Negende Brief.

Du Rivage de Vauclusel’Amant deLauraen ces mots,En s’eloignant de sa Muse,Fit retentir les Echo’s:o Toi, qui plains le delire,OnLaurea plongé mes sens,Roches, qu’attendrit ma Lyre,Redis encor mes accens.En repondant à mes plaintes,Echos, vous avez appris,Quels sont les vœux et les craintes,d’Un coeur tendre et bien epris.n’Oubliez pas ce langage;Et siLaurequelquefoisVient rever sur ce rivage,Imitez encor ma voix.Ditez-lui que de ses charmes,Tous mes sens sont occupés:Ditez-lui que de mes larmesToujours mes yeux sont trempés,Ma voix ne chantera qu’elle,Mon souvenir ne seraQu’un miroir pur et fidele,Où l’amour me la peindra.Dites-lui, que son imageMa suivra dans le sommeil,Et recevra pour hommageLe soupir de mon Reveil;Que mon oreille attentiveCroira sans cesse écouterLes sons, que sa voix plaintiveVous fit cent fois repêter.Jurez lui qu’envain les graces,Viendraient pour me consoler:Que les amours sur mes tracesSans cesse auraient beau voler.à Leur troupe enchanteresseJe dirais, dans ma douleur,RendezLaureà ma tendresse,Ou laissez couler mes pleurs.Insensible à tout loin d’elle,Rien ne flatte mes Desirs:Je me croiras infidèleDe goûter quelques plaisirs.Sur une rive étrangère:Où le destin me conduit,Une esperance lègèreEst le seul bien qui me suit.Mais siLaurem’est ravie,Si je ne dois plus la voir,Je perdrai bientôt la vie,Quand j’aurai perdu l’espoir.Puisse la parque appaiséeMe laisser après ma mort,Préférer à l’EliséeLes Ombrages de ces bors.Negende Brief.Marseille, 10 Augustus.Deze stad bevalt mij, en zal den meestenHollanders, vooral den kooplieden, oppervlakkig wel bevallen; doch in dit saisoen is het ’er vrij warm, dus, als men wat zien wil, moet men den morgen en avondstond waarnemen; ik begon dan met den 7 dezer ’s morgens om 6 uren reeds uit te gaan; het eerste, dat ik ging bezigtigen, was de haven en de fraaije kaai, die dezelve aan drie kanten omringt. Zij lag vol schepen, doch de meesten waren om den oorlog onttakeld, rondom zijn een menigte winkels, pakhuizen, scheepstimmerwerven enz. Overal ziet men matrozen en zeelieden van onderscheidene natiën.—’tWas als of ik door den slag van eene tooverroede zoo eensklaps in eene van onze voornameHollandschekoopsteden gevoerd was. Een goed gedeelte van deze kaai, vooral daar waar het koren gemeten wordt, is zeer netjes met kleine steentjes of klinkers gestraat. Hier ziet men ook een soort van kraan, om de masten in de schepen te zetten; deMarseillanentoonen dat den vreemden als iets bijzonders; doch mij dunkt, dat ik diergelijke werktuigen bij ons op meêr dan eene plaats gezien heb. Aan het eind van de haven, waar die aan zee uitkomt, wordt dezelve aan de zuidzijde beschermd, door het FortNotre Dame de la Garde, dat op den top van een’ heuvel ligt, en een gedeelte van de reede bestrijkt, en lager door de citadelSt. Nicolas. Aan de noordzijde is hare ingang gedekt door het FortSt. Jean. Ik verwonderde mij, dat ’er aan het eind geen ophaalbrug was, men moet zich met schuitjes, die men daar doorgaans vindt, van den eenen kant naar den anderen over laten zetten, of terug keeren; ik verkoos het eerste. Deze haven is, volgens de beschrijving, daar van zijnde, 500toisen(3000 voeten) lang, en 200toisen(1200 voeten) op haar breedst; men rekent, dat zij omtrent 800 schepen van onderscheide grootte kan bergen. Aan de noordzijde van de haven, zijn onder andere verscheide winkels van drogisten en kooplieden in koraal, die bij het stadjeCassis, omtrent 4 mijlen ten Z.O. vanMarseille,aan den oever van deMiddellandsche zeegelegen,gevischt wordt. Aan dezen kant staat ook het Stadhuis, waar de beurs onder is. Ik ontmoette verscheide kooplieden in Oostersche kleding, als Grieken, Turken en Joden, vanSmirna,Aleppo,Alexandrieen vooral ook van deBarbarijscheKusten, waarmede deMarseillanenzeer veel handel drijven. Aan het eind van dezen kant van de haven lag ook een menigte schuitjes, geladen met citroenen en oranges, zoo als bij ons met aardappelen: zij komen van de plaatsen rondom aan deMiddellandsche zee; de vrouwen die ’er bij waren, hadden de haren in een zwart of rood zijden net met breede linten van dezelfde kleur, die op de schouders afhingen. Niettegenstaande de grond, rondomMarseille, dor en onvruchtbaar is, was de groenmarkt rijkelijk voorzien; doch deze overvloed is thans ook buitengemeen, en de overvloedige regen, dien wij gedurende eenigen tijd gehad hebben, was daar de oorzaak van. Meloenen in soorten zijn hier zeer overvloedig, en daar onder die zeer geurig en lekker zijn, ook ziet men ’er in menigte een soort van groote ronde pompoenen, die men hierCourges, in hetpatois Provencal Cougourde, noemt, men vindt ’er die over de 150 ponden wegen1, deze worden meest gebruikt om soepvan te koken; en met vleeschnat ’er bij, is die niet onsmakelijk. Ook vindt men hier in overvloed een gewas, dat menAubergines2, en een ander dat menpommes d’Amour3noemt; deze worden hier zeer veel gegeten, doch ik vond ’er niet veel lekker aan, vooral niet aan de eerstgenoemde, die doorgaans in olij gebakken worden: met depommes d’Amour, maakt men nog al smakelijke rinsche sausen. Op het midden van de groenmarkt staat eene fraaije fontein, en wat verder, eene groote loots, in den smaak van eenChineeschetent, met een tuintje rondom: men noemt hetle Pavillon chinois. Deze tent is een koffijhuis, waar debeau mondevanMarseillezoo Dames als Heeren, ’s avonds bij elkanderen komen, omGlacesen andere ververschingen te gebruiken; van binnen is het fraai en netjes opgeschikt met spiegels, schilderwerk enz., en daarbij wel verlicht. Dit paviljoen is hetFrascativanMarseille: de stijve welvoeglijkheid wordt ’er dan ook zeerinacht genomen; men moet eenigzins naar de mode opgeschikt zijn, en zijn hoed afleggen; ook ziet men ’er niets anders dan een menigte strijkaadjesen dienaressen. Rondom aan kleine tafeltjes gezeten, fluistert men zachtjes tegen elkander, en en het is duidelijk te zien, dat het eene groepje zich bezig houdt met op het andere te letten. Ik vind anders deze soort van bijeenkomsten wel goed, men ziet elkander met weinig kosten; doch wilde dezelve meer in een’ burgerlijken en gemeenzamen trant hebben, en op die wijze zouden zij ook, dunkt mij, veel kunnen toebrengen, om het genoegelijke der zamenleving in ons Vaderland te vermeerderen; des goedvindende, zou men ’er ook meêr bepaalde bijeenkomsten of societeiten van kunnen maken, en ’er zelfs een boekerij bijvoegen; want het spel behoorde ’er, mijns bedunkens, niet toegelaten te worden: en waren diergelijke societeiten dan niet beter, dan die, welke alleen uit mannen bestaan, en in bijna alle onze Vaderlandsche steden maar al te veel zijn ingevoerd?—Was het niet beter, dat de huisvader ’s avonds met zijn vrouw en kinderen onder andere huisgezinnen, zoo als gezegd is, indien men het verkiest, bepaald tot een’ zekeren kring, een uurtje uitspanning ging nemen, dan dat hij alleen naar zijn societeit of collegie gaat, en zich bijna alle avonden, zoodra zeker uur daar is, en dat is al vroegtijdig, haast, om zijn huisgezin te ontloopen, en zijne vrouw en kinderen aan zich zelve overlaat. De kinderen, over welke de moeder dikwijls niet veel gezag heeft lopen, dan ook links en regts, en de vrouw ... wel deze verveelt zich ook natuurlijkerwijze dikwijls in de eenzaamheid, daarzij toch niet altijd in hare huishouding bezig kan zijn. Veeltijds is het laat in den nacht, eer vader uit zijn societeit of kollegie t’huis komt, terwijl moeder en de kinderen, die gemaakt hebben, dat zij een half uurtje te voren binnen waren, al slapende en geeuwende met het avondeten zitten te wachten. De man dikwijls door het spel of den wijn buiten zijn gewone humeur, (want wat wordt ’er anders al in die gezelschappen gedaan, dan gespeeld en gedronken,) zonder juist een speelder of dronkaard te zijn, is hij dan ook het aangenaamste gezelschap noch het beste voorbeeld niet. Deze bijeenkomsten voor mans en vrouwen wilde ik zomers buiten de stad in een aangenaam gelegen tuin, bij fraaije en liefelijke wandelingen hebben, waar tevens gelegenheid was tot eenige gezonde ligchaamsoefeningen als kaatsen, kegelen, in het touwtje springen, en diergelijke; ’s winters kon men hiertoe een geschikte zaal in de stad verkiezen; doch pracht en luxe moesten ’er verbannen zijn, en alle aanleiding tot verkwisting en buitensporigheden ten eenemaal afgesneden worden. Ligt Vaderlands bier, mij dunkt ik zie reeds hoe onzemodepopjes den neus hierbij optrekken4, prijs ik voor den gewonen drank aan. Men kon zichhier ook van tijd tot tijd in de muzijk oefenen, en Vaderlandsche liederen zingen, ter eere van onze Vaderlandsche Helden en groote Mannen, en ter aanmoediging van Vaderlandsche en huisselijke deugden5.—Onze natie weet nog niet genoeg den middelweg te houden tusschen het stijve, stroeve, ernstige en het losbandige, en mist daardoor vele genoegens der zamenleving, waartoe zij anderzins, door haar in zeer veel opzigten boven dat van andere natiën uitmuntend karakter, bij uitnemendheid toe geschikt is.De nieuwe stad (la ville neuve) vanMarseilleis zeer fraai: ruime, luchtige en regte straten, veelal aan beide zijde met een eenigzins verheven wegje voor de voetgangers (trottoir), daarbij vrij zindelijk en wel gestraat, op verscheide plaatsen regelmatig, met fraaije huizen bebouwd; dit alles geeft aan dit gedeelte, dat vrij groot is, een allerbevalligst aanzien. Vooral munt daar in uit de lange regte straat waar ik u reeds van gesproken heb, loopende van de poort vanAix, tot de poort vanRome, dat is, van het noorden tot het zuiden: deze straat is wel een half uur gaans lang, van het eene eind tot het andere; ter plaatse vande Coursis zij vrij breed; de wandelingen in het midden en aan beide zijden met een’ rij ijpen bomen, doch die ’er niet zeer tierig uitzien,beplant, en versierd met een paar fraaije fonteinen, die overvloed van water schijnen te geven; dit is ook het laagste gedeelte van de straat, en naar de poorten, aan beide zijden, gaande klimt men op, vooral naar de poort vanAix. Ik zal denkelijk wel gelegenheid hebben, om u een gezigt van dit gedeelte der stad te doen toekomen. De oude stad bijna geheel tegen de helling van een’ heuvel aan de noordzijde van de haven gebouwd, heeft de gebreken van meest alle de oude steden, die ik in het zuiden vanFrankrijkgezien heb; de straten zijn naauw, krom en donker, hier is het bijzonder morsig, en de stank alleronaangenaamst; door de leerlooijerijen en zeepziederijen, die men hier in menigte vindt. Het onderscheid tusschen de nieuwe en oude stad is zoo groot, dat iemand, hier niet bekend zijnde, en op bijzondere tijden, langs bijzondere wegen, in de twee gedeeltens dezer stad gebragt wordende, zou denken, dat deze twee plaatsen eenen aanmerkelijken afstand van elkanderen gelegen waren. Men heeft nog andere wandelingen in de stad, dat is te zeggen, breede straten met eenige rijen boomen beplant; men noemt ze deBoulevards, enles allées de Meillan. Op verscheide plaatsen in de stad, treft men fraaije fonteinen aan. De vischmarkt is een mooi nieuw gebouw, rustende op 30 zware, geelachtige steenen pijlaren: men leest op de voorzijde van de kap (facade)Halle,Charles de la Croix, an. XII.Marseille.Marseille.Nu hebben wij de stad te samen eens doorgeloopen; ik begin daar gemeenlijk mede, als ik op vreemdeplaatsen kom, om eerst eene oppervlakkige kennis van de ligging te krijgen, eer ik de dingen van stuk tot stuk beschouw. Een leidsman of wegwijzer neem ik zelden: als men den weg wil leeren kennen, moet men alleen gaan: kan men een plan bekomen van de plaats, waar men zich bevindt, zoo veel te beter, en anders maar vragen. Een oplettend reiziger teekent, eer hij op reis gaat, zoo veel mogelijk op, wat ’er hier en daar aanmerkenswaardig te zien is, en dan komt men met vragen, zoo men geene kennissen heeft, in de koffijhuizen en logementen, of bij de opzienders van boekerijen en natuur- of konstverzamelingen, al vrij wel te regt. Men neemt een toren, markplaats of aanzienelijk gebouw voor hoofdbaak, den naam van het logement, de straat, en zoo de stad groot is, de wijk, waar het in staat, teekent men op, en weldra leert men de onderscheide toegangen naar hetzelve kennen. Zijn ’er in of om de stad hoogtens, van waar men dezelve overzien kan, des te gemakkelijker krijgt men begrip van de ligging. Op zulk eene wijze vind ik den weg in de grootste steden, en dat binnen weinige dagen, zonder bijna te vragen, en ik zie zeldzaam iets bezienswaardigs over het hoofd; terwijl men een’ leidsman of huurknecht hebbende, alleen op hem vertrouwt, veel minder rond-, en dus veel voorbij ziet; ook houden die snaken u doorgaans met een menigte beuzelachtige, verdichte of opgesierde vertellingen bezig, leiden u om, om den tijd te rekken, en laten slechts dat gene zien,dat zij verkiezen. Kortom, men is van die menschen afhankelijk, en dat alleen is al genoeg, waarom het met mijne geaardheid strijdt. Als men alleen wandelt, loopt men links of regts, men is ongestoord in zijn opmerkingen, en staat te kijken, waar en zoo lang men wil; dan vraagt men eens, en dan maakt men met den een of ander een praatje, en ik moet tot lof van deFranschenzeggen, dat zij over het algemeen vriendelijk zijn om de vreemdelingen te onderrigten; onze landgenoten anders zoo gereed om nateäpen, zouden wel doen van hun voorbeeld in dit opzigt wat meêr te volgen. Ik veroorlof mij ook al ligt, om in alle plaatsen of gebouwen, die ongesloten zijn, en mij bezienswaardig voorkomen, in te loopen, doch ik ga ook zonder tegenzeggen terug, zoodra men het vordert; en hier bij heb ik mij altijd wel bevonden.—Een goede mate van vrijpostigheid is den reizenden noodzakelijk.Den 8 dezer, ging ik ’s morgens al weder zeer vroegtijdig uit. Aan den kant van de poort vanRome, zag ik verscheidene muilezels, die zeer aardig waren opgeschikt met groote pluimen op den kop, en hebbende aan het hoofdstel, onder andere sieraden, kleine spiegeltjes; zij hadden bellen of klokjes aan den hals, en een net met voedsel aan den bek; de koopmanschappen, die zij droegen, waren met een soort van tapijt gedekt, en de voerlieden van deze karavane schenenItalianen; alle die bellen maakten een aardig klokkespel. Ik zag ook een kudde melkgeiten, insgelijks met klokjesaan den hals, die een man door de stad dreef; de lieden, die melk noodig hadden, kwamen op het gebel buiten, zoo als bij ons, als de melkboer tweemaal belt; en ’er werd dan zoo veel gemolken als zij vroegen; dit is hier noodzakelijk, omdat de melk door de warmte zoo schielijk bederft; insgelijks staan de boeren ’s morgens hier en daar in de stad met hunne koeijen, die zij van tijd tot tijd, als ’er zich koopers opdoen, melken. Deze koeitjes zien ’er schraal uit, en geven niet veel; want tusschen de rotsen rondomMarseilleen dePurmerofBeemster, is een groot onderscheid. De boter is hier dan ook zeer schaars, en die ’er nog is, ziet wit als onze hooiboter, en heeft min of meêr een’ ongelachtigen smaak. In de straat vanRome, aan den hoek van een klein straatje, voor het huis van een Apotheker, zag ik, dat men bezig was om aan een fontein te werken, men had daar onlangs een wit marmer borstbeeld opgezet; het stond op een voetstuk van blaauw marmer, doch ’er was nog geen opschrift op; de gevel van het huis van den Apotheker, die met beeldhouwwerk versierd was, werd tevens opgemaakt. Ik giste, dat hier de vermaardeMarseillaanschebeeldhouwer, bouwmeester en konstschilderPugetgewoond had, en men zijn borstbeeld op de fontein plaatste; om hier zeker van te zijn, trad ik in de pillenvergulders-winkel, en bevond, dat ik het geraden had. Van stadswegen werd hier dat gedenkteeken, ter eere van dien te regt beroemden kunstenaar opgerigt. Met genoegen bespeurdeik, dat de Apotheker hier omtrent ook niet ongevoelig was, want hij zeide, met eene zigtbare tevredenheid: “Oui Monsieur! j’habite la maison du celèbrePuget.” Het beeldhouwwerk in den gevel was van den kunstenaar zelven, en men leest ’er:Salvator mundi miserere nobis6; en wat lager:Nul bien sans peine7. Het borstbeeld op de fontein scheen mij fraai uitgevoerd te zijn. Lof zij de regering vanMarseille, die zoo doende de kunsten aanmoedigt.—Hier omtrent zijn wij Bataven ook ellendig achterlijk, en wat hebben wij een ruime stof! getuigen onder andere, helaas! de rijke buit van schilderstukken in het Museum teParijs.—en waar vindt men bij ons een openbaar gedenkteeken ter eere van een eenigen van zoo vele roemruchtige kunstenaars, Hoe schadelijk is ook in dit opzigt die koude onverschilligheid, die verachtelijke slaperigheid onzer landgenoten niet!—Moeten wij ons niet schamen voor onze naburen deEngelschenenFranschen, zoo wel als voor de bewoners van sommige gedeelten vanDuitschland, bij welke laatste de kunsten en wetenschappen, sedert naauwelijks een halve eeuw, zulke aanmerkelijke vorderingen gemaakt hebben; en waar anders door dan door een’ geest vanPatriottismeen edelenNational-Stolz: terwijl wij in zoo vele vakken schier dagelijks achter uitgaan. Ik weet wel, dat de tijden zeer ongunstigzijn, doch ik weet tevens, dat dit een des te sterker prikkel behoorde te zijn, om alles aantewenden, wat eenigzins strekken kon, om ’s Lands luister te herstellen, de kwijnende kunsten en wetenschappen, handwerken en fabrieken optebeuren, en daar door meêr en meêr zoo vele verstopte bronnen van onze welvaart te openen. Deze uitweiding zou mij haast doen vergeten, om nog het een en ander aangaandePugette zeggen, dat ik toch doen wil, om u de moeite te sparen, van sommige schrijvers of woordenboeken te doorbladeren, daar ik uwe belangneming heb gaande gemaakt: weet dan, dat deze man hier in 1622 geboren werd, en geene geldmiddelen hebbende, genoodzaakt was, om zich op het een of andere kunst- of handwerk toeteleggen; hij wierd dan als kweekeling in de beeldhouwkunde, bij het Arsenaal dezer stad opgenomen; al spoedig maakte hij vorderingen, en zijn kunde ontwikkelde zich vooral inItalië. In 1653 kwam hij weder teMarseilleterug; en na deze stad,GenuaenToulon, en de kunsten in het algemeen8, door zijn beeldhouw-, schilder- en bouwkunde aanmerkelijk te hebben verrijkt, stierf hij in 1694, en alzoo het 72 jaar zijns ouderdoms, in zijne geboortestad. Zijn zoonFrancois Puget, was ook een goed schilder.Verder voortwandelende, zag ik in die zelfde wijk,naar het mij voorkwam, eene andere fraaije fontein, bestaande uit een kolom van granit of gespikkeld marmer, volgens de Jonische order, rustende op een rood marmeren voetstuk; boven op den kolom stond het borstbeeld vanHomerus, en op het voetstuk las men aan den eenen kant:Les descendans des Phocéens àHomère, en aan den anderen kant:Le GeneralBonaparte,premier Consul etc.Charles de la Croixprefet etc. Aan den kant van deBoulevardwas men bezig om een nieuwen Schouwburg, tot het vertoonen van kleine stukjes,Vaudevilles etc.te bouwen. Hij was bijna voltooid, en men moest ’er met den aanstaanden winter nog in spelen. De smaak voor het tooneel neemt nog dagelijks meêr en meêr toe onder deFranschen; doch mijns bedunkens is het de regte smaak niet; het schouwspel strekt bijna geheel ter voldoening van hunnen ligtzinnigen smaak, terwijl men het nut, ik meen hetmoreelenut, niet genoeg in het oog houd. Men was ook niet ver van hier in een gebouw, voorheen een Kerk, bezig met een luchtbol (ballon) te maaken, die al vrij groot was, een man te paard zittende, ik meen den vermaardenBlanchardzelven, moest daar binnen eenige dagen mede opstijgen. Men zou, dunkt mij, ook wel doen, om van dat gevaarlijk luchtreizen, waarin men het toch nooit verder schijnt te zullen brengen, aftestappen, om liever het geld, dat daar aan verkwist wordt (en dit bedraagt zeker eene aanmerkelijke som, want men houdt zich vooral inFrankrijknog zeer veel metluchtbollen bezig) aan de aarde, waar van de bewerking nog voor zoo veel verbetering vatbaar is, te besteden: behalve dat, vind ik alle spelen of vertooningen, waar bij menschen, alleen om de aanschouwers te vermaken, hun leven of gezondheid wagen, zoo als luchtreizigers, koorddansers, paardrijders en diergelijken, in eene maatschappij, daar de goede order gehandhaafd wordt, ten eenemaal ongeoorloofd. Ik bezag eenige Kerken, doch vond ’er weinig bezienswaardig; in een van dezelve was een man in Turksche kleeding, en met een tulband op het hoofd, die zeer devoot de mis scheen bijtewonen; en behalve het ontdekken van zijn hoofd, dezelfde plegtigheden in acht nam als de anderen. De warmte was vrij dragelijk, en ik kon genoegzaam den geheelen dag wandelen; terwijl ik den vorigen dag verpligt geweest was, om mij op het midden van den dag in huis te houden.Krediet-brieven aan een’ koopman alhier hebbende, had ik gelegenheid, om naar den staat van den handel eenig onderzoek te doen. Het schijnt ’er ook hier in dit opzigt ellendig uittezien: deAmerikanenenSpanjaardenwaren de eenigste, waarmede men nog iets deed; deLevantschenhandel, die hier de voornaamste tak van commercie uitmaakte, en waar toe alleen eenige honderde schepen gebezigd werden, is door den oorlog schier geheel werkeloos, en met deBarbarijschekust,Maroccoenz. beteekent het ook zeer weinig, en geld en krediet ontbrak ’er algemeen, naar men mij verzekerde. DeMarseillanenplagten ook veel met deEngelschenenHollanderste handelen, maar ook deze handel staat thans genoegzaam stil. Verscheidene kooplieden, die ik sprak, en in hunne bezigheden zag, kwamen mij voor, wat hunne geaardheid aanbelangt, dezelfde soort van menschen te zijn, als de onze teAmsterdam,Rotterdamenz.; en men zou in een kantoor of pakhuis teMarseillezijnde, waar Kooplieden, Makelaars, Kantoorbediendens, Pakhuisknechts, enz. onder elkanderen bezig zijn, indien ’er geenFranschgesproken werd, zich zeer wel kunnen verbeelden, dat men inAmsterdamofRotterdamwas. Goedkoop koopen, ’en duur verkoopen, is altijd de hoofdbedoeling en de beweegoorzaak van hunne daden en verrigtingen, en dit bedrijf schijnt eenen aanmerkelijken invloed op het karakter te hebben; echter meen ik, zonder partijdig te zijn, wat aanbelangt de ijver, orde, naauwkeurigheid, en vooral ook de goede trouw, mijnen landgenooten de voorkeur te mogen geven. De kooplieden vanMarseilleschenen in ’t geheel niet in hun schik met het tegenwoordig Gouvernement, en beschouwden het als een krijgsbestuur (Gouvernement-militair) nadeelig voor den koophandel,Bourbons-gezind schenen zij echter over het algemeen ook niet; het oude Aristocratisch-Republikeinsche zit ’er misschien nog wel wat in, vooral als de vrijheid en onafhankelijkheid opzigtens den handel daar door kon begunstigd worden; met één woord, de geest van koophandel (esprit de commerce) schijnt ’er, de algemeene geest (espritpublic). Het nieuweFranschegewigt scheen hier ook weinig in gebruik; nu ik geloof ook, dat men moeite zal hebben, om, en wel de vreemdelingen vooral, daar aan te gewennen. Hier ziet men bijna in ’t geheel geen balance en gewigt, zoo als bij ons en elders inFrankrijkin gebruik, en men verkoopt veel bij het pond, zelfs tot de houtskolen toe, alles wordt schier gewogen aan ijzeren of houten staven, die de zwaarte aanwijzen, door een ijzeren of koperen bol, die men op zekere merken schuift9. In de winkels hangt deze staf doorgaans op een bepaalde plaats, met eene schaal ’er aan, doch anders heffen twee menschen die aan een stok op de schouders op, met de goederen die men ’er aanhangt; zoo weegt men in de pakhuizen en op de kaaijen, bij het afleveren van goederen enz. De goederen Worden hier meestal gedragen, door mannen, die menporte-faixnoemt. Zij dragen op den rug en met twee aan een boom, doch niet zoo als bij ons de bierdragers achter elkander, maar naast elkander; zij hebben groote ronde hoeden op, en daar aan hangt een kussentje, dat hun in den hals ligt, hier op rust de draagboom. Ik geloof, dat op die wijze het geheele lichaam meer draagt, en het alzoo gemakkelijker is, dan dat de boom maar op eene schouder rust. Deze lieden maken een soort vanGilde uit, zoo als bij ons de zakkedragers, dat menle corps de porte-faix10noemt. Hunne hoofden, die ’er goede order onder houden, bezitten in eene ruime maate het vertrouwen van de kooplieden, en schijnen zich dat vertrouwen ook waardig te maken.’s Avonds ging ik in den grooten Schouwburg, die digt bij mijn logement, regt over de straatBeauvau, is, zoo dat defacadeeene fraaije en prachtige vertooning maakt, en het heeft daar door wel wat overeenkomst met het van binnen uitgebrandeThéatre de l’OdéonteParijs. Deze Schouwburg is naar het bestek vanBenardin 1787 gebouwd. Van binnen is deze zaal fraai, doch men kan in hetparterreook niet zitten, dan op een enkele bank rondom; men betaalde ’er ook maar 25sous. Ik bleef ’er slechts zeer kort, want het was ’er warm, zoo dat ik schier zweette van het zien dansen, dat anders vrij wel was; men zeide mij ook, dat zij in de balletten uitmunten; maar dat het overige niet veel beteekent. Fraaije Koffijhuizen vindt men teMarseillein menigte, zoo rondom deCoursen bij den schouwburg, als elders;le Caffé du Commerce, in de straat deBeauvau, is een van de beste; de ververschingen zijn ’er niet duur. IJs wordt hier ook zeer veel gebruikt, men betaaltde glace11tien à twaalf stuivers.Den 9 dezer, werd ik ’s morgens gewekt door een kanonschoot, die bij het openen van de haven van een der forten gedaan wordt. Ten vijf uren ging ik reeds uit, en alles was al in beweging. Ik klom op den berg, daar het fortnotre Dame de la Gardeop gelegen is; men heeft van daar een allerschoonst gezigt over de stad, de omstreken, en op de zee. Ten tijde, dat deRomeinschelegioenen zich hier bevonden, moet ’er een aanzienelijk bosch op dezen berg geweest zijn; oude schrijvers althans spreken daar van; thans is ’er niets, dat naar een bosch gelijkt, op te zien; de grond is dor en steenachtig. Hier omstreeks heeft men nog een anderen berg of heuvel, die men thans den bergBonaparte(la montagneBonaparte) noemt; men heeft pas een nieuwen weg gemaakt, langs welken men ’er zeer gemakkelijk opklimmen en omwandelen kan. In het opklimmen las ik op een bordje een verbod om de boomen en struiken op deze wandeling niet uit te rukken of te beschadigen—geene wet zal ’er beter nagekomen worden dan deze; want ’er is geen boompje of struikje op den ganschen berg te zien, en ik geloof niet, dat ’er ooit boomen of struiken, van eenig belang op zullen groeijen, omdat het genoegzaam niets anders is dan rots of stukkensteen; boven op heeft men nogthans een allerverrukkendst gezigt, vooral ook in de haven en op den berg aan den overkant, waar tegenzich de huizen van de oude stad als een Amphitheater vertoonen. In de zee zag ik een enkel visschersschuitje; anders was het in deze, in vredestijd zoo drokke, zeehaven dood stil. Aan den voet van den berg, waar men denzelven opklimt, is een fraaije fontein met een Jonische kolom, waar op het borstbeeld vanBonaparte, van wit marmer; op het voetstuk dat met twee witte marmerenbas-reliefspronkt, verbeeldende het eene eenige merkteekens van den koophandel, en het andere van den wijnoogst, leest men:ABonapartevainqueur et pacificateur Marseille reconnaissante12. Verder blijkt uit het opschrift, dat dit gedenkteeken onder het bestuur van denprefetCharles de la Croix, die, inHollandzijnde, zoo een groote voorstander scheen van een Demokratisch bestuur, is opgerigt. Dit alles is door een fraai ijzer hek omringd, en deze fontein staat aan het eind van een vrij lange pas beplanten laan, te weten aan iedere zijde met eenen rij boomen, die voor een algemeene wandeling moet dienen, makende alzoo eene fraaije vertooning. Langs de haven wandelende, zag ik, dat men daar bezig was, om met een werktuig, dat ik mij niet herinner van bij ons gezien te hebben, het slijk uittebaggeren; dit werktuigbestond uit twee groote baggerhaken, ten naasten bij zoo als die in het klein zijn, waar onzer baggerlieden mede arbeiden, zij worden door windassen, die bewogen worden door lieden, die in een rad loopen, bestuurd, zoo dat de eene telkens naar beneden, en de andere naar boven gaat; de scheppers van deze baggerhaken zijn van onderen met een klep, die met een klink sluit; deze klep opent men door middel van een haak, en loost zoo den modder in een schuit, die ’er onder ligt. Dit werktuig slaat op een vierkante bak of schuit, en ik zag ’er zoo verscheidene liggen. Dit schoonmaken van de haven is zeer noodzakelijk, om dat het slijk en de vuiligheid uit de stad ’er in uitloost, en ’er heeft geene doorspoeling plaats, daar het water altijd stil staat; want, gelijk gij weet, in deMiddellandsche Zeegaat geen ebbe noch vloed. Het kan dan hier langs de haven, vooral als het heet is, wel eens onaangenaam rieken, zoo datMarseilleook in dit opzigt eenige overeenkomst heeft metAmsterdam. Maar zeldzaam gebeurt het dat het water hier hooger of lager wordt, en dan is die verandering nog maar van weinig belang. De kaai is slechts weinige voeten boven water, zoodat men van daar gemakkelijk in de schuitjes, waar men mede overvaart, stapt. Indien de bovengemelde baggerwerktuigen bij ons niet bekend mogten zijn, was het dunkt mij der moeite wel waardig, dat men ’er onderzoek na deed, en ’er eene naauwkeurige afteekening van trachtte te bekomen; want immers zoudenzij bij ons op verscheidene plaatsen met veel vrucht kunnen gebezigd worden. Ik dacht, dat de vette modder, dien men hier uitbaggerde, gebruikt werd, om de onvruchtbare steenachtige gronden, rondom deze stad te bemesten, daar de bemesting hier zoo schaars en tevens zoo noodzakelijk is; maar neen, men wierp die op eenen zekeren afstand van de stad in zee, en zelfs scheen men vrij algemeen staande te houden, dat deze slijk of modder in ’t geheel niet deugde, om de gronden te verbeteren. Dat dezelve in een of twee jaren de vruchtbaarheid niet bevordert, is zeer wel mogelijk, doch na verloop van eenigen tijd, ben ik wel verzekerd, dat zij op deze barre gronden, behoorlijk bewerkt zijnde, zeer nuttig moet zijn, en indien ik hier woonde, en de vereischte gelegenheid had, twijfel ik niet, of ik zou ’er met goed gevolg wel gebruik van weten te maken; doch ook in dit opzigt zijn verkeerde begrippen en kwade gebruiken niet gemakkelijk te veranderen. Zoo gaat het bij ons met de straatmest, asch enz. In ons vaderland hebben wij zoovele onbebouwde gronden, die slechts bemesting en matigen arbeid vorderen, om het een of ander, al was het maar dennenhout en aardappelen voorttebrengen. De deerniswaardige bewoners van onze zeedorpen vooral, lijden bitter gebrek, en vergaan hier en daar bijna van honger, en ondertusschen twijfel ik niet, of men vervoert altijd nog de straatmest, asch enz. uitden Haag, Leijden,Haarlem, enz. naarBraband, in plaatsvan ze door die ongelukkigen te laten weghalen, om ’er de nabijgelegen duinen mede te bemesten, en ’er aardappelen, die ’er ongetwijfeld goed in groeijen, in te zetten. Ik weet wel, dat de bevordering van den landbouw en fabrieken, in ’t geheel niet met den algemeenen handelgeest in ons vaderland strookt; doch ik weet tevens ook, dat welke de redenen ook zijn mogen, die men tot staving van dat denkbeeld, als strookende zelfs met het algemeen belang, moge aanvoeren, dezelven althans in oorlogstijden, niets afdoen, en sedert hoe vele jaren, en hoe dikwijls is de oorlog, helaas! ons lot niet. In vredestijd brengt de koophandel, wel is waar, schatten aan, maar schatten maken ook de afgunst en begeerten onzer nabuuren gaande, en geven aanleiding tot weelde, en dus ook tot zedenbederf; daarenboven blijven deze schatten doorgaans maar in een gedeelte van het land in omloop, en verrijken maar een zeker aantal van deszelfs inwoners. De landbouw, en ook de fabrieken, te weten van kleeding en andere stoffen, die wij voor eigen gebruik noodig hebben, zijn minder voordeelig in het aanbrengen van rijkdommen, doch ook een zekerder middel ter algemeene verschaffing van het noodzakelijke, en alzoo ter behoeding van gebrek—zoo veel mogelijk onafhankelijk te zijn van de omstandigheden, is voor ons van vrij wat meer belang, dunkt mij, dan rijkdom, dien wij toch ook niet aanhoudend en rustig kunnen blijven bezitten; maar al dikwijls moeten wij zien, dat vreemden de vruchten van onzen, arbeid en spaarzaamheidinoogsten.—Dit althans, houde ik voor zeker, dat ook ten dezen opzigte de waarheid in het midden ligt, en het alzoo noch redelijk, noch staatkundig is, om den koophandel alleen, ten koste van de landbouw en fabrieken, te willen staande houden.—Wat zegt gij, Vriend! zijt gij het hier omtrent niet volkomen met mij eens?1Naar men mij verzekerde, vindt men ’er somtijds, die meer twee centenaars wegen; verscheide heb ik ’er op de markt gezien, die een kloek man niet alleen op zijn hoofd kon brengen, om weg te dragen.2Een soort van Eijerplant (solanum), doch die men hier gebruikt, zijn violet van kleur en langwerpig.3Een orange kleur platachtig geribt appeltje, omtrent zoo groot als de palm ven de hand, zeer sappig en vol pitjes, het groeit aan een laag plantje. Ik heb het bij ons ook wel in de tuinen gezien, doch ken ’er den,botanischennaam niet van.4Ondertusschen is dit ook teParijsde algemeene mode, en men ziet daar zelfs, vooral zomers, in de fraaije koffijhuizen van hetPalais Royal, en elders doorelegante Dametjesenpetits maitresbier drinken, en wel met de fles of kruik.5Zulk zingen is nuttig en aangenaam, en waarom is het Liederenboek van de JuffrouwenWolffenDekenniet meêr algemeen in gebruik?6Zaligmaker der wereld ontferm u onzer!7Geen goed zonder moeite.8DeMilonen deAndromedadie men teVersaillesziet, zijn ook vanPuget.9InBataafsch Brabandworden diergelijke werktuigen, om te wegen, veel onder de landlieden gebruikt, en zijn daar bekend onder den naam van ponders of unsters.10Het ligchaam der zakkendragers.11Un glacenoemt men een glaasje met bevrozen room,en zuiker of sap van vruchten, zoo als van aardbeziën, persiken, abrikosen enz. ook wordt dit sap, in vormen gegoten zijnde, wel aan stukjes verkocht, en dit noemt menglaces en brique.12AanBonaparte, overwinnaar en bevrediger, isMarseilleerkentelijk.Tiende Brief.Marseille, 13 Augustus.Ons voornemen zijnde, om van hier een uitstapje naarToulonenHièreste doen, gingen wij naar het stadhuis, om onze passen te laten teekenen,viseeren, daar dezelven maar totMarseillegegeven waren. Onder het stadhuis, zoo als ik u gezegd heb, is de beurs, die menla logenoemt, het is een ruime zaal; dagelijks na den middag vergaderen de kooplieden daar in, en de onderscheideOosterschekleedingen, die men ’er ziet, leveren voor lieden, die daaraan niet gewoon zijn, een vreemd verschijnsel op. Boven den hoofdingang van het stadhuis ziet men nog de overblijfsels van het fraaije Koninklijke wapenschild doorPuget1, en ter zijde, van denzelfden meester, eenbas-reliefverbeeldendeSt. Charlesde Borromæus, Aartsbisschop vanMilaan, zorg dragende voor de pestzieken; beiden zijn van wit marmer, en voor meesterstukken bekend,doch aan het wapenschild is ’er weinig meêr van den bijtel vanPugetovergebleven; men ziet hier ook nog drie anderebasreliefs, aan beide zijden van den ingang zijn ’er twee, onder een van dezelve, waarop een Haan, heeft men na de omwenteling doen graveren:Le salut de la Republlque tient à la Vigilance, en onder een ander:au vainqueurs du dix Août. Men was bezig met den voorgevel van het stadhuis te herstellen, en schoon te maken. In het portaal van hetzelve tusschen de twee trappen, ziet men het Standbeeld vanBayon, bijgenaamdLibertad, omdat hij de stad bevrijdde, door den eersten Consul,Casauls, dien men beschuldigde van dwingelandij en t’zamenspanning met den vijand, omtebrengen, enMarseilleaanHendrikden IV., of voor hem aan den Hertogde Guiseover te geven, hoewel deSpanjaardenreeds meester van de haven waren; dit voorval had plaats in 1595.Libertaden zijn broeder, die hem ondersteund had, werden voor dezen dienst beloond, en tot den adelstand verheven. Vijf jaren daarna wierdHendrikde IV. zelve vermoord, en zijn moordenaar wierd op de verschrikkelijkste wijze gestraft. Zoo veranderen de omstandigheden dikwijls de zaken; trouwens, hier van hebben wij ook in onzen leeftijd de merkwaardigste voorbeelden gezien. In de groote zaal van het stadhuis moesten wij wel een paar uren wachten, eer wij met onze paspoorten klaar konden komen, omdat hij, die ze moest teekenen, afwezig was, dus had ik wel tijd, om de twee groote en fraaije schilderijenvanSerre le Peintre, leerling vanPuget2te bezigtigen; deze twee stukken stellen de akelige tooneelen van die pest, die hier in 1720 en 1721 zoo verschrikkelijk gewoed heeft, voor. DezeSerrebekleedde ook met ijver en oplettendheid den post van Wijkmeester in zijne buurt, ten tijde van de besmetting, en was dus wel in staat, om de ellende naar het leven aftemalen. De eene schilderij verbeeldtle Cours(de algemeene wandeling), vol zieken en dooden, en de andere de plaats voor het stadhuis. Behalve den RidderRose, die zich in September 1720 aan het hoofd stelde van 100 Galeiroeijers, om de groote menigte onbegraven lijken, die bijna niemand durfde naderen, in kuilen met ongebluschte kalk te doen werpen, en ten dien einde het eerste de hand aan het werk sloeg, muntte in dit rampzalig tijdstip onder meêr anderen bijzonder uit, zekerePierre Haristoy Caseneuve, geboortig vanBéhaune, in het land vanBéarn, hij was eerste Commies van de Levensmiddelen voor de Galeijen, en liet gewoonlijk de uitdeeling door zijne onderhorigen doen; doch daar de Galeijroeijers gelast waren, om de van de pest gestorvenen te begraven, en men dus alle reden had, om hen als besmetten te schuwen, dacht deze brave Commies, dat ’er welligt uit vreesnalatigheid in de uitdeeling zou kunnen plaats hebben, en deze ongelukkigen alzoo gebrek lijden; waarom hij het menschlievend besluit nam, om niettegenstaande het gevaar, altijd zelve bij de uitdeeling tegenwoordig te zijn. De regering, deze edelmoedige handelwijze willende erkennen, bood hem een jaarwedde van 1200 livres aan, doch de belangelooze menschenvriend bedankte ’er voor, hoewel hij in ’t geheel niet rijk was, en een talrijk huishouden had. De nakomelingen van dezen waarlijk edelen man bestaan nog heden, en deMarseillanenhebben niet nagelaten, om zijn’ naam, en die van meêr anderen, welke ten dien tijd in menschlievendheid en weldadigheid uitgemunt hebben, aan de vergetelheid te ontrukken. Een andere trek van edelmoedigheid van een’ Kaperkapitein vanTunis, is niet minder belangrijk en streelende voor gevoelige harten. PausClemensde XI. vernemende, dat in 1720 niet alleen de pest, maar ook de hongersnood in het ongelukkigMarseilleheerschte, zond ’er vanCivita-Vecchiaettelijke schepen met granen naar toe. Eenige Kapers vanTunisdeze schepen najagende, achterhaalden dezelven, en namen ze, doch deReisof Commandant vernemende, met welk oogmerk zij afgezonden waren; en welke hunne bestemming was, zeide tegen den schipper, die deze schepen met graan geleidde, zijne hand op het hoofd leggende: “Ga, Christen, voer uw’ last uit, ik ben uw vijand niet meêr—God zou mij straffen.” Dit laatste geval niet zeer algemeen bekend zijnde,heb ik vooral gemeend u hetzelve te moeten mededeelen.—De ziel van ieder redelijk menschenvriend wordt verkwikt door het hooren van diergelijke trekken.—En waarom verzuimt men, om deze daad ook op eene schilderij te verbeelden, en dat optehangen in deze zaal, waar dagelijks een menigte vreemdelingen komen van allerlei volkeren en waaronder zeer vele zeelieden: zulks zou immers kunnen strekken ter vermindering van haat en vooroordeelen, en zijn alle redelijke en verlichte bestuurders niet verpligt, om hiertoe alles, wat maar eenigzins in hun vermogen is, bij te dragen? De zaal van de Municipaliteit, voorheen van de Consuls (la salle Consulaire), is zoo wel als de groote zaal beziens waardig. Doch dat men de vreemdelingen hier zoo lang na hunne paspoorten laat wachten, is niet vriendelijk; men is daar teParijshandiger mede.In ons logement aten wij ’s middags laat, namelijk te vijf uren, zoo men dat middag eten noemen kan, doch om tien uren ’s morgens ontbijt men ook met koteletten, gebakken visch enz., dat mendejeuner à la fourchette3heet, en zoo doet men dan, even als teParijs, maar twee maaltijden daags. Ik gebruikte doorgaans ’s morgens in een koffijhuis brood met limonade, vruchten of iets diergelijks, en las dan met een de nieuwspapieren. Voor het middagmaal betaalde ik aan de gemeenetafel in het logement met den wijn, hoewel ik ’er bijna niet van dronk, 4 livres. Het eten is ’er voor de landstreek vrij goed, en de tafel is zindelijk, en met orde gediend; schotels zijn ’er genoeg, doch ’er is doorgaans te weinig op, naar evenredigheid van de gasten, zoo dat men zich moest haasten, om van die, welke het meeste gezocht zijn, wat te krijgen; en dat vind ik al zeer onaangenaam, vooral als men uit nieuwsgierigheid het een en ander proeven wil. Het rund- en kalfsvleesch schaars zijnde, is de soep gemeenlijk schraal, veeltijds van pompoenen en eenige andere groentens gekookt, waar dan wat brood met olij bij gedaan wordt; dit schijnt voor ons zonderlinge kost, maar is toch zeer wel te eten. Schapenvleeschwordthet meeste gebruikt, en is ’er goed; dagelijks hadden wij versche en lekkere zeevisch, en behalve tongen en tarbot, eenige soorten, die men bij ons niet kent. Alsle Rouget, een fijn en lekker vischje, rood van kleur;le Mulet, in hetpatois,Mujou, die zeer gemeen in deMiddellandsche zee, en tevens een goede visch is: men vindt ’er verscheide soorten, waartoe ook die, onder den naam van vliegende visch bij ons bekend, behoort:La Dorade, de zeebaars (perche de mer) en meêr anderen, ook eet men ’er dagelijks versche Sardines, die gedroogd zijnde, wel wat overeenkomst hebben met de Sprot. DeMarseillaanscheAnchovis is beroemd; de beste wordt in de zee vanFrejusgevangen, doch ik voor mij vind ze niet beter dan onzeBergsche. Ooklevert deMiddellandsche zeegoede kreeften op, en waaronder ik ’er zag, die al vrij groot waren; hun kop en pooten zijn ruw en met scherpe puntjes, ook vond ik het vleesch, wreeder dan dat der noordsche; wij hadden ze bijna dagelijks op tafel, en men noemt die hierLingoustes. Somtijds gaf men ons ook een soort van kleine schelpvischjes.Aubergines,pommes d’Amour, en gestoofde komkommers zijn de gewone groentens. Meloenen en vijgen, die hier uitmuntend goed zijn, hoewel ik ook bij ons meloenen gegeten heb, die niet minder goed waren, hadden wij in overvloed; men geeft die niet op het nageregt, maar na de soep, dit is inFrankrijkalgemeen gebruikelijk, en men noemt deze geregtenhors d’œuvres. Ik was verwonderd, van in dit jaargetijde nog zuiglammeren te eten; doch vernam, dat de schapen in deze landstreek tweemaal ’s jaars werpen. Gevogelte van allerlei soort vindt men hier zoo als bij ons en elders. Het gebak, taart en pasteiwerk, is meestal met olij of vet gereed gemaakt, doch ik heb het dikwils zeer lekker gevonden. Men eet hier ook eveneens als inItaliëveelMacaroni. De vruchten, behalve de meloen en vijgen, beteekenen niet veel; de grond is te dor en te schraal. De persiken, die meestal geel zien, zijn droog en hard, zij houden zoo vast aan de steen, dat men ze ’er af moet snijden, men noemt hier dit soortdes peches malesin onderscheiding van die, welke bij ons algemeen bekend en hier in ’t geheel niet overvloedig zijn. De versche amandelen had ik haast vergeten,men geeft ze hier in hunne groene bolsters op tafel, en eet de pitten doorgaans met wat zout; ik houde ’er wel van. Deze vrucht wordt veel rondomMarseillegeteeld, zij groeit gaarne op de hoogte, en is niet naauwnemend omtrent den grond. Uijen,meestal roode, en knoflook worden hier ook veel gebruikt, en in eene groote hoeveelheid van de plaatsen rondom aan deMiddellandsche Zeeaangebragt; deze vrucht is hier veel minder sterk dan in het Noorden, eveneens is het gelegen met deSpaanschepeper, die men hier veel teelt; zij wordt in menigte groen aan de markt gebragt, en men eet ze doorgaans met zout en azijn. In deze landstreek maakt men ook een kost, dien men de meeste vreemdelingen voor geen lekkernij behoeft voortezetten; het is de zoogenaamdeBeurre de Provence4, bestaande uit olijfolij, gestampte knoflook, en zout gemengd en geklopt zijnde, tot het een dikke pap wordt. De wijn is hier voor lieden, die ’er niet aan gewoon zijn, te zwaar, zoo als ik u reeds gezegd heb; ik kon ze volstrekt zonder veel water niet drinken. Doch zij, die ’er aan gewoon zijn, weten ’er niet van, en het komt mij voor, dat deMarseillanenover het algemeen een goed glas wijn drinken. Zij gelooven, dat het in deze luchtstreek gezond is. Brood wordt hier in zulk eene groote hoeveelheid niet gegeten, dan in andere deelen vanFrankrijk, daar het koren overvloedig is; wantProvencebrengt maar zeer weinigkoren voort. De zoogenaamde gemeene en landlieden eten veel brood en pap vanMaïs(Turksche tarw). Voor een kamer met twee bedden betaalde ik hier ook 40 stuivers daags, doch daar voor moest ik ook wat hoog klimmen; anders is het duurder. De tafel is ook een van de duurste, die men hier vindt, en men kan elders wel voor £ 3–:–: te regt komen, waarvan ik tusschen beide dan ook al eens gebruik maakte. Men is in dit Hotèl zeer goed, en zoo zindelijk, als men inHollandverlangen zou5; zelfs zag ik de meid meêr dan eens ’s morgens het voorhuis uitschrobben, een verschijnsel, dat ik nog nooit inFrankrijkgezien heb. Weegluizen hebben wij ook niet bespeurd, doch van de muggen wordt men verschrikkelijk geplaagd, zoo dat men genoodzaakt is, om even als, op vele plaatsen, bij ons gazen gordijnen te gebruiken; de eene mensch schijnt ’er echter meer voor bloot te staan dan den anderen; ik had ’er weinig hinder van, terwijl mijn reisgezel op dezelfde kamer slapende somtijds met bulten gestoken werd.’s Avonds ging ik in hetpavillon chinois, ’er was veel volk, en daar onder eenige gnappe vrouwen of meisjes. De vrouwen zijn meestal bruinachtig, en sommigen hebben veel van deGriekschewezenstrekken.In fraaije tanden, en levendige oogen, munten zij uit, doch missen ook daar en tegen, dat zachte en bevallige van onze blonde met hare groote blaauwe oogen en mooi vel. De zoogenaamde fatsoenelijke kleeden zich naar deParijschemode, die eenige jaren vrij goed geweest is voor de vrouwen, doch thans beginnen ’er weder keurslijven voor den dag te komen.Den 10 dezer ging ik de oude stad, die ik nog maar ter loops in oogenschijn genomen had, bezigtigen; en klom, aan het eind van de kaai aan de noordzijde, bij het FortSt. Jean, op de hoogte. Dit Fort kan men thans uithoofde van de tijdsomstandigheden, niet gemakkelijk van binnen zien; ook zeide men mij, dat ’er behalve, misschien voor vestingbouwkundigen, niets bijzonders te zien was.Lodewijkde XIV. deed deze sterkte, en decitadel St. Nicolasaan den anderen kant van de haven, in 1660 bouwen, om de stad wegens ongehoorzaamheid aan haren Gouverneur, de Hertogde Mercoeur, te straffen6. De haven wordt tusschen deze twee sterktens met eene ketting geslooten. Op de hoogte had ik een uitgestrekt gezigt in zee. De stadsmuren zijn hier op de steile rots gebouwd, die aan den voet door de zee bespoeld wordt. Ik zag eenige lieden, in het water staande, bezig ommet een soort van houweelen, slijk uit de zee optedelven, daar zij insekten in zochten, die men hier gebruikt tot aas, om sommige zeevisch mede te vangen. Wat verder zag ik visschers in schuiten, bezig om met netten sardinen te visschen. Regt uit langs den stads muur gaande, kwam ik aan de plaats waar omtrent waarschijnlijk voorheen de tempel vanDiana, die de oudeMarseillanenbijzonder vereerden, stond. Ter dezer plaatse ziet men thans de Kerkde notre Dame de la Major, dat de Hoofdkerk is; volgens sommigen zou zij zeer oud zijn; anderen meenen te moeten veronderstellen, dat zij omtrent de 13de eeuw, althans niet veel vroeger, eerst zoo gemaakt is, als men ze thans ziet: het een en ander kan waar zijn. Althans de zes pilaren van granit, die men in dezelve ziet, meent men dat behoord hebben tot den tempel vanDiana; anders is ’er niet veel bijzonders; het is een donker en onaangenaam gebouw, en men gaat ’er langs eenige trappen in, als in een kelder. Niet ver van hier, op eene plaats, die menPlace de Linchenoemd, veronderstelt men, dat de tempel vanApollogestaan heeft, naderhand is daar de AbdijSt. Sauveurgebouwd; en men heeft ter dezer plaatse eenige oudheden gevonden. Het Gasthuis,la Charitégenaamd, dat wat verder op staat, schijnt een groot en fraai gesticht. Behalven verscheidene zeepziederijen, daar de bekendeMarseillaanschezeep gemaakt wordt, zag ik hier ook een graauwpapier-fabriek, die nog al aanmerkelijk scheen. In dit gedeelte van de stadvindt men weinig gnappe huizen, het wordt meestal bewoond door het minstvermogende deel der burgerij. Men toont den vreemdelingen hier ook een oud huis, waar men wil dat voorheen het paleis der Roomsche Keizers was; voor hetzelve ziet men nog een ouden kop; doch wien hij moest verbeelden, wist men mij niet te zeggen, en ik vind ’er bij de schrijvers, die ik nagezien heb, niets van aangeteekend: mogelijk woonde ’er deRomeinsche Prefectenof Stedehouders, die ’er ’s jaarlijks vanRomenaar toe gezonden werden, toenMarseilleophield een Republiek te zijn. Moede van het doorloopen, en op- en afklimmen van zoovele ongelijke kromme en in alle opzigten onaangename straten, keerde ik, toen het warm begon te worden, naar mijn logement; in het voorbijgaan zag ik nog een andere vischmarkt,Halle de la poisonnerie neuve, rustende op 20 Jonische kolommen, en volgens het bestek van den vermaardenPugetgemaakt. Hier is ook een Leessocieteit, in een fraai gebouw op deCanebière,Cercle de l’Uniongenaamd. De aanzienelijkste lieden van de stad komen hier bijeen, om de nieuwspapieren en andere periodique werken te lezen; in die zaal is het dan ook niet geoorlofd, om overluid te spreken, doch ’er zijn nog andere vertrekken, en in een derzelve staat een billard; als vreemdeling had men mij een kaartje gegeven, om hier, wanneer ik het goedvond, te gaan, en daar van maakte ik dan ook nog al dikwijls gebruik. Na den middag ging ik de kaatsbaan aan den kantvan deboulevardzien, deMarseillanenschijnen daar liefhebbers van te zijn; want ’er was veel volk, het is op eene ruime open plaats, voor een gebouw dat voorheen een Klooster was; men kan ’er vrij ingaan, ’er staan stoelen en banken rondom, en men betaalt een of twee stuivers voor eene zitplaats. Ik zag ’er onder de spelers die al zeer vlug, sterk en handig waren; een onder hun muntte voornamelijk uit, hij was groot, sterk gespierd en welgemaakt, en had het voorkomen van eenengladiatorder ouden; want zij zijn bij dit werk, dat zeer vermoeijende is, luchtig gekleed; aan de hand, waarmede geslagen wordt, hebben zij een soort van houten koker, en hier mede worden de ballen, die van leder, en inwendig hol zijn (ballons),7al zeer ver gekaatst. Bij ons moet ’er altijd bij diergelijke spelen braaf gedronken worden, doch hier zag ik niets gebruiken; tegen het vallen Van den avond scheidde men ’er uit, en ieder ging heen. Eenige zingende en dansende matrozen, die ik op de kaai ontmoette, herinnerden mij aan de bloeijende tijden van ons vaderland; zij zongen liedjes in hetpatois provencal. Op deCourswas veel volk; men wandelt daar tot laat in den nacht; want over dag is het te warm, ’er worden ook stoelen verhuurd zoo als teParijsin deTuillerienenz. DeMarseillanenkomen mij voor indedaad meêr levendig en vrolijkvan aard te zijn dan deParijsenaars, die zich zooveel moeite geven, om het te schijnen. Naar men mij verhaalde, waren zeer vele vermogende lieden thans op hunne landhuizen (bastides); ’s winters ziet men veel meêrbeau mondein de stad, en naar men zegt, is de zamenleving voor alle smaken, en voor alle levensvakken ’er dan inzonderheid zeer aangenaam; vooral in vredestijd, wanneer hier eene aanhoudende toevloed van vreemdelingen is. In den schouwburg had men dezen avond gespeeldles etourdis, een aardig blijspel vanAndrieux, (door onzen vriendvan Walréin ’tNederduitschvertaald); dat ik teParijszeer goed had zien vertonen, en dan moet men het hier niet zien; naar hetzelve gaf men het bekende, ook in ’tHollandschvertaalde zangspel,Paul et Virginie; en dit beviel mij nog minder, ook heeft men in dezen schouwburg zeer weinig aan de vertooning, omdat de aandacht gedurig belemmerd wordt, en men de vertooners door het aanhoudend rumoer, dat ’er plaats heeft, dikwijls niet kan verstaan; want de kooplieden maken van deze zaal een tweede beurs; de jonge lieden komen ’er om over hunne liefdes-aangelegenheden te spreken, de geriefelijke juffertjes, om klanten op te doen; vele bejaarde dames, om wat te vitten en kwaad te spreken; en eenige liefhebbers, of die ’er zich ten minsten voor uitgeven, om hunne gevoelens over het stuk of de vertooners, aan elkanderen te vertellen; dit alles gaat vrij overluid, voeg daar bij het gedurig geloop van de gaande en komendein hetparterre, en oordeel, hoe aangenaam dit moet zijn voor iemand, die komt, on het stuk te zien. In dit opzigt moet ik deParijsenaarsprijzen, de diepste stilte heeft daar in alle schouwburgen, waar maar eenigzins dragelijk gespeeld wordt, plaats; en men duldt daar niet, dat de aandacht der aanschouwers gestoord wordt8.Den 11 dezer moesten wij, volgens afspraak, met een roeischuitje een toertje op zee gaan maken; doch het weder was hier toe niet gunstig, want de noordwesten wind, die men hierle mistralnoemt, blies vrij sterk: echter huurden wij een schuitje voor 3 livres, om ’er des goedvindende den geheelen voormiddag gebruik van te kunnen maken; het was toen omtrent 7 uren in den morgenstond. Men vindt doorgaans verscheidene van die schuitjes aan het eind van de haven, bij deCannebière, liggen; zij zijn met een tentje overdekt, en op sommige staat zelfs een zeiltje. Zoo lang wij in de haven waren, ging het nog al, doch naauwelijks buiten gekomen, moest men om den harden wind het tentje strijken, terwijl ons bootje door de golven ter deeg geslingerd werd, zoo dat de schipper zelve ons niet aanraadde om het veel verder te wagen. Wij lieten ons dan aan den voet van een rots aanzetten,klommen op dezelve, en gingen van daar naar eene plaats, die alleen door Spaansche visschers, die menles Catalansnoemt, bewoond wordt. Hier plagt voorheen hetLazarette zijn, thans is ’er een nieuw aan den anderen kant van de stad; de goederen uit denLevantkomende, worden daar gelost, en moeten ’er eenigen tijd verblijven, alvorens zij in de pakhuizen mogen gebragt worden. Dit nieuweLazaretis een aanzienelijk gebouw. Wij hadden onzen schipper den voorraad, die wij voor het ontbijt medegenomen hadden, laten dragen, tot in een dal tusschen de rotsen, waar wij wat voor den wind beschut waren, en hier werd de tafel op den grond gedekt. Ik beklom vervolgens de toppen van eenige rotsen hier rondom, van waar ik een woest, doch schilderachtig gezigt had. Een Amerikaansch scheepje hield achter dezelvequarantaine. Bij het Kasteeld’Ifzag ik een schuit, waar in verscheidene menschen waren; onze schipper dacht, dat het de wacht was, die op het kasteel gebragt werd; zij schenen somtijds door de golven geheel bedekt, en hier sloegen de golven zoo hard tegen de rotsen, dat ik het water ’er boven op, nog al vrij hoog, Voelde.—Onze Vaderlandsche schilderBakhuizenzou hier thans stof voor zijn uitmuntend pençeel gevonden hebben. Wij misten weinig door niet verder te kunnen komen: want men laat het kasteeld’If, thans niet dan met een bijzonder verlof, dat niet ligt te bekomen is, bezigtigen: omdat ’er Staatsgevangenen, in de zaak van de laatsteconspiratie, opbewaard worden. Bij het invaren van de haven, zag ik tegen den muur van het FortSt. Jan, een gedaante zeer ruw uitgehouwen, verbeeldende een meermin; het volk noemt deze beeldtenisMarseille, waarom weet ik niet.Naauwlijks was ik op mijne kamer, of ik hoorde eene soort van muzijk op straat; ik keek uit, en zag eenige boeren en boerinnen op hun zondags uitgedoscht; de mans hadden pluimen, en de vrouwen galonnen op hare hoeden; zij gingen twee aan twee, en waren verzeld door eenige tamboers, die een langwerpige trommel droegen, waar op zij met de eene hand sloegen, en met de andere op een fluitje speelden: dit fluitje noemt men hierle galobet, het heeft een’ zeer scherpen klank. De vrouwen droegen een soort van koeken van meel, olij, suiker en anijs te zamengesteld, en als een cirkel met een ster ’er in gemaakt. Deze lieden, die op het land rondomMarseillewonen, kondigen op deze wijze het feest aan, dat in hun dorp plaats moet hebben; dat is de naamdag van hun’ beschermheilige of iets diergelijks; zij gaan dan bij de stedelingen, die omtrent hun dorp of gehucht hunnebastideshebben, brengen hun een koek, en noodigen ze, on het feest bijtewonen; deze van hunn’ kant geven dan aan de boeren eenig geld, zoo dat dit eigenlijk niet anders dan een bedelarijtje is. Na den middag bezigtigde ik de kerk en de puinhoopen van de gewezen Abdij vanSt. Victor, aan de zuidzijde van de haven bij de citadel. Deze kerk is volgens oude bescheiden doorSt. Leonden Grooten gewijd, en was benevens de Abdij gebouwd, van overblijfsels van Heidensche oudheden. In een half afgebroken muur zag ik nog het overschot van een’ steenen boog met loofwerk gebeeldhouwd, welk het merk scheen te dragen van den bloei der konsten onder deGriekenenRomeinen. Men plagt hier ook nog pilaren van granit en oude graftombes te zien, doch de geheele Abdij is gesloopt; om en in de Kerk, die ’er alleen van is overgebleven, zag ik niets merkwaardigs, dan dat zij zeer oud scheen. Zij was van binnen wat opgemaakt, doch anders zeer eenvoudig en zonder veel sieraad. Van daar ging ik op den bergBonapartewandelen: de zon, achter de rotsen ondergaande, leverde eene majestueuse vertooning op; de wind was wat gaan liggen, en de avondstond zeer aangenaam.Den 12 dezer liep ik ’s morgens zeer vroeg als naar gewoonte uit, met oogmerk om buiten de stad te wandelen; maar de buitenstreken vanMarseilleaan de landzijde, bevielen mij niet; naar debastidesgaande, is men bijna altijd tusschen muren, als in een gemetselde doolhof; en buiten de poort heeft men ook niet anders dan een open weg; lommer vindt men bijna nergens; redenen genoeg, waarom ikMarseilleom er te wonen, niet zou verkiezen, even zoo min alsAmsterdam; want gemis van wandelingen is voor mij al een zeer groot gemis. Zeer veel had men mij van de warmte gesproken, en wij hebben hier zeker een paar dagen drukkende hittegehad; doch bij ons dunkt mij, kan het even zoo heet zijn, hoewel zeker minder aanhoudend. Ik had geen gelegenheid om den thermometer waar te nemen, doch ik ben wel verzekerd, dat hij niet hooger dan 27 of 28 gr. volgens de schaal vanRéaumur, gestaan heeft; en de zeewinden brengen hier ook veel toe, om de lucht te verkoelen. De aanhoudende regen, die men eenigen tijd geleden gehad heeft, is een ongewoon verschijnsel; anders regent het hierin dit jaargetij zelden, de aarde wordt alleen door de daauw, die nog al sterk is, bevochtigd—en hoe dor moet dan die dorre grond hier omstreeks niet zijn. Daar het zondag was, en ik vernam, dat de Protestanten hier ook eene Kerk hadden, ging ik daar heen. De vergadering werd in eene ruime en zindelijke zaal, op eene eerste verdieping gehouden, en was vrij talrijk. De Leeraar deed een eenvoudig zedelijk vertoog, dat ik met genoegen hoorde. Tegen den avond ging ik buiten de stad, aan den kant van de zee wandelen; men heeft hier veel de gewoonte, om zich in zee te baden of te zwemmen; ik zag ’er een menigte zwemmers, en lieden, die zich baadden. Verscheidene vrouwen, die ’er wel in de klederen uitzagen, en dus nog al tot de zoogenaamde deftige klasse schenen te behooren, wandelden hier langs, zonder den waaijer voor de oogen te houden; hier en daar zaten zelfs aan den oever groepjes, waar onder vrouwen en meisjes, op hun gemak te kijken; trouwens, de zeden derMarseillanenover het algemeen, zijn vooral in ditopzigt niet als zeer gestrengberoemd; nu ik geloof ook, dat indien de Laplandsche vrouwen kuischer zijn dan deze, zulks meêr aan de luchtstreek dan aan hare meerder beredeneerde deugd moet toegeschreven worden. Deze onderscheidene groepen, naakte en gekleede menschen, hier en daar op stukken van rotsen, langs den oever van de zee, die toen, zoo als gewoonlijk in dezen tijd, zeer kalm was, staande of ongedwongen zittende, terwijl men hooge rotsen in ’t verschiet, en hier en daar een visscherschuitje zag, dit alles te samen leverde eene schilderachtige vertooning op, enVernetzou hier van een mooi stuk hebben kunnen maken. Het water in deMiddellandsche Zee, althans hier omstreeks, heeft een groene kleur. Ik zag menigmaal schilderijen, waar op het water zeer groen, en de lucht en bergen in het verschiet helder blauw verbeeld werden, en dit kwam mij toen onnatuurlijk voor; doch thans nu ik eenige gezigten aan deze oevers gezien heb, vind ik dat die schilders de natuur getrouwelijk afgemaald hebben.Behalve de koude baden, houden deFranschen, en vooral die, welke het zuidelijk gedeelte bewonen, even als voorheen deRomeinenenGrieken, veel van het warme bad, en maken daar zelfs in de zomerhitte gebruik van, blijvende ’er doorgaans een half uur of langer in zitten; men vindt dan ook in de meeste steden badhuizen, waar men zich voor 24 of 30solsin blikken of steenen bakkenbaadt9. Ik maakte ’er op reis nog al eens gebruik van, om mij te wasschen, maar om ’er lang in te blijven, vind ik niet goed: want men wordt ’er loom en vadzig van. DeFranschevrouwen maaken ’er ook veel gebruik van om zich te reinigen, en in dat opzigt zijn zij dan ook zindelijker, dan de onze.Heden morgen ging ik het Stads-Museum van schilder-, beeldhouwwerk, en oudheden bezigtigen; men heeft een gedeelte van een voormalig Klooster, aan den kant van deBoulevard, daar toe in gereedheid gebragt, of liever was men daar mede bezig; want de zaal, waar de beelden en oudheden moesten geplaatst worden, was noch niet gereed, en alles lag ’er nog overhoop. Ik zag ’er eenige oude steenen doodkisten of graftombes, eenige met beeldhouwwerk, anderen met Grieksche opschriften, kapiteelen van pilaren,bas-reliefs, een altaar met stierenkoppen, het bovenste gedeelte van eenIsis-beeld methieroglijphischefiguren ’er op, van zwart steen, een grooteIsis-kop enz. De voorname opzigter van deze verzameling was niet in de stad, zoo dat ik ’er niet anders van kon te weten komen, dan dat deze oudheden, meestendeels hier omstreeks, en onder anderen ook in de Abdij vanSt. Victorgevonden zijn, men verhaalde mij tevens, dat ’er onlangs CommissarissenvanParijshier geweest waren, en het een en ander opgeteekend hadden; waarom men vreesde dat het een of ander stuk naar de hoofdstad wel eens zou kunnen vervoerd worden. Het altaar, hetIsis-beeld, en de grafsteenen metGriekscheopschriften, zeker voor oudheidkundigen van waarde zijn; doch het kwam mij voor, dat ’er ook veel Gothisch werk onder het overige was. In de schilderijen-galerij zag ik eenige goede stukken, onder anderen een paar vanRubens, die ik meende te kennen; geen wonder; want, naar ik vernam, had men ze vanParijsgezonden; benevens een vanvan Dijck, en nog eenige anderen; ook zag ik ’er eenige fraaije stukken vanPuget, en een paar groote schilderijen vanVien, de Vader; een bekend en nog in leven zijnde schilder teParijs, lid van hetInstitut(ik weet niet of het nognationalheet, dan of men hetimperialmoet noemen) enSénateur; sommige andere stukken schenen van Kerken of Kloosters herkomstig. Digt hier bij, ik geloof dat het voorheen tot hetzelfde gebouw behoorde, is thans hetLyceum10waarin een aantal jongelingen, op kosten van den lande, in de eerste beginzelen der wetenschappen onderwezen worden. Een van de opzigters of onderwijzers, die een hupsch en vriendelijk man scheen, liet ons het gebouw zien. Men kon merken, dat ’er een goed bestuur plaats had, en overal droeg het de blijken van zindelijkheid en orde, en dat is onder zoo een menigte jongelingen dan ook zeer noodzakelijk.’s Avonds ging ik in den Schouwburg het zangspella Rosière de Salencyzien. Dit is het eerste tooneelstuk dat ik, een aankomend jongeling zijnde, zag vertoonen; ik herinner mij nog duidelijk, met welk een vermaak ik het zag, en welke aangename gewaarwordingen dit gezigt bij mij veroorzaakte, en zie het daarom nog altijd met genoegen, hoewel het hier ook maar zeer middelmatig gespeeld werd; van daar komende, nam ik de pen op, en voleind dezen voor u.1Thans leest men ’er op:vivre et mourrir libre. In plaats van een Kroon staat ’er nog eenJacobijnenmuts boven dit schild; doch dit zal waarschijnlijk ook nog wel eens veranderd worden, daar de kroonen weder in de mode gekomen zijn.2De BeeldhouwerVeyrierwas ook een leerling vanPuget, als mede eeneAndré, die de Uitvinder was van de wijze, om behangseltapijten met lijmverf te schilderen.3Ontbijten met de vork.4Boter van Provence.5Het gelijkt wel wat naar hetGulde VliesteHaarlem, en is ’er zekerlijk niet minder zindelijk; daar bij zijn de hospes en zijn vrouw zeer vriendelijk, en de bediening scheen mij toe vrij goed te zijn.6Ter dezer gelegenheid is ’er eene medaille geslagen, met het hoofd van den Koning aan de eene, en de haven, door eene ketting geslooten, aan de andere zijde.7Het zijn blazen met wind gevuld en met leder overtrokken.8Behalve bij de eerste vertooning van een stuk, wanneer het ’er vreesselijk ruw kan toegaan. DeFranschewellevendheid wordt dan dikwijls op een verregaande wijze vergeten.9TeMarseille, bij den grooten Schouwburg, is een badhuis, waar de baden van wit marmer zijn.10De beroemde school, waarAristotelesde wijsgeer teAtheneal wandelende onderwees, werd alzoo genaamd; in onze taal zou die danplaats, waar men wandelend onderwijst, kunnen geheeten worden. DeFranschenhebben sedert eenige jaren verscheideneGriekscheenRomeinschebenamingen aangenomen, zoo alsécole politecnique,société philotecnique,Tribuns,Senatorenenz. doch alle deze namen komen hier mijns bedunkens, volgens hunneoorspronkelijke beteekenis niet altijd te pas, en vele dier zaken hebben inderdaad weinig meêr van hetGriekscheenRomeinschedan den blooten naam.

Du Rivage de Vauclusel’Amant deLauraen ces mots,En s’eloignant de sa Muse,Fit retentir les Echo’s:o Toi, qui plains le delire,OnLaurea plongé mes sens,Roches, qu’attendrit ma Lyre,Redis encor mes accens.En repondant à mes plaintes,Echos, vous avez appris,Quels sont les vœux et les craintes,d’Un coeur tendre et bien epris.n’Oubliez pas ce langage;Et siLaurequelquefoisVient rever sur ce rivage,Imitez encor ma voix.Ditez-lui que de ses charmes,Tous mes sens sont occupés:Ditez-lui que de mes larmesToujours mes yeux sont trempés,Ma voix ne chantera qu’elle,Mon souvenir ne seraQu’un miroir pur et fidele,Où l’amour me la peindra.Dites-lui, que son imageMa suivra dans le sommeil,Et recevra pour hommageLe soupir de mon Reveil;Que mon oreille attentiveCroira sans cesse écouterLes sons, que sa voix plaintiveVous fit cent fois repêter.Jurez lui qu’envain les graces,Viendraient pour me consoler:Que les amours sur mes tracesSans cesse auraient beau voler.à Leur troupe enchanteresseJe dirais, dans ma douleur,RendezLaureà ma tendresse,Ou laissez couler mes pleurs.Insensible à tout loin d’elle,Rien ne flatte mes Desirs:Je me croiras infidèleDe goûter quelques plaisirs.Sur une rive étrangère:Où le destin me conduit,Une esperance lègèreEst le seul bien qui me suit.Mais siLaurem’est ravie,Si je ne dois plus la voir,Je perdrai bientôt la vie,Quand j’aurai perdu l’espoir.Puisse la parque appaiséeMe laisser après ma mort,Préférer à l’EliséeLes Ombrages de ces bors.

Du Rivage de Vauclusel’Amant deLauraen ces mots,En s’eloignant de sa Muse,Fit retentir les Echo’s:o Toi, qui plains le delire,OnLaurea plongé mes sens,Roches, qu’attendrit ma Lyre,Redis encor mes accens.

Du Rivage de Vauclusel’Amant deLauraen ces mots,En s’eloignant de sa Muse,Fit retentir les Echo’s:o Toi, qui plains le delire,OnLaurea plongé mes sens,Roches, qu’attendrit ma Lyre,Redis encor mes accens.

Du Rivage de Vaucluse

l’Amant deLauraen ces mots,

En s’eloignant de sa Muse,

Fit retentir les Echo’s:

o Toi, qui plains le delire,

OnLaurea plongé mes sens,

Roches, qu’attendrit ma Lyre,

Redis encor mes accens.

En repondant à mes plaintes,Echos, vous avez appris,Quels sont les vœux et les craintes,d’Un coeur tendre et bien epris.n’Oubliez pas ce langage;Et siLaurequelquefoisVient rever sur ce rivage,Imitez encor ma voix.

En repondant à mes plaintes,Echos, vous avez appris,Quels sont les vœux et les craintes,d’Un coeur tendre et bien epris.n’Oubliez pas ce langage;Et siLaurequelquefoisVient rever sur ce rivage,Imitez encor ma voix.

En repondant à mes plaintes,

Echos, vous avez appris,

Quels sont les vœux et les craintes,

d’Un coeur tendre et bien epris.

n’Oubliez pas ce langage;

Et siLaurequelquefois

Vient rever sur ce rivage,

Imitez encor ma voix.

Ditez-lui que de ses charmes,Tous mes sens sont occupés:Ditez-lui que de mes larmesToujours mes yeux sont trempés,Ma voix ne chantera qu’elle,Mon souvenir ne seraQu’un miroir pur et fidele,Où l’amour me la peindra.

Ditez-lui que de ses charmes,Tous mes sens sont occupés:Ditez-lui que de mes larmesToujours mes yeux sont trempés,Ma voix ne chantera qu’elle,Mon souvenir ne seraQu’un miroir pur et fidele,Où l’amour me la peindra.

Ditez-lui que de ses charmes,

Tous mes sens sont occupés:

Ditez-lui que de mes larmes

Toujours mes yeux sont trempés,

Ma voix ne chantera qu’elle,

Mon souvenir ne sera

Qu’un miroir pur et fidele,

Où l’amour me la peindra.

Dites-lui, que son imageMa suivra dans le sommeil,Et recevra pour hommageLe soupir de mon Reveil;Que mon oreille attentiveCroira sans cesse écouterLes sons, que sa voix plaintiveVous fit cent fois repêter.

Dites-lui, que son imageMa suivra dans le sommeil,Et recevra pour hommageLe soupir de mon Reveil;Que mon oreille attentiveCroira sans cesse écouterLes sons, que sa voix plaintiveVous fit cent fois repêter.

Dites-lui, que son image

Ma suivra dans le sommeil,

Et recevra pour hommage

Le soupir de mon Reveil;

Que mon oreille attentive

Croira sans cesse écouter

Les sons, que sa voix plaintive

Vous fit cent fois repêter.

Jurez lui qu’envain les graces,Viendraient pour me consoler:Que les amours sur mes tracesSans cesse auraient beau voler.à Leur troupe enchanteresseJe dirais, dans ma douleur,RendezLaureà ma tendresse,Ou laissez couler mes pleurs.

Jurez lui qu’envain les graces,Viendraient pour me consoler:Que les amours sur mes tracesSans cesse auraient beau voler.à Leur troupe enchanteresseJe dirais, dans ma douleur,RendezLaureà ma tendresse,Ou laissez couler mes pleurs.

Jurez lui qu’envain les graces,

Viendraient pour me consoler:

Que les amours sur mes traces

Sans cesse auraient beau voler.

à Leur troupe enchanteresse

Je dirais, dans ma douleur,

RendezLaureà ma tendresse,

Ou laissez couler mes pleurs.

Insensible à tout loin d’elle,Rien ne flatte mes Desirs:Je me croiras infidèleDe goûter quelques plaisirs.Sur une rive étrangère:Où le destin me conduit,Une esperance lègèreEst le seul bien qui me suit.

Insensible à tout loin d’elle,Rien ne flatte mes Desirs:Je me croiras infidèleDe goûter quelques plaisirs.Sur une rive étrangère:Où le destin me conduit,Une esperance lègèreEst le seul bien qui me suit.

Insensible à tout loin d’elle,

Rien ne flatte mes Desirs:

Je me croiras infidèle

De goûter quelques plaisirs.

Sur une rive étrangère:

Où le destin me conduit,

Une esperance lègère

Est le seul bien qui me suit.

Mais siLaurem’est ravie,Si je ne dois plus la voir,Je perdrai bientôt la vie,Quand j’aurai perdu l’espoir.Puisse la parque appaiséeMe laisser après ma mort,Préférer à l’EliséeLes Ombrages de ces bors.

Mais siLaurem’est ravie,Si je ne dois plus la voir,Je perdrai bientôt la vie,Quand j’aurai perdu l’espoir.Puisse la parque appaiséeMe laisser après ma mort,Préférer à l’EliséeLes Ombrages de ces bors.

Mais siLaurem’est ravie,

Si je ne dois plus la voir,

Je perdrai bientôt la vie,

Quand j’aurai perdu l’espoir.

Puisse la parque appaisée

Me laisser après ma mort,

Préférer à l’Elisée

Les Ombrages de ces bors.

Negende Brief.Marseille, 10 Augustus.Deze stad bevalt mij, en zal den meestenHollanders, vooral den kooplieden, oppervlakkig wel bevallen; doch in dit saisoen is het ’er vrij warm, dus, als men wat zien wil, moet men den morgen en avondstond waarnemen; ik begon dan met den 7 dezer ’s morgens om 6 uren reeds uit te gaan; het eerste, dat ik ging bezigtigen, was de haven en de fraaije kaai, die dezelve aan drie kanten omringt. Zij lag vol schepen, doch de meesten waren om den oorlog onttakeld, rondom zijn een menigte winkels, pakhuizen, scheepstimmerwerven enz. Overal ziet men matrozen en zeelieden van onderscheidene natiën.—’tWas als of ik door den slag van eene tooverroede zoo eensklaps in eene van onze voornameHollandschekoopsteden gevoerd was. Een goed gedeelte van deze kaai, vooral daar waar het koren gemeten wordt, is zeer netjes met kleine steentjes of klinkers gestraat. Hier ziet men ook een soort van kraan, om de masten in de schepen te zetten; deMarseillanentoonen dat den vreemden als iets bijzonders; doch mij dunkt, dat ik diergelijke werktuigen bij ons op meêr dan eene plaats gezien heb. Aan het eind van de haven, waar die aan zee uitkomt, wordt dezelve aan de zuidzijde beschermd, door het FortNotre Dame de la Garde, dat op den top van een’ heuvel ligt, en een gedeelte van de reede bestrijkt, en lager door de citadelSt. Nicolas. Aan de noordzijde is hare ingang gedekt door het FortSt. Jean. Ik verwonderde mij, dat ’er aan het eind geen ophaalbrug was, men moet zich met schuitjes, die men daar doorgaans vindt, van den eenen kant naar den anderen over laten zetten, of terug keeren; ik verkoos het eerste. Deze haven is, volgens de beschrijving, daar van zijnde, 500toisen(3000 voeten) lang, en 200toisen(1200 voeten) op haar breedst; men rekent, dat zij omtrent 800 schepen van onderscheide grootte kan bergen. Aan de noordzijde van de haven, zijn onder andere verscheide winkels van drogisten en kooplieden in koraal, die bij het stadjeCassis, omtrent 4 mijlen ten Z.O. vanMarseille,aan den oever van deMiddellandsche zeegelegen,gevischt wordt. Aan dezen kant staat ook het Stadhuis, waar de beurs onder is. Ik ontmoette verscheide kooplieden in Oostersche kleding, als Grieken, Turken en Joden, vanSmirna,Aleppo,Alexandrieen vooral ook van deBarbarijscheKusten, waarmede deMarseillanenzeer veel handel drijven. Aan het eind van dezen kant van de haven lag ook een menigte schuitjes, geladen met citroenen en oranges, zoo als bij ons met aardappelen: zij komen van de plaatsen rondom aan deMiddellandsche zee; de vrouwen die ’er bij waren, hadden de haren in een zwart of rood zijden net met breede linten van dezelfde kleur, die op de schouders afhingen. Niettegenstaande de grond, rondomMarseille, dor en onvruchtbaar is, was de groenmarkt rijkelijk voorzien; doch deze overvloed is thans ook buitengemeen, en de overvloedige regen, dien wij gedurende eenigen tijd gehad hebben, was daar de oorzaak van. Meloenen in soorten zijn hier zeer overvloedig, en daar onder die zeer geurig en lekker zijn, ook ziet men ’er in menigte een soort van groote ronde pompoenen, die men hierCourges, in hetpatois Provencal Cougourde, noemt, men vindt ’er die over de 150 ponden wegen1, deze worden meest gebruikt om soepvan te koken; en met vleeschnat ’er bij, is die niet onsmakelijk. Ook vindt men hier in overvloed een gewas, dat menAubergines2, en een ander dat menpommes d’Amour3noemt; deze worden hier zeer veel gegeten, doch ik vond ’er niet veel lekker aan, vooral niet aan de eerstgenoemde, die doorgaans in olij gebakken worden: met depommes d’Amour, maakt men nog al smakelijke rinsche sausen. Op het midden van de groenmarkt staat eene fraaije fontein, en wat verder, eene groote loots, in den smaak van eenChineeschetent, met een tuintje rondom: men noemt hetle Pavillon chinois. Deze tent is een koffijhuis, waar debeau mondevanMarseillezoo Dames als Heeren, ’s avonds bij elkanderen komen, omGlacesen andere ververschingen te gebruiken; van binnen is het fraai en netjes opgeschikt met spiegels, schilderwerk enz., en daarbij wel verlicht. Dit paviljoen is hetFrascativanMarseille: de stijve welvoeglijkheid wordt ’er dan ook zeerinacht genomen; men moet eenigzins naar de mode opgeschikt zijn, en zijn hoed afleggen; ook ziet men ’er niets anders dan een menigte strijkaadjesen dienaressen. Rondom aan kleine tafeltjes gezeten, fluistert men zachtjes tegen elkander, en en het is duidelijk te zien, dat het eene groepje zich bezig houdt met op het andere te letten. Ik vind anders deze soort van bijeenkomsten wel goed, men ziet elkander met weinig kosten; doch wilde dezelve meer in een’ burgerlijken en gemeenzamen trant hebben, en op die wijze zouden zij ook, dunkt mij, veel kunnen toebrengen, om het genoegelijke der zamenleving in ons Vaderland te vermeerderen; des goedvindende, zou men ’er ook meêr bepaalde bijeenkomsten of societeiten van kunnen maken, en ’er zelfs een boekerij bijvoegen; want het spel behoorde ’er, mijns bedunkens, niet toegelaten te worden: en waren diergelijke societeiten dan niet beter, dan die, welke alleen uit mannen bestaan, en in bijna alle onze Vaderlandsche steden maar al te veel zijn ingevoerd?—Was het niet beter, dat de huisvader ’s avonds met zijn vrouw en kinderen onder andere huisgezinnen, zoo als gezegd is, indien men het verkiest, bepaald tot een’ zekeren kring, een uurtje uitspanning ging nemen, dan dat hij alleen naar zijn societeit of collegie gaat, en zich bijna alle avonden, zoodra zeker uur daar is, en dat is al vroegtijdig, haast, om zijn huisgezin te ontloopen, en zijne vrouw en kinderen aan zich zelve overlaat. De kinderen, over welke de moeder dikwijls niet veel gezag heeft lopen, dan ook links en regts, en de vrouw ... wel deze verveelt zich ook natuurlijkerwijze dikwijls in de eenzaamheid, daarzij toch niet altijd in hare huishouding bezig kan zijn. Veeltijds is het laat in den nacht, eer vader uit zijn societeit of kollegie t’huis komt, terwijl moeder en de kinderen, die gemaakt hebben, dat zij een half uurtje te voren binnen waren, al slapende en geeuwende met het avondeten zitten te wachten. De man dikwijls door het spel of den wijn buiten zijn gewone humeur, (want wat wordt ’er anders al in die gezelschappen gedaan, dan gespeeld en gedronken,) zonder juist een speelder of dronkaard te zijn, is hij dan ook het aangenaamste gezelschap noch het beste voorbeeld niet. Deze bijeenkomsten voor mans en vrouwen wilde ik zomers buiten de stad in een aangenaam gelegen tuin, bij fraaije en liefelijke wandelingen hebben, waar tevens gelegenheid was tot eenige gezonde ligchaamsoefeningen als kaatsen, kegelen, in het touwtje springen, en diergelijke; ’s winters kon men hiertoe een geschikte zaal in de stad verkiezen; doch pracht en luxe moesten ’er verbannen zijn, en alle aanleiding tot verkwisting en buitensporigheden ten eenemaal afgesneden worden. Ligt Vaderlands bier, mij dunkt ik zie reeds hoe onzemodepopjes den neus hierbij optrekken4, prijs ik voor den gewonen drank aan. Men kon zichhier ook van tijd tot tijd in de muzijk oefenen, en Vaderlandsche liederen zingen, ter eere van onze Vaderlandsche Helden en groote Mannen, en ter aanmoediging van Vaderlandsche en huisselijke deugden5.—Onze natie weet nog niet genoeg den middelweg te houden tusschen het stijve, stroeve, ernstige en het losbandige, en mist daardoor vele genoegens der zamenleving, waartoe zij anderzins, door haar in zeer veel opzigten boven dat van andere natiën uitmuntend karakter, bij uitnemendheid toe geschikt is.De nieuwe stad (la ville neuve) vanMarseilleis zeer fraai: ruime, luchtige en regte straten, veelal aan beide zijde met een eenigzins verheven wegje voor de voetgangers (trottoir), daarbij vrij zindelijk en wel gestraat, op verscheide plaatsen regelmatig, met fraaije huizen bebouwd; dit alles geeft aan dit gedeelte, dat vrij groot is, een allerbevalligst aanzien. Vooral munt daar in uit de lange regte straat waar ik u reeds van gesproken heb, loopende van de poort vanAix, tot de poort vanRome, dat is, van het noorden tot het zuiden: deze straat is wel een half uur gaans lang, van het eene eind tot het andere; ter plaatse vande Coursis zij vrij breed; de wandelingen in het midden en aan beide zijden met een’ rij ijpen bomen, doch die ’er niet zeer tierig uitzien,beplant, en versierd met een paar fraaije fonteinen, die overvloed van water schijnen te geven; dit is ook het laagste gedeelte van de straat, en naar de poorten, aan beide zijden, gaande klimt men op, vooral naar de poort vanAix. Ik zal denkelijk wel gelegenheid hebben, om u een gezigt van dit gedeelte der stad te doen toekomen. De oude stad bijna geheel tegen de helling van een’ heuvel aan de noordzijde van de haven gebouwd, heeft de gebreken van meest alle de oude steden, die ik in het zuiden vanFrankrijkgezien heb; de straten zijn naauw, krom en donker, hier is het bijzonder morsig, en de stank alleronaangenaamst; door de leerlooijerijen en zeepziederijen, die men hier in menigte vindt. Het onderscheid tusschen de nieuwe en oude stad is zoo groot, dat iemand, hier niet bekend zijnde, en op bijzondere tijden, langs bijzondere wegen, in de twee gedeeltens dezer stad gebragt wordende, zou denken, dat deze twee plaatsen eenen aanmerkelijken afstand van elkanderen gelegen waren. Men heeft nog andere wandelingen in de stad, dat is te zeggen, breede straten met eenige rijen boomen beplant; men noemt ze deBoulevards, enles allées de Meillan. Op verscheide plaatsen in de stad, treft men fraaije fonteinen aan. De vischmarkt is een mooi nieuw gebouw, rustende op 30 zware, geelachtige steenen pijlaren: men leest op de voorzijde van de kap (facade)Halle,Charles de la Croix, an. XII.Marseille.Marseille.Nu hebben wij de stad te samen eens doorgeloopen; ik begin daar gemeenlijk mede, als ik op vreemdeplaatsen kom, om eerst eene oppervlakkige kennis van de ligging te krijgen, eer ik de dingen van stuk tot stuk beschouw. Een leidsman of wegwijzer neem ik zelden: als men den weg wil leeren kennen, moet men alleen gaan: kan men een plan bekomen van de plaats, waar men zich bevindt, zoo veel te beter, en anders maar vragen. Een oplettend reiziger teekent, eer hij op reis gaat, zoo veel mogelijk op, wat ’er hier en daar aanmerkenswaardig te zien is, en dan komt men met vragen, zoo men geene kennissen heeft, in de koffijhuizen en logementen, of bij de opzienders van boekerijen en natuur- of konstverzamelingen, al vrij wel te regt. Men neemt een toren, markplaats of aanzienelijk gebouw voor hoofdbaak, den naam van het logement, de straat, en zoo de stad groot is, de wijk, waar het in staat, teekent men op, en weldra leert men de onderscheide toegangen naar hetzelve kennen. Zijn ’er in of om de stad hoogtens, van waar men dezelve overzien kan, des te gemakkelijker krijgt men begrip van de ligging. Op zulk eene wijze vind ik den weg in de grootste steden, en dat binnen weinige dagen, zonder bijna te vragen, en ik zie zeldzaam iets bezienswaardigs over het hoofd; terwijl men een’ leidsman of huurknecht hebbende, alleen op hem vertrouwt, veel minder rond-, en dus veel voorbij ziet; ook houden die snaken u doorgaans met een menigte beuzelachtige, verdichte of opgesierde vertellingen bezig, leiden u om, om den tijd te rekken, en laten slechts dat gene zien,dat zij verkiezen. Kortom, men is van die menschen afhankelijk, en dat alleen is al genoeg, waarom het met mijne geaardheid strijdt. Als men alleen wandelt, loopt men links of regts, men is ongestoord in zijn opmerkingen, en staat te kijken, waar en zoo lang men wil; dan vraagt men eens, en dan maakt men met den een of ander een praatje, en ik moet tot lof van deFranschenzeggen, dat zij over het algemeen vriendelijk zijn om de vreemdelingen te onderrigten; onze landgenoten anders zoo gereed om nateäpen, zouden wel doen van hun voorbeeld in dit opzigt wat meêr te volgen. Ik veroorlof mij ook al ligt, om in alle plaatsen of gebouwen, die ongesloten zijn, en mij bezienswaardig voorkomen, in te loopen, doch ik ga ook zonder tegenzeggen terug, zoodra men het vordert; en hier bij heb ik mij altijd wel bevonden.—Een goede mate van vrijpostigheid is den reizenden noodzakelijk.Den 8 dezer, ging ik ’s morgens al weder zeer vroegtijdig uit. Aan den kant van de poort vanRome, zag ik verscheidene muilezels, die zeer aardig waren opgeschikt met groote pluimen op den kop, en hebbende aan het hoofdstel, onder andere sieraden, kleine spiegeltjes; zij hadden bellen of klokjes aan den hals, en een net met voedsel aan den bek; de koopmanschappen, die zij droegen, waren met een soort van tapijt gedekt, en de voerlieden van deze karavane schenenItalianen; alle die bellen maakten een aardig klokkespel. Ik zag ook een kudde melkgeiten, insgelijks met klokjesaan den hals, die een man door de stad dreef; de lieden, die melk noodig hadden, kwamen op het gebel buiten, zoo als bij ons, als de melkboer tweemaal belt; en ’er werd dan zoo veel gemolken als zij vroegen; dit is hier noodzakelijk, omdat de melk door de warmte zoo schielijk bederft; insgelijks staan de boeren ’s morgens hier en daar in de stad met hunne koeijen, die zij van tijd tot tijd, als ’er zich koopers opdoen, melken. Deze koeitjes zien ’er schraal uit, en geven niet veel; want tusschen de rotsen rondomMarseilleen dePurmerofBeemster, is een groot onderscheid. De boter is hier dan ook zeer schaars, en die ’er nog is, ziet wit als onze hooiboter, en heeft min of meêr een’ ongelachtigen smaak. In de straat vanRome, aan den hoek van een klein straatje, voor het huis van een Apotheker, zag ik, dat men bezig was om aan een fontein te werken, men had daar onlangs een wit marmer borstbeeld opgezet; het stond op een voetstuk van blaauw marmer, doch ’er was nog geen opschrift op; de gevel van het huis van den Apotheker, die met beeldhouwwerk versierd was, werd tevens opgemaakt. Ik giste, dat hier de vermaardeMarseillaanschebeeldhouwer, bouwmeester en konstschilderPugetgewoond had, en men zijn borstbeeld op de fontein plaatste; om hier zeker van te zijn, trad ik in de pillenvergulders-winkel, en bevond, dat ik het geraden had. Van stadswegen werd hier dat gedenkteeken, ter eere van dien te regt beroemden kunstenaar opgerigt. Met genoegen bespeurdeik, dat de Apotheker hier omtrent ook niet ongevoelig was, want hij zeide, met eene zigtbare tevredenheid: “Oui Monsieur! j’habite la maison du celèbrePuget.” Het beeldhouwwerk in den gevel was van den kunstenaar zelven, en men leest ’er:Salvator mundi miserere nobis6; en wat lager:Nul bien sans peine7. Het borstbeeld op de fontein scheen mij fraai uitgevoerd te zijn. Lof zij de regering vanMarseille, die zoo doende de kunsten aanmoedigt.—Hier omtrent zijn wij Bataven ook ellendig achterlijk, en wat hebben wij een ruime stof! getuigen onder andere, helaas! de rijke buit van schilderstukken in het Museum teParijs.—en waar vindt men bij ons een openbaar gedenkteeken ter eere van een eenigen van zoo vele roemruchtige kunstenaars, Hoe schadelijk is ook in dit opzigt die koude onverschilligheid, die verachtelijke slaperigheid onzer landgenoten niet!—Moeten wij ons niet schamen voor onze naburen deEngelschenenFranschen, zoo wel als voor de bewoners van sommige gedeelten vanDuitschland, bij welke laatste de kunsten en wetenschappen, sedert naauwelijks een halve eeuw, zulke aanmerkelijke vorderingen gemaakt hebben; en waar anders door dan door een’ geest vanPatriottismeen edelenNational-Stolz: terwijl wij in zoo vele vakken schier dagelijks achter uitgaan. Ik weet wel, dat de tijden zeer ongunstigzijn, doch ik weet tevens, dat dit een des te sterker prikkel behoorde te zijn, om alles aantewenden, wat eenigzins strekken kon, om ’s Lands luister te herstellen, de kwijnende kunsten en wetenschappen, handwerken en fabrieken optebeuren, en daar door meêr en meêr zoo vele verstopte bronnen van onze welvaart te openen. Deze uitweiding zou mij haast doen vergeten, om nog het een en ander aangaandePugette zeggen, dat ik toch doen wil, om u de moeite te sparen, van sommige schrijvers of woordenboeken te doorbladeren, daar ik uwe belangneming heb gaande gemaakt: weet dan, dat deze man hier in 1622 geboren werd, en geene geldmiddelen hebbende, genoodzaakt was, om zich op het een of andere kunst- of handwerk toeteleggen; hij wierd dan als kweekeling in de beeldhouwkunde, bij het Arsenaal dezer stad opgenomen; al spoedig maakte hij vorderingen, en zijn kunde ontwikkelde zich vooral inItalië. In 1653 kwam hij weder teMarseilleterug; en na deze stad,GenuaenToulon, en de kunsten in het algemeen8, door zijn beeldhouw-, schilder- en bouwkunde aanmerkelijk te hebben verrijkt, stierf hij in 1694, en alzoo het 72 jaar zijns ouderdoms, in zijne geboortestad. Zijn zoonFrancois Puget, was ook een goed schilder.Verder voortwandelende, zag ik in die zelfde wijk,naar het mij voorkwam, eene andere fraaije fontein, bestaande uit een kolom van granit of gespikkeld marmer, volgens de Jonische order, rustende op een rood marmeren voetstuk; boven op den kolom stond het borstbeeld vanHomerus, en op het voetstuk las men aan den eenen kant:Les descendans des Phocéens àHomère, en aan den anderen kant:Le GeneralBonaparte,premier Consul etc.Charles de la Croixprefet etc. Aan den kant van deBoulevardwas men bezig om een nieuwen Schouwburg, tot het vertoonen van kleine stukjes,Vaudevilles etc.te bouwen. Hij was bijna voltooid, en men moest ’er met den aanstaanden winter nog in spelen. De smaak voor het tooneel neemt nog dagelijks meêr en meêr toe onder deFranschen; doch mijns bedunkens is het de regte smaak niet; het schouwspel strekt bijna geheel ter voldoening van hunnen ligtzinnigen smaak, terwijl men het nut, ik meen hetmoreelenut, niet genoeg in het oog houd. Men was ook niet ver van hier in een gebouw, voorheen een Kerk, bezig met een luchtbol (ballon) te maaken, die al vrij groot was, een man te paard zittende, ik meen den vermaardenBlanchardzelven, moest daar binnen eenige dagen mede opstijgen. Men zou, dunkt mij, ook wel doen, om van dat gevaarlijk luchtreizen, waarin men het toch nooit verder schijnt te zullen brengen, aftestappen, om liever het geld, dat daar aan verkwist wordt (en dit bedraagt zeker eene aanmerkelijke som, want men houdt zich vooral inFrankrijknog zeer veel metluchtbollen bezig) aan de aarde, waar van de bewerking nog voor zoo veel verbetering vatbaar is, te besteden: behalve dat, vind ik alle spelen of vertooningen, waar bij menschen, alleen om de aanschouwers te vermaken, hun leven of gezondheid wagen, zoo als luchtreizigers, koorddansers, paardrijders en diergelijken, in eene maatschappij, daar de goede order gehandhaafd wordt, ten eenemaal ongeoorloofd. Ik bezag eenige Kerken, doch vond ’er weinig bezienswaardig; in een van dezelve was een man in Turksche kleeding, en met een tulband op het hoofd, die zeer devoot de mis scheen bijtewonen; en behalve het ontdekken van zijn hoofd, dezelfde plegtigheden in acht nam als de anderen. De warmte was vrij dragelijk, en ik kon genoegzaam den geheelen dag wandelen; terwijl ik den vorigen dag verpligt geweest was, om mij op het midden van den dag in huis te houden.Krediet-brieven aan een’ koopman alhier hebbende, had ik gelegenheid, om naar den staat van den handel eenig onderzoek te doen. Het schijnt ’er ook hier in dit opzigt ellendig uittezien: deAmerikanenenSpanjaardenwaren de eenigste, waarmede men nog iets deed; deLevantschenhandel, die hier de voornaamste tak van commercie uitmaakte, en waar toe alleen eenige honderde schepen gebezigd werden, is door den oorlog schier geheel werkeloos, en met deBarbarijschekust,Maroccoenz. beteekent het ook zeer weinig, en geld en krediet ontbrak ’er algemeen, naar men mij verzekerde. DeMarseillanenplagten ook veel met deEngelschenenHollanderste handelen, maar ook deze handel staat thans genoegzaam stil. Verscheidene kooplieden, die ik sprak, en in hunne bezigheden zag, kwamen mij voor, wat hunne geaardheid aanbelangt, dezelfde soort van menschen te zijn, als de onze teAmsterdam,Rotterdamenz.; en men zou in een kantoor of pakhuis teMarseillezijnde, waar Kooplieden, Makelaars, Kantoorbediendens, Pakhuisknechts, enz. onder elkanderen bezig zijn, indien ’er geenFranschgesproken werd, zich zeer wel kunnen verbeelden, dat men inAmsterdamofRotterdamwas. Goedkoop koopen, ’en duur verkoopen, is altijd de hoofdbedoeling en de beweegoorzaak van hunne daden en verrigtingen, en dit bedrijf schijnt eenen aanmerkelijken invloed op het karakter te hebben; echter meen ik, zonder partijdig te zijn, wat aanbelangt de ijver, orde, naauwkeurigheid, en vooral ook de goede trouw, mijnen landgenooten de voorkeur te mogen geven. De kooplieden vanMarseilleschenen in ’t geheel niet in hun schik met het tegenwoordig Gouvernement, en beschouwden het als een krijgsbestuur (Gouvernement-militair) nadeelig voor den koophandel,Bourbons-gezind schenen zij echter over het algemeen ook niet; het oude Aristocratisch-Republikeinsche zit ’er misschien nog wel wat in, vooral als de vrijheid en onafhankelijkheid opzigtens den handel daar door kon begunstigd worden; met één woord, de geest van koophandel (esprit de commerce) schijnt ’er, de algemeene geest (espritpublic). Het nieuweFranschegewigt scheen hier ook weinig in gebruik; nu ik geloof ook, dat men moeite zal hebben, om, en wel de vreemdelingen vooral, daar aan te gewennen. Hier ziet men bijna in ’t geheel geen balance en gewigt, zoo als bij ons en elders inFrankrijkin gebruik, en men verkoopt veel bij het pond, zelfs tot de houtskolen toe, alles wordt schier gewogen aan ijzeren of houten staven, die de zwaarte aanwijzen, door een ijzeren of koperen bol, die men op zekere merken schuift9. In de winkels hangt deze staf doorgaans op een bepaalde plaats, met eene schaal ’er aan, doch anders heffen twee menschen die aan een stok op de schouders op, met de goederen die men ’er aanhangt; zoo weegt men in de pakhuizen en op de kaaijen, bij het afleveren van goederen enz. De goederen Worden hier meestal gedragen, door mannen, die menporte-faixnoemt. Zij dragen op den rug en met twee aan een boom, doch niet zoo als bij ons de bierdragers achter elkander, maar naast elkander; zij hebben groote ronde hoeden op, en daar aan hangt een kussentje, dat hun in den hals ligt, hier op rust de draagboom. Ik geloof, dat op die wijze het geheele lichaam meer draagt, en het alzoo gemakkelijker is, dan dat de boom maar op eene schouder rust. Deze lieden maken een soort vanGilde uit, zoo als bij ons de zakkedragers, dat menle corps de porte-faix10noemt. Hunne hoofden, die ’er goede order onder houden, bezitten in eene ruime maate het vertrouwen van de kooplieden, en schijnen zich dat vertrouwen ook waardig te maken.’s Avonds ging ik in den grooten Schouwburg, die digt bij mijn logement, regt over de straatBeauvau, is, zoo dat defacadeeene fraaije en prachtige vertooning maakt, en het heeft daar door wel wat overeenkomst met het van binnen uitgebrandeThéatre de l’OdéonteParijs. Deze Schouwburg is naar het bestek vanBenardin 1787 gebouwd. Van binnen is deze zaal fraai, doch men kan in hetparterreook niet zitten, dan op een enkele bank rondom; men betaalde ’er ook maar 25sous. Ik bleef ’er slechts zeer kort, want het was ’er warm, zoo dat ik schier zweette van het zien dansen, dat anders vrij wel was; men zeide mij ook, dat zij in de balletten uitmunten; maar dat het overige niet veel beteekent. Fraaije Koffijhuizen vindt men teMarseillein menigte, zoo rondom deCoursen bij den schouwburg, als elders;le Caffé du Commerce, in de straat deBeauvau, is een van de beste; de ververschingen zijn ’er niet duur. IJs wordt hier ook zeer veel gebruikt, men betaaltde glace11tien à twaalf stuivers.Den 9 dezer, werd ik ’s morgens gewekt door een kanonschoot, die bij het openen van de haven van een der forten gedaan wordt. Ten vijf uren ging ik reeds uit, en alles was al in beweging. Ik klom op den berg, daar het fortnotre Dame de la Gardeop gelegen is; men heeft van daar een allerschoonst gezigt over de stad, de omstreken, en op de zee. Ten tijde, dat deRomeinschelegioenen zich hier bevonden, moet ’er een aanzienelijk bosch op dezen berg geweest zijn; oude schrijvers althans spreken daar van; thans is ’er niets, dat naar een bosch gelijkt, op te zien; de grond is dor en steenachtig. Hier omstreeks heeft men nog een anderen berg of heuvel, die men thans den bergBonaparte(la montagneBonaparte) noemt; men heeft pas een nieuwen weg gemaakt, langs welken men ’er zeer gemakkelijk opklimmen en omwandelen kan. In het opklimmen las ik op een bordje een verbod om de boomen en struiken op deze wandeling niet uit te rukken of te beschadigen—geene wet zal ’er beter nagekomen worden dan deze; want ’er is geen boompje of struikje op den ganschen berg te zien, en ik geloof niet, dat ’er ooit boomen of struiken, van eenig belang op zullen groeijen, omdat het genoegzaam niets anders is dan rots of stukkensteen; boven op heeft men nogthans een allerverrukkendst gezigt, vooral ook in de haven en op den berg aan den overkant, waar tegenzich de huizen van de oude stad als een Amphitheater vertoonen. In de zee zag ik een enkel visschersschuitje; anders was het in deze, in vredestijd zoo drokke, zeehaven dood stil. Aan den voet van den berg, waar men denzelven opklimt, is een fraaije fontein met een Jonische kolom, waar op het borstbeeld vanBonaparte, van wit marmer; op het voetstuk dat met twee witte marmerenbas-reliefspronkt, verbeeldende het eene eenige merkteekens van den koophandel, en het andere van den wijnoogst, leest men:ABonapartevainqueur et pacificateur Marseille reconnaissante12. Verder blijkt uit het opschrift, dat dit gedenkteeken onder het bestuur van denprefetCharles de la Croix, die, inHollandzijnde, zoo een groote voorstander scheen van een Demokratisch bestuur, is opgerigt. Dit alles is door een fraai ijzer hek omringd, en deze fontein staat aan het eind van een vrij lange pas beplanten laan, te weten aan iedere zijde met eenen rij boomen, die voor een algemeene wandeling moet dienen, makende alzoo eene fraaije vertooning. Langs de haven wandelende, zag ik, dat men daar bezig was, om met een werktuig, dat ik mij niet herinner van bij ons gezien te hebben, het slijk uittebaggeren; dit werktuigbestond uit twee groote baggerhaken, ten naasten bij zoo als die in het klein zijn, waar onzer baggerlieden mede arbeiden, zij worden door windassen, die bewogen worden door lieden, die in een rad loopen, bestuurd, zoo dat de eene telkens naar beneden, en de andere naar boven gaat; de scheppers van deze baggerhaken zijn van onderen met een klep, die met een klink sluit; deze klep opent men door middel van een haak, en loost zoo den modder in een schuit, die ’er onder ligt. Dit werktuig slaat op een vierkante bak of schuit, en ik zag ’er zoo verscheidene liggen. Dit schoonmaken van de haven is zeer noodzakelijk, om dat het slijk en de vuiligheid uit de stad ’er in uitloost, en ’er heeft geene doorspoeling plaats, daar het water altijd stil staat; want, gelijk gij weet, in deMiddellandsche Zeegaat geen ebbe noch vloed. Het kan dan hier langs de haven, vooral als het heet is, wel eens onaangenaam rieken, zoo datMarseilleook in dit opzigt eenige overeenkomst heeft metAmsterdam. Maar zeldzaam gebeurt het dat het water hier hooger of lager wordt, en dan is die verandering nog maar van weinig belang. De kaai is slechts weinige voeten boven water, zoodat men van daar gemakkelijk in de schuitjes, waar men mede overvaart, stapt. Indien de bovengemelde baggerwerktuigen bij ons niet bekend mogten zijn, was het dunkt mij der moeite wel waardig, dat men ’er onderzoek na deed, en ’er eene naauwkeurige afteekening van trachtte te bekomen; want immers zoudenzij bij ons op verscheidene plaatsen met veel vrucht kunnen gebezigd worden. Ik dacht, dat de vette modder, dien men hier uitbaggerde, gebruikt werd, om de onvruchtbare steenachtige gronden, rondom deze stad te bemesten, daar de bemesting hier zoo schaars en tevens zoo noodzakelijk is; maar neen, men wierp die op eenen zekeren afstand van de stad in zee, en zelfs scheen men vrij algemeen staande te houden, dat deze slijk of modder in ’t geheel niet deugde, om de gronden te verbeteren. Dat dezelve in een of twee jaren de vruchtbaarheid niet bevordert, is zeer wel mogelijk, doch na verloop van eenigen tijd, ben ik wel verzekerd, dat zij op deze barre gronden, behoorlijk bewerkt zijnde, zeer nuttig moet zijn, en indien ik hier woonde, en de vereischte gelegenheid had, twijfel ik niet, of ik zou ’er met goed gevolg wel gebruik van weten te maken; doch ook in dit opzigt zijn verkeerde begrippen en kwade gebruiken niet gemakkelijk te veranderen. Zoo gaat het bij ons met de straatmest, asch enz. In ons vaderland hebben wij zoovele onbebouwde gronden, die slechts bemesting en matigen arbeid vorderen, om het een of ander, al was het maar dennenhout en aardappelen voorttebrengen. De deerniswaardige bewoners van onze zeedorpen vooral, lijden bitter gebrek, en vergaan hier en daar bijna van honger, en ondertusschen twijfel ik niet, of men vervoert altijd nog de straatmest, asch enz. uitden Haag, Leijden,Haarlem, enz. naarBraband, in plaatsvan ze door die ongelukkigen te laten weghalen, om ’er de nabijgelegen duinen mede te bemesten, en ’er aardappelen, die ’er ongetwijfeld goed in groeijen, in te zetten. Ik weet wel, dat de bevordering van den landbouw en fabrieken, in ’t geheel niet met den algemeenen handelgeest in ons vaderland strookt; doch ik weet tevens ook, dat welke de redenen ook zijn mogen, die men tot staving van dat denkbeeld, als strookende zelfs met het algemeen belang, moge aanvoeren, dezelven althans in oorlogstijden, niets afdoen, en sedert hoe vele jaren, en hoe dikwijls is de oorlog, helaas! ons lot niet. In vredestijd brengt de koophandel, wel is waar, schatten aan, maar schatten maken ook de afgunst en begeerten onzer nabuuren gaande, en geven aanleiding tot weelde, en dus ook tot zedenbederf; daarenboven blijven deze schatten doorgaans maar in een gedeelte van het land in omloop, en verrijken maar een zeker aantal van deszelfs inwoners. De landbouw, en ook de fabrieken, te weten van kleeding en andere stoffen, die wij voor eigen gebruik noodig hebben, zijn minder voordeelig in het aanbrengen van rijkdommen, doch ook een zekerder middel ter algemeene verschaffing van het noodzakelijke, en alzoo ter behoeding van gebrek—zoo veel mogelijk onafhankelijk te zijn van de omstandigheden, is voor ons van vrij wat meer belang, dunkt mij, dan rijkdom, dien wij toch ook niet aanhoudend en rustig kunnen blijven bezitten; maar al dikwijls moeten wij zien, dat vreemden de vruchten van onzen, arbeid en spaarzaamheidinoogsten.—Dit althans, houde ik voor zeker, dat ook ten dezen opzigte de waarheid in het midden ligt, en het alzoo noch redelijk, noch staatkundig is, om den koophandel alleen, ten koste van de landbouw en fabrieken, te willen staande houden.—Wat zegt gij, Vriend! zijt gij het hier omtrent niet volkomen met mij eens?1Naar men mij verzekerde, vindt men ’er somtijds, die meer twee centenaars wegen; verscheide heb ik ’er op de markt gezien, die een kloek man niet alleen op zijn hoofd kon brengen, om weg te dragen.2Een soort van Eijerplant (solanum), doch die men hier gebruikt, zijn violet van kleur en langwerpig.3Een orange kleur platachtig geribt appeltje, omtrent zoo groot als de palm ven de hand, zeer sappig en vol pitjes, het groeit aan een laag plantje. Ik heb het bij ons ook wel in de tuinen gezien, doch ken ’er den,botanischennaam niet van.4Ondertusschen is dit ook teParijsde algemeene mode, en men ziet daar zelfs, vooral zomers, in de fraaije koffijhuizen van hetPalais Royal, en elders doorelegante Dametjesenpetits maitresbier drinken, en wel met de fles of kruik.5Zulk zingen is nuttig en aangenaam, en waarom is het Liederenboek van de JuffrouwenWolffenDekenniet meêr algemeen in gebruik?6Zaligmaker der wereld ontferm u onzer!7Geen goed zonder moeite.8DeMilonen deAndromedadie men teVersaillesziet, zijn ook vanPuget.9InBataafsch Brabandworden diergelijke werktuigen, om te wegen, veel onder de landlieden gebruikt, en zijn daar bekend onder den naam van ponders of unsters.10Het ligchaam der zakkendragers.11Un glacenoemt men een glaasje met bevrozen room,en zuiker of sap van vruchten, zoo als van aardbeziën, persiken, abrikosen enz. ook wordt dit sap, in vormen gegoten zijnde, wel aan stukjes verkocht, en dit noemt menglaces en brique.12AanBonaparte, overwinnaar en bevrediger, isMarseilleerkentelijk.

Marseille, 10 Augustus.

Deze stad bevalt mij, en zal den meestenHollanders, vooral den kooplieden, oppervlakkig wel bevallen; doch in dit saisoen is het ’er vrij warm, dus, als men wat zien wil, moet men den morgen en avondstond waarnemen; ik begon dan met den 7 dezer ’s morgens om 6 uren reeds uit te gaan; het eerste, dat ik ging bezigtigen, was de haven en de fraaije kaai, die dezelve aan drie kanten omringt. Zij lag vol schepen, doch de meesten waren om den oorlog onttakeld, rondom zijn een menigte winkels, pakhuizen, scheepstimmerwerven enz. Overal ziet men matrozen en zeelieden van onderscheidene natiën.—’tWas als of ik door den slag van eene tooverroede zoo eensklaps in eene van onze voornameHollandschekoopsteden gevoerd was. Een goed gedeelte van deze kaai, vooral daar waar het koren gemeten wordt, is zeer netjes met kleine steentjes of klinkers gestraat. Hier ziet men ook een soort van kraan, om de masten in de schepen te zetten; deMarseillanentoonen dat den vreemden als iets bijzonders; doch mij dunkt, dat ik diergelijke werktuigen bij ons op meêr dan eene plaats gezien heb. Aan het eind van de haven, waar die aan zee uitkomt, wordt dezelve aan de zuidzijde beschermd, door het FortNotre Dame de la Garde, dat op den top van een’ heuvel ligt, en een gedeelte van de reede bestrijkt, en lager door de citadelSt. Nicolas. Aan de noordzijde is hare ingang gedekt door het FortSt. Jean. Ik verwonderde mij, dat ’er aan het eind geen ophaalbrug was, men moet zich met schuitjes, die men daar doorgaans vindt, van den eenen kant naar den anderen over laten zetten, of terug keeren; ik verkoos het eerste. Deze haven is, volgens de beschrijving, daar van zijnde, 500toisen(3000 voeten) lang, en 200toisen(1200 voeten) op haar breedst; men rekent, dat zij omtrent 800 schepen van onderscheide grootte kan bergen. Aan de noordzijde van de haven, zijn onder andere verscheide winkels van drogisten en kooplieden in koraal, die bij het stadjeCassis, omtrent 4 mijlen ten Z.O. vanMarseille,aan den oever van deMiddellandsche zeegelegen,gevischt wordt. Aan dezen kant staat ook het Stadhuis, waar de beurs onder is. Ik ontmoette verscheide kooplieden in Oostersche kleding, als Grieken, Turken en Joden, vanSmirna,Aleppo,Alexandrieen vooral ook van deBarbarijscheKusten, waarmede deMarseillanenzeer veel handel drijven. Aan het eind van dezen kant van de haven lag ook een menigte schuitjes, geladen met citroenen en oranges, zoo als bij ons met aardappelen: zij komen van de plaatsen rondom aan deMiddellandsche zee; de vrouwen die ’er bij waren, hadden de haren in een zwart of rood zijden net met breede linten van dezelfde kleur, die op de schouders afhingen. Niettegenstaande de grond, rondomMarseille, dor en onvruchtbaar is, was de groenmarkt rijkelijk voorzien; doch deze overvloed is thans ook buitengemeen, en de overvloedige regen, dien wij gedurende eenigen tijd gehad hebben, was daar de oorzaak van. Meloenen in soorten zijn hier zeer overvloedig, en daar onder die zeer geurig en lekker zijn, ook ziet men ’er in menigte een soort van groote ronde pompoenen, die men hierCourges, in hetpatois Provencal Cougourde, noemt, men vindt ’er die over de 150 ponden wegen1, deze worden meest gebruikt om soepvan te koken; en met vleeschnat ’er bij, is die niet onsmakelijk. Ook vindt men hier in overvloed een gewas, dat menAubergines2, en een ander dat menpommes d’Amour3noemt; deze worden hier zeer veel gegeten, doch ik vond ’er niet veel lekker aan, vooral niet aan de eerstgenoemde, die doorgaans in olij gebakken worden: met depommes d’Amour, maakt men nog al smakelijke rinsche sausen. Op het midden van de groenmarkt staat eene fraaije fontein, en wat verder, eene groote loots, in den smaak van eenChineeschetent, met een tuintje rondom: men noemt hetle Pavillon chinois. Deze tent is een koffijhuis, waar debeau mondevanMarseillezoo Dames als Heeren, ’s avonds bij elkanderen komen, omGlacesen andere ververschingen te gebruiken; van binnen is het fraai en netjes opgeschikt met spiegels, schilderwerk enz., en daarbij wel verlicht. Dit paviljoen is hetFrascativanMarseille: de stijve welvoeglijkheid wordt ’er dan ook zeerinacht genomen; men moet eenigzins naar de mode opgeschikt zijn, en zijn hoed afleggen; ook ziet men ’er niets anders dan een menigte strijkaadjesen dienaressen. Rondom aan kleine tafeltjes gezeten, fluistert men zachtjes tegen elkander, en en het is duidelijk te zien, dat het eene groepje zich bezig houdt met op het andere te letten. Ik vind anders deze soort van bijeenkomsten wel goed, men ziet elkander met weinig kosten; doch wilde dezelve meer in een’ burgerlijken en gemeenzamen trant hebben, en op die wijze zouden zij ook, dunkt mij, veel kunnen toebrengen, om het genoegelijke der zamenleving in ons Vaderland te vermeerderen; des goedvindende, zou men ’er ook meêr bepaalde bijeenkomsten of societeiten van kunnen maken, en ’er zelfs een boekerij bijvoegen; want het spel behoorde ’er, mijns bedunkens, niet toegelaten te worden: en waren diergelijke societeiten dan niet beter, dan die, welke alleen uit mannen bestaan, en in bijna alle onze Vaderlandsche steden maar al te veel zijn ingevoerd?—Was het niet beter, dat de huisvader ’s avonds met zijn vrouw en kinderen onder andere huisgezinnen, zoo als gezegd is, indien men het verkiest, bepaald tot een’ zekeren kring, een uurtje uitspanning ging nemen, dan dat hij alleen naar zijn societeit of collegie gaat, en zich bijna alle avonden, zoodra zeker uur daar is, en dat is al vroegtijdig, haast, om zijn huisgezin te ontloopen, en zijne vrouw en kinderen aan zich zelve overlaat. De kinderen, over welke de moeder dikwijls niet veel gezag heeft lopen, dan ook links en regts, en de vrouw ... wel deze verveelt zich ook natuurlijkerwijze dikwijls in de eenzaamheid, daarzij toch niet altijd in hare huishouding bezig kan zijn. Veeltijds is het laat in den nacht, eer vader uit zijn societeit of kollegie t’huis komt, terwijl moeder en de kinderen, die gemaakt hebben, dat zij een half uurtje te voren binnen waren, al slapende en geeuwende met het avondeten zitten te wachten. De man dikwijls door het spel of den wijn buiten zijn gewone humeur, (want wat wordt ’er anders al in die gezelschappen gedaan, dan gespeeld en gedronken,) zonder juist een speelder of dronkaard te zijn, is hij dan ook het aangenaamste gezelschap noch het beste voorbeeld niet. Deze bijeenkomsten voor mans en vrouwen wilde ik zomers buiten de stad in een aangenaam gelegen tuin, bij fraaije en liefelijke wandelingen hebben, waar tevens gelegenheid was tot eenige gezonde ligchaamsoefeningen als kaatsen, kegelen, in het touwtje springen, en diergelijke; ’s winters kon men hiertoe een geschikte zaal in de stad verkiezen; doch pracht en luxe moesten ’er verbannen zijn, en alle aanleiding tot verkwisting en buitensporigheden ten eenemaal afgesneden worden. Ligt Vaderlands bier, mij dunkt ik zie reeds hoe onzemodepopjes den neus hierbij optrekken4, prijs ik voor den gewonen drank aan. Men kon zichhier ook van tijd tot tijd in de muzijk oefenen, en Vaderlandsche liederen zingen, ter eere van onze Vaderlandsche Helden en groote Mannen, en ter aanmoediging van Vaderlandsche en huisselijke deugden5.—Onze natie weet nog niet genoeg den middelweg te houden tusschen het stijve, stroeve, ernstige en het losbandige, en mist daardoor vele genoegens der zamenleving, waartoe zij anderzins, door haar in zeer veel opzigten boven dat van andere natiën uitmuntend karakter, bij uitnemendheid toe geschikt is.

De nieuwe stad (la ville neuve) vanMarseilleis zeer fraai: ruime, luchtige en regte straten, veelal aan beide zijde met een eenigzins verheven wegje voor de voetgangers (trottoir), daarbij vrij zindelijk en wel gestraat, op verscheide plaatsen regelmatig, met fraaije huizen bebouwd; dit alles geeft aan dit gedeelte, dat vrij groot is, een allerbevalligst aanzien. Vooral munt daar in uit de lange regte straat waar ik u reeds van gesproken heb, loopende van de poort vanAix, tot de poort vanRome, dat is, van het noorden tot het zuiden: deze straat is wel een half uur gaans lang, van het eene eind tot het andere; ter plaatse vande Coursis zij vrij breed; de wandelingen in het midden en aan beide zijden met een’ rij ijpen bomen, doch die ’er niet zeer tierig uitzien,beplant, en versierd met een paar fraaije fonteinen, die overvloed van water schijnen te geven; dit is ook het laagste gedeelte van de straat, en naar de poorten, aan beide zijden, gaande klimt men op, vooral naar de poort vanAix. Ik zal denkelijk wel gelegenheid hebben, om u een gezigt van dit gedeelte der stad te doen toekomen. De oude stad bijna geheel tegen de helling van een’ heuvel aan de noordzijde van de haven gebouwd, heeft de gebreken van meest alle de oude steden, die ik in het zuiden vanFrankrijkgezien heb; de straten zijn naauw, krom en donker, hier is het bijzonder morsig, en de stank alleronaangenaamst; door de leerlooijerijen en zeepziederijen, die men hier in menigte vindt. Het onderscheid tusschen de nieuwe en oude stad is zoo groot, dat iemand, hier niet bekend zijnde, en op bijzondere tijden, langs bijzondere wegen, in de twee gedeeltens dezer stad gebragt wordende, zou denken, dat deze twee plaatsen eenen aanmerkelijken afstand van elkanderen gelegen waren. Men heeft nog andere wandelingen in de stad, dat is te zeggen, breede straten met eenige rijen boomen beplant; men noemt ze deBoulevards, enles allées de Meillan. Op verscheide plaatsen in de stad, treft men fraaije fonteinen aan. De vischmarkt is een mooi nieuw gebouw, rustende op 30 zware, geelachtige steenen pijlaren: men leest op de voorzijde van de kap (facade)Halle,Charles de la Croix, an. XII.

Marseille.Marseille.

Marseille.

Nu hebben wij de stad te samen eens doorgeloopen; ik begin daar gemeenlijk mede, als ik op vreemdeplaatsen kom, om eerst eene oppervlakkige kennis van de ligging te krijgen, eer ik de dingen van stuk tot stuk beschouw. Een leidsman of wegwijzer neem ik zelden: als men den weg wil leeren kennen, moet men alleen gaan: kan men een plan bekomen van de plaats, waar men zich bevindt, zoo veel te beter, en anders maar vragen. Een oplettend reiziger teekent, eer hij op reis gaat, zoo veel mogelijk op, wat ’er hier en daar aanmerkenswaardig te zien is, en dan komt men met vragen, zoo men geene kennissen heeft, in de koffijhuizen en logementen, of bij de opzienders van boekerijen en natuur- of konstverzamelingen, al vrij wel te regt. Men neemt een toren, markplaats of aanzienelijk gebouw voor hoofdbaak, den naam van het logement, de straat, en zoo de stad groot is, de wijk, waar het in staat, teekent men op, en weldra leert men de onderscheide toegangen naar hetzelve kennen. Zijn ’er in of om de stad hoogtens, van waar men dezelve overzien kan, des te gemakkelijker krijgt men begrip van de ligging. Op zulk eene wijze vind ik den weg in de grootste steden, en dat binnen weinige dagen, zonder bijna te vragen, en ik zie zeldzaam iets bezienswaardigs over het hoofd; terwijl men een’ leidsman of huurknecht hebbende, alleen op hem vertrouwt, veel minder rond-, en dus veel voorbij ziet; ook houden die snaken u doorgaans met een menigte beuzelachtige, verdichte of opgesierde vertellingen bezig, leiden u om, om den tijd te rekken, en laten slechts dat gene zien,dat zij verkiezen. Kortom, men is van die menschen afhankelijk, en dat alleen is al genoeg, waarom het met mijne geaardheid strijdt. Als men alleen wandelt, loopt men links of regts, men is ongestoord in zijn opmerkingen, en staat te kijken, waar en zoo lang men wil; dan vraagt men eens, en dan maakt men met den een of ander een praatje, en ik moet tot lof van deFranschenzeggen, dat zij over het algemeen vriendelijk zijn om de vreemdelingen te onderrigten; onze landgenoten anders zoo gereed om nateäpen, zouden wel doen van hun voorbeeld in dit opzigt wat meêr te volgen. Ik veroorlof mij ook al ligt, om in alle plaatsen of gebouwen, die ongesloten zijn, en mij bezienswaardig voorkomen, in te loopen, doch ik ga ook zonder tegenzeggen terug, zoodra men het vordert; en hier bij heb ik mij altijd wel bevonden.—Een goede mate van vrijpostigheid is den reizenden noodzakelijk.

Den 8 dezer, ging ik ’s morgens al weder zeer vroegtijdig uit. Aan den kant van de poort vanRome, zag ik verscheidene muilezels, die zeer aardig waren opgeschikt met groote pluimen op den kop, en hebbende aan het hoofdstel, onder andere sieraden, kleine spiegeltjes; zij hadden bellen of klokjes aan den hals, en een net met voedsel aan den bek; de koopmanschappen, die zij droegen, waren met een soort van tapijt gedekt, en de voerlieden van deze karavane schenenItalianen; alle die bellen maakten een aardig klokkespel. Ik zag ook een kudde melkgeiten, insgelijks met klokjesaan den hals, die een man door de stad dreef; de lieden, die melk noodig hadden, kwamen op het gebel buiten, zoo als bij ons, als de melkboer tweemaal belt; en ’er werd dan zoo veel gemolken als zij vroegen; dit is hier noodzakelijk, omdat de melk door de warmte zoo schielijk bederft; insgelijks staan de boeren ’s morgens hier en daar in de stad met hunne koeijen, die zij van tijd tot tijd, als ’er zich koopers opdoen, melken. Deze koeitjes zien ’er schraal uit, en geven niet veel; want tusschen de rotsen rondomMarseilleen dePurmerofBeemster, is een groot onderscheid. De boter is hier dan ook zeer schaars, en die ’er nog is, ziet wit als onze hooiboter, en heeft min of meêr een’ ongelachtigen smaak. In de straat vanRome, aan den hoek van een klein straatje, voor het huis van een Apotheker, zag ik, dat men bezig was om aan een fontein te werken, men had daar onlangs een wit marmer borstbeeld opgezet; het stond op een voetstuk van blaauw marmer, doch ’er was nog geen opschrift op; de gevel van het huis van den Apotheker, die met beeldhouwwerk versierd was, werd tevens opgemaakt. Ik giste, dat hier de vermaardeMarseillaanschebeeldhouwer, bouwmeester en konstschilderPugetgewoond had, en men zijn borstbeeld op de fontein plaatste; om hier zeker van te zijn, trad ik in de pillenvergulders-winkel, en bevond, dat ik het geraden had. Van stadswegen werd hier dat gedenkteeken, ter eere van dien te regt beroemden kunstenaar opgerigt. Met genoegen bespeurdeik, dat de Apotheker hier omtrent ook niet ongevoelig was, want hij zeide, met eene zigtbare tevredenheid: “Oui Monsieur! j’habite la maison du celèbrePuget.” Het beeldhouwwerk in den gevel was van den kunstenaar zelven, en men leest ’er:Salvator mundi miserere nobis6; en wat lager:Nul bien sans peine7. Het borstbeeld op de fontein scheen mij fraai uitgevoerd te zijn. Lof zij de regering vanMarseille, die zoo doende de kunsten aanmoedigt.—Hier omtrent zijn wij Bataven ook ellendig achterlijk, en wat hebben wij een ruime stof! getuigen onder andere, helaas! de rijke buit van schilderstukken in het Museum teParijs.—en waar vindt men bij ons een openbaar gedenkteeken ter eere van een eenigen van zoo vele roemruchtige kunstenaars, Hoe schadelijk is ook in dit opzigt die koude onverschilligheid, die verachtelijke slaperigheid onzer landgenoten niet!—Moeten wij ons niet schamen voor onze naburen deEngelschenenFranschen, zoo wel als voor de bewoners van sommige gedeelten vanDuitschland, bij welke laatste de kunsten en wetenschappen, sedert naauwelijks een halve eeuw, zulke aanmerkelijke vorderingen gemaakt hebben; en waar anders door dan door een’ geest vanPatriottismeen edelenNational-Stolz: terwijl wij in zoo vele vakken schier dagelijks achter uitgaan. Ik weet wel, dat de tijden zeer ongunstigzijn, doch ik weet tevens, dat dit een des te sterker prikkel behoorde te zijn, om alles aantewenden, wat eenigzins strekken kon, om ’s Lands luister te herstellen, de kwijnende kunsten en wetenschappen, handwerken en fabrieken optebeuren, en daar door meêr en meêr zoo vele verstopte bronnen van onze welvaart te openen. Deze uitweiding zou mij haast doen vergeten, om nog het een en ander aangaandePugette zeggen, dat ik toch doen wil, om u de moeite te sparen, van sommige schrijvers of woordenboeken te doorbladeren, daar ik uwe belangneming heb gaande gemaakt: weet dan, dat deze man hier in 1622 geboren werd, en geene geldmiddelen hebbende, genoodzaakt was, om zich op het een of andere kunst- of handwerk toeteleggen; hij wierd dan als kweekeling in de beeldhouwkunde, bij het Arsenaal dezer stad opgenomen; al spoedig maakte hij vorderingen, en zijn kunde ontwikkelde zich vooral inItalië. In 1653 kwam hij weder teMarseilleterug; en na deze stad,GenuaenToulon, en de kunsten in het algemeen8, door zijn beeldhouw-, schilder- en bouwkunde aanmerkelijk te hebben verrijkt, stierf hij in 1694, en alzoo het 72 jaar zijns ouderdoms, in zijne geboortestad. Zijn zoonFrancois Puget, was ook een goed schilder.

Verder voortwandelende, zag ik in die zelfde wijk,naar het mij voorkwam, eene andere fraaije fontein, bestaande uit een kolom van granit of gespikkeld marmer, volgens de Jonische order, rustende op een rood marmeren voetstuk; boven op den kolom stond het borstbeeld vanHomerus, en op het voetstuk las men aan den eenen kant:Les descendans des Phocéens àHomère, en aan den anderen kant:Le GeneralBonaparte,premier Consul etc.Charles de la Croixprefet etc. Aan den kant van deBoulevardwas men bezig om een nieuwen Schouwburg, tot het vertoonen van kleine stukjes,Vaudevilles etc.te bouwen. Hij was bijna voltooid, en men moest ’er met den aanstaanden winter nog in spelen. De smaak voor het tooneel neemt nog dagelijks meêr en meêr toe onder deFranschen; doch mijns bedunkens is het de regte smaak niet; het schouwspel strekt bijna geheel ter voldoening van hunnen ligtzinnigen smaak, terwijl men het nut, ik meen hetmoreelenut, niet genoeg in het oog houd. Men was ook niet ver van hier in een gebouw, voorheen een Kerk, bezig met een luchtbol (ballon) te maaken, die al vrij groot was, een man te paard zittende, ik meen den vermaardenBlanchardzelven, moest daar binnen eenige dagen mede opstijgen. Men zou, dunkt mij, ook wel doen, om van dat gevaarlijk luchtreizen, waarin men het toch nooit verder schijnt te zullen brengen, aftestappen, om liever het geld, dat daar aan verkwist wordt (en dit bedraagt zeker eene aanmerkelijke som, want men houdt zich vooral inFrankrijknog zeer veel metluchtbollen bezig) aan de aarde, waar van de bewerking nog voor zoo veel verbetering vatbaar is, te besteden: behalve dat, vind ik alle spelen of vertooningen, waar bij menschen, alleen om de aanschouwers te vermaken, hun leven of gezondheid wagen, zoo als luchtreizigers, koorddansers, paardrijders en diergelijken, in eene maatschappij, daar de goede order gehandhaafd wordt, ten eenemaal ongeoorloofd. Ik bezag eenige Kerken, doch vond ’er weinig bezienswaardig; in een van dezelve was een man in Turksche kleeding, en met een tulband op het hoofd, die zeer devoot de mis scheen bijtewonen; en behalve het ontdekken van zijn hoofd, dezelfde plegtigheden in acht nam als de anderen. De warmte was vrij dragelijk, en ik kon genoegzaam den geheelen dag wandelen; terwijl ik den vorigen dag verpligt geweest was, om mij op het midden van den dag in huis te houden.Krediet-brieven aan een’ koopman alhier hebbende, had ik gelegenheid, om naar den staat van den handel eenig onderzoek te doen. Het schijnt ’er ook hier in dit opzigt ellendig uittezien: deAmerikanenenSpanjaardenwaren de eenigste, waarmede men nog iets deed; deLevantschenhandel, die hier de voornaamste tak van commercie uitmaakte, en waar toe alleen eenige honderde schepen gebezigd werden, is door den oorlog schier geheel werkeloos, en met deBarbarijschekust,Maroccoenz. beteekent het ook zeer weinig, en geld en krediet ontbrak ’er algemeen, naar men mij verzekerde. DeMarseillanenplagten ook veel met deEngelschenenHollanderste handelen, maar ook deze handel staat thans genoegzaam stil. Verscheidene kooplieden, die ik sprak, en in hunne bezigheden zag, kwamen mij voor, wat hunne geaardheid aanbelangt, dezelfde soort van menschen te zijn, als de onze teAmsterdam,Rotterdamenz.; en men zou in een kantoor of pakhuis teMarseillezijnde, waar Kooplieden, Makelaars, Kantoorbediendens, Pakhuisknechts, enz. onder elkanderen bezig zijn, indien ’er geenFranschgesproken werd, zich zeer wel kunnen verbeelden, dat men inAmsterdamofRotterdamwas. Goedkoop koopen, ’en duur verkoopen, is altijd de hoofdbedoeling en de beweegoorzaak van hunne daden en verrigtingen, en dit bedrijf schijnt eenen aanmerkelijken invloed op het karakter te hebben; echter meen ik, zonder partijdig te zijn, wat aanbelangt de ijver, orde, naauwkeurigheid, en vooral ook de goede trouw, mijnen landgenooten de voorkeur te mogen geven. De kooplieden vanMarseilleschenen in ’t geheel niet in hun schik met het tegenwoordig Gouvernement, en beschouwden het als een krijgsbestuur (Gouvernement-militair) nadeelig voor den koophandel,Bourbons-gezind schenen zij echter over het algemeen ook niet; het oude Aristocratisch-Republikeinsche zit ’er misschien nog wel wat in, vooral als de vrijheid en onafhankelijkheid opzigtens den handel daar door kon begunstigd worden; met één woord, de geest van koophandel (esprit de commerce) schijnt ’er, de algemeene geest (espritpublic). Het nieuweFranschegewigt scheen hier ook weinig in gebruik; nu ik geloof ook, dat men moeite zal hebben, om, en wel de vreemdelingen vooral, daar aan te gewennen. Hier ziet men bijna in ’t geheel geen balance en gewigt, zoo als bij ons en elders inFrankrijkin gebruik, en men verkoopt veel bij het pond, zelfs tot de houtskolen toe, alles wordt schier gewogen aan ijzeren of houten staven, die de zwaarte aanwijzen, door een ijzeren of koperen bol, die men op zekere merken schuift9. In de winkels hangt deze staf doorgaans op een bepaalde plaats, met eene schaal ’er aan, doch anders heffen twee menschen die aan een stok op de schouders op, met de goederen die men ’er aanhangt; zoo weegt men in de pakhuizen en op de kaaijen, bij het afleveren van goederen enz. De goederen Worden hier meestal gedragen, door mannen, die menporte-faixnoemt. Zij dragen op den rug en met twee aan een boom, doch niet zoo als bij ons de bierdragers achter elkander, maar naast elkander; zij hebben groote ronde hoeden op, en daar aan hangt een kussentje, dat hun in den hals ligt, hier op rust de draagboom. Ik geloof, dat op die wijze het geheele lichaam meer draagt, en het alzoo gemakkelijker is, dan dat de boom maar op eene schouder rust. Deze lieden maken een soort vanGilde uit, zoo als bij ons de zakkedragers, dat menle corps de porte-faix10noemt. Hunne hoofden, die ’er goede order onder houden, bezitten in eene ruime maate het vertrouwen van de kooplieden, en schijnen zich dat vertrouwen ook waardig te maken.

’s Avonds ging ik in den grooten Schouwburg, die digt bij mijn logement, regt over de straatBeauvau, is, zoo dat defacadeeene fraaije en prachtige vertooning maakt, en het heeft daar door wel wat overeenkomst met het van binnen uitgebrandeThéatre de l’OdéonteParijs. Deze Schouwburg is naar het bestek vanBenardin 1787 gebouwd. Van binnen is deze zaal fraai, doch men kan in hetparterreook niet zitten, dan op een enkele bank rondom; men betaalde ’er ook maar 25sous. Ik bleef ’er slechts zeer kort, want het was ’er warm, zoo dat ik schier zweette van het zien dansen, dat anders vrij wel was; men zeide mij ook, dat zij in de balletten uitmunten; maar dat het overige niet veel beteekent. Fraaije Koffijhuizen vindt men teMarseillein menigte, zoo rondom deCoursen bij den schouwburg, als elders;le Caffé du Commerce, in de straat deBeauvau, is een van de beste; de ververschingen zijn ’er niet duur. IJs wordt hier ook zeer veel gebruikt, men betaaltde glace11tien à twaalf stuivers.

Den 9 dezer, werd ik ’s morgens gewekt door een kanonschoot, die bij het openen van de haven van een der forten gedaan wordt. Ten vijf uren ging ik reeds uit, en alles was al in beweging. Ik klom op den berg, daar het fortnotre Dame de la Gardeop gelegen is; men heeft van daar een allerschoonst gezigt over de stad, de omstreken, en op de zee. Ten tijde, dat deRomeinschelegioenen zich hier bevonden, moet ’er een aanzienelijk bosch op dezen berg geweest zijn; oude schrijvers althans spreken daar van; thans is ’er niets, dat naar een bosch gelijkt, op te zien; de grond is dor en steenachtig. Hier omstreeks heeft men nog een anderen berg of heuvel, die men thans den bergBonaparte(la montagneBonaparte) noemt; men heeft pas een nieuwen weg gemaakt, langs welken men ’er zeer gemakkelijk opklimmen en omwandelen kan. In het opklimmen las ik op een bordje een verbod om de boomen en struiken op deze wandeling niet uit te rukken of te beschadigen—geene wet zal ’er beter nagekomen worden dan deze; want ’er is geen boompje of struikje op den ganschen berg te zien, en ik geloof niet, dat ’er ooit boomen of struiken, van eenig belang op zullen groeijen, omdat het genoegzaam niets anders is dan rots of stukkensteen; boven op heeft men nogthans een allerverrukkendst gezigt, vooral ook in de haven en op den berg aan den overkant, waar tegenzich de huizen van de oude stad als een Amphitheater vertoonen. In de zee zag ik een enkel visschersschuitje; anders was het in deze, in vredestijd zoo drokke, zeehaven dood stil. Aan den voet van den berg, waar men denzelven opklimt, is een fraaije fontein met een Jonische kolom, waar op het borstbeeld vanBonaparte, van wit marmer; op het voetstuk dat met twee witte marmerenbas-reliefspronkt, verbeeldende het eene eenige merkteekens van den koophandel, en het andere van den wijnoogst, leest men:ABonapartevainqueur et pacificateur Marseille reconnaissante12. Verder blijkt uit het opschrift, dat dit gedenkteeken onder het bestuur van denprefetCharles de la Croix, die, inHollandzijnde, zoo een groote voorstander scheen van een Demokratisch bestuur, is opgerigt. Dit alles is door een fraai ijzer hek omringd, en deze fontein staat aan het eind van een vrij lange pas beplanten laan, te weten aan iedere zijde met eenen rij boomen, die voor een algemeene wandeling moet dienen, makende alzoo eene fraaije vertooning. Langs de haven wandelende, zag ik, dat men daar bezig was, om met een werktuig, dat ik mij niet herinner van bij ons gezien te hebben, het slijk uittebaggeren; dit werktuigbestond uit twee groote baggerhaken, ten naasten bij zoo als die in het klein zijn, waar onzer baggerlieden mede arbeiden, zij worden door windassen, die bewogen worden door lieden, die in een rad loopen, bestuurd, zoo dat de eene telkens naar beneden, en de andere naar boven gaat; de scheppers van deze baggerhaken zijn van onderen met een klep, die met een klink sluit; deze klep opent men door middel van een haak, en loost zoo den modder in een schuit, die ’er onder ligt. Dit werktuig slaat op een vierkante bak of schuit, en ik zag ’er zoo verscheidene liggen. Dit schoonmaken van de haven is zeer noodzakelijk, om dat het slijk en de vuiligheid uit de stad ’er in uitloost, en ’er heeft geene doorspoeling plaats, daar het water altijd stil staat; want, gelijk gij weet, in deMiddellandsche Zeegaat geen ebbe noch vloed. Het kan dan hier langs de haven, vooral als het heet is, wel eens onaangenaam rieken, zoo datMarseilleook in dit opzigt eenige overeenkomst heeft metAmsterdam. Maar zeldzaam gebeurt het dat het water hier hooger of lager wordt, en dan is die verandering nog maar van weinig belang. De kaai is slechts weinige voeten boven water, zoodat men van daar gemakkelijk in de schuitjes, waar men mede overvaart, stapt. Indien de bovengemelde baggerwerktuigen bij ons niet bekend mogten zijn, was het dunkt mij der moeite wel waardig, dat men ’er onderzoek na deed, en ’er eene naauwkeurige afteekening van trachtte te bekomen; want immers zoudenzij bij ons op verscheidene plaatsen met veel vrucht kunnen gebezigd worden. Ik dacht, dat de vette modder, dien men hier uitbaggerde, gebruikt werd, om de onvruchtbare steenachtige gronden, rondom deze stad te bemesten, daar de bemesting hier zoo schaars en tevens zoo noodzakelijk is; maar neen, men wierp die op eenen zekeren afstand van de stad in zee, en zelfs scheen men vrij algemeen staande te houden, dat deze slijk of modder in ’t geheel niet deugde, om de gronden te verbeteren. Dat dezelve in een of twee jaren de vruchtbaarheid niet bevordert, is zeer wel mogelijk, doch na verloop van eenigen tijd, ben ik wel verzekerd, dat zij op deze barre gronden, behoorlijk bewerkt zijnde, zeer nuttig moet zijn, en indien ik hier woonde, en de vereischte gelegenheid had, twijfel ik niet, of ik zou ’er met goed gevolg wel gebruik van weten te maken; doch ook in dit opzigt zijn verkeerde begrippen en kwade gebruiken niet gemakkelijk te veranderen. Zoo gaat het bij ons met de straatmest, asch enz. In ons vaderland hebben wij zoovele onbebouwde gronden, die slechts bemesting en matigen arbeid vorderen, om het een of ander, al was het maar dennenhout en aardappelen voorttebrengen. De deerniswaardige bewoners van onze zeedorpen vooral, lijden bitter gebrek, en vergaan hier en daar bijna van honger, en ondertusschen twijfel ik niet, of men vervoert altijd nog de straatmest, asch enz. uitden Haag, Leijden,Haarlem, enz. naarBraband, in plaatsvan ze door die ongelukkigen te laten weghalen, om ’er de nabijgelegen duinen mede te bemesten, en ’er aardappelen, die ’er ongetwijfeld goed in groeijen, in te zetten. Ik weet wel, dat de bevordering van den landbouw en fabrieken, in ’t geheel niet met den algemeenen handelgeest in ons vaderland strookt; doch ik weet tevens ook, dat welke de redenen ook zijn mogen, die men tot staving van dat denkbeeld, als strookende zelfs met het algemeen belang, moge aanvoeren, dezelven althans in oorlogstijden, niets afdoen, en sedert hoe vele jaren, en hoe dikwijls is de oorlog, helaas! ons lot niet. In vredestijd brengt de koophandel, wel is waar, schatten aan, maar schatten maken ook de afgunst en begeerten onzer nabuuren gaande, en geven aanleiding tot weelde, en dus ook tot zedenbederf; daarenboven blijven deze schatten doorgaans maar in een gedeelte van het land in omloop, en verrijken maar een zeker aantal van deszelfs inwoners. De landbouw, en ook de fabrieken, te weten van kleeding en andere stoffen, die wij voor eigen gebruik noodig hebben, zijn minder voordeelig in het aanbrengen van rijkdommen, doch ook een zekerder middel ter algemeene verschaffing van het noodzakelijke, en alzoo ter behoeding van gebrek—zoo veel mogelijk onafhankelijk te zijn van de omstandigheden, is voor ons van vrij wat meer belang, dunkt mij, dan rijkdom, dien wij toch ook niet aanhoudend en rustig kunnen blijven bezitten; maar al dikwijls moeten wij zien, dat vreemden de vruchten van onzen, arbeid en spaarzaamheidinoogsten.—Dit althans, houde ik voor zeker, dat ook ten dezen opzigte de waarheid in het midden ligt, en het alzoo noch redelijk, noch staatkundig is, om den koophandel alleen, ten koste van de landbouw en fabrieken, te willen staande houden.—Wat zegt gij, Vriend! zijt gij het hier omtrent niet volkomen met mij eens?

1Naar men mij verzekerde, vindt men ’er somtijds, die meer twee centenaars wegen; verscheide heb ik ’er op de markt gezien, die een kloek man niet alleen op zijn hoofd kon brengen, om weg te dragen.2Een soort van Eijerplant (solanum), doch die men hier gebruikt, zijn violet van kleur en langwerpig.3Een orange kleur platachtig geribt appeltje, omtrent zoo groot als de palm ven de hand, zeer sappig en vol pitjes, het groeit aan een laag plantje. Ik heb het bij ons ook wel in de tuinen gezien, doch ken ’er den,botanischennaam niet van.4Ondertusschen is dit ook teParijsde algemeene mode, en men ziet daar zelfs, vooral zomers, in de fraaije koffijhuizen van hetPalais Royal, en elders doorelegante Dametjesenpetits maitresbier drinken, en wel met de fles of kruik.5Zulk zingen is nuttig en aangenaam, en waarom is het Liederenboek van de JuffrouwenWolffenDekenniet meêr algemeen in gebruik?6Zaligmaker der wereld ontferm u onzer!7Geen goed zonder moeite.8DeMilonen deAndromedadie men teVersaillesziet, zijn ook vanPuget.9InBataafsch Brabandworden diergelijke werktuigen, om te wegen, veel onder de landlieden gebruikt, en zijn daar bekend onder den naam van ponders of unsters.10Het ligchaam der zakkendragers.11Un glacenoemt men een glaasje met bevrozen room,en zuiker of sap van vruchten, zoo als van aardbeziën, persiken, abrikosen enz. ook wordt dit sap, in vormen gegoten zijnde, wel aan stukjes verkocht, en dit noemt menglaces en brique.12AanBonaparte, overwinnaar en bevrediger, isMarseilleerkentelijk.

1Naar men mij verzekerde, vindt men ’er somtijds, die meer twee centenaars wegen; verscheide heb ik ’er op de markt gezien, die een kloek man niet alleen op zijn hoofd kon brengen, om weg te dragen.

2Een soort van Eijerplant (solanum), doch die men hier gebruikt, zijn violet van kleur en langwerpig.

3Een orange kleur platachtig geribt appeltje, omtrent zoo groot als de palm ven de hand, zeer sappig en vol pitjes, het groeit aan een laag plantje. Ik heb het bij ons ook wel in de tuinen gezien, doch ken ’er den,botanischennaam niet van.

4Ondertusschen is dit ook teParijsde algemeene mode, en men ziet daar zelfs, vooral zomers, in de fraaije koffijhuizen van hetPalais Royal, en elders doorelegante Dametjesenpetits maitresbier drinken, en wel met de fles of kruik.

5Zulk zingen is nuttig en aangenaam, en waarom is het Liederenboek van de JuffrouwenWolffenDekenniet meêr algemeen in gebruik?

6Zaligmaker der wereld ontferm u onzer!

7Geen goed zonder moeite.

8DeMilonen deAndromedadie men teVersaillesziet, zijn ook vanPuget.

9InBataafsch Brabandworden diergelijke werktuigen, om te wegen, veel onder de landlieden gebruikt, en zijn daar bekend onder den naam van ponders of unsters.

10Het ligchaam der zakkendragers.

11Un glacenoemt men een glaasje met bevrozen room,en zuiker of sap van vruchten, zoo als van aardbeziën, persiken, abrikosen enz. ook wordt dit sap, in vormen gegoten zijnde, wel aan stukjes verkocht, en dit noemt menglaces en brique.

12AanBonaparte, overwinnaar en bevrediger, isMarseilleerkentelijk.

Tiende Brief.Marseille, 13 Augustus.Ons voornemen zijnde, om van hier een uitstapje naarToulonenHièreste doen, gingen wij naar het stadhuis, om onze passen te laten teekenen,viseeren, daar dezelven maar totMarseillegegeven waren. Onder het stadhuis, zoo als ik u gezegd heb, is de beurs, die menla logenoemt, het is een ruime zaal; dagelijks na den middag vergaderen de kooplieden daar in, en de onderscheideOosterschekleedingen, die men ’er ziet, leveren voor lieden, die daaraan niet gewoon zijn, een vreemd verschijnsel op. Boven den hoofdingang van het stadhuis ziet men nog de overblijfsels van het fraaije Koninklijke wapenschild doorPuget1, en ter zijde, van denzelfden meester, eenbas-reliefverbeeldendeSt. Charlesde Borromæus, Aartsbisschop vanMilaan, zorg dragende voor de pestzieken; beiden zijn van wit marmer, en voor meesterstukken bekend,doch aan het wapenschild is ’er weinig meêr van den bijtel vanPugetovergebleven; men ziet hier ook nog drie anderebasreliefs, aan beide zijden van den ingang zijn ’er twee, onder een van dezelve, waarop een Haan, heeft men na de omwenteling doen graveren:Le salut de la Republlque tient à la Vigilance, en onder een ander:au vainqueurs du dix Août. Men was bezig met den voorgevel van het stadhuis te herstellen, en schoon te maken. In het portaal van hetzelve tusschen de twee trappen, ziet men het Standbeeld vanBayon, bijgenaamdLibertad, omdat hij de stad bevrijdde, door den eersten Consul,Casauls, dien men beschuldigde van dwingelandij en t’zamenspanning met den vijand, omtebrengen, enMarseilleaanHendrikden IV., of voor hem aan den Hertogde Guiseover te geven, hoewel deSpanjaardenreeds meester van de haven waren; dit voorval had plaats in 1595.Libertaden zijn broeder, die hem ondersteund had, werden voor dezen dienst beloond, en tot den adelstand verheven. Vijf jaren daarna wierdHendrikde IV. zelve vermoord, en zijn moordenaar wierd op de verschrikkelijkste wijze gestraft. Zoo veranderen de omstandigheden dikwijls de zaken; trouwens, hier van hebben wij ook in onzen leeftijd de merkwaardigste voorbeelden gezien. In de groote zaal van het stadhuis moesten wij wel een paar uren wachten, eer wij met onze paspoorten klaar konden komen, omdat hij, die ze moest teekenen, afwezig was, dus had ik wel tijd, om de twee groote en fraaije schilderijenvanSerre le Peintre, leerling vanPuget2te bezigtigen; deze twee stukken stellen de akelige tooneelen van die pest, die hier in 1720 en 1721 zoo verschrikkelijk gewoed heeft, voor. DezeSerrebekleedde ook met ijver en oplettendheid den post van Wijkmeester in zijne buurt, ten tijde van de besmetting, en was dus wel in staat, om de ellende naar het leven aftemalen. De eene schilderij verbeeldtle Cours(de algemeene wandeling), vol zieken en dooden, en de andere de plaats voor het stadhuis. Behalve den RidderRose, die zich in September 1720 aan het hoofd stelde van 100 Galeiroeijers, om de groote menigte onbegraven lijken, die bijna niemand durfde naderen, in kuilen met ongebluschte kalk te doen werpen, en ten dien einde het eerste de hand aan het werk sloeg, muntte in dit rampzalig tijdstip onder meêr anderen bijzonder uit, zekerePierre Haristoy Caseneuve, geboortig vanBéhaune, in het land vanBéarn, hij was eerste Commies van de Levensmiddelen voor de Galeijen, en liet gewoonlijk de uitdeeling door zijne onderhorigen doen; doch daar de Galeijroeijers gelast waren, om de van de pest gestorvenen te begraven, en men dus alle reden had, om hen als besmetten te schuwen, dacht deze brave Commies, dat ’er welligt uit vreesnalatigheid in de uitdeeling zou kunnen plaats hebben, en deze ongelukkigen alzoo gebrek lijden; waarom hij het menschlievend besluit nam, om niettegenstaande het gevaar, altijd zelve bij de uitdeeling tegenwoordig te zijn. De regering, deze edelmoedige handelwijze willende erkennen, bood hem een jaarwedde van 1200 livres aan, doch de belangelooze menschenvriend bedankte ’er voor, hoewel hij in ’t geheel niet rijk was, en een talrijk huishouden had. De nakomelingen van dezen waarlijk edelen man bestaan nog heden, en deMarseillanenhebben niet nagelaten, om zijn’ naam, en die van meêr anderen, welke ten dien tijd in menschlievendheid en weldadigheid uitgemunt hebben, aan de vergetelheid te ontrukken. Een andere trek van edelmoedigheid van een’ Kaperkapitein vanTunis, is niet minder belangrijk en streelende voor gevoelige harten. PausClemensde XI. vernemende, dat in 1720 niet alleen de pest, maar ook de hongersnood in het ongelukkigMarseilleheerschte, zond ’er vanCivita-Vecchiaettelijke schepen met granen naar toe. Eenige Kapers vanTunisdeze schepen najagende, achterhaalden dezelven, en namen ze, doch deReisof Commandant vernemende, met welk oogmerk zij afgezonden waren; en welke hunne bestemming was, zeide tegen den schipper, die deze schepen met graan geleidde, zijne hand op het hoofd leggende: “Ga, Christen, voer uw’ last uit, ik ben uw vijand niet meêr—God zou mij straffen.” Dit laatste geval niet zeer algemeen bekend zijnde,heb ik vooral gemeend u hetzelve te moeten mededeelen.—De ziel van ieder redelijk menschenvriend wordt verkwikt door het hooren van diergelijke trekken.—En waarom verzuimt men, om deze daad ook op eene schilderij te verbeelden, en dat optehangen in deze zaal, waar dagelijks een menigte vreemdelingen komen van allerlei volkeren en waaronder zeer vele zeelieden: zulks zou immers kunnen strekken ter vermindering van haat en vooroordeelen, en zijn alle redelijke en verlichte bestuurders niet verpligt, om hiertoe alles, wat maar eenigzins in hun vermogen is, bij te dragen? De zaal van de Municipaliteit, voorheen van de Consuls (la salle Consulaire), is zoo wel als de groote zaal beziens waardig. Doch dat men de vreemdelingen hier zoo lang na hunne paspoorten laat wachten, is niet vriendelijk; men is daar teParijshandiger mede.In ons logement aten wij ’s middags laat, namelijk te vijf uren, zoo men dat middag eten noemen kan, doch om tien uren ’s morgens ontbijt men ook met koteletten, gebakken visch enz., dat mendejeuner à la fourchette3heet, en zoo doet men dan, even als teParijs, maar twee maaltijden daags. Ik gebruikte doorgaans ’s morgens in een koffijhuis brood met limonade, vruchten of iets diergelijks, en las dan met een de nieuwspapieren. Voor het middagmaal betaalde ik aan de gemeenetafel in het logement met den wijn, hoewel ik ’er bijna niet van dronk, 4 livres. Het eten is ’er voor de landstreek vrij goed, en de tafel is zindelijk, en met orde gediend; schotels zijn ’er genoeg, doch ’er is doorgaans te weinig op, naar evenredigheid van de gasten, zoo dat men zich moest haasten, om van die, welke het meeste gezocht zijn, wat te krijgen; en dat vind ik al zeer onaangenaam, vooral als men uit nieuwsgierigheid het een en ander proeven wil. Het rund- en kalfsvleesch schaars zijnde, is de soep gemeenlijk schraal, veeltijds van pompoenen en eenige andere groentens gekookt, waar dan wat brood met olij bij gedaan wordt; dit schijnt voor ons zonderlinge kost, maar is toch zeer wel te eten. Schapenvleeschwordthet meeste gebruikt, en is ’er goed; dagelijks hadden wij versche en lekkere zeevisch, en behalve tongen en tarbot, eenige soorten, die men bij ons niet kent. Alsle Rouget, een fijn en lekker vischje, rood van kleur;le Mulet, in hetpatois,Mujou, die zeer gemeen in deMiddellandsche zee, en tevens een goede visch is: men vindt ’er verscheide soorten, waartoe ook die, onder den naam van vliegende visch bij ons bekend, behoort:La Dorade, de zeebaars (perche de mer) en meêr anderen, ook eet men ’er dagelijks versche Sardines, die gedroogd zijnde, wel wat overeenkomst hebben met de Sprot. DeMarseillaanscheAnchovis is beroemd; de beste wordt in de zee vanFrejusgevangen, doch ik voor mij vind ze niet beter dan onzeBergsche. Ooklevert deMiddellandsche zeegoede kreeften op, en waaronder ik ’er zag, die al vrij groot waren; hun kop en pooten zijn ruw en met scherpe puntjes, ook vond ik het vleesch, wreeder dan dat der noordsche; wij hadden ze bijna dagelijks op tafel, en men noemt die hierLingoustes. Somtijds gaf men ons ook een soort van kleine schelpvischjes.Aubergines,pommes d’Amour, en gestoofde komkommers zijn de gewone groentens. Meloenen en vijgen, die hier uitmuntend goed zijn, hoewel ik ook bij ons meloenen gegeten heb, die niet minder goed waren, hadden wij in overvloed; men geeft die niet op het nageregt, maar na de soep, dit is inFrankrijkalgemeen gebruikelijk, en men noemt deze geregtenhors d’œuvres. Ik was verwonderd, van in dit jaargetijde nog zuiglammeren te eten; doch vernam, dat de schapen in deze landstreek tweemaal ’s jaars werpen. Gevogelte van allerlei soort vindt men hier zoo als bij ons en elders. Het gebak, taart en pasteiwerk, is meestal met olij of vet gereed gemaakt, doch ik heb het dikwils zeer lekker gevonden. Men eet hier ook eveneens als inItaliëveelMacaroni. De vruchten, behalve de meloen en vijgen, beteekenen niet veel; de grond is te dor en te schraal. De persiken, die meestal geel zien, zijn droog en hard, zij houden zoo vast aan de steen, dat men ze ’er af moet snijden, men noemt hier dit soortdes peches malesin onderscheiding van die, welke bij ons algemeen bekend en hier in ’t geheel niet overvloedig zijn. De versche amandelen had ik haast vergeten,men geeft ze hier in hunne groene bolsters op tafel, en eet de pitten doorgaans met wat zout; ik houde ’er wel van. Deze vrucht wordt veel rondomMarseillegeteeld, zij groeit gaarne op de hoogte, en is niet naauwnemend omtrent den grond. Uijen,meestal roode, en knoflook worden hier ook veel gebruikt, en in eene groote hoeveelheid van de plaatsen rondom aan deMiddellandsche Zeeaangebragt; deze vrucht is hier veel minder sterk dan in het Noorden, eveneens is het gelegen met deSpaanschepeper, die men hier veel teelt; zij wordt in menigte groen aan de markt gebragt, en men eet ze doorgaans met zout en azijn. In deze landstreek maakt men ook een kost, dien men de meeste vreemdelingen voor geen lekkernij behoeft voortezetten; het is de zoogenaamdeBeurre de Provence4, bestaande uit olijfolij, gestampte knoflook, en zout gemengd en geklopt zijnde, tot het een dikke pap wordt. De wijn is hier voor lieden, die ’er niet aan gewoon zijn, te zwaar, zoo als ik u reeds gezegd heb; ik kon ze volstrekt zonder veel water niet drinken. Doch zij, die ’er aan gewoon zijn, weten ’er niet van, en het komt mij voor, dat deMarseillanenover het algemeen een goed glas wijn drinken. Zij gelooven, dat het in deze luchtstreek gezond is. Brood wordt hier in zulk eene groote hoeveelheid niet gegeten, dan in andere deelen vanFrankrijk, daar het koren overvloedig is; wantProvencebrengt maar zeer weinigkoren voort. De zoogenaamde gemeene en landlieden eten veel brood en pap vanMaïs(Turksche tarw). Voor een kamer met twee bedden betaalde ik hier ook 40 stuivers daags, doch daar voor moest ik ook wat hoog klimmen; anders is het duurder. De tafel is ook een van de duurste, die men hier vindt, en men kan elders wel voor £ 3–:–: te regt komen, waarvan ik tusschen beide dan ook al eens gebruik maakte. Men is in dit Hotèl zeer goed, en zoo zindelijk, als men inHollandverlangen zou5; zelfs zag ik de meid meêr dan eens ’s morgens het voorhuis uitschrobben, een verschijnsel, dat ik nog nooit inFrankrijkgezien heb. Weegluizen hebben wij ook niet bespeurd, doch van de muggen wordt men verschrikkelijk geplaagd, zoo dat men genoodzaakt is, om even als, op vele plaatsen, bij ons gazen gordijnen te gebruiken; de eene mensch schijnt ’er echter meer voor bloot te staan dan den anderen; ik had ’er weinig hinder van, terwijl mijn reisgezel op dezelfde kamer slapende somtijds met bulten gestoken werd.’s Avonds ging ik in hetpavillon chinois, ’er was veel volk, en daar onder eenige gnappe vrouwen of meisjes. De vrouwen zijn meestal bruinachtig, en sommigen hebben veel van deGriekschewezenstrekken.In fraaije tanden, en levendige oogen, munten zij uit, doch missen ook daar en tegen, dat zachte en bevallige van onze blonde met hare groote blaauwe oogen en mooi vel. De zoogenaamde fatsoenelijke kleeden zich naar deParijschemode, die eenige jaren vrij goed geweest is voor de vrouwen, doch thans beginnen ’er weder keurslijven voor den dag te komen.Den 10 dezer ging ik de oude stad, die ik nog maar ter loops in oogenschijn genomen had, bezigtigen; en klom, aan het eind van de kaai aan de noordzijde, bij het FortSt. Jean, op de hoogte. Dit Fort kan men thans uithoofde van de tijdsomstandigheden, niet gemakkelijk van binnen zien; ook zeide men mij, dat ’er behalve, misschien voor vestingbouwkundigen, niets bijzonders te zien was.Lodewijkde XIV. deed deze sterkte, en decitadel St. Nicolasaan den anderen kant van de haven, in 1660 bouwen, om de stad wegens ongehoorzaamheid aan haren Gouverneur, de Hertogde Mercoeur, te straffen6. De haven wordt tusschen deze twee sterktens met eene ketting geslooten. Op de hoogte had ik een uitgestrekt gezigt in zee. De stadsmuren zijn hier op de steile rots gebouwd, die aan den voet door de zee bespoeld wordt. Ik zag eenige lieden, in het water staande, bezig ommet een soort van houweelen, slijk uit de zee optedelven, daar zij insekten in zochten, die men hier gebruikt tot aas, om sommige zeevisch mede te vangen. Wat verder zag ik visschers in schuiten, bezig om met netten sardinen te visschen. Regt uit langs den stads muur gaande, kwam ik aan de plaats waar omtrent waarschijnlijk voorheen de tempel vanDiana, die de oudeMarseillanenbijzonder vereerden, stond. Ter dezer plaatse ziet men thans de Kerkde notre Dame de la Major, dat de Hoofdkerk is; volgens sommigen zou zij zeer oud zijn; anderen meenen te moeten veronderstellen, dat zij omtrent de 13de eeuw, althans niet veel vroeger, eerst zoo gemaakt is, als men ze thans ziet: het een en ander kan waar zijn. Althans de zes pilaren van granit, die men in dezelve ziet, meent men dat behoord hebben tot den tempel vanDiana; anders is ’er niet veel bijzonders; het is een donker en onaangenaam gebouw, en men gaat ’er langs eenige trappen in, als in een kelder. Niet ver van hier, op eene plaats, die menPlace de Linchenoemd, veronderstelt men, dat de tempel vanApollogestaan heeft, naderhand is daar de AbdijSt. Sauveurgebouwd; en men heeft ter dezer plaatse eenige oudheden gevonden. Het Gasthuis,la Charitégenaamd, dat wat verder op staat, schijnt een groot en fraai gesticht. Behalven verscheidene zeepziederijen, daar de bekendeMarseillaanschezeep gemaakt wordt, zag ik hier ook een graauwpapier-fabriek, die nog al aanmerkelijk scheen. In dit gedeelte van de stadvindt men weinig gnappe huizen, het wordt meestal bewoond door het minstvermogende deel der burgerij. Men toont den vreemdelingen hier ook een oud huis, waar men wil dat voorheen het paleis der Roomsche Keizers was; voor hetzelve ziet men nog een ouden kop; doch wien hij moest verbeelden, wist men mij niet te zeggen, en ik vind ’er bij de schrijvers, die ik nagezien heb, niets van aangeteekend: mogelijk woonde ’er deRomeinsche Prefectenof Stedehouders, die ’er ’s jaarlijks vanRomenaar toe gezonden werden, toenMarseilleophield een Republiek te zijn. Moede van het doorloopen, en op- en afklimmen van zoovele ongelijke kromme en in alle opzigten onaangename straten, keerde ik, toen het warm begon te worden, naar mijn logement; in het voorbijgaan zag ik nog een andere vischmarkt,Halle de la poisonnerie neuve, rustende op 20 Jonische kolommen, en volgens het bestek van den vermaardenPugetgemaakt. Hier is ook een Leessocieteit, in een fraai gebouw op deCanebière,Cercle de l’Uniongenaamd. De aanzienelijkste lieden van de stad komen hier bijeen, om de nieuwspapieren en andere periodique werken te lezen; in die zaal is het dan ook niet geoorlofd, om overluid te spreken, doch ’er zijn nog andere vertrekken, en in een derzelve staat een billard; als vreemdeling had men mij een kaartje gegeven, om hier, wanneer ik het goedvond, te gaan, en daar van maakte ik dan ook nog al dikwijls gebruik. Na den middag ging ik de kaatsbaan aan den kantvan deboulevardzien, deMarseillanenschijnen daar liefhebbers van te zijn; want ’er was veel volk, het is op eene ruime open plaats, voor een gebouw dat voorheen een Klooster was; men kan ’er vrij ingaan, ’er staan stoelen en banken rondom, en men betaalt een of twee stuivers voor eene zitplaats. Ik zag ’er onder de spelers die al zeer vlug, sterk en handig waren; een onder hun muntte voornamelijk uit, hij was groot, sterk gespierd en welgemaakt, en had het voorkomen van eenengladiatorder ouden; want zij zijn bij dit werk, dat zeer vermoeijende is, luchtig gekleed; aan de hand, waarmede geslagen wordt, hebben zij een soort van houten koker, en hier mede worden de ballen, die van leder, en inwendig hol zijn (ballons),7al zeer ver gekaatst. Bij ons moet ’er altijd bij diergelijke spelen braaf gedronken worden, doch hier zag ik niets gebruiken; tegen het vallen Van den avond scheidde men ’er uit, en ieder ging heen. Eenige zingende en dansende matrozen, die ik op de kaai ontmoette, herinnerden mij aan de bloeijende tijden van ons vaderland; zij zongen liedjes in hetpatois provencal. Op deCourswas veel volk; men wandelt daar tot laat in den nacht; want over dag is het te warm, ’er worden ook stoelen verhuurd zoo als teParijsin deTuillerienenz. DeMarseillanenkomen mij voor indedaad meêr levendig en vrolijkvan aard te zijn dan deParijsenaars, die zich zooveel moeite geven, om het te schijnen. Naar men mij verhaalde, waren zeer vele vermogende lieden thans op hunne landhuizen (bastides); ’s winters ziet men veel meêrbeau mondein de stad, en naar men zegt, is de zamenleving voor alle smaken, en voor alle levensvakken ’er dan inzonderheid zeer aangenaam; vooral in vredestijd, wanneer hier eene aanhoudende toevloed van vreemdelingen is. In den schouwburg had men dezen avond gespeeldles etourdis, een aardig blijspel vanAndrieux, (door onzen vriendvan Walréin ’tNederduitschvertaald); dat ik teParijszeer goed had zien vertonen, en dan moet men het hier niet zien; naar hetzelve gaf men het bekende, ook in ’tHollandschvertaalde zangspel,Paul et Virginie; en dit beviel mij nog minder, ook heeft men in dezen schouwburg zeer weinig aan de vertooning, omdat de aandacht gedurig belemmerd wordt, en men de vertooners door het aanhoudend rumoer, dat ’er plaats heeft, dikwijls niet kan verstaan; want de kooplieden maken van deze zaal een tweede beurs; de jonge lieden komen ’er om over hunne liefdes-aangelegenheden te spreken, de geriefelijke juffertjes, om klanten op te doen; vele bejaarde dames, om wat te vitten en kwaad te spreken; en eenige liefhebbers, of die ’er zich ten minsten voor uitgeven, om hunne gevoelens over het stuk of de vertooners, aan elkanderen te vertellen; dit alles gaat vrij overluid, voeg daar bij het gedurig geloop van de gaande en komendein hetparterre, en oordeel, hoe aangenaam dit moet zijn voor iemand, die komt, on het stuk te zien. In dit opzigt moet ik deParijsenaarsprijzen, de diepste stilte heeft daar in alle schouwburgen, waar maar eenigzins dragelijk gespeeld wordt, plaats; en men duldt daar niet, dat de aandacht der aanschouwers gestoord wordt8.Den 11 dezer moesten wij, volgens afspraak, met een roeischuitje een toertje op zee gaan maken; doch het weder was hier toe niet gunstig, want de noordwesten wind, die men hierle mistralnoemt, blies vrij sterk: echter huurden wij een schuitje voor 3 livres, om ’er des goedvindende den geheelen voormiddag gebruik van te kunnen maken; het was toen omtrent 7 uren in den morgenstond. Men vindt doorgaans verscheidene van die schuitjes aan het eind van de haven, bij deCannebière, liggen; zij zijn met een tentje overdekt, en op sommige staat zelfs een zeiltje. Zoo lang wij in de haven waren, ging het nog al, doch naauwelijks buiten gekomen, moest men om den harden wind het tentje strijken, terwijl ons bootje door de golven ter deeg geslingerd werd, zoo dat de schipper zelve ons niet aanraadde om het veel verder te wagen. Wij lieten ons dan aan den voet van een rots aanzetten,klommen op dezelve, en gingen van daar naar eene plaats, die alleen door Spaansche visschers, die menles Catalansnoemt, bewoond wordt. Hier plagt voorheen hetLazarette zijn, thans is ’er een nieuw aan den anderen kant van de stad; de goederen uit denLevantkomende, worden daar gelost, en moeten ’er eenigen tijd verblijven, alvorens zij in de pakhuizen mogen gebragt worden. Dit nieuweLazaretis een aanzienelijk gebouw. Wij hadden onzen schipper den voorraad, die wij voor het ontbijt medegenomen hadden, laten dragen, tot in een dal tusschen de rotsen, waar wij wat voor den wind beschut waren, en hier werd de tafel op den grond gedekt. Ik beklom vervolgens de toppen van eenige rotsen hier rondom, van waar ik een woest, doch schilderachtig gezigt had. Een Amerikaansch scheepje hield achter dezelvequarantaine. Bij het Kasteeld’Ifzag ik een schuit, waar in verscheidene menschen waren; onze schipper dacht, dat het de wacht was, die op het kasteel gebragt werd; zij schenen somtijds door de golven geheel bedekt, en hier sloegen de golven zoo hard tegen de rotsen, dat ik het water ’er boven op, nog al vrij hoog, Voelde.—Onze Vaderlandsche schilderBakhuizenzou hier thans stof voor zijn uitmuntend pençeel gevonden hebben. Wij misten weinig door niet verder te kunnen komen: want men laat het kasteeld’If, thans niet dan met een bijzonder verlof, dat niet ligt te bekomen is, bezigtigen: omdat ’er Staatsgevangenen, in de zaak van de laatsteconspiratie, opbewaard worden. Bij het invaren van de haven, zag ik tegen den muur van het FortSt. Jan, een gedaante zeer ruw uitgehouwen, verbeeldende een meermin; het volk noemt deze beeldtenisMarseille, waarom weet ik niet.Naauwlijks was ik op mijne kamer, of ik hoorde eene soort van muzijk op straat; ik keek uit, en zag eenige boeren en boerinnen op hun zondags uitgedoscht; de mans hadden pluimen, en de vrouwen galonnen op hare hoeden; zij gingen twee aan twee, en waren verzeld door eenige tamboers, die een langwerpige trommel droegen, waar op zij met de eene hand sloegen, en met de andere op een fluitje speelden: dit fluitje noemt men hierle galobet, het heeft een’ zeer scherpen klank. De vrouwen droegen een soort van koeken van meel, olij, suiker en anijs te zamengesteld, en als een cirkel met een ster ’er in gemaakt. Deze lieden, die op het land rondomMarseillewonen, kondigen op deze wijze het feest aan, dat in hun dorp plaats moet hebben; dat is de naamdag van hun’ beschermheilige of iets diergelijks; zij gaan dan bij de stedelingen, die omtrent hun dorp of gehucht hunnebastideshebben, brengen hun een koek, en noodigen ze, on het feest bijtewonen; deze van hunn’ kant geven dan aan de boeren eenig geld, zoo dat dit eigenlijk niet anders dan een bedelarijtje is. Na den middag bezigtigde ik de kerk en de puinhoopen van de gewezen Abdij vanSt. Victor, aan de zuidzijde van de haven bij de citadel. Deze kerk is volgens oude bescheiden doorSt. Leonden Grooten gewijd, en was benevens de Abdij gebouwd, van overblijfsels van Heidensche oudheden. In een half afgebroken muur zag ik nog het overschot van een’ steenen boog met loofwerk gebeeldhouwd, welk het merk scheen te dragen van den bloei der konsten onder deGriekenenRomeinen. Men plagt hier ook nog pilaren van granit en oude graftombes te zien, doch de geheele Abdij is gesloopt; om en in de Kerk, die ’er alleen van is overgebleven, zag ik niets merkwaardigs, dan dat zij zeer oud scheen. Zij was van binnen wat opgemaakt, doch anders zeer eenvoudig en zonder veel sieraad. Van daar ging ik op den bergBonapartewandelen: de zon, achter de rotsen ondergaande, leverde eene majestueuse vertooning op; de wind was wat gaan liggen, en de avondstond zeer aangenaam.Den 12 dezer liep ik ’s morgens zeer vroeg als naar gewoonte uit, met oogmerk om buiten de stad te wandelen; maar de buitenstreken vanMarseilleaan de landzijde, bevielen mij niet; naar debastidesgaande, is men bijna altijd tusschen muren, als in een gemetselde doolhof; en buiten de poort heeft men ook niet anders dan een open weg; lommer vindt men bijna nergens; redenen genoeg, waarom ikMarseilleom er te wonen, niet zou verkiezen, even zoo min alsAmsterdam; want gemis van wandelingen is voor mij al een zeer groot gemis. Zeer veel had men mij van de warmte gesproken, en wij hebben hier zeker een paar dagen drukkende hittegehad; doch bij ons dunkt mij, kan het even zoo heet zijn, hoewel zeker minder aanhoudend. Ik had geen gelegenheid om den thermometer waar te nemen, doch ik ben wel verzekerd, dat hij niet hooger dan 27 of 28 gr. volgens de schaal vanRéaumur, gestaan heeft; en de zeewinden brengen hier ook veel toe, om de lucht te verkoelen. De aanhoudende regen, die men eenigen tijd geleden gehad heeft, is een ongewoon verschijnsel; anders regent het hierin dit jaargetij zelden, de aarde wordt alleen door de daauw, die nog al sterk is, bevochtigd—en hoe dor moet dan die dorre grond hier omstreeks niet zijn. Daar het zondag was, en ik vernam, dat de Protestanten hier ook eene Kerk hadden, ging ik daar heen. De vergadering werd in eene ruime en zindelijke zaal, op eene eerste verdieping gehouden, en was vrij talrijk. De Leeraar deed een eenvoudig zedelijk vertoog, dat ik met genoegen hoorde. Tegen den avond ging ik buiten de stad, aan den kant van de zee wandelen; men heeft hier veel de gewoonte, om zich in zee te baden of te zwemmen; ik zag ’er een menigte zwemmers, en lieden, die zich baadden. Verscheidene vrouwen, die ’er wel in de klederen uitzagen, en dus nog al tot de zoogenaamde deftige klasse schenen te behooren, wandelden hier langs, zonder den waaijer voor de oogen te houden; hier en daar zaten zelfs aan den oever groepjes, waar onder vrouwen en meisjes, op hun gemak te kijken; trouwens, de zeden derMarseillanenover het algemeen, zijn vooral in ditopzigt niet als zeer gestrengberoemd; nu ik geloof ook, dat indien de Laplandsche vrouwen kuischer zijn dan deze, zulks meêr aan de luchtstreek dan aan hare meerder beredeneerde deugd moet toegeschreven worden. Deze onderscheidene groepen, naakte en gekleede menschen, hier en daar op stukken van rotsen, langs den oever van de zee, die toen, zoo als gewoonlijk in dezen tijd, zeer kalm was, staande of ongedwongen zittende, terwijl men hooge rotsen in ’t verschiet, en hier en daar een visscherschuitje zag, dit alles te samen leverde eene schilderachtige vertooning op, enVernetzou hier van een mooi stuk hebben kunnen maken. Het water in deMiddellandsche Zee, althans hier omstreeks, heeft een groene kleur. Ik zag menigmaal schilderijen, waar op het water zeer groen, en de lucht en bergen in het verschiet helder blauw verbeeld werden, en dit kwam mij toen onnatuurlijk voor; doch thans nu ik eenige gezigten aan deze oevers gezien heb, vind ik dat die schilders de natuur getrouwelijk afgemaald hebben.Behalve de koude baden, houden deFranschen, en vooral die, welke het zuidelijk gedeelte bewonen, even als voorheen deRomeinenenGrieken, veel van het warme bad, en maken daar zelfs in de zomerhitte gebruik van, blijvende ’er doorgaans een half uur of langer in zitten; men vindt dan ook in de meeste steden badhuizen, waar men zich voor 24 of 30solsin blikken of steenen bakkenbaadt9. Ik maakte ’er op reis nog al eens gebruik van, om mij te wasschen, maar om ’er lang in te blijven, vind ik niet goed: want men wordt ’er loom en vadzig van. DeFranschevrouwen maaken ’er ook veel gebruik van om zich te reinigen, en in dat opzigt zijn zij dan ook zindelijker, dan de onze.Heden morgen ging ik het Stads-Museum van schilder-, beeldhouwwerk, en oudheden bezigtigen; men heeft een gedeelte van een voormalig Klooster, aan den kant van deBoulevard, daar toe in gereedheid gebragt, of liever was men daar mede bezig; want de zaal, waar de beelden en oudheden moesten geplaatst worden, was noch niet gereed, en alles lag ’er nog overhoop. Ik zag ’er eenige oude steenen doodkisten of graftombes, eenige met beeldhouwwerk, anderen met Grieksche opschriften, kapiteelen van pilaren,bas-reliefs, een altaar met stierenkoppen, het bovenste gedeelte van eenIsis-beeld methieroglijphischefiguren ’er op, van zwart steen, een grooteIsis-kop enz. De voorname opzigter van deze verzameling was niet in de stad, zoo dat ik ’er niet anders van kon te weten komen, dan dat deze oudheden, meestendeels hier omstreeks, en onder anderen ook in de Abdij vanSt. Victorgevonden zijn, men verhaalde mij tevens, dat ’er onlangs CommissarissenvanParijshier geweest waren, en het een en ander opgeteekend hadden; waarom men vreesde dat het een of ander stuk naar de hoofdstad wel eens zou kunnen vervoerd worden. Het altaar, hetIsis-beeld, en de grafsteenen metGriekscheopschriften, zeker voor oudheidkundigen van waarde zijn; doch het kwam mij voor, dat ’er ook veel Gothisch werk onder het overige was. In de schilderijen-galerij zag ik eenige goede stukken, onder anderen een paar vanRubens, die ik meende te kennen; geen wonder; want, naar ik vernam, had men ze vanParijsgezonden; benevens een vanvan Dijck, en nog eenige anderen; ook zag ik ’er eenige fraaije stukken vanPuget, en een paar groote schilderijen vanVien, de Vader; een bekend en nog in leven zijnde schilder teParijs, lid van hetInstitut(ik weet niet of het nognationalheet, dan of men hetimperialmoet noemen) enSénateur; sommige andere stukken schenen van Kerken of Kloosters herkomstig. Digt hier bij, ik geloof dat het voorheen tot hetzelfde gebouw behoorde, is thans hetLyceum10waarin een aantal jongelingen, op kosten van den lande, in de eerste beginzelen der wetenschappen onderwezen worden. Een van de opzigters of onderwijzers, die een hupsch en vriendelijk man scheen, liet ons het gebouw zien. Men kon merken, dat ’er een goed bestuur plaats had, en overal droeg het de blijken van zindelijkheid en orde, en dat is onder zoo een menigte jongelingen dan ook zeer noodzakelijk.’s Avonds ging ik in den Schouwburg het zangspella Rosière de Salencyzien. Dit is het eerste tooneelstuk dat ik, een aankomend jongeling zijnde, zag vertoonen; ik herinner mij nog duidelijk, met welk een vermaak ik het zag, en welke aangename gewaarwordingen dit gezigt bij mij veroorzaakte, en zie het daarom nog altijd met genoegen, hoewel het hier ook maar zeer middelmatig gespeeld werd; van daar komende, nam ik de pen op, en voleind dezen voor u.1Thans leest men ’er op:vivre et mourrir libre. In plaats van een Kroon staat ’er nog eenJacobijnenmuts boven dit schild; doch dit zal waarschijnlijk ook nog wel eens veranderd worden, daar de kroonen weder in de mode gekomen zijn.2De BeeldhouwerVeyrierwas ook een leerling vanPuget, als mede eeneAndré, die de Uitvinder was van de wijze, om behangseltapijten met lijmverf te schilderen.3Ontbijten met de vork.4Boter van Provence.5Het gelijkt wel wat naar hetGulde VliesteHaarlem, en is ’er zekerlijk niet minder zindelijk; daar bij zijn de hospes en zijn vrouw zeer vriendelijk, en de bediening scheen mij toe vrij goed te zijn.6Ter dezer gelegenheid is ’er eene medaille geslagen, met het hoofd van den Koning aan de eene, en de haven, door eene ketting geslooten, aan de andere zijde.7Het zijn blazen met wind gevuld en met leder overtrokken.8Behalve bij de eerste vertooning van een stuk, wanneer het ’er vreesselijk ruw kan toegaan. DeFranschewellevendheid wordt dan dikwijls op een verregaande wijze vergeten.9TeMarseille, bij den grooten Schouwburg, is een badhuis, waar de baden van wit marmer zijn.10De beroemde school, waarAristotelesde wijsgeer teAtheneal wandelende onderwees, werd alzoo genaamd; in onze taal zou die danplaats, waar men wandelend onderwijst, kunnen geheeten worden. DeFranschenhebben sedert eenige jaren verscheideneGriekscheenRomeinschebenamingen aangenomen, zoo alsécole politecnique,société philotecnique,Tribuns,Senatorenenz. doch alle deze namen komen hier mijns bedunkens, volgens hunneoorspronkelijke beteekenis niet altijd te pas, en vele dier zaken hebben inderdaad weinig meêr van hetGriekscheenRomeinschedan den blooten naam.

Marseille, 13 Augustus.

Ons voornemen zijnde, om van hier een uitstapje naarToulonenHièreste doen, gingen wij naar het stadhuis, om onze passen te laten teekenen,viseeren, daar dezelven maar totMarseillegegeven waren. Onder het stadhuis, zoo als ik u gezegd heb, is de beurs, die menla logenoemt, het is een ruime zaal; dagelijks na den middag vergaderen de kooplieden daar in, en de onderscheideOosterschekleedingen, die men ’er ziet, leveren voor lieden, die daaraan niet gewoon zijn, een vreemd verschijnsel op. Boven den hoofdingang van het stadhuis ziet men nog de overblijfsels van het fraaije Koninklijke wapenschild doorPuget1, en ter zijde, van denzelfden meester, eenbas-reliefverbeeldendeSt. Charlesde Borromæus, Aartsbisschop vanMilaan, zorg dragende voor de pestzieken; beiden zijn van wit marmer, en voor meesterstukken bekend,doch aan het wapenschild is ’er weinig meêr van den bijtel vanPugetovergebleven; men ziet hier ook nog drie anderebasreliefs, aan beide zijden van den ingang zijn ’er twee, onder een van dezelve, waarop een Haan, heeft men na de omwenteling doen graveren:Le salut de la Republlque tient à la Vigilance, en onder een ander:au vainqueurs du dix Août. Men was bezig met den voorgevel van het stadhuis te herstellen, en schoon te maken. In het portaal van hetzelve tusschen de twee trappen, ziet men het Standbeeld vanBayon, bijgenaamdLibertad, omdat hij de stad bevrijdde, door den eersten Consul,Casauls, dien men beschuldigde van dwingelandij en t’zamenspanning met den vijand, omtebrengen, enMarseilleaanHendrikden IV., of voor hem aan den Hertogde Guiseover te geven, hoewel deSpanjaardenreeds meester van de haven waren; dit voorval had plaats in 1595.Libertaden zijn broeder, die hem ondersteund had, werden voor dezen dienst beloond, en tot den adelstand verheven. Vijf jaren daarna wierdHendrikde IV. zelve vermoord, en zijn moordenaar wierd op de verschrikkelijkste wijze gestraft. Zoo veranderen de omstandigheden dikwijls de zaken; trouwens, hier van hebben wij ook in onzen leeftijd de merkwaardigste voorbeelden gezien. In de groote zaal van het stadhuis moesten wij wel een paar uren wachten, eer wij met onze paspoorten klaar konden komen, omdat hij, die ze moest teekenen, afwezig was, dus had ik wel tijd, om de twee groote en fraaije schilderijenvanSerre le Peintre, leerling vanPuget2te bezigtigen; deze twee stukken stellen de akelige tooneelen van die pest, die hier in 1720 en 1721 zoo verschrikkelijk gewoed heeft, voor. DezeSerrebekleedde ook met ijver en oplettendheid den post van Wijkmeester in zijne buurt, ten tijde van de besmetting, en was dus wel in staat, om de ellende naar het leven aftemalen. De eene schilderij verbeeldtle Cours(de algemeene wandeling), vol zieken en dooden, en de andere de plaats voor het stadhuis. Behalve den RidderRose, die zich in September 1720 aan het hoofd stelde van 100 Galeiroeijers, om de groote menigte onbegraven lijken, die bijna niemand durfde naderen, in kuilen met ongebluschte kalk te doen werpen, en ten dien einde het eerste de hand aan het werk sloeg, muntte in dit rampzalig tijdstip onder meêr anderen bijzonder uit, zekerePierre Haristoy Caseneuve, geboortig vanBéhaune, in het land vanBéarn, hij was eerste Commies van de Levensmiddelen voor de Galeijen, en liet gewoonlijk de uitdeeling door zijne onderhorigen doen; doch daar de Galeijroeijers gelast waren, om de van de pest gestorvenen te begraven, en men dus alle reden had, om hen als besmetten te schuwen, dacht deze brave Commies, dat ’er welligt uit vreesnalatigheid in de uitdeeling zou kunnen plaats hebben, en deze ongelukkigen alzoo gebrek lijden; waarom hij het menschlievend besluit nam, om niettegenstaande het gevaar, altijd zelve bij de uitdeeling tegenwoordig te zijn. De regering, deze edelmoedige handelwijze willende erkennen, bood hem een jaarwedde van 1200 livres aan, doch de belangelooze menschenvriend bedankte ’er voor, hoewel hij in ’t geheel niet rijk was, en een talrijk huishouden had. De nakomelingen van dezen waarlijk edelen man bestaan nog heden, en deMarseillanenhebben niet nagelaten, om zijn’ naam, en die van meêr anderen, welke ten dien tijd in menschlievendheid en weldadigheid uitgemunt hebben, aan de vergetelheid te ontrukken. Een andere trek van edelmoedigheid van een’ Kaperkapitein vanTunis, is niet minder belangrijk en streelende voor gevoelige harten. PausClemensde XI. vernemende, dat in 1720 niet alleen de pest, maar ook de hongersnood in het ongelukkigMarseilleheerschte, zond ’er vanCivita-Vecchiaettelijke schepen met granen naar toe. Eenige Kapers vanTunisdeze schepen najagende, achterhaalden dezelven, en namen ze, doch deReisof Commandant vernemende, met welk oogmerk zij afgezonden waren; en welke hunne bestemming was, zeide tegen den schipper, die deze schepen met graan geleidde, zijne hand op het hoofd leggende: “Ga, Christen, voer uw’ last uit, ik ben uw vijand niet meêr—God zou mij straffen.” Dit laatste geval niet zeer algemeen bekend zijnde,heb ik vooral gemeend u hetzelve te moeten mededeelen.—De ziel van ieder redelijk menschenvriend wordt verkwikt door het hooren van diergelijke trekken.—En waarom verzuimt men, om deze daad ook op eene schilderij te verbeelden, en dat optehangen in deze zaal, waar dagelijks een menigte vreemdelingen komen van allerlei volkeren en waaronder zeer vele zeelieden: zulks zou immers kunnen strekken ter vermindering van haat en vooroordeelen, en zijn alle redelijke en verlichte bestuurders niet verpligt, om hiertoe alles, wat maar eenigzins in hun vermogen is, bij te dragen? De zaal van de Municipaliteit, voorheen van de Consuls (la salle Consulaire), is zoo wel als de groote zaal beziens waardig. Doch dat men de vreemdelingen hier zoo lang na hunne paspoorten laat wachten, is niet vriendelijk; men is daar teParijshandiger mede.

In ons logement aten wij ’s middags laat, namelijk te vijf uren, zoo men dat middag eten noemen kan, doch om tien uren ’s morgens ontbijt men ook met koteletten, gebakken visch enz., dat mendejeuner à la fourchette3heet, en zoo doet men dan, even als teParijs, maar twee maaltijden daags. Ik gebruikte doorgaans ’s morgens in een koffijhuis brood met limonade, vruchten of iets diergelijks, en las dan met een de nieuwspapieren. Voor het middagmaal betaalde ik aan de gemeenetafel in het logement met den wijn, hoewel ik ’er bijna niet van dronk, 4 livres. Het eten is ’er voor de landstreek vrij goed, en de tafel is zindelijk, en met orde gediend; schotels zijn ’er genoeg, doch ’er is doorgaans te weinig op, naar evenredigheid van de gasten, zoo dat men zich moest haasten, om van die, welke het meeste gezocht zijn, wat te krijgen; en dat vind ik al zeer onaangenaam, vooral als men uit nieuwsgierigheid het een en ander proeven wil. Het rund- en kalfsvleesch schaars zijnde, is de soep gemeenlijk schraal, veeltijds van pompoenen en eenige andere groentens gekookt, waar dan wat brood met olij bij gedaan wordt; dit schijnt voor ons zonderlinge kost, maar is toch zeer wel te eten. Schapenvleeschwordthet meeste gebruikt, en is ’er goed; dagelijks hadden wij versche en lekkere zeevisch, en behalve tongen en tarbot, eenige soorten, die men bij ons niet kent. Alsle Rouget, een fijn en lekker vischje, rood van kleur;le Mulet, in hetpatois,Mujou, die zeer gemeen in deMiddellandsche zee, en tevens een goede visch is: men vindt ’er verscheide soorten, waartoe ook die, onder den naam van vliegende visch bij ons bekend, behoort:La Dorade, de zeebaars (perche de mer) en meêr anderen, ook eet men ’er dagelijks versche Sardines, die gedroogd zijnde, wel wat overeenkomst hebben met de Sprot. DeMarseillaanscheAnchovis is beroemd; de beste wordt in de zee vanFrejusgevangen, doch ik voor mij vind ze niet beter dan onzeBergsche. Ooklevert deMiddellandsche zeegoede kreeften op, en waaronder ik ’er zag, die al vrij groot waren; hun kop en pooten zijn ruw en met scherpe puntjes, ook vond ik het vleesch, wreeder dan dat der noordsche; wij hadden ze bijna dagelijks op tafel, en men noemt die hierLingoustes. Somtijds gaf men ons ook een soort van kleine schelpvischjes.Aubergines,pommes d’Amour, en gestoofde komkommers zijn de gewone groentens. Meloenen en vijgen, die hier uitmuntend goed zijn, hoewel ik ook bij ons meloenen gegeten heb, die niet minder goed waren, hadden wij in overvloed; men geeft die niet op het nageregt, maar na de soep, dit is inFrankrijkalgemeen gebruikelijk, en men noemt deze geregtenhors d’œuvres. Ik was verwonderd, van in dit jaargetijde nog zuiglammeren te eten; doch vernam, dat de schapen in deze landstreek tweemaal ’s jaars werpen. Gevogelte van allerlei soort vindt men hier zoo als bij ons en elders. Het gebak, taart en pasteiwerk, is meestal met olij of vet gereed gemaakt, doch ik heb het dikwils zeer lekker gevonden. Men eet hier ook eveneens als inItaliëveelMacaroni. De vruchten, behalve de meloen en vijgen, beteekenen niet veel; de grond is te dor en te schraal. De persiken, die meestal geel zien, zijn droog en hard, zij houden zoo vast aan de steen, dat men ze ’er af moet snijden, men noemt hier dit soortdes peches malesin onderscheiding van die, welke bij ons algemeen bekend en hier in ’t geheel niet overvloedig zijn. De versche amandelen had ik haast vergeten,men geeft ze hier in hunne groene bolsters op tafel, en eet de pitten doorgaans met wat zout; ik houde ’er wel van. Deze vrucht wordt veel rondomMarseillegeteeld, zij groeit gaarne op de hoogte, en is niet naauwnemend omtrent den grond. Uijen,meestal roode, en knoflook worden hier ook veel gebruikt, en in eene groote hoeveelheid van de plaatsen rondom aan deMiddellandsche Zeeaangebragt; deze vrucht is hier veel minder sterk dan in het Noorden, eveneens is het gelegen met deSpaanschepeper, die men hier veel teelt; zij wordt in menigte groen aan de markt gebragt, en men eet ze doorgaans met zout en azijn. In deze landstreek maakt men ook een kost, dien men de meeste vreemdelingen voor geen lekkernij behoeft voortezetten; het is de zoogenaamdeBeurre de Provence4, bestaande uit olijfolij, gestampte knoflook, en zout gemengd en geklopt zijnde, tot het een dikke pap wordt. De wijn is hier voor lieden, die ’er niet aan gewoon zijn, te zwaar, zoo als ik u reeds gezegd heb; ik kon ze volstrekt zonder veel water niet drinken. Doch zij, die ’er aan gewoon zijn, weten ’er niet van, en het komt mij voor, dat deMarseillanenover het algemeen een goed glas wijn drinken. Zij gelooven, dat het in deze luchtstreek gezond is. Brood wordt hier in zulk eene groote hoeveelheid niet gegeten, dan in andere deelen vanFrankrijk, daar het koren overvloedig is; wantProvencebrengt maar zeer weinigkoren voort. De zoogenaamde gemeene en landlieden eten veel brood en pap vanMaïs(Turksche tarw). Voor een kamer met twee bedden betaalde ik hier ook 40 stuivers daags, doch daar voor moest ik ook wat hoog klimmen; anders is het duurder. De tafel is ook een van de duurste, die men hier vindt, en men kan elders wel voor £ 3–:–: te regt komen, waarvan ik tusschen beide dan ook al eens gebruik maakte. Men is in dit Hotèl zeer goed, en zoo zindelijk, als men inHollandverlangen zou5; zelfs zag ik de meid meêr dan eens ’s morgens het voorhuis uitschrobben, een verschijnsel, dat ik nog nooit inFrankrijkgezien heb. Weegluizen hebben wij ook niet bespeurd, doch van de muggen wordt men verschrikkelijk geplaagd, zoo dat men genoodzaakt is, om even als, op vele plaatsen, bij ons gazen gordijnen te gebruiken; de eene mensch schijnt ’er echter meer voor bloot te staan dan den anderen; ik had ’er weinig hinder van, terwijl mijn reisgezel op dezelfde kamer slapende somtijds met bulten gestoken werd.

’s Avonds ging ik in hetpavillon chinois, ’er was veel volk, en daar onder eenige gnappe vrouwen of meisjes. De vrouwen zijn meestal bruinachtig, en sommigen hebben veel van deGriekschewezenstrekken.In fraaije tanden, en levendige oogen, munten zij uit, doch missen ook daar en tegen, dat zachte en bevallige van onze blonde met hare groote blaauwe oogen en mooi vel. De zoogenaamde fatsoenelijke kleeden zich naar deParijschemode, die eenige jaren vrij goed geweest is voor de vrouwen, doch thans beginnen ’er weder keurslijven voor den dag te komen.

Den 10 dezer ging ik de oude stad, die ik nog maar ter loops in oogenschijn genomen had, bezigtigen; en klom, aan het eind van de kaai aan de noordzijde, bij het FortSt. Jean, op de hoogte. Dit Fort kan men thans uithoofde van de tijdsomstandigheden, niet gemakkelijk van binnen zien; ook zeide men mij, dat ’er behalve, misschien voor vestingbouwkundigen, niets bijzonders te zien was.Lodewijkde XIV. deed deze sterkte, en decitadel St. Nicolasaan den anderen kant van de haven, in 1660 bouwen, om de stad wegens ongehoorzaamheid aan haren Gouverneur, de Hertogde Mercoeur, te straffen6. De haven wordt tusschen deze twee sterktens met eene ketting geslooten. Op de hoogte had ik een uitgestrekt gezigt in zee. De stadsmuren zijn hier op de steile rots gebouwd, die aan den voet door de zee bespoeld wordt. Ik zag eenige lieden, in het water staande, bezig ommet een soort van houweelen, slijk uit de zee optedelven, daar zij insekten in zochten, die men hier gebruikt tot aas, om sommige zeevisch mede te vangen. Wat verder zag ik visschers in schuiten, bezig om met netten sardinen te visschen. Regt uit langs den stads muur gaande, kwam ik aan de plaats waar omtrent waarschijnlijk voorheen de tempel vanDiana, die de oudeMarseillanenbijzonder vereerden, stond. Ter dezer plaatse ziet men thans de Kerkde notre Dame de la Major, dat de Hoofdkerk is; volgens sommigen zou zij zeer oud zijn; anderen meenen te moeten veronderstellen, dat zij omtrent de 13de eeuw, althans niet veel vroeger, eerst zoo gemaakt is, als men ze thans ziet: het een en ander kan waar zijn. Althans de zes pilaren van granit, die men in dezelve ziet, meent men dat behoord hebben tot den tempel vanDiana; anders is ’er niet veel bijzonders; het is een donker en onaangenaam gebouw, en men gaat ’er langs eenige trappen in, als in een kelder. Niet ver van hier, op eene plaats, die menPlace de Linchenoemd, veronderstelt men, dat de tempel vanApollogestaan heeft, naderhand is daar de AbdijSt. Sauveurgebouwd; en men heeft ter dezer plaatse eenige oudheden gevonden. Het Gasthuis,la Charitégenaamd, dat wat verder op staat, schijnt een groot en fraai gesticht. Behalven verscheidene zeepziederijen, daar de bekendeMarseillaanschezeep gemaakt wordt, zag ik hier ook een graauwpapier-fabriek, die nog al aanmerkelijk scheen. In dit gedeelte van de stadvindt men weinig gnappe huizen, het wordt meestal bewoond door het minstvermogende deel der burgerij. Men toont den vreemdelingen hier ook een oud huis, waar men wil dat voorheen het paleis der Roomsche Keizers was; voor hetzelve ziet men nog een ouden kop; doch wien hij moest verbeelden, wist men mij niet te zeggen, en ik vind ’er bij de schrijvers, die ik nagezien heb, niets van aangeteekend: mogelijk woonde ’er deRomeinsche Prefectenof Stedehouders, die ’er ’s jaarlijks vanRomenaar toe gezonden werden, toenMarseilleophield een Republiek te zijn. Moede van het doorloopen, en op- en afklimmen van zoovele ongelijke kromme en in alle opzigten onaangename straten, keerde ik, toen het warm begon te worden, naar mijn logement; in het voorbijgaan zag ik nog een andere vischmarkt,Halle de la poisonnerie neuve, rustende op 20 Jonische kolommen, en volgens het bestek van den vermaardenPugetgemaakt. Hier is ook een Leessocieteit, in een fraai gebouw op deCanebière,Cercle de l’Uniongenaamd. De aanzienelijkste lieden van de stad komen hier bijeen, om de nieuwspapieren en andere periodique werken te lezen; in die zaal is het dan ook niet geoorlofd, om overluid te spreken, doch ’er zijn nog andere vertrekken, en in een derzelve staat een billard; als vreemdeling had men mij een kaartje gegeven, om hier, wanneer ik het goedvond, te gaan, en daar van maakte ik dan ook nog al dikwijls gebruik. Na den middag ging ik de kaatsbaan aan den kantvan deboulevardzien, deMarseillanenschijnen daar liefhebbers van te zijn; want ’er was veel volk, het is op eene ruime open plaats, voor een gebouw dat voorheen een Klooster was; men kan ’er vrij ingaan, ’er staan stoelen en banken rondom, en men betaalt een of twee stuivers voor eene zitplaats. Ik zag ’er onder de spelers die al zeer vlug, sterk en handig waren; een onder hun muntte voornamelijk uit, hij was groot, sterk gespierd en welgemaakt, en had het voorkomen van eenengladiatorder ouden; want zij zijn bij dit werk, dat zeer vermoeijende is, luchtig gekleed; aan de hand, waarmede geslagen wordt, hebben zij een soort van houten koker, en hier mede worden de ballen, die van leder, en inwendig hol zijn (ballons),7al zeer ver gekaatst. Bij ons moet ’er altijd bij diergelijke spelen braaf gedronken worden, doch hier zag ik niets gebruiken; tegen het vallen Van den avond scheidde men ’er uit, en ieder ging heen. Eenige zingende en dansende matrozen, die ik op de kaai ontmoette, herinnerden mij aan de bloeijende tijden van ons vaderland; zij zongen liedjes in hetpatois provencal. Op deCourswas veel volk; men wandelt daar tot laat in den nacht; want over dag is het te warm, ’er worden ook stoelen verhuurd zoo als teParijsin deTuillerienenz. DeMarseillanenkomen mij voor indedaad meêr levendig en vrolijkvan aard te zijn dan deParijsenaars, die zich zooveel moeite geven, om het te schijnen. Naar men mij verhaalde, waren zeer vele vermogende lieden thans op hunne landhuizen (bastides); ’s winters ziet men veel meêrbeau mondein de stad, en naar men zegt, is de zamenleving voor alle smaken, en voor alle levensvakken ’er dan inzonderheid zeer aangenaam; vooral in vredestijd, wanneer hier eene aanhoudende toevloed van vreemdelingen is. In den schouwburg had men dezen avond gespeeldles etourdis, een aardig blijspel vanAndrieux, (door onzen vriendvan Walréin ’tNederduitschvertaald); dat ik teParijszeer goed had zien vertonen, en dan moet men het hier niet zien; naar hetzelve gaf men het bekende, ook in ’tHollandschvertaalde zangspel,Paul et Virginie; en dit beviel mij nog minder, ook heeft men in dezen schouwburg zeer weinig aan de vertooning, omdat de aandacht gedurig belemmerd wordt, en men de vertooners door het aanhoudend rumoer, dat ’er plaats heeft, dikwijls niet kan verstaan; want de kooplieden maken van deze zaal een tweede beurs; de jonge lieden komen ’er om over hunne liefdes-aangelegenheden te spreken, de geriefelijke juffertjes, om klanten op te doen; vele bejaarde dames, om wat te vitten en kwaad te spreken; en eenige liefhebbers, of die ’er zich ten minsten voor uitgeven, om hunne gevoelens over het stuk of de vertooners, aan elkanderen te vertellen; dit alles gaat vrij overluid, voeg daar bij het gedurig geloop van de gaande en komendein hetparterre, en oordeel, hoe aangenaam dit moet zijn voor iemand, die komt, on het stuk te zien. In dit opzigt moet ik deParijsenaarsprijzen, de diepste stilte heeft daar in alle schouwburgen, waar maar eenigzins dragelijk gespeeld wordt, plaats; en men duldt daar niet, dat de aandacht der aanschouwers gestoord wordt8.

Den 11 dezer moesten wij, volgens afspraak, met een roeischuitje een toertje op zee gaan maken; doch het weder was hier toe niet gunstig, want de noordwesten wind, die men hierle mistralnoemt, blies vrij sterk: echter huurden wij een schuitje voor 3 livres, om ’er des goedvindende den geheelen voormiddag gebruik van te kunnen maken; het was toen omtrent 7 uren in den morgenstond. Men vindt doorgaans verscheidene van die schuitjes aan het eind van de haven, bij deCannebière, liggen; zij zijn met een tentje overdekt, en op sommige staat zelfs een zeiltje. Zoo lang wij in de haven waren, ging het nog al, doch naauwelijks buiten gekomen, moest men om den harden wind het tentje strijken, terwijl ons bootje door de golven ter deeg geslingerd werd, zoo dat de schipper zelve ons niet aanraadde om het veel verder te wagen. Wij lieten ons dan aan den voet van een rots aanzetten,klommen op dezelve, en gingen van daar naar eene plaats, die alleen door Spaansche visschers, die menles Catalansnoemt, bewoond wordt. Hier plagt voorheen hetLazarette zijn, thans is ’er een nieuw aan den anderen kant van de stad; de goederen uit denLevantkomende, worden daar gelost, en moeten ’er eenigen tijd verblijven, alvorens zij in de pakhuizen mogen gebragt worden. Dit nieuweLazaretis een aanzienelijk gebouw. Wij hadden onzen schipper den voorraad, die wij voor het ontbijt medegenomen hadden, laten dragen, tot in een dal tusschen de rotsen, waar wij wat voor den wind beschut waren, en hier werd de tafel op den grond gedekt. Ik beklom vervolgens de toppen van eenige rotsen hier rondom, van waar ik een woest, doch schilderachtig gezigt had. Een Amerikaansch scheepje hield achter dezelvequarantaine. Bij het Kasteeld’Ifzag ik een schuit, waar in verscheidene menschen waren; onze schipper dacht, dat het de wacht was, die op het kasteel gebragt werd; zij schenen somtijds door de golven geheel bedekt, en hier sloegen de golven zoo hard tegen de rotsen, dat ik het water ’er boven op, nog al vrij hoog, Voelde.—Onze Vaderlandsche schilderBakhuizenzou hier thans stof voor zijn uitmuntend pençeel gevonden hebben. Wij misten weinig door niet verder te kunnen komen: want men laat het kasteeld’If, thans niet dan met een bijzonder verlof, dat niet ligt te bekomen is, bezigtigen: omdat ’er Staatsgevangenen, in de zaak van de laatsteconspiratie, opbewaard worden. Bij het invaren van de haven, zag ik tegen den muur van het FortSt. Jan, een gedaante zeer ruw uitgehouwen, verbeeldende een meermin; het volk noemt deze beeldtenisMarseille, waarom weet ik niet.

Naauwlijks was ik op mijne kamer, of ik hoorde eene soort van muzijk op straat; ik keek uit, en zag eenige boeren en boerinnen op hun zondags uitgedoscht; de mans hadden pluimen, en de vrouwen galonnen op hare hoeden; zij gingen twee aan twee, en waren verzeld door eenige tamboers, die een langwerpige trommel droegen, waar op zij met de eene hand sloegen, en met de andere op een fluitje speelden: dit fluitje noemt men hierle galobet, het heeft een’ zeer scherpen klank. De vrouwen droegen een soort van koeken van meel, olij, suiker en anijs te zamengesteld, en als een cirkel met een ster ’er in gemaakt. Deze lieden, die op het land rondomMarseillewonen, kondigen op deze wijze het feest aan, dat in hun dorp plaats moet hebben; dat is de naamdag van hun’ beschermheilige of iets diergelijks; zij gaan dan bij de stedelingen, die omtrent hun dorp of gehucht hunnebastideshebben, brengen hun een koek, en noodigen ze, on het feest bijtewonen; deze van hunn’ kant geven dan aan de boeren eenig geld, zoo dat dit eigenlijk niet anders dan een bedelarijtje is. Na den middag bezigtigde ik de kerk en de puinhoopen van de gewezen Abdij vanSt. Victor, aan de zuidzijde van de haven bij de citadel. Deze kerk is volgens oude bescheiden doorSt. Leonden Grooten gewijd, en was benevens de Abdij gebouwd, van overblijfsels van Heidensche oudheden. In een half afgebroken muur zag ik nog het overschot van een’ steenen boog met loofwerk gebeeldhouwd, welk het merk scheen te dragen van den bloei der konsten onder deGriekenenRomeinen. Men plagt hier ook nog pilaren van granit en oude graftombes te zien, doch de geheele Abdij is gesloopt; om en in de Kerk, die ’er alleen van is overgebleven, zag ik niets merkwaardigs, dan dat zij zeer oud scheen. Zij was van binnen wat opgemaakt, doch anders zeer eenvoudig en zonder veel sieraad. Van daar ging ik op den bergBonapartewandelen: de zon, achter de rotsen ondergaande, leverde eene majestueuse vertooning op; de wind was wat gaan liggen, en de avondstond zeer aangenaam.

Den 12 dezer liep ik ’s morgens zeer vroeg als naar gewoonte uit, met oogmerk om buiten de stad te wandelen; maar de buitenstreken vanMarseilleaan de landzijde, bevielen mij niet; naar debastidesgaande, is men bijna altijd tusschen muren, als in een gemetselde doolhof; en buiten de poort heeft men ook niet anders dan een open weg; lommer vindt men bijna nergens; redenen genoeg, waarom ikMarseilleom er te wonen, niet zou verkiezen, even zoo min alsAmsterdam; want gemis van wandelingen is voor mij al een zeer groot gemis. Zeer veel had men mij van de warmte gesproken, en wij hebben hier zeker een paar dagen drukkende hittegehad; doch bij ons dunkt mij, kan het even zoo heet zijn, hoewel zeker minder aanhoudend. Ik had geen gelegenheid om den thermometer waar te nemen, doch ik ben wel verzekerd, dat hij niet hooger dan 27 of 28 gr. volgens de schaal vanRéaumur, gestaan heeft; en de zeewinden brengen hier ook veel toe, om de lucht te verkoelen. De aanhoudende regen, die men eenigen tijd geleden gehad heeft, is een ongewoon verschijnsel; anders regent het hierin dit jaargetij zelden, de aarde wordt alleen door de daauw, die nog al sterk is, bevochtigd—en hoe dor moet dan die dorre grond hier omstreeks niet zijn. Daar het zondag was, en ik vernam, dat de Protestanten hier ook eene Kerk hadden, ging ik daar heen. De vergadering werd in eene ruime en zindelijke zaal, op eene eerste verdieping gehouden, en was vrij talrijk. De Leeraar deed een eenvoudig zedelijk vertoog, dat ik met genoegen hoorde. Tegen den avond ging ik buiten de stad, aan den kant van de zee wandelen; men heeft hier veel de gewoonte, om zich in zee te baden of te zwemmen; ik zag ’er een menigte zwemmers, en lieden, die zich baadden. Verscheidene vrouwen, die ’er wel in de klederen uitzagen, en dus nog al tot de zoogenaamde deftige klasse schenen te behooren, wandelden hier langs, zonder den waaijer voor de oogen te houden; hier en daar zaten zelfs aan den oever groepjes, waar onder vrouwen en meisjes, op hun gemak te kijken; trouwens, de zeden derMarseillanenover het algemeen, zijn vooral in ditopzigt niet als zeer gestrengberoemd; nu ik geloof ook, dat indien de Laplandsche vrouwen kuischer zijn dan deze, zulks meêr aan de luchtstreek dan aan hare meerder beredeneerde deugd moet toegeschreven worden. Deze onderscheidene groepen, naakte en gekleede menschen, hier en daar op stukken van rotsen, langs den oever van de zee, die toen, zoo als gewoonlijk in dezen tijd, zeer kalm was, staande of ongedwongen zittende, terwijl men hooge rotsen in ’t verschiet, en hier en daar een visscherschuitje zag, dit alles te samen leverde eene schilderachtige vertooning op, enVernetzou hier van een mooi stuk hebben kunnen maken. Het water in deMiddellandsche Zee, althans hier omstreeks, heeft een groene kleur. Ik zag menigmaal schilderijen, waar op het water zeer groen, en de lucht en bergen in het verschiet helder blauw verbeeld werden, en dit kwam mij toen onnatuurlijk voor; doch thans nu ik eenige gezigten aan deze oevers gezien heb, vind ik dat die schilders de natuur getrouwelijk afgemaald hebben.

Behalve de koude baden, houden deFranschen, en vooral die, welke het zuidelijk gedeelte bewonen, even als voorheen deRomeinenenGrieken, veel van het warme bad, en maken daar zelfs in de zomerhitte gebruik van, blijvende ’er doorgaans een half uur of langer in zitten; men vindt dan ook in de meeste steden badhuizen, waar men zich voor 24 of 30solsin blikken of steenen bakkenbaadt9. Ik maakte ’er op reis nog al eens gebruik van, om mij te wasschen, maar om ’er lang in te blijven, vind ik niet goed: want men wordt ’er loom en vadzig van. DeFranschevrouwen maaken ’er ook veel gebruik van om zich te reinigen, en in dat opzigt zijn zij dan ook zindelijker, dan de onze.

Heden morgen ging ik het Stads-Museum van schilder-, beeldhouwwerk, en oudheden bezigtigen; men heeft een gedeelte van een voormalig Klooster, aan den kant van deBoulevard, daar toe in gereedheid gebragt, of liever was men daar mede bezig; want de zaal, waar de beelden en oudheden moesten geplaatst worden, was noch niet gereed, en alles lag ’er nog overhoop. Ik zag ’er eenige oude steenen doodkisten of graftombes, eenige met beeldhouwwerk, anderen met Grieksche opschriften, kapiteelen van pilaren,bas-reliefs, een altaar met stierenkoppen, het bovenste gedeelte van eenIsis-beeld methieroglijphischefiguren ’er op, van zwart steen, een grooteIsis-kop enz. De voorname opzigter van deze verzameling was niet in de stad, zoo dat ik ’er niet anders van kon te weten komen, dan dat deze oudheden, meestendeels hier omstreeks, en onder anderen ook in de Abdij vanSt. Victorgevonden zijn, men verhaalde mij tevens, dat ’er onlangs CommissarissenvanParijshier geweest waren, en het een en ander opgeteekend hadden; waarom men vreesde dat het een of ander stuk naar de hoofdstad wel eens zou kunnen vervoerd worden. Het altaar, hetIsis-beeld, en de grafsteenen metGriekscheopschriften, zeker voor oudheidkundigen van waarde zijn; doch het kwam mij voor, dat ’er ook veel Gothisch werk onder het overige was. In de schilderijen-galerij zag ik eenige goede stukken, onder anderen een paar vanRubens, die ik meende te kennen; geen wonder; want, naar ik vernam, had men ze vanParijsgezonden; benevens een vanvan Dijck, en nog eenige anderen; ook zag ik ’er eenige fraaije stukken vanPuget, en een paar groote schilderijen vanVien, de Vader; een bekend en nog in leven zijnde schilder teParijs, lid van hetInstitut(ik weet niet of het nognationalheet, dan of men hetimperialmoet noemen) enSénateur; sommige andere stukken schenen van Kerken of Kloosters herkomstig. Digt hier bij, ik geloof dat het voorheen tot hetzelfde gebouw behoorde, is thans hetLyceum10waarin een aantal jongelingen, op kosten van den lande, in de eerste beginzelen der wetenschappen onderwezen worden. Een van de opzigters of onderwijzers, die een hupsch en vriendelijk man scheen, liet ons het gebouw zien. Men kon merken, dat ’er een goed bestuur plaats had, en overal droeg het de blijken van zindelijkheid en orde, en dat is onder zoo een menigte jongelingen dan ook zeer noodzakelijk.

’s Avonds ging ik in den Schouwburg het zangspella Rosière de Salencyzien. Dit is het eerste tooneelstuk dat ik, een aankomend jongeling zijnde, zag vertoonen; ik herinner mij nog duidelijk, met welk een vermaak ik het zag, en welke aangename gewaarwordingen dit gezigt bij mij veroorzaakte, en zie het daarom nog altijd met genoegen, hoewel het hier ook maar zeer middelmatig gespeeld werd; van daar komende, nam ik de pen op, en voleind dezen voor u.

1Thans leest men ’er op:vivre et mourrir libre. In plaats van een Kroon staat ’er nog eenJacobijnenmuts boven dit schild; doch dit zal waarschijnlijk ook nog wel eens veranderd worden, daar de kroonen weder in de mode gekomen zijn.2De BeeldhouwerVeyrierwas ook een leerling vanPuget, als mede eeneAndré, die de Uitvinder was van de wijze, om behangseltapijten met lijmverf te schilderen.3Ontbijten met de vork.4Boter van Provence.5Het gelijkt wel wat naar hetGulde VliesteHaarlem, en is ’er zekerlijk niet minder zindelijk; daar bij zijn de hospes en zijn vrouw zeer vriendelijk, en de bediening scheen mij toe vrij goed te zijn.6Ter dezer gelegenheid is ’er eene medaille geslagen, met het hoofd van den Koning aan de eene, en de haven, door eene ketting geslooten, aan de andere zijde.7Het zijn blazen met wind gevuld en met leder overtrokken.8Behalve bij de eerste vertooning van een stuk, wanneer het ’er vreesselijk ruw kan toegaan. DeFranschewellevendheid wordt dan dikwijls op een verregaande wijze vergeten.9TeMarseille, bij den grooten Schouwburg, is een badhuis, waar de baden van wit marmer zijn.10De beroemde school, waarAristotelesde wijsgeer teAtheneal wandelende onderwees, werd alzoo genaamd; in onze taal zou die danplaats, waar men wandelend onderwijst, kunnen geheeten worden. DeFranschenhebben sedert eenige jaren verscheideneGriekscheenRomeinschebenamingen aangenomen, zoo alsécole politecnique,société philotecnique,Tribuns,Senatorenenz. doch alle deze namen komen hier mijns bedunkens, volgens hunneoorspronkelijke beteekenis niet altijd te pas, en vele dier zaken hebben inderdaad weinig meêr van hetGriekscheenRomeinschedan den blooten naam.

1Thans leest men ’er op:vivre et mourrir libre. In plaats van een Kroon staat ’er nog eenJacobijnenmuts boven dit schild; doch dit zal waarschijnlijk ook nog wel eens veranderd worden, daar de kroonen weder in de mode gekomen zijn.

2De BeeldhouwerVeyrierwas ook een leerling vanPuget, als mede eeneAndré, die de Uitvinder was van de wijze, om behangseltapijten met lijmverf te schilderen.

3Ontbijten met de vork.

4Boter van Provence.

5Het gelijkt wel wat naar hetGulde VliesteHaarlem, en is ’er zekerlijk niet minder zindelijk; daar bij zijn de hospes en zijn vrouw zeer vriendelijk, en de bediening scheen mij toe vrij goed te zijn.

6Ter dezer gelegenheid is ’er eene medaille geslagen, met het hoofd van den Koning aan de eene, en de haven, door eene ketting geslooten, aan de andere zijde.

7Het zijn blazen met wind gevuld en met leder overtrokken.

8Behalve bij de eerste vertooning van een stuk, wanneer het ’er vreesselijk ruw kan toegaan. DeFranschewellevendheid wordt dan dikwijls op een verregaande wijze vergeten.

9TeMarseille, bij den grooten Schouwburg, is een badhuis, waar de baden van wit marmer zijn.

10De beroemde school, waarAristotelesde wijsgeer teAtheneal wandelende onderwees, werd alzoo genaamd; in onze taal zou die danplaats, waar men wandelend onderwijst, kunnen geheeten worden. DeFranschenhebben sedert eenige jaren verscheideneGriekscheenRomeinschebenamingen aangenomen, zoo alsécole politecnique,société philotecnique,Tribuns,Senatorenenz. doch alle deze namen komen hier mijns bedunkens, volgens hunneoorspronkelijke beteekenis niet altijd te pas, en vele dier zaken hebben inderdaad weinig meêr van hetGriekscheenRomeinschedan den blooten naam.


Back to IndexNext