X.

Vacantie!

Dat woord klinkt aangenaam in de ooren der schooljeugd, die een jaar lang, van half negen 's morgens tot half vijf 's avonds, moest stil zitten, en luisteren en leeren; aangenaam ook in de ooren der onderwijzers, die dag aan dag hun hoofd moeten breken om het jonge volkje, aan hunne zorgen toevertrouwd, de eerste beginselen van allerhande wetenschappen in te planten.

Vacantie, tijd van ontspanning en verzet voor velen, tijd van nieuwe bezigheden voor anderen, wees gegroet!

Wij hadden Lier bezocht, waar wij over dertig jaren studeerden, en daar eenen geliefden oud-leeraar — M. Troch — de hand gedrukt; wij hadden den hooggeleerden patroon van het Davids-Fonds op zijn arduinen voetstuk zien staan; wij hadden een paar dagen overgebracht in de tentoonstelling van Brussel, en besloten nu onze uitstapjes in de Vlaamsche Ardennen te hernemen.

Den 9 September 1897, in den voormiddag, stoomden wij naar Ansegem, om van daar naar Tiegem te wandelen.

Ansegem heeft drie spoorhallen: aan den Sterhoek, bij het dorp en langs den ouden Heirweg, in de richting van Waregem.

Het koor, de kruisbeuk en de toren der kerk zijn zeer oud; de beuken dagteekenen van 1828. Benoorden de kerk rijst het aloude kasteel van Hemsrode.

Een klimmende weg loopt naar Kaster. De spits van den toren steekt boven eenen heuvel uit.

Bij de kerk van Kaster — een werk van L. Vuylsteke, uit Geluwe — blikt men op Kerkhove in de diepte, op den Kluisberg over de Schelde.

Aan het gemeentehuis van Kaster loopt een zijweg naar Tiegem, een dorp van nagenoeg 2,000 zielen.

Tiegem is maar 769 hectaren groot. Het ligt op twee heuvels, waarvan de voornaamste eene hoogte van 70 meters bereikt.

Hedendaags is Tiegem een lief, eigenaardig dorp, met schoone steenwegen, met fraaie kasteelen en lusthuizen. De meeste oude woningen zijn hersteld geworden en prijken met bevallige puntgeveltjes.

De kerk is een klein juweel, over weinige jaren hersteld en herbouwd doorAug. van Assche, uit Gent.Goethalsschilderde den tempel;Bourdonverrijkte hem met een merkwaardig altaar.

De voormalige burcht stond tusschen Tiegem, Avelgem en Waarmaarde. Op dezelfde plaats vindt men thans de «S. Aernoutscapelle,» herbouwd in 1854, en den «S. Aernoutswal.»

In de tweede helft der XVIeeeuw plunderden «de Waelen de prochie ende heerlichede.» In 1581 kon men niet meer dan «het zesde of het zevende deel der landen» bezaaien.

Tiegem is de geboorteplaats van S. Arnold, den beschermheilige der gemeente. Zijn vader behoorde tot het adellijk geslacht der heeren van Pamele en Oudenaarde; zijne moeder sproot uit het huis der graven van Leuven.

Als ridder en krijgsman verwierf de jonge Arnoldeenen grooten roem. Later begaf hij zich naar de abdij van den H. Medardus, te Soissons, en trok daar het kloosterkleed aan.

Het duurde niet lang, of men benoemde den nederigen man tot bisschop in dezelfde stad. Hij vroeg echter zijn ontslag, en kwam naar Vlaanderen terug. Hij predikte te Torhout, te Gistel en te Veurne, bouwde een klooster te Oudenburg, in het Brugsche, en stierf aldaar in 1087, in den ouderdom van 47 jaren.

De kerk van Tiegem bezit een bovenarmbeen van Vlaanderens grooten apostel.

De heerVital Moreels-Verhaeghe, de groote en verlichte weldoener van Tiegem, vergezelde ons in den namiddag naar het Kapelbosch, op de zuidelijke helling der hoogvlakte.

Het Kapelbosch is hedendaags zeven hectaren groot en heeft eene waarde van 150,000 fr.

Alwat de oogen kan streelen, alwat den bezoeker tot vrome gedachten kan stemmen, vindt men daar vereenigd. De natuur en de kunst wrochten zusterlijk samen om een der prachtigste panorama's van heel ons land vóor het oog der reizigers te ontvouwen.

Op den Pottelsberg, op den Muziekberg staat men veel hooger, te midden van eene wilde natuur; te Tiegem is het rondzicht groot, het tafereel vol kleur en beweging, vol leven.

In het bosch vindt men lommerrijke wandeldreven, rotsen en onderaardsche gangen, vijvers en brugjes, glooiingen met weelderig gras en bloemen, aquariums met kleine, blinkende vischjes. Twee villa's verheffen hunne torens boven het geboomte.

Midden in het bosch staat eene nieuwe kapel, toegewijd aan den H. Arnoldus (1865). Zij is achthoekig en lief geschilderd. Door zeven venstertjes speelt het daglicht in het heiligdom.

Uit de kapel komende, heeft men rechts de grot van S. Arnold. Hooger, te midden van struiken en boomen, schuilt een groot kruisbeeld; lager spruit dag en nacht de Arnoldusbron, eenen vijver spijzende, waarop eenige zwanen gaggelend rondzwemmen.

Uit dien vijver vloeit de Arnoldusbeek, die naar Avelgem loopt en vroeger den wal van het kasteel vulde.

Alles wekt den wandelaar tot ingetogenheid op: het tintelen der zon door de bladeren, het kweelen der vogelen in de heesters, het ruischen van het loover, het murmelen der bron, het fluisteren der bedevaarders. O ja, dus zong de dichterTollens, ik reik hem broederlijk de hand,

Die mijmren kan in de eenzaamheid van 't woud,En droomend doolt, en de aarde kan vergeten,En, peinzende op een tronk gezeten,Somtijds de handen vouwt.

Die mijmren kan in de eenzaamheid van 't woud,En droomend doolt, en de aarde kan vergeten,En, peinzende op een tronk gezeten,Somtijds de handen vouwt.

Wie liever eene verversching heeft, ga naar de «Laiterie,» niet verre van de kapel. Onder een verheven afdak is het waarlijk schoon en frisch. Men zou zeggen, dat de zon het bedehuisje met welgevallen beschijnt; dat de wind eerbiedig liederen neurt in de kruinen der boomen.

Op het hoogste van den berg, buiten het bosch, staat een houten kijktoren of «belvedere.» Voor vijftien centiemen mag men er op klimmen.

Daar is het schoon bij helder weder; daar kan men, met eenen goeden verrekijker, zijne oogen naar hartelust verzadigen.

In het Zuiden beperken de heuvelen van Oost-Vlaanderen met den Kluisberg en de hoogte van Gijzelbrechtegem wel een weinig het gezicht; doch langs de drie andere zijden ziet men uren en uren verre.

De Schelde, tintelend in den gloed der namiddagzon, vloeit van het Zuid-Westen naar het Noord-Oosten, kronkelend door zonken en meerschen.

In het Noorden dagen: Kanegem, Aarsele, Dentergem, Sint-Eloois-Vijve, Tielt, Oost-Roosbeke, Wakken, Sint-Baafs-Vijve, Waregem, Grammene, Ansegem, Kruishoutem en Nokere;

In het Oosten: Huise, Heurne, Wannegem, Eine, Ooike, Mooregem, Wortegem, Gijzelbrechtegem, Kaster, Welden, Eename, Mater, Bevere, Edelare, Oudenaarde, Petegem, Etikhove, Melden, Leupegem, Elzegem, Kerkhove, Schoorisse, Nukerke, Zulzike, Berchem, Quaremont en Waarmaarde;

In het Westen: Evregnies, Dottignies, Kooigem, Sint-Denijs, Bellegem, Moen, Heestert, Luingne, Lauwe, Aalbeke, Rollegem, Wevelgem, Bissegem, Kortrijk, Zwevegem, Ingooigem, Ootegem, Roeselare, Rumbeke, Kachtem, Izegem, Ingelmunster, Sint-Eloois-Winkel, Lendelede, Hulste, Ooigem, Kuurne, Harelbeke, Beveren, Deerlijk en Vichte.

Zelfs in het Zuiden ontdekt men eenige torens, uitstekende boven de heuvelen: die van Ruien, Schalafie, Orroir, Celles, Herne en St-Léger.

Avelgem, Autrijve, Bosuit, Pottes, Helkijn, Spiere en Warcoing schuilen in de vallei der Schelde.

In het geheel een goed tachtigtal steden en dorpen! Tusschen Roeselare, in het Noord-Westen, en Schoorisse, in het Oosten, is er een afstand van ongeveer zeven mijlen. Kanegem, in het Noorden, en Herne, in het Zuid-Westen, zijn vijf mijlen van elkander verwijderd.

En schoon, betooverend schoon ligt dat groote landschap voor den aanschouwer. Overal gewitte huizen met roode daken; overal rookende schouwen en draaiende molens; overal weiden en velden; overalhagen en boomen; overal zwoegende werklieden; overal licht en schaduwe...

Och neen, wij moeten Spanje en Zwitserland niet bezoeken om schoone natuurtafereelen te vinden; de Vlaamsche Ardennen zijn rijk aan schilderachtige hoekjes, aan heerlijke vergezichten.

Den berg afdalende, toefden wij nog eenige oogenblikken aan de kapel.

Eene plechtige stilte, eene kalme avondrust zweefde over het woud. De bron murmelde rusteloos voort, maar de vogelen hadden reeds hun slaapliedje gezongen en scholen nu onder de bladeren der boomen.

Ongaarne verlieten wij het dichterlijk oord.

Onderwege vertelde ons de vriendelijke heer Moreels, dat de berg in 1852 nog onbebouwd was; dat de kapel haar ontstaan te danken heeft aanMgr Malou, bisschop van Brugge; dat de jaarlijksche novene, ter eere van den H. Arnoldus, den 16 Augustus begint; dat er 's Zondags eene schoone processie uit de parochiale kerk vertrekt, en dat het gemiddeld getal der bezoekers ieder jaar tot 40,000 stijgt.

Een uitstapje naar Quaremont en den Kluisberg is, bij zomerweder, een genot voor kinderen en bejaarden, voor alwie behagen schept in het betrachten van Gods heerlijke natuur.

In een uurtje stoomt men van Kortrijk, door een allerschoonste landschap, langs Zwevegem, Heestert, Avelgem en Ruien naar Berchem.

Avelgem en de omliggende dorpen hadden in de XVIeeeuw veel te lijden van de Malcontenten en van de legers der Staten. Het kasteel van Avelgem werd driemaal veroverd; de kerk, vier windmolens en meer dan tweehonderd huizen werden afgebrand; van de duizend ingezetenen bleven er nauwelijks honderd «te lijve.» Het dorp Autrijve lag gansch «vaghe,» evenals «de splete» van Bosuit en Moen.

Avelgem is de geboorteplaats vanC.-F.-A. Duvillers(1803-1885), wiens volksliedjes zeer geprezen worden.Stijn Streuvelsschrijft er hedendaags zijne boeiende verhalen.

Ruien gelijkt aan een dorpje uit een bergland. Boven de roode daken der huizen wuiven de boomen van den Kluisberg met hunne donkergroene toppen.

Van Berchem leidt een klimmende weg naar Quaremont, eene gemeente van 1,550 zielen.

Quaremont ligt misschien in het schilderachtigstedeel van heel Zuid-Vlaanderen. De kerk staat op eene hoogte. Zij heeft eenen witten gevel en eenen zwaren toren met eene kleine spits.

Een groot gedeelte van Quaremont is overdekt met bosschen. Diepe ravijnen loopen in alle richtingen. Hier en daar borrelt ijzerachtig water op.

De Romeinen hebben deze plaats gekend. Over eenige jaren heeft men er een kerkhof ontdekt, met penningen en andere voorwerpen, welke men in die verwijderde tijden bij de lijken placht te leggen.

Te Quaremont stond de wieg vanJan van Heck(1625-1669), die vele kleine landschappen schilderde, welke hij met bloemen en vruchten versierde. Hij verbleef eenige jaren te Rome en overleed te Antwerpen.

Den steenweg naar Ronse volgende, komt men aande Klok, eene voorname, landelijke herberg. Vóor het huis heeft men een schoon zicht op Zulzike, Nukerke, Oudenaarde en het omliggende.

Een weinig verder, aan de herbergde Martiko, ontrolt zich een dubbel panorama. Noordwaarts, door eene heerlijke vallei, blikt men op Vlaanderen, met de torens van Gent en Oudenaarde aan den gezichteinder; zuidwaarts, langs den Kluisberg, ontwaart men Henegouw, met den Drievuldigheidsberg en de blauwe hoogte van Bon-Secours in het nevelig verschiet.

Toen wij den laatsten keer de plaats bezochten — in den zomer van 1898 — dreef een onweder over de streek. Aan den eenen kant glinsterde het zonnelicht; aan den anderen kant viel een dichte regen. Nu en dan vlogen rosse bliksemflitsen door het wolkgevaarte. Nooit zullen wij dien dag vergeten.

Aan den «Martiko» rechts gaande, kan men, langs het schoone kasteel van Mevrouw de Crombrugghe, naar den Kluisberg wandelen.

In het bosch ademt men eene reine, smakelijkelucht in. De wind suist in de boomen; de vogelen zingen in de struiken; de bijen gonzen op de kleine heidebloempjes. Sierlijke varens en groene kraakbeziestruiken groeien in de schaduwe.

De Kluisberg is 141 meters hoog, en grootendeels begroeid met mastbosschen. De aanblik op Henegouw en West-Vlaanderen is nochtans niet belemmerd. Bovendien vindt men daar een witgekalkt torentje, dat men voor eenige centiemen mag beklimmen.

Honderden namen van groote mannen en gewone stervelingen staan op den muur, waarmakende dat het plekje veel bezocht wordt.

Aan den voet des bergs ligt het lieve Ruien. Verder rijzen Orroir, Amougies, Rozenaken, Schalafie en Anserœul; nog verder onderscheidt men Pottes, Celles, Herne en Molenbaix.

Westwaarts kronkelt de Schelde door weiden en meerschen. Over den stroom beginnen de West-Vlaamsche valleien en verhevenheden, met Avelgem, Autrijve, Helkijn, Sint-Denijs en Moen.

Aan den gezichteinder steekt de toren van Mont-St-Aubert, op den Drievuldigheidsberg, in de lucht. Daarachter ontwaart men de reusachtige torens van Doorniks hoofdkerk. En tusschen al die gemeenten staart men op golvende graanvelden, op eenzame huisjes, op draaiende molens, op wiegelende boomen, op slingerende straten en voetpaden, op spelende kinderen, op rondslenterende mannen en vrouwen. En de zonne, langzaam ten Westen neigende, werpt haar fijnste goud over heel het landschap.

Achter het torentje, in de toppen der sparren, zingen de vogelen genoeglijk en tevreden... Ook de wandelaar is tevreden, en neurt den dichter na:

o God, wat is uw schepping schoon,Wat zijn uw werken wonder!Wat is die hooge hemel blauw,Hoe groen het veld er onder!

o God, wat is uw schepping schoon,Wat zijn uw werken wonder!Wat is die hooge hemel blauw,Hoe groen het veld er onder!

De grond van den Kluisberg is ijzerachtig. Niet verre van het meergenoemde torentje, westwaarts, vindt men twee rechtstaande rotsblokken van ongelijke grootte: Peetje en Meetje geheeten. De geleerden vermoeden, dat het dolmens zijn, welke vroeger op den top des bergs stonden en later, bij de opkomst van het christendom, als duivelssteenen omvergestooten werden.

Eenige bijzonderheden, rakende de genoemde gemeenten, zullen hier te stade komen.

Benoorden Ruien liggen Berchem en Kerkhove, met eene brug over de Schelde. Berchem is eene levendige plaats; Kerkhove heeft eene Gothische kerk, met smaak versierd naar de eischen der middeleeuwsche kunst.

Orroir, Amougies en Rozenaken of Russignies behooren tot het arrondissement Oudenaarde, doch zij hebben eene Waalschsprekende bevolking. Ons taalgebied is trouwens in het Zuiden van Oost-Vlaanderen door eene reeks verhevenheden, als door eenen natuurlijken dijk, afgesloten.

Rozenaken is de geboorteplaats vanHendrik Depelchin(1822). Deze onverschrokken geloofszendeling wrocht in Afrika en in Oost-Indië. Hij stichtte een college in het Himalaya-gebergte.

Zuidwestwaarts, in de richting van Robaais, schuilt Dottignies, eene groote gemeente, met ongeveer 4,300 inwoners. Te Dottignies stond de wieg vanL.-P.-J. Dubus de Gisignies(1780-1849), eenen ervarenstaatsman. Dubus vertrok in 1825, als commissaris-generaal, naar Oost-Indië. Hij bouwde de katholieke kerk van Batavia, zorgde voor het algemeen welzijn zijner onderdanen, en poogde tevens den Belgischen koophandel uit te breiden.

Ondanks de vruchtbaarheid des gronds, heerscht er door den band meer welstand in het dal der Lei, dan in de vallei der Schelde. Terwijl de bevolking van Harelbeke, Kuurne, Bissegem, Lauwe verdubbelde sedert 1820, is die van Avelgem, Waarmaarde, Heestert, Ansegem en Tiegem merkelijk verminderd.

Daar zit en droomt gij aan de Schelde,En spiegelt u in 't klare nat.Uw roem en welvaart zijn verzwonden;Toch zal mijn lied uw lof verkonden,o Moedergrond, o vaderstad!Toch blijft gij steeds mijn liefste schat,Mijn dierbaar Oudenaarde!

Daar zit en droomt gij aan de Schelde,En spiegelt u in 't klare nat.Uw roem en welvaart zijn verzwonden;Toch zal mijn lied uw lof verkonden,o Moedergrond, o vaderstad!Toch blijft gij steeds mijn liefste schat,Mijn dierbaar Oudenaarde!

Dus zingtG. Antheunis, een zoon van Oudenaarde.

Men weet, dat de keuren, welke 's lands vorsten aan de opkomende gemeenten schonken, de openbare veiligheid waarborgden, de rechten en plichten tusschen de poorters en den landheer bepaalden.

Oudenaarde dankte zijne keure aan Philip van Elzas. De eerste versterkingen der stad waren van 1188.

In den loop der eeuwen werd Oudenaarde dikwijls belegerd: door de Gentenaars in 1382 en in 1452; door de Franschen in 1658, 1667, 1684, 1708 en 1745.

Ten jare 1382 stond Frans Ackerman, een der hardnekkigste voorstanders van Philip van Artevelde, aan het hoofd der belegeraars.

Froissartwil, dat deze alsdan gebruik maakten van hun groot kanon:de dulle Griet. Zeker is het, dat dit moordtuig in 1476 bestond. Dit jaar betaalde men eene «zekere leveringhe van hout,» en eenengrooten olm, «daer eene busse, gheheeten de groote Griete» en andere «engienen» in gelegd werden.

Toen de Gentenaars in 1452 de stad innamen, werden vier personen wegens verraderij onthoofd: Jan en Lieven Willems, Lieven Boene en Everaard van Botelaer.

Bij deze belegering verloren de Gentsche bakkers «eenen rebaude ende twee taergen.»

In het begin der XVIeeeuw was de stad nog niet groot, maar zeer rijk. Zij telde honderden tapijtwerkers, wier voortbrengselen heinde en verre gezocht werden. De grootste schilders van Antwerpen, Teniers en anderen, leverden teekeningen voor den kunstigen arbeid. In het gasthuis bewondert de reiziger nog twee groote muurtapijten, jachten met valken voorstellende.

Frans I, koning van Frankrijk, stichtte in zijn land de eerste tapijtweverijen. Hendrik IV riep uit Vlaanderen bekwame wevers, aan wie hij bijzondere voorrechten verleende. Mark de Cooman en Frans van der Plancke stonden aan het hoofd der werkzaamheden. Omtrent het jaar 1650 toog Jan Janssens, van Oudenaarde, ook naar Parijs. Vier jaren nadien werd deze op zijne beurt «maître tapissier du Roy.»

Hedendaags telt Oudenaarde ternauwernood 6,000 inwoners. Den Donderdag van elke week houdt men er eene belangrijke markt van landbouwvoortbrengselen. De brouwerij is mede een voorname tak der plaatselijke nijverheid.

Dat Oudenaarde eens rijk was, blijkt uit de pracht zijner openbare gebouwen.

Stadhuis Van Oudenaarde.Stadhuis Van Oudenaarde.

Een zeer merkwaardig gebouw is de kerk van Pamele, tegen de Schelde. Zij is een werk van den bouwmeesterArnold van Bincheen dagteekent van 1235-1239. Zij behoort tot den overgangsstijl en is bijna onveranderd bewaard gebleven. Over eenige jaren waren de muren nog beplakt en gewit, maarAug. van Asscheherstelde den tempel op meesterlijke wijze, en thans prijkt hij weer in zijne eerste, strenge schoonheid.

De Sinte-Walburgakerk werd begonnen in 1414, voltrokken in 1515. Het koor, over weinige jaren hersteld, is ouder dan het schip. Den toren, die 88 meters hoog is, bouwde Jan van der Eecke in 1478 en volgende jaren. Getroffen door den bliksem, in den zomer van 1803, verloor hij zijne sierlijke naald. Deze had eene hoogte van 78 meters, en was vervaardigd geworden door Thomas Goossens, van Gent, in 1619.

De beeldstormers der XVIeeeuw richtten te Oudenaarde groote verwoestingen aan. Op St-Bartholomeüsdag 1566 plunderden zij de kerken, alles verwoestende, wat men niet in veiligheid had kunnen brengen.

Den 4 October 1572 wierpen eenige schurken, aangevoerd door den kapitein Blommaert, zes priesters in de Schelde: Paulus van Coye, Pieter van den Hende, Jan van Bracle, Jacob de Deckere, Jan van Opstalle en Jacob van Anvaing. In den avond leidde men hen uit het kasteel van Pamele, waar zij sedert den 7 September gevangen zaten, naar het nieuw kasteel. Hier werden zij «ontcleet tot op huerlieder hemde;» en nadat men hun de handen en de beenen gebonden had, schoot men hen «met den hoofde voren, door de veijnsters» in den stroom. Jacob van Anvaing werd nochtans «wonderlijck verlost.» Dit verrichtten de verdedigers van de «gewetensvrijheid,» de «verdraagzame» geuzen!

Het stadhuis, een toonbeeld van den praalzuchtigen stijl der derde Gothiek, en bovendien een echt juweel, is van 1525-1580.Hendrik van Pede, van Brussel, werd gelast met het vervaardigen van de teekeningen,alsook met het besturen en bewaken van de werken.Willem de Rondezorgde voor de bouwstoffen en het beeldhouwen der steenen.

De eventijdige rekeningen der stad noemen nog andere kunstenaars:Adriaan van Hoorick, Paul van der Schelde, Joris de la Potellerie, Michiel Pieters, Gillis Spierinck, Jozef de Clercq.

P. van der Scheldesneed het merkwaardig portaal in eikenhout, dat de raadzaal verrijkt. Dit gewrocht behoort tot den Renaissancestijl.

Te Kortrijk liet men «den patroen maecken van de caven, staende binnen den scepenhuuse.» Deze werden nochtans niet nagebootst.

De volkszaal, in den laatsten tijd hersteld en versierd doorVerhaegen, Blanchard, BressersenHendrickx, is schoon te noemen. Op de schouw leest men het jaartal 1545. De beeltenissen van Karel den Groote, Liederik de Buck, Robrecht van Bethune en Karel V versieren de muren.

Het museüm van oudheden en de bibliotheek zijn niet van belang ontbloot. In het museüm bewaart men oude wapens, zegels, bogen en sporen, wijnkannen uit de XVeeeuw. Daar is ook de boekerij van wijlen Karel Liedts.

De toren van het stadhuis of het Belfort is almede een meesterstuk van smaak en zwierigheid. Het Belfort is 40 meters hoog, en draagt op zijn toppunt een verguld koperen beeld van twee meters:Jantje van Oostenrijk, zegt eene oorkonde. Jantje staat daar te prijken sedert 1580.

Oudenaarde bezit nog andere gebouwen, die een bezoek verdienen: het oude huis van Burgondië, langs de Schelde, nu tot vredegerecht ingericht, en het voormalige klooster van Maagdendale, niet verre van de kerk van Pamele, nu ene kazerne.

Een paar gekende rederijkkamers:Pax vobisende Kersowierenhielden tooneelwedstrijden en woonden vreemde landjuweelen bij. In hunne stad stelden zij prijzen op in 1462 en in 1564.Pax vobisging naar Kortrijk in 1512. Men wil ten andere, dat de gezellen dier twee steden altijd «in vrinscepe» leefden. Zelfs schonk het magistraat van Oudenaarde, in 1559, «aen die van Curtrijcke in dancbaerheden een vriendelic banket,» dat ruim 567 pond parisis kostte.

Op het landjuweel van Gent, in 1440, verschenen de Oudenaardsche genootschappen met 88 gezellen zonder boog, 365 met boog, eenen speelwagen, 339 ruiters en eenen koning, omringd door 79 poorters.

Het landjuweel van 1497 overtrof al de voorgaande kunstfeesten in pracht en luister. Nu zond Oudenaarde 132 wagens, overdekt met wit laken, 88 paren ruiters en meer dan 200 gezellen te voet.

Te Oudenaarde stond de wieg van Margareta van Parma, geboren «binnen Pamele, op het Spei,» van Joanna van de Gheenst; — vanMatthijs de Casteleyn(1488-1550), Vlaamschen dichter, behoorende tot de rederijkkamerPax vobis; — vanJan van den Driessche, meer gekend onder den naam vanDrusius(1550-1616); — van den schilderAdriaan Brouwer(1608-1640); — vanJan Raepsaet(1750-1832), rechtsgeleerde, oudheidkundige en geschiedschrijver; — vanB. de Rantere(1775-1831), kroniekschrijver; — van den reeds genoemden staatsmanLiedts; — van den geschiedvorscherA. van der Meersch; — van den geleerden patervan Tricht, S. J.(1842-1897); — van den dichter en toonkundigeG. Antheunis(1840).

De Casteleyn, «priester en excellent poëet,» had eenen grooten dunk van «de conste van rhetorijcke.» Ik schreef, zegt hij ergens, 36 esbatementen, 38 tafelspelen, 12 staande spelen «van sinne» en 30 wagenspelen. Het boek, waarin hij zijne voorschriften uiteenzette, verscheen na zijnen dood, en wel in 1555. Het bleef gedurende eene eeuw het wetboek voor allen, die aanspraak wilden maken op den naam van dichter.

Drusius werd leeraar der Oostersche talen te Oxford, te Leiden en te Franeker. Verscheidene gewrochten over het Oude Testament en de heilige Schrift vloeiden uit zijne pen.

Brouwer heeft men «den Rubens van het genre» genoemd. Met voorliefde maalde hij tooneelen uit het woeste leven in de kroegen. Vechtende, rookende, slapende, bedwelmde en onpasselijke boeren en slempers, ziedaar de onderwerpen van zijne tafereeltjes. Maar deze zijn wonderkeurig bewerkt, en tintelen van humor en argelooze waarheid.

B. de Rantere hield zich langen tijd en met onvermoeide volharding bezig met het opsporen van de belangrijke archieven, die ten stadhuize bewaard worden. Ook genoot hij onder zijne medeburgers de eervolle onderscheiding, die alleen den braven en rechtzinnigen man ten deele valt.

Liedts schonk zijne gansche boekerij aan de stad.

Mevrouw Verwee, geboren Maria d'Huygelaere, is ook een kind van Oudenaarde. Zij dichtte de gekendeMeerschbloemen.

Leupegem en Edelare zijn twee kleine, maar vriendelijke gemeenten in de nabijheid van Oudenaarde.

Leupegem heeft 1050, Edelare ongeveer 400 inwoners. Te Leupegem aanschouwde de rederijkerJ.-B. de Backerhet levenslicht (1783).

Den steenweg naar Geeraardsbergen volgende, beklimt men den Edelare-berg, die ruim 80 meters hoog is. De helling is nog al steil. Ook zal de wandelaar wel eens poozen, en dan eenen blik werpen op de stad en de vallei der Schelde.

Oudenaarde, met zijne torens, daken en schouwen, ligt daar vóor hem, in de diepte, te midden van uitgestrekte, zachtgroene beemden, waar koeien grazen en kinderen spelen. Tusschen Melden en Elzegem kronkelt de Schelde, tintelend in den glans der zomerzon. Aan den anderen kant onderscheidt men het oude Eename, het nijverige Eine, Heurne met zijnen witten kerktoren, en verder de hoogten van Gaver en het Belfort van Gent.

Tusschen Edelare en Oudenaarde zijn de bronnen, die de stad voorzien van goed drinkbaar water.

Edelare heeft een Gothisch kerkje, dat goed hersteld is. Het staat op het hoogste des bergs. Eenige minuten verder rijst de vermaarde kapel van O.-L.-Vrouw vanKerselaar, te midden van eenige eenvoudige huisjes. Langs den weg ontmoet men de veertien tafereelen van het lijden des Zaligmakers. Men waant, dat de koornaren daar weemoediger ruischen dan elders; dat de leeuwerik daar stiller zingt, dan hij pleegt. O die godsdienstige poëzij in Vlaanderens heerlijke velden!...

Edelare was voorheen eene wijk van Volkegem. Een pastoor dier plaats, Rogier van Brakel, bezat een houten beeldje van de Moeder Gods. Toen de brave man zijn einde voelde naderen, schonk hij het beeld aan zijne bloedverwante Katharina van Brakel. Deze bracht het, in de maand October 1452, naar Edelare, en hechtte het aan eenen kerseboom.

Korten tijd nadien bouwde men eene kleine kapel. Den 5 Juli 1459 verslonden de vlammen dit heiligdom.

Dank aan de milddadigheid van den toenmaligen heer van Oudenaarde, Odoward Blondeel de Joigny, legde men reeds den 21 Juli daaropvolgende den eersten steen van eene grootere en schoonere bedeplaats. De bisschop van Kamerijk wijdde ze den 3 Mei 1460, op den feestdag der Kruisvinding.

Na de beeldstormerij deed Jacob de Joigny de kapel herstellen en vergrooten. De Jacobijnen verkochten ze, in 1798, aan zekeren Thomas Lepape. Drie jaren nadien nam M. Martroye, van Oudenaarde, het gebouw in bezit. Hij verkocht het op zijne beurt, in 1831, en den 30 April 1833 stelde de bisschop van Gent de hedendaagsche bestuurwijze vast.

Vóor de Fransche omwenteling bezat de kapel van Kerselaar eenige vaste goederen, alsook kostbare juweelen en altaargewaden.

Aan het gewelf hangt, sedert 1860, een houten krokodil, gesneden doorvan Biesbrouck. Men verhaalt, dat Joost de Joigny, heer van Pamele, in 1555 op zijnen tocht langs den Nijl door eenen krokodil werd bedreigd.De ridder beloofde, bij zijne terugkomst in het vaderland, het monster in de kapel van Kerselaar dankbaar op te hangen, indien hij het gevaar mocht ontkomen. Hij ontsnapte inderdaad aan den dood, en bracht zijne belofte onverwijld ten uitvoer.

De Franschen zonden het geraamte naar de natuurkundige verzameling eener Gentsche school.

Meer dan eens kwamen 's lands vorsten vóor het altaar der Moeder Goris nederknielen: Maria van Burgondië in 1480, Maximiliaan van Oostenrijk in 1513, Karel V in 1521, Philip II in 1557, Izabella in 1625.

De wijding der kapel wordt jaarlijks gevierd op den eersten Zondag na Kruisvinding, in de bloeiende Meimaand.

De bedevaarders van het Westen, die met het krieken van den dag te Oudenaarde toekomen, bidden onderwege luidop den Rozenkrans, en keeren later met kransen en vaantjes terug. De kinderen koopen «lekkie.»

Den 2 Mei 1711 keurde het vicariaat van Doornik de plaatsing goed van een beeldje van O.-L.-Vrouw van Kerselaar, op het altaar der H. Drievuldigheid, in de kapittelkerk van Kortrijk. Tevens stichtte men eene broederschap, wier leden alle jaren, op den Zaterdag der novene, te Edelare plechtig werden ingehaald.

De huidige kapel van Kerselaar is tamelijk groot, en heeft een slank torentje. Zij bezit twee altaren. Maria heeft haar Kindeken op den rechterarm. Verder leest men dit jaarschrift:

UW gekroonD WonDerbeeLD bLIJVe aLLer toeVLUCht.

Wij kennen eene oude plaat vandu Tielt, voorstellende den heuvel van Kerselaar, met den boom, de kapel en het lachende landschap rond Oudenaarde.Op eene wapperende banier prijkt een vers uit het Hooglied: «Hare vrucht is zoet; dus Maria groet!»

Niet verre van Kerselaar, tusschen Oudenaarde en Volkegem, op de helling van den berg, ligt eene wijd gekende herberg:Tivoli. Onder de linden, vóor het huis, kan men een half uurtje rusten en... genieten. In den zomer wordt de Tivoli door de bevolking van Oudenaarde druk bezocht.

Achter de heuvelen van Volkegem schuilen Mater en Ste-Maria-Hoorebeke. Het schijnt, dat deze dorpen in de XVIeeeuw bewoond werden «door scaemele lieden, legghewerckers en tapijtwevers.» De meesters bewoonden Oudenaarde.

Al die handwerkers, «dagelijcx ommegaende met Fransche en Duitsche kooplieden in wolle, wierden door hen allengskens besmet met de leering van Luther en Calvin.» De dorpen, gelegen op den anderen oever der Schelde, «bleven van de nieuwe leering bevrijd, als weinig uitstaans hebbende met vreemdelingen.»

De menschen «der voornoemde parochiën, meest de leer van Calvin toegenegen,» waren de eerste, «die ten jare 1566 de beelden braken, zoo binnen als buiten de stede.»

Gedurende het daaropvolgende bestuur van den hertog van Alva moesten velen het land verlaten. Zij vertrokken «met vrouwen en kinderen naar Duitschland, Engeland en Frankrijk.» Doch na de Bevrediging van Gent, in 1577, keerden zij naar hunne haardsteden terug.

Later vestigden zich de meesten te Maria-Hoorebeke. De tempel, «waer zij hunnen godsdienst uitoefenden, lag op het gehucht Grysbeke.»

Ste-Maria-Hoorebeke is inderdaad, te midden van hetkatholieke Vlaanderen, eene protestantsche gemeente gebleven. Het handschrift, waaraan wij deze bijzonderheden ontleenen, voegt er bij, dat «die gereformeerden zich zeer gerustelijck houden.»

Elzegem, tusschen de Schelde en de grens van West-Vlaanderen gelegen, heeft een fraai kasteel.

Te Elzegem stichtte Bernaard van Bracle, in 1416, eene priorij. Langen tijd hielden de kloosterlingen zich bezig met het schrijven en binden van boeken. Wij weten althans, dat het bestuur van Sint-Martenskerk, te Kortrijk, in 1462 aldaar «twee vulle zouters met vigeliën» bestelde, alsmede «eenen hantifenere.» Ten jare 1466 maakte men van dit laatste boek een nieuw afschrift.

Etikhove, met 2,500 inwoners, ligt oostwaarts, op de Markebeek. Daar vond men in 1869 eene zekere hoeveelheid gouden geldstukken, dagteekenende van 1469 tot 1598, met de beeltenissen van Ferdinand V, Karel V, Frans I, Sebastiaan I en Philip II. De schat, eene waarde hebbende van ongeveer 500 fr., werd opgedolven in eene weide van L. Blommaert, op het gehucht Grootendriesch.

Benoorden Oudenaarde kronkelt de Schelde voorbij Eename, Eine en Heurne; dan richt zij zich oostwaarts naar Welden, Hermelgem, Meilegem en Dikkelvenne, en vloeit vervolgens weer het Noorden in, wijkende voor den heuvel van Gaver.

Eine is eene schoone, nijverige gemeente, met ongeveer 3,000 inwoners. Men vindt er sedert eenige jaren eene spinnerij en eene weverij, die ieder tweehonderd werklieden bezig houden.

Boven de deur eener herberg leest men deze eigenaardige rijmen:

Komt in den BelgEn neemt een zwelg,Want 't beste natIs nog in 't vat.

Komt in den BelgEn neemt een zwelg,Want 't beste natIs nog in 't vat.

De dorpskerk bestaat uit oude en nieuwere deelen. Groote herstellingen werden gedaan in 1601 en 1623.

Als eene plaatselijke eigenaardigheid noemen wij «den koddigen fittel,» op den laatsten dag der jaarlijksche kermis. Alle gebeurtenissen, die gedurende de verloopen maanden de aandacht des volks boeiden, worden door de jonge lieden zinnebeeldig voorgesteld. Met het vallen van den avond trekt de stoet zingend en spelend door de voornaamste straten der gemeente, hier en daar stilhoudende om de toegestroomde menigte door allerlei bokkesprongen te verlustigen.

Vrienden, wij zijn al verblijd,Nu met den kermistijd;Wij hebben ons best gedaan,En de fittel blijft bestaan.

Vrienden, wij zijn al verblijd,Nu met den kermistijd;Wij hebben ons best gedaan,En de fittel blijft bestaan.

Eine vormde in vroegere eeuwen, met het omliggende, de onafhankelijke heerlijkheid van de graven de Landas. Hunne burcht stond tusschen de kerk en de Schelde, op «de Motte.»

Het kapittel van Sint-Elooi, te Eine, bezat onder andere «eene seer oude fondatie, wesende van het jaer 1185, ghemaect by Gerardus de Landas.»

Arnold de Landas vergezelde den graaf van Vlaanderen ter eerste kruisvaart. Toen hij wederkeerde, haalden de ruiters van Eine en de naburige dorpen hem zegevierend in. De held had een stuk van het waarachtig Kruis des Zaligmakers mede. Van dit stuk maakte men nadien een kruisje, dat men nog in de dorpskerk bewaart.

Alle jaren, op Sint-Pietersdag, herdenkt men dezen tocht door eene ruitersprocessie. Na den ommegang zegent men de ruiters en de paarden, vóor de kerkdeur, met het gebeente van Sint Elooi.

Eene dergelijke plechtigheid bestaat ook te Asper, ten Noorden van Eine, maar op den feestdag van Sint-Marten in het begin van Juli. De weg, dien men hier volgt, loopt naar al de uiteinden der gemeente, langs straten en wegels.

De voetgangers komen vóor het krieken van den dag, om drie ure 's morgens, aan de kerk bijeen. Nu eens biddende, dan weer zingende, gaan zij voort. Aan ieder kapelleken, dat zij ontmoeten, toeven zij eenige stonden. Rond zes ure is de menigte weer aan de kerk.

De ruiters vertrekken om vijf ure en volgen denzelfden weg, doch houden nergens stil, tenzij aan de kapel van Sint-Marten.

Den volgenden Zondag wordt de ommegang vernieuwd, doch alleen rondom het kerkhof. Al de inwoners van Asper, die kunnen, en honderden vreemdelingen, zijn in de hoogmis tegenwoordig. De processie met het Allerheiligste is schoon, treffend. Eene zee van volk overdekt het kerkhof, eerbiedig biddende; honderden ruiters volgen op stap, doch blijven buiten den muur, die den doodenakker omringt.

Zoodra dan de processie binnen is, verschijnen de ruiters der gemeente met hun vaandel op het kerkhof. Driemaal doen zij den ommegang, eerst op stap, daarna op den draf en eindelijk in de vlucht.

Het teeken is gegeven en beurtelings rijden de boeren van Nazareth, Eeke, Heurne, Mulhem, Zingem, Eine en andere plaatsen den ommegang. De klok luidt, de beiaard speelt, het volk juicht en — Sint-Martenskermis is volop aan den gang.

Asper heeft 1,860 inwoners.

Tusschen Heurne en Asper beschrijft de Schelde eene bocht. Daar ligt Zingem, in eene vruchtbare vlakte. Het dorp telt 2,400 zielen.

Na de godsdienstige woelingen der XVIeeeuw was de kerk van Zingem heel bouwvallig. De toren stortte neder in 1580. «Dit was de ruine van den tempel, want het koor viel ook in.»

De herstelling begon in 1593. Het metselwerk van den toren was in 1613 geheel opgemaakt. In 1635 zette men op den toren «eene spits van 100 voeten, met vier kleyne torentjes, elk 20 voeten hoog.»Hendrik van Haeren, pastoor der parochie van 1696 tot 1712, stelde een verslag over al die werken op. Zijn handschrift is in het archief der kerk.

Onlangs teisterde een brand het sierlijke bedehuis.

Bewesten Zingem daagt Huise, de geboorteplaats van den toondichterGevaert.

Gaver, de geboorteplaats van den geleerdenAmand Bauwens, is eene gemeente van nagenoeg 1,700 zielen.

Daar beginnen de eerste heuvelen, die langs Balegem naar het land van Aalst loopen.

Gaver is het meest gekend door den veldslag, dien Philip de Goede in 1453 op de Gentenaren won. Men weet, wat er gebeurde.

Gent en Brugge — merkt David aan — even bloeiend door nijverheid en koophandel, maar ook even brooddronken in den voorspoed, hadden, sedert ruim eene eeuw, aan den landheer zelden of nooit meer volkomen gehoorzaamd. Beide steden hadden, nu eens met reden, dan weer uit enkelen wrevel, de graven gedwarsboomd, en ja de wapens tegen hen opgevat, om wettiglijk verworven of aangematigde rechten en vrijheden voor te staan.

Zoo ging het weer omtrent het midden der XVeeeuw.

Door de langdurige oorlogen, welke Philip de Goede had moeten voeren, stak deze in groote schulden. Daarom vroeg hij eene tijdelijke belasting van twee stuivers grooten «up elc hoet zouts.»

De Gentenaars weigerden, en de hertog verliet de stad met het vast besluit van er geenen voet meer in te zetten, vooraleer zij zich zou hebben onderworpen aan dien eisch.

Nu volgde de eene moeilijkheid op de andere. In den zomer van 1453 riep de Burgondiër uit al zijne landen nieuwe manschap op. Hij trok van Rijsel naar Kortrijk, toog Oost-Vlaanderen in, veroverde het kasteel van Schendelbeke, benoorden Geeraardsbergen, maakte zich meester van het slot van Poeke, nabij Nevele, en kwam den 15 Juli voor Gaver.

Het stormde in Gent. Roeland zond zijne zware stem over de stad; jong en oud vloog in de wapens. Volgensla Marche— een gelijktijdige schrijver — trokkentwee heiren de poorten uit; het eene, 25,000 man sterk, ging langs Merelbeke en Vurste; het andere, dat ongeveer 20,000 man telde, toog oostwaarts over Lembeke.

Den standaard der gemeente rechtte men op het veld van Semmerzake, benoorden Gavere. De opstandelingen gehoorzaamden aan Jacob Meeussone en Diederik van Scaubrouck.

Men vocht den 23 Juli. De Gentenaars verweerden zich als ware helden. Zij wondden den jongen Karel en meenden zelfs zijnen vader, den hertog, in het gras te doen bijten, toen de krijgskans keerde. Nagenoeg 20,000 Vlamingen bleven dood, versmoord in de Schelde, vertrappeld onder de paarden, of neergeveld door de wapenen.

Nu nog draagt een deel van het bloedige slagveld den naam van «Roode Zee.»

Voor de liefhebbers onzer folklore zij hier aangestipt, dat zij langs de Schelde eenen rijken oogst kunnen opdoen.

Te Asper vertelt men van Sneeuwwitje, het beminnelijk kind, en den koning van Oosterbant; te Zingem zingt men nog altoos het oudeliedje van de week:


Back to IndexNext