HET MEER VANGENNESARETH.

„Wat haver geven aan zijn beest„En God te bidden in den geest„Is iets, wat wel wat tijd vereischt,„Maar wat niet hindert, als men reist.”

„Wat haver geven aan zijn beest„En God te bidden in den geest„Is iets, wat wel wat tijd vereischt,„Maar wat niet hindert, als men reist.”

„Wat haver geven aan zijn beest

„En God te bidden in den geest

„Is iets, wat wel wat tijd vereischt,

„Maar wat niet hindert, als men reist.”

Na deze uitweiding over de voor- en nadeelen van het tenteleven, keeren wij tot onze reis terug. Wij zijn middelerwijl tot de grenzen van Galilea genaderd en bevinden ons te Ummkês of Mukês, thans een armoedig dorpje, voorheen de stad Gadara, de hoofdstad van Peraea, een der tien steden van het Dekapolisgebied. De ligging en de omgeving zijn prachtig. Het meest treft ons het verrassende uitzicht op de zee van Galilea, die rechts van ons ligt in de diepte, 150 meter beneden ons en wier groen water scherp afsteekt bij de rondom gelegen bergen. Links van ons ontplooitzich voor onzen blik de vlakte van den Jordaan, die wij van hier uit, zoover het oog reikt, in hare volle lengte kunnen overzien. Recht voor ons uit verheffen zich de berg Thabor en de kleine Hermon.

De straten van het oude Gadara zijn nog duidelijk te herkennen aan de wagensporen in het plaveisel der wegen, langs welke aan beide zijden een menigte zuilen van bazaltsteen van vroegere gebouwen verspreid liggen. Men heeft er dan ook de ruïnen opgegraven van twee theaters en van een ouden tempel, die later schijnt opgebouwd te zijn tot eene Christelijke kerk en tal van graftombes. In het dorp zag men nog verscheidene met fijn beeldhouwwerk versierde sarcophagen of doodkisten, die weleer hadden gediend om het stoffelijk overschot te bewaren van de grooten der aarde, die daar woonden en die de bewoners thans bezigden als trog voor veevoeder en dergelijke dingen.Sic transiit gloria mundi!

Onderwijl wij daar wat uitrustten onder de schaduw van een ouden olijfboom, eenling in de gansche omgeving, verzamelde zich rondom ons heen eene menigte fellahs of dorpsbewoners. Wanneer ik de photographieën, die ik van hen nam, er nog eens op nazie, dan waren het echte wilden met angstwekkende tronies. Gelukkig waren ze niet kwaad en konden wij ze overgelukkig maken met een sigaar, een voorwerp datzij blijkbaar niet kenden, althans niet wisten aan te steken. Toen hun dit echter getoond was, deed zij de rondte van mond tot mond zelfs bij de vrouwen, die wij onderkenden aan hare getatouëerde aangezichten.

Eenige oogenblikken later zag ik een man uit hun midden, die onder den boom, waar wij zaten, zich afzonderde tot het gebed. Met het aangezicht naar het Oosten gekeerd, nijgde hij zijn hoofd eerst driemalen ter aarde, knielde toen neder, richtte zich daarna weder op, herhaalde die buigende beweging telkens weêr en aanbad.... maar wat? Doch hoe het zij, hij toonde, door zich aan niets te storen en voor niemand te schamen, dat hij op zijne wijze den moed had zijnen God te belijden voor de menschen enfluisterdeons Christenen, schoon zwijgend, een ernstige waarheid in het oor, die men op reis zoo licht vergeet.

Toen wij van hier afdaalden naar de Jordaanvlakte, genoten wij nog langen tijd van het overschoone uitzicht op de zee van Galilea. Wij doorwaadden de rivier de Jarmuk, die in den Jordaan vloeit en voorzagen ons van een bloem van den oleander, die hier overal in het wild groeit. Tegen den avond kwamen wij bij het dorpje Samach, waar onze tenten waren opgeslagen aan den oever van de zee van Galilea.

Het was een verrukkelijk schoone avond, dien wijdaar doorbrachten. De maan scheen juist in haar eerste kwartier met de geopende zijde van haar blinkende sikkel naar Venus gekeerd, die er vlak naast stond in schitterende pracht. Het was een sterrenbeeld zooals men slechts zelden hier in het Westen aanschouwt. Terstond herkende ik daarin het zinnebeeld, dat de Turk koos om zijn vlag te sieren. Jammer, dat het maar een enkelen avond te zien was; want doordat de maan den volgenden avond later op- en onderging, stond Venus op een veel grooteren afstand.

Toch bleef het mij een onvergetelijk schouwspel en, wanneer ik er aan dacht, kwam mij telkens dat gedeelte van den Koran voor den geest, waarin beschreven wordt op welke wijzeAbrahamgekomen is tot het bewustzijn, dat er maar een éénig God is. Toen zijn vader, zoo luidt dat verhaal, die een heiden was, nog leefde, liet KoningNimrodalle pasgeboren kinderen ombrengen (blijkbaar eene verwarring met den kindermoord teBethlehem).Abraham, die gespaard bleef, werd tot zijn 15dejaar opgevoed in een spelonk. Toen hij daaruit kwam en des avonds aan den hemel een schoone ster zag staan, riep hij uit: „Dat is mijn God”! Maar toen zij weder onderging, sprak hij: „ik bemin niet hetgeen ondergaat.” Toen hij vervolgens de maan zag opkomen, zeidehij wederom: „Dat is mijn God.” Doch toen ook zij onderging, zeide hij: „waarlijk, mijn God heeft mij niet geleid om tot de dwalende menschen te behooren.” En toen hij eindelijk de zon zag opgaan, zeide hij wederom: „Dat is mijn God, deze is grooter.” Maar toen ook zij weêr onderging sprak hij: „menschen, ik wil niets te doen hebben met datgene, wat gij afgodisch aanbidt; ik richt mijn aangezicht onafgewend naar Hem, die den hemel en de aarde uit niet heeft voortgebracht en behoor niet tot degenen, die Hem deelgenoot maken van iets, waarmede Hij Zijne eer zou moeten deelen.”

En toch koos de Mohammedaan, die eenAbrahamzoo hoog vereert, tot zinnebeeld zijner toekomst iets dat ondergaat!

Was dat een toeval, het noodlot of een profetie?

Voordat wij het dorpje Samach verlaten, werpen wij eerst nog een blik in de armoedige woningen, waaruit het bestaat. Zij zijn meerendeels van leem, zonder venster en met platte daken, die uit hout en riet zijn samengesteld en met leem overdekt. De deur bestaat in eene opening in het midden van een der muren en verleent toegang tot het eenige woonvertrek, waarvan het voorste gedeelte dient voor het vee en de andere helft voor het huisgezin. De matten, die overdag zijn opgerold, worden des avonds als bed gespreid.

Inmiddels zijn onze booten reeds aangekomen, die van Tiberias ontboden waren om ons van den zuidelijken naar den noordelijken oever over te brengen. Het is nog vroeg in den morgen; maar wij moeten onshaasten, want alles voorspelt wederom een warmen dag. Geen wolkje aan den hemel, geen zuchtje in de lucht, geen rimpeltje op het water. De heete stralen der brandende zon verdubbelen haar warmte door de weêrkaatsing in het spiegelgladde vlak der zee. 's Middags om 4 uur wijst de thermometer in de schaduw eener koele, steenen veranda nog 94 graden. Zelfs het water der zee was zoo lauw, dat ons noch een bad noch een dronk verfrisschen kon.

Waarlijk op zulk een dag heeft men te doen met de roeiers. Hoe gaarne zou men hun een koeltje gunnen om het zeil te kunnen opzetten; maar eerst tegen den avond stak de wind op, die hun het werk kwam verlichten. De scheepjes, ongeveer half zoo groot als onze kotters, hebben een mast voor een fok, die aan stuurboord wordt bevestigd. In elke boot waren zeven man, die elkander geregeld afwisselden. De rustenden vlijden zich dan een poosje neder in het vooronder van het schip. Het lied, dat aanvankelijk den roeislag begeleidt, houdt gelukkig niet lang aan, want het bestaat uit eentonige, klanklooze geluiden, zonder eenige melodie.

Langs den westelijken oever van het meer varen wij steeds met den grooten Hermon in het verschiet, in 6 uren tijds van Samach naar Tell Hum, het voormalige Capernaüm. Dezen afstand, iets minder dande lengte der geheele zee, die 20.5 bij 9 kilometer is, legden wij in 6 uur tijds af.

Eerst kwamen wij voorbij de plaats, waar de Jordaan uit de zee stroomt. Zij vormt hier een schiereiland, waarop men nog de overblijfsels kan zien eener oude vesting. Verderop volgen dan de badhuizen der warme bronnen van Hamman Tabarïja, wier water in vroeger eeuwen door buizen naar Tiberias werd geleid. Het bezat reeds in de dagen vanFlavius Josephuszekere vermaardheid als heilzaam middel tegen huidziekten en rheumatiek. Het heeft 62 gradenCelsiuswarmte en is zeer zout en zwavelhoudend. De tegenwoordige badinrichting werd in 1833 gebouwd; zij zag er echter niet uitlokkend uit, zooals ons den volgenden morgen bleek, toen wij haar van naderbij bezagen.

Tiberias, dat nu volgt, ligt schilderachtig. Het kleine stadje, dat nauwelijks 4000 inwoners telt, verheft zich van de zee tegen de glooiing van de bergen. Aan onze zijde is het geheel open en naar de landzijde ingesloten door een hoogen muur, die aan weêrszijde der stad eindigt in twee in de zee vooruitspringende torens. Enkele bootjes liggen in de haven. De tegenwoordige stad is aanmerkelijk kleiner dan het oude Tiberias vanHerodes Antipas, waarvan men door opgraving der oude muren den omvang heeft bepaald.Het is thans een armoedig plaatsje, berucht vanwege zijn onreinheid, zoo zelfs dat het in den volksmond de „residentie van den koning der vlooien” heet. Of er voor deze bewering grond is, heeft ons de ondervinding niet geleerd, daar onze dragoman, wellicht uit voorzorg, de tenten, waarin wij overnachtten, buiten de „residentie” had opgeslagen.

Wij zetten onzen roeitocht voort tot aan den noordelijken oever. Daar er geen bewoonde plaatsen meer te zien waren, nam ik mijn Bijbel ter hand en las aan ons gezelschap de bekende geschiedenissen voor van de wonderbare vischvangst, den storm op zee, de spijziging der 5000 e. a., die aan dit gedeelte van het meer hadden plaats gegrepen. De landstreek toch, tegenover welke wij ons nu bevinden, is het gebied van Gennesar of Gennesareth, waar de Heiland het meest vertoefde; tegen den middag zijn wij te Capernaüm, waar wij aan wal stappen en betreden den gewijden bodem, waar Hij woonde in „Zijne stad”. (Matth. IX: 1).

TIBERIAS.

TIBERIAS.

Deze plaats is een der weinige, omtrent wier ligging geen verschil van meening bestaat. Ook de tegenwoordige naam Tell Hum bevestigt het vermoeden, dat hier Capernaüm lag. Capernaüm of Kafr Nahum beteekent toch dorp van Nahum; sedert de plaats echter als zoodanig verdween, noemde menhaar Tell d. w. z. heuvel, hoop (ruïnes) van Hum, eene verkorting van Nahum.

Wij landden aan eenFranciscanerklooster, dat door twee monniken bewoond wordt en treden door een hof een ruim vertrek binnen, waar men kan uitrusten en zich verkwikken aan het water, dat men om niet krijgt en aan den proviand, dien men zelf heeft meêgebracht. Van de bouwvallen der stad, zeide men ons, was weinig meer te zien. Eenige brokstukken van zuilen zouden volgens sommigen nog het overblijfsel zijn van eene oude Christelijke kerk, volgens anderen van eene Joodsche synagoge, misschien die welke de hoofdman liet bouwen, wiens dienstknecht krank lag en doorJezuswerd genezen. (Luc. VII: 5).

Daar evenwel buiten in de zon een warmte heerschte als van een oven, een hitte ongekend voor dien tijd van het jaar (19 Oct.),wachttenwij totdat de middaggloed een weinig was getemperd om terug te varen langs de kust naar de overblijfselen van Bethsaïda, die men ongeveer een half uur ten Westen van Capernaüm aanwijst. Anderen zoeken de plaats, waar Bethsaïda lag, ten Oosten aan gindsche zijde van den Jordaan en eveneens die, waar de spijziging der 5000 zou plaats gehad hebben. Wij kunnen op dit verschil van meening hier niet ingaan en bepalenons bij hetgeen wij gezien hebben. Hiertoe behooren de overblijfselen van muren, die inderdaad doen denken aan een oude stad; onmiddellijk daarnaast, nog meer ten Westen, ontplooit zich eene breede grasvlakte, die Ettabgera heet, eene Arabische verbastering van het Grieksche woord Heptapygai, dat 7 bronnen beteekent. Deze bronnen, die nog een watermolen drijven, bevochtigen de landstreek, de eenige aan het meer waar altijd gras groeit en die men daarom houdt voor de plaats der spijziging der 5000 en waarvan in Joh. VI: 10 gezegd wordt: „Er was veel gras in die plaats.”

Iets verder langs den oever valt ons een nieuwerwetsche woning op, eene stichting van de Duitsche R. K. Vereeniging voor Palestina, waarin PaterBieverwoont, een man van indrukwekkende gestalte, die ons zeer vriendelijk en gastvrij onthaalt. Hij heeft zich hier gevestigd om de bevolking den land- en tuinbouw te leeren en wijst ons prachtige producten van den bodem, die hij, zoodra de zaaitijd daar is, onder de bewoners des lands verdeelt. Hij is dezelfde, die ons van zijne reizen onder de Bedouïnen vertelde, en die ons allerlei bijzonderheden verhaalde van het visschersleven aan het meer.

Zoo vernamen wij, dat gedurende den vischtijd de bocht, waarin wij nu zijn, een pachtsom opbrengtvan ƒ2000, evenzooveel als het geheele overige gedeelte van het meer, omdat het hier zoo bij uitstek vischrijk is. De gansche oever is dan overdekt met tenten. Vaak gebeurt het, dat men dan dagen achtereen vischt zonder iets te vangen, totdat men op eens een geheel net vol heeft, inderdaad eene merkwaardige bevestiging niet alleen, maar ook een duidelijke verklaring van de wondervolle vischvangst in Joh. XXI ons beschreven. Het wondervolle toch in deze gebeurtenis is, dat zij geschiedt in de schemering van den morgen, terwijl de vischtijd voorbij is en dat, juist op het woord van den Heer: „Werpt het net aan de rechterzijde van het schip en gij zult vinden,” de vangst zoo groot is, dat de discipelen„het net niet meer konden trekken vanwege de menigte der visschen.” Maar om dit als een wonder te kunnen waardeeren, daarvoor is het oog noodig vanJohannes, den discipel welkenJezusliefhad, een oog dat dieper ziet, dan dat der overigen en in het gebeurde de hand des Heeren opmerkt, zooals blijkt uit zijn woord totPetrus: „Het is de Heer.”

Na eenige verpoozing hernemen wij onze plaatsen in de scheepjes ten einde langs den westelijken oever van het meer naar Tiberias terug te keeren. Met dit landschap voor oogen, is er niet veel verbeelding toe noodig om zich voor te stellen, hoe het er uitzag in dedagen des Heeren. Eerst Capernaüm, dan Bethsaïda; onmiddellijk daarachter, maar iets hooger tegen het gebergte, Chorazin; langs de zee de oude karavanenweg, die van Damascus langs het voormalige Magdala naar Tiberias leidt. Nog heden vertoonen zich in die vlakte van Gennesar terrassen van wijnbergen en akkervelden, die besproeit worden door bronnen frisch water, dat daaruit opborrelt. Hoog daarboven ligt de stad Safed, evenals zoovele steden in Palestina, boven op een berg.

Inderdaad het is niet moeielijk, zeg ik, om met dit tafereel voor oogen zich den Heer voor te stellen van een scheepken de schare leerende in gelijkenissen. Hier een vischnet, dat wordt opgetrokken; daar de voorbijtrekkende koopman in schoone paarlen; elders een zaaier, die uitging om te zaaien; ginds een weide met een herder en zijne schapen; daarboven een stad op een berg, beschenen door het licht der ondergaande zon. Was het ons niet, alsof alles wat de Heer weleer in beeld en gelijkenis sprak voor onze verbeelding begon te leven!

Het sterkst werden wij dit gewaar, toen wij met ons scheepken ongeveer ter hoogte van Magdala waren. De zon was reeds ondergegaan en de schemering ingevallen. Op eens leggen de roeiers hun roeispanen uit de hand en zetten het zeil op. Niemandvan ons bespeurde nog iets van wind. Toch was het aan het zeil te zien, dat het spande. Het duurde niet lang, of de wind verhief zich. Witte kammen vertoonden zich op de golven en ons scheepken werd door een stevige bries voortgestuwd naar de haven van Tiberias. De verbeelding was werkelijkheid geworden, gelukkig maar van korten duur, doch voldoende om zich voor te stellen, hoe het den discipelen weleer te moede was bij den storm op zee.

Doch genoeg over dezen schoonen dag, dien wij doorbrachten op de zee van Gennesareth. Alles wat men hier ziet, ook hetgeen men niet meer ziet, bevestigt de waarheid van het Evangelie. Of zijn dat Chorazin en Bethsaïda, waarvan men nauwelijks de standplaats kent, geen stille getuigen van het „Wee u!” dat de Heer er eenmaal over uitsprak? En dat Capernaüm dat tot den hemel toe verhoogd was, is het niet tot de hel toe nedergestooten geworden?

Inderdaad, wanneer men in enkele woorden den indruk van zulk een dag zou willen samenvatten, dan kunnen wij dien niet beter weêrgeven, dan met eenvoudig te zeggen: hetgeen de Bijbel ons leert iswaar.

Wij zetten thans onze reis voort door Galilea over Cana naarNazareth. In groote, slingerende bochten stijgt de rijweg naar boven, totdat men op de waterscheiding is van het gebergte Hattin. Achter ons ligt de zee van Gennesareth, die al dieper en dieper wegzinkt; terwijl de bergen rondom zich al hooger en hooger verheffen, naarmate wij stijgen. Het landschap wordt daardoor steeds grootscher en de gezichtskring ruimer, zoodat het inderdaad moeite kost er afscheid van te nemen, wellicht voor altijd! Hoe gaarne hadden wij hier, waar ook onze Heiland stellig meermalen vertoefde, eenigen tijd gerust en in stil gepeins onze gedachten bepaald bij al hetgeen men aanschouwde; maar onze dragoman dreef ons voort. Nog een laatste blik op dat Tiberias daarbeneden in de diepte en het gebergte Gaulanitis aan de overzijde van het schoone, groene meer en de bergrug, dien wij overschrijden, onttrekt voorgoed aan ons oog het onvergetelijk landschap, waarvan wij zoo noode scheidden.

Aan deze zijde van den berg breidt zich een breed dal voor ons uit. Onze dragoman verzoekt ons een oogenblik naar hem te luisteren. Hij wijst ons naar rechts op de breede kruin van den berg Hattin, die zich toespitst in twee horens. Hier zou de plaats geweest zijn, waar de Heer de bergrede hield; daar ter linkerzijde, zoo voegt hij er in eenen adem aan toe, werden de laatste Kruisridders in 1187 doorSaladinoverwonnen in een veldslag, die zóó hevig was, dat het bloed der gesneuvelden stroomde door de bedding der vallei.

Of deze plaats der bergrede de juiste is en of hetgeen hij vertelde omtrent dat bloedig gevecht wel geheel vrij van overdrijving was, laat ik in het midden; maar in elk geval was er iets zeer treffends in die tegenstelling, welke hij maakte, blijkbaar zonder het zelf te beseffen, tusschen dat slagveld—ik schreef haast slachtveld—, waar die edele Kruisridders vielen, en dien berg vlak daartegenover, waar de Heiland het woord sprak: „Zalig zijn de vreedzamen, want zij zullen Gods kinderen genaamd worden.” Was het niet,alsof die schrille tegenstelling uitdrukte, dat Gods zegen niet kon rusten op hen, die het Heilige Land voor het Evangelie wilden veroveren met onheilige wapenen des vleesches? Riep dat woord van den Heiland ons niet den huidigen, liefderijken kruistocht voor den geest der Inwendige Zending, wier edele riddergestalten strijden met geestelijke wapenen, en die met hun wapenen des vredes reeds menige overwinning behaalden, zooals door mij in het tijdschriftLichtstralenwerd aangetoond.

De vlakten, die wij verder doorrijden, zijn onbeschrijfelijk dor. Heinde noch ver is er een boom te zien. Dit is in geheel Palestina het geval. Daardoor vertoont het land overal een doodsch karakter. Hoe veel liefelijker zou het landschap er uit zien, wanneer de bergen rondom de zee van Gennesareth en elders bedekt waren met bosschen en wouden. Slechts in de onmiddellijke nabijheid der dorpen of steden vindt men kleine boomgaarden van olijven, citroenen en vijgen. De oorzaken van dit droevig verschijnsel liggen in allerlei omstandigheden, die het volkomen verklaren en die mij aanleiding geven om hier een en ander mede te deelen van de Turksche Regeering en van de maatschappelijke wanverhoudingen in een land, dat zucht onder den vloek van haar bestuur. Het bevestigt ten volle het bekendespreekwoord: „Waar de Turk zijn voet heeft gezet, groeit geen gras meer.”

De oorzaak, waarom men geen vruchtboomen aanplant, is hierin gelegen, dat de Regeering van elken boom belasting heft, ook al draagt hij geen vrucht. Deze belastingheffing is bovendien overgelaten aan de willekeur van den beambte, die er mede belast is. Het is dus alleszins verklaarbaar, dat men liever geen boomen aanplant, waarvoor men in de belasting kan worden aangeslagen ook al leveren zij nog niets op, en ze liefst omhakt, zoodra zij niet meer de waarde der belasting kunnen opbrengen. Ten einde nu echter het vellen der boomen te voorkomen, heeft de Regeering daartegen, natuurlijk behoudens uitzonderingen, een verbod uitgevaardigd. Maar omdat de man, die met het toezicht hierover is belast, evenals elk ander Turksch ambtenaar, onmogelijk kan rondkomen van zijne karige bezoldiging, vermeerdert hij zijne inkomsten met de bakschisch of fooien die hij krijgt, wanneer hij toestaat, dat een boom ten doode wordt opgeschreven. Hij leeft dus van het geld, dat hij ontvangt voor de overtreding van een wet, die hij behoort te handhaven! Zietdaar een staaltje van het Turksch bestuur!

Het gevolg hiervan is, dat men binnen eenige jaren zelfs geen hout meer zal hebben om te branden. Dedirectrice van het kinderhuis Talitha Kûmi te Jeruzalem was dan ook zeer bezorgd over de toekomst, daar het brandhout hoe langer hoe schaarscher en duurder werd. Hetgeen men haar tot dusver voor veel geld had geleverd, was afkomstig van boomstammen uit bosschen, die reeds lang waren verdwenen, doch waarvan de wortels nog in den grond zaten en werden uitgegraven. Steenkolen zijn er niet te verkrijgen; de zoogenoemde kolen, die men er brandt, bestaan grootendeels uit aarde. In de bergen rondom de Doode Zee meent men ze te kunnen vinden; maar elk verzoek tot de Regeering om boringen toe te staan, wordt met stilzwijgen beantwoord.

Zoo zou men allerlei kunnen noemen.

De warme baden aan de zee van Tiberias wenschte een vermogend man in exploitatie te brengen. Hij richtte zich te dien einde 19 jaren geleden tot de verheven Porte, maar wacht tevergeefs op een ferman of verlofbrief.

Voor eenige jaren gaf de Regeering tegen hoogenkoerseen nieuwe munt uit. Bij gebrek aan pasmunt werd zij gretig aangenomen. Nauwelijks was zij echter in omloop, of er volgde een Iráde of bevelschrift van den Sultan, waarbij de waarde tot op de helft verminderde. Sedert dien betaalt men dan ook alles in Fransch geld.

Turksche ambtenaren ontvangen nooit meer dan 10 van de 12 maanden salaris, waarop zij recht hebben. Het ontbrekende moeten zij dus verhalen op hunne ondergeschikten en hun ook 2 maanden minder uitbetalen of op andere wijze. Een postbeambte vindt dit tekort in de postzegels, die hij afscheurt van de briefkaarten en brieven, die hij daarna vernietigt. Vandaar overal in de grootere plaatsen een Oostenrijksche post. Zoo men verzuimt van een telegraafbeambte een ontvangbewijs te verlangen strijkt hij eenvoudig het geld op, zonder het bericht te verzenden.

Zietdaar enkele bijzonderheden, die ik hier vermeld, ten einde zich eenigszins een denkbeeld te kunnen vormen van de ontzettende wanverhoudingen, die belichaamd zijn in het Turksch bestuur, dat een vloek is voor dit land. Het was dan ook een diepe verzuchting, waarmede onze dragoman, die mij deze dingen onderweg vertelde, zijne mededeelingen besloot, toen hij zeide: „de allerslechtste Regeering van eenig ander land in Europa zou nog beter zijn dan de onze.”

In een tijd als die waarin wij leven, in welken zoo vaak wordt geklaagd over Regeeringen, mag men zulke dingen wel eens hooren. 't Is waar, wij wonen niet in een land der belofte, en toch is het hierinmenig opzicht nog vrij wat draaglijker dan inhetLand der belofte zelf. Laat ons echter hopen en gelooven, dat er ook nog voor dit arme land betere tijden zijn weggelegd, wanneer de beloften van Hem, Die getrouw is, in vervulling zullen gaan.

Na eenige uren te hebben gerust in het voormalige stadje Cana, thans een klein, nietig dorpje, waar niets te zien is dan een klooster met eene kerk, ter plaatse, waar de Heer weleer Zijn eerste teeken deed, (Joh.II: 1–11) bereikten wij tegen den avond het stadje Nazareth, dat in een halven cirkel amphitheatersgewijs tegen de hoogte aanligt. Verschillende grootere gebouwen, onder welke vooral die, welke toebehooren aan de Franciscaner-orde, vallen terstond in het oog. Pater Soos, die aan het hoofd daarvan staat, is een landgenoot. Van onze komst verwittigd, bracht hij ons weldra een bezoek en vertelde ons allerlei bijzonderheden omtrent de gebruiken van het land en het volk, waarmede hij ons den geheelen avond onderhield. Tot de merkwaardigstebijzonderheden behoorde het feit, dat in Nazareth, welks bewoners voor het meerendeel Christenen zijn, wel Mohammedanen wonen, die met de Christenen op den besten voet verkeeren, maar geen Joden. Deze hebben er nooit gewoond en worden er tot op den huidigen dag niet geduld. En waarom niet? Eenvoudig omdat weleer Nathanaël de stad en haar inwoners zoodanig beleedigd heeft door zijn vraag: „Kan er uit Nazareth iets goeds zijn?” (Joh. I: 47), dat men er nu geen enkelen Jood toelaat. Pater Soos vertelde ons, dat toen eenigen tijd geleden de rijke bankierRothschilduit Parijs de stad bezocht en bij hem overnachtte, deze des avonds bij donker aankwam en vroeg in den morgen weder vertrok uit vrees voor een hagelbui van steenen van de lieve straatjeugd. Op onze vraag, of deze zich dan bewust was van hetgeen zij deed, luidde zijn antwoord: „neen, maar een bewoner van dit land leeft enkel bij overlevering; men doet zoo, omdat de vader en grootvader ook zoo deden en omdat deze van hun vader en grootvader hetzelfde hebben geleerd”. Eene treffende illustratie inderdaad van de bekende overleveringen der ouden, welke de Heer zoo vaak bij Zijn onderwijs geeselde. (Matth. V: 21).

DE MARIABRON TE NAZARETH.

DE MARIABRON TE NAZARETH.

De Franciscaners hebben zich het schier ongelooflijke getroost om langzamerhand die plaatsen in hun bezitte krijgen, waaraan gewijde herinneringen verbonden zijn. Zoo zijn zij na jaren er in geslaagd eigenaar te worden van demensa Christi, een steenen tafel, die weleer buiten, maar nu in de stad ligt en waarvan de overlevering vermeldt, dat zij dikwerf door den Heer en Zijne discipelen werd gebruikt, o. a. ook nog eenmaal, toen Hij na Zijne verrijzenis hier met hen aanzat. (Marc. XVI: 7.)

Zoo zagen wij de plaatsen, waar weleer de woning en de werkplaats vanJozefzouden geweest zijn; de grot, waarin de Engel aanMariade geboorte des Heeren aankondigde, waarvoor evenwel de Grieksche Christenen eene plaats aanwijzen in de benedenstad, en een en ander meer ter herinnering aan de eerste levensjaren des Heeren.

Wat hiervan juist zij, zal men wel nooit met zekerheid kunnen zeggen. De eenige plaats, waarvan men met eenige waarschijnlijkheid kan vermoeden, dat de Heer er meermalen kwam, is de bron in debenedenstad, waar alle bewoners moeten komen om water te halen en die nog heden ten dage den naam Mariabron draagt. Stellig heeft daar de moeder des Heeren wellicht met haar kind, meermalen haar waterkruik gevuld. Maar al kan men ze ook niet met den vinger aanwijzen, zeker is het toch, dat hier in dit Nazareth overal plekken zijn, waar de Heer in de dagen zijnerjeugd gewandeld of gestaan, gewerkt en gebeden heeft. Hier staan wij inderdaad op gewijden bodem door de voeten van onzen gezegenden Heiland gedrukt en waar Hij onder de ouderlijke zorgen en de hoede Zijns Hemelschen Vaders opgroeide en rijpte tot den leeftijd, op welken Hij optrad als de Zaligmaker der wereld. Met een gevoel van dankbaarheid denk ik daarom aan het bezoek aan dat stille Nazareth terug, als de plaats waar Hij als kind speelde, als knaap leerde en als jongeling of als man in de kracht Zijns levens werkte voor het gezin, waarvan de vader wellicht vroeg stierf en Hij dus de zorgen des aardschen levens ook moest helpen dragen. Hier heeft Hij de zijnen gediend en al dienende gehoorzaamheid geleerd. Hier heeft Hij als kind of jongeling op denzelfden leeftijd als wij in de jaren onzer jeugd, blootgestaan en weerstand geboden aan alle verzoekingen en nimmer gezondigd. Hier op dit stille, van alle zijden door bergen ingesloten en afgezonderde plekje, leerde Hij de wereld in hare behoeften en nooden kennen, totdat de tijd daar was, dat Hij als het Lam Gods de zonde dier wereld zou dragen.

Merkwaardig vond ik ook dat dit kleine, geheel tusschen het gebergte verscholen Nazareth menigvuldig gelegenheid bood om iets van de wereld in het groot te aanschouwen, want men behoeft slechts een der omringende bergen te bestijgen om naar alle zijdeneen verrukkelijk schoon vergezicht te genieten. Ten Noorden ziet men dan den grooten Hermon, met den Anti-Libanon; ten Oosten verheft zich de afgeplatte kruin van den Tabor, met het gebergte van Gilead in het verschiet; ten Zuiden ligt de kleine Hermon en het gebergte Gilboa, waarSaulsneuvelde en ten Westen de in zijn volle lengte zich uitstrekkende Karmel met de vlakte van Jisreël er voor; daar tusschen in tal van grootere en kleinere steden en dorpen, alles te zamen als een landkaart, waaraan alleen de plaatsnamen ontbreken. Wanneer men daar zoo staat, dan is het alsof menige gebeurtenis uit de gewijde geschiedenis voor onze verbeelding herleeft. Inderdaad geen plaats eigende zich beter voor de ontwikkeling van dat kind, van hetwelk wij lezen, dat het Zijnen ouders onderdanig was, tot dat Hij optrad in de wereld als de Zoon des menschen, die gekomen was om des Vaders wil te doen.

Waarlijk, onder de plaatsen, die in het Heilige Land een bezoek overwaard zijn, bekleedt dat stille en eenvoudige Nazareth een eerste plaats. Het bevreemdt ons dan ook niet, dat de Roomsche en Grieksche Christenen alles gedaan hebben voor den pelgrim, die het wil bezoeken om zijn verblijf te veraangenamen. Beiden hebben hier hun pelgrimshuizen; dat derFranciscanersmag een sieraad van Nazareth heeten. Hetbiedt logies aan voor 150 vreemdelingen, die het daar uitstekend hebben, want de ruime kamers zijn frisch en zindelijk, echt Hollandsch, dank zij de voortreffelijke leiding van onzen vriendelijken landsman, die aan het hoofd staat van de geheele inrichting. Er is een groote eetzaal, een leeskamer en bovendien een corridor in het midden van het gebouw, waar drie lange tafels gedekt staan, elk voor 50 gasten. Daar wordt de moede pelgrim verkwikt en versterkt, onverschillig of hij iets betaalt of niet, louter uit liefde tot Hem, Die hier het eerst de wereld voorging in het werk der barmhartigheid en der dienende liefde. Wij maakten er echter geen gebruik van, maar overnachtten in onze tenten op de markt, waar de kinderen tot laat in den avond speelden. Hoe gaarne hadden wij ze hier hun bruilofts- en begrafenisspel, waarvan de Heer spreekt in Zijne gelijkenis (Matth. XI: 16) zien spelen, waarmede zij volgensSchnellersbekende boek:Kent gij het land?tot laat in den avond bezig kunnen zijn. Maar het kwam ditmaal niet aan de beurt.

Zulke teleurstellingen moet men zich getroosten op een reis door het Heilige Land, waarbij men natuurlijk niet alles ziet wat men gewenscht had te zien of zooals men het zich voorgesteld had. Toch is datgene, wat men ziet, voldoende om zich een voorstellingte maken van het geheel en een blijvende herinnering te bewaren aan die plaatsen, waar de God des heils aan een verloren wereld Zijne liefde geopenbaard heeft. Men ontstichte evenwel zich zelven en anderen niet, zooals sommigen wel eens doen, door een waanwijze critiek op allerlei bijzonderheden, die men u aanwijst en op de overleveringen, die daarop betrekking hebben, maar men bezoeke het met die wijding, welke het uit den aard der zaak bezit voor elken geloovige en bezie het met een oog des geloofs, dat niet bekrompen hecht aan uiterlijke dingen.

Dan blijft er nog genoeg over en tot stichting èn tot leering beide.

De reis van Nazareth naar Nabulus, de tegenwoordige hoofdplaats van Samaria, duurt twee dagen. Men overnacht te Dschennin en verpoost onderweg, den eersten dag te Solam en den volgenden dag te Sanur. Het landschap, dat over 't geheel dor is en kaal, is evenwel rijk aan en belangrijk door allerlei historische herinneringen. Al ras ziet men aan den voet van den kleinen Hermon, dien men links laat liggen, het stadje Naïn met een helderwit kerkje, dat scherp afsteekt tegen de vale vlakte. Het kerkje behoort al weder aan de Franciscaners „de wachters der heilige plaatsen”, die voor het terrein, waarop het staat, een millioen guldens hebben betaald en werd gebouwd ter gedachtenis aan de opwekking van den jongeling te Naïn. Daarachterligt Endor, de woonplaats der tooveres, dieSaulraadpleegde aan den avond voor den veldslag tegen de Filistijnen, waarin hij sneuvelde. Rechts van ons breidt zich de vlakte uit van Jisreël, waarop in vroeger dagen zoo menige bloedige slag werd geleverd. Dan volgt, even voorbij den kleinen Hermon, het dorpje Solam, voorheen Sunem, waarElisazoo vaak overnachtte in het bekende profetenkamertje, dat de gastvrije Sunamietische huisvrouw voor hem had ingericht. Het dorp is door een hoogen muur van ondoordringbare cactussen ingesloten, waar men zelfs te paard niet overheen kan zien. Tijdens het warmste gedeelte van den dag rust men hier gewoonlijk eenige uren uit onder citroenboomen, wier rijpe vruchten, die de eigenaar van den boomgaard voor eenige bakschisch vergunt te plukken, heerlijk te pas komen om het lauwe drinkwater te verfrisschen. Weldra heeft men den Kleinen Hermon achter zich, die van de hoogte af gezien vlak voor zijn peetoom den Grooten Hermon ligt. Ik zeg peetoom, want nog nimmer zag ik twee bergen, die zoo sprekend op elkaar gelijken en het wordt dan ook wanneer men ze van hieruit ziet alleszins duidelijk, waarom men den een naar den ander heeft genoemd, ofschoon zij dagen reizens van elkander verwijderd liggen.

Den volgenden dag wordt halt gehouden teSanuronder eenige prachtige vijgeboomen, de eenige die wij in Palestina aantroffen met rijpe vruchten en waaraan men zich naar hartelust kon te goed doen, natuurlijk alweer voor de noodige bakschisch, zonder welke men in het Oosten niet kan leven. Van hier sloeg het grootste gedeelte van ons gezelschap, dat den tocht reeds lang genoeg vond, den korteren weg in naar Nabulus; terwijl enkelen zich met mij een omweg getroosten om een bezoek te brengen aan het oude Samaria, welke moeite ruimschoots beloond werd door hetgeen wij hier zagen.

Deze voormalige hoofdstad van Israël levert thans een zeer droevig schouwspel op. Een klein dorpje Sebastieje herinnert aan de plaats, waar het gelegen heeft. Toch is het dorpje een bezoek overwaardig, omdat men daardoor een indruk krijgt van de sterke en schoone ligging der machtige hoofdstad van het Rijk der tien stammen. Zij lag terrasgewijs deels op, deels tegen een hoogte aan, door hooge muren omringd, waarvan nog een gedeelte te zien is. Boven van de hoogte ontwaart men in het verre Westen de Middellandsche Zee en rondom zich heen eene breede vlakte door bergen begrensd, waarvan de Ebal en Gerizim tegen het Oosten den cirkel sluiten. Waarlijk, het beeld van Jesaja (XXVIII: 1), die haarvergelijkt bij een „kroon, die daar is op het hoofd eener zeer vette vallei” is bijzonder treffend.

SEBASTIEJE (SAMARIA).

SEBASTIEJE (SAMARIA).

Hier resideerden de Koningen, die over het Rijk van Israël regeerden na Omri, den stichter der stad, die hij Samaria,Wachtburchtnoemde. Inderdaad zij ligt als een wachter op een hoogte, eenige honderden meters boven de breede vlakte daaromheen. Hier had koningAchabzijn elpenbeenen paleis; hier stonden de tempels, welke hij bouwde ten gerieve van zijne vrouwIzébel, die gewijd waren aan Baäl en Astarte (II Kon. XXII: 39); hier, ging het oordeel in vervulling, dat de profeetEliahad aangekondigd over hem en over zijn huis.

Wat moet dat Samaria schoon geweest zijn in de dagen vanHerodesden Groote, die om de kruin van den berg een straat liet aanleggen, die 1700 meter lang was met dubbele rijen hooge zuilen, waarvan er nog vele zijn staande gebleven. Overal waar men den voet zet, ziet men slanke pilaren bij menigte ter aarde liggen, zoodat men de lijn der oude zuilenstraat nog duidelijk kan volgen.

Welk een verrukkelijk vergezicht geniet men van deze hoogte over de gansche vlakte, die hier voor ons ligt! Hoe rijk is deze omgeving aan historische herinneringen! Niet ver van hier ligt het kleine Dothan, waar eensJozefwerd verkocht; daar woondelaterElisa, toen de Syriërs hem omringden, die hij binnen Samaria bracht. In die vlakte lag het leger van den Koning van Syrië, dat de Heer des nachts verdreef op het woord van den profeet. Van welke teekenen en wonderen waren deze bergen eenmaal getuigen in de dagen der oudheid!

En thans! Niets is er overgebleven van al die grootheid uit vroeger dagen. Hoe is deze kroon vanEfraïmnaar het woord vanJesajamet voeten getreden! Ja, wanneer men hier staat en slaat Jesaja XXVIII op, hoe bevestigt dan de aanschouwing van dit alles de vastheid van zijn woord omtrent Dengene, van Wien hij daar profeteert: „dat Hij ten oordeel zit en tot een Geest des oordeels is.”

Het is inderdaad, alsof men te doen heeft met eene heilige ironie, wanneer men er wandelt door dat armoedige dorpje met schamele hutten, dat nog den naam Sebastieje „de heerlijke” draagt, een naam, dienHerodesaan het door hem herbouwde Samaria gaf ter eere van KeizerAugustus.

Het eenige, wat nog voor enkele jaren de bewondering van den bezoeker trok, was de ruïne eener Christelijke kerk, aanJohannesden Dooper gewijd. Maar helaas! de schendende hand van den Muzelman heeft deze oude basilica in een moskee veranderd en daardoor ook dit laatste spoor van een Christelijktijdvak vernietigd. Het eenige, wat hij ongerept liet, zijn de graven in de krypt van de moskee, een onderaardsch gewelf, waarin men langs een smalle trap afdaalt en waar weleerObadja,EliaenJohannesde Dooper zouden begraven geweest zijn.

Het is slechts weinig, wat men hier nog ziet; maar juist dit weinige predikt te luider en welsprekender de vergankelijkheid van alle aardsche grootheid en van alle heerlijkheid dezer wereld.

Op een Zaterdagavond kwamen wij te Nabulus, het voormalige Sichem aan. Wij hadden juist 6 dagen te paard gezeten en de gedachte den volgenden dag eens uit te mogen rusten was al eene verademing op zichzelf. Reedsvroegerheb ik medegedeeld, hoezeer wij het nut van den rustdag waardeerden. Onze tenten waren buiten de stad opgeslagen onder eenige hooge olijfboomen, die fel heen en weer werden bewogen door een hevigen, maar niet verfrisschenden wind, want nog steeds woei dezelfde verzengendeSirokkoder woestijn. Zelfs des nachts hoorde men hem gieren door de boomen en voelde men hem blazen door de tenten, maar zonder den dampkring ook maar eenigszins af te koelen.

Den volgenden morgen sloeg ik mijn Bijbel op omde geschiedenissen eens na te lezen waarin Sichem eertijds zulk een gewichtige rol speelde. Wellicht zouden wij straks op onze wandeling aan belangrijke historische plaatsen komen, als b.v. die, waarJothamstond, toen hij die schoone fabel sprak van de boomen, die heengingen om eenen koning over zich te zalven. Ik wil niet beweren, dat ik de juiste plek op den berg Gerizim gezien heb, waar hij toen stond, maar ik ontdekte er verscheidene, waar een hooge rotswand een veilige schuilplaats bood om zijne zoo van fijne ironie tintelende strafpredikatie te houden tot „alle burgeren van Sichem” alsJothamdeed en van waar hij nog gelegenheid had om tijdig te vluchten, indien zijn woord rechtmatigen toorn mocht verwekken. (Richt. IX: 21).

Het eerste, wat op onze morgenwandeling onze aandacht trok, was een opgewekt kerkgezang, dat ons reeds van verre in de ooren klonk. Toen wij naderbij kwamen, zagen wij een net gebouw van twee verdiepingen, waar juist godsdienstoefening werd gehouden, hetgeen ons natuurlijk tot een bezoek uitlokte. Het was het kerkje der Protestantsche gemeente, die hier 150 leden telt, waarvan minstens ⅔ aanwezig waren. Wij troffen het dus bijzonder gelukkig, waar ons de gelegenheid ontbrak om op te gaan naar het huis des gebeds, dat wij juist aan dit kerkjevoorbij kwamen, terwijl er dienst was. Wij wisten niet, dat dit een samenkomst was van geloofsgenooten, maar leidden dit af uit de inrichting van den dienst, de groote inschikkelijkheid, waarmede men ons terstond zitplaatsen inruimde en de vriendelijkheid, waarmede men ons de gelegenheid bood om mee te zingen uit het gezangboek, dat men ons gaf. Nietwaar, zulke kleine oplettendheden zijn wij immers gewoon den vreemdeling te bewijzen, die onze kerk binnentreedt, wanneer er dienst is? Des te meer betreurden wij het, dat wij van de zoo vriendelijk aangeboden gelegenheid geen gebruik konden maken, omdat de geheele godsdienstoefening in het Arabisch werd gehouden. Daardoor konden wij ook den voorganger niet volgen, hetgeen ons te meer speet, omdat hij, blijkens de aandacht waarmede zijn gehoor naar hem luisterde, zeer boeiend sprak.

Wanneer men de geschiedenis van het ontstaan dezer gemeente kent, die ik elders beschreven heb1), zal men kunnen begrijpen, hoe weldadig ons dit bezoek aan deze Protestantsche kerk hier aandeed, eene geschiedenis, waarbij zich bijna woordelijk herhaalde hetgeen plaats vond in de dagen, toen de Heer in de onmiddellijke nabijheid dezer stad zat aan denput vanJacoben sprak van velden wit om te oogsten. (Joh. IV: 35). Daarbij was er iets verheffends in de gedachte, dat wij hier samen waren met mannen en vrouwen, waarmede wij ons verbonden gevoelden door hetzelfde geloof in eenen Heer en dit nog wel in een der meest Mohammedaansche steden van Palestina.

Immers, men bemerkt terstond aan alles, dat de bevolking dezer stad, die 24000 inwoners telt, waaronder 700 Christenen, overwegend Mohammedaansch is. Dit blijkt onder meer uit de geheimzinnige horren voor de vensters, waardoor de vrouwen der Muzelmannen zonder zelve gezien te worden naar buiten kunnen kijken, en vooral aan de afzichtelijke kleeding, waarin zij gehuld zijn, waarin men ze op straat ontmoet. Zij gaan dan geheel in het zwart met een sluier, eveneens pikzwart, die meestal door een om het hoofd geslagen witten stofmantel, zóo op het aangezicht is vastgebonden, dat ook dit geheel zwart ziet. Zoo uitgedoscht doen zij onwillekeurig denken aan wandelende mummies. Daarbij hebben zij een wonderbaarlijke voorliefde voor overschoenen, hoewel er maanden lang geen droppel regen was gevallen en waarmede zij onhoorbaar langs de straat schuiven als een zwarte geest, van welken men liefst zijn aangezicht afwendt. Waarlijk, wanneer het lijkkleeddes doods, waarin men deze Oostersche vrouw gehuld ziet, een beeld is van haar innerlijk leven, dan is zij wel diep te beklagen vanwege haar somber bestaan.

Te Nabulus is nog eene synagoge der Samaritaansche Joden, die beweren af te stammen van de oude bewoners van Samaria, die daar zouden achtergebleven zijn na den ondergang van het Rijk der tien stammen en na de verwoesting der stad door den Koning der Assyriërs, welke laatsten zich hier als kolonisten vestigden en zich vermengden met de overgeblevene Joodsche bevolking, tengevolge waarvan de Joden uit Jerusalem met hen geene gemeenschap meer hielden, zooals wij weten uit de geschiedenis der Samaritaansche vrouw (Joh. IV). Deze Samaritanen tellen nog slechts dertig huisgezinnen, die meerendeels in armoedige omstandigheden verkeeren. Wij bezochten hunne synagoge, die meer op een onderaardsch gewelf dan op een bedehuis gelijkt, waar de priester ons de oorspronkelijke boekrollen hunner wet liet zien in oud-Hebreeuwsche letters geschreven, bevattende de vijf boeken vanMozes. Driemaal 's jaars doen zij nog een bedevaart naar den berg Gerizim, de plaats waar eenmaal hun tempel stond.

Bij eene omwandeling van de stad langs dezen berg kan men begrijpen, hoe men er toe is gekomen omNabulus of Neapolis, d. w. z. de nieuwe stad, juist hier tusschen de bergen Gerizim en Ebal te bouwen. Uit 22 bronnen, waarvan meer dan de helft voortdurend water houden, stroomt een helder beekje naar beneden, dat de geheele stad van frisch drinkwater voorziet en de tuinen besproeit, die tegen de helling van den Gerizim zijn gelegen. Het doet het oog weldadig aan, wanneer men hier weer eens wandelt tusschen het frissche groen der boomen; terwijl daarbeneden in de diepte de stad ligt met hare helderwitte huizen, op wier platte daken zich tegen den avond het geheele gezin verzamelt. Behoudens haar echt Oostersch karakter, bezit de stad zelve echter weinig aantrekkelijks, ook tengevolge van hare benauwde, duffe straten, gedeeltelijk overwulfd, overal met trapjes, langs welke men voortdurend op- en afgaat.

Van Nabulus naar Jerusalem heeft men nog twee dagen te reizen. In de onmiddellijke nabijheid der stad bevindt zich de beroemde put vanJacob, welbekend door het gesprek, dat de Heer hier met de Samaritaansche vrouw hield. Ik was zeer verlangend dien put eens met eigen oogen te zullen zien, ten einde te kunnen beoordeelen, welke der verschillende photographieën, die ik daarvan had, het best geleek; maar, hoe werd ik teleurgesteld, toen ik bemerkte, dat zij geen van allen geleken. Sedert eenigen tijdtoch is deze put in eigendom overgegaan in de handen van Grieksche monniken, die hem volkomen onkenbaar hebben gemaakt, niet alleen door de opening daarvan toe te metselen, maar ook door nog een gewelf daarover heen te bouwen, waaronder het bijna donker is en daaromheen nog een muur te trekken, dit alles uit louter vrees, dat de Turken te eeniger tijd zullen trachten den put wederom in hun bezit te verkrijgen. Kon men voorheen het water in den put zien staan, thans is hij gedeeltelijk met steenen opgevuld. Door eene kleine opening laat men ten gerieve van den bezoeker een kaarsje naar beneden zakken om aan te toonen, dat er onder het toegemetselde gewelf inderdaad een diepte is van 23 meter. Door dit alles heeft dan ook deze plaats alle bekoring van haren oorspronkelijken eenvoud verloren, zoodat een bezoek daaraan nauwelijks meer de moeite beloont. De vlakte toch, waarop des Heeren oog rustte, toen Hij daar zat en sprak van velden wit om te oogsten, ziet men binnen dien hoogen muur in 't geheel niet. Het wordt hier echter zeer duidelijk, dat het niet juist is, wanneer men in Joh. IV: 5 Sichem voor Sichar leest, zooals sommige kerkvaders doen, daar te Sichem, zooals ik reeds opmerkte, overvloedig water is, zoodat de Samaritaansche niet van daar behoefde te komen om hier water teputten. Het overigens onbekende Sichar heeft waarschijnlijk aan den voet van den Ebal gelegen en heet thans Eskar.

Gaf deze put vanJacobons dus niets te zien van de drukke levendigheid, die gewoonlijk aan zulke bronnen in het Oosten heerscht, waar voortdurend menschen en dieren samenstroomen om hun dorst te lesschen, toch hadden wij de volgende dagen en ook later meer dan eens de gelegenheid om dit eigenaardig schouwspel gade te slaan, zoowel te El Loebban als te El Bire, waar wij eenige uren vertoefden om paard en ruiter wat rust en verkwikking te geven, voor zooverre dit in de brandende hitte eener oostersche zon mogelijk is. Van waar de menschen komen, die bij zulk een bron water halen, was mij een raadsel, want, naar ik mij herinner, waren er in de nabijheid van El Loebban maar drie of vier huisjes te zien. Toch daagden er telkens nieuwe bezoekers op. Reizigers met hun paarden, kooplieden met hun kameelen, jongens met hun ezels, herders met hun schapen, alles dwarrelde hier door elkaar en verdrong zich om het dichtst bij de bron te wezen, waarbij de schapen vooraan stonden, de ezels en paarden er achter en de kameelen eindelijk op den derden rang, vanwaar zij met hun lang uitgerekten hals nog juist bij het water konden komen. Nu en dan ziet men ook weleens een schaap, dat het al te benauwd krijgt door het gedrang in het water springen, maar gelukkig staat er steeds iemand klaar, blijkbaar op dit voorval bedacht, om het er uit te trekken. Met zulk een tafereeltje voor oogen, verstaat men volkomen het woord van den Heer: „Wiens os of ezel van ulieden zal in een put vallen en die hem niet terstond zal uittrekken op den dag des Sabbats?” Niet minder levendig gevoelt men ook telkens op een reis in Palestina, waar zulke bronnen zeldzaam zijn, de waarde van een dronk waters en de beteekenis van dat andere woord: „Zoo wie een van deze kleinen te drinken geeft alleenlijk een beker koud waters in de naam eens discipels, voorwaar zeg ik u, hij zal zijn loon geenszins verliezen.”

De andere bron El Bire, dankt hare vermaardheid aan de overlevering, datMariahier het eerst tot de ontdekking zou gekomen zijn, dat de twaalfjarigeJezuszich niet onder het terugkeerend reisgezelschap bevond. Daar El-Bire een kleine dagreis van Jeruzalem verwijderd ligt en de pelgrims, die huiswaarts gingen, gewoon waren hier te overnachten is het zeer waarschijnlijk, dat deze overlevering juist is.Mariarekende dan een dag voor de heenreis, een dag om terug te keeren naar de stad, en vond Hem op den derden dag in het huis des Vaders weder.

Een niet onbelangrijk bezoek brachten eenigen onzernog op den weg tusschen Nabulus en Sindschil, waar wij overnachtten, aan het plaatsje Sélûn, voorheen Silo, waar in de dagen vanSamueleen steenen huis met den Tabernakel stond. Tegen de hoogte van een heuvel liggen de puinhopen der oude stad, die voor ons te merkwaardiger waren, omdat wij nimmer eene werkelijk verwoeste stad hadden aanschouwd. Meestal toch wordt zij weder door latere bewoners herbouwd, zoodat er weinig meer van eene verwoesting te zien is. Hier was dit echter niet het geval. Men liep er tusschen de muren, die nog staande waren gebleven van huizen en gebouwen en zag overal duidelijk de lijnen der straten, die alle opgevuld waren met steenen. De geheele stad was eigenlijk niet anders dan een groote steenhoop, sedert onheuglijke tijden onbewoond.

Aan de noordzijde bevindt zich tusschen den heuvel waar Silo op lag en een anderen daartegenover een merkwaardig terras, dat men met groote waarschijnlijkheid houdt voor de plaats, waar eertijds de tabernakel stond. In het midden is een hoog vierkant plein; aan de Oost- en Westzijde daarvan bevinden zich twee terrassen het eene telkens eenige meters lager dan het andere. Het laat zich zeer goed denken, wanneer men dit ziet, dat op het hoogste terras de voorhof lag, waarop de tabernakel stond, waartoemen of van beide of van een der beide zijden toegang had.

Voor het overige was er op dit gedeelte onzer reis weinig merkwaardigs te zien. Hoe dichter men Jeruzalem nadert, des te steenachtiger wordt de bodem, zóo zelfs dat deze in letterlijken zin bezaaid is met steenen, waar een klein voetpad doorheen kronkelt, dat het paard zorgvuldig volgt. Op het onverwacht ziet men, ofschoon nog uren verwijderd, Jeruzalem enkele oogenblikken voor zich liggen. Daarna verliest men het weder uit het oog, totdat men van de hoogte van den Scopus, op een half uur afstand van de stad, haar vlak voor zich heeft. Eigenaardige aandoeningen en gewaarwordingen maken zich van iemand meester, die haar voor het eerst ziet, zooals zij daar ligt, boven op de bergen Zion en Moria, de stad, die eene geschiedenis heeft als weinige haars gelijken, de stad, waarin zooveel heeft plaats gegrepen, waardoor het nog heden ten dage de klassieke plaats is van drie godsdiensten, dien der Joden, der Mohammedanen en der Christenen.

Wij waren recht dankbaar, dat wij te Jerusalem ons verblijf in tenten konden verwisselen met een aangenamer logies. Het hospiz of logement der R. K. Vereeniging voor Palestina te Keulen had op ons gerekend en uitnemende vertrekken voor onsin gereedheid gebracht. Het was een flink steenen gebouw, met dikke, zware muren en daardoor heerlijk koel en frisch. Voor sommigen onzer, vooral voor de dames was dit eene ware verademing. De tentenreis en het paardrijden waren haar te machtig geworden en wij waren dankbaar, dat zij in redelijken welstand zoover waren gekomen; een harer echter, die naar wij meenden het minst van de reis had geleden, overleed hier aan een kortstondige ziekte. Het pelgrimshuis, waarin wij logeerden, staat onder leiding van paterSchmidt, een zeer beminnelijken grijsaard, die reeds jaren te Jerusalem woont, en volkomen van alles op de hoogte is en onder wiens vriendelijk geleide wij de belangrijkste plaatsen der stad bezochten en die bij nadere kennismaking bleek te zijn een man van groote kennis, degelijke studie en ruimen blik. Waren alle onze Roomsche geloofsgenooten zooals hij, hoe veel dichter zouden wij dan bij elkander staan!


Back to IndexNext