XVI.

De Zondag, de Zondag,Dat is de dag des Heeren;Dan doen wij onze schoenen aan,En onze beste kleeren.

De Zondag, de Zondag,Dat is de dag des Heeren;Dan doen wij onze schoenen aan,En onze beste kleeren.

Ziehier een raadseltje, dat wij in dezelfde gemeenten hoorden stellen:

Asper en Zingem,En het kerksken van Mullem,In hoeveel staven spelt gij — dat?

Asper en Zingem,En het kerksken van Mullem,In hoeveel staven spelt gij — dat?

Onze lezers weten, dat de Franschen, op het einde der XVIIIeeeuw, millioenen en millioenen uit ons vaderland haalden. Die ontzaglijke sommen noemden zij belastingen, bevoorradingen voor het leger, gedwongen leeningen. Wij voegen er bij: plunderingen van allerlei aard, aftroggelarijen, diefstallen.

In het jaar 1794 mislukte de oogst. De daaropvolgende winter was buitengewoon streng. De prijzen der levensmiddelen stegen overal, eene algemeene ellende stond vóor de deur.

Er was meer. De goddeloosheid vermeerderde van dag tot dag; de mindere man dompelde zich in allerhande ondeugden.

De eerlijke lieden weigerden openbare ambten te aanvaarden; de misdrijven werden weinig of niet beteugeld.

Moet het ons dan verwonderen, dat de aanslagen tegen personen en eigendommen gedurig toenamen; dat vele ongelukkigen in de bosschen samenscholen, levende van roof en plundering.

In Oost-Vlaanderen noemde men die booswichten Binders of Branders.

De Rantereteekende aan, dat de omstreken van Oudenaarde op het einde van 1795 zeer onveilig gemaakt werden door eene bende «roovers en vagabonden.» Zulke benden, zegt hij, waren in het land zeer vermenigvuldigd, dank aan «de slappe politie.»

De roovers gebruikten eenen langen boom, waarmede zij de deuren der hoeven inliepen. De menschen, die zij te bedde vonden, namen zij vast, hen bindende aan armen en beenen. Dan legden zij hen vóor een blakend vuur, stekende eene brandende kaars aan hunne voeten, ten einde te vernemen waar hunne gespaarde penningen verborgen waren.

Van zulke misdaden hoorde men schier dagelijks spreken, doch het was voornamelijk in den omtrek van Beveren, dat de roovers den boer schrik aanjoegen. Zoodanig, spot de schrijver, waren «de goede zeden reeds verbasterd door de goede regeering der Franschen.»

De kapitein der Binders was N. de Witte, van Beveren. Geholpen door eenige gezellen, vermoordde hij den 2 Mei 1796, bij de herbergla Belle Hôtesse, eenen landbouwer van Mater: J.-B. de Gezelle.

Twee maanden nadien werd de schurk gevangen genomen door Frans Goeminne en eenige andere boeren. Hij was de tweede van heel het departement, die te Gent onthalsd werd.

In de eerste dagen van Maart 1797 bracht men te Oudenaarde nogmaals vijf Branders in. Deze waren van Ronse. De Rantere noemt er twee: J.-B. de Miel, kapitein, en N. Lefebure. Als bewijsstuk had men eenen boom mede, die twaalf voet lang was.

Al die schavuiten legden naderhand, voor hunne gepleegde gruweldaden, het hoofd onder het mes van den beul.

Een goed jaar nadien borst de Boerenkrijg in onze gewesten uit.

In dien tijd leefde de reeds genoemde B. de Rantere. Deze verhaalt, dat de gendarmen van Ronse den 25 October 1798 naar Oudenaarde kwamen. Uit hunnen mond vernam men, dat de opstand aldaar werkelijk uitgeborsten was.

's Namiddags hoorde men inderdaad op verscheidene dorpen de klok kleppen om het volk bijeen te roepen.

Tegen den avond kreeg men de tijding, dat de Boeren reeds te Leupegem waren. De bezetting der stad vluchtte naar Gent. En de Jongens kwamen binnen, onder het geleide van Masculier, bakker te Ronse, en van de Walle, hoedenmaker.

In den avond van den volgenden dag traden nogmaals eenige opstandelingen de stad in.

Middelerwijl naderde een republikeinsch legertje, afgezonden uit Gent.

Het kostte de Franschen maar weinig moeite om in Oudenaarde te geraken.

De eerste burger, op wien zij hunne wraak koelden, was J. Ryckbos, een arme werkman, die boter was gaan halen voor zijne vrouw en kinderen. Ryckbos was van Beveren en viel aan de Gentsche poort.

Voortstormende, doodden de woestaards Karel Martens recht tegenover de deur van zijn huis. Bij den trap van het stadhuis vermoordden zij Jan de Block en Frans de Contreras.

Eenige soldaten drongen in het huisde Appel, op de Markt, en brachten daar zeven personen om, onder anderen Michiel Gevel en twee vreemde kooplieden.De beulen ontkleedden de lijken, en wierpen ze naakt door de bovenvensters op de straat.

Van daar liepen zij over den Burg door de Broodstraat naar Pamel, alwaar zij een jong meisje nedervelden: Sophia van den Hende, die haren broeder was gaan zoeken.

Een boer, die hen in de Broodstraat ontmoette, stortte almede levenloos ten gronde.

In de Kasteelstraat troffen de republikeinen H. Gyselinck, oud 21 jaren.

Komende in de abdij van Maagdendale, doodden zij al de Ronsenaren, die daar eene schuilplaats hadden gezocht. Verder, in de Hoogstraat, kwetsten zij J. de Langhe, van Ooike. De martelaar sukkelde voort tot in de Kattestraat, waar men hem den genadeslag toebracht.

Bij de Baarpoort trof een kogel G. de Vos, herbergier inde Kroon, te Leupegem. De Vos was zeer oud en hoorde bijna niet meer.

De registers van den burgerlijken stand der stad Oudenaarde bewaarheden het grootste gedeelte van de Rantere's verhaal.

Achttien kilometers scheiden Oudenaarde van Zottegem. Tusschen beide plaatsen liggen Eename, Welden, Munkzwalm en Rooborst.

Eename was zeer vroeg eene villa, met een versterkt kasteel.

Boudewijn van Rijsel stichtte er, in 1063, eene abdij, toegewijd aan Sint-Salvator. De bisschop van Kamerijk bevestigde de stichting in den loop van het volgende jaar. De kerkvoogd noemde Eename eene bloeiende plaats met drij bedehuizen.

Ch. Piotheeft het cartularium der abdij uitgegeven. Zoo weten wij, dat het jonge klooster spoedig mild begiftigd werd. Het bekwam de altaren van Kortemark en Handzame, in 1085; — het altaar van Opbrakel, in 1096; — dat van Welden, in 1110; — de altaren van Semmerzake en Melsen, in 1117; — die van Moorsele en Lemberge, in 1126. Voorts bezat het gesticht tienden en goederen te Mater, te Welden, te Leupegem, te Schoorisse, te Eine, te Avelgem, te Bosuit, te Moen, te Werken, te Handzame, te Oost-Roosbeke, te Deurne, te Kluizen, te Marke, te Oosterzele, te Everbeke en te Hoorebeke. Eene oorkonde van 1187 noemt gronden, ingenomen door het kanaal de Yser.

Tijdens de Fransche omwenteling, op het einde derXVIIIeeeuw, zochten de Kortrijksche nonnen van Groeninge eene schuilplaats in de abdij van Eename, waar zij twee maanden verbleven. Zuster Carolina de Witte heeft dit alles in haar dagboek aangeteekend.

Den 26 April 1794 — zegt zij — zijn wij vertrokken met het beeld van O.-L.-Vrouw, en hebben vernacht te Waregem.

Den 27 's avonds zijn wij te Oudenaarde aangekomen, en hebben verbleven in de abdij van Maagdendale tot den 29 's morgens, wanneer wij gegaan zijn tot de abdij van Eename, alwaar wij bleven tot den 23 Juni.

Den 18 Mei, dag van het gevecht tusschen Kortrijk en Doornik, werd het beeld op het altaar gesteld gedurende de hoogmis.

Den 23 Juni zijn wij vertrokken naar Velzeke, met nog vijftien andere kloosterzusters.

Den 2 Juli heeft men het heilig beeld op het altaar gesteld in het klooster van Velzeke.

Wij zijn daar gebleven tot den 6 Juli, wanneer wij naar Kortrijk zijn teruggekeerd, slapende te Oudenaarde in de abdij van Maagdendale.

Den 8 zijn wij in ons klooster toegekomen, aldaar alles «in groote troubels vindende.»

Eename telt hedendaags 890 inwoners.

Op het dorpsplein staat eene steenen kolom: de kaak of de schandpaal, waartegen men vroeger zekere booswichten ten toon stelde.

Bij het aanleggen van de spoorbaan naar Zottegem, in 1867, vond men, op het grondgebied van Erwetegem, vele Romeinsche muntstukken, bewaard in een bruinachtig kruikje.

Zottegem, met ruim 3,000 inwoners, ligt eigenlijk benoorden de Vlaamsche Ardennen. Doch het is eenschoon, nijverig vlek, en verdient om meer dan éene reden een bezoek.

Zottegem is de hoofdplaats van een kanton. Vijf ijzeren wegen loopen hier samen.

In de XIVeeeuw bloeide er het lakenweven. Op zekeren dag, in 1314, kwam Ketele, de toenmalige onderbaljuw van Gent, met eenige naijverige mannen herwaarts. De rekening vermeldt, dat zij twee dagen «ute waren,» en dat zij met twee wagens de gebroken getouwen wegvoerden. Dergelijke baldadigheden gebeurden ook te Assenede.

Wij kennen eene rederijkkamer, welke te Zottegem de tooneelkunst beoefende:Die bloeit door liefde en eendracht, groeit. In 1784 vertoonde zij te Kortrijk het treurspelMahomet; in 1788 schreef zij eenen prijskamp uit.

De parochiale kerk is goed hersteld en geschilderd. In den zijmuur langs de Markt wijst eene ijzeren deur den grafkelder van Egmond en zijne vrouw aan.

Twintig schreden verder rijst een klein standbeeld van den held van St-Quintijn en Grevelingen. Het werd vervaardigd doorCalloigne, van Brugge, en plechtig onthuld in den zomer van 1872.

Lamoraal, graaf van Egmond, bleef den godsdienst zijner vaderen getrouw; hij beminde zijnen koning, en droeg zijne vrouw en kinderen eene onbegrensde liefde toe. Op het slagveld was hij manhaftig; doch in het gewone verkeer des levens scheen hij buigzaam en zonder de noodige wilskracht.

Zoomin als Willem van Oranje en den graaf van Hoorn, kon Egmond het over zijn hart krijgen, dat Granvelle in den Staatsraad eenen zekeren voorrang had en naast de Landvoogdes de eerste plaats innam.

Zoo raakte hij in onmin met Granvelle, om meer en meer den Zwijger aan te hangen, die koud, listig envooral heerschzuchtig was. Ook schertstvan Vaernewyck, in zijneBeroerlicke tijden, niet weinig met den gewestvoogd, als hij zegt: «Het was goed te merken, wat faveur de graef de consistorianten droeg, daer hy hun niet en wilde verbieden hunne manier van doen, verstaende nochtans, dat zy hem geobedieert zouden hebben; waerom by sommigen een gemeen spreekwoord van hem ging, dat hij op twee peerden reed: op een geusch en een katholiek peerd, maer dat hij het meest het geusche peerd beschreed.»

Toen de hertog van Alva in de Nederlanden kwam, vertrok de Zwijger naar Duitschland, om vreemde krijgsknechten aan te werven. De graven van Egmond en Hoorn werden gevangen en den 10 September 1567 gekerkerd. Hun proces duurde lang. Er bleek uit het gerechtelijk onderzoek en uit de afgelegde getuigenissen, dat beide edellieden het eens waren met de oproerige Geuzen.De Bavay, die de gansche rechtspleging liet verschijnen, drukt zich uit als volgt: «Le comte d'Egmont était coupable de rébellion et de lèse-majesté, à cause des mauvais offices qu'il avait faits avec les sectaires séditieux et rebelles à la sainte église; et pour avoir en outre favorisé la ligue et abominable conjuration du prince d'Orange et d'autres seigneurs.»

Den 5 Juni 1568, op Sinksenavond, legden beide graven het hoofd onder het mes van den beul.

Als men te Zottegem de breede Neerstraat volgt, ontwaart men, aan 't einde links, de overblijfselen van Egmonds kasteel. Het biedt niets merkwaardigs aan.

Zottegem is de geboorteplaats van den geneesheerLaurens de Mets. In 1639 liet hij eeneZalige remedie tegen de besmetting der pestverschijnen.

In de nabijheid van Zottegem liggen verscheidene dorpen, die zeker vroeg bewoond werden. Te Velzeke heeft men eene menigte voorwerpen opgedolven, welke tot het Romeinsch tijdvak behooren. Te Erwetegem ontdekte men in eenen meersch ongeveer 1,600 muntstukken uit het midden der XIeeeuw.

Gedurende de middeleeuwen was het land van Zottegem rijk aan burchten. De heeren van Leeuwergem, Herzele en Steenhuize, zoowel als die van Hofstade en Massemen, Kalken, Zomergem en Landegem, vochten in 1302 op de vlakte van Groeninge tegen de verdrukkers van Vlaanderen. De twee laatsten verloren hun paard in den strijd.

Reeds in de XIVeeeuw had het meer genoemde Velzeke een klooster. In den nacht van den 20 Juli 1728 verslond het vuur niet alleen dit gesticht, maar ook het hospitaal, de kapel, de school, de dorpskerk en negen en twintig woonhuizen. Om voortaan van dergelijke rampen bevrijd te blijven, deed men eene jaarlijksche bedevaart naar Landskouter, bij Gent, alwaar de heilige Agatha als patrones tegen den brand vereerd wordt.

Elene heeft verscheidene bronnen en vijf vijvertjes. De kerk, herbouwd in 1858-1863, prijkt op de helling eens heuvels.

Elene stond vroegertijds onder het gezag der heeren van Leeuwergem. Op de wijkNieuwwegehield men alle jaren, op den 9, 10 en 11 September, eene vrije jaarmarkt, evenals in de groote steden. In 1457 verbood de heer van Leeuwergem het «dobbelspel,» het «caetspel» en andere baldadigheden.

Hillegem ligt meer oostwaarts. Wilt gij weten, lezer, wat men in den omtrek dier gemeente vertelt?

Welige eiloofranken waren, in lang vervlogen tijden, tegen de muren der kerk opgewassen. Zelfs bedekten zij een gedeelte van den toren.

De dorpelingen zagen zulks met leede oogen.

Een hunner stelde voor, met eene katrol en sterke koorden, eene koe op te hijschen. Deze zou de ondeugende planten wel binnenspelen.

Zoo gezegd, zoo gedaan. De koe werd opgetrokken, maar de koord verworgde haar; en eer zij heel dood was, stak zij hare groote tong uit.

Al de bewoners van het dorp, mannen, vrouwen en kinderen, waren toegesneld en riepen:

Kijk, ze lekt al, ze lekt al!

En sedertdien spreekt iedereen in de streek van... de Hillegemsche lekkers.

Bij de spoorhalle van Zottegem bemerkt de reiziger, op eenen kleinen afstand, eene zacht rijzende verhevenheid, waarop eenige huizen. Daar is Grootenberge, eene gemeente, die 1,050 zielen kan tellen.

Verder schuilt St-Lievens-Essche; aan den anderen kant liggen Godveerdegem en Erwetegem.

St-Lievens-Essche is zeker eene der eerste plaatsen van Vlaanderen, waar een kerkje oprees.

De heilige Livinus was een Ierlander.

Weinige jaren na St-Bavo's dood kwam hij te Genttoe, dikwijls predikend in het land van Aalst. Zoo verbleef hij eenen zekeren tijd in het toenmalige Holthem. Den 12 November 657 vond de groote apostel den marteldood te Essche. Zijne leerlingen droegen zijn lijk naar Holthem, waar zij het ter aarde bestelden. Het plaatsje werd naderhand St-Lievens-Houtem geheeten.

Essche kreeg den naam van St-Lievens-Essche. Hier bouwde men een bedehuisje op de plek, waar de zendeling zijn bloed had vergoten.

Door het instellen van eene jaarlijksche bedevaart uit Gent naar Houtem, nam de vereering des heiligen op buitengewone wijze toe.

St-Lievens-Essche ligt in een heuvelachtig gewest. Men vindt er schoone huizen en, op het groote dorpsplein, eene drenkplaats voor koeien en paarden.

Godveerdegem is slechts anderhalven kilometer van Zottegem verwijderd. Het heeft eene bevolking van 900 zielen en eene oppervlakte van ruim 326 hectaren.

Het dorpje bezit eene fraaie kruiskerk uit de XVeeeuw, met eene achthoekigen toren.

Eenige jaren vóor de Fransche omwenteling vond men in het kleine Godveerdegem eene rederijkkamer:De kunstminnende liefhebbers. In den zomer van 1784 vertoonden zij het historisch stuk:Keizer Karel VI.

Erwetegem is een schilderachtig dorp met meer dan 2,000 zielen. Aan het Kapelbosch borrelt eene bron, die een beekje vormt. Zes andere vlieten besproeien het grondgebied der gemeente.

De hedendaagsche kerk van Erwetegem is uit de tweede helft der XVIIIeeeuw.Janssens, van Nevele, schilderde de muren van het koor. Verder bezit de tempel eenen ijzeren kroonluchter, die zeer merkwaardig is.

De rederijkkamer:Opgewekt door ijver, speelde in 1787 te Tielt, in 1788 te Zottegem.

Geraardsbergen —Grammont— is een lief steedje, gelegen op de helling van den Ouden-berg. De Dender verdeelt de plaats in eene boven- en eene benedenstad. Het zicht op de bovenstad is waarlijk schoon, prachtig.

Geeraardsbergen ontstond in het jaar 1068, onder de regeering van Boudewijn van Bergen, graaf van Vlaanderen en Henegouw. De stad werd gesticht op eenen vrijen grond, toebehoorende in Hunnegem aan zekeren Geeraard, en mag beschouwd worden als eene eerste allodiale bezitting der Vlaamsche vorsten.

Misschien wilde Boudewijn, op de grenzen zijner twee staten, een bolwerk opwerpen tegen den moedwil zijner Waalsche onderdanen. Hoe het zij, Geeraardsbergen was de eerste Vlaamsche gemeente, die eene keure kreeg. Ziehier enkele bepalingen uit dit oude wetboek:

«Alwie in Geeraardsbergen erf koopt en zich aan de stedelijke wet, volgens het oordeel der schepenen, onderwerpt, wordt vrij, al was hij dat vroeger ook niet.

»Elke burger van Geeraardsbergen heeft het recht de stad te verlaten en zijne woonstede elders te kiezen, mits hij geene schulden nalate.

»Geen burger mag gedwongen worden tot hettweegevecht, noch tot het ondergaan van vuur- of waterproef.

»Wie geene erfgenamen heeft, mag zijne goederen, zoo roerende als onroerende, vermaken aan de kerk of aan den arme.

»Een burger, die weigert zijne schulden te betalen, zal, na uitspraak der schepenen, door 's graven hulp en macht, daartoe gedwongen worden.

»Wie een ander doodt of verminkt, zal, buiten het geval van eigen verwering, hoofd voor hoofd, lid voor lid geven.»

Dank aan die keure, zegt D^rMoroy, bezat het ontluikend Geeraardsbergen op korten tijd de drie dingen, die eigenlijk de stedelijke gemeente uitmaakten: eene parochiekerk en een plaatselijk schependom, met muren en vestingen.

Deze waren bijzonder sterk aan den kant van Henegouw, alwaar twee stevige torens, die nog gedeeltelijk bestaan, de Pussemijpoort beheerschten en beschermden. Men noemt ze denPijntorenen denDierenkost. In de Pussemijstraat, derwaarts leidende, stond de eerstepussemeof woekerbank, de eerste Lombard.

Na de nederlaag der Vlamingen te Kassel, op den 20 Augustus 1328, werden onze vaderen streng gestraft. Te Brugge en te Ieperen alleen koos men 1400 gijzelaars.Willem de Deken, oudburgemeester van Brugge, stierf als martelaar den 15 December 1328. Een andere Bruggeling duidde twee mannen van Geeraardsbergen als medeplichtigen aan:Hendrik van KerreghemenJan Blondeel. De genaamdeJan le Clerc, die in vroegere jaren te Geeraardsbergen een openbaar ambt bekleedde, onderteekende zijne onderwerping daags vóor St-Michielsdag in 1329. Hij beleed misdaan te hebben «en ces derraines esmeutes.»

Tijdens de regeering van Lodewijk van Male heerschten er nogmaals groote onlusten in Vlaanderen: een krijg tusschen de burgerij en den adel. De Witte Kaproenen bezetteden in 1380 de vier Ambachten, haalden Ieperen voor hunne zaak over en wonnen bovendien Dendermonde, Aalst, Ninove en Geeraardsbergen.

In de maand Maart van het volgende jaar werd de worsteling met nieuwen drift hernomen. Vijf krijgsbenden trokken uit Gent, zich richtende naar verschillende gewesten, als wilden zij toonen, dat hunne stad machtig genoeg was om over heel het graafschap te heerschen. Die stoutmoedigheid had nochtans jammerlijke gevolgen; want terwijl de eenen voordeel haalden, werden de anderen deerlijk geslagen.

Het was in die omstandigheden, dat de heer van Edingen —Enghien— een neef van Vlaanderens graaf, op Zondag 7 Juli 1381 heel Geeraardsbergen verwoestte. De ingezetenen werden om hals gebracht, de huizen en de openbare gebouwen door het vuur verslonden.

Philip de Stoute teekende den 18 December 1385 een vredeverdrag, waarbij alle oude voorrechten en vrijheden niet alleen aan Gent, maar ook aan Kortrijk, Deinze, Rupelmonde, Hulst, Axel, Biervliet, Dendermonde, Oudenaarde, Aalst, Ninove en Geeraardsbergen werden weergegeven en bevestigd.

Ook in 1485 en 1491 werd een groot gedeelte van de stad verwoest.

Na de plunderingen der Geuzen stonden er nog honderd drie en zestig bewoonbare huizen recht.

Geen wonder dan, dat Geeraardsbergen niet rijk is, aan oude gebouwen.

Zeer merkwaardig nochtans is de kerk van Hunnegem, deels in Romaanschen, deels in Gothischen stijl opgebouwd. Zij wordt gebruikt door Benedictijnernonnen, en werd gansch geschilderd doorL. Bert-de l'Arbre, den geachten voorzitter van het Davids-Fonds aldaar. Boven het altaar bewondert men de vereering der H. Maagd; elders het leven van den insteller der Benedictijnen of, zinnebeeldig, de alledaagsche bezigheden der nonnen: het gebed, het onderwijs en de arbeid.

Op de Markt staat de kerk van Sint-Bartholomeüs, een Gothisch gedenkstuk uit de laatste jaren der XVe eeuw. De predikstoel is een schoon gewrocht, gesneden doorDeville. Onlangs heeftM. Bertden tempel prachtig versierd. De edelmoedige kunstenaar schilderde eigenhandig, ter eere Gods, het koor en de beuken in 1896.

Den 16 Juli 1515 bracht men, uit «de prochie van sente Martenslierde, zekere reliquiën van den heylighen Bertolomeux, om die in de prochiekercke» van Geeraardsbergen te stellen, te verheffen en te eeren. De kas, waarin men die kostbare overblijfselen bewaart, is een zilveren juweel van groote waarde.

Vóor de Fransche omwenteling bezat Geeraardsbergen eene vermaarde abdij, toegewijd aan St-Adriaan. Zij dagteekende van het jaar 1081 en stond tusschen de Bergpoort en de poort van Boelare. De monniken besteedden hunnen tijd aan het gebed, aan den arbeid en aan de studie. De kerk was groot en schoon, versierd met prachtige sieraden. In 1519 bezat zij «een stic van den heleghen Cruce, een doren van de dorne croone, een sandael van die heleghe moeder Anna en eenen brief van sent Joannes den Evangelist,» benevens eene menigte overblijfselen van heilige mannen en vrouwen.J. van Coppenolle, prelaat en abt van het klooster, teekende deze bijzonderheden in eene korte «verclaeringhe» aan.

Een pand der abdij is gespaard gebleven.

Het gasthuis is almede zeer oud. Een steen, in den gevel gemetseld, draagt althans het volgende opschrift: «Aen siecken ende weesen hebben zy hunne erve uytgedeeld. Johanna, gravinne van Vlaenderen (1243); — Meester Sechere, pbr., en Claus Cheylinc (1244); — Symoen de Ruwe (1304); — Jan van Culsbrouc ende Geert syn broedere (1406)...»

Meer dan ééne nijverheid heeft Geeraardsbergen verlaten. Nog in de XVIeeeuw telde de stad tapijtwevers, lakenwevers, volders, droogscheerders en linnenwevers. Hun gildehuis stond op den hoek, gevormd door de Begijnhofstraat en de huidige Wijngaardstraat.

Later bloeide de nijverheid der zwarte kanten.

Hedendaags heeft Geeraardsbergen groote werkhuizen, waar men sigaren en zwavelstokjes vervaardigt.

Geeraardsbergen schonk het leven aanGabriël de Grupello, beeldhouwer, van wien men verdienstelijke werken aantreft in België en in Duitschland; — aanJan Hauchin, aartsbisschop van Mechelen in de tweede helft der XVIeeeuw; — aanJ. Schollaert, dichter, begraven in de St-Bartholomeüskerk, vóor het altaar van St-Elooi; — aanFrans Rensen D^rR. Moroy.

Rens (1805-1874) beoefende met voorliefde de ballade, en leverde in dit vak eenige merkwaardige stukken. Wie de herleving der Vlaamsche letteren na 1830 wil nagaan, doorbladere 's mans letterkundigJaarboekje; wie de geschiedenis der Vlaamsche beweging wil kennen, raadplege zijneEendracht.

D^r Moroy, overleden te Moorsel, schreefJ. David's levenen belangrijke bijdragen in hetBelfort. Voor dit werk leverde hij ons bereidwillig eene menigte aanteekeningen. De begaafde man stierf in 1898.

De stad Geeraardsbergen bezit verscheidene volksscholen voor jongens en meisjes; eene muziekschool; eene nijverheidschool; eene kostschool, gehouden door Josephieten in het voormalige klooster der Karmelieten; een bisschoppelijk college, in het oude klooster der Miniemen.

Twee genootschappen beoefenen de tooneelkunde. Het St-Pietersgilde bloeide reeds in de XVeeeuw. Ten jare 1424 reden «de ghesellen, ghewapent en te peerde, by goeden adviese vóor het heleghe Sacrament in den ommeganc van der processie.» Na den middag «speelden sy up de maerct een spel van batailgen.»

Het grondgebied der stad meet 191 hectaren. Hare bevolking is tot ongeveer 10,400 zielen gestegen.

De Groote Markt ligt 33 meters boven den spiegel der zee. Weinige minuten verder rijst, breed en majestatisch, de Oude Berg, wiens hoogste punt, achter de kapel, 113 meters bereikt.

Het is omtrent drie ure namiddag en warm, helder weer.

Wij verlaten de Markt en beklimmen den Ouden Berg langs eenen smallen, steilen weg, beleid met scherpe steenen.

Bijna op de kruin vinden wij eene groote, fraaie herberg, niet te onrechthet Hemelrijkgeheeten. Hier zullen wij toeven en nog eens onze oogen verzadigen.

Vóor ons blikken wij over heel de stad, over daken en schouwen, over meerschen en velden, verscheidene mijlen ver.

Stroom op, ten Zuiden van Geeraardsbergen, ligt de kleine Gaver, palende aan de korte Lake. In den winter, als de Dender overstroomt en de aanhoudende vorst het water tot ijs verstijft, ziet men daar honderden schaatsenrijders weg- en wedersnellen. Nu grazen er menigvuldige bonte koeien.

Stroom af, beneden de stad, vindt men de groote Gaver op het grondgebied van Onkerzele. Daar speelde men den 29 Mei 1815 als een voorspel van den bloedigen slag van Waterloo.

Zicht op Geeraardsbergen.Zicht op Geeraardsbergen.

De lucht was helder, zooals nu, en de zon wierp heure gouden stralen over het groene grastapijt. Twintig duizend ruiters daagden op, en ontwikkelden hunne gelederen voor het oog van zes en dertig veldoversten.Daar waren immers Wellington, Blucher, von Bulow, lord Howard, de hertog van Berry, de prins van Oranje en andere helden.

De legende heeft er bijgevoegd, dat Napoleon-Bonaparte, in koopman verkleed, op den dorpel van de afspanningde Warmoesput, het grootsche schouwspel met zijne blikken volgde.

Ten Oosten van de stad daagt een overschot van het oude Raspaillenwoud. Daar gaan de kinderen in den zomer «kozijnen» of blauwe kraakbeziën en «rambanzen» of braambessen plukken; — daar bezong de GentenaarDaniël Heinsius(1580-1655) de mild spruitende bron; — daar verschansten zich, in de tweede helft der XIVeeeuw, de laatste Witte Kaproenen, «les pourcelets de la Raspaille,» zooalsFroissartze noemt; — daar verborg later de beruchte Jan de Lichte zijnen buit.

Het woordraspaillezal wel hetzelfde zijn alsrespeel, doorKiliaanopgegeven in den zin van deugniet, fielt, boef, guit, schelm, schurk.Nicolaas Despars, van Brugge, gewaagt in zijne kroniek van «eeneghe quade ende rouckelooze raspaylgiën.» Zoodat het Raspaillenwoud eene schuilplaats zal geweest zijn voor al het janhagel uit Brabant, Henegouw en Vlaanderen.

Maar... het is tijd, dat wij eens rondkijken!

Wij onderscheiden Deftinge, Parike en Goeferdinge in de nabijheid; Neder- en Opbrakel in het dal der Zwalm; Lessen in het Henegouwsche. Aan den gezichteinder, boven Goeferdinge, blauwen de wouden van Vloesberge en Brakel, met het bosch te Rijst. De Molenbeek kronkelt door de delling, vloeiende langs Smeerebbe naar den Dender.

Achter «het Hemelrijk» stijgt de berg nog eenige meters.

Hier treffen wij een groot kruisbeeld aan, beschaduwd door drie donkergroene mastboomen. Men zou haast zeggen, dat zij treuren...

Verder staat een groot beeld van de Moeder der smarten — een gewrocht vanG. de Grupello. Wij lezen op het voetstuk: «Ick groete u, herte van Maria, Moeder van Jesus, doorsteken met het sweert der droefheden; wees my, ermen zondaer genaedich, nu ende in de ure van myne dood!»

Op het hoogste van den berg rijst eene lieve kapel, toegewijd aan de Troosteres der bedrukten. Oorkonden uit de XIIIeeeuw maken er reeds gewag van.

Deze kapel bestaat uit twee deelen, gescheiden door eene traliedeur: een portaal, waar de bedevaarders knielen, en een achthoekig koor, lief geschilderd en versierd. Het licht dringt door een koepeltje binnen.

Bezijden de kapel, doch veel lager, is een vijvertje, altijd goed voorzien van water, en eene arduinen zuil van eenige meters hoogte: het tafeltje van den berg.

Aan deze zijde is het landschap even schoon. Wij zoeken Hemelveerdegem, ten Oosten van Nederbrakel; Schendelbeke en Idegem, twee dorpen op den Dender; Grimmingen, Onkerzele, Moerbeke en Viane, aan den kant van Brabant. Verder steken de torenspitsen van eenige Henegouwsche en Brabantsche gemeenten slank in de wasemige lucht. In het geheel onderscheiden wij de witte gevels van drie steden en de torentjes van een twintigtal dorpskerken.

In hetJaarboekjevan Rens, voor 1851, lazen wij eens een dichtstukje vanFrans de Beck, dat ons gedeeltelijk te binnen schiet...

Hoe lustig zien wij ginds de wijde DendermeerschenBezet met welig horenvee!Hoe lieflijk de rivier langs wei en velden kronkelen,Hoe pronkt in 't veld de rijpende oogst!Het oog reikt uren ver. Daar rijzen vriendenstedenAan noord- en oost- en zuiderkim;Hier, van den Vlaamschen grond, blikt men in Henegouwe,En ziet men Lessen aan zijn voet.Ik staar, geniet, gevoel... Wat is die berg toch heerlijk!Hoe spreidt de stad zich vóor mij uit!Daar rijzen, boven haar, de torens van haar kerken;En 't lang bekende klokgeluiBromt in mijn oor. De markt, waar 'k in mijn kindsheid speelde,Praalt daar, vooraan, met keurgen bouw;De school, waar mijne jeugd aan wetenschap zich voedde,Rijst ginder in 't verschiet... En hier,Ten top des Ouden bergs, het heilig kruis, het teekenVan 's menschen redding, in welks schaûw,Na stillen bedegang, de menigt neer komt knielenIn tijd, der godsvrucht toegedacht.Hier de kapel, waar ik mijn vreugde, leed en kommerTot Godes Moeder spreken kwam;Waar rijke gift getuigt van dankbaarheid der rijken,En de arme zijne krukken liet.Kapel, in uw beluik wil ik nog telkens bidden:«o Moeder Gods, zij steeds mijn troost!'k Vergeet u nooit! Zoo volge uw machtige beschermingMij op mijn gansche levensbaan!»

Hoe lustig zien wij ginds de wijde DendermeerschenBezet met welig horenvee!Hoe lieflijk de rivier langs wei en velden kronkelen,Hoe pronkt in 't veld de rijpende oogst!

Het oog reikt uren ver. Daar rijzen vriendenstedenAan noord- en oost- en zuiderkim;Hier, van den Vlaamschen grond, blikt men in Henegouwe,En ziet men Lessen aan zijn voet.

Ik staar, geniet, gevoel... Wat is die berg toch heerlijk!Hoe spreidt de stad zich vóor mij uit!Daar rijzen, boven haar, de torens van haar kerken;En 't lang bekende klokgelui

Bromt in mijn oor. De markt, waar 'k in mijn kindsheid speelde,Praalt daar, vooraan, met keurgen bouw;De school, waar mijne jeugd aan wetenschap zich voedde,Rijst ginder in 't verschiet... En hier,

Ten top des Ouden bergs, het heilig kruis, het teekenVan 's menschen redding, in welks schaûw,Na stillen bedegang, de menigt neer komt knielenIn tijd, der godsvrucht toegedacht.

Hier de kapel, waar ik mijn vreugde, leed en kommerTot Godes Moeder spreken kwam;Waar rijke gift getuigt van dankbaarheid der rijken,En de arme zijne krukken liet.

Kapel, in uw beluik wil ik nog telkens bidden:«o Moeder Gods, zij steeds mijn troost!'k Vergeet u nooit! Zoo volge uw machtige beschermingMij op mijn gansche levensbaan!»

Met zekeren hoogmoed spreekt de bevolking van Geeraardsbergen over de historische sagen en jaarlijksche feesten, welke aan de stad eigen zijn.

Zoo is het feest, dat op den eersten Zondag van den Vasten gevierd wordt, zeker der melding waard.

Geheele hoopen volk komen na den middag de stad binnen en wachten op de Groote Markt de burgerlijke en de geestelijke overheden af.

Daar slaat het twee ure. De beiaard speelt, de klokken luiden, de hoorn schalt, de trommel roffelt.

De gemeenteraad, de geestelijkheid en andere voorname ingezetenen verlaten het stadhuis, met speellieden voorop, die hunne blijde tonen in de huiverige lucht werpen.

Langzaam volgt de stoet de steile Abdijstraat.

Bakkers en winkeliers dragen manden vol krakelingen, koeken en haringen mede.

De menigte groeit gedurig aan; en zij, die het eerst op den berg geraken, hebben zorg eene plaats te kiezen in de kapel, waar de Eerw. Heer Deken de litanie van O.-L.-Vrouw zal lezen, zoodra de overheden het toppunt bereiken.

Dit gedaan zijnde, scharen zich de bijzonderen rondom de arduinen zuil achter de kapel.

Nu biedt men, in eenen historischen, zilveren beker, den eerewijn aan, waarin een klein levend vischje zwemt.

De deken, de burgemeester, de wethouders — ieder drinkt, naar aartsvaderlijk gebruik, een klein teugje. Wie het vischje binnenslokt, weet men zelden of nooit.

Eindelijk gaat men over tot het werpen van koeken, krakelingen en haringen onder de wachtende menigte.

Welk een gewoel en gekrioel!

De eene loopt rechts, de andere links; deze roept in het Vlaamsch, gene juicht in het Waalsch. De mannen vechten, de vrouwen kijven, de knapen vliegen elkander in het haar. Sommigen rollen den berg af, anderen komen in den kouden vijver te recht; en de bedaarde aanschouwer lacht schokkend om al die zonderlinge tooneelen.

's Avonds om zeven ure, als iedereen vertrokken is, ontsteekt men op het toppunt des bergs, bij het beeld van O.-L.-Vrouw, een tonneken, gevuld met pek. Om deze reden noemt men te Geeraardsbergen den vastenavond «het feest van Tonnekenbrand.»

In de omliggende dorpen voert men dien avond brandende bundels stroo rond, gewis om het vuur van Geraardsbergen op zijn middeleeuwsch te beantwoorden.

Men beweert, dat dit feest gevierd wordt ter herinnering aan een ontzet der stad.

De belegeraars — Walter van Edingen en zijne wapenlieden — beletteden reeds eenen geruimen tijd allen invoer van levensmiddelen, ten einde den hongersnood binnen de muren te brengen.

Dagen kwamen en verstreken.

De voorraad verminderde, de ellende naderde...

Toch gaven de belegerden den moed niet op.

Zij hoopten op hoogeren bijstand, en wendden zich vol betrouwen tot O.-L.-Vrouw van den Ouden berg, vereerd als Hulp der christenen.

Hun gebed was niet vruchteloos.

De hopman riep zijne strijdmakkers samen.

«Mannen,» zegde hij hun, «onze toestand vraagt een kloek besluit. Indien wij slag leveren, moeten wij voor de overmacht onzer vijanden bukken; indien wij werkeloos blijven, zal de honger ons allen, met onze vrouwen en kinderen, wegmaaien...

»Laat ons dan den vijand verschalken! En valt ons pogen kwalijk uit, zoo nemen wij kloekmoedig de wapens op, en verdedigen onze vaderstad tot den laatsten ademtocht!

»Bakt broodjes van het meel, dat gij nog bezit, en vangt in den Dender zooveel visschen, als gij kunt. Morgen vroeg zult gij alles op de verschansingen brengen; en op een gegeven teeken werpen wij heel den voorraad naar het hoofd der belegeraars...»

Zoo gezegd, zoo gedaan.

Des anderendaags, bij het kiemen van den morgen, snelde jong en oud naar de vestingen.

In den beginne keken de vreemden verbaasd op; maar toen zij, als bij tooverslag, met broodjes en visschen begroet werden, verloren zij den kop.

«Wat baat het,» riep de lichtzinnige Walter uit, «dat wij Geeraardsbergen belegeren? God weet, voor hoeveel weken die mannen nog mondkost hebben!» — «Wij zijn het wachten moede,» zegden de anderen, «laat ons den aftocht blazen!»

Dit gebeurde.

Die van Geeraardsbergen lachten niet weinig in hunne vuist, toen zij den vijand zagen wegdruipen.

Zij vierden heel den dag het onverhoopt ontzethunner stad en ontstaken, bij het vallen van den avond, een groot vreugdevuur op de kruin des bergs.

Het ontsteken van vreugdevuren was in vroegere eeuwen een algemeen gebruik in Vlaanderen. Te Brugge «maecte men een scoon vier,» toen «onse princesse» in 1481 «te Bruessele gheleghen was.» Te Kortrijk «maecten de pinders een vier voort scepenhuus, toen mevrouwe de princesse van Castille inne quam.»

Wij kennen geene enkele oorkonde, pleitende voor de echtheid der Geeraardsbergsche sage; doch wij weten ten stelligste, dat de oorsprong van het feest zeer hoog opklimt.

De stadsrekeningen over 1398 en volgende jaren spreken reeds van «het barnen van een wynvat naer ouder coustume.»

Na de plechtigheid zetten zich «de edele heeren borgemeester ende schepenen» vroeger aan de feesttafel. Den 23 Februari 1744 aten en dronken zij voor meer dan 119 gulden. De rekening, in het archief bewaard, spreekt van «witten wyn en Bourgogne-wyn, van snoeken, carpels, aberdaen en salm, van craeckamandels, castaignen, sitroenen, salaey, porseleyn, rosynen, prignolen en craekelingen.»

Vijf en veertig gemeenten, in den omtrek van Geeraardsbergen gelegen, maakten oudtijds deel van Vlaanderen onder het Rijk.

Boelare — thans gescheiden in Neder- en Over-Boelare — was eeuwen lang de zetel van eene aanzienlijke baronij. Deze telde twaalf dorpen.

De burcht stond te Neder-Boelare, langs den Dender.

Als eigenaars noemt men: Steven van Boelare, die Robrecht van Jeruzalem naar Palestina vergezelde; — Nicolaas van Boelare, gehuwd met Ida van Rœulx, eene nicht van Boudewijn den Moedige; — de heeren van Liedekerke en van Reingaardsvliet; — Philip-Willem van Nassau, prins van Oranje; — Frans de Cassina, echtgenoot van Robertina de Nouailles.

De heeren van Boelare, evenals die van Pamele, van Eine en van Cisoing, voerden den titel van «Beer,» de hoogste onderscheiding, welke de graaf van Vlaanderen kon toekennen.

Op het grondgebied van Over-Boelare heeft men verschillende voorwerpen opgedolven, voortkomende van eene Frankische begraafplaats.

Boelare bezat reeds eene kerk in 1070. Het koor van den hedendaagschen tempel schijnt zeer oud te zijn. Men vindt er eene kleine schilderij, die het penseel van eenen meester verraadt: twee lieve kinderkens, een lam, de heilige moeder Anna en O. L. Vrouw. Een meesterstukje, zegt men, van den Antwerpschen kunstenaarG. de Craeyer.

In 1525 trokken de rederijkers «van den lande van Boelaer» te paard naar Geeraardsbergen, «om den paeyse te vieren.» Dat zij talrijk waren, is meer dan waarschijnlijk. De stad begiftigde hen trouwens «met twee tonnen bier.»

Sarlardinge, op de zuidelijke grens van Oost-Vlaanderen, heetZaarlingein den mond des volks.

Vele ingezetenen van Sarlardinge arbeiden in de steengroeven van Lessen.

Op den 31 December loopen de behoeftige lieden naar de huizen der welstellende menschen, roepende:


Back to IndexNext