acht kilometers. Toen de oorlog met Rusland eindelijk, in 1879, uitbrak, was Kaoetsjoe-khan reeds overleden: voor de muren van Ghéok-Tépé bracht zijn opvolger het russische leger eene nederlaag toe. Een veldtocht van een jaar, een geregeld beleg van eenige weken was noodig om deze krijgshaftige bandieten te dwingen en tot onderwerping te noodzaken. Omstreeks drie jaren na den val van Ghéok-Tépé bood Merw vrijwillig zijne onderwerping aan en werd de geheele oase bij het reusachtig rijk der Tsaren ingelijfd.

De Russen schijnen er zich op te verstaan, om de verschillende volksstammen, die zij onder hun gezag vereenigen, ook voor zich te winnen en met de vreemde heerschappij te verzoenen. Hier althans zou niets u doen vermoeden, dat ge in een veroverd land zijt; uit de inlanders worden speciale korpsen gevormd, die bij een eventueelen oorlog groote diensten kunnen bewijzen, en waarbij de khans of aanzienlijken den graad van officier kunnen verwerven. Maar tusschen deze inlandsche en de russische officieren bestaat volstrekt geene gelijkstelling: al zijn de khans ook tot den rang van kolonel opgeklommen, zal hun toch nimmer het bevel over eene afdeeling kozakken worden opgedragen, en de tweede luitenants van het nationale leger bewijzen hun wel de eer, die zij hun volgens de militaire wet verschuldigd zijn, maar laten zich verder niet met hen in. Men acht de handhaving van dit onderscheid noodig voor het prestige van het heerschende ras.

Wij mogen de gelegenheid niet verzuimen, om de ruïnen van het oude Merw te bezoeken, die in Europa bijna geheel onbekend zijn. Paarden worden gezadeld; een turkmeensche gids in russische dienst wordt ontboden: wij gaan op weg. Het zijn prachtige, sierlijke dieren, die turkmeensche paarden, met hun fijnen kop, hunne smalle borst, hunne gespierde pooten. Van gemengd arabisch ras, zijn zij nog beter tegen vermoeienissen bestand dan de volbloed arabische paarden. Zonder bezwaar kunnen zij een week lang honderd kilometer per dagafleggen. Zij worden in de tent, met de kinderen van het gezin groot gebracht en door de vrouwen gestreeld en geliefkoosd; het ontbreekt hun aan niets; ook waar, in eene armzalige kibitka, de meester en zijn gezin met lompen zijn gekleed, heeft het paard nog een goed warm dek.

Aan de linkerzijde van de spoorbaan liggen de overblijfselen der oude stad Sultan-Sandjar-Kala, waarvan slechts de voornaamste monumenten nog staande zijn gebleven. Van de gewone huizen is hier, evenmin als in het latere Baïram-Ali, bijna geen spoor meer over: trouwens, dit laat zich begrijpen, daar verreweg de meeste gebouwen van pisé, gestampte aarde, zijn opgetrokken. Waar zal men ook in de eindelooze steppe steen vinden? De kleiaarde, in de zon gedroogd, verkrijgt voldoende hardheid om muren te bouwen van ettelijke ellen hoogte bij eene dikte van veertig tot vijftig duim. Het vervaardigen van baksteen was en is nog zeer kostbaar: niet dan bij uitzondering werd daarvan gebruik gemaakt. Met verbazing staat men stil voor deze vaak kolossale gebouwen, waarbij geen enkele steen is gebruikt, en die toch betrekkelijk goed bewaard zijn gebleven. Uit de verte zou men ze voor gewone gebouwen aanzien, en toch is alles louter aarde.

Wij rijden langs een vormeloozen wal of dijk, volgens onzen gids, de omwalling der stad van Alexander. Heel zeker is hij daarvan niet, want als ge hem met vragen lastig valt, zal hij gereedelijk toegeven dat gij de overblijfselen voor u hebt van de stad van Zoroaster, van Ghiaoer-Kala (de sterkte van den ongeloovige). Als ge den wal beklimt, ziet ge niets dan de vlakke kale steppe, met hoog geel gras begroeid, en hier en daar eenige heuvels van aarde of scherven en puin. Vermoedelijk zouden hier niet onbelangrijke opgravingen zijn te doen.

Wij begeven ons naar de weinige monumenten, die in de stad van sultan Sandjar nog de aandacht trekken. Dat zijn vooreerst twee groote gewelfde portieken of nissen, waarvan de achterwand met gekleurde tegels bekleed is: ongetwijfeld behoorden deze ruïnen vroeger tot eene moskee. Tegenover de portieken ziet men twee sarkophagen, insgelijks van baksteen, en in die sarkophagen twee kisten van dezelfde bouwstof, met een wit marmeren zerk gedekt. Niemand kan mij zeggen, wie daar begraven ligt. De graven schijnen nieuw, maar zijn toch, volgens onzen gids, eenige eeuwen oud.—Wij rijden vervolgens langs eene soort van citadel, waarvan de aarden wallen aan de buitenzijde met regelmatige vertikale insnijdingen zijn versierd, die een zonderling effekt maken: het is als zag men eene rij reusachtige overeind staande worsten. Eindelijk komen wij aan de belangrijkste ruïne der geheele streek, aan het graf van sultan Sandjar, op eene hoogte of terp gebouwd, waardoor het monument, uit de verte gezien, veel hooger schijnt dan het werkelijk is. Verbeeld u een rechthoekig gebouw, aan iedere zijde achttien tot twintig el breed, en gedekt door een koepel, die zich vijf-en-twintig el boven den grond verheft; alles van baksteenen, die door zoo hard cement verbonden zijn, dat zelfs het breekijzer daarop afstuit. Twee kleine deuren tegenover elkander geven toegang tot het inwendige van het gebouw, maar zij zijn zoo laag, dat een der officieren, prins Gagarin, even hoog van statuur als van geboorte, zich bijna in tweeën moet vouwen om binnen te gaan. Binnen getreden, moet ge twee of drie el afdalen om den vloer van het monument te bereiken. Waar is nu de tombe van sultan Sandjar? Is zij ergens verborgen of door Dsjenghis-Khan vernield? Misschienzullenlatere onderzoekingen dit raadsel ophelderen.

Wij begeven ons nu naar de perzische stad Baïram-Ali, waardoor de spoorweg loopt. Een vrij groot aantal partikuliere woningen, vroeger zeker het eigendom van aanzienlijken en hoofden, zijn nog in tamelijk goeden toestand bewaard gebleven en bieden des noods den reiziger nog eene verblijfplaats aan. Bijna allen zijn naar hetzelfde model gemaakt, en bestaan in de eerste plaats uit een vierkant gebouwtje van zes tot tien meter hoog, in twee verdiepingen verdeeld. Eene zeer smalle lage deur geeft toegang tot de benedenverdieping; een trap ontbreekt, zoodat de bovenverdieping alleen met behulp van een ladder bereikbaar was; blijkbaar is dit zoo gemaakt met het oog op de verdediging tegen een vijandelijken aanval: dan was die bovenverdieping de laatste wijkplaats. Dit gebouwtje—men zou kunnen zeggen, deze vestingtoren—is op eenigen afstand omringd door een muur van omstreeks drie el hoogte, waarbinnen zich ongetwijfeld de eigenlijke woning van het gezin bevond: in dien muur was slechts een enkele doorgang, waartegenover, aan de buitenzijde, zich een klein gebouwtje bevond, bestemd tot wachthuis voor soldaten of tot verblijfplaats voor de slaven.

Deze woningen zijn geheel van leem en kleiaarde en bevatten maar zeer weinig baksteen. Het gebruikvanpisé of van in de zon gedroogde steenen is niet alleen veel goedkooper, maar verdient ook uit het oogpunt van koelte en frischheid de voorkeur. Generaal Annenkof heeft opgemerkt, dat, in het heete jaargetijde, een verschil in temperatuur van tien tot twaalf graden valt waar te nemen te nemen tusschen huizen die van gebakken steen en huizen die van in de zon gedroogden steen zijn gebouwd.

Het voornaamste monument van Baïram-Ali is de citadel, waarvan de muren met halfronde torens onwillekeurig aan het Kremlin herinneren. De omwalling is rechthoekig, en beslaat eene oppervlakte van omstreeks drie kilometers. De overblijfselen der poorten van de vesting zijn zeer bezienswaardig. In waarheid, de ruïnen van het oude Merw verdienen de aandacht der geleerden: wij zijn geen geleerden, en toch vergeten wij hier onzen tijd. Waarom is kolonel Alikhanoff niet bij ons? Hij zou ons misschien kunnen zeggen, wat die brokstukken van gebouwen eigenlijk beteekenen, waarvan wij te vergeefs de oorspronkelijke gedaante trachten te raden; hij zou ter verklaring de toevlucht kunnennemen tot de turkmeensche traditiën, waarvan hij volkomen op de hoogte is.

De avond was reeds gedaald, toen wij onze paarden in galop zetten om naar den trein van den generaal terug te keeren, waarvan de lichten ons op een afstand van drie kilometerstegenblonken. Maar wij hebben het ongelukkig getroffen met onzen gids. Het terrein dezer verlaten steden wordt doorsneden door diepe grachten, die geheel begroeid en daardoor, vooral in de duisternis, voor de paarden niet te onderkennen zijn. Wij komen veel te laat ter plaatse onzer bestemming; gelukkig is de generaal voorkomend en ziet hij wat door de vingers ter wille van onze archeologische liefhebberijen.

Ingang der citadel van Merw.Ingang der citadel van Merw.

Ingang der citadel van Merw.

Het is vinnig koud op den open wagen: de uit Siberië komende noordoosten wind verstijft ons met zijn ijzigen adem. Voeg daarbij, dat een fijne regen ons voortdurend in het gezicht waait, nog verschroeid door de gloeiende zonnestralen van den vorigen dag. Er is inderdaad niet meer noodig om de koorts te krijgen; deze plotselinge overgangen van temperatuur maken het klimaat van deze streek voor vele gestellen zeer gevaarlijk. Na twee maanden van tropische hitte (Juli en Augustus), steekt plotseling een koude noordenwind op, waarmede de herfst aanvangt, die tot November duurt. De boomen ontbladeren zich en het voorkomen der oase ondergaat eene geheele verandering. Dan begint de winter met zeer strenge koude (vijftien tot twintig graden Celsius onder nul) en aanhoudende stormen uit het noordoosten. De lente (April en Mei) is misschien het eenige wezenlijke goede en aangename jaargetijde, waarin weldadige regens de warmte temperen en het aardrijk verkwikken, dat zich dan weer met zijnen groenen dos tooit. Men moet echter wel in het oog houden, dat er geene vergelijking is te maken tusschen de zon van Merw en die van sommige lage vochtige streken nabij de evennachtslijn: gevallen van zonnesteek zijn hier zeldzaam en niet gevaarlijk, hoewel de russische soldaten slechts eene eenvoudige witte pet dragen, die den nek onbedekt laat. Dit alleen bewijst, dat de zonnestralen, hoe ze ook mogen branden, hier veel minder te duchten zijn dan bij voorbeeld in de Roode-zee of in de indische kustlanden.

Merw in den winter.Merw in den winter.

Merw in den winter.


Back to IndexNext