Zesde Brief.

Zesde Brief.Lyon, 1Augustus.Toen ik gisteren een’ brief aan u afzond, was mijn oogmerk niet om u van hier meêr te schrijven, doch de aanhoudende en zware regen noodzaakt mij weder, om t’huis te blijven, en wat heb ik dan beter te doen, dan mij met u te onderhouden.Den 26 Julij bezocht ik het groote Gasthuis, waarik reeds melding van maakte. Men wil, dat hetzelve door KoningChildebert, omtrent de helft van de 6de Eeuw, gesticht is. Het nieuwe gebouw is naar de teekening van den BouwmeesterSoufflot, 30 à 35 jaren geleden, gemaakt. Wij vonden een man aan den ingang, die zich aanbood om ons rond te leiden, en bezochten het gansche gebouw, dat zeer groot is, van onderen tot boven, beginnende met de Apotheek, de Regenten-Kamers, de onderscheidene Zalen der zieken, het Linnen-Magazijn, tot op de kleêrzolder toe. Overal vonden wij Gasthuis-Nonnen of Zusters, bezig met de zieken op te passen, de geneesmiddelen, onder opzigt van den Apotheker echter, te bereiden, het linnengoed te herstellen en te bezorgen enz. Ieder heeft zijn werk, zelfs in de kamer, waar de Ontleedkundige Operatien geschieden, vonden wij eene Non, die een zeer geschikt en gnap mensch scheen; zij toonde ons een menigte ontleedkundige werktuigen, onder anderen een tafel met deszelfs toebehooren, waarop het steensnijden en diergelijke verschrikkelijke kunstbewerkingen geschieden. De post van dit goede mensch was, om diergelijke lijders te helpen en te ondersteunen, de werktuigen rein te houden, voor het geen tot de verbinding noodig is te zorgen enz. Mijne verwondering betuigende over den moed, dien zij bezat, om deze ellende aanhoudend bij te wonen, antwoordde zij, dat men aanvankelijk zeer veel lijdt, doch dat bezef van pligt en de gewoonte haar die taak thans dragelijk maakten. Ik onderhield mij methaar over meêr andere dingen, deze inrigting betreffende, en zij beantwoordde alle mijne vragen op eene vriendelijke en voldoende wijze. De fraaije zalen, waar de zieken (thans waren ’er over de 1000) liggen, of hun verblijf houden, zijn ruim en luchtig; uit die langs den waterkant, waar van gij de vengsters op de afteekening ziet, heeft men een zeer aangenaam gezigt. De trotsche en ook van binnen schoon gewerkte koepel, behoort tot de groote zaal; onder dezelve staat een fraai en tevens eenvoudig altaar op een verheven voetstuk, zoo dat de zieken uit hunne bedden, die van ijzer zijn, om ’er het ongedierte uittehouden, en welke aan rijen staan, hetzelve kunnen zien; dagelijks wordt hier de mis gelezen. In deze zaal zag ik ook aan het gewelf eene opgevulde krokodil hangen; onze geleider verzekerde, dat dit dier lange jaren geleden, in deRhone, digt bij de steenen brug gevangen werd, en wel door een persoon, die ter dood veroordeeld was, en om deze daad vergiffenis bekomen had. Het dier had al veel vee en zelfs kinderen verslonden. Dit vertelsel schijnt hier onder het volk vrij algemeen geloofd te worden; doch wij weten, dat dit in ’t geheel geen bewijs is van echtheid. Beneden is ook een plaats, waar eenige zinneloozen bewaard worden; onze geleider wilde ons dezelve doen zien, doch de Non, die daar op paste, weigerde het; en ik vond, dat zij gelijk had; men moet die ongelukkigen, die veeltijds aanleiding tot spotternij geven, niet aan de algemeene nieuwsgierigheidblootstellen. In een gang vond ik op verscheidene tafelen, die daar tegen den muur waren gesteld, de namen van de personen, die aanzienelijke geschenken aan dit gebouw hebben gegeven.—Was hoogmoed of menschlievendheid de beweegoorzaak van deze geschenken?—misschien beiden.—Hoe het zij, zij hebben welgedaan, en wij moeten diergelijke daden dan ook zoo naauw niet uitpluizen. In de keuken waren verscheidene Nonnen ook drok aan het werk; hare spijszaal is hier naast; zij eten gezonde kost, en moeten braaf werken, ook zien zij ’er, niettegenstaande haren aanhoudenden omgang met zieken, over het algemeen, gezond uit. Ik zag ’er, die mooi waren, onder anderen eene, die bezig was met eene bleke en uitgeteerde zieke te helpen; deze was nog jong en inderdaad schoon; dit leverde eene zonderlinge tegenstrijdigheid op. In ’t geheel zijn ’er in dit huis 150 zulke Nonnen, zij zijn in ’t zwart gekleed, en hebben witte Nonnenkappen op; doch zij doen geen geloften, waar door zij voor altijd verbonden zijn; en wanneer de liefde bij de barmhartigheid komt, kunnen zij zich in het huwelijk begeven. Deze Nonnen of Zusters bewijzen alzoo de Maatschappij een wezenlijken dienst, en men kan haar dus niet anders dan als achtingwaardige leden van dezelve beschouwen. Bij het uitgaan gaven wij wat voor het huis, een Non ontving het op een zilveren schotel. Dit herinnerde mij aan de zilvere schalen, waarin men in veleHollandschesteden de aalmoezen opzamelt; het was gevoegelijker, dunkt mij, dat men daar een houtenbak toe gebruikte. De Kerk van dit Gasthuis is fraai en net; ook schijnt ’er over het geheel een goed bestuur plaats te hebben; alles is zindelijk en wel onderhouden; maar het geen mij niet beviel, was dat ’er slechts een plaats en geen tuin bij is, dat ’er een vleeschhal en slagterij is, onder den eenen vleugel, namenlijk een der stads hallen en slagterijen, het geen stank veroorzaakt; dat de zieken in algemeene zalen en niet meer afzonderlijk liggen, en eindelijk dat het gebouw te prachtig is voor een Gasthuis. Ik had liever een eenvoudiger huis op het land gehad, en de kosten die daar door uitgespaard werden, besteed om de zieken door tuinen, afzonderlijke kamers enz. het verblijf der ellende, zoo min mogelijk, onaangenaam te maken. Behalve dit Gasthuis, is ’er nog een ander nuttig gesticht in deze stad, datla Charitégenaamd wordt, mede aan deRhoneverder op, voorbij de steenen brug gelegen. Het is zeer groot, en vereenigt in zich een Weeshuis, oude Mannen- en Vrouwen-huis enz. In de Kerk, die zeer net is, ziet men eenige graftombes van de stigters of bestuurders van dit uitgestrekt gebouw. De toren van die Kerk wordt door bouwkundigen, als een konststuk bewonderd. Diergelijke gestichten zijn in een stad, alsLyon, inzonderheid noodzakelijk, om het groot aantal werklieden in zijden stoffen en diergelijke Fabrieken, welker getal voor de omwenteling op omtrent 30,000 begroot werd. De bevolking der gantsche stad schatte men toen op 120,000.Na den middag deed ik eene wandeling door de stad,en ging ’s avonds in de Schouwspelzaal, op de plaatsdes Celestins,Théatre des Varietés; de zaal endecoratienzijn niet onaardig; doch het overige beteekende niet veel; men gaf ’er de eerste vertooning vanle petit Poucet(klein duimpje), dat men teParijsop een van de Theaters van deBoulevardsook vertoont1. Het was ’er zeer vol; in hetParterre, waar men altijd staat, betaalt men maar elf stuivers.Den 27 Julij het drooge weder waarnemende, klommen wij op den BergSt. Just, en bezochten aldaar het gebouw, dat zich boven een der torens van die Kerk vertoont, en om de oudheden die het bevat,l’Hospice de l’Antiquaille, zoo als men ook boven den ingang leest2, genaamd wordt. SommigeRomeinscheKeizers bewoonden het Paleis, dat hier stond, als zij teLyonwaren, en hunne Gouverneurs hielden ’er hun verblijf. Men gelooft algemeen datLucius Munatius Plancus, die Consul was gelijktijdig metÆmilius Lepidusen een der Luitenants of Stedehouders vanCæsar, de stichter is vanLyon; het jaar vanRome712, endus ten naastenbij 40 jaren voor de Christelijke Jaartelling. Waarschijnlijk heeft men op dezen berg beginnen te bouwen; naauwelijks was ’er een eeuw verlopen, of de gansche stad brandde in eenen nacht af, en werd doorNeroweder opgebouwd. Men ziet in hetHospice de l’Antiquailleeenige oude opschriften, en in een onderaardsch gewelf, toont men een soort van nis in de muur, waarin men verzekert, datSt. Photin, die metIrenéushier het Christelijk geloof kwam prediken, levendig is ingemetseld geworden, men leest dan ook boven die nis:St. Photina fini son martyre dans ce lieu, agé de 90 ans sous l’EmpereurMarc Aurelle179. DeezeSt. Photin, zegt men, dat de eerste Bisschop vanLyonwas; 47 andere werden, volgens overlevering, met hem, hier gemarteld; men toont ook de steenen palen, waar zij aan gebonden of geketend zouden geweest zijn. De Nonnen, die dit gebouw voor de omwenteling bewoonden, gebruikten dit gewelf ook voor hare begraafplaats. In een soort van ovens zag ik nog verscheidene doodshoofden en beenderen. Uit een der kamers van dit gebouw heeft men een zeer uitgestrekt en allerschoonst gezigt. Van daar werd hetPanoramavanLyongeteekend. Men ziet uit dit gebouw, het grootste gedeelte van de stad, deSaone, deRhoneen over dezelve, en over een uitgestrekt landschap, deAlpen, deMont-Blanc, de top van deMont St. Bernardenz. Het was zeer helder weder, zoo dat wij het gelukkig troffen. Thans dient het gebouw, datvrij groot is, tot een gevangenis voor vagabonden, bedelaars, ligte vrouwlieden, namelijk die, welke tot de klasse van het zoogenaamde gemeene volk behooren, wantgalante Dames du bon tonzet men ’er niet. Men bewaart ’er ook eenige zinnelozen. ’Er is een Kerk bij, en hier staat een’ offerbus, waar men wat in steekt, ter eere vanSt. Photin. Wij gaven ook wat voor het huis. Niet ver van hier, omtrent voor het voormalig Klooster derMinimen, is eene plaats, die men de plaats der martelaren (la place des Martyrs) noemt; om dat hier ook een menigte Christenen zoude gemarteld geweest zijn. Men toont ’er ook nog een’ grooten steen, zonder eenig opschrift echter, waarop men wil dat zij geslagt wierden, en die men als een achtingwaardig gedenkteeken beschouwt. Wat hier ook van wezen moge, het blijkt uit de Geschiedenis, dat de vervolging der eerste Christenen, vooral onderSeptimus Sevérus, hier allerverschrikkelijkst geweest is. Achter dit gewezenMinime-Klooster, ziet men nog de geringe overblijfsels van een’RomeinschenSchouwburg. Tot de trotsche gebouwen, die deRomeinenhier gesticht hebben, behooren ook de kostbare steenen waterleidingen (aquaducs), die eene uitgestrektheid van verscheidene mijlen schijnen gehad te hebben; hier en daar ziet men ’er nog overblijfsels van. Men toonde ons een van de plaatsen (reservoirs) waar dit water verzameld werd in een wijngaard, voorheen behoord hebbende aan het Klooster derUrselinen. Het iseen diepe kelder, waar men, van kaarsen of fakkels voorzien, door middel van verscheidene steenen trappen in gaat. Het gewelf is ruim, en rust op verscheidene bogen. De soort van kalk, waar de muren mede gepleisterd zijn, is bijzonder hard, zoo dat men moeite heeft om ’er stukken afteslaan. Men wijst ook in den muur de gaten of pijpen aan, waardoor men meent dat het water ingelaten werd. Het schijnt, naar het metzelwerk te oordeelen, dat die plaats aanvankelijk niet overdekt is geweest; maar dat het gewelf ’er naderhand is opgemaakt. Deze kelder is hier bekend onder den naam vanles bains des Empereurs, ofles bains des Romains. Sommige Geschiedschrijvers noemen dezelvela grotte Berelle. Thans behoort dit Klooster, en aangelegen erven, aan iemand, die ’er zinneloze menschen, tegen betaling, in den kost neemt. De man, die den kelder laat zien, woont hier digt bij, en men geeft hem daar iets voor. Een weinig verder in een anderen tuin, ziet men een kelder veel minder diep danla grotte Berelle; zo dat men ’er door het daglicht duidelijk in zien kan. De grond is hier met kleine steentjes van onderscheidene kleuren als een schilderij ingeleid (en Mosaïque). Men zegt, dat dit ook behoort tot het werk van deRomeinen, doch ik zag ’er twee gedaantens in, die veel overeenkomst hadden met de afbeeldingen van Engelen en Duivelen; evenwel stond ’er nog ook een soort van Afgodsbeeld bij; zij die kundiger zijn in de oudheden dan ik, mogen beslissen wat hetis3. Ik zag hier ook eenige pilaren, en een soort van altaar van hout, dat geschilderd was; en vernam, dat dit aan de Vrijmetselaars, die hier omstreeks hunne vergadering houden, en somtijds van dezen kelder gebruik maken, behoorde. Wij gingen van daar naar de Kapel van Onze Lieve Vrouw vanFourvières, voorheen, en nog onder de geloovigen vermaard, door hare menigvuldigeex voto’s, geloften aan de Lieve Vrouw, of haar beeld, dat hier bewaard werd. Die Kapel ligt op het hoogste gedeelte van den berg. Een vrouw had die na de omwenteling gekocht, en meende ’er haar rekening bij te vinden, door ’er missen te laten lezen, enz. doch het is haar verboden; en men verhaalde mij, dat zij hier over met het Stadsbestuur in proçes was. Wij klommen op het torentje van deze Kapel, van waar wij ook een overheerlijk gezigt hadden, en veel uitgestrekter nog, dan uitl’Hospice de l’Antiquaille. Men ziet hier bijna over al de nabij gelegen bergen heen; de stad en derzelver omstreken, de loop van deRhoneen deSaoneen hunne vereeniging heeft men als een Landkaart voor zich,duidelijk zag ik de witte toppen derAlpen, en kon mij naauwelijks van zien verzadigen. In de Kapel is niet veel anders te kijken dan een groote menigte kleine, meestal ellendig gekladde schilderijtjes, verbeeldende mirakuleuse reddingen, door de Lieve Vrouw, van menschen, die in nood zijnde, ’t zij door ziekte, schipbreuk, in ’t water liggende of anderzins, een gelofte aan haar gedaan hebben; onder anderen was ’er een bij van een deserteur, die de wacht, die hem na zat, ontkomen was; zoo dat de Lieve Vrouw ook de desertie, die toch overal als een strafwaardige misdaad wordt beschouwd, scheen te bevorderen4. De rest is niet waard, dat menzich ’er zich een oogenblik om ophoudt, wanneer men niet tot de geloovigen behoort.Na den middag wandelde ik langs deQuai du Rhone; ’er was veel volk op die wandeling, maar ik zag weinig schoone vrouwen onder de zoogenaamde fatsoenelijke lieden, die zich hier, even als in deTuillerienteParijs, laten kijken. Onder de klasse, die men gemeene lieden noemt, ziet men hier een aantal kreupelen en mismaakten; dit vindt men doorgaans in plaatsen, waar vele weverijen en spinnerijen zijn. Buiten deBarrièrelangs deRhone, naar den kant, daar zij van daan komt, is ook een aangename wandeling. Van sommige huizen, die hier tegen de bergen staan, gaat men uit een van de dakvengsters in den tuin.In deze stad zijn, even eens als inBrabantenVlaanderen, veel Bierhuizen, en het is ’er ’s avonds vol volk. Het bier vanLyonis beroemd, naar mijn’ smaak is het te sterk gehopt.Den 28 Julij regende het zoo sterk, dat ik weinig kon wandelen; de twee rivieren waren dezen nacht aanmerkelijk gewassen, en de stroom van deRhonewas ongemeen snel. Die rivier maakt door de sterke drift en de rotsen, welke onder water staan, hier en daar eene soort van draaikolkjes. Het water dezer twee rivieren is, tegenwoordig vooral, zeer onderscheiden van kleur; dat van deRhoneisgeelachtig grijs, en dat van deSaoneis groenachtig.De gewone schuit van hier naarAvignon(Coche d’Eau) meende men dan ook, dat morgen niet zou kunnen varen, want men hield de vaart op deRhonethans voor min of meer gevaarlijk. Een slecht vooruitzigt voor ons, die met dat vaartuig binnen eenige dagen dachten te vertrekken.Tegen den middag hield het een weinig op met regenen, en ik ging wandelen.La place des Terreauxis een fraai vierkant plein; op dezelve staat het Stadhuis, de voormalige Abdij van St. Pieter, en aan den anderen kant over dezelve, verscheidene fraaije Koffijhuizen; men vindt daar allerlei ververschingen voor een redelijken prijs; het ijs (les glaces) is ’er zeer goed, en veel goedkooper dan teParijs. De levensmiddelen schijnen hier over het algemeen niet duur te zijn; het vleesch is ’er goed, men heeft ’er overvloed van groentens; de riviervisch schijnt ’er ook niet schaars; en de Spekslagerswaren, vooral de worsten (les saucissons) vanLyon, zijn beroemd.—ZwitserschenGeneefschgeld is hier ook gangbaar.Het Stadhuis is een fraai gebouw; die vanLyonhouden het voor een van de schoonste Stadhuizen vanEuropa, maar het lijkt nietmetal naar dat vanAmsterdam; in den gevel (la facade) van hetzelve, ziet men nog de beelden der Vrijheid en Gelijkheid. In het portaal zijn twee fraaije liggende metalen beelden, meêr dan levensgrootte; het eene een manen het andere een vrouw, verbeeldende deRhoneen deSaone. Voor de omwenteling stonden zij op de plaatsBelle-cour. In dit portaal, waar men ze aan beide kanten geplaatst heeft, zijn zij veel te groot;Coustouis ’er de maker van. De oude metalen tafel, waar op de aanspraak gegraveerd was, die de KeizerClaudiustoen hij nogCensorwas aan den Senaat vanRometen voordeele van die vanLyondeed, en die men ook voor de omwenteling in dit voorhuis zag, is eenigen tijd na dezelve, toen het geschut voor het Stadhuis geplant was en ’er verscheidene kogels in geschoten werden, genoegzaam geheel vernield; en men ziet die thans niet meêr. DeLyonnezenbetreuren zeer het gemis van die tafel, en in der daad het was een zeer merkwaardig stuk. De groote zaal boven dat portaal, brandde omtrent twee jaren geleden, bij gelegentheid eener Illuminatie, geheel uit.De voormalige Abdij vanSt. Pieteris een groot en trotsch gebouw, hebbende eene groote plaats in het midden en rondom dezelve, op de eerste verdieping eene fraaije galerij. Thans schijnen de vertrekken aan bijzondere personen verhuurd te worden; eene zeer ruime zaal beneden, en die ik meen dat voorheen voor een spijszaal diende, wordt thans door de Kooplieden en Fabrikeurs tot een beurs gebruikt; men ziet rondom in dezelve eenig pleister-beeldwerken bas-relief.Deze plaatsdes Terreauxwas ook de martelplaats van eene menigte Protestanten omtrent het middenvan de 16de eeuw; onder anderen werd hier eene ruim bemiddelde jonge dochterde Cagnongenaamd verbrand; zij was gewoon, om de armen vanLyon, hoewel grootendeels van haar in godsdienstige gevoelens verschillende, rijkelijk te bedeelen; deze riepen weenende, toen men hunne weldoenster naar den brandstapel sleepte. “Helaas! wij zullen geen aalmoezen meer van u ontvangen;” waarop de ongelukkigede Cagnonde fluweelen muilen, die men haar nog gelaten had, van hare voeten nam, en die den armen toewierp, zeggende: “Ja, gij zult ’er nog ontvangen;” en men had geen moeds genoeg om deze ongelukkige aan de klaauwen van hare beulen te ontrukken.—Christenen, of liever zij, die ’er den naam van droegen, die hier zelve verscheidene eeuwen geleden door deRomeinenzoo wreed vervolgd waren geweest, en deze vervolging met regt als een gruweldaad beschouwden, deze zeg ik, vervolgden en martelden hier thans hunne Medeburgers en Medechristenen.Lyonwas ook een der voornaamste steden in het navolgen van den afgrijsselijkenSt. Bartelmoord. De slagting was hier toen ook allerverschrikkelijkst, zoo als gij weet; maar gij weet misschien niet, dat de scherprechter deugd en moed genoeg bezat om de uitvoering van de bevelen der drie voorname hoofden van hetLyonschemoordrot, te weigeren, zeggende: “Mijn ongelukkige post veroordeelt mij, om het werktuig van het geregt te zijn, maar niet dat van moordenaars.”—Thans, daar de rede en verlichtingeenigzins over het bijgeloof zegepraalt, behoorde men dien scherprechter, hoe zeer zijn naam misschien reeds in vergetelheid is geraakt, een Gedenkteeken op te rigten, en de koninklijke en geestelijke monsters, aanstookers, of uitvoerders van dien moord, in de verachtelijkste houding aan zijne voeten te plaatsen. Met genoegen vindt men ook aangeteekend, dat de krijgsbende, toen ter tijd in de Citadel vanLyonliggende, weigerde om in de gruwelen te deelen, en dat zelfs bijna het geheele volk die met verontwaardiging afkeurde, zoo dat zonder eene bende stadssoldaten, die slecht genoeg waren om zich voor veel geld te laten omkoopen, de Protestanten misschien behouden zouden zijn geweest.Den 29 Julij, alweder aanhoudende regen—met smart zag ik in de nieuwspapieren, dat het rijpe koorn begon te schieten, en niet kon ingehaald worden; de druiven meende men, dat door dit koude en natte weder ook veel zouden lijden. Het was Zondag, ik ging dan eenige Kerken zien; na de omwenteling zijn ’er hier ook verscheide, zoo wel als Kloosters, gesloopt; uit andere, die men toen voor magazijnen enz. gebruikte, zijn de sieraden weg genomen, doch die, welke voorheen aan de Jesuiten behoorde, en een zeer fraai en prachtig gebouw is, heeft men onder anderen laten staan. Deze Kerk is van binnen met marmer van onderscheide kleuren rijkelijk versierd, en verdient wel gezien te worden: de aanzienelijke boekerij voorheen aan dit Kollegie behoord hebbende, is achter deze Kerk in eene schoone zaal,langs de kaai van deRhone; thans behoort zij aan de stad, en dient tot algemeen gebruik. Van hier ging ik naar de Kerk van de voormalige Abdijd’AinaiofSt. Martin d’Ainai, en zag daar vier zware kolommen van Granit van een donker grijze kleur; thans dienen zij om een gedeelte van dit gebouw te onderschragen. Voorheen, maakte de vier ’er maar twee uit, en behoorden toen tot den Tempel vanAugustus, die niet ver van hier op de punt van het schiereiland, waar een groot deel vanLyonop gebouwd is, moet gestaan hebben, zij bereikten toen eene aanmerkelijke hoogte, en men heeft de barbaarschheid gehad, van die schoone en kostbare stukken door te zagen, om ze in deze Kerk te gebruiken; het is duidelijk te zien aan de einden van twee dezer halve kolommen, waarmede men die op de voetstukken geplaatst heeft, dat het de bovenste helften zijn der anderen. Aan beide zijden van het groot Altaar op de grafzerken, zag ik ook nog overblijfzels vanMosaïken, in den smaak van die, welke ik op den berg vanSt. Justgezien had: men verhaalde mij, dat deze behoord hadden tot de Graftombe van PausPaschalden II. Het was deze Paus, die den zoon van KeizerHendrikden IV. gebood om het lijk van zijn vader optegraven, en het op het veld te werpen, om ’er vijf jaren onbegraven te blijven liggen. Dat een Paus deze afschuwelijke daad bevolen heeft, is niet te verwonderen; maar dat de zoon gehoorzaamde—welk een gruwel!!—Paschal, die men wil, dat dezeKerk gewijd heeft, stierf in 1117. Men liet mij ook in het Sacristy een’ kelder zien, waarin een heilige zou gemarteld geweest zijn: de Kosterin, die de vriendelijkheid had, van mij dit alles te laten zien, scheen een goed snapachtig wijf, en hield mij voor zeer geloovig; waarschijnelijk, omdat ik haar met eenige belangneming het een en ander ondervroeg. Zij vertelde mij dan verscheide sprookjes van wonderwerken, die ook, gedurende de belegering, zouden voorgevallen zijn: onder anderen, dat zij een lieve vrouwebeeldje te dier tijd in een houten toren verborgen had, en deze toren was, niettegenstaande de kogels en bommen ’er rondom vlogen, onbeschadigd gebleven. Zij schimpte en schrolde ook dapper op de Jakobijnen en de Filosofen, zoo wel als op den nieuwen Keizer. DeLyonnezenzijn grootendeels Konings of lieverBourbonsgezind, gelijk zij in het begin van de omwenteling, helaas! maar al te duidelijk getoond hebben, en als een gevolg hier van ook zeer gehecht aan de Kerk, zoo als die voorheen bestond; alle de onlangs gemaakte veranderingen, beschouwen zij dan natuurlijkerwijze als onwettig, en de Paus door de omstandigheden genoodzaakt, om ’er in toetestemmen. De reden der bijzondere gehechtheid dezer stad aan het Hof, de Adel en de Geestelijken, schrijft men voornamelijk toe aan het belang, dat zij had, bij het in stand houden der pracht, weelde en verkwisting. Aan wie toch zouden zij hunne kostbareLyonsestoffen, borduurselen en diergelijke verkocht hebben, als de eerstegrondbeginselen van de omwenteling stand hadden gehouden.—Nu daaromtrent valt het hun tegenwoordig dan ook nog al in de hand. Zonderling is het intusschen, dat de bewoners van de oude stad op den berg vanSt. JustenFourviéresmeestal Republikeinen waren, hoewel grootendeels werklieden tot de Fabrieken behoorende. Zou het niet mogelijk zijn, dat die lieden op de puinhoopen derRomeinscheoudheden wonende, eenigzins met de Geschiedenis dier Volken waren bekend geraakt, en tevens hunne verhevene gevoelens en edelen trek na vrijheid hadden ingezogen. Sommigen meenen dat de reden, waarom die vanLyonzich zoo sterk tegen de omwenteling toonden, ook moet toegeschreven worden aan een zekere jaloersheid, die ’er tusschen deze stad enParijs, als de twee grootste en voornaamste steden vanFrankrijk, plaats greep, en al van ouden datum bestond.Parijsvoor de Hoofdstad te moeten erkennen, kwetste de eerzucht vanLyon, enParijshad de omwenteling begonnen, en speelde ’er de hoofdrol in. Zoo moest dan deze ongelukkige stad, die reeds in onderscheide tijdvakken, de allerakeligste moord- en bloedtooneelen had opgeleverd, nog eens eenen rampzaligen burgeroorlog, en de betreurenswaardige gevolgen van dien, ondervinden. Met aandoening hoorde ik dikwijls verscheide omstandigheden dien aangaande vertellen; deLyonnezenschenen mij genegen, om hier over met vreemdelingen te spreken, en geen wonder, dat men diergelijke tijdvakken niet ligt vergeet; daarbij vindt men hierschier overal gedenkteekenen, die ’er aan herinneren. Men verzekerde mij, dat deze noodlottige gebeurtenis, omtrent 20,000 menschen aan de stadLyongekost heeft; het getal komt mij wat groot voor. Zonderling is het ondertusschen, dat de GeneraalPrescis, Kommandant der stad, met zijne Officieren gelegenheid gevonden heeft, om zich door de vlucht te redden, en de straf te ontgaan, terwijl eene menigte jonge lieden en burgers vanLyon, door hem misschien opgezet en zekerlijk misleid, (want anders zouden zij niet vermetel genoeg geweest zijn, om eene stad, die geheel buiten staat was, om eene belegering uittehouden, tegen eene magtige Armée te willen verdedigen) terwijl, zeg ik, deze in de stad bleven, en door de belegeraars als muitelingen, misschien op eene te strenge, of te algemeene wijze, werden gestraft.—Men schijnt, ten opzigte van dezenPrescisverscheide ongunstige vermoedens te voeden; doch het is buiten mijn bestek, om hier verder in te treden.Den 30 Julij, hoewel het al weder onophoudelijk regende, ging ik al vroegtijdig uit; het was zoo guur, als bij ons in de maand October. De kaai opgaande, langs deSaone, klom ik ’er tegen over de rots, daar het KasteelPierre en Cizeop plagt te staan, de hoogte op. Hier ziet men de overblijfsels van de oude Vestingwerken, die ten tijde van de belegering veel verwoest, en vervolgens grootendeels gesloopt zijn geworden; het ruwe en stormachtige weder gaf aan die puinhoopen een nog treurigeraanzien—men ziet hier stukken van muren van eene ontzaggelijke dikte, en zeer ruime onderaardsche gewelven; sommige bestaan bijna nog in hun geheel, en zijn zoo groot, dat het wel Kerken gelijken. Het FortSt. Jeanstond voorheen op deze hoogte, en moet, naar de puinhoopen, die men ’er nog van ziet, te oordeelen, eene aanmerkelijke sterkte geweest zijn—welligt had deze plaats aan een’ schrijver van oude ridder- en spookromans, aanleiding gegeven tot sombere en verschrikkelijke invallen—en ik onder een brok van een ouden muur een weinig voor den regen schuilende, en dien boêl overziende, dacht aan de ellendige inrichting der menschelijke maatschappij waartoe deze vreesselijke muren, met zoo veel moeite en kosten opgerigt?—dienden zij ter beschutting tegen een’ vernielenden watervloed, of om de woede van uitgehongerde roofdieren aftekeeren—neen! maar alleen, om menschen tegen menschen te beveiligen.—Hier en daar heeft men een schoon en uitgestrekt gezigt. Wat verder komende, zag ik, dat men bezig was met den muur van de stad, doch ook alleen maar een’ enkelen muur, weder op te bouwen. Zoo maken en breken de menschen aanhoudend. Ja! wat hebben wij sedert 18 a 19 jaren niet al zien maken en breken, opbouwen en verwoesten. Men bediende zig tot het opmetselen van dien muur, onder anderen van een’ roodachtigen steen, die scheen zamengesteld te zijn uit een menigte kleine keitjes.Mij dunkt, dat dezelve gepolijst zijnde, fraai moet wezen; bij ons zou men daar wel gebruik van weten te maken, doch hier is het marmer en diergelijke steenen verkrijgbaar genoeg. Zelfs niet ver van deze stad vindt men aanmerkelijke steengroeven. Onzen weg vervolgende, zagen wij de Kerk van het voormaligKarthuizerKlooster, ook op deze hoogte gelegen; de Kerk is fraai met smaak gebouwd, en wordt thans voor eenParochiegebruikt; zij schijnt van binnen ook gewit en opgemaakt. Het groot Altaar in het midden van het koor, is van marmer van onderscheide kleuren zeer fraai gemaakt; boven hetzelve is een konstig gewerkt geheel verguld verhemelte (baldachin), rustende op marmeren kolommen—ik zag ’er ook eenige redelijk goede schilderijen vanFranscheMeesters. Deze Kerk pronkt met een’ fraaijen koepel, en is zeer licht. Ik beklaagde mij niet van deze wandeling gedaan te hebben, hoewel ik door nat was.In het voorbijgaan vernam ik aan het Bureau van de schuit opAvignon, dat dezelve, om den aanhoudenden sterken stroom en het hooge water, zoo als men wel gevreesd had, niet had kunnen varen, en waarschijnelijk in de eerste dagen nog niet varen zou—ik wilde toch zoo gaarne de reis te water doen, hoe vreesselijk men die hier ook afschildert. ’s Avonds, door den regen niets beters te doen wetende, ging ik in hetTheatre des Varietés, en zag ’erles brigand de Calabrie, ook ik ’tHollandsch, onder den naam van: de Struikrovers vanCalabrienvertaald,en na hetzelvePalmire et Alminor, getrokken uit de geschiedenis van den Verloren Zoon; beide zijn Melodramas, dat is te zeggen, Toneelspelen, met muzijk verzeld, doorgaans speelt het orchest, als de voorname personen opkomen of afgaan. Deze soort van stukken is gemeenelijk opgesierd met marschen, balletten, gevechten en veel théatralen toestel. Zij worden inFrankrijkniet op tooneelen van den eersten rang gespeeld, en door velen als onregelmatig en in een slechten smaak (d’un mauvais genre) afgekeurd; doch ik beken gaarne, dat ik ’er verscheide gezien heb, die mij veel meêr bevielen, dan de groote Opera’s, waarmede men teParijszoo veel op heeft. Beide de genoemde stukken werden nog al redelijk gespeeld, zoo dat ik mij nog niet erg verveelde. Hetparterremaakte hier zoo wel als teParijstusschenbeide een vreesselijk geweld.Den 31 Julij, al weder regen. Heden gingen wij eenige Fabrieken van zijden stoffen en zijden fluweelen enz. zien, onder andere die van de HeerPereauop de kaai van deRhone, dat een van de voornaamste is; hier is de stapel kostbare stoffen en fraaije borduurselen, waarvan ’er sommige moesten gebruikt worden bij de aanstaande kroning van den nieuwen Keizer, zoo ook voor behangsels van bedden, en bekleedsels van onderscheide meubelen aan het Hof; want het schijnt, dat het Keizerlijke in pracht en kostbaarheid niet voor het voormalige Koninklijke zal willen onderdoen: en wat voer men daar in het begin van de omwenteling tegen uit,trouwens, en dit kan men vooral met regt van deFranschenzeggen, “de tijden veranderen en de menschen ook.”Ik kwam op straat een’ Priester tegen, die openlijk de hostie naar een zieke droeg; een man met een bel ging vooraf, zoo als zulks in deRoomscheLanden gebruikelijk is; vele menschen knielden, alle namen de hoeden af. Ik had hier ook al een begravenis met Priesters en kerkelijke plegtigheden gezien, en ik vernam dat ’er ook somtijds proçessien gaan. Waar toe toch al deze toestel en openlijke vertoningen; de geloovigen, dunkt mij, zullen ’er niet gelooviger door worden, en de ongeloovigen nog veel minder; was het dus niet beter, dat men, om zich aan geene spotternij bloottestellen, en om anderen niet te ergeren, of aanleiding tot onaangenaamheden en verwijdering te geven, binnen de kerkgebouwen bleef; daar mogen de onderscheidene geloofsbegrippen te pas komen, daar zijn wij Joden, Roomschen of Protestanten, op de straten en andere plaatsen zijn wij alle burgers, en hoe minder wij ons in dien kring door onderscheidene benamingen, leuzen of diergelijke trachten te onderscheiden, hoe meer wij immers de eensgezindheid en alzoo het algemeen geluk bevorderen.Na den middag was het nog al redelijk goed weder, en ik wandelde de kaai van deSaonezuidwaards op, langs de puinhoopen en nog overgeblevene muren van het Arsenaal, bijna geheel door het bombardement vernield, gelijk ook een groot gedeelte van dezewijk, en waar van nog maar weinige huizen zijn opgebouwd. Ik kwam vervolgens aan de hier zoo beroemde werken vanPerrache, die de vereeniging van de twee rivieren omtrent 1100 halve roeden (toises) voor uit heeft gelegd, zoo dat de stad hier door een aanmerkelijk stuk gronds wint. VoorHollanders, aan dijken en droogmakerijen gewoon, baart dit werk niet veel verwondering. Men heeft hier ook aangename wandelingen, en ik keerde langs de kaai van deRhone, die daar aangenaam beplant is, weder terug. Behalve de huurkoetsen (fiacres) vindt men in deze stad, en de omliggende streken, ook nog een ander soort van rijtuigen, het zijn ligte wagentjes, zeer laag, en op vier wielen, die door één paard getrokken worden; de banken zijn in de lengte geplaatst, zoo dat men ’er op zijde, rug tegen rug, en de beenen buitenwaarts inzit; op de banken, waarvan sommigen op riemen hangen, liggen matrassen; doorgaans kan men ’er met zes en meêr personen in zitten, zij worden veel gebruikt, om na buiten te rijden; men vindt ze gemeenlijk staan, bij de voorname uitgangen van de stad, en kan ze daar goedkoop huren. Die rijtuigen wordenCarioles de Lyongenaamt, en de voerlieden, die ze verhurendes Carioleurs.Heden den 1 Augustus is het weder nog al redelijk, en het scheen, dat de regen toch eindelijk eens zou ophouden; wij bepaalden dan ons vertrek op morgen, indien wij eenige reisgenooten konden vinden, om een schuitje (bateau de poste) totAvignonmetons te huren. Hier in slaagde ik zonder veel moeite, wij waren met acht personen, en huurden zoo een schuitje voor zesLouis d’Ors, onder beding dat het goed met planken overdekt, en van zitbanken en stroo, om de voeten in te zetten, voorzien moest zijn; vooral ruim en stevig genoeg, ook in allen opzigte geheel tot onzen dienst, zoo dat wij hier en daar des goedvindende konden aanleggen, mits de reis ’er niet te veel door werd vertraagd; de schipper mogt niemand buiten onze toestemming aan boord nemen enz. Alle diergelijke voorwaarden behoort men te voren wel uitdrukkelijk te maken, om daarna geene moeijelijkheden te hebben; omtrent dit alles overeengekomen zijnde, gaf mij de schipper (patron) eenLouis d’Orop hand, ten blyke, dat de overeenkomst gesloten was, dit is genoegzaam door geheelFrankrijkgebruikelijk, het zij de huurder of verhuurder, kooper of verkooper die geeft, men noemt dit handgeldles arrhes; voorts was de afspraak, dat wij morgen ochtend met het krieken van den dag zouden vertrekken, indien de wind, die noorden was, zoo bleef, kunnende ’s avonds van denzelfden dag dan nog teAvignonzijn; de schipper zou ons in dat geval laten roepen; doch als de wind veranderde, behoefden wij zulk een haast niet te maken, omdat men dan toch een nacht onderweeg moest slapen.Daar nu onze afreis bepaald was, en ik al, wat hier merkwaardig is, genoegzaam gezien had, bleef mij nog over, om in een voornaam magazijn een kleinevoorraad vanLyonschezijden kousen te kopen, en ik vond ’er zeer goede voor £ 9–:–: het paar, zoo witte als zwarte. Het overschot van mijn’ tijd besteed ik nu, om aan u te schrijven, en dezen brief te sluiten, na u vooraf nog het een en ander aangaande deze stad te hebben medegedeeld.Van ouds droegLyonden naam vanLugdunum, en had dus bijna denzelfden naam als onsLeydenLugdunum Batavorum; misschien had men ’erBatavorumbijgevoegd, om die stad van hetLugdunumderGaulente onderscheiden. Naderhand werdLyoneen Aartsbisdom en de Hoofdstad van de Provinciele Lyonnois, thans is het de Hoofdplaats van het Departement van deRhoneen het verblijf van dePrefectureenTribunal d’Appél; men begroot het getal der inwoners, naar men mij verzekerde, nog heden op omtrent 120,000.Lyonwordt op 100Franschemijlen afstands vanParijsgerekend, doch overDyonis het verder; zij is omtrent 40 van deze laatstgenoemde plaats gelegen, en 48 vanAvignonDe hoofdstad niet zijnde, noemen deLyonnezenhun stad egter de tweede vanFrankrijk; want zij worden voor zeer hoogmoedig en eigenbelangzoekend (egoistisch) gehouden; zoodatLyonvoor hun schier alles, en het heeläl bijna niets is; dezen karaktertrek schrijf ik al weder toe aan de hooge Geestelijkheid van die stad; want deze door hunnen alles vermogenden invloed gaf toch den voornaamsten plooi aan ’s volks denk- en handelwijze; oordeel of het ook groote sinjeurs moeten geweest zijn; vanden Aartsbisschop af, tot den laatsten Kanunnik van het Domkapittel toe, noemden zij zichComte de Lyon; het waren alle Prinsen en Graven, zij moesten 16 kwartieren, zoo van ’s vaders als van ’s moeders zijde in hun wapen voeren, en de Koning vanFrankrijkwas hun eerste Kanunnik. Deze geestelijke Graven, die zich de navolgers van den nederigenChristusnoemden, waren zoo verregaande opgeblazen, dat zij zich met de Godheid, dien zij erkenden, schenen gelijk te willen stellen: want zij knielden niet in tegenwoordigheid van de Hostie. Dit hadden zij zelfs tegens deSorbonne5volgehouden, tot dat, naar men zegt,Lodewijkde XIV. zich eens onder hun in deSt. JansofDomkerkbevindende, goedvond om te knielen; nu konden zij welstaanshalve toch ook niet anders doen, zij knielden dan, maar voor wien, voor God of voor den Koning?—Ik wenschte, dat zoo vele brave en achtingswaardige Roomschgezinden, met alle diergelijke schandelijke zaken, waar door men den godsdienst ontluisterd, wat meêr bekend waren. De geschiedenis doet ons egter ook een’ Aartsbisschop vanLyon, die in het laatst van de afgelopen eeuw geleefd heeft, als een’ achtingwaardig man, kennen, voornamelijk om de vriendschap tusschen hem enden vermaarden wijsgeer en schrijverThomas6, die teLyonin de armen van dien Aartsbisschop, genaamdMontaset, gestorven, en op deszelfs landgoed, even buiten de stad, begraven is; waar de redelijkeMontasetzijn overleden vriend dan ook een graftombe oprigtte, die hij door zijn tranen aan de vriendschap heiligde.Onder verscheidene vermaarde mannen, konstenaars en geleerden, werd ookPierre Perrin, stichter van deFransche Opera, en dus voor deFranschenwel een groot man, hier geboren: hij voerde den titel vanAbbé, Conseiller du Roienz. en werd het eerste bevoorregt met het Koninklijk verlof (lettres patentes) om de Koninklijke Muzijk-Akademie opteregten, in 1669. De eerste Opera, die hij in ’t openbaar gaf, (teParijsin 1671) wasPomonegenaamd. Hoewel de versen, vanPerrinzijn eigen maaksel, zeer slecht waren, werd het stuk toch zeer toegejuicht en acht maanden agter elkanderen gespeeld, zoo dat deze Opera, hem alleen voor zijn aandeel 30,000 Livres opbragt; doch zoo als het gemeenelijk gaat, de voorspoed werd door de afgunst gevolgd, enPerrinwas al schielijk verpligtom zijn voorregt tegen een sommetje aftestaan; zijn geluk was dan van korten duur, en hij stierf teParijsomtrent het jaar 1680. De beeldhouwersCoysevoxen de tweeCoustou’s, zijn ook vanLyon, als medeJoseph Vivieneen van de uitvinders van het teekenen met pastel. Op de geboorte vanCaracallaheeft de stadLyongeen reden om roem te dragen—en hoe zeldzaam had het menschdom reden, om de geboorte van een’ Keizer of Koning te zegenen!—Onder verscheidene Kerkvergaderingen (Conciliën) die hier gehouden werden, zijn die van 1245 en 1274 vermaard, de eerstgenoemde niet alleen, omdat bij hetzelve besloten werd, dat de Kardinalen voortaan roode hoeden zouden dragen; maar bijzonder ook omdat KeizerFrederikde IIde, in den ban gedaan, en van het Keizerrijk ontzet werd door PausInnocentiusden IV.; de andere door de geloofspunten, die daar verhandeld werden, was de voorname oorzaak van de scheuring der kerk, door de afzondering derGrieken—maar ik houde mij op, met u dingen te vertellen, die gij misschien lang weet, in plaats van naar bed te gaan, wijl ik ’er morgen vroegtijdig uit moet.1Dat stuk is daar in een korten tijd ver over de honderd malen gespeeld; want een groot gedeelte van deParijzenaarsliep ’er naar toe.2’t Is te verwonderen, dat men aan merkwaardige overblijfsels, zulk een kleinachting aanduidenden naam heeft gegeven; wantAntiquaillebeteekent oude prullen.3De teekening is nog al tamelijk, behalven het opgenoemde, was ’er ook nog de afbeelding van een mensch bij; de Engel en Duivel schenen zich met hem bezig te houden. Misschien verbeeldt het een mensch in de eerste tijden van het Christendom, die door den Duivel tot den Afgodendienst verleid wordt, terwijl een Engel ’er hem van terug houdt.4Het aanroepen van deze Lieve Vrouw, als men zich in nood bevond, scheen hier al vrij algemeen, doch ieder was juist niet even naauw gezet in het nakomen van zijne gelofte. Men verhaalde mij ten dezen opzigte een geval, dat mij deed lagchen; eenige jaren geleden was een schippers knecht van de schuit in deRhonegevallen, en deed volgens gebruik eene gelofte aan de Lieve Vrouw vanFourvières, doch de redding volgde niet spoedig; en, of door den sterken stroom of anderzins niet kunnende zwemmen, begon hij reeds te zinken, toen zijn schipper hem met een haak vastkreeg en ’er uithaalde. Vervolgens zijne gelofte vergetende, werd hij daar aan door zijn’ Biegtvader herinnerd, doch ontschuldigde zich met te zeggen: “Zij heeft geen haast gemaakt, om mij te helpen, ik behoef ook geen haast te maaken om te betalen, want kijk, Mijn Heer Pastoor! als onze schipper niet beterbij de hand geweest was dan onze Lieve Vrouw, ik had ’er bij mijn .... om koud geweest.”5DeDoctorenvan dit vermaardekollegie; dat doorRobert de Sorbon, Hofprediker en Biegtvader vanSt. Louïs, in 1252 gesticht werd, waren inFrankrijkde gewone regters inTheologischegeschillen van aanbelang.6Bekend door zijne welsprekende en wijsgeerige geschriften, zoo als zijne lofspraken (eloges) vanMarcus Aurelius, vanSully, vanDescartesenz. hij legt daar in zijne vrije en onbevooroordeelde denkbeelden duidelijk aan den dag.Thomaswas ook een bijzonder vriend van MevrouwNecker.

Zesde Brief.Lyon, 1Augustus.Toen ik gisteren een’ brief aan u afzond, was mijn oogmerk niet om u van hier meêr te schrijven, doch de aanhoudende en zware regen noodzaakt mij weder, om t’huis te blijven, en wat heb ik dan beter te doen, dan mij met u te onderhouden.Den 26 Julij bezocht ik het groote Gasthuis, waarik reeds melding van maakte. Men wil, dat hetzelve door KoningChildebert, omtrent de helft van de 6de Eeuw, gesticht is. Het nieuwe gebouw is naar de teekening van den BouwmeesterSoufflot, 30 à 35 jaren geleden, gemaakt. Wij vonden een man aan den ingang, die zich aanbood om ons rond te leiden, en bezochten het gansche gebouw, dat zeer groot is, van onderen tot boven, beginnende met de Apotheek, de Regenten-Kamers, de onderscheidene Zalen der zieken, het Linnen-Magazijn, tot op de kleêrzolder toe. Overal vonden wij Gasthuis-Nonnen of Zusters, bezig met de zieken op te passen, de geneesmiddelen, onder opzigt van den Apotheker echter, te bereiden, het linnengoed te herstellen en te bezorgen enz. Ieder heeft zijn werk, zelfs in de kamer, waar de Ontleedkundige Operatien geschieden, vonden wij eene Non, die een zeer geschikt en gnap mensch scheen; zij toonde ons een menigte ontleedkundige werktuigen, onder anderen een tafel met deszelfs toebehooren, waarop het steensnijden en diergelijke verschrikkelijke kunstbewerkingen geschieden. De post van dit goede mensch was, om diergelijke lijders te helpen en te ondersteunen, de werktuigen rein te houden, voor het geen tot de verbinding noodig is te zorgen enz. Mijne verwondering betuigende over den moed, dien zij bezat, om deze ellende aanhoudend bij te wonen, antwoordde zij, dat men aanvankelijk zeer veel lijdt, doch dat bezef van pligt en de gewoonte haar die taak thans dragelijk maakten. Ik onderhield mij methaar over meêr andere dingen, deze inrigting betreffende, en zij beantwoordde alle mijne vragen op eene vriendelijke en voldoende wijze. De fraaije zalen, waar de zieken (thans waren ’er over de 1000) liggen, of hun verblijf houden, zijn ruim en luchtig; uit die langs den waterkant, waar van gij de vengsters op de afteekening ziet, heeft men een zeer aangenaam gezigt. De trotsche en ook van binnen schoon gewerkte koepel, behoort tot de groote zaal; onder dezelve staat een fraai en tevens eenvoudig altaar op een verheven voetstuk, zoo dat de zieken uit hunne bedden, die van ijzer zijn, om ’er het ongedierte uittehouden, en welke aan rijen staan, hetzelve kunnen zien; dagelijks wordt hier de mis gelezen. In deze zaal zag ik ook aan het gewelf eene opgevulde krokodil hangen; onze geleider verzekerde, dat dit dier lange jaren geleden, in deRhone, digt bij de steenen brug gevangen werd, en wel door een persoon, die ter dood veroordeeld was, en om deze daad vergiffenis bekomen had. Het dier had al veel vee en zelfs kinderen verslonden. Dit vertelsel schijnt hier onder het volk vrij algemeen geloofd te worden; doch wij weten, dat dit in ’t geheel geen bewijs is van echtheid. Beneden is ook een plaats, waar eenige zinneloozen bewaard worden; onze geleider wilde ons dezelve doen zien, doch de Non, die daar op paste, weigerde het; en ik vond, dat zij gelijk had; men moet die ongelukkigen, die veeltijds aanleiding tot spotternij geven, niet aan de algemeene nieuwsgierigheidblootstellen. In een gang vond ik op verscheidene tafelen, die daar tegen den muur waren gesteld, de namen van de personen, die aanzienelijke geschenken aan dit gebouw hebben gegeven.—Was hoogmoed of menschlievendheid de beweegoorzaak van deze geschenken?—misschien beiden.—Hoe het zij, zij hebben welgedaan, en wij moeten diergelijke daden dan ook zoo naauw niet uitpluizen. In de keuken waren verscheidene Nonnen ook drok aan het werk; hare spijszaal is hier naast; zij eten gezonde kost, en moeten braaf werken, ook zien zij ’er, niettegenstaande haren aanhoudenden omgang met zieken, over het algemeen, gezond uit. Ik zag ’er, die mooi waren, onder anderen eene, die bezig was met eene bleke en uitgeteerde zieke te helpen; deze was nog jong en inderdaad schoon; dit leverde eene zonderlinge tegenstrijdigheid op. In ’t geheel zijn ’er in dit huis 150 zulke Nonnen, zij zijn in ’t zwart gekleed, en hebben witte Nonnenkappen op; doch zij doen geen geloften, waar door zij voor altijd verbonden zijn; en wanneer de liefde bij de barmhartigheid komt, kunnen zij zich in het huwelijk begeven. Deze Nonnen of Zusters bewijzen alzoo de Maatschappij een wezenlijken dienst, en men kan haar dus niet anders dan als achtingwaardige leden van dezelve beschouwen. Bij het uitgaan gaven wij wat voor het huis, een Non ontving het op een zilveren schotel. Dit herinnerde mij aan de zilvere schalen, waarin men in veleHollandschesteden de aalmoezen opzamelt; het was gevoegelijker, dunkt mij, dat men daar een houtenbak toe gebruikte. De Kerk van dit Gasthuis is fraai en net; ook schijnt ’er over het geheel een goed bestuur plaats te hebben; alles is zindelijk en wel onderhouden; maar het geen mij niet beviel, was dat ’er slechts een plaats en geen tuin bij is, dat ’er een vleeschhal en slagterij is, onder den eenen vleugel, namenlijk een der stads hallen en slagterijen, het geen stank veroorzaakt; dat de zieken in algemeene zalen en niet meer afzonderlijk liggen, en eindelijk dat het gebouw te prachtig is voor een Gasthuis. Ik had liever een eenvoudiger huis op het land gehad, en de kosten die daar door uitgespaard werden, besteed om de zieken door tuinen, afzonderlijke kamers enz. het verblijf der ellende, zoo min mogelijk, onaangenaam te maken. Behalve dit Gasthuis, is ’er nog een ander nuttig gesticht in deze stad, datla Charitégenaamd wordt, mede aan deRhoneverder op, voorbij de steenen brug gelegen. Het is zeer groot, en vereenigt in zich een Weeshuis, oude Mannen- en Vrouwen-huis enz. In de Kerk, die zeer net is, ziet men eenige graftombes van de stigters of bestuurders van dit uitgestrekt gebouw. De toren van die Kerk wordt door bouwkundigen, als een konststuk bewonderd. Diergelijke gestichten zijn in een stad, alsLyon, inzonderheid noodzakelijk, om het groot aantal werklieden in zijden stoffen en diergelijke Fabrieken, welker getal voor de omwenteling op omtrent 30,000 begroot werd. De bevolking der gantsche stad schatte men toen op 120,000.Na den middag deed ik eene wandeling door de stad,en ging ’s avonds in de Schouwspelzaal, op de plaatsdes Celestins,Théatre des Varietés; de zaal endecoratienzijn niet onaardig; doch het overige beteekende niet veel; men gaf ’er de eerste vertooning vanle petit Poucet(klein duimpje), dat men teParijsop een van de Theaters van deBoulevardsook vertoont1. Het was ’er zeer vol; in hetParterre, waar men altijd staat, betaalt men maar elf stuivers.Den 27 Julij het drooge weder waarnemende, klommen wij op den BergSt. Just, en bezochten aldaar het gebouw, dat zich boven een der torens van die Kerk vertoont, en om de oudheden die het bevat,l’Hospice de l’Antiquaille, zoo als men ook boven den ingang leest2, genaamd wordt. SommigeRomeinscheKeizers bewoonden het Paleis, dat hier stond, als zij teLyonwaren, en hunne Gouverneurs hielden ’er hun verblijf. Men gelooft algemeen datLucius Munatius Plancus, die Consul was gelijktijdig metÆmilius Lepidusen een der Luitenants of Stedehouders vanCæsar, de stichter is vanLyon; het jaar vanRome712, endus ten naastenbij 40 jaren voor de Christelijke Jaartelling. Waarschijnlijk heeft men op dezen berg beginnen te bouwen; naauwelijks was ’er een eeuw verlopen, of de gansche stad brandde in eenen nacht af, en werd doorNeroweder opgebouwd. Men ziet in hetHospice de l’Antiquailleeenige oude opschriften, en in een onderaardsch gewelf, toont men een soort van nis in de muur, waarin men verzekert, datSt. Photin, die metIrenéushier het Christelijk geloof kwam prediken, levendig is ingemetseld geworden, men leest dan ook boven die nis:St. Photina fini son martyre dans ce lieu, agé de 90 ans sous l’EmpereurMarc Aurelle179. DeezeSt. Photin, zegt men, dat de eerste Bisschop vanLyonwas; 47 andere werden, volgens overlevering, met hem, hier gemarteld; men toont ook de steenen palen, waar zij aan gebonden of geketend zouden geweest zijn. De Nonnen, die dit gebouw voor de omwenteling bewoonden, gebruikten dit gewelf ook voor hare begraafplaats. In een soort van ovens zag ik nog verscheidene doodshoofden en beenderen. Uit een der kamers van dit gebouw heeft men een zeer uitgestrekt en allerschoonst gezigt. Van daar werd hetPanoramavanLyongeteekend. Men ziet uit dit gebouw, het grootste gedeelte van de stad, deSaone, deRhoneen over dezelve, en over een uitgestrekt landschap, deAlpen, deMont-Blanc, de top van deMont St. Bernardenz. Het was zeer helder weder, zoo dat wij het gelukkig troffen. Thans dient het gebouw, datvrij groot is, tot een gevangenis voor vagabonden, bedelaars, ligte vrouwlieden, namelijk die, welke tot de klasse van het zoogenaamde gemeene volk behooren, wantgalante Dames du bon tonzet men ’er niet. Men bewaart ’er ook eenige zinnelozen. ’Er is een Kerk bij, en hier staat een’ offerbus, waar men wat in steekt, ter eere vanSt. Photin. Wij gaven ook wat voor het huis. Niet ver van hier, omtrent voor het voormalig Klooster derMinimen, is eene plaats, die men de plaats der martelaren (la place des Martyrs) noemt; om dat hier ook een menigte Christenen zoude gemarteld geweest zijn. Men toont ’er ook nog een’ grooten steen, zonder eenig opschrift echter, waarop men wil dat zij geslagt wierden, en die men als een achtingwaardig gedenkteeken beschouwt. Wat hier ook van wezen moge, het blijkt uit de Geschiedenis, dat de vervolging der eerste Christenen, vooral onderSeptimus Sevérus, hier allerverschrikkelijkst geweest is. Achter dit gewezenMinime-Klooster, ziet men nog de geringe overblijfsels van een’RomeinschenSchouwburg. Tot de trotsche gebouwen, die deRomeinenhier gesticht hebben, behooren ook de kostbare steenen waterleidingen (aquaducs), die eene uitgestrektheid van verscheidene mijlen schijnen gehad te hebben; hier en daar ziet men ’er nog overblijfsels van. Men toonde ons een van de plaatsen (reservoirs) waar dit water verzameld werd in een wijngaard, voorheen behoord hebbende aan het Klooster derUrselinen. Het iseen diepe kelder, waar men, van kaarsen of fakkels voorzien, door middel van verscheidene steenen trappen in gaat. Het gewelf is ruim, en rust op verscheidene bogen. De soort van kalk, waar de muren mede gepleisterd zijn, is bijzonder hard, zoo dat men moeite heeft om ’er stukken afteslaan. Men wijst ook in den muur de gaten of pijpen aan, waardoor men meent dat het water ingelaten werd. Het schijnt, naar het metzelwerk te oordeelen, dat die plaats aanvankelijk niet overdekt is geweest; maar dat het gewelf ’er naderhand is opgemaakt. Deze kelder is hier bekend onder den naam vanles bains des Empereurs, ofles bains des Romains. Sommige Geschiedschrijvers noemen dezelvela grotte Berelle. Thans behoort dit Klooster, en aangelegen erven, aan iemand, die ’er zinneloze menschen, tegen betaling, in den kost neemt. De man, die den kelder laat zien, woont hier digt bij, en men geeft hem daar iets voor. Een weinig verder in een anderen tuin, ziet men een kelder veel minder diep danla grotte Berelle; zo dat men ’er door het daglicht duidelijk in zien kan. De grond is hier met kleine steentjes van onderscheidene kleuren als een schilderij ingeleid (en Mosaïque). Men zegt, dat dit ook behoort tot het werk van deRomeinen, doch ik zag ’er twee gedaantens in, die veel overeenkomst hadden met de afbeeldingen van Engelen en Duivelen; evenwel stond ’er nog ook een soort van Afgodsbeeld bij; zij die kundiger zijn in de oudheden dan ik, mogen beslissen wat hetis3. Ik zag hier ook eenige pilaren, en een soort van altaar van hout, dat geschilderd was; en vernam, dat dit aan de Vrijmetselaars, die hier omstreeks hunne vergadering houden, en somtijds van dezen kelder gebruik maken, behoorde. Wij gingen van daar naar de Kapel van Onze Lieve Vrouw vanFourvières, voorheen, en nog onder de geloovigen vermaard, door hare menigvuldigeex voto’s, geloften aan de Lieve Vrouw, of haar beeld, dat hier bewaard werd. Die Kapel ligt op het hoogste gedeelte van den berg. Een vrouw had die na de omwenteling gekocht, en meende ’er haar rekening bij te vinden, door ’er missen te laten lezen, enz. doch het is haar verboden; en men verhaalde mij, dat zij hier over met het Stadsbestuur in proçes was. Wij klommen op het torentje van deze Kapel, van waar wij ook een overheerlijk gezigt hadden, en veel uitgestrekter nog, dan uitl’Hospice de l’Antiquaille. Men ziet hier bijna over al de nabij gelegen bergen heen; de stad en derzelver omstreken, de loop van deRhoneen deSaoneen hunne vereeniging heeft men als een Landkaart voor zich,duidelijk zag ik de witte toppen derAlpen, en kon mij naauwelijks van zien verzadigen. In de Kapel is niet veel anders te kijken dan een groote menigte kleine, meestal ellendig gekladde schilderijtjes, verbeeldende mirakuleuse reddingen, door de Lieve Vrouw, van menschen, die in nood zijnde, ’t zij door ziekte, schipbreuk, in ’t water liggende of anderzins, een gelofte aan haar gedaan hebben; onder anderen was ’er een bij van een deserteur, die de wacht, die hem na zat, ontkomen was; zoo dat de Lieve Vrouw ook de desertie, die toch overal als een strafwaardige misdaad wordt beschouwd, scheen te bevorderen4. De rest is niet waard, dat menzich ’er zich een oogenblik om ophoudt, wanneer men niet tot de geloovigen behoort.Na den middag wandelde ik langs deQuai du Rhone; ’er was veel volk op die wandeling, maar ik zag weinig schoone vrouwen onder de zoogenaamde fatsoenelijke lieden, die zich hier, even als in deTuillerienteParijs, laten kijken. Onder de klasse, die men gemeene lieden noemt, ziet men hier een aantal kreupelen en mismaakten; dit vindt men doorgaans in plaatsen, waar vele weverijen en spinnerijen zijn. Buiten deBarrièrelangs deRhone, naar den kant, daar zij van daan komt, is ook een aangename wandeling. Van sommige huizen, die hier tegen de bergen staan, gaat men uit een van de dakvengsters in den tuin.In deze stad zijn, even eens als inBrabantenVlaanderen, veel Bierhuizen, en het is ’er ’s avonds vol volk. Het bier vanLyonis beroemd, naar mijn’ smaak is het te sterk gehopt.Den 28 Julij regende het zoo sterk, dat ik weinig kon wandelen; de twee rivieren waren dezen nacht aanmerkelijk gewassen, en de stroom van deRhonewas ongemeen snel. Die rivier maakt door de sterke drift en de rotsen, welke onder water staan, hier en daar eene soort van draaikolkjes. Het water dezer twee rivieren is, tegenwoordig vooral, zeer onderscheiden van kleur; dat van deRhoneisgeelachtig grijs, en dat van deSaoneis groenachtig.De gewone schuit van hier naarAvignon(Coche d’Eau) meende men dan ook, dat morgen niet zou kunnen varen, want men hield de vaart op deRhonethans voor min of meer gevaarlijk. Een slecht vooruitzigt voor ons, die met dat vaartuig binnen eenige dagen dachten te vertrekken.Tegen den middag hield het een weinig op met regenen, en ik ging wandelen.La place des Terreauxis een fraai vierkant plein; op dezelve staat het Stadhuis, de voormalige Abdij van St. Pieter, en aan den anderen kant over dezelve, verscheidene fraaije Koffijhuizen; men vindt daar allerlei ververschingen voor een redelijken prijs; het ijs (les glaces) is ’er zeer goed, en veel goedkooper dan teParijs. De levensmiddelen schijnen hier over het algemeen niet duur te zijn; het vleesch is ’er goed, men heeft ’er overvloed van groentens; de riviervisch schijnt ’er ook niet schaars; en de Spekslagerswaren, vooral de worsten (les saucissons) vanLyon, zijn beroemd.—ZwitserschenGeneefschgeld is hier ook gangbaar.Het Stadhuis is een fraai gebouw; die vanLyonhouden het voor een van de schoonste Stadhuizen vanEuropa, maar het lijkt nietmetal naar dat vanAmsterdam; in den gevel (la facade) van hetzelve, ziet men nog de beelden der Vrijheid en Gelijkheid. In het portaal zijn twee fraaije liggende metalen beelden, meêr dan levensgrootte; het eene een manen het andere een vrouw, verbeeldende deRhoneen deSaone. Voor de omwenteling stonden zij op de plaatsBelle-cour. In dit portaal, waar men ze aan beide kanten geplaatst heeft, zijn zij veel te groot;Coustouis ’er de maker van. De oude metalen tafel, waar op de aanspraak gegraveerd was, die de KeizerClaudiustoen hij nogCensorwas aan den Senaat vanRometen voordeele van die vanLyondeed, en die men ook voor de omwenteling in dit voorhuis zag, is eenigen tijd na dezelve, toen het geschut voor het Stadhuis geplant was en ’er verscheidene kogels in geschoten werden, genoegzaam geheel vernield; en men ziet die thans niet meêr. DeLyonnezenbetreuren zeer het gemis van die tafel, en in der daad het was een zeer merkwaardig stuk. De groote zaal boven dat portaal, brandde omtrent twee jaren geleden, bij gelegentheid eener Illuminatie, geheel uit.De voormalige Abdij vanSt. Pieteris een groot en trotsch gebouw, hebbende eene groote plaats in het midden en rondom dezelve, op de eerste verdieping eene fraaije galerij. Thans schijnen de vertrekken aan bijzondere personen verhuurd te worden; eene zeer ruime zaal beneden, en die ik meen dat voorheen voor een spijszaal diende, wordt thans door de Kooplieden en Fabrikeurs tot een beurs gebruikt; men ziet rondom in dezelve eenig pleister-beeldwerken bas-relief.Deze plaatsdes Terreauxwas ook de martelplaats van eene menigte Protestanten omtrent het middenvan de 16de eeuw; onder anderen werd hier eene ruim bemiddelde jonge dochterde Cagnongenaamd verbrand; zij was gewoon, om de armen vanLyon, hoewel grootendeels van haar in godsdienstige gevoelens verschillende, rijkelijk te bedeelen; deze riepen weenende, toen men hunne weldoenster naar den brandstapel sleepte. “Helaas! wij zullen geen aalmoezen meer van u ontvangen;” waarop de ongelukkigede Cagnonde fluweelen muilen, die men haar nog gelaten had, van hare voeten nam, en die den armen toewierp, zeggende: “Ja, gij zult ’er nog ontvangen;” en men had geen moeds genoeg om deze ongelukkige aan de klaauwen van hare beulen te ontrukken.—Christenen, of liever zij, die ’er den naam van droegen, die hier zelve verscheidene eeuwen geleden door deRomeinenzoo wreed vervolgd waren geweest, en deze vervolging met regt als een gruweldaad beschouwden, deze zeg ik, vervolgden en martelden hier thans hunne Medeburgers en Medechristenen.Lyonwas ook een der voornaamste steden in het navolgen van den afgrijsselijkenSt. Bartelmoord. De slagting was hier toen ook allerverschrikkelijkst, zoo als gij weet; maar gij weet misschien niet, dat de scherprechter deugd en moed genoeg bezat om de uitvoering van de bevelen der drie voorname hoofden van hetLyonschemoordrot, te weigeren, zeggende: “Mijn ongelukkige post veroordeelt mij, om het werktuig van het geregt te zijn, maar niet dat van moordenaars.”—Thans, daar de rede en verlichtingeenigzins over het bijgeloof zegepraalt, behoorde men dien scherprechter, hoe zeer zijn naam misschien reeds in vergetelheid is geraakt, een Gedenkteeken op te rigten, en de koninklijke en geestelijke monsters, aanstookers, of uitvoerders van dien moord, in de verachtelijkste houding aan zijne voeten te plaatsen. Met genoegen vindt men ook aangeteekend, dat de krijgsbende, toen ter tijd in de Citadel vanLyonliggende, weigerde om in de gruwelen te deelen, en dat zelfs bijna het geheele volk die met verontwaardiging afkeurde, zoo dat zonder eene bende stadssoldaten, die slecht genoeg waren om zich voor veel geld te laten omkoopen, de Protestanten misschien behouden zouden zijn geweest.Den 29 Julij, alweder aanhoudende regen—met smart zag ik in de nieuwspapieren, dat het rijpe koorn begon te schieten, en niet kon ingehaald worden; de druiven meende men, dat door dit koude en natte weder ook veel zouden lijden. Het was Zondag, ik ging dan eenige Kerken zien; na de omwenteling zijn ’er hier ook verscheide, zoo wel als Kloosters, gesloopt; uit andere, die men toen voor magazijnen enz. gebruikte, zijn de sieraden weg genomen, doch die, welke voorheen aan de Jesuiten behoorde, en een zeer fraai en prachtig gebouw is, heeft men onder anderen laten staan. Deze Kerk is van binnen met marmer van onderscheide kleuren rijkelijk versierd, en verdient wel gezien te worden: de aanzienelijke boekerij voorheen aan dit Kollegie behoord hebbende, is achter deze Kerk in eene schoone zaal,langs de kaai van deRhone; thans behoort zij aan de stad, en dient tot algemeen gebruik. Van hier ging ik naar de Kerk van de voormalige Abdijd’AinaiofSt. Martin d’Ainai, en zag daar vier zware kolommen van Granit van een donker grijze kleur; thans dienen zij om een gedeelte van dit gebouw te onderschragen. Voorheen, maakte de vier ’er maar twee uit, en behoorden toen tot den Tempel vanAugustus, die niet ver van hier op de punt van het schiereiland, waar een groot deel vanLyonop gebouwd is, moet gestaan hebben, zij bereikten toen eene aanmerkelijke hoogte, en men heeft de barbaarschheid gehad, van die schoone en kostbare stukken door te zagen, om ze in deze Kerk te gebruiken; het is duidelijk te zien aan de einden van twee dezer halve kolommen, waarmede men die op de voetstukken geplaatst heeft, dat het de bovenste helften zijn der anderen. Aan beide zijden van het groot Altaar op de grafzerken, zag ik ook nog overblijfzels vanMosaïken, in den smaak van die, welke ik op den berg vanSt. Justgezien had: men verhaalde mij, dat deze behoord hadden tot de Graftombe van PausPaschalden II. Het was deze Paus, die den zoon van KeizerHendrikden IV. gebood om het lijk van zijn vader optegraven, en het op het veld te werpen, om ’er vijf jaren onbegraven te blijven liggen. Dat een Paus deze afschuwelijke daad bevolen heeft, is niet te verwonderen; maar dat de zoon gehoorzaamde—welk een gruwel!!—Paschal, die men wil, dat dezeKerk gewijd heeft, stierf in 1117. Men liet mij ook in het Sacristy een’ kelder zien, waarin een heilige zou gemarteld geweest zijn: de Kosterin, die de vriendelijkheid had, van mij dit alles te laten zien, scheen een goed snapachtig wijf, en hield mij voor zeer geloovig; waarschijnelijk, omdat ik haar met eenige belangneming het een en ander ondervroeg. Zij vertelde mij dan verscheide sprookjes van wonderwerken, die ook, gedurende de belegering, zouden voorgevallen zijn: onder anderen, dat zij een lieve vrouwebeeldje te dier tijd in een houten toren verborgen had, en deze toren was, niettegenstaande de kogels en bommen ’er rondom vlogen, onbeschadigd gebleven. Zij schimpte en schrolde ook dapper op de Jakobijnen en de Filosofen, zoo wel als op den nieuwen Keizer. DeLyonnezenzijn grootendeels Konings of lieverBourbonsgezind, gelijk zij in het begin van de omwenteling, helaas! maar al te duidelijk getoond hebben, en als een gevolg hier van ook zeer gehecht aan de Kerk, zoo als die voorheen bestond; alle de onlangs gemaakte veranderingen, beschouwen zij dan natuurlijkerwijze als onwettig, en de Paus door de omstandigheden genoodzaakt, om ’er in toetestemmen. De reden der bijzondere gehechtheid dezer stad aan het Hof, de Adel en de Geestelijken, schrijft men voornamelijk toe aan het belang, dat zij had, bij het in stand houden der pracht, weelde en verkwisting. Aan wie toch zouden zij hunne kostbareLyonsestoffen, borduurselen en diergelijke verkocht hebben, als de eerstegrondbeginselen van de omwenteling stand hadden gehouden.—Nu daaromtrent valt het hun tegenwoordig dan ook nog al in de hand. Zonderling is het intusschen, dat de bewoners van de oude stad op den berg vanSt. JustenFourviéresmeestal Republikeinen waren, hoewel grootendeels werklieden tot de Fabrieken behoorende. Zou het niet mogelijk zijn, dat die lieden op de puinhoopen derRomeinscheoudheden wonende, eenigzins met de Geschiedenis dier Volken waren bekend geraakt, en tevens hunne verhevene gevoelens en edelen trek na vrijheid hadden ingezogen. Sommigen meenen dat de reden, waarom die vanLyonzich zoo sterk tegen de omwenteling toonden, ook moet toegeschreven worden aan een zekere jaloersheid, die ’er tusschen deze stad enParijs, als de twee grootste en voornaamste steden vanFrankrijk, plaats greep, en al van ouden datum bestond.Parijsvoor de Hoofdstad te moeten erkennen, kwetste de eerzucht vanLyon, enParijshad de omwenteling begonnen, en speelde ’er de hoofdrol in. Zoo moest dan deze ongelukkige stad, die reeds in onderscheide tijdvakken, de allerakeligste moord- en bloedtooneelen had opgeleverd, nog eens eenen rampzaligen burgeroorlog, en de betreurenswaardige gevolgen van dien, ondervinden. Met aandoening hoorde ik dikwijls verscheide omstandigheden dien aangaande vertellen; deLyonnezenschenen mij genegen, om hier over met vreemdelingen te spreken, en geen wonder, dat men diergelijke tijdvakken niet ligt vergeet; daarbij vindt men hierschier overal gedenkteekenen, die ’er aan herinneren. Men verzekerde mij, dat deze noodlottige gebeurtenis, omtrent 20,000 menschen aan de stadLyongekost heeft; het getal komt mij wat groot voor. Zonderling is het ondertusschen, dat de GeneraalPrescis, Kommandant der stad, met zijne Officieren gelegenheid gevonden heeft, om zich door de vlucht te redden, en de straf te ontgaan, terwijl eene menigte jonge lieden en burgers vanLyon, door hem misschien opgezet en zekerlijk misleid, (want anders zouden zij niet vermetel genoeg geweest zijn, om eene stad, die geheel buiten staat was, om eene belegering uittehouden, tegen eene magtige Armée te willen verdedigen) terwijl, zeg ik, deze in de stad bleven, en door de belegeraars als muitelingen, misschien op eene te strenge, of te algemeene wijze, werden gestraft.—Men schijnt, ten opzigte van dezenPrescisverscheide ongunstige vermoedens te voeden; doch het is buiten mijn bestek, om hier verder in te treden.Den 30 Julij, hoewel het al weder onophoudelijk regende, ging ik al vroegtijdig uit; het was zoo guur, als bij ons in de maand October. De kaai opgaande, langs deSaone, klom ik ’er tegen over de rots, daar het KasteelPierre en Cizeop plagt te staan, de hoogte op. Hier ziet men de overblijfsels van de oude Vestingwerken, die ten tijde van de belegering veel verwoest, en vervolgens grootendeels gesloopt zijn geworden; het ruwe en stormachtige weder gaf aan die puinhoopen een nog treurigeraanzien—men ziet hier stukken van muren van eene ontzaggelijke dikte, en zeer ruime onderaardsche gewelven; sommige bestaan bijna nog in hun geheel, en zijn zoo groot, dat het wel Kerken gelijken. Het FortSt. Jeanstond voorheen op deze hoogte, en moet, naar de puinhoopen, die men ’er nog van ziet, te oordeelen, eene aanmerkelijke sterkte geweest zijn—welligt had deze plaats aan een’ schrijver van oude ridder- en spookromans, aanleiding gegeven tot sombere en verschrikkelijke invallen—en ik onder een brok van een ouden muur een weinig voor den regen schuilende, en dien boêl overziende, dacht aan de ellendige inrichting der menschelijke maatschappij waartoe deze vreesselijke muren, met zoo veel moeite en kosten opgerigt?—dienden zij ter beschutting tegen een’ vernielenden watervloed, of om de woede van uitgehongerde roofdieren aftekeeren—neen! maar alleen, om menschen tegen menschen te beveiligen.—Hier en daar heeft men een schoon en uitgestrekt gezigt. Wat verder komende, zag ik, dat men bezig was met den muur van de stad, doch ook alleen maar een’ enkelen muur, weder op te bouwen. Zoo maken en breken de menschen aanhoudend. Ja! wat hebben wij sedert 18 a 19 jaren niet al zien maken en breken, opbouwen en verwoesten. Men bediende zig tot het opmetselen van dien muur, onder anderen van een’ roodachtigen steen, die scheen zamengesteld te zijn uit een menigte kleine keitjes.Mij dunkt, dat dezelve gepolijst zijnde, fraai moet wezen; bij ons zou men daar wel gebruik van weten te maken, doch hier is het marmer en diergelijke steenen verkrijgbaar genoeg. Zelfs niet ver van deze stad vindt men aanmerkelijke steengroeven. Onzen weg vervolgende, zagen wij de Kerk van het voormaligKarthuizerKlooster, ook op deze hoogte gelegen; de Kerk is fraai met smaak gebouwd, en wordt thans voor eenParochiegebruikt; zij schijnt van binnen ook gewit en opgemaakt. Het groot Altaar in het midden van het koor, is van marmer van onderscheide kleuren zeer fraai gemaakt; boven hetzelve is een konstig gewerkt geheel verguld verhemelte (baldachin), rustende op marmeren kolommen—ik zag ’er ook eenige redelijk goede schilderijen vanFranscheMeesters. Deze Kerk pronkt met een’ fraaijen koepel, en is zeer licht. Ik beklaagde mij niet van deze wandeling gedaan te hebben, hoewel ik door nat was.In het voorbijgaan vernam ik aan het Bureau van de schuit opAvignon, dat dezelve, om den aanhoudenden sterken stroom en het hooge water, zoo als men wel gevreesd had, niet had kunnen varen, en waarschijnelijk in de eerste dagen nog niet varen zou—ik wilde toch zoo gaarne de reis te water doen, hoe vreesselijk men die hier ook afschildert. ’s Avonds, door den regen niets beters te doen wetende, ging ik in hetTheatre des Varietés, en zag ’erles brigand de Calabrie, ook ik ’tHollandsch, onder den naam van: de Struikrovers vanCalabrienvertaald,en na hetzelvePalmire et Alminor, getrokken uit de geschiedenis van den Verloren Zoon; beide zijn Melodramas, dat is te zeggen, Toneelspelen, met muzijk verzeld, doorgaans speelt het orchest, als de voorname personen opkomen of afgaan. Deze soort van stukken is gemeenelijk opgesierd met marschen, balletten, gevechten en veel théatralen toestel. Zij worden inFrankrijkniet op tooneelen van den eersten rang gespeeld, en door velen als onregelmatig en in een slechten smaak (d’un mauvais genre) afgekeurd; doch ik beken gaarne, dat ik ’er verscheide gezien heb, die mij veel meêr bevielen, dan de groote Opera’s, waarmede men teParijszoo veel op heeft. Beide de genoemde stukken werden nog al redelijk gespeeld, zoo dat ik mij nog niet erg verveelde. Hetparterremaakte hier zoo wel als teParijstusschenbeide een vreesselijk geweld.Den 31 Julij, al weder regen. Heden gingen wij eenige Fabrieken van zijden stoffen en zijden fluweelen enz. zien, onder andere die van de HeerPereauop de kaai van deRhone, dat een van de voornaamste is; hier is de stapel kostbare stoffen en fraaije borduurselen, waarvan ’er sommige moesten gebruikt worden bij de aanstaande kroning van den nieuwen Keizer, zoo ook voor behangsels van bedden, en bekleedsels van onderscheide meubelen aan het Hof; want het schijnt, dat het Keizerlijke in pracht en kostbaarheid niet voor het voormalige Koninklijke zal willen onderdoen: en wat voer men daar in het begin van de omwenteling tegen uit,trouwens, en dit kan men vooral met regt van deFranschenzeggen, “de tijden veranderen en de menschen ook.”Ik kwam op straat een’ Priester tegen, die openlijk de hostie naar een zieke droeg; een man met een bel ging vooraf, zoo als zulks in deRoomscheLanden gebruikelijk is; vele menschen knielden, alle namen de hoeden af. Ik had hier ook al een begravenis met Priesters en kerkelijke plegtigheden gezien, en ik vernam dat ’er ook somtijds proçessien gaan. Waar toe toch al deze toestel en openlijke vertoningen; de geloovigen, dunkt mij, zullen ’er niet gelooviger door worden, en de ongeloovigen nog veel minder; was het dus niet beter, dat men, om zich aan geene spotternij bloottestellen, en om anderen niet te ergeren, of aanleiding tot onaangenaamheden en verwijdering te geven, binnen de kerkgebouwen bleef; daar mogen de onderscheidene geloofsbegrippen te pas komen, daar zijn wij Joden, Roomschen of Protestanten, op de straten en andere plaatsen zijn wij alle burgers, en hoe minder wij ons in dien kring door onderscheidene benamingen, leuzen of diergelijke trachten te onderscheiden, hoe meer wij immers de eensgezindheid en alzoo het algemeen geluk bevorderen.Na den middag was het nog al redelijk goed weder, en ik wandelde de kaai van deSaonezuidwaards op, langs de puinhoopen en nog overgeblevene muren van het Arsenaal, bijna geheel door het bombardement vernield, gelijk ook een groot gedeelte van dezewijk, en waar van nog maar weinige huizen zijn opgebouwd. Ik kwam vervolgens aan de hier zoo beroemde werken vanPerrache, die de vereeniging van de twee rivieren omtrent 1100 halve roeden (toises) voor uit heeft gelegd, zoo dat de stad hier door een aanmerkelijk stuk gronds wint. VoorHollanders, aan dijken en droogmakerijen gewoon, baart dit werk niet veel verwondering. Men heeft hier ook aangename wandelingen, en ik keerde langs de kaai van deRhone, die daar aangenaam beplant is, weder terug. Behalve de huurkoetsen (fiacres) vindt men in deze stad, en de omliggende streken, ook nog een ander soort van rijtuigen, het zijn ligte wagentjes, zeer laag, en op vier wielen, die door één paard getrokken worden; de banken zijn in de lengte geplaatst, zoo dat men ’er op zijde, rug tegen rug, en de beenen buitenwaarts inzit; op de banken, waarvan sommigen op riemen hangen, liggen matrassen; doorgaans kan men ’er met zes en meêr personen in zitten, zij worden veel gebruikt, om na buiten te rijden; men vindt ze gemeenlijk staan, bij de voorname uitgangen van de stad, en kan ze daar goedkoop huren. Die rijtuigen wordenCarioles de Lyongenaamt, en de voerlieden, die ze verhurendes Carioleurs.Heden den 1 Augustus is het weder nog al redelijk, en het scheen, dat de regen toch eindelijk eens zou ophouden; wij bepaalden dan ons vertrek op morgen, indien wij eenige reisgenooten konden vinden, om een schuitje (bateau de poste) totAvignonmetons te huren. Hier in slaagde ik zonder veel moeite, wij waren met acht personen, en huurden zoo een schuitje voor zesLouis d’Ors, onder beding dat het goed met planken overdekt, en van zitbanken en stroo, om de voeten in te zetten, voorzien moest zijn; vooral ruim en stevig genoeg, ook in allen opzigte geheel tot onzen dienst, zoo dat wij hier en daar des goedvindende konden aanleggen, mits de reis ’er niet te veel door werd vertraagd; de schipper mogt niemand buiten onze toestemming aan boord nemen enz. Alle diergelijke voorwaarden behoort men te voren wel uitdrukkelijk te maken, om daarna geene moeijelijkheden te hebben; omtrent dit alles overeengekomen zijnde, gaf mij de schipper (patron) eenLouis d’Orop hand, ten blyke, dat de overeenkomst gesloten was, dit is genoegzaam door geheelFrankrijkgebruikelijk, het zij de huurder of verhuurder, kooper of verkooper die geeft, men noemt dit handgeldles arrhes; voorts was de afspraak, dat wij morgen ochtend met het krieken van den dag zouden vertrekken, indien de wind, die noorden was, zoo bleef, kunnende ’s avonds van denzelfden dag dan nog teAvignonzijn; de schipper zou ons in dat geval laten roepen; doch als de wind veranderde, behoefden wij zulk een haast niet te maken, omdat men dan toch een nacht onderweeg moest slapen.Daar nu onze afreis bepaald was, en ik al, wat hier merkwaardig is, genoegzaam gezien had, bleef mij nog over, om in een voornaam magazijn een kleinevoorraad vanLyonschezijden kousen te kopen, en ik vond ’er zeer goede voor £ 9–:–: het paar, zoo witte als zwarte. Het overschot van mijn’ tijd besteed ik nu, om aan u te schrijven, en dezen brief te sluiten, na u vooraf nog het een en ander aangaande deze stad te hebben medegedeeld.Van ouds droegLyonden naam vanLugdunum, en had dus bijna denzelfden naam als onsLeydenLugdunum Batavorum; misschien had men ’erBatavorumbijgevoegd, om die stad van hetLugdunumderGaulente onderscheiden. Naderhand werdLyoneen Aartsbisdom en de Hoofdstad van de Provinciele Lyonnois, thans is het de Hoofdplaats van het Departement van deRhoneen het verblijf van dePrefectureenTribunal d’Appél; men begroot het getal der inwoners, naar men mij verzekerde, nog heden op omtrent 120,000.Lyonwordt op 100Franschemijlen afstands vanParijsgerekend, doch overDyonis het verder; zij is omtrent 40 van deze laatstgenoemde plaats gelegen, en 48 vanAvignonDe hoofdstad niet zijnde, noemen deLyonnezenhun stad egter de tweede vanFrankrijk; want zij worden voor zeer hoogmoedig en eigenbelangzoekend (egoistisch) gehouden; zoodatLyonvoor hun schier alles, en het heeläl bijna niets is; dezen karaktertrek schrijf ik al weder toe aan de hooge Geestelijkheid van die stad; want deze door hunnen alles vermogenden invloed gaf toch den voornaamsten plooi aan ’s volks denk- en handelwijze; oordeel of het ook groote sinjeurs moeten geweest zijn; vanden Aartsbisschop af, tot den laatsten Kanunnik van het Domkapittel toe, noemden zij zichComte de Lyon; het waren alle Prinsen en Graven, zij moesten 16 kwartieren, zoo van ’s vaders als van ’s moeders zijde in hun wapen voeren, en de Koning vanFrankrijkwas hun eerste Kanunnik. Deze geestelijke Graven, die zich de navolgers van den nederigenChristusnoemden, waren zoo verregaande opgeblazen, dat zij zich met de Godheid, dien zij erkenden, schenen gelijk te willen stellen: want zij knielden niet in tegenwoordigheid van de Hostie. Dit hadden zij zelfs tegens deSorbonne5volgehouden, tot dat, naar men zegt,Lodewijkde XIV. zich eens onder hun in deSt. JansofDomkerkbevindende, goedvond om te knielen; nu konden zij welstaanshalve toch ook niet anders doen, zij knielden dan, maar voor wien, voor God of voor den Koning?—Ik wenschte, dat zoo vele brave en achtingswaardige Roomschgezinden, met alle diergelijke schandelijke zaken, waar door men den godsdienst ontluisterd, wat meêr bekend waren. De geschiedenis doet ons egter ook een’ Aartsbisschop vanLyon, die in het laatst van de afgelopen eeuw geleefd heeft, als een’ achtingwaardig man, kennen, voornamelijk om de vriendschap tusschen hem enden vermaarden wijsgeer en schrijverThomas6, die teLyonin de armen van dien Aartsbisschop, genaamdMontaset, gestorven, en op deszelfs landgoed, even buiten de stad, begraven is; waar de redelijkeMontasetzijn overleden vriend dan ook een graftombe oprigtte, die hij door zijn tranen aan de vriendschap heiligde.Onder verscheidene vermaarde mannen, konstenaars en geleerden, werd ookPierre Perrin, stichter van deFransche Opera, en dus voor deFranschenwel een groot man, hier geboren: hij voerde den titel vanAbbé, Conseiller du Roienz. en werd het eerste bevoorregt met het Koninklijk verlof (lettres patentes) om de Koninklijke Muzijk-Akademie opteregten, in 1669. De eerste Opera, die hij in ’t openbaar gaf, (teParijsin 1671) wasPomonegenaamd. Hoewel de versen, vanPerrinzijn eigen maaksel, zeer slecht waren, werd het stuk toch zeer toegejuicht en acht maanden agter elkanderen gespeeld, zoo dat deze Opera, hem alleen voor zijn aandeel 30,000 Livres opbragt; doch zoo als het gemeenelijk gaat, de voorspoed werd door de afgunst gevolgd, enPerrinwas al schielijk verpligtom zijn voorregt tegen een sommetje aftestaan; zijn geluk was dan van korten duur, en hij stierf teParijsomtrent het jaar 1680. De beeldhouwersCoysevoxen de tweeCoustou’s, zijn ook vanLyon, als medeJoseph Vivieneen van de uitvinders van het teekenen met pastel. Op de geboorte vanCaracallaheeft de stadLyongeen reden om roem te dragen—en hoe zeldzaam had het menschdom reden, om de geboorte van een’ Keizer of Koning te zegenen!—Onder verscheidene Kerkvergaderingen (Conciliën) die hier gehouden werden, zijn die van 1245 en 1274 vermaard, de eerstgenoemde niet alleen, omdat bij hetzelve besloten werd, dat de Kardinalen voortaan roode hoeden zouden dragen; maar bijzonder ook omdat KeizerFrederikde IIde, in den ban gedaan, en van het Keizerrijk ontzet werd door PausInnocentiusden IV.; de andere door de geloofspunten, die daar verhandeld werden, was de voorname oorzaak van de scheuring der kerk, door de afzondering derGrieken—maar ik houde mij op, met u dingen te vertellen, die gij misschien lang weet, in plaats van naar bed te gaan, wijl ik ’er morgen vroegtijdig uit moet.1Dat stuk is daar in een korten tijd ver over de honderd malen gespeeld; want een groot gedeelte van deParijzenaarsliep ’er naar toe.2’t Is te verwonderen, dat men aan merkwaardige overblijfsels, zulk een kleinachting aanduidenden naam heeft gegeven; wantAntiquaillebeteekent oude prullen.3De teekening is nog al tamelijk, behalven het opgenoemde, was ’er ook nog de afbeelding van een mensch bij; de Engel en Duivel schenen zich met hem bezig te houden. Misschien verbeeldt het een mensch in de eerste tijden van het Christendom, die door den Duivel tot den Afgodendienst verleid wordt, terwijl een Engel ’er hem van terug houdt.4Het aanroepen van deze Lieve Vrouw, als men zich in nood bevond, scheen hier al vrij algemeen, doch ieder was juist niet even naauw gezet in het nakomen van zijne gelofte. Men verhaalde mij ten dezen opzigte een geval, dat mij deed lagchen; eenige jaren geleden was een schippers knecht van de schuit in deRhonegevallen, en deed volgens gebruik eene gelofte aan de Lieve Vrouw vanFourvières, doch de redding volgde niet spoedig; en, of door den sterken stroom of anderzins niet kunnende zwemmen, begon hij reeds te zinken, toen zijn schipper hem met een haak vastkreeg en ’er uithaalde. Vervolgens zijne gelofte vergetende, werd hij daar aan door zijn’ Biegtvader herinnerd, doch ontschuldigde zich met te zeggen: “Zij heeft geen haast gemaakt, om mij te helpen, ik behoef ook geen haast te maaken om te betalen, want kijk, Mijn Heer Pastoor! als onze schipper niet beterbij de hand geweest was dan onze Lieve Vrouw, ik had ’er bij mijn .... om koud geweest.”5DeDoctorenvan dit vermaardekollegie; dat doorRobert de Sorbon, Hofprediker en Biegtvader vanSt. Louïs, in 1252 gesticht werd, waren inFrankrijkde gewone regters inTheologischegeschillen van aanbelang.6Bekend door zijne welsprekende en wijsgeerige geschriften, zoo als zijne lofspraken (eloges) vanMarcus Aurelius, vanSully, vanDescartesenz. hij legt daar in zijne vrije en onbevooroordeelde denkbeelden duidelijk aan den dag.Thomaswas ook een bijzonder vriend van MevrouwNecker.

Lyon, 1Augustus.

Toen ik gisteren een’ brief aan u afzond, was mijn oogmerk niet om u van hier meêr te schrijven, doch de aanhoudende en zware regen noodzaakt mij weder, om t’huis te blijven, en wat heb ik dan beter te doen, dan mij met u te onderhouden.

Den 26 Julij bezocht ik het groote Gasthuis, waarik reeds melding van maakte. Men wil, dat hetzelve door KoningChildebert, omtrent de helft van de 6de Eeuw, gesticht is. Het nieuwe gebouw is naar de teekening van den BouwmeesterSoufflot, 30 à 35 jaren geleden, gemaakt. Wij vonden een man aan den ingang, die zich aanbood om ons rond te leiden, en bezochten het gansche gebouw, dat zeer groot is, van onderen tot boven, beginnende met de Apotheek, de Regenten-Kamers, de onderscheidene Zalen der zieken, het Linnen-Magazijn, tot op de kleêrzolder toe. Overal vonden wij Gasthuis-Nonnen of Zusters, bezig met de zieken op te passen, de geneesmiddelen, onder opzigt van den Apotheker echter, te bereiden, het linnengoed te herstellen en te bezorgen enz. Ieder heeft zijn werk, zelfs in de kamer, waar de Ontleedkundige Operatien geschieden, vonden wij eene Non, die een zeer geschikt en gnap mensch scheen; zij toonde ons een menigte ontleedkundige werktuigen, onder anderen een tafel met deszelfs toebehooren, waarop het steensnijden en diergelijke verschrikkelijke kunstbewerkingen geschieden. De post van dit goede mensch was, om diergelijke lijders te helpen en te ondersteunen, de werktuigen rein te houden, voor het geen tot de verbinding noodig is te zorgen enz. Mijne verwondering betuigende over den moed, dien zij bezat, om deze ellende aanhoudend bij te wonen, antwoordde zij, dat men aanvankelijk zeer veel lijdt, doch dat bezef van pligt en de gewoonte haar die taak thans dragelijk maakten. Ik onderhield mij methaar over meêr andere dingen, deze inrigting betreffende, en zij beantwoordde alle mijne vragen op eene vriendelijke en voldoende wijze. De fraaije zalen, waar de zieken (thans waren ’er over de 1000) liggen, of hun verblijf houden, zijn ruim en luchtig; uit die langs den waterkant, waar van gij de vengsters op de afteekening ziet, heeft men een zeer aangenaam gezigt. De trotsche en ook van binnen schoon gewerkte koepel, behoort tot de groote zaal; onder dezelve staat een fraai en tevens eenvoudig altaar op een verheven voetstuk, zoo dat de zieken uit hunne bedden, die van ijzer zijn, om ’er het ongedierte uittehouden, en welke aan rijen staan, hetzelve kunnen zien; dagelijks wordt hier de mis gelezen. In deze zaal zag ik ook aan het gewelf eene opgevulde krokodil hangen; onze geleider verzekerde, dat dit dier lange jaren geleden, in deRhone, digt bij de steenen brug gevangen werd, en wel door een persoon, die ter dood veroordeeld was, en om deze daad vergiffenis bekomen had. Het dier had al veel vee en zelfs kinderen verslonden. Dit vertelsel schijnt hier onder het volk vrij algemeen geloofd te worden; doch wij weten, dat dit in ’t geheel geen bewijs is van echtheid. Beneden is ook een plaats, waar eenige zinneloozen bewaard worden; onze geleider wilde ons dezelve doen zien, doch de Non, die daar op paste, weigerde het; en ik vond, dat zij gelijk had; men moet die ongelukkigen, die veeltijds aanleiding tot spotternij geven, niet aan de algemeene nieuwsgierigheidblootstellen. In een gang vond ik op verscheidene tafelen, die daar tegen den muur waren gesteld, de namen van de personen, die aanzienelijke geschenken aan dit gebouw hebben gegeven.—Was hoogmoed of menschlievendheid de beweegoorzaak van deze geschenken?—misschien beiden.—Hoe het zij, zij hebben welgedaan, en wij moeten diergelijke daden dan ook zoo naauw niet uitpluizen. In de keuken waren verscheidene Nonnen ook drok aan het werk; hare spijszaal is hier naast; zij eten gezonde kost, en moeten braaf werken, ook zien zij ’er, niettegenstaande haren aanhoudenden omgang met zieken, over het algemeen, gezond uit. Ik zag ’er, die mooi waren, onder anderen eene, die bezig was met eene bleke en uitgeteerde zieke te helpen; deze was nog jong en inderdaad schoon; dit leverde eene zonderlinge tegenstrijdigheid op. In ’t geheel zijn ’er in dit huis 150 zulke Nonnen, zij zijn in ’t zwart gekleed, en hebben witte Nonnenkappen op; doch zij doen geen geloften, waar door zij voor altijd verbonden zijn; en wanneer de liefde bij de barmhartigheid komt, kunnen zij zich in het huwelijk begeven. Deze Nonnen of Zusters bewijzen alzoo de Maatschappij een wezenlijken dienst, en men kan haar dus niet anders dan als achtingwaardige leden van dezelve beschouwen. Bij het uitgaan gaven wij wat voor het huis, een Non ontving het op een zilveren schotel. Dit herinnerde mij aan de zilvere schalen, waarin men in veleHollandschesteden de aalmoezen opzamelt; het was gevoegelijker, dunkt mij, dat men daar een houtenbak toe gebruikte. De Kerk van dit Gasthuis is fraai en net; ook schijnt ’er over het geheel een goed bestuur plaats te hebben; alles is zindelijk en wel onderhouden; maar het geen mij niet beviel, was dat ’er slechts een plaats en geen tuin bij is, dat ’er een vleeschhal en slagterij is, onder den eenen vleugel, namenlijk een der stads hallen en slagterijen, het geen stank veroorzaakt; dat de zieken in algemeene zalen en niet meer afzonderlijk liggen, en eindelijk dat het gebouw te prachtig is voor een Gasthuis. Ik had liever een eenvoudiger huis op het land gehad, en de kosten die daar door uitgespaard werden, besteed om de zieken door tuinen, afzonderlijke kamers enz. het verblijf der ellende, zoo min mogelijk, onaangenaam te maken. Behalve dit Gasthuis, is ’er nog een ander nuttig gesticht in deze stad, datla Charitégenaamd wordt, mede aan deRhoneverder op, voorbij de steenen brug gelegen. Het is zeer groot, en vereenigt in zich een Weeshuis, oude Mannen- en Vrouwen-huis enz. In de Kerk, die zeer net is, ziet men eenige graftombes van de stigters of bestuurders van dit uitgestrekt gebouw. De toren van die Kerk wordt door bouwkundigen, als een konststuk bewonderd. Diergelijke gestichten zijn in een stad, alsLyon, inzonderheid noodzakelijk, om het groot aantal werklieden in zijden stoffen en diergelijke Fabrieken, welker getal voor de omwenteling op omtrent 30,000 begroot werd. De bevolking der gantsche stad schatte men toen op 120,000.

Na den middag deed ik eene wandeling door de stad,en ging ’s avonds in de Schouwspelzaal, op de plaatsdes Celestins,Théatre des Varietés; de zaal endecoratienzijn niet onaardig; doch het overige beteekende niet veel; men gaf ’er de eerste vertooning vanle petit Poucet(klein duimpje), dat men teParijsop een van de Theaters van deBoulevardsook vertoont1. Het was ’er zeer vol; in hetParterre, waar men altijd staat, betaalt men maar elf stuivers.

Den 27 Julij het drooge weder waarnemende, klommen wij op den BergSt. Just, en bezochten aldaar het gebouw, dat zich boven een der torens van die Kerk vertoont, en om de oudheden die het bevat,l’Hospice de l’Antiquaille, zoo als men ook boven den ingang leest2, genaamd wordt. SommigeRomeinscheKeizers bewoonden het Paleis, dat hier stond, als zij teLyonwaren, en hunne Gouverneurs hielden ’er hun verblijf. Men gelooft algemeen datLucius Munatius Plancus, die Consul was gelijktijdig metÆmilius Lepidusen een der Luitenants of Stedehouders vanCæsar, de stichter is vanLyon; het jaar vanRome712, endus ten naastenbij 40 jaren voor de Christelijke Jaartelling. Waarschijnlijk heeft men op dezen berg beginnen te bouwen; naauwelijks was ’er een eeuw verlopen, of de gansche stad brandde in eenen nacht af, en werd doorNeroweder opgebouwd. Men ziet in hetHospice de l’Antiquailleeenige oude opschriften, en in een onderaardsch gewelf, toont men een soort van nis in de muur, waarin men verzekert, datSt. Photin, die metIrenéushier het Christelijk geloof kwam prediken, levendig is ingemetseld geworden, men leest dan ook boven die nis:St. Photina fini son martyre dans ce lieu, agé de 90 ans sous l’EmpereurMarc Aurelle179. DeezeSt. Photin, zegt men, dat de eerste Bisschop vanLyonwas; 47 andere werden, volgens overlevering, met hem, hier gemarteld; men toont ook de steenen palen, waar zij aan gebonden of geketend zouden geweest zijn. De Nonnen, die dit gebouw voor de omwenteling bewoonden, gebruikten dit gewelf ook voor hare begraafplaats. In een soort van ovens zag ik nog verscheidene doodshoofden en beenderen. Uit een der kamers van dit gebouw heeft men een zeer uitgestrekt en allerschoonst gezigt. Van daar werd hetPanoramavanLyongeteekend. Men ziet uit dit gebouw, het grootste gedeelte van de stad, deSaone, deRhoneen over dezelve, en over een uitgestrekt landschap, deAlpen, deMont-Blanc, de top van deMont St. Bernardenz. Het was zeer helder weder, zoo dat wij het gelukkig troffen. Thans dient het gebouw, datvrij groot is, tot een gevangenis voor vagabonden, bedelaars, ligte vrouwlieden, namelijk die, welke tot de klasse van het zoogenaamde gemeene volk behooren, wantgalante Dames du bon tonzet men ’er niet. Men bewaart ’er ook eenige zinnelozen. ’Er is een Kerk bij, en hier staat een’ offerbus, waar men wat in steekt, ter eere vanSt. Photin. Wij gaven ook wat voor het huis. Niet ver van hier, omtrent voor het voormalig Klooster derMinimen, is eene plaats, die men de plaats der martelaren (la place des Martyrs) noemt; om dat hier ook een menigte Christenen zoude gemarteld geweest zijn. Men toont ’er ook nog een’ grooten steen, zonder eenig opschrift echter, waarop men wil dat zij geslagt wierden, en die men als een achtingwaardig gedenkteeken beschouwt. Wat hier ook van wezen moge, het blijkt uit de Geschiedenis, dat de vervolging der eerste Christenen, vooral onderSeptimus Sevérus, hier allerverschrikkelijkst geweest is. Achter dit gewezenMinime-Klooster, ziet men nog de geringe overblijfsels van een’RomeinschenSchouwburg. Tot de trotsche gebouwen, die deRomeinenhier gesticht hebben, behooren ook de kostbare steenen waterleidingen (aquaducs), die eene uitgestrektheid van verscheidene mijlen schijnen gehad te hebben; hier en daar ziet men ’er nog overblijfsels van. Men toonde ons een van de plaatsen (reservoirs) waar dit water verzameld werd in een wijngaard, voorheen behoord hebbende aan het Klooster derUrselinen. Het iseen diepe kelder, waar men, van kaarsen of fakkels voorzien, door middel van verscheidene steenen trappen in gaat. Het gewelf is ruim, en rust op verscheidene bogen. De soort van kalk, waar de muren mede gepleisterd zijn, is bijzonder hard, zoo dat men moeite heeft om ’er stukken afteslaan. Men wijst ook in den muur de gaten of pijpen aan, waardoor men meent dat het water ingelaten werd. Het schijnt, naar het metzelwerk te oordeelen, dat die plaats aanvankelijk niet overdekt is geweest; maar dat het gewelf ’er naderhand is opgemaakt. Deze kelder is hier bekend onder den naam vanles bains des Empereurs, ofles bains des Romains. Sommige Geschiedschrijvers noemen dezelvela grotte Berelle. Thans behoort dit Klooster, en aangelegen erven, aan iemand, die ’er zinneloze menschen, tegen betaling, in den kost neemt. De man, die den kelder laat zien, woont hier digt bij, en men geeft hem daar iets voor. Een weinig verder in een anderen tuin, ziet men een kelder veel minder diep danla grotte Berelle; zo dat men ’er door het daglicht duidelijk in zien kan. De grond is hier met kleine steentjes van onderscheidene kleuren als een schilderij ingeleid (en Mosaïque). Men zegt, dat dit ook behoort tot het werk van deRomeinen, doch ik zag ’er twee gedaantens in, die veel overeenkomst hadden met de afbeeldingen van Engelen en Duivelen; evenwel stond ’er nog ook een soort van Afgodsbeeld bij; zij die kundiger zijn in de oudheden dan ik, mogen beslissen wat hetis3. Ik zag hier ook eenige pilaren, en een soort van altaar van hout, dat geschilderd was; en vernam, dat dit aan de Vrijmetselaars, die hier omstreeks hunne vergadering houden, en somtijds van dezen kelder gebruik maken, behoorde. Wij gingen van daar naar de Kapel van Onze Lieve Vrouw vanFourvières, voorheen, en nog onder de geloovigen vermaard, door hare menigvuldigeex voto’s, geloften aan de Lieve Vrouw, of haar beeld, dat hier bewaard werd. Die Kapel ligt op het hoogste gedeelte van den berg. Een vrouw had die na de omwenteling gekocht, en meende ’er haar rekening bij te vinden, door ’er missen te laten lezen, enz. doch het is haar verboden; en men verhaalde mij, dat zij hier over met het Stadsbestuur in proçes was. Wij klommen op het torentje van deze Kapel, van waar wij ook een overheerlijk gezigt hadden, en veel uitgestrekter nog, dan uitl’Hospice de l’Antiquaille. Men ziet hier bijna over al de nabij gelegen bergen heen; de stad en derzelver omstreken, de loop van deRhoneen deSaoneen hunne vereeniging heeft men als een Landkaart voor zich,duidelijk zag ik de witte toppen derAlpen, en kon mij naauwelijks van zien verzadigen. In de Kapel is niet veel anders te kijken dan een groote menigte kleine, meestal ellendig gekladde schilderijtjes, verbeeldende mirakuleuse reddingen, door de Lieve Vrouw, van menschen, die in nood zijnde, ’t zij door ziekte, schipbreuk, in ’t water liggende of anderzins, een gelofte aan haar gedaan hebben; onder anderen was ’er een bij van een deserteur, die de wacht, die hem na zat, ontkomen was; zoo dat de Lieve Vrouw ook de desertie, die toch overal als een strafwaardige misdaad wordt beschouwd, scheen te bevorderen4. De rest is niet waard, dat menzich ’er zich een oogenblik om ophoudt, wanneer men niet tot de geloovigen behoort.

Na den middag wandelde ik langs deQuai du Rhone; ’er was veel volk op die wandeling, maar ik zag weinig schoone vrouwen onder de zoogenaamde fatsoenelijke lieden, die zich hier, even als in deTuillerienteParijs, laten kijken. Onder de klasse, die men gemeene lieden noemt, ziet men hier een aantal kreupelen en mismaakten; dit vindt men doorgaans in plaatsen, waar vele weverijen en spinnerijen zijn. Buiten deBarrièrelangs deRhone, naar den kant, daar zij van daan komt, is ook een aangename wandeling. Van sommige huizen, die hier tegen de bergen staan, gaat men uit een van de dakvengsters in den tuin.

In deze stad zijn, even eens als inBrabantenVlaanderen, veel Bierhuizen, en het is ’er ’s avonds vol volk. Het bier vanLyonis beroemd, naar mijn’ smaak is het te sterk gehopt.

Den 28 Julij regende het zoo sterk, dat ik weinig kon wandelen; de twee rivieren waren dezen nacht aanmerkelijk gewassen, en de stroom van deRhonewas ongemeen snel. Die rivier maakt door de sterke drift en de rotsen, welke onder water staan, hier en daar eene soort van draaikolkjes. Het water dezer twee rivieren is, tegenwoordig vooral, zeer onderscheiden van kleur; dat van deRhoneisgeelachtig grijs, en dat van deSaoneis groenachtig.

De gewone schuit van hier naarAvignon(Coche d’Eau) meende men dan ook, dat morgen niet zou kunnen varen, want men hield de vaart op deRhonethans voor min of meer gevaarlijk. Een slecht vooruitzigt voor ons, die met dat vaartuig binnen eenige dagen dachten te vertrekken.

Tegen den middag hield het een weinig op met regenen, en ik ging wandelen.La place des Terreauxis een fraai vierkant plein; op dezelve staat het Stadhuis, de voormalige Abdij van St. Pieter, en aan den anderen kant over dezelve, verscheidene fraaije Koffijhuizen; men vindt daar allerlei ververschingen voor een redelijken prijs; het ijs (les glaces) is ’er zeer goed, en veel goedkooper dan teParijs. De levensmiddelen schijnen hier over het algemeen niet duur te zijn; het vleesch is ’er goed, men heeft ’er overvloed van groentens; de riviervisch schijnt ’er ook niet schaars; en de Spekslagerswaren, vooral de worsten (les saucissons) vanLyon, zijn beroemd.—ZwitserschenGeneefschgeld is hier ook gangbaar.

Het Stadhuis is een fraai gebouw; die vanLyonhouden het voor een van de schoonste Stadhuizen vanEuropa, maar het lijkt nietmetal naar dat vanAmsterdam; in den gevel (la facade) van hetzelve, ziet men nog de beelden der Vrijheid en Gelijkheid. In het portaal zijn twee fraaije liggende metalen beelden, meêr dan levensgrootte; het eene een manen het andere een vrouw, verbeeldende deRhoneen deSaone. Voor de omwenteling stonden zij op de plaatsBelle-cour. In dit portaal, waar men ze aan beide kanten geplaatst heeft, zijn zij veel te groot;Coustouis ’er de maker van. De oude metalen tafel, waar op de aanspraak gegraveerd was, die de KeizerClaudiustoen hij nogCensorwas aan den Senaat vanRometen voordeele van die vanLyondeed, en die men ook voor de omwenteling in dit voorhuis zag, is eenigen tijd na dezelve, toen het geschut voor het Stadhuis geplant was en ’er verscheidene kogels in geschoten werden, genoegzaam geheel vernield; en men ziet die thans niet meêr. DeLyonnezenbetreuren zeer het gemis van die tafel, en in der daad het was een zeer merkwaardig stuk. De groote zaal boven dat portaal, brandde omtrent twee jaren geleden, bij gelegentheid eener Illuminatie, geheel uit.

De voormalige Abdij vanSt. Pieteris een groot en trotsch gebouw, hebbende eene groote plaats in het midden en rondom dezelve, op de eerste verdieping eene fraaije galerij. Thans schijnen de vertrekken aan bijzondere personen verhuurd te worden; eene zeer ruime zaal beneden, en die ik meen dat voorheen voor een spijszaal diende, wordt thans door de Kooplieden en Fabrikeurs tot een beurs gebruikt; men ziet rondom in dezelve eenig pleister-beeldwerken bas-relief.

Deze plaatsdes Terreauxwas ook de martelplaats van eene menigte Protestanten omtrent het middenvan de 16de eeuw; onder anderen werd hier eene ruim bemiddelde jonge dochterde Cagnongenaamd verbrand; zij was gewoon, om de armen vanLyon, hoewel grootendeels van haar in godsdienstige gevoelens verschillende, rijkelijk te bedeelen; deze riepen weenende, toen men hunne weldoenster naar den brandstapel sleepte. “Helaas! wij zullen geen aalmoezen meer van u ontvangen;” waarop de ongelukkigede Cagnonde fluweelen muilen, die men haar nog gelaten had, van hare voeten nam, en die den armen toewierp, zeggende: “Ja, gij zult ’er nog ontvangen;” en men had geen moeds genoeg om deze ongelukkige aan de klaauwen van hare beulen te ontrukken.—Christenen, of liever zij, die ’er den naam van droegen, die hier zelve verscheidene eeuwen geleden door deRomeinenzoo wreed vervolgd waren geweest, en deze vervolging met regt als een gruweldaad beschouwden, deze zeg ik, vervolgden en martelden hier thans hunne Medeburgers en Medechristenen.Lyonwas ook een der voornaamste steden in het navolgen van den afgrijsselijkenSt. Bartelmoord. De slagting was hier toen ook allerverschrikkelijkst, zoo als gij weet; maar gij weet misschien niet, dat de scherprechter deugd en moed genoeg bezat om de uitvoering van de bevelen der drie voorname hoofden van hetLyonschemoordrot, te weigeren, zeggende: “Mijn ongelukkige post veroordeelt mij, om het werktuig van het geregt te zijn, maar niet dat van moordenaars.”—Thans, daar de rede en verlichtingeenigzins over het bijgeloof zegepraalt, behoorde men dien scherprechter, hoe zeer zijn naam misschien reeds in vergetelheid is geraakt, een Gedenkteeken op te rigten, en de koninklijke en geestelijke monsters, aanstookers, of uitvoerders van dien moord, in de verachtelijkste houding aan zijne voeten te plaatsen. Met genoegen vindt men ook aangeteekend, dat de krijgsbende, toen ter tijd in de Citadel vanLyonliggende, weigerde om in de gruwelen te deelen, en dat zelfs bijna het geheele volk die met verontwaardiging afkeurde, zoo dat zonder eene bende stadssoldaten, die slecht genoeg waren om zich voor veel geld te laten omkoopen, de Protestanten misschien behouden zouden zijn geweest.

Den 29 Julij, alweder aanhoudende regen—met smart zag ik in de nieuwspapieren, dat het rijpe koorn begon te schieten, en niet kon ingehaald worden; de druiven meende men, dat door dit koude en natte weder ook veel zouden lijden. Het was Zondag, ik ging dan eenige Kerken zien; na de omwenteling zijn ’er hier ook verscheide, zoo wel als Kloosters, gesloopt; uit andere, die men toen voor magazijnen enz. gebruikte, zijn de sieraden weg genomen, doch die, welke voorheen aan de Jesuiten behoorde, en een zeer fraai en prachtig gebouw is, heeft men onder anderen laten staan. Deze Kerk is van binnen met marmer van onderscheide kleuren rijkelijk versierd, en verdient wel gezien te worden: de aanzienelijke boekerij voorheen aan dit Kollegie behoord hebbende, is achter deze Kerk in eene schoone zaal,langs de kaai van deRhone; thans behoort zij aan de stad, en dient tot algemeen gebruik. Van hier ging ik naar de Kerk van de voormalige Abdijd’AinaiofSt. Martin d’Ainai, en zag daar vier zware kolommen van Granit van een donker grijze kleur; thans dienen zij om een gedeelte van dit gebouw te onderschragen. Voorheen, maakte de vier ’er maar twee uit, en behoorden toen tot den Tempel vanAugustus, die niet ver van hier op de punt van het schiereiland, waar een groot deel vanLyonop gebouwd is, moet gestaan hebben, zij bereikten toen eene aanmerkelijke hoogte, en men heeft de barbaarschheid gehad, van die schoone en kostbare stukken door te zagen, om ze in deze Kerk te gebruiken; het is duidelijk te zien aan de einden van twee dezer halve kolommen, waarmede men die op de voetstukken geplaatst heeft, dat het de bovenste helften zijn der anderen. Aan beide zijden van het groot Altaar op de grafzerken, zag ik ook nog overblijfzels vanMosaïken, in den smaak van die, welke ik op den berg vanSt. Justgezien had: men verhaalde mij, dat deze behoord hadden tot de Graftombe van PausPaschalden II. Het was deze Paus, die den zoon van KeizerHendrikden IV. gebood om het lijk van zijn vader optegraven, en het op het veld te werpen, om ’er vijf jaren onbegraven te blijven liggen. Dat een Paus deze afschuwelijke daad bevolen heeft, is niet te verwonderen; maar dat de zoon gehoorzaamde—welk een gruwel!!—Paschal, die men wil, dat dezeKerk gewijd heeft, stierf in 1117. Men liet mij ook in het Sacristy een’ kelder zien, waarin een heilige zou gemarteld geweest zijn: de Kosterin, die de vriendelijkheid had, van mij dit alles te laten zien, scheen een goed snapachtig wijf, en hield mij voor zeer geloovig; waarschijnelijk, omdat ik haar met eenige belangneming het een en ander ondervroeg. Zij vertelde mij dan verscheide sprookjes van wonderwerken, die ook, gedurende de belegering, zouden voorgevallen zijn: onder anderen, dat zij een lieve vrouwebeeldje te dier tijd in een houten toren verborgen had, en deze toren was, niettegenstaande de kogels en bommen ’er rondom vlogen, onbeschadigd gebleven. Zij schimpte en schrolde ook dapper op de Jakobijnen en de Filosofen, zoo wel als op den nieuwen Keizer. DeLyonnezenzijn grootendeels Konings of lieverBourbonsgezind, gelijk zij in het begin van de omwenteling, helaas! maar al te duidelijk getoond hebben, en als een gevolg hier van ook zeer gehecht aan de Kerk, zoo als die voorheen bestond; alle de onlangs gemaakte veranderingen, beschouwen zij dan natuurlijkerwijze als onwettig, en de Paus door de omstandigheden genoodzaakt, om ’er in toetestemmen. De reden der bijzondere gehechtheid dezer stad aan het Hof, de Adel en de Geestelijken, schrijft men voornamelijk toe aan het belang, dat zij had, bij het in stand houden der pracht, weelde en verkwisting. Aan wie toch zouden zij hunne kostbareLyonsestoffen, borduurselen en diergelijke verkocht hebben, als de eerstegrondbeginselen van de omwenteling stand hadden gehouden.—Nu daaromtrent valt het hun tegenwoordig dan ook nog al in de hand. Zonderling is het intusschen, dat de bewoners van de oude stad op den berg vanSt. JustenFourviéresmeestal Republikeinen waren, hoewel grootendeels werklieden tot de Fabrieken behoorende. Zou het niet mogelijk zijn, dat die lieden op de puinhoopen derRomeinscheoudheden wonende, eenigzins met de Geschiedenis dier Volken waren bekend geraakt, en tevens hunne verhevene gevoelens en edelen trek na vrijheid hadden ingezogen. Sommigen meenen dat de reden, waarom die vanLyonzich zoo sterk tegen de omwenteling toonden, ook moet toegeschreven worden aan een zekere jaloersheid, die ’er tusschen deze stad enParijs, als de twee grootste en voornaamste steden vanFrankrijk, plaats greep, en al van ouden datum bestond.Parijsvoor de Hoofdstad te moeten erkennen, kwetste de eerzucht vanLyon, enParijshad de omwenteling begonnen, en speelde ’er de hoofdrol in. Zoo moest dan deze ongelukkige stad, die reeds in onderscheide tijdvakken, de allerakeligste moord- en bloedtooneelen had opgeleverd, nog eens eenen rampzaligen burgeroorlog, en de betreurenswaardige gevolgen van dien, ondervinden. Met aandoening hoorde ik dikwijls verscheide omstandigheden dien aangaande vertellen; deLyonnezenschenen mij genegen, om hier over met vreemdelingen te spreken, en geen wonder, dat men diergelijke tijdvakken niet ligt vergeet; daarbij vindt men hierschier overal gedenkteekenen, die ’er aan herinneren. Men verzekerde mij, dat deze noodlottige gebeurtenis, omtrent 20,000 menschen aan de stadLyongekost heeft; het getal komt mij wat groot voor. Zonderling is het ondertusschen, dat de GeneraalPrescis, Kommandant der stad, met zijne Officieren gelegenheid gevonden heeft, om zich door de vlucht te redden, en de straf te ontgaan, terwijl eene menigte jonge lieden en burgers vanLyon, door hem misschien opgezet en zekerlijk misleid, (want anders zouden zij niet vermetel genoeg geweest zijn, om eene stad, die geheel buiten staat was, om eene belegering uittehouden, tegen eene magtige Armée te willen verdedigen) terwijl, zeg ik, deze in de stad bleven, en door de belegeraars als muitelingen, misschien op eene te strenge, of te algemeene wijze, werden gestraft.—Men schijnt, ten opzigte van dezenPrescisverscheide ongunstige vermoedens te voeden; doch het is buiten mijn bestek, om hier verder in te treden.

Den 30 Julij, hoewel het al weder onophoudelijk regende, ging ik al vroegtijdig uit; het was zoo guur, als bij ons in de maand October. De kaai opgaande, langs deSaone, klom ik ’er tegen over de rots, daar het KasteelPierre en Cizeop plagt te staan, de hoogte op. Hier ziet men de overblijfsels van de oude Vestingwerken, die ten tijde van de belegering veel verwoest, en vervolgens grootendeels gesloopt zijn geworden; het ruwe en stormachtige weder gaf aan die puinhoopen een nog treurigeraanzien—men ziet hier stukken van muren van eene ontzaggelijke dikte, en zeer ruime onderaardsche gewelven; sommige bestaan bijna nog in hun geheel, en zijn zoo groot, dat het wel Kerken gelijken. Het FortSt. Jeanstond voorheen op deze hoogte, en moet, naar de puinhoopen, die men ’er nog van ziet, te oordeelen, eene aanmerkelijke sterkte geweest zijn—welligt had deze plaats aan een’ schrijver van oude ridder- en spookromans, aanleiding gegeven tot sombere en verschrikkelijke invallen—en ik onder een brok van een ouden muur een weinig voor den regen schuilende, en dien boêl overziende, dacht aan de ellendige inrichting der menschelijke maatschappij waartoe deze vreesselijke muren, met zoo veel moeite en kosten opgerigt?—dienden zij ter beschutting tegen een’ vernielenden watervloed, of om de woede van uitgehongerde roofdieren aftekeeren—neen! maar alleen, om menschen tegen menschen te beveiligen.—

Hier en daar heeft men een schoon en uitgestrekt gezigt. Wat verder komende, zag ik, dat men bezig was met den muur van de stad, doch ook alleen maar een’ enkelen muur, weder op te bouwen. Zoo maken en breken de menschen aanhoudend. Ja! wat hebben wij sedert 18 a 19 jaren niet al zien maken en breken, opbouwen en verwoesten. Men bediende zig tot het opmetselen van dien muur, onder anderen van een’ roodachtigen steen, die scheen zamengesteld te zijn uit een menigte kleine keitjes.Mij dunkt, dat dezelve gepolijst zijnde, fraai moet wezen; bij ons zou men daar wel gebruik van weten te maken, doch hier is het marmer en diergelijke steenen verkrijgbaar genoeg. Zelfs niet ver van deze stad vindt men aanmerkelijke steengroeven. Onzen weg vervolgende, zagen wij de Kerk van het voormaligKarthuizerKlooster, ook op deze hoogte gelegen; de Kerk is fraai met smaak gebouwd, en wordt thans voor eenParochiegebruikt; zij schijnt van binnen ook gewit en opgemaakt. Het groot Altaar in het midden van het koor, is van marmer van onderscheide kleuren zeer fraai gemaakt; boven hetzelve is een konstig gewerkt geheel verguld verhemelte (baldachin), rustende op marmeren kolommen—ik zag ’er ook eenige redelijk goede schilderijen vanFranscheMeesters. Deze Kerk pronkt met een’ fraaijen koepel, en is zeer licht. Ik beklaagde mij niet van deze wandeling gedaan te hebben, hoewel ik door nat was.

In het voorbijgaan vernam ik aan het Bureau van de schuit opAvignon, dat dezelve, om den aanhoudenden sterken stroom en het hooge water, zoo als men wel gevreesd had, niet had kunnen varen, en waarschijnelijk in de eerste dagen nog niet varen zou—ik wilde toch zoo gaarne de reis te water doen, hoe vreesselijk men die hier ook afschildert. ’s Avonds, door den regen niets beters te doen wetende, ging ik in hetTheatre des Varietés, en zag ’erles brigand de Calabrie, ook ik ’tHollandsch, onder den naam van: de Struikrovers vanCalabrienvertaald,en na hetzelvePalmire et Alminor, getrokken uit de geschiedenis van den Verloren Zoon; beide zijn Melodramas, dat is te zeggen, Toneelspelen, met muzijk verzeld, doorgaans speelt het orchest, als de voorname personen opkomen of afgaan. Deze soort van stukken is gemeenelijk opgesierd met marschen, balletten, gevechten en veel théatralen toestel. Zij worden inFrankrijkniet op tooneelen van den eersten rang gespeeld, en door velen als onregelmatig en in een slechten smaak (d’un mauvais genre) afgekeurd; doch ik beken gaarne, dat ik ’er verscheide gezien heb, die mij veel meêr bevielen, dan de groote Opera’s, waarmede men teParijszoo veel op heeft. Beide de genoemde stukken werden nog al redelijk gespeeld, zoo dat ik mij nog niet erg verveelde. Hetparterremaakte hier zoo wel als teParijstusschenbeide een vreesselijk geweld.

Den 31 Julij, al weder regen. Heden gingen wij eenige Fabrieken van zijden stoffen en zijden fluweelen enz. zien, onder andere die van de HeerPereauop de kaai van deRhone, dat een van de voornaamste is; hier is de stapel kostbare stoffen en fraaije borduurselen, waarvan ’er sommige moesten gebruikt worden bij de aanstaande kroning van den nieuwen Keizer, zoo ook voor behangsels van bedden, en bekleedsels van onderscheide meubelen aan het Hof; want het schijnt, dat het Keizerlijke in pracht en kostbaarheid niet voor het voormalige Koninklijke zal willen onderdoen: en wat voer men daar in het begin van de omwenteling tegen uit,trouwens, en dit kan men vooral met regt van deFranschenzeggen, “de tijden veranderen en de menschen ook.”

Ik kwam op straat een’ Priester tegen, die openlijk de hostie naar een zieke droeg; een man met een bel ging vooraf, zoo als zulks in deRoomscheLanden gebruikelijk is; vele menschen knielden, alle namen de hoeden af. Ik had hier ook al een begravenis met Priesters en kerkelijke plegtigheden gezien, en ik vernam dat ’er ook somtijds proçessien gaan. Waar toe toch al deze toestel en openlijke vertoningen; de geloovigen, dunkt mij, zullen ’er niet gelooviger door worden, en de ongeloovigen nog veel minder; was het dus niet beter, dat men, om zich aan geene spotternij bloottestellen, en om anderen niet te ergeren, of aanleiding tot onaangenaamheden en verwijdering te geven, binnen de kerkgebouwen bleef; daar mogen de onderscheidene geloofsbegrippen te pas komen, daar zijn wij Joden, Roomschen of Protestanten, op de straten en andere plaatsen zijn wij alle burgers, en hoe minder wij ons in dien kring door onderscheidene benamingen, leuzen of diergelijke trachten te onderscheiden, hoe meer wij immers de eensgezindheid en alzoo het algemeen geluk bevorderen.

Na den middag was het nog al redelijk goed weder, en ik wandelde de kaai van deSaonezuidwaards op, langs de puinhoopen en nog overgeblevene muren van het Arsenaal, bijna geheel door het bombardement vernield, gelijk ook een groot gedeelte van dezewijk, en waar van nog maar weinige huizen zijn opgebouwd. Ik kwam vervolgens aan de hier zoo beroemde werken vanPerrache, die de vereeniging van de twee rivieren omtrent 1100 halve roeden (toises) voor uit heeft gelegd, zoo dat de stad hier door een aanmerkelijk stuk gronds wint. VoorHollanders, aan dijken en droogmakerijen gewoon, baart dit werk niet veel verwondering. Men heeft hier ook aangename wandelingen, en ik keerde langs de kaai van deRhone, die daar aangenaam beplant is, weder terug. Behalve de huurkoetsen (fiacres) vindt men in deze stad, en de omliggende streken, ook nog een ander soort van rijtuigen, het zijn ligte wagentjes, zeer laag, en op vier wielen, die door één paard getrokken worden; de banken zijn in de lengte geplaatst, zoo dat men ’er op zijde, rug tegen rug, en de beenen buitenwaarts inzit; op de banken, waarvan sommigen op riemen hangen, liggen matrassen; doorgaans kan men ’er met zes en meêr personen in zitten, zij worden veel gebruikt, om na buiten te rijden; men vindt ze gemeenlijk staan, bij de voorname uitgangen van de stad, en kan ze daar goedkoop huren. Die rijtuigen wordenCarioles de Lyongenaamt, en de voerlieden, die ze verhurendes Carioleurs.

Heden den 1 Augustus is het weder nog al redelijk, en het scheen, dat de regen toch eindelijk eens zou ophouden; wij bepaalden dan ons vertrek op morgen, indien wij eenige reisgenooten konden vinden, om een schuitje (bateau de poste) totAvignonmetons te huren. Hier in slaagde ik zonder veel moeite, wij waren met acht personen, en huurden zoo een schuitje voor zesLouis d’Ors, onder beding dat het goed met planken overdekt, en van zitbanken en stroo, om de voeten in te zetten, voorzien moest zijn; vooral ruim en stevig genoeg, ook in allen opzigte geheel tot onzen dienst, zoo dat wij hier en daar des goedvindende konden aanleggen, mits de reis ’er niet te veel door werd vertraagd; de schipper mogt niemand buiten onze toestemming aan boord nemen enz. Alle diergelijke voorwaarden behoort men te voren wel uitdrukkelijk te maken, om daarna geene moeijelijkheden te hebben; omtrent dit alles overeengekomen zijnde, gaf mij de schipper (patron) eenLouis d’Orop hand, ten blyke, dat de overeenkomst gesloten was, dit is genoegzaam door geheelFrankrijkgebruikelijk, het zij de huurder of verhuurder, kooper of verkooper die geeft, men noemt dit handgeldles arrhes; voorts was de afspraak, dat wij morgen ochtend met het krieken van den dag zouden vertrekken, indien de wind, die noorden was, zoo bleef, kunnende ’s avonds van denzelfden dag dan nog teAvignonzijn; de schipper zou ons in dat geval laten roepen; doch als de wind veranderde, behoefden wij zulk een haast niet te maken, omdat men dan toch een nacht onderweeg moest slapen.

Daar nu onze afreis bepaald was, en ik al, wat hier merkwaardig is, genoegzaam gezien had, bleef mij nog over, om in een voornaam magazijn een kleinevoorraad vanLyonschezijden kousen te kopen, en ik vond ’er zeer goede voor £ 9–:–: het paar, zoo witte als zwarte. Het overschot van mijn’ tijd besteed ik nu, om aan u te schrijven, en dezen brief te sluiten, na u vooraf nog het een en ander aangaande deze stad te hebben medegedeeld.

Van ouds droegLyonden naam vanLugdunum, en had dus bijna denzelfden naam als onsLeydenLugdunum Batavorum; misschien had men ’erBatavorumbijgevoegd, om die stad van hetLugdunumderGaulente onderscheiden. Naderhand werdLyoneen Aartsbisdom en de Hoofdstad van de Provinciele Lyonnois, thans is het de Hoofdplaats van het Departement van deRhoneen het verblijf van dePrefectureenTribunal d’Appél; men begroot het getal der inwoners, naar men mij verzekerde, nog heden op omtrent 120,000.Lyonwordt op 100Franschemijlen afstands vanParijsgerekend, doch overDyonis het verder; zij is omtrent 40 van deze laatstgenoemde plaats gelegen, en 48 vanAvignonDe hoofdstad niet zijnde, noemen deLyonnezenhun stad egter de tweede vanFrankrijk; want zij worden voor zeer hoogmoedig en eigenbelangzoekend (egoistisch) gehouden; zoodatLyonvoor hun schier alles, en het heeläl bijna niets is; dezen karaktertrek schrijf ik al weder toe aan de hooge Geestelijkheid van die stad; want deze door hunnen alles vermogenden invloed gaf toch den voornaamsten plooi aan ’s volks denk- en handelwijze; oordeel of het ook groote sinjeurs moeten geweest zijn; vanden Aartsbisschop af, tot den laatsten Kanunnik van het Domkapittel toe, noemden zij zichComte de Lyon; het waren alle Prinsen en Graven, zij moesten 16 kwartieren, zoo van ’s vaders als van ’s moeders zijde in hun wapen voeren, en de Koning vanFrankrijkwas hun eerste Kanunnik. Deze geestelijke Graven, die zich de navolgers van den nederigenChristusnoemden, waren zoo verregaande opgeblazen, dat zij zich met de Godheid, dien zij erkenden, schenen gelijk te willen stellen: want zij knielden niet in tegenwoordigheid van de Hostie. Dit hadden zij zelfs tegens deSorbonne5volgehouden, tot dat, naar men zegt,Lodewijkde XIV. zich eens onder hun in deSt. JansofDomkerkbevindende, goedvond om te knielen; nu konden zij welstaanshalve toch ook niet anders doen, zij knielden dan, maar voor wien, voor God of voor den Koning?—Ik wenschte, dat zoo vele brave en achtingswaardige Roomschgezinden, met alle diergelijke schandelijke zaken, waar door men den godsdienst ontluisterd, wat meêr bekend waren. De geschiedenis doet ons egter ook een’ Aartsbisschop vanLyon, die in het laatst van de afgelopen eeuw geleefd heeft, als een’ achtingwaardig man, kennen, voornamelijk om de vriendschap tusschen hem enden vermaarden wijsgeer en schrijverThomas6, die teLyonin de armen van dien Aartsbisschop, genaamdMontaset, gestorven, en op deszelfs landgoed, even buiten de stad, begraven is; waar de redelijkeMontasetzijn overleden vriend dan ook een graftombe oprigtte, die hij door zijn tranen aan de vriendschap heiligde.

Onder verscheidene vermaarde mannen, konstenaars en geleerden, werd ookPierre Perrin, stichter van deFransche Opera, en dus voor deFranschenwel een groot man, hier geboren: hij voerde den titel vanAbbé, Conseiller du Roienz. en werd het eerste bevoorregt met het Koninklijk verlof (lettres patentes) om de Koninklijke Muzijk-Akademie opteregten, in 1669. De eerste Opera, die hij in ’t openbaar gaf, (teParijsin 1671) wasPomonegenaamd. Hoewel de versen, vanPerrinzijn eigen maaksel, zeer slecht waren, werd het stuk toch zeer toegejuicht en acht maanden agter elkanderen gespeeld, zoo dat deze Opera, hem alleen voor zijn aandeel 30,000 Livres opbragt; doch zoo als het gemeenelijk gaat, de voorspoed werd door de afgunst gevolgd, enPerrinwas al schielijk verpligtom zijn voorregt tegen een sommetje aftestaan; zijn geluk was dan van korten duur, en hij stierf teParijsomtrent het jaar 1680. De beeldhouwersCoysevoxen de tweeCoustou’s, zijn ook vanLyon, als medeJoseph Vivieneen van de uitvinders van het teekenen met pastel. Op de geboorte vanCaracallaheeft de stadLyongeen reden om roem te dragen—en hoe zeldzaam had het menschdom reden, om de geboorte van een’ Keizer of Koning te zegenen!—Onder verscheidene Kerkvergaderingen (Conciliën) die hier gehouden werden, zijn die van 1245 en 1274 vermaard, de eerstgenoemde niet alleen, omdat bij hetzelve besloten werd, dat de Kardinalen voortaan roode hoeden zouden dragen; maar bijzonder ook omdat KeizerFrederikde IIde, in den ban gedaan, en van het Keizerrijk ontzet werd door PausInnocentiusden IV.; de andere door de geloofspunten, die daar verhandeld werden, was de voorname oorzaak van de scheuring der kerk, door de afzondering derGrieken—maar ik houde mij op, met u dingen te vertellen, die gij misschien lang weet, in plaats van naar bed te gaan, wijl ik ’er morgen vroegtijdig uit moet.

1Dat stuk is daar in een korten tijd ver over de honderd malen gespeeld; want een groot gedeelte van deParijzenaarsliep ’er naar toe.2’t Is te verwonderen, dat men aan merkwaardige overblijfsels, zulk een kleinachting aanduidenden naam heeft gegeven; wantAntiquaillebeteekent oude prullen.3De teekening is nog al tamelijk, behalven het opgenoemde, was ’er ook nog de afbeelding van een mensch bij; de Engel en Duivel schenen zich met hem bezig te houden. Misschien verbeeldt het een mensch in de eerste tijden van het Christendom, die door den Duivel tot den Afgodendienst verleid wordt, terwijl een Engel ’er hem van terug houdt.4Het aanroepen van deze Lieve Vrouw, als men zich in nood bevond, scheen hier al vrij algemeen, doch ieder was juist niet even naauw gezet in het nakomen van zijne gelofte. Men verhaalde mij ten dezen opzigte een geval, dat mij deed lagchen; eenige jaren geleden was een schippers knecht van de schuit in deRhonegevallen, en deed volgens gebruik eene gelofte aan de Lieve Vrouw vanFourvières, doch de redding volgde niet spoedig; en, of door den sterken stroom of anderzins niet kunnende zwemmen, begon hij reeds te zinken, toen zijn schipper hem met een haak vastkreeg en ’er uithaalde. Vervolgens zijne gelofte vergetende, werd hij daar aan door zijn’ Biegtvader herinnerd, doch ontschuldigde zich met te zeggen: “Zij heeft geen haast gemaakt, om mij te helpen, ik behoef ook geen haast te maaken om te betalen, want kijk, Mijn Heer Pastoor! als onze schipper niet beterbij de hand geweest was dan onze Lieve Vrouw, ik had ’er bij mijn .... om koud geweest.”5DeDoctorenvan dit vermaardekollegie; dat doorRobert de Sorbon, Hofprediker en Biegtvader vanSt. Louïs, in 1252 gesticht werd, waren inFrankrijkde gewone regters inTheologischegeschillen van aanbelang.6Bekend door zijne welsprekende en wijsgeerige geschriften, zoo als zijne lofspraken (eloges) vanMarcus Aurelius, vanSully, vanDescartesenz. hij legt daar in zijne vrije en onbevooroordeelde denkbeelden duidelijk aan den dag.Thomaswas ook een bijzonder vriend van MevrouwNecker.

1Dat stuk is daar in een korten tijd ver over de honderd malen gespeeld; want een groot gedeelte van deParijzenaarsliep ’er naar toe.

2’t Is te verwonderen, dat men aan merkwaardige overblijfsels, zulk een kleinachting aanduidenden naam heeft gegeven; wantAntiquaillebeteekent oude prullen.

3De teekening is nog al tamelijk, behalven het opgenoemde, was ’er ook nog de afbeelding van een mensch bij; de Engel en Duivel schenen zich met hem bezig te houden. Misschien verbeeldt het een mensch in de eerste tijden van het Christendom, die door den Duivel tot den Afgodendienst verleid wordt, terwijl een Engel ’er hem van terug houdt.

4Het aanroepen van deze Lieve Vrouw, als men zich in nood bevond, scheen hier al vrij algemeen, doch ieder was juist niet even naauw gezet in het nakomen van zijne gelofte. Men verhaalde mij ten dezen opzigte een geval, dat mij deed lagchen; eenige jaren geleden was een schippers knecht van de schuit in deRhonegevallen, en deed volgens gebruik eene gelofte aan de Lieve Vrouw vanFourvières, doch de redding volgde niet spoedig; en, of door den sterken stroom of anderzins niet kunnende zwemmen, begon hij reeds te zinken, toen zijn schipper hem met een haak vastkreeg en ’er uithaalde. Vervolgens zijne gelofte vergetende, werd hij daar aan door zijn’ Biegtvader herinnerd, doch ontschuldigde zich met te zeggen: “Zij heeft geen haast gemaakt, om mij te helpen, ik behoef ook geen haast te maaken om te betalen, want kijk, Mijn Heer Pastoor! als onze schipper niet beterbij de hand geweest was dan onze Lieve Vrouw, ik had ’er bij mijn .... om koud geweest.”

5DeDoctorenvan dit vermaardekollegie; dat doorRobert de Sorbon, Hofprediker en Biegtvader vanSt. Louïs, in 1252 gesticht werd, waren inFrankrijkde gewone regters inTheologischegeschillen van aanbelang.

6Bekend door zijne welsprekende en wijsgeerige geschriften, zoo als zijne lofspraken (eloges) vanMarcus Aurelius, vanSully, vanDescartesenz. hij legt daar in zijne vrije en onbevooroordeelde denkbeelden duidelijk aan den dag.Thomaswas ook een bijzonder vriend van MevrouwNecker.


Back to IndexNext