The Project Gutenberg eBook ofReisjes in Zuid-Vlaanderen

The Project Gutenberg eBook ofReisjes in Zuid-VlaanderenThis ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.Title: Reisjes in Zuid-VlaanderenAuthor: Theodoor SevensRelease date: July 21, 2008 [eBook #26102]Most recently updated: January 3, 2021Language: DutchCredits: Produced by Frits Devos and Distributed Proofreaders Europe*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK REISJES IN ZUID-VLAANDEREN ***

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: Reisjes in Zuid-VlaanderenAuthor: Theodoor SevensRelease date: July 21, 2008 [eBook #26102]Most recently updated: January 3, 2021Language: DutchCredits: Produced by Frits Devos and Distributed Proofreaders Europe

Title: Reisjes in Zuid-Vlaanderen

Author: Theodoor Sevens

Author: Theodoor Sevens

Release date: July 21, 2008 [eBook #26102]Most recently updated: January 3, 2021

Language: Dutch

Credits: Produced by Frits Devos and Distributed Proofreaders Europe

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK REISJES IN ZUID-VLAANDEREN ***

MET PLATEN.

KORTRIJK,Boekdrukkerij van Eugène Beyaert, Uitgever,18, JAN PALFYNSTRAAT, 18.1901.

Onder de menigvuldige boeken en handschriften, door wijlenGoethals-Vercruysseaan de stad Kortrijk geschonken, vindt men den «Grooten Gentschen comptoir-almanach voor 1767.»

De bezitter van dit boek teekende, op de witte deelen der bladzijden, allerhande gebeurtenissen aan, welke gedurende het genoemde jaar voorvielen.

Zoo schreef hij in de maand Juni:

«Men heeft tot Ghendt ghevierd met de uyterste pracht het zeven honderdjarig jubile van de verheffing der reliquiën. Ick ook trok, den 30 's morgens vroeg, het quart na vier ure, in compagnie van vier andere personen in eene koetse naer die stad. Wy waren 's voornoens ten tien ure en half tot Ghendt, en hoorden de elvemisse by de Recolletten.»

Wat zou de brave man verbaasd staan kijken, indien hij weer in ons midden kon verschijnen! Ontelbare ijzeren wegen doorkruisen hedendaags gansch de beschaafde wereld. In ons kleine vaderland heeft het net eene lengte van meer dan vijf duizend kilometers...

Zoodra men den stoomwagen kende, kwam de afstand niet meer in aanmerking. In ruim vijf uren vliegt men van Brussel naar Parijs; in vier en twintig uren stoomt men langs Namen, Luxemburg, Mets, Straatsburg, Stuttgart en Munich naar Weenen, inOostenrijk.

Dit gemak, gevoegd bij de geringheid der vervoerprijzen en de algemeene verspreiding van het onderwijs, heeft de menschen den lust tot reizen ingedreven.

Voor 23 fr. mag men, gedurende vijftien dagen, op al de ijzeren wegen van den Belgischen Staat, naar hartelust weg- en wederreizen.

Zelfs de mindere man is niet meer tevreden met de tuinen en velden, met de weiden en bosschen, die zijn geboortedorp omringen; hij wil de wijde wereld in, om met eigen oogen de werken der nijverheid, de voortbrengselen der kunst en de schoonheden der natuur te bewonderen.

Hij droomt van het groote Londen en het prachtige Parijs; van Zwitserland, met zijne Alpen en sneeuwvelden, met zijne dalen en meren; van Rome, met zijne prachtige gebouwen; van het zonnige Oosten en het bedrijvige Amerika.

Dan, velen haken naar vreemde landen en verre gezichten, en kennen de wonderen niet, welke de Voorzienigheid in ons klein land zoo kwistig ten toon spreidde.

Hebben wij geen verrukkelijk zeestrand? Geene vruchtbare velden en malsche beemden? Geene zindelijke steden en vriendelijke dorpen? Hebben wij in het Zuid-Oosten, in Luik, Luxemburg en Namen, geene heerlijke bergen en dalen? Geene watervallen en majestatische grotten? Geene rijke mijnen en steengroeven?

Wij stellen ons voor het zuidelijk gedeelte van Oost- en West-Vlaanderen — de Vlaamsche Ardennen — te doen kennen. Niet zelden zullen wij, om den weetgierigen lezer te bevredigen, onze beschrijvende schetsen met historische en andere bijzonderheden afwisselen.

Want het woord van den dichter blijft altoos waar: Ken uw land, en gij zult het beminnen!

Als men op eene landkaart eene rechte lijn trekt van Kortrijk naar Oudenaarde, eene andere van Oudenaarde naar Geeraardsbergen, eene derde van Geeraardsbergen naar Ronse en eene laatste van Ronse naar Kortrijk, zoo vormt men eene bijna regelmatige ruit, die ongeveer negen mijlen lang en nagenoeg drie mijlen breed is.

Daar zijn «de Vlaamsche Ardennen.»

Zuid-Vlaanderen is eene landbouwstreek. De grond is door den band kleiachtig, en brengt goede oogsten voort: tarwe en rogge, gerst en haver, aardappelen, wortelen en rapen, vlas en klaver.

Twee heuvelreeksen loopen langs de oevers der Schelde: de eene aan den noordwestkant, de andere aan den zuidoostkant des strooms.

De eerste scheidt den Scheldekom van den Leikom. Zij begint over Bellegem, loopende langs Sint-Denijs en Moen naar het Banhout, naar Ootegem, Ingooigem, Tiegem, Kaster, Ansegem, Gijzelbrechtegem en Wortegem.

De zuidelijke keten begint aan den Kluisberg, bij Ronse, en richt zich langs Quaremont, Nukerke, Edelare en Eename naar Gaver. Eene vertakking gaat oostwaarts, tusschen Quaremont en Ronse, naar het woud van Vloesbergen, op de scheiding van Oost-Vlaanderen en Henegouw, naar Geeraardsbergen enhet Brabantsche. Te Geeraardsbergen onderscheidt men nochtans het dal van den Dender.

Tot de aanzienlijkste verhevenheden behooren: de Perreberg, te Sint-Denijs; de Keiberg, op het grondgebied van Moen, en de hoogvlakte van Tiegem, in West-Vlaanderen; — de Edelareberg, bij Oudenaarde; de Koppenberg, bij Melden; de Kluisberg, tusschen Avelgem en Ronse; de Hootond, benoorden Ronse; de Muziekberg, ten Oosten van dezelfde stad, en de Oudeberg, bij Geeraardsbergen, in Oost-Vlaanderen; — de Pottelsberg en de berg van Rhodes, in Henegouw.

Verscheidene beken vloeien naar de Schelde.

De Braambeek, komende van Sint-Denijs, kronkelt door Moen, en scheidt verder Heestert van Autrijve en Autrijve van Avelgem. In de XVIIeeeuw bracht zij nog eenen watermolen in beweging.

De Arnoldusbeek ontstaat te Tiegem en vloeit naar Avelgem.

De Ronne komt uit Henegouw, scheidt deze provincie van Oost-Vlaanderen, loopt langs Amengijs (Amougies) en Orroir, en valt tegen Avelgem in de Schelde. Dit riviertje gaf zijnen naam aan de stad Ronse.

De Markebeek neemt haren oorsprong aan den voet van den Pottelsberg. Zij bespoelt de gemeenten Schoorisse, Marke en Etikhove en mengt, bij Leupegem, hare wateren met die der Schelde. Zeven watermolens werken op de Markebeek.

De Zwalme ontspringt tusschen Vloesbergen en Nederbrakel. Zij besproeit deze gemeente en verder Michelbeke, Roosbeke, Rooborst, Munkzwalm en Nederzwalm, vallende in de Schelde tusschen Welden en Hermelgem. Het dal der Zwalme is overal zeer schilderachtig.

In het dal der Lei vinden wij de Klakkaardsbeek, op het grondgebied van Kortrijk, en de Kastelnijbeek,te Vichte. Dit laatste riviertje scheidde vroeger de kastelnij van Kortrijk van die van Oudenaarde.

Aan de kanten van Geeraardsbergen kronkelt de Molenbeek naar den Dender.

De vaart van Kortrijk naar Bosuit, gedolven in 1858-1859, verbindt de Lei met de Schelde, langs Zwevegem en Moen. Tusschen deze twee gemeenten, op het gehucht Knokke, heeft men eenen tunnel gedolven, die 665 meters lang en, met den trekweg, 6 meters breed is.

Zuid-Vlaanderen bezit nog verscheidene bosschen: het bosch van Bellegem, tusschen Kortrijk en Doornik; het Banhout, bij Heestert; het Bouveloobosch, tusschen Ansegem en Wortegem; het Kapelbosch, te Tiegem; de bosschen van den Kluisberg en den Muziekberg; het bosch van Vloesberge en het bosch te Rijst, niet verre van Opbrakel.

In vroegere eeuwen waren die wouden natuurlijk veel grooter dan thans. Vossen en wolven hadden daar hunne schuilplaats. Tusschen Volkegem en Eename wijst men den reiziger nog den Wolvenberg aan. Meer dan éene gemeente heeft eene Wolvenstraat of eenen Wolvenhoek.

Nu en dan gebood men klopjachten, ten einde de wolven onschadelijk te maken. Zoo lezen wij inde kleine Keurboekender stad Kortrijk (1586): «Also myn heeren de hoochbailliu deser stede, metgaders de hoochpointers ende vryscepenen van de cassellerie van diere, gheinformeert zyn van de groote ende onsprekelicke schade, die de wolven in alle de prochiën de aerme landlieden zyn doende... zo eyst, dat zy goed ende expedient ghevonden hebben woensdaghe naest, metgaders noch de drie woensdaghen naervolgende, te doen eene generale jacht in elke prochie van de voorseyde cassellerie, opdat door zulk middel de voorseyde wolven zouden moghen aehterhaelt ende betrapt worden, immers ten minste verjaecht uit deze contreye.»

In het Ambacht van Veurne breide men het volgende jaar «wulvenetten.» Verder betaalde men verscheidene «weynaers,» die, zegt de kastelnijrekening, «wulven ghevanghen hadden.»

Talrijke spoorwegen doorsnijden de Vlaamsche Ardennen, en zullen onze uitstapjes vergemakkelijken. Het zijn: de baan van Kortrijk naar Oudenaarde, langs Stassegem, Deerlijk, Vichte, Ansegem, Elzegem en Petegem; — de baan van Kortrijk naar Ronse, langs Zwevegem, Moen, Avelgem, Orroir, Amougies en Rozenaken of Russignies; — de baan van Oudenaarde naar Gent, langs Eine, Heurne en Asper; — de baan van Oudenaarde naar Zottegem, langs Eename, Munkzwalm en Rooborst; — de baan van Oudenaarde naar Ronse, langs Etikhove; — de baan van Oudenaarde naar Avelgem, langs Melden, Berchem en Ruien; — de baan van Ronse naar Zottegem, langs Opbrakel, Nederbrakel en Michelbeke; — de baan van Zottegem naar Geeraardsbergen, langs Erwetegem, Maria-Lierde en Hemelveerdegem; — de baan van Ronse naar Lessen, langs Ellezele en Vloesbergen; — de baan van Lessen naar Geeraardsbergen.

Van Oudenaarde naar Ronse stoomende, komt men door eenen onderaardschen gang, die 420 meters lang is.

Kortrijk, gelegen op de twee oevers der Lei, heeft eene uitgestrektheid van ruim 2115 hectaren, deels in bebouwden, deels in onbebouwden grond.

De eerste keure, aan de gemeente verleend, is van 1190.

Nochtans was de eigenlijke stad, vóór 1386, niet groot. Zij was 600 meters lang, van het Noord-Westen naar het Zuid-Oosten, tusschen de Lei en de Doorniksche poort; en 400 meters breed, van het Noord-Oosten naar het Zuid-Westen, tusschen de Kanunnikpoort en de Rijselsche poort.

Het grafelijk kasteel stond destijds in den Noord-Oostelijken hoek, bij den oudsten Broeltoren, tusschen de Lei, den wal der stad en de kerk van O.-L.-Vrouw.

De vergrootingen van Kortrijk gebeurden na 1386, door het delven der kleine Lei; — na 1453, door de inlijving van Overbeke, buiten de Steenpoort; — na 1577, door de versterking van Overlei.

Toen Philip de Stoute de wethouders machtigde om de kleine Lei te graven, liet hij ook, bij de huidige Vischmarkt, een nieuw kasteel bouwen. Dit slot had zes torens en een grootsch voorkomen.

Omtrent het midden der XVIIeeeuw maakten de Franschen zich meester van de stad. Waar nu de Esplanade is, braken zij twee kloosters en ruim 300 huizen af. Tusschen de Esplanade en de Lei bouwdenzij in 1647 eene vesting, voorzien van bolwerken en verschansingen.

In de laatste zestig jaren heeft Kortrijk een nieuw uitzicht gekregen. Men vindt er verscheidene nieuwe wijken, met sierlijke lanen en breede, goed verluchte straten. De breedste straten kregen twee reeksen schoone boompjes.

Kortrijk was meer dan eens het tooneel van gewichtige gebeurtenissen.

Iedereen weet te spreken van den slag der Gulden Sporen, geleverd den 11 Juli 1302. Gedurende de worsteling schoten de Franschen uit het kasteel het Begijnhof en eenige huizen aan de Markt in brand.

Tachtig jaren nadien legden de overwinnaars van Roosbeke de stad in asch. Eene belasting op het bier en den wijn moest dienen om de gemeente uit hare puinen te doen oprijzen.

In 1539 spanden Gent en Kortrijk samen tegen Karel V. Deze kwam uit Spanje en strafte beide steden.

De XVIeeeuw was een tijd van jammerlijke woelingen, van rooverijen en bloedstortingen. Van den 12 Februari 1578 tot den 27 Februari 1580 zetelden de Geuzen op het stadhuis, al de kloosters verwoestende, al de kerken plunderende.

De grootste helft der XVIIeeeuw was almede een droevig tijdperk. De Franschen overrompelden de stad in 1667 en in 1683. De gemeente kwam van lieverlede tot zulke armoede, dat een groot deel van de inwoners de vlucht namen.

Nog rampzaliger waren de laatste jaren der XVIIIeeeuw, wanneer men, zooalsConscienceaanmerkt, niets meer eerbiedigde: noch godsdienst, noch zeden, noch eigendom, noch wetten der menschelijkheid.

Kortrijk. — De Broeltorens.Kortrijk. — De Broeltorens.

Eene bulle van Eugenius IV, van 1434, zegt, datKortrijk alsdan 23000 ingezetenen telde. Vóor de Fransche omwenteling bedroeg de bevolking 11134 zielen; in 1820 ruim 15800; in 1867 ongeveer 23650; op het einde van December 1898 meer dan 33380. Ziedaar wel een bewijs, dat de nijverheid en de handel er bloeien en weelde verspreiden.

Ten jare 1382 verslond het vuur eene menigte gebouwen, waaronder het stadhuis en Sint-Martenskerk.

Simon van Assche, een Gentenaar, herbouwde het stadhuis in 1417 en volgende jaren.Gillis Pauwels, van Brussel, vervaardigde «eene wandelinghe of borstweere» boven den gevel;Jan RueeleenWillem Eubins, beiden van Kortrijk, kapten andere versieringen. In de nissen stelde men beelden van heiligen.

Een Gentsche kunstenaar, te Kortrijk gevestigd,Marcus van Ghistel, «stoffeerde de balken,» leverde «glasen veysteren,» en schilderde met zijnen broeder «de beteekenisse van den jugemente ten uutersten daghe.» De XVeeeuw was een lijd van stoffelijke welvaart voor Vlaanderen. Ook maakten de schepenen een praalgebouw van den tempel der wet.

Het stadhuis werd vergroot en gedeeltelijk herbouwd in 1526-1530. In 1872 heeft men den voorgevel nogmaals hersteld.

Twee groote, schoone schouwen wekken de bewondering der bezoekers. Zeker bestonden zij in 1527, aangezien de wethouders van Oudenaarde dit jaar eenen kunstenaar verzochten om er eene schets van te maken. In 1417-1418 kapte de reeds genoemde Willem Eubins twee lijsten «om de caven,» die men in het stadhuis maken zoude, «eene boven ende eene beneden.»

De schouw der bovenzaal is 2m,98 breed en 1m,32 hoog. Zij beslaat uit verscheidene vakken. Het hoogste vak telt acht beelden: het Geloof, de Nederigheid, deMilddadigheid, de Zuiverheid, de Naastenliefde, de Matigheid, het Geduld en de Waakzaamheid. In het tweede vak vindt men de Gerechtigheid en den Vrede, benevens acht ondeugden, passende onder de genoemde deugden: de Afgoderij, de Hoovaardigheid, de Gierigheid, de Onkuischheid, den Nijd, de Gulzigheid, de Gramschap en de Traagheid. In het midden van dit vak prijkt het beeld van Karel V, waaruit volgt, dat het kunstwerk zich niet meer in zijne oorspronkelijke gedaante voordoet.

Het derde vak behelst raadselachtige onderwerpen. Evenwel ziet men dadelijk, dat de beeldhouwer gedacht heeft aan de kastijding der ondeugden en driften, welke hij in het middelste vak voorstelde.

De schouw der benedenzaal is niet zoo fijn gebeiteld als de andere. Zij heeft insgelijks veranderingen ondergaan en vertoont: Mozes en den Zaligmaker; Albert en Izabella; O. L. Vrouw, met haar kindeken op den arm; Sint Marten, met het wapen van Kortrijk in de hand; Sint Salvator, met het wapen van Harelbeke; Sint Pieter, met het wapen van Tielt; Sint Egidius, met het wapen van Deinze; Sint Vedastus, met het wapen van Meenen, en Sint Elooi, met het wapen der dertien parochiën.

GuffensenSwertshebben over eenige jaren de onderste schouw en de muren der zaal met goud en kleuren belegd, gelijk zij oorspronkelijk geweest zijn. Dit werk kostte 30000 fr.

Buiten eene menigte kostbare handvesten bewaart men ten stadhuize den kleinen, ruitvormigen steen, dien de abdis van Groeninge op het graf van Sygis, den koning van Majorka, liet leggen.

De eerste Halle van Kortrijk stond op de Groote Markt. Hedendaags prijkt daar nog een deel van hetBelfort, voorzien van eene kleine spits en vier torentjes. Dit bijvoegsel is van 1519-1520. «Twee meesters werelieden van Ghendt,» en «twee meesters werelieden van Ryssele,» hier ontboden «by proosten en scepenen,» oordeelden immers, «dat de torre niet helpelic en was.» Vroeger was het Belfort zeer hoog. Een ijzeren man, Manten geheeten, sloeg de uren met zijne vuisten.

De nieuwe Halle, in de Doorniksche straat, dagteekent van het midden der XVIeeeuw. In 1549 ontboden de schepenen verscheidene personen uit Doornik en Maubeuge «omme te overziene het werc van der nieuwer halle en te adviseeren het vulbringen van diere,» dit met den minsten kost mogelijk.

De twee Broeltorens zijn merkwaardige gedenkstukken van vroegere krijgsbouwkunde. Even oud zijn ze niet. De toren, op den linkeroever der Lei, werd gebouwd uit kracht van een octrooi, onderteekend te Atrecht den 18 April 1411; de andere — de Speitoren — bestond vóor de uitvinding van het buskruit. Dit blijkt uit de bouwstoffen der grondvesten, uit de breedte der schietgaten, alsook uit den afstand tusschen die gaten en de vloeren.

In den Speitoren vindt men thans het museüm oudheden.

Sint-Martenskerk bestaat uit deelen van verschillende tijdstippen. Eenige pijlers, tusschen de vont en het koor, zijn uit het midden der XIIIeeeuw; de voorkerk, gebouwd doorWillem Alussen, is van 1413-1450. De kruisbeuk dagteekent van 1458-1468; de vont van 1473-1474; het koor van 1870. Vóor den brand van 1862 was het koor uit de XIVeeeuw, de Sinte-Annakapel van 1514-1522. Het metselwerk van dentoren was voltooid in 1439; de houten naald in 1602. ToenFrans Heylinck, van Antwerpen, in 1601 den «eersten naghel had geslagen,» kreeg hij een geschenk van wijn.

Sint-Martenskerk bezit eenige goede kunstwerken: een H.-Sacramentshuis, gebeiteld doorHendrik Maurisin 1586; eene degelijke schilderij vanBernaard de Ryckere, van Kortrijk,de Nederdaling van den H. Geest over de Apostelenvoorstellende; een tafereel vanKarel van Mander, verbeeldende de onthoofding van Sinte Katharina; een koperen altaar, over weinige jaren geleverd doorM. Fierlefyn. Het snijwerk der vont, de zeven H. Sacramenten voorstellende, is eveneens zeer merkwaardig.

Boudewijn IX, graaf van Vlaanderen, die gaarne te Kortrijk verbleef, bouwde in 1200 de kerk van O.-L.-Vrouw, en vestigde er een kapittel van twaalf kanunniken met eenen deken.

De kerk behoort tot den overgangsstijl, evenals de kerk van Pamele, die slechts dertig jaren jonger is. Eigenaardig is zij opgevat, in ongewonen vorm en ongewone lijnen, maar toch schoon in stand en samenstelling.

Het koor schijnt hersteld te zijn geworden na de ramp van 1382. De kapel der Onbevlekte Ontvangenis is van 1420.

Lodewijk van Male stichtte de heerlijke kapel der graven van Vlaanderen, een vorstelijk gebouw, waaraan de beste meesters uit de tweede helft der XIVeeeuw arbeidden. Dit deel was voltooid in het voorjaar van 1374. In de jaren 1866-1870 heeft men de grafelijke kapel prachtig hersteld, dank aan de kennis of de begaafdheden van kanunnikF. van de Putte, Jan van der Plaetsen, baronBethuneen anderen.

De kerk van O.-L.-Vrouw bezit eene prachtige schilderij vanAntoon van Dyck:de Oprichting van het kruis; een kostbaar marmeren altaar, geplaatst doorHubert Boreux, van Dinant; alsmede eene reliquie van onschatbare waarde: een haarlokje des Zaligmakers, medegebracht uit het H. Land door Philip van Elzas.

Het was in de kapel van O.-L.-Vrouw, achter het hoofdaltaar, dat de Vlamingen in 1302 dankbaar de gulden sporen ophingen, welke zij op het zegeveld van Groeninge gevonden hadden. Toen men over eenige jaren het witsel van het gewelf krabde, ontdekte men aldaar de schildering van 116 zwarte leeuwen op gelen grond.

In de eerste helft der XVIIIeeeuw bekleedde men het geheele koor, tot aan de gewelfbogen, met marmer en gemarmerd hout. Dit bijvoegsel wordt thans geweerd, zoodat de gansche kerk weldra weer zal pralen in hare oorspronkelijke strenge schoonheid.

De kerk van Sint-Michiel, plechtig gewijd den 18 Mei 1611 en vóor korte jaren kunstig hersteld doorBethune, is een bezoek overwaard. Hier rust het wonderdadig beeld van O.-L.-Vrouw van Groeninge, herkomstig uit de abdij van dien naam.

Op het einde der XVIIIeeeuw brandden de Jacobijnen in deze kerk wierook voor de godin der Rede. Uit dien hoofde prijkt, bij het altaar van O.-L.-Vrouw, het gedenkteeken van den Boerenkrijg, onthuld den 9 October 1898. Het draagt de namen van een en dertig gekende martelaars der vaderlandsche zaak: Jan Bouderez, Jan Verschaeve, Willem Vasure, Jan Maelfait, Willem Bourgois, Michiel Bonekaert, Jan van de Putte, Pieter Willein, Jan de Smedt, Pieter de Wulf, Jacob Verscheure, Fideel Kinds, Jan Braems, Pieter Berlamont, Jacob Verschaete, Jan Folens, Jande Waele, Jacob Wallays, Pieter Albrecht, Jan Noppe, Willem Buyse, Lodewijk Missiaen, Pieter Baeckelandt, Lodewijk de Waele, Jozef de Vos, Frans Messeine, Jan Carlier, Augustijn Vroman, Jan Vroman, Frans van den Bulcke en Maria-Magdalena Schaede.

De parochiale kerken, aan Sint-Rochus en Sint-Elooi toegewijd, zijn nieuw, de eerste van 1863, de tweede van 1882.

Een der schilderachtigste hoekjes van Kortrijk is het Begijnhof, bij Sint-Martenskerk. Door den band zijn al de begijnhoven stille, gemoedelijke plaatsen te midden der woelige steden. Het Kortrijksch hof boeit ongemeen den bezoeker door zijne netheid, door zijnen vriendelijken eenvoud, door zijne ligging.

De kapel, fraai hersteld en versierd, is van 1464. Het huis der Grootjufvrouw heeft een lief geveltje.

Kortrijk schonk het leven aan vele beroemde mannen: aanJan David(1545-1613), den geleerden kamper tegen de Geuzen; — aanJan Palfyn(1650-1730), den grooten ontleedkundige, uit onbemiddelde ouders gesproten; — aanJan-Baptist Hofman(1758-1835), doorvan DuyseVlaanderens «meistersinger» geheeten; — aanJacob Goethals(1759-1838), eenen werkzamen kroniekschrijver, die heel zijne bibliotheek aan de stad schonk; — aanFerdinand Snellaert(1809-1872), eenen geleerden taalvorscher en verstandigen werker voor de volkszaak.

Als schilders noemen wijPieter Vlerick(1539-1581); —Bernaard de Ryckere, overleden te Antwerpen den 1 Januari 1590; —Roeland Savery(1576-1639); —Jan de Jonghe(1785-1844) enLodewijk Robbe(1807-1887).

Jacob van de Walle, geboren in 1599 en overleden in 1690, was een van de vermaardste Latijnsche dichters van zijnen tijd.Hendrik Beyaert, geboren den 29 Juli 1823, bouwde het hotel der nationale Bank, te Brussel; de Spoorhalle, te Doornik; het nieuw Krijgshospitaal, te Brugge.

Kortrijk bezit eene menigte inrichtingen van onderwijs: verscheidene lagere scholen, zoo voor jongens als voor meisjes; een beschermd college, dat zich alle jaren in de wedstrijden onderscheidt; eene middelbare school van den Staat; eene school voor weesjongens, dagteekenende van 1562; een dergelijk gesticht voor weesmeisjes; eene academie van teeken- en bouwkunde; eene nijverheidschool; eene beroepschool; eene muziekschool; verscheidene openbare bibliotheken; een museüm van oudheden en een museüm van schilder- en beeldhouwwerken.

Meer dan eene maatschappij beoefent den zang, het tooneel of de letterkunde. De oudste vereeniging is zeker de oude broederschap «van den heleghen Cruce ons Heeren,» erkend door de wethouders in 1514 «als een gulde van rethorijcke.»

Het aloude Sint-Jorisgilde en de nering der arbeiders of pijnders hebben eveneens den storm der Fransche omwenteling overleefd. In het huidig lokaal der voetboogschutters, bij de Doornikpoort, bewaart men hetEdelbouck der guldebroeders, op perkament, alsmede bogen, «paruren» of kleederen en eenen halsband met 59 schakels.

Onder de openbare plaatsen zullen wij noemen: de Gulden-Sporenplaats, vóor de spoorhalle, versierd met een hofje; — de Groote Markt, met het oude Belfort en het marmeren standbeeld van Mgr de Haerne; — de Esplanade, beplant met struiken, heesters enboomen; — de Wapenplaats, in de nabijheid van het Gerechtshof; — de Casinoplaats, vóor het gevang, ook beplant met weelderige platanen; — de Groeningelaan, eene lieve wandelplaals met olmen, grasen bloemperken. Breede lanen omringen gansch de stad. In de Palfynstraat, in de Doornikstraat, in de Hallestraat, in de Sint-Jorisstraat, op de Havermarkt, in de IJzeren-Wegstraat, rond de Markt en de Gulden-Sporenplaats groeien en bloeien kleine acacia's. Wij overdrijven niet, als wij zeggen, dat Kortrijk in de laalste jaren eene der vriendelijkste sleden van België is geworden.

Geen Vlaming, of hij weet van Groeninge te spreken, waar de Klauwaards op den 11 Juli 1302 hunne erfvijanden verpletterden.

Groeninge was alsdan een eiland, tusschen den wal der stad, de Lei, de Groeningebeek en de Sint-Jansbeek. Het had eene oppervlakte van nagenoeg 60 hectaren.

Van de Groote Markt vertrekkende en de Doornikstraat volgende, komen wij aan den ijzeren weg.

De IJzeren-Weglaan, links, loopt over den ouden Neveldriesch. Rechts wuift het hoog geboomte van het Sint-Jorispark. Dit gedeelte van den Neveldriesch noemde men, na 1302, den Bloedmeersch. Nog vloeit de Bloedbeek door het park naar den ouden stadswal.

Op het einde der Sint-Janslaan blijven wij staan. Over de huizen zoeken wij de spits en het kruis van den toren der hoofdkerk. Vóor ons hebben wij dus de westelijke grens van het slagveld.

Nu kijken wij over de Veemarkt naar het torentje van Sint-Antoniuskerk. Zoo bepalen wij nagenoeg de zuidelijke grens of den loop der Sint-Jansbeek, gedempt in 1444. De Sint-Jansbeek, komende uit de Groeningebeek, diende om den wal der stad te spijzen. Op hare oevers hadden de drie stormloopen plaats, waarvan de kroniekschrijvers gewag maken.

De Veemarkt is ongeveer twee hectaren groot. Wijslaan de Veldstraat in en merken weldra, rechts, eene hofstede en eenen lusttuin. Daar vloeit de Groeningebeek; daar is de oostelijke grens van het slagveld.

De tegenwoordige Groeningelaan, ter linkerhand, ligt derhalve in den zuid-ooslelijken hock.

Tusschen de Lei, de Groeningebeek en den Gentschen weg rees de abdij van Groeninge, gebouwd vóor 1268.

Eén groote weg doorsneed de aangeduide vlakte: de Harelbeeksche straat, nu de Voorstraat en de Gentsche baan uitmakende. Hij had éene vertakking: de Lange-Merestraat, lhans de Molenstraat geheeten. De Oudenaardsche baan, verlegd in 1571, was de voortzetting der Merestraat.

Hedendaags is het grootste gedeelte van Groeninge bebouwd. Buiten de reeds genoemde straten, vindt men er de volgende wegen en pleinen: de Groeningestraat, de Houtmarkt, de Lambrechtstraat, den Kring, de Sint-Jansstraat, den Stompaardshoek, de Potterijstraat, de Esplanade, de Kanaalstraat.

De meergenoende Groeningelaan is eene schoone wandelplaats. Zij is 375 meters lang en 40 meters breed. Hooge boomen, bloeiende heesters, golvende graspleinen en lieve bloemperken volgen op elkander, Maar fluisteren de olmen geene sagen uit den voortijd, geene lessen voor de toekomst?

De zonne rijst... Ik wandel den ouden Kouter rond.Waar, leunend op zijn wapens, het Vlaamsche leger stond,De vogel neurt zijn liedje, het loover knikt en trilt...Ik hoor gebriesch van paarden en kreten, woest en wild.Zij komen trotsch en tergend, vol waan en overmoed;Zij gaan hun lansen ploffen in slecht en hondsch gebroed!Zij komen trotsch en talrijk; maar de onzen springen recht,En beuken met hun knodsen op edelman en knecht.Wat kerven, kneuzen, moorden met bijl en goedendag!En boven barmen lijken ontrolt men Vlaandrens vlag...De zonne straalt... Ik wandel den ouden Kouter rond,Waar, steunend op zijne armen, liet Vlaamsche leger stond.Daar schudt een boom zijn takken: «Hier vocht men Vlaandren vrij;Doch moet het eeuwen duren, eer Vlaandren dankbaar zij?»

De zonne rijst... Ik wandel den ouden Kouter rond.Waar, leunend op zijn wapens, het Vlaamsche leger stond,

De vogel neurt zijn liedje, het loover knikt en trilt...Ik hoor gebriesch van paarden en kreten, woest en wild.

Zij komen trotsch en tergend, vol waan en overmoed;Zij gaan hun lansen ploffen in slecht en hondsch gebroed!

Zij komen trotsch en talrijk; maar de onzen springen recht,En beuken met hun knodsen op edelman en knecht.

Wat kerven, kneuzen, moorden met bijl en goedendag!En boven barmen lijken ontrolt men Vlaandrens vlag...

De zonne straalt... Ik wandel den ouden Kouter rond,Waar, steunend op zijne armen, liet Vlaamsche leger stond.

Daar schudt een boom zijn takken: «Hier vocht men Vlaandren vrij;Doch moet het eeuwen duren, eer Vlaandren dankbaar zij?»

Bij het nieuw gedeelte van het oude-mannenhuis vormt de Groeningelaan eenen kleinen elleboog.

Eene nieuwe laan, van verscheidene meters breedte, vertrekt naar de Esplanade, en bakent de plaats af, waar het gedenkteeken zal oprijzen, dat het Dietsche volk in 1902 ter eere van zijne voorvaderen wil onthullen.

Eenige schreden verder, tegen den Gentschen weg, staat, half verscholen in den gevel der huizen, het oude kapelleken van Groeninge, over weinige jaren versierd en voorzien van een toepasselijk opschrift:

In : t : jaer : ons : Heren : 1302 :op : sente : Benedictus : dach : in :hoymaent : was : de : stryt : te : Curtrycke :Er : zyn : dood : gebleven : omtrent :21000 : M^n : waeronder : 63 :hertogen : graven : en : 1800 :baenderheren : en : edelen :R : I : P :

Het veld kennende, moeten wij ook den slag en zijne gevolgen herdenken.

Uit de staten van Karel den Groote ontstonden twee machtige rijken: Frankrijk en Duitschland. Tusschen beide streken lag Nederland, met eene eigen beschaving en eene eigen bestemming. En het duurde nietlang, of Vlaanderen stond aan het hoofd der Nederlandsche gewesten.

In den beginne was de Duitsche invloed ten onzent groot, ja overwegend. Maar de keizer bezweek in de velden van Bouvines, in 1214, en nu ontwaakte de Fransche invloed, krachtig en altoos dreigend.

Ten laatste besloot Philip de Schoone het rijke graafschap te veroveren. De klauwen van Vlaanderens Leeuw verstoorden zijn plan.

Vlaanderen redde zijn bestaan. Met zijne zelfstandigheid bewaarde ons volk zijne moedertaal, alsmede het natuurlijk recht, die taal in alle omstandigheden des levens te spreken. Met zijne taal redde ons volk zijne voorouderlijke zeden en zijne godsdienstigheid, al de deugden van den edelen Germaanschen stam.

Er zijn, in den loop der volgende eeuwen, heldere en donkere dagen aangebroken. Het Huis van Burgondië is opgekomen; Oostenrijk, Spanje en Frankrijk hebben ons overheerscht.

Het kon niet baten. Vlaanderen had zijne bestemming; en België is eindelijk ontstaan, vrij en onafhankelijk.

Daarom zij ons aller kreet:

Heil Groeninge!

Heil België!

Kortrijk ligt op de scheiding van de zandachtige en de kleiachtige streek, van België. Van daar een merkbaar verschil in de omgeving der stad. In het Noord-Oosten zijn de velden licht en vlak; in het Zuid-Westen zijn ze integendeel zwaar en golvend, schilderachtig.

De vlasnijverheid is buiten kijf de grootste bron van rijkdom voor Kortrijk en zijne omstreken.

Welke beweging, welk leven langs de zacht vloeiende Lei gedurende de heete zomermaanden! Op het grondgebied der stad alleen gebruikt men 375 hekken of houten bakken om het vlas te roten. De bevolking van ruim vijftig gemeenten, tusschen Neder-Waasten en Deinze gelegen, houdt zich schier uitsluitend met de verschillende bewerkingen van het vlas bezig. En al die gemeenten groeien aan, bloeien. In 1820 had Bissegem 568, Marke 1289, Lauwe 1727, Kuurne 2192 en Moorsele 3896 inwoners. Zeventig jaren nadien telden dezelfde gemeenten 1117, 2006, 3159, 3818 en 4813 zielen. Niet te onrecht noemen de Engelschen onze Lei de «golden river.»

De oudste oorkonde, waarin men van het Kortrijksch linnen gewag maakt, is van 1290. Twee poorters beweerden recht te hebben op den tol, geheven op de«nappes, tueles en keuverkins,» welke men in de stad verkocht.

Nochtans schijnt deze nijverheid hier niet gebloeid te hebben zoolang de lakenweverij eene zekere hoogte behield. Het was bepaaldelijk in 1573, dat men middelen beraamde om den lijnwaadhandel op te beuren. Dit zelfde jaar kwamen er reeds kooplieden van Gent, Oudenaarde, Tielt, Roeselare, Meenen, Izegem «ende andere omliggende plaetsen.» De schepenen betaalden deswege eene som van 167 pond parisis, «ter cause van cost van maeltyden.»

Het Kortrijksch tafellinnen verwierf spoedig eene groote vermaardheid. Men weefde, verhaaltSanderus, in het doek de afbeelding van bloemen en dieren, van jachten en gevechten, van landschappen met weiden, bosschen, hoven, heuvelen en kasteelen, alles zoo nauwkeurig, als het een schilder zou hebben gedaan; met zooveel verscheidenheid, als de weelderige natuur er aanbiedt, en zoo fijn, dat het oog zich vermoeide, als het al die beelden in een meer van glinsterende witheid bezichtigde.

De overheden der gemeente verzuimden geene gelegenheden om de groote nijverheid vooruit te helpen. Op het einde van 1576 was «de nering sober.» De schepenen beslisten voor 10,000 gulden «ammelaken ende andere goederen af te coopen,» en dan «dezelve voort te vercoopen tot winning van de stede.»

Toen Albert en Izabella in 1600 hunne plechtige intrede deden, werden zij begiftigd met gedamaste tafellakens, die 2,497 pond parisis kostten.

Bezocht een vorst de stad, zoo liet men in het stadhuis weefgetouwen oprechten, ten einde «de fabrique der gemeente te doen zien.»

In 1761 opende men de Teekenschool. «Dit was,» schreven de wethouders, «om nieuwe desseinen voor de fabrique van het serveetwerk» te krijgen.

In den loop der XIXeeeuw waren de rijkste vlasoogsten die van 1803, 1805, 1808, 1813, 1820, 1824, 1834, 1839, 1840, 1851, 1855, 1860, 1864, 1866, 1872, 1874, 1877, 1881, 1883 en 1895. Niet zelden gold de hectare 1000, ja 1400 fr.

Buiten het Doorniksch voorgeborchte is de grond zeer vruchtbaar en heel schilderachtig. Daar vindt men den Pottelberg, den Marionettenberg, het Hooge, den Spoelberg. Het zijn verhevenheden van dertig, veertig meters.

Op den Pottelberg legerden de Franschen in 1302, eer zij de Vlamingen aantastten. Aan den voet des heuvels lag de heerlijkheid van Hoog-Mosscher, reeds genoemd in oorkonden uit de XIIeeeuw. In 1293 had Gwijde van Dampierre den heer van Mosscher en zijne familie veroordeeld tot het betalen van eene boete en eene jaarlijksche rente aan de abdis van Groeninge. Was het misschien om zich te wreken, dat de snoodaard den 11 Juli 1302 als gids der overweldigers optrad?

Hedendaags is het kasteel van Hoog-Mosscher een lief zomerverblijf. In de nabijheid rijst de Kapel ten Bloede. Men wil, dat Dirk van Elzas in het adellijke slot vernachtte, toen hij met het H. Bloed van Christus uit Palestina terugkeerde, en dat men, ter gedachtenis van dit bezoek, het genoemde kapelleken oprichtte. In alle geval bestond het reeds in 1441.

Op het Hooge vindt men het kasteel der familie Goethals, met bosschen, vijvers en lusttuinen.

Een binnenweg loopt naar den Spoelberg, het hoogste punt op het grondgebied van Kortrijk.

Aan den voet staat een groot kruisbeeld, op de kruin eene landelijke herberg. Als de wandelaar zich naar het Zuiden keert, zoo gaat zijn oog over eene groote vallei, in de verte begrensd door de heuvelen van Sint-Denijs en Knokke. Aan den anderen kant vindt hij het Hooge met zijn kasteel, Kortrijk met zijne torens en schouwen. Rechts, in de richting van Zwevegem, beperkt eene andere hoogte het gezicht.

In de vallei schuilen hier en daar eenvoudige huisjes, te midden van vruchtbare akkers, gescheiden door hagen en grachten.

Weinige geluiden treffen het oor: het tierelieren van eenen opstijgenden leeuwerik; het juichen van een spelend kind, blootsvoets weg en weer loopend; het tiktakken van een weefgetouw, of het schokken van eenen naderenden boerenwagen.

Het dal, dat zich rondom den Spoelberg, tusschen Kortrijk, Deerlijk, Zwevegem en Knokke, uitstrekt, was in 1814 het tooneel van eene bloedige schermutseling.

De veldheer Thielmann had te Oudenaarde vernomen, dat de Franschen den 31 Maart uit Gent naar Kortrijk afzakten. Hij snelde met zijne mannen naar Zwevegem, ten einde den vijand van ter zijde te bestoken.

In den beginne kozen de Franschen het hazenpad. Doch zij kregen versterking, en rukten nu dapper voort in de richting van den Spoelberg. Na eenen hardnekkigen wederstand deed Thielmann den aftocht blazen.

Men rekent, dat deze botsing het leven kostte aan 300 wapenknechten.

Hedendaags vindt men te Zwevegem nog ettelijke huizen met eenen kanonbal in den gevel. Daaronder kapte men het jaartal 1814.

De reiziger, die Zuid-Vlaanderen bezoekt, ontmoet links en rechts vele omwalde hofsteden. Daar hadden de middeleeuwsche heerlijkheden hunne zetels.

Op het grondgebied van Kortrijk alleen telde men vier en twintig heerlijkheden: ten Akker, ten Berge, van Bovekerke, van Busschaard, van Clessenare, van Diestveld, van Hoog- en Neder-Mosscher, van Hembijze, van Lerberge, van Monjoie, van Ronseval, van Steenbrugge, van Walle, enz.

De heerlijkheid ten Akker was zeer oud en groot. Nog in 1701 bedroeg hare uitgestrektheid «veertien bunderen lands, luttel min ofte meer, houdende aen elkander.»

De huidige hofstede vindt men achter Sint-Rochus-kerk, tusschen de Sint-Denijsstraat en den weg naar Zwevegem.

Op de brug blijven wij staan.

Het eerste voorwerp, dat ons treft, is een beeldje van O. L. Vrouw, schuilende in eene kleine nis, aangebracht in het gemetselde deel der poort. De Vlaamsche landbouwer stelt immers nog altijd zijne have onder de bescherming der Moeder Gods.

De eenden drijven op het donkere water van den wal; de hennen drentelen langs den oever, nu eens toekijkende, dan weer elkander aanblikkende. Men zouhaast zeggen, dat zij hunne verwondering uitdrukken over het doen der zwemmers.

Drie groote gebouwen omringen een vierkantig plein: het woonhuis, dat laag is en zonder verdieping; de stallen, voorzien van roode deuren en talrijke luchtgaten; de schuur met hare wijde poort en haar hoog dak.

Het ovenhuis heeft men afgezonderd, evenals het afdak, waaronder men de wagens, de karren, de ploegen en de eggen bergt.

Al de buitenmuren zijn versch gewit.

Van den vroegen morgen tot den laten avond is iedereen hier vlijtig aan den arbeid. Hoort gij de meid niet zingen, die op dit oogenblik het vee verzorgt? Hoort gij den knecht niet fluiten, die met den grooten wagen om hooi rijdt?

Wij treden binnen, en worden door den blozenden pachter en zijne jonge vrouw hartelijk ontvangen.

Het koperen kruisbeeld op het bord der groote schouw; het keukengerief boven den waschsteen; de blinkende banden der boterkern; de geplooide en sneeuwwitte gordijntjes aan het venster; de bloeiende geraniums in hunne roode potten; — alles spreekt van reinheid, van orde, van welstand.

«Edele menschen!» fluisteren wij bij het heengaan; «God zegene hun huis en hunnen arbeid!»

Door den band nochtans zijn de pachthoven, in dit gedeelte des lands, minder verzorgd dan in het land van Waas, in het Houtland en de Polders. Dit verschil is vooral gevoelig aan de kanten van Geeraardsbergen, waar men nog vele boerenwoningen aantreft, gebouwd van hout en klei.

In zes minuten tijds snelt een trein van Kortrijk naar Marke.

Rechts ontwaart de reiziger het Magdalenakerkhof, het kasteel der edele familie Bethune en Bissegem; links den Pottelberg, eene groote, omwalde hofstede en de Markebeek, kronkelend door velden en weilanden.

Het kerkhof is Kortrijks oude Lazarij. Deze bestond reeds in 1233.

Bij het genoemde kasteel is het gehucht «de Markebeek.» Hier vond men, op het einde der XVIIIeeeuw, eene stokerij. Tijdens den Boerenkrijg, bepaaldelijk in den morgen van 29 October 1798, brachten eenige hartelooze republikeinen daar drie personen om hals: Jan Carlier, Augustijn Vroman en Jan-Baptist Vroman. Een steen, in den voorgevel van het huis gemetseld, herinnert deze treurige gebeurtenis.

Een lief boschje, toebehoorende aan M. Vandenpeereboom, bezet de helling des Pottelbergs.

De omwalde hofstede, langs den Bruyninkweg, is een overblijfsel van het oude landgoed Roodenburg, bestaande uit een kasteel met boomgaarden, hof, molen en loopende landen.

Op het einde der XIIeeeuw was Roodenburg een eigendom van Wouter, protonotaris van Boudewijn IX.

Wouter had drie kinderen: Joanna, Agnes en Gillis. Toen hun vader stierf, wenschten beide dochters zichvan de wereld af te zonderen, weshalve zij de hun toebehoorende goederen opdroegen aan Joanna van Constantinopel, opdat zij daarmede een klooster zoude stichten. De oorkonde voegt er bij, dat het recht van Gillis werd voorbehouden.

Ziedaar in korte woorden den oorsprong der abdij van Marke (1237). Deze werd verplaatst, vóor 1284, en nadien de abdij van Groeninge geheeten.

Bissegem en Marke zijn zeer nijverige gemeenten, wier bevolking in de laatste jaren ten minste verdubbelde.

In de nabijheid van Marke's spoorhalle rijst eene groote en prachtige pannenfabriek. Langs dit gesticht voortwandelende, beklimt men den Lauweberg, die wel vijftig meters hoogte heeft.

De Lauweberg vertoont steile verhevenheden en diepe zonken. Een groot gedeelte is begroeid met boomen en kreupelhout: populieren, elzestruiken, brem, dorens, heide.

Westwaarts kronkelt de Lei door een schoon landschap, rijk gestoffeerd met boomen, huizen en molens. De torens van Lauwe, Wevelgem, Rekkem, Meenen en Moorsele verheffen hunne spitsen boven het geboomte.

Lauwe telde, in de XVIeeeuw, nog al eenige ingezetenen, die wegens ketterij veroordeeld werden. Willem de Duutsche moest, «om zyne demeriten,» de wijk nemen (1555); Jan van Raes werd in 1566 met vijf andere personen «gejusticieert.»

Tussen Lauwe en Wevelgem, langs de Lei, ligt het Kloosterhof, eene der aanzienlijkste hoeven van heel Vlaanderen. De landen en meerschen hebben eene uitgestrektheid van 75 hectaren.

Het Kloosterhof is een overblijfsel van de abdij van Wevelgem, aldaar gesticht omtrent het midden der XIIIeeeuw. De kapel en eenige andere gebouwen zijnverdwenen; de Westpoort, de smis, de huizing, de stallen en de schuren staan nog recht. Het oudste overblijfsel is een steenen duivenhok, gebouwd in 1690. Bij de Westpoort vindt men nog de bank, waarop de arme lieden mochten rusten, als zij hunne aalmoezen kwamen ontvangen.

De voormalige abdij van Wevelgem bezat, sedert 1561, een gedeelte van de kroon des Heilands. Dit heiligdom is nu in de kerk der gemeente. Het is een takje, dat ongeveer negen centimeters lengte heeft en drie ongeschonden doornen draagt.

Wevelgem is eene schoone, zindelijke gemeente, met nette huizen, vier breede straten en een kasteel.

De kerk dagteekent van 1880-1882, en behoort tot den Romaanschen stijl.

Wevelgem is de geboorteplaats vanMgr de Neckere, gewezen bisschop van Nieuw-Orleans, in Amerika.L.-F. Nuttin, de bevallige dichter derNieuwe Vlaamsche fabels, is ook een zoon van Wevelgem.

Bijna op het hoogste van den Lauweberg schuilt eene hofstede achter het geboomte.

Eenige meters verder gaat het oog over een tweede landschap, met de bergen van Bellegem aan den horizont.

Bellegem is eene oude plaats. Eer het kapittel van O.-L.-Vrouw te Kortrijk bestond, en wel in 1195, aanvaardde Boudewijn IX, voor zijnen kapelaan, eene gift van haver, gedaan door Gommar van Bellegem. In 1302 stonden twee heeren van Bellegem, Daniël en Olivier, met hun gevolg onder het vaandel der Klauwaarts. Beiden verloren hun paard in den strijd.

De kerk van Bellegem heeft eenen merkbaar hellenden toren. Het koor is blijkbaar zeer oud.

De grond der gemeente is zwaar en kiezelachtig.Bij droog weder komen hier en daar eene menigte keitjes te voorschijn. Onder den invloed der warmte breken zij echter gemakkelijk.

Tusschen de Lei en den Lauweberg loopt de ijzeren weg.

Noordwaarts daagt, hoog en statig, de toren der Sint-Martenskerk.

Een wandeltocht naar Harelbeke, langs den schoonen rijksweg van Gent, is zeker een aangenaam uitstapje. De afstand bedraagt ongeveer vijf kilometers. Vrees echter niet, lezer, dat de zon te heet schijne; hooge linden werpen schier overal hunne koele schaduwe op den weg.

Aan de Gentsche poort is in de laatste jaren eene groote wijk ontstaan, met fraaie huizen, breede straten en belangrijke nijverheidsgestichten.

Links, over de Lei, ligt een afgegraven meersch. Daar heeft men, over een tiental jaren, oude munten, Romeinsche dakpannen en eenen put blootgelegd.

Bij de vaart bemerken wij, tusschen slanke populieren, het lustgoed van Mevrouw Reyntjens. Daar bouwde de gravin Beatrix, weduwe van Willem van Dampierre, de vermaarde abdij van Groeninge. In 1578, na de overrompeling van Kortrijk door de Geuzen, werd het klooster met al zijne afhankelijkheden verwoest en afgebroken.

Weinige boogscheuten verder vinden wij eene ouderwetsche herberg:de Blaasbalg. Vóor het huis loopt de Groeningebeek onder den steenweg.

Verder komen wij langs het groene dal der Lei,waar honderden werklieden arbeiden. De toren van Kuurne steekt slank in de lucht.

Kuurne is hedendaags eene bloeiende gemeente met meer dan 3,800 inwoners. Over het dorp loopt de Brugsche steenweg naar Ingelmunster. Op Zondag 28 October 1798 tastten daar de Fransche wapenlieden eene bende Boeren aan, er verscheidenen om het leven brengende.

Kuurne is de geboorteplaats van den kunstschilderE. Carpentier.

Bij Harelbeke heeft de Lei twee armen, die een eiland vormen. Daar werken een paar aloude watermolens. In 1538 had een Kortrijksche poorter, Willem Bevele, dezelve in huur. Op zekeren dag nam de heer van Heule den molenaar gevangen. Den 25 October veroordeelde men den plichtige om vóor het magistraat zijner heerlijkheid te verschijnen, aan God vergiffenis te vragen, en in de kerk een geschilderd venster te doen plaatsen.

Harelbeke is zeer oud. Eene oorkonde van 836, herkomstig uit de Sint-Pietersabdij, te Gent, maakt inderdaad gewag van «Arlebeca.»

Men wil, dat Harelbeke het gewoon verblijf was van Vlaanderens eerste landvoogden of forestiers. Een hunner, Liederik de Buck, zou er de eerste kapel hebben gesticht, om aldaar met zijne opvolgers begraven te worden.

De oude legende van Liederik en de forestiers is sedert jaren te niet gedaan. 't Was eene fabel.

Na de strooptochten der Noormannen herbouwde Arnold de Oude het verwoeste bedehuis. Omtrent denzelfden tijd schonk de vrome graaf aan de nieuwe kerk de stoffelijke overblijfselen van den H. Bertulphus, een der meest geliefde patronen van Vlaanderen.

Ten jare 1769 bouwdeDewez, van Brussel, den tegenwoordigen tempel. Nochtans behield men het metselwerk van den toren met den kruisbeuk der oude, Romaansche kerk. Het gemeentebestuur van Kortrijk kocht 9,091 groote en 23,525 kleine steenen van de «gedemoliseerde kercke.»

Onder het koor der voormalige kerk was «de sinte Pieters crypte, zynde achttien voeten vierkante.» Op onze dagen is die krocht onder den kruisbeuk.

De predikstoel is een eigenaardig gewrocht vanLecreux, uit Doornik.

Boudewijn met den IJzeren Arm en zijne echtgenoote stichtten te Harelbeke een kapittel, aanvaard door den bisschop van Doornik in 1087. Achter het hoogaltaar, in de parochiale kerk, staan nog altijd de zetels der kanunniken, als stomme getuigen van vroegere gebeden en lofzangen.

Een tak der vroegere nijverheid was het lakenweven. In 1432 schonken de wethouders van Kortrijk «den goeden lieden van Haerlebeke, die ter marct quamen met huerlieder lakenen, twee cannen wijns. » Hedendaags heeft de gemeente steenbakkerijen, brouwerijen en graanmolens. De tabakshandel in het groot bestaat er niet meer.

Harelbeke telt ruim 7,200 zielen. Vóor het wethuis, op de Markt, staat eene hooge, arduinen pomp. Daarop prijkt een klein standbeeld van Liederik de Buck. In den kerktoren hangt een welluidend klokkenspel. Alle vijftien minuten werpt het zijne lichte tonen over de gemeente. Te Harelbeke, in een klein huisje, stond de wieg vanPeter Benoit, geboren in 1834 en overleden in 1901.

Benoit, een der grootste toondichters van onze eeuw, is de schepper vanLucifer, de Schelde, de Oorlogeneenige andere oratorio's. Hij schreef prachtige liederen en leverde eene menigte opstellen om het nationalismus in de toonkunde te verdedigen.

Het kunstlievende Antwerpen richt den beroemden man een standbeeld op.

Drie eeuwen vroeger leefde een andere zoon van Harelbeke,Andreas Pevernage, die insgelijks de toonkunde beoefende en merkwaardige stukken naliet. Geboren in 1545, overleed Pevernage ook te Antwerpen in 1591.

Het was een heete Julidag. De zon glinsterde aan den helderen hemel en wierp heure stralen over de rijpende graanvelden.

In eenige minuten stoomden wij naar Zwevegem, eene gemeente van 4,900 inwoners.

Tijdens de godsdienstige beroerten verscheen de heer van Zwevegem, Frans van Halewijn, nog al dikwijls op het staatkundig tooneel van Nederland. Als diplomaat ondernam hij verscheidene reizen;als gouverneur van Mechelen en Oudenaarde schreef hij brieven aan Margareta van Parma, aan Granvelle, aan Alva, aan den hertog van Aarschot. De notabelen van Zwevegem noemden hem in 1573 hunnen «seer beminden en specialen vriend.»

Als men, Zwevegem verlatende, de vaart van Bosuit volgt, komt men door eene lieve vallei. Links daagt het Banhout; zuidwaarts rijzen de heuvelen van Knokke met hun donkergroen geboomte.

Het Banhout maakte in vroegere eeuwen deel van het Ronsevalsche of de heerlijkheid van Nevele. Het was «eene vrije foreest,» zeventig bunder groot. Niemand kon door het bosch gaan, want het was «besloten met diversche barrieren en rontom met eenen gracht van tien, twaelf voeten breet.» Ganschhet woud was «verdeeld in negen hauwen, waervan ieder jaer eenen hauw werd vercocht.»

Het stuk, dat wij hier volgen, spreekt van «vyf, zes duysent opgaende eekeboomen, waervan den meerderen deel omtrent de veertig jaren oud conden zyn.» In het midden van het bosch « wasser eene redelieke fraije woonste» voor den «prater of boschwagter.» Er was almede «eene vangenisse,» en de wachter mocht «alle personen vangen,» die hij in het bosch zoude vinden.

Knokke is een eenvoudig gehucht, deels aan Zwevegem, deels aan Heestert en deels aan Moen toebehoorende.

Wij bezichtigden den tunnel en wandelden vervolgens naar den Keiberg, die 66 meters hoog is.

Eene bejaarde vrouw, ons den weg wijzende, vertelde ons vertrouwelijk haar lief en leed: hoe gelukkig zij was, toen haar man nog leefde; hoe deze op zekeren dag buitenshuis bezweek, en hoe zij met vier kleine schapen van kindertjes bleef zitten; hoe zij toen moest zorgen en zoeken om door de wereld te tobben; hoe de meisjes, opgroeiende, bij vreemden gingen wonen om een stuivertje te verdienen; hoe de eene dochter nu in Frankrijk woonde en de andere in het land — bij eenen herbergier; hoe de laatste over weinige jaren onbezonnen een voordeelig huwelijk afsloeg; hoe zij, moeder, op haren ouden dag nu weer alleen was, en stillekens haren weg naar het kerkhof vervorderde...

Wij troostten de arme weduwe en wandelden voort.

Een lief panorama omringt den Keiberg: hier eene vlakte in de richting van Tiegem; daar het dal van Heestert en Avelgem; ginds de blauwe bergen van Sint-Denijs, met den Perremolen op de hoogste kruin. Moen schuilt tusschen Heestert en Sint-Denijs.

De oppervlakte van Moen beslaat 1,042 hectaren.De grootste lengte bedraagt zes, de grootste breedte drie kilometers. In 1694 telde de gemeente 264 zielen; in 1874 waren er 2,150; in 1890 nog 2,098,

De oude heerlijkheid was vrij belangrijk. Het kasteel, omgeven van hoven, dreven en wallen, stond tegen de dorpplaats. Volgens een denombrement van 1612 had de heer het recht «den costere, de kerckmeesters en de armmeesters te stellene.» Op zijn leen hield men jaarlijks twee markten, «telcken S. Eloysdaghe,» van laken, garen en andere goederen.

Sint Elooi is inderdaad de patroon van Moen. Den 25 Juni kwamen vroeger de landbouwers, te voet en te paard, den heilige vereeren. De herder der parochie, in feestgewaad, zegende de lastdieren een voor een aan de deur der kerk, en gaf hun een klopje met eenen zilveren hamer.

Er slopen misbruiken in deze plechtigheid. Een brief van 10 Juni 1778 spreekt van «drie tot vierhonderd boeren met peerden, komende van vijf, zes uren in het ronde. Zij waren gewapend met schietgeweren, die zij losbrandden gedurende de processie. Maar zij bleven niet allen even nuchter, en veroorzaakten dan wanorde, zelfs ongelukken.»

Karel van Lorreinen beval den 17 Mei 1778 «geene geweerschoten meer af te lossen, op boete van 50 gulden voor iedere overtreding.» Het oude gebruik bleef nochtans in voege tot in 1806, wanneer de bisschop van Gent het andermaal verbood.

De parochiale kerk van Moen is van 1875 en kostte ongeveer 80,000 fr.

Achter de kerk vindt men den Olieberg. Dezen naam ontmoeten wij in een heksenproces uit de XVIIeeeuw. Moen is inderdaad de geboorteplaats van verscheidene tooveressen. Wij noemen er drie: Antonia de Scheemaecker, Gellijne de Pratere en Jozijne Labins. Men beweerde, dat de arme sukkelaarsters op den Olieberg met den booze omgingen. De bewaarde vonnissen zijn belangrijk voor de kennis van het oude strafrecht in Vlaanderen. Zij spreken van den halsband, van het «scerp examen,» van het «duyvelsteeken,» van het «duyvelspoeder.»

De straat, die van Moen naar Heestert leidt, heet nog altijd de Tooveresstraat.

Heestert, in oude stukken Hestrud genaamd, heeft eene fraaie kerk. Achter eenen marmeren steen rust het hert van Jan-Jozef Raepsaet, overleden te Oudenaarde den 19 Februari 1832. Vroeger kwamen de Moensche schutters alle jaren met trommel en fluit naar Heestert, om aldaar op den 15 Augustus de processie ter eere van O.-L.-Vrouw te vereeren. De wethouders betaalden «het bospoer, dat de schotters» noodig hadden, alsmede «de teercosten van den tambour en den fluyter.»

Dit wil niet zeggen, dat de twee dorpen nooit vijandelijk opstonden. Den 11 April 1790, tijdens de Brabantsche omwenteling, trokken «de landwagten» van Moen naar Heestert, waar zij twee boeren dood schoten. 's Anderendaags wilden «die van Heestert het naburige dorp in brand steken.» De tusschenkomst der Kortrijksche vrijwilligers en soldaten verhinderde echter deze ramp.

Sint-Denijs is eene bloeiende gemeente met ongeveer 3,500 inwoners. Tusschen dit dorp en Kooigem ligt eene ruime delling, door het volk «de caveie» of «la cavée» geheeten. Nagenoeg in het midden der caveie staat het hof «de la Broye.» Zou die naam geene verbastering zijn van «brouille,» broel of bruul, datgemeene weidekan beteekenen?


Back to IndexNext