Hoofdstuk XXVIII.Hetwelk aantoont, dat het zeer gevaarlijk is, te digt langs een afgrond te wandelen.Als men van Locarno of Bellinzona de reis naar het noorden wil ondernemen, en men besloten heeft niet den weg over den Simplon te volgen, dan steekt er niets wonderlijks in, dat men den St. Gothard overtrekt die een vrij gemakkelijken en gebaanden weg aanbiedt; want gelijk reeds in de vorige eeuw deDuchess of Devonshireaanmerkte:“’Midst tow’ring cliffs and tracts of endless coldTh’industrious path pervades the rugged stone,And seems................................A granite girdle o’er the mountain thrown.”en sedert het bezoek van de edele Georgiana heeft de kunst nog steeds het hare bijgebragt, om den weg te verbeteren en te verfraaijen.De zon begon reeds te dalen, voordat het reisgezelschap van Polsbroekerwoud den top des bergs had bereikt, en schoon zij zich aan het Hospenthal noch te Audermat ophielden, zagen zij duidelijk, dat zij moeijelijk vóór den nacht Amsteg konden bereiken, en trokken daarom met den meesten spoed voorwaarts. Reeds begon zich het licht aan de enge bergwegen te onttrekken, toen zij aan de plaats kwamen, waar de Reuss zich met donderend geweld van de rotsen afstort, en zij zagen de wateren, in de hoogte nog door de stralen der avondzon gekleurd, als zwarte stroomen door den afgrond inzwelgen. Het was een koudeavond; de wind woei snerpend en dikke wolken rustten op de duizendvoetenhooge rotsen, of werden door de spitse toppen vaneengescheurd. In sombere stilte gingen de reizigers langs de afgronden en onder de duistere galerijen tusschen de Duivelsbrug en den Pfaffensprung voort; de woeste natuur vervulde hen met ernst en bijna met schrik. Schoon zij er aan gewoon waren, weinige menschen op hunne wegen te zien, zagen zij nu angstig om zich heen, of niet nog eenig levend wezen hen zou ontmoeten, als om hen de verzekering te geven, dat daarginds, aan het einde dier naakte rotswanden en akelige holen, eene lagchende en bloeijende vallei hen wachtte, waar herbergzaamheid en gezelligheid woonden. Doch niets hoorden zij dan het steeds afnemend gedruisch van den bergstroom; niets ontdekte hun oog dan vervaarlijke steenklompen, die over den weg neêrhingen en slechts een wenk schenen af te wachten om in een oogenblik het menschelijk kunstwerk van jaren te vernielen. Maar toen zij nu uit de lange en donkere galerij van de Schoellenen weêr in de vrije lucht kwamen, zagen zij op korten afstand voor zich eene witte gestalte, die zich bewoog.“Ik geloof dat ik menschen zie!” riep Veervlug vrolijk uit.“Als het in ’s Hemels naam maar niet de geest van den monnik is,” zegt de gids.“Daar zijn geen spoken,” zegt Pols, die wit wordt als een doek.Zij kwamen nader en Pols had gelijk; het was geen spook, maar eene jonge vrouw in ligte kleeding, wier sluijer om een kruis woei, waartegen zij geknield lag. Naast haar stonden twee mannen, die elk harer bewegingen gadesloegen. Op den achtergrond hield een rijtuig stil.Verwonderd bleven de vrienden op een afstand staan; maar nu zagen zij haar op eens haastig oprijzen en in woeste beweging de handen omhoogslaan. Zij doet een stap voorwaarts naar den steilen afgrond, en als belette haareene hevige benaauwdheid te spreken, zegt zij op afgebroken toon: “Adolf—mijn Adolf—kom—geef mij mijn kind!—Ik wacht u, o God, ik wacht u—zoo lang!” En zij maakt een beweging, als wilde zij zich in de diepte storten.Holstaff zoekt naar zijn zakdoek. Pols merkt aan, dat die vrouw zeker niet bij haar positive was. Torteltak schiet toe; maar reeds hebben hare geleiders haar naar de andere zijde des wegs voortgetrokken. Op eens ziet zij den jongeling, en terwijl zij zich tracht los te rukken, roept zij: “Niet waar, gij komt van hem? maar waar is mijn kind?”Torteltak ziet haar verschrikt aan, en slaat angstig de oogen neder.“O God, is het dan waar? dood, dood, beiden dood!” en haar hoofd zinkt op den arm van een der mannen, en de kleur des doods verspreidt zich op haar gelaat. Zij ligt bewusteloos neder.Maar op eens, schoon nog hare oogen gesloten zijn, schijnt het leven in haar terug te keeren. Zij strekt haren arm uit, en drukt de hand aan haar hoofd. “O was die benaauwde droom maar uit!” riep zij. “Adolf! mijn geliefde! maak toch mij wakker!... Ha, daar hoor ik hem, ik hoor mijn kind, ja ik hoor u, mijn lieve zoete Anton! uw moeder komt!”En zij leunt tegen de hoogte aan, terwijl zij zich beweegt als wiegde zij een kind in slaap. Op eens begint zij met zachte stem te zingen:“Schlummre sanft! Noch an dem MutterherzenFühlst Du nicht des Lebens Qual und Lust;Deine Träume kennen keine Schmerzen;Deine Welt ist Deiner Mutter Brust.”De maan, die langzamerhand over de bergen begon op te gaan, wierp een flaauw licht tusschen de rotsen, waar dit tooneel plaats had. In haar schijnsel vertoonde zich aan het oog der reizigers eene schoone, jonge vrouw, dochwier gelaat met een doodelijk bleek was overtogen, en wier oogen vol smachtende liefde op haren schoot waren gewend, waar zeker dikwijls een teeder knaapje had gerust, maar die nu ledig was.De schoone moeder slaat de oogen op, en daar ziet zij Torteltak weder; maar nu verschijnt er eene woeste vreugd op haar gelaat: zij vliegt tot hem, sluit hem teeder in hare armen. “Ha, ha, zijt ge daar, mijn geliefde, mijn dierbaarste!—Ja, ik wist wel, gij moest mij plagen—ik had u een kus geweigerd—maar o, ik was zoo ongerust!—ik had zoo veel pijn—hier,—hier!” Zij drukte de hand des jongeling met kracht op haar hart.Torteltak tracht te spreken; maar zij legt hem de hand op den mond. “St! st!—maak Anton niet wakker—hij slaapt, de lieve engel. Hier, zie hem!”“Mevrouw!” zegt Torteltak, sidderend van medelijden en schrik.Zij ziet hem aan, en een vreeselijke gil klinkt hem in de ooren. “Neen, ik ken u niet!—o God! het is dan geen droom!”—Een gloeijend rood bedekt haar geheel gelaat; vreeselijk wild rollen hare oogen; zij rukt zich los en vliegt naar den afgrond. “Ja, ik kom, mijne geliefden! gij hebt mij al te lang gewacht,—daar—in de diepte!”Maar de twee mannen, die met haar waren, en Torteltak, weêrhielden haar nog in tijds. Vruchteloos spande zij hare laatste krachten in, om zich los te rukken. “O God! help mij, mijn Adolf! ze willen mij van u scheiden, en ben ik dan Anton’s moeder niet?” Maar nu zonk zij ook uitgeput in des jongelings armen, die haar in het rijtuig droeg; een der geleiders plaatste zich met Torteltak bij haar, en de calêche reed met spoed naar Amsteg.De andere der mannen, die met de overige vrienden te voet denzelfden weg insloeg, deelde hun nu mede, dat voor drie dagen in het logementde Engelte Amsteg, waarvan hij deGastgeberwas, een jong paar met een kindvan twee jaren den nacht had doorgebracht. Zij hadden bij hem een rijtuig naar Bellinzona aangenomen en waren den berg opgereden; maar in de nabijheid van den Pfaffensprung waren zij afgestapt, om, voor het rijtuig uit wandelende, de woeste natuurtooneelen beter te kunnen opnemen. Aan de plaats gekomen, die zij nu verlieten, had de jonge moeder, die haar kind droeg, te digt langs den afgrond gewandeld; eene onverwachte beweging van het knaapje deed haar het evenwigt verliezen, en zij stortte naar de diepte neder. Gelukkig bleef zij met haar kleed aan een boomstronk hangen, en geen minuut verliep, of de man had haar reeds in zijne armen. Maar nu roept zij op eens: “Mijn kind!” De man ziet dat zij den lieven knaap niet meer op den arm heeft, loopt terug, ziet het in de diepte neêrgestort, en de ongelukkige, als had hij het levenlooze wicht nog kunnen redden, werpt zich in den afgrond. Op één rotsklomp hebben zij beiden den dood gevonden, en de bergstroom heeft hen heengevoerd, de Hemel weet waarheen. De vrouw, die op den weg als vastgenageld stond, werd door den koetsier in het rijtuig gedragen, en kwam weinige uren later op die plaats, die zij zoo gelukkig en vrolijk verlaten had, als kinderlooze weduwe terug. Zij zag strak voor zich neder, sprak niet, en gebruikte geen voedsel. Zij liet een houten kruis maken, dat zij zelve op de plaats wilde zien planten. De kastelein en zijn broeder vergezelden haar, en zij kwamen aan, weinige oogenblikken nadat het kruis was opgerigt. Maar toen nu de vrouw op de plaats kwam, waar het ongeluk gebeurd was, scheen zij op eens al hare bedaardheid te verliezen, zoo de toestand, waarin zij verkeerd had, dien naam kon dragen. Van het overige waren de reizigers zelve getuigen geweest.Dit verhaal en het voorgevallene had de vrienden zeer getroffen; vermoeid en treurig kwamen zij inde EngelteAmsteg aan. Zij vonden Torteltak in de hevigste agitatie. De jonge vrouw was nog steeds zonder bewustheid.“Ik heb haar meer gezien,” riep de jongeling “maar zij kan het toch niet wezen. Neen, dat is onmogelijk.—Kastelein, weet gij den naam ook van den ongelukkigen reiziger?”“De Heer Sindenton uit Aken,” antwoordde deze.Torteltak zonk uitgeput op een stoel neder, en weende.Hoofdstuk XXIX.Waarin de reizigers eenig oponthoud hebben, maar dat de lezer zonder oponthoud kan eindigen.Treffende en treurige voorvallen, die den mensch ontmoeten, laten natuurlijk altijd eenigen indruk bij hem na. Indien hij nu zelf in die rampen en ongelukken betrokken is, dringt die indruk dieper door; maar het diepst, wanneer zij met zijne eigene omstandigheden, of zelfs met zijn leven, in naauw verband staan. Een smartelijk verlies, waarvoor de mensch misschien troost zou kunnen, de Christen moeten vinden, maar dat in zijne geheele manier van zijn en handelen eene merkbare verandering te weeg brengt, doet hem daarom misschien te langer pijn, omdat hij, bij het onaangename van ieder dier veranderingen, tot de oorzaak opklimt, die hem daartoe dwingt, en deze op nieuw in al hare verschrikkelijkheid voor zich ziet, terwijl bij een anderen, in wien het even treurige gewaarwordingen verwekt, maar minder in zijn leven indringt, en hem in dit opzigt laat wie hij is, spoediger het bittere der droefheid wordt weggenomen, en in zacht, weemoedig smartgevoel veranderd.De indruk der treurige scène, waarvan zij op den Saint-Gothard getuigen waren geweest, op de vrienden liet het langst sporen na bij Torteltak, als den eenigen, die tot Sindenton in naauwere betrekking had gestaan; en nog zult gij hem nooit over dit voorval hooren spreken, zonder dat hij daarbij eenige weemoedige treurigheid openbaart. Maar toch, daar waren door den dood des jongelings geenebanden losgescheurd; want de betrekking, waarin zij tot elkander gestaan hadden, was meer eene gewoonte van omgaan geweest, dan eene teedere vriendschap. Indien hij zijn ouden kennis niet voor weinige dagen te Aken had ontmoet en zich niet zoo had verlustigd in zijn geluk, zou hij, bij het vernemen der treurmare, zich misschien vergenoegd hebben met den uitroep: “Die arme duivel! hij is er ook alweêr geweest. Hij was een beste jongen.”—Maar nu was het hem, alsof een schoone schilderij, in welks beschouwing hij zich meermalen verlustigde, als hij zich in zijne verbeelding op den Louisberg verplaatste, op eens totaal voor hem was bedorven; en schoon hij ook oogenblikken had, waarin hij dacht, dat hij er waarlijk ongelukkig door was, zijn gevoel verdiende meer den naam van spijt dan van droefheid; het was voor hem meer jammer dan ongelukkig.Maar met dat al, de eerste dagen na de treurige ontmoeting was hij geheel onvatbaar voor de verschillende reisgenoegens, die de anderen langzamerhand weêr begonnen te smaken. Doch wel begrijpende, dat zijne vrienden niet op den duur sympathie met zijne smart konden hebben, was hij verstandig genoeg, zijne klagten voor zich te houden, uit vrees dat er bij hun medelijdend “ja, ’t is heel naar en akelig, ook voor u,” niet eindelijk onwillekeurig het denkbeeld zou opkomen: “maar toch ook voor ons, dat hij altijd met Jeremiades aankomt.”Het was hem nu intusschen heel welkom, dat het in hun reisplan lag, om den retour vrij expediet af te leggen. Zij bezagen dan ook maar vlugtig het land, waar Willem Tell vóór ettelijke eeuwen zulk eene verbazende rol speelde schoon zij zich verwonderden, dat op de plaats zelve de historie een minder levendigen indruk op hen maakte, dan toen zij ze uit hunne kinderboekjes vernamen. Zij namen evenwel, als conscienteuse reizigers, de verschillende kapellen in oogenschouw, die te Burglen en op denTell’sPlatteter eere van den grondlegger der vrijheid gesticht zijn, en die door smakeloosheid van bouworde uitmunten, en met minder schoone schilderstukken zijn versierd, dan de gravures, die wij er bij ons te land van aantreffen in plattelands-herbergen, of bij onze oude keukenmeid, die met een tuinknecht getrouwd is.Van Brunnen is men in korten tijd te Zurich, als de paarden goed loopen en maar een ligt rijtuig te trekken hebben. Dit ondervonden de vrienden, en zij hoopten nu ook zonder verder oponthoud te Constants te zullen komen, waarheen zij, boven op de diligence gezeten, ’s morgens ten zes ure vertrokken.Geheel zonder oponthoud voleinden zij echter deze reis niet; want terwijl zij, door een lieflijken zonneschijn gestoofd, in een aangenaam dutje verzonken waren, waarschijnlijk om zich de streken, die zij doortrokken, zoo mooi als zij zelve wilden te kunnen voorstellen, werden zij op eenmaal in de nabijheid van Frauenfeld in hunne meditaties gestoord in toevallig juist een ondeelbaar oogenblik, nadat het breken van de as de diligence had doen omvervallen.“Zijn wij hier aan eene pleisterplaats?” vroeg Pols, die vrij vast geslapen had en nu vrij onzacht op den grond neêrkwam.“Ja, ik ben wakker, ik sta al op: maar schud me zoo niet!” riep Veervlug, die naast hem in een hoop zand werd geworpen.“Mijnheer! zie wat beter voor u!” zei een slaperig heer in den wagen, die een half dozijn passagiers op zijn lijf kreeg.“Ach, conducteur! laat er mij maar uit, want ik houd niets van ongelukken!” riep een dametje.“Ik ben dood!” schreeuwde een Franschman, met drift uit de cabriolet springende.En ieder der passagiers, die in en naast de omgevallenediligence lagen, scheen zich verpligt te gevoelen, door eene meer of minder gepaste phrase te kennen te geven, dat dit evenement niet onopgemerkt voor hem had plaats gehad.Weinige oogenblikken later stonden al de reizigers op den straatweg de paarden na te staren, die volstrekt niet verschrikt waren, maar begrepen, dat zij op hun tijd op het station Frauenfeld moesten aankomen. Bij de passagiers openbaarde zich nog eenige oogenblikken bezorgdheid voor hunne goederen; vooral het dametje, dat niet van ongelukken hield, nam informatiën naar hare hoedendoos maar de conducteur beloofde voor alles te zullen zorgen, en ook aan het verlangen der dame te voldoen, dat de doos toch vooral niet scheef gehouden werd. En daar de poort van Frauenfeld reeds in het gezigt was, besloten de reizigers niet op hun regt te staan, om daar in staatsie binnen te rijden, maar liever door eene kleine wandeling den schrik wat te verzetten. Allen konden zich verheugen goed van de reis te zijn afgekomen, met uitzondering van eene dame, die aan haar linkeroog de aanraking had gevoeld van de laars van haren overbuur, welke laars meer indruk op haar gemaakt had, dan deoeuillades, die hij haar sedert uren had toegeworpen.De waard uithet Hert, die de paarden op stal had zien aankomen, maar door dezen niet genoeg inlichtingen had kunnen bekomen omtrent het gebeurde, maakte nu uit de verschillende kreten en uitroepen op, waarom de diligence niet was meêgekomen, en de vrolijkeKellnerJacques, die ieder der reizigers een glaskirschwasseropdrong om weêr wat bij te komen, verzocht al de passagiers geen rancune op de diligence te houden en familiaar in het hotel te blijven dineren.Het ontbreekt na dergelijke voorvallen zelden aan discoursen tusschen menschen, die elkander vroeger vreemd waren, maar door gemeenschappelijk ongeluk verbroederd worden. In afwachting van hetdineren de geschikte gelegenheidom verder te reizen, plaatsten zich nu de reisgenooten in een cirkel, waarvan zich echter een jong paar uitsloot, dat zich liever eenigzins op den achtergrond hield. Om echter hunne reisgenooten niet af te matten door gissingen, waarom zij zich schenen af te zonderen, gaven deze jonge lieden zich de moeite, elkander teeder aan te zien, de hand te drukken, zamen niet meer dan vijf kwart stoel in te nemen, en meer dergelijke zaken, die op vrijerij duiden.Zij maakten daarenboven zeer dikwijls gebruik van het privilegie van geëngageerden, om veelvuldig te fluisteren, een voorregt, dat vele jongelingen, die niet sterk zijn op het punt van lieve geheimpjes, somtijds zeer zwaar valt op den regten prijs te schatten. Gelukkig dat allen, die zich op het liefde plegen toeleggen, als het meer aankomt op dadelijke liefkozingen en dergelijke zaken, die het gezigt van een verliefd paar voor een toeschouwer regt onderhoudend maken, goed te huis zijn.“Ik gaf wel honderdlouis d’or,dat de diligence niet omgevallen was! want ik ben zeer gepresseerd!” zei de Franschman die dood was, en er uitzag alsof hij nooit honderdfrancste gelijk in zijn beurs had gehad.“Pah!” riep een Duitscher: “is dat omvallen, en zonder dat iemand armen of beenen breekt! Ik heb te Rome ook eens met deRegio carriëroomgelegen; maar toen waren al de reizigers er om koud, behalve ik.”“Gij alleen over?” zei de Franschman: “dat was jammer.”“Ik hoop dat de conducteur nu maar oppast en mijn hoedendoos regt houdt,” riep het dametje; “anders zijn al mijn mutsen verkreukt.”“Maar, beste! het was toch een heel ongeluk!” fluisterde de verliefde, die door Veervlug beluisterd werd: “ben je nu toch waarlijk niet geschrikt?”“Neen, heusch niet; maar heb jij nergens pijn?” was het antwoord.“Je bent toch een engel!” fluisterde de jongeling.Deze zelfde phrases werden vijf malen binnen den tijd van zeven en een halve minuut gewisseld. Toen werd de jongeling op eens pathetisch, en vroeg met hevige rolling zijner oogen: “Maar beste! als ik nu toch eens onder de diligence verpletterd was?”“Ach Hemel! dan was ik ook verpletterd.”“Je bent toch een engel!” fluisterde de jongeling. “Maar wil je nu niets gebruiken? zijt ge waarlijk niet geschrikt?”“Waarlijk niet?” antwoordde het meisje, en zuchtte hoorbaar.“Ik woû dat ze nu met dat satansche eten kwamen!” riep de Franschman van de honderdlouis d’or, eenen heer in de rede vallende, die van een omgevallen diligence te Marseille verhaalde.“Beste!” fluisterde de verliefde jongeling, die een poosje op een fluistergesprek had zitten peinzen: “wat denk je dat we eten zouden?”“Ja, dat weet ik heusch niet, dierbare! misschien coteletten.”“Dat zou heerlijk wezen. Je bent toch een engel!” Maar nu ziet de jongeling een wijd veld tot lieve geheimen open, en gaat voort: “Waar houdt ge meer van, van rheevleesch of van faisanten?”“Ik weet het heusch niet. Wat vind jij het lekkerst?”“Ik rheevleesch.”“Nu, dan ik ook.” En het lieve meisje zag hem, na dit sterke bewijs harer liefde gegeven te hebben, met zoo teedere oogjes aan, dat het bijna in het geheel geen oogjes meer waren.“O Hemel!” zegt de jongeling: “zij is te edel en te groot voor de wereld!” En na zich hierin een oogenblikje verdiept te hebben, vraagt hij haar, terwijl zijne oogen van verliefdheid zijn hoofd schenen te verlaten: “Beste, houdt ge wel van een kalfskop?”“Kunt gij dat nog vragen?” zegt de schoone, hem evensmachtend aanziende, als een schelvisch op het strand de middagzon.“Je bent toch een engel!” En de jongeling staat op het punt zijne schoone te kussen.Juist wordt het eten opgedragen, en het eerste, wat de verrukte minnaar voor zich op tafel ziet, is een schotel coteletten.Een traan van vreugde schittert in des jongelings oogen, die hij beurtelings op den schotel en op zijne geliefde slaat. Ook de Franschman van de honderdlouis d’or, die nu zijne redenen meende te moeten openbaren, waarom hij hetdinermet zooveel verlangen te gemoet had gezien, scheen het op de coteletten te hebben gemunt, althans hij laadde er een aanzienlijk aantal van op zijn bord. Maar eer nog de schotel tot het jonge paar was gekomen, en toen hij er nog maar drie had ingezwolgen, riep hij uit, dat het vleesch taai was als de duivel, waarmede hij wilde te kennen geven, dat het zeer taai was.De arme minnaar werd bleek van schrik, en zijn meisje dat vroeger door zijne al te teedere blikken op den schotel bemerkt had, dat haar hart wel eenigzins voor jaloezij vatbaar was, werd nu vervuld van innig medelijden in deze bittere teleurstelling voor haren jongeling; krampachtig drukte hij haar de hand, toen de eerste beet hem had overtuigd, dat deFranschmande waarheid had gesproken. Op gelijke wijze werd die handdruk beantwoord; doch na weinige oogenblikken fluisterde zij er deze lieve en vertroostende woordjes bij: “Beste! ik hoop u nooit zoo te leur te stellen; ik zal altijd mijn best doen u malsch vleesch voor te zetten.”Een glans van genoegen en vreugde keerde weêr op des jongelings gelaat, en als twee illuminatieglazen schitterden zijne oogen, toen hij haar toevoegde: “Je bent toch een engel!”De Franschman ging voort met al het eten verfoeijelijkslecht te vinden en tevens van alles verbazende portiën te nuttigen, als wilde hij, zooveel in zijn vermogen was, die slechte spijzen van de aarde verdelgen. Hij ging tevens voort bij ieder zijner uitroepen onder verschillende benamingen den duivel aan te roepen, zoodat sommige leden van het gezelschap deze voor zijn beschermheilige begonnen te houden. De minnaar, die onder al dat afgekeurde eten, verschillende, zeer smakelijke zaken aantrof, liet zich geenszins onbetuigd; en wie dus in het gezelschap gemeend had, dat hij niets kon dan fluisteren, zag nu, dat hij den edelen jongeling deerlijk had miskend. Hij vond echter onder al deze werkzaamheden gedurig gelegenheid, om iets van zijne liefde te openbaren, en verstond meesterlijk de kunst, te gelijk met kakebeen en oogen te werken.Hetdinerkenmerkte zich overigens, zoo al niet door vrolijkheid, toch doorluidruchtigheid, vooral toen de reizigers bij het dessert zich verpligt gevoelden, hunne dankbaarheid voor levensbehoud en uitredding uit dreigend gevaar te betoonen door zich een halven roes te drinken aan besten Rijnwijn. Spoedig werden zij echter in deze hartverheffende pligtsbetrachting gestoord, daar de conducteur binnenkwam, en het gezelschap verzocht in de rijtuigen te klimmen, die hij te Frauenfeld had opgeloopen.“Maar, conducteur! staat mijn hoedendoos nu wel regt?” roept het dametje, dat niet van ongelukken hield.“Best, dame! en de mutsen, die er uitgevallen waren, heb ik er zelf weêr ingepakt.”“En hebt gij voor mijneffetsgezorgd?” vraagt de Franschman van de honderdlouis d’or.“Uw pakje ligt onder de bank in het eerste rijtuig.”“Ben je nu toch waarlijk niet bang?” fluistert de jongeling.“Neen, heusch niet.” En reeds zit de engel in den wagen.“Ik zal nu wakker blijven,” zegt Pols, terwijl hij inklimt; “want ik zou niet gaarne weêr omvallen.”En zonder verdere ongelukken ging de togt voort, en weinige uren later zag men de torens van Constants. Veervlug herkende ze dadelijk uit de decoratiën van deJuive, die hij in den Haag had zien opvoeren.Hoofdstuk XXX.Waarin Pols een zeer mooien coup de théatre ziet mislukken, en waarin Torteltak eene Dame in haar rijtuig helpt.Het is heel moeielijk, het iedereen naar den zin te maken. Dit ondervonden onder anderen, in het jaar 1415 de Heeren van het Concilie te Constants, toen twee der Pausen, die zij op pensioen gesteld hadden, en de eene nog wel op zijn eigen verzoek, dezen maatregel gansch niet vriendelijk opnamen, en de derde gepensioneerde dit gunstbewijs finaal afsloeg en zich tot zijn dood toe inactievedienst aftobde.—Hoe weinig goedkeuring verwierven gemelde Heeren verder van het algemeen, toen zij, na vier jaren vergaderd geweest te zijn, uiteengaande de Hervormingsplannen, waarvan nog al veel verwachting was, in den steek lieten! En zoo zij niet de aangename bewustheid hadden meêgevoerd, dat zij de Kettersche stellingen van Joannes Huss en Hieronymus van Praag met kracht en vuur hadden weêrlegd en vernietigd, hoe gering zou dan ook nog hunne zelfvoldoening over het verrigte werk zijn geweest!Maar al liet nu deze Kerkvergadering bij sommige pausen geene zeer aangename herinneringen na, en al bevorderde zij de tijdelijke belangen van eenige ketters niet veel, en al leverde zij voor Kerk en Staat die resultaten niet op, die men gewacht had, zij was belangrijk voor diegenen, die er maar partij van wisten te trekken, en nog ten huidigen dage baant zij den weg tot onmetelijkenrijkdom en onsterfelijken roem voor Johann Kastell,Antiquarte Constants.Wanneer gij ooit in de beroemde Conciliestad komt, zult gij niet verzuimen den verdienstelijken oudheidkenner te bezoeken. Zijne schriften zal hij u tegen betaling van 56 cents aanbieden, en gij zult eigenaar worden van verschillende onuitgegeven brieven van Huss, die Kastell uit het werk van Van der Hardt in zijn geschrift heeft nagedrukt. Daarna zal de geleerde u uitnoodigen, om nog omtrent 73 cents te betalen, voor welke u het gezigt derKunst und Altherthums Sammlungin deConciliums-Saalzal worden vergund. Gelukkige! dan zult gij langs een steilen trap naar den donkeren zolder worden geleid; daar zult gij in een hoek twee vermolmde stoelen zien staan, die gij met den naam vantroonenzult hooren bestempelen. Daarnaast ziet gij een kistje, voor één derde uit hout en voor twee derde uit stof bestaande; dat is het beroemdeScrutinium. Die ronde roestmassaas tegen den wand zijn de schilden der krijgers, die den vorstelijken troon omringden.—Is het u niet, als waart gij door een tooverslag uit de negentiende in de vijftiende eeuw verplaatst? als bevondt gij u in het midden der luisterrijke Kerkvergadering, omringd door vorsten en kardinalen?—Ziet gij daar op dat zoldertje die drie mannen, die onvermoeid met hunne armen roeijen, hun hoofd omdraaijen, meer dan ooit een ander mensch het vermogt, en op de maat hunne oogen doen rollen? Beteugel uwe verbeelding—zij leven niet; doe gerust een stap nader;—ja, het zijn de twee ketters wel, en Celestinus de Dominikaner monnik, die met hen disputeert; maar slechts geboetseerd in gele was. De beide eersten zijn al eens door een pruikmaker gestolen geweest, die den monnik, van wege de kaalgeschoren kruin voor zijn doel onbruikbaar, had laten staan; maar Kastell heeft ze uit den barbierswinkel naar zijn zoldertje teruggevoerd.—Maar nog hebt gij niet alles gezien. Daarin dien hoek staan twee steenen muren; dat zijn de muren der gevangenis van Johannes Huss, uit den kelder van het Franciskaner klooster gebroken, en nu op de Conciliezaal heel netjes weêr opgemetseld, om alles wat meer bij elkaêr te hebben. Het is eene ijselijke gevangenis. Zie, zij ontvangt geen ander licht, dan uit de hooge vensters van de zaal.—Gij opent de gegrendelde kerkerdeur en stapt eene schrede terug. In die kerker ligt op stroo een menschengedaante. Het is de ongelukkige. Vroeger figureerde het beeld onder den preekstoel in deMunsterkirche, als de aartsvader Abraham; een bekwaam schilder heeft het een weinig gemoderniseerd, en nu doet het in den kerker van den aartsketter Huss volkomen zijne dienst.Het spreekt van zelve, dat alleen hij, die als pelgrim naar Constants reist en inspectiein locohoudt, zich eenigzins kan voorstellen, hoe het op die Kerkvergadering is toegegaan, en dat niemand dan de zoodanige een bevoegd beoordeelaar kan wezen van den invloed, of wilt gijvis et efficacitas, dien zij op Kerk en Staat heeft uitgeoefend. Begrepen alle geleerdehistoricidat, hoeveel minder verschil van opinie zou er omtrent deze zaak bestaan! Werd eindelijk deze stelling in het algemeen toegepast, hoeveel grieven werden er bespaard! Of bleek het ook ons Hollanders niet, dat het gevoelen van sommige Duitsche en Fransche geschiedschrijvers, bij voorbeeld omtrent den moord van Willem I, den heldendood van Van Speyk, en de stoute daad van Hobein, zoo oneindig van het onze verschilt, omdat die onkundigen niet in de gelegenheid waren zoo diep in de zaken in te dringen, als wij, die in onze Museums den waarachtigen hoed en het waarachtige buis van Balthasar Gerards hebben aanschouwd, en die toen eerst de daden der dappere zeehelden regt leerden begrijpen, toen wij het lapje blaauw laken van wijlen Van Speyk’s rok en den vlaggedoek van Hobein in het glazen kastje zagen ten toon gesteld?—Weg dan met historiezonder oudheden en rariteiten! Hoe zouden wij Nederlanders ooit zoo verbaasd veel licht hebben doen opgaan over de geschiedenis van Egypte, indien wij niet zoo vele en zoo aanzienlijkemummiesin ons Leydsch Museum logeerden?Het gezigt van het meer van Constants is voor ieder Hollander treffend en verrassend. Wanneer hij van het hoofd bij de stad, ter linkerzijde van de kapel, in de vorm van een molen, die op alle plaatjes van Constants staat afgebeeld, zijn oog laat weiden op de watervlakte en het lage land, waartegen zij aanspoelt, dan is het hem, als stond hij aan de haven bij Hillegom, en als zag hij op eens het Haarlemmermeer voor zich. Maar slechts kort duurt deze begoocheling; want zoodra hij zich aan de tafel in zijn hôtel heeft neêrgezet, mist hij den schotel meerbaars, en met niemand der gasten kan hij zijn geliefkoosd discours aanvangen, hoe mooi en hoe aardig het toch wel wezen zal, als die groote kom eens geheel en al zal zijn drooggemaakt.Ofschoon nu onze reizigers aan de bezigtiging van al deze merkwaardige kunst- en natuurschoonheden vele aangename en nuttige oogenblikken te danken hadden, zij schenen er niet genoeg voedsel voor verstand en hart uit te hebben opgedaan, om er een geheelen dag op te kunnen teeren. Sommigen hunner merkten ten minste aan, dat zij nog wel gaarne iets anders zouden zien, dat levendiger indruk bij hen naliet; anderen vonden, dat de morgens te Constants veel langer duurden dan elders. En toch, zij deden alles wat in hun vermogen was om zich den tijd te korten. Zij doorkruisten herhaalde malen in een slenterpas de geheele stad, namen successivelijk alle huizen op, keken nu en dan over de balies van de brug in het water, vierden hunnen lust bot, om zich door geeuwen en gapen te vervrolijken, fixeerde de zon zoolang, tot zij aan het niezen raakten, en hielden hun horlogies elke tien minutenaan hun oor, om te onderzoeken of zij ook stilstonden. Doch toen zij eindelijk al deze genoegens tot overdaad toe gesmaakt hadden, besloten zij, voor de variatie, in hun logement voor de ramen te gaan zitten kijken.In hoeverre de uitvoering van dit plan aan de vrolijke verwachting, die men er misschien van had, beantwoordde, durven wij niet bepalen. Veel afwisseling leverde echter deze uitkijk niet op; want schoon het logement niet in de afgelegenste wijk der stad gesitueerd was, de geheele stad Constants is eigenlijk eene afgelegen buurt, en men ziet er gewoonlijk evenveel menschen op straat, als te Woerden in de uren, dat daar de diligence niet passeert. Binnen in de gezelschapskamer was ook niet veel rumoer, maar daar was toch nog iets om de oogen meê bezig te houden: een lief jong meisje namelijk en een bejaard heer, die zamen hetdejeunergebruikten. De vrienden hadden juist den tijd en de gelegenheid om dit paar menschen eens goed op te nemen. Zij wisten dan ook naderhand allen precies de kleur der oogen en der lokken van het meisje, en hoe fijn haar mondje, hoe spits haar voetje was. Deze bijzonderheden hadden zij bij den bejaarden heer minder opgemerkt, schoon zij daarin overeenkwamen, dat de man een zeer gedistingueerd voorkomen had, en dat er een waas van melancholie over zijn gelaat lag. Zij schenen vader en dochter, schoon er in hunne gelaatstrekken geen enkele van gelijkenis te ontdekken was; maar de teedere blikken, die hij van tijd tot tijd op het meisje sloeg, en de liefde en eerbied, waarmede zij hem bejegende, duidde kennelijk eene naauwe betrekking aan; en schoon ook zij denbejaardenman vele attenties bewees, die kinderen dikwijls omtrent hunne ouders verzuimen, zij zag er te vrolijk en hij te verstandig uit, om bij het groote verschil hunner jaren, aan eene andere liefde dan die van vader en kind te denken.Misschien waren er onder de vrienden, die eene naderekennismaking dan die der aanschouwers wenschten; maar daaraan viel niet te denken, althans zoolang de twee vreemdelingen zich zoo uitsluitend met hetdejeuneren met elkander bezig hielden, dat zij geene oogen schenen te hebben voor iemand, die zich in de zaal bevond. Gemakkelijker geraakten zij in gesprek met een ander heer, wiens voorkomen juist niet veel belang inboezemde, ten zij men een zeer rooden en zeer gezwollen neus en een aantal karbonkels voor interessante verschijnselen op een menschelijk aangezigt houdt. Deze heer, die waarschijnlijk door langdurige oefening de faculteit bezat, evenveel flesschen oud bier in te houden als een Nederlandsch fust nam bij deze affaire tevens die van kastelein waar, en om deze betrekking vond een der vrienden, die gaarne eens iemand vreemds wilde toespreken, de vrijmoedigheid hem te vragen, of er geen nieuws was.“Neen, wat wou er voor nieuws wezen,” antwoordde Mr. Sorvels vrij knorrig: “althans geen goed nieuws, maar kwaads genoeg, ten minste voor mij.” En na deze verklaring met een krachtigen vloek geverifieerd te hebben, liet hij een verbazenden bierstroom met bruisend geweld in zijn wijdgeopenden mond neêrstorten.“Maar je ziet er anders nog al niet uit, om zooveel verdriet te hebben,” zei Veervlug; “’t zal nog al zoo’n vaart niet met je loopen.”“Ge zoudt wel anders spreken, als je bijgewoond hadt, wat ik daar straks heb bijgewoond. Het is te verschrikkelijk om het uit te spreken.”“Is je land overstroomd, of je schuur verbrand?” vroeg een der vrienden.“Is er een biervat gesprongen, of een brouwsel mislukt?” zei een ander.“Is je vrouw ziek, of een kind van je dood?” vroeg een derde.“Was het dat maar,” riep de kastelein verdrietig uit;“dat zou nog zijn over te komen. Ik zal het je maar zeggen, maar het is een vervloekte leelijke historie. Mijn vrouw is van haar achtste kind bevallen.”“Wel, daar filiciteer ik je meê,” zei Pols heel goedig. “Als alles goed afgeloopen is, is het een groot geluk. Maar wat is het, een jongen of een meisje?”“Wat weet ik het!” riep de dikke heer vertoornd. “Een jongen of een meisje, het is een doodeter te meer; het is waarachtig of de ellende hier aan huis niet ophoudt. ’t Is er net meê als met de kiespijn. Je weet wel wanneer het begint, maar niet wanneer het eindigt.”“Maar kinderen krijgen is toch een groote zegen,” merkte een der heeren zeer wijs aan.“Ik wensch je geluk met dien zegen,” bromde de bierbuik. “Ik zie liever, dat mijne koeijen me een keer meer aan kalfsvleesch helpen, of dat ik den vetten os loot; dat helpt meer in het huishouden. Maar kijk! hier heb ik er nog een, die zal mij niet doodeten.” En hij wees op een kind, dat voor het raam op de straat in een tafelstoel zat, en zich de handen op het blad bont en blaauw sloeg.“Was dat je jongste?” vroeg een der vrienden.“Dat is een klucht!” riep de vader, terwijl hij zijn bierkan weêr eens in zijn maag leêggoot en daarna in de hoogte zwaaide. “Dat hebben al meer vreemdelingen gedacht; en het is juist de oudste van allen.”“Maar het jongetje kan toch nog geen twee jaren oud zijn!”“Een jongetje van twee jaar? ha, ha! het is een meisje vanachttien. Maar ge hebt in uw leven zoo’n raar kind niet gezien: het is sinds haar eerste jaar niet gegroeid en doofstom, en nog onnoozeler als toen zij geboren werd. En zij kan niets binnen krijgen dan wat broodwater, dat ze door een pijpje inzuigt; dat is een goedkoop kostje, ha, ha! Maar ik houd het met mijn Duitsche bier!” En behalve met een vrij forschen eed, bevestigde hij dit laatstegezegde door een krachtige manoeuvre met de bierkan. Toen schoof hij het raam open en tikte het meisje op den schouder.“Bu, bu!” kreet het onwijze kind en hapte naar den stok, waarmeê het was geraakt.“Houd je snater, malloot!” riep de vader, “of ik kom je met den stok op je ligchaam!”Het kind, den opgeheven stok ziende, begon te janken als een hond; maar de vreemde dame, die bij het laatste gedeelte van het gesprek toegeluisterd had, vloog toe, en terwijl een gloed van toorn haar schoon gelaat bedekte, hield zij de hand des vaders terug.“Ik vraag u excus, schoone dame!” viel de dikke heer lagchend in: “ik speelde maar met het kind. Ze heeft zoo geen gevoel van tikjes; ze is zoo weekelijk niet opgebragt, als de rijkeluiskinderen.”Het schoone meisje sloeg de oogen neder en keerde zich om. Een traan kwam in haar oog, toen zij den bejaarden heer omhelsde en kuste. “Ook ik ben achttien jaar, zeide zij, “en ik heb u tot vader.”Mr. Sorvels ging echter, zonder zich aan zulkescèneste ergeren, of zich in het minste om zijne gasten te generen, voort met proeven van zijne ouderliefde en teederheid van gevoel te geven. Zijne stem werd intusschen heesch en zijn gang moeijelijk. “Ja, ik heb ze allen onder appèl!” riep hij uit, terwijl hij op zijn duim floot, waarop uit verschillende deuren vier of vijf zeer morsige kinderen te voorschijn kwamen en vroegen wat hun papa beliefde.“Dat je allemaal weêr heengaat, waar je van daan gekomen zijt,” riep de oude heer, “en die het laatst in de kamer is, sla ik de ribben stuk.”Als door een tooverwoord verdwenen de kinderen, misschien omdat zij hun vader als een waarheidlievend man kenden.De bejaarde heer was intusschen met zijne dochter naarbuiten gegaan, waar hij liever zijn rijtuig wilde afwachten, dan in het onderhoudend gezelschap in de zaal.—De vrienden, die ook lieverscènesvan anderen aard bijwoonden verzochten den kastelein hun wat rust te laten, of een ander apartement aan te wijzen.“Wat rust?” riep de man, terwijl hij op zijne beenen voortwaggelde. “Ik sta je niet in den weg, maar ik ben hier in mijn eigen huis, en ik moet voor mijne kinderen zorgen; weet je dat met je rust? Maar ik zal heengaan, omdat ik mijn wereld versta, hoort ge? maar als ik blijven wou, dan bleef ik. Goeden dag!”En de man, die op den geboortedag van zijn achtste kind eenige uren vroeger, dan hij gewoon was, fusthoogte had bereikt, zeilde naar eene deur aan het eind van het vertrek, die hij achter zich geopend liet, en daardoor den vrijen inkijk in de kraamkamer aan de vrienden vergunde.“Leg je daar met je leelijke marmot?” was de eerste phrase, die hij zijne beminde wederhelft toevoegde.En hierop volgde een discours tusschen de beide echtelingen, dat met vrij veel levendigheid werd gevoerd. De vrouw begon met haren gemaal een beest te noemen, waarbij zij een epitheton voegde, dat kennelijk op den staat van beschonkenheid doelde. De gemaal weêrlegde dit argument met haar als een lui wijfjesvarken te begroeten, waarop de teedere echtgenoote eenige gillen slaakte, en iets van besterven sprak, bij welke gelegenheid zij een teug uit een flaconkirschwassernam, dat te Constants een zeer dienstige drank voor jonge kraamvrouwen schijnt te wezen. Hierop begon de lieve eerstgeborene te schreeuwen, en de gemaal proponeerde derhalve den telg der huwelijksmin in het meer te werpen; waarop weder de gemalin sprak van ontaarde vaders en menschen erger dan de beesten; welk gezegde de dikke heer zich aantrok, en een stok in de hoogte hield, waarop de jonge moeder een nieuwe teugkirschwassernam, en nu de flesch aan harenechtvriend voorhield, ten einde Z.Ed. de hersenpan in te slaan. Een paar oudere zoontjes der gelukkige echtelingen, waarschijnlijk meenende dat papa gefloten had, hingen hem nu aan de beenen, en een dochtertje stond aan haar moeders bed, en scheen de aandacht op het voorvallende te willen vestigen, door zeer voorbarig “moord” en zeer ontijdig “brand” te roepen, terwijl de oudste dochter in de tafelstoel zich de handen aan bloed sloeg, en harder dan ooit “bu, bu, bu!” riep. Het was een zeer levendig tooneeltje, doch dat als onopgemerkt passeerde voor dekellners, die daarin niets bijzonders schenen te vinden en intusschen met groote bedaardheid de tafel begonnen te dekken.“Zoo’nscènetoont je nu eens aan, hoe veel geluk het huwelijk oplevert!” riep de Morder, terwijl hem onwillekeurig de drie vergeefsche aanzoeken, die hij in der tijd tot dat einde gedaan had, voor den geest kwamen.“Niet steeds is de liefde bestendig van duur,Hoe snel zij den boezem deed jagen”begon Torteltak te reciteeren.“Bier is toch erger dan de cholera,” zeide Veervlug.“Ik moet eens zien, dat ik dat misverstand doe ophouden,” zei Pols, en met moed stapte hij de kraamkamer binnen.Zijne komst had evenwel niet terstond die uitwerking, die hij gewacht had; want de echtelingen gingen voort elkander zeer onvriendelijke gezegden toe te voegen; maar toen zij in diervoege elkander hun gemoed hadden uitgestort, begon de vrouw luid te weenen, en aan Pols te vragen, of hij ooit zoo’n ongelukkige en mishandelde vrouw gezien had.“En zou het wonder wezen, dat ik een ongeluk aan mijzelven beging?” vroeg de man.“En dat nog wel eene kraamvrouw!” snikte zij.“En dat nog wel op den dag, dat zij mij eene nieuwedochter in huis heeft durven brengen!” riep hij woedend uit.Pols vond het evenwel geraden deze vragen der echtelingen niet te beantwoorden; maar, hetzij dat zijn eigen gevoel, of wel het recit van Torteltak dit idée bij hem verwekte, hij besloot de ouders door middel van hun kind te verzoenen. Hij nam derhalve het pas geboren wichtje uit de wieg, en het in de hoogte houdende, zeide hij op zeer aandoenlijken toon: “Dit onschuldig wicht smeekt om uw beider liefde.”Dit gezegde had uitwerking: want de vader riep dadelijk uit: “Smijt het in het meer, en je zult zien, dat zij haar kind nog niet eens naspringt.”“Hang het aan de beenen op,” zei de moeder, “en het monster zal het nog niet eens afsnijden.”Pols keek even verbaasd op, als de redenaar, die onder het uiten zijner meest oratorische passage het signaal tot neuzensnuiten en hoesten ziet geven. “Wat zal ik met u kindje doen?” vroeg hij met onrust.“Neem het meê,” riep de vrouw: “dan redt gij het van zijn bederf en van zijn vader.”“Wel ja, doe dat!” riep de man: “dan zijn wij het met fatsoen kwijt.”Daar dit evenwel niet in het plan lag van onzen vriend legde hij het wichtje weêr voorzigtig in zijn wiegje neder, en stapte langzaam en treurig de kamer uit.“Ik geloof niet dat er iets is, dat die menschen tot rust en eensgezindheid kan brengen,” zei hij teleurgesteld tot zijn vrienden.Maar hij vergiste zich; want naauwelijks had hij de kraamvrouw verlaten, toen de man, uitgeput en bedwelmd door zijn krachtige redeneringen en zijn nog krachtiger bier, op den grond neêrzonk en in een vasten slaap insliep.En toen de vrouw nog een teugjekirschwassergenomen had, daalde ook de slaap over haar neder, en zij accompagneerde snurkende haar snurkende gemaal.De Kraamvisite.De Kraamvisite.Toen heerschte er rust en eensgezindheid bij de gelukkige echtelingen.Het voorgevallene in het hotel maakte slechts kort een onderwerp van discours uit tusschen de vrienden en den vreemden heer en dame, met welke zij zich voor de deur vereenigd hadden.Toen evenwel het gesprek, dat natuurlijk over Zwitserland, reizen, aangename ontmoetingen en dergelijke zaken gerouleerd had, een weinig levendig begon te worden, kwam het reisrijtuig van de twee vreemdelingen voor, en de vrienden maakten zich gereed om voor altijd afscheid van hen te nemen. Maar juist toen de dame in decalêchewil stappen, hoort zij den jongeling, die haar in het rijtuig helpt, door een zijner vrienden met den naam van Torteltak noemen. Met vrolijke belangstelling keert zij zich tot hem, en vraagt: “Is u Mijnheer Torteltak uit Holland?”De jongeling beantwoordde deze vraag, die hem verwonderde, toestemmend.“En hebt ge te Kleef Ambrosine Korenaar ontmoet?”“Ik had het geluk...” zegt de jongeling blozend.“Dan weet ik genoeg; dat is heerlijk. He, papa! Is dat niet toevallig? Die heer is Mijnheer Torteltak, die met Ambrosine Korenaar geëngageerd is!”“Dat is te zeggen....” valt de jongeling in.“Nu, nu, geen woord meer,” zegt het meisje, hem met hartelijkheid de hand drukkende. “Wij moeten voort; maar gij gaat immers naar Straatsburg? Gij kunt ons vinden in hetHotel de Paris.
Hoofdstuk XXVIII.Hetwelk aantoont, dat het zeer gevaarlijk is, te digt langs een afgrond te wandelen.Als men van Locarno of Bellinzona de reis naar het noorden wil ondernemen, en men besloten heeft niet den weg over den Simplon te volgen, dan steekt er niets wonderlijks in, dat men den St. Gothard overtrekt die een vrij gemakkelijken en gebaanden weg aanbiedt; want gelijk reeds in de vorige eeuw deDuchess of Devonshireaanmerkte:“’Midst tow’ring cliffs and tracts of endless coldTh’industrious path pervades the rugged stone,And seems................................A granite girdle o’er the mountain thrown.”en sedert het bezoek van de edele Georgiana heeft de kunst nog steeds het hare bijgebragt, om den weg te verbeteren en te verfraaijen.De zon begon reeds te dalen, voordat het reisgezelschap van Polsbroekerwoud den top des bergs had bereikt, en schoon zij zich aan het Hospenthal noch te Audermat ophielden, zagen zij duidelijk, dat zij moeijelijk vóór den nacht Amsteg konden bereiken, en trokken daarom met den meesten spoed voorwaarts. Reeds begon zich het licht aan de enge bergwegen te onttrekken, toen zij aan de plaats kwamen, waar de Reuss zich met donderend geweld van de rotsen afstort, en zij zagen de wateren, in de hoogte nog door de stralen der avondzon gekleurd, als zwarte stroomen door den afgrond inzwelgen. Het was een koudeavond; de wind woei snerpend en dikke wolken rustten op de duizendvoetenhooge rotsen, of werden door de spitse toppen vaneengescheurd. In sombere stilte gingen de reizigers langs de afgronden en onder de duistere galerijen tusschen de Duivelsbrug en den Pfaffensprung voort; de woeste natuur vervulde hen met ernst en bijna met schrik. Schoon zij er aan gewoon waren, weinige menschen op hunne wegen te zien, zagen zij nu angstig om zich heen, of niet nog eenig levend wezen hen zou ontmoeten, als om hen de verzekering te geven, dat daarginds, aan het einde dier naakte rotswanden en akelige holen, eene lagchende en bloeijende vallei hen wachtte, waar herbergzaamheid en gezelligheid woonden. Doch niets hoorden zij dan het steeds afnemend gedruisch van den bergstroom; niets ontdekte hun oog dan vervaarlijke steenklompen, die over den weg neêrhingen en slechts een wenk schenen af te wachten om in een oogenblik het menschelijk kunstwerk van jaren te vernielen. Maar toen zij nu uit de lange en donkere galerij van de Schoellenen weêr in de vrije lucht kwamen, zagen zij op korten afstand voor zich eene witte gestalte, die zich bewoog.“Ik geloof dat ik menschen zie!” riep Veervlug vrolijk uit.“Als het in ’s Hemels naam maar niet de geest van den monnik is,” zegt de gids.“Daar zijn geen spoken,” zegt Pols, die wit wordt als een doek.Zij kwamen nader en Pols had gelijk; het was geen spook, maar eene jonge vrouw in ligte kleeding, wier sluijer om een kruis woei, waartegen zij geknield lag. Naast haar stonden twee mannen, die elk harer bewegingen gadesloegen. Op den achtergrond hield een rijtuig stil.Verwonderd bleven de vrienden op een afstand staan; maar nu zagen zij haar op eens haastig oprijzen en in woeste beweging de handen omhoogslaan. Zij doet een stap voorwaarts naar den steilen afgrond, en als belette haareene hevige benaauwdheid te spreken, zegt zij op afgebroken toon: “Adolf—mijn Adolf—kom—geef mij mijn kind!—Ik wacht u, o God, ik wacht u—zoo lang!” En zij maakt een beweging, als wilde zij zich in de diepte storten.Holstaff zoekt naar zijn zakdoek. Pols merkt aan, dat die vrouw zeker niet bij haar positive was. Torteltak schiet toe; maar reeds hebben hare geleiders haar naar de andere zijde des wegs voortgetrokken. Op eens ziet zij den jongeling, en terwijl zij zich tracht los te rukken, roept zij: “Niet waar, gij komt van hem? maar waar is mijn kind?”Torteltak ziet haar verschrikt aan, en slaat angstig de oogen neder.“O God, is het dan waar? dood, dood, beiden dood!” en haar hoofd zinkt op den arm van een der mannen, en de kleur des doods verspreidt zich op haar gelaat. Zij ligt bewusteloos neder.Maar op eens, schoon nog hare oogen gesloten zijn, schijnt het leven in haar terug te keeren. Zij strekt haren arm uit, en drukt de hand aan haar hoofd. “O was die benaauwde droom maar uit!” riep zij. “Adolf! mijn geliefde! maak toch mij wakker!... Ha, daar hoor ik hem, ik hoor mijn kind, ja ik hoor u, mijn lieve zoete Anton! uw moeder komt!”En zij leunt tegen de hoogte aan, terwijl zij zich beweegt als wiegde zij een kind in slaap. Op eens begint zij met zachte stem te zingen:“Schlummre sanft! Noch an dem MutterherzenFühlst Du nicht des Lebens Qual und Lust;Deine Träume kennen keine Schmerzen;Deine Welt ist Deiner Mutter Brust.”De maan, die langzamerhand over de bergen begon op te gaan, wierp een flaauw licht tusschen de rotsen, waar dit tooneel plaats had. In haar schijnsel vertoonde zich aan het oog der reizigers eene schoone, jonge vrouw, dochwier gelaat met een doodelijk bleek was overtogen, en wier oogen vol smachtende liefde op haren schoot waren gewend, waar zeker dikwijls een teeder knaapje had gerust, maar die nu ledig was.De schoone moeder slaat de oogen op, en daar ziet zij Torteltak weder; maar nu verschijnt er eene woeste vreugd op haar gelaat: zij vliegt tot hem, sluit hem teeder in hare armen. “Ha, ha, zijt ge daar, mijn geliefde, mijn dierbaarste!—Ja, ik wist wel, gij moest mij plagen—ik had u een kus geweigerd—maar o, ik was zoo ongerust!—ik had zoo veel pijn—hier,—hier!” Zij drukte de hand des jongeling met kracht op haar hart.Torteltak tracht te spreken; maar zij legt hem de hand op den mond. “St! st!—maak Anton niet wakker—hij slaapt, de lieve engel. Hier, zie hem!”“Mevrouw!” zegt Torteltak, sidderend van medelijden en schrik.Zij ziet hem aan, en een vreeselijke gil klinkt hem in de ooren. “Neen, ik ken u niet!—o God! het is dan geen droom!”—Een gloeijend rood bedekt haar geheel gelaat; vreeselijk wild rollen hare oogen; zij rukt zich los en vliegt naar den afgrond. “Ja, ik kom, mijne geliefden! gij hebt mij al te lang gewacht,—daar—in de diepte!”Maar de twee mannen, die met haar waren, en Torteltak, weêrhielden haar nog in tijds. Vruchteloos spande zij hare laatste krachten in, om zich los te rukken. “O God! help mij, mijn Adolf! ze willen mij van u scheiden, en ben ik dan Anton’s moeder niet?” Maar nu zonk zij ook uitgeput in des jongelings armen, die haar in het rijtuig droeg; een der geleiders plaatste zich met Torteltak bij haar, en de calêche reed met spoed naar Amsteg.De andere der mannen, die met de overige vrienden te voet denzelfden weg insloeg, deelde hun nu mede, dat voor drie dagen in het logementde Engelte Amsteg, waarvan hij deGastgeberwas, een jong paar met een kindvan twee jaren den nacht had doorgebracht. Zij hadden bij hem een rijtuig naar Bellinzona aangenomen en waren den berg opgereden; maar in de nabijheid van den Pfaffensprung waren zij afgestapt, om, voor het rijtuig uit wandelende, de woeste natuurtooneelen beter te kunnen opnemen. Aan de plaats gekomen, die zij nu verlieten, had de jonge moeder, die haar kind droeg, te digt langs den afgrond gewandeld; eene onverwachte beweging van het knaapje deed haar het evenwigt verliezen, en zij stortte naar de diepte neder. Gelukkig bleef zij met haar kleed aan een boomstronk hangen, en geen minuut verliep, of de man had haar reeds in zijne armen. Maar nu roept zij op eens: “Mijn kind!” De man ziet dat zij den lieven knaap niet meer op den arm heeft, loopt terug, ziet het in de diepte neêrgestort, en de ongelukkige, als had hij het levenlooze wicht nog kunnen redden, werpt zich in den afgrond. Op één rotsklomp hebben zij beiden den dood gevonden, en de bergstroom heeft hen heengevoerd, de Hemel weet waarheen. De vrouw, die op den weg als vastgenageld stond, werd door den koetsier in het rijtuig gedragen, en kwam weinige uren later op die plaats, die zij zoo gelukkig en vrolijk verlaten had, als kinderlooze weduwe terug. Zij zag strak voor zich neder, sprak niet, en gebruikte geen voedsel. Zij liet een houten kruis maken, dat zij zelve op de plaats wilde zien planten. De kastelein en zijn broeder vergezelden haar, en zij kwamen aan, weinige oogenblikken nadat het kruis was opgerigt. Maar toen nu de vrouw op de plaats kwam, waar het ongeluk gebeurd was, scheen zij op eens al hare bedaardheid te verliezen, zoo de toestand, waarin zij verkeerd had, dien naam kon dragen. Van het overige waren de reizigers zelve getuigen geweest.Dit verhaal en het voorgevallene had de vrienden zeer getroffen; vermoeid en treurig kwamen zij inde EngelteAmsteg aan. Zij vonden Torteltak in de hevigste agitatie. De jonge vrouw was nog steeds zonder bewustheid.“Ik heb haar meer gezien,” riep de jongeling “maar zij kan het toch niet wezen. Neen, dat is onmogelijk.—Kastelein, weet gij den naam ook van den ongelukkigen reiziger?”“De Heer Sindenton uit Aken,” antwoordde deze.Torteltak zonk uitgeput op een stoel neder, en weende.
Hetwelk aantoont, dat het zeer gevaarlijk is, te digt langs een afgrond te wandelen.
Hetwelk aantoont, dat het zeer gevaarlijk is, te digt langs een afgrond te wandelen.
Als men van Locarno of Bellinzona de reis naar het noorden wil ondernemen, en men besloten heeft niet den weg over den Simplon te volgen, dan steekt er niets wonderlijks in, dat men den St. Gothard overtrekt die een vrij gemakkelijken en gebaanden weg aanbiedt; want gelijk reeds in de vorige eeuw deDuchess of Devonshireaanmerkte:
“’Midst tow’ring cliffs and tracts of endless coldTh’industrious path pervades the rugged stone,And seems................................A granite girdle o’er the mountain thrown.”
“’Midst tow’ring cliffs and tracts of endless cold
Th’industrious path pervades the rugged stone,
And seems................................
A granite girdle o’er the mountain thrown.”
en sedert het bezoek van de edele Georgiana heeft de kunst nog steeds het hare bijgebragt, om den weg te verbeteren en te verfraaijen.
De zon begon reeds te dalen, voordat het reisgezelschap van Polsbroekerwoud den top des bergs had bereikt, en schoon zij zich aan het Hospenthal noch te Audermat ophielden, zagen zij duidelijk, dat zij moeijelijk vóór den nacht Amsteg konden bereiken, en trokken daarom met den meesten spoed voorwaarts. Reeds begon zich het licht aan de enge bergwegen te onttrekken, toen zij aan de plaats kwamen, waar de Reuss zich met donderend geweld van de rotsen afstort, en zij zagen de wateren, in de hoogte nog door de stralen der avondzon gekleurd, als zwarte stroomen door den afgrond inzwelgen. Het was een koudeavond; de wind woei snerpend en dikke wolken rustten op de duizendvoetenhooge rotsen, of werden door de spitse toppen vaneengescheurd. In sombere stilte gingen de reizigers langs de afgronden en onder de duistere galerijen tusschen de Duivelsbrug en den Pfaffensprung voort; de woeste natuur vervulde hen met ernst en bijna met schrik. Schoon zij er aan gewoon waren, weinige menschen op hunne wegen te zien, zagen zij nu angstig om zich heen, of niet nog eenig levend wezen hen zou ontmoeten, als om hen de verzekering te geven, dat daarginds, aan het einde dier naakte rotswanden en akelige holen, eene lagchende en bloeijende vallei hen wachtte, waar herbergzaamheid en gezelligheid woonden. Doch niets hoorden zij dan het steeds afnemend gedruisch van den bergstroom; niets ontdekte hun oog dan vervaarlijke steenklompen, die over den weg neêrhingen en slechts een wenk schenen af te wachten om in een oogenblik het menschelijk kunstwerk van jaren te vernielen. Maar toen zij nu uit de lange en donkere galerij van de Schoellenen weêr in de vrije lucht kwamen, zagen zij op korten afstand voor zich eene witte gestalte, die zich bewoog.
“Ik geloof dat ik menschen zie!” riep Veervlug vrolijk uit.
“Als het in ’s Hemels naam maar niet de geest van den monnik is,” zegt de gids.
“Daar zijn geen spoken,” zegt Pols, die wit wordt als een doek.
Zij kwamen nader en Pols had gelijk; het was geen spook, maar eene jonge vrouw in ligte kleeding, wier sluijer om een kruis woei, waartegen zij geknield lag. Naast haar stonden twee mannen, die elk harer bewegingen gadesloegen. Op den achtergrond hield een rijtuig stil.
Verwonderd bleven de vrienden op een afstand staan; maar nu zagen zij haar op eens haastig oprijzen en in woeste beweging de handen omhoogslaan. Zij doet een stap voorwaarts naar den steilen afgrond, en als belette haareene hevige benaauwdheid te spreken, zegt zij op afgebroken toon: “Adolf—mijn Adolf—kom—geef mij mijn kind!—Ik wacht u, o God, ik wacht u—zoo lang!” En zij maakt een beweging, als wilde zij zich in de diepte storten.
Holstaff zoekt naar zijn zakdoek. Pols merkt aan, dat die vrouw zeker niet bij haar positive was. Torteltak schiet toe; maar reeds hebben hare geleiders haar naar de andere zijde des wegs voortgetrokken. Op eens ziet zij den jongeling, en terwijl zij zich tracht los te rukken, roept zij: “Niet waar, gij komt van hem? maar waar is mijn kind?”
Torteltak ziet haar verschrikt aan, en slaat angstig de oogen neder.
“O God, is het dan waar? dood, dood, beiden dood!” en haar hoofd zinkt op den arm van een der mannen, en de kleur des doods verspreidt zich op haar gelaat. Zij ligt bewusteloos neder.
Maar op eens, schoon nog hare oogen gesloten zijn, schijnt het leven in haar terug te keeren. Zij strekt haren arm uit, en drukt de hand aan haar hoofd. “O was die benaauwde droom maar uit!” riep zij. “Adolf! mijn geliefde! maak toch mij wakker!... Ha, daar hoor ik hem, ik hoor mijn kind, ja ik hoor u, mijn lieve zoete Anton! uw moeder komt!”
En zij leunt tegen de hoogte aan, terwijl zij zich beweegt als wiegde zij een kind in slaap. Op eens begint zij met zachte stem te zingen:
“Schlummre sanft! Noch an dem MutterherzenFühlst Du nicht des Lebens Qual und Lust;Deine Träume kennen keine Schmerzen;Deine Welt ist Deiner Mutter Brust.”
“Schlummre sanft! Noch an dem Mutterherzen
Fühlst Du nicht des Lebens Qual und Lust;
Deine Träume kennen keine Schmerzen;
Deine Welt ist Deiner Mutter Brust.”
De maan, die langzamerhand over de bergen begon op te gaan, wierp een flaauw licht tusschen de rotsen, waar dit tooneel plaats had. In haar schijnsel vertoonde zich aan het oog der reizigers eene schoone, jonge vrouw, dochwier gelaat met een doodelijk bleek was overtogen, en wier oogen vol smachtende liefde op haren schoot waren gewend, waar zeker dikwijls een teeder knaapje had gerust, maar die nu ledig was.
De schoone moeder slaat de oogen op, en daar ziet zij Torteltak weder; maar nu verschijnt er eene woeste vreugd op haar gelaat: zij vliegt tot hem, sluit hem teeder in hare armen. “Ha, ha, zijt ge daar, mijn geliefde, mijn dierbaarste!—Ja, ik wist wel, gij moest mij plagen—ik had u een kus geweigerd—maar o, ik was zoo ongerust!—ik had zoo veel pijn—hier,—hier!” Zij drukte de hand des jongeling met kracht op haar hart.
Torteltak tracht te spreken; maar zij legt hem de hand op den mond. “St! st!—maak Anton niet wakker—hij slaapt, de lieve engel. Hier, zie hem!”
“Mevrouw!” zegt Torteltak, sidderend van medelijden en schrik.
Zij ziet hem aan, en een vreeselijke gil klinkt hem in de ooren. “Neen, ik ken u niet!—o God! het is dan geen droom!”—Een gloeijend rood bedekt haar geheel gelaat; vreeselijk wild rollen hare oogen; zij rukt zich los en vliegt naar den afgrond. “Ja, ik kom, mijne geliefden! gij hebt mij al te lang gewacht,—daar—in de diepte!”
Maar de twee mannen, die met haar waren, en Torteltak, weêrhielden haar nog in tijds. Vruchteloos spande zij hare laatste krachten in, om zich los te rukken. “O God! help mij, mijn Adolf! ze willen mij van u scheiden, en ben ik dan Anton’s moeder niet?” Maar nu zonk zij ook uitgeput in des jongelings armen, die haar in het rijtuig droeg; een der geleiders plaatste zich met Torteltak bij haar, en de calêche reed met spoed naar Amsteg.
De andere der mannen, die met de overige vrienden te voet denzelfden weg insloeg, deelde hun nu mede, dat voor drie dagen in het logementde Engelte Amsteg, waarvan hij deGastgeberwas, een jong paar met een kindvan twee jaren den nacht had doorgebracht. Zij hadden bij hem een rijtuig naar Bellinzona aangenomen en waren den berg opgereden; maar in de nabijheid van den Pfaffensprung waren zij afgestapt, om, voor het rijtuig uit wandelende, de woeste natuurtooneelen beter te kunnen opnemen. Aan de plaats gekomen, die zij nu verlieten, had de jonge moeder, die haar kind droeg, te digt langs den afgrond gewandeld; eene onverwachte beweging van het knaapje deed haar het evenwigt verliezen, en zij stortte naar de diepte neder. Gelukkig bleef zij met haar kleed aan een boomstronk hangen, en geen minuut verliep, of de man had haar reeds in zijne armen. Maar nu roept zij op eens: “Mijn kind!” De man ziet dat zij den lieven knaap niet meer op den arm heeft, loopt terug, ziet het in de diepte neêrgestort, en de ongelukkige, als had hij het levenlooze wicht nog kunnen redden, werpt zich in den afgrond. Op één rotsklomp hebben zij beiden den dood gevonden, en de bergstroom heeft hen heengevoerd, de Hemel weet waarheen. De vrouw, die op den weg als vastgenageld stond, werd door den koetsier in het rijtuig gedragen, en kwam weinige uren later op die plaats, die zij zoo gelukkig en vrolijk verlaten had, als kinderlooze weduwe terug. Zij zag strak voor zich neder, sprak niet, en gebruikte geen voedsel. Zij liet een houten kruis maken, dat zij zelve op de plaats wilde zien planten. De kastelein en zijn broeder vergezelden haar, en zij kwamen aan, weinige oogenblikken nadat het kruis was opgerigt. Maar toen nu de vrouw op de plaats kwam, waar het ongeluk gebeurd was, scheen zij op eens al hare bedaardheid te verliezen, zoo de toestand, waarin zij verkeerd had, dien naam kon dragen. Van het overige waren de reizigers zelve getuigen geweest.
Dit verhaal en het voorgevallene had de vrienden zeer getroffen; vermoeid en treurig kwamen zij inde EngelteAmsteg aan. Zij vonden Torteltak in de hevigste agitatie. De jonge vrouw was nog steeds zonder bewustheid.
“Ik heb haar meer gezien,” riep de jongeling “maar zij kan het toch niet wezen. Neen, dat is onmogelijk.—Kastelein, weet gij den naam ook van den ongelukkigen reiziger?”
“De Heer Sindenton uit Aken,” antwoordde deze.
Torteltak zonk uitgeput op een stoel neder, en weende.
Hoofdstuk XXIX.Waarin de reizigers eenig oponthoud hebben, maar dat de lezer zonder oponthoud kan eindigen.Treffende en treurige voorvallen, die den mensch ontmoeten, laten natuurlijk altijd eenigen indruk bij hem na. Indien hij nu zelf in die rampen en ongelukken betrokken is, dringt die indruk dieper door; maar het diepst, wanneer zij met zijne eigene omstandigheden, of zelfs met zijn leven, in naauw verband staan. Een smartelijk verlies, waarvoor de mensch misschien troost zou kunnen, de Christen moeten vinden, maar dat in zijne geheele manier van zijn en handelen eene merkbare verandering te weeg brengt, doet hem daarom misschien te langer pijn, omdat hij, bij het onaangename van ieder dier veranderingen, tot de oorzaak opklimt, die hem daartoe dwingt, en deze op nieuw in al hare verschrikkelijkheid voor zich ziet, terwijl bij een anderen, in wien het even treurige gewaarwordingen verwekt, maar minder in zijn leven indringt, en hem in dit opzigt laat wie hij is, spoediger het bittere der droefheid wordt weggenomen, en in zacht, weemoedig smartgevoel veranderd.De indruk der treurige scène, waarvan zij op den Saint-Gothard getuigen waren geweest, op de vrienden liet het langst sporen na bij Torteltak, als den eenigen, die tot Sindenton in naauwere betrekking had gestaan; en nog zult gij hem nooit over dit voorval hooren spreken, zonder dat hij daarbij eenige weemoedige treurigheid openbaart. Maar toch, daar waren door den dood des jongelings geenebanden losgescheurd; want de betrekking, waarin zij tot elkander gestaan hadden, was meer eene gewoonte van omgaan geweest, dan eene teedere vriendschap. Indien hij zijn ouden kennis niet voor weinige dagen te Aken had ontmoet en zich niet zoo had verlustigd in zijn geluk, zou hij, bij het vernemen der treurmare, zich misschien vergenoegd hebben met den uitroep: “Die arme duivel! hij is er ook alweêr geweest. Hij was een beste jongen.”—Maar nu was het hem, alsof een schoone schilderij, in welks beschouwing hij zich meermalen verlustigde, als hij zich in zijne verbeelding op den Louisberg verplaatste, op eens totaal voor hem was bedorven; en schoon hij ook oogenblikken had, waarin hij dacht, dat hij er waarlijk ongelukkig door was, zijn gevoel verdiende meer den naam van spijt dan van droefheid; het was voor hem meer jammer dan ongelukkig.Maar met dat al, de eerste dagen na de treurige ontmoeting was hij geheel onvatbaar voor de verschillende reisgenoegens, die de anderen langzamerhand weêr begonnen te smaken. Doch wel begrijpende, dat zijne vrienden niet op den duur sympathie met zijne smart konden hebben, was hij verstandig genoeg, zijne klagten voor zich te houden, uit vrees dat er bij hun medelijdend “ja, ’t is heel naar en akelig, ook voor u,” niet eindelijk onwillekeurig het denkbeeld zou opkomen: “maar toch ook voor ons, dat hij altijd met Jeremiades aankomt.”Het was hem nu intusschen heel welkom, dat het in hun reisplan lag, om den retour vrij expediet af te leggen. Zij bezagen dan ook maar vlugtig het land, waar Willem Tell vóór ettelijke eeuwen zulk eene verbazende rol speelde schoon zij zich verwonderden, dat op de plaats zelve de historie een minder levendigen indruk op hen maakte, dan toen zij ze uit hunne kinderboekjes vernamen. Zij namen evenwel, als conscienteuse reizigers, de verschillende kapellen in oogenschouw, die te Burglen en op denTell’sPlatteter eere van den grondlegger der vrijheid gesticht zijn, en die door smakeloosheid van bouworde uitmunten, en met minder schoone schilderstukken zijn versierd, dan de gravures, die wij er bij ons te land van aantreffen in plattelands-herbergen, of bij onze oude keukenmeid, die met een tuinknecht getrouwd is.Van Brunnen is men in korten tijd te Zurich, als de paarden goed loopen en maar een ligt rijtuig te trekken hebben. Dit ondervonden de vrienden, en zij hoopten nu ook zonder verder oponthoud te Constants te zullen komen, waarheen zij, boven op de diligence gezeten, ’s morgens ten zes ure vertrokken.Geheel zonder oponthoud voleinden zij echter deze reis niet; want terwijl zij, door een lieflijken zonneschijn gestoofd, in een aangenaam dutje verzonken waren, waarschijnlijk om zich de streken, die zij doortrokken, zoo mooi als zij zelve wilden te kunnen voorstellen, werden zij op eenmaal in de nabijheid van Frauenfeld in hunne meditaties gestoord in toevallig juist een ondeelbaar oogenblik, nadat het breken van de as de diligence had doen omvervallen.“Zijn wij hier aan eene pleisterplaats?” vroeg Pols, die vrij vast geslapen had en nu vrij onzacht op den grond neêrkwam.“Ja, ik ben wakker, ik sta al op: maar schud me zoo niet!” riep Veervlug, die naast hem in een hoop zand werd geworpen.“Mijnheer! zie wat beter voor u!” zei een slaperig heer in den wagen, die een half dozijn passagiers op zijn lijf kreeg.“Ach, conducteur! laat er mij maar uit, want ik houd niets van ongelukken!” riep een dametje.“Ik ben dood!” schreeuwde een Franschman, met drift uit de cabriolet springende.En ieder der passagiers, die in en naast de omgevallenediligence lagen, scheen zich verpligt te gevoelen, door eene meer of minder gepaste phrase te kennen te geven, dat dit evenement niet onopgemerkt voor hem had plaats gehad.Weinige oogenblikken later stonden al de reizigers op den straatweg de paarden na te staren, die volstrekt niet verschrikt waren, maar begrepen, dat zij op hun tijd op het station Frauenfeld moesten aankomen. Bij de passagiers openbaarde zich nog eenige oogenblikken bezorgdheid voor hunne goederen; vooral het dametje, dat niet van ongelukken hield, nam informatiën naar hare hoedendoos maar de conducteur beloofde voor alles te zullen zorgen, en ook aan het verlangen der dame te voldoen, dat de doos toch vooral niet scheef gehouden werd. En daar de poort van Frauenfeld reeds in het gezigt was, besloten de reizigers niet op hun regt te staan, om daar in staatsie binnen te rijden, maar liever door eene kleine wandeling den schrik wat te verzetten. Allen konden zich verheugen goed van de reis te zijn afgekomen, met uitzondering van eene dame, die aan haar linkeroog de aanraking had gevoeld van de laars van haren overbuur, welke laars meer indruk op haar gemaakt had, dan deoeuillades, die hij haar sedert uren had toegeworpen.De waard uithet Hert, die de paarden op stal had zien aankomen, maar door dezen niet genoeg inlichtingen had kunnen bekomen omtrent het gebeurde, maakte nu uit de verschillende kreten en uitroepen op, waarom de diligence niet was meêgekomen, en de vrolijkeKellnerJacques, die ieder der reizigers een glaskirschwasseropdrong om weêr wat bij te komen, verzocht al de passagiers geen rancune op de diligence te houden en familiaar in het hotel te blijven dineren.Het ontbreekt na dergelijke voorvallen zelden aan discoursen tusschen menschen, die elkander vroeger vreemd waren, maar door gemeenschappelijk ongeluk verbroederd worden. In afwachting van hetdineren de geschikte gelegenheidom verder te reizen, plaatsten zich nu de reisgenooten in een cirkel, waarvan zich echter een jong paar uitsloot, dat zich liever eenigzins op den achtergrond hield. Om echter hunne reisgenooten niet af te matten door gissingen, waarom zij zich schenen af te zonderen, gaven deze jonge lieden zich de moeite, elkander teeder aan te zien, de hand te drukken, zamen niet meer dan vijf kwart stoel in te nemen, en meer dergelijke zaken, die op vrijerij duiden.Zij maakten daarenboven zeer dikwijls gebruik van het privilegie van geëngageerden, om veelvuldig te fluisteren, een voorregt, dat vele jongelingen, die niet sterk zijn op het punt van lieve geheimpjes, somtijds zeer zwaar valt op den regten prijs te schatten. Gelukkig dat allen, die zich op het liefde plegen toeleggen, als het meer aankomt op dadelijke liefkozingen en dergelijke zaken, die het gezigt van een verliefd paar voor een toeschouwer regt onderhoudend maken, goed te huis zijn.“Ik gaf wel honderdlouis d’or,dat de diligence niet omgevallen was! want ik ben zeer gepresseerd!” zei de Franschman die dood was, en er uitzag alsof hij nooit honderdfrancste gelijk in zijn beurs had gehad.“Pah!” riep een Duitscher: “is dat omvallen, en zonder dat iemand armen of beenen breekt! Ik heb te Rome ook eens met deRegio carriëroomgelegen; maar toen waren al de reizigers er om koud, behalve ik.”“Gij alleen over?” zei de Franschman: “dat was jammer.”“Ik hoop dat de conducteur nu maar oppast en mijn hoedendoos regt houdt,” riep het dametje; “anders zijn al mijn mutsen verkreukt.”“Maar, beste! het was toch een heel ongeluk!” fluisterde de verliefde, die door Veervlug beluisterd werd: “ben je nu toch waarlijk niet geschrikt?”“Neen, heusch niet; maar heb jij nergens pijn?” was het antwoord.“Je bent toch een engel!” fluisterde de jongeling.Deze zelfde phrases werden vijf malen binnen den tijd van zeven en een halve minuut gewisseld. Toen werd de jongeling op eens pathetisch, en vroeg met hevige rolling zijner oogen: “Maar beste! als ik nu toch eens onder de diligence verpletterd was?”“Ach Hemel! dan was ik ook verpletterd.”“Je bent toch een engel!” fluisterde de jongeling. “Maar wil je nu niets gebruiken? zijt ge waarlijk niet geschrikt?”“Waarlijk niet?” antwoordde het meisje, en zuchtte hoorbaar.“Ik woû dat ze nu met dat satansche eten kwamen!” riep de Franschman van de honderdlouis d’or, eenen heer in de rede vallende, die van een omgevallen diligence te Marseille verhaalde.“Beste!” fluisterde de verliefde jongeling, die een poosje op een fluistergesprek had zitten peinzen: “wat denk je dat we eten zouden?”“Ja, dat weet ik heusch niet, dierbare! misschien coteletten.”“Dat zou heerlijk wezen. Je bent toch een engel!” Maar nu ziet de jongeling een wijd veld tot lieve geheimen open, en gaat voort: “Waar houdt ge meer van, van rheevleesch of van faisanten?”“Ik weet het heusch niet. Wat vind jij het lekkerst?”“Ik rheevleesch.”“Nu, dan ik ook.” En het lieve meisje zag hem, na dit sterke bewijs harer liefde gegeven te hebben, met zoo teedere oogjes aan, dat het bijna in het geheel geen oogjes meer waren.“O Hemel!” zegt de jongeling: “zij is te edel en te groot voor de wereld!” En na zich hierin een oogenblikje verdiept te hebben, vraagt hij haar, terwijl zijne oogen van verliefdheid zijn hoofd schenen te verlaten: “Beste, houdt ge wel van een kalfskop?”“Kunt gij dat nog vragen?” zegt de schoone, hem evensmachtend aanziende, als een schelvisch op het strand de middagzon.“Je bent toch een engel!” En de jongeling staat op het punt zijne schoone te kussen.Juist wordt het eten opgedragen, en het eerste, wat de verrukte minnaar voor zich op tafel ziet, is een schotel coteletten.Een traan van vreugde schittert in des jongelings oogen, die hij beurtelings op den schotel en op zijne geliefde slaat. Ook de Franschman van de honderdlouis d’or, die nu zijne redenen meende te moeten openbaren, waarom hij hetdinermet zooveel verlangen te gemoet had gezien, scheen het op de coteletten te hebben gemunt, althans hij laadde er een aanzienlijk aantal van op zijn bord. Maar eer nog de schotel tot het jonge paar was gekomen, en toen hij er nog maar drie had ingezwolgen, riep hij uit, dat het vleesch taai was als de duivel, waarmede hij wilde te kennen geven, dat het zeer taai was.De arme minnaar werd bleek van schrik, en zijn meisje dat vroeger door zijne al te teedere blikken op den schotel bemerkt had, dat haar hart wel eenigzins voor jaloezij vatbaar was, werd nu vervuld van innig medelijden in deze bittere teleurstelling voor haren jongeling; krampachtig drukte hij haar de hand, toen de eerste beet hem had overtuigd, dat deFranschmande waarheid had gesproken. Op gelijke wijze werd die handdruk beantwoord; doch na weinige oogenblikken fluisterde zij er deze lieve en vertroostende woordjes bij: “Beste! ik hoop u nooit zoo te leur te stellen; ik zal altijd mijn best doen u malsch vleesch voor te zetten.”Een glans van genoegen en vreugde keerde weêr op des jongelings gelaat, en als twee illuminatieglazen schitterden zijne oogen, toen hij haar toevoegde: “Je bent toch een engel!”De Franschman ging voort met al het eten verfoeijelijkslecht te vinden en tevens van alles verbazende portiën te nuttigen, als wilde hij, zooveel in zijn vermogen was, die slechte spijzen van de aarde verdelgen. Hij ging tevens voort bij ieder zijner uitroepen onder verschillende benamingen den duivel aan te roepen, zoodat sommige leden van het gezelschap deze voor zijn beschermheilige begonnen te houden. De minnaar, die onder al dat afgekeurde eten, verschillende, zeer smakelijke zaken aantrof, liet zich geenszins onbetuigd; en wie dus in het gezelschap gemeend had, dat hij niets kon dan fluisteren, zag nu, dat hij den edelen jongeling deerlijk had miskend. Hij vond echter onder al deze werkzaamheden gedurig gelegenheid, om iets van zijne liefde te openbaren, en verstond meesterlijk de kunst, te gelijk met kakebeen en oogen te werken.Hetdinerkenmerkte zich overigens, zoo al niet door vrolijkheid, toch doorluidruchtigheid, vooral toen de reizigers bij het dessert zich verpligt gevoelden, hunne dankbaarheid voor levensbehoud en uitredding uit dreigend gevaar te betoonen door zich een halven roes te drinken aan besten Rijnwijn. Spoedig werden zij echter in deze hartverheffende pligtsbetrachting gestoord, daar de conducteur binnenkwam, en het gezelschap verzocht in de rijtuigen te klimmen, die hij te Frauenfeld had opgeloopen.“Maar, conducteur! staat mijn hoedendoos nu wel regt?” roept het dametje, dat niet van ongelukken hield.“Best, dame! en de mutsen, die er uitgevallen waren, heb ik er zelf weêr ingepakt.”“En hebt gij voor mijneffetsgezorgd?” vraagt de Franschman van de honderdlouis d’or.“Uw pakje ligt onder de bank in het eerste rijtuig.”“Ben je nu toch waarlijk niet bang?” fluistert de jongeling.“Neen, heusch niet.” En reeds zit de engel in den wagen.“Ik zal nu wakker blijven,” zegt Pols, terwijl hij inklimt; “want ik zou niet gaarne weêr omvallen.”En zonder verdere ongelukken ging de togt voort, en weinige uren later zag men de torens van Constants. Veervlug herkende ze dadelijk uit de decoratiën van deJuive, die hij in den Haag had zien opvoeren.
Waarin de reizigers eenig oponthoud hebben, maar dat de lezer zonder oponthoud kan eindigen.
Waarin de reizigers eenig oponthoud hebben, maar dat de lezer zonder oponthoud kan eindigen.
Treffende en treurige voorvallen, die den mensch ontmoeten, laten natuurlijk altijd eenigen indruk bij hem na. Indien hij nu zelf in die rampen en ongelukken betrokken is, dringt die indruk dieper door; maar het diepst, wanneer zij met zijne eigene omstandigheden, of zelfs met zijn leven, in naauw verband staan. Een smartelijk verlies, waarvoor de mensch misschien troost zou kunnen, de Christen moeten vinden, maar dat in zijne geheele manier van zijn en handelen eene merkbare verandering te weeg brengt, doet hem daarom misschien te langer pijn, omdat hij, bij het onaangename van ieder dier veranderingen, tot de oorzaak opklimt, die hem daartoe dwingt, en deze op nieuw in al hare verschrikkelijkheid voor zich ziet, terwijl bij een anderen, in wien het even treurige gewaarwordingen verwekt, maar minder in zijn leven indringt, en hem in dit opzigt laat wie hij is, spoediger het bittere der droefheid wordt weggenomen, en in zacht, weemoedig smartgevoel veranderd.
De indruk der treurige scène, waarvan zij op den Saint-Gothard getuigen waren geweest, op de vrienden liet het langst sporen na bij Torteltak, als den eenigen, die tot Sindenton in naauwere betrekking had gestaan; en nog zult gij hem nooit over dit voorval hooren spreken, zonder dat hij daarbij eenige weemoedige treurigheid openbaart. Maar toch, daar waren door den dood des jongelings geenebanden losgescheurd; want de betrekking, waarin zij tot elkander gestaan hadden, was meer eene gewoonte van omgaan geweest, dan eene teedere vriendschap. Indien hij zijn ouden kennis niet voor weinige dagen te Aken had ontmoet en zich niet zoo had verlustigd in zijn geluk, zou hij, bij het vernemen der treurmare, zich misschien vergenoegd hebben met den uitroep: “Die arme duivel! hij is er ook alweêr geweest. Hij was een beste jongen.”—Maar nu was het hem, alsof een schoone schilderij, in welks beschouwing hij zich meermalen verlustigde, als hij zich in zijne verbeelding op den Louisberg verplaatste, op eens totaal voor hem was bedorven; en schoon hij ook oogenblikken had, waarin hij dacht, dat hij er waarlijk ongelukkig door was, zijn gevoel verdiende meer den naam van spijt dan van droefheid; het was voor hem meer jammer dan ongelukkig.
Maar met dat al, de eerste dagen na de treurige ontmoeting was hij geheel onvatbaar voor de verschillende reisgenoegens, die de anderen langzamerhand weêr begonnen te smaken. Doch wel begrijpende, dat zijne vrienden niet op den duur sympathie met zijne smart konden hebben, was hij verstandig genoeg, zijne klagten voor zich te houden, uit vrees dat er bij hun medelijdend “ja, ’t is heel naar en akelig, ook voor u,” niet eindelijk onwillekeurig het denkbeeld zou opkomen: “maar toch ook voor ons, dat hij altijd met Jeremiades aankomt.”
Het was hem nu intusschen heel welkom, dat het in hun reisplan lag, om den retour vrij expediet af te leggen. Zij bezagen dan ook maar vlugtig het land, waar Willem Tell vóór ettelijke eeuwen zulk eene verbazende rol speelde schoon zij zich verwonderden, dat op de plaats zelve de historie een minder levendigen indruk op hen maakte, dan toen zij ze uit hunne kinderboekjes vernamen. Zij namen evenwel, als conscienteuse reizigers, de verschillende kapellen in oogenschouw, die te Burglen en op denTell’sPlatteter eere van den grondlegger der vrijheid gesticht zijn, en die door smakeloosheid van bouworde uitmunten, en met minder schoone schilderstukken zijn versierd, dan de gravures, die wij er bij ons te land van aantreffen in plattelands-herbergen, of bij onze oude keukenmeid, die met een tuinknecht getrouwd is.
Van Brunnen is men in korten tijd te Zurich, als de paarden goed loopen en maar een ligt rijtuig te trekken hebben. Dit ondervonden de vrienden, en zij hoopten nu ook zonder verder oponthoud te Constants te zullen komen, waarheen zij, boven op de diligence gezeten, ’s morgens ten zes ure vertrokken.
Geheel zonder oponthoud voleinden zij echter deze reis niet; want terwijl zij, door een lieflijken zonneschijn gestoofd, in een aangenaam dutje verzonken waren, waarschijnlijk om zich de streken, die zij doortrokken, zoo mooi als zij zelve wilden te kunnen voorstellen, werden zij op eenmaal in de nabijheid van Frauenfeld in hunne meditaties gestoord in toevallig juist een ondeelbaar oogenblik, nadat het breken van de as de diligence had doen omvervallen.
“Zijn wij hier aan eene pleisterplaats?” vroeg Pols, die vrij vast geslapen had en nu vrij onzacht op den grond neêrkwam.
“Ja, ik ben wakker, ik sta al op: maar schud me zoo niet!” riep Veervlug, die naast hem in een hoop zand werd geworpen.
“Mijnheer! zie wat beter voor u!” zei een slaperig heer in den wagen, die een half dozijn passagiers op zijn lijf kreeg.
“Ach, conducteur! laat er mij maar uit, want ik houd niets van ongelukken!” riep een dametje.
“Ik ben dood!” schreeuwde een Franschman, met drift uit de cabriolet springende.
En ieder der passagiers, die in en naast de omgevallenediligence lagen, scheen zich verpligt te gevoelen, door eene meer of minder gepaste phrase te kennen te geven, dat dit evenement niet onopgemerkt voor hem had plaats gehad.
Weinige oogenblikken later stonden al de reizigers op den straatweg de paarden na te staren, die volstrekt niet verschrikt waren, maar begrepen, dat zij op hun tijd op het station Frauenfeld moesten aankomen. Bij de passagiers openbaarde zich nog eenige oogenblikken bezorgdheid voor hunne goederen; vooral het dametje, dat niet van ongelukken hield, nam informatiën naar hare hoedendoos maar de conducteur beloofde voor alles te zullen zorgen, en ook aan het verlangen der dame te voldoen, dat de doos toch vooral niet scheef gehouden werd. En daar de poort van Frauenfeld reeds in het gezigt was, besloten de reizigers niet op hun regt te staan, om daar in staatsie binnen te rijden, maar liever door eene kleine wandeling den schrik wat te verzetten. Allen konden zich verheugen goed van de reis te zijn afgekomen, met uitzondering van eene dame, die aan haar linkeroog de aanraking had gevoeld van de laars van haren overbuur, welke laars meer indruk op haar gemaakt had, dan deoeuillades, die hij haar sedert uren had toegeworpen.
De waard uithet Hert, die de paarden op stal had zien aankomen, maar door dezen niet genoeg inlichtingen had kunnen bekomen omtrent het gebeurde, maakte nu uit de verschillende kreten en uitroepen op, waarom de diligence niet was meêgekomen, en de vrolijkeKellnerJacques, die ieder der reizigers een glaskirschwasseropdrong om weêr wat bij te komen, verzocht al de passagiers geen rancune op de diligence te houden en familiaar in het hotel te blijven dineren.
Het ontbreekt na dergelijke voorvallen zelden aan discoursen tusschen menschen, die elkander vroeger vreemd waren, maar door gemeenschappelijk ongeluk verbroederd worden. In afwachting van hetdineren de geschikte gelegenheidom verder te reizen, plaatsten zich nu de reisgenooten in een cirkel, waarvan zich echter een jong paar uitsloot, dat zich liever eenigzins op den achtergrond hield. Om echter hunne reisgenooten niet af te matten door gissingen, waarom zij zich schenen af te zonderen, gaven deze jonge lieden zich de moeite, elkander teeder aan te zien, de hand te drukken, zamen niet meer dan vijf kwart stoel in te nemen, en meer dergelijke zaken, die op vrijerij duiden.Zij maakten daarenboven zeer dikwijls gebruik van het privilegie van geëngageerden, om veelvuldig te fluisteren, een voorregt, dat vele jongelingen, die niet sterk zijn op het punt van lieve geheimpjes, somtijds zeer zwaar valt op den regten prijs te schatten. Gelukkig dat allen, die zich op het liefde plegen toeleggen, als het meer aankomt op dadelijke liefkozingen en dergelijke zaken, die het gezigt van een verliefd paar voor een toeschouwer regt onderhoudend maken, goed te huis zijn.
“Ik gaf wel honderdlouis d’or,dat de diligence niet omgevallen was! want ik ben zeer gepresseerd!” zei de Franschman die dood was, en er uitzag alsof hij nooit honderdfrancste gelijk in zijn beurs had gehad.
“Pah!” riep een Duitscher: “is dat omvallen, en zonder dat iemand armen of beenen breekt! Ik heb te Rome ook eens met deRegio carriëroomgelegen; maar toen waren al de reizigers er om koud, behalve ik.”
“Gij alleen over?” zei de Franschman: “dat was jammer.”
“Ik hoop dat de conducteur nu maar oppast en mijn hoedendoos regt houdt,” riep het dametje; “anders zijn al mijn mutsen verkreukt.”
“Maar, beste! het was toch een heel ongeluk!” fluisterde de verliefde, die door Veervlug beluisterd werd: “ben je nu toch waarlijk niet geschrikt?”
“Neen, heusch niet; maar heb jij nergens pijn?” was het antwoord.
“Je bent toch een engel!” fluisterde de jongeling.
Deze zelfde phrases werden vijf malen binnen den tijd van zeven en een halve minuut gewisseld. Toen werd de jongeling op eens pathetisch, en vroeg met hevige rolling zijner oogen: “Maar beste! als ik nu toch eens onder de diligence verpletterd was?”
“Ach Hemel! dan was ik ook verpletterd.”
“Je bent toch een engel!” fluisterde de jongeling. “Maar wil je nu niets gebruiken? zijt ge waarlijk niet geschrikt?”
“Waarlijk niet?” antwoordde het meisje, en zuchtte hoorbaar.
“Ik woû dat ze nu met dat satansche eten kwamen!” riep de Franschman van de honderdlouis d’or, eenen heer in de rede vallende, die van een omgevallen diligence te Marseille verhaalde.
“Beste!” fluisterde de verliefde jongeling, die een poosje op een fluistergesprek had zitten peinzen: “wat denk je dat we eten zouden?”
“Ja, dat weet ik heusch niet, dierbare! misschien coteletten.”
“Dat zou heerlijk wezen. Je bent toch een engel!” Maar nu ziet de jongeling een wijd veld tot lieve geheimen open, en gaat voort: “Waar houdt ge meer van, van rheevleesch of van faisanten?”
“Ik weet het heusch niet. Wat vind jij het lekkerst?”
“Ik rheevleesch.”
“Nu, dan ik ook.” En het lieve meisje zag hem, na dit sterke bewijs harer liefde gegeven te hebben, met zoo teedere oogjes aan, dat het bijna in het geheel geen oogjes meer waren.
“O Hemel!” zegt de jongeling: “zij is te edel en te groot voor de wereld!” En na zich hierin een oogenblikje verdiept te hebben, vraagt hij haar, terwijl zijne oogen van verliefdheid zijn hoofd schenen te verlaten: “Beste, houdt ge wel van een kalfskop?”
“Kunt gij dat nog vragen?” zegt de schoone, hem evensmachtend aanziende, als een schelvisch op het strand de middagzon.
“Je bent toch een engel!” En de jongeling staat op het punt zijne schoone te kussen.
Juist wordt het eten opgedragen, en het eerste, wat de verrukte minnaar voor zich op tafel ziet, is een schotel coteletten.
Een traan van vreugde schittert in des jongelings oogen, die hij beurtelings op den schotel en op zijne geliefde slaat. Ook de Franschman van de honderdlouis d’or, die nu zijne redenen meende te moeten openbaren, waarom hij hetdinermet zooveel verlangen te gemoet had gezien, scheen het op de coteletten te hebben gemunt, althans hij laadde er een aanzienlijk aantal van op zijn bord. Maar eer nog de schotel tot het jonge paar was gekomen, en toen hij er nog maar drie had ingezwolgen, riep hij uit, dat het vleesch taai was als de duivel, waarmede hij wilde te kennen geven, dat het zeer taai was.
De arme minnaar werd bleek van schrik, en zijn meisje dat vroeger door zijne al te teedere blikken op den schotel bemerkt had, dat haar hart wel eenigzins voor jaloezij vatbaar was, werd nu vervuld van innig medelijden in deze bittere teleurstelling voor haren jongeling; krampachtig drukte hij haar de hand, toen de eerste beet hem had overtuigd, dat deFranschmande waarheid had gesproken. Op gelijke wijze werd die handdruk beantwoord; doch na weinige oogenblikken fluisterde zij er deze lieve en vertroostende woordjes bij: “Beste! ik hoop u nooit zoo te leur te stellen; ik zal altijd mijn best doen u malsch vleesch voor te zetten.”
Een glans van genoegen en vreugde keerde weêr op des jongelings gelaat, en als twee illuminatieglazen schitterden zijne oogen, toen hij haar toevoegde: “Je bent toch een engel!”
De Franschman ging voort met al het eten verfoeijelijkslecht te vinden en tevens van alles verbazende portiën te nuttigen, als wilde hij, zooveel in zijn vermogen was, die slechte spijzen van de aarde verdelgen. Hij ging tevens voort bij ieder zijner uitroepen onder verschillende benamingen den duivel aan te roepen, zoodat sommige leden van het gezelschap deze voor zijn beschermheilige begonnen te houden. De minnaar, die onder al dat afgekeurde eten, verschillende, zeer smakelijke zaken aantrof, liet zich geenszins onbetuigd; en wie dus in het gezelschap gemeend had, dat hij niets kon dan fluisteren, zag nu, dat hij den edelen jongeling deerlijk had miskend. Hij vond echter onder al deze werkzaamheden gedurig gelegenheid, om iets van zijne liefde te openbaren, en verstond meesterlijk de kunst, te gelijk met kakebeen en oogen te werken.
Hetdinerkenmerkte zich overigens, zoo al niet door vrolijkheid, toch doorluidruchtigheid, vooral toen de reizigers bij het dessert zich verpligt gevoelden, hunne dankbaarheid voor levensbehoud en uitredding uit dreigend gevaar te betoonen door zich een halven roes te drinken aan besten Rijnwijn. Spoedig werden zij echter in deze hartverheffende pligtsbetrachting gestoord, daar de conducteur binnenkwam, en het gezelschap verzocht in de rijtuigen te klimmen, die hij te Frauenfeld had opgeloopen.
“Maar, conducteur! staat mijn hoedendoos nu wel regt?” roept het dametje, dat niet van ongelukken hield.
“Best, dame! en de mutsen, die er uitgevallen waren, heb ik er zelf weêr ingepakt.”
“En hebt gij voor mijneffetsgezorgd?” vraagt de Franschman van de honderdlouis d’or.
“Uw pakje ligt onder de bank in het eerste rijtuig.”
“Ben je nu toch waarlijk niet bang?” fluistert de jongeling.
“Neen, heusch niet.” En reeds zit de engel in den wagen.
“Ik zal nu wakker blijven,” zegt Pols, terwijl hij inklimt; “want ik zou niet gaarne weêr omvallen.”
En zonder verdere ongelukken ging de togt voort, en weinige uren later zag men de torens van Constants. Veervlug herkende ze dadelijk uit de decoratiën van deJuive, die hij in den Haag had zien opvoeren.
Hoofdstuk XXX.Waarin Pols een zeer mooien coup de théatre ziet mislukken, en waarin Torteltak eene Dame in haar rijtuig helpt.Het is heel moeielijk, het iedereen naar den zin te maken. Dit ondervonden onder anderen, in het jaar 1415 de Heeren van het Concilie te Constants, toen twee der Pausen, die zij op pensioen gesteld hadden, en de eene nog wel op zijn eigen verzoek, dezen maatregel gansch niet vriendelijk opnamen, en de derde gepensioneerde dit gunstbewijs finaal afsloeg en zich tot zijn dood toe inactievedienst aftobde.—Hoe weinig goedkeuring verwierven gemelde Heeren verder van het algemeen, toen zij, na vier jaren vergaderd geweest te zijn, uiteengaande de Hervormingsplannen, waarvan nog al veel verwachting was, in den steek lieten! En zoo zij niet de aangename bewustheid hadden meêgevoerd, dat zij de Kettersche stellingen van Joannes Huss en Hieronymus van Praag met kracht en vuur hadden weêrlegd en vernietigd, hoe gering zou dan ook nog hunne zelfvoldoening over het verrigte werk zijn geweest!Maar al liet nu deze Kerkvergadering bij sommige pausen geene zeer aangename herinneringen na, en al bevorderde zij de tijdelijke belangen van eenige ketters niet veel, en al leverde zij voor Kerk en Staat die resultaten niet op, die men gewacht had, zij was belangrijk voor diegenen, die er maar partij van wisten te trekken, en nog ten huidigen dage baant zij den weg tot onmetelijkenrijkdom en onsterfelijken roem voor Johann Kastell,Antiquarte Constants.Wanneer gij ooit in de beroemde Conciliestad komt, zult gij niet verzuimen den verdienstelijken oudheidkenner te bezoeken. Zijne schriften zal hij u tegen betaling van 56 cents aanbieden, en gij zult eigenaar worden van verschillende onuitgegeven brieven van Huss, die Kastell uit het werk van Van der Hardt in zijn geschrift heeft nagedrukt. Daarna zal de geleerde u uitnoodigen, om nog omtrent 73 cents te betalen, voor welke u het gezigt derKunst und Altherthums Sammlungin deConciliums-Saalzal worden vergund. Gelukkige! dan zult gij langs een steilen trap naar den donkeren zolder worden geleid; daar zult gij in een hoek twee vermolmde stoelen zien staan, die gij met den naam vantroonenzult hooren bestempelen. Daarnaast ziet gij een kistje, voor één derde uit hout en voor twee derde uit stof bestaande; dat is het beroemdeScrutinium. Die ronde roestmassaas tegen den wand zijn de schilden der krijgers, die den vorstelijken troon omringden.—Is het u niet, als waart gij door een tooverslag uit de negentiende in de vijftiende eeuw verplaatst? als bevondt gij u in het midden der luisterrijke Kerkvergadering, omringd door vorsten en kardinalen?—Ziet gij daar op dat zoldertje die drie mannen, die onvermoeid met hunne armen roeijen, hun hoofd omdraaijen, meer dan ooit een ander mensch het vermogt, en op de maat hunne oogen doen rollen? Beteugel uwe verbeelding—zij leven niet; doe gerust een stap nader;—ja, het zijn de twee ketters wel, en Celestinus de Dominikaner monnik, die met hen disputeert; maar slechts geboetseerd in gele was. De beide eersten zijn al eens door een pruikmaker gestolen geweest, die den monnik, van wege de kaalgeschoren kruin voor zijn doel onbruikbaar, had laten staan; maar Kastell heeft ze uit den barbierswinkel naar zijn zoldertje teruggevoerd.—Maar nog hebt gij niet alles gezien. Daarin dien hoek staan twee steenen muren; dat zijn de muren der gevangenis van Johannes Huss, uit den kelder van het Franciskaner klooster gebroken, en nu op de Conciliezaal heel netjes weêr opgemetseld, om alles wat meer bij elkaêr te hebben. Het is eene ijselijke gevangenis. Zie, zij ontvangt geen ander licht, dan uit de hooge vensters van de zaal.—Gij opent de gegrendelde kerkerdeur en stapt eene schrede terug. In die kerker ligt op stroo een menschengedaante. Het is de ongelukkige. Vroeger figureerde het beeld onder den preekstoel in deMunsterkirche, als de aartsvader Abraham; een bekwaam schilder heeft het een weinig gemoderniseerd, en nu doet het in den kerker van den aartsketter Huss volkomen zijne dienst.Het spreekt van zelve, dat alleen hij, die als pelgrim naar Constants reist en inspectiein locohoudt, zich eenigzins kan voorstellen, hoe het op die Kerkvergadering is toegegaan, en dat niemand dan de zoodanige een bevoegd beoordeelaar kan wezen van den invloed, of wilt gijvis et efficacitas, dien zij op Kerk en Staat heeft uitgeoefend. Begrepen alle geleerdehistoricidat, hoeveel minder verschil van opinie zou er omtrent deze zaak bestaan! Werd eindelijk deze stelling in het algemeen toegepast, hoeveel grieven werden er bespaard! Of bleek het ook ons Hollanders niet, dat het gevoelen van sommige Duitsche en Fransche geschiedschrijvers, bij voorbeeld omtrent den moord van Willem I, den heldendood van Van Speyk, en de stoute daad van Hobein, zoo oneindig van het onze verschilt, omdat die onkundigen niet in de gelegenheid waren zoo diep in de zaken in te dringen, als wij, die in onze Museums den waarachtigen hoed en het waarachtige buis van Balthasar Gerards hebben aanschouwd, en die toen eerst de daden der dappere zeehelden regt leerden begrijpen, toen wij het lapje blaauw laken van wijlen Van Speyk’s rok en den vlaggedoek van Hobein in het glazen kastje zagen ten toon gesteld?—Weg dan met historiezonder oudheden en rariteiten! Hoe zouden wij Nederlanders ooit zoo verbaasd veel licht hebben doen opgaan over de geschiedenis van Egypte, indien wij niet zoo vele en zoo aanzienlijkemummiesin ons Leydsch Museum logeerden?Het gezigt van het meer van Constants is voor ieder Hollander treffend en verrassend. Wanneer hij van het hoofd bij de stad, ter linkerzijde van de kapel, in de vorm van een molen, die op alle plaatjes van Constants staat afgebeeld, zijn oog laat weiden op de watervlakte en het lage land, waartegen zij aanspoelt, dan is het hem, als stond hij aan de haven bij Hillegom, en als zag hij op eens het Haarlemmermeer voor zich. Maar slechts kort duurt deze begoocheling; want zoodra hij zich aan de tafel in zijn hôtel heeft neêrgezet, mist hij den schotel meerbaars, en met niemand der gasten kan hij zijn geliefkoosd discours aanvangen, hoe mooi en hoe aardig het toch wel wezen zal, als die groote kom eens geheel en al zal zijn drooggemaakt.Ofschoon nu onze reizigers aan de bezigtiging van al deze merkwaardige kunst- en natuurschoonheden vele aangename en nuttige oogenblikken te danken hadden, zij schenen er niet genoeg voedsel voor verstand en hart uit te hebben opgedaan, om er een geheelen dag op te kunnen teeren. Sommigen hunner merkten ten minste aan, dat zij nog wel gaarne iets anders zouden zien, dat levendiger indruk bij hen naliet; anderen vonden, dat de morgens te Constants veel langer duurden dan elders. En toch, zij deden alles wat in hun vermogen was om zich den tijd te korten. Zij doorkruisten herhaalde malen in een slenterpas de geheele stad, namen successivelijk alle huizen op, keken nu en dan over de balies van de brug in het water, vierden hunnen lust bot, om zich door geeuwen en gapen te vervrolijken, fixeerde de zon zoolang, tot zij aan het niezen raakten, en hielden hun horlogies elke tien minutenaan hun oor, om te onderzoeken of zij ook stilstonden. Doch toen zij eindelijk al deze genoegens tot overdaad toe gesmaakt hadden, besloten zij, voor de variatie, in hun logement voor de ramen te gaan zitten kijken.In hoeverre de uitvoering van dit plan aan de vrolijke verwachting, die men er misschien van had, beantwoordde, durven wij niet bepalen. Veel afwisseling leverde echter deze uitkijk niet op; want schoon het logement niet in de afgelegenste wijk der stad gesitueerd was, de geheele stad Constants is eigenlijk eene afgelegen buurt, en men ziet er gewoonlijk evenveel menschen op straat, als te Woerden in de uren, dat daar de diligence niet passeert. Binnen in de gezelschapskamer was ook niet veel rumoer, maar daar was toch nog iets om de oogen meê bezig te houden: een lief jong meisje namelijk en een bejaard heer, die zamen hetdejeunergebruikten. De vrienden hadden juist den tijd en de gelegenheid om dit paar menschen eens goed op te nemen. Zij wisten dan ook naderhand allen precies de kleur der oogen en der lokken van het meisje, en hoe fijn haar mondje, hoe spits haar voetje was. Deze bijzonderheden hadden zij bij den bejaarden heer minder opgemerkt, schoon zij daarin overeenkwamen, dat de man een zeer gedistingueerd voorkomen had, en dat er een waas van melancholie over zijn gelaat lag. Zij schenen vader en dochter, schoon er in hunne gelaatstrekken geen enkele van gelijkenis te ontdekken was; maar de teedere blikken, die hij van tijd tot tijd op het meisje sloeg, en de liefde en eerbied, waarmede zij hem bejegende, duidde kennelijk eene naauwe betrekking aan; en schoon ook zij denbejaardenman vele attenties bewees, die kinderen dikwijls omtrent hunne ouders verzuimen, zij zag er te vrolijk en hij te verstandig uit, om bij het groote verschil hunner jaren, aan eene andere liefde dan die van vader en kind te denken.Misschien waren er onder de vrienden, die eene naderekennismaking dan die der aanschouwers wenschten; maar daaraan viel niet te denken, althans zoolang de twee vreemdelingen zich zoo uitsluitend met hetdejeuneren met elkander bezig hielden, dat zij geene oogen schenen te hebben voor iemand, die zich in de zaal bevond. Gemakkelijker geraakten zij in gesprek met een ander heer, wiens voorkomen juist niet veel belang inboezemde, ten zij men een zeer rooden en zeer gezwollen neus en een aantal karbonkels voor interessante verschijnselen op een menschelijk aangezigt houdt. Deze heer, die waarschijnlijk door langdurige oefening de faculteit bezat, evenveel flesschen oud bier in te houden als een Nederlandsch fust nam bij deze affaire tevens die van kastelein waar, en om deze betrekking vond een der vrienden, die gaarne eens iemand vreemds wilde toespreken, de vrijmoedigheid hem te vragen, of er geen nieuws was.“Neen, wat wou er voor nieuws wezen,” antwoordde Mr. Sorvels vrij knorrig: “althans geen goed nieuws, maar kwaads genoeg, ten minste voor mij.” En na deze verklaring met een krachtigen vloek geverifieerd te hebben, liet hij een verbazenden bierstroom met bruisend geweld in zijn wijdgeopenden mond neêrstorten.“Maar je ziet er anders nog al niet uit, om zooveel verdriet te hebben,” zei Veervlug; “’t zal nog al zoo’n vaart niet met je loopen.”“Ge zoudt wel anders spreken, als je bijgewoond hadt, wat ik daar straks heb bijgewoond. Het is te verschrikkelijk om het uit te spreken.”“Is je land overstroomd, of je schuur verbrand?” vroeg een der vrienden.“Is er een biervat gesprongen, of een brouwsel mislukt?” zei een ander.“Is je vrouw ziek, of een kind van je dood?” vroeg een derde.“Was het dat maar,” riep de kastelein verdrietig uit;“dat zou nog zijn over te komen. Ik zal het je maar zeggen, maar het is een vervloekte leelijke historie. Mijn vrouw is van haar achtste kind bevallen.”“Wel, daar filiciteer ik je meê,” zei Pols heel goedig. “Als alles goed afgeloopen is, is het een groot geluk. Maar wat is het, een jongen of een meisje?”“Wat weet ik het!” riep de dikke heer vertoornd. “Een jongen of een meisje, het is een doodeter te meer; het is waarachtig of de ellende hier aan huis niet ophoudt. ’t Is er net meê als met de kiespijn. Je weet wel wanneer het begint, maar niet wanneer het eindigt.”“Maar kinderen krijgen is toch een groote zegen,” merkte een der heeren zeer wijs aan.“Ik wensch je geluk met dien zegen,” bromde de bierbuik. “Ik zie liever, dat mijne koeijen me een keer meer aan kalfsvleesch helpen, of dat ik den vetten os loot; dat helpt meer in het huishouden. Maar kijk! hier heb ik er nog een, die zal mij niet doodeten.” En hij wees op een kind, dat voor het raam op de straat in een tafelstoel zat, en zich de handen op het blad bont en blaauw sloeg.“Was dat je jongste?” vroeg een der vrienden.“Dat is een klucht!” riep de vader, terwijl hij zijn bierkan weêr eens in zijn maag leêggoot en daarna in de hoogte zwaaide. “Dat hebben al meer vreemdelingen gedacht; en het is juist de oudste van allen.”“Maar het jongetje kan toch nog geen twee jaren oud zijn!”“Een jongetje van twee jaar? ha, ha! het is een meisje vanachttien. Maar ge hebt in uw leven zoo’n raar kind niet gezien: het is sinds haar eerste jaar niet gegroeid en doofstom, en nog onnoozeler als toen zij geboren werd. En zij kan niets binnen krijgen dan wat broodwater, dat ze door een pijpje inzuigt; dat is een goedkoop kostje, ha, ha! Maar ik houd het met mijn Duitsche bier!” En behalve met een vrij forschen eed, bevestigde hij dit laatstegezegde door een krachtige manoeuvre met de bierkan. Toen schoof hij het raam open en tikte het meisje op den schouder.“Bu, bu!” kreet het onwijze kind en hapte naar den stok, waarmeê het was geraakt.“Houd je snater, malloot!” riep de vader, “of ik kom je met den stok op je ligchaam!”Het kind, den opgeheven stok ziende, begon te janken als een hond; maar de vreemde dame, die bij het laatste gedeelte van het gesprek toegeluisterd had, vloog toe, en terwijl een gloed van toorn haar schoon gelaat bedekte, hield zij de hand des vaders terug.“Ik vraag u excus, schoone dame!” viel de dikke heer lagchend in: “ik speelde maar met het kind. Ze heeft zoo geen gevoel van tikjes; ze is zoo weekelijk niet opgebragt, als de rijkeluiskinderen.”Het schoone meisje sloeg de oogen neder en keerde zich om. Een traan kwam in haar oog, toen zij den bejaarden heer omhelsde en kuste. “Ook ik ben achttien jaar, zeide zij, “en ik heb u tot vader.”Mr. Sorvels ging echter, zonder zich aan zulkescèneste ergeren, of zich in het minste om zijne gasten te generen, voort met proeven van zijne ouderliefde en teederheid van gevoel te geven. Zijne stem werd intusschen heesch en zijn gang moeijelijk. “Ja, ik heb ze allen onder appèl!” riep hij uit, terwijl hij op zijn duim floot, waarop uit verschillende deuren vier of vijf zeer morsige kinderen te voorschijn kwamen en vroegen wat hun papa beliefde.“Dat je allemaal weêr heengaat, waar je van daan gekomen zijt,” riep de oude heer, “en die het laatst in de kamer is, sla ik de ribben stuk.”Als door een tooverwoord verdwenen de kinderen, misschien omdat zij hun vader als een waarheidlievend man kenden.De bejaarde heer was intusschen met zijne dochter naarbuiten gegaan, waar hij liever zijn rijtuig wilde afwachten, dan in het onderhoudend gezelschap in de zaal.—De vrienden, die ook lieverscènesvan anderen aard bijwoonden verzochten den kastelein hun wat rust te laten, of een ander apartement aan te wijzen.“Wat rust?” riep de man, terwijl hij op zijne beenen voortwaggelde. “Ik sta je niet in den weg, maar ik ben hier in mijn eigen huis, en ik moet voor mijne kinderen zorgen; weet je dat met je rust? Maar ik zal heengaan, omdat ik mijn wereld versta, hoort ge? maar als ik blijven wou, dan bleef ik. Goeden dag!”En de man, die op den geboortedag van zijn achtste kind eenige uren vroeger, dan hij gewoon was, fusthoogte had bereikt, zeilde naar eene deur aan het eind van het vertrek, die hij achter zich geopend liet, en daardoor den vrijen inkijk in de kraamkamer aan de vrienden vergunde.“Leg je daar met je leelijke marmot?” was de eerste phrase, die hij zijne beminde wederhelft toevoegde.En hierop volgde een discours tusschen de beide echtelingen, dat met vrij veel levendigheid werd gevoerd. De vrouw begon met haren gemaal een beest te noemen, waarbij zij een epitheton voegde, dat kennelijk op den staat van beschonkenheid doelde. De gemaal weêrlegde dit argument met haar als een lui wijfjesvarken te begroeten, waarop de teedere echtgenoote eenige gillen slaakte, en iets van besterven sprak, bij welke gelegenheid zij een teug uit een flaconkirschwassernam, dat te Constants een zeer dienstige drank voor jonge kraamvrouwen schijnt te wezen. Hierop begon de lieve eerstgeborene te schreeuwen, en de gemaal proponeerde derhalve den telg der huwelijksmin in het meer te werpen; waarop weder de gemalin sprak van ontaarde vaders en menschen erger dan de beesten; welk gezegde de dikke heer zich aantrok, en een stok in de hoogte hield, waarop de jonge moeder een nieuwe teugkirschwassernam, en nu de flesch aan harenechtvriend voorhield, ten einde Z.Ed. de hersenpan in te slaan. Een paar oudere zoontjes der gelukkige echtelingen, waarschijnlijk meenende dat papa gefloten had, hingen hem nu aan de beenen, en een dochtertje stond aan haar moeders bed, en scheen de aandacht op het voorvallende te willen vestigen, door zeer voorbarig “moord” en zeer ontijdig “brand” te roepen, terwijl de oudste dochter in de tafelstoel zich de handen aan bloed sloeg, en harder dan ooit “bu, bu, bu!” riep. Het was een zeer levendig tooneeltje, doch dat als onopgemerkt passeerde voor dekellners, die daarin niets bijzonders schenen te vinden en intusschen met groote bedaardheid de tafel begonnen te dekken.“Zoo’nscènetoont je nu eens aan, hoe veel geluk het huwelijk oplevert!” riep de Morder, terwijl hem onwillekeurig de drie vergeefsche aanzoeken, die hij in der tijd tot dat einde gedaan had, voor den geest kwamen.“Niet steeds is de liefde bestendig van duur,Hoe snel zij den boezem deed jagen”begon Torteltak te reciteeren.“Bier is toch erger dan de cholera,” zeide Veervlug.“Ik moet eens zien, dat ik dat misverstand doe ophouden,” zei Pols, en met moed stapte hij de kraamkamer binnen.Zijne komst had evenwel niet terstond die uitwerking, die hij gewacht had; want de echtelingen gingen voort elkander zeer onvriendelijke gezegden toe te voegen; maar toen zij in diervoege elkander hun gemoed hadden uitgestort, begon de vrouw luid te weenen, en aan Pols te vragen, of hij ooit zoo’n ongelukkige en mishandelde vrouw gezien had.“En zou het wonder wezen, dat ik een ongeluk aan mijzelven beging?” vroeg de man.“En dat nog wel eene kraamvrouw!” snikte zij.“En dat nog wel op den dag, dat zij mij eene nieuwedochter in huis heeft durven brengen!” riep hij woedend uit.Pols vond het evenwel geraden deze vragen der echtelingen niet te beantwoorden; maar, hetzij dat zijn eigen gevoel, of wel het recit van Torteltak dit idée bij hem verwekte, hij besloot de ouders door middel van hun kind te verzoenen. Hij nam derhalve het pas geboren wichtje uit de wieg, en het in de hoogte houdende, zeide hij op zeer aandoenlijken toon: “Dit onschuldig wicht smeekt om uw beider liefde.”Dit gezegde had uitwerking: want de vader riep dadelijk uit: “Smijt het in het meer, en je zult zien, dat zij haar kind nog niet eens naspringt.”“Hang het aan de beenen op,” zei de moeder, “en het monster zal het nog niet eens afsnijden.”Pols keek even verbaasd op, als de redenaar, die onder het uiten zijner meest oratorische passage het signaal tot neuzensnuiten en hoesten ziet geven. “Wat zal ik met u kindje doen?” vroeg hij met onrust.“Neem het meê,” riep de vrouw: “dan redt gij het van zijn bederf en van zijn vader.”“Wel ja, doe dat!” riep de man: “dan zijn wij het met fatsoen kwijt.”Daar dit evenwel niet in het plan lag van onzen vriend legde hij het wichtje weêr voorzigtig in zijn wiegje neder, en stapte langzaam en treurig de kamer uit.“Ik geloof niet dat er iets is, dat die menschen tot rust en eensgezindheid kan brengen,” zei hij teleurgesteld tot zijn vrienden.Maar hij vergiste zich; want naauwelijks had hij de kraamvrouw verlaten, toen de man, uitgeput en bedwelmd door zijn krachtige redeneringen en zijn nog krachtiger bier, op den grond neêrzonk en in een vasten slaap insliep.En toen de vrouw nog een teugjekirschwassergenomen had, daalde ook de slaap over haar neder, en zij accompagneerde snurkende haar snurkende gemaal.De Kraamvisite.De Kraamvisite.Toen heerschte er rust en eensgezindheid bij de gelukkige echtelingen.Het voorgevallene in het hotel maakte slechts kort een onderwerp van discours uit tusschen de vrienden en den vreemden heer en dame, met welke zij zich voor de deur vereenigd hadden.Toen evenwel het gesprek, dat natuurlijk over Zwitserland, reizen, aangename ontmoetingen en dergelijke zaken gerouleerd had, een weinig levendig begon te worden, kwam het reisrijtuig van de twee vreemdelingen voor, en de vrienden maakten zich gereed om voor altijd afscheid van hen te nemen. Maar juist toen de dame in decalêchewil stappen, hoort zij den jongeling, die haar in het rijtuig helpt, door een zijner vrienden met den naam van Torteltak noemen. Met vrolijke belangstelling keert zij zich tot hem, en vraagt: “Is u Mijnheer Torteltak uit Holland?”De jongeling beantwoordde deze vraag, die hem verwonderde, toestemmend.“En hebt ge te Kleef Ambrosine Korenaar ontmoet?”“Ik had het geluk...” zegt de jongeling blozend.“Dan weet ik genoeg; dat is heerlijk. He, papa! Is dat niet toevallig? Die heer is Mijnheer Torteltak, die met Ambrosine Korenaar geëngageerd is!”“Dat is te zeggen....” valt de jongeling in.“Nu, nu, geen woord meer,” zegt het meisje, hem met hartelijkheid de hand drukkende. “Wij moeten voort; maar gij gaat immers naar Straatsburg? Gij kunt ons vinden in hetHotel de Paris.
Waarin Pols een zeer mooien coup de théatre ziet mislukken, en waarin Torteltak eene Dame in haar rijtuig helpt.
Waarin Pols een zeer mooien coup de théatre ziet mislukken, en waarin Torteltak eene Dame in haar rijtuig helpt.
Het is heel moeielijk, het iedereen naar den zin te maken. Dit ondervonden onder anderen, in het jaar 1415 de Heeren van het Concilie te Constants, toen twee der Pausen, die zij op pensioen gesteld hadden, en de eene nog wel op zijn eigen verzoek, dezen maatregel gansch niet vriendelijk opnamen, en de derde gepensioneerde dit gunstbewijs finaal afsloeg en zich tot zijn dood toe inactievedienst aftobde.—Hoe weinig goedkeuring verwierven gemelde Heeren verder van het algemeen, toen zij, na vier jaren vergaderd geweest te zijn, uiteengaande de Hervormingsplannen, waarvan nog al veel verwachting was, in den steek lieten! En zoo zij niet de aangename bewustheid hadden meêgevoerd, dat zij de Kettersche stellingen van Joannes Huss en Hieronymus van Praag met kracht en vuur hadden weêrlegd en vernietigd, hoe gering zou dan ook nog hunne zelfvoldoening over het verrigte werk zijn geweest!
Maar al liet nu deze Kerkvergadering bij sommige pausen geene zeer aangename herinneringen na, en al bevorderde zij de tijdelijke belangen van eenige ketters niet veel, en al leverde zij voor Kerk en Staat die resultaten niet op, die men gewacht had, zij was belangrijk voor diegenen, die er maar partij van wisten te trekken, en nog ten huidigen dage baant zij den weg tot onmetelijkenrijkdom en onsterfelijken roem voor Johann Kastell,Antiquarte Constants.
Wanneer gij ooit in de beroemde Conciliestad komt, zult gij niet verzuimen den verdienstelijken oudheidkenner te bezoeken. Zijne schriften zal hij u tegen betaling van 56 cents aanbieden, en gij zult eigenaar worden van verschillende onuitgegeven brieven van Huss, die Kastell uit het werk van Van der Hardt in zijn geschrift heeft nagedrukt. Daarna zal de geleerde u uitnoodigen, om nog omtrent 73 cents te betalen, voor welke u het gezigt derKunst und Altherthums Sammlungin deConciliums-Saalzal worden vergund. Gelukkige! dan zult gij langs een steilen trap naar den donkeren zolder worden geleid; daar zult gij in een hoek twee vermolmde stoelen zien staan, die gij met den naam vantroonenzult hooren bestempelen. Daarnaast ziet gij een kistje, voor één derde uit hout en voor twee derde uit stof bestaande; dat is het beroemdeScrutinium. Die ronde roestmassaas tegen den wand zijn de schilden der krijgers, die den vorstelijken troon omringden.—Is het u niet, als waart gij door een tooverslag uit de negentiende in de vijftiende eeuw verplaatst? als bevondt gij u in het midden der luisterrijke Kerkvergadering, omringd door vorsten en kardinalen?—Ziet gij daar op dat zoldertje die drie mannen, die onvermoeid met hunne armen roeijen, hun hoofd omdraaijen, meer dan ooit een ander mensch het vermogt, en op de maat hunne oogen doen rollen? Beteugel uwe verbeelding—zij leven niet; doe gerust een stap nader;—ja, het zijn de twee ketters wel, en Celestinus de Dominikaner monnik, die met hen disputeert; maar slechts geboetseerd in gele was. De beide eersten zijn al eens door een pruikmaker gestolen geweest, die den monnik, van wege de kaalgeschoren kruin voor zijn doel onbruikbaar, had laten staan; maar Kastell heeft ze uit den barbierswinkel naar zijn zoldertje teruggevoerd.—Maar nog hebt gij niet alles gezien. Daarin dien hoek staan twee steenen muren; dat zijn de muren der gevangenis van Johannes Huss, uit den kelder van het Franciskaner klooster gebroken, en nu op de Conciliezaal heel netjes weêr opgemetseld, om alles wat meer bij elkaêr te hebben. Het is eene ijselijke gevangenis. Zie, zij ontvangt geen ander licht, dan uit de hooge vensters van de zaal.—Gij opent de gegrendelde kerkerdeur en stapt eene schrede terug. In die kerker ligt op stroo een menschengedaante. Het is de ongelukkige. Vroeger figureerde het beeld onder den preekstoel in deMunsterkirche, als de aartsvader Abraham; een bekwaam schilder heeft het een weinig gemoderniseerd, en nu doet het in den kerker van den aartsketter Huss volkomen zijne dienst.
Het spreekt van zelve, dat alleen hij, die als pelgrim naar Constants reist en inspectiein locohoudt, zich eenigzins kan voorstellen, hoe het op die Kerkvergadering is toegegaan, en dat niemand dan de zoodanige een bevoegd beoordeelaar kan wezen van den invloed, of wilt gijvis et efficacitas, dien zij op Kerk en Staat heeft uitgeoefend. Begrepen alle geleerdehistoricidat, hoeveel minder verschil van opinie zou er omtrent deze zaak bestaan! Werd eindelijk deze stelling in het algemeen toegepast, hoeveel grieven werden er bespaard! Of bleek het ook ons Hollanders niet, dat het gevoelen van sommige Duitsche en Fransche geschiedschrijvers, bij voorbeeld omtrent den moord van Willem I, den heldendood van Van Speyk, en de stoute daad van Hobein, zoo oneindig van het onze verschilt, omdat die onkundigen niet in de gelegenheid waren zoo diep in de zaken in te dringen, als wij, die in onze Museums den waarachtigen hoed en het waarachtige buis van Balthasar Gerards hebben aanschouwd, en die toen eerst de daden der dappere zeehelden regt leerden begrijpen, toen wij het lapje blaauw laken van wijlen Van Speyk’s rok en den vlaggedoek van Hobein in het glazen kastje zagen ten toon gesteld?—Weg dan met historiezonder oudheden en rariteiten! Hoe zouden wij Nederlanders ooit zoo verbaasd veel licht hebben doen opgaan over de geschiedenis van Egypte, indien wij niet zoo vele en zoo aanzienlijkemummiesin ons Leydsch Museum logeerden?
Het gezigt van het meer van Constants is voor ieder Hollander treffend en verrassend. Wanneer hij van het hoofd bij de stad, ter linkerzijde van de kapel, in de vorm van een molen, die op alle plaatjes van Constants staat afgebeeld, zijn oog laat weiden op de watervlakte en het lage land, waartegen zij aanspoelt, dan is het hem, als stond hij aan de haven bij Hillegom, en als zag hij op eens het Haarlemmermeer voor zich. Maar slechts kort duurt deze begoocheling; want zoodra hij zich aan de tafel in zijn hôtel heeft neêrgezet, mist hij den schotel meerbaars, en met niemand der gasten kan hij zijn geliefkoosd discours aanvangen, hoe mooi en hoe aardig het toch wel wezen zal, als die groote kom eens geheel en al zal zijn drooggemaakt.
Ofschoon nu onze reizigers aan de bezigtiging van al deze merkwaardige kunst- en natuurschoonheden vele aangename en nuttige oogenblikken te danken hadden, zij schenen er niet genoeg voedsel voor verstand en hart uit te hebben opgedaan, om er een geheelen dag op te kunnen teeren. Sommigen hunner merkten ten minste aan, dat zij nog wel gaarne iets anders zouden zien, dat levendiger indruk bij hen naliet; anderen vonden, dat de morgens te Constants veel langer duurden dan elders. En toch, zij deden alles wat in hun vermogen was om zich den tijd te korten. Zij doorkruisten herhaalde malen in een slenterpas de geheele stad, namen successivelijk alle huizen op, keken nu en dan over de balies van de brug in het water, vierden hunnen lust bot, om zich door geeuwen en gapen te vervrolijken, fixeerde de zon zoolang, tot zij aan het niezen raakten, en hielden hun horlogies elke tien minutenaan hun oor, om te onderzoeken of zij ook stilstonden. Doch toen zij eindelijk al deze genoegens tot overdaad toe gesmaakt hadden, besloten zij, voor de variatie, in hun logement voor de ramen te gaan zitten kijken.
In hoeverre de uitvoering van dit plan aan de vrolijke verwachting, die men er misschien van had, beantwoordde, durven wij niet bepalen. Veel afwisseling leverde echter deze uitkijk niet op; want schoon het logement niet in de afgelegenste wijk der stad gesitueerd was, de geheele stad Constants is eigenlijk eene afgelegen buurt, en men ziet er gewoonlijk evenveel menschen op straat, als te Woerden in de uren, dat daar de diligence niet passeert. Binnen in de gezelschapskamer was ook niet veel rumoer, maar daar was toch nog iets om de oogen meê bezig te houden: een lief jong meisje namelijk en een bejaard heer, die zamen hetdejeunergebruikten. De vrienden hadden juist den tijd en de gelegenheid om dit paar menschen eens goed op te nemen. Zij wisten dan ook naderhand allen precies de kleur der oogen en der lokken van het meisje, en hoe fijn haar mondje, hoe spits haar voetje was. Deze bijzonderheden hadden zij bij den bejaarden heer minder opgemerkt, schoon zij daarin overeenkwamen, dat de man een zeer gedistingueerd voorkomen had, en dat er een waas van melancholie over zijn gelaat lag. Zij schenen vader en dochter, schoon er in hunne gelaatstrekken geen enkele van gelijkenis te ontdekken was; maar de teedere blikken, die hij van tijd tot tijd op het meisje sloeg, en de liefde en eerbied, waarmede zij hem bejegende, duidde kennelijk eene naauwe betrekking aan; en schoon ook zij denbejaardenman vele attenties bewees, die kinderen dikwijls omtrent hunne ouders verzuimen, zij zag er te vrolijk en hij te verstandig uit, om bij het groote verschil hunner jaren, aan eene andere liefde dan die van vader en kind te denken.
Misschien waren er onder de vrienden, die eene naderekennismaking dan die der aanschouwers wenschten; maar daaraan viel niet te denken, althans zoolang de twee vreemdelingen zich zoo uitsluitend met hetdejeuneren met elkander bezig hielden, dat zij geene oogen schenen te hebben voor iemand, die zich in de zaal bevond. Gemakkelijker geraakten zij in gesprek met een ander heer, wiens voorkomen juist niet veel belang inboezemde, ten zij men een zeer rooden en zeer gezwollen neus en een aantal karbonkels voor interessante verschijnselen op een menschelijk aangezigt houdt. Deze heer, die waarschijnlijk door langdurige oefening de faculteit bezat, evenveel flesschen oud bier in te houden als een Nederlandsch fust nam bij deze affaire tevens die van kastelein waar, en om deze betrekking vond een der vrienden, die gaarne eens iemand vreemds wilde toespreken, de vrijmoedigheid hem te vragen, of er geen nieuws was.
“Neen, wat wou er voor nieuws wezen,” antwoordde Mr. Sorvels vrij knorrig: “althans geen goed nieuws, maar kwaads genoeg, ten minste voor mij.” En na deze verklaring met een krachtigen vloek geverifieerd te hebben, liet hij een verbazenden bierstroom met bruisend geweld in zijn wijdgeopenden mond neêrstorten.
“Maar je ziet er anders nog al niet uit, om zooveel verdriet te hebben,” zei Veervlug; “’t zal nog al zoo’n vaart niet met je loopen.”
“Ge zoudt wel anders spreken, als je bijgewoond hadt, wat ik daar straks heb bijgewoond. Het is te verschrikkelijk om het uit te spreken.”
“Is je land overstroomd, of je schuur verbrand?” vroeg een der vrienden.
“Is er een biervat gesprongen, of een brouwsel mislukt?” zei een ander.
“Is je vrouw ziek, of een kind van je dood?” vroeg een derde.
“Was het dat maar,” riep de kastelein verdrietig uit;“dat zou nog zijn over te komen. Ik zal het je maar zeggen, maar het is een vervloekte leelijke historie. Mijn vrouw is van haar achtste kind bevallen.”
“Wel, daar filiciteer ik je meê,” zei Pols heel goedig. “Als alles goed afgeloopen is, is het een groot geluk. Maar wat is het, een jongen of een meisje?”
“Wat weet ik het!” riep de dikke heer vertoornd. “Een jongen of een meisje, het is een doodeter te meer; het is waarachtig of de ellende hier aan huis niet ophoudt. ’t Is er net meê als met de kiespijn. Je weet wel wanneer het begint, maar niet wanneer het eindigt.”
“Maar kinderen krijgen is toch een groote zegen,” merkte een der heeren zeer wijs aan.
“Ik wensch je geluk met dien zegen,” bromde de bierbuik. “Ik zie liever, dat mijne koeijen me een keer meer aan kalfsvleesch helpen, of dat ik den vetten os loot; dat helpt meer in het huishouden. Maar kijk! hier heb ik er nog een, die zal mij niet doodeten.” En hij wees op een kind, dat voor het raam op de straat in een tafelstoel zat, en zich de handen op het blad bont en blaauw sloeg.
“Was dat je jongste?” vroeg een der vrienden.
“Dat is een klucht!” riep de vader, terwijl hij zijn bierkan weêr eens in zijn maag leêggoot en daarna in de hoogte zwaaide. “Dat hebben al meer vreemdelingen gedacht; en het is juist de oudste van allen.”
“Maar het jongetje kan toch nog geen twee jaren oud zijn!”
“Een jongetje van twee jaar? ha, ha! het is een meisje vanachttien. Maar ge hebt in uw leven zoo’n raar kind niet gezien: het is sinds haar eerste jaar niet gegroeid en doofstom, en nog onnoozeler als toen zij geboren werd. En zij kan niets binnen krijgen dan wat broodwater, dat ze door een pijpje inzuigt; dat is een goedkoop kostje, ha, ha! Maar ik houd het met mijn Duitsche bier!” En behalve met een vrij forschen eed, bevestigde hij dit laatstegezegde door een krachtige manoeuvre met de bierkan. Toen schoof hij het raam open en tikte het meisje op den schouder.
“Bu, bu!” kreet het onwijze kind en hapte naar den stok, waarmeê het was geraakt.
“Houd je snater, malloot!” riep de vader, “of ik kom je met den stok op je ligchaam!”
Het kind, den opgeheven stok ziende, begon te janken als een hond; maar de vreemde dame, die bij het laatste gedeelte van het gesprek toegeluisterd had, vloog toe, en terwijl een gloed van toorn haar schoon gelaat bedekte, hield zij de hand des vaders terug.
“Ik vraag u excus, schoone dame!” viel de dikke heer lagchend in: “ik speelde maar met het kind. Ze heeft zoo geen gevoel van tikjes; ze is zoo weekelijk niet opgebragt, als de rijkeluiskinderen.”
Het schoone meisje sloeg de oogen neder en keerde zich om. Een traan kwam in haar oog, toen zij den bejaarden heer omhelsde en kuste. “Ook ik ben achttien jaar, zeide zij, “en ik heb u tot vader.”
Mr. Sorvels ging echter, zonder zich aan zulkescèneste ergeren, of zich in het minste om zijne gasten te generen, voort met proeven van zijne ouderliefde en teederheid van gevoel te geven. Zijne stem werd intusschen heesch en zijn gang moeijelijk. “Ja, ik heb ze allen onder appèl!” riep hij uit, terwijl hij op zijn duim floot, waarop uit verschillende deuren vier of vijf zeer morsige kinderen te voorschijn kwamen en vroegen wat hun papa beliefde.
“Dat je allemaal weêr heengaat, waar je van daan gekomen zijt,” riep de oude heer, “en die het laatst in de kamer is, sla ik de ribben stuk.”
Als door een tooverwoord verdwenen de kinderen, misschien omdat zij hun vader als een waarheidlievend man kenden.
De bejaarde heer was intusschen met zijne dochter naarbuiten gegaan, waar hij liever zijn rijtuig wilde afwachten, dan in het onderhoudend gezelschap in de zaal.—De vrienden, die ook lieverscènesvan anderen aard bijwoonden verzochten den kastelein hun wat rust te laten, of een ander apartement aan te wijzen.
“Wat rust?” riep de man, terwijl hij op zijne beenen voortwaggelde. “Ik sta je niet in den weg, maar ik ben hier in mijn eigen huis, en ik moet voor mijne kinderen zorgen; weet je dat met je rust? Maar ik zal heengaan, omdat ik mijn wereld versta, hoort ge? maar als ik blijven wou, dan bleef ik. Goeden dag!”
En de man, die op den geboortedag van zijn achtste kind eenige uren vroeger, dan hij gewoon was, fusthoogte had bereikt, zeilde naar eene deur aan het eind van het vertrek, die hij achter zich geopend liet, en daardoor den vrijen inkijk in de kraamkamer aan de vrienden vergunde.
“Leg je daar met je leelijke marmot?” was de eerste phrase, die hij zijne beminde wederhelft toevoegde.
En hierop volgde een discours tusschen de beide echtelingen, dat met vrij veel levendigheid werd gevoerd. De vrouw begon met haren gemaal een beest te noemen, waarbij zij een epitheton voegde, dat kennelijk op den staat van beschonkenheid doelde. De gemaal weêrlegde dit argument met haar als een lui wijfjesvarken te begroeten, waarop de teedere echtgenoote eenige gillen slaakte, en iets van besterven sprak, bij welke gelegenheid zij een teug uit een flaconkirschwassernam, dat te Constants een zeer dienstige drank voor jonge kraamvrouwen schijnt te wezen. Hierop begon de lieve eerstgeborene te schreeuwen, en de gemaal proponeerde derhalve den telg der huwelijksmin in het meer te werpen; waarop weder de gemalin sprak van ontaarde vaders en menschen erger dan de beesten; welk gezegde de dikke heer zich aantrok, en een stok in de hoogte hield, waarop de jonge moeder een nieuwe teugkirschwassernam, en nu de flesch aan harenechtvriend voorhield, ten einde Z.Ed. de hersenpan in te slaan. Een paar oudere zoontjes der gelukkige echtelingen, waarschijnlijk meenende dat papa gefloten had, hingen hem nu aan de beenen, en een dochtertje stond aan haar moeders bed, en scheen de aandacht op het voorvallende te willen vestigen, door zeer voorbarig “moord” en zeer ontijdig “brand” te roepen, terwijl de oudste dochter in de tafelstoel zich de handen aan bloed sloeg, en harder dan ooit “bu, bu, bu!” riep. Het was een zeer levendig tooneeltje, doch dat als onopgemerkt passeerde voor dekellners, die daarin niets bijzonders schenen te vinden en intusschen met groote bedaardheid de tafel begonnen te dekken.
“Zoo’nscènetoont je nu eens aan, hoe veel geluk het huwelijk oplevert!” riep de Morder, terwijl hem onwillekeurig de drie vergeefsche aanzoeken, die hij in der tijd tot dat einde gedaan had, voor den geest kwamen.
“Niet steeds is de liefde bestendig van duur,Hoe snel zij den boezem deed jagen”
“Niet steeds is de liefde bestendig van duur,
Hoe snel zij den boezem deed jagen”
begon Torteltak te reciteeren.
“Bier is toch erger dan de cholera,” zeide Veervlug.
“Ik moet eens zien, dat ik dat misverstand doe ophouden,” zei Pols, en met moed stapte hij de kraamkamer binnen.
Zijne komst had evenwel niet terstond die uitwerking, die hij gewacht had; want de echtelingen gingen voort elkander zeer onvriendelijke gezegden toe te voegen; maar toen zij in diervoege elkander hun gemoed hadden uitgestort, begon de vrouw luid te weenen, en aan Pols te vragen, of hij ooit zoo’n ongelukkige en mishandelde vrouw gezien had.
“En zou het wonder wezen, dat ik een ongeluk aan mijzelven beging?” vroeg de man.
“En dat nog wel eene kraamvrouw!” snikte zij.
“En dat nog wel op den dag, dat zij mij eene nieuwedochter in huis heeft durven brengen!” riep hij woedend uit.
Pols vond het evenwel geraden deze vragen der echtelingen niet te beantwoorden; maar, hetzij dat zijn eigen gevoel, of wel het recit van Torteltak dit idée bij hem verwekte, hij besloot de ouders door middel van hun kind te verzoenen. Hij nam derhalve het pas geboren wichtje uit de wieg, en het in de hoogte houdende, zeide hij op zeer aandoenlijken toon: “Dit onschuldig wicht smeekt om uw beider liefde.”
Dit gezegde had uitwerking: want de vader riep dadelijk uit: “Smijt het in het meer, en je zult zien, dat zij haar kind nog niet eens naspringt.”
“Hang het aan de beenen op,” zei de moeder, “en het monster zal het nog niet eens afsnijden.”
Pols keek even verbaasd op, als de redenaar, die onder het uiten zijner meest oratorische passage het signaal tot neuzensnuiten en hoesten ziet geven. “Wat zal ik met u kindje doen?” vroeg hij met onrust.
“Neem het meê,” riep de vrouw: “dan redt gij het van zijn bederf en van zijn vader.”
“Wel ja, doe dat!” riep de man: “dan zijn wij het met fatsoen kwijt.”
Daar dit evenwel niet in het plan lag van onzen vriend legde hij het wichtje weêr voorzigtig in zijn wiegje neder, en stapte langzaam en treurig de kamer uit.
“Ik geloof niet dat er iets is, dat die menschen tot rust en eensgezindheid kan brengen,” zei hij teleurgesteld tot zijn vrienden.
Maar hij vergiste zich; want naauwelijks had hij de kraamvrouw verlaten, toen de man, uitgeput en bedwelmd door zijn krachtige redeneringen en zijn nog krachtiger bier, op den grond neêrzonk en in een vasten slaap insliep.
En toen de vrouw nog een teugjekirschwassergenomen had, daalde ook de slaap over haar neder, en zij accompagneerde snurkende haar snurkende gemaal.
De Kraamvisite.De Kraamvisite.
De Kraamvisite.
Toen heerschte er rust en eensgezindheid bij de gelukkige echtelingen.
Het voorgevallene in het hotel maakte slechts kort een onderwerp van discours uit tusschen de vrienden en den vreemden heer en dame, met welke zij zich voor de deur vereenigd hadden.
Toen evenwel het gesprek, dat natuurlijk over Zwitserland, reizen, aangename ontmoetingen en dergelijke zaken gerouleerd had, een weinig levendig begon te worden, kwam het reisrijtuig van de twee vreemdelingen voor, en de vrienden maakten zich gereed om voor altijd afscheid van hen te nemen. Maar juist toen de dame in decalêchewil stappen, hoort zij den jongeling, die haar in het rijtuig helpt, door een zijner vrienden met den naam van Torteltak noemen. Met vrolijke belangstelling keert zij zich tot hem, en vraagt: “Is u Mijnheer Torteltak uit Holland?”
De jongeling beantwoordde deze vraag, die hem verwonderde, toestemmend.
“En hebt ge te Kleef Ambrosine Korenaar ontmoet?”
“Ik had het geluk...” zegt de jongeling blozend.
“Dan weet ik genoeg; dat is heerlijk. He, papa! Is dat niet toevallig? Die heer is Mijnheer Torteltak, die met Ambrosine Korenaar geëngageerd is!”
“Dat is te zeggen....” valt de jongeling in.
“Nu, nu, geen woord meer,” zegt het meisje, hem met hartelijkheid de hand drukkende. “Wij moeten voort; maar gij gaat immers naar Straatsburg? Gij kunt ons vinden in hetHotel de Paris.