Hoofdstuk XVIII.

Hoofdstuk XVIII.Hoe de reizigers den Rigi beklimmen, en hoe het Holstaff tegen zijne verwachting toch nog gebeuren mag, de zon aldaar te zien opgaan.Voor het logementde Zwarte Arend, te Art, stonden reeds langer dan een half uur Joachim Polsbroekerwoud en zijne vrienden in volkomene besluiteloosheid wat te doen. Zij waren daar van Zug aangekomen met het vaste plan om den Rigi te beklimmen, en zouden reeds terstond dit voornemen hebben ten uitvoer gebragt, zoo niet de drijvende wolkjes, die zij vóór eenige uren ontdekt hadden, tot dikke wolken waren aangegroeid, en zich zoodanig om de kruin des bergs hadden vastgehecht, dat men verzekerd kon wezen, op den top geen uitzigt te zullen hebben dan in den digten sluijer, die het landschap overdekte en de communicatie van het heldere zonlicht met het frissche groen en het doorschijnend water afsloot. Wel konden zij, zonder zich hierover te bekommeren, den togt aanvangen; maar zij liepen gevaar eene vruchtelooze reis te maken, en het hemelsche vocht, dat tot verfrissching van gras en geboomte bestemd was, in hunne kleederen op te vangen. Zij hadden reeds de zekerheid het heerlijke schouwspel te zullen missen, als de zon, achter het blaauwe gebergte neêrzinkende, bij haar afscheid een purperen gloed om zich heen werpt; als die gloed zich langzamerhand aan de valleien onttrekt, maar nog een krans van warme en bonte kleuren om de witte en koude toppen van het hooge gebergte slingert, totdat ook deze weldra in schemering verkwijnen en induisternis versterven; maar aan den anderen kant, de wolken konden in den nacht in regen worden opgelost, en hoe heerlijk zou dan, van den hoogsten top des Rigis, het opgaan der zon over het verfrischte landschap te aanschouwen zijn!De kastelein uitde Arend, om redenen, hem bekend, liever de heeren nog niet willende afstaan, recommandeerde tot schâvergoeding den zonsopgang over het Zugermeer, uit zijn logement gezien; en Pols inclineerde hiertoe al spoedig, mits men, om toch ook een ruim uitzigt te hebben, eene bovenkamer nam; maar Aloys Stadler, een jeugdig winkelier in zwam, vuurslagen en tonderdoozen te Zug, doch wiens nering minder winsten aanbood, dan het rondzwerven door het gebergte als gids van rijke vreemdelingen, vreezende dat, zoo de reis heden niet doorging, het zestal hem ontsnappen zou, en hij voor niet zijn besten groenen rok, leverkleurigen pantalon en vuurroden parapluie uit de kast zou hebben gehaald, bestreed dit voorstel met warmte en kracht, door de verzekering te geven, dat in het gebergte na regen altijd droog weêr volgt. Dit argument wist de kastelein niet te weêrleggen, en ook de vrienden verkozen het in deze maar voor alles afdoend te houden.“Welaan dan, met moed!” riepen zij uit; de veldflesschen werden metkirschwassergevuld, en de vreemdelingen met Alpenstokken, en de gids met zijn rooden parapluie gewapend, begonnen den togt.Het eerste uur gaans, wanneer men den Rigi van deze zijde beklimt, loopt door weiden en bosschen, en de helling is zeer geleidelijk. Men maakte dus de aanmerking reeds, dat de Alpenstokken heel wat meer last dan gemak geven, en Veervlug begon over te hellen om aan de afleiding van den naam des bergs vanRegina Montiumboven dien vanMons Rigidusden voorkeur te geven. Stadler evenwel raadde hem aan om zich niet met die afleidingen te vermoeijen, want dat zoo lang hem en zelfs zijn vader, dieook gids geweest was, heugde, de berg nooit een anderen naam dan Rigi had gedragen.—Het weêr hield zich beter dan men gedacht had, en zonder tegenspoed bereikte mendas untere Dächli. Het uitzigt van dit punt is reeds schoon en ruim, en werd, toen zij er aankwamen, genoten door een heer van omtrent 50 jaren. Hij scheen in gepeins verzonken; maar op het zien der reizigers stond hij eensklaps op en zeide: “Schoon niet waar? Ik zou wel plan hebben om dit punt uit te teekenen.”“Wel, doe het eens, Mijnheer!” zei Torteltak; “ook nu met dit sombere weder kan het een heel bevallig schilderijtje opleveren.”“Ja maar,” zei de ander, “ik kan niet teekenen. Maar ik wil, zoodra ik te huis kom, een meester nemen; en als ik de kunst onder de knie heb, hier nog eens weêrom komen. Een leelijk gebrek in mijne opvoeding, dat ik het niet geleerd heb. Als ik eens kinderen krijg, zal ik daar beter in voorzien.”“Ik wil u niet tauxeren,” zei Torteltak; “maar daar behoort nog al iets toe, om zoo iets onder de knie te krijgen.”“Dat is niets, Mijnheer! vlijt en langdurige oefening kunnen daarin veel te gemoet komen. Ik verbeeld mij, als ik eens een jaar of twaalf in eenatelierdoorbragt, en dan eens een Italiaansch kunstreisje maakte, dat ik een heele bol kon worden. Dan verkocht ik mijne affaire, en ik zou, geloof ik, nog wel naam kunnen maken als schilder. Doch ik heb geen plan om de jonge schilders in hunne fantastische kleedingswijze te imiteren, maar wel in hunne vrolijkheid. Ik gevoel dat ik aanleg heb om schilder te worden; want ik ben altijd vrolijk.”Torteltak recommandeerde zich, om dan ook bij gelegenheid zijne kunststukken eens te mogen zien, en de oude heer gaf hem terstond zijn adreskaartje.Bovendas untere Dächli, waar de beschilderde kruisen den weg in stations verdeelen, tot aan de kapel vanMariazum Schnee, wordt de weg steiler en moeijelijker. “Het spijt mij,” zeide de oude heer, “dat ik het plan, dat ik had, toen ik hier de laatste maal was, om eenen straatweg over den Rigi aan te leggen, niet ten uitvoer heb kunnen brengen. Dat zou het beklimmen merkelijk gemakkelijker gemaakt hebben.”“Ik wou dat gij het gedaan hadt,” zei De Morder, “want het is nu in het geheel geen weg voor een fatsoenlijk man; zelfs met deze miserabele stokken heeft men nog ieder oogenblik kans, om armen of beenen te breken.”“’t Spijt mij ook,” zei de oude heer; “maar ik werd gecontrarieerd; niemand wilde acties nemen, en mijne middelen lieten het niet toe, om het geheele geval voor eigen rekening te nemen. Dat heeft mij al meermalen gehinderd in het uitvoeren van waarlijk goede plannen. Hier in mijn portefeuille heb ik nog een project, om den loop van den Rijn, bij den waterval van Schaffhausen, te verleggen, door het graven van een kanaal van boven de stad tot aan Rheinau. Dat zou den handel van Zwitserland verbazend bevorderen. Hier is het; zie het eens in, Mijnheer!” zeide hij, zich tot Van Aartheim wendende.“Het plan is mooi,” zei deze, “maar het eenige, dat ik er op aan te merken heb, is, dat het onuitvoerbaar is.”“Dat is mij meer gezegd,” zei de oude heer, zonder zich eenigzins aan deze aanmerking te ergeren; “maar het is geen reden, om het niet eens te beproeven.”Tot aan het vierde kruis, waar zich de weg van Lowerz met dien van Art en Goldau vereenigt, en waar de steilheid weêr vermindert, bleef het weder goed, schoon de donkerheid, door de wolken veroorzaakt, op de duisternis des avonds anticipeerde; maar toen begon een liefelijke regen in overdadige mildheid neder te vallen. De gids bediende zich van zijnen parapluie om droog te blijven, en raadde den reizigers van hunne stokken gebruik te maken, om spoedig aan hetHospitiumte arriveren. Deze raad wasevenwel gemakkelijker gegeven dan opgevolgd. De weg werd er door den regen niet beter om. Sommigen der reizigers begonnen te morren, zonder daarom de nederdaling des regens te stuiten; de anderen stapten zoo moedig voort, alsof er niets gebeurde; de oude heer zeide, dat hij wel plan zou hebben, om zijn mac-intosh uit zijn valies te halen, zoo hij dat niet ongelukkig te Zurich had laten liggen. Maar met dat al, de bui werd zoo hevig, dat in weinige oogenblikken aller kleederen doortrokken werden, en de omgebogen hoedenranden het water bij wijze van goten in den hals en langs den rug uitstortten. Gelukkig bood, na een eindweegs, eene overhangende rots eene schuilplaats aan, waar men ten minste eenige oogenblikken de bui kon afwachten.Een kleine vergoeding voor het doorgestane leed bood het uitzigt, dat men van hier op de vallei had. De lucht was, zoo ver men zien kon, met donkere wolken bedekt. Overal daalde de regen in dikke stralen neder; maar op één punt was de lucht gebroken, en in het midden der graauwkleurige landstreek zag men het schoone kleine meer van Lowerz in een helder licht, en het bevallige eilandje Schwanau, waarover de zon al haren glans scheen uit te storten.“Neen maar waarlijk,” zei Pols, terwijl hij zijne natte wangen en voorhoofd afdroogde, “dit uitzigt is een gulden waard.”“Ik zou wel plan hebben,” zei de oude plannenmaker, “om hier een stukje lands te koopen en een koepel te bouwen; want het is hier een gezigt, waaraan men zich niet kan verzadigen.”“Het zou een perfecte gelegenheid wezen voor een theetuin,” zei Pols, wien het op eens inviel, welke aangename middagen hij in der tijd bij zijne tante te Rotterdam, die een theetuin in de Keerweerlaan had, plagt door te brengen.“Het is jammer, dat het voor u beiden wat ver van huisis,” hernam Torteltak, die op het kaartje van den ouden heer gezien had, dat hij zijn domicilium te Stutgard hield.“Dat is niets,” zei deze: “heeft Mijnheer geen zaken omhanden?”“Voorloopig nog niet,” antwoordde Pols; “ik ben advocaat, maar ik practiseer niet.”“Juist,” zeide de ander, “dat is zoo goed als vrij man: dan moesten wij zamen op dat eilandje Schwanau eene fabriek oprigten van zoeten wijn, uit zure appelen getrokken; dat kan hier wel opnemen, want de wijn is in deze streek niet best.”Pols glimlachte en zeide, dat hij zich nog eens bedenken zou. Hij dacht in zichzelven: “Wat zou Mijntje wel zeggen, als ik haar eens proponeerde om naar Schwanau te verhuizen!”Omstreeks zeven ure bereikte men hethospiceen de woning der Capucijnen: men had zich genoodzaakt gezien, de reis te vervolgen, voordat de regen geheel ophield, daar de bui het air had nog niet spoedig te zullen overdrijven. Een oud eerwaardig vader ontsloot de deur en bood den reizigers verkwikking aan; hij leidde hen daarna rond in het kleine gebouw, en introduceerde hen ook in zijne enge cel. Het zag er treurig uit in dat bouwvallig vertrekje; het was maar gelukkig, dat de kleine glasruitjes weinig licht toelieten om deze vervelooze wanden en halfvermolmde meubels te beschijnen; maar toch, de Capucijner zeide nog met zeker welgevallen: “Ziet, deze kamer is de mijne.”“Zij is waarlijk niet te ruim en te gemakkelijk,” zei De Morder.“Ik zou mij hier gruwelijk vervelen,” zeide Pols: “des zomers zou het nog gaan, als er veel vreemdelingen komen; maar ’s winters moet het hier al akelig eenzaam wezen.”“Ik zou wel plan hebben ook een klooster te laten bouwen, als zoo iets bij de Lutherschen mode was,” zeide de oude heer; “maar ik zou het alles wat op een grooter enruimer voet inrigten, en wat meer gelegenheid tot amusementen geven, om de eentonigheid te verminderen.”De Capucijner glimlachte. “Gij zoudt er anders over denken,” zeide hij, “indien gij, zoo als ik, 60 jaren in deze cel gewoond hadt. Wat zou ik hier meer verlangen? Is het hier niet ruim genoeg voor mij alleen? Heb ik niet mijn kruisbeeld en mijn gebedenboek? En als ik ’s avonds den helderen hemel uit mijn venster aanschouw, zie ik dan niet mijne toekomstige woning daar, nog hoog boven die maan en sterren? Zegt mij, hebt gij in uwe ruime zalen en prachtige steden een helderder uitzigt?”“Ik zou het lot van dien monnik in zijne enge cel begeerlijk kunnen vinden,” zei Van Aartheim tot Torteltak.“Ik ook,” zei deze; doch terwijl hij het oog sloeg op zijn fijne polonaise, dacht hij: “Maar toch die grove pij; het is al te erg.”Op de Rigistaffel werd niet gepoosd, schoon De Morder, die vrij vermoeid was, eene motie deed om hier te blijven, daar hij niet wist waarom deKulmook juist hooger dan deStaffelmoest wezen. Gelukkig kwam weldra hetWirthshausvan Burgi Ritschard in het gezigt; want het werd zeer duister, en de regen hield nog gestadig aan, schoon nu nog al met sneeuw vermengd. Het laatste eind was echter het glibberigst, en hetnoodlottiggevolg hiervan was, dat Holstaff, die in gepeins verzonken voortwandelde, uitgleed en zijwaarts in een vijf à zes voeten diepen kuil viel. De eerste kreet van den ongelukkige was: “Hemel! ik val in den afgrond!” maar de tweede bragt de geruststellende tijding over, dat hij slechts zijne beenen gebroken had, en dus onmogelijk een voet verder verzetten kon. Pols, heel confuus, maar toch dadelijk hulp willende aanbrengen, vroeg aan den gids, waar hier ergens de beste chirurgijn woonde. Aloys Stadler antwoordde heel bedaard, dat hij de keuze had tusschen Zug en Lucern. De andere vrienden staken de handen uit, en namen den ongelukkige tusschen zich,die hun weldra verzekerde, dat hij geloofde, slechts een zijner beenen gebroken te hebben, maar dat hij nog onzeker was, welk van beiden. Hij klaagde tevens over eene hevige wondkoorts, die hem terstond geattaqueerd had, en die, zoo hij de beenbreuk al overleefde, hem zeker wel langzamerhand zou ondermijnen. De vrienden troostten hem zoo goed zij konden. Pols stapte met Stadler driftig vooruit, om vast alles in het logement te prepareeren, en vernam van dezen, dat zijn vriend er toch nog beter afgekomen was dan deKöniglich Preusische Oberförster, Friedrich Wilhelm von Bornstettaus Rathenow, die anno 1826, een weinig hooger op, in eene diepte gevallen was van ongeveer 2000 voet, en zijneFrau Gemahlinals weduwe in hetKulmhaushad achtergelaten.“Wij komen met een zieke,” zei Pols tot den kastelein, “iemand die bijna doodgevallen is; dus zouden wij gaarne eene goede kamer hebben, maar liefst niet voor aan ’t huis, waar de drukte van de passage is.” De kastelein was in de gelegenheid hem van dien kant gerust te stellen, en raadde hem aan, om maar in de groote zaal intrek te nemen, omdat daar een warme kagchel stond en die nu geheel tot hunne dispositie was. Weldra volgde de lijder, door vier vrienden ondersteund, telkens bij het neêrzetten zijner beenen onderzoekende, welk toch gebroken was, en nog immer in dezelfde pijnlijke onzekerheid. Van Aartheim raadde hem voorloopig maar te gaan zitten, en schreef een preparaat voor, dat den lijder in de koorts en hun allen tegen den schrik dienstig zou zijn, uit een mixtuur van Jamaica-rum, citroenen en suiker, aangelengd met kokend water, bestaande. Holstaff werd ontkleed en kreeg drooge kleêren van den kastelein; de gekwetste leden werden onderzocht; doch de wonden schenen, oppervlakkig beschouwd, alleen de spieren getroffen te hebben, die hier en daar van vel ontbloot of met bonte kleuren geteekend waren. Pols, een weinig gerustgesteld, had het genoegen,ditmaal den door hem meêgevoerden Spijkerbalsem tezienappliceren.Terwijl ook de andere vrienden zich zoo veel mogelijk in drooge kleederen staken, vroeg Holstaff om papier en pennen; hij wilde nog een brief aan zijne ouders schrijven, en vond het beter, dit nu maar te doen, terwijl hij nog present was. Hij begon ook dadelijk met bevende hand en vochtige oogen: “Lieve ouders! als gij dezen ontvangt, is welligt...”—“Hier is een drankje,” zei van Aartheim, hem een glas rookenden punch aanbiedende; “om het half uur een glaasje.” Holstaff dronk het glas in één teug leêg, en ging daarna voort met schrijven; “uw levensgeluk verstoord.”—“Hoe gaat het met de koorts?” vroeg Torteltak.—“Akelig,” zei Holstaff; “ik begin schrikkelijk te gloeijen.”—Hij legde de pen neêr, en voelde zichzelven den pols.—“Kom, je moest nog maar eens innemen,” riep van Aartheim; “het eerste glaasje was niet vol.”—Holstaff nam den aangeboden drank weêr heel gewillig in, en ging toen voort: “Een mijner vrienden zal u mededeelen... Wie uwer,” vroeg hij snikkende, “wil zich met den brief aan mijne ouders belasten?”—“Komaan!” zei Pols; “je moet zoo akelig niet praten.”—“Wou Mijnheer een brief naar Holland bezorgd hebben?” vroeg de oude heer: “ik heb plan, als alles wel lukt, binnen kort een reisje derwaarts te ondernemen.”—Holstaff bleef in gedachten verzonken, totdat hij eindelijk, na nog een glaasje punch gedronken te hebben, zijne vrees openbaarde, dat hij waarlijk onpresent zou worden. En werkelijk, weldra stond hij op, en zonder aan het gevaar te denken, waaraan hij zijne gebroken beenen exponeerde, liep hij met groote stappen op en neder, jammerde, dat hij zijn brief niet had afgeschreven, voordat de koorts zoo hevig werd. Torteltak raadde hem troostend aan, om de boodschap bij den retour maar in persoon over te brengen; en de ongelukkige lijder, geen beteren troost bij een der vrienden vindende, zocht,door zich op een matras neder te vlijen, heul en kalmte in de rust des slaaps.Zijn voorbeeld werd door de anderen spoedig gevolgd; geen hunner scheen lust te gevoelen om de koude bovenkamers te betrekken, en dus werd de warme gezelschapszaal tot slaapvertrek ingerigt. De kastelein beloofde, zoo het noodig was, hen bij tijds te zullen wekken, en in de overtuiging hiervan sliepen zij gerust in.Een half uur vóór zons-opgang gaf de wachter op deBelvédèrehet sein, dat de regenwolken waren weggedreven, en de morgen helder en schoon was. Haastig gaven de reizigers en ook Holstaff, die nog niet dood was, aan die roepstem gehoor, en wachtten van het hoogste punt des bergs, trillende van ongeduld, maar nog meer van koude, de aankomst van de zon af. Daar zagen zij langzamerhand in het oosten... maar wij willen maar niet trachten te beschrijven, wat wij zagen. Honderden reisbeschrijvers hebben getracht dit tafereel met levendige kleuren te malen, en hoe schoon zij het ook gedaan hebben, zij eindigen allen met te zeggen, dat het er eigenlijk nog niets naar gelijkt; honderd anderen hebben er zich afgemaakt, met te verklaren, dat geen mensch in staat is, er eene flaauwe schets van te geven. Wij zullen, na die afdoende uitspraak, maar niets anders zeggen dan dat de zon extra mooi opging, dat het geheele panorama zich in zijne volle schoonheid vertoonde, dat het opkomende licht weêr een heerlijk effect maakte op de vallei aan de eene en de sneeuwbergen aan de andere zijde, en dat de kastelein zijne gewone morgenverklaring aflegde, dat de reizigers het uitmuntend troffen, want dat hij de zon nog nooit zoo mooi had zien opgaan. De verrukking der vrienden was uitermate groot; daar waren er, die, diep ontroerd van het heerlijk schouwspel beneden, hunne oogen aanbiddend omhoog sloegen; daar waren er, die met hun guide in de hand, de meren natelden, of zij er wel alle dertien op hunpost waren, en die bij elken toren, welken zij zagen, getrouw informeerden, aan welke stad of dorp die toebehoorde; anderen weder riepen, bij het zien van een zoo groot gedeelte van Zwitserland, de schimmen op der Zwitsersche helden, van Divicon af, die eerst als jongeling de legers der Romeinen versloeg, en vijftig jaren later, Julius Caesar in het aangezigt weêrstond, tot de lange rij van dapperen toe, die in de 14e eeuw de vrijheid van hun Vaderland tegen tiendubbele magt bevochten; van Tell en het driemanschap van den Grutli, van de Erlachs van Donnabuhl en Laupen, van de dappere Schwytzers, die zich bij Morgarten onsterfelijke lauweren gaarden, van Ryzig en Chaldor, de Tells van Appenzell, van Winkelried, die bij Sempach de speren der vijandelijke ruiters op zijn eigen hart verzamelde, om zijne vrienden de overwinning te verzekeren; daar waren er, die, zich in vrouwelijken heldenmoed verdiepende, de gade van Werner Stauffacher aanriepen, welke zelve haren man het zwaard in handen gaf, om de vrijheid van het Vaderland te bevechten; en de dappere vrouwen en meisjes, die door hare tegenwoordigheid alleen de Oostenrijkers verdreven, op den berg Stoss terugwenschten; die beurtelings de zachte Julia Alpinula aan de voeten van den Romeinschen Veldheer, het leven van haren vader afsmeekende, en de wanhopige Helvetische vrouwen bewonderden, welke, uit vrees haar kroost slaven te zien worden, hare zuigelingen tegen de casques der vijanden verpletterden; daar waren er, die morden, omdat zij Zwitserland een weinig te laat bezochten, om de prachtige steden Aventicum en Vindonissa in haren grootsten bloei te zien; daar waren er, die plan zouden hebben, om op dit uitzigt een vers te maken, indien zij het door langdurige oefening zoo ver konden brengen, dat zij geboren dichters werden; en eindelijk, die het allercharmantst, maar toch verbazend koud vonden.Toen zij eenige uren later den Rigi naar Kussnacht afdaalden, bejammerde niemand hunner het, dat zij dezen morgen met het natte pak van gisteren avond hadden moeten loopen; en zelfs Holstaff was niet meer treurig, dat het effect, ’t welk zijn laatst vaarwel bij zijne ouders zou gemaakt hebben, door zijn al te spoedig herstel vernietigd was.Hoofdstuk XIX.Waarin Pols in zijne verwachting, om een der schoonste dagen van zijn leven in vreugde te vieren, door veelvuldige rampen bitter wordt teleurgesteld.Het is wel aangenaam voor vreemdelingen, in een hotel te logeren, dat in eene niet al te breede straat gelegen is; want indien er in zulk een straat nog al veel passage is, dan noemt men het een vrolijke stand; dan kan men, op eene bovenkamer logerende, als men zijn ligchaam ter halverwege uit het venster steekt, verscheidene menschen op het hoofd zien, en eene aangename en bonte verwarring van vilten, stroo- en zijden hoeden ontwaren; men heeft daarenboven den vrijen inkijk bij de overburen, kan zich vermaken met het gezigt van heeren, die hunne kin en wangen voor een scheerspiegeltje inzeepen; van dames, die een kastanjebruinen tour over vuurroode haren vastbinden; van moeders, die hare geluijerde lievelingen in zulk eene positie plaatsen, dat zij zich bont en blaauw moeten schreeuwen; van oudere telgjes, die figuurtjes op de glasruiten duimelen, en, als zij u ontdekken, dikwijls gereed zijn u de inspectie hunner tongen te vergunnen; van dienstmeisjes, die uit het raam van een bovenvertrek een luchtje scheppen, eene bezigheid, waaraan zij bij hare mevrouwen den veelbeteekenenden naam geven van eene kamer op te ruimen; indien verder de familie in eene voorkamer dejeuneert, kan men opmerken, hoe oneindig veel aftreksels men van eene zeer geringe dosis thee kan maken, en hoe groot een aantal boterhammen de kinderen aan groote brokken in denmond en kruimels op den grond kunnen consumeren. Men ziet dan schrale en overdadigedejeuners, met slappe thee of met sterken Portwijn, met magere boterhammetjes of metfoie gras, met beefstuks of met pillen; ja, daar zijn logementen, waar men de overburen met gloeijende en saprijke sleep-asperges ziet ontbijten.Dit genoegen misten onze reizigers in hetHôtel du Cygnete Lucern, daar dit logement ongelukkig niet in eene straat, maar aan hetLac des quatre Cantonsis gelegen. Zij moesten zich dusvergenoegenmet het uitgestrekte uitzigt over het blaauwe meer, tot waar het zich bepaald ziet door de bevallige heuvelen, rijk met dennen en ander hout begroeid; daar achter zagen zij de lange bergketen van den vruchtbaren Rigi met welig groen omzoomd, tot de sombere rotsen van den Pilatus, tegen wier spitsen zich de wolken braken; het hoog en frisch geboomte spiegelde zich in het helder doorschijnend water; vruchtbare velden waren als een bloemenkleed tegen de helling des bergs uitgespreid, en gaven eene aangename afwisseling aan het oog, dat in het verder verschiet gerust had op de hooge bergrotsen, wier naaktheid alleen door een sneeuwgewaad wordt bedekt.Het kostte den vrienden weinig moeite om het den kastelein te vergeven, dat hij aan deze plaats tot de oprigting van zijn etablissement de voorkeur gegeven had boven de enge straten der stad. Moesten zij zich al vergenoegen met het gezigt op bergen en meren, waar zich slechts weinige menschen bewogen, in plaats van een groot aantal hunner natuurgenooten in een klein bestek bijeen te zien; welnu, het stond hun vrij hunne verbeelding den vollen teugel te laten, en het liefste plekje, dat zij voor zich zagen, met die zij het liefst om zich wenschten te bevolken. Het is een privilegie van den reiziger, om eene landstreek, die hem bij uitstek bevalt, de zijne te denken, en op die manier kan hij eigenaar zijn zonder kooppenningen te betalen, en een talrijk gezelschaphonderdenmijlen ver overvoeren zondereen stuiver reisgeld uit te geven. Het is een privilegie, waarvan vooral jonge menschen, die in de kracht van hunnen wenschleeftijd zijn, die nog niet al te veel in de wereld der wezenlijkheid te huis behooren, en door een lange tehuisblijf-onderving tot het resultaat gekomen zijn, dat er geen land beter is dan het hunne, en in dat land geen plekje aangenamer dan juist dat, waar zij wonen, nog al eens gebruik maken. Zij doen echter wijs, indien zij deze droomen en jeugdige voorstellingen in hun eigen borst bewaren, en ze vooral niet aan menschen, die wijs en van ondervinding zijn, meêdeelen; want velen hunner zijn voorkomend genoeg, om den jeugdigen gloed, dien de tijd langzaam en behoedzaam verkoelt, door hunne ijskoude aanmerkingen op eenmaal uit te blusschen.Daar waren er zeker onder de vrienden, die allen, met uitzondering van Pols, reeds een geruimen tijd in den morgen op het balkon van het hotel hadden neêrgezeten, wie de landstreek, op welke zij het uitzigt hadden, tot zulke bespiegelingen aanleiding gaf. Zij hadden daarom ook naauwelijks opgemerkt, dat hun waardige vriend heden tegen zijne gewoonte laat uit zijne slaapkamer te voorschijn kwam, en misschien zou zijne aankomst in hun midden nog niemands aandacht getrokken hebben, zoo niet een extra glans van genoegen en de bijzondere sierlijkheid zijner kleeding al te in het oog loopend was geweest. De blaauwe jas toch had heden voor een zwarten rok plaats gemaakt; een uitvoerige jabot kwam uit een wit vest te voorschijn, en een zomerpantalon met roode streepjes (een patroontje, dat hem zijn kleêrmaker in der tijd, als zeer gedistingueerd, had aanbevolen) voltooide zijn kostuum; een treffend schoon horlogiebandje, met kraaltjes gewerkt, hing over het vest, en eindigde in een kolossalen gouden sleutel, opgevuld met menschenhaar, afkomstig van de hoofden van de oude lieden Polsbroekerwoud en den jeugdigen Joachim zelven,voorgesteld onder de gedaante van twee kirrende tortels en een jong duifje op den rand van het nest.Geen der vrienden kon de oorzaak bevroeden dezer belangrijke gedaanteverwisseling. Pols was bij hen te wel bekend, als weinig werk makende van zijn toilet; en schoon ook nu zijn dos alles behalve datgene was dat men een goede kleeding noemt, hij scheen het er op toegelegd te hebben, om eens mooi voor den dag te komen. De goede man werd dus dadelijk met allerhande vragen bestormd, en had de satisfactie van werkelijk effect te maken. In het eind gaf hij te kennen, dat deze feestkleeding zijn gewone was op elken 22stenJuli, als zijnde de belangrijke dag, waarop hij het eerste levenslicht had gezien. Een stroom van gelukwenschen daalde nu neder over het hoofd van den jarige, en men juichte hem toe wegens den inval om zich dezen dag zoo feestelijk te tooien.Deze uitdrukking was maar half in den geest van Pols. Hij was zoo gewoon den dag, waarop hij geboren was, jaarlijks plegtig te vieren, en hij had van zijne vroegste jeugd altijd zoo velen om zich gezien, die dan in feestelijke stemming waren, dat het hem bijna vreemd voorkwam, dat er menschen zouden kunnen bestaan, die den 22stenJuli niet als een merkwaardigen dag beschouwden. Hij kon het zich nog voorstellen, hoe hij als een klein kind op dit feest altijd zijn beste pak mogt dragen; hoe hij ’s morgens bij zijn ontwaken voor zijn bedje een grooten koek zag liggen, met eene inscriptieter uwer verjaring,op uwen geboortedag,tot gelukwensching, of iets dergelijks, en hoe dan de persoon, die hem deze verrassing bereid had, niemand anders dan zijn goede Mijntje, het oogenblik van zijn ontwaken bespiedde, om zijne vreugd te genieten; hoe hem dan beneden van vader en moeder teedere omarmingen en warme kussen wachtten, en hoe hij begeerig zijne oogen naar de tafel opsloeg, waar de feestgeschenken lagen uitgespreid; hoe hij nooit op dien dag naar school behoefdete gaan, maar zelf naar het afgebrande huis mogt wandelen, om bestenjanhagelte koopen, waarop neef en nicht Van Kroesen en oom en tante Molslag en Jansje uit de Lommerdstraat, als zij hunne gelukwenschen hadden uitgestort, werden getracteerd. Hij stelde zich nog de avonden van die feestdagen voor, waarop hij met dat lieve Jansje en nog een paar andere nichtjes huishoudentje speelde; want in zijne kinderjaren behaagde hem de conversatie met meisjes oneindig meer dan die met zijne woeste kernuiten, aan welke hij dikwijls een blaauw oog of een bloedneus te danken had. De verjaardagen uit dezen tijd van zijn leven stonden onzen vriend het duidelijkst voor den geest, en gaven hem de genoegelijkste herinneringen. Maar later toch ook waren het aangename feesten; decadeauxwerden langzamerhand grooter. Zijn vader schonk den leerzamen jongeling bij zulke gelegenheden menig solied boekwerk: Van der Aa,Geschiedenis van den Oorlog; Kok,Vaderlandsch Woordenboek, of dergelijken. Zijne moeder liet altijd een kolossalen tulband bakken; want ook de feesten werden deftiger, en Joachim wist zich reeds heel goed als held van de partij te houden. Gedurende zijn verblijf te Leyden plagt hij ’s morgens eene uitgebreide waterchocolaadpartij te geven, en verder eene lievesoiréeaan zijne uitverkorenen, waar dan de stroopzolen en de peperkoek, die per pakschuit van Rotterdam arriveerden, werden genuttigd. Was het dus wonder, dat Pols, die nog nooit zijn verjaardag ongevierd had doorgebragt, zich ook heden te Lucern in zijne feestkleeding vertoonde?Helaas! dat het onschuldigst genoegen zoo vaak door de omstandigheden wordt verstoord! Moest juist heden een heir van onaangenaamheden en droevige voorvallen tegen den feestvierenden jongeling aanrukken? Moest al zijne vreugde vergald worden, en zijn vijfendertigste verjaardag met zwarte kleuren in zijn dagboek worden aangeteekend!Toen men zich op weg begaf, om de merkwaardigheden der stad in oogenschouw te nemen, moest men, daar het water van het meer door zwaren regen en dubbelen toevoer van de bergstroomen tot eene onmatige hoogte gestegen was, om uit het logement op de hoogere straten te komen, over planken en noodbruggen voortgaan, daar de weg voor het hotel geheel en al overstroomd was. Deze onaangenaamheid had evenwel voor Pols iets aangenaams, daar het hem onwillekeurig aan Rotterdam bij springvloed deed denken. Hij stapte dus vrolijk over de smalle planken voort; maar ziet, eene calêche, die door het water heenrijdt, passeert hem, en de onzachte beweging der paardenpooten in den stroom is oorzaak dat zijn hagelwitte jabot geheel door slijkspatten bezoedeld wordt. “Het is onaangenaam,” zegt Pols; doch hij troost zich, en haalt zijn bonten zakdoek voor den dag, om de ramp zoo veel mogelijk te herstellen.Maar helaas! door de te hevige wrijving met den doek springt het beeldschoone horlogiebandje los, en de gouden sleutel, met de zinnebeeldige voorstelling van het huwelijksgeluk zijner ouders, ploft eensklaps in het water. Dit is te veel! Schrik en droefheid betwisten zich het regt over des jongelings gelaatstrekken; maar zijn besluit is spoedig genomen; hij bukt, waagt zijn geheelen arm en het beste ongedecartiseerde laken aan het modderige vocht—en niet te vergeefs; want hij redt het voorwerp, dat hem van onberekenbare waarde is; maar ach! door den val is het glas gebroken, en de haren projectilen zijn van haren glans en zuiverheid beroofd. Treurig slaat Pols zijn oog er op, maar terstond is hij weêr met den zakdoek gereed; hij wil de vochtige vleugels der diertjes zachtkens afdroogen; doch hij berekent niet, dat haar eenige hechtsel aan het plaatje lijm is, en zijne verbazing grenst aan wanhoop, toen hij bemerkt dat de veertjes aan den doek kleven. Gelukkig is nog slechts het duifje op het nest gewond; dit verlies isnog beter te herstellen, dan wanneer een der kirrende tortels eene kwetsuur had ondergaan. Behoedzaam draagt hij de schilderij dus naar het logement terug, in hoop dat de vochtigheid verder aan de arme dieren geen letsel zal doen. Dit was de eerste ramp, die Polsbroekerwoud op zijnen vijfendertigsten verjaardag trof.Na eenige uren in het bezigtigen der inrigtingen binnen de stad te hebben doorgebragt, bezochten de vrienden ook de plaats, waar de beroemde Leeuw van Thorwaldsen te zien is. Dit waardige gedenkteeken van den heldenmoed der Zwitsersche garde, te Parijs in 1792 betoond, wekt, door het eenvoudige en poëtische der gedachte van den grooten meester, aller bewondering op, en zoo het dienen moet om den moed en trouw der brave Zwitsers in het geheugen te bewaren en aan de nakomelingschap over te brengen, het is verwonderlijk hoeveel meer het monument vermaard is dan het moedig gedrag der helden zelf. Nu evenwel is de oude Zwitser nog als guide daar, om u het feit, waarvan hij zelf deelgenoot was, in het geheugen terug te roepen; en het is opmerkelijk, met hoeveel meer warmte en natuurlijkheid hij van de verdediging der Tuileriën spreekt, dan wanneer hij, om u op de schoonheid van het gedenkteeken aandachtig te maken, altijd dezelfde geleende woorden bezigt: “L’expression du lion mourant est sublime; le tronçon de la lance qui l’a percé est resté enfoncé dans son flanc; il étend sa griffe redoutable comme pour repousser une nouvelle attaque; ces yeux à demi fermés, vont s’eteindre pour jamais, et cependant son regard semble menacer encore; sa façe majestueuse offre l’image d’une noble douleur et d’un courage tranquille et resigné.”Terwijl de vrienden een zijpad insloegen, om de rots, waarin de leeuw uitgehouwen is, van naderbij in oogenschouw te nemen, bleef Pols bij den ouden Zwitser, dien hij vond dat zoo aardig kon keuvelen, en van wien hij nog eens iets naders van de zaak wilde vernemen. Daaromde inscriptie van het monument nog eens overlezende en ziendeFortissimi pugnantes ceciderunt DucesXXVI, Milites circiterDCCLX, zeide hij tot den veteraan:“Mais il y a beaucoup de morts la dessous.”De Zwitser keek hem verwonderd aan; hij kon zich geen denkbeeld maken, dat iemand eene rots van honderde voeten hoog, een soort van berg van het hardste steen, als eene simpele zerk beschouwde, die men op een graf gelegd had. “Je ne comprends pas,” zeide hij, zijn hoofd schuddende.Pols begreep dat hij zich verkeerd had uitgedrukt; daarom het gesprek eenen anderen draai gevende, zei hij:“Mais c’etait la une fameuse bataille aux Tuilleries.”“Morbleu,” zeide de Zwitser, “c’etait un carnage; nous étions un contre quatre.”“Dat was moordenaarswerk,” riep Pols met verontwaardiging.Maar naauwelijks had hij dit woord uitgesproken, of hij voelde zich heel onzacht bij den schouder grijpen. Verschrikt zag hij om. Hij meende in het eerst, dat hij met een van de revolutionaren te doen had, die het in der tijd de Zwitsers zoo benaauwd hadden gemaakt, en prepareerde zich om eene verzoenende phrase in het midden te brengen, toen hij in den persoon, die hem aangreep, een der Franschen herkende, die hij in de HeidelbergscheSchlossruïnenhad ontmoet, en aan zijne zijde den anderen cavalier en de dame, welke nu in eene intime conversatie was met een Engelschman, die er alles behalve gedistingueerd uitzag. Pols wist niet, waar hij zich bevond, en indien de pijnlijke gewaarwording, door de onzachte aangrijping van zijn arm veroorzaakt, hem niet voor die dwaling behoed had, hij zou gemeend hebben te droomen. In het eerst wist hij niet wat te doen, zich bedaard houden of driftig opstuiven, toen hij, bedenkende, dat het voor de dame, die zich ten zijnen opzigte zoo vergist had, onaangenaamzou wezen hem te herkennen, besloot zich vreemd te houden, evenwel geheel alleen om harentwille; want hij was, na den goeden afloop der vorige historie, volstrekt niet bang meer. Maar hoe vreemd kwam het hem voor, toen op eens de dame zelve naar hem toekwam, en, hem ombeschaamd aanziende, lagchende zeide:“Eh bonjour, mon cher Milord!”“Comment, Madame?” zei Pols ontzet; want nu eerst werd het hem duidelijk, dat de dame mede in het complot tegen hem betrokken was.“Lache!” riep een der cavaliers hem toe.“Poltron!” begroette hem de andere.Onze vriend voelde zich het bloed naar ’t hoofd stijgen; hij werd driftig en bedroefd tevens over deze nieuwe onaangenaamheid, waarin hij zich op zijn vijfendertigsten verjaardag geplaatst zag. De Zwitser was intusschen in de kapel gegaan, waar hij hoopte nog eenige afbeeldingen van het monument te verkoopen. Pols bleef dus alleen, even als de garde in 92, één tegen vier. Het was daarom eene uitkomst voor hem, toen hij Van Aartheim zag aankomen, en de dame, dezen ziende, onmiddellijk den arm van den Engelschman losliet, en onder den uitroep: “Mille tonnerres, c’est encore lui!” met de Fransche cavaliers in de kapel retireerde, schoon de Engelschman hun ook toeriep, dat zij maar blijven moesten, want dat die heer zoo kwaad niet was, als zij wel dachten.Nu meende Pols dat de zaak weêr gered was; hij had de magt gezien, die Van Aartheim over de Fransche gelukzoekers uitoefende; hij meende nu, dat hun Engelsche complice ook slecht van de reis zou komen. Groot was dus zijne verbazing, toen deze, in plaats van eenigszins confuus te worden, de linkerhand uitstak, en zijnen vriend op familjaren toon begroette “How do you do, Van Aartheim?”Van Aartheim en Lurgrave.Van Aartheim en Lurgrave.Deze scheen heden volstrekt geen lust te gevoelen, om op den toon, waarop hij te Heidelberg sprak, te beginnen;wel met eenigen weêrzin, maar toch zonder aarzelen, nam hij de aangeboden hand aan, en mompelde naauwelijks hoorbaar: “Mr. Lurgrave!”Gedurende het discours, dat nu volgde, had Pols schoon hij maar enkele woorden begreep, gelegenheid om zich zoo veel te ergeren als het hem maar lustte; want de Engelschman, die op zeer hevigen en onbeschaamden toon sprak, en wiens geheele uiterlijk dicteerde, dat hij, of niemand, een schurk was, scheen over Van Aartheim zulk eenpoidste hebben, dat deze steeds concessies deed en bijna altijd op verzoekenden toon tot hem sprak. Zij schenen zich beiden weinig om Pols te bekommeren, en deze zou, daar hij toch in Van Aartheim teleurgesteld was, weinig op het discours hebben gelet, zoo niet de Engelschman den naam Torteltak met het vereerend epitheton vandamnedgenoemd had. Nu begon hij scherper toe te luisteren, zonder daardoor evenwel eene syllabe meer te verstaan. Eindelijk, toen ook de andere vrienden weêr in het gezigt kwamen, verliet Lurgrave de Hollanders en sloot zich weêr aan het Fransche reisgezelschap aan; fier passeerde hen de dame, aan den arm van den Engelschman vertrekkende, en de cavaliers, die haar volgden, keken de vrienden trotsch aan, met overmoed hunne vreeselijke knevels omhoogstrijkende.De terugwandeling was geenszins door vrolijkheid gekenmerkt. Van Aartheim was stil en afgetrokken. Pols zag beurtelings hem wantrouwend en Torteltak deelnemend aan. Hij vreesde zeer dat tegen dezen vriend een aanslag gesmeed werd, en wist voorloopig nog volstrekt niet, hoe hij dat geval behandelen moest. Hij begon te wenschen dat Veervlug dien vreemdeling maar nooit in hun midden gebragt had; maar van den anderen kant kon hij toch niet gelooven, dat hij een slecht mensch was. Hij had gedurende de dagen, die zij te zamen hadden doorgebragt, zulk eene edele denkwijze aan den dag gelegd en allenzoo zeer aan zich geboeid, dat hij òf een goed mensch, òf een vreeselijk huichelaar moest wezen. Dit en de vrees, dat de twee natte tortels niet goed zouden opdroogen, martelden den goeden Pols zoodanig, dat hij oogenblikken had, waarin hij geheel vergat, dat hij heden zijnen vijfendertigsten verjaardag vierde.Zoo kwamen zij in het logement aan, waar in de groote zaal deOberkellnerhen te gemoet kwam met brieven uit Holland, die hij op hun verzoek van de post had doen halen. In een oogenblik verdwenen van aller gelaat de wolken van droefgeestigheid en wantrouwen en ontevredenheid Wie ooit, al was het maar weinige weken, buiten ’s lands gereisd heeft, kan zich van hunne vreugde een denkbeeld maken. Men moge al het besluit nemen, om zich die weken niet over betrekkingen en vrienden te bekommeren, en zich met het denkbeeld van “geen tijding, goede tijding” tevreden stellen; daar zijn oogenblikken, waarin men één enkelen regel van eene geliefde hand met goud zou willen betalen; men gunt zich naauwelijks den tijd, om den brief open te breken en te ontvouwen; men leest de phrase “alles is wel” wel honderdmalen over, en schoon men zich volstrekt niet ongerust gemaakt heeft, is het toch alsof er een pak van het hart valt; men verneemt met de grootste belangstelling de onbeduidenste kleinigheden, die in den brief vermeld zijn; want niets omtrent geliefde betrekkingen is in die oogenblikken onbeduidend, niets eene kleinigheid; men vergeet geheel waar men zich bevindt, en droomt zich in het midden van de zijnen; en men is teleurgesteld, wanneer men het papier neêrgelegd heeft, dat men de hand, die ons schreef, niet hartelijk kan drukken.Vier der vrienden riepen dan ook nu spoedig elkander toe: “bij mij is alles wel,” en verdiepten zich verder in de lectuur. Van Aartheim slaakte een diepen zucht, maar zeide toch: “bij mij ook.” Maar Pols, de arme Pols! Hijlas den brief, werd bleek, herlas hem nog eens, en legde hem neder met de woorden: “Dat mij ook dit nog heden moest treffen!”De brief, dien hij ontving, was van den volgenden inhoud:Rotterdam, 13 Juli 1837.Waarde Neef!“Ik ben frisch en gezond, en verwensche van uwé het zelfde te hooren; ware het anders, het zou mij van harte leed wezen. Maar ik bevind mij in de treurige omstandigheid, uwé te moeten melden, als dat gisteren avond, omstreeks half acht ure, uwé huishoudster en dienstmaagd Mijntje Boer, na eene ziekte van slechts weinige dagen, in den ouderdom van 58 jaren en 4 maanden is overleden. Ik denk, uwé deze tijding ook regt leed zal doen; maar vond mij toch verpligt van dit meê te deelen aan uwé adres, zoo als ik het van uwé heb opgeteekend. Heb alles zelf bezorgd voor een eerlijke begrafenis; verhope na uwé genoegen zal wezen, waaraan niet vertwijfel; verwensche uwé verder veel genoegen en gezondheid, en verblijve na groetenissen“Uwé hoogachtende NeefLeendert van Kroesen.”P.S. Mijne vrouw wil, voor ik deze sluit, ook nog een woordje bijvoegen.“Waarde Neef Joachim!”“Uwe zult wel hebben staan te kijken, toen mijn man het u schreef, van Mijntje. Ik kan uwe dan ook wel zeggen, ik er geheel kapot van ben geweest, zoo zelfs, de meester mij een drankje heeft voorgeschreven. Want Mijntje was toch heusch een goede meid, en knap voor haar werk, en nog zoo zindelijk, en eerlijk en trouw als goud, al kwam zij tot hooger jaren. Zij was ook altijd uwe trouwezorg, en die van uwes vader en moeder zaliger, en dat bleef ze tot aan haar dood toe. Zij tobde er wat over, toen zij zoo verslimmerde, zij het huis zoo maar half schoongemaakt achterliet; en ik heb haar tusschenbeiden nog al eens gaan opzoeken, daar zij dan ook heel dankbaar voor was, moet ik zeggen. Ik ging gisteren avond nog eens naar haar toe; maar toen zag ik zelfs wel, zij hard verminderde. Ik zei nog tegen haar: “wel Mijntje, hoe gaat het?” maar zij knikte flaauwtjes. En toen zei ze een kort poosje later: “zal je toch wel de groetenis doen aan den jongen heer?” maar toen heeft ze ook niet meer gesproken; en net kwam de meester, en hij zei, hij geen pols meer voelde, en om half acht was zij al dood. Mijn meid en de meid van den schrijnwerker, schuins over de deur, hebben haar afgeleid, en alles zal eerlijk en ordentelijk toegaan, en mijn man heeft alles heel goed bezorgd. Jongens, jongens, zei ik ’s avonds tegen mijn man; wie had dat kunnen denken! Zondag vier weken, toen uwe nog t’huis was en toen wij naar de avondkerk gingen, zat zij nog voor het gordijntje en groette zoo opgemonterd. Maar nu hebben wij, omdat uwes huis zoo lang niet leeg zou staan, er voor zoo lang Pietje van Sannetje de plooister ingezet, die haar man op ’t geelgieten gaat en dan ’s nachts meê het huis bewaakt. Dat zijn toch ook eerlijke menschen. Nu, waarde neef Joachim! zal ik eindigen;ik zou u nog wel veel willen schrijven, maar ik zit midden in het inmaken, en dat zou bederven. Maar toch, ik moet uwe nog eens vertellen, mijn zoon Hendrik een goed oog heeft laten vallen op Paauwtje Vet van de Botersloot. Nu, ik heb er niets tegen, want het is een eerlijk meisje, en ik heb er nooit een onvertogen woord van gehoord. Maar nu zal ik toch heusch eindigen; na vele groetenissen van ons allen“Uwe waarde NichtS. van Kroesen,geb.Molslag.”Dit was de derde ramp, die Pols op zijn vijfendertigsten verjaardag trof. De vrienden betuigden hem, zoo hartelijk zij vermogten, hunne deelneming; maar Pols bleef stil en zeide: “Niemand weet, hoeveel ik aan Mijntje verlies; zij was geen gewone meid, maar als het ware eene tweede moeder.”DeKellnerkwam annonceren, dat hetdiner, door den Heer Polsbroekerwoud besteld, gereed was. Werktuigelijkvolgdendeze en de overige vrienden, die zeer verwonderd waren, in een bijzonder apartement een zeer fijndinerte zien aangerigt.Op het midden der tafel stond eene groote taart, versierd met zinnebeeldige figuurtjes, die op geboorte en geboortedagen betrekking hadden.“Ik had dat dezen morgen zoo besteld,” zei Pols, terwijl hij zich zuchtend aan de tafel plaatste, “weinig vermoedende, dat ik mijn vijfendertigsten verjaardag zoo treurig zou moeten vieren.”

Hoofdstuk XVIII.Hoe de reizigers den Rigi beklimmen, en hoe het Holstaff tegen zijne verwachting toch nog gebeuren mag, de zon aldaar te zien opgaan.Voor het logementde Zwarte Arend, te Art, stonden reeds langer dan een half uur Joachim Polsbroekerwoud en zijne vrienden in volkomene besluiteloosheid wat te doen. Zij waren daar van Zug aangekomen met het vaste plan om den Rigi te beklimmen, en zouden reeds terstond dit voornemen hebben ten uitvoer gebragt, zoo niet de drijvende wolkjes, die zij vóór eenige uren ontdekt hadden, tot dikke wolken waren aangegroeid, en zich zoodanig om de kruin des bergs hadden vastgehecht, dat men verzekerd kon wezen, op den top geen uitzigt te zullen hebben dan in den digten sluijer, die het landschap overdekte en de communicatie van het heldere zonlicht met het frissche groen en het doorschijnend water afsloot. Wel konden zij, zonder zich hierover te bekommeren, den togt aanvangen; maar zij liepen gevaar eene vruchtelooze reis te maken, en het hemelsche vocht, dat tot verfrissching van gras en geboomte bestemd was, in hunne kleederen op te vangen. Zij hadden reeds de zekerheid het heerlijke schouwspel te zullen missen, als de zon, achter het blaauwe gebergte neêrzinkende, bij haar afscheid een purperen gloed om zich heen werpt; als die gloed zich langzamerhand aan de valleien onttrekt, maar nog een krans van warme en bonte kleuren om de witte en koude toppen van het hooge gebergte slingert, totdat ook deze weldra in schemering verkwijnen en induisternis versterven; maar aan den anderen kant, de wolken konden in den nacht in regen worden opgelost, en hoe heerlijk zou dan, van den hoogsten top des Rigis, het opgaan der zon over het verfrischte landschap te aanschouwen zijn!De kastelein uitde Arend, om redenen, hem bekend, liever de heeren nog niet willende afstaan, recommandeerde tot schâvergoeding den zonsopgang over het Zugermeer, uit zijn logement gezien; en Pols inclineerde hiertoe al spoedig, mits men, om toch ook een ruim uitzigt te hebben, eene bovenkamer nam; maar Aloys Stadler, een jeugdig winkelier in zwam, vuurslagen en tonderdoozen te Zug, doch wiens nering minder winsten aanbood, dan het rondzwerven door het gebergte als gids van rijke vreemdelingen, vreezende dat, zoo de reis heden niet doorging, het zestal hem ontsnappen zou, en hij voor niet zijn besten groenen rok, leverkleurigen pantalon en vuurroden parapluie uit de kast zou hebben gehaald, bestreed dit voorstel met warmte en kracht, door de verzekering te geven, dat in het gebergte na regen altijd droog weêr volgt. Dit argument wist de kastelein niet te weêrleggen, en ook de vrienden verkozen het in deze maar voor alles afdoend te houden.“Welaan dan, met moed!” riepen zij uit; de veldflesschen werden metkirschwassergevuld, en de vreemdelingen met Alpenstokken, en de gids met zijn rooden parapluie gewapend, begonnen den togt.Het eerste uur gaans, wanneer men den Rigi van deze zijde beklimt, loopt door weiden en bosschen, en de helling is zeer geleidelijk. Men maakte dus de aanmerking reeds, dat de Alpenstokken heel wat meer last dan gemak geven, en Veervlug begon over te hellen om aan de afleiding van den naam des bergs vanRegina Montiumboven dien vanMons Rigidusden voorkeur te geven. Stadler evenwel raadde hem aan om zich niet met die afleidingen te vermoeijen, want dat zoo lang hem en zelfs zijn vader, dieook gids geweest was, heugde, de berg nooit een anderen naam dan Rigi had gedragen.—Het weêr hield zich beter dan men gedacht had, en zonder tegenspoed bereikte mendas untere Dächli. Het uitzigt van dit punt is reeds schoon en ruim, en werd, toen zij er aankwamen, genoten door een heer van omtrent 50 jaren. Hij scheen in gepeins verzonken; maar op het zien der reizigers stond hij eensklaps op en zeide: “Schoon niet waar? Ik zou wel plan hebben om dit punt uit te teekenen.”“Wel, doe het eens, Mijnheer!” zei Torteltak; “ook nu met dit sombere weder kan het een heel bevallig schilderijtje opleveren.”“Ja maar,” zei de ander, “ik kan niet teekenen. Maar ik wil, zoodra ik te huis kom, een meester nemen; en als ik de kunst onder de knie heb, hier nog eens weêrom komen. Een leelijk gebrek in mijne opvoeding, dat ik het niet geleerd heb. Als ik eens kinderen krijg, zal ik daar beter in voorzien.”“Ik wil u niet tauxeren,” zei Torteltak; “maar daar behoort nog al iets toe, om zoo iets onder de knie te krijgen.”“Dat is niets, Mijnheer! vlijt en langdurige oefening kunnen daarin veel te gemoet komen. Ik verbeeld mij, als ik eens een jaar of twaalf in eenatelierdoorbragt, en dan eens een Italiaansch kunstreisje maakte, dat ik een heele bol kon worden. Dan verkocht ik mijne affaire, en ik zou, geloof ik, nog wel naam kunnen maken als schilder. Doch ik heb geen plan om de jonge schilders in hunne fantastische kleedingswijze te imiteren, maar wel in hunne vrolijkheid. Ik gevoel dat ik aanleg heb om schilder te worden; want ik ben altijd vrolijk.”Torteltak recommandeerde zich, om dan ook bij gelegenheid zijne kunststukken eens te mogen zien, en de oude heer gaf hem terstond zijn adreskaartje.Bovendas untere Dächli, waar de beschilderde kruisen den weg in stations verdeelen, tot aan de kapel vanMariazum Schnee, wordt de weg steiler en moeijelijker. “Het spijt mij,” zeide de oude heer, “dat ik het plan, dat ik had, toen ik hier de laatste maal was, om eenen straatweg over den Rigi aan te leggen, niet ten uitvoer heb kunnen brengen. Dat zou het beklimmen merkelijk gemakkelijker gemaakt hebben.”“Ik wou dat gij het gedaan hadt,” zei De Morder, “want het is nu in het geheel geen weg voor een fatsoenlijk man; zelfs met deze miserabele stokken heeft men nog ieder oogenblik kans, om armen of beenen te breken.”“’t Spijt mij ook,” zei de oude heer; “maar ik werd gecontrarieerd; niemand wilde acties nemen, en mijne middelen lieten het niet toe, om het geheele geval voor eigen rekening te nemen. Dat heeft mij al meermalen gehinderd in het uitvoeren van waarlijk goede plannen. Hier in mijn portefeuille heb ik nog een project, om den loop van den Rijn, bij den waterval van Schaffhausen, te verleggen, door het graven van een kanaal van boven de stad tot aan Rheinau. Dat zou den handel van Zwitserland verbazend bevorderen. Hier is het; zie het eens in, Mijnheer!” zeide hij, zich tot Van Aartheim wendende.“Het plan is mooi,” zei deze, “maar het eenige, dat ik er op aan te merken heb, is, dat het onuitvoerbaar is.”“Dat is mij meer gezegd,” zei de oude heer, zonder zich eenigzins aan deze aanmerking te ergeren; “maar het is geen reden, om het niet eens te beproeven.”Tot aan het vierde kruis, waar zich de weg van Lowerz met dien van Art en Goldau vereenigt, en waar de steilheid weêr vermindert, bleef het weder goed, schoon de donkerheid, door de wolken veroorzaakt, op de duisternis des avonds anticipeerde; maar toen begon een liefelijke regen in overdadige mildheid neder te vallen. De gids bediende zich van zijnen parapluie om droog te blijven, en raadde den reizigers van hunne stokken gebruik te maken, om spoedig aan hetHospitiumte arriveren. Deze raad wasevenwel gemakkelijker gegeven dan opgevolgd. De weg werd er door den regen niet beter om. Sommigen der reizigers begonnen te morren, zonder daarom de nederdaling des regens te stuiten; de anderen stapten zoo moedig voort, alsof er niets gebeurde; de oude heer zeide, dat hij wel plan zou hebben, om zijn mac-intosh uit zijn valies te halen, zoo hij dat niet ongelukkig te Zurich had laten liggen. Maar met dat al, de bui werd zoo hevig, dat in weinige oogenblikken aller kleederen doortrokken werden, en de omgebogen hoedenranden het water bij wijze van goten in den hals en langs den rug uitstortten. Gelukkig bood, na een eindweegs, eene overhangende rots eene schuilplaats aan, waar men ten minste eenige oogenblikken de bui kon afwachten.Een kleine vergoeding voor het doorgestane leed bood het uitzigt, dat men van hier op de vallei had. De lucht was, zoo ver men zien kon, met donkere wolken bedekt. Overal daalde de regen in dikke stralen neder; maar op één punt was de lucht gebroken, en in het midden der graauwkleurige landstreek zag men het schoone kleine meer van Lowerz in een helder licht, en het bevallige eilandje Schwanau, waarover de zon al haren glans scheen uit te storten.“Neen maar waarlijk,” zei Pols, terwijl hij zijne natte wangen en voorhoofd afdroogde, “dit uitzigt is een gulden waard.”“Ik zou wel plan hebben,” zei de oude plannenmaker, “om hier een stukje lands te koopen en een koepel te bouwen; want het is hier een gezigt, waaraan men zich niet kan verzadigen.”“Het zou een perfecte gelegenheid wezen voor een theetuin,” zei Pols, wien het op eens inviel, welke aangename middagen hij in der tijd bij zijne tante te Rotterdam, die een theetuin in de Keerweerlaan had, plagt door te brengen.“Het is jammer, dat het voor u beiden wat ver van huisis,” hernam Torteltak, die op het kaartje van den ouden heer gezien had, dat hij zijn domicilium te Stutgard hield.“Dat is niets,” zei deze: “heeft Mijnheer geen zaken omhanden?”“Voorloopig nog niet,” antwoordde Pols; “ik ben advocaat, maar ik practiseer niet.”“Juist,” zeide de ander, “dat is zoo goed als vrij man: dan moesten wij zamen op dat eilandje Schwanau eene fabriek oprigten van zoeten wijn, uit zure appelen getrokken; dat kan hier wel opnemen, want de wijn is in deze streek niet best.”Pols glimlachte en zeide, dat hij zich nog eens bedenken zou. Hij dacht in zichzelven: “Wat zou Mijntje wel zeggen, als ik haar eens proponeerde om naar Schwanau te verhuizen!”Omstreeks zeven ure bereikte men hethospiceen de woning der Capucijnen: men had zich genoodzaakt gezien, de reis te vervolgen, voordat de regen geheel ophield, daar de bui het air had nog niet spoedig te zullen overdrijven. Een oud eerwaardig vader ontsloot de deur en bood den reizigers verkwikking aan; hij leidde hen daarna rond in het kleine gebouw, en introduceerde hen ook in zijne enge cel. Het zag er treurig uit in dat bouwvallig vertrekje; het was maar gelukkig, dat de kleine glasruitjes weinig licht toelieten om deze vervelooze wanden en halfvermolmde meubels te beschijnen; maar toch, de Capucijner zeide nog met zeker welgevallen: “Ziet, deze kamer is de mijne.”“Zij is waarlijk niet te ruim en te gemakkelijk,” zei De Morder.“Ik zou mij hier gruwelijk vervelen,” zeide Pols: “des zomers zou het nog gaan, als er veel vreemdelingen komen; maar ’s winters moet het hier al akelig eenzaam wezen.”“Ik zou wel plan hebben ook een klooster te laten bouwen, als zoo iets bij de Lutherschen mode was,” zeide de oude heer; “maar ik zou het alles wat op een grooter enruimer voet inrigten, en wat meer gelegenheid tot amusementen geven, om de eentonigheid te verminderen.”De Capucijner glimlachte. “Gij zoudt er anders over denken,” zeide hij, “indien gij, zoo als ik, 60 jaren in deze cel gewoond hadt. Wat zou ik hier meer verlangen? Is het hier niet ruim genoeg voor mij alleen? Heb ik niet mijn kruisbeeld en mijn gebedenboek? En als ik ’s avonds den helderen hemel uit mijn venster aanschouw, zie ik dan niet mijne toekomstige woning daar, nog hoog boven die maan en sterren? Zegt mij, hebt gij in uwe ruime zalen en prachtige steden een helderder uitzigt?”“Ik zou het lot van dien monnik in zijne enge cel begeerlijk kunnen vinden,” zei Van Aartheim tot Torteltak.“Ik ook,” zei deze; doch terwijl hij het oog sloeg op zijn fijne polonaise, dacht hij: “Maar toch die grove pij; het is al te erg.”Op de Rigistaffel werd niet gepoosd, schoon De Morder, die vrij vermoeid was, eene motie deed om hier te blijven, daar hij niet wist waarom deKulmook juist hooger dan deStaffelmoest wezen. Gelukkig kwam weldra hetWirthshausvan Burgi Ritschard in het gezigt; want het werd zeer duister, en de regen hield nog gestadig aan, schoon nu nog al met sneeuw vermengd. Het laatste eind was echter het glibberigst, en hetnoodlottiggevolg hiervan was, dat Holstaff, die in gepeins verzonken voortwandelde, uitgleed en zijwaarts in een vijf à zes voeten diepen kuil viel. De eerste kreet van den ongelukkige was: “Hemel! ik val in den afgrond!” maar de tweede bragt de geruststellende tijding over, dat hij slechts zijne beenen gebroken had, en dus onmogelijk een voet verder verzetten kon. Pols, heel confuus, maar toch dadelijk hulp willende aanbrengen, vroeg aan den gids, waar hier ergens de beste chirurgijn woonde. Aloys Stadler antwoordde heel bedaard, dat hij de keuze had tusschen Zug en Lucern. De andere vrienden staken de handen uit, en namen den ongelukkige tusschen zich,die hun weldra verzekerde, dat hij geloofde, slechts een zijner beenen gebroken te hebben, maar dat hij nog onzeker was, welk van beiden. Hij klaagde tevens over eene hevige wondkoorts, die hem terstond geattaqueerd had, en die, zoo hij de beenbreuk al overleefde, hem zeker wel langzamerhand zou ondermijnen. De vrienden troostten hem zoo goed zij konden. Pols stapte met Stadler driftig vooruit, om vast alles in het logement te prepareeren, en vernam van dezen, dat zijn vriend er toch nog beter afgekomen was dan deKöniglich Preusische Oberförster, Friedrich Wilhelm von Bornstettaus Rathenow, die anno 1826, een weinig hooger op, in eene diepte gevallen was van ongeveer 2000 voet, en zijneFrau Gemahlinals weduwe in hetKulmhaushad achtergelaten.“Wij komen met een zieke,” zei Pols tot den kastelein, “iemand die bijna doodgevallen is; dus zouden wij gaarne eene goede kamer hebben, maar liefst niet voor aan ’t huis, waar de drukte van de passage is.” De kastelein was in de gelegenheid hem van dien kant gerust te stellen, en raadde hem aan, om maar in de groote zaal intrek te nemen, omdat daar een warme kagchel stond en die nu geheel tot hunne dispositie was. Weldra volgde de lijder, door vier vrienden ondersteund, telkens bij het neêrzetten zijner beenen onderzoekende, welk toch gebroken was, en nog immer in dezelfde pijnlijke onzekerheid. Van Aartheim raadde hem voorloopig maar te gaan zitten, en schreef een preparaat voor, dat den lijder in de koorts en hun allen tegen den schrik dienstig zou zijn, uit een mixtuur van Jamaica-rum, citroenen en suiker, aangelengd met kokend water, bestaande. Holstaff werd ontkleed en kreeg drooge kleêren van den kastelein; de gekwetste leden werden onderzocht; doch de wonden schenen, oppervlakkig beschouwd, alleen de spieren getroffen te hebben, die hier en daar van vel ontbloot of met bonte kleuren geteekend waren. Pols, een weinig gerustgesteld, had het genoegen,ditmaal den door hem meêgevoerden Spijkerbalsem tezienappliceren.Terwijl ook de andere vrienden zich zoo veel mogelijk in drooge kleederen staken, vroeg Holstaff om papier en pennen; hij wilde nog een brief aan zijne ouders schrijven, en vond het beter, dit nu maar te doen, terwijl hij nog present was. Hij begon ook dadelijk met bevende hand en vochtige oogen: “Lieve ouders! als gij dezen ontvangt, is welligt...”—“Hier is een drankje,” zei van Aartheim, hem een glas rookenden punch aanbiedende; “om het half uur een glaasje.” Holstaff dronk het glas in één teug leêg, en ging daarna voort met schrijven; “uw levensgeluk verstoord.”—“Hoe gaat het met de koorts?” vroeg Torteltak.—“Akelig,” zei Holstaff; “ik begin schrikkelijk te gloeijen.”—Hij legde de pen neêr, en voelde zichzelven den pols.—“Kom, je moest nog maar eens innemen,” riep van Aartheim; “het eerste glaasje was niet vol.”—Holstaff nam den aangeboden drank weêr heel gewillig in, en ging toen voort: “Een mijner vrienden zal u mededeelen... Wie uwer,” vroeg hij snikkende, “wil zich met den brief aan mijne ouders belasten?”—“Komaan!” zei Pols; “je moet zoo akelig niet praten.”—“Wou Mijnheer een brief naar Holland bezorgd hebben?” vroeg de oude heer: “ik heb plan, als alles wel lukt, binnen kort een reisje derwaarts te ondernemen.”—Holstaff bleef in gedachten verzonken, totdat hij eindelijk, na nog een glaasje punch gedronken te hebben, zijne vrees openbaarde, dat hij waarlijk onpresent zou worden. En werkelijk, weldra stond hij op, en zonder aan het gevaar te denken, waaraan hij zijne gebroken beenen exponeerde, liep hij met groote stappen op en neder, jammerde, dat hij zijn brief niet had afgeschreven, voordat de koorts zoo hevig werd. Torteltak raadde hem troostend aan, om de boodschap bij den retour maar in persoon over te brengen; en de ongelukkige lijder, geen beteren troost bij een der vrienden vindende, zocht,door zich op een matras neder te vlijen, heul en kalmte in de rust des slaaps.Zijn voorbeeld werd door de anderen spoedig gevolgd; geen hunner scheen lust te gevoelen om de koude bovenkamers te betrekken, en dus werd de warme gezelschapszaal tot slaapvertrek ingerigt. De kastelein beloofde, zoo het noodig was, hen bij tijds te zullen wekken, en in de overtuiging hiervan sliepen zij gerust in.Een half uur vóór zons-opgang gaf de wachter op deBelvédèrehet sein, dat de regenwolken waren weggedreven, en de morgen helder en schoon was. Haastig gaven de reizigers en ook Holstaff, die nog niet dood was, aan die roepstem gehoor, en wachtten van het hoogste punt des bergs, trillende van ongeduld, maar nog meer van koude, de aankomst van de zon af. Daar zagen zij langzamerhand in het oosten... maar wij willen maar niet trachten te beschrijven, wat wij zagen. Honderden reisbeschrijvers hebben getracht dit tafereel met levendige kleuren te malen, en hoe schoon zij het ook gedaan hebben, zij eindigen allen met te zeggen, dat het er eigenlijk nog niets naar gelijkt; honderd anderen hebben er zich afgemaakt, met te verklaren, dat geen mensch in staat is, er eene flaauwe schets van te geven. Wij zullen, na die afdoende uitspraak, maar niets anders zeggen dan dat de zon extra mooi opging, dat het geheele panorama zich in zijne volle schoonheid vertoonde, dat het opkomende licht weêr een heerlijk effect maakte op de vallei aan de eene en de sneeuwbergen aan de andere zijde, en dat de kastelein zijne gewone morgenverklaring aflegde, dat de reizigers het uitmuntend troffen, want dat hij de zon nog nooit zoo mooi had zien opgaan. De verrukking der vrienden was uitermate groot; daar waren er, die, diep ontroerd van het heerlijk schouwspel beneden, hunne oogen aanbiddend omhoog sloegen; daar waren er, die met hun guide in de hand, de meren natelden, of zij er wel alle dertien op hunpost waren, en die bij elken toren, welken zij zagen, getrouw informeerden, aan welke stad of dorp die toebehoorde; anderen weder riepen, bij het zien van een zoo groot gedeelte van Zwitserland, de schimmen op der Zwitsersche helden, van Divicon af, die eerst als jongeling de legers der Romeinen versloeg, en vijftig jaren later, Julius Caesar in het aangezigt weêrstond, tot de lange rij van dapperen toe, die in de 14e eeuw de vrijheid van hun Vaderland tegen tiendubbele magt bevochten; van Tell en het driemanschap van den Grutli, van de Erlachs van Donnabuhl en Laupen, van de dappere Schwytzers, die zich bij Morgarten onsterfelijke lauweren gaarden, van Ryzig en Chaldor, de Tells van Appenzell, van Winkelried, die bij Sempach de speren der vijandelijke ruiters op zijn eigen hart verzamelde, om zijne vrienden de overwinning te verzekeren; daar waren er, die, zich in vrouwelijken heldenmoed verdiepende, de gade van Werner Stauffacher aanriepen, welke zelve haren man het zwaard in handen gaf, om de vrijheid van het Vaderland te bevechten; en de dappere vrouwen en meisjes, die door hare tegenwoordigheid alleen de Oostenrijkers verdreven, op den berg Stoss terugwenschten; die beurtelings de zachte Julia Alpinula aan de voeten van den Romeinschen Veldheer, het leven van haren vader afsmeekende, en de wanhopige Helvetische vrouwen bewonderden, welke, uit vrees haar kroost slaven te zien worden, hare zuigelingen tegen de casques der vijanden verpletterden; daar waren er, die morden, omdat zij Zwitserland een weinig te laat bezochten, om de prachtige steden Aventicum en Vindonissa in haren grootsten bloei te zien; daar waren er, die plan zouden hebben, om op dit uitzigt een vers te maken, indien zij het door langdurige oefening zoo ver konden brengen, dat zij geboren dichters werden; en eindelijk, die het allercharmantst, maar toch verbazend koud vonden.Toen zij eenige uren later den Rigi naar Kussnacht afdaalden, bejammerde niemand hunner het, dat zij dezen morgen met het natte pak van gisteren avond hadden moeten loopen; en zelfs Holstaff was niet meer treurig, dat het effect, ’t welk zijn laatst vaarwel bij zijne ouders zou gemaakt hebben, door zijn al te spoedig herstel vernietigd was.

Hoe de reizigers den Rigi beklimmen, en hoe het Holstaff tegen zijne verwachting toch nog gebeuren mag, de zon aldaar te zien opgaan.

Hoe de reizigers den Rigi beklimmen, en hoe het Holstaff tegen zijne verwachting toch nog gebeuren mag, de zon aldaar te zien opgaan.

Voor het logementde Zwarte Arend, te Art, stonden reeds langer dan een half uur Joachim Polsbroekerwoud en zijne vrienden in volkomene besluiteloosheid wat te doen. Zij waren daar van Zug aangekomen met het vaste plan om den Rigi te beklimmen, en zouden reeds terstond dit voornemen hebben ten uitvoer gebragt, zoo niet de drijvende wolkjes, die zij vóór eenige uren ontdekt hadden, tot dikke wolken waren aangegroeid, en zich zoodanig om de kruin des bergs hadden vastgehecht, dat men verzekerd kon wezen, op den top geen uitzigt te zullen hebben dan in den digten sluijer, die het landschap overdekte en de communicatie van het heldere zonlicht met het frissche groen en het doorschijnend water afsloot. Wel konden zij, zonder zich hierover te bekommeren, den togt aanvangen; maar zij liepen gevaar eene vruchtelooze reis te maken, en het hemelsche vocht, dat tot verfrissching van gras en geboomte bestemd was, in hunne kleederen op te vangen. Zij hadden reeds de zekerheid het heerlijke schouwspel te zullen missen, als de zon, achter het blaauwe gebergte neêrzinkende, bij haar afscheid een purperen gloed om zich heen werpt; als die gloed zich langzamerhand aan de valleien onttrekt, maar nog een krans van warme en bonte kleuren om de witte en koude toppen van het hooge gebergte slingert, totdat ook deze weldra in schemering verkwijnen en induisternis versterven; maar aan den anderen kant, de wolken konden in den nacht in regen worden opgelost, en hoe heerlijk zou dan, van den hoogsten top des Rigis, het opgaan der zon over het verfrischte landschap te aanschouwen zijn!

De kastelein uitde Arend, om redenen, hem bekend, liever de heeren nog niet willende afstaan, recommandeerde tot schâvergoeding den zonsopgang over het Zugermeer, uit zijn logement gezien; en Pols inclineerde hiertoe al spoedig, mits men, om toch ook een ruim uitzigt te hebben, eene bovenkamer nam; maar Aloys Stadler, een jeugdig winkelier in zwam, vuurslagen en tonderdoozen te Zug, doch wiens nering minder winsten aanbood, dan het rondzwerven door het gebergte als gids van rijke vreemdelingen, vreezende dat, zoo de reis heden niet doorging, het zestal hem ontsnappen zou, en hij voor niet zijn besten groenen rok, leverkleurigen pantalon en vuurroden parapluie uit de kast zou hebben gehaald, bestreed dit voorstel met warmte en kracht, door de verzekering te geven, dat in het gebergte na regen altijd droog weêr volgt. Dit argument wist de kastelein niet te weêrleggen, en ook de vrienden verkozen het in deze maar voor alles afdoend te houden.

“Welaan dan, met moed!” riepen zij uit; de veldflesschen werden metkirschwassergevuld, en de vreemdelingen met Alpenstokken, en de gids met zijn rooden parapluie gewapend, begonnen den togt.

Het eerste uur gaans, wanneer men den Rigi van deze zijde beklimt, loopt door weiden en bosschen, en de helling is zeer geleidelijk. Men maakte dus de aanmerking reeds, dat de Alpenstokken heel wat meer last dan gemak geven, en Veervlug begon over te hellen om aan de afleiding van den naam des bergs vanRegina Montiumboven dien vanMons Rigidusden voorkeur te geven. Stadler evenwel raadde hem aan om zich niet met die afleidingen te vermoeijen, want dat zoo lang hem en zelfs zijn vader, dieook gids geweest was, heugde, de berg nooit een anderen naam dan Rigi had gedragen.—Het weêr hield zich beter dan men gedacht had, en zonder tegenspoed bereikte mendas untere Dächli. Het uitzigt van dit punt is reeds schoon en ruim, en werd, toen zij er aankwamen, genoten door een heer van omtrent 50 jaren. Hij scheen in gepeins verzonken; maar op het zien der reizigers stond hij eensklaps op en zeide: “Schoon niet waar? Ik zou wel plan hebben om dit punt uit te teekenen.”

“Wel, doe het eens, Mijnheer!” zei Torteltak; “ook nu met dit sombere weder kan het een heel bevallig schilderijtje opleveren.”

“Ja maar,” zei de ander, “ik kan niet teekenen. Maar ik wil, zoodra ik te huis kom, een meester nemen; en als ik de kunst onder de knie heb, hier nog eens weêrom komen. Een leelijk gebrek in mijne opvoeding, dat ik het niet geleerd heb. Als ik eens kinderen krijg, zal ik daar beter in voorzien.”

“Ik wil u niet tauxeren,” zei Torteltak; “maar daar behoort nog al iets toe, om zoo iets onder de knie te krijgen.”

“Dat is niets, Mijnheer! vlijt en langdurige oefening kunnen daarin veel te gemoet komen. Ik verbeeld mij, als ik eens een jaar of twaalf in eenatelierdoorbragt, en dan eens een Italiaansch kunstreisje maakte, dat ik een heele bol kon worden. Dan verkocht ik mijne affaire, en ik zou, geloof ik, nog wel naam kunnen maken als schilder. Doch ik heb geen plan om de jonge schilders in hunne fantastische kleedingswijze te imiteren, maar wel in hunne vrolijkheid. Ik gevoel dat ik aanleg heb om schilder te worden; want ik ben altijd vrolijk.”

Torteltak recommandeerde zich, om dan ook bij gelegenheid zijne kunststukken eens te mogen zien, en de oude heer gaf hem terstond zijn adreskaartje.

Bovendas untere Dächli, waar de beschilderde kruisen den weg in stations verdeelen, tot aan de kapel vanMariazum Schnee, wordt de weg steiler en moeijelijker. “Het spijt mij,” zeide de oude heer, “dat ik het plan, dat ik had, toen ik hier de laatste maal was, om eenen straatweg over den Rigi aan te leggen, niet ten uitvoer heb kunnen brengen. Dat zou het beklimmen merkelijk gemakkelijker gemaakt hebben.”

“Ik wou dat gij het gedaan hadt,” zei De Morder, “want het is nu in het geheel geen weg voor een fatsoenlijk man; zelfs met deze miserabele stokken heeft men nog ieder oogenblik kans, om armen of beenen te breken.”

“’t Spijt mij ook,” zei de oude heer; “maar ik werd gecontrarieerd; niemand wilde acties nemen, en mijne middelen lieten het niet toe, om het geheele geval voor eigen rekening te nemen. Dat heeft mij al meermalen gehinderd in het uitvoeren van waarlijk goede plannen. Hier in mijn portefeuille heb ik nog een project, om den loop van den Rijn, bij den waterval van Schaffhausen, te verleggen, door het graven van een kanaal van boven de stad tot aan Rheinau. Dat zou den handel van Zwitserland verbazend bevorderen. Hier is het; zie het eens in, Mijnheer!” zeide hij, zich tot Van Aartheim wendende.

“Het plan is mooi,” zei deze, “maar het eenige, dat ik er op aan te merken heb, is, dat het onuitvoerbaar is.”

“Dat is mij meer gezegd,” zei de oude heer, zonder zich eenigzins aan deze aanmerking te ergeren; “maar het is geen reden, om het niet eens te beproeven.”

Tot aan het vierde kruis, waar zich de weg van Lowerz met dien van Art en Goldau vereenigt, en waar de steilheid weêr vermindert, bleef het weder goed, schoon de donkerheid, door de wolken veroorzaakt, op de duisternis des avonds anticipeerde; maar toen begon een liefelijke regen in overdadige mildheid neder te vallen. De gids bediende zich van zijnen parapluie om droog te blijven, en raadde den reizigers van hunne stokken gebruik te maken, om spoedig aan hetHospitiumte arriveren. Deze raad wasevenwel gemakkelijker gegeven dan opgevolgd. De weg werd er door den regen niet beter om. Sommigen der reizigers begonnen te morren, zonder daarom de nederdaling des regens te stuiten; de anderen stapten zoo moedig voort, alsof er niets gebeurde; de oude heer zeide, dat hij wel plan zou hebben, om zijn mac-intosh uit zijn valies te halen, zoo hij dat niet ongelukkig te Zurich had laten liggen. Maar met dat al, de bui werd zoo hevig, dat in weinige oogenblikken aller kleederen doortrokken werden, en de omgebogen hoedenranden het water bij wijze van goten in den hals en langs den rug uitstortten. Gelukkig bood, na een eindweegs, eene overhangende rots eene schuilplaats aan, waar men ten minste eenige oogenblikken de bui kon afwachten.

Een kleine vergoeding voor het doorgestane leed bood het uitzigt, dat men van hier op de vallei had. De lucht was, zoo ver men zien kon, met donkere wolken bedekt. Overal daalde de regen in dikke stralen neder; maar op één punt was de lucht gebroken, en in het midden der graauwkleurige landstreek zag men het schoone kleine meer van Lowerz in een helder licht, en het bevallige eilandje Schwanau, waarover de zon al haren glans scheen uit te storten.

“Neen maar waarlijk,” zei Pols, terwijl hij zijne natte wangen en voorhoofd afdroogde, “dit uitzigt is een gulden waard.”

“Ik zou wel plan hebben,” zei de oude plannenmaker, “om hier een stukje lands te koopen en een koepel te bouwen; want het is hier een gezigt, waaraan men zich niet kan verzadigen.”

“Het zou een perfecte gelegenheid wezen voor een theetuin,” zei Pols, wien het op eens inviel, welke aangename middagen hij in der tijd bij zijne tante te Rotterdam, die een theetuin in de Keerweerlaan had, plagt door te brengen.

“Het is jammer, dat het voor u beiden wat ver van huisis,” hernam Torteltak, die op het kaartje van den ouden heer gezien had, dat hij zijn domicilium te Stutgard hield.

“Dat is niets,” zei deze: “heeft Mijnheer geen zaken omhanden?”

“Voorloopig nog niet,” antwoordde Pols; “ik ben advocaat, maar ik practiseer niet.”

“Juist,” zeide de ander, “dat is zoo goed als vrij man: dan moesten wij zamen op dat eilandje Schwanau eene fabriek oprigten van zoeten wijn, uit zure appelen getrokken; dat kan hier wel opnemen, want de wijn is in deze streek niet best.”

Pols glimlachte en zeide, dat hij zich nog eens bedenken zou. Hij dacht in zichzelven: “Wat zou Mijntje wel zeggen, als ik haar eens proponeerde om naar Schwanau te verhuizen!”

Omstreeks zeven ure bereikte men hethospiceen de woning der Capucijnen: men had zich genoodzaakt gezien, de reis te vervolgen, voordat de regen geheel ophield, daar de bui het air had nog niet spoedig te zullen overdrijven. Een oud eerwaardig vader ontsloot de deur en bood den reizigers verkwikking aan; hij leidde hen daarna rond in het kleine gebouw, en introduceerde hen ook in zijne enge cel. Het zag er treurig uit in dat bouwvallig vertrekje; het was maar gelukkig, dat de kleine glasruitjes weinig licht toelieten om deze vervelooze wanden en halfvermolmde meubels te beschijnen; maar toch, de Capucijner zeide nog met zeker welgevallen: “Ziet, deze kamer is de mijne.”

“Zij is waarlijk niet te ruim en te gemakkelijk,” zei De Morder.

“Ik zou mij hier gruwelijk vervelen,” zeide Pols: “des zomers zou het nog gaan, als er veel vreemdelingen komen; maar ’s winters moet het hier al akelig eenzaam wezen.”

“Ik zou wel plan hebben ook een klooster te laten bouwen, als zoo iets bij de Lutherschen mode was,” zeide de oude heer; “maar ik zou het alles wat op een grooter enruimer voet inrigten, en wat meer gelegenheid tot amusementen geven, om de eentonigheid te verminderen.”

De Capucijner glimlachte. “Gij zoudt er anders over denken,” zeide hij, “indien gij, zoo als ik, 60 jaren in deze cel gewoond hadt. Wat zou ik hier meer verlangen? Is het hier niet ruim genoeg voor mij alleen? Heb ik niet mijn kruisbeeld en mijn gebedenboek? En als ik ’s avonds den helderen hemel uit mijn venster aanschouw, zie ik dan niet mijne toekomstige woning daar, nog hoog boven die maan en sterren? Zegt mij, hebt gij in uwe ruime zalen en prachtige steden een helderder uitzigt?”

“Ik zou het lot van dien monnik in zijne enge cel begeerlijk kunnen vinden,” zei Van Aartheim tot Torteltak.

“Ik ook,” zei deze; doch terwijl hij het oog sloeg op zijn fijne polonaise, dacht hij: “Maar toch die grove pij; het is al te erg.”

Op de Rigistaffel werd niet gepoosd, schoon De Morder, die vrij vermoeid was, eene motie deed om hier te blijven, daar hij niet wist waarom deKulmook juist hooger dan deStaffelmoest wezen. Gelukkig kwam weldra hetWirthshausvan Burgi Ritschard in het gezigt; want het werd zeer duister, en de regen hield nog gestadig aan, schoon nu nog al met sneeuw vermengd. Het laatste eind was echter het glibberigst, en hetnoodlottiggevolg hiervan was, dat Holstaff, die in gepeins verzonken voortwandelde, uitgleed en zijwaarts in een vijf à zes voeten diepen kuil viel. De eerste kreet van den ongelukkige was: “Hemel! ik val in den afgrond!” maar de tweede bragt de geruststellende tijding over, dat hij slechts zijne beenen gebroken had, en dus onmogelijk een voet verder verzetten kon. Pols, heel confuus, maar toch dadelijk hulp willende aanbrengen, vroeg aan den gids, waar hier ergens de beste chirurgijn woonde. Aloys Stadler antwoordde heel bedaard, dat hij de keuze had tusschen Zug en Lucern. De andere vrienden staken de handen uit, en namen den ongelukkige tusschen zich,die hun weldra verzekerde, dat hij geloofde, slechts een zijner beenen gebroken te hebben, maar dat hij nog onzeker was, welk van beiden. Hij klaagde tevens over eene hevige wondkoorts, die hem terstond geattaqueerd had, en die, zoo hij de beenbreuk al overleefde, hem zeker wel langzamerhand zou ondermijnen. De vrienden troostten hem zoo goed zij konden. Pols stapte met Stadler driftig vooruit, om vast alles in het logement te prepareeren, en vernam van dezen, dat zijn vriend er toch nog beter afgekomen was dan deKöniglich Preusische Oberförster, Friedrich Wilhelm von Bornstettaus Rathenow, die anno 1826, een weinig hooger op, in eene diepte gevallen was van ongeveer 2000 voet, en zijneFrau Gemahlinals weduwe in hetKulmhaushad achtergelaten.

“Wij komen met een zieke,” zei Pols tot den kastelein, “iemand die bijna doodgevallen is; dus zouden wij gaarne eene goede kamer hebben, maar liefst niet voor aan ’t huis, waar de drukte van de passage is.” De kastelein was in de gelegenheid hem van dien kant gerust te stellen, en raadde hem aan, om maar in de groote zaal intrek te nemen, omdat daar een warme kagchel stond en die nu geheel tot hunne dispositie was. Weldra volgde de lijder, door vier vrienden ondersteund, telkens bij het neêrzetten zijner beenen onderzoekende, welk toch gebroken was, en nog immer in dezelfde pijnlijke onzekerheid. Van Aartheim raadde hem voorloopig maar te gaan zitten, en schreef een preparaat voor, dat den lijder in de koorts en hun allen tegen den schrik dienstig zou zijn, uit een mixtuur van Jamaica-rum, citroenen en suiker, aangelengd met kokend water, bestaande. Holstaff werd ontkleed en kreeg drooge kleêren van den kastelein; de gekwetste leden werden onderzocht; doch de wonden schenen, oppervlakkig beschouwd, alleen de spieren getroffen te hebben, die hier en daar van vel ontbloot of met bonte kleuren geteekend waren. Pols, een weinig gerustgesteld, had het genoegen,ditmaal den door hem meêgevoerden Spijkerbalsem tezienappliceren.

Terwijl ook de andere vrienden zich zoo veel mogelijk in drooge kleederen staken, vroeg Holstaff om papier en pennen; hij wilde nog een brief aan zijne ouders schrijven, en vond het beter, dit nu maar te doen, terwijl hij nog present was. Hij begon ook dadelijk met bevende hand en vochtige oogen: “Lieve ouders! als gij dezen ontvangt, is welligt...”—“Hier is een drankje,” zei van Aartheim, hem een glas rookenden punch aanbiedende; “om het half uur een glaasje.” Holstaff dronk het glas in één teug leêg, en ging daarna voort met schrijven; “uw levensgeluk verstoord.”—“Hoe gaat het met de koorts?” vroeg Torteltak.—“Akelig,” zei Holstaff; “ik begin schrikkelijk te gloeijen.”—Hij legde de pen neêr, en voelde zichzelven den pols.—“Kom, je moest nog maar eens innemen,” riep van Aartheim; “het eerste glaasje was niet vol.”—Holstaff nam den aangeboden drank weêr heel gewillig in, en ging toen voort: “Een mijner vrienden zal u mededeelen... Wie uwer,” vroeg hij snikkende, “wil zich met den brief aan mijne ouders belasten?”—“Komaan!” zei Pols; “je moet zoo akelig niet praten.”—“Wou Mijnheer een brief naar Holland bezorgd hebben?” vroeg de oude heer: “ik heb plan, als alles wel lukt, binnen kort een reisje derwaarts te ondernemen.”—Holstaff bleef in gedachten verzonken, totdat hij eindelijk, na nog een glaasje punch gedronken te hebben, zijne vrees openbaarde, dat hij waarlijk onpresent zou worden. En werkelijk, weldra stond hij op, en zonder aan het gevaar te denken, waaraan hij zijne gebroken beenen exponeerde, liep hij met groote stappen op en neder, jammerde, dat hij zijn brief niet had afgeschreven, voordat de koorts zoo hevig werd. Torteltak raadde hem troostend aan, om de boodschap bij den retour maar in persoon over te brengen; en de ongelukkige lijder, geen beteren troost bij een der vrienden vindende, zocht,door zich op een matras neder te vlijen, heul en kalmte in de rust des slaaps.

Zijn voorbeeld werd door de anderen spoedig gevolgd; geen hunner scheen lust te gevoelen om de koude bovenkamers te betrekken, en dus werd de warme gezelschapszaal tot slaapvertrek ingerigt. De kastelein beloofde, zoo het noodig was, hen bij tijds te zullen wekken, en in de overtuiging hiervan sliepen zij gerust in.

Een half uur vóór zons-opgang gaf de wachter op deBelvédèrehet sein, dat de regenwolken waren weggedreven, en de morgen helder en schoon was. Haastig gaven de reizigers en ook Holstaff, die nog niet dood was, aan die roepstem gehoor, en wachtten van het hoogste punt des bergs, trillende van ongeduld, maar nog meer van koude, de aankomst van de zon af. Daar zagen zij langzamerhand in het oosten... maar wij willen maar niet trachten te beschrijven, wat wij zagen. Honderden reisbeschrijvers hebben getracht dit tafereel met levendige kleuren te malen, en hoe schoon zij het ook gedaan hebben, zij eindigen allen met te zeggen, dat het er eigenlijk nog niets naar gelijkt; honderd anderen hebben er zich afgemaakt, met te verklaren, dat geen mensch in staat is, er eene flaauwe schets van te geven. Wij zullen, na die afdoende uitspraak, maar niets anders zeggen dan dat de zon extra mooi opging, dat het geheele panorama zich in zijne volle schoonheid vertoonde, dat het opkomende licht weêr een heerlijk effect maakte op de vallei aan de eene en de sneeuwbergen aan de andere zijde, en dat de kastelein zijne gewone morgenverklaring aflegde, dat de reizigers het uitmuntend troffen, want dat hij de zon nog nooit zoo mooi had zien opgaan. De verrukking der vrienden was uitermate groot; daar waren er, die, diep ontroerd van het heerlijk schouwspel beneden, hunne oogen aanbiddend omhoog sloegen; daar waren er, die met hun guide in de hand, de meren natelden, of zij er wel alle dertien op hunpost waren, en die bij elken toren, welken zij zagen, getrouw informeerden, aan welke stad of dorp die toebehoorde; anderen weder riepen, bij het zien van een zoo groot gedeelte van Zwitserland, de schimmen op der Zwitsersche helden, van Divicon af, die eerst als jongeling de legers der Romeinen versloeg, en vijftig jaren later, Julius Caesar in het aangezigt weêrstond, tot de lange rij van dapperen toe, die in de 14e eeuw de vrijheid van hun Vaderland tegen tiendubbele magt bevochten; van Tell en het driemanschap van den Grutli, van de Erlachs van Donnabuhl en Laupen, van de dappere Schwytzers, die zich bij Morgarten onsterfelijke lauweren gaarden, van Ryzig en Chaldor, de Tells van Appenzell, van Winkelried, die bij Sempach de speren der vijandelijke ruiters op zijn eigen hart verzamelde, om zijne vrienden de overwinning te verzekeren; daar waren er, die, zich in vrouwelijken heldenmoed verdiepende, de gade van Werner Stauffacher aanriepen, welke zelve haren man het zwaard in handen gaf, om de vrijheid van het Vaderland te bevechten; en de dappere vrouwen en meisjes, die door hare tegenwoordigheid alleen de Oostenrijkers verdreven, op den berg Stoss terugwenschten; die beurtelings de zachte Julia Alpinula aan de voeten van den Romeinschen Veldheer, het leven van haren vader afsmeekende, en de wanhopige Helvetische vrouwen bewonderden, welke, uit vrees haar kroost slaven te zien worden, hare zuigelingen tegen de casques der vijanden verpletterden; daar waren er, die morden, omdat zij Zwitserland een weinig te laat bezochten, om de prachtige steden Aventicum en Vindonissa in haren grootsten bloei te zien; daar waren er, die plan zouden hebben, om op dit uitzigt een vers te maken, indien zij het door langdurige oefening zoo ver konden brengen, dat zij geboren dichters werden; en eindelijk, die het allercharmantst, maar toch verbazend koud vonden.

Toen zij eenige uren later den Rigi naar Kussnacht afdaalden, bejammerde niemand hunner het, dat zij dezen morgen met het natte pak van gisteren avond hadden moeten loopen; en zelfs Holstaff was niet meer treurig, dat het effect, ’t welk zijn laatst vaarwel bij zijne ouders zou gemaakt hebben, door zijn al te spoedig herstel vernietigd was.

Hoofdstuk XIX.Waarin Pols in zijne verwachting, om een der schoonste dagen van zijn leven in vreugde te vieren, door veelvuldige rampen bitter wordt teleurgesteld.Het is wel aangenaam voor vreemdelingen, in een hotel te logeren, dat in eene niet al te breede straat gelegen is; want indien er in zulk een straat nog al veel passage is, dan noemt men het een vrolijke stand; dan kan men, op eene bovenkamer logerende, als men zijn ligchaam ter halverwege uit het venster steekt, verscheidene menschen op het hoofd zien, en eene aangename en bonte verwarring van vilten, stroo- en zijden hoeden ontwaren; men heeft daarenboven den vrijen inkijk bij de overburen, kan zich vermaken met het gezigt van heeren, die hunne kin en wangen voor een scheerspiegeltje inzeepen; van dames, die een kastanjebruinen tour over vuurroode haren vastbinden; van moeders, die hare geluijerde lievelingen in zulk eene positie plaatsen, dat zij zich bont en blaauw moeten schreeuwen; van oudere telgjes, die figuurtjes op de glasruiten duimelen, en, als zij u ontdekken, dikwijls gereed zijn u de inspectie hunner tongen te vergunnen; van dienstmeisjes, die uit het raam van een bovenvertrek een luchtje scheppen, eene bezigheid, waaraan zij bij hare mevrouwen den veelbeteekenenden naam geven van eene kamer op te ruimen; indien verder de familie in eene voorkamer dejeuneert, kan men opmerken, hoe oneindig veel aftreksels men van eene zeer geringe dosis thee kan maken, en hoe groot een aantal boterhammen de kinderen aan groote brokken in denmond en kruimels op den grond kunnen consumeren. Men ziet dan schrale en overdadigedejeuners, met slappe thee of met sterken Portwijn, met magere boterhammetjes of metfoie gras, met beefstuks of met pillen; ja, daar zijn logementen, waar men de overburen met gloeijende en saprijke sleep-asperges ziet ontbijten.Dit genoegen misten onze reizigers in hetHôtel du Cygnete Lucern, daar dit logement ongelukkig niet in eene straat, maar aan hetLac des quatre Cantonsis gelegen. Zij moesten zich dusvergenoegenmet het uitgestrekte uitzigt over het blaauwe meer, tot waar het zich bepaald ziet door de bevallige heuvelen, rijk met dennen en ander hout begroeid; daar achter zagen zij de lange bergketen van den vruchtbaren Rigi met welig groen omzoomd, tot de sombere rotsen van den Pilatus, tegen wier spitsen zich de wolken braken; het hoog en frisch geboomte spiegelde zich in het helder doorschijnend water; vruchtbare velden waren als een bloemenkleed tegen de helling des bergs uitgespreid, en gaven eene aangename afwisseling aan het oog, dat in het verder verschiet gerust had op de hooge bergrotsen, wier naaktheid alleen door een sneeuwgewaad wordt bedekt.Het kostte den vrienden weinig moeite om het den kastelein te vergeven, dat hij aan deze plaats tot de oprigting van zijn etablissement de voorkeur gegeven had boven de enge straten der stad. Moesten zij zich al vergenoegen met het gezigt op bergen en meren, waar zich slechts weinige menschen bewogen, in plaats van een groot aantal hunner natuurgenooten in een klein bestek bijeen te zien; welnu, het stond hun vrij hunne verbeelding den vollen teugel te laten, en het liefste plekje, dat zij voor zich zagen, met die zij het liefst om zich wenschten te bevolken. Het is een privilegie van den reiziger, om eene landstreek, die hem bij uitstek bevalt, de zijne te denken, en op die manier kan hij eigenaar zijn zonder kooppenningen te betalen, en een talrijk gezelschaphonderdenmijlen ver overvoeren zondereen stuiver reisgeld uit te geven. Het is een privilegie, waarvan vooral jonge menschen, die in de kracht van hunnen wenschleeftijd zijn, die nog niet al te veel in de wereld der wezenlijkheid te huis behooren, en door een lange tehuisblijf-onderving tot het resultaat gekomen zijn, dat er geen land beter is dan het hunne, en in dat land geen plekje aangenamer dan juist dat, waar zij wonen, nog al eens gebruik maken. Zij doen echter wijs, indien zij deze droomen en jeugdige voorstellingen in hun eigen borst bewaren, en ze vooral niet aan menschen, die wijs en van ondervinding zijn, meêdeelen; want velen hunner zijn voorkomend genoeg, om den jeugdigen gloed, dien de tijd langzaam en behoedzaam verkoelt, door hunne ijskoude aanmerkingen op eenmaal uit te blusschen.Daar waren er zeker onder de vrienden, die allen, met uitzondering van Pols, reeds een geruimen tijd in den morgen op het balkon van het hotel hadden neêrgezeten, wie de landstreek, op welke zij het uitzigt hadden, tot zulke bespiegelingen aanleiding gaf. Zij hadden daarom ook naauwelijks opgemerkt, dat hun waardige vriend heden tegen zijne gewoonte laat uit zijne slaapkamer te voorschijn kwam, en misschien zou zijne aankomst in hun midden nog niemands aandacht getrokken hebben, zoo niet een extra glans van genoegen en de bijzondere sierlijkheid zijner kleeding al te in het oog loopend was geweest. De blaauwe jas toch had heden voor een zwarten rok plaats gemaakt; een uitvoerige jabot kwam uit een wit vest te voorschijn, en een zomerpantalon met roode streepjes (een patroontje, dat hem zijn kleêrmaker in der tijd, als zeer gedistingueerd, had aanbevolen) voltooide zijn kostuum; een treffend schoon horlogiebandje, met kraaltjes gewerkt, hing over het vest, en eindigde in een kolossalen gouden sleutel, opgevuld met menschenhaar, afkomstig van de hoofden van de oude lieden Polsbroekerwoud en den jeugdigen Joachim zelven,voorgesteld onder de gedaante van twee kirrende tortels en een jong duifje op den rand van het nest.Geen der vrienden kon de oorzaak bevroeden dezer belangrijke gedaanteverwisseling. Pols was bij hen te wel bekend, als weinig werk makende van zijn toilet; en schoon ook nu zijn dos alles behalve datgene was dat men een goede kleeding noemt, hij scheen het er op toegelegd te hebben, om eens mooi voor den dag te komen. De goede man werd dus dadelijk met allerhande vragen bestormd, en had de satisfactie van werkelijk effect te maken. In het eind gaf hij te kennen, dat deze feestkleeding zijn gewone was op elken 22stenJuli, als zijnde de belangrijke dag, waarop hij het eerste levenslicht had gezien. Een stroom van gelukwenschen daalde nu neder over het hoofd van den jarige, en men juichte hem toe wegens den inval om zich dezen dag zoo feestelijk te tooien.Deze uitdrukking was maar half in den geest van Pols. Hij was zoo gewoon den dag, waarop hij geboren was, jaarlijks plegtig te vieren, en hij had van zijne vroegste jeugd altijd zoo velen om zich gezien, die dan in feestelijke stemming waren, dat het hem bijna vreemd voorkwam, dat er menschen zouden kunnen bestaan, die den 22stenJuli niet als een merkwaardigen dag beschouwden. Hij kon het zich nog voorstellen, hoe hij als een klein kind op dit feest altijd zijn beste pak mogt dragen; hoe hij ’s morgens bij zijn ontwaken voor zijn bedje een grooten koek zag liggen, met eene inscriptieter uwer verjaring,op uwen geboortedag,tot gelukwensching, of iets dergelijks, en hoe dan de persoon, die hem deze verrassing bereid had, niemand anders dan zijn goede Mijntje, het oogenblik van zijn ontwaken bespiedde, om zijne vreugd te genieten; hoe hem dan beneden van vader en moeder teedere omarmingen en warme kussen wachtten, en hoe hij begeerig zijne oogen naar de tafel opsloeg, waar de feestgeschenken lagen uitgespreid; hoe hij nooit op dien dag naar school behoefdete gaan, maar zelf naar het afgebrande huis mogt wandelen, om bestenjanhagelte koopen, waarop neef en nicht Van Kroesen en oom en tante Molslag en Jansje uit de Lommerdstraat, als zij hunne gelukwenschen hadden uitgestort, werden getracteerd. Hij stelde zich nog de avonden van die feestdagen voor, waarop hij met dat lieve Jansje en nog een paar andere nichtjes huishoudentje speelde; want in zijne kinderjaren behaagde hem de conversatie met meisjes oneindig meer dan die met zijne woeste kernuiten, aan welke hij dikwijls een blaauw oog of een bloedneus te danken had. De verjaardagen uit dezen tijd van zijn leven stonden onzen vriend het duidelijkst voor den geest, en gaven hem de genoegelijkste herinneringen. Maar later toch ook waren het aangename feesten; decadeauxwerden langzamerhand grooter. Zijn vader schonk den leerzamen jongeling bij zulke gelegenheden menig solied boekwerk: Van der Aa,Geschiedenis van den Oorlog; Kok,Vaderlandsch Woordenboek, of dergelijken. Zijne moeder liet altijd een kolossalen tulband bakken; want ook de feesten werden deftiger, en Joachim wist zich reeds heel goed als held van de partij te houden. Gedurende zijn verblijf te Leyden plagt hij ’s morgens eene uitgebreide waterchocolaadpartij te geven, en verder eene lievesoiréeaan zijne uitverkorenen, waar dan de stroopzolen en de peperkoek, die per pakschuit van Rotterdam arriveerden, werden genuttigd. Was het dus wonder, dat Pols, die nog nooit zijn verjaardag ongevierd had doorgebragt, zich ook heden te Lucern in zijne feestkleeding vertoonde?Helaas! dat het onschuldigst genoegen zoo vaak door de omstandigheden wordt verstoord! Moest juist heden een heir van onaangenaamheden en droevige voorvallen tegen den feestvierenden jongeling aanrukken? Moest al zijne vreugde vergald worden, en zijn vijfendertigste verjaardag met zwarte kleuren in zijn dagboek worden aangeteekend!Toen men zich op weg begaf, om de merkwaardigheden der stad in oogenschouw te nemen, moest men, daar het water van het meer door zwaren regen en dubbelen toevoer van de bergstroomen tot eene onmatige hoogte gestegen was, om uit het logement op de hoogere straten te komen, over planken en noodbruggen voortgaan, daar de weg voor het hotel geheel en al overstroomd was. Deze onaangenaamheid had evenwel voor Pols iets aangenaams, daar het hem onwillekeurig aan Rotterdam bij springvloed deed denken. Hij stapte dus vrolijk over de smalle planken voort; maar ziet, eene calêche, die door het water heenrijdt, passeert hem, en de onzachte beweging der paardenpooten in den stroom is oorzaak dat zijn hagelwitte jabot geheel door slijkspatten bezoedeld wordt. “Het is onaangenaam,” zegt Pols; doch hij troost zich, en haalt zijn bonten zakdoek voor den dag, om de ramp zoo veel mogelijk te herstellen.Maar helaas! door de te hevige wrijving met den doek springt het beeldschoone horlogiebandje los, en de gouden sleutel, met de zinnebeeldige voorstelling van het huwelijksgeluk zijner ouders, ploft eensklaps in het water. Dit is te veel! Schrik en droefheid betwisten zich het regt over des jongelings gelaatstrekken; maar zijn besluit is spoedig genomen; hij bukt, waagt zijn geheelen arm en het beste ongedecartiseerde laken aan het modderige vocht—en niet te vergeefs; want hij redt het voorwerp, dat hem van onberekenbare waarde is; maar ach! door den val is het glas gebroken, en de haren projectilen zijn van haren glans en zuiverheid beroofd. Treurig slaat Pols zijn oog er op, maar terstond is hij weêr met den zakdoek gereed; hij wil de vochtige vleugels der diertjes zachtkens afdroogen; doch hij berekent niet, dat haar eenige hechtsel aan het plaatje lijm is, en zijne verbazing grenst aan wanhoop, toen hij bemerkt dat de veertjes aan den doek kleven. Gelukkig is nog slechts het duifje op het nest gewond; dit verlies isnog beter te herstellen, dan wanneer een der kirrende tortels eene kwetsuur had ondergaan. Behoedzaam draagt hij de schilderij dus naar het logement terug, in hoop dat de vochtigheid verder aan de arme dieren geen letsel zal doen. Dit was de eerste ramp, die Polsbroekerwoud op zijnen vijfendertigsten verjaardag trof.Na eenige uren in het bezigtigen der inrigtingen binnen de stad te hebben doorgebragt, bezochten de vrienden ook de plaats, waar de beroemde Leeuw van Thorwaldsen te zien is. Dit waardige gedenkteeken van den heldenmoed der Zwitsersche garde, te Parijs in 1792 betoond, wekt, door het eenvoudige en poëtische der gedachte van den grooten meester, aller bewondering op, en zoo het dienen moet om den moed en trouw der brave Zwitsers in het geheugen te bewaren en aan de nakomelingschap over te brengen, het is verwonderlijk hoeveel meer het monument vermaard is dan het moedig gedrag der helden zelf. Nu evenwel is de oude Zwitser nog als guide daar, om u het feit, waarvan hij zelf deelgenoot was, in het geheugen terug te roepen; en het is opmerkelijk, met hoeveel meer warmte en natuurlijkheid hij van de verdediging der Tuileriën spreekt, dan wanneer hij, om u op de schoonheid van het gedenkteeken aandachtig te maken, altijd dezelfde geleende woorden bezigt: “L’expression du lion mourant est sublime; le tronçon de la lance qui l’a percé est resté enfoncé dans son flanc; il étend sa griffe redoutable comme pour repousser une nouvelle attaque; ces yeux à demi fermés, vont s’eteindre pour jamais, et cependant son regard semble menacer encore; sa façe majestueuse offre l’image d’une noble douleur et d’un courage tranquille et resigné.”Terwijl de vrienden een zijpad insloegen, om de rots, waarin de leeuw uitgehouwen is, van naderbij in oogenschouw te nemen, bleef Pols bij den ouden Zwitser, dien hij vond dat zoo aardig kon keuvelen, en van wien hij nog eens iets naders van de zaak wilde vernemen. Daaromde inscriptie van het monument nog eens overlezende en ziendeFortissimi pugnantes ceciderunt DucesXXVI, Milites circiterDCCLX, zeide hij tot den veteraan:“Mais il y a beaucoup de morts la dessous.”De Zwitser keek hem verwonderd aan; hij kon zich geen denkbeeld maken, dat iemand eene rots van honderde voeten hoog, een soort van berg van het hardste steen, als eene simpele zerk beschouwde, die men op een graf gelegd had. “Je ne comprends pas,” zeide hij, zijn hoofd schuddende.Pols begreep dat hij zich verkeerd had uitgedrukt; daarom het gesprek eenen anderen draai gevende, zei hij:“Mais c’etait la une fameuse bataille aux Tuilleries.”“Morbleu,” zeide de Zwitser, “c’etait un carnage; nous étions un contre quatre.”“Dat was moordenaarswerk,” riep Pols met verontwaardiging.Maar naauwelijks had hij dit woord uitgesproken, of hij voelde zich heel onzacht bij den schouder grijpen. Verschrikt zag hij om. Hij meende in het eerst, dat hij met een van de revolutionaren te doen had, die het in der tijd de Zwitsers zoo benaauwd hadden gemaakt, en prepareerde zich om eene verzoenende phrase in het midden te brengen, toen hij in den persoon, die hem aangreep, een der Franschen herkende, die hij in de HeidelbergscheSchlossruïnenhad ontmoet, en aan zijne zijde den anderen cavalier en de dame, welke nu in eene intime conversatie was met een Engelschman, die er alles behalve gedistingueerd uitzag. Pols wist niet, waar hij zich bevond, en indien de pijnlijke gewaarwording, door de onzachte aangrijping van zijn arm veroorzaakt, hem niet voor die dwaling behoed had, hij zou gemeend hebben te droomen. In het eerst wist hij niet wat te doen, zich bedaard houden of driftig opstuiven, toen hij, bedenkende, dat het voor de dame, die zich ten zijnen opzigte zoo vergist had, onaangenaamzou wezen hem te herkennen, besloot zich vreemd te houden, evenwel geheel alleen om harentwille; want hij was, na den goeden afloop der vorige historie, volstrekt niet bang meer. Maar hoe vreemd kwam het hem voor, toen op eens de dame zelve naar hem toekwam, en, hem ombeschaamd aanziende, lagchende zeide:“Eh bonjour, mon cher Milord!”“Comment, Madame?” zei Pols ontzet; want nu eerst werd het hem duidelijk, dat de dame mede in het complot tegen hem betrokken was.“Lache!” riep een der cavaliers hem toe.“Poltron!” begroette hem de andere.Onze vriend voelde zich het bloed naar ’t hoofd stijgen; hij werd driftig en bedroefd tevens over deze nieuwe onaangenaamheid, waarin hij zich op zijn vijfendertigsten verjaardag geplaatst zag. De Zwitser was intusschen in de kapel gegaan, waar hij hoopte nog eenige afbeeldingen van het monument te verkoopen. Pols bleef dus alleen, even als de garde in 92, één tegen vier. Het was daarom eene uitkomst voor hem, toen hij Van Aartheim zag aankomen, en de dame, dezen ziende, onmiddellijk den arm van den Engelschman losliet, en onder den uitroep: “Mille tonnerres, c’est encore lui!” met de Fransche cavaliers in de kapel retireerde, schoon de Engelschman hun ook toeriep, dat zij maar blijven moesten, want dat die heer zoo kwaad niet was, als zij wel dachten.Nu meende Pols dat de zaak weêr gered was; hij had de magt gezien, die Van Aartheim over de Fransche gelukzoekers uitoefende; hij meende nu, dat hun Engelsche complice ook slecht van de reis zou komen. Groot was dus zijne verbazing, toen deze, in plaats van eenigszins confuus te worden, de linkerhand uitstak, en zijnen vriend op familjaren toon begroette “How do you do, Van Aartheim?”Van Aartheim en Lurgrave.Van Aartheim en Lurgrave.Deze scheen heden volstrekt geen lust te gevoelen, om op den toon, waarop hij te Heidelberg sprak, te beginnen;wel met eenigen weêrzin, maar toch zonder aarzelen, nam hij de aangeboden hand aan, en mompelde naauwelijks hoorbaar: “Mr. Lurgrave!”Gedurende het discours, dat nu volgde, had Pols schoon hij maar enkele woorden begreep, gelegenheid om zich zoo veel te ergeren als het hem maar lustte; want de Engelschman, die op zeer hevigen en onbeschaamden toon sprak, en wiens geheele uiterlijk dicteerde, dat hij, of niemand, een schurk was, scheen over Van Aartheim zulk eenpoidste hebben, dat deze steeds concessies deed en bijna altijd op verzoekenden toon tot hem sprak. Zij schenen zich beiden weinig om Pols te bekommeren, en deze zou, daar hij toch in Van Aartheim teleurgesteld was, weinig op het discours hebben gelet, zoo niet de Engelschman den naam Torteltak met het vereerend epitheton vandamnedgenoemd had. Nu begon hij scherper toe te luisteren, zonder daardoor evenwel eene syllabe meer te verstaan. Eindelijk, toen ook de andere vrienden weêr in het gezigt kwamen, verliet Lurgrave de Hollanders en sloot zich weêr aan het Fransche reisgezelschap aan; fier passeerde hen de dame, aan den arm van den Engelschman vertrekkende, en de cavaliers, die haar volgden, keken de vrienden trotsch aan, met overmoed hunne vreeselijke knevels omhoogstrijkende.De terugwandeling was geenszins door vrolijkheid gekenmerkt. Van Aartheim was stil en afgetrokken. Pols zag beurtelings hem wantrouwend en Torteltak deelnemend aan. Hij vreesde zeer dat tegen dezen vriend een aanslag gesmeed werd, en wist voorloopig nog volstrekt niet, hoe hij dat geval behandelen moest. Hij begon te wenschen dat Veervlug dien vreemdeling maar nooit in hun midden gebragt had; maar van den anderen kant kon hij toch niet gelooven, dat hij een slecht mensch was. Hij had gedurende de dagen, die zij te zamen hadden doorgebragt, zulk eene edele denkwijze aan den dag gelegd en allenzoo zeer aan zich geboeid, dat hij òf een goed mensch, òf een vreeselijk huichelaar moest wezen. Dit en de vrees, dat de twee natte tortels niet goed zouden opdroogen, martelden den goeden Pols zoodanig, dat hij oogenblikken had, waarin hij geheel vergat, dat hij heden zijnen vijfendertigsten verjaardag vierde.Zoo kwamen zij in het logement aan, waar in de groote zaal deOberkellnerhen te gemoet kwam met brieven uit Holland, die hij op hun verzoek van de post had doen halen. In een oogenblik verdwenen van aller gelaat de wolken van droefgeestigheid en wantrouwen en ontevredenheid Wie ooit, al was het maar weinige weken, buiten ’s lands gereisd heeft, kan zich van hunne vreugde een denkbeeld maken. Men moge al het besluit nemen, om zich die weken niet over betrekkingen en vrienden te bekommeren, en zich met het denkbeeld van “geen tijding, goede tijding” tevreden stellen; daar zijn oogenblikken, waarin men één enkelen regel van eene geliefde hand met goud zou willen betalen; men gunt zich naauwelijks den tijd, om den brief open te breken en te ontvouwen; men leest de phrase “alles is wel” wel honderdmalen over, en schoon men zich volstrekt niet ongerust gemaakt heeft, is het toch alsof er een pak van het hart valt; men verneemt met de grootste belangstelling de onbeduidenste kleinigheden, die in den brief vermeld zijn; want niets omtrent geliefde betrekkingen is in die oogenblikken onbeduidend, niets eene kleinigheid; men vergeet geheel waar men zich bevindt, en droomt zich in het midden van de zijnen; en men is teleurgesteld, wanneer men het papier neêrgelegd heeft, dat men de hand, die ons schreef, niet hartelijk kan drukken.Vier der vrienden riepen dan ook nu spoedig elkander toe: “bij mij is alles wel,” en verdiepten zich verder in de lectuur. Van Aartheim slaakte een diepen zucht, maar zeide toch: “bij mij ook.” Maar Pols, de arme Pols! Hijlas den brief, werd bleek, herlas hem nog eens, en legde hem neder met de woorden: “Dat mij ook dit nog heden moest treffen!”De brief, dien hij ontving, was van den volgenden inhoud:Rotterdam, 13 Juli 1837.Waarde Neef!“Ik ben frisch en gezond, en verwensche van uwé het zelfde te hooren; ware het anders, het zou mij van harte leed wezen. Maar ik bevind mij in de treurige omstandigheid, uwé te moeten melden, als dat gisteren avond, omstreeks half acht ure, uwé huishoudster en dienstmaagd Mijntje Boer, na eene ziekte van slechts weinige dagen, in den ouderdom van 58 jaren en 4 maanden is overleden. Ik denk, uwé deze tijding ook regt leed zal doen; maar vond mij toch verpligt van dit meê te deelen aan uwé adres, zoo als ik het van uwé heb opgeteekend. Heb alles zelf bezorgd voor een eerlijke begrafenis; verhope na uwé genoegen zal wezen, waaraan niet vertwijfel; verwensche uwé verder veel genoegen en gezondheid, en verblijve na groetenissen“Uwé hoogachtende NeefLeendert van Kroesen.”P.S. Mijne vrouw wil, voor ik deze sluit, ook nog een woordje bijvoegen.“Waarde Neef Joachim!”“Uwe zult wel hebben staan te kijken, toen mijn man het u schreef, van Mijntje. Ik kan uwe dan ook wel zeggen, ik er geheel kapot van ben geweest, zoo zelfs, de meester mij een drankje heeft voorgeschreven. Want Mijntje was toch heusch een goede meid, en knap voor haar werk, en nog zoo zindelijk, en eerlijk en trouw als goud, al kwam zij tot hooger jaren. Zij was ook altijd uwe trouwezorg, en die van uwes vader en moeder zaliger, en dat bleef ze tot aan haar dood toe. Zij tobde er wat over, toen zij zoo verslimmerde, zij het huis zoo maar half schoongemaakt achterliet; en ik heb haar tusschenbeiden nog al eens gaan opzoeken, daar zij dan ook heel dankbaar voor was, moet ik zeggen. Ik ging gisteren avond nog eens naar haar toe; maar toen zag ik zelfs wel, zij hard verminderde. Ik zei nog tegen haar: “wel Mijntje, hoe gaat het?” maar zij knikte flaauwtjes. En toen zei ze een kort poosje later: “zal je toch wel de groetenis doen aan den jongen heer?” maar toen heeft ze ook niet meer gesproken; en net kwam de meester, en hij zei, hij geen pols meer voelde, en om half acht was zij al dood. Mijn meid en de meid van den schrijnwerker, schuins over de deur, hebben haar afgeleid, en alles zal eerlijk en ordentelijk toegaan, en mijn man heeft alles heel goed bezorgd. Jongens, jongens, zei ik ’s avonds tegen mijn man; wie had dat kunnen denken! Zondag vier weken, toen uwe nog t’huis was en toen wij naar de avondkerk gingen, zat zij nog voor het gordijntje en groette zoo opgemonterd. Maar nu hebben wij, omdat uwes huis zoo lang niet leeg zou staan, er voor zoo lang Pietje van Sannetje de plooister ingezet, die haar man op ’t geelgieten gaat en dan ’s nachts meê het huis bewaakt. Dat zijn toch ook eerlijke menschen. Nu, waarde neef Joachim! zal ik eindigen;ik zou u nog wel veel willen schrijven, maar ik zit midden in het inmaken, en dat zou bederven. Maar toch, ik moet uwe nog eens vertellen, mijn zoon Hendrik een goed oog heeft laten vallen op Paauwtje Vet van de Botersloot. Nu, ik heb er niets tegen, want het is een eerlijk meisje, en ik heb er nooit een onvertogen woord van gehoord. Maar nu zal ik toch heusch eindigen; na vele groetenissen van ons allen“Uwe waarde NichtS. van Kroesen,geb.Molslag.”Dit was de derde ramp, die Pols op zijn vijfendertigsten verjaardag trof. De vrienden betuigden hem, zoo hartelijk zij vermogten, hunne deelneming; maar Pols bleef stil en zeide: “Niemand weet, hoeveel ik aan Mijntje verlies; zij was geen gewone meid, maar als het ware eene tweede moeder.”DeKellnerkwam annonceren, dat hetdiner, door den Heer Polsbroekerwoud besteld, gereed was. Werktuigelijkvolgdendeze en de overige vrienden, die zeer verwonderd waren, in een bijzonder apartement een zeer fijndinerte zien aangerigt.Op het midden der tafel stond eene groote taart, versierd met zinnebeeldige figuurtjes, die op geboorte en geboortedagen betrekking hadden.“Ik had dat dezen morgen zoo besteld,” zei Pols, terwijl hij zich zuchtend aan de tafel plaatste, “weinig vermoedende, dat ik mijn vijfendertigsten verjaardag zoo treurig zou moeten vieren.”

Waarin Pols in zijne verwachting, om een der schoonste dagen van zijn leven in vreugde te vieren, door veelvuldige rampen bitter wordt teleurgesteld.

Waarin Pols in zijne verwachting, om een der schoonste dagen van zijn leven in vreugde te vieren, door veelvuldige rampen bitter wordt teleurgesteld.

Het is wel aangenaam voor vreemdelingen, in een hotel te logeren, dat in eene niet al te breede straat gelegen is; want indien er in zulk een straat nog al veel passage is, dan noemt men het een vrolijke stand; dan kan men, op eene bovenkamer logerende, als men zijn ligchaam ter halverwege uit het venster steekt, verscheidene menschen op het hoofd zien, en eene aangename en bonte verwarring van vilten, stroo- en zijden hoeden ontwaren; men heeft daarenboven den vrijen inkijk bij de overburen, kan zich vermaken met het gezigt van heeren, die hunne kin en wangen voor een scheerspiegeltje inzeepen; van dames, die een kastanjebruinen tour over vuurroode haren vastbinden; van moeders, die hare geluijerde lievelingen in zulk eene positie plaatsen, dat zij zich bont en blaauw moeten schreeuwen; van oudere telgjes, die figuurtjes op de glasruiten duimelen, en, als zij u ontdekken, dikwijls gereed zijn u de inspectie hunner tongen te vergunnen; van dienstmeisjes, die uit het raam van een bovenvertrek een luchtje scheppen, eene bezigheid, waaraan zij bij hare mevrouwen den veelbeteekenenden naam geven van eene kamer op te ruimen; indien verder de familie in eene voorkamer dejeuneert, kan men opmerken, hoe oneindig veel aftreksels men van eene zeer geringe dosis thee kan maken, en hoe groot een aantal boterhammen de kinderen aan groote brokken in denmond en kruimels op den grond kunnen consumeren. Men ziet dan schrale en overdadigedejeuners, met slappe thee of met sterken Portwijn, met magere boterhammetjes of metfoie gras, met beefstuks of met pillen; ja, daar zijn logementen, waar men de overburen met gloeijende en saprijke sleep-asperges ziet ontbijten.

Dit genoegen misten onze reizigers in hetHôtel du Cygnete Lucern, daar dit logement ongelukkig niet in eene straat, maar aan hetLac des quatre Cantonsis gelegen. Zij moesten zich dusvergenoegenmet het uitgestrekte uitzigt over het blaauwe meer, tot waar het zich bepaald ziet door de bevallige heuvelen, rijk met dennen en ander hout begroeid; daar achter zagen zij de lange bergketen van den vruchtbaren Rigi met welig groen omzoomd, tot de sombere rotsen van den Pilatus, tegen wier spitsen zich de wolken braken; het hoog en frisch geboomte spiegelde zich in het helder doorschijnend water; vruchtbare velden waren als een bloemenkleed tegen de helling des bergs uitgespreid, en gaven eene aangename afwisseling aan het oog, dat in het verder verschiet gerust had op de hooge bergrotsen, wier naaktheid alleen door een sneeuwgewaad wordt bedekt.

Het kostte den vrienden weinig moeite om het den kastelein te vergeven, dat hij aan deze plaats tot de oprigting van zijn etablissement de voorkeur gegeven had boven de enge straten der stad. Moesten zij zich al vergenoegen met het gezigt op bergen en meren, waar zich slechts weinige menschen bewogen, in plaats van een groot aantal hunner natuurgenooten in een klein bestek bijeen te zien; welnu, het stond hun vrij hunne verbeelding den vollen teugel te laten, en het liefste plekje, dat zij voor zich zagen, met die zij het liefst om zich wenschten te bevolken. Het is een privilegie van den reiziger, om eene landstreek, die hem bij uitstek bevalt, de zijne te denken, en op die manier kan hij eigenaar zijn zonder kooppenningen te betalen, en een talrijk gezelschaphonderdenmijlen ver overvoeren zondereen stuiver reisgeld uit te geven. Het is een privilegie, waarvan vooral jonge menschen, die in de kracht van hunnen wenschleeftijd zijn, die nog niet al te veel in de wereld der wezenlijkheid te huis behooren, en door een lange tehuisblijf-onderving tot het resultaat gekomen zijn, dat er geen land beter is dan het hunne, en in dat land geen plekje aangenamer dan juist dat, waar zij wonen, nog al eens gebruik maken. Zij doen echter wijs, indien zij deze droomen en jeugdige voorstellingen in hun eigen borst bewaren, en ze vooral niet aan menschen, die wijs en van ondervinding zijn, meêdeelen; want velen hunner zijn voorkomend genoeg, om den jeugdigen gloed, dien de tijd langzaam en behoedzaam verkoelt, door hunne ijskoude aanmerkingen op eenmaal uit te blusschen.

Daar waren er zeker onder de vrienden, die allen, met uitzondering van Pols, reeds een geruimen tijd in den morgen op het balkon van het hotel hadden neêrgezeten, wie de landstreek, op welke zij het uitzigt hadden, tot zulke bespiegelingen aanleiding gaf. Zij hadden daarom ook naauwelijks opgemerkt, dat hun waardige vriend heden tegen zijne gewoonte laat uit zijne slaapkamer te voorschijn kwam, en misschien zou zijne aankomst in hun midden nog niemands aandacht getrokken hebben, zoo niet een extra glans van genoegen en de bijzondere sierlijkheid zijner kleeding al te in het oog loopend was geweest. De blaauwe jas toch had heden voor een zwarten rok plaats gemaakt; een uitvoerige jabot kwam uit een wit vest te voorschijn, en een zomerpantalon met roode streepjes (een patroontje, dat hem zijn kleêrmaker in der tijd, als zeer gedistingueerd, had aanbevolen) voltooide zijn kostuum; een treffend schoon horlogiebandje, met kraaltjes gewerkt, hing over het vest, en eindigde in een kolossalen gouden sleutel, opgevuld met menschenhaar, afkomstig van de hoofden van de oude lieden Polsbroekerwoud en den jeugdigen Joachim zelven,voorgesteld onder de gedaante van twee kirrende tortels en een jong duifje op den rand van het nest.

Geen der vrienden kon de oorzaak bevroeden dezer belangrijke gedaanteverwisseling. Pols was bij hen te wel bekend, als weinig werk makende van zijn toilet; en schoon ook nu zijn dos alles behalve datgene was dat men een goede kleeding noemt, hij scheen het er op toegelegd te hebben, om eens mooi voor den dag te komen. De goede man werd dus dadelijk met allerhande vragen bestormd, en had de satisfactie van werkelijk effect te maken. In het eind gaf hij te kennen, dat deze feestkleeding zijn gewone was op elken 22stenJuli, als zijnde de belangrijke dag, waarop hij het eerste levenslicht had gezien. Een stroom van gelukwenschen daalde nu neder over het hoofd van den jarige, en men juichte hem toe wegens den inval om zich dezen dag zoo feestelijk te tooien.

Deze uitdrukking was maar half in den geest van Pols. Hij was zoo gewoon den dag, waarop hij geboren was, jaarlijks plegtig te vieren, en hij had van zijne vroegste jeugd altijd zoo velen om zich gezien, die dan in feestelijke stemming waren, dat het hem bijna vreemd voorkwam, dat er menschen zouden kunnen bestaan, die den 22stenJuli niet als een merkwaardigen dag beschouwden. Hij kon het zich nog voorstellen, hoe hij als een klein kind op dit feest altijd zijn beste pak mogt dragen; hoe hij ’s morgens bij zijn ontwaken voor zijn bedje een grooten koek zag liggen, met eene inscriptieter uwer verjaring,op uwen geboortedag,tot gelukwensching, of iets dergelijks, en hoe dan de persoon, die hem deze verrassing bereid had, niemand anders dan zijn goede Mijntje, het oogenblik van zijn ontwaken bespiedde, om zijne vreugd te genieten; hoe hem dan beneden van vader en moeder teedere omarmingen en warme kussen wachtten, en hoe hij begeerig zijne oogen naar de tafel opsloeg, waar de feestgeschenken lagen uitgespreid; hoe hij nooit op dien dag naar school behoefdete gaan, maar zelf naar het afgebrande huis mogt wandelen, om bestenjanhagelte koopen, waarop neef en nicht Van Kroesen en oom en tante Molslag en Jansje uit de Lommerdstraat, als zij hunne gelukwenschen hadden uitgestort, werden getracteerd. Hij stelde zich nog de avonden van die feestdagen voor, waarop hij met dat lieve Jansje en nog een paar andere nichtjes huishoudentje speelde; want in zijne kinderjaren behaagde hem de conversatie met meisjes oneindig meer dan die met zijne woeste kernuiten, aan welke hij dikwijls een blaauw oog of een bloedneus te danken had. De verjaardagen uit dezen tijd van zijn leven stonden onzen vriend het duidelijkst voor den geest, en gaven hem de genoegelijkste herinneringen. Maar later toch ook waren het aangename feesten; decadeauxwerden langzamerhand grooter. Zijn vader schonk den leerzamen jongeling bij zulke gelegenheden menig solied boekwerk: Van der Aa,Geschiedenis van den Oorlog; Kok,Vaderlandsch Woordenboek, of dergelijken. Zijne moeder liet altijd een kolossalen tulband bakken; want ook de feesten werden deftiger, en Joachim wist zich reeds heel goed als held van de partij te houden. Gedurende zijn verblijf te Leyden plagt hij ’s morgens eene uitgebreide waterchocolaadpartij te geven, en verder eene lievesoiréeaan zijne uitverkorenen, waar dan de stroopzolen en de peperkoek, die per pakschuit van Rotterdam arriveerden, werden genuttigd. Was het dus wonder, dat Pols, die nog nooit zijn verjaardag ongevierd had doorgebragt, zich ook heden te Lucern in zijne feestkleeding vertoonde?

Helaas! dat het onschuldigst genoegen zoo vaak door de omstandigheden wordt verstoord! Moest juist heden een heir van onaangenaamheden en droevige voorvallen tegen den feestvierenden jongeling aanrukken? Moest al zijne vreugde vergald worden, en zijn vijfendertigste verjaardag met zwarte kleuren in zijn dagboek worden aangeteekend!

Toen men zich op weg begaf, om de merkwaardigheden der stad in oogenschouw te nemen, moest men, daar het water van het meer door zwaren regen en dubbelen toevoer van de bergstroomen tot eene onmatige hoogte gestegen was, om uit het logement op de hoogere straten te komen, over planken en noodbruggen voortgaan, daar de weg voor het hotel geheel en al overstroomd was. Deze onaangenaamheid had evenwel voor Pols iets aangenaams, daar het hem onwillekeurig aan Rotterdam bij springvloed deed denken. Hij stapte dus vrolijk over de smalle planken voort; maar ziet, eene calêche, die door het water heenrijdt, passeert hem, en de onzachte beweging der paardenpooten in den stroom is oorzaak dat zijn hagelwitte jabot geheel door slijkspatten bezoedeld wordt. “Het is onaangenaam,” zegt Pols; doch hij troost zich, en haalt zijn bonten zakdoek voor den dag, om de ramp zoo veel mogelijk te herstellen.Maar helaas! door de te hevige wrijving met den doek springt het beeldschoone horlogiebandje los, en de gouden sleutel, met de zinnebeeldige voorstelling van het huwelijksgeluk zijner ouders, ploft eensklaps in het water. Dit is te veel! Schrik en droefheid betwisten zich het regt over des jongelings gelaatstrekken; maar zijn besluit is spoedig genomen; hij bukt, waagt zijn geheelen arm en het beste ongedecartiseerde laken aan het modderige vocht—en niet te vergeefs; want hij redt het voorwerp, dat hem van onberekenbare waarde is; maar ach! door den val is het glas gebroken, en de haren projectilen zijn van haren glans en zuiverheid beroofd. Treurig slaat Pols zijn oog er op, maar terstond is hij weêr met den zakdoek gereed; hij wil de vochtige vleugels der diertjes zachtkens afdroogen; doch hij berekent niet, dat haar eenige hechtsel aan het plaatje lijm is, en zijne verbazing grenst aan wanhoop, toen hij bemerkt dat de veertjes aan den doek kleven. Gelukkig is nog slechts het duifje op het nest gewond; dit verlies isnog beter te herstellen, dan wanneer een der kirrende tortels eene kwetsuur had ondergaan. Behoedzaam draagt hij de schilderij dus naar het logement terug, in hoop dat de vochtigheid verder aan de arme dieren geen letsel zal doen. Dit was de eerste ramp, die Polsbroekerwoud op zijnen vijfendertigsten verjaardag trof.

Na eenige uren in het bezigtigen der inrigtingen binnen de stad te hebben doorgebragt, bezochten de vrienden ook de plaats, waar de beroemde Leeuw van Thorwaldsen te zien is. Dit waardige gedenkteeken van den heldenmoed der Zwitsersche garde, te Parijs in 1792 betoond, wekt, door het eenvoudige en poëtische der gedachte van den grooten meester, aller bewondering op, en zoo het dienen moet om den moed en trouw der brave Zwitsers in het geheugen te bewaren en aan de nakomelingschap over te brengen, het is verwonderlijk hoeveel meer het monument vermaard is dan het moedig gedrag der helden zelf. Nu evenwel is de oude Zwitser nog als guide daar, om u het feit, waarvan hij zelf deelgenoot was, in het geheugen terug te roepen; en het is opmerkelijk, met hoeveel meer warmte en natuurlijkheid hij van de verdediging der Tuileriën spreekt, dan wanneer hij, om u op de schoonheid van het gedenkteeken aandachtig te maken, altijd dezelfde geleende woorden bezigt: “L’expression du lion mourant est sublime; le tronçon de la lance qui l’a percé est resté enfoncé dans son flanc; il étend sa griffe redoutable comme pour repousser une nouvelle attaque; ces yeux à demi fermés, vont s’eteindre pour jamais, et cependant son regard semble menacer encore; sa façe majestueuse offre l’image d’une noble douleur et d’un courage tranquille et resigné.”

Terwijl de vrienden een zijpad insloegen, om de rots, waarin de leeuw uitgehouwen is, van naderbij in oogenschouw te nemen, bleef Pols bij den ouden Zwitser, dien hij vond dat zoo aardig kon keuvelen, en van wien hij nog eens iets naders van de zaak wilde vernemen. Daaromde inscriptie van het monument nog eens overlezende en ziendeFortissimi pugnantes ceciderunt DucesXXVI, Milites circiterDCCLX, zeide hij tot den veteraan:

“Mais il y a beaucoup de morts la dessous.”

De Zwitser keek hem verwonderd aan; hij kon zich geen denkbeeld maken, dat iemand eene rots van honderde voeten hoog, een soort van berg van het hardste steen, als eene simpele zerk beschouwde, die men op een graf gelegd had. “Je ne comprends pas,” zeide hij, zijn hoofd schuddende.

Pols begreep dat hij zich verkeerd had uitgedrukt; daarom het gesprek eenen anderen draai gevende, zei hij:

“Mais c’etait la une fameuse bataille aux Tuilleries.”

“Morbleu,” zeide de Zwitser, “c’etait un carnage; nous étions un contre quatre.”

“Dat was moordenaarswerk,” riep Pols met verontwaardiging.

Maar naauwelijks had hij dit woord uitgesproken, of hij voelde zich heel onzacht bij den schouder grijpen. Verschrikt zag hij om. Hij meende in het eerst, dat hij met een van de revolutionaren te doen had, die het in der tijd de Zwitsers zoo benaauwd hadden gemaakt, en prepareerde zich om eene verzoenende phrase in het midden te brengen, toen hij in den persoon, die hem aangreep, een der Franschen herkende, die hij in de HeidelbergscheSchlossruïnenhad ontmoet, en aan zijne zijde den anderen cavalier en de dame, welke nu in eene intime conversatie was met een Engelschman, die er alles behalve gedistingueerd uitzag. Pols wist niet, waar hij zich bevond, en indien de pijnlijke gewaarwording, door de onzachte aangrijping van zijn arm veroorzaakt, hem niet voor die dwaling behoed had, hij zou gemeend hebben te droomen. In het eerst wist hij niet wat te doen, zich bedaard houden of driftig opstuiven, toen hij, bedenkende, dat het voor de dame, die zich ten zijnen opzigte zoo vergist had, onaangenaamzou wezen hem te herkennen, besloot zich vreemd te houden, evenwel geheel alleen om harentwille; want hij was, na den goeden afloop der vorige historie, volstrekt niet bang meer. Maar hoe vreemd kwam het hem voor, toen op eens de dame zelve naar hem toekwam, en, hem ombeschaamd aanziende, lagchende zeide:

“Eh bonjour, mon cher Milord!”

“Comment, Madame?” zei Pols ontzet; want nu eerst werd het hem duidelijk, dat de dame mede in het complot tegen hem betrokken was.

“Lache!” riep een der cavaliers hem toe.

“Poltron!” begroette hem de andere.

Onze vriend voelde zich het bloed naar ’t hoofd stijgen; hij werd driftig en bedroefd tevens over deze nieuwe onaangenaamheid, waarin hij zich op zijn vijfendertigsten verjaardag geplaatst zag. De Zwitser was intusschen in de kapel gegaan, waar hij hoopte nog eenige afbeeldingen van het monument te verkoopen. Pols bleef dus alleen, even als de garde in 92, één tegen vier. Het was daarom eene uitkomst voor hem, toen hij Van Aartheim zag aankomen, en de dame, dezen ziende, onmiddellijk den arm van den Engelschman losliet, en onder den uitroep: “Mille tonnerres, c’est encore lui!” met de Fransche cavaliers in de kapel retireerde, schoon de Engelschman hun ook toeriep, dat zij maar blijven moesten, want dat die heer zoo kwaad niet was, als zij wel dachten.

Nu meende Pols dat de zaak weêr gered was; hij had de magt gezien, die Van Aartheim over de Fransche gelukzoekers uitoefende; hij meende nu, dat hun Engelsche complice ook slecht van de reis zou komen. Groot was dus zijne verbazing, toen deze, in plaats van eenigszins confuus te worden, de linkerhand uitstak, en zijnen vriend op familjaren toon begroette “How do you do, Van Aartheim?”

Van Aartheim en Lurgrave.Van Aartheim en Lurgrave.

Van Aartheim en Lurgrave.

Deze scheen heden volstrekt geen lust te gevoelen, om op den toon, waarop hij te Heidelberg sprak, te beginnen;wel met eenigen weêrzin, maar toch zonder aarzelen, nam hij de aangeboden hand aan, en mompelde naauwelijks hoorbaar: “Mr. Lurgrave!”

Gedurende het discours, dat nu volgde, had Pols schoon hij maar enkele woorden begreep, gelegenheid om zich zoo veel te ergeren als het hem maar lustte; want de Engelschman, die op zeer hevigen en onbeschaamden toon sprak, en wiens geheele uiterlijk dicteerde, dat hij, of niemand, een schurk was, scheen over Van Aartheim zulk eenpoidste hebben, dat deze steeds concessies deed en bijna altijd op verzoekenden toon tot hem sprak. Zij schenen zich beiden weinig om Pols te bekommeren, en deze zou, daar hij toch in Van Aartheim teleurgesteld was, weinig op het discours hebben gelet, zoo niet de Engelschman den naam Torteltak met het vereerend epitheton vandamnedgenoemd had. Nu begon hij scherper toe te luisteren, zonder daardoor evenwel eene syllabe meer te verstaan. Eindelijk, toen ook de andere vrienden weêr in het gezigt kwamen, verliet Lurgrave de Hollanders en sloot zich weêr aan het Fransche reisgezelschap aan; fier passeerde hen de dame, aan den arm van den Engelschman vertrekkende, en de cavaliers, die haar volgden, keken de vrienden trotsch aan, met overmoed hunne vreeselijke knevels omhoogstrijkende.

De terugwandeling was geenszins door vrolijkheid gekenmerkt. Van Aartheim was stil en afgetrokken. Pols zag beurtelings hem wantrouwend en Torteltak deelnemend aan. Hij vreesde zeer dat tegen dezen vriend een aanslag gesmeed werd, en wist voorloopig nog volstrekt niet, hoe hij dat geval behandelen moest. Hij begon te wenschen dat Veervlug dien vreemdeling maar nooit in hun midden gebragt had; maar van den anderen kant kon hij toch niet gelooven, dat hij een slecht mensch was. Hij had gedurende de dagen, die zij te zamen hadden doorgebragt, zulk eene edele denkwijze aan den dag gelegd en allenzoo zeer aan zich geboeid, dat hij òf een goed mensch, òf een vreeselijk huichelaar moest wezen. Dit en de vrees, dat de twee natte tortels niet goed zouden opdroogen, martelden den goeden Pols zoodanig, dat hij oogenblikken had, waarin hij geheel vergat, dat hij heden zijnen vijfendertigsten verjaardag vierde.

Zoo kwamen zij in het logement aan, waar in de groote zaal deOberkellnerhen te gemoet kwam met brieven uit Holland, die hij op hun verzoek van de post had doen halen. In een oogenblik verdwenen van aller gelaat de wolken van droefgeestigheid en wantrouwen en ontevredenheid Wie ooit, al was het maar weinige weken, buiten ’s lands gereisd heeft, kan zich van hunne vreugde een denkbeeld maken. Men moge al het besluit nemen, om zich die weken niet over betrekkingen en vrienden te bekommeren, en zich met het denkbeeld van “geen tijding, goede tijding” tevreden stellen; daar zijn oogenblikken, waarin men één enkelen regel van eene geliefde hand met goud zou willen betalen; men gunt zich naauwelijks den tijd, om den brief open te breken en te ontvouwen; men leest de phrase “alles is wel” wel honderdmalen over, en schoon men zich volstrekt niet ongerust gemaakt heeft, is het toch alsof er een pak van het hart valt; men verneemt met de grootste belangstelling de onbeduidenste kleinigheden, die in den brief vermeld zijn; want niets omtrent geliefde betrekkingen is in die oogenblikken onbeduidend, niets eene kleinigheid; men vergeet geheel waar men zich bevindt, en droomt zich in het midden van de zijnen; en men is teleurgesteld, wanneer men het papier neêrgelegd heeft, dat men de hand, die ons schreef, niet hartelijk kan drukken.

Vier der vrienden riepen dan ook nu spoedig elkander toe: “bij mij is alles wel,” en verdiepten zich verder in de lectuur. Van Aartheim slaakte een diepen zucht, maar zeide toch: “bij mij ook.” Maar Pols, de arme Pols! Hijlas den brief, werd bleek, herlas hem nog eens, en legde hem neder met de woorden: “Dat mij ook dit nog heden moest treffen!”

De brief, dien hij ontving, was van den volgenden inhoud:

Rotterdam, 13 Juli 1837.Waarde Neef!“Ik ben frisch en gezond, en verwensche van uwé het zelfde te hooren; ware het anders, het zou mij van harte leed wezen. Maar ik bevind mij in de treurige omstandigheid, uwé te moeten melden, als dat gisteren avond, omstreeks half acht ure, uwé huishoudster en dienstmaagd Mijntje Boer, na eene ziekte van slechts weinige dagen, in den ouderdom van 58 jaren en 4 maanden is overleden. Ik denk, uwé deze tijding ook regt leed zal doen; maar vond mij toch verpligt van dit meê te deelen aan uwé adres, zoo als ik het van uwé heb opgeteekend. Heb alles zelf bezorgd voor een eerlijke begrafenis; verhope na uwé genoegen zal wezen, waaraan niet vertwijfel; verwensche uwé verder veel genoegen en gezondheid, en verblijve na groetenissen“Uwé hoogachtende NeefLeendert van Kroesen.”P.S. Mijne vrouw wil, voor ik deze sluit, ook nog een woordje bijvoegen.“Waarde Neef Joachim!”“Uwe zult wel hebben staan te kijken, toen mijn man het u schreef, van Mijntje. Ik kan uwe dan ook wel zeggen, ik er geheel kapot van ben geweest, zoo zelfs, de meester mij een drankje heeft voorgeschreven. Want Mijntje was toch heusch een goede meid, en knap voor haar werk, en nog zoo zindelijk, en eerlijk en trouw als goud, al kwam zij tot hooger jaren. Zij was ook altijd uwe trouwezorg, en die van uwes vader en moeder zaliger, en dat bleef ze tot aan haar dood toe. Zij tobde er wat over, toen zij zoo verslimmerde, zij het huis zoo maar half schoongemaakt achterliet; en ik heb haar tusschenbeiden nog al eens gaan opzoeken, daar zij dan ook heel dankbaar voor was, moet ik zeggen. Ik ging gisteren avond nog eens naar haar toe; maar toen zag ik zelfs wel, zij hard verminderde. Ik zei nog tegen haar: “wel Mijntje, hoe gaat het?” maar zij knikte flaauwtjes. En toen zei ze een kort poosje later: “zal je toch wel de groetenis doen aan den jongen heer?” maar toen heeft ze ook niet meer gesproken; en net kwam de meester, en hij zei, hij geen pols meer voelde, en om half acht was zij al dood. Mijn meid en de meid van den schrijnwerker, schuins over de deur, hebben haar afgeleid, en alles zal eerlijk en ordentelijk toegaan, en mijn man heeft alles heel goed bezorgd. Jongens, jongens, zei ik ’s avonds tegen mijn man; wie had dat kunnen denken! Zondag vier weken, toen uwe nog t’huis was en toen wij naar de avondkerk gingen, zat zij nog voor het gordijntje en groette zoo opgemonterd. Maar nu hebben wij, omdat uwes huis zoo lang niet leeg zou staan, er voor zoo lang Pietje van Sannetje de plooister ingezet, die haar man op ’t geelgieten gaat en dan ’s nachts meê het huis bewaakt. Dat zijn toch ook eerlijke menschen. Nu, waarde neef Joachim! zal ik eindigen;ik zou u nog wel veel willen schrijven, maar ik zit midden in het inmaken, en dat zou bederven. Maar toch, ik moet uwe nog eens vertellen, mijn zoon Hendrik een goed oog heeft laten vallen op Paauwtje Vet van de Botersloot. Nu, ik heb er niets tegen, want het is een eerlijk meisje, en ik heb er nooit een onvertogen woord van gehoord. Maar nu zal ik toch heusch eindigen; na vele groetenissen van ons allen“Uwe waarde NichtS. van Kroesen,geb.Molslag.”

Rotterdam, 13 Juli 1837.

Waarde Neef!

“Ik ben frisch en gezond, en verwensche van uwé het zelfde te hooren; ware het anders, het zou mij van harte leed wezen. Maar ik bevind mij in de treurige omstandigheid, uwé te moeten melden, als dat gisteren avond, omstreeks half acht ure, uwé huishoudster en dienstmaagd Mijntje Boer, na eene ziekte van slechts weinige dagen, in den ouderdom van 58 jaren en 4 maanden is overleden. Ik denk, uwé deze tijding ook regt leed zal doen; maar vond mij toch verpligt van dit meê te deelen aan uwé adres, zoo als ik het van uwé heb opgeteekend. Heb alles zelf bezorgd voor een eerlijke begrafenis; verhope na uwé genoegen zal wezen, waaraan niet vertwijfel; verwensche uwé verder veel genoegen en gezondheid, en verblijve na groetenissen

“Uwé hoogachtende NeefLeendert van Kroesen.”

P.S. Mijne vrouw wil, voor ik deze sluit, ook nog een woordje bijvoegen.

“Waarde Neef Joachim!”

“Uwe zult wel hebben staan te kijken, toen mijn man het u schreef, van Mijntje. Ik kan uwe dan ook wel zeggen, ik er geheel kapot van ben geweest, zoo zelfs, de meester mij een drankje heeft voorgeschreven. Want Mijntje was toch heusch een goede meid, en knap voor haar werk, en nog zoo zindelijk, en eerlijk en trouw als goud, al kwam zij tot hooger jaren. Zij was ook altijd uwe trouwezorg, en die van uwes vader en moeder zaliger, en dat bleef ze tot aan haar dood toe. Zij tobde er wat over, toen zij zoo verslimmerde, zij het huis zoo maar half schoongemaakt achterliet; en ik heb haar tusschenbeiden nog al eens gaan opzoeken, daar zij dan ook heel dankbaar voor was, moet ik zeggen. Ik ging gisteren avond nog eens naar haar toe; maar toen zag ik zelfs wel, zij hard verminderde. Ik zei nog tegen haar: “wel Mijntje, hoe gaat het?” maar zij knikte flaauwtjes. En toen zei ze een kort poosje later: “zal je toch wel de groetenis doen aan den jongen heer?” maar toen heeft ze ook niet meer gesproken; en net kwam de meester, en hij zei, hij geen pols meer voelde, en om half acht was zij al dood. Mijn meid en de meid van den schrijnwerker, schuins over de deur, hebben haar afgeleid, en alles zal eerlijk en ordentelijk toegaan, en mijn man heeft alles heel goed bezorgd. Jongens, jongens, zei ik ’s avonds tegen mijn man; wie had dat kunnen denken! Zondag vier weken, toen uwe nog t’huis was en toen wij naar de avondkerk gingen, zat zij nog voor het gordijntje en groette zoo opgemonterd. Maar nu hebben wij, omdat uwes huis zoo lang niet leeg zou staan, er voor zoo lang Pietje van Sannetje de plooister ingezet, die haar man op ’t geelgieten gaat en dan ’s nachts meê het huis bewaakt. Dat zijn toch ook eerlijke menschen. Nu, waarde neef Joachim! zal ik eindigen;ik zou u nog wel veel willen schrijven, maar ik zit midden in het inmaken, en dat zou bederven. Maar toch, ik moet uwe nog eens vertellen, mijn zoon Hendrik een goed oog heeft laten vallen op Paauwtje Vet van de Botersloot. Nu, ik heb er niets tegen, want het is een eerlijk meisje, en ik heb er nooit een onvertogen woord van gehoord. Maar nu zal ik toch heusch eindigen; na vele groetenissen van ons allen

“Uwe waarde NichtS. van Kroesen,geb.Molslag.”

Dit was de derde ramp, die Pols op zijn vijfendertigsten verjaardag trof. De vrienden betuigden hem, zoo hartelijk zij vermogten, hunne deelneming; maar Pols bleef stil en zeide: “Niemand weet, hoeveel ik aan Mijntje verlies; zij was geen gewone meid, maar als het ware eene tweede moeder.”

DeKellnerkwam annonceren, dat hetdiner, door den Heer Polsbroekerwoud besteld, gereed was. Werktuigelijkvolgdendeze en de overige vrienden, die zeer verwonderd waren, in een bijzonder apartement een zeer fijndinerte zien aangerigt.Op het midden der tafel stond eene groote taart, versierd met zinnebeeldige figuurtjes, die op geboorte en geboortedagen betrekking hadden.

“Ik had dat dezen morgen zoo besteld,” zei Pols, terwijl hij zich zuchtend aan de tafel plaatste, “weinig vermoedende, dat ik mijn vijfendertigsten verjaardag zoo treurig zou moeten vieren.”


Back to IndexNext