Derde Brief.

Derde Brief.Lyon, 28Julij.Wij vertrokken, den 22. dezer, ’s morgens om vijf uren vanDyon, met twee rijtuigen, op twee wielen; ieder met een paard bespannen, zoo als dekoetskarren inBataafsch Braband; men noemt die hierCarioles; in elk zouden drie personen, en de voerman, bekrompen kunnen zitten; doch dan moet men ook geen bagage hebben. Wij betaalden voor deze twee rijtuigen £50–:–: alle onkosten voor rekening van den voerman totChalons sur Saone.DyonenChalonszijn langs den gewonen weg, 8¾ posten van elkanderen. Na omtrent anderhalf uur gereden te hebben, kwamen wij aan dat vermaardeClos de Vougeotwaaraan een lekkerbek nooit zonder watertanden denken kan. De wijn die hier groeit, en die onder den naam vanClos de Vougeotbekend is, wordt voor de fijnste gehouden, die inBourgondiewast. Zijn naam wordt ontleend vanclos, een besloten plaats, (want de wijngaard is met een muur omringd), enVougeot, de naam van het dorpje, daar dezelve onder gelegen is. In deze besloten plaats staat ook een fraai gebouw, dat menle pressoirnoemt. De druiven worden hierin getreden, geperst enz. Deze wijngaard, benevens het dorpje en meêr andere plaatsen hier omstreeks, behoorde voor de omwenteling aan de beruchteBernardijnerAbdij vanCiteaux; de rijkdom en bezittingen in landgoederen van deze zich noemende godvruchtige kluizenaars (pieux solitaires), was grooter dan die van sommige aanzienlijke Vorstendommen. Zij teelden doorgaans meêr wijn in één herfst, dan ’er in menige stad inFrankrijkin een gansch jaar gebruikt wordt. Behalve den wijn, leverde deze Abdij nog andere aanzienelijke voortbrengsels op,als Kardinalen, Pausen,1Heiligen en wat al niet meêr.... De Abt vanCiteauxhad het gewone regtsgebied over de vier eerste Abdijen van zijne Orde; hij was de opperste (Superieur General) van al de Abdijen en Kloosters, tot die orde behoorende; als mede van eenige Militaire Orden inSpanjeenPortugal. In de Vergadering der Staten vanBourgondiën, volgde hij in rang op de Bisschoppen; hij was ook eerste Raadsheer in het Parlement vanBourgondiën; kortöm, hij was al een heele groote sinjeur. Deze geestelijke Vader liet zich dan op zijne grootheid al vrij wat voorstaan, en hield geen geringen stoet. Men oordeele over de verkwisting van de Monniken vanCiteaux, en de zorg, om hunne kelders wel te voorzien; (want dit was het voornaamste, met geleerdheid braken zij hun hoofd zeer weinig); hun voornemen was, om van het pershuis in deClos de Vougeotaf, tot in hunne kelders toe, looden buizen onder den grond doorloopende te leggen, om door deze kanalen den wijn in die ruime gewelven te doen stroomen; en dit pershuis is bijna twee uren van de Abdij af gelegen. Thans is dat voorheen zoo aanzienelijk gebouw, gedeeltelijk gesloopt, het lag midden in een schoon bosch, dat wij van verre zagen. DatClos de Vougeot, dat 360arpens2groot is, behoort thans aan de BankiersTourtonenRavelteParijs. Die wijn word zelfs hier op de plaats voor £6–:–: de fles verkogt. Eer wij van deze Abdij afstappen, nog een woordje over deszelfs patroon, de HeiligeBernardus; hij werd teFontaine-lez-Dyon, een half uurtje vanDyon, in het laatst van de elfde eeuw geboren, was slim, ondernemend en welsprekend; en had daar door zelfs ook aan het hof, veel invloed; hij was een voorname aanstoker van de kruisvaarten, en de stichter van 1800 mans- en 1400 vrouwen-kloosters. ZekerFranschschrijver zegt van hem: ”Dix hommes commeSt. Bernard,auroient depeuplé le monde.”3Omstreeks half acht kwamen wij teNuysofNuits, en stapten daar af, om te ontbijten; het was zoo koud, dat men vuur voor ons aanmaakte. De wijn, die hier tegen den berg groeit, aan wiens voet het stadje ligt, is ook zeer beroemd, en heeft zijne eerste vermaardheid te danken aan eene ziekte, vanLodewijkden XIV. in 1680. De Geneesheeren moesten den geschiktsten wijn kiezen, om de krachten van den zieken te herstellen, en vonden daartoe den ouden wijn vanNuitshet beste. Sedert dien tijd, is die wijn, die te voren in het land zelve werd gebruikt, sterk gezocht, overäl na toe verzonden geworden; en daar door, natuurlijker wijze, aanmerkelijk inprijs gestegen. Het bovenste gedeelte van den berg, waar tegen hij groeit, is anders schraal en onvruchtbaar.Hoewel het nog vroeg was, konden wij niet nalaten, om van dezen lekkeren wijn te proeven, te meêr, daar men ons verzekerd had, dat wij ze in de Herberg, waar wij afgetreden waren, echt konden krijgen; ’er moest dan een fles van zijn bij ons ontbijt, dat bestond in koud vleesch en brood; wij vonden ze zeer goed; maar moesten ’er ook £3–:–: voor betalen. Het spijt mij, dat ik den naam van de Herberg vergeten heb; want zoo gij, of iemand van onze kennissen, in dit land mogt komen, zou ik ulieden raden, om ’er aanteleggen; niet alleen om goeden wijn te drinken, maar omdat de vrouw, eene bejaarde matrone, zeer vriendelijk en geschikt is. Het is een groot huis, bij het inkomen van het plaatsje, en men kan aan den boêl zien, dat het lieden zijn, die ’er wel inzitten. Wij wandelden het stadje door, doch zagen ’er niets bijzonders. Men had ons verteld, dat de vrouwen hier zeer weinig boezem hebben, en voor zoo ver ik ’er in ’t voorbijgaan over oordeelen kon, is deze aanmerking niet geheel ongegrond. Hier van daan ook het versje, dat ik uit den mond van eenBourgondiërheb opgeschreven:Nuits, ville sans renom,Rivière sans poisson,Montagnes sans buissons,Justice sans raison,Filles sans tetons,Mais le vin est bon.Het riviertjeMusainstroomt voorbij de stad; dit riviertje neemt zijn’ oorsprong niet ver van hier aan den voet van den berg vanVergi; voorheen stond ’er op dezen berg een Kasteel van dien naam. Het bekende en verschrikkelijke Treurspel,Gabrielle de Vergi4, dat in hetHollandschis overgezet, is van daar afkomstig.Het was goed weder, wij wandelden vooruit, en lieten de rijtuigen volgen. Aan de regterhand heeft men altijd de ketens van heuvelen, die menla Coté d’Ornoemt, op een’ zekeren afstand van den weg. Langs die heuvels ligt eene menigte dorpen, zoo digt, dat zij hier en daar aan elkanderen raken. Alles, wat men onder tegen die heuvelen en in de vlakte ziet, zijn wijngaarden; en hier en daar watMaïs, ook bij onsTurkscheTarw genaamd; aan de linkerhand was het redelijk goed korenland. Het Departement dela Côte d’Or, hoewel vruchtbaar in wijn, levert anders niet veel koren op, en de grond is ’er op vele plaatsen in ’t geheel niet toe geschikt, en zelfs hier en daar zeer onvruchtbaar. Aan den anderen kant vanDyon, vanParijskomende, vondik, dat het graan, zoo tarw, als haver en garst, zeer kort en mager stond. De schrale grond, en geringe bemesting is hier zeker veelal de oorzaak van; doch de boeren verergeren het nog, door misschien een derde zaadkoren te veel op de akkers te werpen. Ik sprak hier met een inwoner van dit land over, en hij moest bekennen dat ik gelijk had. De gronden zijn veeläl krijtachtig, naar het mij toescheen; sommigen zijn geheel rood door de roode aarde waarmede zij doormengd zijn, en anderen zijn keiachtig en vol kleine steentjes; deze is zeer geschikt voor den wijn. Boekweit, die hier denkelijk wel zou groeijen, heb ik ’er niet gezien; ik geloof ook dat ’er de rogge, althans op de meeste gronden, die ik zag, beter zou groeijen, dan de tarwe; hier en daar scheen men dat ook te begrijpen, doch het beteekende niet veel. DeFranschenhouden van geen roggenbrood. Wat de konstweiden aangaat, deze bestaan meestal in Lucerne klaver;Bourgondiënlevert ook veel schapen op.De weg was vooral door den aanhoudenden regen, zeer slecht. Hij is niet bestraat, maar met kleine keitjes opgeworpen, en het draven in onze karretjes, hoewel de bankjes nog al op riemen hingen, was ongemakkelijk; wij gingen dan veel te voet, en zagen daar door de landstreek des te beter.Het was omtrent elf uren, toen wij teBeaunekwamen; hier gingen wij onzen Wijnkooper, met wien wij op den Postwagen vanParijsnaarDyonkennis gemaakt hadden, opzoeken; doch hijwas uit de stad. Daar onze voerlieden verzocht hadden, om hier hunne paarden een paar uren te laten rusten, hadden wij den tijd, om het stadje te bezigtigen: het ziet ’er nog al levendig en welvarende uit, doch wij vonden ’er niets bijzonders. De inwoners worden voor zeer dom en onverstandig gehouden, waarom men hun den naam gegeven heeft vanles anes de Beaune5. Zoo het waar is dat zij dezen naam verdienen, is het niet te verwonderen; want ’er waren voor de omwenteling in deze, stad, die men op omtrent zes duizend inwoners begrootte, agt à negen zoo Mans- als Vrouwen-Kloosters, waar onder een Abdij vanBernardinerNonnen, en een half uurtje van de stad lag nog eenCarthuizerKlooster.Bourgondiën, en vooral dit gedeelte, was voorheen een regt Monnikenland; geen wonder, ’er groeit goede wijn, en die snaken zijn doorgaans liefhebbers van een druifje te pikken. Ook is ’er inBeauneeen Gasthuis voor ziekeen oude lieden, doorNicolas Rollin, Kanselier van onzen GraafPhilippusvanBourgondiëngesticht. Het wordt ook door Nonnen bediend; doch deze doen slechts geloften voor één jaar, en dat kan ’er immers nog al door. Men heeft die goede zusters, na de omwenteling inFrankrijk, ook bijna overal in wezen gelaten. KoningLodewijkde XI, aan wien men dit Gasthuis liet zien, zeide, van den stichter sprekende: “Het is zeer billijk, daar hij zoo veel armen gedurende zijn leven gemaakt heeft, dat hij voor zijn dood een huis heeft doen bouwen, om ze te herbergen.”De stad, die, onder verscheidene Hertogen, het verblijf van het Hofwas, is met wallen, muren en grachten omringd; zij zijn zeer vervallen. Na de zamenzwering van den MarschalkCharles de Biron, die den 31 Julij 1602 in de Bastille onthoofd is, deedHendrikde IV. het Kasteel vanBeaune, dat voor een van de beste van de Provintie gehouden werd, ontmantelen.Men had ons een herberg in de voorstad, naar den kant vanChalons, aangewezen, waar wij goeden wijn moesten vinden; want de wijn vanBeauneis ook zeer beroemd. Hier gingen wij ter loops het middagmaal nemen, en troffen ’er in de daad zeer goeden wijn aan. Na den maaltijd wandelden wij voort langs eenen aangenamen weg tot bovenVollenai, een Dorp, waarvan de wijnen ook waardig gekeurd worden, om, op de tafels der rijken, een voorname plaats te bekleeden. Op eene hoogte hier omtrentheeft men een zeer schoon gezigt. Men wees ons het DorpPomare, waar van de wijnen ook tot den wel voorzienen kelder van een echten liefhebber behooren; teMeursault, waar wij door kwamen, en dat nog al een gnap dorp is, vonden wij goed, om eens aanteleggen, wij dronken daar een fles witten wijn van 1790, die lekker was, maar wij moesten ’er ook £4–:–: voor neêrtellen. Men teelt ’er goeden wijn. Hier verlaat menla Côte d’Oren het fijne wijnland. Het bijgaande gezigtje zal u een denkbeeld geven van de aangename ligging van een gedeelte dezer kostelijke wijnbergen.De weg tusschen dit dorp enChalonsis fraai, aangenaam en wel beplant; de toegangen van die stad zijn gansch niet onbevallig; ’s avonds te half zes kwamen wij ’er aan. Dit wordChalons sur Saonegenaamd, in onderscheiding van een anderChalons sur Marne. Wij waren dan ook in het Departement vanSaone et Loire6; namen onzen intrek inl’Hotel des trois Fesans; bestelden het avondmaal en gingen wandelen. Ik stond verwonderd over de fraaije kaai, die men hier langs de rivier heeft, en de schoone gebouwen, die men daar ziet; het gezigt van dezelve is ook zeer aangenaam. In de vaart die hier gemeenschap heeft met de rivier, wijst men denvreemdelingen de sluizen als iets bijzonders aan; voor ons was dat niets nieuws. Van de Stad gaat men over eene fraaije steenen brug naar de voorstadSaint Laurent, aan den anderen kant van deSaone. Die brug is aan beide zijden versierd met vier Piramiden, welken dienen, zoo ik meen, om ’er lantaarns tusschen te hangen. De voorstadSaint Laurentis een eiland, rondom door deSaonebespoeld.GontranKoning vanOrleänsenBourgondiën, die teChalonszijn verblijf hield, stichtte op dit eiland een Abdij omtrent het jaar 590; thans dient zij voor een Hospitaal. Rondom is een fraaije en lommerrijke wandeling, van waar men een aangenaam gezigt heeft over de rivier en de omliggende landouwen.Mursault.Mursault.1Citeauxheeft vier Pausen opgeleverd, alsEugeniusIII,GregoriusVII,CelestinusIV, enBenedictusXII.2Eenarpentis omtrent een vierde deel van een morgen lands.3Tien menschen, alsSt. Bernard, zouden de wereld ontvolkt hebben.4De Belloi, een van de veertig van deFranscheAcademie, is ’er schrijver van. De TreurspelenZelmire,GastonenBayard, die insgelijks in onze taal zijn overgezet, en nog drie anderen, zijn mede van hem.5De Ezels vanBeaune.Piron, daar ik u hier voor van gesproken heb, een pik tegen die vanBeaunehebbende, had gewed dat hij binnen een zeer korten tijd honderd puntdichten (Epigrammes) tegen hun zou maaken, en hield zijn woord. Eens teBeaunein het openbaar sprekende, riepen de toehoorders: “Wij verstaan u niet;” willende dat hij harder zou spreken, enPironantwoordde: ”Ce n’est pourtant pas faute d’oreilles,” het is toch niet bij gebrek van ooren; deze kwinkslag werd hem niet vriendelijk afgenomen.6Naar men mij verzekerde, is men thans bezig om door een bevaarbaar kanaal, deze twee rivieren met elkanderen gemeenschap te doen hebben, en dus ook denOceäanmet deMiddellandsche Zee.Vierde Brief.Lyon, 30 Julij.De schuit, waarmede wij, den volgenden dag, 23 dezer, vanChalonsnaarLyonvertrekken moesten, voer eerst ’s middags om twaalf uren af; ik had dus nog tijd, omChalonsdoorteloopen,waarik blijde om was; want het zag ’er hier levendig en vrolijk uit, en beviel mij dus wel. Met genoegen zag ik de puinhoopen van verscheidene Kloosters, die men had afgebroken, hoe zeer dit anders niet sierlijk staat.De overige Kerken schenen niets bijzonders opteleveren. Wij zouden de kermis bij hebben kunnen wonen, als wij een paar dagen vroeger waren gekomen; de kramen en lootsen stonden ’er nog, digt bij de poort, waar men van den kant vanDyoninkomt, en hier naar te oordeelen, scheen zij nog al aanmerkelijk geweest te zijn.Chalonsdrijft zeer veel handel, voornamelijk in granen en wijn. ’Er zijn ook eenige koussen- en hoeden-fabrieken; men vindt ’er vele welgestelde Ingezetenen. Het getal der inwoners word op omtrent 12,000 begroot. Deze stad en de omliggende landstreek, draagt ook roem op de schoonheid harer vrouwen, en de vriendelijkheid der mannen, bijzonder tegen vreemdelingen; en ik vind dit in het een en ander opzigt niet geheel zonder grond. Onze Hospes, onder anderen, was een allerbeleefdst en vriendelijk man, hoewel wij maar kort bij hem verbleven en geene groote verteringen maakte.De menschen zien ’er ook over het algemeen frisch en gezond uit; kortom,Chalonsis een aangename plaats, enLes trois Fesanseen goede Herberg. Bij het dorpPresty, niet ver van deze stad gelegen, vindt men loodmijnen.Deze streek, die voorheen tot deGaulenbehoorde, schijnt bewoond geweest te zijn door een der oudste volkeren op de aarde bekend. Dit althans schijnt zeker, dat deInsubriënsen, wier vestiging inItaliëveel ouder is dan de grondslag vanRome, en misschien zelfs dan de aankomst van Enéas inLatium, een deel uitmaakte van deÆduensen, een Volk vermaard in de geschiedenis, en de eerste waar van dezelve melding maakt, als bewonende dat gedeelte vanFrankrijk; waar thans de stadAutun, tot dit Departement behoorende, staat; deze stad, die men wil, dat toenBibractegenaamd was, bezit ook nog verscheidene overblijfsels van oudheden, en ik had wel lust, om die te gaan zien, doch het was wat te ver buiten onzen weg.Tegen den middag begaven wij ons scheep, na alvorens aan hetBureau(bij den Commissaris) £6–:–:. betaald te hebben voor ieder persoon; dit is de vracht op de beste plaats, een soort van roef, vanChalonsnaarLyon. Wij waren met meêr dan zestig personen in en op deze schuit, die men hierla Diligencenoemt; behalve nog vrij wat koopmansgoederen en bagaadje. Op de rivier zijnde, levertChalons, ook eene aangename vertooning op; ik bleef ’er zoo lang mogelijk op turen, en zou verkozen hebben, om boven op te blijven zitten; doch de wind was zoo koud, dat ik het niet durfde wagen. De schippers, op deze rivier, zijn meestal frissche stevige kerels. De opperste van onze schuit werdPatrongenaamd; zij spreken onder elkanderen eene taal, die menpatoisnoemt, en die ik niet verstond; hier en daar komen ’er woorden in, die eenige overeenkomst hebben met hetItaliaansch. De stroom van deze rivier is niet sterk, en men kan dezelve dus, zonder veel moeite,zoo wel op als afvaren. Wij voeren ze af, en hadden vier paarden noodig, om dat de wind tegen was, op sommige plaatsen is het zoo ondiep, dat wij over het zand sleepten. Daar aan de boorden van deSaoneniet veel te zien was, gingen wij het middagmaal houden; hebbende koud vleesch, vruchten en wijn mede genomen. Onder de personen, die zich in de schuit bevonden, troffen wij ook weder onzen Wijnkooper vanMaçonaan, met wien wij reeds vanParijsnaarDyongereisd hadden. TeTournus, een stadje half wegChalonsenMaçon, zeer aangenaam aan den regter oever van deSaonegelegen, zagen wij eene fraaije brug over die rivier, zijnde onder steen en boven hout; doch in een’ smaak gemaakt, dat men ze op een’ zekeren afstand voor geheel steen zou aanzien. Sedert de 9de eeuw bestond hier een voorname Abdij vanBenedictijnerMonniken, tot dat de Kardinaalde la Rochefoucauld, die ’er Abt van was, dezelve deedseculariseeren, en ’er een Kanonniken Kapittel van maakte.Dit plaatsje schijnt nog al eenigen handel te drijven. Niet ver van hier zag ik, aan den oever van de rivier, eenMaçonnoisboerinnetje, met een aardig klein rond zwart hoedje op, dat de bijzondere mode van dat land is, al spinnende en zingende haar koeijen hoeden. VanParijsaf hadden wij niet anders dan rood rundvee gezien, aan deze kanten is het geelächtig wit.’s Avonds om half acht kwamen wij teMaçon,omtrent elfFranschemijlen vanChalonsgelegen, en de Hoofdstad van dit Departement, hoewel kleiner en minder bevolkt danChalons; waarom de inwoners van die plaats ook zeer te onvreden zijn, dat men aan dezelve de voorkeur niet gegeven heeft; vooral ook, omdatChalonsmeêr in het midden van het Departement liggende, beter geschikt schijnt tot eene Hoofdplaats, daar hetzelve het verblijf is van den Prefect en de voorname regtbank van het Departement.Maçondoet zich op eene aangename wijze op. Zij ligt aan de helling van eene hoogte1, en heeft een fraaije kaai en eene steenen brug, op dertien bogen, over deSaone: door middel van deze brug heeft zij gemeenschap met het Departementde l’Ain; voorheen dat gedeelte vanBourgondiën, dat menla Bressenoemde. Immers, Vriend! hebben onze achtingwaardige Vaderlandsche schrijfsters,E. WolffenA. Deken, teBourg, de hoofdplaats van dat Departement, gewoond; en aldaar hareWandelingen door Bourgondiëngeschreven. Met een dankbaar gevoel dacht ik hier aan die kundige vrouwen; zij hebben toch veel tot de verlichting en aankweeking der goede smaak bijgedragen. HareSara Burgerhartis geheel oorspronkelijk en vol geest; het is een meesterstuk,en wordt daar zelfs bij vreemdelingen voor gehouden; hoewel het voor hun, wijl zij met de karakters, die ’er zoo natuurlijk in geteekend worden, niet genoegzaam bekend zijn, die waarde niet kan hebben, die het voor ons heeft. Het is in hetFransch, en zoo ik mij niet bedrieg, ook in hetHoogduitschovergezet.Terwijl het nog licht was, wandelde ik langs de kaai, want dit is het voornaamste, dat hier te zien is. Op hetzelve staan fraaije gebouwen, en onder anderen een welgebouwd Stadhuis; in een van de vleugels is de Schouwburg. Inwendig beteekent de stad niet veel; zij is onregelmatig gebouwd, en de straten zijn naauw. Op de brug, die 300 treden lang en 6 breed is, heeft men een allerliefst gezigt op de rivier, en bijzonder op een bevallig gelegen eiland. Het is aangenaam beplant, en ’er is een weide op, die bij zekere gelegenheden dient tot de viering van Feesten. ZekerFranschschrijver, die ’er toch ook al uitermate door verrukt moet geweest zijn, zegt:“Cest un vrai tableau de l’Albane, Cette île enchanteresse semble jetée sur le globe, pour être digne de contenir également le temple des Dieux, les danses des mortels et le tombeau des grands hommes. l’Imagination les lui prête, quand l’œil la considère, et tout homme devient poète, s’il touche à ses rives parfumées.”2Op mij heeft het die uitwerking niet gehad, en ik heb meêr dan eens in ons Vaderland plaatsen gezien, die ik bekoorlijker vond, dan deze. Oordeel zelve uit het gezigtje, dat ik u hier bij zend, en dat wel gelijkende is.Onze reisgenoot, de Wijnkooper, liet niet af, of wij moesten bij hem komen, en hij deed ons van zijn besten wijn drinken. Hij had een gnap huis, en ruime kelders; en pakhuizen, die wij van den eenen kant tot den anderen moesten doorloopen. De wijn vanMâconis smakelijk, en wordt voor gezond gehouden; deeze stad drijft daar in dan ook veel handel, vooral metParijsenLyon; en deze twee steden gebruiken ’er een aanmerkelijk gedeelte van. Wij hadden onzen intrek genomenau grand Hotèl du Sauvage, alwaar wij s’avonds aan tafel zittende, zeer lastig gevallen werden, door verscheidene koopvrouwen in messen, scharen en diergelijk tuig, dat voornamelijk teMoulins, hoofdplaats van het Departement’Allier, voorheenle Bourbonnois, gemaakt wordt.St. Louisin 1248 vertrekkende, om een’ kruistogt te ondernemen, kocht in ’t voorbijgaan het GraafschapMâcon. Van de vermaarde Abdij derBenedictijner Cluny, voorheen een der aanmerkelijkstevanFrankrijk, en niet verre van deze stad gelegen, zal ik u niets anders zeggen, dan dat hunne Boekerij, die aanzienelijk was, en waar onder werken van waarde, door de Protestanten in de 16de eeuw verbrand werd. Deze verkeerde ijver heeft eene aanmerkelijke schade aan de letterkunde toegebragt; want men moet tot lof van deBenedictijnenzeggen, dat zij de wetenschappen beoefenden en bewaarden, toen die voor een groot deel der wereld verloren waren.Maçon.Maçon.Den 24 dezer, ’s morgens om vijf uren, verlieten wijMâcon; over ons Logement waren wij wel te vreden; het is een groot en fraaij gebouw, ’er zijn zelfs baden in. Behalve onzen Wijnkooper, was ’er nog een ander tamelijk bejaard Heer uitgegaan, met een Dametje, die ’er onder weg was ingekomen, en welke, ’er vrij galant uitzag. De Heer, die een sukkelaar scheen, had ons wel verteld, dat hij teLyon, waar hij van daan kwam, een proçes, en onder weg zijne beurs had verloren; hij had ook gisteren zijn horologie op een bank, beneden in de schuit, laten liggen, en was naar boven gegaan; doch iemand die het vond, was eerlijk genoeg, om het hem wederom te geven; en dit een en ander leverde stof op tot een gesprek, over de onachtzaamheid van dezen man; doch mêer wisten wij noch de meeste andere reizigers niet van zijne omstandigheden af; doch eene vrouw, die teMâcon, en met onzen onachtzamen man, bekend scheen, en ook den vorigendag veel met hem gesproken had, verhaalde ons nu, dat hij niet alleen het ongeluk had van zijn proçes en zijne beurs te verliezen, maar dat hij bovendien zijne vrouw, die eenigen tijd geleden, met een jong Officier was weggeloopen, in deze schuit wederom gevonden had; zijn vrouw was dat Dametje, dat ’er onder weg ingekomen was. Een ander persoon, die ook teMaçonbekend scheen, bevestigde het gezegde van die vrouw, en wij herinnerden ons nu wel, dat het Dametje boven op de schuit zijnde, zeer vrolijk en spraakzaam was, doch zoodra zij beneden kwam, waar onze ongelukkige zat, stil en afgetrokken scheen. Doch beiden hadden echter zoo wijs geweest van zich stil te houden, zoodanig, dat het gezelschap van de verwijdering, die ’er tusschen hun plaats had, niet gewaar werd, uitgenomen de twee lieden, die hun kenden, en het ons daar na verhaalden. Nu werd ’er op rekening van die lieden, en vooral van de vrouw wat afgedaan; en dit gaf niet weinig aanleiding tot lagchen en spotten, want deFranschenvan de zoogenaamdebon ton, of die ze naäpen, vooral die vanParijsof van de groote steden, achten de huwelijkstrouw eene loutere beuzeling, vinden het onwellevend en gemeen, om daar eenige waarde aan te hechten, en scheren ’er dus gaarne de gek mede; ieder kraamt dan zijne geestige trekken uit. Zelfs op de voorname Tooneelen vanParijs, daar men zoo naauw gezet schijnt omtrent het welvoegelijke, maakt men de huwelijkstrouw gedurig bespottelijk. In de volksliederen,die men aan alle hoeken van de straten hoort, en in de prenten, die men openlijk te koop ziet hangen, gaat het niet beter; geen wonder, zulke waar heeft aftrek; doch dat de goede orde en het wezenlijk geluk van de Maatschappij hier door bevorderd wordt, kan ik niet geloven; en mij dunkt, dat ’er onze ouderwetsche, zoogenaamde stijveHollanders, in dat opzigt beter achter zijn, en daar door dan ook vrij wat meer huisselijk genoegen, en dat is toch het ware, smaken.Dit voorval van den Heer B..... en zijn vrouw, vanMâcon, want zij werden met naam en toenaam genoemd, heeft mij hier eene uitweiding doen maken; doch mij dacht, dat kwam zoo eens in het rijm te pas, en waarom zou ik het ’er dan niet bij voegen.—Nu weder aan mijn reisverhaal. De wind was gaan leggen en het weder zacht, zoo dat ik boven op kon gaan zitten. De gezigten tegen de bergen, waar de wolken tusschen hingen, en tegen de heuvels met wijngaarden beplant, langs de boorden van deSaone, waren alleraangenaamst. Onze schippers zeiden ook, dat dit hangen van de wolken tusschen de bergen een zeker voorteeken was van regen, en voegden ’er nog bij dat het tegen den avond zou donderen, en gij zult straks hooren, dat zij het geraden hebben.Hier moet ik u een opmerkingwaardigen trek van vriendschap, tusschen twee honden, die wij aan boord hadden, verhalen. De eene was vrij groot en een bastaardsoort van den herders hond, de anderewas een mopsje of steendoggetje; beiden waren van het mannelijk geslacht, en behoorden aan onzen schipper, die ’er veel werk van scheen te maken. Ik had al opgemerkt, dat zij vrienden schenen, want zij aten zelfs van eene schotel zonder morren, en de schipper verhaalde mij ook, dat zij bijzonder aan elkander gehecht waren; dit wierd weldra bevestigd. Zij speelden met elkander op den kant van de schuit, en ziet, de groote viel in het water en zwom naar den wal, terwijl het kleintje door schreeuwen en blaffen zijn leed en ongerustheid te kennen gaf, dreigende gedurig, om ook in het water te springen. Te vergeefs zocht de schipper het te stillen, eindelijk zette hij het in de rivier en het zwom naar den kant, zoodra wierd de groote het niet gewaar, of hij zwom het te gemoet, en trachte zijn’ kleinen vriend te helpen en te ondersteunen; aan land komende, toonden zij, ieder om het meest, hunne blijdschap en het springen en vrolijk blaffen, duurde een geruime poos, en nu volgden zij te samen de schuit tot de naaste plaats, waar wij moesten aanleggen.—Zouden de dieren, vooral dit soort, wel zoo redeloos zijn als men vrij algemeen veronderstelt; en welke zijn de juiste grenspalen tusschen de rede en het ingeschapen gevoel (instinct)—is dat alles wel zoo duidelijk als wij ons verbeelden, wanneer wij ’er zoo oppervlakkig aan denken? De dieren handelen regelmatiger en meer eenvormig dan wij zoogenaamde beschaafde menschen; hoe gering zijn ook hunne behoeften; en handelensommige zoogenaamde wilde en onbeschaafde volkeren, wier behoeften zeer gering zijn, ook niet vrij regelmatig en eenvormig?—Maar deze zijn voor beschaving vatbaar.—Kan men dit van de dieren ook niet zeggen, en komt alles dan niet op eene meerder en minder mate van vatbaarheid neder? Dit denkbeeld is voor eene zeer wijdloopige ontleding geschikt, en daarom stap ik ’er af.De gezigten werden verrukkelijk; het heeft hier en daar wel wat van de oevers van den Rhijn, tusschenMentzenBonn. Wij naderdenRiotti, een dorpje of gehucht aan den linkeroever, hier moesten wij het middagmaal houden, de twee schuiten, te weten, die van en die naarLyon, ontmoeten hier elkander, en de reizigers van beiden eten ’er; wij zaten dan aan met omtrent 40 personen, in een ruime zaal, van waar men een uitmuntend gezigt heeft; men schafte ’er ook goed op en voor een matigen prijs. Ik heb u nog vergeten te zeggen, dat de gewone tafelwijn, zoo hier als elders, waar wij geweest zijn onder den prijs van den maaltijd begrepen is.Daar de Rivier tusschen deze plaats enTrévouxwat kronkelt, besloten een deel van onze reizigers, waar toe ik ook behoorde, om langs een’ naderen en aangenamen weg tot die plaats te wandelen. Ik ging met een Offiçier, die van het begin van de omwenteling af gediend had. Reeds op de schuit hadden wij te zamen kennis gemaakt; hij scheen zeer Republikeinsgezind, en verhaalde mij onder anderen,dat hij hoop had, om zijn ontslag te bekomen, en zich dan op een landgoedje, dat hij van zijn ouders geërfd had, en inBourgondiëngelegen was, wilde nederzetten. Die wandeling over heuvels en door boschjes, beviel mij ongemeen.Trévouxeen oud stadje, behoorende tot het Departement de l’Ain, ligt Amphitheatersgewijze tegen eene hoogte langs den linkeroever van de rivier. Hier schreven de Jesuiten hunJournal et Dictionnaire de Trévoux, Hier bestreed het bijgeloof de wijsbegeerte, en aan een anderen hoek van dit Departement isFerneygelegen, alwaar een man woonde, die redelijk genoeg was, en moeds genoeg bezat, om de zaak van den ongelukkigenCalastegen de dweepzucht te verdedigen. De Boekdrukkerij vanTrévouxwas voorheen vermaard. De wandelingen en gezigten die men op de hoogte bij deze stad heeft, zijn zeer schilderachtig.—Hier wandelt men in een dreef van fraaije platanus-boomen, en daar klimt men op den top van een heuvel, van waar men het gezigt heeft op een ruime en vruchtbare vlakte, op de omliggende heuvels, die hier en daar al vrij verheven zijn, en die men ook wel kleine bergen en rotsen zou kunnen noemen. Wij warenTrévoux, dat nog 5Franschemijlen vanLyonis, reeds door, en hadden al meer dan een uur gewandeld, toen wij onze schuit gewaar werden; hier klommen wij van de hoogte af, en begaven ons wederom scheep. Nu had ik bijna geen oogen genoeg, om overal rond te zien, steenrotsen, groene heuvelen, tuinen, buitenplaatsen,lusthuizen, boschjes, hooge boomen, een kronkelende rivier, zoo stil en effen, dat al de voorwerpen rondom ’er zich, als in een’ spiegel, in vertoonen, nu en dan eens een schuitje, en langs de oevers hier en daar een groepje menschen of vee; schikt dat alles in uwe verbeelding, zoo fraaij en aangenaam door en onder elkanderen, als gij wilt, en gij zult het niet fraaijer maken, dan het inderdaad is. Vele vermogende lieden vanLyonhebben hieromstreeks hunne buitenverblijven, en komen daar doorgaans, even als onzeAmsterdamscheKooplieden, een gedeelte van den Zaturdag en den Zondag doorbrengen. Het steedjeNeuville, daar wij voorbij voeren, ligt allerliefst, en men vindt ’er ook verscheidene buitenplaatsen, die hier, het geen mij bijzonder beviel, meêr aangename landhuizen dan prachtige paleizen, zoo als men ook bij ons maar al te veel ziet, geleken.—Is het niet genoeg hovaardige rijken! dat gij in de steden uwe schatten uitkraamt, en uwe pracht ten toon stelt, moet gij nog tempels van den hoogmoed naast de eenvoudige hutten der landlieden oprigten, om ook hun daardoor, is het mogelijk, te vernederen, en om de schoone natuur te ontsieren.—Aardig vertoont zich in de nabijheid vanLyonhet eilandBarbe, een gedeelte van de rots,waarhet plaatsje op gebouwd is, steekt ter zijde met een punt boven de huizen uit. Een oud vervallen gebouw, overblijfsels van een Abdij, en een digte beplanting van boomen, maken ’er een zeer fraaije en bevallige schilderijvan. Die vanLyonverzamelen zich somtijds bij plegtige gelegenheden en vreugdebedrijven op dit eiland. Bij het inkomen van de stad ziet men op eene steile rots, aan den regteroever van de rivier, de puinhopen van het kasteelPierre-CiseofPierre-en-Cise; gediend hebbende voor eene Staatsgevangenis, en in het begin van de omwenteling gesloopt. Twee bekende slagtoffers van de wraak des Kardinaalsde Richelieu, onder de regering vanLodewijkden XIII., werden hier opgesloten,Cinqmarsnamelijk en zijn vriendde Thou. Zij werden den 12 September 1642 onthoofd;Cinqmarswas slegts 22 jaar oud. De vader van den ongelukkigende Thou, die in zijne geschiedenis verscheidene voorbeelden van diergelijke vonnissen aanhaalt, voorzag toen niet, dat zijn zoon ook dat lot zou ondergaan.De schuit was reeds in de stad, en bij de plaats, waar wij moesten aan wal stappen, toen de voorzegging van onzen schipper, des ’s morgens gedaan, vervuld werd; een zwaare donderbui barstte genoegzaam boven ons hoofd uit. Uit een raampje van de schuit kijkende, schoot ’er een bliksemstraal zoo digt langs dezelve in het water neder, dat ik ’er eenige oogenblikken als van verbijsterd was; de slag deed zig te gelijker tijd op eene geweldige wijze hooren, en werd weldra door een zwaren stortregen gevolgd, zoo dat wij verpligt waren, om in de schuit te blijven, tot de bui over was; en dit duurde nog al een heele poos.Genoeg voor ditmaal—wanneer het zoo aanhoudend blijft regenen, als het gisteren en heden gedaan heeft, zal ik veel te huis moeten zitten, en alzoo tijds genoeg hebben, om u ruim en breed over deze stad te onderhouden; want ik neem toch tusschen beide de drooge buijen waar, om te gaan wandelen, en somtijds waag ik ’er ook al eens een’ natten rok aan.1Men vind op verscheidene plaatsen, niet ver van deze stad, steengroeven, die marmer van onderscheidene kleuren opleveren; teBerzé la Villezijn ’er twee van albast, grijsachtig wit van kleur.2Het is een ware schilderij vanl’Albane. Dit betooverende eiland schijnt op den aardbol geworpen, om waardigte zijn, van te gelijker tijd den tempel der Goden, de dansen der stervelingen en de begraafplaats der groote Mannen te bevatten. De verbeelding schetst ze ’er op, als ons oog hetzelve betracht, en ieder mensch wordt Dichter, als hij aan die welriekende zoomen raakt.Vijfde Brief.Lyon, 31 Julij.Naauwelijks hadden wij hier voet aan wal gezet, of wij werden schier verdrongen door de menschen, die ons ieder om het zeerst noodigde, om van hun huis gebruik te maken. Welk een vriendelijk en gastvrij volk, zou een vreemdeling, die met deEuropeeschezeden en gebruiken niet bekend is, denken; maar gij begrijpt ligt, dat het Logementhouders of hunne knechts of meiden waren. Men had ons hetHotel des Celestinsaangeraden, wij zetten ons dan in een huurkoets (fiacre), die men hier zoo wel als teParijsvindt, lieten ’er onze koffers opbinden, en ons zoo aan hetHotel des Celestinsbrengen; dit is een van de eerste Hotels van de stad, doch het was’er ons veel te duur; want ik heb de gewoonte, om, zoodra ik in een Logement kom, te onderzoeken naar de prijs van het een en ander; en hier bij heb ik mij altijd zeer wel bevonden. Wij raakten dan hier niet slaags, en lieten ons aan hetHotel de Languedoc, dat wij in het voorbijgaan gezien hadden, brengen; het staat op de Kaai langs deSaone, niet ver van de houten brug over dezelve. Wij vonden daar zeer goede kamers op de eerste verdieping, en die een alleraangenaamst uitzigt hadden op de rivier, en over dezelve; op de Hoofdkerk, den berg vanSt. Just,l’Hospice des Antiquailles, de Kapel vannotre Dame de Fourvièresenz. Niettegenstaande de uitgezochte en treffende fraaiheid van het gezigt van dat gedeelte van het Logement, waar wij onzen intrek genomen hadden, was de prijs zeer matig; ik betaalde voor een kamer met twee bedden £ 3–:–: daags, en even zoo veel voor mijn middagmaal.De stad doorwandelende, zag ik uit een straat een man met pluimen op den hoed aankomen, gevolgd van eenige anderen, die iets, dat wit en zwartwas, schenen te dragen, zij lagchten en praatten overluid onder elkanderen, en stapten vrij gezwind; ik dacht dat zij iets zonderlings te kijken hadden, en ziet, het was een begravenis; het lijk was met een wit en zwart kleed onachtzaam op de kist geworpen, bedekt, en werd door vier mannen gedragen; die met de pluimen op den hoed, was de gewoone begeleider der dooden, zoo als men teParijsook heeft, doch daar ziet hij ’er anders uit; dit was al een heel slordig soort van een begravenis, doch ik heb ze al meêr hier en daar inFrankrijkgezien, die niet beter waren: velen schijnen in dit opzigt van het eene uiterste tot het andere te zijn overgeslagen, en dit reken ik onder de abuizen van de omwenteling. Het begraven der dooden behoort toch, hoewel men met rede een menigte aanstotelijke en kostbare plegtigheden achterlaat, op eene betamelijke, en min of meêr plegtige wijze te geschieden; het verzuimen hier van, geeft, mijns bedunkens, aanleiding tot woestheid en ongevoeligheid, en kan dus in zijne gevolgen immers niet anders, dan schadelijk zijn voor de Maatschappelijke order. Deze abuizen zijn echter niet aan de wetten of verordeningen, die ’er na de omwenteling hier omtrent plaats gehad hebben, toetekennen, maar wel aan de verwaarloozing of verkeerde toepassing van dezelve. Nog maar weinige jaren geleden, heeft hetInstitut NationalvanFrankrijk, in naam van het Gouvernement, de volgende prijsvraag uitgeschreven:“Quelles font les cérémonies à faire pour les funerailles, et le reglement à adopter pour le lieu de la sepulture?”en het antwoord hier op, dat bekroond is geworden, is vanF.V. Mullotvoorheen Wetgever enz. Zeer kort geleden, heb ik die redevoering, hoewel ik in alles niet met den schrijver instem, met genoegen gelezen, en ik zou met niet minder genoegen zien, dat men in vele opzigten zijn voorschrift volgde; doch het is te vreezen, dat het bijgeloof de oudeplegtigheden wel weder algemeen zal trachten intevoeren, zoo als men zulks in vele plaatsen al begonnen heeft. Op de plaatsBelle-cour, die sedert 1713 tot de omwenteling, de plaats vanLodewijkden Grooten genaamd werd, en thans den naam vanBonapartevoert, is niet veel bijzonders meêr te zien. Het beeld vanLodewijkXIV, de twee fonteinen en verdere sieraden, die deze plaats voorheen beroemd maakten, zijn weggenomen, en de puinhoopen van sommige huizen, die men in het begin van de omwenteling heeft afgebroken, liggen ’er nog; aan den eenen kant in de lengte, zijn verscheide rijen boomen geplant; dit dient voor een gemeene wandelplaats; ’t heeft hier wel wat van onsHaagsche Voorhout. Deze plaats is omtrent 450 treden lang, en na genoeg half zoo breed; langs dezelve staan fraaije huizen. Zij ligt tusschen deSaoneen deRhone. Ik was ’er van de kaai van de eerstgenoemde rivier opgekomen, en kwam in de lengte ’er overgaande, en een straatje regtuit doorloopende aan de kaai van deRhoneuit; daar had ik de groote steenen brug, die over dezelve ligt, voor mij. Deze brug is zamengesteld uit twintig bogen: men is het bouwen van dezelve aan PausInnocentiusden IV. verschuldigd. Zij is in geen regte lijn gebouwd; maar maakt een bogt, zijnde de uitwendige zijde tegen den stroom, die hier zeer sterk is, gerigt. Aanvankelijk had men haar ook zoo smal gemaakt, dat ’er geen rijtuigen elkanderen op konden voorbijgaan; men is dan verpligt geweest,van ’er een tweede naast te bouwen. Om nu deze twee bruggen aan elkander te hechten, en ’er één stevig ligchaam van te maken, heeft men door al de pilaren zware ijzeren staven weten te brengen, die aan beide uitersten met ankers zijn bevestigd. En in deze stoute onderneming is men zoo wel geslaagd, dat het schier niet zigtbaar is, en men, die bijzonderheid niet wetende, nimmer zou vermoeden, dat dit werk op zulk eene wijze is zamengesteld. Dit is het eenigste niet, dat men, aangaande deze brug, heeft optemerken: de bogen werden ook niet wijd genoeg bevonden, zoo dat het zand, dat met het water van deRhoneafkomt, zich op een hoopte, dikwijls de voorname bogen verstopte, en daardoor den doortogt moeijelijk maakte. Om dit ongemak wegtenemen, vond men een’ bouwmeester ondernemend en bekwaam genoeg, om een van de pilaren in het midden wegtenemen, en alzoo van twee bogen een te maken. Hetmuurwerk van dezen groten boog versterkte hij zoodanig, dat ’er de brug niet door leed, en zijn arbeid werd algemeen bewonderd en goedgekeurd. Voorheen stond ’er aan den ingang van de brug, aan den kant van de stad, een poort, en verder op dezelve een soort van vierkante toren, waar men onder doorging, doch dezelve zijn afgebroken. Een gedeelte van deze brug, diele pont de la Guillotièregenaamd wordt, ziet gij in de bijgaande afbeelding, benevens het groote of nieuwe GasthuisNouvel Hopital, op de kaai van deRhone; de teekening van dit schoone en trotschegebouw, is zoo nauwkeurig, dat ik mij niet zal ophouden, om u hetzelve uitwendig te beschrijven; jammer is het, dat de linkervleugel, zoo als gij ziet nog onvoltooid staat; want het is te vreezen, dat men ’er vooreerst nog niet aan zal kunnen denken, omdat deze stad door de omwenteling en aanhoudenden oorlog, zeer veel geleden heeft, en nog lijdt, waardoor de kas in geen voordeeligen staat is.Lijon.Lijon.Den 25 dezer ging ik ’s morgens vroegtijdig uit, en begon met de Hoofdkerk te bezigtigen; het is een oudGothischgebouw, zoo als gij in de afbeelding ziet. Zij schijnt bijna langwerpig vierkant, door de torens, die aan de vier hoeken staan, inwendig is zij wel ruim, maar donker. Het groote altaar in het midden van het koor, is het eenigste, dat ik ’er beziens waardig vond, want her vermaarde uurwerk doorNicolas LippiusvanBaselin 1598. gemaakt, en dat vooral in dien tijd, als een groot konststuk werd beschouwd, is sedert verscheide jaren geheel in verval. In de groote Kerk van’s Boschstaat een diergelijk uurwerk. Als een bijzonder gebruik van deze Kerk vind men aangeteekend, dat ’er nimmer noch muzijk, noch orgel, noch boeken, gedurende het vieren der diensten, in dezelve zijn gebezigd geworden. Niet ver van deze Kerk op de kaai, staat het zoogenaamdPalais de Justice, een gebouw, dat van buiten geen aanzien heeft; en van binnen zag het ’er schandelijk slordig uit; dit komt mij vooral hoogst onvoegelijk voor, in eene plaats, waar Regters, tot welker voornamehoedanigheden, order en naauwkeurigheid behooren, in het openbaar vergaderen. Ik ging in een van de zalen, waar een Advokaat, die hard genoeg schreeuwde, en vrij wat beweging maakte, bezig was met pleiten. Hetgeen mij als iets ongerijmds in het oog viel, was een schilderij, waaropChristusaan het Kruis geschilderd was, dat boven het hoofd hing van den President. De schilderij was ’er zeker nog niet lang geleden geplaatst; want het woordEgalitéstond met groote letters op den wand boven hetzelve, en dit woord, dat anderzins in een Vierschaar zoo wel voegt, maakte nu met die schilderij een zonderlinge tegenstrijdigheid, daar ’er immers in een Regtzaal voor alle burgers, van welke Godsdienstige begrippen zij ook mogen zijn, geen kruis, dat een kenmerk van een bijzondere sekte is, te pas komt. Joden en andere lieden, die niet tot de Roomsche Kerk behooren, en die als leden van de Burgerlijke Maatschappij dezelfde regten en aanspraak op de wetten hebben, als de leden van die Kerk, moeten zich, voor deze balie verschijnende, deswegens natuurlijkerwijze ergeren, en ik geloof, dat, wanneer ik tot dit regtsgebied behoorde, ik niet zou kunnen nalaten, om mij over het plaatsen van dit schilderijtje te beklagen, en de wet onder andere ook die, welke betrekkelijk is tot de regeling der Godsdiensten (l’organisation des cultes) thans inFrankrijkbestaande, en die geen heerschenden Godsdienst erkent, zou mij daar regt toe geven.De kaai langs deRhone,Quai du Rhone, is fraai,en met schoone, en zelfs prachtige huizen, waarvan de meeste vijf, zes en meêr verdiepingen hoog zijn, bebouwd1. Langs den waterkant is een wandeling gemaakt, die men heeft beginnen te beplanten. Men heeft ook van deze kaai, en uit de huizen op dezelve een zeer aangenaam gezigt over de rivieren, de landstreek aan den anderen kant van dezelve, tot tegen deAlpen, die men bij helder weder duidelijk zien kan. Over deRhoneligt, behalve de brug, waarvan ik u reeds geschreven heb, nog een houten brug, die den naam draagt van zijnen makerMorand. Deze brug (le pont Morand) hoewel ligt in schijn, is van een beproefde stevigheid. In den winter van het jaar 1789 bevroor deRhone, niettegenstaande den snellen stroom. De ijsgang maakte eene verschrikkelijke vertooning. De verdubbelde aanval van de ontzaggelijke ijsschotsen, deed voor het behoud van de brug beven; en zij weerstond het gevaar, zelfs zonder schade te lijden. DeLyonnezenhier over verblijd, en erkentelijk vierden een feest ter eere van deze gebeurtenis. De naam vanMorandzweefde op ieders lippen, en deze brug als een gedenkteeken van zijne bekwaamheid werd met lauwers bekroond. Behalve de kaaijen, de plaatsendes Terraux de Belle-cour, en eenige weinige straten isLyonin ’t geheel geen fraaije stad; zij is voor het overige onregelmatig gebouwd, de straten zijn eng, meestal zeer naauw, en krom, de huizen zijn hoog, en hier door is het ’er duister en bedompt, daarbij zeer bevolkt. De morsigheid en onaangename reuk is voor iemand, die daar niet aan gewoon is, inderdaad hinderlijk. Hier kan men nog als een groot ongemak bijvoegen, dat de weg zeer ongemakkelijk gestraat is; de keijen of straatsteenen zijn klein, veelal scherp en ongelijk, zoo dat de voeten zeer doen, als men ’er lang op gaat. Wanneer men dit aan onze Hollandsche Franschmannetjes, die dit land niet anders kennen, dan uitMode Journaal,l’Almanach des Graces, of de eene of andere Roman, en die zoo veel op hebben metFrankrijk, vooral met de voorname steden in hetzelve, eens vertelde, zouden zij aardig staan te kijken; want ’er zijn vele van die zuikerpopjes, die zich verbeelden, dat men hierop Rozen wandelt; dat men niets anders ruikt dan Amber en Jasmijn, niets eet, dan keurige spijzen, niets drinkt, dan nektar, niets hoort, dan liefelijke toonen, en streelende woorden, en niets ziet, dan dat aangenaam en bevallig is; maar het gaat ’er zoo niet, en dit land heeft zoo wel als andere landen zijne schoone en lelijke zijde.’s Avonds ging ik in den grooten Schouwburg (le Grand Théatre): Het is een fraai gebouw, ruim veertig jaaren geleden, volgens de teekening van de BouwmeesterSoufflot, gebouwd, en staat regt achter het Stadhuis. Voor hetzelve is een plein,en ter zijde een gallerij, waar verscheide kramers hunne onderscheide waren uitstallen; dit alles maakt met het Stadhuisla place des Terreaux, en de Abdij vanSt. Pieter, op dezelve, een fraai geheel uit. Van binnen beviel de Schouwburg mij ook wel; doch order en netheid haperden hier ook weder, en zelfs in hetParterre(waar men staande moet blijven), hinderde de stank van zekere tonnen, die in een vertrekje aan den ingang zijn geplaatst, niet weinig; men gaf ’er eenBlijspel genaamd,le Jaloux sans Amourenl’Irrato Opera, het Muzijk is vanMehulin denItaliaanschensmaak gecomponeerd. Het spelen was maar zeer middelmatig, het zijn hier waarlijk ook geen tovenaars; echter als zij teAmsterdamspeelden, en zulk soort krijgt men ’er doorgaans, zouden onze zoogenaamde lieden van smaak ’er drok naar toelopen, terwijl zij den neus optrekken, als men hun spreekt van den grooten of Stads Schouwburg, waar ik ondertusschen verscheide stukken zeer goed heb zien uitvoeren, en waar sommige vertoonders spelen, die zelfs doorFranscheKonstkenners en voorname Konstenaars, niet ligt gereed, om aan vreemden lof toetezwaaijen, openlijk bewonderd worden2. Ja ik durf staande houden, datdit tooneel behoorlijk aangemoedigd en bestuurd, weldra zou verdienen, om onder de eerste tooneelen vanEuropagerangschikt te worden. Wanneer zal die ellendige lage en verderfelijke trek, naar al wat vreemd is, onder ons eens ophouden, en deHollandschezeden en voortbrengsels van Kunsten en Wetenschappen, waar wij ten allen tijde billijk roem opdroegen, en nog roem op mogen dragen, eens herleven. Trachten wij van onze naburen, en van vreemden te leeren, wanneer ’er zig iets nuttigs voor ons op doet; maar laten wij toch bij aanhoudendheid niet dwaas en slecht genoeg zijn, om hun in alles nateäpen. Gij hebt deze en diergelijke aanmerkingen niet noodig, vriend! maar gij vat dikwils de pen op, tot nut en vermaak van onze landgenoten, en bij die gelegenheid zou zoo iets te pas kunnen komen.1Door de belegering hadden vele huizen op deze kaai aanmerkelijk geleden, doch sedert korten tijd zijn die weder opgebouwd, en men verzekerde, dat dezelve thans ruim zoo schoon is, als voorheen.2Men leze onder anderen,le Feuilleton de Publiciste de Mardi,28Frimaire an12 (20 Decemb. 1803.) aangaande onze, schier onvergelijkelijke, JuffrouwWattier.—Zorgt men wel dat een vrouw, van zulk eene zeldzame bekwaamheid, als deze, kweekelingen maakt?

Derde Brief.Lyon, 28Julij.Wij vertrokken, den 22. dezer, ’s morgens om vijf uren vanDyon, met twee rijtuigen, op twee wielen; ieder met een paard bespannen, zoo als dekoetskarren inBataafsch Braband; men noemt die hierCarioles; in elk zouden drie personen, en de voerman, bekrompen kunnen zitten; doch dan moet men ook geen bagage hebben. Wij betaalden voor deze twee rijtuigen £50–:–: alle onkosten voor rekening van den voerman totChalons sur Saone.DyonenChalonszijn langs den gewonen weg, 8¾ posten van elkanderen. Na omtrent anderhalf uur gereden te hebben, kwamen wij aan dat vermaardeClos de Vougeotwaaraan een lekkerbek nooit zonder watertanden denken kan. De wijn die hier groeit, en die onder den naam vanClos de Vougeotbekend is, wordt voor de fijnste gehouden, die inBourgondiewast. Zijn naam wordt ontleend vanclos, een besloten plaats, (want de wijngaard is met een muur omringd), enVougeot, de naam van het dorpje, daar dezelve onder gelegen is. In deze besloten plaats staat ook een fraai gebouw, dat menle pressoirnoemt. De druiven worden hierin getreden, geperst enz. Deze wijngaard, benevens het dorpje en meêr andere plaatsen hier omstreeks, behoorde voor de omwenteling aan de beruchteBernardijnerAbdij vanCiteaux; de rijkdom en bezittingen in landgoederen van deze zich noemende godvruchtige kluizenaars (pieux solitaires), was grooter dan die van sommige aanzienlijke Vorstendommen. Zij teelden doorgaans meêr wijn in één herfst, dan ’er in menige stad inFrankrijkin een gansch jaar gebruikt wordt. Behalve den wijn, leverde deze Abdij nog andere aanzienelijke voortbrengsels op,als Kardinalen, Pausen,1Heiligen en wat al niet meêr.... De Abt vanCiteauxhad het gewone regtsgebied over de vier eerste Abdijen van zijne Orde; hij was de opperste (Superieur General) van al de Abdijen en Kloosters, tot die orde behoorende; als mede van eenige Militaire Orden inSpanjeenPortugal. In de Vergadering der Staten vanBourgondiën, volgde hij in rang op de Bisschoppen; hij was ook eerste Raadsheer in het Parlement vanBourgondiën; kortöm, hij was al een heele groote sinjeur. Deze geestelijke Vader liet zich dan op zijne grootheid al vrij wat voorstaan, en hield geen geringen stoet. Men oordeele over de verkwisting van de Monniken vanCiteaux, en de zorg, om hunne kelders wel te voorzien; (want dit was het voornaamste, met geleerdheid braken zij hun hoofd zeer weinig); hun voornemen was, om van het pershuis in deClos de Vougeotaf, tot in hunne kelders toe, looden buizen onder den grond doorloopende te leggen, om door deze kanalen den wijn in die ruime gewelven te doen stroomen; en dit pershuis is bijna twee uren van de Abdij af gelegen. Thans is dat voorheen zoo aanzienelijk gebouw, gedeeltelijk gesloopt, het lag midden in een schoon bosch, dat wij van verre zagen. DatClos de Vougeot, dat 360arpens2groot is, behoort thans aan de BankiersTourtonenRavelteParijs. Die wijn word zelfs hier op de plaats voor £6–:–: de fles verkogt. Eer wij van deze Abdij afstappen, nog een woordje over deszelfs patroon, de HeiligeBernardus; hij werd teFontaine-lez-Dyon, een half uurtje vanDyon, in het laatst van de elfde eeuw geboren, was slim, ondernemend en welsprekend; en had daar door zelfs ook aan het hof, veel invloed; hij was een voorname aanstoker van de kruisvaarten, en de stichter van 1800 mans- en 1400 vrouwen-kloosters. ZekerFranschschrijver zegt van hem: ”Dix hommes commeSt. Bernard,auroient depeuplé le monde.”3Omstreeks half acht kwamen wij teNuysofNuits, en stapten daar af, om te ontbijten; het was zoo koud, dat men vuur voor ons aanmaakte. De wijn, die hier tegen den berg groeit, aan wiens voet het stadje ligt, is ook zeer beroemd, en heeft zijne eerste vermaardheid te danken aan eene ziekte, vanLodewijkden XIV. in 1680. De Geneesheeren moesten den geschiktsten wijn kiezen, om de krachten van den zieken te herstellen, en vonden daartoe den ouden wijn vanNuitshet beste. Sedert dien tijd, is die wijn, die te voren in het land zelve werd gebruikt, sterk gezocht, overäl na toe verzonden geworden; en daar door, natuurlijker wijze, aanmerkelijk inprijs gestegen. Het bovenste gedeelte van den berg, waar tegen hij groeit, is anders schraal en onvruchtbaar.Hoewel het nog vroeg was, konden wij niet nalaten, om van dezen lekkeren wijn te proeven, te meêr, daar men ons verzekerd had, dat wij ze in de Herberg, waar wij afgetreden waren, echt konden krijgen; ’er moest dan een fles van zijn bij ons ontbijt, dat bestond in koud vleesch en brood; wij vonden ze zeer goed; maar moesten ’er ook £3–:–: voor betalen. Het spijt mij, dat ik den naam van de Herberg vergeten heb; want zoo gij, of iemand van onze kennissen, in dit land mogt komen, zou ik ulieden raden, om ’er aanteleggen; niet alleen om goeden wijn te drinken, maar omdat de vrouw, eene bejaarde matrone, zeer vriendelijk en geschikt is. Het is een groot huis, bij het inkomen van het plaatsje, en men kan aan den boêl zien, dat het lieden zijn, die ’er wel inzitten. Wij wandelden het stadje door, doch zagen ’er niets bijzonders. Men had ons verteld, dat de vrouwen hier zeer weinig boezem hebben, en voor zoo ver ik ’er in ’t voorbijgaan over oordeelen kon, is deze aanmerking niet geheel ongegrond. Hier van daan ook het versje, dat ik uit den mond van eenBourgondiërheb opgeschreven:Nuits, ville sans renom,Rivière sans poisson,Montagnes sans buissons,Justice sans raison,Filles sans tetons,Mais le vin est bon.Het riviertjeMusainstroomt voorbij de stad; dit riviertje neemt zijn’ oorsprong niet ver van hier aan den voet van den berg vanVergi; voorheen stond ’er op dezen berg een Kasteel van dien naam. Het bekende en verschrikkelijke Treurspel,Gabrielle de Vergi4, dat in hetHollandschis overgezet, is van daar afkomstig.Het was goed weder, wij wandelden vooruit, en lieten de rijtuigen volgen. Aan de regterhand heeft men altijd de ketens van heuvelen, die menla Coté d’Ornoemt, op een’ zekeren afstand van den weg. Langs die heuvels ligt eene menigte dorpen, zoo digt, dat zij hier en daar aan elkanderen raken. Alles, wat men onder tegen die heuvelen en in de vlakte ziet, zijn wijngaarden; en hier en daar watMaïs, ook bij onsTurkscheTarw genaamd; aan de linkerhand was het redelijk goed korenland. Het Departement dela Côte d’Or, hoewel vruchtbaar in wijn, levert anders niet veel koren op, en de grond is ’er op vele plaatsen in ’t geheel niet toe geschikt, en zelfs hier en daar zeer onvruchtbaar. Aan den anderen kant vanDyon, vanParijskomende, vondik, dat het graan, zoo tarw, als haver en garst, zeer kort en mager stond. De schrale grond, en geringe bemesting is hier zeker veelal de oorzaak van; doch de boeren verergeren het nog, door misschien een derde zaadkoren te veel op de akkers te werpen. Ik sprak hier met een inwoner van dit land over, en hij moest bekennen dat ik gelijk had. De gronden zijn veeläl krijtachtig, naar het mij toescheen; sommigen zijn geheel rood door de roode aarde waarmede zij doormengd zijn, en anderen zijn keiachtig en vol kleine steentjes; deze is zeer geschikt voor den wijn. Boekweit, die hier denkelijk wel zou groeijen, heb ik ’er niet gezien; ik geloof ook dat ’er de rogge, althans op de meeste gronden, die ik zag, beter zou groeijen, dan de tarwe; hier en daar scheen men dat ook te begrijpen, doch het beteekende niet veel. DeFranschenhouden van geen roggenbrood. Wat de konstweiden aangaat, deze bestaan meestal in Lucerne klaver;Bourgondiënlevert ook veel schapen op.De weg was vooral door den aanhoudenden regen, zeer slecht. Hij is niet bestraat, maar met kleine keitjes opgeworpen, en het draven in onze karretjes, hoewel de bankjes nog al op riemen hingen, was ongemakkelijk; wij gingen dan veel te voet, en zagen daar door de landstreek des te beter.Het was omtrent elf uren, toen wij teBeaunekwamen; hier gingen wij onzen Wijnkooper, met wien wij op den Postwagen vanParijsnaarDyonkennis gemaakt hadden, opzoeken; doch hijwas uit de stad. Daar onze voerlieden verzocht hadden, om hier hunne paarden een paar uren te laten rusten, hadden wij den tijd, om het stadje te bezigtigen: het ziet ’er nog al levendig en welvarende uit, doch wij vonden ’er niets bijzonders. De inwoners worden voor zeer dom en onverstandig gehouden, waarom men hun den naam gegeven heeft vanles anes de Beaune5. Zoo het waar is dat zij dezen naam verdienen, is het niet te verwonderen; want ’er waren voor de omwenteling in deze, stad, die men op omtrent zes duizend inwoners begrootte, agt à negen zoo Mans- als Vrouwen-Kloosters, waar onder een Abdij vanBernardinerNonnen, en een half uurtje van de stad lag nog eenCarthuizerKlooster.Bourgondiën, en vooral dit gedeelte, was voorheen een regt Monnikenland; geen wonder, ’er groeit goede wijn, en die snaken zijn doorgaans liefhebbers van een druifje te pikken. Ook is ’er inBeauneeen Gasthuis voor ziekeen oude lieden, doorNicolas Rollin, Kanselier van onzen GraafPhilippusvanBourgondiëngesticht. Het wordt ook door Nonnen bediend; doch deze doen slechts geloften voor één jaar, en dat kan ’er immers nog al door. Men heeft die goede zusters, na de omwenteling inFrankrijk, ook bijna overal in wezen gelaten. KoningLodewijkde XI, aan wien men dit Gasthuis liet zien, zeide, van den stichter sprekende: “Het is zeer billijk, daar hij zoo veel armen gedurende zijn leven gemaakt heeft, dat hij voor zijn dood een huis heeft doen bouwen, om ze te herbergen.”De stad, die, onder verscheidene Hertogen, het verblijf van het Hofwas, is met wallen, muren en grachten omringd; zij zijn zeer vervallen. Na de zamenzwering van den MarschalkCharles de Biron, die den 31 Julij 1602 in de Bastille onthoofd is, deedHendrikde IV. het Kasteel vanBeaune, dat voor een van de beste van de Provintie gehouden werd, ontmantelen.Men had ons een herberg in de voorstad, naar den kant vanChalons, aangewezen, waar wij goeden wijn moesten vinden; want de wijn vanBeauneis ook zeer beroemd. Hier gingen wij ter loops het middagmaal nemen, en troffen ’er in de daad zeer goeden wijn aan. Na den maaltijd wandelden wij voort langs eenen aangenamen weg tot bovenVollenai, een Dorp, waarvan de wijnen ook waardig gekeurd worden, om, op de tafels der rijken, een voorname plaats te bekleeden. Op eene hoogte hier omtrentheeft men een zeer schoon gezigt. Men wees ons het DorpPomare, waar van de wijnen ook tot den wel voorzienen kelder van een echten liefhebber behooren; teMeursault, waar wij door kwamen, en dat nog al een gnap dorp is, vonden wij goed, om eens aanteleggen, wij dronken daar een fles witten wijn van 1790, die lekker was, maar wij moesten ’er ook £4–:–: voor neêrtellen. Men teelt ’er goeden wijn. Hier verlaat menla Côte d’Oren het fijne wijnland. Het bijgaande gezigtje zal u een denkbeeld geven van de aangename ligging van een gedeelte dezer kostelijke wijnbergen.De weg tusschen dit dorp enChalonsis fraai, aangenaam en wel beplant; de toegangen van die stad zijn gansch niet onbevallig; ’s avonds te half zes kwamen wij ’er aan. Dit wordChalons sur Saonegenaamd, in onderscheiding van een anderChalons sur Marne. Wij waren dan ook in het Departement vanSaone et Loire6; namen onzen intrek inl’Hotel des trois Fesans; bestelden het avondmaal en gingen wandelen. Ik stond verwonderd over de fraaije kaai, die men hier langs de rivier heeft, en de schoone gebouwen, die men daar ziet; het gezigt van dezelve is ook zeer aangenaam. In de vaart die hier gemeenschap heeft met de rivier, wijst men denvreemdelingen de sluizen als iets bijzonders aan; voor ons was dat niets nieuws. Van de Stad gaat men over eene fraaije steenen brug naar de voorstadSaint Laurent, aan den anderen kant van deSaone. Die brug is aan beide zijden versierd met vier Piramiden, welken dienen, zoo ik meen, om ’er lantaarns tusschen te hangen. De voorstadSaint Laurentis een eiland, rondom door deSaonebespoeld.GontranKoning vanOrleänsenBourgondiën, die teChalonszijn verblijf hield, stichtte op dit eiland een Abdij omtrent het jaar 590; thans dient zij voor een Hospitaal. Rondom is een fraaije en lommerrijke wandeling, van waar men een aangenaam gezigt heeft over de rivier en de omliggende landouwen.Mursault.Mursault.1Citeauxheeft vier Pausen opgeleverd, alsEugeniusIII,GregoriusVII,CelestinusIV, enBenedictusXII.2Eenarpentis omtrent een vierde deel van een morgen lands.3Tien menschen, alsSt. Bernard, zouden de wereld ontvolkt hebben.4De Belloi, een van de veertig van deFranscheAcademie, is ’er schrijver van. De TreurspelenZelmire,GastonenBayard, die insgelijks in onze taal zijn overgezet, en nog drie anderen, zijn mede van hem.5De Ezels vanBeaune.Piron, daar ik u hier voor van gesproken heb, een pik tegen die vanBeaunehebbende, had gewed dat hij binnen een zeer korten tijd honderd puntdichten (Epigrammes) tegen hun zou maaken, en hield zijn woord. Eens teBeaunein het openbaar sprekende, riepen de toehoorders: “Wij verstaan u niet;” willende dat hij harder zou spreken, enPironantwoordde: ”Ce n’est pourtant pas faute d’oreilles,” het is toch niet bij gebrek van ooren; deze kwinkslag werd hem niet vriendelijk afgenomen.6Naar men mij verzekerde, is men thans bezig om door een bevaarbaar kanaal, deze twee rivieren met elkanderen gemeenschap te doen hebben, en dus ook denOceäanmet deMiddellandsche Zee.

Lyon, 28Julij.

Wij vertrokken, den 22. dezer, ’s morgens om vijf uren vanDyon, met twee rijtuigen, op twee wielen; ieder met een paard bespannen, zoo als dekoetskarren inBataafsch Braband; men noemt die hierCarioles; in elk zouden drie personen, en de voerman, bekrompen kunnen zitten; doch dan moet men ook geen bagage hebben. Wij betaalden voor deze twee rijtuigen £50–:–: alle onkosten voor rekening van den voerman totChalons sur Saone.DyonenChalonszijn langs den gewonen weg, 8¾ posten van elkanderen. Na omtrent anderhalf uur gereden te hebben, kwamen wij aan dat vermaardeClos de Vougeotwaaraan een lekkerbek nooit zonder watertanden denken kan. De wijn die hier groeit, en die onder den naam vanClos de Vougeotbekend is, wordt voor de fijnste gehouden, die inBourgondiewast. Zijn naam wordt ontleend vanclos, een besloten plaats, (want de wijngaard is met een muur omringd), enVougeot, de naam van het dorpje, daar dezelve onder gelegen is. In deze besloten plaats staat ook een fraai gebouw, dat menle pressoirnoemt. De druiven worden hierin getreden, geperst enz. Deze wijngaard, benevens het dorpje en meêr andere plaatsen hier omstreeks, behoorde voor de omwenteling aan de beruchteBernardijnerAbdij vanCiteaux; de rijkdom en bezittingen in landgoederen van deze zich noemende godvruchtige kluizenaars (pieux solitaires), was grooter dan die van sommige aanzienlijke Vorstendommen. Zij teelden doorgaans meêr wijn in één herfst, dan ’er in menige stad inFrankrijkin een gansch jaar gebruikt wordt. Behalve den wijn, leverde deze Abdij nog andere aanzienelijke voortbrengsels op,als Kardinalen, Pausen,1Heiligen en wat al niet meêr.... De Abt vanCiteauxhad het gewone regtsgebied over de vier eerste Abdijen van zijne Orde; hij was de opperste (Superieur General) van al de Abdijen en Kloosters, tot die orde behoorende; als mede van eenige Militaire Orden inSpanjeenPortugal. In de Vergadering der Staten vanBourgondiën, volgde hij in rang op de Bisschoppen; hij was ook eerste Raadsheer in het Parlement vanBourgondiën; kortöm, hij was al een heele groote sinjeur. Deze geestelijke Vader liet zich dan op zijne grootheid al vrij wat voorstaan, en hield geen geringen stoet. Men oordeele over de verkwisting van de Monniken vanCiteaux, en de zorg, om hunne kelders wel te voorzien; (want dit was het voornaamste, met geleerdheid braken zij hun hoofd zeer weinig); hun voornemen was, om van het pershuis in deClos de Vougeotaf, tot in hunne kelders toe, looden buizen onder den grond doorloopende te leggen, om door deze kanalen den wijn in die ruime gewelven te doen stroomen; en dit pershuis is bijna twee uren van de Abdij af gelegen. Thans is dat voorheen zoo aanzienelijk gebouw, gedeeltelijk gesloopt, het lag midden in een schoon bosch, dat wij van verre zagen. DatClos de Vougeot, dat 360arpens2groot is, behoort thans aan de BankiersTourtonenRavelteParijs. Die wijn word zelfs hier op de plaats voor £6–:–: de fles verkogt. Eer wij van deze Abdij afstappen, nog een woordje over deszelfs patroon, de HeiligeBernardus; hij werd teFontaine-lez-Dyon, een half uurtje vanDyon, in het laatst van de elfde eeuw geboren, was slim, ondernemend en welsprekend; en had daar door zelfs ook aan het hof, veel invloed; hij was een voorname aanstoker van de kruisvaarten, en de stichter van 1800 mans- en 1400 vrouwen-kloosters. ZekerFranschschrijver zegt van hem: ”Dix hommes commeSt. Bernard,auroient depeuplé le monde.”3

Omstreeks half acht kwamen wij teNuysofNuits, en stapten daar af, om te ontbijten; het was zoo koud, dat men vuur voor ons aanmaakte. De wijn, die hier tegen den berg groeit, aan wiens voet het stadje ligt, is ook zeer beroemd, en heeft zijne eerste vermaardheid te danken aan eene ziekte, vanLodewijkden XIV. in 1680. De Geneesheeren moesten den geschiktsten wijn kiezen, om de krachten van den zieken te herstellen, en vonden daartoe den ouden wijn vanNuitshet beste. Sedert dien tijd, is die wijn, die te voren in het land zelve werd gebruikt, sterk gezocht, overäl na toe verzonden geworden; en daar door, natuurlijker wijze, aanmerkelijk inprijs gestegen. Het bovenste gedeelte van den berg, waar tegen hij groeit, is anders schraal en onvruchtbaar.

Hoewel het nog vroeg was, konden wij niet nalaten, om van dezen lekkeren wijn te proeven, te meêr, daar men ons verzekerd had, dat wij ze in de Herberg, waar wij afgetreden waren, echt konden krijgen; ’er moest dan een fles van zijn bij ons ontbijt, dat bestond in koud vleesch en brood; wij vonden ze zeer goed; maar moesten ’er ook £3–:–: voor betalen. Het spijt mij, dat ik den naam van de Herberg vergeten heb; want zoo gij, of iemand van onze kennissen, in dit land mogt komen, zou ik ulieden raden, om ’er aanteleggen; niet alleen om goeden wijn te drinken, maar omdat de vrouw, eene bejaarde matrone, zeer vriendelijk en geschikt is. Het is een groot huis, bij het inkomen van het plaatsje, en men kan aan den boêl zien, dat het lieden zijn, die ’er wel inzitten. Wij wandelden het stadje door, doch zagen ’er niets bijzonders. Men had ons verteld, dat de vrouwen hier zeer weinig boezem hebben, en voor zoo ver ik ’er in ’t voorbijgaan over oordeelen kon, is deze aanmerking niet geheel ongegrond. Hier van daan ook het versje, dat ik uit den mond van eenBourgondiërheb opgeschreven:

Nuits, ville sans renom,Rivière sans poisson,Montagnes sans buissons,Justice sans raison,Filles sans tetons,Mais le vin est bon.

Nuits, ville sans renom,Rivière sans poisson,Montagnes sans buissons,Justice sans raison,Filles sans tetons,Mais le vin est bon.

Nuits, ville sans renom,

Rivière sans poisson,

Montagnes sans buissons,

Justice sans raison,

Filles sans tetons,

Mais le vin est bon.

Het riviertjeMusainstroomt voorbij de stad; dit riviertje neemt zijn’ oorsprong niet ver van hier aan den voet van den berg vanVergi; voorheen stond ’er op dezen berg een Kasteel van dien naam. Het bekende en verschrikkelijke Treurspel,Gabrielle de Vergi4, dat in hetHollandschis overgezet, is van daar afkomstig.

Het was goed weder, wij wandelden vooruit, en lieten de rijtuigen volgen. Aan de regterhand heeft men altijd de ketens van heuvelen, die menla Coté d’Ornoemt, op een’ zekeren afstand van den weg. Langs die heuvels ligt eene menigte dorpen, zoo digt, dat zij hier en daar aan elkanderen raken. Alles, wat men onder tegen die heuvelen en in de vlakte ziet, zijn wijngaarden; en hier en daar watMaïs, ook bij onsTurkscheTarw genaamd; aan de linkerhand was het redelijk goed korenland. Het Departement dela Côte d’Or, hoewel vruchtbaar in wijn, levert anders niet veel koren op, en de grond is ’er op vele plaatsen in ’t geheel niet toe geschikt, en zelfs hier en daar zeer onvruchtbaar. Aan den anderen kant vanDyon, vanParijskomende, vondik, dat het graan, zoo tarw, als haver en garst, zeer kort en mager stond. De schrale grond, en geringe bemesting is hier zeker veelal de oorzaak van; doch de boeren verergeren het nog, door misschien een derde zaadkoren te veel op de akkers te werpen. Ik sprak hier met een inwoner van dit land over, en hij moest bekennen dat ik gelijk had. De gronden zijn veeläl krijtachtig, naar het mij toescheen; sommigen zijn geheel rood door de roode aarde waarmede zij doormengd zijn, en anderen zijn keiachtig en vol kleine steentjes; deze is zeer geschikt voor den wijn. Boekweit, die hier denkelijk wel zou groeijen, heb ik ’er niet gezien; ik geloof ook dat ’er de rogge, althans op de meeste gronden, die ik zag, beter zou groeijen, dan de tarwe; hier en daar scheen men dat ook te begrijpen, doch het beteekende niet veel. DeFranschenhouden van geen roggenbrood. Wat de konstweiden aangaat, deze bestaan meestal in Lucerne klaver;Bourgondiënlevert ook veel schapen op.

De weg was vooral door den aanhoudenden regen, zeer slecht. Hij is niet bestraat, maar met kleine keitjes opgeworpen, en het draven in onze karretjes, hoewel de bankjes nog al op riemen hingen, was ongemakkelijk; wij gingen dan veel te voet, en zagen daar door de landstreek des te beter.

Het was omtrent elf uren, toen wij teBeaunekwamen; hier gingen wij onzen Wijnkooper, met wien wij op den Postwagen vanParijsnaarDyonkennis gemaakt hadden, opzoeken; doch hijwas uit de stad. Daar onze voerlieden verzocht hadden, om hier hunne paarden een paar uren te laten rusten, hadden wij den tijd, om het stadje te bezigtigen: het ziet ’er nog al levendig en welvarende uit, doch wij vonden ’er niets bijzonders. De inwoners worden voor zeer dom en onverstandig gehouden, waarom men hun den naam gegeven heeft vanles anes de Beaune5. Zoo het waar is dat zij dezen naam verdienen, is het niet te verwonderen; want ’er waren voor de omwenteling in deze, stad, die men op omtrent zes duizend inwoners begrootte, agt à negen zoo Mans- als Vrouwen-Kloosters, waar onder een Abdij vanBernardinerNonnen, en een half uurtje van de stad lag nog eenCarthuizerKlooster.Bourgondiën, en vooral dit gedeelte, was voorheen een regt Monnikenland; geen wonder, ’er groeit goede wijn, en die snaken zijn doorgaans liefhebbers van een druifje te pikken. Ook is ’er inBeauneeen Gasthuis voor ziekeen oude lieden, doorNicolas Rollin, Kanselier van onzen GraafPhilippusvanBourgondiëngesticht. Het wordt ook door Nonnen bediend; doch deze doen slechts geloften voor één jaar, en dat kan ’er immers nog al door. Men heeft die goede zusters, na de omwenteling inFrankrijk, ook bijna overal in wezen gelaten. KoningLodewijkde XI, aan wien men dit Gasthuis liet zien, zeide, van den stichter sprekende: “Het is zeer billijk, daar hij zoo veel armen gedurende zijn leven gemaakt heeft, dat hij voor zijn dood een huis heeft doen bouwen, om ze te herbergen.”

De stad, die, onder verscheidene Hertogen, het verblijf van het Hofwas, is met wallen, muren en grachten omringd; zij zijn zeer vervallen. Na de zamenzwering van den MarschalkCharles de Biron, die den 31 Julij 1602 in de Bastille onthoofd is, deedHendrikde IV. het Kasteel vanBeaune, dat voor een van de beste van de Provintie gehouden werd, ontmantelen.

Men had ons een herberg in de voorstad, naar den kant vanChalons, aangewezen, waar wij goeden wijn moesten vinden; want de wijn vanBeauneis ook zeer beroemd. Hier gingen wij ter loops het middagmaal nemen, en troffen ’er in de daad zeer goeden wijn aan. Na den maaltijd wandelden wij voort langs eenen aangenamen weg tot bovenVollenai, een Dorp, waarvan de wijnen ook waardig gekeurd worden, om, op de tafels der rijken, een voorname plaats te bekleeden. Op eene hoogte hier omtrentheeft men een zeer schoon gezigt. Men wees ons het DorpPomare, waar van de wijnen ook tot den wel voorzienen kelder van een echten liefhebber behooren; teMeursault, waar wij door kwamen, en dat nog al een gnap dorp is, vonden wij goed, om eens aanteleggen, wij dronken daar een fles witten wijn van 1790, die lekker was, maar wij moesten ’er ook £4–:–: voor neêrtellen. Men teelt ’er goeden wijn. Hier verlaat menla Côte d’Oren het fijne wijnland. Het bijgaande gezigtje zal u een denkbeeld geven van de aangename ligging van een gedeelte dezer kostelijke wijnbergen.

De weg tusschen dit dorp enChalonsis fraai, aangenaam en wel beplant; de toegangen van die stad zijn gansch niet onbevallig; ’s avonds te half zes kwamen wij ’er aan. Dit wordChalons sur Saonegenaamd, in onderscheiding van een anderChalons sur Marne. Wij waren dan ook in het Departement vanSaone et Loire6; namen onzen intrek inl’Hotel des trois Fesans; bestelden het avondmaal en gingen wandelen. Ik stond verwonderd over de fraaije kaai, die men hier langs de rivier heeft, en de schoone gebouwen, die men daar ziet; het gezigt van dezelve is ook zeer aangenaam. In de vaart die hier gemeenschap heeft met de rivier, wijst men denvreemdelingen de sluizen als iets bijzonders aan; voor ons was dat niets nieuws. Van de Stad gaat men over eene fraaije steenen brug naar de voorstadSaint Laurent, aan den anderen kant van deSaone. Die brug is aan beide zijden versierd met vier Piramiden, welken dienen, zoo ik meen, om ’er lantaarns tusschen te hangen. De voorstadSaint Laurentis een eiland, rondom door deSaonebespoeld.GontranKoning vanOrleänsenBourgondiën, die teChalonszijn verblijf hield, stichtte op dit eiland een Abdij omtrent het jaar 590; thans dient zij voor een Hospitaal. Rondom is een fraaije en lommerrijke wandeling, van waar men een aangenaam gezigt heeft over de rivier en de omliggende landouwen.

Mursault.Mursault.

Mursault.

1Citeauxheeft vier Pausen opgeleverd, alsEugeniusIII,GregoriusVII,CelestinusIV, enBenedictusXII.2Eenarpentis omtrent een vierde deel van een morgen lands.3Tien menschen, alsSt. Bernard, zouden de wereld ontvolkt hebben.4De Belloi, een van de veertig van deFranscheAcademie, is ’er schrijver van. De TreurspelenZelmire,GastonenBayard, die insgelijks in onze taal zijn overgezet, en nog drie anderen, zijn mede van hem.5De Ezels vanBeaune.Piron, daar ik u hier voor van gesproken heb, een pik tegen die vanBeaunehebbende, had gewed dat hij binnen een zeer korten tijd honderd puntdichten (Epigrammes) tegen hun zou maaken, en hield zijn woord. Eens teBeaunein het openbaar sprekende, riepen de toehoorders: “Wij verstaan u niet;” willende dat hij harder zou spreken, enPironantwoordde: ”Ce n’est pourtant pas faute d’oreilles,” het is toch niet bij gebrek van ooren; deze kwinkslag werd hem niet vriendelijk afgenomen.6Naar men mij verzekerde, is men thans bezig om door een bevaarbaar kanaal, deze twee rivieren met elkanderen gemeenschap te doen hebben, en dus ook denOceäanmet deMiddellandsche Zee.

1Citeauxheeft vier Pausen opgeleverd, alsEugeniusIII,GregoriusVII,CelestinusIV, enBenedictusXII.

2Eenarpentis omtrent een vierde deel van een morgen lands.

3Tien menschen, alsSt. Bernard, zouden de wereld ontvolkt hebben.

4De Belloi, een van de veertig van deFranscheAcademie, is ’er schrijver van. De TreurspelenZelmire,GastonenBayard, die insgelijks in onze taal zijn overgezet, en nog drie anderen, zijn mede van hem.

5De Ezels vanBeaune.Piron, daar ik u hier voor van gesproken heb, een pik tegen die vanBeaunehebbende, had gewed dat hij binnen een zeer korten tijd honderd puntdichten (Epigrammes) tegen hun zou maaken, en hield zijn woord. Eens teBeaunein het openbaar sprekende, riepen de toehoorders: “Wij verstaan u niet;” willende dat hij harder zou spreken, enPironantwoordde: ”Ce n’est pourtant pas faute d’oreilles,” het is toch niet bij gebrek van ooren; deze kwinkslag werd hem niet vriendelijk afgenomen.

6Naar men mij verzekerde, is men thans bezig om door een bevaarbaar kanaal, deze twee rivieren met elkanderen gemeenschap te doen hebben, en dus ook denOceäanmet deMiddellandsche Zee.

Vierde Brief.Lyon, 30 Julij.De schuit, waarmede wij, den volgenden dag, 23 dezer, vanChalonsnaarLyonvertrekken moesten, voer eerst ’s middags om twaalf uren af; ik had dus nog tijd, omChalonsdoorteloopen,waarik blijde om was; want het zag ’er hier levendig en vrolijk uit, en beviel mij dus wel. Met genoegen zag ik de puinhoopen van verscheidene Kloosters, die men had afgebroken, hoe zeer dit anders niet sierlijk staat.De overige Kerken schenen niets bijzonders opteleveren. Wij zouden de kermis bij hebben kunnen wonen, als wij een paar dagen vroeger waren gekomen; de kramen en lootsen stonden ’er nog, digt bij de poort, waar men van den kant vanDyoninkomt, en hier naar te oordeelen, scheen zij nog al aanmerkelijk geweest te zijn.Chalonsdrijft zeer veel handel, voornamelijk in granen en wijn. ’Er zijn ook eenige koussen- en hoeden-fabrieken; men vindt ’er vele welgestelde Ingezetenen. Het getal der inwoners word op omtrent 12,000 begroot. Deze stad en de omliggende landstreek, draagt ook roem op de schoonheid harer vrouwen, en de vriendelijkheid der mannen, bijzonder tegen vreemdelingen; en ik vind dit in het een en ander opzigt niet geheel zonder grond. Onze Hospes, onder anderen, was een allerbeleefdst en vriendelijk man, hoewel wij maar kort bij hem verbleven en geene groote verteringen maakte.De menschen zien ’er ook over het algemeen frisch en gezond uit; kortom,Chalonsis een aangename plaats, enLes trois Fesanseen goede Herberg. Bij het dorpPresty, niet ver van deze stad gelegen, vindt men loodmijnen.Deze streek, die voorheen tot deGaulenbehoorde, schijnt bewoond geweest te zijn door een der oudste volkeren op de aarde bekend. Dit althans schijnt zeker, dat deInsubriënsen, wier vestiging inItaliëveel ouder is dan de grondslag vanRome, en misschien zelfs dan de aankomst van Enéas inLatium, een deel uitmaakte van deÆduensen, een Volk vermaard in de geschiedenis, en de eerste waar van dezelve melding maakt, als bewonende dat gedeelte vanFrankrijk; waar thans de stadAutun, tot dit Departement behoorende, staat; deze stad, die men wil, dat toenBibractegenaamd was, bezit ook nog verscheidene overblijfsels van oudheden, en ik had wel lust, om die te gaan zien, doch het was wat te ver buiten onzen weg.Tegen den middag begaven wij ons scheep, na alvorens aan hetBureau(bij den Commissaris) £6–:–:. betaald te hebben voor ieder persoon; dit is de vracht op de beste plaats, een soort van roef, vanChalonsnaarLyon. Wij waren met meêr dan zestig personen in en op deze schuit, die men hierla Diligencenoemt; behalve nog vrij wat koopmansgoederen en bagaadje. Op de rivier zijnde, levertChalons, ook eene aangename vertooning op; ik bleef ’er zoo lang mogelijk op turen, en zou verkozen hebben, om boven op te blijven zitten; doch de wind was zoo koud, dat ik het niet durfde wagen. De schippers, op deze rivier, zijn meestal frissche stevige kerels. De opperste van onze schuit werdPatrongenaamd; zij spreken onder elkanderen eene taal, die menpatoisnoemt, en die ik niet verstond; hier en daar komen ’er woorden in, die eenige overeenkomst hebben met hetItaliaansch. De stroom van deze rivier is niet sterk, en men kan dezelve dus, zonder veel moeite,zoo wel op als afvaren. Wij voeren ze af, en hadden vier paarden noodig, om dat de wind tegen was, op sommige plaatsen is het zoo ondiep, dat wij over het zand sleepten. Daar aan de boorden van deSaoneniet veel te zien was, gingen wij het middagmaal houden; hebbende koud vleesch, vruchten en wijn mede genomen. Onder de personen, die zich in de schuit bevonden, troffen wij ook weder onzen Wijnkooper vanMaçonaan, met wien wij reeds vanParijsnaarDyongereisd hadden. TeTournus, een stadje half wegChalonsenMaçon, zeer aangenaam aan den regter oever van deSaonegelegen, zagen wij eene fraaije brug over die rivier, zijnde onder steen en boven hout; doch in een’ smaak gemaakt, dat men ze op een’ zekeren afstand voor geheel steen zou aanzien. Sedert de 9de eeuw bestond hier een voorname Abdij vanBenedictijnerMonniken, tot dat de Kardinaalde la Rochefoucauld, die ’er Abt van was, dezelve deedseculariseeren, en ’er een Kanonniken Kapittel van maakte.Dit plaatsje schijnt nog al eenigen handel te drijven. Niet ver van hier zag ik, aan den oever van de rivier, eenMaçonnoisboerinnetje, met een aardig klein rond zwart hoedje op, dat de bijzondere mode van dat land is, al spinnende en zingende haar koeijen hoeden. VanParijsaf hadden wij niet anders dan rood rundvee gezien, aan deze kanten is het geelächtig wit.’s Avonds om half acht kwamen wij teMaçon,omtrent elfFranschemijlen vanChalonsgelegen, en de Hoofdstad van dit Departement, hoewel kleiner en minder bevolkt danChalons; waarom de inwoners van die plaats ook zeer te onvreden zijn, dat men aan dezelve de voorkeur niet gegeven heeft; vooral ook, omdatChalonsmeêr in het midden van het Departement liggende, beter geschikt schijnt tot eene Hoofdplaats, daar hetzelve het verblijf is van den Prefect en de voorname regtbank van het Departement.Maçondoet zich op eene aangename wijze op. Zij ligt aan de helling van eene hoogte1, en heeft een fraaije kaai en eene steenen brug, op dertien bogen, over deSaone: door middel van deze brug heeft zij gemeenschap met het Departementde l’Ain; voorheen dat gedeelte vanBourgondiën, dat menla Bressenoemde. Immers, Vriend! hebben onze achtingwaardige Vaderlandsche schrijfsters,E. WolffenA. Deken, teBourg, de hoofdplaats van dat Departement, gewoond; en aldaar hareWandelingen door Bourgondiëngeschreven. Met een dankbaar gevoel dacht ik hier aan die kundige vrouwen; zij hebben toch veel tot de verlichting en aankweeking der goede smaak bijgedragen. HareSara Burgerhartis geheel oorspronkelijk en vol geest; het is een meesterstuk,en wordt daar zelfs bij vreemdelingen voor gehouden; hoewel het voor hun, wijl zij met de karakters, die ’er zoo natuurlijk in geteekend worden, niet genoegzaam bekend zijn, die waarde niet kan hebben, die het voor ons heeft. Het is in hetFransch, en zoo ik mij niet bedrieg, ook in hetHoogduitschovergezet.Terwijl het nog licht was, wandelde ik langs de kaai, want dit is het voornaamste, dat hier te zien is. Op hetzelve staan fraaije gebouwen, en onder anderen een welgebouwd Stadhuis; in een van de vleugels is de Schouwburg. Inwendig beteekent de stad niet veel; zij is onregelmatig gebouwd, en de straten zijn naauw. Op de brug, die 300 treden lang en 6 breed is, heeft men een allerliefst gezigt op de rivier, en bijzonder op een bevallig gelegen eiland. Het is aangenaam beplant, en ’er is een weide op, die bij zekere gelegenheden dient tot de viering van Feesten. ZekerFranschschrijver, die ’er toch ook al uitermate door verrukt moet geweest zijn, zegt:“Cest un vrai tableau de l’Albane, Cette île enchanteresse semble jetée sur le globe, pour être digne de contenir également le temple des Dieux, les danses des mortels et le tombeau des grands hommes. l’Imagination les lui prête, quand l’œil la considère, et tout homme devient poète, s’il touche à ses rives parfumées.”2Op mij heeft het die uitwerking niet gehad, en ik heb meêr dan eens in ons Vaderland plaatsen gezien, die ik bekoorlijker vond, dan deze. Oordeel zelve uit het gezigtje, dat ik u hier bij zend, en dat wel gelijkende is.Onze reisgenoot, de Wijnkooper, liet niet af, of wij moesten bij hem komen, en hij deed ons van zijn besten wijn drinken. Hij had een gnap huis, en ruime kelders; en pakhuizen, die wij van den eenen kant tot den anderen moesten doorloopen. De wijn vanMâconis smakelijk, en wordt voor gezond gehouden; deeze stad drijft daar in dan ook veel handel, vooral metParijsenLyon; en deze twee steden gebruiken ’er een aanmerkelijk gedeelte van. Wij hadden onzen intrek genomenau grand Hotèl du Sauvage, alwaar wij s’avonds aan tafel zittende, zeer lastig gevallen werden, door verscheidene koopvrouwen in messen, scharen en diergelijk tuig, dat voornamelijk teMoulins, hoofdplaats van het Departement’Allier, voorheenle Bourbonnois, gemaakt wordt.St. Louisin 1248 vertrekkende, om een’ kruistogt te ondernemen, kocht in ’t voorbijgaan het GraafschapMâcon. Van de vermaarde Abdij derBenedictijner Cluny, voorheen een der aanmerkelijkstevanFrankrijk, en niet verre van deze stad gelegen, zal ik u niets anders zeggen, dan dat hunne Boekerij, die aanzienelijk was, en waar onder werken van waarde, door de Protestanten in de 16de eeuw verbrand werd. Deze verkeerde ijver heeft eene aanmerkelijke schade aan de letterkunde toegebragt; want men moet tot lof van deBenedictijnenzeggen, dat zij de wetenschappen beoefenden en bewaarden, toen die voor een groot deel der wereld verloren waren.Maçon.Maçon.Den 24 dezer, ’s morgens om vijf uren, verlieten wijMâcon; over ons Logement waren wij wel te vreden; het is een groot en fraaij gebouw, ’er zijn zelfs baden in. Behalve onzen Wijnkooper, was ’er nog een ander tamelijk bejaard Heer uitgegaan, met een Dametje, die ’er onder weg was ingekomen, en welke, ’er vrij galant uitzag. De Heer, die een sukkelaar scheen, had ons wel verteld, dat hij teLyon, waar hij van daan kwam, een proçes, en onder weg zijne beurs had verloren; hij had ook gisteren zijn horologie op een bank, beneden in de schuit, laten liggen, en was naar boven gegaan; doch iemand die het vond, was eerlijk genoeg, om het hem wederom te geven; en dit een en ander leverde stof op tot een gesprek, over de onachtzaamheid van dezen man; doch mêer wisten wij noch de meeste andere reizigers niet van zijne omstandigheden af; doch eene vrouw, die teMâcon, en met onzen onachtzamen man, bekend scheen, en ook den vorigendag veel met hem gesproken had, verhaalde ons nu, dat hij niet alleen het ongeluk had van zijn proçes en zijne beurs te verliezen, maar dat hij bovendien zijne vrouw, die eenigen tijd geleden, met een jong Officier was weggeloopen, in deze schuit wederom gevonden had; zijn vrouw was dat Dametje, dat ’er onder weg ingekomen was. Een ander persoon, die ook teMaçonbekend scheen, bevestigde het gezegde van die vrouw, en wij herinnerden ons nu wel, dat het Dametje boven op de schuit zijnde, zeer vrolijk en spraakzaam was, doch zoodra zij beneden kwam, waar onze ongelukkige zat, stil en afgetrokken scheen. Doch beiden hadden echter zoo wijs geweest van zich stil te houden, zoodanig, dat het gezelschap van de verwijdering, die ’er tusschen hun plaats had, niet gewaar werd, uitgenomen de twee lieden, die hun kenden, en het ons daar na verhaalden. Nu werd ’er op rekening van die lieden, en vooral van de vrouw wat afgedaan; en dit gaf niet weinig aanleiding tot lagchen en spotten, want deFranschenvan de zoogenaamdebon ton, of die ze naäpen, vooral die vanParijsof van de groote steden, achten de huwelijkstrouw eene loutere beuzeling, vinden het onwellevend en gemeen, om daar eenige waarde aan te hechten, en scheren ’er dus gaarne de gek mede; ieder kraamt dan zijne geestige trekken uit. Zelfs op de voorname Tooneelen vanParijs, daar men zoo naauw gezet schijnt omtrent het welvoegelijke, maakt men de huwelijkstrouw gedurig bespottelijk. In de volksliederen,die men aan alle hoeken van de straten hoort, en in de prenten, die men openlijk te koop ziet hangen, gaat het niet beter; geen wonder, zulke waar heeft aftrek; doch dat de goede orde en het wezenlijk geluk van de Maatschappij hier door bevorderd wordt, kan ik niet geloven; en mij dunkt, dat ’er onze ouderwetsche, zoogenaamde stijveHollanders, in dat opzigt beter achter zijn, en daar door dan ook vrij wat meer huisselijk genoegen, en dat is toch het ware, smaken.Dit voorval van den Heer B..... en zijn vrouw, vanMâcon, want zij werden met naam en toenaam genoemd, heeft mij hier eene uitweiding doen maken; doch mij dacht, dat kwam zoo eens in het rijm te pas, en waarom zou ik het ’er dan niet bij voegen.—Nu weder aan mijn reisverhaal. De wind was gaan leggen en het weder zacht, zoo dat ik boven op kon gaan zitten. De gezigten tegen de bergen, waar de wolken tusschen hingen, en tegen de heuvels met wijngaarden beplant, langs de boorden van deSaone, waren alleraangenaamst. Onze schippers zeiden ook, dat dit hangen van de wolken tusschen de bergen een zeker voorteeken was van regen, en voegden ’er nog bij dat het tegen den avond zou donderen, en gij zult straks hooren, dat zij het geraden hebben.Hier moet ik u een opmerkingwaardigen trek van vriendschap, tusschen twee honden, die wij aan boord hadden, verhalen. De eene was vrij groot en een bastaardsoort van den herders hond, de anderewas een mopsje of steendoggetje; beiden waren van het mannelijk geslacht, en behoorden aan onzen schipper, die ’er veel werk van scheen te maken. Ik had al opgemerkt, dat zij vrienden schenen, want zij aten zelfs van eene schotel zonder morren, en de schipper verhaalde mij ook, dat zij bijzonder aan elkander gehecht waren; dit wierd weldra bevestigd. Zij speelden met elkander op den kant van de schuit, en ziet, de groote viel in het water en zwom naar den wal, terwijl het kleintje door schreeuwen en blaffen zijn leed en ongerustheid te kennen gaf, dreigende gedurig, om ook in het water te springen. Te vergeefs zocht de schipper het te stillen, eindelijk zette hij het in de rivier en het zwom naar den kant, zoodra wierd de groote het niet gewaar, of hij zwom het te gemoet, en trachte zijn’ kleinen vriend te helpen en te ondersteunen; aan land komende, toonden zij, ieder om het meest, hunne blijdschap en het springen en vrolijk blaffen, duurde een geruime poos, en nu volgden zij te samen de schuit tot de naaste plaats, waar wij moesten aanleggen.—Zouden de dieren, vooral dit soort, wel zoo redeloos zijn als men vrij algemeen veronderstelt; en welke zijn de juiste grenspalen tusschen de rede en het ingeschapen gevoel (instinct)—is dat alles wel zoo duidelijk als wij ons verbeelden, wanneer wij ’er zoo oppervlakkig aan denken? De dieren handelen regelmatiger en meer eenvormig dan wij zoogenaamde beschaafde menschen; hoe gering zijn ook hunne behoeften; en handelensommige zoogenaamde wilde en onbeschaafde volkeren, wier behoeften zeer gering zijn, ook niet vrij regelmatig en eenvormig?—Maar deze zijn voor beschaving vatbaar.—Kan men dit van de dieren ook niet zeggen, en komt alles dan niet op eene meerder en minder mate van vatbaarheid neder? Dit denkbeeld is voor eene zeer wijdloopige ontleding geschikt, en daarom stap ik ’er af.De gezigten werden verrukkelijk; het heeft hier en daar wel wat van de oevers van den Rhijn, tusschenMentzenBonn. Wij naderdenRiotti, een dorpje of gehucht aan den linkeroever, hier moesten wij het middagmaal houden, de twee schuiten, te weten, die van en die naarLyon, ontmoeten hier elkander, en de reizigers van beiden eten ’er; wij zaten dan aan met omtrent 40 personen, in een ruime zaal, van waar men een uitmuntend gezigt heeft; men schafte ’er ook goed op en voor een matigen prijs. Ik heb u nog vergeten te zeggen, dat de gewone tafelwijn, zoo hier als elders, waar wij geweest zijn onder den prijs van den maaltijd begrepen is.Daar de Rivier tusschen deze plaats enTrévouxwat kronkelt, besloten een deel van onze reizigers, waar toe ik ook behoorde, om langs een’ naderen en aangenamen weg tot die plaats te wandelen. Ik ging met een Offiçier, die van het begin van de omwenteling af gediend had. Reeds op de schuit hadden wij te zamen kennis gemaakt; hij scheen zeer Republikeinsgezind, en verhaalde mij onder anderen,dat hij hoop had, om zijn ontslag te bekomen, en zich dan op een landgoedje, dat hij van zijn ouders geërfd had, en inBourgondiëngelegen was, wilde nederzetten. Die wandeling over heuvels en door boschjes, beviel mij ongemeen.Trévouxeen oud stadje, behoorende tot het Departement de l’Ain, ligt Amphitheatersgewijze tegen eene hoogte langs den linkeroever van de rivier. Hier schreven de Jesuiten hunJournal et Dictionnaire de Trévoux, Hier bestreed het bijgeloof de wijsbegeerte, en aan een anderen hoek van dit Departement isFerneygelegen, alwaar een man woonde, die redelijk genoeg was, en moeds genoeg bezat, om de zaak van den ongelukkigenCalastegen de dweepzucht te verdedigen. De Boekdrukkerij vanTrévouxwas voorheen vermaard. De wandelingen en gezigten die men op de hoogte bij deze stad heeft, zijn zeer schilderachtig.—Hier wandelt men in een dreef van fraaije platanus-boomen, en daar klimt men op den top van een heuvel, van waar men het gezigt heeft op een ruime en vruchtbare vlakte, op de omliggende heuvels, die hier en daar al vrij verheven zijn, en die men ook wel kleine bergen en rotsen zou kunnen noemen. Wij warenTrévoux, dat nog 5Franschemijlen vanLyonis, reeds door, en hadden al meer dan een uur gewandeld, toen wij onze schuit gewaar werden; hier klommen wij van de hoogte af, en begaven ons wederom scheep. Nu had ik bijna geen oogen genoeg, om overal rond te zien, steenrotsen, groene heuvelen, tuinen, buitenplaatsen,lusthuizen, boschjes, hooge boomen, een kronkelende rivier, zoo stil en effen, dat al de voorwerpen rondom ’er zich, als in een’ spiegel, in vertoonen, nu en dan eens een schuitje, en langs de oevers hier en daar een groepje menschen of vee; schikt dat alles in uwe verbeelding, zoo fraaij en aangenaam door en onder elkanderen, als gij wilt, en gij zult het niet fraaijer maken, dan het inderdaad is. Vele vermogende lieden vanLyonhebben hieromstreeks hunne buitenverblijven, en komen daar doorgaans, even als onzeAmsterdamscheKooplieden, een gedeelte van den Zaturdag en den Zondag doorbrengen. Het steedjeNeuville, daar wij voorbij voeren, ligt allerliefst, en men vindt ’er ook verscheidene buitenplaatsen, die hier, het geen mij bijzonder beviel, meêr aangename landhuizen dan prachtige paleizen, zoo als men ook bij ons maar al te veel ziet, geleken.—Is het niet genoeg hovaardige rijken! dat gij in de steden uwe schatten uitkraamt, en uwe pracht ten toon stelt, moet gij nog tempels van den hoogmoed naast de eenvoudige hutten der landlieden oprigten, om ook hun daardoor, is het mogelijk, te vernederen, en om de schoone natuur te ontsieren.—Aardig vertoont zich in de nabijheid vanLyonhet eilandBarbe, een gedeelte van de rots,waarhet plaatsje op gebouwd is, steekt ter zijde met een punt boven de huizen uit. Een oud vervallen gebouw, overblijfsels van een Abdij, en een digte beplanting van boomen, maken ’er een zeer fraaije en bevallige schilderijvan. Die vanLyonverzamelen zich somtijds bij plegtige gelegenheden en vreugdebedrijven op dit eiland. Bij het inkomen van de stad ziet men op eene steile rots, aan den regteroever van de rivier, de puinhopen van het kasteelPierre-CiseofPierre-en-Cise; gediend hebbende voor eene Staatsgevangenis, en in het begin van de omwenteling gesloopt. Twee bekende slagtoffers van de wraak des Kardinaalsde Richelieu, onder de regering vanLodewijkden XIII., werden hier opgesloten,Cinqmarsnamelijk en zijn vriendde Thou. Zij werden den 12 September 1642 onthoofd;Cinqmarswas slegts 22 jaar oud. De vader van den ongelukkigende Thou, die in zijne geschiedenis verscheidene voorbeelden van diergelijke vonnissen aanhaalt, voorzag toen niet, dat zijn zoon ook dat lot zou ondergaan.De schuit was reeds in de stad, en bij de plaats, waar wij moesten aan wal stappen, toen de voorzegging van onzen schipper, des ’s morgens gedaan, vervuld werd; een zwaare donderbui barstte genoegzaam boven ons hoofd uit. Uit een raampje van de schuit kijkende, schoot ’er een bliksemstraal zoo digt langs dezelve in het water neder, dat ik ’er eenige oogenblikken als van verbijsterd was; de slag deed zig te gelijker tijd op eene geweldige wijze hooren, en werd weldra door een zwaren stortregen gevolgd, zoo dat wij verpligt waren, om in de schuit te blijven, tot de bui over was; en dit duurde nog al een heele poos.Genoeg voor ditmaal—wanneer het zoo aanhoudend blijft regenen, als het gisteren en heden gedaan heeft, zal ik veel te huis moeten zitten, en alzoo tijds genoeg hebben, om u ruim en breed over deze stad te onderhouden; want ik neem toch tusschen beide de drooge buijen waar, om te gaan wandelen, en somtijds waag ik ’er ook al eens een’ natten rok aan.1Men vind op verscheidene plaatsen, niet ver van deze stad, steengroeven, die marmer van onderscheidene kleuren opleveren; teBerzé la Villezijn ’er twee van albast, grijsachtig wit van kleur.2Het is een ware schilderij vanl’Albane. Dit betooverende eiland schijnt op den aardbol geworpen, om waardigte zijn, van te gelijker tijd den tempel der Goden, de dansen der stervelingen en de begraafplaats der groote Mannen te bevatten. De verbeelding schetst ze ’er op, als ons oog hetzelve betracht, en ieder mensch wordt Dichter, als hij aan die welriekende zoomen raakt.

Lyon, 30 Julij.

De schuit, waarmede wij, den volgenden dag, 23 dezer, vanChalonsnaarLyonvertrekken moesten, voer eerst ’s middags om twaalf uren af; ik had dus nog tijd, omChalonsdoorteloopen,waarik blijde om was; want het zag ’er hier levendig en vrolijk uit, en beviel mij dus wel. Met genoegen zag ik de puinhoopen van verscheidene Kloosters, die men had afgebroken, hoe zeer dit anders niet sierlijk staat.De overige Kerken schenen niets bijzonders opteleveren. Wij zouden de kermis bij hebben kunnen wonen, als wij een paar dagen vroeger waren gekomen; de kramen en lootsen stonden ’er nog, digt bij de poort, waar men van den kant vanDyoninkomt, en hier naar te oordeelen, scheen zij nog al aanmerkelijk geweest te zijn.Chalonsdrijft zeer veel handel, voornamelijk in granen en wijn. ’Er zijn ook eenige koussen- en hoeden-fabrieken; men vindt ’er vele welgestelde Ingezetenen. Het getal der inwoners word op omtrent 12,000 begroot. Deze stad en de omliggende landstreek, draagt ook roem op de schoonheid harer vrouwen, en de vriendelijkheid der mannen, bijzonder tegen vreemdelingen; en ik vind dit in het een en ander opzigt niet geheel zonder grond. Onze Hospes, onder anderen, was een allerbeleefdst en vriendelijk man, hoewel wij maar kort bij hem verbleven en geene groote verteringen maakte.De menschen zien ’er ook over het algemeen frisch en gezond uit; kortom,Chalonsis een aangename plaats, enLes trois Fesanseen goede Herberg. Bij het dorpPresty, niet ver van deze stad gelegen, vindt men loodmijnen.

Deze streek, die voorheen tot deGaulenbehoorde, schijnt bewoond geweest te zijn door een der oudste volkeren op de aarde bekend. Dit althans schijnt zeker, dat deInsubriënsen, wier vestiging inItaliëveel ouder is dan de grondslag vanRome, en misschien zelfs dan de aankomst van Enéas inLatium, een deel uitmaakte van deÆduensen, een Volk vermaard in de geschiedenis, en de eerste waar van dezelve melding maakt, als bewonende dat gedeelte vanFrankrijk; waar thans de stadAutun, tot dit Departement behoorende, staat; deze stad, die men wil, dat toenBibractegenaamd was, bezit ook nog verscheidene overblijfsels van oudheden, en ik had wel lust, om die te gaan zien, doch het was wat te ver buiten onzen weg.

Tegen den middag begaven wij ons scheep, na alvorens aan hetBureau(bij den Commissaris) £6–:–:. betaald te hebben voor ieder persoon; dit is de vracht op de beste plaats, een soort van roef, vanChalonsnaarLyon. Wij waren met meêr dan zestig personen in en op deze schuit, die men hierla Diligencenoemt; behalve nog vrij wat koopmansgoederen en bagaadje. Op de rivier zijnde, levertChalons, ook eene aangename vertooning op; ik bleef ’er zoo lang mogelijk op turen, en zou verkozen hebben, om boven op te blijven zitten; doch de wind was zoo koud, dat ik het niet durfde wagen. De schippers, op deze rivier, zijn meestal frissche stevige kerels. De opperste van onze schuit werdPatrongenaamd; zij spreken onder elkanderen eene taal, die menpatoisnoemt, en die ik niet verstond; hier en daar komen ’er woorden in, die eenige overeenkomst hebben met hetItaliaansch. De stroom van deze rivier is niet sterk, en men kan dezelve dus, zonder veel moeite,zoo wel op als afvaren. Wij voeren ze af, en hadden vier paarden noodig, om dat de wind tegen was, op sommige plaatsen is het zoo ondiep, dat wij over het zand sleepten. Daar aan de boorden van deSaoneniet veel te zien was, gingen wij het middagmaal houden; hebbende koud vleesch, vruchten en wijn mede genomen. Onder de personen, die zich in de schuit bevonden, troffen wij ook weder onzen Wijnkooper vanMaçonaan, met wien wij reeds vanParijsnaarDyongereisd hadden. TeTournus, een stadje half wegChalonsenMaçon, zeer aangenaam aan den regter oever van deSaonegelegen, zagen wij eene fraaije brug over die rivier, zijnde onder steen en boven hout; doch in een’ smaak gemaakt, dat men ze op een’ zekeren afstand voor geheel steen zou aanzien. Sedert de 9de eeuw bestond hier een voorname Abdij vanBenedictijnerMonniken, tot dat de Kardinaalde la Rochefoucauld, die ’er Abt van was, dezelve deedseculariseeren, en ’er een Kanonniken Kapittel van maakte.

Dit plaatsje schijnt nog al eenigen handel te drijven. Niet ver van hier zag ik, aan den oever van de rivier, eenMaçonnoisboerinnetje, met een aardig klein rond zwart hoedje op, dat de bijzondere mode van dat land is, al spinnende en zingende haar koeijen hoeden. VanParijsaf hadden wij niet anders dan rood rundvee gezien, aan deze kanten is het geelächtig wit.

’s Avonds om half acht kwamen wij teMaçon,omtrent elfFranschemijlen vanChalonsgelegen, en de Hoofdstad van dit Departement, hoewel kleiner en minder bevolkt danChalons; waarom de inwoners van die plaats ook zeer te onvreden zijn, dat men aan dezelve de voorkeur niet gegeven heeft; vooral ook, omdatChalonsmeêr in het midden van het Departement liggende, beter geschikt schijnt tot eene Hoofdplaats, daar hetzelve het verblijf is van den Prefect en de voorname regtbank van het Departement.

Maçondoet zich op eene aangename wijze op. Zij ligt aan de helling van eene hoogte1, en heeft een fraaije kaai en eene steenen brug, op dertien bogen, over deSaone: door middel van deze brug heeft zij gemeenschap met het Departementde l’Ain; voorheen dat gedeelte vanBourgondiën, dat menla Bressenoemde. Immers, Vriend! hebben onze achtingwaardige Vaderlandsche schrijfsters,E. WolffenA. Deken, teBourg, de hoofdplaats van dat Departement, gewoond; en aldaar hareWandelingen door Bourgondiëngeschreven. Met een dankbaar gevoel dacht ik hier aan die kundige vrouwen; zij hebben toch veel tot de verlichting en aankweeking der goede smaak bijgedragen. HareSara Burgerhartis geheel oorspronkelijk en vol geest; het is een meesterstuk,en wordt daar zelfs bij vreemdelingen voor gehouden; hoewel het voor hun, wijl zij met de karakters, die ’er zoo natuurlijk in geteekend worden, niet genoegzaam bekend zijn, die waarde niet kan hebben, die het voor ons heeft. Het is in hetFransch, en zoo ik mij niet bedrieg, ook in hetHoogduitschovergezet.

Terwijl het nog licht was, wandelde ik langs de kaai, want dit is het voornaamste, dat hier te zien is. Op hetzelve staan fraaije gebouwen, en onder anderen een welgebouwd Stadhuis; in een van de vleugels is de Schouwburg. Inwendig beteekent de stad niet veel; zij is onregelmatig gebouwd, en de straten zijn naauw. Op de brug, die 300 treden lang en 6 breed is, heeft men een allerliefst gezigt op de rivier, en bijzonder op een bevallig gelegen eiland. Het is aangenaam beplant, en ’er is een weide op, die bij zekere gelegenheden dient tot de viering van Feesten. ZekerFranschschrijver, die ’er toch ook al uitermate door verrukt moet geweest zijn, zegt:“Cest un vrai tableau de l’Albane, Cette île enchanteresse semble jetée sur le globe, pour être digne de contenir également le temple des Dieux, les danses des mortels et le tombeau des grands hommes. l’Imagination les lui prête, quand l’œil la considère, et tout homme devient poète, s’il touche à ses rives parfumées.”2

Op mij heeft het die uitwerking niet gehad, en ik heb meêr dan eens in ons Vaderland plaatsen gezien, die ik bekoorlijker vond, dan deze. Oordeel zelve uit het gezigtje, dat ik u hier bij zend, en dat wel gelijkende is.

Onze reisgenoot, de Wijnkooper, liet niet af, of wij moesten bij hem komen, en hij deed ons van zijn besten wijn drinken. Hij had een gnap huis, en ruime kelders; en pakhuizen, die wij van den eenen kant tot den anderen moesten doorloopen. De wijn vanMâconis smakelijk, en wordt voor gezond gehouden; deeze stad drijft daar in dan ook veel handel, vooral metParijsenLyon; en deze twee steden gebruiken ’er een aanmerkelijk gedeelte van. Wij hadden onzen intrek genomenau grand Hotèl du Sauvage, alwaar wij s’avonds aan tafel zittende, zeer lastig gevallen werden, door verscheidene koopvrouwen in messen, scharen en diergelijk tuig, dat voornamelijk teMoulins, hoofdplaats van het Departement’Allier, voorheenle Bourbonnois, gemaakt wordt.St. Louisin 1248 vertrekkende, om een’ kruistogt te ondernemen, kocht in ’t voorbijgaan het GraafschapMâcon. Van de vermaarde Abdij derBenedictijner Cluny, voorheen een der aanmerkelijkstevanFrankrijk, en niet verre van deze stad gelegen, zal ik u niets anders zeggen, dan dat hunne Boekerij, die aanzienelijk was, en waar onder werken van waarde, door de Protestanten in de 16de eeuw verbrand werd. Deze verkeerde ijver heeft eene aanmerkelijke schade aan de letterkunde toegebragt; want men moet tot lof van deBenedictijnenzeggen, dat zij de wetenschappen beoefenden en bewaarden, toen die voor een groot deel der wereld verloren waren.

Maçon.Maçon.

Maçon.

Den 24 dezer, ’s morgens om vijf uren, verlieten wijMâcon; over ons Logement waren wij wel te vreden; het is een groot en fraaij gebouw, ’er zijn zelfs baden in. Behalve onzen Wijnkooper, was ’er nog een ander tamelijk bejaard Heer uitgegaan, met een Dametje, die ’er onder weg was ingekomen, en welke, ’er vrij galant uitzag. De Heer, die een sukkelaar scheen, had ons wel verteld, dat hij teLyon, waar hij van daan kwam, een proçes, en onder weg zijne beurs had verloren; hij had ook gisteren zijn horologie op een bank, beneden in de schuit, laten liggen, en was naar boven gegaan; doch iemand die het vond, was eerlijk genoeg, om het hem wederom te geven; en dit een en ander leverde stof op tot een gesprek, over de onachtzaamheid van dezen man; doch mêer wisten wij noch de meeste andere reizigers niet van zijne omstandigheden af; doch eene vrouw, die teMâcon, en met onzen onachtzamen man, bekend scheen, en ook den vorigendag veel met hem gesproken had, verhaalde ons nu, dat hij niet alleen het ongeluk had van zijn proçes en zijne beurs te verliezen, maar dat hij bovendien zijne vrouw, die eenigen tijd geleden, met een jong Officier was weggeloopen, in deze schuit wederom gevonden had; zijn vrouw was dat Dametje, dat ’er onder weg ingekomen was. Een ander persoon, die ook teMaçonbekend scheen, bevestigde het gezegde van die vrouw, en wij herinnerden ons nu wel, dat het Dametje boven op de schuit zijnde, zeer vrolijk en spraakzaam was, doch zoodra zij beneden kwam, waar onze ongelukkige zat, stil en afgetrokken scheen. Doch beiden hadden echter zoo wijs geweest van zich stil te houden, zoodanig, dat het gezelschap van de verwijdering, die ’er tusschen hun plaats had, niet gewaar werd, uitgenomen de twee lieden, die hun kenden, en het ons daar na verhaalden. Nu werd ’er op rekening van die lieden, en vooral van de vrouw wat afgedaan; en dit gaf niet weinig aanleiding tot lagchen en spotten, want deFranschenvan de zoogenaamdebon ton, of die ze naäpen, vooral die vanParijsof van de groote steden, achten de huwelijkstrouw eene loutere beuzeling, vinden het onwellevend en gemeen, om daar eenige waarde aan te hechten, en scheren ’er dus gaarne de gek mede; ieder kraamt dan zijne geestige trekken uit. Zelfs op de voorname Tooneelen vanParijs, daar men zoo naauw gezet schijnt omtrent het welvoegelijke, maakt men de huwelijkstrouw gedurig bespottelijk. In de volksliederen,die men aan alle hoeken van de straten hoort, en in de prenten, die men openlijk te koop ziet hangen, gaat het niet beter; geen wonder, zulke waar heeft aftrek; doch dat de goede orde en het wezenlijk geluk van de Maatschappij hier door bevorderd wordt, kan ik niet geloven; en mij dunkt, dat ’er onze ouderwetsche, zoogenaamde stijveHollanders, in dat opzigt beter achter zijn, en daar door dan ook vrij wat meer huisselijk genoegen, en dat is toch het ware, smaken.

Dit voorval van den Heer B..... en zijn vrouw, vanMâcon, want zij werden met naam en toenaam genoemd, heeft mij hier eene uitweiding doen maken; doch mij dacht, dat kwam zoo eens in het rijm te pas, en waarom zou ik het ’er dan niet bij voegen.—Nu weder aan mijn reisverhaal. De wind was gaan leggen en het weder zacht, zoo dat ik boven op kon gaan zitten. De gezigten tegen de bergen, waar de wolken tusschen hingen, en tegen de heuvels met wijngaarden beplant, langs de boorden van deSaone, waren alleraangenaamst. Onze schippers zeiden ook, dat dit hangen van de wolken tusschen de bergen een zeker voorteeken was van regen, en voegden ’er nog bij dat het tegen den avond zou donderen, en gij zult straks hooren, dat zij het geraden hebben.

Hier moet ik u een opmerkingwaardigen trek van vriendschap, tusschen twee honden, die wij aan boord hadden, verhalen. De eene was vrij groot en een bastaardsoort van den herders hond, de anderewas een mopsje of steendoggetje; beiden waren van het mannelijk geslacht, en behoorden aan onzen schipper, die ’er veel werk van scheen te maken. Ik had al opgemerkt, dat zij vrienden schenen, want zij aten zelfs van eene schotel zonder morren, en de schipper verhaalde mij ook, dat zij bijzonder aan elkander gehecht waren; dit wierd weldra bevestigd. Zij speelden met elkander op den kant van de schuit, en ziet, de groote viel in het water en zwom naar den wal, terwijl het kleintje door schreeuwen en blaffen zijn leed en ongerustheid te kennen gaf, dreigende gedurig, om ook in het water te springen. Te vergeefs zocht de schipper het te stillen, eindelijk zette hij het in de rivier en het zwom naar den kant, zoodra wierd de groote het niet gewaar, of hij zwom het te gemoet, en trachte zijn’ kleinen vriend te helpen en te ondersteunen; aan land komende, toonden zij, ieder om het meest, hunne blijdschap en het springen en vrolijk blaffen, duurde een geruime poos, en nu volgden zij te samen de schuit tot de naaste plaats, waar wij moesten aanleggen.—Zouden de dieren, vooral dit soort, wel zoo redeloos zijn als men vrij algemeen veronderstelt; en welke zijn de juiste grenspalen tusschen de rede en het ingeschapen gevoel (instinct)—is dat alles wel zoo duidelijk als wij ons verbeelden, wanneer wij ’er zoo oppervlakkig aan denken? De dieren handelen regelmatiger en meer eenvormig dan wij zoogenaamde beschaafde menschen; hoe gering zijn ook hunne behoeften; en handelensommige zoogenaamde wilde en onbeschaafde volkeren, wier behoeften zeer gering zijn, ook niet vrij regelmatig en eenvormig?—Maar deze zijn voor beschaving vatbaar.—Kan men dit van de dieren ook niet zeggen, en komt alles dan niet op eene meerder en minder mate van vatbaarheid neder? Dit denkbeeld is voor eene zeer wijdloopige ontleding geschikt, en daarom stap ik ’er af.

De gezigten werden verrukkelijk; het heeft hier en daar wel wat van de oevers van den Rhijn, tusschenMentzenBonn. Wij naderdenRiotti, een dorpje of gehucht aan den linkeroever, hier moesten wij het middagmaal houden, de twee schuiten, te weten, die van en die naarLyon, ontmoeten hier elkander, en de reizigers van beiden eten ’er; wij zaten dan aan met omtrent 40 personen, in een ruime zaal, van waar men een uitmuntend gezigt heeft; men schafte ’er ook goed op en voor een matigen prijs. Ik heb u nog vergeten te zeggen, dat de gewone tafelwijn, zoo hier als elders, waar wij geweest zijn onder den prijs van den maaltijd begrepen is.

Daar de Rivier tusschen deze plaats enTrévouxwat kronkelt, besloten een deel van onze reizigers, waar toe ik ook behoorde, om langs een’ naderen en aangenamen weg tot die plaats te wandelen. Ik ging met een Offiçier, die van het begin van de omwenteling af gediend had. Reeds op de schuit hadden wij te zamen kennis gemaakt; hij scheen zeer Republikeinsgezind, en verhaalde mij onder anderen,dat hij hoop had, om zijn ontslag te bekomen, en zich dan op een landgoedje, dat hij van zijn ouders geërfd had, en inBourgondiëngelegen was, wilde nederzetten. Die wandeling over heuvels en door boschjes, beviel mij ongemeen.Trévouxeen oud stadje, behoorende tot het Departement de l’Ain, ligt Amphitheatersgewijze tegen eene hoogte langs den linkeroever van de rivier. Hier schreven de Jesuiten hunJournal et Dictionnaire de Trévoux, Hier bestreed het bijgeloof de wijsbegeerte, en aan een anderen hoek van dit Departement isFerneygelegen, alwaar een man woonde, die redelijk genoeg was, en moeds genoeg bezat, om de zaak van den ongelukkigenCalastegen de dweepzucht te verdedigen. De Boekdrukkerij vanTrévouxwas voorheen vermaard. De wandelingen en gezigten die men op de hoogte bij deze stad heeft, zijn zeer schilderachtig.—Hier wandelt men in een dreef van fraaije platanus-boomen, en daar klimt men op den top van een heuvel, van waar men het gezigt heeft op een ruime en vruchtbare vlakte, op de omliggende heuvels, die hier en daar al vrij verheven zijn, en die men ook wel kleine bergen en rotsen zou kunnen noemen. Wij warenTrévoux, dat nog 5Franschemijlen vanLyonis, reeds door, en hadden al meer dan een uur gewandeld, toen wij onze schuit gewaar werden; hier klommen wij van de hoogte af, en begaven ons wederom scheep. Nu had ik bijna geen oogen genoeg, om overal rond te zien, steenrotsen, groene heuvelen, tuinen, buitenplaatsen,lusthuizen, boschjes, hooge boomen, een kronkelende rivier, zoo stil en effen, dat al de voorwerpen rondom ’er zich, als in een’ spiegel, in vertoonen, nu en dan eens een schuitje, en langs de oevers hier en daar een groepje menschen of vee; schikt dat alles in uwe verbeelding, zoo fraaij en aangenaam door en onder elkanderen, als gij wilt, en gij zult het niet fraaijer maken, dan het inderdaad is. Vele vermogende lieden vanLyonhebben hieromstreeks hunne buitenverblijven, en komen daar doorgaans, even als onzeAmsterdamscheKooplieden, een gedeelte van den Zaturdag en den Zondag doorbrengen. Het steedjeNeuville, daar wij voorbij voeren, ligt allerliefst, en men vindt ’er ook verscheidene buitenplaatsen, die hier, het geen mij bijzonder beviel, meêr aangename landhuizen dan prachtige paleizen, zoo als men ook bij ons maar al te veel ziet, geleken.—Is het niet genoeg hovaardige rijken! dat gij in de steden uwe schatten uitkraamt, en uwe pracht ten toon stelt, moet gij nog tempels van den hoogmoed naast de eenvoudige hutten der landlieden oprigten, om ook hun daardoor, is het mogelijk, te vernederen, en om de schoone natuur te ontsieren.—Aardig vertoont zich in de nabijheid vanLyonhet eilandBarbe, een gedeelte van de rots,waarhet plaatsje op gebouwd is, steekt ter zijde met een punt boven de huizen uit. Een oud vervallen gebouw, overblijfsels van een Abdij, en een digte beplanting van boomen, maken ’er een zeer fraaije en bevallige schilderijvan. Die vanLyonverzamelen zich somtijds bij plegtige gelegenheden en vreugdebedrijven op dit eiland. Bij het inkomen van de stad ziet men op eene steile rots, aan den regteroever van de rivier, de puinhopen van het kasteelPierre-CiseofPierre-en-Cise; gediend hebbende voor eene Staatsgevangenis, en in het begin van de omwenteling gesloopt. Twee bekende slagtoffers van de wraak des Kardinaalsde Richelieu, onder de regering vanLodewijkden XIII., werden hier opgesloten,Cinqmarsnamelijk en zijn vriendde Thou. Zij werden den 12 September 1642 onthoofd;Cinqmarswas slegts 22 jaar oud. De vader van den ongelukkigende Thou, die in zijne geschiedenis verscheidene voorbeelden van diergelijke vonnissen aanhaalt, voorzag toen niet, dat zijn zoon ook dat lot zou ondergaan.

De schuit was reeds in de stad, en bij de plaats, waar wij moesten aan wal stappen, toen de voorzegging van onzen schipper, des ’s morgens gedaan, vervuld werd; een zwaare donderbui barstte genoegzaam boven ons hoofd uit. Uit een raampje van de schuit kijkende, schoot ’er een bliksemstraal zoo digt langs dezelve in het water neder, dat ik ’er eenige oogenblikken als van verbijsterd was; de slag deed zig te gelijker tijd op eene geweldige wijze hooren, en werd weldra door een zwaren stortregen gevolgd, zoo dat wij verpligt waren, om in de schuit te blijven, tot de bui over was; en dit duurde nog al een heele poos.

Genoeg voor ditmaal—wanneer het zoo aanhoudend blijft regenen, als het gisteren en heden gedaan heeft, zal ik veel te huis moeten zitten, en alzoo tijds genoeg hebben, om u ruim en breed over deze stad te onderhouden; want ik neem toch tusschen beide de drooge buijen waar, om te gaan wandelen, en somtijds waag ik ’er ook al eens een’ natten rok aan.

1Men vind op verscheidene plaatsen, niet ver van deze stad, steengroeven, die marmer van onderscheidene kleuren opleveren; teBerzé la Villezijn ’er twee van albast, grijsachtig wit van kleur.2Het is een ware schilderij vanl’Albane. Dit betooverende eiland schijnt op den aardbol geworpen, om waardigte zijn, van te gelijker tijd den tempel der Goden, de dansen der stervelingen en de begraafplaats der groote Mannen te bevatten. De verbeelding schetst ze ’er op, als ons oog hetzelve betracht, en ieder mensch wordt Dichter, als hij aan die welriekende zoomen raakt.

1Men vind op verscheidene plaatsen, niet ver van deze stad, steengroeven, die marmer van onderscheidene kleuren opleveren; teBerzé la Villezijn ’er twee van albast, grijsachtig wit van kleur.

2Het is een ware schilderij vanl’Albane. Dit betooverende eiland schijnt op den aardbol geworpen, om waardigte zijn, van te gelijker tijd den tempel der Goden, de dansen der stervelingen en de begraafplaats der groote Mannen te bevatten. De verbeelding schetst ze ’er op, als ons oog hetzelve betracht, en ieder mensch wordt Dichter, als hij aan die welriekende zoomen raakt.

Vijfde Brief.Lyon, 31 Julij.Naauwelijks hadden wij hier voet aan wal gezet, of wij werden schier verdrongen door de menschen, die ons ieder om het zeerst noodigde, om van hun huis gebruik te maken. Welk een vriendelijk en gastvrij volk, zou een vreemdeling, die met deEuropeeschezeden en gebruiken niet bekend is, denken; maar gij begrijpt ligt, dat het Logementhouders of hunne knechts of meiden waren. Men had ons hetHotel des Celestinsaangeraden, wij zetten ons dan in een huurkoets (fiacre), die men hier zoo wel als teParijsvindt, lieten ’er onze koffers opbinden, en ons zoo aan hetHotel des Celestinsbrengen; dit is een van de eerste Hotels van de stad, doch het was’er ons veel te duur; want ik heb de gewoonte, om, zoodra ik in een Logement kom, te onderzoeken naar de prijs van het een en ander; en hier bij heb ik mij altijd zeer wel bevonden. Wij raakten dan hier niet slaags, en lieten ons aan hetHotel de Languedoc, dat wij in het voorbijgaan gezien hadden, brengen; het staat op de Kaai langs deSaone, niet ver van de houten brug over dezelve. Wij vonden daar zeer goede kamers op de eerste verdieping, en die een alleraangenaamst uitzigt hadden op de rivier, en over dezelve; op de Hoofdkerk, den berg vanSt. Just,l’Hospice des Antiquailles, de Kapel vannotre Dame de Fourvièresenz. Niettegenstaande de uitgezochte en treffende fraaiheid van het gezigt van dat gedeelte van het Logement, waar wij onzen intrek genomen hadden, was de prijs zeer matig; ik betaalde voor een kamer met twee bedden £ 3–:–: daags, en even zoo veel voor mijn middagmaal.De stad doorwandelende, zag ik uit een straat een man met pluimen op den hoed aankomen, gevolgd van eenige anderen, die iets, dat wit en zwartwas, schenen te dragen, zij lagchten en praatten overluid onder elkanderen, en stapten vrij gezwind; ik dacht dat zij iets zonderlings te kijken hadden, en ziet, het was een begravenis; het lijk was met een wit en zwart kleed onachtzaam op de kist geworpen, bedekt, en werd door vier mannen gedragen; die met de pluimen op den hoed, was de gewoone begeleider der dooden, zoo als men teParijsook heeft, doch daar ziet hij ’er anders uit; dit was al een heel slordig soort van een begravenis, doch ik heb ze al meêr hier en daar inFrankrijkgezien, die niet beter waren: velen schijnen in dit opzigt van het eene uiterste tot het andere te zijn overgeslagen, en dit reken ik onder de abuizen van de omwenteling. Het begraven der dooden behoort toch, hoewel men met rede een menigte aanstotelijke en kostbare plegtigheden achterlaat, op eene betamelijke, en min of meêr plegtige wijze te geschieden; het verzuimen hier van, geeft, mijns bedunkens, aanleiding tot woestheid en ongevoeligheid, en kan dus in zijne gevolgen immers niet anders, dan schadelijk zijn voor de Maatschappelijke order. Deze abuizen zijn echter niet aan de wetten of verordeningen, die ’er na de omwenteling hier omtrent plaats gehad hebben, toetekennen, maar wel aan de verwaarloozing of verkeerde toepassing van dezelve. Nog maar weinige jaren geleden, heeft hetInstitut NationalvanFrankrijk, in naam van het Gouvernement, de volgende prijsvraag uitgeschreven:“Quelles font les cérémonies à faire pour les funerailles, et le reglement à adopter pour le lieu de la sepulture?”en het antwoord hier op, dat bekroond is geworden, is vanF.V. Mullotvoorheen Wetgever enz. Zeer kort geleden, heb ik die redevoering, hoewel ik in alles niet met den schrijver instem, met genoegen gelezen, en ik zou met niet minder genoegen zien, dat men in vele opzigten zijn voorschrift volgde; doch het is te vreezen, dat het bijgeloof de oudeplegtigheden wel weder algemeen zal trachten intevoeren, zoo als men zulks in vele plaatsen al begonnen heeft. Op de plaatsBelle-cour, die sedert 1713 tot de omwenteling, de plaats vanLodewijkden Grooten genaamd werd, en thans den naam vanBonapartevoert, is niet veel bijzonders meêr te zien. Het beeld vanLodewijkXIV, de twee fonteinen en verdere sieraden, die deze plaats voorheen beroemd maakten, zijn weggenomen, en de puinhoopen van sommige huizen, die men in het begin van de omwenteling heeft afgebroken, liggen ’er nog; aan den eenen kant in de lengte, zijn verscheide rijen boomen geplant; dit dient voor een gemeene wandelplaats; ’t heeft hier wel wat van onsHaagsche Voorhout. Deze plaats is omtrent 450 treden lang, en na genoeg half zoo breed; langs dezelve staan fraaije huizen. Zij ligt tusschen deSaoneen deRhone. Ik was ’er van de kaai van de eerstgenoemde rivier opgekomen, en kwam in de lengte ’er overgaande, en een straatje regtuit doorloopende aan de kaai van deRhoneuit; daar had ik de groote steenen brug, die over dezelve ligt, voor mij. Deze brug is zamengesteld uit twintig bogen: men is het bouwen van dezelve aan PausInnocentiusden IV. verschuldigd. Zij is in geen regte lijn gebouwd; maar maakt een bogt, zijnde de uitwendige zijde tegen den stroom, die hier zeer sterk is, gerigt. Aanvankelijk had men haar ook zoo smal gemaakt, dat ’er geen rijtuigen elkanderen op konden voorbijgaan; men is dan verpligt geweest,van ’er een tweede naast te bouwen. Om nu deze twee bruggen aan elkander te hechten, en ’er één stevig ligchaam van te maken, heeft men door al de pilaren zware ijzeren staven weten te brengen, die aan beide uitersten met ankers zijn bevestigd. En in deze stoute onderneming is men zoo wel geslaagd, dat het schier niet zigtbaar is, en men, die bijzonderheid niet wetende, nimmer zou vermoeden, dat dit werk op zulk eene wijze is zamengesteld. Dit is het eenigste niet, dat men, aangaande deze brug, heeft optemerken: de bogen werden ook niet wijd genoeg bevonden, zoo dat het zand, dat met het water van deRhoneafkomt, zich op een hoopte, dikwijls de voorname bogen verstopte, en daardoor den doortogt moeijelijk maakte. Om dit ongemak wegtenemen, vond men een’ bouwmeester ondernemend en bekwaam genoeg, om een van de pilaren in het midden wegtenemen, en alzoo van twee bogen een te maken. Hetmuurwerk van dezen groten boog versterkte hij zoodanig, dat ’er de brug niet door leed, en zijn arbeid werd algemeen bewonderd en goedgekeurd. Voorheen stond ’er aan den ingang van de brug, aan den kant van de stad, een poort, en verder op dezelve een soort van vierkante toren, waar men onder doorging, doch dezelve zijn afgebroken. Een gedeelte van deze brug, diele pont de la Guillotièregenaamd wordt, ziet gij in de bijgaande afbeelding, benevens het groote of nieuwe GasthuisNouvel Hopital, op de kaai van deRhone; de teekening van dit schoone en trotschegebouw, is zoo nauwkeurig, dat ik mij niet zal ophouden, om u hetzelve uitwendig te beschrijven; jammer is het, dat de linkervleugel, zoo als gij ziet nog onvoltooid staat; want het is te vreezen, dat men ’er vooreerst nog niet aan zal kunnen denken, omdat deze stad door de omwenteling en aanhoudenden oorlog, zeer veel geleden heeft, en nog lijdt, waardoor de kas in geen voordeeligen staat is.Lijon.Lijon.Den 25 dezer ging ik ’s morgens vroegtijdig uit, en begon met de Hoofdkerk te bezigtigen; het is een oudGothischgebouw, zoo als gij in de afbeelding ziet. Zij schijnt bijna langwerpig vierkant, door de torens, die aan de vier hoeken staan, inwendig is zij wel ruim, maar donker. Het groote altaar in het midden van het koor, is het eenigste, dat ik ’er beziens waardig vond, want her vermaarde uurwerk doorNicolas LippiusvanBaselin 1598. gemaakt, en dat vooral in dien tijd, als een groot konststuk werd beschouwd, is sedert verscheide jaren geheel in verval. In de groote Kerk van’s Boschstaat een diergelijk uurwerk. Als een bijzonder gebruik van deze Kerk vind men aangeteekend, dat ’er nimmer noch muzijk, noch orgel, noch boeken, gedurende het vieren der diensten, in dezelve zijn gebezigd geworden. Niet ver van deze Kerk op de kaai, staat het zoogenaamdPalais de Justice, een gebouw, dat van buiten geen aanzien heeft; en van binnen zag het ’er schandelijk slordig uit; dit komt mij vooral hoogst onvoegelijk voor, in eene plaats, waar Regters, tot welker voornamehoedanigheden, order en naauwkeurigheid behooren, in het openbaar vergaderen. Ik ging in een van de zalen, waar een Advokaat, die hard genoeg schreeuwde, en vrij wat beweging maakte, bezig was met pleiten. Hetgeen mij als iets ongerijmds in het oog viel, was een schilderij, waaropChristusaan het Kruis geschilderd was, dat boven het hoofd hing van den President. De schilderij was ’er zeker nog niet lang geleden geplaatst; want het woordEgalitéstond met groote letters op den wand boven hetzelve, en dit woord, dat anderzins in een Vierschaar zoo wel voegt, maakte nu met die schilderij een zonderlinge tegenstrijdigheid, daar ’er immers in een Regtzaal voor alle burgers, van welke Godsdienstige begrippen zij ook mogen zijn, geen kruis, dat een kenmerk van een bijzondere sekte is, te pas komt. Joden en andere lieden, die niet tot de Roomsche Kerk behooren, en die als leden van de Burgerlijke Maatschappij dezelfde regten en aanspraak op de wetten hebben, als de leden van die Kerk, moeten zich, voor deze balie verschijnende, deswegens natuurlijkerwijze ergeren, en ik geloof, dat, wanneer ik tot dit regtsgebied behoorde, ik niet zou kunnen nalaten, om mij over het plaatsen van dit schilderijtje te beklagen, en de wet onder andere ook die, welke betrekkelijk is tot de regeling der Godsdiensten (l’organisation des cultes) thans inFrankrijkbestaande, en die geen heerschenden Godsdienst erkent, zou mij daar regt toe geven.De kaai langs deRhone,Quai du Rhone, is fraai,en met schoone, en zelfs prachtige huizen, waarvan de meeste vijf, zes en meêr verdiepingen hoog zijn, bebouwd1. Langs den waterkant is een wandeling gemaakt, die men heeft beginnen te beplanten. Men heeft ook van deze kaai, en uit de huizen op dezelve een zeer aangenaam gezigt over de rivieren, de landstreek aan den anderen kant van dezelve, tot tegen deAlpen, die men bij helder weder duidelijk zien kan. Over deRhoneligt, behalve de brug, waarvan ik u reeds geschreven heb, nog een houten brug, die den naam draagt van zijnen makerMorand. Deze brug (le pont Morand) hoewel ligt in schijn, is van een beproefde stevigheid. In den winter van het jaar 1789 bevroor deRhone, niettegenstaande den snellen stroom. De ijsgang maakte eene verschrikkelijke vertooning. De verdubbelde aanval van de ontzaggelijke ijsschotsen, deed voor het behoud van de brug beven; en zij weerstond het gevaar, zelfs zonder schade te lijden. DeLyonnezenhier over verblijd, en erkentelijk vierden een feest ter eere van deze gebeurtenis. De naam vanMorandzweefde op ieders lippen, en deze brug als een gedenkteeken van zijne bekwaamheid werd met lauwers bekroond. Behalve de kaaijen, de plaatsendes Terraux de Belle-cour, en eenige weinige straten isLyonin ’t geheel geen fraaije stad; zij is voor het overige onregelmatig gebouwd, de straten zijn eng, meestal zeer naauw, en krom, de huizen zijn hoog, en hier door is het ’er duister en bedompt, daarbij zeer bevolkt. De morsigheid en onaangename reuk is voor iemand, die daar niet aan gewoon is, inderdaad hinderlijk. Hier kan men nog als een groot ongemak bijvoegen, dat de weg zeer ongemakkelijk gestraat is; de keijen of straatsteenen zijn klein, veelal scherp en ongelijk, zoo dat de voeten zeer doen, als men ’er lang op gaat. Wanneer men dit aan onze Hollandsche Franschmannetjes, die dit land niet anders kennen, dan uitMode Journaal,l’Almanach des Graces, of de eene of andere Roman, en die zoo veel op hebben metFrankrijk, vooral met de voorname steden in hetzelve, eens vertelde, zouden zij aardig staan te kijken; want ’er zijn vele van die zuikerpopjes, die zich verbeelden, dat men hierop Rozen wandelt; dat men niets anders ruikt dan Amber en Jasmijn, niets eet, dan keurige spijzen, niets drinkt, dan nektar, niets hoort, dan liefelijke toonen, en streelende woorden, en niets ziet, dan dat aangenaam en bevallig is; maar het gaat ’er zoo niet, en dit land heeft zoo wel als andere landen zijne schoone en lelijke zijde.’s Avonds ging ik in den grooten Schouwburg (le Grand Théatre): Het is een fraai gebouw, ruim veertig jaaren geleden, volgens de teekening van de BouwmeesterSoufflot, gebouwd, en staat regt achter het Stadhuis. Voor hetzelve is een plein,en ter zijde een gallerij, waar verscheide kramers hunne onderscheide waren uitstallen; dit alles maakt met het Stadhuisla place des Terreaux, en de Abdij vanSt. Pieter, op dezelve, een fraai geheel uit. Van binnen beviel de Schouwburg mij ook wel; doch order en netheid haperden hier ook weder, en zelfs in hetParterre(waar men staande moet blijven), hinderde de stank van zekere tonnen, die in een vertrekje aan den ingang zijn geplaatst, niet weinig; men gaf ’er eenBlijspel genaamd,le Jaloux sans Amourenl’Irrato Opera, het Muzijk is vanMehulin denItaliaanschensmaak gecomponeerd. Het spelen was maar zeer middelmatig, het zijn hier waarlijk ook geen tovenaars; echter als zij teAmsterdamspeelden, en zulk soort krijgt men ’er doorgaans, zouden onze zoogenaamde lieden van smaak ’er drok naar toelopen, terwijl zij den neus optrekken, als men hun spreekt van den grooten of Stads Schouwburg, waar ik ondertusschen verscheide stukken zeer goed heb zien uitvoeren, en waar sommige vertoonders spelen, die zelfs doorFranscheKonstkenners en voorname Konstenaars, niet ligt gereed, om aan vreemden lof toetezwaaijen, openlijk bewonderd worden2. Ja ik durf staande houden, datdit tooneel behoorlijk aangemoedigd en bestuurd, weldra zou verdienen, om onder de eerste tooneelen vanEuropagerangschikt te worden. Wanneer zal die ellendige lage en verderfelijke trek, naar al wat vreemd is, onder ons eens ophouden, en deHollandschezeden en voortbrengsels van Kunsten en Wetenschappen, waar wij ten allen tijde billijk roem opdroegen, en nog roem op mogen dragen, eens herleven. Trachten wij van onze naburen, en van vreemden te leeren, wanneer ’er zig iets nuttigs voor ons op doet; maar laten wij toch bij aanhoudendheid niet dwaas en slecht genoeg zijn, om hun in alles nateäpen. Gij hebt deze en diergelijke aanmerkingen niet noodig, vriend! maar gij vat dikwils de pen op, tot nut en vermaak van onze landgenoten, en bij die gelegenheid zou zoo iets te pas kunnen komen.1Door de belegering hadden vele huizen op deze kaai aanmerkelijk geleden, doch sedert korten tijd zijn die weder opgebouwd, en men verzekerde, dat dezelve thans ruim zoo schoon is, als voorheen.2Men leze onder anderen,le Feuilleton de Publiciste de Mardi,28Frimaire an12 (20 Decemb. 1803.) aangaande onze, schier onvergelijkelijke, JuffrouwWattier.—Zorgt men wel dat een vrouw, van zulk eene zeldzame bekwaamheid, als deze, kweekelingen maakt?

Lyon, 31 Julij.

Naauwelijks hadden wij hier voet aan wal gezet, of wij werden schier verdrongen door de menschen, die ons ieder om het zeerst noodigde, om van hun huis gebruik te maken. Welk een vriendelijk en gastvrij volk, zou een vreemdeling, die met deEuropeeschezeden en gebruiken niet bekend is, denken; maar gij begrijpt ligt, dat het Logementhouders of hunne knechts of meiden waren. Men had ons hetHotel des Celestinsaangeraden, wij zetten ons dan in een huurkoets (fiacre), die men hier zoo wel als teParijsvindt, lieten ’er onze koffers opbinden, en ons zoo aan hetHotel des Celestinsbrengen; dit is een van de eerste Hotels van de stad, doch het was’er ons veel te duur; want ik heb de gewoonte, om, zoodra ik in een Logement kom, te onderzoeken naar de prijs van het een en ander; en hier bij heb ik mij altijd zeer wel bevonden. Wij raakten dan hier niet slaags, en lieten ons aan hetHotel de Languedoc, dat wij in het voorbijgaan gezien hadden, brengen; het staat op de Kaai langs deSaone, niet ver van de houten brug over dezelve. Wij vonden daar zeer goede kamers op de eerste verdieping, en die een alleraangenaamst uitzigt hadden op de rivier, en over dezelve; op de Hoofdkerk, den berg vanSt. Just,l’Hospice des Antiquailles, de Kapel vannotre Dame de Fourvièresenz. Niettegenstaande de uitgezochte en treffende fraaiheid van het gezigt van dat gedeelte van het Logement, waar wij onzen intrek genomen hadden, was de prijs zeer matig; ik betaalde voor een kamer met twee bedden £ 3–:–: daags, en even zoo veel voor mijn middagmaal.

De stad doorwandelende, zag ik uit een straat een man met pluimen op den hoed aankomen, gevolgd van eenige anderen, die iets, dat wit en zwartwas, schenen te dragen, zij lagchten en praatten overluid onder elkanderen, en stapten vrij gezwind; ik dacht dat zij iets zonderlings te kijken hadden, en ziet, het was een begravenis; het lijk was met een wit en zwart kleed onachtzaam op de kist geworpen, bedekt, en werd door vier mannen gedragen; die met de pluimen op den hoed, was de gewoone begeleider der dooden, zoo als men teParijsook heeft, doch daar ziet hij ’er anders uit; dit was al een heel slordig soort van een begravenis, doch ik heb ze al meêr hier en daar inFrankrijkgezien, die niet beter waren: velen schijnen in dit opzigt van het eene uiterste tot het andere te zijn overgeslagen, en dit reken ik onder de abuizen van de omwenteling. Het begraven der dooden behoort toch, hoewel men met rede een menigte aanstotelijke en kostbare plegtigheden achterlaat, op eene betamelijke, en min of meêr plegtige wijze te geschieden; het verzuimen hier van, geeft, mijns bedunkens, aanleiding tot woestheid en ongevoeligheid, en kan dus in zijne gevolgen immers niet anders, dan schadelijk zijn voor de Maatschappelijke order. Deze abuizen zijn echter niet aan de wetten of verordeningen, die ’er na de omwenteling hier omtrent plaats gehad hebben, toetekennen, maar wel aan de verwaarloozing of verkeerde toepassing van dezelve. Nog maar weinige jaren geleden, heeft hetInstitut NationalvanFrankrijk, in naam van het Gouvernement, de volgende prijsvraag uitgeschreven:“Quelles font les cérémonies à faire pour les funerailles, et le reglement à adopter pour le lieu de la sepulture?”en het antwoord hier op, dat bekroond is geworden, is vanF.V. Mullotvoorheen Wetgever enz. Zeer kort geleden, heb ik die redevoering, hoewel ik in alles niet met den schrijver instem, met genoegen gelezen, en ik zou met niet minder genoegen zien, dat men in vele opzigten zijn voorschrift volgde; doch het is te vreezen, dat het bijgeloof de oudeplegtigheden wel weder algemeen zal trachten intevoeren, zoo als men zulks in vele plaatsen al begonnen heeft. Op de plaatsBelle-cour, die sedert 1713 tot de omwenteling, de plaats vanLodewijkden Grooten genaamd werd, en thans den naam vanBonapartevoert, is niet veel bijzonders meêr te zien. Het beeld vanLodewijkXIV, de twee fonteinen en verdere sieraden, die deze plaats voorheen beroemd maakten, zijn weggenomen, en de puinhoopen van sommige huizen, die men in het begin van de omwenteling heeft afgebroken, liggen ’er nog; aan den eenen kant in de lengte, zijn verscheide rijen boomen geplant; dit dient voor een gemeene wandelplaats; ’t heeft hier wel wat van onsHaagsche Voorhout. Deze plaats is omtrent 450 treden lang, en na genoeg half zoo breed; langs dezelve staan fraaije huizen. Zij ligt tusschen deSaoneen deRhone. Ik was ’er van de kaai van de eerstgenoemde rivier opgekomen, en kwam in de lengte ’er overgaande, en een straatje regtuit doorloopende aan de kaai van deRhoneuit; daar had ik de groote steenen brug, die over dezelve ligt, voor mij. Deze brug is zamengesteld uit twintig bogen: men is het bouwen van dezelve aan PausInnocentiusden IV. verschuldigd. Zij is in geen regte lijn gebouwd; maar maakt een bogt, zijnde de uitwendige zijde tegen den stroom, die hier zeer sterk is, gerigt. Aanvankelijk had men haar ook zoo smal gemaakt, dat ’er geen rijtuigen elkanderen op konden voorbijgaan; men is dan verpligt geweest,van ’er een tweede naast te bouwen. Om nu deze twee bruggen aan elkander te hechten, en ’er één stevig ligchaam van te maken, heeft men door al de pilaren zware ijzeren staven weten te brengen, die aan beide uitersten met ankers zijn bevestigd. En in deze stoute onderneming is men zoo wel geslaagd, dat het schier niet zigtbaar is, en men, die bijzonderheid niet wetende, nimmer zou vermoeden, dat dit werk op zulk eene wijze is zamengesteld. Dit is het eenigste niet, dat men, aangaande deze brug, heeft optemerken: de bogen werden ook niet wijd genoeg bevonden, zoo dat het zand, dat met het water van deRhoneafkomt, zich op een hoopte, dikwijls de voorname bogen verstopte, en daardoor den doortogt moeijelijk maakte. Om dit ongemak wegtenemen, vond men een’ bouwmeester ondernemend en bekwaam genoeg, om een van de pilaren in het midden wegtenemen, en alzoo van twee bogen een te maken. Hetmuurwerk van dezen groten boog versterkte hij zoodanig, dat ’er de brug niet door leed, en zijn arbeid werd algemeen bewonderd en goedgekeurd. Voorheen stond ’er aan den ingang van de brug, aan den kant van de stad, een poort, en verder op dezelve een soort van vierkante toren, waar men onder doorging, doch dezelve zijn afgebroken. Een gedeelte van deze brug, diele pont de la Guillotièregenaamd wordt, ziet gij in de bijgaande afbeelding, benevens het groote of nieuwe GasthuisNouvel Hopital, op de kaai van deRhone; de teekening van dit schoone en trotschegebouw, is zoo nauwkeurig, dat ik mij niet zal ophouden, om u hetzelve uitwendig te beschrijven; jammer is het, dat de linkervleugel, zoo als gij ziet nog onvoltooid staat; want het is te vreezen, dat men ’er vooreerst nog niet aan zal kunnen denken, omdat deze stad door de omwenteling en aanhoudenden oorlog, zeer veel geleden heeft, en nog lijdt, waardoor de kas in geen voordeeligen staat is.

Lijon.Lijon.

Lijon.

Den 25 dezer ging ik ’s morgens vroegtijdig uit, en begon met de Hoofdkerk te bezigtigen; het is een oudGothischgebouw, zoo als gij in de afbeelding ziet. Zij schijnt bijna langwerpig vierkant, door de torens, die aan de vier hoeken staan, inwendig is zij wel ruim, maar donker. Het groote altaar in het midden van het koor, is het eenigste, dat ik ’er beziens waardig vond, want her vermaarde uurwerk doorNicolas LippiusvanBaselin 1598. gemaakt, en dat vooral in dien tijd, als een groot konststuk werd beschouwd, is sedert verscheide jaren geheel in verval. In de groote Kerk van’s Boschstaat een diergelijk uurwerk. Als een bijzonder gebruik van deze Kerk vind men aangeteekend, dat ’er nimmer noch muzijk, noch orgel, noch boeken, gedurende het vieren der diensten, in dezelve zijn gebezigd geworden. Niet ver van deze Kerk op de kaai, staat het zoogenaamdPalais de Justice, een gebouw, dat van buiten geen aanzien heeft; en van binnen zag het ’er schandelijk slordig uit; dit komt mij vooral hoogst onvoegelijk voor, in eene plaats, waar Regters, tot welker voornamehoedanigheden, order en naauwkeurigheid behooren, in het openbaar vergaderen. Ik ging in een van de zalen, waar een Advokaat, die hard genoeg schreeuwde, en vrij wat beweging maakte, bezig was met pleiten. Hetgeen mij als iets ongerijmds in het oog viel, was een schilderij, waaropChristusaan het Kruis geschilderd was, dat boven het hoofd hing van den President. De schilderij was ’er zeker nog niet lang geleden geplaatst; want het woordEgalitéstond met groote letters op den wand boven hetzelve, en dit woord, dat anderzins in een Vierschaar zoo wel voegt, maakte nu met die schilderij een zonderlinge tegenstrijdigheid, daar ’er immers in een Regtzaal voor alle burgers, van welke Godsdienstige begrippen zij ook mogen zijn, geen kruis, dat een kenmerk van een bijzondere sekte is, te pas komt. Joden en andere lieden, die niet tot de Roomsche Kerk behooren, en die als leden van de Burgerlijke Maatschappij dezelfde regten en aanspraak op de wetten hebben, als de leden van die Kerk, moeten zich, voor deze balie verschijnende, deswegens natuurlijkerwijze ergeren, en ik geloof, dat, wanneer ik tot dit regtsgebied behoorde, ik niet zou kunnen nalaten, om mij over het plaatsen van dit schilderijtje te beklagen, en de wet onder andere ook die, welke betrekkelijk is tot de regeling der Godsdiensten (l’organisation des cultes) thans inFrankrijkbestaande, en die geen heerschenden Godsdienst erkent, zou mij daar regt toe geven.

De kaai langs deRhone,Quai du Rhone, is fraai,en met schoone, en zelfs prachtige huizen, waarvan de meeste vijf, zes en meêr verdiepingen hoog zijn, bebouwd1. Langs den waterkant is een wandeling gemaakt, die men heeft beginnen te beplanten. Men heeft ook van deze kaai, en uit de huizen op dezelve een zeer aangenaam gezigt over de rivieren, de landstreek aan den anderen kant van dezelve, tot tegen deAlpen, die men bij helder weder duidelijk zien kan. Over deRhoneligt, behalve de brug, waarvan ik u reeds geschreven heb, nog een houten brug, die den naam draagt van zijnen makerMorand. Deze brug (le pont Morand) hoewel ligt in schijn, is van een beproefde stevigheid. In den winter van het jaar 1789 bevroor deRhone, niettegenstaande den snellen stroom. De ijsgang maakte eene verschrikkelijke vertooning. De verdubbelde aanval van de ontzaggelijke ijsschotsen, deed voor het behoud van de brug beven; en zij weerstond het gevaar, zelfs zonder schade te lijden. DeLyonnezenhier over verblijd, en erkentelijk vierden een feest ter eere van deze gebeurtenis. De naam vanMorandzweefde op ieders lippen, en deze brug als een gedenkteeken van zijne bekwaamheid werd met lauwers bekroond. Behalve de kaaijen, de plaatsendes Terraux de Belle-cour, en eenige weinige straten isLyonin ’t geheel geen fraaije stad; zij is voor het overige onregelmatig gebouwd, de straten zijn eng, meestal zeer naauw, en krom, de huizen zijn hoog, en hier door is het ’er duister en bedompt, daarbij zeer bevolkt. De morsigheid en onaangename reuk is voor iemand, die daar niet aan gewoon is, inderdaad hinderlijk. Hier kan men nog als een groot ongemak bijvoegen, dat de weg zeer ongemakkelijk gestraat is; de keijen of straatsteenen zijn klein, veelal scherp en ongelijk, zoo dat de voeten zeer doen, als men ’er lang op gaat. Wanneer men dit aan onze Hollandsche Franschmannetjes, die dit land niet anders kennen, dan uitMode Journaal,l’Almanach des Graces, of de eene of andere Roman, en die zoo veel op hebben metFrankrijk, vooral met de voorname steden in hetzelve, eens vertelde, zouden zij aardig staan te kijken; want ’er zijn vele van die zuikerpopjes, die zich verbeelden, dat men hierop Rozen wandelt; dat men niets anders ruikt dan Amber en Jasmijn, niets eet, dan keurige spijzen, niets drinkt, dan nektar, niets hoort, dan liefelijke toonen, en streelende woorden, en niets ziet, dan dat aangenaam en bevallig is; maar het gaat ’er zoo niet, en dit land heeft zoo wel als andere landen zijne schoone en lelijke zijde.

’s Avonds ging ik in den grooten Schouwburg (le Grand Théatre): Het is een fraai gebouw, ruim veertig jaaren geleden, volgens de teekening van de BouwmeesterSoufflot, gebouwd, en staat regt achter het Stadhuis. Voor hetzelve is een plein,en ter zijde een gallerij, waar verscheide kramers hunne onderscheide waren uitstallen; dit alles maakt met het Stadhuisla place des Terreaux, en de Abdij vanSt. Pieter, op dezelve, een fraai geheel uit. Van binnen beviel de Schouwburg mij ook wel; doch order en netheid haperden hier ook weder, en zelfs in hetParterre(waar men staande moet blijven), hinderde de stank van zekere tonnen, die in een vertrekje aan den ingang zijn geplaatst, niet weinig; men gaf ’er eenBlijspel genaamd,le Jaloux sans Amourenl’Irrato Opera, het Muzijk is vanMehulin denItaliaanschensmaak gecomponeerd. Het spelen was maar zeer middelmatig, het zijn hier waarlijk ook geen tovenaars; echter als zij teAmsterdamspeelden, en zulk soort krijgt men ’er doorgaans, zouden onze zoogenaamde lieden van smaak ’er drok naar toelopen, terwijl zij den neus optrekken, als men hun spreekt van den grooten of Stads Schouwburg, waar ik ondertusschen verscheide stukken zeer goed heb zien uitvoeren, en waar sommige vertoonders spelen, die zelfs doorFranscheKonstkenners en voorname Konstenaars, niet ligt gereed, om aan vreemden lof toetezwaaijen, openlijk bewonderd worden2. Ja ik durf staande houden, datdit tooneel behoorlijk aangemoedigd en bestuurd, weldra zou verdienen, om onder de eerste tooneelen vanEuropagerangschikt te worden. Wanneer zal die ellendige lage en verderfelijke trek, naar al wat vreemd is, onder ons eens ophouden, en deHollandschezeden en voortbrengsels van Kunsten en Wetenschappen, waar wij ten allen tijde billijk roem opdroegen, en nog roem op mogen dragen, eens herleven. Trachten wij van onze naburen, en van vreemden te leeren, wanneer ’er zig iets nuttigs voor ons op doet; maar laten wij toch bij aanhoudendheid niet dwaas en slecht genoeg zijn, om hun in alles nateäpen. Gij hebt deze en diergelijke aanmerkingen niet noodig, vriend! maar gij vat dikwils de pen op, tot nut en vermaak van onze landgenoten, en bij die gelegenheid zou zoo iets te pas kunnen komen.

1Door de belegering hadden vele huizen op deze kaai aanmerkelijk geleden, doch sedert korten tijd zijn die weder opgebouwd, en men verzekerde, dat dezelve thans ruim zoo schoon is, als voorheen.2Men leze onder anderen,le Feuilleton de Publiciste de Mardi,28Frimaire an12 (20 Decemb. 1803.) aangaande onze, schier onvergelijkelijke, JuffrouwWattier.—Zorgt men wel dat een vrouw, van zulk eene zeldzame bekwaamheid, als deze, kweekelingen maakt?

1Door de belegering hadden vele huizen op deze kaai aanmerkelijk geleden, doch sedert korten tijd zijn die weder opgebouwd, en men verzekerde, dat dezelve thans ruim zoo schoon is, als voorheen.

2Men leze onder anderen,le Feuilleton de Publiciste de Mardi,28Frimaire an12 (20 Decemb. 1803.) aangaande onze, schier onvergelijkelijke, JuffrouwWattier.—Zorgt men wel dat een vrouw, van zulk eene zeldzame bekwaamheid, als deze, kweekelingen maakt?


Back to IndexNext