Elfde Brief.

Elfde Brief.Marseille, 18 Augustus.Ik heb u gezegd, dat ons oogmerk was om een uitstapje naarToulonenHièreste doen: daar wij nu hier genoegzaam al het merkwaardige gezien hadden, gingen wij den 14 dezer ’s morgens om drie uren, per gewoonen postwagen, naarToulonop reis. Men betaalt daar voor 9 livres de persoon, en voor een bagatel komt een van de bedienden van den Commissaris de reizigers opwekken, en hun pakje halen; want als men koffers of diergelijken heeft, moeten die daags te voren bezorgd worden. Men rijdt de poort, of eigenlijk debarrièrevanRome(want een poort staat ’er niet) uit, voorbij verscheidenebastides(buitenplaatsen), vervolgens door een aangenaam dal, waar men heuvels ziet, die met wijngaarden beplant zijn totAubagne, een stadje aan het riviertjele Veaune, 2 posten vanMarseillegelegen. Op een stuk marmer, hier omstreeks ontdekt, vindt men dat ’er voorheen ter dezer plaatse een stad bestond, genaamdLucretum; en eene andere, niet ver van daar, genaamdGargarium. DeRomeinscheregering had, ten haren koste, baden teLucretumdoen maken, om ’er het vrije gebruik van aan de inwoners te laten;men meent dan ook, dat de naam vanAubagnezijn’ oorsprong heeft vanad balnea(bij de baden). Men maakt hier een lekker soort van gekookten wijn, dien men ookmalvoisienoemt; de bevolking wordt op omtrent 4000 begroot. De inwoners hebben in ’t geheel den besten naam niet: velen maakten met elkanderen een bende uit, die zich met rooven, moorden, en plunderen der reizigers ophield. De geheele landstreek plagt, aan deze kanten, nog niet lang geleden, zoo gevreesd te zijn, als bij ons het land vanValkenburgbijMaastricht; en het is ’er nog niet zuiver; doch depolitieneemt goede maatregelen: echter mag dit plaatsje ook roem draagen, op een in de letterkunde beroemden man; ik meen den AbtBarthelemy1, die hier geboren werd. Men vindt hier digt bij vrij hooge bergen, en die zich, volgens natuuronderzoekers, over de 2000 voeten boven de oppervlakte der zee verheffen; op en tusschen de rotsen, groeijen vele pijnboomen; en zoo lagchende als de natuur aan den anderen kant vanAubagneis, zoo woest en treurig vertoont zij zich hier. Eer men teCugeskomt, heeft men echter een dal, waar het ’er wat beter uitziet; en de afwisseling der gezigten maakt den weg aangenaam.Cugesligt 3½ post vanMarseille, het plaatsje zag ’er slordig en armoedig uit, en hier moesten wij eten, hoewelhet ’s morgens omtrent 9 uren was. De herberg had ook in ’t geheel geen gunstig aanzien; doch de kok, hoewel vrij smerig, zag ’er frisch en gezond, uit, en ik geloof, dat hij wel 250 ponden kon halen; ik had daarom nog al goeden moed, dat de keuken ’er niet schraal zou zijn, en dit ging dan ook nog al vrij wel. Een van onze reisgezellen, een ronde en vrij ruwe zeeman, droeg hier zeer veel toe bij, en zorgde dat ’er geen proviand te kort kwam; onder anderen zette men ons roode patrijzen voor, die ik nimmer beter gegeten heb, en wij betaalden maar 40solsde persoon. Eer ik op den wagen stapte, nam ik den boêl nog eens op, want het scheen mij om de ongemeene morsigheid en slordigheid merkwaardig; daar bij kwam nog de zonderlinge t’ zamenstelling van het huis, en evenwel scheen men ’er veel te doen te hebben, want het was ’er drok, en ik had ’er met dat al ook smakelijk gegeten; doch tusschen eenHollander, die eenigen tijd gereisd, en onder vreemden verkeerd heeft, of eenHollander, die voor het eerst uit eene geregelde en zindelijke huishouding, in eene smerige herberg komt, verschillen de gewaarwordingen nog al eenigzins; en ik herinner mij bij deze gelegenheid een geval, dat om het karakteristieke, dat ’er in is, hier, dunkt mij, wel een plaatsje verdient. EenAmsterdamschkoopman, voor de eerste maal, (behalve een enkel togtje naar denHaarlemmerhoutofMuiderberg) zijne geboortestad en zindelijke woning verlatende, begaf zich door zijn knegt verzeld,in gezelschap van eenDuitscheren eenFranschmannaarHamburg, ter verrichting van zijne zaken; want anders was de goede man zeker t’huis gebleven. Naauwlijks was hij over de grenzen, of hij bespeurde al ras, dat de woningen ’er daar, zo in als uitwendig, geheel anders uitzagen dan teAmsterdam, op deHeere-,Prinse-ofKeizersgrachten. Aan een herberg komende, waar zij zouden afstappen, sprong deFranschmanin eens uit den wagen, in huis, en de waardin ontmoetende, die ’er nog al wel uitzag, hield hij zich bezig met haar een menigtedouceurste zeggen, en bekommerde zich om het overige niet; deDuitschervolgde, en den hospes opgezocht hebbende, vroeg hij, of ’er wat te eten en te drinken was; vervolgens kwam onze landsman binnen, keek naauwkeurig rond, riep zijn’ knecht, en zei tegens hem op een deftigen toon: ”Keesie! ga eens kijken of het hoisie wel schoon is?” Nu vreemden vooral mogen hier mede lagchen, en de zindelijkheid in sommige gedeeltens van ons land overdreven vinden, ieder een zal toch overdreven zindelijkheid, minder onaangenaam vinden dan overdreven morsigheid. Een eind weegs buitenCugestegen een hoogte moetende oprijden, die nog al steil was, verkozen wij daar te wandelen, en ik vermaakte mij met de grootsche en woeste tooneelen, die men hier aantreft, te beschouwen. Verbeeld u een woud van pijnboomen op rotsen, die zich hier al vrij hoog verheffen, en ginds een’ afgrond vormen; een steile kronkelende weg looptdaar door, en het gelijkt hier meêr naar het noordelijk, dan naar het zuidelijk gedeelte vanEuropa, (eene regte schilderij vanvan Everdingen) nogthans, hoewel de wind zich in de toppen der pijnboomen deed hooren, was op sommige plaatsen, buiten de schaduw, de rots, waar men op ging, brandend heet, en ’er bleef nog al een enkele zweetdroppel, eer wij boven waren. Langs vele van die pijnboomen was de schors en een gedeelte van het hout afgekapt, op zulk eene wijze verkrijgt men de harst, die uit deze wonden traant, doch hier na kwijnt en sterft de boom ook. ’t Is opmerkelijk, hoe deze boomen zich op sommige plaatsen met hunne wortels tusschen de spleten en kloven der rotsen gevestigd hebben, en verwonderlijk, dat ’er op dezen barren en steenachtigen grond, waar op het gedurende een goed deel van het jaar, maar zeldzaam regent, nog iets groeijen kan. Boven op de hoogte is de bodem ook kaalder, en men ziet slechts hier en daar een enkelen boom. Wij kwamen hier aan een kleincampvan 40 à 50 militairen, behoorende tot het garnisoen vanToulon; zij wonen in hutten, en zijn daar geplaatst, om te waken tegen de rooverijen en aanrandingen, die hier aanhoudend plaats hadden; sedert zijn de wegen ook veel veiliger: echter is het nog maar veertien dagen geleden, dat hier omstreeks een enkele kerel zich verstout heeft om den postwagen aanteranden; doch men heeft zich ook dadelijk meester van hem gemaakt, en hem naarMarseillegebragt. Zulk soort van volkwordt daar doorgaans zonder vorm van proçes gevonnisd, ter dood verwezen, en op of bij de plaats, waar het feit begaan is, voor den kop geschoten. Wat verder op langs den weg, die echter breed genoeg is, heeft men duchtige diepten.Beausset, waar wij van paarden veranderden, scheen mij een plaatsje, dat niet veel beteekent, en het zag ’er ook al slordig en armoedig uit. Tot mijne verwondering zag ik hier een witten Monnik, waarschijnlijk komt die uitItalië, om hier te bedelen. Onze zeeman, die Kapitein was, en een Fregat voorGenualiggende kommandeerde, wilde hem voor handlanger mede nemen, doch te bejaard zijnde, deed hij hem dat voorstel niet. Buiten dit plaatsje kwamen wij eenige gevangenen tegen, die kettingen om den hals en sommige aan handen en voeten hadden, en zoo aan elkanderen waren vastgemaakt; ik hield hen voor booswichten, die naar de galeijen gevoerd werden; doch onze Zeekapitein zeide, dat het weggeloopen matrozen waren, die men weder naar hun schip bragt, het waren meest jonge lieden; zij werden doorGens d’Armeste paard geleid, en leeden veel door de brandende hitte, en de zwaarte van hunne ketens, zoo dat ik recht medelijden met hun had.—Franschenmet ijzeren kettingen om den hals! en hoe ligt beschuldigen zij andere volkeren van woestheid en barbaarschheid. Nu zagen wij welhaast niets anders dan dorre en naakte bergen, en kwamen vervolgens in de engte tusschen steile rotsen, die menles Gorges d’Ollioulesnoemt. De rotsen staan hier als steile en onbeklimbaare muren, langs denweg, die zeer ongelijk en hobbelig is, zijnde ook niet anders dan steenrots; hier en daar treft men in deze engte, tusschen de rotsen, langs den weg, aanmerkelijke diepten aan. Het water dat zich bij zware regenbuijen, of door het smelten van de sneeuw, hier langs ontlast, vormt dan een’ snellen stroom, die somwijlen opgestopt wordt door de stukken steen, die hij medevoert, en dan, op eenmaal weder geweldig losbarstende, den weg op die plaatsen, waar hij laag is, overstroomt, en alles wat hij ontmoet medesleept, en den ongelukkigen reiziger verzwelgt. Gelukkig dat de zon niet hoog meêr stondt, toen wij ons hier bevonden; want dan moet het ’er brandende heet zijn, omdat ’er, als rondom beschut zijnde, geen windje toegang heeft, en de terugkaatzende hitte van de rotsen die van de lucht en van de zonnestraalen nog vermeerdert. Op sommige plaatsen zou men hier te vergeefs rondom zich een enkel grasscheutje of plantje, hoe ook genaamd zoeken. De natuur vertoont zich ontzaggelijk, en heeft allen bevalligen tooi afgelegd; echter ziet men bij het steedjeOllioules, reeds orange-, citroen- en granaatboomen in de open lucht;Ollioulesis de bloemtuin vanMarseille, en men brengt van daar zeer vele bloemen te markt. Hier omstreeks plagt ook een koper- en zilvermijn te zijn, en men ontdekt in deze rotsen ook sporen van uitgedoofde vuurbrakingen (volcans). Daar omstreeks zagen wij veel Kapperplanten2, zoo als wij reeds in menigte tusschenMarseille, en hier vooral in de vlakte vanAubagnegezien hadden: de bloem is fraai, en heeft wel iets van de passiebloem, en de kappers zoo als zij ingelegd worden, zijn de bloemknopjes; de kleinste worden voor de beste gehouden. Nu komt men opToulonschenbodem, en ziet hier onder anderen een’ grond, bestaande uit steentjes, die door eene harde stof aan elkanderen vastzitten, als of zij met kalk of cement aan een waren gehecht. Dezen grond noemt mensaffre; hij wordt zoo hard in de lucht, en men maakt ’er hier omstreeks, met goed gevolg, gebruik van, om muren te bouwen. Van een hoogte, waar de weg overloopt, heeft men een verrukkelijk gezigt op de reede vanToulon; daar lagen verscheidene oorlogsschepen. Wij reden vervolgens over een brug, die eenige jaren geleden door deEngelschewas afgebroken, om hier door hunnen aftogt uit de stad te dekken. De toegangen vanToulonzijn niet onbevallig, en de stad zelve ligt fraai in zijn wallen, muren en grachten, die vrij wel onderhouden schijnen te zijn. Het was ’er door de menigte zeelieden, die hier op de reede liggen, en door het garnisoen, vrij levendig. Het was omtrent half zes, toen wij aankwamen.BeaussetenToulonzijn ook twee, en dusMarseilleenToulonin ’t geheel 7½post van een gelegen. Wij namen onze intrek in het Hotèlla Croix de Malthe, waar het ’er redelijk wel uit zag. Na eens op de haven te hebben wezen kijken, en een gedeelte van de stad, die niet groot is, doorgeloopen te hebben, ging ik naar den Schouwburg, waar mende GierigaardvanMolière, vrij wel speelde; na hetzelve gaf menPhilippe et Georgette, zangspel, en ook dit heb ik op voornamer tooneelen dan dat vanToulon, wel minder gezien.Den 15 dezer ging ik al vroeg naar de haven, waar het regt vrolijk was, door de menigte van varensvolk, die dan met sloepen aankwamen, en dan weder wegroeiden. Hier zag ik voor het Stadhuis een fraai verguld Vrijheidsbeeld, op een marmer voetstuk. Het beeld zelve, naar ik vernam, was slechts van hout. ’t Is of die vanToulonvoorzien hebben, dat het maar voor eenige jaren zou moeten dienen.—Het ware te wenschen, dat dit vooruitzigt meêr algemeen was geweest. Rondom op het voetstuk las ik de volgende versen:“Sur les vertus, et sur les loisl’Auguste Liberté repose:A la perdre l’homme s’expose,Si-tot qu’il meconait ses devoirs ou ses droits.Souviens toi, que le créateurTe fit pour n’avoir point de maitre,Lui même si bien fait pour l’être,Se derobant aux yeux ne commande qu’au coeur.“Mortel jusqu’au dernier soupir,Que la Liberté te soit chère,Ton plus digne soin sur la terre,Est de la conserver, et d’en savoir jouïr.“On est digne d’un si grand bien,Lorsque l’on sait à la patrie,Immoler tout jusqu’a la vie,Lors qu’au bonheur de tous on attache le sien.”De twee beelden die hetbalconvan het Stadhuis onderschragen, zijn twee kunst-stukken van denMarseillaanschenbeeldhouwerPuget. Men zegt, dat deze kunstenaar zich te beklagen hebbende over twee consuls dezer Stad, die toen aan het hoofd van het bestuur waren, met zoo veel waarheid de trekken van hun gelaat in die zijner beelden wist te brengen, dat men ze niet miskennen kon, zoo dat die twee Heeren, na hun consulaat, niet meêr voorbij het Stadhuis durfden gaan.Toevallig bekwamen wij een brief aan den Kommandant van het Fortde la Malgue, op een’ heuvel even buiten deItaliaanschepoort gelegen; hoewel het zeer warm was, gingen wij ’er naar toe. Die offiçier, die nog jong, maar verminkt was, ontving ons vriendelijk, en na onze paspoorten onderzocht en verscheidene vragen gedaan te hebben, gaf hij ons een onderoffiçier mede, on ons het Fort te laten zien. Het is naauwelijks dertig jaren geleden gebouwd, schijnt zeer sterk, en bijzonder geschiktom de reede te dekken: men heeft van hetzelve een alleraangenaamst gezigt in zee. Nimmer zag ik inFrankrijkiets van die natuur, dat zoo net onderhouden was. Rondom in hetzelve zijn casernen en casematten; in een van die liet men ons de looden kist zien, waarin het gebalsemde lijk van den GeneraalJoubert, gesneuveld in de bataille vanNovi, ligt. De wand was met zwart laken behangen, en tegen denzelven stonden verscheidene krijgsstandaarden, met onderscheidene toepasselijke opschriften. Om de kist zag men een soort van Lijklampen. Dit lijk werd hier bewaard, tot dat de graftombe, die ’er voor gemaakt moest worden, in gereedheid zou gebragt zijn. De wijn, die langs dezen heuvel groeit, is vooral hier omstreeks beroemd en bekend onder den naam vanVin de la Malgue. Wij telden van hier 22, zoo groote als kleine, schepen op de reede, en waar onder, naar men ons verhaalde, 10 van linie. DePholadeeen schulpvischje, dat zich in den harden steen eene woning weet te maken, wordt ook in de steenen aan den oever der zee, hier omstreeks, gevonden. Dit schulpvischje, dat goed is, om te eten, geeft, versch zijnde, in het donkere eenphosphorieklicht van zich3. Dekermesofvermiljoeninsectwordt ook op de struiken, staande op en tegen de heuvels langs de zee in deze streek, en wel bijzonder vanToulontotSt. Tropézgevonden.Het was hier feestdag, zijndeMaria Hemelvaart, een van de heilige dagen, die volgens het concordaat, inFrankrijkgevierd worden—zijnde ook de Verjaardag vanBonaparte;—ik ging eenige Kerken bezigtigen. Die vanSt. Louïs, maar korten tijd voor de omwenteling voltooid, heeft in het begin van dezelve gediend voor een tempel der Reden: thans wordt de Roomsche godsdienst ’er in verrigt, en ’er was een Lieve Vrouwe beeldje ten toon gesteld, met een fraai geborduurde samaar aan, dat de geloovigen kwamen kussen. Deze Kerk is een schoon gebouw, het pronkt met een mooije, en in denantiquensmaak gebouwdefacade. Rondom de koepel, waar onder het groot autaar staat, zijn fraaije kolommen, en over het geheel heeft deze Kerk een deftig en bevallig voorkomen. Wij aten ’s middags in ons Logement met eenige Offiçieren, waar onder ’er waren die zeer Republikeinsch gezind schenen. Het eten was vrij goed voor 3Livres: wij namen ook een fles wijnde la Malgue, doch die beviel mij zoo min als de overige wijnen van dit land. Na den middag ging ’er een proçessie door de straten, men droeg een mooi opgeschikt Lieve Vrouwebeeld rond; eenige weinige leden van den Magistraat, met fakkels in de hand, waren hier bij tegenwoordig; voor het overige waren het meest vrouwen, die volgden, en vele der omstanders schenen’er weinig eerbied voor te hebben; sommige dreven ’er zelfs openlijk den spot mede.Toulonis een vrij gnappe stad, en vooral het nieuwe gedeelte (le quartier neuf) ziet ’er wel uit. De paradeplaats is fraai en rondom met boomen beplant: zij dient tevens voor eene gemeene wandeling, en met den feestdag was hier veel volk. Op deze plaats zijn ook eenige schoone koffijhuizen, die veel te doen hadden, vooral door de Zeeoffiçieren en andere militairen, die meest aan de deur zaten; dit alles maakte het hier zeer levendig en vrolijk. Ik zag in een ander gedeelte van de stad ook nog een breede straat, die met boomen beplant was. Op de markt, waar wij geherbergd waren, staat een fraaije fontein; tegen het zuiden open, en van de noordzijde beschut door hooge bergen of rotsen, daar bij op 43 graden, 7 minuten en 24 seconden noorderbreedte gelegen, kan het teToulonzeer warm zijn. De haven is fraai, ruim en zeer geschikt ter beveiliging der schepen. Van den wal, vooral aan den kant van de haven, heeft men ook een aangenaam gezigt. Men had mij gezegd, dat om het Arsenaal, een der merkwaardigste dingen, die men hier heeft, te zien, wij een schriftelijk verlof van denprefectvan de Marine moesten hebben; dat, uit hoofde der tijdsomstandigheden, niet ligt werd toegestaan. Ik was ’er den vorigen avond te gelijk met eenig werkvolk al eens opgeloopen, want, van den postwagen komende, had ik een lange broek en een buisje aan; men had in die kleeding geen acht op mij geslagen, maar waarschijnlijk vooreen zeeman, die daar een boodschap had, aangezien; doch ik kon ’er toen niet lang blijven, om dat het, avond wordende, de ingang gesloten werd, en allen, die ’er af wilden, een kaartje of briefje moesten vertoonen. Heden waagde ik het dan in dezelfde kleeding weder, en het gelukte mij insgelijks, gelijk ook mijn reisgenoten. Het geen men hier het Arsenaal heet, zou men bij ons een Scheepstimmerwerf noemen. Deze plaats, waar men schier al het noodige tot den scheepsbouw in bijzondere gebouwen bij elkanderen vindt, als mede het geen tot de wapening en toerusting van denzelven vereischt wordt, is zeer ruim, en aan het eene eind van de kaai gelegen. Ik zag hier verscheidene groote schepen op stapel staan. De in den grond gebouwde steenen kom, geschikt om daar in de schepen te kalfateren, verdient vooral opgemerkt te worden; zij heeft omtrent de gedaante van een schip, zijnde, volgens daar van gevonden aanteekeningen, 300 voeten lang, 100 breed, en 34 hoog. Door middel van sluizen en pompen, kan men ’er het water uit en inlaten; als het schip ’er in is, pompt men de kom ledig, zoodat de scheepstimmerlieden dan overal bij kunnen. Niet ver van hier ziet men de galeijen, die echter niet meêr gebruikt worden, en zelfs masteloos zijn. Thans dienen zij alleen maar tot een verblijf voor misdadigers, veroordeeld, om geboeid aan ’s lands werk te arbeiden, en waar van ik ’er hier een groote menigte zag. Men verzekerde mij, dat ’er wel 4000 waren; zij zijn met zware kettingen geboeid,meestal twee aan twee; deze ketting is dan aan een ijzeren beugel, dien zij aan een der beenen hebben vastgemaakt, aan een gordel die zij om het lijf hebben, is een ijzeren haak, waaraan zij, wanneer zij gaan, de ketting, die hun anders zou naslepen, ophaken. Hunne kleeding is voornamelijk een wambuis, of korte schanslooper, van een grove pij, en een mutsje van diergelijke stof op het hoofd. Zij zijn afgedeeld in onderscheidene klassen, die tot onderscheidenen arbeid gebruikt worden. De kleur van hunne kleeding verschilde dan ook, en ik zag troepen, die in het bruin, en anderen die in het rood waren. Eenigen, wier tijd bijna uit is, of die zich door een aanhoudend goed gedrag het vertrouwen van hunne opperhoofden hebben waardig gemaakt, worden aangesteld als opzienders over de anderen, en deze hebben slegts een beugel en geen ketting aan het been, en zien ’er ook beter uit in dekleederen; zij doen allerlei ruw werk op de werf en in de werkhuizen. Ik zag ’er ook een hoop in de stad, komende uit een caserne, die zij schoon hadden gemaakt; zij werken ook aan de vestingen, aan het schoonmaken van de haven enz. Wanneer zij arbeiden, worden zij door wachten verzeld, en blijven bovendien geketend. Met dat al vinden sommigen nu en dan nog gelegenheid, om te ontkomen. Mogelijk is het veelal aan hunne ruwe levenswijze, harden arbeid, en haveloze kleeding toeteschrijven, anders zou men deze menschen beschouwende, moeten bekennen, dat de leer vanLavateral vrij gegrond is; want zij zien ’er dan, over het algemeen, al zeer afschuwelijk uit, en de ondeugd is, zoo als men zegt, op het gelaat van velen te leezen. De galeistraf schijnt niet eerder inFrankrijk, dan sedert het midden van de 16de eeuw gebruikelijk geweest te zijn; althans de eerste vonnissen, die tot deze straf verwijzen, zijn van 1532 en 1535, en de eersteordonnantie, die ’er van spreekt, is die vanKarelden IX. gegeven teMarseillein 1564. Voorheen waren ’er ook galeijen teMarseille, doch sedert eenige jaren bestaan zij daar niet meêr, en in ’t geheel worden deze schepen doorFrankrijkniet meer gebezigd; toen men ’er nog gebruik van maakte, dienden de misdadigers, om ze voortteroeijen op deMiddellandsche Zee. Zekere Koning vanFrankrijk, zegt men, teMarseillezijnde, ging de galeijen bezoeken, en vroeg aan verscheidene galeiboeven (forçats) hoe zij daartoe gekomen waren; ieder wendde voor, dat hij onschuldig was, en trachte door een menigte verontschuldigingen het medelijden des Konings optewekken; een enkele echter bekende rondborstig schuld, en beleed zijne misdaden. De Koning wendde zich daar op tot de opzienders van de galei, zeggende: “dat men dezen deugniet terstond van hier uit het midden van zoo vele goede en eerlijke lieden wegjage, en dat hij ’er nooit weder kome!” Indien dit, zoo als het verteld wordt, waar is, moet men bekennen, dat die Koning eene aardige tegenwoordigheid van geest toonde; doch men zet zoo veel dingen vandien aard, op rekening der Vorsten, en bedient zich over het algemeen van alle middelen, die maar eenigzins strekken kunnen, om hen, is het mogelijk, in het oog van het volk wijzer, beter en verhevener te maken dan andere menschen: jammer is het voor hun, dat zij zich noch niet boven de menschheid kunnen verheffen, en toch maar even eens in de wereld komen, en ’er uitgaan als wij. Gedurende verscheidene eeuwen, is een groot deel van het menschdom in de verbeelding geweest, dat men, om inEuropaVorst te zijn, juist door een bijzonder ras moest geteeld wezen; doch dit vooroordeel schijnt ook in onze dagen, dank zij de meerdere verlichting, den bodem ingeslagen,Bonaparteis zoo wel Keizer en gezalfde des Heeren, als de Keizers teWeenenen teSt. Petersburg; en de een zoo wel als de andere verdient onze hoogachting, wanneer zij alleen trachten te schitteren en uitteblinken boven hunne natuurgenooten, door deugden en ware grootheid; en de meerdere magt, die zij boven hen bezitten, niet anders gebruiken, dan ter bevordering en uitbreiding van het geluk hunner medemenschen. Maar ik hervat de beschrijving van het Arsenaal. Behalve verscheidene tuighuizen en werkplaatsen voor de timmerlieden, smeden enz. is hier ook eene aanzienelijke geschutgieterij. Bijzonder verdient de touwslagerij en lijnbaan gezien te worden, en is aanmerkelijk om hare ongemeene lengte; zij is geheel verwulfd, rustende op drie rijen boogen, en volgens het bestek vanden vermaarden vestingbouwkundigede Vaubangemaakt. Als men van binnen aan het eene eind staande door al die bogen ziet, kan het oog naauwelijks het eind bereiken, en dit levert een fraai vergezigt (perspectief) op. Wij hadden eenVlamingontmoet, die hier ook als scheepstimmerman werkte; deze had de vriendelijkheid, om ons, als eenigzins landslieden zijnde, het een en ander aantewijzen, en met ons rond te gaan.—Met smart dacht ik hier, aan den toestand van onze VaderlandscheMarine—voorheen werden ook onze scheepstimmerwerven door alle vreemdelingen bewonderd, onze tuighuizen waren wel voorzien, en in plaats van de speelbal van vreemde mogenheden te zijn, werden wij met ontzag behandeld, en wisten onze regten op zee duchtig te doen gelden.—Helaas! waar zijn die tijden, vriend? en wat is ’er van die edele zucht naar Vrijheid en Onafhankelijkheid, die eene van onze voorname karaktertrekken plagt te zijn, geworden?—Moet het vaderlandsch bloed ons niet in de aderen koken, als wij bedenken, dat ’er een tijd bestond, waar in deEngelschenhunne schepen veelal inHollandof teLubeckmoesten laten maken, en dit is immers nog zoo heel lang niet geleden? En was niet een van hunne eerste Koningen verpligt, geen goede matrozen inEngelandkunnende vinden, om dezelve uitFrieslandte laten overkomen?—wat is thansEngeland?—en wat zijn wij?De reede vanToulonwordt door sterke torens beschermd,alsla Tour de Balaquier,d’ Eguilette,la grande Tour, en hetFort des Vignettes, dat een kwartier van dezen laatsten afgelegen is.Een man, dien ik in een Koffijhuis aantrof, en aan wien ik eenige vragen deed aangaande deze stad, merkende, dat wij vreemdelingen waren, bood zich aan om ons naar een’ aangenamen tuin, waar men eenige vreemde planten en gewassen kweekt, even buiten de poort van Frankrijk (la porte de France) te geleiden; dit vriendelijk aanbod werd zonder bedenking aangenomen, en ik zag een niet groote, maar wel aangelegde, lommerrijke en netjes onderhouden planthof. Verscheidene menschen wandelden hier, en de reuk van de menigte geurige planten, bloemen en gewassen, was alleraangenaamst. Deze tuin is hier onder den naam vanJardin des plantesbekend. De stad intredende, hoorden wij door het gebulder van het kanon, den geboortedag van den nieuwenFranschenKeizer aankondigen. In de stad liet onze vriendelijke geleider ons ook nog een’ tuin zien, waarin verscheidene groote orange-boomen, die daar winter en zomer in den grond staan; zij waren vol vruchten, en gaven eene aangename lommer.Den 16 dezer reden wij met een gemakkelijke koets, want ’er was geen ander rijtuig te krijgen, naarHières, drie mijlen (trois lieues du païs), dat is drie uren gaans vanToulongelegen. Bij het uitrijden zagen wij, dat alle de schepen op de reede liggende, met eene menigte vlaggen en wimpels versierd waren,ter eere van KeizerNapoléon, wiens geboortedag thans gevierd werd; waarom dan ook de HeiligeRochus(St. Roch) die op den 16 Augustus in den Almanak plagt te staan, sedert een paar jaren, inFrankrijkdaar uit geschrapt is, enSt. Napoléon, zeker ook een vermaarde Heilige, hoewel ik de eer niet heb van hem te kennen, in deszelfs plaats gesteld. Zie onder anderen deAlmanak Nationaal, thansImperiaal. De gemakkelijke koets kwam ons hier wel te pas, want de weg was verbaasd hobbelig, zoo dat wij zelfs eindelijk verkozen, on te wandelen. De landstreek is niet onaangenaam en schijnt nog al vruchtbaar, voornamelijk in wijngaarden en olijfboomen. TeHières, in het LatijnAreæ, stappen wij af aan hetHotel des Ambassadeurs, waar wij van de kamer, die men ons aanwees, een schoon gezigt op de zee en de eilanden vanHièreshadden. Na wat ontbeten, en het middagmaal besteld te hebben, gingen wij de vermaarde tuinen en boschjes van orange- en citroenboomen bezigtigen, waaronder die van MadameFilleen MonsieurBeauregardde voornaamsten zijn. Men verzekerde ons, dat deze twee tuinen, hoewel zij geene groote uitgestrektheid beslaan, somtijds, wanneer het gewas voordeelig is, ieder tot 20,000 livres ’s jaars aan vruchten, meestal orange-appelen, chinoises en citroenen, opbrengen. Deze boomen zijn hier even eens in volle aarde geplant, als bij ons de appel-, peeren- of kersen-boomgaarden, doch men ziet ’er meêr groote struiken, zoo als zwaar hakhout, dan opgaandeof stamboomen; ook vond ik ’er veel minder citroene dan orange-appelen, waarschijnlijk omdat de laatste duurder verkocht wordende, meer voordeel aanbrengen. In den tuin van Mr.Beauregard, zag ik in volle aarde een’ hoogen Palmboom (palma major) die wel scheen te tieren; voor het overige, vind ik, dat hoe zeer deze tuinen of boomgaarden voor de bewoneren van het noorden, of meer gematigde luchtstreken, eene zeldzame vertooning opleveren; zij echter niet beantwoorden aan het geen men ’er over het algemeen van hoort en leest, en weinig van dat schilderachtige (pitoresque) lommerrijke, en van die vrolijke verscheidenheid hebben, die tot een aangenamen lusthof behoort. EenFranschman, dien wij teToulonin ons logement hadden leeren kennen, en die met ons partij gemaakt had, om hier na toe te gaan, was dit ook volkomen met mij eens. Ondertusschen beviel mij de wijze, waarop men hier besproeit, en welke besproeijing in deze heete en drooge luchtstreek zoo noodzakelijk is, bijzonder. De tuinen liggen aan de zachte helling van een’ berg tegen het zuiden, zoodat zij voor de noordenwinden, door den berg of rots, beschut zijn, en de terugkaatsing van de zonnestralen de warmte nog vermeerdert. Zij zijn trapsgewijze aangelegd, en op het hoogste gedeelte is een fontein of bron; nu leidt men het water uit dezelve van tijd tot tijd door een menigte kleine kanalen of goten, zoo als wij ze noemen, door den ganschen tuin loopende, van de eene verdieping, om zoo te spreken, op deandere. Zoo ik ooit een hoog en droog buitengoed mogt bewonen, denk ik ook, althans den moestuin in dier voege aanteleggen, van die wijze van besproeijen gebruik te maken, en mij, indien ’er geen bron is, van een put, waarop een pomp staat, te bedienen. In de zestiende eeuw had men hier ook suikerriet geplant; doch de handel metAmerikaen de matige prijs, waar voor de suiker toen te bekomen was, heeft deze planterij doen te niet gaan. Niettegenstaande het vrij warm begon te worden, gingen wij in het stadje, dat tegen de hoogte ligt; ’er is nog al een muur om, en men gaat ’er door een poort in; voorheen dienende on de inwoners tegen de aanvallen en stroperijen der zeeschuimers te beveiligen; het ziet ’er armoedig en haveloos uit, en men klimt langs naauwe straten gedurig op en af. In vroegere tijden plagt het eene aanzienelijke stad te zijn, omdat ’er toen een zeehaven was, doch deze haven is droog geworden, en de zee heeft zich een goed eind weegs verder op verlegd. Boven in de stad zijnde, bood zich een kleine jongen aan, zoo veel wij van zijnpatoisverstaan konden, om ons naar de overblijfsels van het oude kasteel, boven op de rots, nog heel wat hooger gelegen, te geleiden. Wij namen dit aan, en die kleine gast sprong bloots voets, als een klipgeit voor ons heen tegen de rots op, die hier en daar zoo heet was, dat wij het door onze schoenen heen voelden: toen wij een eindje opgeklommen waren, vroeg hij ons om twee stuivers (dou sau) enherhaalde deze vraag gedurig, en als wij hem niet spoedig wat gaven, liep hij weg en liet ons staan, maar kwam ook, zoodra wij een of twee stuivers lieten zien, weder terug, altijd huppelende en springende, of tegen de steilste plaatsen, op handen en voeten opklauterende; nimmer herinner ik mij vlugger kind gezien te hebben. Op eene zekere hoogte wees onze kleine leidsman ons eenige wijngaarden aan, wij plukten ’er van en vonden de druiven, die een’ muscaatsmaak hadden, uitmuntend; te meêr, omdat wij door de hitte aâmechtig waren. Nu hadden wij bijna den top, waarop de vervallen muren stonden, bereikt, doch hier werd de weg zeer steil en ongemakkelijk, en wij waren nog bezig met al zuchtende en blazende te klimmen, toen de kleine al boven ons op een stuk van een muur in zijn handjes stond te klappen en te springen: daar gekomen zijnde, hadden wij een verrukkend gezigt. Ten zuiden ziet men over het stadje; en de onder hetzelve gelegen tuinen met orangeboomen, de eilanden vanHièreseenige rotsen, en deMiddellandsche Zee; ten westen de reede vanToulonover een aangename valei; duidelijk zagen wij de schepen liggen, en daar het juist middag was het geschut lossen; ten noorden en ten oosten vertoonde zich een uitgestrekt en schiderachtig landschap, met bergen en valeijen aangenaam geschakeerd; en een kudde schapen, niet ver van deze vervallen muren, die hier en daar met struiken en klimöp bewassen waren, weidende, vermeerderde nog de bekoorlijkheden van ditromaneskgezigt. Het kasteel, dat hier in vroegere tijden stond, behoorde aan de Heeren vanHières, eerst de jongste zonen van devicomtesvanMarseille, uit den stam vanFosc, kort daar na de Hertogen vanAnjou, Graven vanProvence. Hier omstreeks moet ook een Klooster of Abdij gestaan hebben, door die eerste Heeren gesticht; doch de monniken leefden zoo losbandig, dat men ’er hun in 1220 uit deed gaan, en hun Klooster en goederen aan anderen gaf.—Hoewel ons het opklimmen van deze rots vrij wat zweet gekost had, waren wij daar echter, om het schoone gezigt, zeer over te vreden. Na ons wat verfrischt te hebben, deeden wij een smakelijken maaltijd. Het eten, schoon alles ook naar ’s lands gebruik met olij klaar gemaakt, was vrij goed; men is hier echter in ’t geheel niet goed koop; maar op zulke plaatsjes is niet veel keus. Men verhaalde ons dat deEngelschennog maar weinige dagen geleden, op een der eilanden vanHièresgeweest waren, om zich van eenige eetwaren te voorzien. Deze eilanden zijnPorque Rolles(om dat men ’er veel wilde zwijnen plagt te vinden)Porto-crosenTitangenaamd. Zij brengen een menigte geneeskruiden en planten, die zeer gezocht zijn, voort. Voor de natuurkundigen valt ’er in de bergen en rotsen, hier omstreeks, ook vrij wat te beschouwen, vooral met betrekking tot demineralogie. Men vindt ’er de sporen van oude en thans uitgedoofde vuurspuwende bergen (volcans), mijnen, jaspis, porphyr enz. ook wordt nietver van hier het zoogenaamd moskovisch glas, dat men gebruikt, on voorwerpen voor het microskoop tusschen te liggen, gevonden.Hièresis de geboorteplaats van den vermaarden PaterMassilloneen der welsprekendste Predikanten, dieFrankrijkopgeleverd heeft. Men vindt vanLodewijkden XIV. aangeteekend, dat hij, die reeds de treffende leerredenen vanBourdaloueen anderen gehoord had, tegenMassillonzeide: “Eerwaarde! ik heb verscheidene groote redenaars in mijn kapel gehoord; ik ben ’er zeer te vreden over geweest: wat u aangaat, telkens als ik u hoor, ben ik zeer te onvreden over mij zelven.” Men begroot het getal der inwoners vanHièresop omtrent 1200, en men meent te moeten veronderstellen, dat die stad bestaat sedert de zesde of zevende eeuw. Tegen den avond keerden wij langs denzelfden weg, omdat ’er geen andere is, naarToulonte rug; tusschen beide wandelende, troffen wij een’ man aan, met wien wij in gesprek raakten; deze door het schieten ter eere van den Keizer op dat onderwerp geraakt zijnde, veroorloofde zich uitdrukkingen tegen zijne Majesteit, die ik zeer oneerbiedig en onvoorzigtig vond. Deze man scheen ter zee gevaren te hebben, en teCorsikabekend te zijn.’s Avonds in een Koffijhuis teToulon, ontmoetten wij onzen reisgezel den Zeekapitein, hij was met het kruis van hetLegion d’honneurversierd, en had zeer veel bekijks; want hij was de eenigste onder een menigte Officieren, die het had, en men wasnog niet gewoon, sommigen hoorde ik ’er mede spotten, en andere ’er over morren; waarschijnlijk veelal uit misnoegen en afgunst; want menig een meent dan ook al, dat zijn Uil een Valk is. In oude aanteekeningen van de tweede eeuw der Christelijke Jaartelling, wordt ’er reeds melding gemaakt vanToulon, en deRomeinenhadden ’er in het begin van de vijfde eene verwerij, die waarschijnlijk aanleiding gaf tot vergrooting van de stad. Voor de omwenteling was hier een Bisdom; deze stad telt echter niet meer dan ten hoogste 4500 inwoners, thans is zij de hoofdplaats van het Departementdu Var. De scheepsbouw, en wat daar verder bij behoort, maakt het voorname bestaan van deze stad uit, men maakt ’er ook een soort van grof laken, dat menPinchinatsnoemt. Wij hadden reeds bij onze aankomst plaatsen besproken, om morgen ochtend weder met den Postwagen van hier naarMarseilleterug te keren; doch eer ik vanToulonafstap, moet ik u een verhaal mededeelen, dat gij ongetwijfeld met genoegen lezen zult.Paul, zoon van een waschvrouw4, werd gelijk als onzede Ruiter, van scheepsjongen tot een der aanzienelijkste posten bij, deFranschevloot, te weten, tot dien van Onder-Admiraal verheven; ook was hijChevallier de Justicein de order vanMaltha, en werd daarom de RidderPaulgenaamd. Omtrent het midden van de 17e eeuw voerde hij het bevel over de Zeemagt teToulon. Op zekeren dag, dat hij teMarseillelangs de haven wandelende, verzeld door verscheidene Offiçieren en de voornaamste Edellieden van de stad, zag hij een Matroos van zijn kennis, onder de menigte, uitgelokt door de begeerte om hem te zien; deze uit een soort van verlegenheid zich naauwelijks durvende vertoonen, treedtPaulnaar hem toe, en spreekt hem vriendelijk aan, zeggende: “Waarom ontwijkt gij mij? denkt gij dat de voorspoed mij mijne oude vrienden doet vergeten?” En zich vervolgens wendende tot hen, die hem vergezelden, zeide hij: “Mijne Heeren! zie daar een van mijne oude makkers: wij zijn te zamen scheepsjongens op hetzelfde schip geweest: het geluk heeft mij gediend, en hem den rug toegedraaid; ik acht ’er hem niet te minder om, vergun, dat ik mij een oogenblik met hem onderhoude.” Dit gezegd hebbende, trok hij zijn’ ouden vriend ter zijde, onderhield zich gemeenzaam met hem, vooral over de voorvalletjes hunner jeugd, toen zij te zamen dienden, vervolgens naar zijn vrouw en kinderen en eene en andere huisselijke omstandigheden vragende, verzocht hij hem om op een bepaalden tijd bij hem te komen, ten einde nader met hem te spreken en te overleggen, op wat wijze hij hem het beste van dienst zou kunnen zijn, en het gevolg hier van was, dat de goedePaulaan zijnen ouden makker,die het niet te ruim had, een postje bezorgde, waar van hij met zijne vrouw en kinderen ordenlijk leven kon. Hoe groot de betoonde moed en heldendaden van deze brave Zeeman ook mogen geweest zijn, de edele trek van nederigheid en vriendschap, dien ik hier met een regt hartelijk genoegen ter nederstelle, en die men onder de zoogenaamde grooten, en vooral die, welke van klein groot geworden zijn, zoo zeldzaam aantreft; die trek alleen, zeg ik, doet zijne nagedachtenis meêr eer aan, dan het winnen van verscheidene zeeslagen.De achtingwaardigePaulstierf teToulonden 18 October 1667, latende bij uitersten wil alle zijne goederen aan de armen, en vorderende tevens, als een nieuw bewijs zijner nederigheid, om onder hen, op het kerkhof, begraven te worden.—Leest dit, trotsche en laatdunkende grooten! vergelijkt de prachtige grafzuilen uwer voorvaderen bij deze begraafplaats,—en zoo gij nog denken en gevoelen kunt, zult gij het lage en eenvoudige kruidje op het graf vanPaul, een schitterender sieraad vinden, dan zoo vele zwierige versierselen en kostbare beeldhouwwerken van marmer en albast, zoo koud en ongevoelig als het hart van den mensch, die ’er onder ligt was, toen hij nog leefde, en waar op nimmer een enkele dankbare vriendentraan gestort is.1Schrijver vande Reize van den JongenAnacharsisin Griekenland, enz.2De Kapperplant behoort oorspronkelijk inSicilië,GriekenlandenEgyptente huis; die vrucht behoudt ook nog denGriekschennaam in het provencale woordtapenos, dat kruipende beteekent, omdat de plant langs de aarde, en de muren, daar zij tegen geplant is, kruipt.3Men kan, onder andere natuurkundigen,Réaumurhier over nazien; deze veronderstelt, dat dePholadezijn hol maakt, in een soort van klei, die naderhand hard wordt, maar anderen wederleggen dit, op grond, dat men dit diertje gevonden beeft, in steenen, die men in zee gelegd had.4Zijne moeder, hoog zwanger zijnde, ging teMarseillescheep, om van daar naar het kasteeld’Ifvaren, en werd zoodanig ontroerd door een hevigen storm, dat zij van hem beviel in de maand November 1597.

Elfde Brief.Marseille, 18 Augustus.Ik heb u gezegd, dat ons oogmerk was om een uitstapje naarToulonenHièreste doen: daar wij nu hier genoegzaam al het merkwaardige gezien hadden, gingen wij den 14 dezer ’s morgens om drie uren, per gewoonen postwagen, naarToulonop reis. Men betaalt daar voor 9 livres de persoon, en voor een bagatel komt een van de bedienden van den Commissaris de reizigers opwekken, en hun pakje halen; want als men koffers of diergelijken heeft, moeten die daags te voren bezorgd worden. Men rijdt de poort, of eigenlijk debarrièrevanRome(want een poort staat ’er niet) uit, voorbij verscheidenebastides(buitenplaatsen), vervolgens door een aangenaam dal, waar men heuvels ziet, die met wijngaarden beplant zijn totAubagne, een stadje aan het riviertjele Veaune, 2 posten vanMarseillegelegen. Op een stuk marmer, hier omstreeks ontdekt, vindt men dat ’er voorheen ter dezer plaatse een stad bestond, genaamdLucretum; en eene andere, niet ver van daar, genaamdGargarium. DeRomeinscheregering had, ten haren koste, baden teLucretumdoen maken, om ’er het vrije gebruik van aan de inwoners te laten;men meent dan ook, dat de naam vanAubagnezijn’ oorsprong heeft vanad balnea(bij de baden). Men maakt hier een lekker soort van gekookten wijn, dien men ookmalvoisienoemt; de bevolking wordt op omtrent 4000 begroot. De inwoners hebben in ’t geheel den besten naam niet: velen maakten met elkanderen een bende uit, die zich met rooven, moorden, en plunderen der reizigers ophield. De geheele landstreek plagt, aan deze kanten, nog niet lang geleden, zoo gevreesd te zijn, als bij ons het land vanValkenburgbijMaastricht; en het is ’er nog niet zuiver; doch depolitieneemt goede maatregelen: echter mag dit plaatsje ook roem draagen, op een in de letterkunde beroemden man; ik meen den AbtBarthelemy1, die hier geboren werd. Men vindt hier digt bij vrij hooge bergen, en die zich, volgens natuuronderzoekers, over de 2000 voeten boven de oppervlakte der zee verheffen; op en tusschen de rotsen, groeijen vele pijnboomen; en zoo lagchende als de natuur aan den anderen kant vanAubagneis, zoo woest en treurig vertoont zij zich hier. Eer men teCugeskomt, heeft men echter een dal, waar het ’er wat beter uitziet; en de afwisseling der gezigten maakt den weg aangenaam.Cugesligt 3½ post vanMarseille, het plaatsje zag ’er slordig en armoedig uit, en hier moesten wij eten, hoewelhet ’s morgens omtrent 9 uren was. De herberg had ook in ’t geheel geen gunstig aanzien; doch de kok, hoewel vrij smerig, zag ’er frisch en gezond, uit, en ik geloof, dat hij wel 250 ponden kon halen; ik had daarom nog al goeden moed, dat de keuken ’er niet schraal zou zijn, en dit ging dan ook nog al vrij wel. Een van onze reisgezellen, een ronde en vrij ruwe zeeman, droeg hier zeer veel toe bij, en zorgde dat ’er geen proviand te kort kwam; onder anderen zette men ons roode patrijzen voor, die ik nimmer beter gegeten heb, en wij betaalden maar 40solsde persoon. Eer ik op den wagen stapte, nam ik den boêl nog eens op, want het scheen mij om de ongemeene morsigheid en slordigheid merkwaardig; daar bij kwam nog de zonderlinge t’ zamenstelling van het huis, en evenwel scheen men ’er veel te doen te hebben, want het was ’er drok, en ik had ’er met dat al ook smakelijk gegeten; doch tusschen eenHollander, die eenigen tijd gereisd, en onder vreemden verkeerd heeft, of eenHollander, die voor het eerst uit eene geregelde en zindelijke huishouding, in eene smerige herberg komt, verschillen de gewaarwordingen nog al eenigzins; en ik herinner mij bij deze gelegenheid een geval, dat om het karakteristieke, dat ’er in is, hier, dunkt mij, wel een plaatsje verdient. EenAmsterdamschkoopman, voor de eerste maal, (behalve een enkel togtje naar denHaarlemmerhoutofMuiderberg) zijne geboortestad en zindelijke woning verlatende, begaf zich door zijn knegt verzeld,in gezelschap van eenDuitscheren eenFranschmannaarHamburg, ter verrichting van zijne zaken; want anders was de goede man zeker t’huis gebleven. Naauwlijks was hij over de grenzen, of hij bespeurde al ras, dat de woningen ’er daar, zo in als uitwendig, geheel anders uitzagen dan teAmsterdam, op deHeere-,Prinse-ofKeizersgrachten. Aan een herberg komende, waar zij zouden afstappen, sprong deFranschmanin eens uit den wagen, in huis, en de waardin ontmoetende, die ’er nog al wel uitzag, hield hij zich bezig met haar een menigtedouceurste zeggen, en bekommerde zich om het overige niet; deDuitschervolgde, en den hospes opgezocht hebbende, vroeg hij, of ’er wat te eten en te drinken was; vervolgens kwam onze landsman binnen, keek naauwkeurig rond, riep zijn’ knecht, en zei tegens hem op een deftigen toon: ”Keesie! ga eens kijken of het hoisie wel schoon is?” Nu vreemden vooral mogen hier mede lagchen, en de zindelijkheid in sommige gedeeltens van ons land overdreven vinden, ieder een zal toch overdreven zindelijkheid, minder onaangenaam vinden dan overdreven morsigheid. Een eind weegs buitenCugestegen een hoogte moetende oprijden, die nog al steil was, verkozen wij daar te wandelen, en ik vermaakte mij met de grootsche en woeste tooneelen, die men hier aantreft, te beschouwen. Verbeeld u een woud van pijnboomen op rotsen, die zich hier al vrij hoog verheffen, en ginds een’ afgrond vormen; een steile kronkelende weg looptdaar door, en het gelijkt hier meêr naar het noordelijk, dan naar het zuidelijk gedeelte vanEuropa, (eene regte schilderij vanvan Everdingen) nogthans, hoewel de wind zich in de toppen der pijnboomen deed hooren, was op sommige plaatsen, buiten de schaduw, de rots, waar men op ging, brandend heet, en ’er bleef nog al een enkele zweetdroppel, eer wij boven waren. Langs vele van die pijnboomen was de schors en een gedeelte van het hout afgekapt, op zulk eene wijze verkrijgt men de harst, die uit deze wonden traant, doch hier na kwijnt en sterft de boom ook. ’t Is opmerkelijk, hoe deze boomen zich op sommige plaatsen met hunne wortels tusschen de spleten en kloven der rotsen gevestigd hebben, en verwonderlijk, dat ’er op dezen barren en steenachtigen grond, waar op het gedurende een goed deel van het jaar, maar zeldzaam regent, nog iets groeijen kan. Boven op de hoogte is de bodem ook kaalder, en men ziet slechts hier en daar een enkelen boom. Wij kwamen hier aan een kleincampvan 40 à 50 militairen, behoorende tot het garnisoen vanToulon; zij wonen in hutten, en zijn daar geplaatst, om te waken tegen de rooverijen en aanrandingen, die hier aanhoudend plaats hadden; sedert zijn de wegen ook veel veiliger: echter is het nog maar veertien dagen geleden, dat hier omstreeks een enkele kerel zich verstout heeft om den postwagen aanteranden; doch men heeft zich ook dadelijk meester van hem gemaakt, en hem naarMarseillegebragt. Zulk soort van volkwordt daar doorgaans zonder vorm van proçes gevonnisd, ter dood verwezen, en op of bij de plaats, waar het feit begaan is, voor den kop geschoten. Wat verder op langs den weg, die echter breed genoeg is, heeft men duchtige diepten.Beausset, waar wij van paarden veranderden, scheen mij een plaatsje, dat niet veel beteekent, en het zag ’er ook al slordig en armoedig uit. Tot mijne verwondering zag ik hier een witten Monnik, waarschijnlijk komt die uitItalië, om hier te bedelen. Onze zeeman, die Kapitein was, en een Fregat voorGenualiggende kommandeerde, wilde hem voor handlanger mede nemen, doch te bejaard zijnde, deed hij hem dat voorstel niet. Buiten dit plaatsje kwamen wij eenige gevangenen tegen, die kettingen om den hals en sommige aan handen en voeten hadden, en zoo aan elkanderen waren vastgemaakt; ik hield hen voor booswichten, die naar de galeijen gevoerd werden; doch onze Zeekapitein zeide, dat het weggeloopen matrozen waren, die men weder naar hun schip bragt, het waren meest jonge lieden; zij werden doorGens d’Armeste paard geleid, en leeden veel door de brandende hitte, en de zwaarte van hunne ketens, zoo dat ik recht medelijden met hun had.—Franschenmet ijzeren kettingen om den hals! en hoe ligt beschuldigen zij andere volkeren van woestheid en barbaarschheid. Nu zagen wij welhaast niets anders dan dorre en naakte bergen, en kwamen vervolgens in de engte tusschen steile rotsen, die menles Gorges d’Ollioulesnoemt. De rotsen staan hier als steile en onbeklimbaare muren, langs denweg, die zeer ongelijk en hobbelig is, zijnde ook niet anders dan steenrots; hier en daar treft men in deze engte, tusschen de rotsen, langs den weg, aanmerkelijke diepten aan. Het water dat zich bij zware regenbuijen, of door het smelten van de sneeuw, hier langs ontlast, vormt dan een’ snellen stroom, die somwijlen opgestopt wordt door de stukken steen, die hij medevoert, en dan, op eenmaal weder geweldig losbarstende, den weg op die plaatsen, waar hij laag is, overstroomt, en alles wat hij ontmoet medesleept, en den ongelukkigen reiziger verzwelgt. Gelukkig dat de zon niet hoog meêr stondt, toen wij ons hier bevonden; want dan moet het ’er brandende heet zijn, omdat ’er, als rondom beschut zijnde, geen windje toegang heeft, en de terugkaatzende hitte van de rotsen die van de lucht en van de zonnestraalen nog vermeerdert. Op sommige plaatsen zou men hier te vergeefs rondom zich een enkel grasscheutje of plantje, hoe ook genaamd zoeken. De natuur vertoont zich ontzaggelijk, en heeft allen bevalligen tooi afgelegd; echter ziet men bij het steedjeOllioules, reeds orange-, citroen- en granaatboomen in de open lucht;Ollioulesis de bloemtuin vanMarseille, en men brengt van daar zeer vele bloemen te markt. Hier omstreeks plagt ook een koper- en zilvermijn te zijn, en men ontdekt in deze rotsen ook sporen van uitgedoofde vuurbrakingen (volcans). Daar omstreeks zagen wij veel Kapperplanten2, zoo als wij reeds in menigte tusschenMarseille, en hier vooral in de vlakte vanAubagnegezien hadden: de bloem is fraai, en heeft wel iets van de passiebloem, en de kappers zoo als zij ingelegd worden, zijn de bloemknopjes; de kleinste worden voor de beste gehouden. Nu komt men opToulonschenbodem, en ziet hier onder anderen een’ grond, bestaande uit steentjes, die door eene harde stof aan elkanderen vastzitten, als of zij met kalk of cement aan een waren gehecht. Dezen grond noemt mensaffre; hij wordt zoo hard in de lucht, en men maakt ’er hier omstreeks, met goed gevolg, gebruik van, om muren te bouwen. Van een hoogte, waar de weg overloopt, heeft men een verrukkelijk gezigt op de reede vanToulon; daar lagen verscheidene oorlogsschepen. Wij reden vervolgens over een brug, die eenige jaren geleden door deEngelschewas afgebroken, om hier door hunnen aftogt uit de stad te dekken. De toegangen vanToulonzijn niet onbevallig, en de stad zelve ligt fraai in zijn wallen, muren en grachten, die vrij wel onderhouden schijnen te zijn. Het was ’er door de menigte zeelieden, die hier op de reede liggen, en door het garnisoen, vrij levendig. Het was omtrent half zes, toen wij aankwamen.BeaussetenToulonzijn ook twee, en dusMarseilleenToulonin ’t geheel 7½post van een gelegen. Wij namen onze intrek in het Hotèlla Croix de Malthe, waar het ’er redelijk wel uit zag. Na eens op de haven te hebben wezen kijken, en een gedeelte van de stad, die niet groot is, doorgeloopen te hebben, ging ik naar den Schouwburg, waar mende GierigaardvanMolière, vrij wel speelde; na hetzelve gaf menPhilippe et Georgette, zangspel, en ook dit heb ik op voornamer tooneelen dan dat vanToulon, wel minder gezien.Den 15 dezer ging ik al vroeg naar de haven, waar het regt vrolijk was, door de menigte van varensvolk, die dan met sloepen aankwamen, en dan weder wegroeiden. Hier zag ik voor het Stadhuis een fraai verguld Vrijheidsbeeld, op een marmer voetstuk. Het beeld zelve, naar ik vernam, was slechts van hout. ’t Is of die vanToulonvoorzien hebben, dat het maar voor eenige jaren zou moeten dienen.—Het ware te wenschen, dat dit vooruitzigt meêr algemeen was geweest. Rondom op het voetstuk las ik de volgende versen:“Sur les vertus, et sur les loisl’Auguste Liberté repose:A la perdre l’homme s’expose,Si-tot qu’il meconait ses devoirs ou ses droits.Souviens toi, que le créateurTe fit pour n’avoir point de maitre,Lui même si bien fait pour l’être,Se derobant aux yeux ne commande qu’au coeur.“Mortel jusqu’au dernier soupir,Que la Liberté te soit chère,Ton plus digne soin sur la terre,Est de la conserver, et d’en savoir jouïr.“On est digne d’un si grand bien,Lorsque l’on sait à la patrie,Immoler tout jusqu’a la vie,Lors qu’au bonheur de tous on attache le sien.”De twee beelden die hetbalconvan het Stadhuis onderschragen, zijn twee kunst-stukken van denMarseillaanschenbeeldhouwerPuget. Men zegt, dat deze kunstenaar zich te beklagen hebbende over twee consuls dezer Stad, die toen aan het hoofd van het bestuur waren, met zoo veel waarheid de trekken van hun gelaat in die zijner beelden wist te brengen, dat men ze niet miskennen kon, zoo dat die twee Heeren, na hun consulaat, niet meêr voorbij het Stadhuis durfden gaan.Toevallig bekwamen wij een brief aan den Kommandant van het Fortde la Malgue, op een’ heuvel even buiten deItaliaanschepoort gelegen; hoewel het zeer warm was, gingen wij ’er naar toe. Die offiçier, die nog jong, maar verminkt was, ontving ons vriendelijk, en na onze paspoorten onderzocht en verscheidene vragen gedaan te hebben, gaf hij ons een onderoffiçier mede, on ons het Fort te laten zien. Het is naauwelijks dertig jaren geleden gebouwd, schijnt zeer sterk, en bijzonder geschiktom de reede te dekken: men heeft van hetzelve een alleraangenaamst gezigt in zee. Nimmer zag ik inFrankrijkiets van die natuur, dat zoo net onderhouden was. Rondom in hetzelve zijn casernen en casematten; in een van die liet men ons de looden kist zien, waarin het gebalsemde lijk van den GeneraalJoubert, gesneuveld in de bataille vanNovi, ligt. De wand was met zwart laken behangen, en tegen denzelven stonden verscheidene krijgsstandaarden, met onderscheidene toepasselijke opschriften. Om de kist zag men een soort van Lijklampen. Dit lijk werd hier bewaard, tot dat de graftombe, die ’er voor gemaakt moest worden, in gereedheid zou gebragt zijn. De wijn, die langs dezen heuvel groeit, is vooral hier omstreeks beroemd en bekend onder den naam vanVin de la Malgue. Wij telden van hier 22, zoo groote als kleine, schepen op de reede, en waar onder, naar men ons verhaalde, 10 van linie. DePholadeeen schulpvischje, dat zich in den harden steen eene woning weet te maken, wordt ook in de steenen aan den oever der zee, hier omstreeks, gevonden. Dit schulpvischje, dat goed is, om te eten, geeft, versch zijnde, in het donkere eenphosphorieklicht van zich3. Dekermesofvermiljoeninsectwordt ook op de struiken, staande op en tegen de heuvels langs de zee in deze streek, en wel bijzonder vanToulontotSt. Tropézgevonden.Het was hier feestdag, zijndeMaria Hemelvaart, een van de heilige dagen, die volgens het concordaat, inFrankrijkgevierd worden—zijnde ook de Verjaardag vanBonaparte;—ik ging eenige Kerken bezigtigen. Die vanSt. Louïs, maar korten tijd voor de omwenteling voltooid, heeft in het begin van dezelve gediend voor een tempel der Reden: thans wordt de Roomsche godsdienst ’er in verrigt, en ’er was een Lieve Vrouwe beeldje ten toon gesteld, met een fraai geborduurde samaar aan, dat de geloovigen kwamen kussen. Deze Kerk is een schoon gebouw, het pronkt met een mooije, en in denantiquensmaak gebouwdefacade. Rondom de koepel, waar onder het groot autaar staat, zijn fraaije kolommen, en over het geheel heeft deze Kerk een deftig en bevallig voorkomen. Wij aten ’s middags in ons Logement met eenige Offiçieren, waar onder ’er waren die zeer Republikeinsch gezind schenen. Het eten was vrij goed voor 3Livres: wij namen ook een fles wijnde la Malgue, doch die beviel mij zoo min als de overige wijnen van dit land. Na den middag ging ’er een proçessie door de straten, men droeg een mooi opgeschikt Lieve Vrouwebeeld rond; eenige weinige leden van den Magistraat, met fakkels in de hand, waren hier bij tegenwoordig; voor het overige waren het meest vrouwen, die volgden, en vele der omstanders schenen’er weinig eerbied voor te hebben; sommige dreven ’er zelfs openlijk den spot mede.Toulonis een vrij gnappe stad, en vooral het nieuwe gedeelte (le quartier neuf) ziet ’er wel uit. De paradeplaats is fraai en rondom met boomen beplant: zij dient tevens voor eene gemeene wandeling, en met den feestdag was hier veel volk. Op deze plaats zijn ook eenige schoone koffijhuizen, die veel te doen hadden, vooral door de Zeeoffiçieren en andere militairen, die meest aan de deur zaten; dit alles maakte het hier zeer levendig en vrolijk. Ik zag in een ander gedeelte van de stad ook nog een breede straat, die met boomen beplant was. Op de markt, waar wij geherbergd waren, staat een fraaije fontein; tegen het zuiden open, en van de noordzijde beschut door hooge bergen of rotsen, daar bij op 43 graden, 7 minuten en 24 seconden noorderbreedte gelegen, kan het teToulonzeer warm zijn. De haven is fraai, ruim en zeer geschikt ter beveiliging der schepen. Van den wal, vooral aan den kant van de haven, heeft men ook een aangenaam gezigt. Men had mij gezegd, dat om het Arsenaal, een der merkwaardigste dingen, die men hier heeft, te zien, wij een schriftelijk verlof van denprefectvan de Marine moesten hebben; dat, uit hoofde der tijdsomstandigheden, niet ligt werd toegestaan. Ik was ’er den vorigen avond te gelijk met eenig werkvolk al eens opgeloopen, want, van den postwagen komende, had ik een lange broek en een buisje aan; men had in die kleeding geen acht op mij geslagen, maar waarschijnlijk vooreen zeeman, die daar een boodschap had, aangezien; doch ik kon ’er toen niet lang blijven, om dat het, avond wordende, de ingang gesloten werd, en allen, die ’er af wilden, een kaartje of briefje moesten vertoonen. Heden waagde ik het dan in dezelfde kleeding weder, en het gelukte mij insgelijks, gelijk ook mijn reisgenoten. Het geen men hier het Arsenaal heet, zou men bij ons een Scheepstimmerwerf noemen. Deze plaats, waar men schier al het noodige tot den scheepsbouw in bijzondere gebouwen bij elkanderen vindt, als mede het geen tot de wapening en toerusting van denzelven vereischt wordt, is zeer ruim, en aan het eene eind van de kaai gelegen. Ik zag hier verscheidene groote schepen op stapel staan. De in den grond gebouwde steenen kom, geschikt om daar in de schepen te kalfateren, verdient vooral opgemerkt te worden; zij heeft omtrent de gedaante van een schip, zijnde, volgens daar van gevonden aanteekeningen, 300 voeten lang, 100 breed, en 34 hoog. Door middel van sluizen en pompen, kan men ’er het water uit en inlaten; als het schip ’er in is, pompt men de kom ledig, zoodat de scheepstimmerlieden dan overal bij kunnen. Niet ver van hier ziet men de galeijen, die echter niet meêr gebruikt worden, en zelfs masteloos zijn. Thans dienen zij alleen maar tot een verblijf voor misdadigers, veroordeeld, om geboeid aan ’s lands werk te arbeiden, en waar van ik ’er hier een groote menigte zag. Men verzekerde mij, dat ’er wel 4000 waren; zij zijn met zware kettingen geboeid,meestal twee aan twee; deze ketting is dan aan een ijzeren beugel, dien zij aan een der beenen hebben vastgemaakt, aan een gordel die zij om het lijf hebben, is een ijzeren haak, waaraan zij, wanneer zij gaan, de ketting, die hun anders zou naslepen, ophaken. Hunne kleeding is voornamelijk een wambuis, of korte schanslooper, van een grove pij, en een mutsje van diergelijke stof op het hoofd. Zij zijn afgedeeld in onderscheidene klassen, die tot onderscheidenen arbeid gebruikt worden. De kleur van hunne kleeding verschilde dan ook, en ik zag troepen, die in het bruin, en anderen die in het rood waren. Eenigen, wier tijd bijna uit is, of die zich door een aanhoudend goed gedrag het vertrouwen van hunne opperhoofden hebben waardig gemaakt, worden aangesteld als opzienders over de anderen, en deze hebben slegts een beugel en geen ketting aan het been, en zien ’er ook beter uit in dekleederen; zij doen allerlei ruw werk op de werf en in de werkhuizen. Ik zag ’er ook een hoop in de stad, komende uit een caserne, die zij schoon hadden gemaakt; zij werken ook aan de vestingen, aan het schoonmaken van de haven enz. Wanneer zij arbeiden, worden zij door wachten verzeld, en blijven bovendien geketend. Met dat al vinden sommigen nu en dan nog gelegenheid, om te ontkomen. Mogelijk is het veelal aan hunne ruwe levenswijze, harden arbeid, en haveloze kleeding toeteschrijven, anders zou men deze menschen beschouwende, moeten bekennen, dat de leer vanLavateral vrij gegrond is; want zij zien ’er dan, over het algemeen, al zeer afschuwelijk uit, en de ondeugd is, zoo als men zegt, op het gelaat van velen te leezen. De galeistraf schijnt niet eerder inFrankrijk, dan sedert het midden van de 16de eeuw gebruikelijk geweest te zijn; althans de eerste vonnissen, die tot deze straf verwijzen, zijn van 1532 en 1535, en de eersteordonnantie, die ’er van spreekt, is die vanKarelden IX. gegeven teMarseillein 1564. Voorheen waren ’er ook galeijen teMarseille, doch sedert eenige jaren bestaan zij daar niet meêr, en in ’t geheel worden deze schepen doorFrankrijkniet meer gebezigd; toen men ’er nog gebruik van maakte, dienden de misdadigers, om ze voortteroeijen op deMiddellandsche Zee. Zekere Koning vanFrankrijk, zegt men, teMarseillezijnde, ging de galeijen bezoeken, en vroeg aan verscheidene galeiboeven (forçats) hoe zij daartoe gekomen waren; ieder wendde voor, dat hij onschuldig was, en trachte door een menigte verontschuldigingen het medelijden des Konings optewekken; een enkele echter bekende rondborstig schuld, en beleed zijne misdaden. De Koning wendde zich daar op tot de opzienders van de galei, zeggende: “dat men dezen deugniet terstond van hier uit het midden van zoo vele goede en eerlijke lieden wegjage, en dat hij ’er nooit weder kome!” Indien dit, zoo als het verteld wordt, waar is, moet men bekennen, dat die Koning eene aardige tegenwoordigheid van geest toonde; doch men zet zoo veel dingen vandien aard, op rekening der Vorsten, en bedient zich over het algemeen van alle middelen, die maar eenigzins strekken kunnen, om hen, is het mogelijk, in het oog van het volk wijzer, beter en verhevener te maken dan andere menschen: jammer is het voor hun, dat zij zich noch niet boven de menschheid kunnen verheffen, en toch maar even eens in de wereld komen, en ’er uitgaan als wij. Gedurende verscheidene eeuwen, is een groot deel van het menschdom in de verbeelding geweest, dat men, om inEuropaVorst te zijn, juist door een bijzonder ras moest geteeld wezen; doch dit vooroordeel schijnt ook in onze dagen, dank zij de meerdere verlichting, den bodem ingeslagen,Bonaparteis zoo wel Keizer en gezalfde des Heeren, als de Keizers teWeenenen teSt. Petersburg; en de een zoo wel als de andere verdient onze hoogachting, wanneer zij alleen trachten te schitteren en uitteblinken boven hunne natuurgenooten, door deugden en ware grootheid; en de meerdere magt, die zij boven hen bezitten, niet anders gebruiken, dan ter bevordering en uitbreiding van het geluk hunner medemenschen. Maar ik hervat de beschrijving van het Arsenaal. Behalve verscheidene tuighuizen en werkplaatsen voor de timmerlieden, smeden enz. is hier ook eene aanzienelijke geschutgieterij. Bijzonder verdient de touwslagerij en lijnbaan gezien te worden, en is aanmerkelijk om hare ongemeene lengte; zij is geheel verwulfd, rustende op drie rijen boogen, en volgens het bestek vanden vermaarden vestingbouwkundigede Vaubangemaakt. Als men van binnen aan het eene eind staande door al die bogen ziet, kan het oog naauwelijks het eind bereiken, en dit levert een fraai vergezigt (perspectief) op. Wij hadden eenVlamingontmoet, die hier ook als scheepstimmerman werkte; deze had de vriendelijkheid, om ons, als eenigzins landslieden zijnde, het een en ander aantewijzen, en met ons rond te gaan.—Met smart dacht ik hier, aan den toestand van onze VaderlandscheMarine—voorheen werden ook onze scheepstimmerwerven door alle vreemdelingen bewonderd, onze tuighuizen waren wel voorzien, en in plaats van de speelbal van vreemde mogenheden te zijn, werden wij met ontzag behandeld, en wisten onze regten op zee duchtig te doen gelden.—Helaas! waar zijn die tijden, vriend? en wat is ’er van die edele zucht naar Vrijheid en Onafhankelijkheid, die eene van onze voorname karaktertrekken plagt te zijn, geworden?—Moet het vaderlandsch bloed ons niet in de aderen koken, als wij bedenken, dat ’er een tijd bestond, waar in deEngelschenhunne schepen veelal inHollandof teLubeckmoesten laten maken, en dit is immers nog zoo heel lang niet geleden? En was niet een van hunne eerste Koningen verpligt, geen goede matrozen inEngelandkunnende vinden, om dezelve uitFrieslandte laten overkomen?—wat is thansEngeland?—en wat zijn wij?De reede vanToulonwordt door sterke torens beschermd,alsla Tour de Balaquier,d’ Eguilette,la grande Tour, en hetFort des Vignettes, dat een kwartier van dezen laatsten afgelegen is.Een man, dien ik in een Koffijhuis aantrof, en aan wien ik eenige vragen deed aangaande deze stad, merkende, dat wij vreemdelingen waren, bood zich aan om ons naar een’ aangenamen tuin, waar men eenige vreemde planten en gewassen kweekt, even buiten de poort van Frankrijk (la porte de France) te geleiden; dit vriendelijk aanbod werd zonder bedenking aangenomen, en ik zag een niet groote, maar wel aangelegde, lommerrijke en netjes onderhouden planthof. Verscheidene menschen wandelden hier, en de reuk van de menigte geurige planten, bloemen en gewassen, was alleraangenaamst. Deze tuin is hier onder den naam vanJardin des plantesbekend. De stad intredende, hoorden wij door het gebulder van het kanon, den geboortedag van den nieuwenFranschenKeizer aankondigen. In de stad liet onze vriendelijke geleider ons ook nog een’ tuin zien, waarin verscheidene groote orange-boomen, die daar winter en zomer in den grond staan; zij waren vol vruchten, en gaven eene aangename lommer.Den 16 dezer reden wij met een gemakkelijke koets, want ’er was geen ander rijtuig te krijgen, naarHières, drie mijlen (trois lieues du païs), dat is drie uren gaans vanToulongelegen. Bij het uitrijden zagen wij, dat alle de schepen op de reede liggende, met eene menigte vlaggen en wimpels versierd waren,ter eere van KeizerNapoléon, wiens geboortedag thans gevierd werd; waarom dan ook de HeiligeRochus(St. Roch) die op den 16 Augustus in den Almanak plagt te staan, sedert een paar jaren, inFrankrijkdaar uit geschrapt is, enSt. Napoléon, zeker ook een vermaarde Heilige, hoewel ik de eer niet heb van hem te kennen, in deszelfs plaats gesteld. Zie onder anderen deAlmanak Nationaal, thansImperiaal. De gemakkelijke koets kwam ons hier wel te pas, want de weg was verbaasd hobbelig, zoo dat wij zelfs eindelijk verkozen, on te wandelen. De landstreek is niet onaangenaam en schijnt nog al vruchtbaar, voornamelijk in wijngaarden en olijfboomen. TeHières, in het LatijnAreæ, stappen wij af aan hetHotel des Ambassadeurs, waar wij van de kamer, die men ons aanwees, een schoon gezigt op de zee en de eilanden vanHièreshadden. Na wat ontbeten, en het middagmaal besteld te hebben, gingen wij de vermaarde tuinen en boschjes van orange- en citroenboomen bezigtigen, waaronder die van MadameFilleen MonsieurBeauregardde voornaamsten zijn. Men verzekerde ons, dat deze twee tuinen, hoewel zij geene groote uitgestrektheid beslaan, somtijds, wanneer het gewas voordeelig is, ieder tot 20,000 livres ’s jaars aan vruchten, meestal orange-appelen, chinoises en citroenen, opbrengen. Deze boomen zijn hier even eens in volle aarde geplant, als bij ons de appel-, peeren- of kersen-boomgaarden, doch men ziet ’er meêr groote struiken, zoo als zwaar hakhout, dan opgaandeof stamboomen; ook vond ik ’er veel minder citroene dan orange-appelen, waarschijnlijk omdat de laatste duurder verkocht wordende, meer voordeel aanbrengen. In den tuin van Mr.Beauregard, zag ik in volle aarde een’ hoogen Palmboom (palma major) die wel scheen te tieren; voor het overige, vind ik, dat hoe zeer deze tuinen of boomgaarden voor de bewoneren van het noorden, of meer gematigde luchtstreken, eene zeldzame vertooning opleveren; zij echter niet beantwoorden aan het geen men ’er over het algemeen van hoort en leest, en weinig van dat schilderachtige (pitoresque) lommerrijke, en van die vrolijke verscheidenheid hebben, die tot een aangenamen lusthof behoort. EenFranschman, dien wij teToulonin ons logement hadden leeren kennen, en die met ons partij gemaakt had, om hier na toe te gaan, was dit ook volkomen met mij eens. Ondertusschen beviel mij de wijze, waarop men hier besproeit, en welke besproeijing in deze heete en drooge luchtstreek zoo noodzakelijk is, bijzonder. De tuinen liggen aan de zachte helling van een’ berg tegen het zuiden, zoodat zij voor de noordenwinden, door den berg of rots, beschut zijn, en de terugkaatsing van de zonnestralen de warmte nog vermeerdert. Zij zijn trapsgewijze aangelegd, en op het hoogste gedeelte is een fontein of bron; nu leidt men het water uit dezelve van tijd tot tijd door een menigte kleine kanalen of goten, zoo als wij ze noemen, door den ganschen tuin loopende, van de eene verdieping, om zoo te spreken, op deandere. Zoo ik ooit een hoog en droog buitengoed mogt bewonen, denk ik ook, althans den moestuin in dier voege aanteleggen, van die wijze van besproeijen gebruik te maken, en mij, indien ’er geen bron is, van een put, waarop een pomp staat, te bedienen. In de zestiende eeuw had men hier ook suikerriet geplant; doch de handel metAmerikaen de matige prijs, waar voor de suiker toen te bekomen was, heeft deze planterij doen te niet gaan. Niettegenstaande het vrij warm begon te worden, gingen wij in het stadje, dat tegen de hoogte ligt; ’er is nog al een muur om, en men gaat ’er door een poort in; voorheen dienende on de inwoners tegen de aanvallen en stroperijen der zeeschuimers te beveiligen; het ziet ’er armoedig en haveloos uit, en men klimt langs naauwe straten gedurig op en af. In vroegere tijden plagt het eene aanzienelijke stad te zijn, omdat ’er toen een zeehaven was, doch deze haven is droog geworden, en de zee heeft zich een goed eind weegs verder op verlegd. Boven in de stad zijnde, bood zich een kleine jongen aan, zoo veel wij van zijnpatoisverstaan konden, om ons naar de overblijfsels van het oude kasteel, boven op de rots, nog heel wat hooger gelegen, te geleiden. Wij namen dit aan, en die kleine gast sprong bloots voets, als een klipgeit voor ons heen tegen de rots op, die hier en daar zoo heet was, dat wij het door onze schoenen heen voelden: toen wij een eindje opgeklommen waren, vroeg hij ons om twee stuivers (dou sau) enherhaalde deze vraag gedurig, en als wij hem niet spoedig wat gaven, liep hij weg en liet ons staan, maar kwam ook, zoodra wij een of twee stuivers lieten zien, weder terug, altijd huppelende en springende, of tegen de steilste plaatsen, op handen en voeten opklauterende; nimmer herinner ik mij vlugger kind gezien te hebben. Op eene zekere hoogte wees onze kleine leidsman ons eenige wijngaarden aan, wij plukten ’er van en vonden de druiven, die een’ muscaatsmaak hadden, uitmuntend; te meêr, omdat wij door de hitte aâmechtig waren. Nu hadden wij bijna den top, waarop de vervallen muren stonden, bereikt, doch hier werd de weg zeer steil en ongemakkelijk, en wij waren nog bezig met al zuchtende en blazende te klimmen, toen de kleine al boven ons op een stuk van een muur in zijn handjes stond te klappen en te springen: daar gekomen zijnde, hadden wij een verrukkend gezigt. Ten zuiden ziet men over het stadje; en de onder hetzelve gelegen tuinen met orangeboomen, de eilanden vanHièreseenige rotsen, en deMiddellandsche Zee; ten westen de reede vanToulonover een aangename valei; duidelijk zagen wij de schepen liggen, en daar het juist middag was het geschut lossen; ten noorden en ten oosten vertoonde zich een uitgestrekt en schiderachtig landschap, met bergen en valeijen aangenaam geschakeerd; en een kudde schapen, niet ver van deze vervallen muren, die hier en daar met struiken en klimöp bewassen waren, weidende, vermeerderde nog de bekoorlijkheden van ditromaneskgezigt. Het kasteel, dat hier in vroegere tijden stond, behoorde aan de Heeren vanHières, eerst de jongste zonen van devicomtesvanMarseille, uit den stam vanFosc, kort daar na de Hertogen vanAnjou, Graven vanProvence. Hier omstreeks moet ook een Klooster of Abdij gestaan hebben, door die eerste Heeren gesticht; doch de monniken leefden zoo losbandig, dat men ’er hun in 1220 uit deed gaan, en hun Klooster en goederen aan anderen gaf.—Hoewel ons het opklimmen van deze rots vrij wat zweet gekost had, waren wij daar echter, om het schoone gezigt, zeer over te vreden. Na ons wat verfrischt te hebben, deeden wij een smakelijken maaltijd. Het eten, schoon alles ook naar ’s lands gebruik met olij klaar gemaakt, was vrij goed; men is hier echter in ’t geheel niet goed koop; maar op zulke plaatsjes is niet veel keus. Men verhaalde ons dat deEngelschennog maar weinige dagen geleden, op een der eilanden vanHièresgeweest waren, om zich van eenige eetwaren te voorzien. Deze eilanden zijnPorque Rolles(om dat men ’er veel wilde zwijnen plagt te vinden)Porto-crosenTitangenaamd. Zij brengen een menigte geneeskruiden en planten, die zeer gezocht zijn, voort. Voor de natuurkundigen valt ’er in de bergen en rotsen, hier omstreeks, ook vrij wat te beschouwen, vooral met betrekking tot demineralogie. Men vindt ’er de sporen van oude en thans uitgedoofde vuurspuwende bergen (volcans), mijnen, jaspis, porphyr enz. ook wordt nietver van hier het zoogenaamd moskovisch glas, dat men gebruikt, on voorwerpen voor het microskoop tusschen te liggen, gevonden.Hièresis de geboorteplaats van den vermaarden PaterMassilloneen der welsprekendste Predikanten, dieFrankrijkopgeleverd heeft. Men vindt vanLodewijkden XIV. aangeteekend, dat hij, die reeds de treffende leerredenen vanBourdaloueen anderen gehoord had, tegenMassillonzeide: “Eerwaarde! ik heb verscheidene groote redenaars in mijn kapel gehoord; ik ben ’er zeer te vreden over geweest: wat u aangaat, telkens als ik u hoor, ben ik zeer te onvreden over mij zelven.” Men begroot het getal der inwoners vanHièresop omtrent 1200, en men meent te moeten veronderstellen, dat die stad bestaat sedert de zesde of zevende eeuw. Tegen den avond keerden wij langs denzelfden weg, omdat ’er geen andere is, naarToulonte rug; tusschen beide wandelende, troffen wij een’ man aan, met wien wij in gesprek raakten; deze door het schieten ter eere van den Keizer op dat onderwerp geraakt zijnde, veroorloofde zich uitdrukkingen tegen zijne Majesteit, die ik zeer oneerbiedig en onvoorzigtig vond. Deze man scheen ter zee gevaren te hebben, en teCorsikabekend te zijn.’s Avonds in een Koffijhuis teToulon, ontmoetten wij onzen reisgezel den Zeekapitein, hij was met het kruis van hetLegion d’honneurversierd, en had zeer veel bekijks; want hij was de eenigste onder een menigte Officieren, die het had, en men wasnog niet gewoon, sommigen hoorde ik ’er mede spotten, en andere ’er over morren; waarschijnlijk veelal uit misnoegen en afgunst; want menig een meent dan ook al, dat zijn Uil een Valk is. In oude aanteekeningen van de tweede eeuw der Christelijke Jaartelling, wordt ’er reeds melding gemaakt vanToulon, en deRomeinenhadden ’er in het begin van de vijfde eene verwerij, die waarschijnlijk aanleiding gaf tot vergrooting van de stad. Voor de omwenteling was hier een Bisdom; deze stad telt echter niet meer dan ten hoogste 4500 inwoners, thans is zij de hoofdplaats van het Departementdu Var. De scheepsbouw, en wat daar verder bij behoort, maakt het voorname bestaan van deze stad uit, men maakt ’er ook een soort van grof laken, dat menPinchinatsnoemt. Wij hadden reeds bij onze aankomst plaatsen besproken, om morgen ochtend weder met den Postwagen van hier naarMarseilleterug te keren; doch eer ik vanToulonafstap, moet ik u een verhaal mededeelen, dat gij ongetwijfeld met genoegen lezen zult.Paul, zoon van een waschvrouw4, werd gelijk als onzede Ruiter, van scheepsjongen tot een der aanzienelijkste posten bij, deFranschevloot, te weten, tot dien van Onder-Admiraal verheven; ook was hijChevallier de Justicein de order vanMaltha, en werd daarom de RidderPaulgenaamd. Omtrent het midden van de 17e eeuw voerde hij het bevel over de Zeemagt teToulon. Op zekeren dag, dat hij teMarseillelangs de haven wandelende, verzeld door verscheidene Offiçieren en de voornaamste Edellieden van de stad, zag hij een Matroos van zijn kennis, onder de menigte, uitgelokt door de begeerte om hem te zien; deze uit een soort van verlegenheid zich naauwelijks durvende vertoonen, treedtPaulnaar hem toe, en spreekt hem vriendelijk aan, zeggende: “Waarom ontwijkt gij mij? denkt gij dat de voorspoed mij mijne oude vrienden doet vergeten?” En zich vervolgens wendende tot hen, die hem vergezelden, zeide hij: “Mijne Heeren! zie daar een van mijne oude makkers: wij zijn te zamen scheepsjongens op hetzelfde schip geweest: het geluk heeft mij gediend, en hem den rug toegedraaid; ik acht ’er hem niet te minder om, vergun, dat ik mij een oogenblik met hem onderhoude.” Dit gezegd hebbende, trok hij zijn’ ouden vriend ter zijde, onderhield zich gemeenzaam met hem, vooral over de voorvalletjes hunner jeugd, toen zij te zamen dienden, vervolgens naar zijn vrouw en kinderen en eene en andere huisselijke omstandigheden vragende, verzocht hij hem om op een bepaalden tijd bij hem te komen, ten einde nader met hem te spreken en te overleggen, op wat wijze hij hem het beste van dienst zou kunnen zijn, en het gevolg hier van was, dat de goedePaulaan zijnen ouden makker,die het niet te ruim had, een postje bezorgde, waar van hij met zijne vrouw en kinderen ordenlijk leven kon. Hoe groot de betoonde moed en heldendaden van deze brave Zeeman ook mogen geweest zijn, de edele trek van nederigheid en vriendschap, dien ik hier met een regt hartelijk genoegen ter nederstelle, en die men onder de zoogenaamde grooten, en vooral die, welke van klein groot geworden zijn, zoo zeldzaam aantreft; die trek alleen, zeg ik, doet zijne nagedachtenis meêr eer aan, dan het winnen van verscheidene zeeslagen.De achtingwaardigePaulstierf teToulonden 18 October 1667, latende bij uitersten wil alle zijne goederen aan de armen, en vorderende tevens, als een nieuw bewijs zijner nederigheid, om onder hen, op het kerkhof, begraven te worden.—Leest dit, trotsche en laatdunkende grooten! vergelijkt de prachtige grafzuilen uwer voorvaderen bij deze begraafplaats,—en zoo gij nog denken en gevoelen kunt, zult gij het lage en eenvoudige kruidje op het graf vanPaul, een schitterender sieraad vinden, dan zoo vele zwierige versierselen en kostbare beeldhouwwerken van marmer en albast, zoo koud en ongevoelig als het hart van den mensch, die ’er onder ligt was, toen hij nog leefde, en waar op nimmer een enkele dankbare vriendentraan gestort is.1Schrijver vande Reize van den JongenAnacharsisin Griekenland, enz.2De Kapperplant behoort oorspronkelijk inSicilië,GriekenlandenEgyptente huis; die vrucht behoudt ook nog denGriekschennaam in het provencale woordtapenos, dat kruipende beteekent, omdat de plant langs de aarde, en de muren, daar zij tegen geplant is, kruipt.3Men kan, onder andere natuurkundigen,Réaumurhier over nazien; deze veronderstelt, dat dePholadezijn hol maakt, in een soort van klei, die naderhand hard wordt, maar anderen wederleggen dit, op grond, dat men dit diertje gevonden beeft, in steenen, die men in zee gelegd had.4Zijne moeder, hoog zwanger zijnde, ging teMarseillescheep, om van daar naar het kasteeld’Ifvaren, en werd zoodanig ontroerd door een hevigen storm, dat zij van hem beviel in de maand November 1597.

Marseille, 18 Augustus.

Ik heb u gezegd, dat ons oogmerk was om een uitstapje naarToulonenHièreste doen: daar wij nu hier genoegzaam al het merkwaardige gezien hadden, gingen wij den 14 dezer ’s morgens om drie uren, per gewoonen postwagen, naarToulonop reis. Men betaalt daar voor 9 livres de persoon, en voor een bagatel komt een van de bedienden van den Commissaris de reizigers opwekken, en hun pakje halen; want als men koffers of diergelijken heeft, moeten die daags te voren bezorgd worden. Men rijdt de poort, of eigenlijk debarrièrevanRome(want een poort staat ’er niet) uit, voorbij verscheidenebastides(buitenplaatsen), vervolgens door een aangenaam dal, waar men heuvels ziet, die met wijngaarden beplant zijn totAubagne, een stadje aan het riviertjele Veaune, 2 posten vanMarseillegelegen. Op een stuk marmer, hier omstreeks ontdekt, vindt men dat ’er voorheen ter dezer plaatse een stad bestond, genaamdLucretum; en eene andere, niet ver van daar, genaamdGargarium. DeRomeinscheregering had, ten haren koste, baden teLucretumdoen maken, om ’er het vrije gebruik van aan de inwoners te laten;men meent dan ook, dat de naam vanAubagnezijn’ oorsprong heeft vanad balnea(bij de baden). Men maakt hier een lekker soort van gekookten wijn, dien men ookmalvoisienoemt; de bevolking wordt op omtrent 4000 begroot. De inwoners hebben in ’t geheel den besten naam niet: velen maakten met elkanderen een bende uit, die zich met rooven, moorden, en plunderen der reizigers ophield. De geheele landstreek plagt, aan deze kanten, nog niet lang geleden, zoo gevreesd te zijn, als bij ons het land vanValkenburgbijMaastricht; en het is ’er nog niet zuiver; doch depolitieneemt goede maatregelen: echter mag dit plaatsje ook roem draagen, op een in de letterkunde beroemden man; ik meen den AbtBarthelemy1, die hier geboren werd. Men vindt hier digt bij vrij hooge bergen, en die zich, volgens natuuronderzoekers, over de 2000 voeten boven de oppervlakte der zee verheffen; op en tusschen de rotsen, groeijen vele pijnboomen; en zoo lagchende als de natuur aan den anderen kant vanAubagneis, zoo woest en treurig vertoont zij zich hier. Eer men teCugeskomt, heeft men echter een dal, waar het ’er wat beter uitziet; en de afwisseling der gezigten maakt den weg aangenaam.Cugesligt 3½ post vanMarseille, het plaatsje zag ’er slordig en armoedig uit, en hier moesten wij eten, hoewelhet ’s morgens omtrent 9 uren was. De herberg had ook in ’t geheel geen gunstig aanzien; doch de kok, hoewel vrij smerig, zag ’er frisch en gezond, uit, en ik geloof, dat hij wel 250 ponden kon halen; ik had daarom nog al goeden moed, dat de keuken ’er niet schraal zou zijn, en dit ging dan ook nog al vrij wel. Een van onze reisgezellen, een ronde en vrij ruwe zeeman, droeg hier zeer veel toe bij, en zorgde dat ’er geen proviand te kort kwam; onder anderen zette men ons roode patrijzen voor, die ik nimmer beter gegeten heb, en wij betaalden maar 40solsde persoon. Eer ik op den wagen stapte, nam ik den boêl nog eens op, want het scheen mij om de ongemeene morsigheid en slordigheid merkwaardig; daar bij kwam nog de zonderlinge t’ zamenstelling van het huis, en evenwel scheen men ’er veel te doen te hebben, want het was ’er drok, en ik had ’er met dat al ook smakelijk gegeten; doch tusschen eenHollander, die eenigen tijd gereisd, en onder vreemden verkeerd heeft, of eenHollander, die voor het eerst uit eene geregelde en zindelijke huishouding, in eene smerige herberg komt, verschillen de gewaarwordingen nog al eenigzins; en ik herinner mij bij deze gelegenheid een geval, dat om het karakteristieke, dat ’er in is, hier, dunkt mij, wel een plaatsje verdient. EenAmsterdamschkoopman, voor de eerste maal, (behalve een enkel togtje naar denHaarlemmerhoutofMuiderberg) zijne geboortestad en zindelijke woning verlatende, begaf zich door zijn knegt verzeld,in gezelschap van eenDuitscheren eenFranschmannaarHamburg, ter verrichting van zijne zaken; want anders was de goede man zeker t’huis gebleven. Naauwlijks was hij over de grenzen, of hij bespeurde al ras, dat de woningen ’er daar, zo in als uitwendig, geheel anders uitzagen dan teAmsterdam, op deHeere-,Prinse-ofKeizersgrachten. Aan een herberg komende, waar zij zouden afstappen, sprong deFranschmanin eens uit den wagen, in huis, en de waardin ontmoetende, die ’er nog al wel uitzag, hield hij zich bezig met haar een menigtedouceurste zeggen, en bekommerde zich om het overige niet; deDuitschervolgde, en den hospes opgezocht hebbende, vroeg hij, of ’er wat te eten en te drinken was; vervolgens kwam onze landsman binnen, keek naauwkeurig rond, riep zijn’ knecht, en zei tegens hem op een deftigen toon: ”Keesie! ga eens kijken of het hoisie wel schoon is?” Nu vreemden vooral mogen hier mede lagchen, en de zindelijkheid in sommige gedeeltens van ons land overdreven vinden, ieder een zal toch overdreven zindelijkheid, minder onaangenaam vinden dan overdreven morsigheid. Een eind weegs buitenCugestegen een hoogte moetende oprijden, die nog al steil was, verkozen wij daar te wandelen, en ik vermaakte mij met de grootsche en woeste tooneelen, die men hier aantreft, te beschouwen. Verbeeld u een woud van pijnboomen op rotsen, die zich hier al vrij hoog verheffen, en ginds een’ afgrond vormen; een steile kronkelende weg looptdaar door, en het gelijkt hier meêr naar het noordelijk, dan naar het zuidelijk gedeelte vanEuropa, (eene regte schilderij vanvan Everdingen) nogthans, hoewel de wind zich in de toppen der pijnboomen deed hooren, was op sommige plaatsen, buiten de schaduw, de rots, waar men op ging, brandend heet, en ’er bleef nog al een enkele zweetdroppel, eer wij boven waren. Langs vele van die pijnboomen was de schors en een gedeelte van het hout afgekapt, op zulk eene wijze verkrijgt men de harst, die uit deze wonden traant, doch hier na kwijnt en sterft de boom ook. ’t Is opmerkelijk, hoe deze boomen zich op sommige plaatsen met hunne wortels tusschen de spleten en kloven der rotsen gevestigd hebben, en verwonderlijk, dat ’er op dezen barren en steenachtigen grond, waar op het gedurende een goed deel van het jaar, maar zeldzaam regent, nog iets groeijen kan. Boven op de hoogte is de bodem ook kaalder, en men ziet slechts hier en daar een enkelen boom. Wij kwamen hier aan een kleincampvan 40 à 50 militairen, behoorende tot het garnisoen vanToulon; zij wonen in hutten, en zijn daar geplaatst, om te waken tegen de rooverijen en aanrandingen, die hier aanhoudend plaats hadden; sedert zijn de wegen ook veel veiliger: echter is het nog maar veertien dagen geleden, dat hier omstreeks een enkele kerel zich verstout heeft om den postwagen aanteranden; doch men heeft zich ook dadelijk meester van hem gemaakt, en hem naarMarseillegebragt. Zulk soort van volkwordt daar doorgaans zonder vorm van proçes gevonnisd, ter dood verwezen, en op of bij de plaats, waar het feit begaan is, voor den kop geschoten. Wat verder op langs den weg, die echter breed genoeg is, heeft men duchtige diepten.Beausset, waar wij van paarden veranderden, scheen mij een plaatsje, dat niet veel beteekent, en het zag ’er ook al slordig en armoedig uit. Tot mijne verwondering zag ik hier een witten Monnik, waarschijnlijk komt die uitItalië, om hier te bedelen. Onze zeeman, die Kapitein was, en een Fregat voorGenualiggende kommandeerde, wilde hem voor handlanger mede nemen, doch te bejaard zijnde, deed hij hem dat voorstel niet. Buiten dit plaatsje kwamen wij eenige gevangenen tegen, die kettingen om den hals en sommige aan handen en voeten hadden, en zoo aan elkanderen waren vastgemaakt; ik hield hen voor booswichten, die naar de galeijen gevoerd werden; doch onze Zeekapitein zeide, dat het weggeloopen matrozen waren, die men weder naar hun schip bragt, het waren meest jonge lieden; zij werden doorGens d’Armeste paard geleid, en leeden veel door de brandende hitte, en de zwaarte van hunne ketens, zoo dat ik recht medelijden met hun had.—Franschenmet ijzeren kettingen om den hals! en hoe ligt beschuldigen zij andere volkeren van woestheid en barbaarschheid. Nu zagen wij welhaast niets anders dan dorre en naakte bergen, en kwamen vervolgens in de engte tusschen steile rotsen, die menles Gorges d’Ollioulesnoemt. De rotsen staan hier als steile en onbeklimbaare muren, langs denweg, die zeer ongelijk en hobbelig is, zijnde ook niet anders dan steenrots; hier en daar treft men in deze engte, tusschen de rotsen, langs den weg, aanmerkelijke diepten aan. Het water dat zich bij zware regenbuijen, of door het smelten van de sneeuw, hier langs ontlast, vormt dan een’ snellen stroom, die somwijlen opgestopt wordt door de stukken steen, die hij medevoert, en dan, op eenmaal weder geweldig losbarstende, den weg op die plaatsen, waar hij laag is, overstroomt, en alles wat hij ontmoet medesleept, en den ongelukkigen reiziger verzwelgt. Gelukkig dat de zon niet hoog meêr stondt, toen wij ons hier bevonden; want dan moet het ’er brandende heet zijn, omdat ’er, als rondom beschut zijnde, geen windje toegang heeft, en de terugkaatzende hitte van de rotsen die van de lucht en van de zonnestraalen nog vermeerdert. Op sommige plaatsen zou men hier te vergeefs rondom zich een enkel grasscheutje of plantje, hoe ook genaamd zoeken. De natuur vertoont zich ontzaggelijk, en heeft allen bevalligen tooi afgelegd; echter ziet men bij het steedjeOllioules, reeds orange-, citroen- en granaatboomen in de open lucht;Ollioulesis de bloemtuin vanMarseille, en men brengt van daar zeer vele bloemen te markt. Hier omstreeks plagt ook een koper- en zilvermijn te zijn, en men ontdekt in deze rotsen ook sporen van uitgedoofde vuurbrakingen (volcans). Daar omstreeks zagen wij veel Kapperplanten2, zoo als wij reeds in menigte tusschenMarseille, en hier vooral in de vlakte vanAubagnegezien hadden: de bloem is fraai, en heeft wel iets van de passiebloem, en de kappers zoo als zij ingelegd worden, zijn de bloemknopjes; de kleinste worden voor de beste gehouden. Nu komt men opToulonschenbodem, en ziet hier onder anderen een’ grond, bestaande uit steentjes, die door eene harde stof aan elkanderen vastzitten, als of zij met kalk of cement aan een waren gehecht. Dezen grond noemt mensaffre; hij wordt zoo hard in de lucht, en men maakt ’er hier omstreeks, met goed gevolg, gebruik van, om muren te bouwen. Van een hoogte, waar de weg overloopt, heeft men een verrukkelijk gezigt op de reede vanToulon; daar lagen verscheidene oorlogsschepen. Wij reden vervolgens over een brug, die eenige jaren geleden door deEngelschewas afgebroken, om hier door hunnen aftogt uit de stad te dekken. De toegangen vanToulonzijn niet onbevallig, en de stad zelve ligt fraai in zijn wallen, muren en grachten, die vrij wel onderhouden schijnen te zijn. Het was ’er door de menigte zeelieden, die hier op de reede liggen, en door het garnisoen, vrij levendig. Het was omtrent half zes, toen wij aankwamen.BeaussetenToulonzijn ook twee, en dusMarseilleenToulonin ’t geheel 7½post van een gelegen. Wij namen onze intrek in het Hotèlla Croix de Malthe, waar het ’er redelijk wel uit zag. Na eens op de haven te hebben wezen kijken, en een gedeelte van de stad, die niet groot is, doorgeloopen te hebben, ging ik naar den Schouwburg, waar mende GierigaardvanMolière, vrij wel speelde; na hetzelve gaf menPhilippe et Georgette, zangspel, en ook dit heb ik op voornamer tooneelen dan dat vanToulon, wel minder gezien.

Den 15 dezer ging ik al vroeg naar de haven, waar het regt vrolijk was, door de menigte van varensvolk, die dan met sloepen aankwamen, en dan weder wegroeiden. Hier zag ik voor het Stadhuis een fraai verguld Vrijheidsbeeld, op een marmer voetstuk. Het beeld zelve, naar ik vernam, was slechts van hout. ’t Is of die vanToulonvoorzien hebben, dat het maar voor eenige jaren zou moeten dienen.—Het ware te wenschen, dat dit vooruitzigt meêr algemeen was geweest. Rondom op het voetstuk las ik de volgende versen:

“Sur les vertus, et sur les loisl’Auguste Liberté repose:A la perdre l’homme s’expose,Si-tot qu’il meconait ses devoirs ou ses droits.

“Sur les vertus, et sur les loisl’Auguste Liberté repose:A la perdre l’homme s’expose,Si-tot qu’il meconait ses devoirs ou ses droits.

“Sur les vertus, et sur les lois

l’Auguste Liberté repose:

A la perdre l’homme s’expose,

Si-tot qu’il meconait ses devoirs ou ses droits.

Souviens toi, que le créateurTe fit pour n’avoir point de maitre,Lui même si bien fait pour l’être,Se derobant aux yeux ne commande qu’au coeur.

Souviens toi, que le créateurTe fit pour n’avoir point de maitre,Lui même si bien fait pour l’être,Se derobant aux yeux ne commande qu’au coeur.

Souviens toi, que le créateur

Te fit pour n’avoir point de maitre,

Lui même si bien fait pour l’être,

Se derobant aux yeux ne commande qu’au coeur.

“Mortel jusqu’au dernier soupir,Que la Liberté te soit chère,Ton plus digne soin sur la terre,Est de la conserver, et d’en savoir jouïr.

“Mortel jusqu’au dernier soupir,Que la Liberté te soit chère,Ton plus digne soin sur la terre,Est de la conserver, et d’en savoir jouïr.

“Mortel jusqu’au dernier soupir,

Que la Liberté te soit chère,

Ton plus digne soin sur la terre,

Est de la conserver, et d’en savoir jouïr.

“On est digne d’un si grand bien,Lorsque l’on sait à la patrie,Immoler tout jusqu’a la vie,Lors qu’au bonheur de tous on attache le sien.”

“On est digne d’un si grand bien,Lorsque l’on sait à la patrie,Immoler tout jusqu’a la vie,Lors qu’au bonheur de tous on attache le sien.”

“On est digne d’un si grand bien,

Lorsque l’on sait à la patrie,

Immoler tout jusqu’a la vie,

Lors qu’au bonheur de tous on attache le sien.”

De twee beelden die hetbalconvan het Stadhuis onderschragen, zijn twee kunst-stukken van denMarseillaanschenbeeldhouwerPuget. Men zegt, dat deze kunstenaar zich te beklagen hebbende over twee consuls dezer Stad, die toen aan het hoofd van het bestuur waren, met zoo veel waarheid de trekken van hun gelaat in die zijner beelden wist te brengen, dat men ze niet miskennen kon, zoo dat die twee Heeren, na hun consulaat, niet meêr voorbij het Stadhuis durfden gaan.

Toevallig bekwamen wij een brief aan den Kommandant van het Fortde la Malgue, op een’ heuvel even buiten deItaliaanschepoort gelegen; hoewel het zeer warm was, gingen wij ’er naar toe. Die offiçier, die nog jong, maar verminkt was, ontving ons vriendelijk, en na onze paspoorten onderzocht en verscheidene vragen gedaan te hebben, gaf hij ons een onderoffiçier mede, on ons het Fort te laten zien. Het is naauwelijks dertig jaren geleden gebouwd, schijnt zeer sterk, en bijzonder geschiktom de reede te dekken: men heeft van hetzelve een alleraangenaamst gezigt in zee. Nimmer zag ik inFrankrijkiets van die natuur, dat zoo net onderhouden was. Rondom in hetzelve zijn casernen en casematten; in een van die liet men ons de looden kist zien, waarin het gebalsemde lijk van den GeneraalJoubert, gesneuveld in de bataille vanNovi, ligt. De wand was met zwart laken behangen, en tegen denzelven stonden verscheidene krijgsstandaarden, met onderscheidene toepasselijke opschriften. Om de kist zag men een soort van Lijklampen. Dit lijk werd hier bewaard, tot dat de graftombe, die ’er voor gemaakt moest worden, in gereedheid zou gebragt zijn. De wijn, die langs dezen heuvel groeit, is vooral hier omstreeks beroemd en bekend onder den naam vanVin de la Malgue. Wij telden van hier 22, zoo groote als kleine, schepen op de reede, en waar onder, naar men ons verhaalde, 10 van linie. DePholadeeen schulpvischje, dat zich in den harden steen eene woning weet te maken, wordt ook in de steenen aan den oever der zee, hier omstreeks, gevonden. Dit schulpvischje, dat goed is, om te eten, geeft, versch zijnde, in het donkere eenphosphorieklicht van zich3. Dekermesofvermiljoeninsectwordt ook op de struiken, staande op en tegen de heuvels langs de zee in deze streek, en wel bijzonder vanToulontotSt. Tropézgevonden.

Het was hier feestdag, zijndeMaria Hemelvaart, een van de heilige dagen, die volgens het concordaat, inFrankrijkgevierd worden—zijnde ook de Verjaardag vanBonaparte;—ik ging eenige Kerken bezigtigen. Die vanSt. Louïs, maar korten tijd voor de omwenteling voltooid, heeft in het begin van dezelve gediend voor een tempel der Reden: thans wordt de Roomsche godsdienst ’er in verrigt, en ’er was een Lieve Vrouwe beeldje ten toon gesteld, met een fraai geborduurde samaar aan, dat de geloovigen kwamen kussen. Deze Kerk is een schoon gebouw, het pronkt met een mooije, en in denantiquensmaak gebouwdefacade. Rondom de koepel, waar onder het groot autaar staat, zijn fraaije kolommen, en over het geheel heeft deze Kerk een deftig en bevallig voorkomen. Wij aten ’s middags in ons Logement met eenige Offiçieren, waar onder ’er waren die zeer Republikeinsch gezind schenen. Het eten was vrij goed voor 3Livres: wij namen ook een fles wijnde la Malgue, doch die beviel mij zoo min als de overige wijnen van dit land. Na den middag ging ’er een proçessie door de straten, men droeg een mooi opgeschikt Lieve Vrouwebeeld rond; eenige weinige leden van den Magistraat, met fakkels in de hand, waren hier bij tegenwoordig; voor het overige waren het meest vrouwen, die volgden, en vele der omstanders schenen’er weinig eerbied voor te hebben; sommige dreven ’er zelfs openlijk den spot mede.Toulonis een vrij gnappe stad, en vooral het nieuwe gedeelte (le quartier neuf) ziet ’er wel uit. De paradeplaats is fraai en rondom met boomen beplant: zij dient tevens voor eene gemeene wandeling, en met den feestdag was hier veel volk. Op deze plaats zijn ook eenige schoone koffijhuizen, die veel te doen hadden, vooral door de Zeeoffiçieren en andere militairen, die meest aan de deur zaten; dit alles maakte het hier zeer levendig en vrolijk. Ik zag in een ander gedeelte van de stad ook nog een breede straat, die met boomen beplant was. Op de markt, waar wij geherbergd waren, staat een fraaije fontein; tegen het zuiden open, en van de noordzijde beschut door hooge bergen of rotsen, daar bij op 43 graden, 7 minuten en 24 seconden noorderbreedte gelegen, kan het teToulonzeer warm zijn. De haven is fraai, ruim en zeer geschikt ter beveiliging der schepen. Van den wal, vooral aan den kant van de haven, heeft men ook een aangenaam gezigt. Men had mij gezegd, dat om het Arsenaal, een der merkwaardigste dingen, die men hier heeft, te zien, wij een schriftelijk verlof van denprefectvan de Marine moesten hebben; dat, uit hoofde der tijdsomstandigheden, niet ligt werd toegestaan. Ik was ’er den vorigen avond te gelijk met eenig werkvolk al eens opgeloopen, want, van den postwagen komende, had ik een lange broek en een buisje aan; men had in die kleeding geen acht op mij geslagen, maar waarschijnlijk vooreen zeeman, die daar een boodschap had, aangezien; doch ik kon ’er toen niet lang blijven, om dat het, avond wordende, de ingang gesloten werd, en allen, die ’er af wilden, een kaartje of briefje moesten vertoonen. Heden waagde ik het dan in dezelfde kleeding weder, en het gelukte mij insgelijks, gelijk ook mijn reisgenoten. Het geen men hier het Arsenaal heet, zou men bij ons een Scheepstimmerwerf noemen. Deze plaats, waar men schier al het noodige tot den scheepsbouw in bijzondere gebouwen bij elkanderen vindt, als mede het geen tot de wapening en toerusting van denzelven vereischt wordt, is zeer ruim, en aan het eene eind van de kaai gelegen. Ik zag hier verscheidene groote schepen op stapel staan. De in den grond gebouwde steenen kom, geschikt om daar in de schepen te kalfateren, verdient vooral opgemerkt te worden; zij heeft omtrent de gedaante van een schip, zijnde, volgens daar van gevonden aanteekeningen, 300 voeten lang, 100 breed, en 34 hoog. Door middel van sluizen en pompen, kan men ’er het water uit en inlaten; als het schip ’er in is, pompt men de kom ledig, zoodat de scheepstimmerlieden dan overal bij kunnen. Niet ver van hier ziet men de galeijen, die echter niet meêr gebruikt worden, en zelfs masteloos zijn. Thans dienen zij alleen maar tot een verblijf voor misdadigers, veroordeeld, om geboeid aan ’s lands werk te arbeiden, en waar van ik ’er hier een groote menigte zag. Men verzekerde mij, dat ’er wel 4000 waren; zij zijn met zware kettingen geboeid,meestal twee aan twee; deze ketting is dan aan een ijzeren beugel, dien zij aan een der beenen hebben vastgemaakt, aan een gordel die zij om het lijf hebben, is een ijzeren haak, waaraan zij, wanneer zij gaan, de ketting, die hun anders zou naslepen, ophaken. Hunne kleeding is voornamelijk een wambuis, of korte schanslooper, van een grove pij, en een mutsje van diergelijke stof op het hoofd. Zij zijn afgedeeld in onderscheidene klassen, die tot onderscheidenen arbeid gebruikt worden. De kleur van hunne kleeding verschilde dan ook, en ik zag troepen, die in het bruin, en anderen die in het rood waren. Eenigen, wier tijd bijna uit is, of die zich door een aanhoudend goed gedrag het vertrouwen van hunne opperhoofden hebben waardig gemaakt, worden aangesteld als opzienders over de anderen, en deze hebben slegts een beugel en geen ketting aan het been, en zien ’er ook beter uit in dekleederen; zij doen allerlei ruw werk op de werf en in de werkhuizen. Ik zag ’er ook een hoop in de stad, komende uit een caserne, die zij schoon hadden gemaakt; zij werken ook aan de vestingen, aan het schoonmaken van de haven enz. Wanneer zij arbeiden, worden zij door wachten verzeld, en blijven bovendien geketend. Met dat al vinden sommigen nu en dan nog gelegenheid, om te ontkomen. Mogelijk is het veelal aan hunne ruwe levenswijze, harden arbeid, en haveloze kleeding toeteschrijven, anders zou men deze menschen beschouwende, moeten bekennen, dat de leer vanLavateral vrij gegrond is; want zij zien ’er dan, over het algemeen, al zeer afschuwelijk uit, en de ondeugd is, zoo als men zegt, op het gelaat van velen te leezen. De galeistraf schijnt niet eerder inFrankrijk, dan sedert het midden van de 16de eeuw gebruikelijk geweest te zijn; althans de eerste vonnissen, die tot deze straf verwijzen, zijn van 1532 en 1535, en de eersteordonnantie, die ’er van spreekt, is die vanKarelden IX. gegeven teMarseillein 1564. Voorheen waren ’er ook galeijen teMarseille, doch sedert eenige jaren bestaan zij daar niet meêr, en in ’t geheel worden deze schepen doorFrankrijkniet meer gebezigd; toen men ’er nog gebruik van maakte, dienden de misdadigers, om ze voortteroeijen op deMiddellandsche Zee. Zekere Koning vanFrankrijk, zegt men, teMarseillezijnde, ging de galeijen bezoeken, en vroeg aan verscheidene galeiboeven (forçats) hoe zij daartoe gekomen waren; ieder wendde voor, dat hij onschuldig was, en trachte door een menigte verontschuldigingen het medelijden des Konings optewekken; een enkele echter bekende rondborstig schuld, en beleed zijne misdaden. De Koning wendde zich daar op tot de opzienders van de galei, zeggende: “dat men dezen deugniet terstond van hier uit het midden van zoo vele goede en eerlijke lieden wegjage, en dat hij ’er nooit weder kome!” Indien dit, zoo als het verteld wordt, waar is, moet men bekennen, dat die Koning eene aardige tegenwoordigheid van geest toonde; doch men zet zoo veel dingen vandien aard, op rekening der Vorsten, en bedient zich over het algemeen van alle middelen, die maar eenigzins strekken kunnen, om hen, is het mogelijk, in het oog van het volk wijzer, beter en verhevener te maken dan andere menschen: jammer is het voor hun, dat zij zich noch niet boven de menschheid kunnen verheffen, en toch maar even eens in de wereld komen, en ’er uitgaan als wij. Gedurende verscheidene eeuwen, is een groot deel van het menschdom in de verbeelding geweest, dat men, om inEuropaVorst te zijn, juist door een bijzonder ras moest geteeld wezen; doch dit vooroordeel schijnt ook in onze dagen, dank zij de meerdere verlichting, den bodem ingeslagen,Bonaparteis zoo wel Keizer en gezalfde des Heeren, als de Keizers teWeenenen teSt. Petersburg; en de een zoo wel als de andere verdient onze hoogachting, wanneer zij alleen trachten te schitteren en uitteblinken boven hunne natuurgenooten, door deugden en ware grootheid; en de meerdere magt, die zij boven hen bezitten, niet anders gebruiken, dan ter bevordering en uitbreiding van het geluk hunner medemenschen. Maar ik hervat de beschrijving van het Arsenaal. Behalve verscheidene tuighuizen en werkplaatsen voor de timmerlieden, smeden enz. is hier ook eene aanzienelijke geschutgieterij. Bijzonder verdient de touwslagerij en lijnbaan gezien te worden, en is aanmerkelijk om hare ongemeene lengte; zij is geheel verwulfd, rustende op drie rijen boogen, en volgens het bestek vanden vermaarden vestingbouwkundigede Vaubangemaakt. Als men van binnen aan het eene eind staande door al die bogen ziet, kan het oog naauwelijks het eind bereiken, en dit levert een fraai vergezigt (perspectief) op. Wij hadden eenVlamingontmoet, die hier ook als scheepstimmerman werkte; deze had de vriendelijkheid, om ons, als eenigzins landslieden zijnde, het een en ander aantewijzen, en met ons rond te gaan.—Met smart dacht ik hier, aan den toestand van onze VaderlandscheMarine—voorheen werden ook onze scheepstimmerwerven door alle vreemdelingen bewonderd, onze tuighuizen waren wel voorzien, en in plaats van de speelbal van vreemde mogenheden te zijn, werden wij met ontzag behandeld, en wisten onze regten op zee duchtig te doen gelden.—Helaas! waar zijn die tijden, vriend? en wat is ’er van die edele zucht naar Vrijheid en Onafhankelijkheid, die eene van onze voorname karaktertrekken plagt te zijn, geworden?—Moet het vaderlandsch bloed ons niet in de aderen koken, als wij bedenken, dat ’er een tijd bestond, waar in deEngelschenhunne schepen veelal inHollandof teLubeckmoesten laten maken, en dit is immers nog zoo heel lang niet geleden? En was niet een van hunne eerste Koningen verpligt, geen goede matrozen inEngelandkunnende vinden, om dezelve uitFrieslandte laten overkomen?—wat is thansEngeland?—en wat zijn wij?

De reede vanToulonwordt door sterke torens beschermd,alsla Tour de Balaquier,d’ Eguilette,la grande Tour, en hetFort des Vignettes, dat een kwartier van dezen laatsten afgelegen is.

Een man, dien ik in een Koffijhuis aantrof, en aan wien ik eenige vragen deed aangaande deze stad, merkende, dat wij vreemdelingen waren, bood zich aan om ons naar een’ aangenamen tuin, waar men eenige vreemde planten en gewassen kweekt, even buiten de poort van Frankrijk (la porte de France) te geleiden; dit vriendelijk aanbod werd zonder bedenking aangenomen, en ik zag een niet groote, maar wel aangelegde, lommerrijke en netjes onderhouden planthof. Verscheidene menschen wandelden hier, en de reuk van de menigte geurige planten, bloemen en gewassen, was alleraangenaamst. Deze tuin is hier onder den naam vanJardin des plantesbekend. De stad intredende, hoorden wij door het gebulder van het kanon, den geboortedag van den nieuwenFranschenKeizer aankondigen. In de stad liet onze vriendelijke geleider ons ook nog een’ tuin zien, waarin verscheidene groote orange-boomen, die daar winter en zomer in den grond staan; zij waren vol vruchten, en gaven eene aangename lommer.

Den 16 dezer reden wij met een gemakkelijke koets, want ’er was geen ander rijtuig te krijgen, naarHières, drie mijlen (trois lieues du païs), dat is drie uren gaans vanToulongelegen. Bij het uitrijden zagen wij, dat alle de schepen op de reede liggende, met eene menigte vlaggen en wimpels versierd waren,ter eere van KeizerNapoléon, wiens geboortedag thans gevierd werd; waarom dan ook de HeiligeRochus(St. Roch) die op den 16 Augustus in den Almanak plagt te staan, sedert een paar jaren, inFrankrijkdaar uit geschrapt is, enSt. Napoléon, zeker ook een vermaarde Heilige, hoewel ik de eer niet heb van hem te kennen, in deszelfs plaats gesteld. Zie onder anderen deAlmanak Nationaal, thansImperiaal. De gemakkelijke koets kwam ons hier wel te pas, want de weg was verbaasd hobbelig, zoo dat wij zelfs eindelijk verkozen, on te wandelen. De landstreek is niet onaangenaam en schijnt nog al vruchtbaar, voornamelijk in wijngaarden en olijfboomen. TeHières, in het LatijnAreæ, stappen wij af aan hetHotel des Ambassadeurs, waar wij van de kamer, die men ons aanwees, een schoon gezigt op de zee en de eilanden vanHièreshadden. Na wat ontbeten, en het middagmaal besteld te hebben, gingen wij de vermaarde tuinen en boschjes van orange- en citroenboomen bezigtigen, waaronder die van MadameFilleen MonsieurBeauregardde voornaamsten zijn. Men verzekerde ons, dat deze twee tuinen, hoewel zij geene groote uitgestrektheid beslaan, somtijds, wanneer het gewas voordeelig is, ieder tot 20,000 livres ’s jaars aan vruchten, meestal orange-appelen, chinoises en citroenen, opbrengen. Deze boomen zijn hier even eens in volle aarde geplant, als bij ons de appel-, peeren- of kersen-boomgaarden, doch men ziet ’er meêr groote struiken, zoo als zwaar hakhout, dan opgaandeof stamboomen; ook vond ik ’er veel minder citroene dan orange-appelen, waarschijnlijk omdat de laatste duurder verkocht wordende, meer voordeel aanbrengen. In den tuin van Mr.Beauregard, zag ik in volle aarde een’ hoogen Palmboom (palma major) die wel scheen te tieren; voor het overige, vind ik, dat hoe zeer deze tuinen of boomgaarden voor de bewoneren van het noorden, of meer gematigde luchtstreken, eene zeldzame vertooning opleveren; zij echter niet beantwoorden aan het geen men ’er over het algemeen van hoort en leest, en weinig van dat schilderachtige (pitoresque) lommerrijke, en van die vrolijke verscheidenheid hebben, die tot een aangenamen lusthof behoort. EenFranschman, dien wij teToulonin ons logement hadden leeren kennen, en die met ons partij gemaakt had, om hier na toe te gaan, was dit ook volkomen met mij eens. Ondertusschen beviel mij de wijze, waarop men hier besproeit, en welke besproeijing in deze heete en drooge luchtstreek zoo noodzakelijk is, bijzonder. De tuinen liggen aan de zachte helling van een’ berg tegen het zuiden, zoodat zij voor de noordenwinden, door den berg of rots, beschut zijn, en de terugkaatsing van de zonnestralen de warmte nog vermeerdert. Zij zijn trapsgewijze aangelegd, en op het hoogste gedeelte is een fontein of bron; nu leidt men het water uit dezelve van tijd tot tijd door een menigte kleine kanalen of goten, zoo als wij ze noemen, door den ganschen tuin loopende, van de eene verdieping, om zoo te spreken, op deandere. Zoo ik ooit een hoog en droog buitengoed mogt bewonen, denk ik ook, althans den moestuin in dier voege aanteleggen, van die wijze van besproeijen gebruik te maken, en mij, indien ’er geen bron is, van een put, waarop een pomp staat, te bedienen. In de zestiende eeuw had men hier ook suikerriet geplant; doch de handel metAmerikaen de matige prijs, waar voor de suiker toen te bekomen was, heeft deze planterij doen te niet gaan. Niettegenstaande het vrij warm begon te worden, gingen wij in het stadje, dat tegen de hoogte ligt; ’er is nog al een muur om, en men gaat ’er door een poort in; voorheen dienende on de inwoners tegen de aanvallen en stroperijen der zeeschuimers te beveiligen; het ziet ’er armoedig en haveloos uit, en men klimt langs naauwe straten gedurig op en af. In vroegere tijden plagt het eene aanzienelijke stad te zijn, omdat ’er toen een zeehaven was, doch deze haven is droog geworden, en de zee heeft zich een goed eind weegs verder op verlegd. Boven in de stad zijnde, bood zich een kleine jongen aan, zoo veel wij van zijnpatoisverstaan konden, om ons naar de overblijfsels van het oude kasteel, boven op de rots, nog heel wat hooger gelegen, te geleiden. Wij namen dit aan, en die kleine gast sprong bloots voets, als een klipgeit voor ons heen tegen de rots op, die hier en daar zoo heet was, dat wij het door onze schoenen heen voelden: toen wij een eindje opgeklommen waren, vroeg hij ons om twee stuivers (dou sau) enherhaalde deze vraag gedurig, en als wij hem niet spoedig wat gaven, liep hij weg en liet ons staan, maar kwam ook, zoodra wij een of twee stuivers lieten zien, weder terug, altijd huppelende en springende, of tegen de steilste plaatsen, op handen en voeten opklauterende; nimmer herinner ik mij vlugger kind gezien te hebben. Op eene zekere hoogte wees onze kleine leidsman ons eenige wijngaarden aan, wij plukten ’er van en vonden de druiven, die een’ muscaatsmaak hadden, uitmuntend; te meêr, omdat wij door de hitte aâmechtig waren. Nu hadden wij bijna den top, waarop de vervallen muren stonden, bereikt, doch hier werd de weg zeer steil en ongemakkelijk, en wij waren nog bezig met al zuchtende en blazende te klimmen, toen de kleine al boven ons op een stuk van een muur in zijn handjes stond te klappen en te springen: daar gekomen zijnde, hadden wij een verrukkend gezigt. Ten zuiden ziet men over het stadje; en de onder hetzelve gelegen tuinen met orangeboomen, de eilanden vanHièreseenige rotsen, en deMiddellandsche Zee; ten westen de reede vanToulonover een aangename valei; duidelijk zagen wij de schepen liggen, en daar het juist middag was het geschut lossen; ten noorden en ten oosten vertoonde zich een uitgestrekt en schiderachtig landschap, met bergen en valeijen aangenaam geschakeerd; en een kudde schapen, niet ver van deze vervallen muren, die hier en daar met struiken en klimöp bewassen waren, weidende, vermeerderde nog de bekoorlijkheden van ditromaneskgezigt. Het kasteel, dat hier in vroegere tijden stond, behoorde aan de Heeren vanHières, eerst de jongste zonen van devicomtesvanMarseille, uit den stam vanFosc, kort daar na de Hertogen vanAnjou, Graven vanProvence. Hier omstreeks moet ook een Klooster of Abdij gestaan hebben, door die eerste Heeren gesticht; doch de monniken leefden zoo losbandig, dat men ’er hun in 1220 uit deed gaan, en hun Klooster en goederen aan anderen gaf.—Hoewel ons het opklimmen van deze rots vrij wat zweet gekost had, waren wij daar echter, om het schoone gezigt, zeer over te vreden. Na ons wat verfrischt te hebben, deeden wij een smakelijken maaltijd. Het eten, schoon alles ook naar ’s lands gebruik met olij klaar gemaakt, was vrij goed; men is hier echter in ’t geheel niet goed koop; maar op zulke plaatsjes is niet veel keus. Men verhaalde ons dat deEngelschennog maar weinige dagen geleden, op een der eilanden vanHièresgeweest waren, om zich van eenige eetwaren te voorzien. Deze eilanden zijnPorque Rolles(om dat men ’er veel wilde zwijnen plagt te vinden)Porto-crosenTitangenaamd. Zij brengen een menigte geneeskruiden en planten, die zeer gezocht zijn, voort. Voor de natuurkundigen valt ’er in de bergen en rotsen, hier omstreeks, ook vrij wat te beschouwen, vooral met betrekking tot demineralogie. Men vindt ’er de sporen van oude en thans uitgedoofde vuurspuwende bergen (volcans), mijnen, jaspis, porphyr enz. ook wordt nietver van hier het zoogenaamd moskovisch glas, dat men gebruikt, on voorwerpen voor het microskoop tusschen te liggen, gevonden.Hièresis de geboorteplaats van den vermaarden PaterMassilloneen der welsprekendste Predikanten, dieFrankrijkopgeleverd heeft. Men vindt vanLodewijkden XIV. aangeteekend, dat hij, die reeds de treffende leerredenen vanBourdaloueen anderen gehoord had, tegenMassillonzeide: “Eerwaarde! ik heb verscheidene groote redenaars in mijn kapel gehoord; ik ben ’er zeer te vreden over geweest: wat u aangaat, telkens als ik u hoor, ben ik zeer te onvreden over mij zelven.” Men begroot het getal der inwoners vanHièresop omtrent 1200, en men meent te moeten veronderstellen, dat die stad bestaat sedert de zesde of zevende eeuw. Tegen den avond keerden wij langs denzelfden weg, omdat ’er geen andere is, naarToulonte rug; tusschen beide wandelende, troffen wij een’ man aan, met wien wij in gesprek raakten; deze door het schieten ter eere van den Keizer op dat onderwerp geraakt zijnde, veroorloofde zich uitdrukkingen tegen zijne Majesteit, die ik zeer oneerbiedig en onvoorzigtig vond. Deze man scheen ter zee gevaren te hebben, en teCorsikabekend te zijn.

’s Avonds in een Koffijhuis teToulon, ontmoetten wij onzen reisgezel den Zeekapitein, hij was met het kruis van hetLegion d’honneurversierd, en had zeer veel bekijks; want hij was de eenigste onder een menigte Officieren, die het had, en men wasnog niet gewoon, sommigen hoorde ik ’er mede spotten, en andere ’er over morren; waarschijnlijk veelal uit misnoegen en afgunst; want menig een meent dan ook al, dat zijn Uil een Valk is. In oude aanteekeningen van de tweede eeuw der Christelijke Jaartelling, wordt ’er reeds melding gemaakt vanToulon, en deRomeinenhadden ’er in het begin van de vijfde eene verwerij, die waarschijnlijk aanleiding gaf tot vergrooting van de stad. Voor de omwenteling was hier een Bisdom; deze stad telt echter niet meer dan ten hoogste 4500 inwoners, thans is zij de hoofdplaats van het Departementdu Var. De scheepsbouw, en wat daar verder bij behoort, maakt het voorname bestaan van deze stad uit, men maakt ’er ook een soort van grof laken, dat menPinchinatsnoemt. Wij hadden reeds bij onze aankomst plaatsen besproken, om morgen ochtend weder met den Postwagen van hier naarMarseilleterug te keren; doch eer ik vanToulonafstap, moet ik u een verhaal mededeelen, dat gij ongetwijfeld met genoegen lezen zult.Paul, zoon van een waschvrouw4, werd gelijk als onzede Ruiter, van scheepsjongen tot een der aanzienelijkste posten bij, deFranschevloot, te weten, tot dien van Onder-Admiraal verheven; ook was hijChevallier de Justicein de order vanMaltha, en werd daarom de RidderPaulgenaamd. Omtrent het midden van de 17e eeuw voerde hij het bevel over de Zeemagt teToulon. Op zekeren dag, dat hij teMarseillelangs de haven wandelende, verzeld door verscheidene Offiçieren en de voornaamste Edellieden van de stad, zag hij een Matroos van zijn kennis, onder de menigte, uitgelokt door de begeerte om hem te zien; deze uit een soort van verlegenheid zich naauwelijks durvende vertoonen, treedtPaulnaar hem toe, en spreekt hem vriendelijk aan, zeggende: “Waarom ontwijkt gij mij? denkt gij dat de voorspoed mij mijne oude vrienden doet vergeten?” En zich vervolgens wendende tot hen, die hem vergezelden, zeide hij: “Mijne Heeren! zie daar een van mijne oude makkers: wij zijn te zamen scheepsjongens op hetzelfde schip geweest: het geluk heeft mij gediend, en hem den rug toegedraaid; ik acht ’er hem niet te minder om, vergun, dat ik mij een oogenblik met hem onderhoude.” Dit gezegd hebbende, trok hij zijn’ ouden vriend ter zijde, onderhield zich gemeenzaam met hem, vooral over de voorvalletjes hunner jeugd, toen zij te zamen dienden, vervolgens naar zijn vrouw en kinderen en eene en andere huisselijke omstandigheden vragende, verzocht hij hem om op een bepaalden tijd bij hem te komen, ten einde nader met hem te spreken en te overleggen, op wat wijze hij hem het beste van dienst zou kunnen zijn, en het gevolg hier van was, dat de goedePaulaan zijnen ouden makker,die het niet te ruim had, een postje bezorgde, waar van hij met zijne vrouw en kinderen ordenlijk leven kon. Hoe groot de betoonde moed en heldendaden van deze brave Zeeman ook mogen geweest zijn, de edele trek van nederigheid en vriendschap, dien ik hier met een regt hartelijk genoegen ter nederstelle, en die men onder de zoogenaamde grooten, en vooral die, welke van klein groot geworden zijn, zoo zeldzaam aantreft; die trek alleen, zeg ik, doet zijne nagedachtenis meêr eer aan, dan het winnen van verscheidene zeeslagen.

De achtingwaardigePaulstierf teToulonden 18 October 1667, latende bij uitersten wil alle zijne goederen aan de armen, en vorderende tevens, als een nieuw bewijs zijner nederigheid, om onder hen, op het kerkhof, begraven te worden.—Leest dit, trotsche en laatdunkende grooten! vergelijkt de prachtige grafzuilen uwer voorvaderen bij deze begraafplaats,—en zoo gij nog denken en gevoelen kunt, zult gij het lage en eenvoudige kruidje op het graf vanPaul, een schitterender sieraad vinden, dan zoo vele zwierige versierselen en kostbare beeldhouwwerken van marmer en albast, zoo koud en ongevoelig als het hart van den mensch, die ’er onder ligt was, toen hij nog leefde, en waar op nimmer een enkele dankbare vriendentraan gestort is.

1Schrijver vande Reize van den JongenAnacharsisin Griekenland, enz.2De Kapperplant behoort oorspronkelijk inSicilië,GriekenlandenEgyptente huis; die vrucht behoudt ook nog denGriekschennaam in het provencale woordtapenos, dat kruipende beteekent, omdat de plant langs de aarde, en de muren, daar zij tegen geplant is, kruipt.3Men kan, onder andere natuurkundigen,Réaumurhier over nazien; deze veronderstelt, dat dePholadezijn hol maakt, in een soort van klei, die naderhand hard wordt, maar anderen wederleggen dit, op grond, dat men dit diertje gevonden beeft, in steenen, die men in zee gelegd had.4Zijne moeder, hoog zwanger zijnde, ging teMarseillescheep, om van daar naar het kasteeld’Ifvaren, en werd zoodanig ontroerd door een hevigen storm, dat zij van hem beviel in de maand November 1597.

1Schrijver vande Reize van den JongenAnacharsisin Griekenland, enz.

2De Kapperplant behoort oorspronkelijk inSicilië,GriekenlandenEgyptente huis; die vrucht behoudt ook nog denGriekschennaam in het provencale woordtapenos, dat kruipende beteekent, omdat de plant langs de aarde, en de muren, daar zij tegen geplant is, kruipt.

3Men kan, onder andere natuurkundigen,Réaumurhier over nazien; deze veronderstelt, dat dePholadezijn hol maakt, in een soort van klei, die naderhand hard wordt, maar anderen wederleggen dit, op grond, dat men dit diertje gevonden beeft, in steenen, die men in zee gelegd had.

4Zijne moeder, hoog zwanger zijnde, ging teMarseillescheep, om van daar naar het kasteeld’Ifvaren, en werd zoodanig ontroerd door een hevigen storm, dat zij van hem beviel in de maand November 1597.


Back to IndexNext