Hoofdstuk XX.Waarin zoo vele zaken voorkomen, dat het moeielijk zou wezen, de verschillende opgaven in een korten inhoud te vereenigen.Daar zijn verliezen, die niet treffend zijn, die niemands medegevoel opwekken, waarbij het geen mensch zal invallen deelneming te betuigen, waarvan dikwijls te spreken zelfs bespottelijk schijnt, maar die met dat al verliezen zijn. Zoodanig was voor Polsbroekerwoud de dood van zijn getrouwe Mijntje. De goede man was altijd zeer aan haar gehecht geweest. Zij behoorde tot de nalatenschap zijner ouders; zij had hem van zijne vroegste jeugd af met zorg en liefde overladen; hij wist dat zij geheel en alleen voor hem leefde, en het was hem gewoonte geworden alle huiselijke zaken door haar te zien besturen, en bij zijne afwezigheid te weten, dat zij op haar post was en alles goed behartigde. Daarom ook was hij altijd goed en vriendelijk, en zelfs, schoon het nooit opspraak gaf, dikwijls vertrouwelijk met haar geweest. Deze manier van omgaan was misschien wel heelmauvais genre; want Mijntje was toch maar een meid, en zij werd voor al wat zij deed betaald. Een fatsoenlijk mensch voldoet immers aan zijne verpligting, als hij aan zijne dienstbaren, voor den tijd dien zij hem wijden, de moeite die zij zich om zijnentwil getroosten, de zorg die zij aan zijne zaken besteden, en de liefde waarmeê zij al wat hem aangaat bejegenen, een jaarlijksch loon uitbetaalt, en meer nog dan hij verpligt is, als hij hun eene kermis- of nieuwjaarsfooitoereikt. Waartoe woorden aan hen te verspillen, zoo zij niet dienen moeten om orders te geven? waartoe een blik op hen te slaan, dan om hen te doen zien, dat hij om het minst verzuim gramstorig is? Een fatsoenlijk man bewaart den afstand, die tusschen hem en zijne dienstboden bestaan moet, somtijds eene uitzondering makende met jonge en mooie kameniers, jegens welke hij kan meenen nog andere pligten te moeten vervullen.Polsbroekerwoud was een burgerman, en koesterde ook in deze zeer burgerlijke begrippen. Hij ging hierin zelfs zoo ver, dat hij meende, dat dienstbaren somtijds onbetaalbare diensten kunnen bewijzen, en onder dezulken telde hij zijn overledene Mijntje. Het scheen hem dus een gemakkelijke pligt, haar altijd vriendelijk te bejegenen; hij stelde er zich wezenlijk genoegen van voor, haar, die hem in zijne jeugd zoo goed verzorgd had, eenen onbezorgden ouderdom te verzekeren. Door haren dood werd hij hierin teleurgesteld en daar er ook nog vele andere plannen voor de toekomst door verijdeld werden, liet de noodlottige tijding nog langen tijd een zeer droevigen indruk op hem na. Hierbij kwam het denkbeeld, dat, zoo hij te huis gebleven was, de zaken misschien anders zouden geloopen zijn, schoon hij wel wist dat zijne tegenwoordigheid haar niet in het leven zou hebben behouden, maar dat hij dan toch in allen gevallen nu zelf over alles het oog kon laten gaan.De reis ging evenwel verder. Over de Vierwaldstädtersee voer men naar Alpnach, en wandelde langs de meren van Sarnen en Lungern naar den Brünig, om zoo het Berner Oberland te bereiken. Maar Pols ging langzaam en zwijgend naast Aloys Stadler voort. Hij merkte naauwelijks de schoonheden van het lieve kanton Unterwalden op; want in zijne gedachten wandelde hij langs de Rotte bij zijne geboortestad, liet zich aan de molens in het Zwaanhals overzetten, en trok als pelgrim naar Krooswijk, omte zien waar de laatste rustplaats der overledene was bereid.Van het begin der excursie door het Oberland staat geen enkel woord in zijn dagboek opgeschreven. Wij weten nogtans, dat hij Meyringen, den Reichenbach en Handegg heeft bezocht; en het eerst vinden wij zijne aanteekeningen weêr te Briënz, “aangekomen Zondag den 23 Juli, des namiddags ten 2 ure, en van daar in een schuitje vertrokken naar Interlaken, omen passantden Giessbach te gaan bezigtigen, in gezelschap van drie vreemde heeren.”Men had in het logement te Briënz deze vreemdelingen ontmoet.Zij waren nog jonge menschen, schoon in bedaardheid van toon en deftigheid van kleeding hunnen leeftijd twintig jaren vooruit. Een hunner had, behalve de gewone bestanddeelen van een menschelijk aangezigt, nog een schildpadden bril op den neus, kennelijk met effen, ongeslepen glazen, maar die hij toch, waar iets bijzonder de opmerkzaamheid verdiende, tot verheldering der voorwerpen uit de nabijheid zijner oogen verwijderde. De tweede trok terstond de aandacht door de kunstige wijs, waarmeê zijne bovenlip was omgekruld en aan zijn neus vastgehecht, welke speling der natuur evenwel door een zwart bandje over de lip en om de wangen gebonden, ten deele werd verborgen. De derde had met gedekten hoofde niets opmerkelijks; maar als hij den hoed afnam, stond men in twijfel of zijn hoofd zich bevlijtigde om door zijn haar heen te groeijen, of dat het door een kapper bediend werd, die geen ander model van haardragt kende, dan dat der bedelmonniken. Weinige maanden geleden had dit drietal de Akademie van Zurich verlaten, met documenten begiftigd, waardoor het hun vrijstond hunne systemata, of die hunner hoogleeraren, op de ligchamen van het lijdende menschdom te appliceren.Het was een warme middag, waarop dit gezelschap den togt over het meer van Briënz ondernam. Dit ondervonden voornamelijk de roeijers, drie stevige knapen, wie het zweetlangs het aangezigt gudste, zonder dat daarom hun ijver, om de schuit in eene snelle vaart te houden, een oogenblik verflaauwde.“Het is een ongezond leven, dat die schippers leiden, blootgesteld aan hitte en koude,” zei een der doctoren tot zijne compagnons, die met hem onder den rooden parapluie van Stadler den fellen zonneschijn ontweken; “zulke menschen kunnen nooit oud worden.”“Dat merk ik aan mijn vader,” viel een der roeiers in: “die heeft zijn heele leven op het meer gezwalkt, en is nu pas even zeventig; verleden week maakte de stumpert nog eenspatziergangnaar den Faulhorn, om levensmiddelen in hetKulmhauste brengen, en hij kwam nog zoo frisch als een hoen te huis.”“Dat is verbazend!” riep Pols uit.“’t Iscontra naturam,” zei de doctor met de hazenlip.“’t Zal hem nog wel eens opbreken,” hernam zijn confrater met den schildpadden bril.“Ik zal hem de boodschap doen,” zei de knaap; maar hij fluisterde een zijner makkers toe: “Ik zat toch nog liever in de taaije verbrande huid van den oude, dan in het bleeke vel van dien opbreker.”Van Aartheim was intusschen met Stadler in gesprek geraakt over de Bergmannetjes, die in ouden tijd in het Oberland zulk eene groote rol hadden gespeeld, en vernam tot zijne groote verbazing, dat dit geslacht nog niet was uitgestorven; dat zij nog dikwijls te middernacht op de hoogten vergaderden, en zich dansende den tijd kortten, en dat, naarmate zij veel of weinig passen uitvoerden, de oogst rijkelijker of schraler was. Hij werd evenwel gerustgesteld door de verzekering, dat de kwaden onder hen verdwenen waren, sedert de vijftig dappere ridders den grooten vrouwenschaker van het Haslithal, die het opperhoofd dier booze geesten was, hadden verslagen.De vrienden gaven hun verlangen te kennen, om ietsnaders van deze belangrijke gebeurtenis te vernemen, en Aloys Stadler voldeed aan hunne nieuwgierigheid door het volgende verhaal:“Vóór eeuwen stond er op eene rots van den Hasliberg een kasteel, door een ringmuur van ongenaakbare hoogte beschut, en van peilloos diepe afgronden als grachten omgeven.“De ridder, wien het toebehoorde, was uit verre streken gekomen, en was jong en schoon. Hij leefde in zijn slot in weelde en overdaad; vijftig knechten bedienden aan zijne tafel uit gouden schotels, en vijftig maagden schonken hem wijn in gouden bekers.“Als hij een togt door het dal deed, was hij door honderd geharnaste ruiters vergezeld, met lange slagzwaarden gewapend; maar onder die allen blonk hij uit door schoonheid en vlugheid, en de kracht waarmeê hij zijn wapen zwaaide. De bewoners van het Haslithal kruisten zich en sidderden, als hij hunne woning voorbijreed. Want de heilige kluizenaar uit de grot had hun verhaald, dat hij met den Booze omging; en zij zelve hadden te middernacht dwalende vlammen om de torens van zijn kasteel gezien. Maar de schoone meisjes, die hem zagen voorbijrijden, merkten op, dat de Booze er niet zoo verschrikkelijk uitzag, als hunne ouders haar wel wilden doen gelooven.“Maar sedert de ridder aan den Hasliberg woonde, werd er eens in elke zeven weken door onzigtbare geesten een meisje uit het dal geschaakt. Dit deden de kwade bergmannetjes, die in dienst van den boozen ridder stonden. En na zeven weken keerde het meisje op dezelfde manier terug, met een gouden beker in de hand, en had wonderen te verhalen van het betooverde paleis, waar zij geweest was, maar ook naar den zin der ouders al te veel wonderen van den schoonen ridder, die haar geliefkoosd had.“De ouders uit het dal en ook de jongelingen, wier bruiden met gouden bekers begiftigd waren, deden dagelijks een bedevaart naar den kluizenaar in de grot, dievastte en zich kastijdde, om het land van die plaag te verlossen. Deze troostte hen altijd met de hoop, dat weldra de Booze verjaagd zou worden, maar dat nog de tijd niet gekomen scheen.“Maar toen reeds vijftig van de honderd schoone meisjes van het Haslithal door den ridder waren ontvoerd, kwam eens de kluizenaar zelf in het dal, en verkondigde den bewoners, dat er den volgenden dag redding zou komen.“En ziet, daar kwamen in den vroegen morgen vijftig Noordsche ridders, die een kruistogt naar het Heilige Land hadden gemaakt, en die bij den terugkeer in het Oberland waren verdwaald geraakt, en de beenderen eens Heiligen met zich voerden. Deze, door den kluizenaar uit de grot aangemaand, ondernamen het den ridder te bestrijden. Zij reden, met zwaarden en speren gewapend, tot aan den voormuur van het slot. Maar toen zij naderden, opende zich de poort, en vijftig vreeselijke bloedhonden vertoonden honderd rijen scherpe tanden. Doch de kluizenaar hield hun de beenderen van den Heilige voor, en de honden stortten gillende in den afgrond.“Toen reden de dappere ruiters het slot binnen, versloegen de krijgsknechten van den boozen ridder, die door dit wonder verschrikt waren, staken het kasteel in den brand, en bleven het bewaken tot het tot asch en puin was vernield; en zij zagen hoe de booze zelf in vlammen verterend in den afgrond stortte.“In zegepraal keerden de ridders naar het Haslithal terug, en dronken wijn met de geredde landbewoners; maar de kluizenaar keerde terstond weder naar zijn grot.“Maar toen den volgenden morgen de ouders der vijftig maagden, die nog niet in de magt van den Booze geweest waren, ontwaakten, waren de ridders vertrokken, en ook de dochters waren niet te vinden. En eenige dagen later keerden de meisjes terug, wel zonder gouden bekers, maar toch niet veel onschuldiger dan hare speelnooten.“De ramp en de redding beide waren in den beginne zeer onaangenaam voor de minnaars in het Haslithal; maar toch zij gewenden zich langzamerhand aan het denkbeeld dat er iets bijzonders met hunne schoonen gebeurd was: en toen de minnaars er genoegen in namen, schikten de meisjes en de moeders zich ook. En sedert dien tijd is de eer bij de schoonen van het Haslithal eene zoo onverschillige zaak geworden, dat de moeders zonder eenig bezwaar hare dochters voor geld aan vreemdelingen afstaan.”“Zoo, is het dan toch waarheid, dat er nog altijd zulke mooie meisjes in het dal gevonden worden, en dat de moeders er zoo raar meê omspringen?” zei Torteltak, toen Stadler zijn verhaal geëindigd had: “wij hadden dat toch wel eens kunnen gaan opnemen.”Pols vond de laatste aanmerking van zijn vriend alles behalve gepast, en om dus eene andere wending aan het gesprek te geven, merkte hij aan, dat het zeer warm was, speciaal op de plaats waar hij zat, daar de zon hem vlak in het aangezigt scheen.“Gij zult zeker spoedig hinder van de warmte hebben?” vroeg de doctor met den schildpadden bril: “permitteer mij, dat ik u den pols eens voel.”Pols stak zijne hand uit, en de medicus zag hem weldra zeer bedenkelijk aan. Hij reikte vervolgens den arm van onzen vriend aan zijne beide collega’s over, die volkomen van dezelfde opinie schenen te zijn.“Een congestieus gestel,” zei de doctor met de hazenlip. “Mijnheer is zeer vatbaar voor apoplexie. Hebt u nog nooit attaques van beroerte gehad?”“De Hemel beware mij!” riep Pols verschrikt uit.“Ik herinner mij,” zei de collega met de kale kruin, “eens met iemand in gezelschap geweest te zijn, die juist zoo’n pols had als de uwe, en die, bedaard met mij pratende, op een oogenblik dood bleef.”Pols, die toch al niet in de aangenaamste stemming dittogtje begonnen had, werd door deze aanmerkingen niet vrolijker.“Een streng dieet, rust en vermijding van alles wat echauffeert, is misschien het eenige, dat u nog wat in het leven kan behouden,” merkte de medicus met den schildpadden bril aan.Het schuitje lag terwijl aan den Giessbach stil. Stadler noodigde de heeren uit om het steile bergpad te beklimmen, een togtje dat niet veel verkoeling beloofde, want de zon scheen brandend op het mulle zand. Pols was wel ongerust, dat het hem kwaad zou doen; maar toch, hij wilde niet gaarne achterblijven. Bevende van agitatie kwam hij boven, en onder weg sprong hem de neus aan ’t bloeden.“Molimen naturae,” merkte een der doctoren aan.“’t Is een geluk,” zei een zijner collega’s; “zonder dat zou het mij niet verwonderd hebben, als Mijnheer dood boven gekomen was.”Voor hetWirthshausaan de watervallen kommandeerden de vrienden goeden Rijnwijn. Pols vroeg aan een dermedici, of een glas water niet beter voor hem zou wezen.“Beter althans dan wijn,” zeide deze; “maar ’t zou u nu misschien te veel verkoelen.”Onze vriend verfrischte zich dus op den warmen namiddag met een glas laauw water en melk.Wij willen op deze plaats geen uitspraak doen in het steeds hangende geschil tusschen onderscheidene reisbeschrijvers, aan welke der watervallen de voorkeur moet gegeven worden, dien van den Reichenbach of dien van den Giessbach. De laatsten stroomen misschien tusschen digter geboomte en zijn rijker aan water, twee zaken, die het effect niet benadeelen; maar bij den eersten zijn de rotspunten gemakkelijker te bereiken, tegen welke de nederstortende waterstroom gebroken wordt. Dit ondervonden voornamelijk Veervlug en De Morder, die, bijzonder begeerig om den oorsprong der cascades in oogenschouwte nemen, als gemzen tegen de steilten opklommen, maar met minder gemakkelijkheid en vlugheid dan deze hunnen weg naar de laagte wisten weêr te vinden. De laatste ging zelfs zoo ver, dat hij zijn voet op een lossen steen plaatste, terwijl hij nog driehonderd voeten van den vlakken grond verwijderd was, aan het glijden raakte en in een oogenblik vijftig voeten neêrdaalde, tevens een halfsleten jas en een nieuwen zomerpantalon aan flarden scheurende.“Dat kunt ge vlug,” riep Veervlug hem toe, die terwijl aan een boomtak hing te spartelen.De Morder was gelukkig te land gekomen op een rotspunt aan de derde cascade, waar hij veilig stond, maar evenveel uitzigt had om ooit weêr het vaste land te bereiken, als wijlen Robinson Crusoe, gedurende de vele maanden, die hij in stille afzondering van het menschdom sleet.“Ik weet toch ook waarlijk niet, waar al die waaghalzerij toe dient,” riep Pols, wien het angstzweet uitbrak over het lot zijner vrienden.“Als hij in de cascade verdwaald raakt, wordt hij tot pap vermorseld,” merkte de doctor met de hazenlip aan.“En ook zonder dat,” zei zijn collega met de kale kruin, “als hij maar van de helft dier hoogte afvalt, is hij weg. Ik heb eens iemand getrepaneerd, die zoo’n val gedaan had; maar met dat al, den volgenden dag was hij er om koud.”“Help de heeren dan toch!” riep Pols denguidetoe.Maar deze, die van de oogenblikken rust bij de herberg gebruik maakte om zijne schoenen te lappen, antwoordde heel bedaard, terwijl hij den pikdraad door het leder trok: “Voorloopig zie ik er nog geen kans toe; want de plaats waar die eene heer staat, is ongenaakbaar. Ik zal er den kastelein eens over spreken; want ik voor mij ben nooit gids geweest op de ontoegankelijke rotsen van den Giessbach.”Veervlug was terwijl beneden gekomen, met de noodigeschrammen en bulten voorzien. Hij scheen volstrekt niet in de ongerustheid van Pols over De Morder’s lot te deelen; want hij voerde hem glimlagchende toe: “’t Is jammer, dat het gedruisch van den waterval ons belet hem te hooren; want ik denk dat hij weêr olijk aan ’t brommen zal wezen.”Holstaff had al de klagten, die hij bijeen kon brengen, veil voor het lot van zijnen ongelukkigen vriend; Van Aartheim en Torteltak trokken hem met ladders, touwen en stokken te hulp; en ook Aloys Stadler, toen zijne schoenen gelapt waren, met raadgevingen en aanwijzingen, door zijne lange bergklimmende ondervinding gesuppediteerd. Het gevolg van dit alles was, dat De Morder beneden kwam, en terwijl hij drie glazen Rijnwijn inzwolg, verwenschingen uitbraakte tegen de beroerde manier, waarop de wandelingen aan den Giessbach waren ingerigt.Toen de grootste confusie, door dit geval veroorzaakt, wat over was, noodigde de kastelein het gezelschap uit, om het beroemde concert der bergbewoners te hooren, en de musicerende troep, grootendeels uit zijne familie bestaande, schaarde zich in slagorde. De gevoelens der reizigers over dit berggezang zijn zeer verschillend: sommigen, die het in eene knorrige bui gehoord hebben, houden het voor krijschend gegil; anderen, die er bedaard hun cigaar bij zaten te rooken, vinden het lieve muziek; weêr anderen, die het na het gebruik van eenige flesschen Rijnwijn vernamen, roemen het als hemelsche toonen, zoo als men ze maar zelden op aarde hoort. Onze vrienden hadden er aangename oogenblikken aan te danken, maar kwamen daarin overeen, dat het beter moet voldoen in de open lucht, met accompagnement van een gedruischmakenden bergstroom, dan in eene besloten zaal; weshalve zij de zangers zouden raden, hunne concerten tot de rotsen van den Giessbach te bepalen.De overige uren, die het gezelschap verder op het meervan Briënz doorbragt, gingen in kalm en ongestoord genoegen voorbij. Veervlug neuriede van tijd tot tijd het laatste gedeelte der Ranz van Oberhalsi na:“Ach Schaetzeli habe gute Muth,Am Frytig wei mer fahren,Es ziger und PelznideliDas kast de essen lideli,A dir will is nit spahren.”De doctoren openbaarden weinig ziektekunde meer; nog eenmaal slechts vroegen zij aan Torteltak, die ten gevolge van gevatte koude een weinig hoestte, of er niet vele leden zijner familie aan de tering gestorven waren, en zij verontrustten zich over de gezonde kleur zijner wangen, waarop zij hectische blesjes meenden op te merken. Torteltak behoorde evenwel niet tot die menschen, die zich heel spoedig verontrusten, en hunne vriendelijke en gepaste mededeeling maakte dus weinig indruk op hem.De avond begon reeds te vallen, toen men te Interlaken aankwam. Men genoot dus niet het volle effect, dat de weelde dezer Engelsche plaats in het midden der eenvoudiger en armere landstreek maakt; maar men kon toch nog genoeg zien, hoe schitterend hare elegante villa’s tegen de nederige woningen der overige Zwitsersche dorpen afsteken. Daar waren onder de vrienden, die terstond eenen kreet van verontwaardiging tegen die verspillende Engelschen aanhieven, die al het schoone der natuur door hunne kunst bedierven, en die zich niet konden begrijpen, dat men, als men het buiten zoo heerlijk kan hebben, zich binnen zoo opcomforttoelegt. Anderen hunner waren weêr van meening, dat een elegant en smaakvol gebouw de schoone natuur zoo veel niet meer tegenwerkt, als eene armoedige en bekrompen woning; en die, helaas! zoo door den geest der weelderige negentiende eeuw werden beheerscht, dat zij zich een genoegelijk buitenleven zonder behelpen konden voorstellen, die een fijn dineetjein een lief en luchtig salon op den duur de voorkeur gaven boven een rustiek maal onder een ouden lindeboom; ja die zelfs liever in een zachten ronden goedgevulden canapé de buitenlucht genoten, dan op de vierkante, houten, groengeverfde, expresselijk daartoe vervaardigde tuinstoelen der voorvaderen.Tusschen deze elegante villa’s gingen de vrienden voort, en hadden door de geopende ramen en deuren het gezigt in prachtig verlichte zalen; want onder de Engelsche natuurbedervers zijn zelfs aterlingen, die niet elken avond tot 10 ure schemeren. Het meest echter rustte hunne aandacht op de zaal van het grooteHôtelGarnivan Colbert, niet zoo zeer om de pracht van het vertrek, als wel om eene der personen, die er zich op dien oogenblik in bevonden. Het was een jong meisje van misschien 18 of 20 jaren, een dier wezens, waaraan de natuur meer moeite schijnt ten koste gelegd te hebben dan aan vijftig anderen, maar zeker onder alle schoonen de schoonste. Heath heeft zijnBook of Beautyeenige jaren geleden met haar portret versierd, en men zou moeijelijk eenen schoonheidskenner vinden, die het niet boven al de ideale kopjes stelde, die in dat werk gevonden worden. Voor iemand, die een afkeer heeft van een rijkdom van donkere lokken, die over een sneeuwwit gelaat hare schaduw werpen, van heldere, teedere, donkerblaauwe oogen, van geestig gevormde lippen, van fijne en tevens volle ronde vormen, en van dergelijke zaken meer, had zij misschien weinig aantrekkelijks. Onze vrienden behoorden niet tot dezulken; zij toonden dit, door op de plaats, waar zij haar zagen, als vastgenageld te blijven staan, en vonden geen termen om hunne verrukking uit te drukken. Gelukkig was voor hen de duisternis, waarin zij zich bevonden, en het heldere licht, dat de schoone omgaf; anders twijfelen wij, of zij wel zoo lang ongestoord zouden hebben genoten. In het eind vond Pols het gepast, zijn hart in deze woorden lucht te geven: “Kijk, ikben geen meisjesgek; maar om zoo’n engel zou ik in staat zijn eene dwaasheid te begaan.”“Zij rappeleert mij volkomen een meisje,” zei de doctor met de hazenlip, “dat wij te Zurich in het ziekenhuis hebben gehad.”“Juist,” zei zijn confrater met de kale kruin: “die meid van den vischkooper; behalve dat die een weinig scheel keek.”“Ja wel,” zei de derde collega: “ze is immers nog aan de pokken gestorven. Weet je nog wel, hoe zwart zij op het laatst zag?”De herinneringen, die het zien dezer schoonheid bij demediciopwekten, werkten uit, dat de vrienden, om verdere dergelijke aanmerkingen te ontwijken, met snellen tred voortstapten; vooral scheen Van Aartheim door hun discours gekwetst, schoon hij het verst van het raam was verwijderd geweest, en de minste aandacht aan de schoone scheen te schenken. Ook Pols verliet eindelijk de plaats; maar juist toen hij zich wilde verwijderen, zag hij een heer tot de dame naderen, en zich vertrouwelijk naast haar nederzetten.Hoe groot was zijne verbazing en schrik, toen hij in dien heer den vreeselijken en gevreesden Lurgrave herkende! Haastig volgde hij de vrienden, en besloot van zijne ontdekking niets meê te deelen, maar een wakend oog over Torteltak te houden; want op eens stond hem weêr het discours bij den leeuw te Lucern voor den geest.Het kostte het zestal veel moeite in het drukbezochte Interlaken onder dak te komen; eindelijk installeerden zij zich in hetPension Baud, waar zij zich wel zouden moeten behelpen, maar toch dien nachtlogiskonden krijgen. De drie doctoren moesten hen evenwel verlaten. Zij namen nog in den laten avond een rijtuig aan naar Thun, waar zij den volgenden dag een vergelijkend examen voor het stads doctoraat moesten ondergaan. Te dien einde hadmen daar gezorgd, dat drie policiebedienden, door veel op togten te staan, catarrhale koortsen hadden gekregen, en had men drie gevangenen aangezegd, dat zij zich tegen den volgenden morgen prepareren moesten, om hun regterbeen te verliezen. Later werd door de vrienden vernomen, dat demedicusmet de hazenlip met den post begunstigd was, omdat hij in tien minuten een diender aan het vomeren gekregen had, en in zestien en een halve minuut het been eens misdadigers boven de knieschijf had geamputeerd.In hetPension Baudwerd het overige van den avond niet al te vrolijk doorgebragt. Pols maakte groote haast om de vrienden naar bed te krijgen, en droeg vooral zorg, dat niemand hunner meer buiten de deur kwam. Toen allen naar hunne kamers waren, ging hij zelf nog eens op straat zien, of alles veilig was. Misschien was het zijne vrees, of misschien dat werkelijk iemand zich bewoog,—hij meende in de verte een man te ontdekken, die het huis bespiedde.“Ziet gij daar niets?” vroeg hij den kastelein, die ook voor de deur stond.“Neen; waar moest dat iets wezen?” vroeg deze.“Ik dacht dat ik wat boven dat jonge hout zag uitsteken.”“Ik zie niets dan den top van de Jungfrau,” zei de kastelein.“O, is het maar eenJungfrau” zei Pols, “dan is het niets; ik dacht dat het een heer was.”Toen den volgenden morgen de vrienden zich aan het ontbijt verzamelden, ontbrak Van Aartheim. Zij wachtten lang, maar informeerden eindelijk bij denKellner. Deze berigtte hun, dat die heer nog laat in den avond vertrokken was, en een briefje voor den Heer Torteltak had achtergelaten. Dit briefje behelsde, dat hij zich genoodzaakt zag, hen voor eenigen tijd te verlaten, om redenenvoor hem van het grootste gewigt, maar dat hij hun spoedig nader bericht zou doen toekomen.De reisgenooten zagen elkander verbaasd aan, maar nog meer, toen weldra het gerucht hun ter ooren kwam, dat dien nacht de schooneMissCleford hetHôtelGarnivan Colbert had verlaten, en met een Engelschman en een Hollander was doorgegaan.“Dat had ik toch nooit achter Van Aartheim gezocht,” zei Pols verontwaardigd.“Ik wist niet, dat men met dat meisje door kon gaan,” zei Torteltak peinzend.“Die kunsten heeft hij den ridder van den Hasliberg afgezien,” grinnikte Veervlug.“Ik hield veel van Van Aartheim,” zei De Morder; “maar ik dacht toch altijd wel, dat hij het beroerd zou laten liggen.”Holstaff bragt zuchtend iets over het zedebederf der eeuw te berde.“Komaan,” zei Pols eindelijk, “het is niet anders. Wij moeten nu maar zien, dat wij te Bern komen. Maar daar wij verder niet zullen dwalen, konden wij, dunkt mij, hier wel met Stadler afrekenen.Deze evenwel verzocht de reis uit liefhebberij meê te mogen maken. De vrienden vonden dit heel aardig van hem; maar minder beviel het hun, dat hij te Bern voor deze liefhebberij een dag geleide en een dag retour in rekening bragt.Het geleide te Bern.Het geleide te Bern.Hoofdstuk XXI.Geeft de redenen op, waarom voor Polsbroekerwoud en zijne vrienden het verblijf te Bern geene aangename souvenirs heeft achtergelaten.De geruchten, die ’s morgens te Interlaken in omloop waren geweest, datMissCleford door Lurgrave en Van Aartheim was geschaakt, waren wat den laatsten betreft misschien gegrond, maar de eerste was er tot zijne groote wanhoop volkomen onschuldig aan. Niet voor in den morgen had de Engelschman het geval vernomen; en de natuurlijke wijze, waar hij zijne woede in vloeken en verwenschingen openbaarde, en de haast, waarmede hij in eene postchais vertrok, om de vlugtenden te achterhalen, deden vermoeden dat, zoo hij eenigzins in het geval betrokken was, hij zich dan met de rol vandupemoest vergenoegen.In weinige uren had Lurgrave Bern bereikt; doch daar het voortvlugtige paar bijna zes uren op hem vooruit had, en hij volstrekt niet wist, welken kant zij heengegaan waren, behoefde het hem niet te verwonderen, dat zij hem niet dadelijk bij zijne intrede in die stad onder de oogen kwamen. Hij vond het evenwel naar den staat der zaken behoorlijk steeds woedend te blijven, en zich in dollen ijver tot de policie te wenden, om Van Aartheim, die hem zijne nicht en pupil,MissCleford, had ontvoerd, te doen gevangennemen, schoon deze waarschijnlijk het Bernsche territoir reeds uren ver achter zich gelaten had; en om tevens vijf Hollandsche heeren, die nog dien dag in de stad zouden aankomen, als medepligtigen aan dat feit te doen arresteren.Ten gevolge hiervan genoten onze vrienden te Bern eene eer, die hun nog nergens was te beurt gevallen. Van hooger hand waren terstond toebereidselen gemaakt om hen naar behooren te recipiëren; en toen zij nu aan dePorte d’en basgekomen waren, en hunne paspoorten hadden overgelegd, vonden zij twee policiebeambten gereed om hen naar hun hotel te geleiden, terwijl een derde van hunne aankomst aan de overheid berigt ging brengen.Met bevreemding sloeg het vijftal, gewoon om bijna onopgemerkt in de Zwitsersche steden aan te komen, al de beleefdheden gade, waarvan zij de voorwerpen waren.“Neemt men omtrent alle vreemdelingen deze formaliteiten in acht?” vroeg Veervlug aan een hunner geleiders.“Volstrekt niet,” antwoordde deze; “maar omtrent ulieden zijn ons buitengewone orders gegeven.”“Het is zeker een misverstand,” fluisterde Pols Torteltak in; “zij houden ons vast voor vermomde Hertogen en Prinsen.”Deze merkte evenwel in de policiebeambten, schoon in zeer versleten lichtblaauw uniform gekleed en met dikke knuppels gewapend, weinig op, dat hem aan eene eerewacht deed denken; en ook de blikken, die de steeds aangroeijende volksmenigte op hen wierp, schenen iets anders uit te drukken, dan de opgewondenheid en toejuiching, die het gemeen gewoonlijk aan Prinsen en Vorsten, hetzij inlandsche of vreemde, met vreugde ten koste legt.Tot dusverre was deze deftige ontvangst evenwel niet onaangenaam; want behalve dat onzen vrienden de moeite bespaard werd om den weg naar hetHôtel du Fauconte vragen, werden zij in de gelegenheid gesteld om met ééncoup d’oeuileen groot gedeelte van de Bernsche bevolking te zien; maar toen zij nu in het hotel waren aangekomen, en zich voorstelden, zonder al die getuigen op hun eigen gelegenheid een wandeling door de stad te gaan maken, contrarieerde het hen eenigzins dat de geleiders hen verzochteneerst het bezoek van den Policie-Commissaris af te wachten.Dit bezoek kwam spoedig. Een donkerblaauw heer, die aan de natuur en aan zijne ouders één been te danken had, en aan de kunst van zijn oom, een talentvol timmerman, het andere, strompelde de kamer in; zijne zijde was versierd met een degen, zijne hand gewapend met een stok, waarvan de knop een beer voorstelde, en, naar de uitgewerktheid van het kunststuk te oordeelen, een zoodanige, tot welks fatsoenering de moederlijke tong nog weinig heeft bijgedragen De eigenaar van dit alles haastte zich een stoel te bereiken, zijne leden, zoover zij daarvoor vatbaar waren, tot zitten te buigen, en het kunstproduct zijns ooms onder de tafel te wringen.“Mag ik vragen,” zei Polsbroekerwoud, wiens verbazing hoe langer hoe grooter werd, “mag ik vragen, waaraan wij de eer...”“Accoord,” antwoordde de Commissaris; “maar niemand heeft hier iets te vragen dan ik.”En terwijl hij dit zeide, ontvouwde hij eenige papieren, waaronder zich ook de reispassen der vrienden bevonden; en een er van in handen nemende, riep hij: “Wie uwer is Eduard van Torteltak?”“Die ben ik,” zei deze.“Dan zult gij mij op de volgende vragen zonder omwegen en zonder terughouding antwoorden. Hoe heet gij?”“Wel, Eduard van Torteltak, denk ik.”“Dat is een ontwijkend antwoord, maar dat misschien veel licht over de zaak zal verspreiden. Hoe oud zijt gij?”“Drieëntwintig jaren.”“Nog zoo jong,” riep de Commissaris verontwaardigd uit, “en dan al medepligtig aan een schelmstuk, dat naauwelijks in een oud afgeleefd man moest opkomen!”“Mijnheer! ik verzoek explicatie van zulke beleedigende uitdrukkingen.”“Accoord, Mijnheer! maar ik heb hier geen explicatie te geven. Van waar zijt gij dezen morgen gekomen?”“Van Interlaken,” antwoordde Torteltak met verkropte woede.“Accoord,” zei de Commissaris; “dat verspreidt licht over de zaak.”Successivelijk werden al de vrienden één voor één opgeroepen, om hunnen naam, ouderdom en laatste nachtkwartier op te geven, en de Commissaris, die alles naauwkeurig opteekende, merkte aan, dat de zaak hoe langer hoe meer helderheid verkreeg. Eindelijk stond hij op, verklaarde het verhoor afgeloopen, en haalde uit zijne papieren een tarief, krachtens hetwelk ieder der heeren genoodzaakt was hem 1 franc en 4 Batzen voor zijn onderhoudend gezelschap te betalen. De vrienden bragten hiertegen maar niet veel in, daar zij hoopten, dat hiermede de zaak aan een einde zoude zijn. Maar helaas! voordat de Commissaris vertrok, gaf hij den policiebeambten de uitdrukkelijke order, om niemand der arrestanten een minuut uit het oog te verliezen, en te zorgen, dat geen hunner het hotel verliet.“Dat wordt te erg!” riep Veervlug, zich tusschen den Commissaris en de deur plaatsende. “Ik zeg u, Mijnheer, dat wij zulk eene willekeurige manier van handelen moede zijn, en dat wij, zonder ons verder aan deze hemelsblaauwe verklikkers te storen, onzen weg zullen gaan.”“Accoord,” zei de ambtenaar; “dat zou licht in de zaak geven.” En zich tot de policiedienaars wendende, voegde hij er bij: “Zoodra een hunner oproerig wordt, zendt gij om assistentie, en wij zullen hen naar hetBlauhaustransporteren.”Deze uitspraak van den Commissaris verspreidde zooveel licht over de treurige omstandigheden, waarin onze vrienden zich bevonden, dat zij elkander wanhopig begonnen aan te zien; want hetBlauhauste Bern, dit wisten zij, heeft wonderlijk veel overeenkomst met hetgeen men eldersspin-, rasp-, tucht- of in het algemeen correctioneel gevangen-huis noemt.Wanneer men op reis, door slecht weer, of door gescheurde kleeren, of door gekwetste voeten, of door andere dergelijke dikwijls voorkomende omstandigheden, genoodzaakt is een ganschen namiddag en avond in zijn logement door te brengen, en men heeft geene brieven naar huis te schrijven,—als dan het tarief der comestibles en de prijscourant der wijnen grondig bestudeerd zijn, de uren van het vertrek van diligences en stoombooten meermalen zijn nagezien, de vreemde couranten herhaalde reizen zijn doorgeloopen, de verteringen van den laatsten dag naauwkeurig zijn opgeteekend,—dan weet men al niet veel bijzonders meer te doen, dan zijn naam op de glasruiten te snijden, met de voeten de zandfiguurtjes op den vloer te derangeren, of zich door andere dergelijke opwekkende amusementen den tijd te korten. Dan komt dikwijls bij den reiziger voor plaisir de vraag op, waarom hij zich nu niet liever in zijn gezellig studeervertrek, of in zijn nog gezelliger familiekring kan bewegen; dan vergeet hij somtijds al de genoegens, die hij reeds op zijne togten gesmaakt heeft, en die hem nog wachten, en komt hij langzamerhand tot de overtuiging, dat een booze daemon de eerste uitvinder van het reizen is, om ongelukkige stervelingen van verveling en heimwee te doen omkomen.In een toestand, aan dezen grenzende, bevonden zich Pols en zijne vrienden in hetHôtel du Fauconte Bern. En was het wonder? Waren zij niet de treurigste slagtoffers van hunnen reislust? Verleid door de voorstelling van verscheiden weken, door geen enkele zorg gekweld, in volkomen ongestoorde vrijheid, niets dan genot te smaken, hadden zij den togt aanvaard. Helaas! hoe verschillend van deze voorstelling was de uitkomst? Moesten zij daarom smarten gevoeld, ongemakken verdragen, gevaren getrotseerd hebben, om eindelijk honderde mijlen van hunnewoning hunne vrijheid te verliezen, als gevangenen te zuchten, en misschien als veroordeelden in eenen kerker te verkwijnen? En dat alles onschuldig!“Waren wij ons maar van eenig misdrijf bewust,” riep Pols uit; “dan zou die pijnigende onzekerheid ons zoo niet kwellen.”“Maar ik geloof niet, dat die bewustheid ons veel geruster zou maken,” merkte Torteltak aan.“Wij zijn slagtoffers van een schandelijk verraad,” troostte zich De Morder.“Als onze betrekkingen in Holland het hooren, treuren zij zich dood,” wond Holstaff zich op.“De receptie van die Bernsche Beeren laat veel te wenschen over,” zei Veervlug, die door dit gezegde weêr een weinig vrolijker werd.In deze en dergelijke uitroepingen werd het eerste uur na het vertrek van den Policie Commissaris doorgebragt.“Ik moet toch eens zien, dat ik er achter kom,” zei Pols, en zich daarom tot een der bewakers wendende, die standvastig bij de deur post hielden, stopte hij hem twee Zwitsersche francs in de hand. “Daar, vriend! dat is voor u.”“Dankje wel, Mijnheer!” zei de vriend.“Maar zeg mij nu eens, wat is de reden, dat wij hier gevangen moeten blijven?”“Ik kan u op mijn woord verklaren, dat ik er niets van weet,” was het antwoord.Pols had dus de satisfactie, voor omtrent negenentwintig stuivers Hollandsch te vernemen, dat de policiedienaar even weinig van de zaak begreep als hij.“Als Mijnheer het mij gevraagd had,” zei de andere wachter vrij luid tot zijn confrater, “dan....“Wat dan?” vroeg De Morder driftig, terwijl hij de handgreep met de francs, die hij van Pols bespied had, navolgde.“Dan zou ik den heeren hetzelfde antwoord hebbenmoeten geven,” zei de wachter, terwijl hij dankbaar het geld opstak; “maar ik heb anders ook nog wel gemerkt, dat het niet gemakkelijk met u zal afloopen; ik heb al hooren praten van hetSchallenwerk.”De Morder vernam dus meer voor zijn geld dan Pols, vooral toen de vriendelijke policiedienaar door de verklaring van het woordSchallenwerk, als synoniem metdwangarbeid, nog eenig meerder licht over de zaak verspreidde.Deze mededeeling gaf aanleiding tot nieuwe aanmerkingen, te veel om op te noemen, en misschien zouden zij zich dien avond doodgetreurd hebben, zoo niet Torteltak uit voorzigtigheid drie flesschen wijn en twee spellen kaarten had doen aanrukken. Beide deze troostgronden vonden tamelijk goeden ingang bij de gevangenen, en menig potjecommercewerd door menige flesch Neuchateller vervrolijkt. Tamelijk opgewonden gingen zij naar bed, en sommigen hunner merkten niet eens, dat de onbezweken trouwe wachters de deuren hunner slaapkamers achter hen afsloten.Den volgenden morgen ten negen ure kwam er eene aanschrijving van den Policie-Commissaris, ten gevolge waarvan zijne beambten de vrienden uitnoodigden tot eene wandeling naar deRathhausplatz, om eene contra-visite aan den vriendelijken bezoeker van gisteren te brengen.De zaal in hetRathhauste Bern, waar Schout en Vennerheeren van den kleinen Raad zich met civile, correctionele en criminele affaires bezig houden, heeft nog al overeenkomst met vele andere geregtszalen. Boven den schoorsteen staat een geblinddoekte juffrouw met weegschalen, waarin niet altijd gewogen wordt; links en regts van haar hangen schilderijen, waarop Salomo en Brutus op de meest gebruikelijke wijze worden voorgesteld. Dit standbeeld en deze afbeeldingen zijn zoodanig geplaatst, dat zij den delinquenten terstond in het oog vallen en met schrik vervullen, en tevens geen invloed kunnen uitoefenenop de uitspraak der regters, voor wie zij door de hooge ruggen hunner gestoelten verborgen zijn. Deze daarentegen hebben vlak het gezigt op eene groote klok, opdat ze, in de drukte hunner bezigheden, nooit het etensuur vergeten mogen. Voorts ligt op het groene kleed der tafel voor ieder gestoelte eene massa wit papier, dat altijd zuiver blijft, en eenige versneden pennen, die nooit met inkt bemorst worden.Een balie scheidt dit gedeelte der zaal af van een kleine tusschenruimte, voor het publiek afgezonderd, en waarin tien à twaalf personen op elkaêr kunnen worden gepakt.Voordat het evenwel onzen vrienden vrijstond, al deze merkwaardigheden in oogenschouw te nemen, moesten zij twee en een half uur in de kamer der aangeklaagden vertoeven, een klein afgeschoten hokje, waarin nooit zon of maan indiscrete blikken kan werpen, en dat overigens een allergeschiktst vertrek is voor die soort van zieken, welke zich van frissche en gezonde lucht moet menageren.Het was dus voor allen eene aangename boodschap, toen het berigt kwam, dat de Raad voltallig was, en de aangeklaagden voor moesten komen. Kalm en onverschrokken, gerust op hunne onschuld, traden zij de zaal binnen, en geen hunner beefde terug voor de tabbaarden van den ouden Schout en de jonge Vennerheeren, schoon daaruit diepe doordringende blikken op de misdadigers te voorschijn kwamen.Het begin van dit verhoor had veel van het vroegere. De Schout begon weêr te vragen: “Joachim Polsbroekerwoud, hoe is uw naam? Hoe oud zijt gij? Van waar kwaamt gij gisteren alhier aan?” en zoo voorts met al de aangeklaagden. Tusschen ieder dezer vragen vond de President het evenwel noodig, eens te kugchen en omtrent de inkleeding der volgende vraag zijnen buurman, een der jonge Vennerheeren, te raadplegen, iets dat daarom geschiedde, zoo als de vrienden later vernamen, omdat de tachtigjarige Schout aan eene volkomene memorieloosheidlaboreerde. Zijn mederegter aan de andere zijde hield zich intusschen onledig met zijn repetitiehorlogie, dat driemaal in elke vijf minuten aan de geheele vergadering verkondigde, hoe laat het eigenlijk was.Toen deze allergewigtigste vragen tot aller genoegen beantwoord waren, wees de buurman den President, dat hij zich tot den Policie Commissaris moest wenden, waarop Zijn Ed. Achtb. de vraag uitbragt: “Werner Birnbaum, hoe is uw naam?” maar, terstond door gemelden buurman nader ingelicht, zijne vraag veranderde in: “Welke zijn uwe rapporten omtrent de arrestanten?”Deze diende hierop een verslag in, hoe op Maandag den 24stenJuli A. D. 1837, na de stichting van Bern het 646ste, des namiddags ten half vier ure, door de poort van Solothurn, of, gelijk zij thans genoemd werd,la Porte d’en bas, in de stad Bern waren binnengekomen vijf personen, welker namen blijkens hunne paspoorten waren, enz.Hoe hij, Werner Birnbaum, eerste Commissaris van Policie van Bern,PréfectureBern,Division du centre,Canton Bern, nadat hem hunne paspoorten waren overgeleverd, zich begeven had naar hetHôtel du Fauconin deRue des Juifs, waarheen zijne beambten gemelde personen hadden geleid, enz.De slotsom zijner berigten was, dat voor het grootste gedeelte de mondelinge verklaringen der arrestanten omtrent namen en ouderdom overeenkwamen met hetgeen dienaangaande op hunne passen was aangeteekend, met uitzondering evenwel van de verklaring van Eduard van Torteltak, die omtrent zijn naam onzeker scheen, en Joachim Polsbroekerwoud, die voor zijn ouderdom 35 jaren had opgegeven, terwijl hij op zijn pas slechts 34 jaren had bereikt;—dat, wat de signalementen betrof, alles in orde was, behalve dat bij designes particuliersop de pas van August Holstaff geen melding gemaakt wordt van de naden, die, gelijk Schout en Vennerheeren zichzelve konden overtuigen,zijn gelaat versierden. Dat hij voorts aan den Raad in bedenking gaf, of de paspoorten op zichzelve wel geldig waren als Hollandsche paspoorten, omdat er geen enkel woord Hollandsch in te lezen stond.De Regter met het repetitie-horlogie, dat gedurende dit verslag achtentwintig malen geslagen had, proponeerde, om de zaak te bespoedigen, deze kleine verschillen over het hoofd te zien, daar de stukken op de Bureaux van Buitenlandsche zaken zelden met zulk eene nauwkeurigheid werden bewerkt, dat zij het examen van een Policie-Commissaris konden doorstaan. Wat de taal betrof, waarin de stukken waren opgesteld, hij kon verzekeren, dat het Fransch in Holland de algemeen gebruikelijke taal was, en dat slechts door het gemeen en in enkele landprovinciën eenpatoisgesproken werd, waarin misschien nog sporen van hetgeen men vroeger de Hollandsche taal noemde, te ontdekken waren.Deze juiste wederlegging werd door al de regters als voldoende aangenomen, tot groote wanhoop van den Policie-Commissaris, die al het licht, dat hij over de zaak verspreid had, plotseling in dikke duisternis zag veranderen, en daar zijne werkzaamheden in deze zaak afgedaan schenen, naar huis strompelde, waar hij zijn houten been, stok en andereinsigniatot nader order in de kast wegsloot.De vijf arrestanten en ook de Schout begonnen te hopen, dat nu ook hunne taak was afgedaan, toen de laatste op nieuw aan zijnen tabbaard werd getrokken en den Procureur van den raad verzoeken moest, de eigenlijke beschuldiging voor te dragen.Hierop stond een lang, bleek menschenhater van zijnen zetel op, en sprak eene soort van verhandeling uit, waarin hij aantoonde, dat de verdorvenheid des menschdoms zich openbaarde in het plegen van gruwelen en misdaden; dat naarmate die verdorvenheid toenam, ook het getal dier gruwelen en misdaden aanwies; dat de geschiedenis vanoudere en nieuwere tijden deze stelling door voorbeelden kon staven; dat onder de misdrijven, het meest in gebruik eerste plaatsen toekwamen aan moord, diefstal en vrouwenroof; en dat degenen, die zich op deze gruwelen toelegden, gezegd konden worden tot het slechtste gedeelte van het menschdom te behooren; dat hij met het diepste leedwezen, ja zelfs met afgrijzen ontdekt had, dat van de laatstgenoemde dier gruwelen hier de quaestie was; en dat hij zich met innige droefheid gedrongen zag te verklaren, dat de naamlijst der vreemdelingen, die Zwitserland tot het tooneel dezer menschonteerende handelingen hadden verkozen, met de namen van Van Aartheim en zijne medepligtigen stond vergroot te worden.Hierop legde hij de aanklagt bloot vanSirWilliam Lurgrave, tegen den voortvlugtigen schaker en de arrestanten hier tegenwoordig, wier medepligtigheid nog wel niet ten volle bewezen was, maar, door gemis aan directe bewijzen van het tegendeel, zeer waarschijnlijk werd; en hij besloot zijne rede met te betoogen, dat de eenige voldoende en het kwaad in den grond weerende straf de doodstraf was, blijkens de voorbeelden der Heeren Von Schwanau en Wolfenschiess, die, in vroeger eeuw door de jongelingen van Art en door den beleedigden Conrad von Baumgarten omgebragt, zich later nooit meer aan dergelijke gruwelen te buiten gingen; maar daar de wet, in hare veroordeelenswaardige zachtheid en kwaadaanmoedigende laxiteit, zulk eene straf voor de genoemde misdaad niet toestond, hij zich vergenoegen moest met den eisch tegen de vijf gedaagden, hier tegenwoordig van eene gevangenisstraf van 20 jaren en eene geldboete van 1000francs.Nadat de lange heer zijn gemoed in deze lieve oratie had lucht gegeven, nam hij zijne plaats aan de groene tafel weêr in, en de Schout, die zich weêr aan den tabbaard voelde trekken, bragt de vraag in het midden, of men nu niet tot het condemneren zou overgaan. Zijnbuurman met het repetitie-horlogie vond het niet kwaad, mits het spoedig geschiedde, daar het uur verliep en hij dien middag visch moest eten. Een der andere Vennerheeren evenwel maakte ZEd. Achtb. opmerkzaam, dat het niet direct met de wet zou strijden, indien men vooraf den gedaagden gelegenheid gaf, om hunne verontschuldigingen voor te brengen.De verbazing, waarin al, wat zij gezien en gehoord hadden, de vrienden gedompeld had, maakte het hun in den beginne moeielijk een woord te uiten. In het eind stond Veervlug, door zijne betrekking den loop van regtszaken eenigzins begrijpende, op, en maakte in weinige woorden aan den Raad bekend, dat zij niet alleen niet medepligtig aan, maar zelfs geheel onkundig van het feit waren, aan Van Aartheim ten laste gelegd; dat een zijner vrienden een briefje van dien heer had, hetwelk misschien de regters zou kunnen overtuigen, maar dat hij in allen geval eischte, dat de aanklager zijne bewijzen tegen hen aanvoerde.Hierop nam de procureur het briefje van Torteltak in handen, hetwelk hij verklaarde nooità déchargete kunnen getuigen, als in eene taal geschreven, die niemand der regters verstond, maar veeleer de suspicie tegen hen scheen te versterken, daar voor de handteekening de zeer verdachte letters T. T. gelezen werden. De Vennerheer naast den Schout vond het laatste verzoek van Veervlug, om de bewijzen van den aanklager te hooren, evenwel zeer billijk, en stelde daarop de gewone manoeuvre bij ZEd. Achtb. buurman in het werk, waarop deze een beambte gelastte, den aanklager William Lurgrave te ontbieden.De beambte kwam spoedig terug met het berigt, dat gemelde heer niet meer in hetHôtel de la Couronnete vinden was; en daar de heer met het repetitie-horlogie den Schout bij zich ten eten verzocht had, verklaarde de laatste de vergadering gesloten en geadjourneerd totmorgen ten negen ure, hetwelk in de taal der ingewijden beteekent tusschen half twaalf en twaalven.De arrestanten hadden verlof naar hunne kamer in hetHôtel du Fauconterug te keeren, waar zij dien avond, in plaats vancommerce,treizespeelden, en Champagne in plaats van Neuchateller dronken. Daar is niets, dat den mensch zoo debaucheert, als geforceerd arrest.De tweede zitting had den volgenden morgen in dezelfde zaal en op hetzelfde uur plaats. Maar de leden van den kleinen Raad te Bern waren heden in pijnlijke onzekerheid. De aanklager was nergens meer te vinden, en de kastelein uitde Kroonhad verklaard, dat hij zijne rekening had betaald en was voortgereisd. Toen dus de arrestanten weêr binnenkwamen, drong de Schout in het eerst aan op eene spoedige bekentenis, maar zag daar spoedig van af, omdat de beschuldigden niets te bekennen hadden. Wederom trok zijn buurman aan den tabbaard, en na het gewoonlijk daarop volgende consult, verzocht de Schout met luider stemme den Procureur tot de strikvragen over te gaan. Deze vroeg hierop, met doordringende blikken de arrestanten aanziende, welke de kleur was der japon, dieMissCleford aan had, toen zij geschaakt werd; hoeveel paarden er voor de postchais stonden, waarin de vlugtelingen waren vertrokken; met welke hand Van Aartheim haar in het rijtuig had geholpen, enz. De vrienden ontkwamen gelukkig uit al deze listig gesponnen valstrikken, en de regters begonnen zich zeer weinig op hun gemak te gevoelen.Zij maakten dus gebruik van den in die positie noodigen en gebruikelijken maatregel. De arrestanten moesten buiten staan.De uitslag der beraadslagingen van Schout en Vennerheeren kwam hierop neêr:“De kleine Raad, etc.Overwegende, dat de aanklager zijne beschuldiging nietmet bewijzen gestaafd heeft, maar heimelijk is vertrokken;“Verklaart hem buiten eisch gesteld.“Overwegende verder, dat de aangeklaagden niet van medepligtigheid, hun ten laste gelegd, kunnen beschuldigd worden;“Verklaart hen van beschuldiging ontheven.“Edoch: de Raad overwegende, dat een der partijen de kosten van het proces moet betalen;“Dat degene, ten wiens laste zij moesten komen, door af te reizen, zich aan die betaling heeft onttrokken;“Is genoodzaakt van de andere partij de kosten te eischen.“Maar tevens overwegende, dat de wet niet toestaat de kosten te eischen, dan van de partij, ten wiens nadeele het vonnis geveld is;“Overwegende, dat de aangeklaagden, door vroeger in betrekking te hebben gestaan tot den vermoedelijke schuldige, den schijn des kwaads tegen zich hebben;“Echter in aanmerking nemende, dat zij, volkomen onschuldig schijnende, ligt dienen te worden gestraft;“Veroordeelt hen tot eene geldboete van 5 Batzen, en alzoo ook tot betaling der kosten.”De vrienden betaalden met vreugd de boete, en ook met bereidwilligheid, schoon niet met vreugd, de kosten, ten bedrage van 176 Zwitsersche francs en 7½ Batzen.Het was geen half uur later, toen Joachim Polsbroekerwoud en zijne vrienden de stad Bern verlieten, en zij zouden misschien in wanhoop terstond naar Holland zijn teruggekeerd, zoo zij niet bemerkt hadden, dat zij deBarrière de Moratwaren uitgegaan, en den weg naar Friburg waren ingeslagen.
Hoofdstuk XX.Waarin zoo vele zaken voorkomen, dat het moeielijk zou wezen, de verschillende opgaven in een korten inhoud te vereenigen.Daar zijn verliezen, die niet treffend zijn, die niemands medegevoel opwekken, waarbij het geen mensch zal invallen deelneming te betuigen, waarvan dikwijls te spreken zelfs bespottelijk schijnt, maar die met dat al verliezen zijn. Zoodanig was voor Polsbroekerwoud de dood van zijn getrouwe Mijntje. De goede man was altijd zeer aan haar gehecht geweest. Zij behoorde tot de nalatenschap zijner ouders; zij had hem van zijne vroegste jeugd af met zorg en liefde overladen; hij wist dat zij geheel en alleen voor hem leefde, en het was hem gewoonte geworden alle huiselijke zaken door haar te zien besturen, en bij zijne afwezigheid te weten, dat zij op haar post was en alles goed behartigde. Daarom ook was hij altijd goed en vriendelijk, en zelfs, schoon het nooit opspraak gaf, dikwijls vertrouwelijk met haar geweest. Deze manier van omgaan was misschien wel heelmauvais genre; want Mijntje was toch maar een meid, en zij werd voor al wat zij deed betaald. Een fatsoenlijk mensch voldoet immers aan zijne verpligting, als hij aan zijne dienstbaren, voor den tijd dien zij hem wijden, de moeite die zij zich om zijnentwil getroosten, de zorg die zij aan zijne zaken besteden, en de liefde waarmeê zij al wat hem aangaat bejegenen, een jaarlijksch loon uitbetaalt, en meer nog dan hij verpligt is, als hij hun eene kermis- of nieuwjaarsfooitoereikt. Waartoe woorden aan hen te verspillen, zoo zij niet dienen moeten om orders te geven? waartoe een blik op hen te slaan, dan om hen te doen zien, dat hij om het minst verzuim gramstorig is? Een fatsoenlijk man bewaart den afstand, die tusschen hem en zijne dienstboden bestaan moet, somtijds eene uitzondering makende met jonge en mooie kameniers, jegens welke hij kan meenen nog andere pligten te moeten vervullen.Polsbroekerwoud was een burgerman, en koesterde ook in deze zeer burgerlijke begrippen. Hij ging hierin zelfs zoo ver, dat hij meende, dat dienstbaren somtijds onbetaalbare diensten kunnen bewijzen, en onder dezulken telde hij zijn overledene Mijntje. Het scheen hem dus een gemakkelijke pligt, haar altijd vriendelijk te bejegenen; hij stelde er zich wezenlijk genoegen van voor, haar, die hem in zijne jeugd zoo goed verzorgd had, eenen onbezorgden ouderdom te verzekeren. Door haren dood werd hij hierin teleurgesteld en daar er ook nog vele andere plannen voor de toekomst door verijdeld werden, liet de noodlottige tijding nog langen tijd een zeer droevigen indruk op hem na. Hierbij kwam het denkbeeld, dat, zoo hij te huis gebleven was, de zaken misschien anders zouden geloopen zijn, schoon hij wel wist dat zijne tegenwoordigheid haar niet in het leven zou hebben behouden, maar dat hij dan toch in allen gevallen nu zelf over alles het oog kon laten gaan.De reis ging evenwel verder. Over de Vierwaldstädtersee voer men naar Alpnach, en wandelde langs de meren van Sarnen en Lungern naar den Brünig, om zoo het Berner Oberland te bereiken. Maar Pols ging langzaam en zwijgend naast Aloys Stadler voort. Hij merkte naauwelijks de schoonheden van het lieve kanton Unterwalden op; want in zijne gedachten wandelde hij langs de Rotte bij zijne geboortestad, liet zich aan de molens in het Zwaanhals overzetten, en trok als pelgrim naar Krooswijk, omte zien waar de laatste rustplaats der overledene was bereid.Van het begin der excursie door het Oberland staat geen enkel woord in zijn dagboek opgeschreven. Wij weten nogtans, dat hij Meyringen, den Reichenbach en Handegg heeft bezocht; en het eerst vinden wij zijne aanteekeningen weêr te Briënz, “aangekomen Zondag den 23 Juli, des namiddags ten 2 ure, en van daar in een schuitje vertrokken naar Interlaken, omen passantden Giessbach te gaan bezigtigen, in gezelschap van drie vreemde heeren.”Men had in het logement te Briënz deze vreemdelingen ontmoet.Zij waren nog jonge menschen, schoon in bedaardheid van toon en deftigheid van kleeding hunnen leeftijd twintig jaren vooruit. Een hunner had, behalve de gewone bestanddeelen van een menschelijk aangezigt, nog een schildpadden bril op den neus, kennelijk met effen, ongeslepen glazen, maar die hij toch, waar iets bijzonder de opmerkzaamheid verdiende, tot verheldering der voorwerpen uit de nabijheid zijner oogen verwijderde. De tweede trok terstond de aandacht door de kunstige wijs, waarmeê zijne bovenlip was omgekruld en aan zijn neus vastgehecht, welke speling der natuur evenwel door een zwart bandje over de lip en om de wangen gebonden, ten deele werd verborgen. De derde had met gedekten hoofde niets opmerkelijks; maar als hij den hoed afnam, stond men in twijfel of zijn hoofd zich bevlijtigde om door zijn haar heen te groeijen, of dat het door een kapper bediend werd, die geen ander model van haardragt kende, dan dat der bedelmonniken. Weinige maanden geleden had dit drietal de Akademie van Zurich verlaten, met documenten begiftigd, waardoor het hun vrijstond hunne systemata, of die hunner hoogleeraren, op de ligchamen van het lijdende menschdom te appliceren.Het was een warme middag, waarop dit gezelschap den togt over het meer van Briënz ondernam. Dit ondervonden voornamelijk de roeijers, drie stevige knapen, wie het zweetlangs het aangezigt gudste, zonder dat daarom hun ijver, om de schuit in eene snelle vaart te houden, een oogenblik verflaauwde.“Het is een ongezond leven, dat die schippers leiden, blootgesteld aan hitte en koude,” zei een der doctoren tot zijne compagnons, die met hem onder den rooden parapluie van Stadler den fellen zonneschijn ontweken; “zulke menschen kunnen nooit oud worden.”“Dat merk ik aan mijn vader,” viel een der roeiers in: “die heeft zijn heele leven op het meer gezwalkt, en is nu pas even zeventig; verleden week maakte de stumpert nog eenspatziergangnaar den Faulhorn, om levensmiddelen in hetKulmhauste brengen, en hij kwam nog zoo frisch als een hoen te huis.”“Dat is verbazend!” riep Pols uit.“’t Iscontra naturam,” zei de doctor met de hazenlip.“’t Zal hem nog wel eens opbreken,” hernam zijn confrater met den schildpadden bril.“Ik zal hem de boodschap doen,” zei de knaap; maar hij fluisterde een zijner makkers toe: “Ik zat toch nog liever in de taaije verbrande huid van den oude, dan in het bleeke vel van dien opbreker.”Van Aartheim was intusschen met Stadler in gesprek geraakt over de Bergmannetjes, die in ouden tijd in het Oberland zulk eene groote rol hadden gespeeld, en vernam tot zijne groote verbazing, dat dit geslacht nog niet was uitgestorven; dat zij nog dikwijls te middernacht op de hoogten vergaderden, en zich dansende den tijd kortten, en dat, naarmate zij veel of weinig passen uitvoerden, de oogst rijkelijker of schraler was. Hij werd evenwel gerustgesteld door de verzekering, dat de kwaden onder hen verdwenen waren, sedert de vijftig dappere ridders den grooten vrouwenschaker van het Haslithal, die het opperhoofd dier booze geesten was, hadden verslagen.De vrienden gaven hun verlangen te kennen, om ietsnaders van deze belangrijke gebeurtenis te vernemen, en Aloys Stadler voldeed aan hunne nieuwgierigheid door het volgende verhaal:“Vóór eeuwen stond er op eene rots van den Hasliberg een kasteel, door een ringmuur van ongenaakbare hoogte beschut, en van peilloos diepe afgronden als grachten omgeven.“De ridder, wien het toebehoorde, was uit verre streken gekomen, en was jong en schoon. Hij leefde in zijn slot in weelde en overdaad; vijftig knechten bedienden aan zijne tafel uit gouden schotels, en vijftig maagden schonken hem wijn in gouden bekers.“Als hij een togt door het dal deed, was hij door honderd geharnaste ruiters vergezeld, met lange slagzwaarden gewapend; maar onder die allen blonk hij uit door schoonheid en vlugheid, en de kracht waarmeê hij zijn wapen zwaaide. De bewoners van het Haslithal kruisten zich en sidderden, als hij hunne woning voorbijreed. Want de heilige kluizenaar uit de grot had hun verhaald, dat hij met den Booze omging; en zij zelve hadden te middernacht dwalende vlammen om de torens van zijn kasteel gezien. Maar de schoone meisjes, die hem zagen voorbijrijden, merkten op, dat de Booze er niet zoo verschrikkelijk uitzag, als hunne ouders haar wel wilden doen gelooven.“Maar sedert de ridder aan den Hasliberg woonde, werd er eens in elke zeven weken door onzigtbare geesten een meisje uit het dal geschaakt. Dit deden de kwade bergmannetjes, die in dienst van den boozen ridder stonden. En na zeven weken keerde het meisje op dezelfde manier terug, met een gouden beker in de hand, en had wonderen te verhalen van het betooverde paleis, waar zij geweest was, maar ook naar den zin der ouders al te veel wonderen van den schoonen ridder, die haar geliefkoosd had.“De ouders uit het dal en ook de jongelingen, wier bruiden met gouden bekers begiftigd waren, deden dagelijks een bedevaart naar den kluizenaar in de grot, dievastte en zich kastijdde, om het land van die plaag te verlossen. Deze troostte hen altijd met de hoop, dat weldra de Booze verjaagd zou worden, maar dat nog de tijd niet gekomen scheen.“Maar toen reeds vijftig van de honderd schoone meisjes van het Haslithal door den ridder waren ontvoerd, kwam eens de kluizenaar zelf in het dal, en verkondigde den bewoners, dat er den volgenden dag redding zou komen.“En ziet, daar kwamen in den vroegen morgen vijftig Noordsche ridders, die een kruistogt naar het Heilige Land hadden gemaakt, en die bij den terugkeer in het Oberland waren verdwaald geraakt, en de beenderen eens Heiligen met zich voerden. Deze, door den kluizenaar uit de grot aangemaand, ondernamen het den ridder te bestrijden. Zij reden, met zwaarden en speren gewapend, tot aan den voormuur van het slot. Maar toen zij naderden, opende zich de poort, en vijftig vreeselijke bloedhonden vertoonden honderd rijen scherpe tanden. Doch de kluizenaar hield hun de beenderen van den Heilige voor, en de honden stortten gillende in den afgrond.“Toen reden de dappere ruiters het slot binnen, versloegen de krijgsknechten van den boozen ridder, die door dit wonder verschrikt waren, staken het kasteel in den brand, en bleven het bewaken tot het tot asch en puin was vernield; en zij zagen hoe de booze zelf in vlammen verterend in den afgrond stortte.“In zegepraal keerden de ridders naar het Haslithal terug, en dronken wijn met de geredde landbewoners; maar de kluizenaar keerde terstond weder naar zijn grot.“Maar toen den volgenden morgen de ouders der vijftig maagden, die nog niet in de magt van den Booze geweest waren, ontwaakten, waren de ridders vertrokken, en ook de dochters waren niet te vinden. En eenige dagen later keerden de meisjes terug, wel zonder gouden bekers, maar toch niet veel onschuldiger dan hare speelnooten.“De ramp en de redding beide waren in den beginne zeer onaangenaam voor de minnaars in het Haslithal; maar toch zij gewenden zich langzamerhand aan het denkbeeld dat er iets bijzonders met hunne schoonen gebeurd was: en toen de minnaars er genoegen in namen, schikten de meisjes en de moeders zich ook. En sedert dien tijd is de eer bij de schoonen van het Haslithal eene zoo onverschillige zaak geworden, dat de moeders zonder eenig bezwaar hare dochters voor geld aan vreemdelingen afstaan.”“Zoo, is het dan toch waarheid, dat er nog altijd zulke mooie meisjes in het dal gevonden worden, en dat de moeders er zoo raar meê omspringen?” zei Torteltak, toen Stadler zijn verhaal geëindigd had: “wij hadden dat toch wel eens kunnen gaan opnemen.”Pols vond de laatste aanmerking van zijn vriend alles behalve gepast, en om dus eene andere wending aan het gesprek te geven, merkte hij aan, dat het zeer warm was, speciaal op de plaats waar hij zat, daar de zon hem vlak in het aangezigt scheen.“Gij zult zeker spoedig hinder van de warmte hebben?” vroeg de doctor met den schildpadden bril: “permitteer mij, dat ik u den pols eens voel.”Pols stak zijne hand uit, en de medicus zag hem weldra zeer bedenkelijk aan. Hij reikte vervolgens den arm van onzen vriend aan zijne beide collega’s over, die volkomen van dezelfde opinie schenen te zijn.“Een congestieus gestel,” zei de doctor met de hazenlip. “Mijnheer is zeer vatbaar voor apoplexie. Hebt u nog nooit attaques van beroerte gehad?”“De Hemel beware mij!” riep Pols verschrikt uit.“Ik herinner mij,” zei de collega met de kale kruin, “eens met iemand in gezelschap geweest te zijn, die juist zoo’n pols had als de uwe, en die, bedaard met mij pratende, op een oogenblik dood bleef.”Pols, die toch al niet in de aangenaamste stemming dittogtje begonnen had, werd door deze aanmerkingen niet vrolijker.“Een streng dieet, rust en vermijding van alles wat echauffeert, is misschien het eenige, dat u nog wat in het leven kan behouden,” merkte de medicus met den schildpadden bril aan.Het schuitje lag terwijl aan den Giessbach stil. Stadler noodigde de heeren uit om het steile bergpad te beklimmen, een togtje dat niet veel verkoeling beloofde, want de zon scheen brandend op het mulle zand. Pols was wel ongerust, dat het hem kwaad zou doen; maar toch, hij wilde niet gaarne achterblijven. Bevende van agitatie kwam hij boven, en onder weg sprong hem de neus aan ’t bloeden.“Molimen naturae,” merkte een der doctoren aan.“’t Is een geluk,” zei een zijner collega’s; “zonder dat zou het mij niet verwonderd hebben, als Mijnheer dood boven gekomen was.”Voor hetWirthshausaan de watervallen kommandeerden de vrienden goeden Rijnwijn. Pols vroeg aan een dermedici, of een glas water niet beter voor hem zou wezen.“Beter althans dan wijn,” zeide deze; “maar ’t zou u nu misschien te veel verkoelen.”Onze vriend verfrischte zich dus op den warmen namiddag met een glas laauw water en melk.Wij willen op deze plaats geen uitspraak doen in het steeds hangende geschil tusschen onderscheidene reisbeschrijvers, aan welke der watervallen de voorkeur moet gegeven worden, dien van den Reichenbach of dien van den Giessbach. De laatsten stroomen misschien tusschen digter geboomte en zijn rijker aan water, twee zaken, die het effect niet benadeelen; maar bij den eersten zijn de rotspunten gemakkelijker te bereiken, tegen welke de nederstortende waterstroom gebroken wordt. Dit ondervonden voornamelijk Veervlug en De Morder, die, bijzonder begeerig om den oorsprong der cascades in oogenschouwte nemen, als gemzen tegen de steilten opklommen, maar met minder gemakkelijkheid en vlugheid dan deze hunnen weg naar de laagte wisten weêr te vinden. De laatste ging zelfs zoo ver, dat hij zijn voet op een lossen steen plaatste, terwijl hij nog driehonderd voeten van den vlakken grond verwijderd was, aan het glijden raakte en in een oogenblik vijftig voeten neêrdaalde, tevens een halfsleten jas en een nieuwen zomerpantalon aan flarden scheurende.“Dat kunt ge vlug,” riep Veervlug hem toe, die terwijl aan een boomtak hing te spartelen.De Morder was gelukkig te land gekomen op een rotspunt aan de derde cascade, waar hij veilig stond, maar evenveel uitzigt had om ooit weêr het vaste land te bereiken, als wijlen Robinson Crusoe, gedurende de vele maanden, die hij in stille afzondering van het menschdom sleet.“Ik weet toch ook waarlijk niet, waar al die waaghalzerij toe dient,” riep Pols, wien het angstzweet uitbrak over het lot zijner vrienden.“Als hij in de cascade verdwaald raakt, wordt hij tot pap vermorseld,” merkte de doctor met de hazenlip aan.“En ook zonder dat,” zei zijn collega met de kale kruin, “als hij maar van de helft dier hoogte afvalt, is hij weg. Ik heb eens iemand getrepaneerd, die zoo’n val gedaan had; maar met dat al, den volgenden dag was hij er om koud.”“Help de heeren dan toch!” riep Pols denguidetoe.Maar deze, die van de oogenblikken rust bij de herberg gebruik maakte om zijne schoenen te lappen, antwoordde heel bedaard, terwijl hij den pikdraad door het leder trok: “Voorloopig zie ik er nog geen kans toe; want de plaats waar die eene heer staat, is ongenaakbaar. Ik zal er den kastelein eens over spreken; want ik voor mij ben nooit gids geweest op de ontoegankelijke rotsen van den Giessbach.”Veervlug was terwijl beneden gekomen, met de noodigeschrammen en bulten voorzien. Hij scheen volstrekt niet in de ongerustheid van Pols over De Morder’s lot te deelen; want hij voerde hem glimlagchende toe: “’t Is jammer, dat het gedruisch van den waterval ons belet hem te hooren; want ik denk dat hij weêr olijk aan ’t brommen zal wezen.”Holstaff had al de klagten, die hij bijeen kon brengen, veil voor het lot van zijnen ongelukkigen vriend; Van Aartheim en Torteltak trokken hem met ladders, touwen en stokken te hulp; en ook Aloys Stadler, toen zijne schoenen gelapt waren, met raadgevingen en aanwijzingen, door zijne lange bergklimmende ondervinding gesuppediteerd. Het gevolg van dit alles was, dat De Morder beneden kwam, en terwijl hij drie glazen Rijnwijn inzwolg, verwenschingen uitbraakte tegen de beroerde manier, waarop de wandelingen aan den Giessbach waren ingerigt.Toen de grootste confusie, door dit geval veroorzaakt, wat over was, noodigde de kastelein het gezelschap uit, om het beroemde concert der bergbewoners te hooren, en de musicerende troep, grootendeels uit zijne familie bestaande, schaarde zich in slagorde. De gevoelens der reizigers over dit berggezang zijn zeer verschillend: sommigen, die het in eene knorrige bui gehoord hebben, houden het voor krijschend gegil; anderen, die er bedaard hun cigaar bij zaten te rooken, vinden het lieve muziek; weêr anderen, die het na het gebruik van eenige flesschen Rijnwijn vernamen, roemen het als hemelsche toonen, zoo als men ze maar zelden op aarde hoort. Onze vrienden hadden er aangename oogenblikken aan te danken, maar kwamen daarin overeen, dat het beter moet voldoen in de open lucht, met accompagnement van een gedruischmakenden bergstroom, dan in eene besloten zaal; weshalve zij de zangers zouden raden, hunne concerten tot de rotsen van den Giessbach te bepalen.De overige uren, die het gezelschap verder op het meervan Briënz doorbragt, gingen in kalm en ongestoord genoegen voorbij. Veervlug neuriede van tijd tot tijd het laatste gedeelte der Ranz van Oberhalsi na:“Ach Schaetzeli habe gute Muth,Am Frytig wei mer fahren,Es ziger und PelznideliDas kast de essen lideli,A dir will is nit spahren.”De doctoren openbaarden weinig ziektekunde meer; nog eenmaal slechts vroegen zij aan Torteltak, die ten gevolge van gevatte koude een weinig hoestte, of er niet vele leden zijner familie aan de tering gestorven waren, en zij verontrustten zich over de gezonde kleur zijner wangen, waarop zij hectische blesjes meenden op te merken. Torteltak behoorde evenwel niet tot die menschen, die zich heel spoedig verontrusten, en hunne vriendelijke en gepaste mededeeling maakte dus weinig indruk op hem.De avond begon reeds te vallen, toen men te Interlaken aankwam. Men genoot dus niet het volle effect, dat de weelde dezer Engelsche plaats in het midden der eenvoudiger en armere landstreek maakt; maar men kon toch nog genoeg zien, hoe schitterend hare elegante villa’s tegen de nederige woningen der overige Zwitsersche dorpen afsteken. Daar waren onder de vrienden, die terstond eenen kreet van verontwaardiging tegen die verspillende Engelschen aanhieven, die al het schoone der natuur door hunne kunst bedierven, en die zich niet konden begrijpen, dat men, als men het buiten zoo heerlijk kan hebben, zich binnen zoo opcomforttoelegt. Anderen hunner waren weêr van meening, dat een elegant en smaakvol gebouw de schoone natuur zoo veel niet meer tegenwerkt, als eene armoedige en bekrompen woning; en die, helaas! zoo door den geest der weelderige negentiende eeuw werden beheerscht, dat zij zich een genoegelijk buitenleven zonder behelpen konden voorstellen, die een fijn dineetjein een lief en luchtig salon op den duur de voorkeur gaven boven een rustiek maal onder een ouden lindeboom; ja die zelfs liever in een zachten ronden goedgevulden canapé de buitenlucht genoten, dan op de vierkante, houten, groengeverfde, expresselijk daartoe vervaardigde tuinstoelen der voorvaderen.Tusschen deze elegante villa’s gingen de vrienden voort, en hadden door de geopende ramen en deuren het gezigt in prachtig verlichte zalen; want onder de Engelsche natuurbedervers zijn zelfs aterlingen, die niet elken avond tot 10 ure schemeren. Het meest echter rustte hunne aandacht op de zaal van het grooteHôtelGarnivan Colbert, niet zoo zeer om de pracht van het vertrek, als wel om eene der personen, die er zich op dien oogenblik in bevonden. Het was een jong meisje van misschien 18 of 20 jaren, een dier wezens, waaraan de natuur meer moeite schijnt ten koste gelegd te hebben dan aan vijftig anderen, maar zeker onder alle schoonen de schoonste. Heath heeft zijnBook of Beautyeenige jaren geleden met haar portret versierd, en men zou moeijelijk eenen schoonheidskenner vinden, die het niet boven al de ideale kopjes stelde, die in dat werk gevonden worden. Voor iemand, die een afkeer heeft van een rijkdom van donkere lokken, die over een sneeuwwit gelaat hare schaduw werpen, van heldere, teedere, donkerblaauwe oogen, van geestig gevormde lippen, van fijne en tevens volle ronde vormen, en van dergelijke zaken meer, had zij misschien weinig aantrekkelijks. Onze vrienden behoorden niet tot dezulken; zij toonden dit, door op de plaats, waar zij haar zagen, als vastgenageld te blijven staan, en vonden geen termen om hunne verrukking uit te drukken. Gelukkig was voor hen de duisternis, waarin zij zich bevonden, en het heldere licht, dat de schoone omgaf; anders twijfelen wij, of zij wel zoo lang ongestoord zouden hebben genoten. In het eind vond Pols het gepast, zijn hart in deze woorden lucht te geven: “Kijk, ikben geen meisjesgek; maar om zoo’n engel zou ik in staat zijn eene dwaasheid te begaan.”“Zij rappeleert mij volkomen een meisje,” zei de doctor met de hazenlip, “dat wij te Zurich in het ziekenhuis hebben gehad.”“Juist,” zei zijn confrater met de kale kruin: “die meid van den vischkooper; behalve dat die een weinig scheel keek.”“Ja wel,” zei de derde collega: “ze is immers nog aan de pokken gestorven. Weet je nog wel, hoe zwart zij op het laatst zag?”De herinneringen, die het zien dezer schoonheid bij demediciopwekten, werkten uit, dat de vrienden, om verdere dergelijke aanmerkingen te ontwijken, met snellen tred voortstapten; vooral scheen Van Aartheim door hun discours gekwetst, schoon hij het verst van het raam was verwijderd geweest, en de minste aandacht aan de schoone scheen te schenken. Ook Pols verliet eindelijk de plaats; maar juist toen hij zich wilde verwijderen, zag hij een heer tot de dame naderen, en zich vertrouwelijk naast haar nederzetten.Hoe groot was zijne verbazing en schrik, toen hij in dien heer den vreeselijken en gevreesden Lurgrave herkende! Haastig volgde hij de vrienden, en besloot van zijne ontdekking niets meê te deelen, maar een wakend oog over Torteltak te houden; want op eens stond hem weêr het discours bij den leeuw te Lucern voor den geest.Het kostte het zestal veel moeite in het drukbezochte Interlaken onder dak te komen; eindelijk installeerden zij zich in hetPension Baud, waar zij zich wel zouden moeten behelpen, maar toch dien nachtlogiskonden krijgen. De drie doctoren moesten hen evenwel verlaten. Zij namen nog in den laten avond een rijtuig aan naar Thun, waar zij den volgenden dag een vergelijkend examen voor het stads doctoraat moesten ondergaan. Te dien einde hadmen daar gezorgd, dat drie policiebedienden, door veel op togten te staan, catarrhale koortsen hadden gekregen, en had men drie gevangenen aangezegd, dat zij zich tegen den volgenden morgen prepareren moesten, om hun regterbeen te verliezen. Later werd door de vrienden vernomen, dat demedicusmet de hazenlip met den post begunstigd was, omdat hij in tien minuten een diender aan het vomeren gekregen had, en in zestien en een halve minuut het been eens misdadigers boven de knieschijf had geamputeerd.In hetPension Baudwerd het overige van den avond niet al te vrolijk doorgebragt. Pols maakte groote haast om de vrienden naar bed te krijgen, en droeg vooral zorg, dat niemand hunner meer buiten de deur kwam. Toen allen naar hunne kamers waren, ging hij zelf nog eens op straat zien, of alles veilig was. Misschien was het zijne vrees, of misschien dat werkelijk iemand zich bewoog,—hij meende in de verte een man te ontdekken, die het huis bespiedde.“Ziet gij daar niets?” vroeg hij den kastelein, die ook voor de deur stond.“Neen; waar moest dat iets wezen?” vroeg deze.“Ik dacht dat ik wat boven dat jonge hout zag uitsteken.”“Ik zie niets dan den top van de Jungfrau,” zei de kastelein.“O, is het maar eenJungfrau” zei Pols, “dan is het niets; ik dacht dat het een heer was.”Toen den volgenden morgen de vrienden zich aan het ontbijt verzamelden, ontbrak Van Aartheim. Zij wachtten lang, maar informeerden eindelijk bij denKellner. Deze berigtte hun, dat die heer nog laat in den avond vertrokken was, en een briefje voor den Heer Torteltak had achtergelaten. Dit briefje behelsde, dat hij zich genoodzaakt zag, hen voor eenigen tijd te verlaten, om redenenvoor hem van het grootste gewigt, maar dat hij hun spoedig nader bericht zou doen toekomen.De reisgenooten zagen elkander verbaasd aan, maar nog meer, toen weldra het gerucht hun ter ooren kwam, dat dien nacht de schooneMissCleford hetHôtelGarnivan Colbert had verlaten, en met een Engelschman en een Hollander was doorgegaan.“Dat had ik toch nooit achter Van Aartheim gezocht,” zei Pols verontwaardigd.“Ik wist niet, dat men met dat meisje door kon gaan,” zei Torteltak peinzend.“Die kunsten heeft hij den ridder van den Hasliberg afgezien,” grinnikte Veervlug.“Ik hield veel van Van Aartheim,” zei De Morder; “maar ik dacht toch altijd wel, dat hij het beroerd zou laten liggen.”Holstaff bragt zuchtend iets over het zedebederf der eeuw te berde.“Komaan,” zei Pols eindelijk, “het is niet anders. Wij moeten nu maar zien, dat wij te Bern komen. Maar daar wij verder niet zullen dwalen, konden wij, dunkt mij, hier wel met Stadler afrekenen.Deze evenwel verzocht de reis uit liefhebberij meê te mogen maken. De vrienden vonden dit heel aardig van hem; maar minder beviel het hun, dat hij te Bern voor deze liefhebberij een dag geleide en een dag retour in rekening bragt.Het geleide te Bern.Het geleide te Bern.
Waarin zoo vele zaken voorkomen, dat het moeielijk zou wezen, de verschillende opgaven in een korten inhoud te vereenigen.
Waarin zoo vele zaken voorkomen, dat het moeielijk zou wezen, de verschillende opgaven in een korten inhoud te vereenigen.
Daar zijn verliezen, die niet treffend zijn, die niemands medegevoel opwekken, waarbij het geen mensch zal invallen deelneming te betuigen, waarvan dikwijls te spreken zelfs bespottelijk schijnt, maar die met dat al verliezen zijn. Zoodanig was voor Polsbroekerwoud de dood van zijn getrouwe Mijntje. De goede man was altijd zeer aan haar gehecht geweest. Zij behoorde tot de nalatenschap zijner ouders; zij had hem van zijne vroegste jeugd af met zorg en liefde overladen; hij wist dat zij geheel en alleen voor hem leefde, en het was hem gewoonte geworden alle huiselijke zaken door haar te zien besturen, en bij zijne afwezigheid te weten, dat zij op haar post was en alles goed behartigde. Daarom ook was hij altijd goed en vriendelijk, en zelfs, schoon het nooit opspraak gaf, dikwijls vertrouwelijk met haar geweest. Deze manier van omgaan was misschien wel heelmauvais genre; want Mijntje was toch maar een meid, en zij werd voor al wat zij deed betaald. Een fatsoenlijk mensch voldoet immers aan zijne verpligting, als hij aan zijne dienstbaren, voor den tijd dien zij hem wijden, de moeite die zij zich om zijnentwil getroosten, de zorg die zij aan zijne zaken besteden, en de liefde waarmeê zij al wat hem aangaat bejegenen, een jaarlijksch loon uitbetaalt, en meer nog dan hij verpligt is, als hij hun eene kermis- of nieuwjaarsfooitoereikt. Waartoe woorden aan hen te verspillen, zoo zij niet dienen moeten om orders te geven? waartoe een blik op hen te slaan, dan om hen te doen zien, dat hij om het minst verzuim gramstorig is? Een fatsoenlijk man bewaart den afstand, die tusschen hem en zijne dienstboden bestaan moet, somtijds eene uitzondering makende met jonge en mooie kameniers, jegens welke hij kan meenen nog andere pligten te moeten vervullen.
Polsbroekerwoud was een burgerman, en koesterde ook in deze zeer burgerlijke begrippen. Hij ging hierin zelfs zoo ver, dat hij meende, dat dienstbaren somtijds onbetaalbare diensten kunnen bewijzen, en onder dezulken telde hij zijn overledene Mijntje. Het scheen hem dus een gemakkelijke pligt, haar altijd vriendelijk te bejegenen; hij stelde er zich wezenlijk genoegen van voor, haar, die hem in zijne jeugd zoo goed verzorgd had, eenen onbezorgden ouderdom te verzekeren. Door haren dood werd hij hierin teleurgesteld en daar er ook nog vele andere plannen voor de toekomst door verijdeld werden, liet de noodlottige tijding nog langen tijd een zeer droevigen indruk op hem na. Hierbij kwam het denkbeeld, dat, zoo hij te huis gebleven was, de zaken misschien anders zouden geloopen zijn, schoon hij wel wist dat zijne tegenwoordigheid haar niet in het leven zou hebben behouden, maar dat hij dan toch in allen gevallen nu zelf over alles het oog kon laten gaan.
De reis ging evenwel verder. Over de Vierwaldstädtersee voer men naar Alpnach, en wandelde langs de meren van Sarnen en Lungern naar den Brünig, om zoo het Berner Oberland te bereiken. Maar Pols ging langzaam en zwijgend naast Aloys Stadler voort. Hij merkte naauwelijks de schoonheden van het lieve kanton Unterwalden op; want in zijne gedachten wandelde hij langs de Rotte bij zijne geboortestad, liet zich aan de molens in het Zwaanhals overzetten, en trok als pelgrim naar Krooswijk, omte zien waar de laatste rustplaats der overledene was bereid.
Van het begin der excursie door het Oberland staat geen enkel woord in zijn dagboek opgeschreven. Wij weten nogtans, dat hij Meyringen, den Reichenbach en Handegg heeft bezocht; en het eerst vinden wij zijne aanteekeningen weêr te Briënz, “aangekomen Zondag den 23 Juli, des namiddags ten 2 ure, en van daar in een schuitje vertrokken naar Interlaken, omen passantden Giessbach te gaan bezigtigen, in gezelschap van drie vreemde heeren.”
Men had in het logement te Briënz deze vreemdelingen ontmoet.Zij waren nog jonge menschen, schoon in bedaardheid van toon en deftigheid van kleeding hunnen leeftijd twintig jaren vooruit. Een hunner had, behalve de gewone bestanddeelen van een menschelijk aangezigt, nog een schildpadden bril op den neus, kennelijk met effen, ongeslepen glazen, maar die hij toch, waar iets bijzonder de opmerkzaamheid verdiende, tot verheldering der voorwerpen uit de nabijheid zijner oogen verwijderde. De tweede trok terstond de aandacht door de kunstige wijs, waarmeê zijne bovenlip was omgekruld en aan zijn neus vastgehecht, welke speling der natuur evenwel door een zwart bandje over de lip en om de wangen gebonden, ten deele werd verborgen. De derde had met gedekten hoofde niets opmerkelijks; maar als hij den hoed afnam, stond men in twijfel of zijn hoofd zich bevlijtigde om door zijn haar heen te groeijen, of dat het door een kapper bediend werd, die geen ander model van haardragt kende, dan dat der bedelmonniken. Weinige maanden geleden had dit drietal de Akademie van Zurich verlaten, met documenten begiftigd, waardoor het hun vrijstond hunne systemata, of die hunner hoogleeraren, op de ligchamen van het lijdende menschdom te appliceren.
Het was een warme middag, waarop dit gezelschap den togt over het meer van Briënz ondernam. Dit ondervonden voornamelijk de roeijers, drie stevige knapen, wie het zweetlangs het aangezigt gudste, zonder dat daarom hun ijver, om de schuit in eene snelle vaart te houden, een oogenblik verflaauwde.
“Het is een ongezond leven, dat die schippers leiden, blootgesteld aan hitte en koude,” zei een der doctoren tot zijne compagnons, die met hem onder den rooden parapluie van Stadler den fellen zonneschijn ontweken; “zulke menschen kunnen nooit oud worden.”
“Dat merk ik aan mijn vader,” viel een der roeiers in: “die heeft zijn heele leven op het meer gezwalkt, en is nu pas even zeventig; verleden week maakte de stumpert nog eenspatziergangnaar den Faulhorn, om levensmiddelen in hetKulmhauste brengen, en hij kwam nog zoo frisch als een hoen te huis.”
“Dat is verbazend!” riep Pols uit.
“’t Iscontra naturam,” zei de doctor met de hazenlip.
“’t Zal hem nog wel eens opbreken,” hernam zijn confrater met den schildpadden bril.
“Ik zal hem de boodschap doen,” zei de knaap; maar hij fluisterde een zijner makkers toe: “Ik zat toch nog liever in de taaije verbrande huid van den oude, dan in het bleeke vel van dien opbreker.”
Van Aartheim was intusschen met Stadler in gesprek geraakt over de Bergmannetjes, die in ouden tijd in het Oberland zulk eene groote rol hadden gespeeld, en vernam tot zijne groote verbazing, dat dit geslacht nog niet was uitgestorven; dat zij nog dikwijls te middernacht op de hoogten vergaderden, en zich dansende den tijd kortten, en dat, naarmate zij veel of weinig passen uitvoerden, de oogst rijkelijker of schraler was. Hij werd evenwel gerustgesteld door de verzekering, dat de kwaden onder hen verdwenen waren, sedert de vijftig dappere ridders den grooten vrouwenschaker van het Haslithal, die het opperhoofd dier booze geesten was, hadden verslagen.
De vrienden gaven hun verlangen te kennen, om ietsnaders van deze belangrijke gebeurtenis te vernemen, en Aloys Stadler voldeed aan hunne nieuwgierigheid door het volgende verhaal:
“Vóór eeuwen stond er op eene rots van den Hasliberg een kasteel, door een ringmuur van ongenaakbare hoogte beschut, en van peilloos diepe afgronden als grachten omgeven.
“De ridder, wien het toebehoorde, was uit verre streken gekomen, en was jong en schoon. Hij leefde in zijn slot in weelde en overdaad; vijftig knechten bedienden aan zijne tafel uit gouden schotels, en vijftig maagden schonken hem wijn in gouden bekers.
“Als hij een togt door het dal deed, was hij door honderd geharnaste ruiters vergezeld, met lange slagzwaarden gewapend; maar onder die allen blonk hij uit door schoonheid en vlugheid, en de kracht waarmeê hij zijn wapen zwaaide. De bewoners van het Haslithal kruisten zich en sidderden, als hij hunne woning voorbijreed. Want de heilige kluizenaar uit de grot had hun verhaald, dat hij met den Booze omging; en zij zelve hadden te middernacht dwalende vlammen om de torens van zijn kasteel gezien. Maar de schoone meisjes, die hem zagen voorbijrijden, merkten op, dat de Booze er niet zoo verschrikkelijk uitzag, als hunne ouders haar wel wilden doen gelooven.
“Maar sedert de ridder aan den Hasliberg woonde, werd er eens in elke zeven weken door onzigtbare geesten een meisje uit het dal geschaakt. Dit deden de kwade bergmannetjes, die in dienst van den boozen ridder stonden. En na zeven weken keerde het meisje op dezelfde manier terug, met een gouden beker in de hand, en had wonderen te verhalen van het betooverde paleis, waar zij geweest was, maar ook naar den zin der ouders al te veel wonderen van den schoonen ridder, die haar geliefkoosd had.
“De ouders uit het dal en ook de jongelingen, wier bruiden met gouden bekers begiftigd waren, deden dagelijks een bedevaart naar den kluizenaar in de grot, dievastte en zich kastijdde, om het land van die plaag te verlossen. Deze troostte hen altijd met de hoop, dat weldra de Booze verjaagd zou worden, maar dat nog de tijd niet gekomen scheen.
“Maar toen reeds vijftig van de honderd schoone meisjes van het Haslithal door den ridder waren ontvoerd, kwam eens de kluizenaar zelf in het dal, en verkondigde den bewoners, dat er den volgenden dag redding zou komen.
“En ziet, daar kwamen in den vroegen morgen vijftig Noordsche ridders, die een kruistogt naar het Heilige Land hadden gemaakt, en die bij den terugkeer in het Oberland waren verdwaald geraakt, en de beenderen eens Heiligen met zich voerden. Deze, door den kluizenaar uit de grot aangemaand, ondernamen het den ridder te bestrijden. Zij reden, met zwaarden en speren gewapend, tot aan den voormuur van het slot. Maar toen zij naderden, opende zich de poort, en vijftig vreeselijke bloedhonden vertoonden honderd rijen scherpe tanden. Doch de kluizenaar hield hun de beenderen van den Heilige voor, en de honden stortten gillende in den afgrond.
“Toen reden de dappere ruiters het slot binnen, versloegen de krijgsknechten van den boozen ridder, die door dit wonder verschrikt waren, staken het kasteel in den brand, en bleven het bewaken tot het tot asch en puin was vernield; en zij zagen hoe de booze zelf in vlammen verterend in den afgrond stortte.
“In zegepraal keerden de ridders naar het Haslithal terug, en dronken wijn met de geredde landbewoners; maar de kluizenaar keerde terstond weder naar zijn grot.
“Maar toen den volgenden morgen de ouders der vijftig maagden, die nog niet in de magt van den Booze geweest waren, ontwaakten, waren de ridders vertrokken, en ook de dochters waren niet te vinden. En eenige dagen later keerden de meisjes terug, wel zonder gouden bekers, maar toch niet veel onschuldiger dan hare speelnooten.
“De ramp en de redding beide waren in den beginne zeer onaangenaam voor de minnaars in het Haslithal; maar toch zij gewenden zich langzamerhand aan het denkbeeld dat er iets bijzonders met hunne schoonen gebeurd was: en toen de minnaars er genoegen in namen, schikten de meisjes en de moeders zich ook. En sedert dien tijd is de eer bij de schoonen van het Haslithal eene zoo onverschillige zaak geworden, dat de moeders zonder eenig bezwaar hare dochters voor geld aan vreemdelingen afstaan.”
“Zoo, is het dan toch waarheid, dat er nog altijd zulke mooie meisjes in het dal gevonden worden, en dat de moeders er zoo raar meê omspringen?” zei Torteltak, toen Stadler zijn verhaal geëindigd had: “wij hadden dat toch wel eens kunnen gaan opnemen.”
Pols vond de laatste aanmerking van zijn vriend alles behalve gepast, en om dus eene andere wending aan het gesprek te geven, merkte hij aan, dat het zeer warm was, speciaal op de plaats waar hij zat, daar de zon hem vlak in het aangezigt scheen.
“Gij zult zeker spoedig hinder van de warmte hebben?” vroeg de doctor met den schildpadden bril: “permitteer mij, dat ik u den pols eens voel.”
Pols stak zijne hand uit, en de medicus zag hem weldra zeer bedenkelijk aan. Hij reikte vervolgens den arm van onzen vriend aan zijne beide collega’s over, die volkomen van dezelfde opinie schenen te zijn.
“Een congestieus gestel,” zei de doctor met de hazenlip. “Mijnheer is zeer vatbaar voor apoplexie. Hebt u nog nooit attaques van beroerte gehad?”
“De Hemel beware mij!” riep Pols verschrikt uit.
“Ik herinner mij,” zei de collega met de kale kruin, “eens met iemand in gezelschap geweest te zijn, die juist zoo’n pols had als de uwe, en die, bedaard met mij pratende, op een oogenblik dood bleef.”
Pols, die toch al niet in de aangenaamste stemming dittogtje begonnen had, werd door deze aanmerkingen niet vrolijker.
“Een streng dieet, rust en vermijding van alles wat echauffeert, is misschien het eenige, dat u nog wat in het leven kan behouden,” merkte de medicus met den schildpadden bril aan.
Het schuitje lag terwijl aan den Giessbach stil. Stadler noodigde de heeren uit om het steile bergpad te beklimmen, een togtje dat niet veel verkoeling beloofde, want de zon scheen brandend op het mulle zand. Pols was wel ongerust, dat het hem kwaad zou doen; maar toch, hij wilde niet gaarne achterblijven. Bevende van agitatie kwam hij boven, en onder weg sprong hem de neus aan ’t bloeden.
“Molimen naturae,” merkte een der doctoren aan.
“’t Is een geluk,” zei een zijner collega’s; “zonder dat zou het mij niet verwonderd hebben, als Mijnheer dood boven gekomen was.”
Voor hetWirthshausaan de watervallen kommandeerden de vrienden goeden Rijnwijn. Pols vroeg aan een dermedici, of een glas water niet beter voor hem zou wezen.
“Beter althans dan wijn,” zeide deze; “maar ’t zou u nu misschien te veel verkoelen.”
Onze vriend verfrischte zich dus op den warmen namiddag met een glas laauw water en melk.
Wij willen op deze plaats geen uitspraak doen in het steeds hangende geschil tusschen onderscheidene reisbeschrijvers, aan welke der watervallen de voorkeur moet gegeven worden, dien van den Reichenbach of dien van den Giessbach. De laatsten stroomen misschien tusschen digter geboomte en zijn rijker aan water, twee zaken, die het effect niet benadeelen; maar bij den eersten zijn de rotspunten gemakkelijker te bereiken, tegen welke de nederstortende waterstroom gebroken wordt. Dit ondervonden voornamelijk Veervlug en De Morder, die, bijzonder begeerig om den oorsprong der cascades in oogenschouwte nemen, als gemzen tegen de steilten opklommen, maar met minder gemakkelijkheid en vlugheid dan deze hunnen weg naar de laagte wisten weêr te vinden. De laatste ging zelfs zoo ver, dat hij zijn voet op een lossen steen plaatste, terwijl hij nog driehonderd voeten van den vlakken grond verwijderd was, aan het glijden raakte en in een oogenblik vijftig voeten neêrdaalde, tevens een halfsleten jas en een nieuwen zomerpantalon aan flarden scheurende.
“Dat kunt ge vlug,” riep Veervlug hem toe, die terwijl aan een boomtak hing te spartelen.
De Morder was gelukkig te land gekomen op een rotspunt aan de derde cascade, waar hij veilig stond, maar evenveel uitzigt had om ooit weêr het vaste land te bereiken, als wijlen Robinson Crusoe, gedurende de vele maanden, die hij in stille afzondering van het menschdom sleet.
“Ik weet toch ook waarlijk niet, waar al die waaghalzerij toe dient,” riep Pols, wien het angstzweet uitbrak over het lot zijner vrienden.
“Als hij in de cascade verdwaald raakt, wordt hij tot pap vermorseld,” merkte de doctor met de hazenlip aan.
“En ook zonder dat,” zei zijn collega met de kale kruin, “als hij maar van de helft dier hoogte afvalt, is hij weg. Ik heb eens iemand getrepaneerd, die zoo’n val gedaan had; maar met dat al, den volgenden dag was hij er om koud.”
“Help de heeren dan toch!” riep Pols denguidetoe.
Maar deze, die van de oogenblikken rust bij de herberg gebruik maakte om zijne schoenen te lappen, antwoordde heel bedaard, terwijl hij den pikdraad door het leder trok: “Voorloopig zie ik er nog geen kans toe; want de plaats waar die eene heer staat, is ongenaakbaar. Ik zal er den kastelein eens over spreken; want ik voor mij ben nooit gids geweest op de ontoegankelijke rotsen van den Giessbach.”
Veervlug was terwijl beneden gekomen, met de noodigeschrammen en bulten voorzien. Hij scheen volstrekt niet in de ongerustheid van Pols over De Morder’s lot te deelen; want hij voerde hem glimlagchende toe: “’t Is jammer, dat het gedruisch van den waterval ons belet hem te hooren; want ik denk dat hij weêr olijk aan ’t brommen zal wezen.”
Holstaff had al de klagten, die hij bijeen kon brengen, veil voor het lot van zijnen ongelukkigen vriend; Van Aartheim en Torteltak trokken hem met ladders, touwen en stokken te hulp; en ook Aloys Stadler, toen zijne schoenen gelapt waren, met raadgevingen en aanwijzingen, door zijne lange bergklimmende ondervinding gesuppediteerd. Het gevolg van dit alles was, dat De Morder beneden kwam, en terwijl hij drie glazen Rijnwijn inzwolg, verwenschingen uitbraakte tegen de beroerde manier, waarop de wandelingen aan den Giessbach waren ingerigt.
Toen de grootste confusie, door dit geval veroorzaakt, wat over was, noodigde de kastelein het gezelschap uit, om het beroemde concert der bergbewoners te hooren, en de musicerende troep, grootendeels uit zijne familie bestaande, schaarde zich in slagorde. De gevoelens der reizigers over dit berggezang zijn zeer verschillend: sommigen, die het in eene knorrige bui gehoord hebben, houden het voor krijschend gegil; anderen, die er bedaard hun cigaar bij zaten te rooken, vinden het lieve muziek; weêr anderen, die het na het gebruik van eenige flesschen Rijnwijn vernamen, roemen het als hemelsche toonen, zoo als men ze maar zelden op aarde hoort. Onze vrienden hadden er aangename oogenblikken aan te danken, maar kwamen daarin overeen, dat het beter moet voldoen in de open lucht, met accompagnement van een gedruischmakenden bergstroom, dan in eene besloten zaal; weshalve zij de zangers zouden raden, hunne concerten tot de rotsen van den Giessbach te bepalen.
De overige uren, die het gezelschap verder op het meervan Briënz doorbragt, gingen in kalm en ongestoord genoegen voorbij. Veervlug neuriede van tijd tot tijd het laatste gedeelte der Ranz van Oberhalsi na:
“Ach Schaetzeli habe gute Muth,Am Frytig wei mer fahren,Es ziger und PelznideliDas kast de essen lideli,A dir will is nit spahren.”
“Ach Schaetzeli habe gute Muth,
Am Frytig wei mer fahren,
Es ziger und Pelznideli
Das kast de essen lideli,
A dir will is nit spahren.”
De doctoren openbaarden weinig ziektekunde meer; nog eenmaal slechts vroegen zij aan Torteltak, die ten gevolge van gevatte koude een weinig hoestte, of er niet vele leden zijner familie aan de tering gestorven waren, en zij verontrustten zich over de gezonde kleur zijner wangen, waarop zij hectische blesjes meenden op te merken. Torteltak behoorde evenwel niet tot die menschen, die zich heel spoedig verontrusten, en hunne vriendelijke en gepaste mededeeling maakte dus weinig indruk op hem.
De avond begon reeds te vallen, toen men te Interlaken aankwam. Men genoot dus niet het volle effect, dat de weelde dezer Engelsche plaats in het midden der eenvoudiger en armere landstreek maakt; maar men kon toch nog genoeg zien, hoe schitterend hare elegante villa’s tegen de nederige woningen der overige Zwitsersche dorpen afsteken. Daar waren onder de vrienden, die terstond eenen kreet van verontwaardiging tegen die verspillende Engelschen aanhieven, die al het schoone der natuur door hunne kunst bedierven, en die zich niet konden begrijpen, dat men, als men het buiten zoo heerlijk kan hebben, zich binnen zoo opcomforttoelegt. Anderen hunner waren weêr van meening, dat een elegant en smaakvol gebouw de schoone natuur zoo veel niet meer tegenwerkt, als eene armoedige en bekrompen woning; en die, helaas! zoo door den geest der weelderige negentiende eeuw werden beheerscht, dat zij zich een genoegelijk buitenleven zonder behelpen konden voorstellen, die een fijn dineetjein een lief en luchtig salon op den duur de voorkeur gaven boven een rustiek maal onder een ouden lindeboom; ja die zelfs liever in een zachten ronden goedgevulden canapé de buitenlucht genoten, dan op de vierkante, houten, groengeverfde, expresselijk daartoe vervaardigde tuinstoelen der voorvaderen.
Tusschen deze elegante villa’s gingen de vrienden voort, en hadden door de geopende ramen en deuren het gezigt in prachtig verlichte zalen; want onder de Engelsche natuurbedervers zijn zelfs aterlingen, die niet elken avond tot 10 ure schemeren. Het meest echter rustte hunne aandacht op de zaal van het grooteHôtelGarnivan Colbert, niet zoo zeer om de pracht van het vertrek, als wel om eene der personen, die er zich op dien oogenblik in bevonden. Het was een jong meisje van misschien 18 of 20 jaren, een dier wezens, waaraan de natuur meer moeite schijnt ten koste gelegd te hebben dan aan vijftig anderen, maar zeker onder alle schoonen de schoonste. Heath heeft zijnBook of Beautyeenige jaren geleden met haar portret versierd, en men zou moeijelijk eenen schoonheidskenner vinden, die het niet boven al de ideale kopjes stelde, die in dat werk gevonden worden. Voor iemand, die een afkeer heeft van een rijkdom van donkere lokken, die over een sneeuwwit gelaat hare schaduw werpen, van heldere, teedere, donkerblaauwe oogen, van geestig gevormde lippen, van fijne en tevens volle ronde vormen, en van dergelijke zaken meer, had zij misschien weinig aantrekkelijks. Onze vrienden behoorden niet tot dezulken; zij toonden dit, door op de plaats, waar zij haar zagen, als vastgenageld te blijven staan, en vonden geen termen om hunne verrukking uit te drukken. Gelukkig was voor hen de duisternis, waarin zij zich bevonden, en het heldere licht, dat de schoone omgaf; anders twijfelen wij, of zij wel zoo lang ongestoord zouden hebben genoten. In het eind vond Pols het gepast, zijn hart in deze woorden lucht te geven: “Kijk, ikben geen meisjesgek; maar om zoo’n engel zou ik in staat zijn eene dwaasheid te begaan.”
“Zij rappeleert mij volkomen een meisje,” zei de doctor met de hazenlip, “dat wij te Zurich in het ziekenhuis hebben gehad.”
“Juist,” zei zijn confrater met de kale kruin: “die meid van den vischkooper; behalve dat die een weinig scheel keek.”
“Ja wel,” zei de derde collega: “ze is immers nog aan de pokken gestorven. Weet je nog wel, hoe zwart zij op het laatst zag?”
De herinneringen, die het zien dezer schoonheid bij demediciopwekten, werkten uit, dat de vrienden, om verdere dergelijke aanmerkingen te ontwijken, met snellen tred voortstapten; vooral scheen Van Aartheim door hun discours gekwetst, schoon hij het verst van het raam was verwijderd geweest, en de minste aandacht aan de schoone scheen te schenken. Ook Pols verliet eindelijk de plaats; maar juist toen hij zich wilde verwijderen, zag hij een heer tot de dame naderen, en zich vertrouwelijk naast haar nederzetten.
Hoe groot was zijne verbazing en schrik, toen hij in dien heer den vreeselijken en gevreesden Lurgrave herkende! Haastig volgde hij de vrienden, en besloot van zijne ontdekking niets meê te deelen, maar een wakend oog over Torteltak te houden; want op eens stond hem weêr het discours bij den leeuw te Lucern voor den geest.
Het kostte het zestal veel moeite in het drukbezochte Interlaken onder dak te komen; eindelijk installeerden zij zich in hetPension Baud, waar zij zich wel zouden moeten behelpen, maar toch dien nachtlogiskonden krijgen. De drie doctoren moesten hen evenwel verlaten. Zij namen nog in den laten avond een rijtuig aan naar Thun, waar zij den volgenden dag een vergelijkend examen voor het stads doctoraat moesten ondergaan. Te dien einde hadmen daar gezorgd, dat drie policiebedienden, door veel op togten te staan, catarrhale koortsen hadden gekregen, en had men drie gevangenen aangezegd, dat zij zich tegen den volgenden morgen prepareren moesten, om hun regterbeen te verliezen. Later werd door de vrienden vernomen, dat demedicusmet de hazenlip met den post begunstigd was, omdat hij in tien minuten een diender aan het vomeren gekregen had, en in zestien en een halve minuut het been eens misdadigers boven de knieschijf had geamputeerd.
In hetPension Baudwerd het overige van den avond niet al te vrolijk doorgebragt. Pols maakte groote haast om de vrienden naar bed te krijgen, en droeg vooral zorg, dat niemand hunner meer buiten de deur kwam. Toen allen naar hunne kamers waren, ging hij zelf nog eens op straat zien, of alles veilig was. Misschien was het zijne vrees, of misschien dat werkelijk iemand zich bewoog,—hij meende in de verte een man te ontdekken, die het huis bespiedde.
“Ziet gij daar niets?” vroeg hij den kastelein, die ook voor de deur stond.
“Neen; waar moest dat iets wezen?” vroeg deze.
“Ik dacht dat ik wat boven dat jonge hout zag uitsteken.”
“Ik zie niets dan den top van de Jungfrau,” zei de kastelein.
“O, is het maar eenJungfrau” zei Pols, “dan is het niets; ik dacht dat het een heer was.”
Toen den volgenden morgen de vrienden zich aan het ontbijt verzamelden, ontbrak Van Aartheim. Zij wachtten lang, maar informeerden eindelijk bij denKellner. Deze berigtte hun, dat die heer nog laat in den avond vertrokken was, en een briefje voor den Heer Torteltak had achtergelaten. Dit briefje behelsde, dat hij zich genoodzaakt zag, hen voor eenigen tijd te verlaten, om redenenvoor hem van het grootste gewigt, maar dat hij hun spoedig nader bericht zou doen toekomen.
De reisgenooten zagen elkander verbaasd aan, maar nog meer, toen weldra het gerucht hun ter ooren kwam, dat dien nacht de schooneMissCleford hetHôtelGarnivan Colbert had verlaten, en met een Engelschman en een Hollander was doorgegaan.
“Dat had ik toch nooit achter Van Aartheim gezocht,” zei Pols verontwaardigd.
“Ik wist niet, dat men met dat meisje door kon gaan,” zei Torteltak peinzend.
“Die kunsten heeft hij den ridder van den Hasliberg afgezien,” grinnikte Veervlug.
“Ik hield veel van Van Aartheim,” zei De Morder; “maar ik dacht toch altijd wel, dat hij het beroerd zou laten liggen.”
Holstaff bragt zuchtend iets over het zedebederf der eeuw te berde.
“Komaan,” zei Pols eindelijk, “het is niet anders. Wij moeten nu maar zien, dat wij te Bern komen. Maar daar wij verder niet zullen dwalen, konden wij, dunkt mij, hier wel met Stadler afrekenen.
Deze evenwel verzocht de reis uit liefhebberij meê te mogen maken. De vrienden vonden dit heel aardig van hem; maar minder beviel het hun, dat hij te Bern voor deze liefhebberij een dag geleide en een dag retour in rekening bragt.
Het geleide te Bern.Het geleide te Bern.
Het geleide te Bern.
Hoofdstuk XXI.Geeft de redenen op, waarom voor Polsbroekerwoud en zijne vrienden het verblijf te Bern geene aangename souvenirs heeft achtergelaten.De geruchten, die ’s morgens te Interlaken in omloop waren geweest, datMissCleford door Lurgrave en Van Aartheim was geschaakt, waren wat den laatsten betreft misschien gegrond, maar de eerste was er tot zijne groote wanhoop volkomen onschuldig aan. Niet voor in den morgen had de Engelschman het geval vernomen; en de natuurlijke wijze, waar hij zijne woede in vloeken en verwenschingen openbaarde, en de haast, waarmede hij in eene postchais vertrok, om de vlugtenden te achterhalen, deden vermoeden dat, zoo hij eenigzins in het geval betrokken was, hij zich dan met de rol vandupemoest vergenoegen.In weinige uren had Lurgrave Bern bereikt; doch daar het voortvlugtige paar bijna zes uren op hem vooruit had, en hij volstrekt niet wist, welken kant zij heengegaan waren, behoefde het hem niet te verwonderen, dat zij hem niet dadelijk bij zijne intrede in die stad onder de oogen kwamen. Hij vond het evenwel naar den staat der zaken behoorlijk steeds woedend te blijven, en zich in dollen ijver tot de policie te wenden, om Van Aartheim, die hem zijne nicht en pupil,MissCleford, had ontvoerd, te doen gevangennemen, schoon deze waarschijnlijk het Bernsche territoir reeds uren ver achter zich gelaten had; en om tevens vijf Hollandsche heeren, die nog dien dag in de stad zouden aankomen, als medepligtigen aan dat feit te doen arresteren.Ten gevolge hiervan genoten onze vrienden te Bern eene eer, die hun nog nergens was te beurt gevallen. Van hooger hand waren terstond toebereidselen gemaakt om hen naar behooren te recipiëren; en toen zij nu aan dePorte d’en basgekomen waren, en hunne paspoorten hadden overgelegd, vonden zij twee policiebeambten gereed om hen naar hun hotel te geleiden, terwijl een derde van hunne aankomst aan de overheid berigt ging brengen.Met bevreemding sloeg het vijftal, gewoon om bijna onopgemerkt in de Zwitsersche steden aan te komen, al de beleefdheden gade, waarvan zij de voorwerpen waren.“Neemt men omtrent alle vreemdelingen deze formaliteiten in acht?” vroeg Veervlug aan een hunner geleiders.“Volstrekt niet,” antwoordde deze; “maar omtrent ulieden zijn ons buitengewone orders gegeven.”“Het is zeker een misverstand,” fluisterde Pols Torteltak in; “zij houden ons vast voor vermomde Hertogen en Prinsen.”Deze merkte evenwel in de policiebeambten, schoon in zeer versleten lichtblaauw uniform gekleed en met dikke knuppels gewapend, weinig op, dat hem aan eene eerewacht deed denken; en ook de blikken, die de steeds aangroeijende volksmenigte op hen wierp, schenen iets anders uit te drukken, dan de opgewondenheid en toejuiching, die het gemeen gewoonlijk aan Prinsen en Vorsten, hetzij inlandsche of vreemde, met vreugde ten koste legt.Tot dusverre was deze deftige ontvangst evenwel niet onaangenaam; want behalve dat onzen vrienden de moeite bespaard werd om den weg naar hetHôtel du Fauconte vragen, werden zij in de gelegenheid gesteld om met ééncoup d’oeuileen groot gedeelte van de Bernsche bevolking te zien; maar toen zij nu in het hotel waren aangekomen, en zich voorstelden, zonder al die getuigen op hun eigen gelegenheid een wandeling door de stad te gaan maken, contrarieerde het hen eenigzins dat de geleiders hen verzochteneerst het bezoek van den Policie-Commissaris af te wachten.Dit bezoek kwam spoedig. Een donkerblaauw heer, die aan de natuur en aan zijne ouders één been te danken had, en aan de kunst van zijn oom, een talentvol timmerman, het andere, strompelde de kamer in; zijne zijde was versierd met een degen, zijne hand gewapend met een stok, waarvan de knop een beer voorstelde, en, naar de uitgewerktheid van het kunststuk te oordeelen, een zoodanige, tot welks fatsoenering de moederlijke tong nog weinig heeft bijgedragen De eigenaar van dit alles haastte zich een stoel te bereiken, zijne leden, zoover zij daarvoor vatbaar waren, tot zitten te buigen, en het kunstproduct zijns ooms onder de tafel te wringen.“Mag ik vragen,” zei Polsbroekerwoud, wiens verbazing hoe langer hoe grooter werd, “mag ik vragen, waaraan wij de eer...”“Accoord,” antwoordde de Commissaris; “maar niemand heeft hier iets te vragen dan ik.”En terwijl hij dit zeide, ontvouwde hij eenige papieren, waaronder zich ook de reispassen der vrienden bevonden; en een er van in handen nemende, riep hij: “Wie uwer is Eduard van Torteltak?”“Die ben ik,” zei deze.“Dan zult gij mij op de volgende vragen zonder omwegen en zonder terughouding antwoorden. Hoe heet gij?”“Wel, Eduard van Torteltak, denk ik.”“Dat is een ontwijkend antwoord, maar dat misschien veel licht over de zaak zal verspreiden. Hoe oud zijt gij?”“Drieëntwintig jaren.”“Nog zoo jong,” riep de Commissaris verontwaardigd uit, “en dan al medepligtig aan een schelmstuk, dat naauwelijks in een oud afgeleefd man moest opkomen!”“Mijnheer! ik verzoek explicatie van zulke beleedigende uitdrukkingen.”“Accoord, Mijnheer! maar ik heb hier geen explicatie te geven. Van waar zijt gij dezen morgen gekomen?”“Van Interlaken,” antwoordde Torteltak met verkropte woede.“Accoord,” zei de Commissaris; “dat verspreidt licht over de zaak.”Successivelijk werden al de vrienden één voor één opgeroepen, om hunnen naam, ouderdom en laatste nachtkwartier op te geven, en de Commissaris, die alles naauwkeurig opteekende, merkte aan, dat de zaak hoe langer hoe meer helderheid verkreeg. Eindelijk stond hij op, verklaarde het verhoor afgeloopen, en haalde uit zijne papieren een tarief, krachtens hetwelk ieder der heeren genoodzaakt was hem 1 franc en 4 Batzen voor zijn onderhoudend gezelschap te betalen. De vrienden bragten hiertegen maar niet veel in, daar zij hoopten, dat hiermede de zaak aan een einde zoude zijn. Maar helaas! voordat de Commissaris vertrok, gaf hij den policiebeambten de uitdrukkelijke order, om niemand der arrestanten een minuut uit het oog te verliezen, en te zorgen, dat geen hunner het hotel verliet.“Dat wordt te erg!” riep Veervlug, zich tusschen den Commissaris en de deur plaatsende. “Ik zeg u, Mijnheer, dat wij zulk eene willekeurige manier van handelen moede zijn, en dat wij, zonder ons verder aan deze hemelsblaauwe verklikkers te storen, onzen weg zullen gaan.”“Accoord,” zei de ambtenaar; “dat zou licht in de zaak geven.” En zich tot de policiedienaars wendende, voegde hij er bij: “Zoodra een hunner oproerig wordt, zendt gij om assistentie, en wij zullen hen naar hetBlauhaustransporteren.”Deze uitspraak van den Commissaris verspreidde zooveel licht over de treurige omstandigheden, waarin onze vrienden zich bevonden, dat zij elkander wanhopig begonnen aan te zien; want hetBlauhauste Bern, dit wisten zij, heeft wonderlijk veel overeenkomst met hetgeen men eldersspin-, rasp-, tucht- of in het algemeen correctioneel gevangen-huis noemt.Wanneer men op reis, door slecht weer, of door gescheurde kleeren, of door gekwetste voeten, of door andere dergelijke dikwijls voorkomende omstandigheden, genoodzaakt is een ganschen namiddag en avond in zijn logement door te brengen, en men heeft geene brieven naar huis te schrijven,—als dan het tarief der comestibles en de prijscourant der wijnen grondig bestudeerd zijn, de uren van het vertrek van diligences en stoombooten meermalen zijn nagezien, de vreemde couranten herhaalde reizen zijn doorgeloopen, de verteringen van den laatsten dag naauwkeurig zijn opgeteekend,—dan weet men al niet veel bijzonders meer te doen, dan zijn naam op de glasruiten te snijden, met de voeten de zandfiguurtjes op den vloer te derangeren, of zich door andere dergelijke opwekkende amusementen den tijd te korten. Dan komt dikwijls bij den reiziger voor plaisir de vraag op, waarom hij zich nu niet liever in zijn gezellig studeervertrek, of in zijn nog gezelliger familiekring kan bewegen; dan vergeet hij somtijds al de genoegens, die hij reeds op zijne togten gesmaakt heeft, en die hem nog wachten, en komt hij langzamerhand tot de overtuiging, dat een booze daemon de eerste uitvinder van het reizen is, om ongelukkige stervelingen van verveling en heimwee te doen omkomen.In een toestand, aan dezen grenzende, bevonden zich Pols en zijne vrienden in hetHôtel du Fauconte Bern. En was het wonder? Waren zij niet de treurigste slagtoffers van hunnen reislust? Verleid door de voorstelling van verscheiden weken, door geen enkele zorg gekweld, in volkomen ongestoorde vrijheid, niets dan genot te smaken, hadden zij den togt aanvaard. Helaas! hoe verschillend van deze voorstelling was de uitkomst? Moesten zij daarom smarten gevoeld, ongemakken verdragen, gevaren getrotseerd hebben, om eindelijk honderde mijlen van hunnewoning hunne vrijheid te verliezen, als gevangenen te zuchten, en misschien als veroordeelden in eenen kerker te verkwijnen? En dat alles onschuldig!“Waren wij ons maar van eenig misdrijf bewust,” riep Pols uit; “dan zou die pijnigende onzekerheid ons zoo niet kwellen.”“Maar ik geloof niet, dat die bewustheid ons veel geruster zou maken,” merkte Torteltak aan.“Wij zijn slagtoffers van een schandelijk verraad,” troostte zich De Morder.“Als onze betrekkingen in Holland het hooren, treuren zij zich dood,” wond Holstaff zich op.“De receptie van die Bernsche Beeren laat veel te wenschen over,” zei Veervlug, die door dit gezegde weêr een weinig vrolijker werd.In deze en dergelijke uitroepingen werd het eerste uur na het vertrek van den Policie Commissaris doorgebragt.“Ik moet toch eens zien, dat ik er achter kom,” zei Pols, en zich daarom tot een der bewakers wendende, die standvastig bij de deur post hielden, stopte hij hem twee Zwitsersche francs in de hand. “Daar, vriend! dat is voor u.”“Dankje wel, Mijnheer!” zei de vriend.“Maar zeg mij nu eens, wat is de reden, dat wij hier gevangen moeten blijven?”“Ik kan u op mijn woord verklaren, dat ik er niets van weet,” was het antwoord.Pols had dus de satisfactie, voor omtrent negenentwintig stuivers Hollandsch te vernemen, dat de policiedienaar even weinig van de zaak begreep als hij.“Als Mijnheer het mij gevraagd had,” zei de andere wachter vrij luid tot zijn confrater, “dan....“Wat dan?” vroeg De Morder driftig, terwijl hij de handgreep met de francs, die hij van Pols bespied had, navolgde.“Dan zou ik den heeren hetzelfde antwoord hebbenmoeten geven,” zei de wachter, terwijl hij dankbaar het geld opstak; “maar ik heb anders ook nog wel gemerkt, dat het niet gemakkelijk met u zal afloopen; ik heb al hooren praten van hetSchallenwerk.”De Morder vernam dus meer voor zijn geld dan Pols, vooral toen de vriendelijke policiedienaar door de verklaring van het woordSchallenwerk, als synoniem metdwangarbeid, nog eenig meerder licht over de zaak verspreidde.Deze mededeeling gaf aanleiding tot nieuwe aanmerkingen, te veel om op te noemen, en misschien zouden zij zich dien avond doodgetreurd hebben, zoo niet Torteltak uit voorzigtigheid drie flesschen wijn en twee spellen kaarten had doen aanrukken. Beide deze troostgronden vonden tamelijk goeden ingang bij de gevangenen, en menig potjecommercewerd door menige flesch Neuchateller vervrolijkt. Tamelijk opgewonden gingen zij naar bed, en sommigen hunner merkten niet eens, dat de onbezweken trouwe wachters de deuren hunner slaapkamers achter hen afsloten.Den volgenden morgen ten negen ure kwam er eene aanschrijving van den Policie-Commissaris, ten gevolge waarvan zijne beambten de vrienden uitnoodigden tot eene wandeling naar deRathhausplatz, om eene contra-visite aan den vriendelijken bezoeker van gisteren te brengen.De zaal in hetRathhauste Bern, waar Schout en Vennerheeren van den kleinen Raad zich met civile, correctionele en criminele affaires bezig houden, heeft nog al overeenkomst met vele andere geregtszalen. Boven den schoorsteen staat een geblinddoekte juffrouw met weegschalen, waarin niet altijd gewogen wordt; links en regts van haar hangen schilderijen, waarop Salomo en Brutus op de meest gebruikelijke wijze worden voorgesteld. Dit standbeeld en deze afbeeldingen zijn zoodanig geplaatst, dat zij den delinquenten terstond in het oog vallen en met schrik vervullen, en tevens geen invloed kunnen uitoefenenop de uitspraak der regters, voor wie zij door de hooge ruggen hunner gestoelten verborgen zijn. Deze daarentegen hebben vlak het gezigt op eene groote klok, opdat ze, in de drukte hunner bezigheden, nooit het etensuur vergeten mogen. Voorts ligt op het groene kleed der tafel voor ieder gestoelte eene massa wit papier, dat altijd zuiver blijft, en eenige versneden pennen, die nooit met inkt bemorst worden.Een balie scheidt dit gedeelte der zaal af van een kleine tusschenruimte, voor het publiek afgezonderd, en waarin tien à twaalf personen op elkaêr kunnen worden gepakt.Voordat het evenwel onzen vrienden vrijstond, al deze merkwaardigheden in oogenschouw te nemen, moesten zij twee en een half uur in de kamer der aangeklaagden vertoeven, een klein afgeschoten hokje, waarin nooit zon of maan indiscrete blikken kan werpen, en dat overigens een allergeschiktst vertrek is voor die soort van zieken, welke zich van frissche en gezonde lucht moet menageren.Het was dus voor allen eene aangename boodschap, toen het berigt kwam, dat de Raad voltallig was, en de aangeklaagden voor moesten komen. Kalm en onverschrokken, gerust op hunne onschuld, traden zij de zaal binnen, en geen hunner beefde terug voor de tabbaarden van den ouden Schout en de jonge Vennerheeren, schoon daaruit diepe doordringende blikken op de misdadigers te voorschijn kwamen.Het begin van dit verhoor had veel van het vroegere. De Schout begon weêr te vragen: “Joachim Polsbroekerwoud, hoe is uw naam? Hoe oud zijt gij? Van waar kwaamt gij gisteren alhier aan?” en zoo voorts met al de aangeklaagden. Tusschen ieder dezer vragen vond de President het evenwel noodig, eens te kugchen en omtrent de inkleeding der volgende vraag zijnen buurman, een der jonge Vennerheeren, te raadplegen, iets dat daarom geschiedde, zoo als de vrienden later vernamen, omdat de tachtigjarige Schout aan eene volkomene memorieloosheidlaboreerde. Zijn mederegter aan de andere zijde hield zich intusschen onledig met zijn repetitiehorlogie, dat driemaal in elke vijf minuten aan de geheele vergadering verkondigde, hoe laat het eigenlijk was.Toen deze allergewigtigste vragen tot aller genoegen beantwoord waren, wees de buurman den President, dat hij zich tot den Policie Commissaris moest wenden, waarop Zijn Ed. Achtb. de vraag uitbragt: “Werner Birnbaum, hoe is uw naam?” maar, terstond door gemelden buurman nader ingelicht, zijne vraag veranderde in: “Welke zijn uwe rapporten omtrent de arrestanten?”Deze diende hierop een verslag in, hoe op Maandag den 24stenJuli A. D. 1837, na de stichting van Bern het 646ste, des namiddags ten half vier ure, door de poort van Solothurn, of, gelijk zij thans genoemd werd,la Porte d’en bas, in de stad Bern waren binnengekomen vijf personen, welker namen blijkens hunne paspoorten waren, enz.Hoe hij, Werner Birnbaum, eerste Commissaris van Policie van Bern,PréfectureBern,Division du centre,Canton Bern, nadat hem hunne paspoorten waren overgeleverd, zich begeven had naar hetHôtel du Fauconin deRue des Juifs, waarheen zijne beambten gemelde personen hadden geleid, enz.De slotsom zijner berigten was, dat voor het grootste gedeelte de mondelinge verklaringen der arrestanten omtrent namen en ouderdom overeenkwamen met hetgeen dienaangaande op hunne passen was aangeteekend, met uitzondering evenwel van de verklaring van Eduard van Torteltak, die omtrent zijn naam onzeker scheen, en Joachim Polsbroekerwoud, die voor zijn ouderdom 35 jaren had opgegeven, terwijl hij op zijn pas slechts 34 jaren had bereikt;—dat, wat de signalementen betrof, alles in orde was, behalve dat bij designes particuliersop de pas van August Holstaff geen melding gemaakt wordt van de naden, die, gelijk Schout en Vennerheeren zichzelve konden overtuigen,zijn gelaat versierden. Dat hij voorts aan den Raad in bedenking gaf, of de paspoorten op zichzelve wel geldig waren als Hollandsche paspoorten, omdat er geen enkel woord Hollandsch in te lezen stond.De Regter met het repetitie-horlogie, dat gedurende dit verslag achtentwintig malen geslagen had, proponeerde, om de zaak te bespoedigen, deze kleine verschillen over het hoofd te zien, daar de stukken op de Bureaux van Buitenlandsche zaken zelden met zulk eene nauwkeurigheid werden bewerkt, dat zij het examen van een Policie-Commissaris konden doorstaan. Wat de taal betrof, waarin de stukken waren opgesteld, hij kon verzekeren, dat het Fransch in Holland de algemeen gebruikelijke taal was, en dat slechts door het gemeen en in enkele landprovinciën eenpatoisgesproken werd, waarin misschien nog sporen van hetgeen men vroeger de Hollandsche taal noemde, te ontdekken waren.Deze juiste wederlegging werd door al de regters als voldoende aangenomen, tot groote wanhoop van den Policie-Commissaris, die al het licht, dat hij over de zaak verspreid had, plotseling in dikke duisternis zag veranderen, en daar zijne werkzaamheden in deze zaak afgedaan schenen, naar huis strompelde, waar hij zijn houten been, stok en andereinsigniatot nader order in de kast wegsloot.De vijf arrestanten en ook de Schout begonnen te hopen, dat nu ook hunne taak was afgedaan, toen de laatste op nieuw aan zijnen tabbaard werd getrokken en den Procureur van den raad verzoeken moest, de eigenlijke beschuldiging voor te dragen.Hierop stond een lang, bleek menschenhater van zijnen zetel op, en sprak eene soort van verhandeling uit, waarin hij aantoonde, dat de verdorvenheid des menschdoms zich openbaarde in het plegen van gruwelen en misdaden; dat naarmate die verdorvenheid toenam, ook het getal dier gruwelen en misdaden aanwies; dat de geschiedenis vanoudere en nieuwere tijden deze stelling door voorbeelden kon staven; dat onder de misdrijven, het meest in gebruik eerste plaatsen toekwamen aan moord, diefstal en vrouwenroof; en dat degenen, die zich op deze gruwelen toelegden, gezegd konden worden tot het slechtste gedeelte van het menschdom te behooren; dat hij met het diepste leedwezen, ja zelfs met afgrijzen ontdekt had, dat van de laatstgenoemde dier gruwelen hier de quaestie was; en dat hij zich met innige droefheid gedrongen zag te verklaren, dat de naamlijst der vreemdelingen, die Zwitserland tot het tooneel dezer menschonteerende handelingen hadden verkozen, met de namen van Van Aartheim en zijne medepligtigen stond vergroot te worden.Hierop legde hij de aanklagt bloot vanSirWilliam Lurgrave, tegen den voortvlugtigen schaker en de arrestanten hier tegenwoordig, wier medepligtigheid nog wel niet ten volle bewezen was, maar, door gemis aan directe bewijzen van het tegendeel, zeer waarschijnlijk werd; en hij besloot zijne rede met te betoogen, dat de eenige voldoende en het kwaad in den grond weerende straf de doodstraf was, blijkens de voorbeelden der Heeren Von Schwanau en Wolfenschiess, die, in vroeger eeuw door de jongelingen van Art en door den beleedigden Conrad von Baumgarten omgebragt, zich later nooit meer aan dergelijke gruwelen te buiten gingen; maar daar de wet, in hare veroordeelenswaardige zachtheid en kwaadaanmoedigende laxiteit, zulk eene straf voor de genoemde misdaad niet toestond, hij zich vergenoegen moest met den eisch tegen de vijf gedaagden, hier tegenwoordig van eene gevangenisstraf van 20 jaren en eene geldboete van 1000francs.Nadat de lange heer zijn gemoed in deze lieve oratie had lucht gegeven, nam hij zijne plaats aan de groene tafel weêr in, en de Schout, die zich weêr aan den tabbaard voelde trekken, bragt de vraag in het midden, of men nu niet tot het condemneren zou overgaan. Zijnbuurman met het repetitie-horlogie vond het niet kwaad, mits het spoedig geschiedde, daar het uur verliep en hij dien middag visch moest eten. Een der andere Vennerheeren evenwel maakte ZEd. Achtb. opmerkzaam, dat het niet direct met de wet zou strijden, indien men vooraf den gedaagden gelegenheid gaf, om hunne verontschuldigingen voor te brengen.De verbazing, waarin al, wat zij gezien en gehoord hadden, de vrienden gedompeld had, maakte het hun in den beginne moeielijk een woord te uiten. In het eind stond Veervlug, door zijne betrekking den loop van regtszaken eenigzins begrijpende, op, en maakte in weinige woorden aan den Raad bekend, dat zij niet alleen niet medepligtig aan, maar zelfs geheel onkundig van het feit waren, aan Van Aartheim ten laste gelegd; dat een zijner vrienden een briefje van dien heer had, hetwelk misschien de regters zou kunnen overtuigen, maar dat hij in allen geval eischte, dat de aanklager zijne bewijzen tegen hen aanvoerde.Hierop nam de procureur het briefje van Torteltak in handen, hetwelk hij verklaarde nooità déchargete kunnen getuigen, als in eene taal geschreven, die niemand der regters verstond, maar veeleer de suspicie tegen hen scheen te versterken, daar voor de handteekening de zeer verdachte letters T. T. gelezen werden. De Vennerheer naast den Schout vond het laatste verzoek van Veervlug, om de bewijzen van den aanklager te hooren, evenwel zeer billijk, en stelde daarop de gewone manoeuvre bij ZEd. Achtb. buurman in het werk, waarop deze een beambte gelastte, den aanklager William Lurgrave te ontbieden.De beambte kwam spoedig terug met het berigt, dat gemelde heer niet meer in hetHôtel de la Couronnete vinden was; en daar de heer met het repetitie-horlogie den Schout bij zich ten eten verzocht had, verklaarde de laatste de vergadering gesloten en geadjourneerd totmorgen ten negen ure, hetwelk in de taal der ingewijden beteekent tusschen half twaalf en twaalven.De arrestanten hadden verlof naar hunne kamer in hetHôtel du Fauconterug te keeren, waar zij dien avond, in plaats vancommerce,treizespeelden, en Champagne in plaats van Neuchateller dronken. Daar is niets, dat den mensch zoo debaucheert, als geforceerd arrest.De tweede zitting had den volgenden morgen in dezelfde zaal en op hetzelfde uur plaats. Maar de leden van den kleinen Raad te Bern waren heden in pijnlijke onzekerheid. De aanklager was nergens meer te vinden, en de kastelein uitde Kroonhad verklaard, dat hij zijne rekening had betaald en was voortgereisd. Toen dus de arrestanten weêr binnenkwamen, drong de Schout in het eerst aan op eene spoedige bekentenis, maar zag daar spoedig van af, omdat de beschuldigden niets te bekennen hadden. Wederom trok zijn buurman aan den tabbaard, en na het gewoonlijk daarop volgende consult, verzocht de Schout met luider stemme den Procureur tot de strikvragen over te gaan. Deze vroeg hierop, met doordringende blikken de arrestanten aanziende, welke de kleur was der japon, dieMissCleford aan had, toen zij geschaakt werd; hoeveel paarden er voor de postchais stonden, waarin de vlugtelingen waren vertrokken; met welke hand Van Aartheim haar in het rijtuig had geholpen, enz. De vrienden ontkwamen gelukkig uit al deze listig gesponnen valstrikken, en de regters begonnen zich zeer weinig op hun gemak te gevoelen.Zij maakten dus gebruik van den in die positie noodigen en gebruikelijken maatregel. De arrestanten moesten buiten staan.De uitslag der beraadslagingen van Schout en Vennerheeren kwam hierop neêr:“De kleine Raad, etc.Overwegende, dat de aanklager zijne beschuldiging nietmet bewijzen gestaafd heeft, maar heimelijk is vertrokken;“Verklaart hem buiten eisch gesteld.“Overwegende verder, dat de aangeklaagden niet van medepligtigheid, hun ten laste gelegd, kunnen beschuldigd worden;“Verklaart hen van beschuldiging ontheven.“Edoch: de Raad overwegende, dat een der partijen de kosten van het proces moet betalen;“Dat degene, ten wiens laste zij moesten komen, door af te reizen, zich aan die betaling heeft onttrokken;“Is genoodzaakt van de andere partij de kosten te eischen.“Maar tevens overwegende, dat de wet niet toestaat de kosten te eischen, dan van de partij, ten wiens nadeele het vonnis geveld is;“Overwegende, dat de aangeklaagden, door vroeger in betrekking te hebben gestaan tot den vermoedelijke schuldige, den schijn des kwaads tegen zich hebben;“Echter in aanmerking nemende, dat zij, volkomen onschuldig schijnende, ligt dienen te worden gestraft;“Veroordeelt hen tot eene geldboete van 5 Batzen, en alzoo ook tot betaling der kosten.”De vrienden betaalden met vreugd de boete, en ook met bereidwilligheid, schoon niet met vreugd, de kosten, ten bedrage van 176 Zwitsersche francs en 7½ Batzen.Het was geen half uur later, toen Joachim Polsbroekerwoud en zijne vrienden de stad Bern verlieten, en zij zouden misschien in wanhoop terstond naar Holland zijn teruggekeerd, zoo zij niet bemerkt hadden, dat zij deBarrière de Moratwaren uitgegaan, en den weg naar Friburg waren ingeslagen.
Geeft de redenen op, waarom voor Polsbroekerwoud en zijne vrienden het verblijf te Bern geene aangename souvenirs heeft achtergelaten.
Geeft de redenen op, waarom voor Polsbroekerwoud en zijne vrienden het verblijf te Bern geene aangename souvenirs heeft achtergelaten.
De geruchten, die ’s morgens te Interlaken in omloop waren geweest, datMissCleford door Lurgrave en Van Aartheim was geschaakt, waren wat den laatsten betreft misschien gegrond, maar de eerste was er tot zijne groote wanhoop volkomen onschuldig aan. Niet voor in den morgen had de Engelschman het geval vernomen; en de natuurlijke wijze, waar hij zijne woede in vloeken en verwenschingen openbaarde, en de haast, waarmede hij in eene postchais vertrok, om de vlugtenden te achterhalen, deden vermoeden dat, zoo hij eenigzins in het geval betrokken was, hij zich dan met de rol vandupemoest vergenoegen.
In weinige uren had Lurgrave Bern bereikt; doch daar het voortvlugtige paar bijna zes uren op hem vooruit had, en hij volstrekt niet wist, welken kant zij heengegaan waren, behoefde het hem niet te verwonderen, dat zij hem niet dadelijk bij zijne intrede in die stad onder de oogen kwamen. Hij vond het evenwel naar den staat der zaken behoorlijk steeds woedend te blijven, en zich in dollen ijver tot de policie te wenden, om Van Aartheim, die hem zijne nicht en pupil,MissCleford, had ontvoerd, te doen gevangennemen, schoon deze waarschijnlijk het Bernsche territoir reeds uren ver achter zich gelaten had; en om tevens vijf Hollandsche heeren, die nog dien dag in de stad zouden aankomen, als medepligtigen aan dat feit te doen arresteren.
Ten gevolge hiervan genoten onze vrienden te Bern eene eer, die hun nog nergens was te beurt gevallen. Van hooger hand waren terstond toebereidselen gemaakt om hen naar behooren te recipiëren; en toen zij nu aan dePorte d’en basgekomen waren, en hunne paspoorten hadden overgelegd, vonden zij twee policiebeambten gereed om hen naar hun hotel te geleiden, terwijl een derde van hunne aankomst aan de overheid berigt ging brengen.
Met bevreemding sloeg het vijftal, gewoon om bijna onopgemerkt in de Zwitsersche steden aan te komen, al de beleefdheden gade, waarvan zij de voorwerpen waren.
“Neemt men omtrent alle vreemdelingen deze formaliteiten in acht?” vroeg Veervlug aan een hunner geleiders.
“Volstrekt niet,” antwoordde deze; “maar omtrent ulieden zijn ons buitengewone orders gegeven.”
“Het is zeker een misverstand,” fluisterde Pols Torteltak in; “zij houden ons vast voor vermomde Hertogen en Prinsen.”
Deze merkte evenwel in de policiebeambten, schoon in zeer versleten lichtblaauw uniform gekleed en met dikke knuppels gewapend, weinig op, dat hem aan eene eerewacht deed denken; en ook de blikken, die de steeds aangroeijende volksmenigte op hen wierp, schenen iets anders uit te drukken, dan de opgewondenheid en toejuiching, die het gemeen gewoonlijk aan Prinsen en Vorsten, hetzij inlandsche of vreemde, met vreugde ten koste legt.
Tot dusverre was deze deftige ontvangst evenwel niet onaangenaam; want behalve dat onzen vrienden de moeite bespaard werd om den weg naar hetHôtel du Fauconte vragen, werden zij in de gelegenheid gesteld om met ééncoup d’oeuileen groot gedeelte van de Bernsche bevolking te zien; maar toen zij nu in het hotel waren aangekomen, en zich voorstelden, zonder al die getuigen op hun eigen gelegenheid een wandeling door de stad te gaan maken, contrarieerde het hen eenigzins dat de geleiders hen verzochteneerst het bezoek van den Policie-Commissaris af te wachten.
Dit bezoek kwam spoedig. Een donkerblaauw heer, die aan de natuur en aan zijne ouders één been te danken had, en aan de kunst van zijn oom, een talentvol timmerman, het andere, strompelde de kamer in; zijne zijde was versierd met een degen, zijne hand gewapend met een stok, waarvan de knop een beer voorstelde, en, naar de uitgewerktheid van het kunststuk te oordeelen, een zoodanige, tot welks fatsoenering de moederlijke tong nog weinig heeft bijgedragen De eigenaar van dit alles haastte zich een stoel te bereiken, zijne leden, zoover zij daarvoor vatbaar waren, tot zitten te buigen, en het kunstproduct zijns ooms onder de tafel te wringen.
“Mag ik vragen,” zei Polsbroekerwoud, wiens verbazing hoe langer hoe grooter werd, “mag ik vragen, waaraan wij de eer...”
“Accoord,” antwoordde de Commissaris; “maar niemand heeft hier iets te vragen dan ik.”
En terwijl hij dit zeide, ontvouwde hij eenige papieren, waaronder zich ook de reispassen der vrienden bevonden; en een er van in handen nemende, riep hij: “Wie uwer is Eduard van Torteltak?”
“Die ben ik,” zei deze.
“Dan zult gij mij op de volgende vragen zonder omwegen en zonder terughouding antwoorden. Hoe heet gij?”
“Wel, Eduard van Torteltak, denk ik.”
“Dat is een ontwijkend antwoord, maar dat misschien veel licht over de zaak zal verspreiden. Hoe oud zijt gij?”
“Drieëntwintig jaren.”
“Nog zoo jong,” riep de Commissaris verontwaardigd uit, “en dan al medepligtig aan een schelmstuk, dat naauwelijks in een oud afgeleefd man moest opkomen!”
“Mijnheer! ik verzoek explicatie van zulke beleedigende uitdrukkingen.”
“Accoord, Mijnheer! maar ik heb hier geen explicatie te geven. Van waar zijt gij dezen morgen gekomen?”
“Van Interlaken,” antwoordde Torteltak met verkropte woede.
“Accoord,” zei de Commissaris; “dat verspreidt licht over de zaak.”
Successivelijk werden al de vrienden één voor één opgeroepen, om hunnen naam, ouderdom en laatste nachtkwartier op te geven, en de Commissaris, die alles naauwkeurig opteekende, merkte aan, dat de zaak hoe langer hoe meer helderheid verkreeg. Eindelijk stond hij op, verklaarde het verhoor afgeloopen, en haalde uit zijne papieren een tarief, krachtens hetwelk ieder der heeren genoodzaakt was hem 1 franc en 4 Batzen voor zijn onderhoudend gezelschap te betalen. De vrienden bragten hiertegen maar niet veel in, daar zij hoopten, dat hiermede de zaak aan een einde zoude zijn. Maar helaas! voordat de Commissaris vertrok, gaf hij den policiebeambten de uitdrukkelijke order, om niemand der arrestanten een minuut uit het oog te verliezen, en te zorgen, dat geen hunner het hotel verliet.
“Dat wordt te erg!” riep Veervlug, zich tusschen den Commissaris en de deur plaatsende. “Ik zeg u, Mijnheer, dat wij zulk eene willekeurige manier van handelen moede zijn, en dat wij, zonder ons verder aan deze hemelsblaauwe verklikkers te storen, onzen weg zullen gaan.”
“Accoord,” zei de ambtenaar; “dat zou licht in de zaak geven.” En zich tot de policiedienaars wendende, voegde hij er bij: “Zoodra een hunner oproerig wordt, zendt gij om assistentie, en wij zullen hen naar hetBlauhaustransporteren.”
Deze uitspraak van den Commissaris verspreidde zooveel licht over de treurige omstandigheden, waarin onze vrienden zich bevonden, dat zij elkander wanhopig begonnen aan te zien; want hetBlauhauste Bern, dit wisten zij, heeft wonderlijk veel overeenkomst met hetgeen men eldersspin-, rasp-, tucht- of in het algemeen correctioneel gevangen-huis noemt.
Wanneer men op reis, door slecht weer, of door gescheurde kleeren, of door gekwetste voeten, of door andere dergelijke dikwijls voorkomende omstandigheden, genoodzaakt is een ganschen namiddag en avond in zijn logement door te brengen, en men heeft geene brieven naar huis te schrijven,—als dan het tarief der comestibles en de prijscourant der wijnen grondig bestudeerd zijn, de uren van het vertrek van diligences en stoombooten meermalen zijn nagezien, de vreemde couranten herhaalde reizen zijn doorgeloopen, de verteringen van den laatsten dag naauwkeurig zijn opgeteekend,—dan weet men al niet veel bijzonders meer te doen, dan zijn naam op de glasruiten te snijden, met de voeten de zandfiguurtjes op den vloer te derangeren, of zich door andere dergelijke opwekkende amusementen den tijd te korten. Dan komt dikwijls bij den reiziger voor plaisir de vraag op, waarom hij zich nu niet liever in zijn gezellig studeervertrek, of in zijn nog gezelliger familiekring kan bewegen; dan vergeet hij somtijds al de genoegens, die hij reeds op zijne togten gesmaakt heeft, en die hem nog wachten, en komt hij langzamerhand tot de overtuiging, dat een booze daemon de eerste uitvinder van het reizen is, om ongelukkige stervelingen van verveling en heimwee te doen omkomen.
In een toestand, aan dezen grenzende, bevonden zich Pols en zijne vrienden in hetHôtel du Fauconte Bern. En was het wonder? Waren zij niet de treurigste slagtoffers van hunnen reislust? Verleid door de voorstelling van verscheiden weken, door geen enkele zorg gekweld, in volkomen ongestoorde vrijheid, niets dan genot te smaken, hadden zij den togt aanvaard. Helaas! hoe verschillend van deze voorstelling was de uitkomst? Moesten zij daarom smarten gevoeld, ongemakken verdragen, gevaren getrotseerd hebben, om eindelijk honderde mijlen van hunnewoning hunne vrijheid te verliezen, als gevangenen te zuchten, en misschien als veroordeelden in eenen kerker te verkwijnen? En dat alles onschuldig!
“Waren wij ons maar van eenig misdrijf bewust,” riep Pols uit; “dan zou die pijnigende onzekerheid ons zoo niet kwellen.”
“Maar ik geloof niet, dat die bewustheid ons veel geruster zou maken,” merkte Torteltak aan.
“Wij zijn slagtoffers van een schandelijk verraad,” troostte zich De Morder.
“Als onze betrekkingen in Holland het hooren, treuren zij zich dood,” wond Holstaff zich op.
“De receptie van die Bernsche Beeren laat veel te wenschen over,” zei Veervlug, die door dit gezegde weêr een weinig vrolijker werd.
In deze en dergelijke uitroepingen werd het eerste uur na het vertrek van den Policie Commissaris doorgebragt.
“Ik moet toch eens zien, dat ik er achter kom,” zei Pols, en zich daarom tot een der bewakers wendende, die standvastig bij de deur post hielden, stopte hij hem twee Zwitsersche francs in de hand. “Daar, vriend! dat is voor u.”
“Dankje wel, Mijnheer!” zei de vriend.
“Maar zeg mij nu eens, wat is de reden, dat wij hier gevangen moeten blijven?”
“Ik kan u op mijn woord verklaren, dat ik er niets van weet,” was het antwoord.
Pols had dus de satisfactie, voor omtrent negenentwintig stuivers Hollandsch te vernemen, dat de policiedienaar even weinig van de zaak begreep als hij.
“Als Mijnheer het mij gevraagd had,” zei de andere wachter vrij luid tot zijn confrater, “dan....
“Wat dan?” vroeg De Morder driftig, terwijl hij de handgreep met de francs, die hij van Pols bespied had, navolgde.
“Dan zou ik den heeren hetzelfde antwoord hebbenmoeten geven,” zei de wachter, terwijl hij dankbaar het geld opstak; “maar ik heb anders ook nog wel gemerkt, dat het niet gemakkelijk met u zal afloopen; ik heb al hooren praten van hetSchallenwerk.”
De Morder vernam dus meer voor zijn geld dan Pols, vooral toen de vriendelijke policiedienaar door de verklaring van het woordSchallenwerk, als synoniem metdwangarbeid, nog eenig meerder licht over de zaak verspreidde.
Deze mededeeling gaf aanleiding tot nieuwe aanmerkingen, te veel om op te noemen, en misschien zouden zij zich dien avond doodgetreurd hebben, zoo niet Torteltak uit voorzigtigheid drie flesschen wijn en twee spellen kaarten had doen aanrukken. Beide deze troostgronden vonden tamelijk goeden ingang bij de gevangenen, en menig potjecommercewerd door menige flesch Neuchateller vervrolijkt. Tamelijk opgewonden gingen zij naar bed, en sommigen hunner merkten niet eens, dat de onbezweken trouwe wachters de deuren hunner slaapkamers achter hen afsloten.
Den volgenden morgen ten negen ure kwam er eene aanschrijving van den Policie-Commissaris, ten gevolge waarvan zijne beambten de vrienden uitnoodigden tot eene wandeling naar deRathhausplatz, om eene contra-visite aan den vriendelijken bezoeker van gisteren te brengen.
De zaal in hetRathhauste Bern, waar Schout en Vennerheeren van den kleinen Raad zich met civile, correctionele en criminele affaires bezig houden, heeft nog al overeenkomst met vele andere geregtszalen. Boven den schoorsteen staat een geblinddoekte juffrouw met weegschalen, waarin niet altijd gewogen wordt; links en regts van haar hangen schilderijen, waarop Salomo en Brutus op de meest gebruikelijke wijze worden voorgesteld. Dit standbeeld en deze afbeeldingen zijn zoodanig geplaatst, dat zij den delinquenten terstond in het oog vallen en met schrik vervullen, en tevens geen invloed kunnen uitoefenenop de uitspraak der regters, voor wie zij door de hooge ruggen hunner gestoelten verborgen zijn. Deze daarentegen hebben vlak het gezigt op eene groote klok, opdat ze, in de drukte hunner bezigheden, nooit het etensuur vergeten mogen. Voorts ligt op het groene kleed der tafel voor ieder gestoelte eene massa wit papier, dat altijd zuiver blijft, en eenige versneden pennen, die nooit met inkt bemorst worden.Een balie scheidt dit gedeelte der zaal af van een kleine tusschenruimte, voor het publiek afgezonderd, en waarin tien à twaalf personen op elkaêr kunnen worden gepakt.
Voordat het evenwel onzen vrienden vrijstond, al deze merkwaardigheden in oogenschouw te nemen, moesten zij twee en een half uur in de kamer der aangeklaagden vertoeven, een klein afgeschoten hokje, waarin nooit zon of maan indiscrete blikken kan werpen, en dat overigens een allergeschiktst vertrek is voor die soort van zieken, welke zich van frissche en gezonde lucht moet menageren.
Het was dus voor allen eene aangename boodschap, toen het berigt kwam, dat de Raad voltallig was, en de aangeklaagden voor moesten komen. Kalm en onverschrokken, gerust op hunne onschuld, traden zij de zaal binnen, en geen hunner beefde terug voor de tabbaarden van den ouden Schout en de jonge Vennerheeren, schoon daaruit diepe doordringende blikken op de misdadigers te voorschijn kwamen.
Het begin van dit verhoor had veel van het vroegere. De Schout begon weêr te vragen: “Joachim Polsbroekerwoud, hoe is uw naam? Hoe oud zijt gij? Van waar kwaamt gij gisteren alhier aan?” en zoo voorts met al de aangeklaagden. Tusschen ieder dezer vragen vond de President het evenwel noodig, eens te kugchen en omtrent de inkleeding der volgende vraag zijnen buurman, een der jonge Vennerheeren, te raadplegen, iets dat daarom geschiedde, zoo als de vrienden later vernamen, omdat de tachtigjarige Schout aan eene volkomene memorieloosheidlaboreerde. Zijn mederegter aan de andere zijde hield zich intusschen onledig met zijn repetitiehorlogie, dat driemaal in elke vijf minuten aan de geheele vergadering verkondigde, hoe laat het eigenlijk was.
Toen deze allergewigtigste vragen tot aller genoegen beantwoord waren, wees de buurman den President, dat hij zich tot den Policie Commissaris moest wenden, waarop Zijn Ed. Achtb. de vraag uitbragt: “Werner Birnbaum, hoe is uw naam?” maar, terstond door gemelden buurman nader ingelicht, zijne vraag veranderde in: “Welke zijn uwe rapporten omtrent de arrestanten?”
Deze diende hierop een verslag in, hoe op Maandag den 24stenJuli A. D. 1837, na de stichting van Bern het 646ste, des namiddags ten half vier ure, door de poort van Solothurn, of, gelijk zij thans genoemd werd,la Porte d’en bas, in de stad Bern waren binnengekomen vijf personen, welker namen blijkens hunne paspoorten waren, enz.
Hoe hij, Werner Birnbaum, eerste Commissaris van Policie van Bern,PréfectureBern,Division du centre,Canton Bern, nadat hem hunne paspoorten waren overgeleverd, zich begeven had naar hetHôtel du Fauconin deRue des Juifs, waarheen zijne beambten gemelde personen hadden geleid, enz.
De slotsom zijner berigten was, dat voor het grootste gedeelte de mondelinge verklaringen der arrestanten omtrent namen en ouderdom overeenkwamen met hetgeen dienaangaande op hunne passen was aangeteekend, met uitzondering evenwel van de verklaring van Eduard van Torteltak, die omtrent zijn naam onzeker scheen, en Joachim Polsbroekerwoud, die voor zijn ouderdom 35 jaren had opgegeven, terwijl hij op zijn pas slechts 34 jaren had bereikt;—dat, wat de signalementen betrof, alles in orde was, behalve dat bij designes particuliersop de pas van August Holstaff geen melding gemaakt wordt van de naden, die, gelijk Schout en Vennerheeren zichzelve konden overtuigen,zijn gelaat versierden. Dat hij voorts aan den Raad in bedenking gaf, of de paspoorten op zichzelve wel geldig waren als Hollandsche paspoorten, omdat er geen enkel woord Hollandsch in te lezen stond.
De Regter met het repetitie-horlogie, dat gedurende dit verslag achtentwintig malen geslagen had, proponeerde, om de zaak te bespoedigen, deze kleine verschillen over het hoofd te zien, daar de stukken op de Bureaux van Buitenlandsche zaken zelden met zulk eene nauwkeurigheid werden bewerkt, dat zij het examen van een Policie-Commissaris konden doorstaan. Wat de taal betrof, waarin de stukken waren opgesteld, hij kon verzekeren, dat het Fransch in Holland de algemeen gebruikelijke taal was, en dat slechts door het gemeen en in enkele landprovinciën eenpatoisgesproken werd, waarin misschien nog sporen van hetgeen men vroeger de Hollandsche taal noemde, te ontdekken waren.
Deze juiste wederlegging werd door al de regters als voldoende aangenomen, tot groote wanhoop van den Policie-Commissaris, die al het licht, dat hij over de zaak verspreid had, plotseling in dikke duisternis zag veranderen, en daar zijne werkzaamheden in deze zaak afgedaan schenen, naar huis strompelde, waar hij zijn houten been, stok en andereinsigniatot nader order in de kast wegsloot.
De vijf arrestanten en ook de Schout begonnen te hopen, dat nu ook hunne taak was afgedaan, toen de laatste op nieuw aan zijnen tabbaard werd getrokken en den Procureur van den raad verzoeken moest, de eigenlijke beschuldiging voor te dragen.
Hierop stond een lang, bleek menschenhater van zijnen zetel op, en sprak eene soort van verhandeling uit, waarin hij aantoonde, dat de verdorvenheid des menschdoms zich openbaarde in het plegen van gruwelen en misdaden; dat naarmate die verdorvenheid toenam, ook het getal dier gruwelen en misdaden aanwies; dat de geschiedenis vanoudere en nieuwere tijden deze stelling door voorbeelden kon staven; dat onder de misdrijven, het meest in gebruik eerste plaatsen toekwamen aan moord, diefstal en vrouwenroof; en dat degenen, die zich op deze gruwelen toelegden, gezegd konden worden tot het slechtste gedeelte van het menschdom te behooren; dat hij met het diepste leedwezen, ja zelfs met afgrijzen ontdekt had, dat van de laatstgenoemde dier gruwelen hier de quaestie was; en dat hij zich met innige droefheid gedrongen zag te verklaren, dat de naamlijst der vreemdelingen, die Zwitserland tot het tooneel dezer menschonteerende handelingen hadden verkozen, met de namen van Van Aartheim en zijne medepligtigen stond vergroot te worden.
Hierop legde hij de aanklagt bloot vanSirWilliam Lurgrave, tegen den voortvlugtigen schaker en de arrestanten hier tegenwoordig, wier medepligtigheid nog wel niet ten volle bewezen was, maar, door gemis aan directe bewijzen van het tegendeel, zeer waarschijnlijk werd; en hij besloot zijne rede met te betoogen, dat de eenige voldoende en het kwaad in den grond weerende straf de doodstraf was, blijkens de voorbeelden der Heeren Von Schwanau en Wolfenschiess, die, in vroeger eeuw door de jongelingen van Art en door den beleedigden Conrad von Baumgarten omgebragt, zich later nooit meer aan dergelijke gruwelen te buiten gingen; maar daar de wet, in hare veroordeelenswaardige zachtheid en kwaadaanmoedigende laxiteit, zulk eene straf voor de genoemde misdaad niet toestond, hij zich vergenoegen moest met den eisch tegen de vijf gedaagden, hier tegenwoordig van eene gevangenisstraf van 20 jaren en eene geldboete van 1000francs.
Nadat de lange heer zijn gemoed in deze lieve oratie had lucht gegeven, nam hij zijne plaats aan de groene tafel weêr in, en de Schout, die zich weêr aan den tabbaard voelde trekken, bragt de vraag in het midden, of men nu niet tot het condemneren zou overgaan. Zijnbuurman met het repetitie-horlogie vond het niet kwaad, mits het spoedig geschiedde, daar het uur verliep en hij dien middag visch moest eten. Een der andere Vennerheeren evenwel maakte ZEd. Achtb. opmerkzaam, dat het niet direct met de wet zou strijden, indien men vooraf den gedaagden gelegenheid gaf, om hunne verontschuldigingen voor te brengen.
De verbazing, waarin al, wat zij gezien en gehoord hadden, de vrienden gedompeld had, maakte het hun in den beginne moeielijk een woord te uiten. In het eind stond Veervlug, door zijne betrekking den loop van regtszaken eenigzins begrijpende, op, en maakte in weinige woorden aan den Raad bekend, dat zij niet alleen niet medepligtig aan, maar zelfs geheel onkundig van het feit waren, aan Van Aartheim ten laste gelegd; dat een zijner vrienden een briefje van dien heer had, hetwelk misschien de regters zou kunnen overtuigen, maar dat hij in allen geval eischte, dat de aanklager zijne bewijzen tegen hen aanvoerde.
Hierop nam de procureur het briefje van Torteltak in handen, hetwelk hij verklaarde nooità déchargete kunnen getuigen, als in eene taal geschreven, die niemand der regters verstond, maar veeleer de suspicie tegen hen scheen te versterken, daar voor de handteekening de zeer verdachte letters T. T. gelezen werden. De Vennerheer naast den Schout vond het laatste verzoek van Veervlug, om de bewijzen van den aanklager te hooren, evenwel zeer billijk, en stelde daarop de gewone manoeuvre bij ZEd. Achtb. buurman in het werk, waarop deze een beambte gelastte, den aanklager William Lurgrave te ontbieden.
De beambte kwam spoedig terug met het berigt, dat gemelde heer niet meer in hetHôtel de la Couronnete vinden was; en daar de heer met het repetitie-horlogie den Schout bij zich ten eten verzocht had, verklaarde de laatste de vergadering gesloten en geadjourneerd totmorgen ten negen ure, hetwelk in de taal der ingewijden beteekent tusschen half twaalf en twaalven.
De arrestanten hadden verlof naar hunne kamer in hetHôtel du Fauconterug te keeren, waar zij dien avond, in plaats vancommerce,treizespeelden, en Champagne in plaats van Neuchateller dronken. Daar is niets, dat den mensch zoo debaucheert, als geforceerd arrest.
De tweede zitting had den volgenden morgen in dezelfde zaal en op hetzelfde uur plaats. Maar de leden van den kleinen Raad te Bern waren heden in pijnlijke onzekerheid. De aanklager was nergens meer te vinden, en de kastelein uitde Kroonhad verklaard, dat hij zijne rekening had betaald en was voortgereisd. Toen dus de arrestanten weêr binnenkwamen, drong de Schout in het eerst aan op eene spoedige bekentenis, maar zag daar spoedig van af, omdat de beschuldigden niets te bekennen hadden. Wederom trok zijn buurman aan den tabbaard, en na het gewoonlijk daarop volgende consult, verzocht de Schout met luider stemme den Procureur tot de strikvragen over te gaan. Deze vroeg hierop, met doordringende blikken de arrestanten aanziende, welke de kleur was der japon, dieMissCleford aan had, toen zij geschaakt werd; hoeveel paarden er voor de postchais stonden, waarin de vlugtelingen waren vertrokken; met welke hand Van Aartheim haar in het rijtuig had geholpen, enz. De vrienden ontkwamen gelukkig uit al deze listig gesponnen valstrikken, en de regters begonnen zich zeer weinig op hun gemak te gevoelen.
Zij maakten dus gebruik van den in die positie noodigen en gebruikelijken maatregel. De arrestanten moesten buiten staan.
De uitslag der beraadslagingen van Schout en Vennerheeren kwam hierop neêr:
“De kleine Raad, etc.
Overwegende, dat de aanklager zijne beschuldiging nietmet bewijzen gestaafd heeft, maar heimelijk is vertrokken;
“Verklaart hem buiten eisch gesteld.
“Overwegende verder, dat de aangeklaagden niet van medepligtigheid, hun ten laste gelegd, kunnen beschuldigd worden;
“Verklaart hen van beschuldiging ontheven.
“Edoch: de Raad overwegende, dat een der partijen de kosten van het proces moet betalen;
“Dat degene, ten wiens laste zij moesten komen, door af te reizen, zich aan die betaling heeft onttrokken;
“Is genoodzaakt van de andere partij de kosten te eischen.
“Maar tevens overwegende, dat de wet niet toestaat de kosten te eischen, dan van de partij, ten wiens nadeele het vonnis geveld is;
“Overwegende, dat de aangeklaagden, door vroeger in betrekking te hebben gestaan tot den vermoedelijke schuldige, den schijn des kwaads tegen zich hebben;
“Echter in aanmerking nemende, dat zij, volkomen onschuldig schijnende, ligt dienen te worden gestraft;
“Veroordeelt hen tot eene geldboete van 5 Batzen, en alzoo ook tot betaling der kosten.”
De vrienden betaalden met vreugd de boete, en ook met bereidwilligheid, schoon niet met vreugd, de kosten, ten bedrage van 176 Zwitsersche francs en 7½ Batzen.
Het was geen half uur later, toen Joachim Polsbroekerwoud en zijne vrienden de stad Bern verlieten, en zij zouden misschien in wanhoop terstond naar Holland zijn teruggekeerd, zoo zij niet bemerkt hadden, dat zij deBarrière de Moratwaren uitgegaan, en den weg naar Friburg waren ingeslagen.