XXIII.

Koekebak, koekebak,Steekt een brood in mijnen zak!

Koekebak, koekebak,Steekt een brood in mijnen zak!

Dit duurt den ganschen dag, want er zijn twee, drie dorpen te bezoeken. Tegen den avond wacht hen de koffietafel.

Niet verre van Sarlardinge, doch in Henegouw, ligt Everbeke — Everbecq — dat voorheen eene Vlaamsch-sprekende bevolking had. Wie zulks betwijfelt, vrage maar eens in het dorp naar hetHoogboschof hetHemelrijk.

Goeferdinge, met zijne heuvelen en valleien, is een schilderachtig plaatsje. De kerk, staande op de helling eener hoogte, dagteekent uit de tweede helft der XVIIIeeeuw. Boven de deur kapte men het jaartal 1776.

Goeferdinge heeft geene groote hofsteden; doch men verzekerde ons, dat schier al de ingezetenen een eigen huis bezitten. Zulks bewijst, dat zij de orde en de spaarzaamheid liefhebben.

Benoorden Geeraardsbergen ligt Schendelbeke, met eene uitgestrektheid van ongeveer 590 hectaren. De bodem, die zeer vruchtbaar en heuvelachtig is, bestaat hoofdzakelijk uit klei.

Schendelbeke mag op eene hooge oudheid bogen. In 1850 heeft men er eene geslepen steenen bijl opgedolven.

Het volk van Schendelbeke spreekt van den Godsberg, van den Rooden Driesch, van den Langen meersch en het Jonkheerenveld. Op den Rooden Driesch bouwde men in 1328 een klooster voor Karthuizers, dank aan de milddadigheid van Jan Geylinc, heer des dorps. De Godsberg, die nu een veld is, schijnt behuisd te zijn geweest.

Het slot van Schendelbeke stond weleer niet verre van het kasteel van Boelare. Het werd geslecht in 1458; doch overblijfselen van middeleeuwsche muren, in eene moerassige weide verborgen, spreken tot den reiziger van vroeger wel en wee.

De parochiale kerk, toegewijd aan St. Amand, werd onlangs hersteld. Het hoogaltaar is herkomstig uit de voormalige abdij van Geeraardsbergen.

Bij Idegem kronkelt de Dender het Oosten in, naar Grimmingen. Noordwaarts, over Zandbergen, ligt Pollare, eene zeer oude gemeente, waar men Romeinsche steenen en pannen, stukken van vaatwerk en bronzen lanspunten heeft opgedolven.

Pollare heeft eenen «Nekkersput» en eenen «Steenberg.» Eene oorkonde van 1596 noemt ook een «Hazelaarbosch,» waar de tooveressen der streek met den duivel omgingen.

Tusschen Grimmingen en Geeraardsbergen praalt Onkerzele, een allerliefste plaatsje, met eene bevolking van ongeveer 1,700 zielen.

De kerk prijkt op eenen heuvel. De huizen staan inde diepte, en vormen eenen halven cirkel rondom den tempel.

Deze werd in 1845 herbouwd. Hij bezit eenen lessenaar, die zeker in de eerste helft der XIVeeeuw werd vervaardigd. Het ijzeren blad vertoont een lammeken, klaverbladeren en druiven, benevens een Gothisch opschrift.

Achter de kerk aanschouwt de wandelaar een heerlijk panorama: de uitgestrekte Dendermeerschen; de torens van Schendelbeke, Op-Hasselt, Idegem, Grimmingen, Pollare, Appelterre, Zandbergen en Ninove; het kasteel van Neder-Boelare; eene menigte hofsteden en molens. Elders daagt het donkere Raspaillenbosch. Naderbij, tusschen twee heuvelen, die met boomen en struiken bewassen zijn, daalt de weg naar den Dender. Voor schilders en dichters is Onkerzele een Eden.

Een gehucht der gemeente heet Atenbeke. Daar vindt de wandelaar eenen reusachtigen eik: deJonkvrouw. Door zijnen weligen groei, door zijne ongewone hoogte en dikte, door zijne regelmatige kruin en zijne krachtige takken wekt deze boom de bewondering van landzaten en vreemden. De stam is van onder tot boven gaaf en gezond. Op eene hoogte van twee meters boven den grond heeft hij nog eenen omtrek van nagenoeg vijf meters.

Men wil, dat de «Jonkvrouw» ten minste vijf eeuwen oud zij. Hoort gij niet, dat het loover, door den avondwind bewogen, oude sagen fluistert? Dat het spreekt van vreugde en lijden, van vele beproevingen en oploopen, van vervlogen roem en grootheid?

Wij kennen reeds den oorlog, dien Philip de Goede te voeren had tegen de overmoedige Gentenaars. De Groententers bemachtigden het slot van Schendelbeke.Van daar trokken zij naar Geeraardsbergen, dat zij plunderden; naar Akeren en Lessen, stekende het vuur aan menige hoeven en kasteelen.

Zoodra nu de hertog een leger verzameld had, besloot hij zich meester te maken van al de burchten, door zijne vijanden bezet. In de maand Juni 1453 beschoot hij het kasteeel van Schendelbeke, dat hij na weinige dagen veroverde. Al de belhamers werden aan boomen opgehangen.

Omtrent denzelfden tijd brandde Parike grootendeels af. Het slot van Poeke ging op zijne beurt na negen dagen wederstands over.

In den zomer van 1765 machtigde de regeering een vennootschap om «houillie-aeders» te zoeken binnen de rechtsgebieden van Ninove, Leeuwergem, Gaver, Oudenaarde, Brakel, Over-Boelare, Viane, Windeke en andere omliggende plaatsen. De vergunning meldt, dat men tot dan toe geene diergelijke werken in Vlaanderen ondernomen had.

Den 25 October 1798 vielen de boeren van Moerbeke, Viane en eenige andere dorpen, gewapend met zeisens, vorken en vlegels, in Geeraardsbergen. Zij weken terug, zonder groote schade aan te richten; doch kwamen 's anderendaags weer, kapten nu den vrijheidsboom af en plunderden den tempel der wet.

De aanleider was uit het Kortrijksche. Hij droeg eenen hoed met zwarte pluimen.

Geeraardsbergen was eene der weinige steden geweest, die in 1794 de Franschen welwillend ontvingen. Zelfs hadden de wethouders, als goede sullen, een deel van hunne bezoldiging afgestaan, om dansfeesten en dranken te bekostigen ter eere van hunne vreemde meesters. Ondanks dit alles beschuldigde men thansde bevolking van dubbelhartigheid, van medeplichtigheid. «De stad,» dus schreef de beruchte Beguinot, «is aangewezen geworden om de eerste gelegenheid tot opstand waar te nemen. De openbare overheden zijn niet meer in veiligheid; zij worden zelfs langs de straat beleedigd...»

Het magistraat wendde voor, dat geen enkele ingezetene aan den opstand der Boeren had deelgenomen. Dit belette niet, dat men de stad veroordeelde tot het betalen van eene schadeloosstelling van 2,057.41 fr.

O die lieve, broederlijke Franschen!

Bewesten Geeraardsbergen liggen Neder-Brakel, Op-Brakel en Schoorisse.

Neder-Brakel, met meer dan 4,200 inwoners, wordt besproeid door de Zwalme, en gelijkt door zijne netheid aan een steedje. Het is de geboorteplaats van den novellenschrijverE. Meganck.

Te Op-Brakel stond de wieg van den wijd en zijd gekenden liedjeszangerJozef Sadones. De man was geboren den 6 December 1755 en stierf te Geeraardsbergen den 19 October 1816.

Het schijnt, dat de Geuzen aan deze kanten nog al talrijk waren in de XVIeeeuw. De gebroedersvan Campeneteekenden althans aan, «dat die van Bracle, Neerbracle en daer omtrent» naar Geeraardsbergen togen, om verder «het klooster van Beauprees» te plunderen, en dat zij overal den landman «veel molest deden.»

Op zekeren dag, in de maand Augustus 1566, ontmoette de heer van Bakerzele, niet heel verre van Geeraardsbergen, eene bende van die roovers. Twaalf hunner werden neergeveld, vijftig anderen gevangen genomen en naderhand gekastijd.

Wij komen te Schoorisse — Escornaiz — eene gemeente, die nagenoeg 2,500 zielen telt.

Schoorisse ligt, evenals Marke, in eene bekoorlijke vallei, in de verte begrensd door de wouden van Op-Brakel, Vloesbergen en den Muziekberg. Westwaarts steekt de toren van Nukerke in de lucht.

De vroegere baronij van Schoorisse bestond uit zeven gemeenten. Zij behoorde in den loop der tijden aan de edele geslachten van Schoorisse, van Gaver, van Lalaing, van Berlaimont en van Egmont toe.

In de parochiale kerk vindt de reiziger eenen grafsteen met de namen van Arnold van Gaver, heer van Schoorisse, en zijne echtgenoote Izabella van Gistel. Jan van Luxemburg, een andere heer des dorps, stichtte er een jaargetijde.

Het slot verhief zijne torens bezuiden de kerk, langs den steenweg.

Ronse — Renaix — ligt in de Zuid-Westelijken hoek van Oost-Vlaanderen, in het schilderachtigste deel van gansch de provincie. De stad heeft eene uitgestrektheid van 3,173 hectaren, deels bebouwd, deels onbebouwd.

In de laagten is de grond kleiachtig en zeer vruchtbaar; op de heuvelen is hij overal steen- en ijzerachtig.

De landbouwers winnen dan ook alle soorten van graangewassen, van oliegevende en weefbare planten. Verder teelt men er tabak, moeskruiden en uitmuntend fruit. Allerhande boomen vertoonen eenen weelderigen groei.

Er is geen gebrek aan bewijzen, die voor eene hooge oudheid van Ronse, als bewoonde plaats, pleiten.

De heerJolyvond er bijlen, hamers, messen en andere voorwerpen, behoorende tot het Keltisch tijdperk, vóor den inval der Romeinen. Den 8 Juli 1868 ontdekte men in den kelder van het huis der familie van Butsele-Deneufbourg, op den Bergplas, eene Romeinsche lijkbus, hebbende eenen omtrek van 35 centimeters. Elders legde men Romeinsche schrijfstiften, wapens en bouwstoffen bloot.

In de eerste helft der VIIeeeuw kwam Sint Amand,de Frankische geloofszendeling, naar het Zuiden van Vlaanderen, naar Kortrijk en Ronse. In deze stad stichtte de vrome man eene kerk en een klooster, in het jaar 638.

De dichter vanHeer Daneelken, eene zeer oude romance, kende Ronse:

Hi tooch te Ronsen upt hooghe huysOm drie synder suster kinder...

Hi tooch te Ronsen upt hooghe huysOm drie synder suster kinder...

Daneelken leefde zeven jaren in het gebergte — op den Muziekberg? — en ging vervolgens naar de hoofdstad der christenheid.

Hi nam een staf al in syn hant,Ende hi treec te Romen binnen:«Nu biddic Maria, die moeder Gods,Dat ic den paus mach vinden.»Doen quam hi voor den paus ghegaen,Voor onsen eertschen vader:«Here, ic soude mi biechten geern,Ende roepen up Gods ghenade.«Ic soude mi biechten seer bevreestMet alle minen sinne;Ic heb seven jaer in den berch gheweest...»

Hi nam een staf al in syn hant,Ende hi treec te Romen binnen:«Nu biddic Maria, die moeder Gods,Dat ic den paus mach vinden.»

Doen quam hi voor den paus ghegaen,Voor onsen eertschen vader:«Here, ic soude mi biechten geern,Ende roepen up Gods ghenade.

«Ic soude mi biechten seer bevreestMet alle minen sinne;Ic heb seven jaer in den berch gheweest...»

Ronse verkreeg zijne eerste keure in 1240, vijftig jaren na Kortrijk. Nu kon de bevolking zich ongestoord aan den arbeid overgeven, op den handel toeleggen.

Gedurende de middeleeuwen bloeide de lakenweverij zoowel te Ronse als te Gent, te Brugge, te Ieperen en te Kortrijk. Nog in de eerste helft der XVIeeeuw kwamen «de goede lieden van Ronse ter Curtricmarct met haren lakenen,» weshalve zij van het magistraat een geschenk van «twee cannen wyns» ontvingen. In de halle van Leuven mochten de kooplieden van Ronse hunne waren uitstallen, zonder rechten te betalen.

Op onze dagen is Ronse nog eene zeer nijverigestad, vooral befaamd om de katoenen weefsels, die men er vervaardigt. Ook de spinnerijen erlangen eene groote uitbreiding.

Geen wonder dan, dat de bevolking spoedig aangroeit. In 1856 telde Ronse 12,000 inwoners; in 1878 waren er meer dan 14,600; in 1897 ongeveer 19,000.

Groote rampen teisterden de gemeente, vooral in de XVIeeeuw.

Toen Maximiliaan van Oostenrijk in den echt trad met Maria van Burgondië, poogde Lodewijk XI al de Fransche leenen, die op Maria verstorven waren, aan te slaan. In 1477 kwam hij langs Kamerijk, Bouchain en Avesnes naar het Henegouwsche, waar hij Doornik bemachtigde.

Het volgende jaar begon de krijg opnieuw. De koning rukte met zijn leger naar West-Vlaanderen, denkende daar weinig tegenstand te zullen ontmoeten. Middelerwijl zou zijn hoofdman te Doornik, Maurits van Neufchatel, sprongreizen doen in het Gentsche, ten einde de Oost-Vlamingen bezig te houden.

De Gentenaars, aangevoerd door den heer van Dadizele, togen de Franschen te gemoet, en vochten hardnekkig tusschen Ansegem en Berchem. Nochtans konden zij niet beletten, dat de vreemden Ronse in asch legden.

Ten jare 1519, omtrent den feestdag der H. Drievuldigheid, vernielde een brand, bij toeval ontstaan, ongeveer 700 huizen. Destijds en later ook, tot diep in de XVIIIeeeuw, bouwde men vele houten woningen.

Veertig jaren nadien, in het hart van den zomer, verslond het vuur bijna gansch de stad. Zelfs smolten de klokken in de kerktorens.

Een andere brand, den 31 Maart 1719 ontstaan, legde 330 huizen in asch.

Ter oorzake van de menigvuldigheid dier rampen, stelde men twee «brandprocessies» in: éene op de Vrijdag vóor Passiezondag en éene op Paaschdag. Beide plechtigheden werden later afgeschaft.

De Beeldstormers spaarden de stad evenmin.

Den 19 Augustus 1566 drongen zij in de kerk van St-Hermes, schendende en brekende wat zij konden. Dank aan de krachtdadige tusschenkomst der wethouders, moesten de roovers deze reis de wijk nemen; doch na de plundering der Oudenaardsche bedehuizen keerden zij terug om hun goddeloos werk voort te zetten. Dit blijkt uit een gedicht vanJ.-D. Waelkens, pastoor van Edelare:

Als de pillage t'Audenaerde was gedaen,Soo syn sy naer Ronse gegaen...Kerken, kloosters en priesters hebben ze al aengegaen,En keerden naer de stad met IX of X wagens, gelaênMet allerhande goed, geestelick en weerlick...

Als de pillage t'Audenaerde was gedaen,Soo syn sy naer Ronse gegaen...Kerken, kloosters en priesters hebben ze al aengegaen,En keerden naer de stad met IX of X wagens, gelaênMet allerhande goed, geestelick en weerlick...

Wellicht hebben al die rampen de merkwaardige gebouwen doen verdwijnen, die Ronse, net als andere steden, moet bezeten hebben.

In de huidige Kasteelstraat, bij de Middelbare school, bouwde Jan van Nassau, in 1630, het schoonste slot, dat men in die jaren ten onzent kon bewonderen. Men verkocht het in 1823 voor 30,000 fr., waarna de hamer en het breekijzer het gebouw sloopten.

Het eerste bedehuis van Ronse was de St-Pieterskerk, gewijd door den H. Amandus in de VIIeeeuw. Daar zij heel bouwvallig was, verkocht men ze den 2 November 1843 voor de geringe som van 3,300 fr.

In de nabijheid dezer bidplaats bouwde men de St-Hermeskerk, gewijd in 1129. De krocht, in zuiver Romaanschen stijl, heeft den vorm van een Sint-Antoniuskruis. Zij bestaat uit breede gangen, gescheidendoor dertig zuilen met ongelijke versieringen. Het gewelf draagt sporen van oude muurschilderingen.

De eigenlijke kerk, die groot en hoog is, werd herbouwd. Zij behoort tot de Gothische kunst, en was voltooid in het begin van 1525. De toren is zwaar en vierkantig.

Den 16 Maart 1878 besloot men de kerk van Sint-Hermes te herstellen. Het gewelf en een deel van het koor werden reeds met kleuren belegd.

In het koor prijkt een koperen arend van 1685. Het tafereel vanDelfosse, Sint Amand voorstellende, is een opmerkenswaardig doek.

De tweede parochiale kerk van Ronse, aangelegd in 1892, is toegewijd aan St. Marten, bisschop van Tours. Zij is bijna 72 meters lang, ruim 28 meters breed, en behoort tot den stijl der XIIIeeeuw. Deze kerk is het middelpunt van eene nieuwe wijk der bloeiende, aangroeiende stad.

De oude St-Martenskerk, met eenen heel eigenaardigen toren, stond in de nabijheid der hoofdkerk.

Ronse heeft weinige openbare plaatsen. Wij noemen: de Groote Markt, met eene arduinen pomp, die elf meters hoog is en 36,000 fr. kostte; — den Plas; — de Veemarkt; — den Bruul of Broel, bewassen met hoogstammige kastanjeboomen; — de nieuwe de Malanderplaats; — de Paardenmarkt, door het volk schertsend het «Martelaarsplein» geheeten, omdat men er... de zwijnen slacht. De Broel wordt in den zomer veel bezocht.

Hier en daar ontmoet de wandelaar een huis in Vlaamschen stijl. De woning van M. de Malander, met een bevallig torentje boven de poort, draagt zeker een eigen kunstmerk. Weinigen weten misschien, dat M. de Malander een allerschoonste museum bezit. Hetbevat, om maar enkele stukken te noemen: drie doeken van Quinten Massijs, den edelen, idealistischen vertegenwoordiger der oud-Vlaamsche school in de XVeeeuw; — vier van Rembrandt van Rijn, den beroemden meester der Hollandsche school, bij wien «licht en bruin» de hoofdzaak is; — twee van Rubens, eene der glansrijkste verschijningen in de schilderkunst; — vier van Teniers, den voorlooper van de groote Vlaamsche meesters der XVIIeeeuw. Als bijzondere verzameling is die van M. de Malander zeker eene der rijkste van gansch het land.

De katholieke Kring, die 85 meters lang is, gaat almede voor een merkwaardig gebouw door.

Het oudste gilde van Ronse is wellicht het Sint-Sebastiaansgenootschap, dat vóor 1568 bloeide. Men bewaart nog den halsband, dien de koning droeg, alsmede een paar zilveren schilden, geschonken aan de vereeniging door Frans van Nassau in 1639.

De Busschieters hadden Sint Hermes tot patroon gekozen. Vóor de beeldstormerij, in 1562, brachten zij de overblijfselen van hunnen beschermheilige naar Bergen over. Dit genootschap werd in 1892 heringericht. De trommelslager, de fluiter en de standaarddrager komen steeds in hun ouderwetsch gewaad voor den dag.

Ook de St-Martensvereeniging, heringericht omtrent het midden der XVIIIeeeuw, is nog niet in kwijning gevallen.

DeHarmonij, die den 29 Juni 1794 tot stand kwam, vierde in 1894 haar eerste eeuwfeest. Op onze dagen is zulke zeldzaamheid het aanstippen waard.

Ronse wordt besproeid door de Molenbeek, komende van den Muziekberg. De Molenbeek valt te Watripont in de Ronne. Over eenige jaren bracht zij acht molensin beweging: den IJsmolen, den Braamboschmolen, den molen ter Beke, den molen te Queere, den Broelmolen, den Kapittelmolen, den Blokmolen en den Kapelmolen.

Ronse bezit een bisschoppelijk College, eene Middelbare school van den Staat, eene aangenomen Normaalschool voor onderwijzeressen, twee lagere Gemeentescholen, eene Weezenschool, eene Teekenschool, eene Muziekschool en eene Weefschool.

Het letterkundig leven schijnt er nochtans weinig ontwikkeld te zijn.

Over eenige jaren heeft een bevoegd man de oorkonden der gemeente onderzocht en gerangschikt. De oudste stadsrekening loopt over 1648. Verder telt de verzameling «wettelicke chyrographiën, wettelicke passeeringhen, staten van goederen, rechterlijke acten, kerkrekeningen en wijkboeken.»

Ronse is de geboorteplaats vanHermes van Wyngheneen vanPieter-Jan van der Haghen.

H. van Wynghene werd hoogleeraar te Leuven, en vervolgens lid van den geheimen Raad onder Karel V. Hij stierf in 1573.

Van der Haghen kampte met de pen en met het woord tegen de ketters van zijnen tijd. De Jonghe getuigt van hem: «Een predikheer, P. Joannes van der Haghen of Dumœus, een ieverige religieus, welke tegen de ketters een jaar lang dagelijks, en dan nog een jaar over ander dag heeft gepredikt, was zeer hatelijk aan de sectarissen. Dikwijls hebben zij getracht, zoo door vergift als met openbaar geweld, maar te vergeefs, hem ter dood te brengen.»

De geleerde kloosterling bezweek in zijne geboortestad den 14 April 1573.

Ja, Ronse heeft eene heerlijke omgeving.

In de stad slenterend, kan men ze hier en daar, door eene zacht klimmende straat, reeds bewonderen.

Den Broel voorbij gaande, bereikt men het bosch-Joly, een half uurtje buiten de stad, op het hoogste van Hoogerlucht, tusschen de Kruisen en den Muziekberg.

Eene statige eikenlaan loopt naar den ingang.

De boomen ruischen in den zoelen wind en toonen, door de openingen tusschen hunne stammen, een prachtig landschap in de verte, beheerscht door den zwaren toren der St-Hermeskerk.

De heer Joly heeft het bosch als warande ingericht. Het meet ten minste twintig hectaren.

Overal kreupelhout en varens; overal schoone, krachtige boomen: eiken en esschen, olmen en beuken, berken en dennen, overal dalende en klimmende wegen.

Rechts is de geliefkoosde verblijfplaats der konijnen. Nu en dan wipt er een van die bevallige knagertjes in of uit zijne pijp.

Verder ontmoet de wandelaar eenen vijver, tintelend in den glans der zonne.

Rondom dien vijver vindt men ruwe rustbanken, verscheidene rotsen en bronnen. Groen mos bedekt de rotswanden.

Midden in den vijver staat de Menhir, eenzaam,maar fier en pal. Zijne voeten steken in het slijk, maar zijn kop glanst in het zonnelicht. Een beeld van den denkenden, maar ondeugenden mensch...

Twee bronnen versierde men met bouwstoffen van het voormalige slot der stad, weshalve zij eenen historischen naam kregen: de bron van Nassau en de Kasteelbron.

Zuidwaarts springt de bron der Reuzen tusschen verscheidene groote rotsblokken.

Een murmelend beekje leidt het overtollige water weg.

Niet verre van de bron der Reuzen kan men, in een allerliefst prieeltje, eenige oogenblikken uitrusten.

Onder het rooken van eene lekkere pijp en het beschouwen van den weelderigen plantengroei hoort men den koekoek roepen: «Koekoek! hier is het goed!»

Opklimmende, komt men vóor het eigenlijke park. Daar vindt men een fraai paviljoen, eene schilderachtige grot, eenige kleinere bronnen en een donkergroen mastbosch. O die smakelijke lucht!

Een zeer merkwaardig voorwerp is een «dolmen,» door den heer Joly op de kruin van den Muziekberg ontdekt. Twintig paarden trokken dien reusachtigen steen naar de plaats, die hij thans bekleedt. Hij is inderdaad omtrent 0m,70 dik, en 1m,80 lang en breed. Kon hij maar vertellen uit den voortijd, toen onze vaderen nog omdoolden in de duisternissen van het heidendom!

Men heeft het Joly-bosch weleens met het woud van Fontainebleau vergeleken. In alle geval kan men er eenen halven dag heel genoeglijk overbrengen. Een onzer vrienden, die ons derwaarts vergezelde, zong gedurig met zijne helderklinkende stem het Duitsche lied:

In het woud daar wou ik levenBij heeten zonneschijn.

In het woud daar wou ik levenBij heeten zonneschijn.

En vraagt de maag eenige verversching of versterking — want de mensch leeft toch ook niet van poëzie alleen! — zoo kan men in de eene of andere herberg het verlangde bekomen.

Een blik op de stad en het omliggende landschap zal tevens de oogen verzadigen.

Bij de poort leest men in groote letters en in onze twee landtalen:

Verboden ingang!Entrée interdite!

Maar de heer Joly is een vriendelijk man, en verschaft den nieuwsgierigen wandelaar gaarne eene toegangskaart.

Terugkeerende naar de stad, maakten wij de bemerking, dat wij in Zuid-Vlaanderen, voor weinig geld en in korten tijd, toch zoo schoone uitstapjes kunnen doen met onze familie. En wij voegden er bij, dat de mensch, die goed ziet en goed hoort, een bevoorrechte sterveling is.

Toen wij bij onzen vriend te huis kwamen, wachtte ons een smakelijk avondmaal.

En de lieve huisvrouw speelde eene prachtige sonate van Beethoven; en de vriend vergastte ons op het prachtige lied vanKarel Mestdagh:

Door de Nederlanden,Naar de wijde, diepe zee,Stroomt de schoone Schelde...

Door de Nederlanden,Naar de wijde, diepe zee,Stroomt de schoone Schelde...

Panorama op den HOOTONDPanorama op den HOOTOND

Wij verlaten Ronse door de Zonnestraat en volgen klimmende voetwegen.

Een trouwe vriend, een bewonderaar der schoone natuur en tevens een liefhebber van eigen taal en kunst, vergezelt ons als gids.

Sprekende over het wel en wee, dat vroegere jaren ons aanbrachten, naderen wij de nieuwe kapel «ten witten Tak,» een sierlijk, Gothisch gebouwtje met tien kleine vensters.

Waar het oude kapelleken stond, vinden wij nu eene landelijke herberg.

Sanderusverhaalt, dat hier in lang vervlogen tijden een groote, breede eik groeide. Onder de looverrijke takken school een beeldje van O.-L.-Vrouw.

De tak, die het beeldje droeg, was witter dan de andere. Dit maakte de aandacht der landzaten gaande, weshalve de geloovigen in het begin der lente naar den heuvel stroomden, om de Moedermaagd te vereeren en te aanroepen.

Ten jare 1636 heerschte eene besmettelijke ziekte in vele gemeenten van Vlaanderen, onder andere te Kortrijk en te Ronse. In de eerste stad vroegen de wethouders eene plechtige processie met het wonderdadig beeld van O.-L.-Vrouw van Groeninge; in de tweede beloofde men eene kapel te bouwen ter eere van de machtige Troosteres der bedrukten.

De kwaal verminderde, en in de eerste maanden van 1639 voltooide men de eenvoudige bidplaats. Sedertdien beginnen de «kapellekensdagen» ieder jaar den 2 Juli.

Wij zetten onze wandeling voort, gaan het schoone kasteel van M. Cambier voorbij, en bewonderen de omliggende hoven en parken met hunne weelderige en veelkleurige gewassen. Weldra bereiken wij den Hootond, die 150 meters hoog is.

Bij den molen, op de kruin, blijven wij staan.

Westwaarts, boven den Kluisberg, glinstert de zon, haren glans verspreidende over een landschap, dat ongemeen groot en schoon is.

De molenaar — een vriendelijk man — komt bij en wijst ons aan den blauwen gezichteinder de torens van Maria-Horebeke, Merelbeke, Gent, Evergem, Drongen, Vosselare en Deinze; — die van Ruiselede, Brugge, Tielt, Pittem, Ardooie, Ingelmunster, Hooglede, Roeselare, Passchendale en Kortrijk; — benevens die van Toerkonje, Robaais, Rijsel, Templeuve, Doornik, Antoing en Peruwelz. In het geheel kan men de kerken van 108 steden en dorpen onderscheiden. Tusschen Brugge en Peruwelz is er een rechte afstand van 80 kilometers of 16 mijlen. Evergem en Rijsel zijn 70 kilometers of 14 mijlen van elkander verwijderd.

Welk eene verscheidenheid in dat overgroote panorama! Ginds, tusschen Ansegem en Mooregem, is het Bouveloobosch; bij Tiegem daagt het Kapelbosch. Naderbij poost het oog op de wouden van Quaremont en den Kluisberg. Links blauwt de Drievuldigheidsberg, in het Doorniksche. Heinde en verre steekt deroode kleur der daken aangenaam af bij het donkere groen der gewassen.

Terugkeerende naar den steenweg, blikken wij op de stad, in de diepte, en verderop de reeks heuvelen, die langs Ellezele en Vloesberge naar Lessen loopen. Aan den gezichteinder onderscheiden wij den «Kattemolen» en van den Daele's bosch.

Op de hoogte der Kruisen groeien weelderige boomen, onder wier toppen eenige lusthuizen schuilen. Daar kan men in den zomer, bij het op- en ondergaan der zon, de ontwakende of insluimerende natuur bespieden en... frisch ademhalen.

Van de Kruisen trekt de stad heur water. Langs den steenweg, in eenen grooten kelder, hoort men het klare vocht onverpoosd ruischen.

Onze vriend wijst ons eenen grooten treuresch, die nu en dan schijnt te trillen onder den adem des winds. Denkt hij misschien aan de rijke en de arme lieden, die hij ziet voorbijslenteren? Aan den snellen loop der jaargetijden? Aan de vluchtigheid der aardsche genoegens?

Ten Noord-Oosten van Ronse rijst de Muziekberg. Daar gaan wij heden omdolen en eene frissche lucht inademen.

Wij verlaten de Groote Markt en volgen de Gasthuisstraat, de Biezenstraat en de Beekstraat. Verder loopt een kronkelende binnenweg naar de hoogte.

De Muziekberg is, evenals de Hootond, 150 meters hoog. Een woud bedekt het grootste gedeelte zijner kruin.

Hoor eens, hoe het windje door de bladeren ritselt, hoe de kerfdiertjes gonzen, hoe de vogelen kweelen! Zie eens, hoe de warme stralen der zon door het looverdak der boomen dringen en gouden strepen op den grond tooveren!

o Woud, vol vrede en lommer,Met diepe eerbiedenisBetreden wij uw boorden,Zoo rustig, groen en frisch.Wij dwalen rond en luisteren...En alles spreekt tot ons:Het lied van vink en lijster,Der bijen stil gegons;Het wuiven van de twijgen,Der bloemen heerlijkheid...o Woud, wat zijt gij statig,Vol ernst en majesteit!

o Woud, vol vrede en lommer,Met diepe eerbiedenisBetreden wij uw boorden,Zoo rustig, groen en frisch.

Wij dwalen rond en luisteren...En alles spreekt tot ons:Het lied van vink en lijster,Der bijen stil gegons;

Het wuiven van de twijgen,Der bloemen heerlijkheid...o Woud, wat zijt gij statig,Vol ernst en majesteit!

Talrijke gangen en lanen doorkruisen het bosch. Jammer maar, dat men alle oogenblikken een ondeugend plankje ziet hangen met de vermaning: «Het is streng verboden hier door te gaan.»

Van tijd tot tijd vinden wij eene open plaats, waar wij een prachtig uitzicht hebben.

Op zulk eene plaats, in het midden van het bosch, staat een torentje, uit etssteen opgebouwd en met eiloof begroeid.

Hier is het hoogste punt van den berg.

Het torentje is nagenoeg tien meters hoog. Het heeft tien ronde kijkgaten en laat ons, over het struikgewas en geboomte heen, naar alle zijden blikken.

Het panorama, dat wij aanschouwen, is wel zoo schoon als dat van den Hootond. Maar wij beweren, dat het grootscher is, omdat de wilde natuur in hare maagdelijke schoonheid hier een ruimer aandeel heeft.

In het Zuid-Westen ligt Ronse, met zijne torens, schouwen en daken, langs alle kanten met hoogten en bosschen omringd. In het Oosten rijzen de heuvelen, die naar Geeraardsbergen voortloopen. Elders gaat het oog over bergen en dalen, over gehuchten en dorpen, over huizen en molens.

Daar treft het gefluit van eenen naderenden stoomwagen onze ooren. In de diepte snelt hij kuchend voort, weldra verdwijnend in den onderaardschen gang van het nieuwe dorpje Louisa-Maria.

Een gedeelte van den Muziekberg is hedendaags eene warande met bronnen, waterleidingen en vijvers.

Niet verre van het reeds genoemde torentje staateen hooge boom, die een klein kruisbeeld draagt. De christen wandelaar ontdekt eerbiedig het hoofd, en dankt inwendig ons Vlaamsche volk om zijne godsdienstige overtuiging.

Eenige stappen verder vinden wij eene hofstede. Vóor het woonhuis ligt eene groote weide.

Ten jare 1821 poogde M. van Hoobrouck, van Mooregem, den wijnbouw te drijven op de zuidelijke helling des bergs.

De oogst van 1827 was nog al bevredigend. Den 10 October kwam M. van Doorn, destijds gouverneur van Oost-Vlaanderen, de teelt in oogenschouw nemen en aanmoedigen. Nadat hij den eersten tros had afgesneden, vielen de werklieden aan den arbeid. De eigenaar oogstte twintig stukken wijn. Nochtans was hij naderhand gedwongen van de onderneming af te zien.

Maar het wordt stillekens avond. Moede geklommen en moede gekeken, rusten wij eenige oogenblikken op het gras, en dalen dan den berg af.

De ondergaande zon werpt heure leste stralen over het landschap; lichte wolkjes zweven in de lucht.

De wind schijnt ook moede te zijn van het spelen en dartelen, en houdt zijnen adem in; de vogelen zingen hun slaapliedje onder de bladeren der boomen.

Daar verdwijnt de zon...

Een dunne nevel drijft boven de velden.

Ginds zingt een klokje:Ave, Maria!

Eene geheimnisvolle kalmte heerscht omhoog en omlaag.

Wat is de kalmte streelend zoet,Dat suizen en in sluimer zijgen,Dat plechtig stil en stiller zwijgen,Die rozenkleurige avondgloed!'t Is of de rust rondom ons henenEen zachter inborst in ons stort;'t Is of ons harte ruimer wordt,En wat er boos was, is verdwenen.Een onbestemd en diep gevoelOntwaakt en trilt er in onze âren...Wie mocht dien indruk nooit ontwaren?Wien laat dat purprend Westen koel?Nu zweven als op donzen schachtenGeliefde beelden om ons heen;Nu wemelt droom aan droom dooreen,En zielsgepeinzen en gedachten.De ontroering grijpt ons in 't gemoed;Haars ondanks wordt de ziel bewogen;Er klopt een heimwee in ons bloed;Soms wisschen wij een traan uit de oogen,Onwetend wat hem drupplen doet.

Wat is de kalmte streelend zoet,Dat suizen en in sluimer zijgen,Dat plechtig stil en stiller zwijgen,Die rozenkleurige avondgloed!'t Is of de rust rondom ons henenEen zachter inborst in ons stort;'t Is of ons harte ruimer wordt,En wat er boos was, is verdwenen.Een onbestemd en diep gevoelOntwaakt en trilt er in onze âren...Wie mocht dien indruk nooit ontwaren?Wien laat dat purprend Westen koel?Nu zweven als op donzen schachtenGeliefde beelden om ons heen;Nu wemelt droom aan droom dooreen,En zielsgepeinzen en gedachten.De ontroering grijpt ons in 't gemoed;Haars ondanks wordt de ziel bewogen;Er klopt een heimwee in ons bloed;Soms wisschen wij een traan uit de oogen,Onwetend wat hem drupplen doet.

In het land van Ronse kan men nog eenige wandeltochten ondernemen, die tevens schoon en leerrijk zijn: naar de Hooge heide en van den Daele's bosch, langs den steenweg van Ellezele; — naar St-Sauveur, langs de baan van Leuze; — naar Watripont, langs het kerkhof en het lusthuis van M. Snoeck.

Ellezele —Ellezelles— ligt in eene vallei.

Halfweg loopt eene straat naar van den Daele's bosch, met diepe ravijnen, kreupelhout en eeuwenoude boomen. De groei is hier bij uitstek krachtig.

In eene ouderwetsche herberg kan men allerhande versterkingen en ververschingen bekomen. De waard en zijne vrouw zijn ongemeen beleefd en voorkomend, misschien wel omdat de nieuwere beschaving er de voorvaderlijke gewoonten nog niet gansch kon uitroeien. Wij zagen het vuur flakkeren in den breeden haard op eenige steenen.

St-Sauveur is een vriendelijk dorp met ruim 2,000 zielen. Watripont, op de Ronne, telt er slechts 400.

Watripont, oudtijds Waudripont geheeten, was de zetel van eene groote heerlijkheid. De burcht was versterkt. In de gedempte grachten heeft men kanonballen en wapens gevonden, getuigen van vroegere belegeringen. Het huidige kasteel dagteekent van de XVIIIe eeuw.

Tot de heerlijkheid van Waudripont behoorde langen tijd eene vierschaar, die te Ronse het recht van hooge, middelbare en lage justitie uitoefende. In 1240 schonk Geeraard van Waudripont aan de ingezetenen van Ronse eene keure, hen vrij verklarende van lasten en leendiensten.

Veertig jaren nadien werd Ronse eene baronij. Deze hoorde in den loop der tijden aan vijf verschillende geslachten toe: aan het grafelijk huis van Vlaanderen (1280-1402); aan het huis van Hamaide-Roggendorf (1402-1549); aan het huis van Granvelle (1549-1630); aan het huis van Nassau-Siegen (1630-1745); aan het huis de Merode-Westerloo (1745-1830).

Watripont is hedendaags een lachend dorpje, omgeven van uitgestrekte weiden.

In het kerkje vindt men verscheidene oude grafzerken.

Het Vlaamsche volk heeft altijd zijne heiligen geliefd en in het openbaar vereerd.

Gent viert den H. Livinus, Mater de H. Amelberga, Tiegem den H. Arnoldus, Ronse den H. Hermes.

Uit dien eerbied sproten de bedevaarten en de ommegangen. Op zekere dagen droeg men de reliquiekas of de fiertere der heiligen plechtig van de eene plaats naar de andere, onder den toeloop van eene groote en biddende menigte.

Zulke ommegangen zijn door den band heel eigenaardig en bij uitstek dichterlijk. Zij spreken in alle geval hoog en luid van den onverschrokken godsdienstzin der vorige geslachten, van het levendig geloof der vervlogen eeuwen.

Sint Hermes — de patroon van Ronse — leefde in de tweede eeuw der christelijke jaartelling. Hij stierf den marteldood en werd door zijne zuster Theodora begraven.

In het jaar 829 deed Gregorius IV de stoffelijke overblijfselen van den heilige naar de St-Marcuskerk brengen. Talrijke wonderen lokten gedurig nieuwe bedevaarders uit.

Lotharius, een kleinzoon van Karel de Groote,vroeg het lichaam van Sint Hermes voor zijne staten, en bekwam het in 851.

Voorloopig bewaarde men den schat in de abdij van St-Cornelius, bij Aken. De keizer stierf in 856. Zijn zoon en opvolger deed de reliquie naar Ronse overdragen, waar zij den 6 Juli 860 toekwam.

Men stelde ze in de St-Pieterskerk. Later bouwde men, zooals wij reeds weten, de St-Hermeskerk.

De fiertere van Ronse valt alle jaren op den feestdag van de H. Drievuldigheid, anders gezeid op den eersten kermisdag der gemeente.

Vóor de Fransche omwenteling was de ommegang bijzonder eigenaardig.

Uit al de omliggende dorpen uit Vlaanderen en Henegouw kwamen, vroeg in den morgen, de beste ruiters naar de stad. De ruitersmis begon om zeven ure.

Na de mis begaf men zich op weg door de Wijnstraat, zich richtende naar Louisa-Maria, den Muziekberg, St-Sauveur, Watripont, Rozenaken, den Hootond en de Kruisen.

Voorop gingen de gildebroeders van St-Sebastiaan, in het rood — die van St-Marten, in het zwart — van St-Hermes, in het groen gekleed.

De nering der kleermakers volgde met haren standaard. Dan kwamen de Zwarte Zusters met hunne leerlingen en de Zusters van het gasthuis.

De schoenmakers droegen de fiertere.

Vóor hen stapte, traag en statig, een man, die twee groote bellen op maat deed klinken.

Het magistraat en de ruiters sloten den stoet.

De mannen van Rooborst, in Vlaanderen, en van St-Sauveur, in Henegouw, reden altijd voorop, omdat hunne voorzaten in 1724 zich manmoedig verzetteden tegen eene bende struikroovers, die, in de nabijheidvan den Muziekberg, de overblijfselen van Sint Hermes wilden onteeren.

Aan de Begijnhofstraat gekomen zijnde, keerde de geestelijkheid naar de kerk terug, terwijl de bedevaarders de Kruisstraat insloegen.

Niet verre van den Muziekberg draafden de ruiters van Rooborst en St-Sauveur, met het pistool in de vuist, driemaal rond de reliquiekas. Men toefde op Schoonboeke, bij Ellezele en bij St-Sauveur.

Op de grenzen van Watripont gebeurde er iets anders. Een van de voornaamste ingezetenen dier gemeente kwam de wethouders van Ronse den eerewijn aanbieden. Die van Ronse schonken den «notabele» eenen grooten koek, ten bewijze van vriendschap. Dezen koek zond men onmiddellijk naar Doornik, en van daar naar Parijs, waar hij, twee dagen nadien, op de tafel van M. den graaf van Bethune moest prijken.

Van waar dit zonderling gebruik?

De legende wil, dat de heeren van Ronse en van Watripont eens eenen grooten twist hadden; dat zij dezen twist inderminne beslechtten, en dat zij het genoemde beschenken tot teeken van hunne verzoening in zwang brachten. Op den koek ziet men althans twee samengeslagen handen.

Wij gissen, met D^rDelghust, dat dit gebruik zijn ontstaan te danken hebbe aan de keure van 1240, waardoor de heer van Watripont de Ronsenaren ontsloeg van tollen en leendiensten.

Te Rozenaken, op de hofstede van St-Hermes, toebehoorende aan het kapittel van Ronse, wachtten twee kanunniken de bedevaarders af. Aan allen schonken zij eene gewijde taart en bier of wijn volgens de tijdsomstandigheden.

In den namiddag, tusschen vier en vijf ure, bereikte men weder de stad. De geestelijkheid kwam de fierterete gemoet tot aan de steenen brug en bracht ze, psalmen zingend, weer naar de kerk.

Hedendaags volgt de processie nog altijd denzelfden langen weg rond het grondgebied der stad.

Te Louisa-Maria en te Rozenaken laat men de reliquiekas eenen zekeren tijd in de kerk rusten. Middelerwijl mogen de bedevaarders hunnen dorst lesschen en hunnen honger stillen.

Op den Hootond en de Kruisen versieren de tochtgenooten hunne paarden en rijtuigen met meien, takken en bloemen, vooral met bloeienden brem.

Ten jare 1898 telden wij meer dan tweehonderd ruiters, die de overblijfselen van Sint Hermes vergezeld hadden.

Bij gebrek aan oorkonden kennen wij den oorsprong van Ronse's ommegang niet. Het is nochtans zeker, dat hij zeer oud is, nademaal men hem in 1453, ter oorzake van de toenmalige onlusten en oorlogen tusschen Philip den Goede en de Gentenaars, niet toeliet.

In de sacristij van St-Hermeskerk bewaart men het zoogenaamdeZottenboek. Buiten eenige standregelen en de namen van de leden der broederschap, behelst het namen van krankzinnigen, opklimmende tot het jaar 1670.

Velerhande aanteekeningen zetten dit gedeelte eene zekere belangrijkheid bij. Nu eens bestatigde men, dat de zieke genezen, dan weer, dat hij overleden was gedurende de negendaagsche plechtigheid.

Vóor 1597 gebruikten de krankzinnigen alle dagen een koud of een lauw bad. Mgr Hovius, aartsbisschop van Mechelen, schreef alsdan voor, dat men ze enkel besproeien zoude met gewijd water.

Tusschen Ellezele en Lessen ligt Vloesberge —Flobecq— eene groote gemeente van ongeveer 4,500 inwoners.

Onze lezers zullen zich wel herinneren datJulius Plancquaert, de schrijver vande Franschen in Vlaanderen, vrederechter was te Vloesberge, en daar in 1888 overleed in den ouderdom van 35 jaren. De begaafde man was van Wortegem.

Benoorden het vlek is het uitgestrekte woud van Vloesberge met twee bergpunten, die 150 meters hoog zijn. De eene verhevenheid is de Pottelsberg, de andere de berg van Rhodes.

De afstand van Ronse bedraagt 8 kilometers. Nochtans zal de weg ons niet lang schijnen, omdat de streek overal zoo schoon, zoo schilderachtig is.

Nauwelijks zijn wij buiten Ronse aande Linde— eene gekende herberg — of de Muziekberg rijst weer vóor onze oogen. Aan dezen kant is zijne helling zeer steil.

Daar neemt de Molenbeek haren oorsprong.

Verder bereiken wij het kapelleken van Lorette, gebouwd in 1674 door de zorgen van M. Deletenre, pastoor te Ronse. De vrome herder had ondervonden, dat vele geloovigen, aldaar gehuisvest, hunne godsdienstige plichten maar moeilijk konden vervullen, omdat zij ofwel te verre van de stad woonden, ofwel slechte, onbruikbare wegen moesten volgen. Om die reden richtte hij twee kapellen op: de kapel ter Heide, tusschen Ronse en Ellezele, en de reeds genoemde kapel van Lorette, langs de baan naar Brakel, welke wij volgen.

In de kapel ter Heide las men mis op alle Zon- en heiligdagen des jaars, behalve op Paschen, Sinksen, Allerheiligen en Kerstmis. Ten jare 1819 brak men deze bidplaats af.

De kapel van Lorette bestaat nog, en wordt ieder jaar met den 25 Maart druk bezocht. De landzaten spreken dichterlijk van den «Tijloozen ommegang,» omdat de tijloozen of de sneeuwklokjes in die dagen volop bloeien.

Wij komen in Henegouw en bereiken eene wijd gekende herbergLes quatre Vents. Hier staan wij 130 meters boven den spiegel der zee. In de nabijheid heeft de heer Joly overblijfselen uit het steenen en het bronzen tijdperk ontdekt. Ronse mag fier zijn op dien verstandigen en onbaatzuchtigen zoeker!

Tien minuten verder loopt een zijweg links, een andere rechts. De eerste leidt naar eene vallei, waar de Markebeek ontstaat. Deze vloeit door het bosch te Rijst, in de richting van Schoorisse.

Den anderen zijweg inslaande, beklimmen wij den Pottelsberg, die 157 meters hoog is. Het volk in den omtrek noemt hem den Potseberg. De Walen spreken vanla Houppe. De bosschen noemen zij «les bois de la Cocambre.»

Heinde en verre ontmoeten wij diepe wegen, steile verhevenheden, ravijnen en onbeplante plaatsjes. Groene kraakbeziestruiken, bruine heideplanten en sierlijke varens bedekken alom den grond.

In den heeten zomer, als de wind suist en de bijen gonzend op de bloempjes azen, is het hier, in de schaduwe der boomen, schoon en dichterlijk. Maar als een storm de toppen der dennen weg en weder slingert, dat de takken kraken; als de donder in het luchtruim klatert en de bliksem zijne rosse flikkeringen op den grond werpt, moet ook eene koude huivering den wandelaar bekruipen.

Wie dit oord voor den eersten keer bezoekt, denkt onwillekeurig aan Conscience's «verloren loopen.» Van alles afgescheiden, zich overleveren aan het onvoorziene; in donkere wouden ronddwalen, zonder te weten waar men is of waar men komen zal; geen spoor der menschelijke maatschappij meer ontwaren; alles vergeten, tot de vriendschap zelve, om zich der vijandschap ook niet meer te herinneren; alleen, gansch alleen daar staan tusschen den Schepper en zijn werk, tusschen God en de natuur — ha! verloren loopen, het is eene milde bron van poëzie...

Midden in het bosch, dicht bij eene diepte, komen, zeven wegen bijeen. Daar vinden wij twee eenvoudige gebouwen: eene herberg,la Capelette, en een kapelleken, waarin een eenvoudig kruisbeeld hangt.

De waard en de waardin zijn struische menschen; men zou zeggen dat de berglucht, bezwangerd met den geur der sparren, weldadig op hen werkt. Men spreekt tegenwoordig, in boeken en tijdschriften, nog al veel over sanatorium's voor lieden, die de schrikkelijke longtering krijgen. Zouden de omstreken van Ronse niet uitstekend geschikt zijn voor het inrichten van zulk eene schuilplaats?

Het kapelleken is een verkwikkend rustpunt voor den christen reiziger. In de eenzaamheid, verre van het gewoel der menschen, kan men toch zoo hartelijk bidden: «Onze Vader, die in de hemelen zijt!»

Inla Capelettehebben wij den weg gevraagd naar Ellezele, eene voorzorg, die niet overbodig mag genoemd worden. Want wij zijn hier in eene stille, eenzame streek.

De naaste gemeenten zijn: Ronse, Kerkhem, Schoorisse, Op-Brakel en Parike, in Oost-Vlaanderen; — Everbeke, Vloesberge en Ellezele, in Henegouw.

Het oord is vele honderden hectaren groot. Acht kilometers scheiden Ellezele van Schoorisse; vijftien kilometers Ronse van Everbeke.

Vloesberge alleen bezit hier nagenoeg 260 hectaren gronds, begroeid met dennen.

Voortwandelend, dachten wij aan de Luxemburgsche Ardennen, met hunne uitgestrekte hoogvlakten, met hunne grijskleurige woningen, met hunnen mageren plantengroei. Geen Vlaming zal het ons dan ten kwade duiden, dat wij de voorkeur geven aan Zuid-Vlaanderen. Hier hebben wij eene gedurige en schielijke afwisseling van hoogten en laagten, van heuvelen en valleien. Voeg daarbij het heldere blauw des hemels, het donkere groen der weelderige gewassen, het vriendelijke rood der pannen daken en het blinkende wit der gevels. Overal verscheidenheid, overal kleur, overal poëzie, overal leven...

«Maar wij zien bijna overal hetzelfde landschap,» zullen oppervlakkige lieden opwerpen.

Toch niet!

Let maar eens op de voor- en achterplannen, die alle oogenblikken veranderen, op de stoffeeringen, die nergens dezelfde zijn.

Laat ons echter veronderstellen, dat uwe opwerping gegrond zij. Dan nog krijgt ge geen gelijk.

Sedert duizenden jaren versiert de roos elken zomer met dezelfde kleuren onze aarde. Gij zelven hebt ze reeds dertig, veertig, misschien zestig, zeventig keeren in uwen tuin zien ontluiken, bloeien en verflensen. En toch beschouwt iedereen het roosje als de koningin onzer bloemen.

Ellezele schuilt, zooals wij hooger aanstipten, in eene vallei. Dit zegt genoeg, dat de gemeente eene heerlijke omgeving heeft. Hare uitgestrektheid bedraagt 2,400 hectaren; hare bevolking is tot ongeveer 5,500 zielen gestegen.

Een goed gedeelte van Ellezele's grondgebied is bedekt met bosschen. Wij hadden reeds de gelegenheid aan te stippen, dat zich daar dikwijls gansche benden booswichten schuil hielden. Niet zelden bestonden die benden uit vreemde landloopers, Bohemers, heidens of Egyptenaars. Die boeven verontrustten heel de streek. In 1509 betaalde het magistraat van Oudenaarde 12 pond parisis aan «het opperhoofd van eene bende Egyptenaren,» opdat «hij met zijn volk niet min dan twee uren afstand van de stad zou blijven.»

Na 1724 stoorden zulke booswichten weer de bewoners van Ronse, van Ellezele, van Vloesberge, van al de «betwiste gronden.»

Ten langen laatste, en wel in 1733, zond de Regeering 150 huzaren naar Ellezele, om de schurken te vangen. Zeven vrouwspersonen werden opgehangen; een en twintig andere fielten van beide geslachten werden gegeeseld en gebrandmerkt. Een klein meisje— eene weeze — werd edelmoedig door de bewonersopgenomen en verpleegd. Uit dien hoofde betaalde Ellezele gedurende eenigen tijd eene jaarlijksche som van ongeveer 11 pond.

Op het dorpsplein van Ellezele vindt men, sedert onheuglijke tijden, eenen diepen bornput. Ten jare 1883 heeft men er eene fraaie pomp op geplaatst.

De parochiale kerk staat onder de bescherming van Sint-Pieter, den apostel. De toren, die zwaar is, draagt het jaartal 1643. Het koor werd herbouwd in 1723; de zijbeuken zijn van 1781. De predikstoel, gesneden in 1751, is een merkwaardig stuk.

Het was in de kerk, dat men vroeger te Ellezele, zooals overigens in vele gemeenten van Vlaanderen, de voorname oorkonden bewaarde. Heden nog toont men den reiziger den koffer, die met ijzer beslagen is. Hij heeft drie sterke, verschillende sloten.

Men wil, dat Ellezele de zedelijkste en de rijkste gemeente zij uit den Noord-Westelijken hoek van Henegouw. «Cette terre n'appartient qu'à Dieu et à moi!» zegde ons een landbouwer; «die grond hoort aan God en aan mij toe!» willende doen verstaan, dat zijne eigendommen onbelast waren.

Aardbevingen, die sommige streken zoo dikwijls teisteren, zijn gelukkiglijk in ons vaderland een zeldzaam verschijnsel. In de oude registers van den burgerlijken stand der gemeente is er nochtans van eene schudding spraak. Wij schrijven letterlijk over: «Le 18 février 1756, la carcasse entière de l'église d'Ellezelles a subi une secousse. L'air était bien tranquille;et en moins d'une minute de temps les prêtres et le monde qui étaient à l'église pour la messe, se sont sauvés.» Wat in onze taal beteekent: «Den 18 Februari 1756 begon de gansche kerk van Ellezele schielijk te beven. De lucht was stil; doch in een omzien vluchtten de priesters en de geloovigen, die in de kerk waren om mis te hooren.»

Lezers, als gij oude oorkonden in handen krijgt, overziet ze toch aandachtig. Zij behelzen zoo dikwijls kleine, maar wetenswaardige bijzonderheden!

Wij hebben reeds de «betwiste gronden» genoemd.

In vroegere eeuwen behoorde de stad Lessen met zeven dorpen, alsook het kasteel van Vloesberge en de heerlijkheid van Ronse, tot Vlaanderen onder het Rijk, afhangende van den Duitschen keizer.

Vlaanderen onder de Kroon was integendeel een leen van den Franschen koning; en allodiaal Vlaanderen was een eigendom der graven, waarvoor zij noch aan den koning, noch aan den keizer iets verschuldigd waren.

Welnu, de hooger genoemde deelen van Vlaanderen onder het Rijk werden van lieverlede een twistappel tusschen de Vlaamsche en de Henegouwsche graven, weshalve de geschiedschrijvers hun den naam van «betwiste gronden» hebben gegeven.

Het geschil duurde tot in 1333, wanneer de vorsten een verdrag troffen, dat nooit meer werd gestoord.

De graaf van Henegouw behield de steden en dorpen van Lessen en Vloesberge, zonder daar nochtans nieuwe versterkingen te mogen oprichten, tenzij met voorkennis en toestemming van Vlaanderens vorst. Deze behield de heerlijkheid van Ronse.

De kerk van Ellezele bezit een fraai altaarstuk uit de XVIeeeuw: eene kruisiging van den Zaligmaker. Op den donkeren grond van het tafereel komt de witte kleur van een paard goed uit.

De schilder heeft zijn gewrocht niet onderteekend. Vandaar gissingen en volksoverleveringen.

In de XVIeeeuw telde Ellezele twee voorname familiën. De eene droeg den naam van Lelatteur, de andere dien van Dutransnoit.

Uit beide huizen sproten magistraten en geestelijken. Colard Lelatteur was burgemeester in 1462; Jan Lelatteur werd schepen in 1510; Arnold Lelatteur ontving de priesterlijke wijding in 1551.

Lodewijk Dutransnoit werd burgemeester in 1503; Jan en Joris Dutransnoit beklommen het altaar, de eerste in 1504, de tweede in 1545; Jacob Dutransnoit teekende als griffier in 1600.

Men vertelt in het dorp, dat een Lelatteur de genoemde kruisiging schilderde. De man was zeer rijk, en beoefende de kunst om de kunst. Op het tafereel maalde hij niet alleen de wezenstrekken zijner onderdanen, maar ook de gedaante van zijnen schimmel.

Zijn broeder, die almede het penseel hanteerde, was naar Italië getogen, waar omtrent dien tijd «eene geheele reeks meesters van den eersten rang naast elkander optraden, die in even zoovele oorspronkelijke richtingen dezelfde laatste schrede tot het toppunt van ideale schoonheid en klassieke volkomenheid aflegden.» Wij bedoelenLionardo da Vinci, overleden in 1519; —Michel-Angelo, den hoofdmeester der Florentijnsche school; —Raphael, die zijn innigste gevoel in zijne Madonna's ten beste gaf; —Antonio Correggio, die in zijne werken het licht bewogen gevoel zoo heerlijk deed gelden; —Tiziano Vecellio, den hoogsten meester in de edele verheerlijking der lichamelijke schoonheid.

Bij zijne terugkomst in het lieve vaderland sloop de Ellezeelsche schilder in de werkplaats zijns broeders.

Daar stond eene pas geschetste schilderij. De aangekomene tooverde vlug eene vlieg op het doek, en verwijderde zich. En toen de andere terugkeerde, greep hij eenen borstel, om het ondeugende diertje weg te jagen. Zoo fijn, zoo natuurlijk, zoo meesterlijk had zijn broeder het kleine vliegje voorgesteld.

Men voegt er bij, dat de Lelatteur's op die wijze den toenaam vanMouchegekregen hebben.

Van dit alles zal wel geen woordje waar zijn. Wij hebben inderdaad geene enkele oorkonde kunnen vinden, waarin een Lelatteur als schilder aangeduid wordt. Daarentegen kennen wij een tiental stukken uit de jaren 1535-1569, welke «Jean Dutransnoit, peintre,» noemen. Deze woonde op het gehuchtGauquier.

In 1543 trouwde Jan Hamaide, ridder en heer van Nieuwburg, met Barbara Hauport, van Ellezele.

Jan Dutransnoit zal dan, op vereerend verzoek vande jonge gehuwden, het altaarstuk geschilderd hebben, op hetzelve noch de lakeien, noch het paard der edele familie vergetende.

In negen minuten brengt ons de trein van Ellezele naar Ronse. De afstand is bijgevolg niet groot. Nochtans onderscheiden wij, in de richting van Vlaanderen, ten minste drie valleien en twee reeksen van heuvelen.

De stoomwagen fluit, kucht, stopt.

En nu nemen wij afscheid van onze vriendelijke lezers en lezeressen, allen hartelijk dankende voor hunne welwillende aandacht.

Einde.


Back to IndexNext