Twaalfde Brief.Nismes,21 Augustus.Gisteren avond on 7 uur zijn wij in deze stad, om zijne oudheden zoo vermaard, aangekomen; en hebben onzen intrek genomen in het Hotèldu Louvre; maar, eer ik u vanNismesspreek, moet ik den draad van mijn dagverhaal opvatten.—Wij zijn teToulongebleven. Den 17 ’s morgens om drie uren vertrokken wij van daar, met denzelfden postwagen, en langs denzelfden weg, dien wij gekomen waren, en die ik u reeds beschreven heb. ’Er kwam een wel gekleede vrouw op den wagen, die wij even bij het flaauwe lantaarnlicht ziende, meenden dat jong en bevallig was, en verlangden na het daglicht, om haar eens ter deeg op te nemen, doch hoe vonden wij ons toen bedrogen; hetFranschespreekwoord werd hier wel bevestigd:La nuit tous les chats sont gris. De morgenstond was zeer frisch, zoo dat ik om mij te verwarmen, en tevens de landstreek naauwkeurig te bezigtigen, een goed eind wegs te voet afleide. Ik had een stuk brood in den zak en plukte een trosje druiven, daar omstreeks overvloedig langs den weg groeijende; men neemt dit den voorbijgaanden reiziger niet kwalijk; hier in bestond mijn ontbijt, en het smaakte mij zeer goed. De wagengedurig moetende klimmen, was ik ver vooruit geraakt, en wachtte dezelve op in de loots, die voor een wachthuis diende, van hetcamp, op de hoogte tusschenBeaussetenCuges; waar ik een teug dronk; want hier omstreeks zijn noch huizen, noch beken, noch bronnen, en de soldaten, die vriendelijk en gedienstig waren, zeiden, dat zij het water meer dan een kwartier ver moesten halen. ’t Is hier een regte woestenij, en die militairen leven ’er als kluizenaars; doch zij worden alle acht of veertien dagen afgelost. Wij hielden ons teCugesniet op, om te eten, en verkozen liever door te rijden, on nog tegen het middagmaal teMarseillete zijn; waar wij dan ook om 3½ uur aankwamen.Den 18 dezer ging ik ’s morgens vroeg uit, om de vermaardeBeaumeof Grotde Rollandte zien; onder anderen verzeld door den zoon van een Koopman, aan wien ik hier aanbevelingsbrieven had. Wij hadden ons van eenige fakkels en kaarsen voorzien, en dewijl de berg vanMarseille Veire, waar deze grot is, wel twee uren gaans van de stad afligt, en men daar zijnde eenen zeer moeijelijken weg heeft, namen wij, om ons niet te veel te vermoeijen, voor 3livreseencariole, die ons moest brengen aan het gehuchtBonavenne, digt bij de buitenplaats van den HeerBorelly, dat omtrent twee derde van den weg is; daar ter plaatse woont een wegwijzer, zijnde een bakker, die gewoon is, om de vreemdelingen naar en in de spelonk te geleiden. Ik kwam met hem over een voor een kleine som.Na in een herberg, die hier digt bij staat, wat ontbeten te hebben, voorzag onze leidsman zich van vuurslag en zwavelstokken, en wij trokken op het pad, en kwamen niet verre van daar langs den oever van de zee, waar ik een menigte ballen van onderscheidene grootte vond liggen, veel overeenkomst hebbende met die, welke men wel in de maag van het rundvee vindt. Deze ballen, uit vezeltjes van zeeplanten en diergelijken bestaande, worden door de beweging van het water op het strand gedurig gerold, en krijgen daar door een zekere vastigheid en ronde gedaante. Wat verder op komt men aan een boschje van pijnboomen, dat aan onzen geleider behoorde; zij stonden bijna op de barre rots, en aan de schrale zeewinden blootgesteld, en evenwel groeiden zij nog.—Hoe vele plaatsen zijn ’er niet in onze duinen, waar zij beter zouden groeijen, en deze liggen geheel ledig.—Een schaapskooi, van ruwe stukken steen onder tegen eene rots in een klein dal gebouwd, maakte geene onaardige vertooning; hier moesten wij tegen de rots op, en vervolgens langs een zeer steilen weg weder benedenwaards klimmen, tot aan den ingang van de spelonk, die omtrent ter halver hoogte is van den berg. Men moet ’er op knieën en ellebogen inkruipen, en dan heeft men eene plaats, waar men weder overeind kan staan, hier staken wij, hoewel met veel moeite, door den wind, die in het gat blies, onze flambouwen aan, kropen vervolgens weder een enge opening door; het geen wij naderhand, wat verder in de spelonk, nog eens verpligtwaren te doen. Van tijd tot tijd zetten wij een brandende kaars; hier was het nu een ruime en hooge gang, doch de grond was zeer afhellende, en door de vochtigheid zoo glibberig, dat men dikwijls moeite had, om zich over eind te houden. Omziende zagen wij een van de kaarsen in het verschiet en zeer hoog, zoo veel waren wij al afgeklommen. Aan de wanden en het gewelf zag ik hier en daar kegels van een geelachtigen steen (spath), maar hier waren de schoonste. Twee pijlaren verheffen zich tot eene aanmerkelijke hoogte, zij hebben eenigzins de gedaante van palmboomen, zijnde boven aan het breedste; tusschen beide ziet men, om zoo te spreken, het voetstuk van een derde kolom, deze heeft wel wat van eenantiekaltaar; boven dit een en ander ziet men van het gewelf, dat zeer hoog is, als een stuk doek met plooijen nederwaarts hangen; alles ziet zwart door den rook der fakkels, het geen deze vertooning nog ontzaggelijker maakt. Aan de linkerhand van den ingang komende, is een gat, dat zes of zeven voeten omtrek mag hebben; naar het geluid door het rollen der steenen, die wij ’er in wierpen, moet hier een zeer diepen afgrond zijn; digter bij den ingang hadden wij nog een diergelijk gat gevonden. Verder opgaande, zoo ver men komen kan, toonde onze leidsman ons aan het eind nog een gat in den wand, als een oven, en verhaalde ons, dat zijn broeder de stoutheid gehad had van hier intekruipen, en ’er wel een halfuur in had doorgebragt, doch vond het overalzeer naauw; daar wij geen zin hadden, om zijn voorbeeld te volgen, keerden wij terug. Hier en daar ziet men kleine kommen met water, het welke wij ook op verscheidene plaatsen voelden druipen: het is dan ook door deze zijpeling van het water door de rots, naar het mij voorkomt, dat die kegels (stalactiten) in allerlei gedaanten worden voortgebragt; de steen- en aardachtige deelen, die het water met zich voert, hoopen zich op of blijven aan elkanderen hangen en kristalliseren zich; want eenige stukken van kegels afslaande, vond ik het van binnen ringsgewijze samengesteld uit rooden steen en geelachtige kristallen. De beeldhouwerPugetwilde ’er de twee pijlaren, waar ik u van gesproken heb, uit laten nemen, om dezelven te bewerken, en ik geloof wel, dat zij, gepolijst zijnde, fraai zouden. wezen; doch het was jammer, dat men die trotsche voortbrengsels der natuur van hier weg nam.—Wie weet hoe vele eeuwen ’er noodig geweest zijn, om ze daar te stellen, en dit werk zou men verwoesten om de pracht en weelde te tooijen;—ligtelijk komt men wel weder eens op dien inval, doch ik hoop, dat de overheid ’er voor zorgen zal. Door den tijd zullen de pijlaren zich waarschijnlijk met het geen ’er boven hangt, in de gedaante van een geplooid doek, vereenigen, en welke zonderlinge verschijnsels kan de natuur hier nog opleveren. Zou men ook, daar deze pijlaren zoo lang staande zijn gebleven, niet mogen veronderstellen, dat hier gedurende dien tijd geen zware aardbevingenhebben plaats gehad? Behalve den weg, dien wij gegaan waren, zijn ’er nog eenige andere wegen in deze spelonk; maar zij zijn niet diep. Ik had geen thermometer bij mij, doch volgens daar van gevonden aanteekeningen staat dezelve in het diepste gedeelte van dit onderaardsch gewelf, het gansche jaar door op 11 graden, schaal vanReaumur. Men behoort zich dan, vooral als de buitenlucht warm is, niet te luchtig te kleden, wanneer men deze spelonk gaat bezoeken, ook moet men niet veel goeds aandoen, om dat het ligtelijk bederft, niet alleen door het vuil te maken, maar zelfs door het te scheuren; want men treft gaten aan, waar men als in een schoorsteen moet inklimmen. Aan een paar flambouwen heeft men genoeg, omdat meêr te veel rook veroorzaken; maar van kaarsen moet men zich wel voorzien, om die hier en daar neder te zetten. Dit hol, zoo verlicht zijnde, levert een zonderlinge doch akelige vertooning op, en zij die een’ tempel vanPlutoof hellegrot willen teekenen, ’t zij voor een tooneel-decoratieof anderzins, raad ik, om dit voor een model te nemen1. De rots, waar in dezegrot is, behoort thans aan den HeerRostanteMarseillevolgens het zeggen van onzen leidsman. De naam van de landstreek isMoredon. In het terug keeren, in plaats van buiten tegen de steile rots niet ver van de opening of ingang der spelonk weder op te klimmen, wees onze leidsman ons een gat binnen in dezelve, dat hij zeide, dat gemakkelijker was. Hier klimt men in als in een engen toren, en zoo doende komt men op een punt van de rots uit. Dit alles is voor menschen, die het bergklauteren niet gewoon zijn, een vreemd werk. Om de verandering bragt onze leidsman ons gedeeltelijk langs een’ anderen weg door een buitenplaatsje, waar nog al eenige boomen stonden, en waar men ons goede druiven en vijgen gaf. Overal hier omstreeks langs de zee, vangt men om dezen tijd een menigte kwakkels, met een soort van netten, die men bij ons flouwen noemt. De kwakkels, om dezen tijd trekkende, worden door lokvogels hier naar toegelokt, en legeren dan om die kooijen, die bij menigte aan staken onder elkanderen hangen; men maakt vervolgens gerucht, waar door zij verbijsterd in de netten vliegen. Dit geschiedt gemeenlijk ’s morgens zeervroeg; bij dit buitenplaatsje zag ik zulk een toestel voor die vogeljagt. Men vangt ’er op die wijze zeer veel, zelfs naar men ons verzekerde tot 300 à 400 op eenen dag; wij hadden ’er ook bijna dagelijks op tafel teMarseille. In het voorbijgaan bezigtigden wij de hier omstreeks zoo beroemde buitenplaats, bekend onder den naam vanChateau Borelly. Het huis, dat uitwendig een fraai gebouw is, konden wij van binnen niet zien, omdat de HeerBorelly2onlangs gestorven, en de familie nog in rouw was. Nu voorHollanders, die buitenplaatsen omHaarlemen aan deVechtgezien hebben, is hier waarlijk ook niet veel bijzonders te kijken; dit zal ieder onbevooroordeeld reiziger, die het een en ander gezien heeft, met mij moeten bekennen. Echter wil ik wel gelooven, dat het aanleggen van deze buitenplaats op dien steenachtigen en schralen grond, in eene vlakte aan den oever der zee, veel moeite en geld gekost heeft; want men scheen ’er de natuur nog al gedwongen te hebben, om het een ander voorttebrengen; ik zag ’er althans verscheidene vruchtboomen, waar nog al wat aan was, en een haag van granaatstruiken, die sierlijk bloeide; maar het geen ik bijzonder opmerkenswaardig vond, was dehorizontalebeweging van een windmolen, dienende om het water uit een ruime put op te malen,en daar mede de tuinen te besproeijen. Deze molen, dien ik, om ’er u een begrip van te geven, niet beter kan vergelijken dan bij een’ grooten haspel of scheerraam, daar de lakenwevers hun kettingen op scheren, staat in een verheven koepel rondom met lange, smalle rechtstandige windgaten; de wind hier door tegen de repen zeil, die insgelijks regtstandig aan den molen vastgemaakt waren, blazende, werd dezelve daar door omgevoerd, en dat al vrij gezwind, hoewel het, toen wij ’er waren maar een matig koeltje woei. Op en tusschen de rotsen hier omstreeks is, naar het mij voorkomt, voor kruidkundigen ook nog al wat te onderzoeken; ik zag ’er onder een menigte bekende kruiden, zoo als rozemarijn, salie, wijnruit, de ruikende clematide enz. Verscheidene aardige plantjes, onder anderen een heestergewasje waar aan stekelige blaadjes als die der hulst, en eikelen, als die der eikenboomen waren; behalve dat het schaaltje daar de eikel onder in vast zit ook stekelig is. Slechts eenige schreden van de plaats vanBorellytroffen wij een rijtuig aan, dat ledig naar de stad reed, on zijn’ Heer aftehalen; want het was Zaturdag en dan gaan deMarseillanenook veel naar buiten. Hier mede kwamen wij voor een bagatel gemakkelijk teMarseille. Ik had reeds gezien, dat ’er in deze stad, eveneens als teParijs, een huis was, waar onderscheiden soorten van dobbelspelen in het openbaar gespeeld werden; hier zag ik evenwel genoegzaam niet anders dan zoogenaamde Heeren; maar dezen avond op de kaai wandelende,ging ik op het geluid van eenige violen in een huis aldaar, en vond ’er ook een dobbelspel voor de matrozen en zoogenaamde gemeene lieden; dit zag ik met nog meêr leedwezen dan het andere. Tevens vindt men hier een kroeg en danszaal, zoo als teAmsterdamin deJonker-ofRidderstraat, en dus allerlei soort van buitensporigheden bij elkander.Hoewel gij het, zoo wel als ik, bij de geschiedschrijvers van dit land vinden kunt, wil ik echter, on u die moeite te sparen, een woordje zeggen van den oorsprong van deze oude stad. Men meent op goede gronden te moeten veronderstellen, dat een hoop uitgewekenePhocéensers, afstammelingen van deGrieken,MarseilleofMassiliæstichtte, het 154 jaar vanRome, het eerste jaar der 45Olympiade, of 599 jaren voor der Christenen tijdrekening; welhaast werd zij door den koophandel, den scheepsbouw en de visscherij aanzienelijk. De wetten van dit volk waren op steenen tafelen gegraveerd, en op de markten en openbare plaatsen ten toon gesteld. Onder dezelven is die tegen den zelfmoord opmerkelijk om hare zonderlingheid. Zij verbood aan de Burgers om hun leven te verkorten, zonder verlof van den Magistraat, die over de gegrondheid of ongegrondheid der redenen, waarom men wilde sterven, oordeelde, en dezelven billijkende, sap van dolle kervel, die men doorgaans in de openbare vergaderingen in gereedheid hield, aan den lijder liet drinken. Zij waren goede zeelieden, sterre- en aardrijkskundigen. 320 jaren voorChristusgeboorte, deed de vermaardePythéasal een aanmerkelijken zeetogt, stevenende door deStraat van Gibraltartot bijYsland. In het begin wasMarseilleeen vrij gemeenebest; het werd door haar Senaat bestuurd, en hield zich zoo een ruim tijdbestek staande; vervolgens werd zij aan deRomeinenonderworpen. De Medailles, die nog bestaan, toonen, dat de schoone kunsten ook inMarseillevrij ver gevorderd waren, vooral onder de Republikeinsche regering. Zij was toen een tweedeAthenenin bloei en welvaart; doch deze gelukkige toestand eindigde ook met het Republikeinsch bestuur, omtrent het einde der eerste eeuw van de Christen-Jaartelling. Daarna raakte zij onder de beheering van onderscheidene volkeren, die zich meester maakten vanProvence; werd vervolgens door heerschappen (Vicomtes) geregeerd3en kwam eindelijk bij testament vanCharles d’Anjou4in 1481 onder de regering vanLodewijkden XI. aan de kroon vanFrankrijk. In het begin van de omwenteling onderscheidden zich deMarseillanenbijzonder door hun Republikeinismus—de oude vrijheidszucht kwam weder boven—en wie kent niet deCarmagnole, waar van de wijs uit dat land herkomstig is, gelijkmede de zoo vermaardeMarseillaanschemarsch naar die vanMarseille, als behoorende tot de ijverigste Republikeinen, genaamd5.De visschers hadden hier van 1431 af een regtbank, bestaande uit vier mannen, die zij onder hen kozen, en die in alle geschillen aangaande de visscherij regtspraken; zij werdenPrud’hommesgenaamd; of die regtbank nog heden bestaat, heb ik verzuimd te onderzoeken.De bevolking vanMarseille, die van de omliggende landstreek ’er onder gerekend, wordt op 85 à 90,000 begroot. Het is ’er vrij gezond, en de zeewinden vooral demistral’s, dienen zeer veel, om de zomerhitte te temperen. De winter is ’er aangenamer dan het begin van de lente, wanneer het veelal ruw en nat weder is; doorgaans vriest het hier zeer weinig. ’Er wordt om de stad nog al wat wijn geteeld, die meest in dezelve gebruikt wordt. De vijgen vanMarseillezijn bij uitstek beroemd, en worden ook veel in de zon gedroogd en verzonden.Den 19 dezer een van onze reisgenooten zich kleedende, voelde iets in zijn mouw, dat hem jeukteen werd, daarop wrijvende, gestoken door een dier, dat vervolgens op den grond viel; mij ’er bij geroepen hebbende, erkende ik het insekt terstond voor een Schorpioen; het was met staart en al omtrent een duim breed en lang. Op het wondje werd schorpioen gelegd, die men in het logement in huis had; want men had ze daar beneden aan de put, wel eens meêr gevonden, doch boven, daar wij onze kamers hadden, nimmer. Denkelijk was dat dier den vorigen dag, toen wij de grot gingen bezigtigen, en tegen de rotsen opklommen, of op den grond kropen, in de kleederen gekomen. De beet had geen gevolgen, en de Schorpioen werd verpletterd en in olij gelegd om bij volgende gelegenheden te dienen; doch naar ik vernam, zijn die dieren hier niet zeer vergiftig.Ik kogt hier eenige tooneelstukken in de landtaalpatoisoflangue provencale, zijnde zamengesteld uitCeltische,Grieksche,Latijnsche,Fransche,Italiaansche,Spaanscheen zelfsHoogduitschewoorden. Zie hier een paar spreekwoorden in die taal:”De la fillo et de la figuiere,Fau pas veire la jarretiero.”Dat is: van een jong meisje en een ouden vijgenboom, moet men de kousseband niet zien; omdat men den vijgenboom zeer kort moet houden, zoo dat de takken naar de aarde buigende, een groot deel van de stam bedekken. ”Quu san trevo, san deren.” Die met wijze omgaat wordt wijs.Aix.Aix.’s Namiddags om een uur vertrokken wij met den postwagen op hier, hebbende onze plaatsen reeds eenige dagen te voren besproken gehad. Wij hadden vrij goed gezelschap, en kwamen omstreeks zes uren teAix, waar wij afstapten aan het Hotèldes Princes, op deCoursof algemeene wandeling, bij het inkomen van dezelve. Het onaangename van de reis naarMarseille,Toulon, enz. was, dat wij totAixtoe langs denzelfden weg weder terug moesten komen, althans met de openbare rijtuigen. Ik haastte mij, om deze stad, die nog al bezienswaardig is, in oogenschijn te nemen. Op eene groote plaats zag ik de fondamenten en het muurwerk, even boven den grond, van een gebouw, dat men scheen begonnen te hebben, en vernam, dat men voornemens was hier het Regterlijk Paleis (Palais de Justice), en daar bij behoorende gevangenissen te bouwen; doch dat de omwenteling het voltooijen daar van belet had; volgens de beginselen te oordeelen, moest het een groot en schoon gebouw worden. Op een andere plaats zag ik een verhevenObeliscusmet een arend ’er boven op; doch het is modern werk; bij de schrijvers, die ik over deze stad heb nagezien, vind ik ’er hoegenaamd geene melding van gemaakt. De Hoofdkerk is een groot Gothisch gebouw; in dezelve staat eene doopvont, waarvan de koepel door acht groote Corinthische kolommen, die in een’ Heidenschen tempel, naar men veronderstelt, gediend hebben, wordt ondersteund. Men heeft daar omstreeks meer oudheden gevonden, waaruit men gemeendheeft te moeten opmaken, dat ’er een tempel, aan de Zon ofApollogewijd, gestaan heeft. In het koor zijn twee orgels over elkanderen, en genoegzaam even eens; digt bij den grooten ingang van deze Kerk, is een der stadspoorten; ik ging ’er uit, en zag aan mijn regterhand een gedenkteeken; boven op stond de beeldtenis van een eerwaardig man, een stenen tafel in de hand hebbende, waar op men leest:Aimez Dieu et le prochain; en lager, twee beelden in eene eerbiedige of biddende houding. Uit het opschrift zag ik wel, dat het aan de Municipaliteit enz. vanAixscheen toegewijd; maar niet door wie of bij welke gelegenheid; doch vernam, dat eenCharles Sec, bemiddeld metselaar dezer Stad, het gebouwd had in 1792, en ’er naderhand onder begraven is geworden; dit was al wat men ’er mij van zeggen kon. Men vindt teAixgnappe straten en huizen, en over het geheel heeft deze stad een zeer goed aanzien, ’t Is jammer, dat het Stadhuis, dat een fraai en ruim gebouw schijnt, genoegzaam achter de huizen verscholen is, en niet op een ruim plein staat. De wandelingen om de stad kwamen mij ook regt aangenaam voor, en ik zag ’er veel zware ijpeboomen. Het land rondom levert ook veel olijf-olij op, die den voornamen tak van koophandel der inwoners vanAixuitmaakt. Die olij wordt voor zeer fijn en lekker gehouden en is algemeen beroemd. De soort, die menhuile vierge6noemt, omdat ze, zoo ik meen, de eerste is, die uit de olijven geperst wordt, is, naar men zegt, het meeste gezocht. De gemeene wandeling, die gij op de afteekening ziet, en die men hier behalve de gewone benaming in deze landstreek,le Cours, ookOrbitellenoemt, beviel mij ook bijzonder, zoo als gij kunt begrijpen; aan beide zijden staan aanzienelijke gebouwen, en in het midden van de dreef drie altijd springende fonteinen, waar van de middelste warm water geeft; het is zeer helder; en heeft denzelfden smaak als gewoon bron- of rivierwater; boven aan de pijp, waar door het uit de fontein komt, is het tamelijk warm, doch onder in de kom slechts laauw. Deze bron werd in 1704 door eenige arbeiders, bezig zijnde met een vervallen huis, aan het eind van de voorstaddes Gordeliersaf te breken, wedergevonden; want zij was reeds bekend geweest bij deRomeinen, zoo als men tegelijkertijd uit de oudheden, die men ’er verder voortgravende vond, ontdekte7. De ouden schenen ’er een geneeskundig gebruik van te maken, en men schrijft ’er nog eenige kracht aan toe. De regering heeft daar voor dan ook groote en fraaije badhuizen laten bouwen, doch naar ik vernam werden zij weinig anders dan als gewone baden (bains domestiques) gebruikt. Voor de omwenteling had hier op HeiligenSacramentsdag eene zonderlingeproçessieplaats, waarin onder anderen verscheidene menschen in eene misselijke kleeding gedrochtelijk toegetakeld, moetende duivels verbeelden, verschenen, en vele kromme sprongen langs de straat maakten: men noemde dit in hetpatois Provencal: lou grand juec deïs diables; dat is: Het groote spel der duivelen; enlou pichoun juec deïs diables, het kleine spel der duivelen; en deze duivelen gingen, let wel, in de Hoofdkerk de mis horen, maakten het teeken van het kruis, en namen wijwater.—Wat heeft men den Godsdienst niet met allerlei beuzelarijen en afzigtelijke ongerijmdheden overladen!!De vermaarde kruidkundige JosephPitton De Tournefortwerd hier den 5 Junij 1656 geboren, en stierf den 28 December 1708. Hij bezocht ook, zoo wel alsLinnæus, ons Vaderland.Het Hotèldes Princes, hoewel een grootenaanzienelijk gebouw, is het beste niet, en wij moesten ’er evenwel rijkelijk voor het avondeten en slapen betalen.Men begroot het getal der inwoners vanAixop omtrent 20,000; nu de stad is ook niet groot, en het scheen ’er mij nog al levendig, vooral op deCours, waar een menigte menschen wandelde. ’Er stonden ook eenige kramers, en een blinde, die vrij goedProvencaleliedjes zong, deed de omstanders ter deeg lagchen; het speet mij wel, dat ik bijna niets van zijne aardigheden verstond, Deze stad scheen mij, vooral voor die genen, welke op deCourswonen, de stedelijke en landelijke vermaken te vereenigen; slechts eenige treden en men is buiten, en dat vind ik, als men dan toch in een stad moet wonen, al zeer aangenaam.Den 20 dezer, ’s morgens om twee uren, vertrokken wij vanAix, en namen denzelfden weg, dien ik gekomen was totOrgon. Hier kwamen wij omstreeks 9 uren, en hadden ’er een vrij goed ontbijt, waar onder schapenvleesch, dat ik maar zeldzaam zoo goed gegeten heb; de wijn, voor wijn van dit land, was voor mij ook nog al drinkbaar. In plaats van nu den weg te nemen naarAvignon, namen wij die vanSt. Remy. Even buitenOrgonaan de regterhand, zagen wij een poort in een rots gemaakt, het was een waterleiding om deze landstreek te besproeijen, zijnde een arm van de rivierla Durance, waar ik u reeds van gesproken heb. Men verzekerde mij, dat het gat in de rots gemaakt, omtrent 300toises(1800 voeten) lang is.Het werdle Canal de Boiselingenaamd, en was nog niet geheel voltooid. De landstreek werd nu minder rotsachtig, vruchtbaarder en bevalliger. Wij reden door het dorpSt. Remy, twee posten vanOrgon, en hadden hetzelve reeds een goed eind weegs achter den rug, toen men mij herinnerde, dat daar digt bij eenige overblijfsels van oudheden, zoo als van een zegeboog ter eere vanNero Claudius Drusus, zoo men meent, en van een praalgraf, ook door deRomeinenopgerigt, te zien waren. Dit verzuim speet mij zeer, doch ik kon nietweder terug keeren; vooral ook, omdat ’er onder onze reizigers waren, die grooten haast schenen te hebben. Bij een plaatsje dat menl’Oradenoemt, zag ik eene zeer aangenaame buitenplaats, door een klein riviertje besproeid, en digt beplant; het hout stond ’er zeer tierig, en maakte een bevallig lommer; dit valt bijzonder in het oog, als men eenigen tijd in de schrale en steenachtige landstreek vanMarseilleheeft doorgebragt. Hier groeiden langs den weg vele van die planten, die men bij ons in sommige tuinen wel aangekweekt, en spring-komkommers noemt; omdat, als men ze rijp zijnde afplukt, ’er een straaltje vocht uitspringt.l’Oradeis nog 3/4 uurs vanTarascon, eene zeer oude stad, twee posten vanSt. Remy, en dus in ’t geheel 14 posten vanMarseille. Voorheen behoorde zij totla Basse Provence, thans tot het Departementles bouches du Rhone. Welk eene menigte kleine windmolens ziet men hier aan den weg, digt bij de stad. Ook wordt hier omstreeks nog al wat koren geteeld; onder weg had ik boeren gezien, die, bezig waren met het graan te zuiveren, niet met een wan- of kafmolen, maar door het, met een schop, in de hoogte te werpen terwijl het redelijk woei. Op die wijze stoof dan het kaf weg. De poort aan dezen kant ziet ’er nog al wel uit, doch het stadje zelve scheen niet veel te beteekenen. Men wil datTarasconofTarasco, van eenGriekschwoord, dat verschrikken of bang maken beteekent, afkomstig is; ook plagt men hier in de Kerk een draak te vertoonen,Tarasquogeheeten,die volgens een oud sprookje zich in deRhoneophield, en veel schrik en verwoesting hier omstreeks aanrigtte; want hij leefde van menschenvleesch, en was een toovenaar, die nog al een vrouw en kind had; men verhaalt ’er eene menigte allerbeuzelachtigste vertelseltjes van, die hier echter bij zeer velen voorevangeliewerden aangenomen, en misschien nog wel geloofd worden, want dereligiehad ’er, zoo het scheen, zijn zegel aangehecht, en wat gelooven de menschen dan al niet!—Althans opSt. Martha’sdagwerdt de beeldtenis van dien lelijken draak, plegtig inproçessiedoor de stad gedragen, om dat die sanctinne door hare gebeden dit monster ten onder gebragt had. Deze proçessie ging nog kort voor de omwenteling. Het Gasthuis (l’Hospital), dat men even buiten de stad ziet, is een aanzienelijk gebouw. De vrouwen hebben hier een bijzonder hoofdtooisel, bestaande in een gekleurde gazen doek, die zij over hun muts doen, zoo dat de rand daar van haar op het voorhoofd en om het aangezigt hangt, zoo als de kanten, die de vrouwen elders aan hare mutsen hebben. De menschen zien ’er hier vrij gnap en gezond uit, ook wordt deze landstreek, die vrij vruchtbaar is, voor gezond gehouden. Aan den kant van deRhoneligt een groot en sterk kasteel; men meent, dat het door een der Graven vanProvencein de 15 eeuw gebouwd is; het maakt geen onaardige vertooning; en men moet ook van deterrassenop hetzelve een aangenaam gezigt hebben.VanTarascongaat men over een lange schipbrug, die over deRhoneligt, naarBeaucaire; thans ligt ’er bijna midden in de rivier een eiland, waar men een gestrate kade op gemaakt heeft, voorheen schijnt ’er dat niet geweest te zijn; want een oud spreekwoord zegt:Entre Beaucaire et Tarascon il ne pait ni vache ni mouton. Men gaat over dit eiland een eindje tot aan een tweede schipbrug, en daar over totBeaucaire. Op deze schipbruggen, waarop ook hier en daar banken staan, en die vooral bij de aangename zomeravonden, tot een gemeene wandeling verstrekken, heeft men een alleraangenaamst gezigt op de rivier, welke hier vrij breed is, en op de twee steden; men betaalt eensousvoor de passage, en die is vooral met de vermaarde kermis (foire) vanBeaucairezeer druk; zij was nog maar sinds omtrent 14 dagen geëindigd8, en wij zagen ’er de lootsen nog staan. Voorheen was deze kermis of jaarmarkt in de stad, doch van tijd tot tijd toenemende, was men reeds voor vele jaren verpligt, om dezelve op het open veld, buiten de stad, langs deRhone, onder tenten te houden; thans slaat mendaar, zoo wel om de kooplieden te herbergen, als om de goederen te plaatsen, lootsen op. Volgens het groot aantal, dat wij ’er zagen, moet deze jaarmarkt al zeer aanmerkelijk wezen; het gelijkt een gansche stad met houten huizen. De koophandel, die hier dan gedreven wordt, is zeer belangrijk, en men zegt, dat ’er verscheidene millioenen omgaan; ook komen ’er niet alleen kooplieden uit de voornaamste plaatsen van het zuidelijk deel vanEuropa, maar zelfsTurken,Arméniërs,Marokkanen, enz. en men vindt ’er allerlei soorten van goederen en koopmanswaren. Men heeft ’er dan ook eenige openbare vermaken, en de dobbelspeelders laten niet na, om op de beursen der kooplieden te komen azen. Dit jaar had ’er de sterke en aanhoudende regen veel schade aan toegebragt. In 1721 en 1722, toen de pest in deze landstreek heerschte, is deze kermis twee jaren opgeschort geweest; anders schijnt zij in alle tijden en omstandigheden geregeld plaats te hebben gehad; enla foire de Beaucaire, is niet minder beroemd inFrankrijk,Spanje,Italië,Zwitserlandenz. dan inDuitschland, en het noordelijk deel vanEuropa, deFrankforterenLeipsigermissen. De gelegenheid van deze stad aan deRhone, niet ver van deMiddellandsche Zee, gaf zeker aanleiding tot die aanmerkelijke markt. Men kan echter de goederen niet dan met groote kosten de rivier opvoeren, en het vervoeren moest grootendeels per as geschieden; doch men is sedert eenigen tijd bezig, om eene vaart te graven, die deRhonebij deze stad, met het kanaal vanLanguedocmoet vereenigen, en dit zal den handel van dezelve een zeer groot voordeel toebrengen. Men wees mij de plaats aan, waar die vaart in deRhonemoet uitloopen; ’er werd zeer druk aan gewerkt, omdat men wil, dat dit nuttige ontwerp binnen weinig tijd zal volvoerd worden. Buiten de kermis is het hier doodsch en naar. Voorheen was dit stadje het verblijf van denIntendantvanLanguedoc, waar onder het behoorde; wij reden voorbij het Hotèl, dat hij bewoond had, doch dat zag ’er ook al niet zeer voordeelig uit; thans wordt dit gedeelte van die Provincie, het Departementdu Gardgenaamd. Het is inderdaad te verwonderen, dat deze, naar het schijnt, voor den handel zoo wel gelegen plaats, geen welvarender voorkomen heeft; ik zag ’er geen een aanzienelijk gebouw, zelfs vindt men ’er, zoo als ik vernam, naauwelijks goede herbergen; trouwens buiten de kermis is ’er ook weinig vertier, zoo dat de inwoners grootendeels het gansche jaar leven van het geen zij, gedurende die weinige dagen, opzamelen. Aan de andere zijde, buiten de stad ziet men een uitgestrekt bosch van olijfboomen. Hier omstreeks ontdekte men in 1734 een gedeelte van den grooten weg door deRomeinengemaakt, en die zich vanRometot de uiterste grenzen vanSpanjeuitstrekte, zoo als uit de mijlpalen en opschriften, die men hier vond, blijkt. Die weg wordt bij deFranscheGeschiedschrijversla Voie Auréliennegenaamd. Vervolgens ziet men vanverre aan de linkerhand de oude stadArles, voorheen plagt de postwagenMarseillenaarNismesdaar door te rijden; doch sedert eenigen tijd is dat veranderd. TeArleszijn ook nog eenige overblijfsels vanRomeinscheoudheden, en onder anderen een fraaijeObeliscuste zien. De weg is hier vrij gelijk, en de grond schijnt tamelijk vruchtbaar te zijn. Hier ziet men velden met wijngaarden beplant, zoo ver het oog reiken kan; wat verder zag ik met vijf muilezels ploegen. TeBeaucairewas ’er iemand op den wagen gekomen, die, naar wij vernamen, een voornaam bankier was; hij toonde zeer wel zijn verstand te hebben, doch tevens een hevige Roijalist te zijn, ook verhaalde hij ons, dat de oorlog vanRuslandenZwedentegen Frankrijk onvermijdelijk, en de dood van den Hertog vanEnghiendaar de oorzaak van was, razende en tierende vervolgens in eenen adem tegenBonaparte, de Jakobijnen, de Filosofen, de Romans, en zelfs tegen den Paus, en toen wij hem onder het oog bragten, dat KeizerNapoléontoch veel deed, waar over hij zeer te vreden behoorde te zijn, zoo als het herstellen der openbare wegen, het doen graven van vaarten enz. durfde hij wel antwoorden: “en waarom doet hij dat anders, als omdat hij wel weet, dat men geen vliegen met azijn vangt; en wat heeftLodewijkden XIV. niet gedaan?”—Iemand antwoordde hem, dat door de groote ondernemingen van dien Vorst, de schatkist vanFrankrijkook een’ krak had gekregen, die men helaas! nog maar al te wel voelde;“en denkt gij,” zeide onze bankier, “datBonapartehet uit zijn eigen beurs betaalt. Men heeft reeds twee derde van onze fondsen geschrapt, wie weet wat ’er van dat overgebleven derde nog wordt?” Denk eens, Vriend! zoo veroorloven zich sommigeFranschenover hun’ Monarch, en over hetpubliek crediet, in het openbaar, en in bijzijn van vreemdelingen, te spreken. Wij waren nog een’ goeden afstand vanNismes, toen wij reeds op een hoogte deTour magnezagen. ’t Was ruim zeven uren, toen wij in die stad aankwamen. VanTarascontot hier is 3¼ post. Wij stapten af aan het Hotèldu Louvre, waar de postwagen ook ophoudt. Terwijl het heldere maneschijn was, ging ik nog dien zelfden avond het beroemdeAmphithéateruitwendig bekijken—welk een groot en trotsch gebouw! Op deCours, die op een terras hier digt bij is, wandelde veel volk; de avondstond was ook regt aangenaam.1De landlieden hier omstreeks vertellen een menigte spook- en tooversprookjes van deze grot; er zou onder anderen een vreesselijke reus,Rollandgeheeten, in gewoond hebben, van hier den naam vanBeaume, dat is grot vanRolland. Dit intusschen schijnt zeker, dat een Priester genaamdl’AbbéGéoffrédieenige eeuwen geleden, teMarseilleis verbrand geworden, om dat men hemvoor een’ toovenaar of heksenmeester hield, daar hij dikwijls deze spelonk ging bezoeken, waarschijnlijk om eenig natuurkundig onderzoek, of physische proeven te doen, terwijl hij misschien minder dom en bijgeloovig was dan de meeste zijner ambtgenoten, en daarom door hun benijd en vervolgd werd.2Het huis vanBorellywordt voor het voornaamste en rijkste huis vannegotievanMarseillegehouden; zij zijn door den koophandel rijk geworden.3Ter dier tijd, en vooral onder deVicomteBaral, deden deTroubadours(oude provincale Dichters) de Dicht- en Letterkunde teMarseilleen daar omstreeks herleven.4Comte du Maine et dernier comte de Provence.5De woorden zijn vanRouget de l’Isle, neef van den ongelukkigenBailly, en de muzijk vanGossec. SedertTyrtæusis ’er, voor zoo ver mij bekend is, geen oorlogslied gemaakt, dat zoo veel geestdrift veroorzaakt, en de moed meêr opgewekt heeft dan deMarseillaanschemarsch. Dit lied wordt niet meêr gezongen, en geen der heeft tot noch toe zijne plaats bekleed.6Maagden-olij.7Uit de opschriften en gedenkpenningen, die men daar onder anderen vond, bleek het dat de baden vanSextiushier ter plaatse geweest waren.8Men noemt zela foire de la Magdelaine, om dat zij den 22 julij, dat is,St. Magdalenasdag, begint; sedert 1217 was zij vrij van alle regten, maar in 1632 heeft men die vrijheid besnoeid. Zij plagt zes dagen te duren, thans wordt die tijd al wat verlengd, naar men mij verhaalde. De oorsprong van deze kermis schijnt niet bekend; doch het blijkt, dat zij zeer oud is.Dertiende Brief.Nismes, 23 Augustus.Den 21 dezer, na mij van eene korte geschiedkundige beschrijving van de zoo merkwaardige oudheden, die men hier bij de Boekverkoopers vindt,voorzien te hebben, ging ik dezelve bezigtigen. Sedert de omwenteling heeft men verscheidene huizen, die om en in het Amphithéater stonden, en dat schoone gedenkteeken der oudheid ontluisterden, doen wegbreken; zoodat men het nu van rondom vrij goed zien kan; eenige woningen, die ’er nog binnen in staan, moeten, naar men mij verzekerde, binnen een’ zekeren tijd weggebroken worden. Het is wel jammer, dat de regering dezer stad voorheen heeft toegelaten, dat men in en tegen ditRomeinscheworstelperk bouwde, en hetzelve daar door beschadigde; wegnemende, dat in den weg stond, of het geen men voor bouwstof kon gebruiken, ondertusschen heeft dit verbazend stuk werks, niettegenstaande deze verwaarlozing en de onderscheidene oorlogen en verwoestingen, die hier in vroegere eeuwen al hadden plaats gehad, nog niet zeer veel geleden, en is ten minste uitwendig genoegzaam in zijn geheel gebleven. Men meent als zeker te mogen veronderstellen, dat het door KeizerAntoninus Pius, die van het jaar 138 tot 161, der Christelijke jaartelling regeerde, en teNismesgeboren zou zijn, gebouwd is. Het is eirond, en heeft een omtrek van 190toises, of 1140 geometrische voeten buitenwerks, en is omtrent 11toisesof 66 voeten hoog; rondom is het met boogsgewijze poorten op denzelfden afstand van elkanderen regelmatig gebouwd. Zestig zijn ’er beneden, die voor ingangen dienden, en even zoo veel boven dezelve, doch deze zijn niet zoo hoog. Ik zal u hier van zoowel als van de overige voorname oudheden, die men hier vindt, de platen toezenden, die ik hier gekocht en ’er mede vergeleken heb, en die ’er u een duidelijk denkbeeld van zullen geven. De opziender, die in een der poorten woont, laat het voor een fooitje van binnen en boven op zien; ik klom ’er dan in, en doorliep een gedeelte van de binnenste galerij; want een groot deel daar van is nog bewoond. De wijze, waarop het gebouwd is, is zeer merkwaardig; het zijn ontzaggelijk groote stukken steen, zonder eenige kalk of çement op en in elkanderen gevoegd, en door ijzeren krammen in lood, bevestigd; doch de meeste dier krammen zijn ’er al uit. Het blijkt dat zij van buiten eerst werden gefatsoeneerd, en met kolommen enz. versierd, na dat zij geplaatst waren; want aan den eenen kant is dat werk nog maar ruw gehouwen, en de fijne bijtel ontbreekt ’er aan. ’t Is verwonderlijk, hoe men zulke groote brokken steen, niet alleen uit de steengroeven heeft kunnen krijgen, maar hoe men ze op elkanderen tot zulk eene aanmerkelijke hoogte heeft kunnen stapelen. Boven op, dat deAtticusgenoemd wordt, heeft men een zeer schoon gezigt op de stad, en de landstreek rondom, en hier ziet men de steenen zitbanken, waarop de aanschouwers plegen te zitten, en van waar men in het middelperk (Arena) alwaar de worstelaars tegen elkanderen, of tegen wilde dieren vochten, kan zien. Oorspronkelijk waren ’er 32 zulke zitbanken, trapsgewijze van boven tot beneden afloopende, rondomin dit gebouw. Men ziet ’er aan eenen kant nog 17 van, op sommige plaatsen ziet men ’er maar twaalf, en op anderen niet meêr dan zes, de overige zijn verwoest. Deze overblijfsels zijn echter meêr dan genoegzaam om een volkomen denkbeeld van de zaak te geven, en die hetorigineelvan den stervendeGladiator, uit het Museum vanParijs, in zijn gedachten hier verplaatst, en rondom op de banken een menigteRomeinscheburgers en burgeressen, kan zich verbeelden van bij die woeste en wreede spelen tegenwoordig te zijn, en wordt daar bij een gevoel van afgrijzen en medelijden gewaar. Men berekent naar deze zitplaatsen, dat ’er omtrent 17,000 aanschouwers konden zitten. Rondom het gebouw ziet men uitstekende stukken steen, waarin ronde gaten; hier stak men palen in, on daar aan tenten (Velaria) vast te maken, ten einde de aanschouwers tegen den regen of zonneschijn te beschutten; doch deze tenten kwamen niet verder dan de zitplaatsen, en het midden bleef open. Misschien diende het ook somtijds voor een renperk te voet of op paarden, of ’er werden allerlei sprongen en diergelijke kunsten vertoond. En hoewel het eigenlijk voor een worstelperk was ingerigt, is het niet onwaarschijnelijk, dat ’er ook bijwijlen een Tooneel in opgerigt is geworden, waarop de Treurspelen vanSeneca, of de Blijspelen vanPlautusofTerentiusen anderen, werden gespeeld. Diergelijke vertoonplaatsen, die ’er voor worstelaars en voor Tooneelspelen dienden, waren onder deRomeinenniet onbekend, en dat vanCurio, waarvanPlinius,als van een wonder van pracht en kunst, melding maakt, bestond uit twee deelen van hout gemaakt, die op duimen of spillen draaijende zig van elkanderen afscheiden, om voor twee onderscheiden vertooningen te dienen, of zich vereenigden om één Amphithéater, in wiens midden het worstelperk was, uittemaken. Althans het is niet denkelijk, dat ’er in eene zoo aanmerkelijkeRomeinschevolksplanting alsNismes1, geen Toneelspelen in het openbaar zijn vertoond, en waar kon zulks beter geschieden dan in het Amphithéater, dewijl men geen blijken vindt, dat ’er hier nog een ander gebouw bestond, het welk daar voor bijzonder geschikt was.Amphitheater te Nismes.Amphitheater te Nismes.In de bouworde van dit Amphithéater heeft ’er, zoo als gij zien zult, weinig verscheidenheid plaats; ’er zijn vier hoofdingangen, tegen de vier winden, zij zijn verdeeld van 15 tot 15 poorten; die van het noorden heeft alleen eenige sieraden, boven denzelven is een soort van driekante kap, en daar onder ziet men de afbeeldingen van twee rundbeesten, ter halver lijf en met gebogen knieën; het verbeelden twee stieren, het gewoone zinnebeeld van deRomeinschevolkplantingen, zoo als men ook op de gedenkpenningen vindt. Ik kocht hier onder meer anderen een medaille, waarop men twee stieren of ossen, voor een ploeg gespannen, ziet. Deze munten waren in en om de stad, en eenige inhet Amphithéater bij het afbreken der huizen, dat onlangs plaats had gevonden. Nog ziet men hier en daar aan de buitenmuren van dat gebouw, eenige kleine afbeeldingen, als de Wolvin metRomulusenRemus, twee vechtendeGladiatorsmet dolk, schild en helm; en drie anderen beeldtenissen, zijnde onderscheidene afbeeldingen vanPriapusofPhallus, in misselijke en zonderlinge gedaantens. Men meent, dat dit zinnebeelden zijn van offeranden, aan den GodPriapusgedaan, en van de Hanen-gevechten ter zijner eere, somtijds in het Amphithéater gegeven; of wel, dat de bevolking en uitbreiding derColonievanNismesdaar door moest verbeeld worden.Tempel van C. Cæsar te Nismes.Tempel van C. Cæsar te Nismes.De breede straat, waar aan het Amphithéater aan den eenen kant uitkomt, doorgaande, ziet men aart het eind derzelve, ter regterhand, den fraaijen Tempel vanCajus Cæsar, dien deFranschenden zoo onbeduidenden naam vanMaison Carréehebben gegeven. Te regt is dit schoone gebouw, om zijn nette en bevallige bouworde, die zelfs den minstkundige in het oog moet loopen, beroemd; het wordt dan ook voor een der uitnemendste gedenkstukken, die de oudheid ons heeft nagelaten, gehouden. In ’t geheel is het 12toises(72 voeten) lang, en 6toisesof 36 voeten breed, en rondom versierd met 30 geribde Corinthische kolommen, en de kapiteelen van deze kolommen worden voor schier onnavolgbare meesterstukken gehouden; men gaat ’er in langs 12 trappen. De Afbeelding vertoont u hetzelve, zoo als menhet nog tegenwoordig ziet. Inwendig is ’er niets bijzonders; ten tijde vanLodewijkden XIV. maakte men ’er een Kerk of Kapel van, waar voor het dan ook tot de omwenteling toe gediend heeft. Van hier gaat men langs een fraaije gracht, aan den kant met boomen beplant, en die wel wat heeft van sommige grachten in onze Vaderlandsche Steden, naar de fontein, of liever bron; want wij verstaan gewoonlijk door het woord fontein een’ watersprong, en hier te land bedoelt men daarmede eene eenvoudige bron. Deze bron is aan het eind van een’ netten tuin, met regte laanen, bloemperken en hagen: men gaat daar door fraai gewerkte ijzeren hekken in, zoo dat zij veel gelijkt op eene ouderwetscheHollandschebuitenplaats. Deze tuin dient ook voor eene gemeene wandeling. Bij die bron, die aan den voet van eene rots opwelt, hadden de ouden hunne baden, als mede een’ tempel, welken naar de overblijfsels die men ’er nog van ziet, te oordeelen, een fraai en aanzienlijk gebouw moet geweest zijn. Men heeft het gedeelte, dat nog staande is gebleven, om het verder te bewaren, door een muur afgesloten; doch de opzigter van den tuin laat het vreemdelingen zien, en men geeft hem dan doorgaans een fooitje. Men noemt dezen tempel in ’t gemeen,Temple deDiane2; dan of hij inderdaad aan den dienst van deze, dan wel aan die van anderen Goden of Godinnen is gewijd geweest, hieroverzijn het de oudheidkundigen nog niet eens. De overblijfsels der baden, sedert eeuwen onder de puinhoopen bedolven zijnde, heeft men hieromstreeks gravende, weder gevonden, en omtrent het midden van de laatst afgeloopen eeuw ontbloot, zoo veel mogelijk hersteld, en ’er veele fraaije versierselen bij gebouwd. De kamertjes van de oude baden zijn voor een gedeelte nog zigtbaar; ook zijn ’er aan de bron nog overblijfsels van de oude trappen. Onder de puinhoopen van deze baden, werd in 1739 de romp en het hoofd van een fraai marmerbeeld, het welke men voor dat vanApolloerkende, gevonden. Dit beeld, benevens meêr andere oudheden, ziet men thans in den zoogenaamden tempel vanDiana. Eenige overblijfsels van steenen buizen, die inwendig met lood bekleed waren, en tot waterleidingen voor de baden dienden, kan men daar ook vinden. Aan het eind van dezen tuin, ziet men boven op de rots, aan wier voet de bron is, de overblijfsels van den ouden toren, die menla tour Magnenoemt, en die waarschijnlijk de grootste zijnde, van al de torens, die langs de muren van deze stad stonden, ten tijde van deRomeinenvoor een vuurbaak (Pharus) diende. Het brok, dat men ’er nog van ziet, is omtrent 80 voeten hoog, doch zeer beschadigd. Bij dezen toren ziet men ook nog de overblijfsels van de oude muren vanNismes, die 4640toisesomtrek hebbende, 6toiseshoog en 1 dik waren; op andere plaatsen ziet men ook nog overblijfsels van deze muren; men berekent, datNismestoen elf maal zoo groot moet geweest zijn, als tegenwoordig. Op deze hoogte heeft men een schoon en uitgestrekt gezigt. In het terug komen van dezen tuin, zag ik, op twee bijzondere plaatsen, vloeren, die met kleine steentjes (en Mosaïque) waren ingelegd; de eerste in een fabriek van gedrukte katoenen neusdoeken, voorheen de tuin van den Gouverneur, waar hij in 1785 ontdekt werd, is nog zeer wel bewaard, en door steentjes van onderscheidene kleuren, waarop een aardige teekening, gemaakt; de gedaante is vierkant; aan een’ van de hoeken ziet men eeneRomeinschegalei, aan een’ anderen twee visschen, aan een derden twee watervogels, en aan een vierden wederom twee visschen van een ander soort. Den anderen ingelegden vloer zag ik in een slechts weinige trappen diepen kelder in een burgerhuis,rue de la calandre Anglaise, aan het eind van 1766 ontdekt; deze bestaat minder in zijn geheel, is ook minder gekleurd en eenvoudiger van teekening, zijnde in het midden met vierkante ruitjes, zoo als men bij ons wel op het tafelgoed ziet. Het water in de gracht, langs welke men naar de bron enz. gaat, komt alleen uit de bron op, en kan somtijds vrij hoog staan. Aan het eind van de gracht is eene fraaije kom gemaakt voor de waschvrouwen, doch zoodanig, dat het zeepwater zich niet met het zuivere vermengt. Over den tempel vanCajus Cæsarheeft men een’ nieuwen Schouwburg gebouwd; de voorgevel (facade) die met een fraaijecolonnademoet pronken, is nog niet voltooid;doch in de zaal moet reeds den aanstaanden winter gespeeld worden. Alle deze oudheden van hetAmphithéateraf tot deTour magne, liggen in eenen weg, en men kan dezelven genoegzaam in een halven dag zien. Men heeft hier, zoo wel als teMarseille, meestal pannen daken, doch zij hebben eenigzins eene andere gedaante, dan bij ons. Bijna overal ziet men de menschen hier in de zijde bezig, dat het voorname bedrijf is: men heeft ’er ook veel zijden-kousenwevers; doch men acht de kousen zoo goed niet, als die vanGange Lion, enz. Het getal der inwoners wordt op ruim 45,000 begroot, waar van wel een derde Protestanten zijn. Deze stad heeft dan ook veel door de religie-oorlogen geleden, en ..... doch in plaats van deze oude wonden weder te ontblooten, verhaal ik u hier liever een trek van edele grootheid en menschenliefde. Ten tijde van denSt. Bartelsmoord, was eenVillarsteNismesconsul, en ontving van wegenKarelden IX., hoogst afgrijsselijker gedachtenis, bevel, om in zijn stad, het voorbeeld vanParijste volgen—enVillarsdurfde (ô zeldzame deugd onder regenten, van een’ machtigen dwingeland afhankelijk!) dit wreede bevel ter zijde leggen, en deed, in plaats van ’er aan te gehoorzamen, de voornaamste van beide de geloofsgenootschappen bijeenkomen, en in zijn bijzijn zweren, dat zij zich onderling zouden beminnen, als broeders leven, elkanderen trachten te verlichten en in vrede hunne onderscheidene Godsdiensten uitoefenen. Zij zwoeren,omhelsden elkanderen, en hielden woord. Het Hof durfde niets zeggen, en de gansche stad werd behouden, door eenen edelen menschenvriend.—En ik vond geen gedenkteeken ter gedachtenis van dien goedenVillarsin deze stad.—Nu ... is hij bij vele menschen vergeten, hij is het voorzeker niet bij de regtvaardige Almagt.Behalve de oudheden is ’er aan de stad niet veel bijzonders te zien, en ’er zijn nog vele naauwe en kromme straten3, die eene misselijke tegenstrijdigheid opleveren, met een paar anderen, die in later tijd zijn aangelegd, en in het oog loopen door de ongemeene breedte. Het is hier thans zeer warm, doch men zeide mij, dat het weder ’er verbaasd ongestadig kan zijn, het geen men aan de zeewinden toeschrijft; ook heeft men in den zomer nevel- of mistluchten, die in ’t geheel niet gezond zijn, en wel eens zinkens en verkoudheden veroorzaken. Vele vreemdelingen, hier door afgeschrikt, haasten zich dan ook, om van hier, na dat zij de merkwaardigheden gezien hadden, weg te komen; ik voor mij geloof, dat men het, zoo als gewoonlijk,erger maakt dan het in der daad is; hoewel ik tevens moet bekennen, dat ’er de menschen, vooral het zoogenaamde gemeene volk, over het algemeen niet zeer gezond uitziet; maar het komt mij voor, dat men dit meêr op rekening van het aanhoudend zitten, bij het werk in de fabrieken, en bijzonder aan het afhaspelen, spinnen, enz. van de zijde, dat men hiertiragesnoemt, moet toeschrijven.—Zoo offert de arme zijne gezondheid op aan de weelde en hoogmoed der rijken, en wat is zijn loon? een weinig geld, en veel verachting, daar immers vele dezer groote pralers, die al dikwijls minder waard zijn dan het kleed, waar zij insteken, den wever en zijn weefgetouw beiden, beschouwen als werktuigen, ten zijnen dienste geschikt, en den ongelukkige het zuure stuk brood dat hij hem op die wijze laat verdienen, nog wel als een weldaad of bijzonder gunstbewijs aanrekenen.—Menschen! menschen! wanneer zult gij door meêr de eenvoudige natuur te naderen, en alzoo ook meêr aan uwe wezenlijke bestemming te voldoen, zoo vele schadelijke dingen, die gij tot een behoefte gemaakt hebt, afschaffen! Dit is het ware middel om vrijer, onafhankelijker, en dus wezenlijk gelukkiger te worden.—Want dezulken, die ’er zoo sterk voor zijn, om hen, die zij het gemeen gelieven te noemen, altijd zoo gemeen te laten, als maar eenigzins mogelijk is; en zich doorgaans behelpen met te zeggen: “die soort van volk is daar aan gewoon;” zullen mij toch wel goedgunstig gelieven toetestaan,dat gezondheid geen ingebeeld geluk, en ongezondheid eene alleronaangenaamste zaak is.Het geen ik bijzonder hinderlijk vind in deze streek, is de sterke stof, die daarbij zeer fijn is, en schier overal indringt; zoodat ’er van de vijf zinnen vier zeer merkbaar door lijden. De mannen dragen hier dan ook veel vrij groote grijze hoeden, van onderen groen, en geele schoenen, welke laatste ik ook al veel teMarseilleen aan die kanten gezien had.De levensmiddelen schijnen teNismesnog al overvloedig en matig in prijs te zijn, althans de markten vond ik wel voorzien; men vindt ’er bijna dezelfde spijzen als teMarseille; onze tafel was hier juist wel niet met zoo veel orde aangerigt, en wij hadden ’er misschien ook wel een paar lekkere schotels minder op, dan daar; maar hier betaalt men ook een 1/3 minder, en dat lijkt een’ reiziger zoo als mij, die het niet om te eten of te drinken, maar om te zien en te leeren te doen is.Na den middag zag ik verder, de stad doorwandelende, op sommige plaatsen onderscheidene oudheden, en sommige langs de straten in de muren van de huizen gemetseld. De arenden, waarvan men ’er verscheide ziet, zijn genoegzaam levensgroot van wit marmer, keurig gewerkt, hebbende een festoen loofwerk in den bek gehad, want de koppen zijn van alle afgeslagen; en in dit, zoo wel als in andere opzigten, zijn zij elkander gelijk, zoodat, als men ’er een gezien heeft, heeft men zealle gezien; zij hebben waarschijnlijk gediend tot sieraad van hetzelfde gebouw, en zijn onder de puinhoopen van het oudeNemausus(Nismes) gevonden. Op de plaats van het Stadhuis ziet men ook zoo een arend. Dat gebouw is ook bezienswaardig; maar het geen ik vreemd vond, is, dat ’er boven in een groote zaal verscheidene opgevulde krokodillen, waar onder die al vrij groot waren, aan den zolder hingen, omdat zulk een dier tot het wapen van de stad behoort4. Onder sommige derzelve leest men, wie ’er de gevers van zijn. Ter plaatse waar thans de Hoofdkerk, een oud Gothisch gebouw, staat, meent men dat voorheen een tempel stond, aan KeizerAugustusgewijd; want men had, zoo als gij weet, dien Vorst in den rang der Goden of Halve-Goden geplaatst5. Deze meening is gegrondop de oudheden, die men hier gevonden heeft. Men was druk bezig met deze Kerk optemaken, en ’er werden schoone marmeren platen en diergelijke versierselen toe gebruikt. Ik zag ’er ook in een Kapel, aan de regterhand, als men de groote deur inkomt, een fraai, doch eenvoudig gedenkteeken van wit marmer, en las op hetzelve:Ci gitF. J. de Pierre de BernisCardinal-Evêque de laS. E. R. &mort à Rome le 1 Novembre 1794, deposé dans cet eglise par les soins de ses neveux l’an IX.R. J. P. (Requiescat in pace)—en ik herhaal dezen wensch, dat hij in vrede ruste!—want hij was een menschenvriend, een beminnaar en beoefenaar der schoone wetenschappen, door zijne vrienden geacht, en vooral in zijn Aartsbisdom als een redelijk en weldadig man algemeen geliefd en als een vader geëerd. De rivierle Tarn, die door die landstreek loopt, had door eene overstrooming vreesselijke verwoestingen, in een gedeelte van hetzelve aangerigt; de ellende der landlieden was groot—en wie troostte hen, wie kwam hun in deze akelige toestand zoo krachtdadig te hulp?—wie anders dan de goedede Bernis6. Dit geval was mijbekend7, en ik zag dan ook met veel genoegen dezetombe. Zij bestaat in een verheven graf (sarcophage)waarop een kussen fraai van marmer gewerkt, en daarom een vergulde rand en kwasten; boven hetzelve aan het gewelf van de Kapel hangt de roode Kardinaalshoed, met de daar aan behoorende strikken en kwasten. Voor de Kapel is een eenvoudig ijzeren hek, anders zag ik in deze Kerk niets bijzonders; doch ik ontmoette ’er denzelfden Monnik, dien ik tusschenMarseilleenToulongezien had; ik sprak hem aan, en vragende, waar hij van daan was, vernam ik, dat hij in een Klooster in deze landstreek had gewoond, en behoorde tot de orderde la Merci, dat is, om de Christen-slaven vrij te koopen, doch dit ging zoo ver, als het voeten had. De man was oud en arm, ik was hem dus een aalmoes schuldig, die ik hem dan ook in de hand stopte.—Waarom laat men, dacht ik, in plaats van zoo een mensch hier te laten rondzwerven, hem niet liever zijn Monnikspak, dat ’er zeer smerig en versleten uitzag, uittrekken, bezorgende hem vervolgens in een oude Mannen- of Gasthuis, on daar zijne dagen te eindigen.De gewoonte is, zoo wel hier als elders inFrankrijk,om vooral met de warmte bier in de Koffijhuizen te drinken; doch ik vond, dat het hier en hier omstreeks eenen onaangenamen bitteren smaak had, en vernam dat men ’er palm in plaats van hop bij deed, omdat de brouwers het eerste genoegzaam om niet hebben, en het laatstgenoemde moeten betalen. ’t Is wel mogelijk, dat het niet ongezond is, maar het smaakt niet lekker.’s Avonds op de gemeene wandeling bij de bron, zag ik een’ man met een mantel en bef, en vernam, dat het een Protestantsch Predikant was. Dat geloofsgenootschap heeft hier twee publieke Kerken, voor de omwenteling aan Kloosters of diergelijke behoord hebbende; doch in een van dezelve word de dienst nog maar verricht, omdat de andere nog niet in gereedheid gebragt is.Voor 18 livres huurde ik een koets met twee paarden, (dat men te voren wel moet bedingen, anders krijgt men muilezels, die schier altijd stapvoets gaan) om den volgenden morgen naar de vermaardePont du Gardte rijden, welke brug drielieues du pays, dat is, wel drie uren gaans vanNismesis afgelegen.Pont du Gard.Pont du Gard.Den 22 dezer, ’s morgens om 7 uren reden wij naar dePont du Gard, langs een’ goeden en vrij aangenamen weg, waarvan ik u echter niets bijzonders heb te vertellen. Aan deBarrière, ruim een kwartier, voor dat men aan de brug komt, is een herberg, waar wij afstapten, om den voerman het barrière-geld te doen uitwinnen; en na wat ontbeten te hebben, wandelden wij op een hoogte langsde rivier deGardon, voorheenGardgenoemd, naar de brug; men heeft hier een allerliefst gezigt op en over de rivier, alwaar een dorpje schilderachtig gelegen is. Weldra ontdekte ik het overgebleven gedeelte van die stoute waterleiding, dat men slechtsPont du Gardnoemt. Wij stonden versteld over dit ontzaggelijk stuk werks, een der schoonste gedenkteekenen, dat ons van deRomeinschegrootheid is overgebleven. De afbeelding, die gij in een der platen, welke ik u beloofd heb, zien zult, is zeer naauwkeurig; ik behoef ’er u dus geene omstandige beschrijving van te geven, en het zal voldoende zijn, wanneer ik u zeg, dat de waterleiding, waar van de zoogenaamdePont du Gardeen deel uitmaakte, diende, om het water uit de twee bronnen, genaamdAiranenEure, tot in de stadNismeste geleiden; misschien was toen de bron in de stad nog niet ontdekt; de verste van deze twee bronnen ligt omtrent maar 3½, en de andere maar 3 uren vanNismes, en echter was de waterleiding, voor zoo veel men kan nagaan, omtrent 7 uren lang van het eene eind tot het andere, door de omwegen, die men verpligt was te maken, om de noodige helling te behouden. Men veronderstelt, want duidelijke opschriften worden hier niet gevonden, dat M.Agrippa, schoonzoon vanAugustus, gedurende zijn verblijf onder deGaulen, omtrent het jaar 735 vanRome, 19 jaren voorChristusgeboorte, dit trotsche en kostbare gewrocht heeft doen bouwen; doch het zou eerst vijftien jaren daarna voltooidzijn geworden. Gij zult in de afbeelding zien, dat het, om zoo te spreken, een brug met drie verdiepingen is, de geheele hoogte van het water af, is 24toises3 voeten8; en dit geheele werk werd alleen gemaakt, om de waterleiding, die ’er boven op ligt, te onderschragen, zij is geheel van gehouwen steen zonder kalk of çement gebouwd, behalve de waterleiding, waar aan men die natuurlijk heeft moeten gebruiken, on het doordringen van het water te beletten. Wij klauterden ’er tegen de rots boven op; de waterleiding vier voeten breed, en met platte steenen uit één stuk gedekt zijnde, kan men ’er opgaan; en niet alleen het werk, maar bijzonder ook het schoone gezigt, dat men daar heeft, verdient zulks. Inwendig is die gang, waar het water doorliep, vijf voeten hoog, zoodat men ’er een weinig bukkende in kan gaan; zij is 136toises, drie voeten lang. Dit gedeelte van die ontzaggelijke waterleiding is nog genoegzaam in zijn geheel gebleven, zoo als gij in de plaat zien zult. De onderste brug dienende tot een’ overgang over de rivierde Gardon, werd eerst in het begin van de 17de eeuw daartoe bruikbaar gemaakt; maar ziende, dat het gebouw, oorspronkelijk voor geen brug gemaakt zijnde, daar door leed, liet men het weder herstellen. In 1743 werd de eerste steen aan eene nieuwe brug gelegd, en deze tegen de oostelijke zijde vande oude aangemetseld, zoodat dezelve in 1747 voltooid werd; dit was des te noodzakelijker omdatde Gardonvooral in den winter zeer hoog kan zijn, en dan om den snellen stroom ongemakkelijk is om over te varen. Deze rivier neemt zijn’ oorsprong in deCevennes, digt bij den bergMont de l’Ozèregenaamd, en werpt zich omtrent een uurtje bovenBeaucairein deRhone. Men vindt in het zand langs den oever, kleine schilfertjes goud, die door het water aangevoerd schijnen te worden; onder aan de brug, een hand vol zand oprapende, zag ik daarin terstond een menigte van die kleine schilfertjes, doch ik zou ze eerder voor zilver dan voor goud aanzien; men zegt, dat menschen die dit zand verzamelen, en het weten te zuiveren, ’er wel acht à negen livres daags mede kunnen verdienen. Van verre, aan den overkant van de rivier, ziet men nog eenige overblijfsels van de waterleiding. Op de brug was eenig werkvolk bezig om dezelve op nieuw te bestraten; zij verhaalden mij, dat de muur, die langs den weg bij de brug aan de linkerhand, als men vanNismeskomt, onder tegen de rots gemaakt was, diende om daar door het afrollen van steenen te beletten; zijnde ’er nog maar weinig tijds geleden, een man, daar langs komende, onder een zwaren brok steen, dat van boven nederkwam, geraakt. Deze ongelukkige was daar door meêr dan half verpletterd, terwijl het bovenste gedeelte onverzeerd was gebleven, en van onder den steen uitkwam; hij leefde dan nog volkomen,en men kon den ongelukkigen niet helpen; want de steen was zoo groot, dat hij niet anders dan door werktuigen kon bewogen worden, en die had men niet bij de hand; ook was ’er hoegenaamd geen hoop, om den lijder te herstellen, waarom men zijne ellende door een snaphaanschoot verkortte. Ik vernam wijders van die werklieden, dat een bekwaam bouwmeester onlangs had opgenomen, wat ’er aan de geheelePont du Gardbehoorde hersteld te worden, om dit majestueuse gedenkstuk voor verval te bewaren, en dat zijlieden gelast waren met dat werk; het blijkt dus, dat men ’er wel zorg voor draagt. Ik heb u nog vergeten te zeggen, dat men, op de onderste brug staande, op een van de eerste bogen van de tweede aan de linkerhand, vanNismeskomende, eene kleine afbeelding gebeeldhouwd ziet, die men den haas (le lievre) noemt, en mij dunkt, dat het ook wel eenigzins naar een haas gelijkt, die door een hond vervolgd wordt; maar volgens oudheidkundigen moet het eenPriapusofPhallusverbeelden, in denzelfden smaak, als die, welke men hier en daar tegen de muren van hetAmphithéaterteNismesziet.Terug keerende, maakte ik een praatje met twee boerinnen, die denzelfden Weg gingen; zij waren zeer spraakzaam, en bijzonder de oudste, die wat meerFranschsprak.Patois, eenigzins verschillende van dat vanProvence, is anders de landtaal; ik heb opgemerkt, dat lieden in deze streken, die watFranschkennen, ’er grootsch op schijnen tezijn, en het daarom gaarne met vreemdelingen spreken9. Die vrouwen verhaalden mij, dat ’er niet ver van dezen weg aan de regterhand, naarNismesgaande, onderaardsche gangen waren, welke digt bij die stad uitkwamen, en dat sommige vreemdelingen de nieuwsgierigheid gehad hadden, om daar met fakkels in te gaan; ’t kan zijn, doch ik vind ’er bij de schrijvers, die ik nagezien heb, geene melding van gemaakt.Wij namen in de herberg, waar het rijtuig stond, het middagmaal, dat maar redelijk was. DeFranschenhebben doorgaans de gewoonte, om een menigte schoteltjes te geven, in plaats van een paar goede eenvoudige geregten; dit maakt den maaltijd kostbaar, zonder dat die naar evenredigheid voedzamer of smakelijker is; want vooral in die herbergjes, die men op het land aantreft, weet men vele van de spijzen, die in navolging der groote steden al voorgezet worden, niet goed gereed te maken, en ofschoon ’er de hoeveelheid wel is, de hoedanigheid ontbreekt ’er aan.TeNismesterug gekeerd, ging ik ’s avonds op deEsplanadein den maneschijn wat op en neder wandelen, en vond daar veel menschen; ’er staanslechts eenige jonge boompjes, waar men de blaadjes wel aan tellen kan, zij zien nog niet eens groen door de stof, die ’er op zit, en dit en de tuin van de bron zijn genoegzaam de eenigste wandelingen.Heden den 23 bezigtigde ik de Bibliotheek, zoo als men dat ter loops doet; vervolgens zag ik het kabinet van Natuurlijke Historie en Oudheden, bevattende onder anderen eene menigte versteeningen van visschen, of gedaanten van dezelven in steen, alsmede verscheidene planten, vooral varen in leijen versteend en in de koolmijnen ontdekt. Ook zag ik ’er een fraai stuklava, uit de voorheen vuurspuwende bergen van deVivarais; een brok versteend hout, dat mooi gevlamd was, en dat men ook hier omstreeks had gevonden, benevens een menigte andere mineralen en gesteenten. Onder de oudheden is merkwaardig een schoon metalen hoofd zijnde van een reusachtige gedaante, en onder de puinhoopen der baden gevonden, benevens eenige kleine huisgoden (penates) kleine altaartjes, gereedschappen der ouden enz. Men heeft hier ook eene fraaije verzameling van oude munten en medailles, waar onder ik ’er verscheiden vond, die om de teekening en afbeeldingen van kleedingen enz. van belang zijn, zoo wel voor kunstenaars en geschiedkundigen, als voor liefhebbers van oudheden: onder anderen zag ik ’er een, waarop een paard met een opgezetten (geanglizeerden) staart, waar uit dus blijkt, dat de ouden ook reeds de wreedaardige wijze, om die dieren den staart om hoog te doen dragen,gekend hebben. Een aantal van deze munten, waaronder vele zilveren, zijn in deze stad en daar omstreeks gevonden, en behooren dus tot de geschiedkunde van dezelve. DeBibliothecarisen bewaarder (conservateur) van dit kabinet, is een zeer vriendelijk man. Het gebouw, waarin dit alles bewaard wordt, is zeer fraai, en werd voor de omwentelingle Colleguegenaamd. Voorheen was hier ook eeneAcademie Royale des Sciences et belles Lettres; en de smaak der ouden voor de fraaije kunsten en wetenschappen schijnt in latere eeuwen die vanNismesnog bij gebleven te zijn. Thans dient het voormaligeColleguevoor eenEcole Centrale. Ik vergat u nog te zeggen, dat ik, in een beneden zaal van dat gebouw, twee gnappe schilderijen zag, door eenenRenaudvan hier geboortig, beiden verbeelden een deel van de geschiedenis vanJoannesde Dooper, het eene is teAvignonin 1656, en het andere teRomein 1685, geschilderd.Na den middag ging ik naar de Protestantsche Kerk, waar heden (Donderdag) een korte leerreden en onderwijs voor de jeugd werd gehouden; onder weg vroeg ik aan eene deftige bejaarde vrouw, waar de Kerk was, en deze ’er zelve heen gaande, bood zich aan om ’er mij naar toe te geleiden, en was zeer vriendelijk, vooral toen zij verstond, dat ik eenHollanderwas; want hare voorouders en geloofsgenooten, zeide zij, hadden in dat land hulp en bescherming gevonden. In de Kerk komende, moest ik dan ook voor aan bij de Ouderlingen en Diakonenzitten, en de Godsdienst geëindigd zijnde, werd ik verzocht om in het Consistorie te komen, waar de twee Predikanten mij vriendelijk ontvingen, en hunnen dienst aanboden, waarvoor ik die goede lieden bedankte, terwijl ik ’er geen gebruik van kon maken, omdat mijne afreis den volgenden dag bepaald was. De Protestanten luiden hier ook bij het aangaan van de Kerk de klok, en de Predikanten gaan met mantel en bef over de straat. Het is een gnappe Kerk met een orgel ’er in en een torentje ’er op. Ik zag veel vrouwen in dezelve met een kruisje aan haar halssieraad. Eene vrouw, die digt bij den voorzanger zat, vroeg hem overluid in hetPatoisden hoeveelsten Psalm men zong, en deze antwoordde haar weder in hetPatois.’Er bleven mij nog twee oudheden ter bezigtiging over, namelijk de zoogenaamdePorte de France, en dePorte de Rome; deze zijn alleen van de tien poorten, door deRomeinengebouwd, overgebleven. De eerstgenoemde vindt men in oude bescheiden, onder den naam vanPorta Coöperta(overdekte poort). Aan het geen ’er van is overgebleven, is niet veel bijzonders te zien, dunkt mij.De poort van Rome (la porte de Rome) is eerst in 1793, bij het slechten van de wallen, aan de oostzijde van de stad, gevonden; en de stukken en brokken weder op een gezet, maken een langwerpig vierkant uit, doch dit gebouw schijnt zeer laag, omdat het voor een gedeelte nog in den grond staat, en het bovenste werk ’er waarschijnlijk van verwoestis. Het is 10toises, 3 voet lang, en 4toises, 3 voet hoog; ’er waren twee ingangen naast elkanderen, doch de eene is toegemetseld. Aan beide zijde van de ingangen zijn twee Corinthische pilasters; boven dezelve ziet men nog de overblijfsels van een Latijnsch opschrift, waar uit schijnt te blijken, dat KeizerAugustusdeze poort deed bouwen, op het einde van het 738ste, of in de zes eerste maanden van het 739ste jaar vanRome, dat is omtrent 15 of 16 jaren voor de Christelijke jaartelling.Om deze stad en in de voorsteden zijn verscheidene tuinen; in een derzelven, digt bij den tuin van de bron gelokt, door den aangenamen reuk, dien ik in het voorbijgaan gewaar werd, vond ik daar onder vele andere bloemen en planten, eene menigte zoo dubbelde als enkelde tuberozen; het ging tegen den avond, en dan rieken die bloemen zeer sterk. Ook zag ik ’er gansche hagen van jasmijn, die insgelijks een alleraangenaamsten reuk verspreiden; deze tuin behoorde aan een hovenier en bloemist, die mij verlof gaf, om ’er in te wandelen. Ik had hier ook in eenige tuinen gezien, dat men de leiboomen tegen de muren vastmaakte, aan een draadwerk van koperdraad, met groote ruiten gevlochten, en ik geloof, dat dit beter is dan het latwerk, dat men bij ons en elders gebruikt, omdat het langer duurt, doch misschien kost het ook meêr.—Dezen nog van hier willende afzenden, breek ik af; verwacht nader schrijven vanMontpellier.1Ten tijde van deRomeinentelde men in de stadNismesomtrent 70,000 inwoners.2Tempel vanDiana.3Bijna in alle oude steden in het zuiden vanFrankrijk: vindt men naauwe en kromme straten; het komt mij voor, dat die met oogmerk zoo gebouwd zijn, om daar door den sterken zonneschijn te beletten, en veel schaduw te hebben. Hier zoo wel als teMarseille, en andere plaatsen aan dezen kant, vindt men ook veel zeilen tusschen de huizen gespannen.4Dit wapen is getrokken uit een oude medaille, waarop een krokodil aan een’ palmboom geketend, met deze verkorte woorden:col, dat iscolonia, enNem, dat isNemausensis. Aan den anderen kant ziet men twee hoofden, verbeeldende die vanAugustusenAgrippazijn schoonzoon. Ik heb hier twee zulke medailles gekocht.5Velen laken dit misschien in de Heidenen, maar maken het sommige Christenen wel veel beter, in onze dagen?—Het volgende hoorde ik in de Gereformeerde Kerk teParijs, vierende het kroningsfeest van KeizerNapoléon, zingen: “Il franchit et les monts et les mers en courroux, il arrive: (te wetenBonaparte)et semblable a la Toute-puissance, Faisant saillir le jour du milieudu cahos,Il rend le bonheur à la France, etc.” Deze buitengewone eeredienst had plaats den 29 Decemberdesvoorleden jaars 1804, en ik hebdieGezangen nog gedrukt onder mij berustende, zij zijn van eenenFabre d’Olivet.6Hij was Aartsbisschop teAlby, Hoofdstad van het: landschapAlbigeois,dans le haut Languedoc. Helaas! maaral te veel bekend door de wreede vervolgingen, den ongelukkigenAlbigensenaangedaan, in de 12de en 13de eeuw.7TeParijsvond ik in een der beste letterkundige tijdschriften een vers, dat ik gedeeltelijk hier afschrijve.Mais que j’aime la bienfaisance,De ce Cardinal adoré,Qui par son ame et sa naissance,A double titre est illustré.Grossi par les eaux des montagnes,Se debordant avec fureur,Le Tarn avoit dans ses campagnes,Detruit l’espoir du Laboureur,Tout perissait dans la misère,l’Air retintit de cris affreux.“Ah! dit le prelat généreux,Cest donc à moi qui suis leur père,A secourir ces malheureux.”Aussitôt sa main secourable,Verse à grand flots l’or sous ses pas,Et l’abondance favorable,Ranime tout en ces climats.Des qu’il parais sur ce rivage,Le peuple enivré de transports,Se jette en foule a son passage,Et fait répèter à ces bords:“Grand Dieu! dont son coeur est l’image.Repand sur lui tous tes trêsorsIl sait tropbien en faire usage.”Chacun pour lui forme ces voeux,Il partage cette allégresse,Et dans ces doux momens d’ivresse,Il est encore le plus heureux.Ah! sans doute la bienfaisance,Fut le premier Dieu des Mortels,Et ce fut la reconnaissance,Qui dressa les premiers autels.Blin Desainmore.8’t Zal onnoodig zijn, om gedurig te herhalen dat detoise6geométrischevoeten is.9De boerinnen dragen hier kleiner hoeden, doch van dezelfde stof en kleur als inProvence; hare kleeding is ook in ’t geheel niet bevallig, en ik zag hier ook op het land weinig gnappe vrouwen; doch de menschen schijnen nog al gezond en sterk.
Twaalfde Brief.Nismes,21 Augustus.Gisteren avond on 7 uur zijn wij in deze stad, om zijne oudheden zoo vermaard, aangekomen; en hebben onzen intrek genomen in het Hotèldu Louvre; maar, eer ik u vanNismesspreek, moet ik den draad van mijn dagverhaal opvatten.—Wij zijn teToulongebleven. Den 17 ’s morgens om drie uren vertrokken wij van daar, met denzelfden postwagen, en langs denzelfden weg, dien wij gekomen waren, en die ik u reeds beschreven heb. ’Er kwam een wel gekleede vrouw op den wagen, die wij even bij het flaauwe lantaarnlicht ziende, meenden dat jong en bevallig was, en verlangden na het daglicht, om haar eens ter deeg op te nemen, doch hoe vonden wij ons toen bedrogen; hetFranschespreekwoord werd hier wel bevestigd:La nuit tous les chats sont gris. De morgenstond was zeer frisch, zoo dat ik om mij te verwarmen, en tevens de landstreek naauwkeurig te bezigtigen, een goed eind wegs te voet afleide. Ik had een stuk brood in den zak en plukte een trosje druiven, daar omstreeks overvloedig langs den weg groeijende; men neemt dit den voorbijgaanden reiziger niet kwalijk; hier in bestond mijn ontbijt, en het smaakte mij zeer goed. De wagengedurig moetende klimmen, was ik ver vooruit geraakt, en wachtte dezelve op in de loots, die voor een wachthuis diende, van hetcamp, op de hoogte tusschenBeaussetenCuges; waar ik een teug dronk; want hier omstreeks zijn noch huizen, noch beken, noch bronnen, en de soldaten, die vriendelijk en gedienstig waren, zeiden, dat zij het water meer dan een kwartier ver moesten halen. ’t Is hier een regte woestenij, en die militairen leven ’er als kluizenaars; doch zij worden alle acht of veertien dagen afgelost. Wij hielden ons teCugesniet op, om te eten, en verkozen liever door te rijden, on nog tegen het middagmaal teMarseillete zijn; waar wij dan ook om 3½ uur aankwamen.Den 18 dezer ging ik ’s morgens vroeg uit, om de vermaardeBeaumeof Grotde Rollandte zien; onder anderen verzeld door den zoon van een Koopman, aan wien ik hier aanbevelingsbrieven had. Wij hadden ons van eenige fakkels en kaarsen voorzien, en dewijl de berg vanMarseille Veire, waar deze grot is, wel twee uren gaans van de stad afligt, en men daar zijnde eenen zeer moeijelijken weg heeft, namen wij, om ons niet te veel te vermoeijen, voor 3livreseencariole, die ons moest brengen aan het gehuchtBonavenne, digt bij de buitenplaats van den HeerBorelly, dat omtrent twee derde van den weg is; daar ter plaatse woont een wegwijzer, zijnde een bakker, die gewoon is, om de vreemdelingen naar en in de spelonk te geleiden. Ik kwam met hem over een voor een kleine som.Na in een herberg, die hier digt bij staat, wat ontbeten te hebben, voorzag onze leidsman zich van vuurslag en zwavelstokken, en wij trokken op het pad, en kwamen niet verre van daar langs den oever van de zee, waar ik een menigte ballen van onderscheidene grootte vond liggen, veel overeenkomst hebbende met die, welke men wel in de maag van het rundvee vindt. Deze ballen, uit vezeltjes van zeeplanten en diergelijken bestaande, worden door de beweging van het water op het strand gedurig gerold, en krijgen daar door een zekere vastigheid en ronde gedaante. Wat verder op komt men aan een boschje van pijnboomen, dat aan onzen geleider behoorde; zij stonden bijna op de barre rots, en aan de schrale zeewinden blootgesteld, en evenwel groeiden zij nog.—Hoe vele plaatsen zijn ’er niet in onze duinen, waar zij beter zouden groeijen, en deze liggen geheel ledig.—Een schaapskooi, van ruwe stukken steen onder tegen eene rots in een klein dal gebouwd, maakte geene onaardige vertooning; hier moesten wij tegen de rots op, en vervolgens langs een zeer steilen weg weder benedenwaards klimmen, tot aan den ingang van de spelonk, die omtrent ter halver hoogte is van den berg. Men moet ’er op knieën en ellebogen inkruipen, en dan heeft men eene plaats, waar men weder overeind kan staan, hier staken wij, hoewel met veel moeite, door den wind, die in het gat blies, onze flambouwen aan, kropen vervolgens weder een enge opening door; het geen wij naderhand, wat verder in de spelonk, nog eens verpligtwaren te doen. Van tijd tot tijd zetten wij een brandende kaars; hier was het nu een ruime en hooge gang, doch de grond was zeer afhellende, en door de vochtigheid zoo glibberig, dat men dikwijls moeite had, om zich over eind te houden. Omziende zagen wij een van de kaarsen in het verschiet en zeer hoog, zoo veel waren wij al afgeklommen. Aan de wanden en het gewelf zag ik hier en daar kegels van een geelachtigen steen (spath), maar hier waren de schoonste. Twee pijlaren verheffen zich tot eene aanmerkelijke hoogte, zij hebben eenigzins de gedaante van palmboomen, zijnde boven aan het breedste; tusschen beide ziet men, om zoo te spreken, het voetstuk van een derde kolom, deze heeft wel wat van eenantiekaltaar; boven dit een en ander ziet men van het gewelf, dat zeer hoog is, als een stuk doek met plooijen nederwaarts hangen; alles ziet zwart door den rook der fakkels, het geen deze vertooning nog ontzaggelijker maakt. Aan de linkerhand van den ingang komende, is een gat, dat zes of zeven voeten omtrek mag hebben; naar het geluid door het rollen der steenen, die wij ’er in wierpen, moet hier een zeer diepen afgrond zijn; digter bij den ingang hadden wij nog een diergelijk gat gevonden. Verder opgaande, zoo ver men komen kan, toonde onze leidsman ons aan het eind nog een gat in den wand, als een oven, en verhaalde ons, dat zijn broeder de stoutheid gehad had van hier intekruipen, en ’er wel een halfuur in had doorgebragt, doch vond het overalzeer naauw; daar wij geen zin hadden, om zijn voorbeeld te volgen, keerden wij terug. Hier en daar ziet men kleine kommen met water, het welke wij ook op verscheidene plaatsen voelden druipen: het is dan ook door deze zijpeling van het water door de rots, naar het mij voorkomt, dat die kegels (stalactiten) in allerlei gedaanten worden voortgebragt; de steen- en aardachtige deelen, die het water met zich voert, hoopen zich op of blijven aan elkanderen hangen en kristalliseren zich; want eenige stukken van kegels afslaande, vond ik het van binnen ringsgewijze samengesteld uit rooden steen en geelachtige kristallen. De beeldhouwerPugetwilde ’er de twee pijlaren, waar ik u van gesproken heb, uit laten nemen, om dezelven te bewerken, en ik geloof wel, dat zij, gepolijst zijnde, fraai zouden. wezen; doch het was jammer, dat men die trotsche voortbrengsels der natuur van hier weg nam.—Wie weet hoe vele eeuwen ’er noodig geweest zijn, om ze daar te stellen, en dit werk zou men verwoesten om de pracht en weelde te tooijen;—ligtelijk komt men wel weder eens op dien inval, doch ik hoop, dat de overheid ’er voor zorgen zal. Door den tijd zullen de pijlaren zich waarschijnlijk met het geen ’er boven hangt, in de gedaante van een geplooid doek, vereenigen, en welke zonderlinge verschijnsels kan de natuur hier nog opleveren. Zou men ook, daar deze pijlaren zoo lang staande zijn gebleven, niet mogen veronderstellen, dat hier gedurende dien tijd geen zware aardbevingenhebben plaats gehad? Behalve den weg, dien wij gegaan waren, zijn ’er nog eenige andere wegen in deze spelonk; maar zij zijn niet diep. Ik had geen thermometer bij mij, doch volgens daar van gevonden aanteekeningen staat dezelve in het diepste gedeelte van dit onderaardsch gewelf, het gansche jaar door op 11 graden, schaal vanReaumur. Men behoort zich dan, vooral als de buitenlucht warm is, niet te luchtig te kleden, wanneer men deze spelonk gaat bezoeken, ook moet men niet veel goeds aandoen, om dat het ligtelijk bederft, niet alleen door het vuil te maken, maar zelfs door het te scheuren; want men treft gaten aan, waar men als in een schoorsteen moet inklimmen. Aan een paar flambouwen heeft men genoeg, omdat meêr te veel rook veroorzaken; maar van kaarsen moet men zich wel voorzien, om die hier en daar neder te zetten. Dit hol, zoo verlicht zijnde, levert een zonderlinge doch akelige vertooning op, en zij die een’ tempel vanPlutoof hellegrot willen teekenen, ’t zij voor een tooneel-decoratieof anderzins, raad ik, om dit voor een model te nemen1. De rots, waar in dezegrot is, behoort thans aan den HeerRostanteMarseillevolgens het zeggen van onzen leidsman. De naam van de landstreek isMoredon. In het terug keeren, in plaats van buiten tegen de steile rots niet ver van de opening of ingang der spelonk weder op te klimmen, wees onze leidsman ons een gat binnen in dezelve, dat hij zeide, dat gemakkelijker was. Hier klimt men in als in een engen toren, en zoo doende komt men op een punt van de rots uit. Dit alles is voor menschen, die het bergklauteren niet gewoon zijn, een vreemd werk. Om de verandering bragt onze leidsman ons gedeeltelijk langs een’ anderen weg door een buitenplaatsje, waar nog al eenige boomen stonden, en waar men ons goede druiven en vijgen gaf. Overal hier omstreeks langs de zee, vangt men om dezen tijd een menigte kwakkels, met een soort van netten, die men bij ons flouwen noemt. De kwakkels, om dezen tijd trekkende, worden door lokvogels hier naar toegelokt, en legeren dan om die kooijen, die bij menigte aan staken onder elkanderen hangen; men maakt vervolgens gerucht, waar door zij verbijsterd in de netten vliegen. Dit geschiedt gemeenlijk ’s morgens zeervroeg; bij dit buitenplaatsje zag ik zulk een toestel voor die vogeljagt. Men vangt ’er op die wijze zeer veel, zelfs naar men ons verzekerde tot 300 à 400 op eenen dag; wij hadden ’er ook bijna dagelijks op tafel teMarseille. In het voorbijgaan bezigtigden wij de hier omstreeks zoo beroemde buitenplaats, bekend onder den naam vanChateau Borelly. Het huis, dat uitwendig een fraai gebouw is, konden wij van binnen niet zien, omdat de HeerBorelly2onlangs gestorven, en de familie nog in rouw was. Nu voorHollanders, die buitenplaatsen omHaarlemen aan deVechtgezien hebben, is hier waarlijk ook niet veel bijzonders te kijken; dit zal ieder onbevooroordeeld reiziger, die het een en ander gezien heeft, met mij moeten bekennen. Echter wil ik wel gelooven, dat het aanleggen van deze buitenplaats op dien steenachtigen en schralen grond, in eene vlakte aan den oever der zee, veel moeite en geld gekost heeft; want men scheen ’er de natuur nog al gedwongen te hebben, om het een ander voorttebrengen; ik zag ’er althans verscheidene vruchtboomen, waar nog al wat aan was, en een haag van granaatstruiken, die sierlijk bloeide; maar het geen ik bijzonder opmerkenswaardig vond, was dehorizontalebeweging van een windmolen, dienende om het water uit een ruime put op te malen,en daar mede de tuinen te besproeijen. Deze molen, dien ik, om ’er u een begrip van te geven, niet beter kan vergelijken dan bij een’ grooten haspel of scheerraam, daar de lakenwevers hun kettingen op scheren, staat in een verheven koepel rondom met lange, smalle rechtstandige windgaten; de wind hier door tegen de repen zeil, die insgelijks regtstandig aan den molen vastgemaakt waren, blazende, werd dezelve daar door omgevoerd, en dat al vrij gezwind, hoewel het, toen wij ’er waren maar een matig koeltje woei. Op en tusschen de rotsen hier omstreeks is, naar het mij voorkomt, voor kruidkundigen ook nog al wat te onderzoeken; ik zag ’er onder een menigte bekende kruiden, zoo als rozemarijn, salie, wijnruit, de ruikende clematide enz. Verscheidene aardige plantjes, onder anderen een heestergewasje waar aan stekelige blaadjes als die der hulst, en eikelen, als die der eikenboomen waren; behalve dat het schaaltje daar de eikel onder in vast zit ook stekelig is. Slechts eenige schreden van de plaats vanBorellytroffen wij een rijtuig aan, dat ledig naar de stad reed, on zijn’ Heer aftehalen; want het was Zaturdag en dan gaan deMarseillanenook veel naar buiten. Hier mede kwamen wij voor een bagatel gemakkelijk teMarseille. Ik had reeds gezien, dat ’er in deze stad, eveneens als teParijs, een huis was, waar onderscheiden soorten van dobbelspelen in het openbaar gespeeld werden; hier zag ik evenwel genoegzaam niet anders dan zoogenaamde Heeren; maar dezen avond op de kaai wandelende,ging ik op het geluid van eenige violen in een huis aldaar, en vond ’er ook een dobbelspel voor de matrozen en zoogenaamde gemeene lieden; dit zag ik met nog meêr leedwezen dan het andere. Tevens vindt men hier een kroeg en danszaal, zoo als teAmsterdamin deJonker-ofRidderstraat, en dus allerlei soort van buitensporigheden bij elkander.Hoewel gij het, zoo wel als ik, bij de geschiedschrijvers van dit land vinden kunt, wil ik echter, on u die moeite te sparen, een woordje zeggen van den oorsprong van deze oude stad. Men meent op goede gronden te moeten veronderstellen, dat een hoop uitgewekenePhocéensers, afstammelingen van deGrieken,MarseilleofMassiliæstichtte, het 154 jaar vanRome, het eerste jaar der 45Olympiade, of 599 jaren voor der Christenen tijdrekening; welhaast werd zij door den koophandel, den scheepsbouw en de visscherij aanzienelijk. De wetten van dit volk waren op steenen tafelen gegraveerd, en op de markten en openbare plaatsen ten toon gesteld. Onder dezelven is die tegen den zelfmoord opmerkelijk om hare zonderlingheid. Zij verbood aan de Burgers om hun leven te verkorten, zonder verlof van den Magistraat, die over de gegrondheid of ongegrondheid der redenen, waarom men wilde sterven, oordeelde, en dezelven billijkende, sap van dolle kervel, die men doorgaans in de openbare vergaderingen in gereedheid hield, aan den lijder liet drinken. Zij waren goede zeelieden, sterre- en aardrijkskundigen. 320 jaren voorChristusgeboorte, deed de vermaardePythéasal een aanmerkelijken zeetogt, stevenende door deStraat van Gibraltartot bijYsland. In het begin wasMarseilleeen vrij gemeenebest; het werd door haar Senaat bestuurd, en hield zich zoo een ruim tijdbestek staande; vervolgens werd zij aan deRomeinenonderworpen. De Medailles, die nog bestaan, toonen, dat de schoone kunsten ook inMarseillevrij ver gevorderd waren, vooral onder de Republikeinsche regering. Zij was toen een tweedeAthenenin bloei en welvaart; doch deze gelukkige toestand eindigde ook met het Republikeinsch bestuur, omtrent het einde der eerste eeuw van de Christen-Jaartelling. Daarna raakte zij onder de beheering van onderscheidene volkeren, die zich meester maakten vanProvence; werd vervolgens door heerschappen (Vicomtes) geregeerd3en kwam eindelijk bij testament vanCharles d’Anjou4in 1481 onder de regering vanLodewijkden XI. aan de kroon vanFrankrijk. In het begin van de omwenteling onderscheidden zich deMarseillanenbijzonder door hun Republikeinismus—de oude vrijheidszucht kwam weder boven—en wie kent niet deCarmagnole, waar van de wijs uit dat land herkomstig is, gelijkmede de zoo vermaardeMarseillaanschemarsch naar die vanMarseille, als behoorende tot de ijverigste Republikeinen, genaamd5.De visschers hadden hier van 1431 af een regtbank, bestaande uit vier mannen, die zij onder hen kozen, en die in alle geschillen aangaande de visscherij regtspraken; zij werdenPrud’hommesgenaamd; of die regtbank nog heden bestaat, heb ik verzuimd te onderzoeken.De bevolking vanMarseille, die van de omliggende landstreek ’er onder gerekend, wordt op 85 à 90,000 begroot. Het is ’er vrij gezond, en de zeewinden vooral demistral’s, dienen zeer veel, om de zomerhitte te temperen. De winter is ’er aangenamer dan het begin van de lente, wanneer het veelal ruw en nat weder is; doorgaans vriest het hier zeer weinig. ’Er wordt om de stad nog al wat wijn geteeld, die meest in dezelve gebruikt wordt. De vijgen vanMarseillezijn bij uitstek beroemd, en worden ook veel in de zon gedroogd en verzonden.Den 19 dezer een van onze reisgenooten zich kleedende, voelde iets in zijn mouw, dat hem jeukteen werd, daarop wrijvende, gestoken door een dier, dat vervolgens op den grond viel; mij ’er bij geroepen hebbende, erkende ik het insekt terstond voor een Schorpioen; het was met staart en al omtrent een duim breed en lang. Op het wondje werd schorpioen gelegd, die men in het logement in huis had; want men had ze daar beneden aan de put, wel eens meêr gevonden, doch boven, daar wij onze kamers hadden, nimmer. Denkelijk was dat dier den vorigen dag, toen wij de grot gingen bezigtigen, en tegen de rotsen opklommen, of op den grond kropen, in de kleederen gekomen. De beet had geen gevolgen, en de Schorpioen werd verpletterd en in olij gelegd om bij volgende gelegenheden te dienen; doch naar ik vernam, zijn die dieren hier niet zeer vergiftig.Ik kogt hier eenige tooneelstukken in de landtaalpatoisoflangue provencale, zijnde zamengesteld uitCeltische,Grieksche,Latijnsche,Fransche,Italiaansche,Spaanscheen zelfsHoogduitschewoorden. Zie hier een paar spreekwoorden in die taal:”De la fillo et de la figuiere,Fau pas veire la jarretiero.”Dat is: van een jong meisje en een ouden vijgenboom, moet men de kousseband niet zien; omdat men den vijgenboom zeer kort moet houden, zoo dat de takken naar de aarde buigende, een groot deel van de stam bedekken. ”Quu san trevo, san deren.” Die met wijze omgaat wordt wijs.Aix.Aix.’s Namiddags om een uur vertrokken wij met den postwagen op hier, hebbende onze plaatsen reeds eenige dagen te voren besproken gehad. Wij hadden vrij goed gezelschap, en kwamen omstreeks zes uren teAix, waar wij afstapten aan het Hotèldes Princes, op deCoursof algemeene wandeling, bij het inkomen van dezelve. Het onaangename van de reis naarMarseille,Toulon, enz. was, dat wij totAixtoe langs denzelfden weg weder terug moesten komen, althans met de openbare rijtuigen. Ik haastte mij, om deze stad, die nog al bezienswaardig is, in oogenschijn te nemen. Op eene groote plaats zag ik de fondamenten en het muurwerk, even boven den grond, van een gebouw, dat men scheen begonnen te hebben, en vernam, dat men voornemens was hier het Regterlijk Paleis (Palais de Justice), en daar bij behoorende gevangenissen te bouwen; doch dat de omwenteling het voltooijen daar van belet had; volgens de beginselen te oordeelen, moest het een groot en schoon gebouw worden. Op een andere plaats zag ik een verhevenObeliscusmet een arend ’er boven op; doch het is modern werk; bij de schrijvers, die ik over deze stad heb nagezien, vind ik ’er hoegenaamd geene melding van gemaakt. De Hoofdkerk is een groot Gothisch gebouw; in dezelve staat eene doopvont, waarvan de koepel door acht groote Corinthische kolommen, die in een’ Heidenschen tempel, naar men veronderstelt, gediend hebben, wordt ondersteund. Men heeft daar omstreeks meer oudheden gevonden, waaruit men gemeendheeft te moeten opmaken, dat ’er een tempel, aan de Zon ofApollogewijd, gestaan heeft. In het koor zijn twee orgels over elkanderen, en genoegzaam even eens; digt bij den grooten ingang van deze Kerk, is een der stadspoorten; ik ging ’er uit, en zag aan mijn regterhand een gedenkteeken; boven op stond de beeldtenis van een eerwaardig man, een stenen tafel in de hand hebbende, waar op men leest:Aimez Dieu et le prochain; en lager, twee beelden in eene eerbiedige of biddende houding. Uit het opschrift zag ik wel, dat het aan de Municipaliteit enz. vanAixscheen toegewijd; maar niet door wie of bij welke gelegenheid; doch vernam, dat eenCharles Sec, bemiddeld metselaar dezer Stad, het gebouwd had in 1792, en ’er naderhand onder begraven is geworden; dit was al wat men ’er mij van zeggen kon. Men vindt teAixgnappe straten en huizen, en over het geheel heeft deze stad een zeer goed aanzien, ’t Is jammer, dat het Stadhuis, dat een fraai en ruim gebouw schijnt, genoegzaam achter de huizen verscholen is, en niet op een ruim plein staat. De wandelingen om de stad kwamen mij ook regt aangenaam voor, en ik zag ’er veel zware ijpeboomen. Het land rondom levert ook veel olijf-olij op, die den voornamen tak van koophandel der inwoners vanAixuitmaakt. Die olij wordt voor zeer fijn en lekker gehouden en is algemeen beroemd. De soort, die menhuile vierge6noemt, omdat ze, zoo ik meen, de eerste is, die uit de olijven geperst wordt, is, naar men zegt, het meeste gezocht. De gemeene wandeling, die gij op de afteekening ziet, en die men hier behalve de gewone benaming in deze landstreek,le Cours, ookOrbitellenoemt, beviel mij ook bijzonder, zoo als gij kunt begrijpen; aan beide zijden staan aanzienelijke gebouwen, en in het midden van de dreef drie altijd springende fonteinen, waar van de middelste warm water geeft; het is zeer helder; en heeft denzelfden smaak als gewoon bron- of rivierwater; boven aan de pijp, waar door het uit de fontein komt, is het tamelijk warm, doch onder in de kom slechts laauw. Deze bron werd in 1704 door eenige arbeiders, bezig zijnde met een vervallen huis, aan het eind van de voorstaddes Gordeliersaf te breken, wedergevonden; want zij was reeds bekend geweest bij deRomeinen, zoo als men tegelijkertijd uit de oudheden, die men ’er verder voortgravende vond, ontdekte7. De ouden schenen ’er een geneeskundig gebruik van te maken, en men schrijft ’er nog eenige kracht aan toe. De regering heeft daar voor dan ook groote en fraaije badhuizen laten bouwen, doch naar ik vernam werden zij weinig anders dan als gewone baden (bains domestiques) gebruikt. Voor de omwenteling had hier op HeiligenSacramentsdag eene zonderlingeproçessieplaats, waarin onder anderen verscheidene menschen in eene misselijke kleeding gedrochtelijk toegetakeld, moetende duivels verbeelden, verschenen, en vele kromme sprongen langs de straat maakten: men noemde dit in hetpatois Provencal: lou grand juec deïs diables; dat is: Het groote spel der duivelen; enlou pichoun juec deïs diables, het kleine spel der duivelen; en deze duivelen gingen, let wel, in de Hoofdkerk de mis horen, maakten het teeken van het kruis, en namen wijwater.—Wat heeft men den Godsdienst niet met allerlei beuzelarijen en afzigtelijke ongerijmdheden overladen!!De vermaarde kruidkundige JosephPitton De Tournefortwerd hier den 5 Junij 1656 geboren, en stierf den 28 December 1708. Hij bezocht ook, zoo wel alsLinnæus, ons Vaderland.Het Hotèldes Princes, hoewel een grootenaanzienelijk gebouw, is het beste niet, en wij moesten ’er evenwel rijkelijk voor het avondeten en slapen betalen.Men begroot het getal der inwoners vanAixop omtrent 20,000; nu de stad is ook niet groot, en het scheen ’er mij nog al levendig, vooral op deCours, waar een menigte menschen wandelde. ’Er stonden ook eenige kramers, en een blinde, die vrij goedProvencaleliedjes zong, deed de omstanders ter deeg lagchen; het speet mij wel, dat ik bijna niets van zijne aardigheden verstond, Deze stad scheen mij, vooral voor die genen, welke op deCourswonen, de stedelijke en landelijke vermaken te vereenigen; slechts eenige treden en men is buiten, en dat vind ik, als men dan toch in een stad moet wonen, al zeer aangenaam.Den 20 dezer, ’s morgens om twee uren, vertrokken wij vanAix, en namen denzelfden weg, dien ik gekomen was totOrgon. Hier kwamen wij omstreeks 9 uren, en hadden ’er een vrij goed ontbijt, waar onder schapenvleesch, dat ik maar zeldzaam zoo goed gegeten heb; de wijn, voor wijn van dit land, was voor mij ook nog al drinkbaar. In plaats van nu den weg te nemen naarAvignon, namen wij die vanSt. Remy. Even buitenOrgonaan de regterhand, zagen wij een poort in een rots gemaakt, het was een waterleiding om deze landstreek te besproeijen, zijnde een arm van de rivierla Durance, waar ik u reeds van gesproken heb. Men verzekerde mij, dat het gat in de rots gemaakt, omtrent 300toises(1800 voeten) lang is.Het werdle Canal de Boiselingenaamd, en was nog niet geheel voltooid. De landstreek werd nu minder rotsachtig, vruchtbaarder en bevalliger. Wij reden door het dorpSt. Remy, twee posten vanOrgon, en hadden hetzelve reeds een goed eind weegs achter den rug, toen men mij herinnerde, dat daar digt bij eenige overblijfsels van oudheden, zoo als van een zegeboog ter eere vanNero Claudius Drusus, zoo men meent, en van een praalgraf, ook door deRomeinenopgerigt, te zien waren. Dit verzuim speet mij zeer, doch ik kon nietweder terug keeren; vooral ook, omdat ’er onder onze reizigers waren, die grooten haast schenen te hebben. Bij een plaatsje dat menl’Oradenoemt, zag ik eene zeer aangenaame buitenplaats, door een klein riviertje besproeid, en digt beplant; het hout stond ’er zeer tierig, en maakte een bevallig lommer; dit valt bijzonder in het oog, als men eenigen tijd in de schrale en steenachtige landstreek vanMarseilleheeft doorgebragt. Hier groeiden langs den weg vele van die planten, die men bij ons in sommige tuinen wel aangekweekt, en spring-komkommers noemt; omdat, als men ze rijp zijnde afplukt, ’er een straaltje vocht uitspringt.l’Oradeis nog 3/4 uurs vanTarascon, eene zeer oude stad, twee posten vanSt. Remy, en dus in ’t geheel 14 posten vanMarseille. Voorheen behoorde zij totla Basse Provence, thans tot het Departementles bouches du Rhone. Welk eene menigte kleine windmolens ziet men hier aan den weg, digt bij de stad. Ook wordt hier omstreeks nog al wat koren geteeld; onder weg had ik boeren gezien, die, bezig waren met het graan te zuiveren, niet met een wan- of kafmolen, maar door het, met een schop, in de hoogte te werpen terwijl het redelijk woei. Op die wijze stoof dan het kaf weg. De poort aan dezen kant ziet ’er nog al wel uit, doch het stadje zelve scheen niet veel te beteekenen. Men wil datTarasconofTarasco, van eenGriekschwoord, dat verschrikken of bang maken beteekent, afkomstig is; ook plagt men hier in de Kerk een draak te vertoonen,Tarasquogeheeten,die volgens een oud sprookje zich in deRhoneophield, en veel schrik en verwoesting hier omstreeks aanrigtte; want hij leefde van menschenvleesch, en was een toovenaar, die nog al een vrouw en kind had; men verhaalt ’er eene menigte allerbeuzelachtigste vertelseltjes van, die hier echter bij zeer velen voorevangeliewerden aangenomen, en misschien nog wel geloofd worden, want dereligiehad ’er, zoo het scheen, zijn zegel aangehecht, en wat gelooven de menschen dan al niet!—Althans opSt. Martha’sdagwerdt de beeldtenis van dien lelijken draak, plegtig inproçessiedoor de stad gedragen, om dat die sanctinne door hare gebeden dit monster ten onder gebragt had. Deze proçessie ging nog kort voor de omwenteling. Het Gasthuis (l’Hospital), dat men even buiten de stad ziet, is een aanzienelijk gebouw. De vrouwen hebben hier een bijzonder hoofdtooisel, bestaande in een gekleurde gazen doek, die zij over hun muts doen, zoo dat de rand daar van haar op het voorhoofd en om het aangezigt hangt, zoo als de kanten, die de vrouwen elders aan hare mutsen hebben. De menschen zien ’er hier vrij gnap en gezond uit, ook wordt deze landstreek, die vrij vruchtbaar is, voor gezond gehouden. Aan den kant van deRhoneligt een groot en sterk kasteel; men meent, dat het door een der Graven vanProvencein de 15 eeuw gebouwd is; het maakt geen onaardige vertooning; en men moet ook van deterrassenop hetzelve een aangenaam gezigt hebben.VanTarascongaat men over een lange schipbrug, die over deRhoneligt, naarBeaucaire; thans ligt ’er bijna midden in de rivier een eiland, waar men een gestrate kade op gemaakt heeft, voorheen schijnt ’er dat niet geweest te zijn; want een oud spreekwoord zegt:Entre Beaucaire et Tarascon il ne pait ni vache ni mouton. Men gaat over dit eiland een eindje tot aan een tweede schipbrug, en daar over totBeaucaire. Op deze schipbruggen, waarop ook hier en daar banken staan, en die vooral bij de aangename zomeravonden, tot een gemeene wandeling verstrekken, heeft men een alleraangenaamst gezigt op de rivier, welke hier vrij breed is, en op de twee steden; men betaalt eensousvoor de passage, en die is vooral met de vermaarde kermis (foire) vanBeaucairezeer druk; zij was nog maar sinds omtrent 14 dagen geëindigd8, en wij zagen ’er de lootsen nog staan. Voorheen was deze kermis of jaarmarkt in de stad, doch van tijd tot tijd toenemende, was men reeds voor vele jaren verpligt, om dezelve op het open veld, buiten de stad, langs deRhone, onder tenten te houden; thans slaat mendaar, zoo wel om de kooplieden te herbergen, als om de goederen te plaatsen, lootsen op. Volgens het groot aantal, dat wij ’er zagen, moet deze jaarmarkt al zeer aanmerkelijk wezen; het gelijkt een gansche stad met houten huizen. De koophandel, die hier dan gedreven wordt, is zeer belangrijk, en men zegt, dat ’er verscheidene millioenen omgaan; ook komen ’er niet alleen kooplieden uit de voornaamste plaatsen van het zuidelijk deel vanEuropa, maar zelfsTurken,Arméniërs,Marokkanen, enz. en men vindt ’er allerlei soorten van goederen en koopmanswaren. Men heeft ’er dan ook eenige openbare vermaken, en de dobbelspeelders laten niet na, om op de beursen der kooplieden te komen azen. Dit jaar had ’er de sterke en aanhoudende regen veel schade aan toegebragt. In 1721 en 1722, toen de pest in deze landstreek heerschte, is deze kermis twee jaren opgeschort geweest; anders schijnt zij in alle tijden en omstandigheden geregeld plaats te hebben gehad; enla foire de Beaucaire, is niet minder beroemd inFrankrijk,Spanje,Italië,Zwitserlandenz. dan inDuitschland, en het noordelijk deel vanEuropa, deFrankforterenLeipsigermissen. De gelegenheid van deze stad aan deRhone, niet ver van deMiddellandsche Zee, gaf zeker aanleiding tot die aanmerkelijke markt. Men kan echter de goederen niet dan met groote kosten de rivier opvoeren, en het vervoeren moest grootendeels per as geschieden; doch men is sedert eenigen tijd bezig, om eene vaart te graven, die deRhonebij deze stad, met het kanaal vanLanguedocmoet vereenigen, en dit zal den handel van dezelve een zeer groot voordeel toebrengen. Men wees mij de plaats aan, waar die vaart in deRhonemoet uitloopen; ’er werd zeer druk aan gewerkt, omdat men wil, dat dit nuttige ontwerp binnen weinig tijd zal volvoerd worden. Buiten de kermis is het hier doodsch en naar. Voorheen was dit stadje het verblijf van denIntendantvanLanguedoc, waar onder het behoorde; wij reden voorbij het Hotèl, dat hij bewoond had, doch dat zag ’er ook al niet zeer voordeelig uit; thans wordt dit gedeelte van die Provincie, het Departementdu Gardgenaamd. Het is inderdaad te verwonderen, dat deze, naar het schijnt, voor den handel zoo wel gelegen plaats, geen welvarender voorkomen heeft; ik zag ’er geen een aanzienelijk gebouw, zelfs vindt men ’er, zoo als ik vernam, naauwelijks goede herbergen; trouwens buiten de kermis is ’er ook weinig vertier, zoo dat de inwoners grootendeels het gansche jaar leven van het geen zij, gedurende die weinige dagen, opzamelen. Aan de andere zijde, buiten de stad ziet men een uitgestrekt bosch van olijfboomen. Hier omstreeks ontdekte men in 1734 een gedeelte van den grooten weg door deRomeinengemaakt, en die zich vanRometot de uiterste grenzen vanSpanjeuitstrekte, zoo als uit de mijlpalen en opschriften, die men hier vond, blijkt. Die weg wordt bij deFranscheGeschiedschrijversla Voie Auréliennegenaamd. Vervolgens ziet men vanverre aan de linkerhand de oude stadArles, voorheen plagt de postwagenMarseillenaarNismesdaar door te rijden; doch sedert eenigen tijd is dat veranderd. TeArleszijn ook nog eenige overblijfsels vanRomeinscheoudheden, en onder anderen een fraaijeObeliscuste zien. De weg is hier vrij gelijk, en de grond schijnt tamelijk vruchtbaar te zijn. Hier ziet men velden met wijngaarden beplant, zoo ver het oog reiken kan; wat verder zag ik met vijf muilezels ploegen. TeBeaucairewas ’er iemand op den wagen gekomen, die, naar wij vernamen, een voornaam bankier was; hij toonde zeer wel zijn verstand te hebben, doch tevens een hevige Roijalist te zijn, ook verhaalde hij ons, dat de oorlog vanRuslandenZwedentegen Frankrijk onvermijdelijk, en de dood van den Hertog vanEnghiendaar de oorzaak van was, razende en tierende vervolgens in eenen adem tegenBonaparte, de Jakobijnen, de Filosofen, de Romans, en zelfs tegen den Paus, en toen wij hem onder het oog bragten, dat KeizerNapoléontoch veel deed, waar over hij zeer te vreden behoorde te zijn, zoo als het herstellen der openbare wegen, het doen graven van vaarten enz. durfde hij wel antwoorden: “en waarom doet hij dat anders, als omdat hij wel weet, dat men geen vliegen met azijn vangt; en wat heeftLodewijkden XIV. niet gedaan?”—Iemand antwoordde hem, dat door de groote ondernemingen van dien Vorst, de schatkist vanFrankrijkook een’ krak had gekregen, die men helaas! nog maar al te wel voelde;“en denkt gij,” zeide onze bankier, “datBonapartehet uit zijn eigen beurs betaalt. Men heeft reeds twee derde van onze fondsen geschrapt, wie weet wat ’er van dat overgebleven derde nog wordt?” Denk eens, Vriend! zoo veroorloven zich sommigeFranschenover hun’ Monarch, en over hetpubliek crediet, in het openbaar, en in bijzijn van vreemdelingen, te spreken. Wij waren nog een’ goeden afstand vanNismes, toen wij reeds op een hoogte deTour magnezagen. ’t Was ruim zeven uren, toen wij in die stad aankwamen. VanTarascontot hier is 3¼ post. Wij stapten af aan het Hotèldu Louvre, waar de postwagen ook ophoudt. Terwijl het heldere maneschijn was, ging ik nog dien zelfden avond het beroemdeAmphithéateruitwendig bekijken—welk een groot en trotsch gebouw! Op deCours, die op een terras hier digt bij is, wandelde veel volk; de avondstond was ook regt aangenaam.1De landlieden hier omstreeks vertellen een menigte spook- en tooversprookjes van deze grot; er zou onder anderen een vreesselijke reus,Rollandgeheeten, in gewoond hebben, van hier den naam vanBeaume, dat is grot vanRolland. Dit intusschen schijnt zeker, dat een Priester genaamdl’AbbéGéoffrédieenige eeuwen geleden, teMarseilleis verbrand geworden, om dat men hemvoor een’ toovenaar of heksenmeester hield, daar hij dikwijls deze spelonk ging bezoeken, waarschijnlijk om eenig natuurkundig onderzoek, of physische proeven te doen, terwijl hij misschien minder dom en bijgeloovig was dan de meeste zijner ambtgenoten, en daarom door hun benijd en vervolgd werd.2Het huis vanBorellywordt voor het voornaamste en rijkste huis vannegotievanMarseillegehouden; zij zijn door den koophandel rijk geworden.3Ter dier tijd, en vooral onder deVicomteBaral, deden deTroubadours(oude provincale Dichters) de Dicht- en Letterkunde teMarseilleen daar omstreeks herleven.4Comte du Maine et dernier comte de Provence.5De woorden zijn vanRouget de l’Isle, neef van den ongelukkigenBailly, en de muzijk vanGossec. SedertTyrtæusis ’er, voor zoo ver mij bekend is, geen oorlogslied gemaakt, dat zoo veel geestdrift veroorzaakt, en de moed meêr opgewekt heeft dan deMarseillaanschemarsch. Dit lied wordt niet meêr gezongen, en geen der heeft tot noch toe zijne plaats bekleed.6Maagden-olij.7Uit de opschriften en gedenkpenningen, die men daar onder anderen vond, bleek het dat de baden vanSextiushier ter plaatse geweest waren.8Men noemt zela foire de la Magdelaine, om dat zij den 22 julij, dat is,St. Magdalenasdag, begint; sedert 1217 was zij vrij van alle regten, maar in 1632 heeft men die vrijheid besnoeid. Zij plagt zes dagen te duren, thans wordt die tijd al wat verlengd, naar men mij verhaalde. De oorsprong van deze kermis schijnt niet bekend; doch het blijkt, dat zij zeer oud is.
Nismes,21 Augustus.
Gisteren avond on 7 uur zijn wij in deze stad, om zijne oudheden zoo vermaard, aangekomen; en hebben onzen intrek genomen in het Hotèldu Louvre; maar, eer ik u vanNismesspreek, moet ik den draad van mijn dagverhaal opvatten.—Wij zijn teToulongebleven. Den 17 ’s morgens om drie uren vertrokken wij van daar, met denzelfden postwagen, en langs denzelfden weg, dien wij gekomen waren, en die ik u reeds beschreven heb. ’Er kwam een wel gekleede vrouw op den wagen, die wij even bij het flaauwe lantaarnlicht ziende, meenden dat jong en bevallig was, en verlangden na het daglicht, om haar eens ter deeg op te nemen, doch hoe vonden wij ons toen bedrogen; hetFranschespreekwoord werd hier wel bevestigd:La nuit tous les chats sont gris. De morgenstond was zeer frisch, zoo dat ik om mij te verwarmen, en tevens de landstreek naauwkeurig te bezigtigen, een goed eind wegs te voet afleide. Ik had een stuk brood in den zak en plukte een trosje druiven, daar omstreeks overvloedig langs den weg groeijende; men neemt dit den voorbijgaanden reiziger niet kwalijk; hier in bestond mijn ontbijt, en het smaakte mij zeer goed. De wagengedurig moetende klimmen, was ik ver vooruit geraakt, en wachtte dezelve op in de loots, die voor een wachthuis diende, van hetcamp, op de hoogte tusschenBeaussetenCuges; waar ik een teug dronk; want hier omstreeks zijn noch huizen, noch beken, noch bronnen, en de soldaten, die vriendelijk en gedienstig waren, zeiden, dat zij het water meer dan een kwartier ver moesten halen. ’t Is hier een regte woestenij, en die militairen leven ’er als kluizenaars; doch zij worden alle acht of veertien dagen afgelost. Wij hielden ons teCugesniet op, om te eten, en verkozen liever door te rijden, on nog tegen het middagmaal teMarseillete zijn; waar wij dan ook om 3½ uur aankwamen.
Den 18 dezer ging ik ’s morgens vroeg uit, om de vermaardeBeaumeof Grotde Rollandte zien; onder anderen verzeld door den zoon van een Koopman, aan wien ik hier aanbevelingsbrieven had. Wij hadden ons van eenige fakkels en kaarsen voorzien, en dewijl de berg vanMarseille Veire, waar deze grot is, wel twee uren gaans van de stad afligt, en men daar zijnde eenen zeer moeijelijken weg heeft, namen wij, om ons niet te veel te vermoeijen, voor 3livreseencariole, die ons moest brengen aan het gehuchtBonavenne, digt bij de buitenplaats van den HeerBorelly, dat omtrent twee derde van den weg is; daar ter plaatse woont een wegwijzer, zijnde een bakker, die gewoon is, om de vreemdelingen naar en in de spelonk te geleiden. Ik kwam met hem over een voor een kleine som.Na in een herberg, die hier digt bij staat, wat ontbeten te hebben, voorzag onze leidsman zich van vuurslag en zwavelstokken, en wij trokken op het pad, en kwamen niet verre van daar langs den oever van de zee, waar ik een menigte ballen van onderscheidene grootte vond liggen, veel overeenkomst hebbende met die, welke men wel in de maag van het rundvee vindt. Deze ballen, uit vezeltjes van zeeplanten en diergelijken bestaande, worden door de beweging van het water op het strand gedurig gerold, en krijgen daar door een zekere vastigheid en ronde gedaante. Wat verder op komt men aan een boschje van pijnboomen, dat aan onzen geleider behoorde; zij stonden bijna op de barre rots, en aan de schrale zeewinden blootgesteld, en evenwel groeiden zij nog.—Hoe vele plaatsen zijn ’er niet in onze duinen, waar zij beter zouden groeijen, en deze liggen geheel ledig.—Een schaapskooi, van ruwe stukken steen onder tegen eene rots in een klein dal gebouwd, maakte geene onaardige vertooning; hier moesten wij tegen de rots op, en vervolgens langs een zeer steilen weg weder benedenwaards klimmen, tot aan den ingang van de spelonk, die omtrent ter halver hoogte is van den berg. Men moet ’er op knieën en ellebogen inkruipen, en dan heeft men eene plaats, waar men weder overeind kan staan, hier staken wij, hoewel met veel moeite, door den wind, die in het gat blies, onze flambouwen aan, kropen vervolgens weder een enge opening door; het geen wij naderhand, wat verder in de spelonk, nog eens verpligtwaren te doen. Van tijd tot tijd zetten wij een brandende kaars; hier was het nu een ruime en hooge gang, doch de grond was zeer afhellende, en door de vochtigheid zoo glibberig, dat men dikwijls moeite had, om zich over eind te houden. Omziende zagen wij een van de kaarsen in het verschiet en zeer hoog, zoo veel waren wij al afgeklommen. Aan de wanden en het gewelf zag ik hier en daar kegels van een geelachtigen steen (spath), maar hier waren de schoonste. Twee pijlaren verheffen zich tot eene aanmerkelijke hoogte, zij hebben eenigzins de gedaante van palmboomen, zijnde boven aan het breedste; tusschen beide ziet men, om zoo te spreken, het voetstuk van een derde kolom, deze heeft wel wat van eenantiekaltaar; boven dit een en ander ziet men van het gewelf, dat zeer hoog is, als een stuk doek met plooijen nederwaarts hangen; alles ziet zwart door den rook der fakkels, het geen deze vertooning nog ontzaggelijker maakt. Aan de linkerhand van den ingang komende, is een gat, dat zes of zeven voeten omtrek mag hebben; naar het geluid door het rollen der steenen, die wij ’er in wierpen, moet hier een zeer diepen afgrond zijn; digter bij den ingang hadden wij nog een diergelijk gat gevonden. Verder opgaande, zoo ver men komen kan, toonde onze leidsman ons aan het eind nog een gat in den wand, als een oven, en verhaalde ons, dat zijn broeder de stoutheid gehad had van hier intekruipen, en ’er wel een halfuur in had doorgebragt, doch vond het overalzeer naauw; daar wij geen zin hadden, om zijn voorbeeld te volgen, keerden wij terug. Hier en daar ziet men kleine kommen met water, het welke wij ook op verscheidene plaatsen voelden druipen: het is dan ook door deze zijpeling van het water door de rots, naar het mij voorkomt, dat die kegels (stalactiten) in allerlei gedaanten worden voortgebragt; de steen- en aardachtige deelen, die het water met zich voert, hoopen zich op of blijven aan elkanderen hangen en kristalliseren zich; want eenige stukken van kegels afslaande, vond ik het van binnen ringsgewijze samengesteld uit rooden steen en geelachtige kristallen. De beeldhouwerPugetwilde ’er de twee pijlaren, waar ik u van gesproken heb, uit laten nemen, om dezelven te bewerken, en ik geloof wel, dat zij, gepolijst zijnde, fraai zouden. wezen; doch het was jammer, dat men die trotsche voortbrengsels der natuur van hier weg nam.—Wie weet hoe vele eeuwen ’er noodig geweest zijn, om ze daar te stellen, en dit werk zou men verwoesten om de pracht en weelde te tooijen;—ligtelijk komt men wel weder eens op dien inval, doch ik hoop, dat de overheid ’er voor zorgen zal. Door den tijd zullen de pijlaren zich waarschijnlijk met het geen ’er boven hangt, in de gedaante van een geplooid doek, vereenigen, en welke zonderlinge verschijnsels kan de natuur hier nog opleveren. Zou men ook, daar deze pijlaren zoo lang staande zijn gebleven, niet mogen veronderstellen, dat hier gedurende dien tijd geen zware aardbevingenhebben plaats gehad? Behalve den weg, dien wij gegaan waren, zijn ’er nog eenige andere wegen in deze spelonk; maar zij zijn niet diep. Ik had geen thermometer bij mij, doch volgens daar van gevonden aanteekeningen staat dezelve in het diepste gedeelte van dit onderaardsch gewelf, het gansche jaar door op 11 graden, schaal vanReaumur. Men behoort zich dan, vooral als de buitenlucht warm is, niet te luchtig te kleden, wanneer men deze spelonk gaat bezoeken, ook moet men niet veel goeds aandoen, om dat het ligtelijk bederft, niet alleen door het vuil te maken, maar zelfs door het te scheuren; want men treft gaten aan, waar men als in een schoorsteen moet inklimmen. Aan een paar flambouwen heeft men genoeg, omdat meêr te veel rook veroorzaken; maar van kaarsen moet men zich wel voorzien, om die hier en daar neder te zetten. Dit hol, zoo verlicht zijnde, levert een zonderlinge doch akelige vertooning op, en zij die een’ tempel vanPlutoof hellegrot willen teekenen, ’t zij voor een tooneel-decoratieof anderzins, raad ik, om dit voor een model te nemen1. De rots, waar in dezegrot is, behoort thans aan den HeerRostanteMarseillevolgens het zeggen van onzen leidsman. De naam van de landstreek isMoredon. In het terug keeren, in plaats van buiten tegen de steile rots niet ver van de opening of ingang der spelonk weder op te klimmen, wees onze leidsman ons een gat binnen in dezelve, dat hij zeide, dat gemakkelijker was. Hier klimt men in als in een engen toren, en zoo doende komt men op een punt van de rots uit. Dit alles is voor menschen, die het bergklauteren niet gewoon zijn, een vreemd werk. Om de verandering bragt onze leidsman ons gedeeltelijk langs een’ anderen weg door een buitenplaatsje, waar nog al eenige boomen stonden, en waar men ons goede druiven en vijgen gaf. Overal hier omstreeks langs de zee, vangt men om dezen tijd een menigte kwakkels, met een soort van netten, die men bij ons flouwen noemt. De kwakkels, om dezen tijd trekkende, worden door lokvogels hier naar toegelokt, en legeren dan om die kooijen, die bij menigte aan staken onder elkanderen hangen; men maakt vervolgens gerucht, waar door zij verbijsterd in de netten vliegen. Dit geschiedt gemeenlijk ’s morgens zeervroeg; bij dit buitenplaatsje zag ik zulk een toestel voor die vogeljagt. Men vangt ’er op die wijze zeer veel, zelfs naar men ons verzekerde tot 300 à 400 op eenen dag; wij hadden ’er ook bijna dagelijks op tafel teMarseille. In het voorbijgaan bezigtigden wij de hier omstreeks zoo beroemde buitenplaats, bekend onder den naam vanChateau Borelly. Het huis, dat uitwendig een fraai gebouw is, konden wij van binnen niet zien, omdat de HeerBorelly2onlangs gestorven, en de familie nog in rouw was. Nu voorHollanders, die buitenplaatsen omHaarlemen aan deVechtgezien hebben, is hier waarlijk ook niet veel bijzonders te kijken; dit zal ieder onbevooroordeeld reiziger, die het een en ander gezien heeft, met mij moeten bekennen. Echter wil ik wel gelooven, dat het aanleggen van deze buitenplaats op dien steenachtigen en schralen grond, in eene vlakte aan den oever der zee, veel moeite en geld gekost heeft; want men scheen ’er de natuur nog al gedwongen te hebben, om het een ander voorttebrengen; ik zag ’er althans verscheidene vruchtboomen, waar nog al wat aan was, en een haag van granaatstruiken, die sierlijk bloeide; maar het geen ik bijzonder opmerkenswaardig vond, was dehorizontalebeweging van een windmolen, dienende om het water uit een ruime put op te malen,en daar mede de tuinen te besproeijen. Deze molen, dien ik, om ’er u een begrip van te geven, niet beter kan vergelijken dan bij een’ grooten haspel of scheerraam, daar de lakenwevers hun kettingen op scheren, staat in een verheven koepel rondom met lange, smalle rechtstandige windgaten; de wind hier door tegen de repen zeil, die insgelijks regtstandig aan den molen vastgemaakt waren, blazende, werd dezelve daar door omgevoerd, en dat al vrij gezwind, hoewel het, toen wij ’er waren maar een matig koeltje woei. Op en tusschen de rotsen hier omstreeks is, naar het mij voorkomt, voor kruidkundigen ook nog al wat te onderzoeken; ik zag ’er onder een menigte bekende kruiden, zoo als rozemarijn, salie, wijnruit, de ruikende clematide enz. Verscheidene aardige plantjes, onder anderen een heestergewasje waar aan stekelige blaadjes als die der hulst, en eikelen, als die der eikenboomen waren; behalve dat het schaaltje daar de eikel onder in vast zit ook stekelig is. Slechts eenige schreden van de plaats vanBorellytroffen wij een rijtuig aan, dat ledig naar de stad reed, on zijn’ Heer aftehalen; want het was Zaturdag en dan gaan deMarseillanenook veel naar buiten. Hier mede kwamen wij voor een bagatel gemakkelijk teMarseille. Ik had reeds gezien, dat ’er in deze stad, eveneens als teParijs, een huis was, waar onderscheiden soorten van dobbelspelen in het openbaar gespeeld werden; hier zag ik evenwel genoegzaam niet anders dan zoogenaamde Heeren; maar dezen avond op de kaai wandelende,ging ik op het geluid van eenige violen in een huis aldaar, en vond ’er ook een dobbelspel voor de matrozen en zoogenaamde gemeene lieden; dit zag ik met nog meêr leedwezen dan het andere. Tevens vindt men hier een kroeg en danszaal, zoo als teAmsterdamin deJonker-ofRidderstraat, en dus allerlei soort van buitensporigheden bij elkander.
Hoewel gij het, zoo wel als ik, bij de geschiedschrijvers van dit land vinden kunt, wil ik echter, on u die moeite te sparen, een woordje zeggen van den oorsprong van deze oude stad. Men meent op goede gronden te moeten veronderstellen, dat een hoop uitgewekenePhocéensers, afstammelingen van deGrieken,MarseilleofMassiliæstichtte, het 154 jaar vanRome, het eerste jaar der 45Olympiade, of 599 jaren voor der Christenen tijdrekening; welhaast werd zij door den koophandel, den scheepsbouw en de visscherij aanzienelijk. De wetten van dit volk waren op steenen tafelen gegraveerd, en op de markten en openbare plaatsen ten toon gesteld. Onder dezelven is die tegen den zelfmoord opmerkelijk om hare zonderlingheid. Zij verbood aan de Burgers om hun leven te verkorten, zonder verlof van den Magistraat, die over de gegrondheid of ongegrondheid der redenen, waarom men wilde sterven, oordeelde, en dezelven billijkende, sap van dolle kervel, die men doorgaans in de openbare vergaderingen in gereedheid hield, aan den lijder liet drinken. Zij waren goede zeelieden, sterre- en aardrijkskundigen. 320 jaren voorChristusgeboorte, deed de vermaardePythéasal een aanmerkelijken zeetogt, stevenende door deStraat van Gibraltartot bijYsland. In het begin wasMarseilleeen vrij gemeenebest; het werd door haar Senaat bestuurd, en hield zich zoo een ruim tijdbestek staande; vervolgens werd zij aan deRomeinenonderworpen. De Medailles, die nog bestaan, toonen, dat de schoone kunsten ook inMarseillevrij ver gevorderd waren, vooral onder de Republikeinsche regering. Zij was toen een tweedeAthenenin bloei en welvaart; doch deze gelukkige toestand eindigde ook met het Republikeinsch bestuur, omtrent het einde der eerste eeuw van de Christen-Jaartelling. Daarna raakte zij onder de beheering van onderscheidene volkeren, die zich meester maakten vanProvence; werd vervolgens door heerschappen (Vicomtes) geregeerd3en kwam eindelijk bij testament vanCharles d’Anjou4in 1481 onder de regering vanLodewijkden XI. aan de kroon vanFrankrijk. In het begin van de omwenteling onderscheidden zich deMarseillanenbijzonder door hun Republikeinismus—de oude vrijheidszucht kwam weder boven—en wie kent niet deCarmagnole, waar van de wijs uit dat land herkomstig is, gelijkmede de zoo vermaardeMarseillaanschemarsch naar die vanMarseille, als behoorende tot de ijverigste Republikeinen, genaamd5.
De visschers hadden hier van 1431 af een regtbank, bestaande uit vier mannen, die zij onder hen kozen, en die in alle geschillen aangaande de visscherij regtspraken; zij werdenPrud’hommesgenaamd; of die regtbank nog heden bestaat, heb ik verzuimd te onderzoeken.
De bevolking vanMarseille, die van de omliggende landstreek ’er onder gerekend, wordt op 85 à 90,000 begroot. Het is ’er vrij gezond, en de zeewinden vooral demistral’s, dienen zeer veel, om de zomerhitte te temperen. De winter is ’er aangenamer dan het begin van de lente, wanneer het veelal ruw en nat weder is; doorgaans vriest het hier zeer weinig. ’Er wordt om de stad nog al wat wijn geteeld, die meest in dezelve gebruikt wordt. De vijgen vanMarseillezijn bij uitstek beroemd, en worden ook veel in de zon gedroogd en verzonden.
Den 19 dezer een van onze reisgenooten zich kleedende, voelde iets in zijn mouw, dat hem jeukteen werd, daarop wrijvende, gestoken door een dier, dat vervolgens op den grond viel; mij ’er bij geroepen hebbende, erkende ik het insekt terstond voor een Schorpioen; het was met staart en al omtrent een duim breed en lang. Op het wondje werd schorpioen gelegd, die men in het logement in huis had; want men had ze daar beneden aan de put, wel eens meêr gevonden, doch boven, daar wij onze kamers hadden, nimmer. Denkelijk was dat dier den vorigen dag, toen wij de grot gingen bezigtigen, en tegen de rotsen opklommen, of op den grond kropen, in de kleederen gekomen. De beet had geen gevolgen, en de Schorpioen werd verpletterd en in olij gelegd om bij volgende gelegenheden te dienen; doch naar ik vernam, zijn die dieren hier niet zeer vergiftig.
Ik kogt hier eenige tooneelstukken in de landtaalpatoisoflangue provencale, zijnde zamengesteld uitCeltische,Grieksche,Latijnsche,Fransche,Italiaansche,Spaanscheen zelfsHoogduitschewoorden. Zie hier een paar spreekwoorden in die taal:
”De la fillo et de la figuiere,Fau pas veire la jarretiero.”
”De la fillo et de la figuiere,Fau pas veire la jarretiero.”
”De la fillo et de la figuiere,
Fau pas veire la jarretiero.”
Dat is: van een jong meisje en een ouden vijgenboom, moet men de kousseband niet zien; omdat men den vijgenboom zeer kort moet houden, zoo dat de takken naar de aarde buigende, een groot deel van de stam bedekken. ”Quu san trevo, san deren.” Die met wijze omgaat wordt wijs.
Aix.Aix.
Aix.
’s Namiddags om een uur vertrokken wij met den postwagen op hier, hebbende onze plaatsen reeds eenige dagen te voren besproken gehad. Wij hadden vrij goed gezelschap, en kwamen omstreeks zes uren teAix, waar wij afstapten aan het Hotèldes Princes, op deCoursof algemeene wandeling, bij het inkomen van dezelve. Het onaangename van de reis naarMarseille,Toulon, enz. was, dat wij totAixtoe langs denzelfden weg weder terug moesten komen, althans met de openbare rijtuigen. Ik haastte mij, om deze stad, die nog al bezienswaardig is, in oogenschijn te nemen. Op eene groote plaats zag ik de fondamenten en het muurwerk, even boven den grond, van een gebouw, dat men scheen begonnen te hebben, en vernam, dat men voornemens was hier het Regterlijk Paleis (Palais de Justice), en daar bij behoorende gevangenissen te bouwen; doch dat de omwenteling het voltooijen daar van belet had; volgens de beginselen te oordeelen, moest het een groot en schoon gebouw worden. Op een andere plaats zag ik een verhevenObeliscusmet een arend ’er boven op; doch het is modern werk; bij de schrijvers, die ik over deze stad heb nagezien, vind ik ’er hoegenaamd geene melding van gemaakt. De Hoofdkerk is een groot Gothisch gebouw; in dezelve staat eene doopvont, waarvan de koepel door acht groote Corinthische kolommen, die in een’ Heidenschen tempel, naar men veronderstelt, gediend hebben, wordt ondersteund. Men heeft daar omstreeks meer oudheden gevonden, waaruit men gemeendheeft te moeten opmaken, dat ’er een tempel, aan de Zon ofApollogewijd, gestaan heeft. In het koor zijn twee orgels over elkanderen, en genoegzaam even eens; digt bij den grooten ingang van deze Kerk, is een der stadspoorten; ik ging ’er uit, en zag aan mijn regterhand een gedenkteeken; boven op stond de beeldtenis van een eerwaardig man, een stenen tafel in de hand hebbende, waar op men leest:Aimez Dieu et le prochain; en lager, twee beelden in eene eerbiedige of biddende houding. Uit het opschrift zag ik wel, dat het aan de Municipaliteit enz. vanAixscheen toegewijd; maar niet door wie of bij welke gelegenheid; doch vernam, dat eenCharles Sec, bemiddeld metselaar dezer Stad, het gebouwd had in 1792, en ’er naderhand onder begraven is geworden; dit was al wat men ’er mij van zeggen kon. Men vindt teAixgnappe straten en huizen, en over het geheel heeft deze stad een zeer goed aanzien, ’t Is jammer, dat het Stadhuis, dat een fraai en ruim gebouw schijnt, genoegzaam achter de huizen verscholen is, en niet op een ruim plein staat. De wandelingen om de stad kwamen mij ook regt aangenaam voor, en ik zag ’er veel zware ijpeboomen. Het land rondom levert ook veel olijf-olij op, die den voornamen tak van koophandel der inwoners vanAixuitmaakt. Die olij wordt voor zeer fijn en lekker gehouden en is algemeen beroemd. De soort, die menhuile vierge6noemt, omdat ze, zoo ik meen, de eerste is, die uit de olijven geperst wordt, is, naar men zegt, het meeste gezocht. De gemeene wandeling, die gij op de afteekening ziet, en die men hier behalve de gewone benaming in deze landstreek,le Cours, ookOrbitellenoemt, beviel mij ook bijzonder, zoo als gij kunt begrijpen; aan beide zijden staan aanzienelijke gebouwen, en in het midden van de dreef drie altijd springende fonteinen, waar van de middelste warm water geeft; het is zeer helder; en heeft denzelfden smaak als gewoon bron- of rivierwater; boven aan de pijp, waar door het uit de fontein komt, is het tamelijk warm, doch onder in de kom slechts laauw. Deze bron werd in 1704 door eenige arbeiders, bezig zijnde met een vervallen huis, aan het eind van de voorstaddes Gordeliersaf te breken, wedergevonden; want zij was reeds bekend geweest bij deRomeinen, zoo als men tegelijkertijd uit de oudheden, die men ’er verder voortgravende vond, ontdekte7. De ouden schenen ’er een geneeskundig gebruik van te maken, en men schrijft ’er nog eenige kracht aan toe. De regering heeft daar voor dan ook groote en fraaije badhuizen laten bouwen, doch naar ik vernam werden zij weinig anders dan als gewone baden (bains domestiques) gebruikt. Voor de omwenteling had hier op HeiligenSacramentsdag eene zonderlingeproçessieplaats, waarin onder anderen verscheidene menschen in eene misselijke kleeding gedrochtelijk toegetakeld, moetende duivels verbeelden, verschenen, en vele kromme sprongen langs de straat maakten: men noemde dit in hetpatois Provencal: lou grand juec deïs diables; dat is: Het groote spel der duivelen; enlou pichoun juec deïs diables, het kleine spel der duivelen; en deze duivelen gingen, let wel, in de Hoofdkerk de mis horen, maakten het teeken van het kruis, en namen wijwater.—Wat heeft men den Godsdienst niet met allerlei beuzelarijen en afzigtelijke ongerijmdheden overladen!!
De vermaarde kruidkundige JosephPitton De Tournefortwerd hier den 5 Junij 1656 geboren, en stierf den 28 December 1708. Hij bezocht ook, zoo wel alsLinnæus, ons Vaderland.
Het Hotèldes Princes, hoewel een grootenaanzienelijk gebouw, is het beste niet, en wij moesten ’er evenwel rijkelijk voor het avondeten en slapen betalen.
Men begroot het getal der inwoners vanAixop omtrent 20,000; nu de stad is ook niet groot, en het scheen ’er mij nog al levendig, vooral op deCours, waar een menigte menschen wandelde. ’Er stonden ook eenige kramers, en een blinde, die vrij goedProvencaleliedjes zong, deed de omstanders ter deeg lagchen; het speet mij wel, dat ik bijna niets van zijne aardigheden verstond, Deze stad scheen mij, vooral voor die genen, welke op deCourswonen, de stedelijke en landelijke vermaken te vereenigen; slechts eenige treden en men is buiten, en dat vind ik, als men dan toch in een stad moet wonen, al zeer aangenaam.
Den 20 dezer, ’s morgens om twee uren, vertrokken wij vanAix, en namen denzelfden weg, dien ik gekomen was totOrgon. Hier kwamen wij omstreeks 9 uren, en hadden ’er een vrij goed ontbijt, waar onder schapenvleesch, dat ik maar zeldzaam zoo goed gegeten heb; de wijn, voor wijn van dit land, was voor mij ook nog al drinkbaar. In plaats van nu den weg te nemen naarAvignon, namen wij die vanSt. Remy. Even buitenOrgonaan de regterhand, zagen wij een poort in een rots gemaakt, het was een waterleiding om deze landstreek te besproeijen, zijnde een arm van de rivierla Durance, waar ik u reeds van gesproken heb. Men verzekerde mij, dat het gat in de rots gemaakt, omtrent 300toises(1800 voeten) lang is.Het werdle Canal de Boiselingenaamd, en was nog niet geheel voltooid. De landstreek werd nu minder rotsachtig, vruchtbaarder en bevalliger. Wij reden door het dorpSt. Remy, twee posten vanOrgon, en hadden hetzelve reeds een goed eind weegs achter den rug, toen men mij herinnerde, dat daar digt bij eenige overblijfsels van oudheden, zoo als van een zegeboog ter eere vanNero Claudius Drusus, zoo men meent, en van een praalgraf, ook door deRomeinenopgerigt, te zien waren. Dit verzuim speet mij zeer, doch ik kon nietweder terug keeren; vooral ook, omdat ’er onder onze reizigers waren, die grooten haast schenen te hebben. Bij een plaatsje dat menl’Oradenoemt, zag ik eene zeer aangenaame buitenplaats, door een klein riviertje besproeid, en digt beplant; het hout stond ’er zeer tierig, en maakte een bevallig lommer; dit valt bijzonder in het oog, als men eenigen tijd in de schrale en steenachtige landstreek vanMarseilleheeft doorgebragt. Hier groeiden langs den weg vele van die planten, die men bij ons in sommige tuinen wel aangekweekt, en spring-komkommers noemt; omdat, als men ze rijp zijnde afplukt, ’er een straaltje vocht uitspringt.l’Oradeis nog 3/4 uurs vanTarascon, eene zeer oude stad, twee posten vanSt. Remy, en dus in ’t geheel 14 posten vanMarseille. Voorheen behoorde zij totla Basse Provence, thans tot het Departementles bouches du Rhone. Welk eene menigte kleine windmolens ziet men hier aan den weg, digt bij de stad. Ook wordt hier omstreeks nog al wat koren geteeld; onder weg had ik boeren gezien, die, bezig waren met het graan te zuiveren, niet met een wan- of kafmolen, maar door het, met een schop, in de hoogte te werpen terwijl het redelijk woei. Op die wijze stoof dan het kaf weg. De poort aan dezen kant ziet ’er nog al wel uit, doch het stadje zelve scheen niet veel te beteekenen. Men wil datTarasconofTarasco, van eenGriekschwoord, dat verschrikken of bang maken beteekent, afkomstig is; ook plagt men hier in de Kerk een draak te vertoonen,Tarasquogeheeten,die volgens een oud sprookje zich in deRhoneophield, en veel schrik en verwoesting hier omstreeks aanrigtte; want hij leefde van menschenvleesch, en was een toovenaar, die nog al een vrouw en kind had; men verhaalt ’er eene menigte allerbeuzelachtigste vertelseltjes van, die hier echter bij zeer velen voorevangeliewerden aangenomen, en misschien nog wel geloofd worden, want dereligiehad ’er, zoo het scheen, zijn zegel aangehecht, en wat gelooven de menschen dan al niet!—Althans opSt. Martha’sdagwerdt de beeldtenis van dien lelijken draak, plegtig inproçessiedoor de stad gedragen, om dat die sanctinne door hare gebeden dit monster ten onder gebragt had. Deze proçessie ging nog kort voor de omwenteling. Het Gasthuis (l’Hospital), dat men even buiten de stad ziet, is een aanzienelijk gebouw. De vrouwen hebben hier een bijzonder hoofdtooisel, bestaande in een gekleurde gazen doek, die zij over hun muts doen, zoo dat de rand daar van haar op het voorhoofd en om het aangezigt hangt, zoo als de kanten, die de vrouwen elders aan hare mutsen hebben. De menschen zien ’er hier vrij gnap en gezond uit, ook wordt deze landstreek, die vrij vruchtbaar is, voor gezond gehouden. Aan den kant van deRhoneligt een groot en sterk kasteel; men meent, dat het door een der Graven vanProvencein de 15 eeuw gebouwd is; het maakt geen onaardige vertooning; en men moet ook van deterrassenop hetzelve een aangenaam gezigt hebben.VanTarascongaat men over een lange schipbrug, die over deRhoneligt, naarBeaucaire; thans ligt ’er bijna midden in de rivier een eiland, waar men een gestrate kade op gemaakt heeft, voorheen schijnt ’er dat niet geweest te zijn; want een oud spreekwoord zegt:Entre Beaucaire et Tarascon il ne pait ni vache ni mouton. Men gaat over dit eiland een eindje tot aan een tweede schipbrug, en daar over totBeaucaire. Op deze schipbruggen, waarop ook hier en daar banken staan, en die vooral bij de aangename zomeravonden, tot een gemeene wandeling verstrekken, heeft men een alleraangenaamst gezigt op de rivier, welke hier vrij breed is, en op de twee steden; men betaalt eensousvoor de passage, en die is vooral met de vermaarde kermis (foire) vanBeaucairezeer druk; zij was nog maar sinds omtrent 14 dagen geëindigd8, en wij zagen ’er de lootsen nog staan. Voorheen was deze kermis of jaarmarkt in de stad, doch van tijd tot tijd toenemende, was men reeds voor vele jaren verpligt, om dezelve op het open veld, buiten de stad, langs deRhone, onder tenten te houden; thans slaat mendaar, zoo wel om de kooplieden te herbergen, als om de goederen te plaatsen, lootsen op. Volgens het groot aantal, dat wij ’er zagen, moet deze jaarmarkt al zeer aanmerkelijk wezen; het gelijkt een gansche stad met houten huizen. De koophandel, die hier dan gedreven wordt, is zeer belangrijk, en men zegt, dat ’er verscheidene millioenen omgaan; ook komen ’er niet alleen kooplieden uit de voornaamste plaatsen van het zuidelijk deel vanEuropa, maar zelfsTurken,Arméniërs,Marokkanen, enz. en men vindt ’er allerlei soorten van goederen en koopmanswaren. Men heeft ’er dan ook eenige openbare vermaken, en de dobbelspeelders laten niet na, om op de beursen der kooplieden te komen azen. Dit jaar had ’er de sterke en aanhoudende regen veel schade aan toegebragt. In 1721 en 1722, toen de pest in deze landstreek heerschte, is deze kermis twee jaren opgeschort geweest; anders schijnt zij in alle tijden en omstandigheden geregeld plaats te hebben gehad; enla foire de Beaucaire, is niet minder beroemd inFrankrijk,Spanje,Italië,Zwitserlandenz. dan inDuitschland, en het noordelijk deel vanEuropa, deFrankforterenLeipsigermissen. De gelegenheid van deze stad aan deRhone, niet ver van deMiddellandsche Zee, gaf zeker aanleiding tot die aanmerkelijke markt. Men kan echter de goederen niet dan met groote kosten de rivier opvoeren, en het vervoeren moest grootendeels per as geschieden; doch men is sedert eenigen tijd bezig, om eene vaart te graven, die deRhonebij deze stad, met het kanaal vanLanguedocmoet vereenigen, en dit zal den handel van dezelve een zeer groot voordeel toebrengen. Men wees mij de plaats aan, waar die vaart in deRhonemoet uitloopen; ’er werd zeer druk aan gewerkt, omdat men wil, dat dit nuttige ontwerp binnen weinig tijd zal volvoerd worden. Buiten de kermis is het hier doodsch en naar. Voorheen was dit stadje het verblijf van denIntendantvanLanguedoc, waar onder het behoorde; wij reden voorbij het Hotèl, dat hij bewoond had, doch dat zag ’er ook al niet zeer voordeelig uit; thans wordt dit gedeelte van die Provincie, het Departementdu Gardgenaamd. Het is inderdaad te verwonderen, dat deze, naar het schijnt, voor den handel zoo wel gelegen plaats, geen welvarender voorkomen heeft; ik zag ’er geen een aanzienelijk gebouw, zelfs vindt men ’er, zoo als ik vernam, naauwelijks goede herbergen; trouwens buiten de kermis is ’er ook weinig vertier, zoo dat de inwoners grootendeels het gansche jaar leven van het geen zij, gedurende die weinige dagen, opzamelen. Aan de andere zijde, buiten de stad ziet men een uitgestrekt bosch van olijfboomen. Hier omstreeks ontdekte men in 1734 een gedeelte van den grooten weg door deRomeinengemaakt, en die zich vanRometot de uiterste grenzen vanSpanjeuitstrekte, zoo als uit de mijlpalen en opschriften, die men hier vond, blijkt. Die weg wordt bij deFranscheGeschiedschrijversla Voie Auréliennegenaamd. Vervolgens ziet men vanverre aan de linkerhand de oude stadArles, voorheen plagt de postwagenMarseillenaarNismesdaar door te rijden; doch sedert eenigen tijd is dat veranderd. TeArleszijn ook nog eenige overblijfsels vanRomeinscheoudheden, en onder anderen een fraaijeObeliscuste zien. De weg is hier vrij gelijk, en de grond schijnt tamelijk vruchtbaar te zijn. Hier ziet men velden met wijngaarden beplant, zoo ver het oog reiken kan; wat verder zag ik met vijf muilezels ploegen. TeBeaucairewas ’er iemand op den wagen gekomen, die, naar wij vernamen, een voornaam bankier was; hij toonde zeer wel zijn verstand te hebben, doch tevens een hevige Roijalist te zijn, ook verhaalde hij ons, dat de oorlog vanRuslandenZwedentegen Frankrijk onvermijdelijk, en de dood van den Hertog vanEnghiendaar de oorzaak van was, razende en tierende vervolgens in eenen adem tegenBonaparte, de Jakobijnen, de Filosofen, de Romans, en zelfs tegen den Paus, en toen wij hem onder het oog bragten, dat KeizerNapoléontoch veel deed, waar over hij zeer te vreden behoorde te zijn, zoo als het herstellen der openbare wegen, het doen graven van vaarten enz. durfde hij wel antwoorden: “en waarom doet hij dat anders, als omdat hij wel weet, dat men geen vliegen met azijn vangt; en wat heeftLodewijkden XIV. niet gedaan?”—Iemand antwoordde hem, dat door de groote ondernemingen van dien Vorst, de schatkist vanFrankrijkook een’ krak had gekregen, die men helaas! nog maar al te wel voelde;“en denkt gij,” zeide onze bankier, “datBonapartehet uit zijn eigen beurs betaalt. Men heeft reeds twee derde van onze fondsen geschrapt, wie weet wat ’er van dat overgebleven derde nog wordt?” Denk eens, Vriend! zoo veroorloven zich sommigeFranschenover hun’ Monarch, en over hetpubliek crediet, in het openbaar, en in bijzijn van vreemdelingen, te spreken. Wij waren nog een’ goeden afstand vanNismes, toen wij reeds op een hoogte deTour magnezagen. ’t Was ruim zeven uren, toen wij in die stad aankwamen. VanTarascontot hier is 3¼ post. Wij stapten af aan het Hotèldu Louvre, waar de postwagen ook ophoudt. Terwijl het heldere maneschijn was, ging ik nog dien zelfden avond het beroemdeAmphithéateruitwendig bekijken—welk een groot en trotsch gebouw! Op deCours, die op een terras hier digt bij is, wandelde veel volk; de avondstond was ook regt aangenaam.
1De landlieden hier omstreeks vertellen een menigte spook- en tooversprookjes van deze grot; er zou onder anderen een vreesselijke reus,Rollandgeheeten, in gewoond hebben, van hier den naam vanBeaume, dat is grot vanRolland. Dit intusschen schijnt zeker, dat een Priester genaamdl’AbbéGéoffrédieenige eeuwen geleden, teMarseilleis verbrand geworden, om dat men hemvoor een’ toovenaar of heksenmeester hield, daar hij dikwijls deze spelonk ging bezoeken, waarschijnlijk om eenig natuurkundig onderzoek, of physische proeven te doen, terwijl hij misschien minder dom en bijgeloovig was dan de meeste zijner ambtgenoten, en daarom door hun benijd en vervolgd werd.2Het huis vanBorellywordt voor het voornaamste en rijkste huis vannegotievanMarseillegehouden; zij zijn door den koophandel rijk geworden.3Ter dier tijd, en vooral onder deVicomteBaral, deden deTroubadours(oude provincale Dichters) de Dicht- en Letterkunde teMarseilleen daar omstreeks herleven.4Comte du Maine et dernier comte de Provence.5De woorden zijn vanRouget de l’Isle, neef van den ongelukkigenBailly, en de muzijk vanGossec. SedertTyrtæusis ’er, voor zoo ver mij bekend is, geen oorlogslied gemaakt, dat zoo veel geestdrift veroorzaakt, en de moed meêr opgewekt heeft dan deMarseillaanschemarsch. Dit lied wordt niet meêr gezongen, en geen der heeft tot noch toe zijne plaats bekleed.6Maagden-olij.7Uit de opschriften en gedenkpenningen, die men daar onder anderen vond, bleek het dat de baden vanSextiushier ter plaatse geweest waren.8Men noemt zela foire de la Magdelaine, om dat zij den 22 julij, dat is,St. Magdalenasdag, begint; sedert 1217 was zij vrij van alle regten, maar in 1632 heeft men die vrijheid besnoeid. Zij plagt zes dagen te duren, thans wordt die tijd al wat verlengd, naar men mij verhaalde. De oorsprong van deze kermis schijnt niet bekend; doch het blijkt, dat zij zeer oud is.
1De landlieden hier omstreeks vertellen een menigte spook- en tooversprookjes van deze grot; er zou onder anderen een vreesselijke reus,Rollandgeheeten, in gewoond hebben, van hier den naam vanBeaume, dat is grot vanRolland. Dit intusschen schijnt zeker, dat een Priester genaamdl’AbbéGéoffrédieenige eeuwen geleden, teMarseilleis verbrand geworden, om dat men hemvoor een’ toovenaar of heksenmeester hield, daar hij dikwijls deze spelonk ging bezoeken, waarschijnlijk om eenig natuurkundig onderzoek, of physische proeven te doen, terwijl hij misschien minder dom en bijgeloovig was dan de meeste zijner ambtgenoten, en daarom door hun benijd en vervolgd werd.
2Het huis vanBorellywordt voor het voornaamste en rijkste huis vannegotievanMarseillegehouden; zij zijn door den koophandel rijk geworden.
3Ter dier tijd, en vooral onder deVicomteBaral, deden deTroubadours(oude provincale Dichters) de Dicht- en Letterkunde teMarseilleen daar omstreeks herleven.
4Comte du Maine et dernier comte de Provence.
5De woorden zijn vanRouget de l’Isle, neef van den ongelukkigenBailly, en de muzijk vanGossec. SedertTyrtæusis ’er, voor zoo ver mij bekend is, geen oorlogslied gemaakt, dat zoo veel geestdrift veroorzaakt, en de moed meêr opgewekt heeft dan deMarseillaanschemarsch. Dit lied wordt niet meêr gezongen, en geen der heeft tot noch toe zijne plaats bekleed.
6Maagden-olij.
7Uit de opschriften en gedenkpenningen, die men daar onder anderen vond, bleek het dat de baden vanSextiushier ter plaatse geweest waren.
8Men noemt zela foire de la Magdelaine, om dat zij den 22 julij, dat is,St. Magdalenasdag, begint; sedert 1217 was zij vrij van alle regten, maar in 1632 heeft men die vrijheid besnoeid. Zij plagt zes dagen te duren, thans wordt die tijd al wat verlengd, naar men mij verhaalde. De oorsprong van deze kermis schijnt niet bekend; doch het blijkt, dat zij zeer oud is.
Dertiende Brief.Nismes, 23 Augustus.Den 21 dezer, na mij van eene korte geschiedkundige beschrijving van de zoo merkwaardige oudheden, die men hier bij de Boekverkoopers vindt,voorzien te hebben, ging ik dezelve bezigtigen. Sedert de omwenteling heeft men verscheidene huizen, die om en in het Amphithéater stonden, en dat schoone gedenkteeken der oudheid ontluisterden, doen wegbreken; zoodat men het nu van rondom vrij goed zien kan; eenige woningen, die ’er nog binnen in staan, moeten, naar men mij verzekerde, binnen een’ zekeren tijd weggebroken worden. Het is wel jammer, dat de regering dezer stad voorheen heeft toegelaten, dat men in en tegen ditRomeinscheworstelperk bouwde, en hetzelve daar door beschadigde; wegnemende, dat in den weg stond, of het geen men voor bouwstof kon gebruiken, ondertusschen heeft dit verbazend stuk werks, niettegenstaande deze verwaarlozing en de onderscheidene oorlogen en verwoestingen, die hier in vroegere eeuwen al hadden plaats gehad, nog niet zeer veel geleden, en is ten minste uitwendig genoegzaam in zijn geheel gebleven. Men meent als zeker te mogen veronderstellen, dat het door KeizerAntoninus Pius, die van het jaar 138 tot 161, der Christelijke jaartelling regeerde, en teNismesgeboren zou zijn, gebouwd is. Het is eirond, en heeft een omtrek van 190toises, of 1140 geometrische voeten buitenwerks, en is omtrent 11toisesof 66 voeten hoog; rondom is het met boogsgewijze poorten op denzelfden afstand van elkanderen regelmatig gebouwd. Zestig zijn ’er beneden, die voor ingangen dienden, en even zoo veel boven dezelve, doch deze zijn niet zoo hoog. Ik zal u hier van zoowel als van de overige voorname oudheden, die men hier vindt, de platen toezenden, die ik hier gekocht en ’er mede vergeleken heb, en die ’er u een duidelijk denkbeeld van zullen geven. De opziender, die in een der poorten woont, laat het voor een fooitje van binnen en boven op zien; ik klom ’er dan in, en doorliep een gedeelte van de binnenste galerij; want een groot deel daar van is nog bewoond. De wijze, waarop het gebouwd is, is zeer merkwaardig; het zijn ontzaggelijk groote stukken steen, zonder eenige kalk of çement op en in elkanderen gevoegd, en door ijzeren krammen in lood, bevestigd; doch de meeste dier krammen zijn ’er al uit. Het blijkt dat zij van buiten eerst werden gefatsoeneerd, en met kolommen enz. versierd, na dat zij geplaatst waren; want aan den eenen kant is dat werk nog maar ruw gehouwen, en de fijne bijtel ontbreekt ’er aan. ’t Is verwonderlijk, hoe men zulke groote brokken steen, niet alleen uit de steengroeven heeft kunnen krijgen, maar hoe men ze op elkanderen tot zulk eene aanmerkelijke hoogte heeft kunnen stapelen. Boven op, dat deAtticusgenoemd wordt, heeft men een zeer schoon gezigt op de stad, en de landstreek rondom, en hier ziet men de steenen zitbanken, waarop de aanschouwers plegen te zitten, en van waar men in het middelperk (Arena) alwaar de worstelaars tegen elkanderen, of tegen wilde dieren vochten, kan zien. Oorspronkelijk waren ’er 32 zulke zitbanken, trapsgewijze van boven tot beneden afloopende, rondomin dit gebouw. Men ziet ’er aan eenen kant nog 17 van, op sommige plaatsen ziet men ’er maar twaalf, en op anderen niet meêr dan zes, de overige zijn verwoest. Deze overblijfsels zijn echter meêr dan genoegzaam om een volkomen denkbeeld van de zaak te geven, en die hetorigineelvan den stervendeGladiator, uit het Museum vanParijs, in zijn gedachten hier verplaatst, en rondom op de banken een menigteRomeinscheburgers en burgeressen, kan zich verbeelden van bij die woeste en wreede spelen tegenwoordig te zijn, en wordt daar bij een gevoel van afgrijzen en medelijden gewaar. Men berekent naar deze zitplaatsen, dat ’er omtrent 17,000 aanschouwers konden zitten. Rondom het gebouw ziet men uitstekende stukken steen, waarin ronde gaten; hier stak men palen in, on daar aan tenten (Velaria) vast te maken, ten einde de aanschouwers tegen den regen of zonneschijn te beschutten; doch deze tenten kwamen niet verder dan de zitplaatsen, en het midden bleef open. Misschien diende het ook somtijds voor een renperk te voet of op paarden, of ’er werden allerlei sprongen en diergelijke kunsten vertoond. En hoewel het eigenlijk voor een worstelperk was ingerigt, is het niet onwaarschijnelijk, dat ’er ook bijwijlen een Tooneel in opgerigt is geworden, waarop de Treurspelen vanSeneca, of de Blijspelen vanPlautusofTerentiusen anderen, werden gespeeld. Diergelijke vertoonplaatsen, die ’er voor worstelaars en voor Tooneelspelen dienden, waren onder deRomeinenniet onbekend, en dat vanCurio, waarvanPlinius,als van een wonder van pracht en kunst, melding maakt, bestond uit twee deelen van hout gemaakt, die op duimen of spillen draaijende zig van elkanderen afscheiden, om voor twee onderscheiden vertooningen te dienen, of zich vereenigden om één Amphithéater, in wiens midden het worstelperk was, uittemaken. Althans het is niet denkelijk, dat ’er in eene zoo aanmerkelijkeRomeinschevolksplanting alsNismes1, geen Toneelspelen in het openbaar zijn vertoond, en waar kon zulks beter geschieden dan in het Amphithéater, dewijl men geen blijken vindt, dat ’er hier nog een ander gebouw bestond, het welk daar voor bijzonder geschikt was.Amphitheater te Nismes.Amphitheater te Nismes.In de bouworde van dit Amphithéater heeft ’er, zoo als gij zien zult, weinig verscheidenheid plaats; ’er zijn vier hoofdingangen, tegen de vier winden, zij zijn verdeeld van 15 tot 15 poorten; die van het noorden heeft alleen eenige sieraden, boven denzelven is een soort van driekante kap, en daar onder ziet men de afbeeldingen van twee rundbeesten, ter halver lijf en met gebogen knieën; het verbeelden twee stieren, het gewoone zinnebeeld van deRomeinschevolkplantingen, zoo als men ook op de gedenkpenningen vindt. Ik kocht hier onder meer anderen een medaille, waarop men twee stieren of ossen, voor een ploeg gespannen, ziet. Deze munten waren in en om de stad, en eenige inhet Amphithéater bij het afbreken der huizen, dat onlangs plaats had gevonden. Nog ziet men hier en daar aan de buitenmuren van dat gebouw, eenige kleine afbeeldingen, als de Wolvin metRomulusenRemus, twee vechtendeGladiatorsmet dolk, schild en helm; en drie anderen beeldtenissen, zijnde onderscheidene afbeeldingen vanPriapusofPhallus, in misselijke en zonderlinge gedaantens. Men meent, dat dit zinnebeelden zijn van offeranden, aan den GodPriapusgedaan, en van de Hanen-gevechten ter zijner eere, somtijds in het Amphithéater gegeven; of wel, dat de bevolking en uitbreiding derColonievanNismesdaar door moest verbeeld worden.Tempel van C. Cæsar te Nismes.Tempel van C. Cæsar te Nismes.De breede straat, waar aan het Amphithéater aan den eenen kant uitkomt, doorgaande, ziet men aart het eind derzelve, ter regterhand, den fraaijen Tempel vanCajus Cæsar, dien deFranschenden zoo onbeduidenden naam vanMaison Carréehebben gegeven. Te regt is dit schoone gebouw, om zijn nette en bevallige bouworde, die zelfs den minstkundige in het oog moet loopen, beroemd; het wordt dan ook voor een der uitnemendste gedenkstukken, die de oudheid ons heeft nagelaten, gehouden. In ’t geheel is het 12toises(72 voeten) lang, en 6toisesof 36 voeten breed, en rondom versierd met 30 geribde Corinthische kolommen, en de kapiteelen van deze kolommen worden voor schier onnavolgbare meesterstukken gehouden; men gaat ’er in langs 12 trappen. De Afbeelding vertoont u hetzelve, zoo als menhet nog tegenwoordig ziet. Inwendig is ’er niets bijzonders; ten tijde vanLodewijkden XIV. maakte men ’er een Kerk of Kapel van, waar voor het dan ook tot de omwenteling toe gediend heeft. Van hier gaat men langs een fraaije gracht, aan den kant met boomen beplant, en die wel wat heeft van sommige grachten in onze Vaderlandsche Steden, naar de fontein, of liever bron; want wij verstaan gewoonlijk door het woord fontein een’ watersprong, en hier te land bedoelt men daarmede eene eenvoudige bron. Deze bron is aan het eind van een’ netten tuin, met regte laanen, bloemperken en hagen: men gaat daar door fraai gewerkte ijzeren hekken in, zoo dat zij veel gelijkt op eene ouderwetscheHollandschebuitenplaats. Deze tuin dient ook voor eene gemeene wandeling. Bij die bron, die aan den voet van eene rots opwelt, hadden de ouden hunne baden, als mede een’ tempel, welken naar de overblijfsels die men ’er nog van ziet, te oordeelen, een fraai en aanzienlijk gebouw moet geweest zijn. Men heeft het gedeelte, dat nog staande is gebleven, om het verder te bewaren, door een muur afgesloten; doch de opzigter van den tuin laat het vreemdelingen zien, en men geeft hem dan doorgaans een fooitje. Men noemt dezen tempel in ’t gemeen,Temple deDiane2; dan of hij inderdaad aan den dienst van deze, dan wel aan die van anderen Goden of Godinnen is gewijd geweest, hieroverzijn het de oudheidkundigen nog niet eens. De overblijfsels der baden, sedert eeuwen onder de puinhoopen bedolven zijnde, heeft men hieromstreeks gravende, weder gevonden, en omtrent het midden van de laatst afgeloopen eeuw ontbloot, zoo veel mogelijk hersteld, en ’er veele fraaije versierselen bij gebouwd. De kamertjes van de oude baden zijn voor een gedeelte nog zigtbaar; ook zijn ’er aan de bron nog overblijfsels van de oude trappen. Onder de puinhoopen van deze baden, werd in 1739 de romp en het hoofd van een fraai marmerbeeld, het welke men voor dat vanApolloerkende, gevonden. Dit beeld, benevens meêr andere oudheden, ziet men thans in den zoogenaamden tempel vanDiana. Eenige overblijfsels van steenen buizen, die inwendig met lood bekleed waren, en tot waterleidingen voor de baden dienden, kan men daar ook vinden. Aan het eind van dezen tuin, ziet men boven op de rots, aan wier voet de bron is, de overblijfsels van den ouden toren, die menla tour Magnenoemt, en die waarschijnlijk de grootste zijnde, van al de torens, die langs de muren van deze stad stonden, ten tijde van deRomeinenvoor een vuurbaak (Pharus) diende. Het brok, dat men ’er nog van ziet, is omtrent 80 voeten hoog, doch zeer beschadigd. Bij dezen toren ziet men ook nog de overblijfsels van de oude muren vanNismes, die 4640toisesomtrek hebbende, 6toiseshoog en 1 dik waren; op andere plaatsen ziet men ook nog overblijfsels van deze muren; men berekent, datNismestoen elf maal zoo groot moet geweest zijn, als tegenwoordig. Op deze hoogte heeft men een schoon en uitgestrekt gezigt. In het terug komen van dezen tuin, zag ik, op twee bijzondere plaatsen, vloeren, die met kleine steentjes (en Mosaïque) waren ingelegd; de eerste in een fabriek van gedrukte katoenen neusdoeken, voorheen de tuin van den Gouverneur, waar hij in 1785 ontdekt werd, is nog zeer wel bewaard, en door steentjes van onderscheidene kleuren, waarop een aardige teekening, gemaakt; de gedaante is vierkant; aan een’ van de hoeken ziet men eeneRomeinschegalei, aan een’ anderen twee visschen, aan een derden twee watervogels, en aan een vierden wederom twee visschen van een ander soort. Den anderen ingelegden vloer zag ik in een slechts weinige trappen diepen kelder in een burgerhuis,rue de la calandre Anglaise, aan het eind van 1766 ontdekt; deze bestaat minder in zijn geheel, is ook minder gekleurd en eenvoudiger van teekening, zijnde in het midden met vierkante ruitjes, zoo als men bij ons wel op het tafelgoed ziet. Het water in de gracht, langs welke men naar de bron enz. gaat, komt alleen uit de bron op, en kan somtijds vrij hoog staan. Aan het eind van de gracht is eene fraaije kom gemaakt voor de waschvrouwen, doch zoodanig, dat het zeepwater zich niet met het zuivere vermengt. Over den tempel vanCajus Cæsarheeft men een’ nieuwen Schouwburg gebouwd; de voorgevel (facade) die met een fraaijecolonnademoet pronken, is nog niet voltooid;doch in de zaal moet reeds den aanstaanden winter gespeeld worden. Alle deze oudheden van hetAmphithéateraf tot deTour magne, liggen in eenen weg, en men kan dezelven genoegzaam in een halven dag zien. Men heeft hier, zoo wel als teMarseille, meestal pannen daken, doch zij hebben eenigzins eene andere gedaante, dan bij ons. Bijna overal ziet men de menschen hier in de zijde bezig, dat het voorname bedrijf is: men heeft ’er ook veel zijden-kousenwevers; doch men acht de kousen zoo goed niet, als die vanGange Lion, enz. Het getal der inwoners wordt op ruim 45,000 begroot, waar van wel een derde Protestanten zijn. Deze stad heeft dan ook veel door de religie-oorlogen geleden, en ..... doch in plaats van deze oude wonden weder te ontblooten, verhaal ik u hier liever een trek van edele grootheid en menschenliefde. Ten tijde van denSt. Bartelsmoord, was eenVillarsteNismesconsul, en ontving van wegenKarelden IX., hoogst afgrijsselijker gedachtenis, bevel, om in zijn stad, het voorbeeld vanParijste volgen—enVillarsdurfde (ô zeldzame deugd onder regenten, van een’ machtigen dwingeland afhankelijk!) dit wreede bevel ter zijde leggen, en deed, in plaats van ’er aan te gehoorzamen, de voornaamste van beide de geloofsgenootschappen bijeenkomen, en in zijn bijzijn zweren, dat zij zich onderling zouden beminnen, als broeders leven, elkanderen trachten te verlichten en in vrede hunne onderscheidene Godsdiensten uitoefenen. Zij zwoeren,omhelsden elkanderen, en hielden woord. Het Hof durfde niets zeggen, en de gansche stad werd behouden, door eenen edelen menschenvriend.—En ik vond geen gedenkteeken ter gedachtenis van dien goedenVillarsin deze stad.—Nu ... is hij bij vele menschen vergeten, hij is het voorzeker niet bij de regtvaardige Almagt.Behalve de oudheden is ’er aan de stad niet veel bijzonders te zien, en ’er zijn nog vele naauwe en kromme straten3, die eene misselijke tegenstrijdigheid opleveren, met een paar anderen, die in later tijd zijn aangelegd, en in het oog loopen door de ongemeene breedte. Het is hier thans zeer warm, doch men zeide mij, dat het weder ’er verbaasd ongestadig kan zijn, het geen men aan de zeewinden toeschrijft; ook heeft men in den zomer nevel- of mistluchten, die in ’t geheel niet gezond zijn, en wel eens zinkens en verkoudheden veroorzaken. Vele vreemdelingen, hier door afgeschrikt, haasten zich dan ook, om van hier, na dat zij de merkwaardigheden gezien hadden, weg te komen; ik voor mij geloof, dat men het, zoo als gewoonlijk,erger maakt dan het in der daad is; hoewel ik tevens moet bekennen, dat ’er de menschen, vooral het zoogenaamde gemeene volk, over het algemeen niet zeer gezond uitziet; maar het komt mij voor, dat men dit meêr op rekening van het aanhoudend zitten, bij het werk in de fabrieken, en bijzonder aan het afhaspelen, spinnen, enz. van de zijde, dat men hiertiragesnoemt, moet toeschrijven.—Zoo offert de arme zijne gezondheid op aan de weelde en hoogmoed der rijken, en wat is zijn loon? een weinig geld, en veel verachting, daar immers vele dezer groote pralers, die al dikwijls minder waard zijn dan het kleed, waar zij insteken, den wever en zijn weefgetouw beiden, beschouwen als werktuigen, ten zijnen dienste geschikt, en den ongelukkige het zuure stuk brood dat hij hem op die wijze laat verdienen, nog wel als een weldaad of bijzonder gunstbewijs aanrekenen.—Menschen! menschen! wanneer zult gij door meêr de eenvoudige natuur te naderen, en alzoo ook meêr aan uwe wezenlijke bestemming te voldoen, zoo vele schadelijke dingen, die gij tot een behoefte gemaakt hebt, afschaffen! Dit is het ware middel om vrijer, onafhankelijker, en dus wezenlijk gelukkiger te worden.—Want dezulken, die ’er zoo sterk voor zijn, om hen, die zij het gemeen gelieven te noemen, altijd zoo gemeen te laten, als maar eenigzins mogelijk is; en zich doorgaans behelpen met te zeggen: “die soort van volk is daar aan gewoon;” zullen mij toch wel goedgunstig gelieven toetestaan,dat gezondheid geen ingebeeld geluk, en ongezondheid eene alleronaangenaamste zaak is.Het geen ik bijzonder hinderlijk vind in deze streek, is de sterke stof, die daarbij zeer fijn is, en schier overal indringt; zoodat ’er van de vijf zinnen vier zeer merkbaar door lijden. De mannen dragen hier dan ook veel vrij groote grijze hoeden, van onderen groen, en geele schoenen, welke laatste ik ook al veel teMarseilleen aan die kanten gezien had.De levensmiddelen schijnen teNismesnog al overvloedig en matig in prijs te zijn, althans de markten vond ik wel voorzien; men vindt ’er bijna dezelfde spijzen als teMarseille; onze tafel was hier juist wel niet met zoo veel orde aangerigt, en wij hadden ’er misschien ook wel een paar lekkere schotels minder op, dan daar; maar hier betaalt men ook een 1/3 minder, en dat lijkt een’ reiziger zoo als mij, die het niet om te eten of te drinken, maar om te zien en te leeren te doen is.Na den middag zag ik verder, de stad doorwandelende, op sommige plaatsen onderscheidene oudheden, en sommige langs de straten in de muren van de huizen gemetseld. De arenden, waarvan men ’er verscheide ziet, zijn genoegzaam levensgroot van wit marmer, keurig gewerkt, hebbende een festoen loofwerk in den bek gehad, want de koppen zijn van alle afgeslagen; en in dit, zoo wel als in andere opzigten, zijn zij elkander gelijk, zoodat, als men ’er een gezien heeft, heeft men zealle gezien; zij hebben waarschijnlijk gediend tot sieraad van hetzelfde gebouw, en zijn onder de puinhoopen van het oudeNemausus(Nismes) gevonden. Op de plaats van het Stadhuis ziet men ook zoo een arend. Dat gebouw is ook bezienswaardig; maar het geen ik vreemd vond, is, dat ’er boven in een groote zaal verscheidene opgevulde krokodillen, waar onder die al vrij groot waren, aan den zolder hingen, omdat zulk een dier tot het wapen van de stad behoort4. Onder sommige derzelve leest men, wie ’er de gevers van zijn. Ter plaatse waar thans de Hoofdkerk, een oud Gothisch gebouw, staat, meent men dat voorheen een tempel stond, aan KeizerAugustusgewijd; want men had, zoo als gij weet, dien Vorst in den rang der Goden of Halve-Goden geplaatst5. Deze meening is gegrondop de oudheden, die men hier gevonden heeft. Men was druk bezig met deze Kerk optemaken, en ’er werden schoone marmeren platen en diergelijke versierselen toe gebruikt. Ik zag ’er ook in een Kapel, aan de regterhand, als men de groote deur inkomt, een fraai, doch eenvoudig gedenkteeken van wit marmer, en las op hetzelve:Ci gitF. J. de Pierre de BernisCardinal-Evêque de laS. E. R. &mort à Rome le 1 Novembre 1794, deposé dans cet eglise par les soins de ses neveux l’an IX.R. J. P. (Requiescat in pace)—en ik herhaal dezen wensch, dat hij in vrede ruste!—want hij was een menschenvriend, een beminnaar en beoefenaar der schoone wetenschappen, door zijne vrienden geacht, en vooral in zijn Aartsbisdom als een redelijk en weldadig man algemeen geliefd en als een vader geëerd. De rivierle Tarn, die door die landstreek loopt, had door eene overstrooming vreesselijke verwoestingen, in een gedeelte van hetzelve aangerigt; de ellende der landlieden was groot—en wie troostte hen, wie kwam hun in deze akelige toestand zoo krachtdadig te hulp?—wie anders dan de goedede Bernis6. Dit geval was mijbekend7, en ik zag dan ook met veel genoegen dezetombe. Zij bestaat in een verheven graf (sarcophage)waarop een kussen fraai van marmer gewerkt, en daarom een vergulde rand en kwasten; boven hetzelve aan het gewelf van de Kapel hangt de roode Kardinaalshoed, met de daar aan behoorende strikken en kwasten. Voor de Kapel is een eenvoudig ijzeren hek, anders zag ik in deze Kerk niets bijzonders; doch ik ontmoette ’er denzelfden Monnik, dien ik tusschenMarseilleenToulongezien had; ik sprak hem aan, en vragende, waar hij van daan was, vernam ik, dat hij in een Klooster in deze landstreek had gewoond, en behoorde tot de orderde la Merci, dat is, om de Christen-slaven vrij te koopen, doch dit ging zoo ver, als het voeten had. De man was oud en arm, ik was hem dus een aalmoes schuldig, die ik hem dan ook in de hand stopte.—Waarom laat men, dacht ik, in plaats van zoo een mensch hier te laten rondzwerven, hem niet liever zijn Monnikspak, dat ’er zeer smerig en versleten uitzag, uittrekken, bezorgende hem vervolgens in een oude Mannen- of Gasthuis, on daar zijne dagen te eindigen.De gewoonte is, zoo wel hier als elders inFrankrijk,om vooral met de warmte bier in de Koffijhuizen te drinken; doch ik vond, dat het hier en hier omstreeks eenen onaangenamen bitteren smaak had, en vernam dat men ’er palm in plaats van hop bij deed, omdat de brouwers het eerste genoegzaam om niet hebben, en het laatstgenoemde moeten betalen. ’t Is wel mogelijk, dat het niet ongezond is, maar het smaakt niet lekker.’s Avonds op de gemeene wandeling bij de bron, zag ik een’ man met een mantel en bef, en vernam, dat het een Protestantsch Predikant was. Dat geloofsgenootschap heeft hier twee publieke Kerken, voor de omwenteling aan Kloosters of diergelijke behoord hebbende; doch in een van dezelve word de dienst nog maar verricht, omdat de andere nog niet in gereedheid gebragt is.Voor 18 livres huurde ik een koets met twee paarden, (dat men te voren wel moet bedingen, anders krijgt men muilezels, die schier altijd stapvoets gaan) om den volgenden morgen naar de vermaardePont du Gardte rijden, welke brug drielieues du pays, dat is, wel drie uren gaans vanNismesis afgelegen.Pont du Gard.Pont du Gard.Den 22 dezer, ’s morgens om 7 uren reden wij naar dePont du Gard, langs een’ goeden en vrij aangenamen weg, waarvan ik u echter niets bijzonders heb te vertellen. Aan deBarrière, ruim een kwartier, voor dat men aan de brug komt, is een herberg, waar wij afstapten, om den voerman het barrière-geld te doen uitwinnen; en na wat ontbeten te hebben, wandelden wij op een hoogte langsde rivier deGardon, voorheenGardgenoemd, naar de brug; men heeft hier een allerliefst gezigt op en over de rivier, alwaar een dorpje schilderachtig gelegen is. Weldra ontdekte ik het overgebleven gedeelte van die stoute waterleiding, dat men slechtsPont du Gardnoemt. Wij stonden versteld over dit ontzaggelijk stuk werks, een der schoonste gedenkteekenen, dat ons van deRomeinschegrootheid is overgebleven. De afbeelding, die gij in een der platen, welke ik u beloofd heb, zien zult, is zeer naauwkeurig; ik behoef ’er u dus geene omstandige beschrijving van te geven, en het zal voldoende zijn, wanneer ik u zeg, dat de waterleiding, waar van de zoogenaamdePont du Gardeen deel uitmaakte, diende, om het water uit de twee bronnen, genaamdAiranenEure, tot in de stadNismeste geleiden; misschien was toen de bron in de stad nog niet ontdekt; de verste van deze twee bronnen ligt omtrent maar 3½, en de andere maar 3 uren vanNismes, en echter was de waterleiding, voor zoo veel men kan nagaan, omtrent 7 uren lang van het eene eind tot het andere, door de omwegen, die men verpligt was te maken, om de noodige helling te behouden. Men veronderstelt, want duidelijke opschriften worden hier niet gevonden, dat M.Agrippa, schoonzoon vanAugustus, gedurende zijn verblijf onder deGaulen, omtrent het jaar 735 vanRome, 19 jaren voorChristusgeboorte, dit trotsche en kostbare gewrocht heeft doen bouwen; doch het zou eerst vijftien jaren daarna voltooidzijn geworden. Gij zult in de afbeelding zien, dat het, om zoo te spreken, een brug met drie verdiepingen is, de geheele hoogte van het water af, is 24toises3 voeten8; en dit geheele werk werd alleen gemaakt, om de waterleiding, die ’er boven op ligt, te onderschragen, zij is geheel van gehouwen steen zonder kalk of çement gebouwd, behalve de waterleiding, waar aan men die natuurlijk heeft moeten gebruiken, on het doordringen van het water te beletten. Wij klauterden ’er tegen de rots boven op; de waterleiding vier voeten breed, en met platte steenen uit één stuk gedekt zijnde, kan men ’er opgaan; en niet alleen het werk, maar bijzonder ook het schoone gezigt, dat men daar heeft, verdient zulks. Inwendig is die gang, waar het water doorliep, vijf voeten hoog, zoodat men ’er een weinig bukkende in kan gaan; zij is 136toises, drie voeten lang. Dit gedeelte van die ontzaggelijke waterleiding is nog genoegzaam in zijn geheel gebleven, zoo als gij in de plaat zien zult. De onderste brug dienende tot een’ overgang over de rivierde Gardon, werd eerst in het begin van de 17de eeuw daartoe bruikbaar gemaakt; maar ziende, dat het gebouw, oorspronkelijk voor geen brug gemaakt zijnde, daar door leed, liet men het weder herstellen. In 1743 werd de eerste steen aan eene nieuwe brug gelegd, en deze tegen de oostelijke zijde vande oude aangemetseld, zoodat dezelve in 1747 voltooid werd; dit was des te noodzakelijker omdatde Gardonvooral in den winter zeer hoog kan zijn, en dan om den snellen stroom ongemakkelijk is om over te varen. Deze rivier neemt zijn’ oorsprong in deCevennes, digt bij den bergMont de l’Ozèregenaamd, en werpt zich omtrent een uurtje bovenBeaucairein deRhone. Men vindt in het zand langs den oever, kleine schilfertjes goud, die door het water aangevoerd schijnen te worden; onder aan de brug, een hand vol zand oprapende, zag ik daarin terstond een menigte van die kleine schilfertjes, doch ik zou ze eerder voor zilver dan voor goud aanzien; men zegt, dat menschen die dit zand verzamelen, en het weten te zuiveren, ’er wel acht à negen livres daags mede kunnen verdienen. Van verre, aan den overkant van de rivier, ziet men nog eenige overblijfsels van de waterleiding. Op de brug was eenig werkvolk bezig om dezelve op nieuw te bestraten; zij verhaalden mij, dat de muur, die langs den weg bij de brug aan de linkerhand, als men vanNismeskomt, onder tegen de rots gemaakt was, diende om daar door het afrollen van steenen te beletten; zijnde ’er nog maar weinig tijds geleden, een man, daar langs komende, onder een zwaren brok steen, dat van boven nederkwam, geraakt. Deze ongelukkige was daar door meêr dan half verpletterd, terwijl het bovenste gedeelte onverzeerd was gebleven, en van onder den steen uitkwam; hij leefde dan nog volkomen,en men kon den ongelukkigen niet helpen; want de steen was zoo groot, dat hij niet anders dan door werktuigen kon bewogen worden, en die had men niet bij de hand; ook was ’er hoegenaamd geen hoop, om den lijder te herstellen, waarom men zijne ellende door een snaphaanschoot verkortte. Ik vernam wijders van die werklieden, dat een bekwaam bouwmeester onlangs had opgenomen, wat ’er aan de geheelePont du Gardbehoorde hersteld te worden, om dit majestueuse gedenkstuk voor verval te bewaren, en dat zijlieden gelast waren met dat werk; het blijkt dus, dat men ’er wel zorg voor draagt. Ik heb u nog vergeten te zeggen, dat men, op de onderste brug staande, op een van de eerste bogen van de tweede aan de linkerhand, vanNismeskomende, eene kleine afbeelding gebeeldhouwd ziet, die men den haas (le lievre) noemt, en mij dunkt, dat het ook wel eenigzins naar een haas gelijkt, die door een hond vervolgd wordt; maar volgens oudheidkundigen moet het eenPriapusofPhallusverbeelden, in denzelfden smaak, als die, welke men hier en daar tegen de muren van hetAmphithéaterteNismesziet.Terug keerende, maakte ik een praatje met twee boerinnen, die denzelfden Weg gingen; zij waren zeer spraakzaam, en bijzonder de oudste, die wat meerFranschsprak.Patois, eenigzins verschillende van dat vanProvence, is anders de landtaal; ik heb opgemerkt, dat lieden in deze streken, die watFranschkennen, ’er grootsch op schijnen tezijn, en het daarom gaarne met vreemdelingen spreken9. Die vrouwen verhaalden mij, dat ’er niet ver van dezen weg aan de regterhand, naarNismesgaande, onderaardsche gangen waren, welke digt bij die stad uitkwamen, en dat sommige vreemdelingen de nieuwsgierigheid gehad hadden, om daar met fakkels in te gaan; ’t kan zijn, doch ik vind ’er bij de schrijvers, die ik nagezien heb, geene melding van gemaakt.Wij namen in de herberg, waar het rijtuig stond, het middagmaal, dat maar redelijk was. DeFranschenhebben doorgaans de gewoonte, om een menigte schoteltjes te geven, in plaats van een paar goede eenvoudige geregten; dit maakt den maaltijd kostbaar, zonder dat die naar evenredigheid voedzamer of smakelijker is; want vooral in die herbergjes, die men op het land aantreft, weet men vele van de spijzen, die in navolging der groote steden al voorgezet worden, niet goed gereed te maken, en ofschoon ’er de hoeveelheid wel is, de hoedanigheid ontbreekt ’er aan.TeNismesterug gekeerd, ging ik ’s avonds op deEsplanadein den maneschijn wat op en neder wandelen, en vond daar veel menschen; ’er staanslechts eenige jonge boompjes, waar men de blaadjes wel aan tellen kan, zij zien nog niet eens groen door de stof, die ’er op zit, en dit en de tuin van de bron zijn genoegzaam de eenigste wandelingen.Heden den 23 bezigtigde ik de Bibliotheek, zoo als men dat ter loops doet; vervolgens zag ik het kabinet van Natuurlijke Historie en Oudheden, bevattende onder anderen eene menigte versteeningen van visschen, of gedaanten van dezelven in steen, alsmede verscheidene planten, vooral varen in leijen versteend en in de koolmijnen ontdekt. Ook zag ik ’er een fraai stuklava, uit de voorheen vuurspuwende bergen van deVivarais; een brok versteend hout, dat mooi gevlamd was, en dat men ook hier omstreeks had gevonden, benevens een menigte andere mineralen en gesteenten. Onder de oudheden is merkwaardig een schoon metalen hoofd zijnde van een reusachtige gedaante, en onder de puinhoopen der baden gevonden, benevens eenige kleine huisgoden (penates) kleine altaartjes, gereedschappen der ouden enz. Men heeft hier ook eene fraaije verzameling van oude munten en medailles, waar onder ik ’er verscheiden vond, die om de teekening en afbeeldingen van kleedingen enz. van belang zijn, zoo wel voor kunstenaars en geschiedkundigen, als voor liefhebbers van oudheden: onder anderen zag ik ’er een, waarop een paard met een opgezetten (geanglizeerden) staart, waar uit dus blijkt, dat de ouden ook reeds de wreedaardige wijze, om die dieren den staart om hoog te doen dragen,gekend hebben. Een aantal van deze munten, waaronder vele zilveren, zijn in deze stad en daar omstreeks gevonden, en behooren dus tot de geschiedkunde van dezelve. DeBibliothecarisen bewaarder (conservateur) van dit kabinet, is een zeer vriendelijk man. Het gebouw, waarin dit alles bewaard wordt, is zeer fraai, en werd voor de omwentelingle Colleguegenaamd. Voorheen was hier ook eeneAcademie Royale des Sciences et belles Lettres; en de smaak der ouden voor de fraaije kunsten en wetenschappen schijnt in latere eeuwen die vanNismesnog bij gebleven te zijn. Thans dient het voormaligeColleguevoor eenEcole Centrale. Ik vergat u nog te zeggen, dat ik, in een beneden zaal van dat gebouw, twee gnappe schilderijen zag, door eenenRenaudvan hier geboortig, beiden verbeelden een deel van de geschiedenis vanJoannesde Dooper, het eene is teAvignonin 1656, en het andere teRomein 1685, geschilderd.Na den middag ging ik naar de Protestantsche Kerk, waar heden (Donderdag) een korte leerreden en onderwijs voor de jeugd werd gehouden; onder weg vroeg ik aan eene deftige bejaarde vrouw, waar de Kerk was, en deze ’er zelve heen gaande, bood zich aan om ’er mij naar toe te geleiden, en was zeer vriendelijk, vooral toen zij verstond, dat ik eenHollanderwas; want hare voorouders en geloofsgenooten, zeide zij, hadden in dat land hulp en bescherming gevonden. In de Kerk komende, moest ik dan ook voor aan bij de Ouderlingen en Diakonenzitten, en de Godsdienst geëindigd zijnde, werd ik verzocht om in het Consistorie te komen, waar de twee Predikanten mij vriendelijk ontvingen, en hunnen dienst aanboden, waarvoor ik die goede lieden bedankte, terwijl ik ’er geen gebruik van kon maken, omdat mijne afreis den volgenden dag bepaald was. De Protestanten luiden hier ook bij het aangaan van de Kerk de klok, en de Predikanten gaan met mantel en bef over de straat. Het is een gnappe Kerk met een orgel ’er in en een torentje ’er op. Ik zag veel vrouwen in dezelve met een kruisje aan haar halssieraad. Eene vrouw, die digt bij den voorzanger zat, vroeg hem overluid in hetPatoisden hoeveelsten Psalm men zong, en deze antwoordde haar weder in hetPatois.’Er bleven mij nog twee oudheden ter bezigtiging over, namelijk de zoogenaamdePorte de France, en dePorte de Rome; deze zijn alleen van de tien poorten, door deRomeinengebouwd, overgebleven. De eerstgenoemde vindt men in oude bescheiden, onder den naam vanPorta Coöperta(overdekte poort). Aan het geen ’er van is overgebleven, is niet veel bijzonders te zien, dunkt mij.De poort van Rome (la porte de Rome) is eerst in 1793, bij het slechten van de wallen, aan de oostzijde van de stad, gevonden; en de stukken en brokken weder op een gezet, maken een langwerpig vierkant uit, doch dit gebouw schijnt zeer laag, omdat het voor een gedeelte nog in den grond staat, en het bovenste werk ’er waarschijnlijk van verwoestis. Het is 10toises, 3 voet lang, en 4toises, 3 voet hoog; ’er waren twee ingangen naast elkanderen, doch de eene is toegemetseld. Aan beide zijde van de ingangen zijn twee Corinthische pilasters; boven dezelve ziet men nog de overblijfsels van een Latijnsch opschrift, waar uit schijnt te blijken, dat KeizerAugustusdeze poort deed bouwen, op het einde van het 738ste, of in de zes eerste maanden van het 739ste jaar vanRome, dat is omtrent 15 of 16 jaren voor de Christelijke jaartelling.Om deze stad en in de voorsteden zijn verscheidene tuinen; in een derzelven, digt bij den tuin van de bron gelokt, door den aangenamen reuk, dien ik in het voorbijgaan gewaar werd, vond ik daar onder vele andere bloemen en planten, eene menigte zoo dubbelde als enkelde tuberozen; het ging tegen den avond, en dan rieken die bloemen zeer sterk. Ook zag ik ’er gansche hagen van jasmijn, die insgelijks een alleraangenaamsten reuk verspreiden; deze tuin behoorde aan een hovenier en bloemist, die mij verlof gaf, om ’er in te wandelen. Ik had hier ook in eenige tuinen gezien, dat men de leiboomen tegen de muren vastmaakte, aan een draadwerk van koperdraad, met groote ruiten gevlochten, en ik geloof, dat dit beter is dan het latwerk, dat men bij ons en elders gebruikt, omdat het langer duurt, doch misschien kost het ook meêr.—Dezen nog van hier willende afzenden, breek ik af; verwacht nader schrijven vanMontpellier.1Ten tijde van deRomeinentelde men in de stadNismesomtrent 70,000 inwoners.2Tempel vanDiana.3Bijna in alle oude steden in het zuiden vanFrankrijk: vindt men naauwe en kromme straten; het komt mij voor, dat die met oogmerk zoo gebouwd zijn, om daar door den sterken zonneschijn te beletten, en veel schaduw te hebben. Hier zoo wel als teMarseille, en andere plaatsen aan dezen kant, vindt men ook veel zeilen tusschen de huizen gespannen.4Dit wapen is getrokken uit een oude medaille, waarop een krokodil aan een’ palmboom geketend, met deze verkorte woorden:col, dat iscolonia, enNem, dat isNemausensis. Aan den anderen kant ziet men twee hoofden, verbeeldende die vanAugustusenAgrippazijn schoonzoon. Ik heb hier twee zulke medailles gekocht.5Velen laken dit misschien in de Heidenen, maar maken het sommige Christenen wel veel beter, in onze dagen?—Het volgende hoorde ik in de Gereformeerde Kerk teParijs, vierende het kroningsfeest van KeizerNapoléon, zingen: “Il franchit et les monts et les mers en courroux, il arrive: (te wetenBonaparte)et semblable a la Toute-puissance, Faisant saillir le jour du milieudu cahos,Il rend le bonheur à la France, etc.” Deze buitengewone eeredienst had plaats den 29 Decemberdesvoorleden jaars 1804, en ik hebdieGezangen nog gedrukt onder mij berustende, zij zijn van eenenFabre d’Olivet.6Hij was Aartsbisschop teAlby, Hoofdstad van het: landschapAlbigeois,dans le haut Languedoc. Helaas! maaral te veel bekend door de wreede vervolgingen, den ongelukkigenAlbigensenaangedaan, in de 12de en 13de eeuw.7TeParijsvond ik in een der beste letterkundige tijdschriften een vers, dat ik gedeeltelijk hier afschrijve.Mais que j’aime la bienfaisance,De ce Cardinal adoré,Qui par son ame et sa naissance,A double titre est illustré.Grossi par les eaux des montagnes,Se debordant avec fureur,Le Tarn avoit dans ses campagnes,Detruit l’espoir du Laboureur,Tout perissait dans la misère,l’Air retintit de cris affreux.“Ah! dit le prelat généreux,Cest donc à moi qui suis leur père,A secourir ces malheureux.”Aussitôt sa main secourable,Verse à grand flots l’or sous ses pas,Et l’abondance favorable,Ranime tout en ces climats.Des qu’il parais sur ce rivage,Le peuple enivré de transports,Se jette en foule a son passage,Et fait répèter à ces bords:“Grand Dieu! dont son coeur est l’image.Repand sur lui tous tes trêsorsIl sait tropbien en faire usage.”Chacun pour lui forme ces voeux,Il partage cette allégresse,Et dans ces doux momens d’ivresse,Il est encore le plus heureux.Ah! sans doute la bienfaisance,Fut le premier Dieu des Mortels,Et ce fut la reconnaissance,Qui dressa les premiers autels.Blin Desainmore.8’t Zal onnoodig zijn, om gedurig te herhalen dat detoise6geométrischevoeten is.9De boerinnen dragen hier kleiner hoeden, doch van dezelfde stof en kleur als inProvence; hare kleeding is ook in ’t geheel niet bevallig, en ik zag hier ook op het land weinig gnappe vrouwen; doch de menschen schijnen nog al gezond en sterk.
Nismes, 23 Augustus.
Den 21 dezer, na mij van eene korte geschiedkundige beschrijving van de zoo merkwaardige oudheden, die men hier bij de Boekverkoopers vindt,voorzien te hebben, ging ik dezelve bezigtigen. Sedert de omwenteling heeft men verscheidene huizen, die om en in het Amphithéater stonden, en dat schoone gedenkteeken der oudheid ontluisterden, doen wegbreken; zoodat men het nu van rondom vrij goed zien kan; eenige woningen, die ’er nog binnen in staan, moeten, naar men mij verzekerde, binnen een’ zekeren tijd weggebroken worden. Het is wel jammer, dat de regering dezer stad voorheen heeft toegelaten, dat men in en tegen ditRomeinscheworstelperk bouwde, en hetzelve daar door beschadigde; wegnemende, dat in den weg stond, of het geen men voor bouwstof kon gebruiken, ondertusschen heeft dit verbazend stuk werks, niettegenstaande deze verwaarlozing en de onderscheidene oorlogen en verwoestingen, die hier in vroegere eeuwen al hadden plaats gehad, nog niet zeer veel geleden, en is ten minste uitwendig genoegzaam in zijn geheel gebleven. Men meent als zeker te mogen veronderstellen, dat het door KeizerAntoninus Pius, die van het jaar 138 tot 161, der Christelijke jaartelling regeerde, en teNismesgeboren zou zijn, gebouwd is. Het is eirond, en heeft een omtrek van 190toises, of 1140 geometrische voeten buitenwerks, en is omtrent 11toisesof 66 voeten hoog; rondom is het met boogsgewijze poorten op denzelfden afstand van elkanderen regelmatig gebouwd. Zestig zijn ’er beneden, die voor ingangen dienden, en even zoo veel boven dezelve, doch deze zijn niet zoo hoog. Ik zal u hier van zoowel als van de overige voorname oudheden, die men hier vindt, de platen toezenden, die ik hier gekocht en ’er mede vergeleken heb, en die ’er u een duidelijk denkbeeld van zullen geven. De opziender, die in een der poorten woont, laat het voor een fooitje van binnen en boven op zien; ik klom ’er dan in, en doorliep een gedeelte van de binnenste galerij; want een groot deel daar van is nog bewoond. De wijze, waarop het gebouwd is, is zeer merkwaardig; het zijn ontzaggelijk groote stukken steen, zonder eenige kalk of çement op en in elkanderen gevoegd, en door ijzeren krammen in lood, bevestigd; doch de meeste dier krammen zijn ’er al uit. Het blijkt dat zij van buiten eerst werden gefatsoeneerd, en met kolommen enz. versierd, na dat zij geplaatst waren; want aan den eenen kant is dat werk nog maar ruw gehouwen, en de fijne bijtel ontbreekt ’er aan. ’t Is verwonderlijk, hoe men zulke groote brokken steen, niet alleen uit de steengroeven heeft kunnen krijgen, maar hoe men ze op elkanderen tot zulk eene aanmerkelijke hoogte heeft kunnen stapelen. Boven op, dat deAtticusgenoemd wordt, heeft men een zeer schoon gezigt op de stad, en de landstreek rondom, en hier ziet men de steenen zitbanken, waarop de aanschouwers plegen te zitten, en van waar men in het middelperk (Arena) alwaar de worstelaars tegen elkanderen, of tegen wilde dieren vochten, kan zien. Oorspronkelijk waren ’er 32 zulke zitbanken, trapsgewijze van boven tot beneden afloopende, rondomin dit gebouw. Men ziet ’er aan eenen kant nog 17 van, op sommige plaatsen ziet men ’er maar twaalf, en op anderen niet meêr dan zes, de overige zijn verwoest. Deze overblijfsels zijn echter meêr dan genoegzaam om een volkomen denkbeeld van de zaak te geven, en die hetorigineelvan den stervendeGladiator, uit het Museum vanParijs, in zijn gedachten hier verplaatst, en rondom op de banken een menigteRomeinscheburgers en burgeressen, kan zich verbeelden van bij die woeste en wreede spelen tegenwoordig te zijn, en wordt daar bij een gevoel van afgrijzen en medelijden gewaar. Men berekent naar deze zitplaatsen, dat ’er omtrent 17,000 aanschouwers konden zitten. Rondom het gebouw ziet men uitstekende stukken steen, waarin ronde gaten; hier stak men palen in, on daar aan tenten (Velaria) vast te maken, ten einde de aanschouwers tegen den regen of zonneschijn te beschutten; doch deze tenten kwamen niet verder dan de zitplaatsen, en het midden bleef open. Misschien diende het ook somtijds voor een renperk te voet of op paarden, of ’er werden allerlei sprongen en diergelijke kunsten vertoond. En hoewel het eigenlijk voor een worstelperk was ingerigt, is het niet onwaarschijnelijk, dat ’er ook bijwijlen een Tooneel in opgerigt is geworden, waarop de Treurspelen vanSeneca, of de Blijspelen vanPlautusofTerentiusen anderen, werden gespeeld. Diergelijke vertoonplaatsen, die ’er voor worstelaars en voor Tooneelspelen dienden, waren onder deRomeinenniet onbekend, en dat vanCurio, waarvanPlinius,als van een wonder van pracht en kunst, melding maakt, bestond uit twee deelen van hout gemaakt, die op duimen of spillen draaijende zig van elkanderen afscheiden, om voor twee onderscheiden vertooningen te dienen, of zich vereenigden om één Amphithéater, in wiens midden het worstelperk was, uittemaken. Althans het is niet denkelijk, dat ’er in eene zoo aanmerkelijkeRomeinschevolksplanting alsNismes1, geen Toneelspelen in het openbaar zijn vertoond, en waar kon zulks beter geschieden dan in het Amphithéater, dewijl men geen blijken vindt, dat ’er hier nog een ander gebouw bestond, het welk daar voor bijzonder geschikt was.
Amphitheater te Nismes.Amphitheater te Nismes.
Amphitheater te Nismes.
In de bouworde van dit Amphithéater heeft ’er, zoo als gij zien zult, weinig verscheidenheid plaats; ’er zijn vier hoofdingangen, tegen de vier winden, zij zijn verdeeld van 15 tot 15 poorten; die van het noorden heeft alleen eenige sieraden, boven denzelven is een soort van driekante kap, en daar onder ziet men de afbeeldingen van twee rundbeesten, ter halver lijf en met gebogen knieën; het verbeelden twee stieren, het gewoone zinnebeeld van deRomeinschevolkplantingen, zoo als men ook op de gedenkpenningen vindt. Ik kocht hier onder meer anderen een medaille, waarop men twee stieren of ossen, voor een ploeg gespannen, ziet. Deze munten waren in en om de stad, en eenige inhet Amphithéater bij het afbreken der huizen, dat onlangs plaats had gevonden. Nog ziet men hier en daar aan de buitenmuren van dat gebouw, eenige kleine afbeeldingen, als de Wolvin metRomulusenRemus, twee vechtendeGladiatorsmet dolk, schild en helm; en drie anderen beeldtenissen, zijnde onderscheidene afbeeldingen vanPriapusofPhallus, in misselijke en zonderlinge gedaantens. Men meent, dat dit zinnebeelden zijn van offeranden, aan den GodPriapusgedaan, en van de Hanen-gevechten ter zijner eere, somtijds in het Amphithéater gegeven; of wel, dat de bevolking en uitbreiding derColonievanNismesdaar door moest verbeeld worden.
Tempel van C. Cæsar te Nismes.Tempel van C. Cæsar te Nismes.
Tempel van C. Cæsar te Nismes.
De breede straat, waar aan het Amphithéater aan den eenen kant uitkomt, doorgaande, ziet men aart het eind derzelve, ter regterhand, den fraaijen Tempel vanCajus Cæsar, dien deFranschenden zoo onbeduidenden naam vanMaison Carréehebben gegeven. Te regt is dit schoone gebouw, om zijn nette en bevallige bouworde, die zelfs den minstkundige in het oog moet loopen, beroemd; het wordt dan ook voor een der uitnemendste gedenkstukken, die de oudheid ons heeft nagelaten, gehouden. In ’t geheel is het 12toises(72 voeten) lang, en 6toisesof 36 voeten breed, en rondom versierd met 30 geribde Corinthische kolommen, en de kapiteelen van deze kolommen worden voor schier onnavolgbare meesterstukken gehouden; men gaat ’er in langs 12 trappen. De Afbeelding vertoont u hetzelve, zoo als menhet nog tegenwoordig ziet. Inwendig is ’er niets bijzonders; ten tijde vanLodewijkden XIV. maakte men ’er een Kerk of Kapel van, waar voor het dan ook tot de omwenteling toe gediend heeft. Van hier gaat men langs een fraaije gracht, aan den kant met boomen beplant, en die wel wat heeft van sommige grachten in onze Vaderlandsche Steden, naar de fontein, of liever bron; want wij verstaan gewoonlijk door het woord fontein een’ watersprong, en hier te land bedoelt men daarmede eene eenvoudige bron. Deze bron is aan het eind van een’ netten tuin, met regte laanen, bloemperken en hagen: men gaat daar door fraai gewerkte ijzeren hekken in, zoo dat zij veel gelijkt op eene ouderwetscheHollandschebuitenplaats. Deze tuin dient ook voor eene gemeene wandeling. Bij die bron, die aan den voet van eene rots opwelt, hadden de ouden hunne baden, als mede een’ tempel, welken naar de overblijfsels die men ’er nog van ziet, te oordeelen, een fraai en aanzienlijk gebouw moet geweest zijn. Men heeft het gedeelte, dat nog staande is gebleven, om het verder te bewaren, door een muur afgesloten; doch de opzigter van den tuin laat het vreemdelingen zien, en men geeft hem dan doorgaans een fooitje. Men noemt dezen tempel in ’t gemeen,Temple deDiane2; dan of hij inderdaad aan den dienst van deze, dan wel aan die van anderen Goden of Godinnen is gewijd geweest, hieroverzijn het de oudheidkundigen nog niet eens. De overblijfsels der baden, sedert eeuwen onder de puinhoopen bedolven zijnde, heeft men hieromstreeks gravende, weder gevonden, en omtrent het midden van de laatst afgeloopen eeuw ontbloot, zoo veel mogelijk hersteld, en ’er veele fraaije versierselen bij gebouwd. De kamertjes van de oude baden zijn voor een gedeelte nog zigtbaar; ook zijn ’er aan de bron nog overblijfsels van de oude trappen. Onder de puinhoopen van deze baden, werd in 1739 de romp en het hoofd van een fraai marmerbeeld, het welke men voor dat vanApolloerkende, gevonden. Dit beeld, benevens meêr andere oudheden, ziet men thans in den zoogenaamden tempel vanDiana. Eenige overblijfsels van steenen buizen, die inwendig met lood bekleed waren, en tot waterleidingen voor de baden dienden, kan men daar ook vinden. Aan het eind van dezen tuin, ziet men boven op de rots, aan wier voet de bron is, de overblijfsels van den ouden toren, die menla tour Magnenoemt, en die waarschijnlijk de grootste zijnde, van al de torens, die langs de muren van deze stad stonden, ten tijde van deRomeinenvoor een vuurbaak (Pharus) diende. Het brok, dat men ’er nog van ziet, is omtrent 80 voeten hoog, doch zeer beschadigd. Bij dezen toren ziet men ook nog de overblijfsels van de oude muren vanNismes, die 4640toisesomtrek hebbende, 6toiseshoog en 1 dik waren; op andere plaatsen ziet men ook nog overblijfsels van deze muren; men berekent, datNismestoen elf maal zoo groot moet geweest zijn, als tegenwoordig. Op deze hoogte heeft men een schoon en uitgestrekt gezigt. In het terug komen van dezen tuin, zag ik, op twee bijzondere plaatsen, vloeren, die met kleine steentjes (en Mosaïque) waren ingelegd; de eerste in een fabriek van gedrukte katoenen neusdoeken, voorheen de tuin van den Gouverneur, waar hij in 1785 ontdekt werd, is nog zeer wel bewaard, en door steentjes van onderscheidene kleuren, waarop een aardige teekening, gemaakt; de gedaante is vierkant; aan een’ van de hoeken ziet men eeneRomeinschegalei, aan een’ anderen twee visschen, aan een derden twee watervogels, en aan een vierden wederom twee visschen van een ander soort. Den anderen ingelegden vloer zag ik in een slechts weinige trappen diepen kelder in een burgerhuis,rue de la calandre Anglaise, aan het eind van 1766 ontdekt; deze bestaat minder in zijn geheel, is ook minder gekleurd en eenvoudiger van teekening, zijnde in het midden met vierkante ruitjes, zoo als men bij ons wel op het tafelgoed ziet. Het water in de gracht, langs welke men naar de bron enz. gaat, komt alleen uit de bron op, en kan somtijds vrij hoog staan. Aan het eind van de gracht is eene fraaije kom gemaakt voor de waschvrouwen, doch zoodanig, dat het zeepwater zich niet met het zuivere vermengt. Over den tempel vanCajus Cæsarheeft men een’ nieuwen Schouwburg gebouwd; de voorgevel (facade) die met een fraaijecolonnademoet pronken, is nog niet voltooid;doch in de zaal moet reeds den aanstaanden winter gespeeld worden. Alle deze oudheden van hetAmphithéateraf tot deTour magne, liggen in eenen weg, en men kan dezelven genoegzaam in een halven dag zien. Men heeft hier, zoo wel als teMarseille, meestal pannen daken, doch zij hebben eenigzins eene andere gedaante, dan bij ons. Bijna overal ziet men de menschen hier in de zijde bezig, dat het voorname bedrijf is: men heeft ’er ook veel zijden-kousenwevers; doch men acht de kousen zoo goed niet, als die vanGange Lion, enz. Het getal der inwoners wordt op ruim 45,000 begroot, waar van wel een derde Protestanten zijn. Deze stad heeft dan ook veel door de religie-oorlogen geleden, en ..... doch in plaats van deze oude wonden weder te ontblooten, verhaal ik u hier liever een trek van edele grootheid en menschenliefde. Ten tijde van denSt. Bartelsmoord, was eenVillarsteNismesconsul, en ontving van wegenKarelden IX., hoogst afgrijsselijker gedachtenis, bevel, om in zijn stad, het voorbeeld vanParijste volgen—enVillarsdurfde (ô zeldzame deugd onder regenten, van een’ machtigen dwingeland afhankelijk!) dit wreede bevel ter zijde leggen, en deed, in plaats van ’er aan te gehoorzamen, de voornaamste van beide de geloofsgenootschappen bijeenkomen, en in zijn bijzijn zweren, dat zij zich onderling zouden beminnen, als broeders leven, elkanderen trachten te verlichten en in vrede hunne onderscheidene Godsdiensten uitoefenen. Zij zwoeren,omhelsden elkanderen, en hielden woord. Het Hof durfde niets zeggen, en de gansche stad werd behouden, door eenen edelen menschenvriend.—En ik vond geen gedenkteeken ter gedachtenis van dien goedenVillarsin deze stad.—Nu ... is hij bij vele menschen vergeten, hij is het voorzeker niet bij de regtvaardige Almagt.
Behalve de oudheden is ’er aan de stad niet veel bijzonders te zien, en ’er zijn nog vele naauwe en kromme straten3, die eene misselijke tegenstrijdigheid opleveren, met een paar anderen, die in later tijd zijn aangelegd, en in het oog loopen door de ongemeene breedte. Het is hier thans zeer warm, doch men zeide mij, dat het weder ’er verbaasd ongestadig kan zijn, het geen men aan de zeewinden toeschrijft; ook heeft men in den zomer nevel- of mistluchten, die in ’t geheel niet gezond zijn, en wel eens zinkens en verkoudheden veroorzaken. Vele vreemdelingen, hier door afgeschrikt, haasten zich dan ook, om van hier, na dat zij de merkwaardigheden gezien hadden, weg te komen; ik voor mij geloof, dat men het, zoo als gewoonlijk,erger maakt dan het in der daad is; hoewel ik tevens moet bekennen, dat ’er de menschen, vooral het zoogenaamde gemeene volk, over het algemeen niet zeer gezond uitziet; maar het komt mij voor, dat men dit meêr op rekening van het aanhoudend zitten, bij het werk in de fabrieken, en bijzonder aan het afhaspelen, spinnen, enz. van de zijde, dat men hiertiragesnoemt, moet toeschrijven.—Zoo offert de arme zijne gezondheid op aan de weelde en hoogmoed der rijken, en wat is zijn loon? een weinig geld, en veel verachting, daar immers vele dezer groote pralers, die al dikwijls minder waard zijn dan het kleed, waar zij insteken, den wever en zijn weefgetouw beiden, beschouwen als werktuigen, ten zijnen dienste geschikt, en den ongelukkige het zuure stuk brood dat hij hem op die wijze laat verdienen, nog wel als een weldaad of bijzonder gunstbewijs aanrekenen.—Menschen! menschen! wanneer zult gij door meêr de eenvoudige natuur te naderen, en alzoo ook meêr aan uwe wezenlijke bestemming te voldoen, zoo vele schadelijke dingen, die gij tot een behoefte gemaakt hebt, afschaffen! Dit is het ware middel om vrijer, onafhankelijker, en dus wezenlijk gelukkiger te worden.—Want dezulken, die ’er zoo sterk voor zijn, om hen, die zij het gemeen gelieven te noemen, altijd zoo gemeen te laten, als maar eenigzins mogelijk is; en zich doorgaans behelpen met te zeggen: “die soort van volk is daar aan gewoon;” zullen mij toch wel goedgunstig gelieven toetestaan,dat gezondheid geen ingebeeld geluk, en ongezondheid eene alleronaangenaamste zaak is.
Het geen ik bijzonder hinderlijk vind in deze streek, is de sterke stof, die daarbij zeer fijn is, en schier overal indringt; zoodat ’er van de vijf zinnen vier zeer merkbaar door lijden. De mannen dragen hier dan ook veel vrij groote grijze hoeden, van onderen groen, en geele schoenen, welke laatste ik ook al veel teMarseilleen aan die kanten gezien had.
De levensmiddelen schijnen teNismesnog al overvloedig en matig in prijs te zijn, althans de markten vond ik wel voorzien; men vindt ’er bijna dezelfde spijzen als teMarseille; onze tafel was hier juist wel niet met zoo veel orde aangerigt, en wij hadden ’er misschien ook wel een paar lekkere schotels minder op, dan daar; maar hier betaalt men ook een 1/3 minder, en dat lijkt een’ reiziger zoo als mij, die het niet om te eten of te drinken, maar om te zien en te leeren te doen is.
Na den middag zag ik verder, de stad doorwandelende, op sommige plaatsen onderscheidene oudheden, en sommige langs de straten in de muren van de huizen gemetseld. De arenden, waarvan men ’er verscheide ziet, zijn genoegzaam levensgroot van wit marmer, keurig gewerkt, hebbende een festoen loofwerk in den bek gehad, want de koppen zijn van alle afgeslagen; en in dit, zoo wel als in andere opzigten, zijn zij elkander gelijk, zoodat, als men ’er een gezien heeft, heeft men zealle gezien; zij hebben waarschijnlijk gediend tot sieraad van hetzelfde gebouw, en zijn onder de puinhoopen van het oudeNemausus(Nismes) gevonden. Op de plaats van het Stadhuis ziet men ook zoo een arend. Dat gebouw is ook bezienswaardig; maar het geen ik vreemd vond, is, dat ’er boven in een groote zaal verscheidene opgevulde krokodillen, waar onder die al vrij groot waren, aan den zolder hingen, omdat zulk een dier tot het wapen van de stad behoort4. Onder sommige derzelve leest men, wie ’er de gevers van zijn. Ter plaatse waar thans de Hoofdkerk, een oud Gothisch gebouw, staat, meent men dat voorheen een tempel stond, aan KeizerAugustusgewijd; want men had, zoo als gij weet, dien Vorst in den rang der Goden of Halve-Goden geplaatst5. Deze meening is gegrondop de oudheden, die men hier gevonden heeft. Men was druk bezig met deze Kerk optemaken, en ’er werden schoone marmeren platen en diergelijke versierselen toe gebruikt. Ik zag ’er ook in een Kapel, aan de regterhand, als men de groote deur inkomt, een fraai, doch eenvoudig gedenkteeken van wit marmer, en las op hetzelve:Ci gitF. J. de Pierre de BernisCardinal-Evêque de laS. E. R. &mort à Rome le 1 Novembre 1794, deposé dans cet eglise par les soins de ses neveux l’an IX.R. J. P. (Requiescat in pace)—en ik herhaal dezen wensch, dat hij in vrede ruste!—want hij was een menschenvriend, een beminnaar en beoefenaar der schoone wetenschappen, door zijne vrienden geacht, en vooral in zijn Aartsbisdom als een redelijk en weldadig man algemeen geliefd en als een vader geëerd. De rivierle Tarn, die door die landstreek loopt, had door eene overstrooming vreesselijke verwoestingen, in een gedeelte van hetzelve aangerigt; de ellende der landlieden was groot—en wie troostte hen, wie kwam hun in deze akelige toestand zoo krachtdadig te hulp?—wie anders dan de goedede Bernis6. Dit geval was mijbekend7, en ik zag dan ook met veel genoegen dezetombe. Zij bestaat in een verheven graf (sarcophage)waarop een kussen fraai van marmer gewerkt, en daarom een vergulde rand en kwasten; boven hetzelve aan het gewelf van de Kapel hangt de roode Kardinaalshoed, met de daar aan behoorende strikken en kwasten. Voor de Kapel is een eenvoudig ijzeren hek, anders zag ik in deze Kerk niets bijzonders; doch ik ontmoette ’er denzelfden Monnik, dien ik tusschenMarseilleenToulongezien had; ik sprak hem aan, en vragende, waar hij van daan was, vernam ik, dat hij in een Klooster in deze landstreek had gewoond, en behoorde tot de orderde la Merci, dat is, om de Christen-slaven vrij te koopen, doch dit ging zoo ver, als het voeten had. De man was oud en arm, ik was hem dus een aalmoes schuldig, die ik hem dan ook in de hand stopte.—Waarom laat men, dacht ik, in plaats van zoo een mensch hier te laten rondzwerven, hem niet liever zijn Monnikspak, dat ’er zeer smerig en versleten uitzag, uittrekken, bezorgende hem vervolgens in een oude Mannen- of Gasthuis, on daar zijne dagen te eindigen.
De gewoonte is, zoo wel hier als elders inFrankrijk,om vooral met de warmte bier in de Koffijhuizen te drinken; doch ik vond, dat het hier en hier omstreeks eenen onaangenamen bitteren smaak had, en vernam dat men ’er palm in plaats van hop bij deed, omdat de brouwers het eerste genoegzaam om niet hebben, en het laatstgenoemde moeten betalen. ’t Is wel mogelijk, dat het niet ongezond is, maar het smaakt niet lekker.
’s Avonds op de gemeene wandeling bij de bron, zag ik een’ man met een mantel en bef, en vernam, dat het een Protestantsch Predikant was. Dat geloofsgenootschap heeft hier twee publieke Kerken, voor de omwenteling aan Kloosters of diergelijke behoord hebbende; doch in een van dezelve word de dienst nog maar verricht, omdat de andere nog niet in gereedheid gebragt is.
Voor 18 livres huurde ik een koets met twee paarden, (dat men te voren wel moet bedingen, anders krijgt men muilezels, die schier altijd stapvoets gaan) om den volgenden morgen naar de vermaardePont du Gardte rijden, welke brug drielieues du pays, dat is, wel drie uren gaans vanNismesis afgelegen.
Pont du Gard.Pont du Gard.
Pont du Gard.
Den 22 dezer, ’s morgens om 7 uren reden wij naar dePont du Gard, langs een’ goeden en vrij aangenamen weg, waarvan ik u echter niets bijzonders heb te vertellen. Aan deBarrière, ruim een kwartier, voor dat men aan de brug komt, is een herberg, waar wij afstapten, om den voerman het barrière-geld te doen uitwinnen; en na wat ontbeten te hebben, wandelden wij op een hoogte langsde rivier deGardon, voorheenGardgenoemd, naar de brug; men heeft hier een allerliefst gezigt op en over de rivier, alwaar een dorpje schilderachtig gelegen is. Weldra ontdekte ik het overgebleven gedeelte van die stoute waterleiding, dat men slechtsPont du Gardnoemt. Wij stonden versteld over dit ontzaggelijk stuk werks, een der schoonste gedenkteekenen, dat ons van deRomeinschegrootheid is overgebleven. De afbeelding, die gij in een der platen, welke ik u beloofd heb, zien zult, is zeer naauwkeurig; ik behoef ’er u dus geene omstandige beschrijving van te geven, en het zal voldoende zijn, wanneer ik u zeg, dat de waterleiding, waar van de zoogenaamdePont du Gardeen deel uitmaakte, diende, om het water uit de twee bronnen, genaamdAiranenEure, tot in de stadNismeste geleiden; misschien was toen de bron in de stad nog niet ontdekt; de verste van deze twee bronnen ligt omtrent maar 3½, en de andere maar 3 uren vanNismes, en echter was de waterleiding, voor zoo veel men kan nagaan, omtrent 7 uren lang van het eene eind tot het andere, door de omwegen, die men verpligt was te maken, om de noodige helling te behouden. Men veronderstelt, want duidelijke opschriften worden hier niet gevonden, dat M.Agrippa, schoonzoon vanAugustus, gedurende zijn verblijf onder deGaulen, omtrent het jaar 735 vanRome, 19 jaren voorChristusgeboorte, dit trotsche en kostbare gewrocht heeft doen bouwen; doch het zou eerst vijftien jaren daarna voltooidzijn geworden. Gij zult in de afbeelding zien, dat het, om zoo te spreken, een brug met drie verdiepingen is, de geheele hoogte van het water af, is 24toises3 voeten8; en dit geheele werk werd alleen gemaakt, om de waterleiding, die ’er boven op ligt, te onderschragen, zij is geheel van gehouwen steen zonder kalk of çement gebouwd, behalve de waterleiding, waar aan men die natuurlijk heeft moeten gebruiken, on het doordringen van het water te beletten. Wij klauterden ’er tegen de rots boven op; de waterleiding vier voeten breed, en met platte steenen uit één stuk gedekt zijnde, kan men ’er opgaan; en niet alleen het werk, maar bijzonder ook het schoone gezigt, dat men daar heeft, verdient zulks. Inwendig is die gang, waar het water doorliep, vijf voeten hoog, zoodat men ’er een weinig bukkende in kan gaan; zij is 136toises, drie voeten lang. Dit gedeelte van die ontzaggelijke waterleiding is nog genoegzaam in zijn geheel gebleven, zoo als gij in de plaat zien zult. De onderste brug dienende tot een’ overgang over de rivierde Gardon, werd eerst in het begin van de 17de eeuw daartoe bruikbaar gemaakt; maar ziende, dat het gebouw, oorspronkelijk voor geen brug gemaakt zijnde, daar door leed, liet men het weder herstellen. In 1743 werd de eerste steen aan eene nieuwe brug gelegd, en deze tegen de oostelijke zijde vande oude aangemetseld, zoodat dezelve in 1747 voltooid werd; dit was des te noodzakelijker omdatde Gardonvooral in den winter zeer hoog kan zijn, en dan om den snellen stroom ongemakkelijk is om over te varen. Deze rivier neemt zijn’ oorsprong in deCevennes, digt bij den bergMont de l’Ozèregenaamd, en werpt zich omtrent een uurtje bovenBeaucairein deRhone. Men vindt in het zand langs den oever, kleine schilfertjes goud, die door het water aangevoerd schijnen te worden; onder aan de brug, een hand vol zand oprapende, zag ik daarin terstond een menigte van die kleine schilfertjes, doch ik zou ze eerder voor zilver dan voor goud aanzien; men zegt, dat menschen die dit zand verzamelen, en het weten te zuiveren, ’er wel acht à negen livres daags mede kunnen verdienen. Van verre, aan den overkant van de rivier, ziet men nog eenige overblijfsels van de waterleiding. Op de brug was eenig werkvolk bezig om dezelve op nieuw te bestraten; zij verhaalden mij, dat de muur, die langs den weg bij de brug aan de linkerhand, als men vanNismeskomt, onder tegen de rots gemaakt was, diende om daar door het afrollen van steenen te beletten; zijnde ’er nog maar weinig tijds geleden, een man, daar langs komende, onder een zwaren brok steen, dat van boven nederkwam, geraakt. Deze ongelukkige was daar door meêr dan half verpletterd, terwijl het bovenste gedeelte onverzeerd was gebleven, en van onder den steen uitkwam; hij leefde dan nog volkomen,en men kon den ongelukkigen niet helpen; want de steen was zoo groot, dat hij niet anders dan door werktuigen kon bewogen worden, en die had men niet bij de hand; ook was ’er hoegenaamd geen hoop, om den lijder te herstellen, waarom men zijne ellende door een snaphaanschoot verkortte. Ik vernam wijders van die werklieden, dat een bekwaam bouwmeester onlangs had opgenomen, wat ’er aan de geheelePont du Gardbehoorde hersteld te worden, om dit majestueuse gedenkstuk voor verval te bewaren, en dat zijlieden gelast waren met dat werk; het blijkt dus, dat men ’er wel zorg voor draagt. Ik heb u nog vergeten te zeggen, dat men, op de onderste brug staande, op een van de eerste bogen van de tweede aan de linkerhand, vanNismeskomende, eene kleine afbeelding gebeeldhouwd ziet, die men den haas (le lievre) noemt, en mij dunkt, dat het ook wel eenigzins naar een haas gelijkt, die door een hond vervolgd wordt; maar volgens oudheidkundigen moet het eenPriapusofPhallusverbeelden, in denzelfden smaak, als die, welke men hier en daar tegen de muren van hetAmphithéaterteNismesziet.
Terug keerende, maakte ik een praatje met twee boerinnen, die denzelfden Weg gingen; zij waren zeer spraakzaam, en bijzonder de oudste, die wat meerFranschsprak.Patois, eenigzins verschillende van dat vanProvence, is anders de landtaal; ik heb opgemerkt, dat lieden in deze streken, die watFranschkennen, ’er grootsch op schijnen tezijn, en het daarom gaarne met vreemdelingen spreken9. Die vrouwen verhaalden mij, dat ’er niet ver van dezen weg aan de regterhand, naarNismesgaande, onderaardsche gangen waren, welke digt bij die stad uitkwamen, en dat sommige vreemdelingen de nieuwsgierigheid gehad hadden, om daar met fakkels in te gaan; ’t kan zijn, doch ik vind ’er bij de schrijvers, die ik nagezien heb, geene melding van gemaakt.
Wij namen in de herberg, waar het rijtuig stond, het middagmaal, dat maar redelijk was. DeFranschenhebben doorgaans de gewoonte, om een menigte schoteltjes te geven, in plaats van een paar goede eenvoudige geregten; dit maakt den maaltijd kostbaar, zonder dat die naar evenredigheid voedzamer of smakelijker is; want vooral in die herbergjes, die men op het land aantreft, weet men vele van de spijzen, die in navolging der groote steden al voorgezet worden, niet goed gereed te maken, en ofschoon ’er de hoeveelheid wel is, de hoedanigheid ontbreekt ’er aan.
TeNismesterug gekeerd, ging ik ’s avonds op deEsplanadein den maneschijn wat op en neder wandelen, en vond daar veel menschen; ’er staanslechts eenige jonge boompjes, waar men de blaadjes wel aan tellen kan, zij zien nog niet eens groen door de stof, die ’er op zit, en dit en de tuin van de bron zijn genoegzaam de eenigste wandelingen.
Heden den 23 bezigtigde ik de Bibliotheek, zoo als men dat ter loops doet; vervolgens zag ik het kabinet van Natuurlijke Historie en Oudheden, bevattende onder anderen eene menigte versteeningen van visschen, of gedaanten van dezelven in steen, alsmede verscheidene planten, vooral varen in leijen versteend en in de koolmijnen ontdekt. Ook zag ik ’er een fraai stuklava, uit de voorheen vuurspuwende bergen van deVivarais; een brok versteend hout, dat mooi gevlamd was, en dat men ook hier omstreeks had gevonden, benevens een menigte andere mineralen en gesteenten. Onder de oudheden is merkwaardig een schoon metalen hoofd zijnde van een reusachtige gedaante, en onder de puinhoopen der baden gevonden, benevens eenige kleine huisgoden (penates) kleine altaartjes, gereedschappen der ouden enz. Men heeft hier ook eene fraaije verzameling van oude munten en medailles, waar onder ik ’er verscheiden vond, die om de teekening en afbeeldingen van kleedingen enz. van belang zijn, zoo wel voor kunstenaars en geschiedkundigen, als voor liefhebbers van oudheden: onder anderen zag ik ’er een, waarop een paard met een opgezetten (geanglizeerden) staart, waar uit dus blijkt, dat de ouden ook reeds de wreedaardige wijze, om die dieren den staart om hoog te doen dragen,gekend hebben. Een aantal van deze munten, waaronder vele zilveren, zijn in deze stad en daar omstreeks gevonden, en behooren dus tot de geschiedkunde van dezelve. DeBibliothecarisen bewaarder (conservateur) van dit kabinet, is een zeer vriendelijk man. Het gebouw, waarin dit alles bewaard wordt, is zeer fraai, en werd voor de omwentelingle Colleguegenaamd. Voorheen was hier ook eeneAcademie Royale des Sciences et belles Lettres; en de smaak der ouden voor de fraaije kunsten en wetenschappen schijnt in latere eeuwen die vanNismesnog bij gebleven te zijn. Thans dient het voormaligeColleguevoor eenEcole Centrale. Ik vergat u nog te zeggen, dat ik, in een beneden zaal van dat gebouw, twee gnappe schilderijen zag, door eenenRenaudvan hier geboortig, beiden verbeelden een deel van de geschiedenis vanJoannesde Dooper, het eene is teAvignonin 1656, en het andere teRomein 1685, geschilderd.
Na den middag ging ik naar de Protestantsche Kerk, waar heden (Donderdag) een korte leerreden en onderwijs voor de jeugd werd gehouden; onder weg vroeg ik aan eene deftige bejaarde vrouw, waar de Kerk was, en deze ’er zelve heen gaande, bood zich aan om ’er mij naar toe te geleiden, en was zeer vriendelijk, vooral toen zij verstond, dat ik eenHollanderwas; want hare voorouders en geloofsgenooten, zeide zij, hadden in dat land hulp en bescherming gevonden. In de Kerk komende, moest ik dan ook voor aan bij de Ouderlingen en Diakonenzitten, en de Godsdienst geëindigd zijnde, werd ik verzocht om in het Consistorie te komen, waar de twee Predikanten mij vriendelijk ontvingen, en hunnen dienst aanboden, waarvoor ik die goede lieden bedankte, terwijl ik ’er geen gebruik van kon maken, omdat mijne afreis den volgenden dag bepaald was. De Protestanten luiden hier ook bij het aangaan van de Kerk de klok, en de Predikanten gaan met mantel en bef over de straat. Het is een gnappe Kerk met een orgel ’er in en een torentje ’er op. Ik zag veel vrouwen in dezelve met een kruisje aan haar halssieraad. Eene vrouw, die digt bij den voorzanger zat, vroeg hem overluid in hetPatoisden hoeveelsten Psalm men zong, en deze antwoordde haar weder in hetPatois.
’Er bleven mij nog twee oudheden ter bezigtiging over, namelijk de zoogenaamdePorte de France, en dePorte de Rome; deze zijn alleen van de tien poorten, door deRomeinengebouwd, overgebleven. De eerstgenoemde vindt men in oude bescheiden, onder den naam vanPorta Coöperta(overdekte poort). Aan het geen ’er van is overgebleven, is niet veel bijzonders te zien, dunkt mij.
De poort van Rome (la porte de Rome) is eerst in 1793, bij het slechten van de wallen, aan de oostzijde van de stad, gevonden; en de stukken en brokken weder op een gezet, maken een langwerpig vierkant uit, doch dit gebouw schijnt zeer laag, omdat het voor een gedeelte nog in den grond staat, en het bovenste werk ’er waarschijnlijk van verwoestis. Het is 10toises, 3 voet lang, en 4toises, 3 voet hoog; ’er waren twee ingangen naast elkanderen, doch de eene is toegemetseld. Aan beide zijde van de ingangen zijn twee Corinthische pilasters; boven dezelve ziet men nog de overblijfsels van een Latijnsch opschrift, waar uit schijnt te blijken, dat KeizerAugustusdeze poort deed bouwen, op het einde van het 738ste, of in de zes eerste maanden van het 739ste jaar vanRome, dat is omtrent 15 of 16 jaren voor de Christelijke jaartelling.
Om deze stad en in de voorsteden zijn verscheidene tuinen; in een derzelven, digt bij den tuin van de bron gelokt, door den aangenamen reuk, dien ik in het voorbijgaan gewaar werd, vond ik daar onder vele andere bloemen en planten, eene menigte zoo dubbelde als enkelde tuberozen; het ging tegen den avond, en dan rieken die bloemen zeer sterk. Ook zag ik ’er gansche hagen van jasmijn, die insgelijks een alleraangenaamsten reuk verspreiden; deze tuin behoorde aan een hovenier en bloemist, die mij verlof gaf, om ’er in te wandelen. Ik had hier ook in eenige tuinen gezien, dat men de leiboomen tegen de muren vastmaakte, aan een draadwerk van koperdraad, met groote ruiten gevlochten, en ik geloof, dat dit beter is dan het latwerk, dat men bij ons en elders gebruikt, omdat het langer duurt, doch misschien kost het ook meêr.—Dezen nog van hier willende afzenden, breek ik af; verwacht nader schrijven vanMontpellier.
1Ten tijde van deRomeinentelde men in de stadNismesomtrent 70,000 inwoners.2Tempel vanDiana.3Bijna in alle oude steden in het zuiden vanFrankrijk: vindt men naauwe en kromme straten; het komt mij voor, dat die met oogmerk zoo gebouwd zijn, om daar door den sterken zonneschijn te beletten, en veel schaduw te hebben. Hier zoo wel als teMarseille, en andere plaatsen aan dezen kant, vindt men ook veel zeilen tusschen de huizen gespannen.4Dit wapen is getrokken uit een oude medaille, waarop een krokodil aan een’ palmboom geketend, met deze verkorte woorden:col, dat iscolonia, enNem, dat isNemausensis. Aan den anderen kant ziet men twee hoofden, verbeeldende die vanAugustusenAgrippazijn schoonzoon. Ik heb hier twee zulke medailles gekocht.5Velen laken dit misschien in de Heidenen, maar maken het sommige Christenen wel veel beter, in onze dagen?—Het volgende hoorde ik in de Gereformeerde Kerk teParijs, vierende het kroningsfeest van KeizerNapoléon, zingen: “Il franchit et les monts et les mers en courroux, il arrive: (te wetenBonaparte)et semblable a la Toute-puissance, Faisant saillir le jour du milieudu cahos,Il rend le bonheur à la France, etc.” Deze buitengewone eeredienst had plaats den 29 Decemberdesvoorleden jaars 1804, en ik hebdieGezangen nog gedrukt onder mij berustende, zij zijn van eenenFabre d’Olivet.6Hij was Aartsbisschop teAlby, Hoofdstad van het: landschapAlbigeois,dans le haut Languedoc. Helaas! maaral te veel bekend door de wreede vervolgingen, den ongelukkigenAlbigensenaangedaan, in de 12de en 13de eeuw.7TeParijsvond ik in een der beste letterkundige tijdschriften een vers, dat ik gedeeltelijk hier afschrijve.Mais que j’aime la bienfaisance,De ce Cardinal adoré,Qui par son ame et sa naissance,A double titre est illustré.Grossi par les eaux des montagnes,Se debordant avec fureur,Le Tarn avoit dans ses campagnes,Detruit l’espoir du Laboureur,Tout perissait dans la misère,l’Air retintit de cris affreux.“Ah! dit le prelat généreux,Cest donc à moi qui suis leur père,A secourir ces malheureux.”Aussitôt sa main secourable,Verse à grand flots l’or sous ses pas,Et l’abondance favorable,Ranime tout en ces climats.Des qu’il parais sur ce rivage,Le peuple enivré de transports,Se jette en foule a son passage,Et fait répèter à ces bords:“Grand Dieu! dont son coeur est l’image.Repand sur lui tous tes trêsorsIl sait tropbien en faire usage.”Chacun pour lui forme ces voeux,Il partage cette allégresse,Et dans ces doux momens d’ivresse,Il est encore le plus heureux.Ah! sans doute la bienfaisance,Fut le premier Dieu des Mortels,Et ce fut la reconnaissance,Qui dressa les premiers autels.Blin Desainmore.8’t Zal onnoodig zijn, om gedurig te herhalen dat detoise6geométrischevoeten is.9De boerinnen dragen hier kleiner hoeden, doch van dezelfde stof en kleur als inProvence; hare kleeding is ook in ’t geheel niet bevallig, en ik zag hier ook op het land weinig gnappe vrouwen; doch de menschen schijnen nog al gezond en sterk.
1Ten tijde van deRomeinentelde men in de stadNismesomtrent 70,000 inwoners.
2Tempel vanDiana.
3Bijna in alle oude steden in het zuiden vanFrankrijk: vindt men naauwe en kromme straten; het komt mij voor, dat die met oogmerk zoo gebouwd zijn, om daar door den sterken zonneschijn te beletten, en veel schaduw te hebben. Hier zoo wel als teMarseille, en andere plaatsen aan dezen kant, vindt men ook veel zeilen tusschen de huizen gespannen.
4Dit wapen is getrokken uit een oude medaille, waarop een krokodil aan een’ palmboom geketend, met deze verkorte woorden:col, dat iscolonia, enNem, dat isNemausensis. Aan den anderen kant ziet men twee hoofden, verbeeldende die vanAugustusenAgrippazijn schoonzoon. Ik heb hier twee zulke medailles gekocht.
5Velen laken dit misschien in de Heidenen, maar maken het sommige Christenen wel veel beter, in onze dagen?—Het volgende hoorde ik in de Gereformeerde Kerk teParijs, vierende het kroningsfeest van KeizerNapoléon, zingen: “Il franchit et les monts et les mers en courroux, il arrive: (te wetenBonaparte)et semblable a la Toute-puissance, Faisant saillir le jour du milieudu cahos,Il rend le bonheur à la France, etc.” Deze buitengewone eeredienst had plaats den 29 Decemberdesvoorleden jaars 1804, en ik hebdieGezangen nog gedrukt onder mij berustende, zij zijn van eenenFabre d’Olivet.
6Hij was Aartsbisschop teAlby, Hoofdstad van het: landschapAlbigeois,dans le haut Languedoc. Helaas! maaral te veel bekend door de wreede vervolgingen, den ongelukkigenAlbigensenaangedaan, in de 12de en 13de eeuw.
7TeParijsvond ik in een der beste letterkundige tijdschriften een vers, dat ik gedeeltelijk hier afschrijve.
Mais que j’aime la bienfaisance,De ce Cardinal adoré,Qui par son ame et sa naissance,A double titre est illustré.Grossi par les eaux des montagnes,Se debordant avec fureur,Le Tarn avoit dans ses campagnes,Detruit l’espoir du Laboureur,Tout perissait dans la misère,l’Air retintit de cris affreux.“Ah! dit le prelat généreux,Cest donc à moi qui suis leur père,A secourir ces malheureux.”Aussitôt sa main secourable,Verse à grand flots l’or sous ses pas,Et l’abondance favorable,Ranime tout en ces climats.Des qu’il parais sur ce rivage,Le peuple enivré de transports,Se jette en foule a son passage,Et fait répèter à ces bords:“Grand Dieu! dont son coeur est l’image.Repand sur lui tous tes trêsorsIl sait tropbien en faire usage.”Chacun pour lui forme ces voeux,Il partage cette allégresse,Et dans ces doux momens d’ivresse,Il est encore le plus heureux.Ah! sans doute la bienfaisance,Fut le premier Dieu des Mortels,Et ce fut la reconnaissance,Qui dressa les premiers autels.
Mais que j’aime la bienfaisance,De ce Cardinal adoré,Qui par son ame et sa naissance,A double titre est illustré.Grossi par les eaux des montagnes,Se debordant avec fureur,Le Tarn avoit dans ses campagnes,Detruit l’espoir du Laboureur,Tout perissait dans la misère,l’Air retintit de cris affreux.“Ah! dit le prelat généreux,Cest donc à moi qui suis leur père,A secourir ces malheureux.”Aussitôt sa main secourable,Verse à grand flots l’or sous ses pas,Et l’abondance favorable,Ranime tout en ces climats.Des qu’il parais sur ce rivage,Le peuple enivré de transports,Se jette en foule a son passage,Et fait répèter à ces bords:“Grand Dieu! dont son coeur est l’image.Repand sur lui tous tes trêsorsIl sait tropbien en faire usage.”Chacun pour lui forme ces voeux,Il partage cette allégresse,Et dans ces doux momens d’ivresse,Il est encore le plus heureux.Ah! sans doute la bienfaisance,Fut le premier Dieu des Mortels,Et ce fut la reconnaissance,Qui dressa les premiers autels.
Mais que j’aime la bienfaisance,De ce Cardinal adoré,Qui par son ame et sa naissance,A double titre est illustré.Grossi par les eaux des montagnes,Se debordant avec fureur,Le Tarn avoit dans ses campagnes,Detruit l’espoir du Laboureur,Tout perissait dans la misère,l’Air retintit de cris affreux.“Ah! dit le prelat généreux,Cest donc à moi qui suis leur père,A secourir ces malheureux.”Aussitôt sa main secourable,Verse à grand flots l’or sous ses pas,Et l’abondance favorable,Ranime tout en ces climats.Des qu’il parais sur ce rivage,Le peuple enivré de transports,Se jette en foule a son passage,Et fait répèter à ces bords:“Grand Dieu! dont son coeur est l’image.Repand sur lui tous tes trêsorsIl sait tropbien en faire usage.”Chacun pour lui forme ces voeux,Il partage cette allégresse,Et dans ces doux momens d’ivresse,Il est encore le plus heureux.Ah! sans doute la bienfaisance,Fut le premier Dieu des Mortels,Et ce fut la reconnaissance,Qui dressa les premiers autels.
Mais que j’aime la bienfaisance,De ce Cardinal adoré,Qui par son ame et sa naissance,A double titre est illustré.Grossi par les eaux des montagnes,Se debordant avec fureur,Le Tarn avoit dans ses campagnes,Detruit l’espoir du Laboureur,Tout perissait dans la misère,l’Air retintit de cris affreux.“Ah! dit le prelat généreux,Cest donc à moi qui suis leur père,A secourir ces malheureux.”Aussitôt sa main secourable,Verse à grand flots l’or sous ses pas,Et l’abondance favorable,Ranime tout en ces climats.Des qu’il parais sur ce rivage,Le peuple enivré de transports,Se jette en foule a son passage,Et fait répèter à ces bords:“Grand Dieu! dont son coeur est l’image.Repand sur lui tous tes trêsorsIl sait tropbien en faire usage.”Chacun pour lui forme ces voeux,Il partage cette allégresse,Et dans ces doux momens d’ivresse,Il est encore le plus heureux.Ah! sans doute la bienfaisance,Fut le premier Dieu des Mortels,Et ce fut la reconnaissance,Qui dressa les premiers autels.
Mais que j’aime la bienfaisance,
De ce Cardinal adoré,
Qui par son ame et sa naissance,
A double titre est illustré.
Grossi par les eaux des montagnes,
Se debordant avec fureur,
Le Tarn avoit dans ses campagnes,
Detruit l’espoir du Laboureur,
Tout perissait dans la misère,
l’Air retintit de cris affreux.
“Ah! dit le prelat généreux,
Cest donc à moi qui suis leur père,
A secourir ces malheureux.”
Aussitôt sa main secourable,
Verse à grand flots l’or sous ses pas,
Et l’abondance favorable,
Ranime tout en ces climats.
Des qu’il parais sur ce rivage,
Le peuple enivré de transports,
Se jette en foule a son passage,
Et fait répèter à ces bords:
“Grand Dieu! dont son coeur est l’image.
Repand sur lui tous tes trêsors
Il sait tropbien en faire usage.”
Chacun pour lui forme ces voeux,
Il partage cette allégresse,
Et dans ces doux momens d’ivresse,
Il est encore le plus heureux.
Ah! sans doute la bienfaisance,
Fut le premier Dieu des Mortels,
Et ce fut la reconnaissance,
Qui dressa les premiers autels.
Blin Desainmore.
8’t Zal onnoodig zijn, om gedurig te herhalen dat detoise6geométrischevoeten is.
9De boerinnen dragen hier kleiner hoeden, doch van dezelfde stof en kleur als inProvence; hare kleeding is ook in ’t geheel niet bevallig, en ik zag hier ook op het land weinig gnappe vrouwen; doch de menschen schijnen nog al gezond en sterk.