Negentiende Brief.

Negentiende Brief.Bagnères, 14 September.Wat heeft men hier een verscheidenheid van aangename wandelingen. Den 10 dezer ging ik door eene laan met Italiaansche populieren beplant, en tusschen de bergen doorloopende, tot aan het badhuis, dat menles Eaux de Salutnoemt, en dat naar gissing een kwartier van dit stadje afligt. Het gezigt van de ziekelijke en gebrekkige, die men op dezen weg ontmoet, en die veel in draagzetels gedragen worden, beneemt eenigzins het genoegelijke van deze anderzins zoo aangename wandeling. Behalve de baden, waar ik u reeds van gesproken heb, zijn ’er hier nog 12 of 14 anderen, waar van de graden van warmte verschillende zijn. Ik zal mij niet ophouden met u derzelver namen en bijzondere eigenschappen op te noemen, maar alleen zeggen, dat ’er een boekje van verscheidene bladzijden bestaat, waarin de namen, ouderdom, beroep, woonplaatsen, enz. te vinden zijn van eene menigte personen, die door de onderscheidene baden, of het inwendig gebruik der wateren vanBagnères, van onderscheidene kwalen, die daar bij worden opgegeven, zoo men zegt, genezen zijn. Anderen zeggen weder, dat de wateren vanBagnèresgenoegzaam geene genezendekracht hebben, en zoo dezelven al in sommige gevallen van nut kunnen zijn, zulks bijna alleen is toeteschrijven aan de warmte; welke graden van warmte eveneens aan het water kan gegeven worden op de gewone wijze. Teedere kleuren, zoo als lakmoes-blaauw, roze-rood enz. veranderen in dit water niet; het is ook zoo klaar als gewoon putwater, ten minste dat, hetwelk ik van verscheidene bronnen gezien heb; doch het plaatsje bestaat genoegzaam alleen van deze bronnen, het is dus geen wonder, dat men hier alles in het werk stelt, om ’er het gunstigst mogelijk denkbeeld van te geven, en alzoo aanhoudend volk te trekken, hoewel het spel misschien wel zoo vele klanten trekt als de bronnen. Terug komende vanles Eaux de Salut1, sloeg ik ter linker zijde een smal paadje in, dat onder langs den berg loopt, tot aan een kleine eenvoudige, doch met smaak versierde fontein, waar men zich op zodenbanken kan nederzetten; langs dit wegje, dat aangenaam beplant is, ruischt een helder beekje, en aan den overkant van hetzelve is eene frissche groene weide. Hier en daar zijn banken in de rots uitgekapt. Men kan zich in dien smaak niets aangenamers verbeelden.Het voornaamste badhuis, dat men hier vindt,wat het gebouw aanbelangt, is dat, wat menFrascatinoemt. Uit nieuwsgierigheid gingen wij ons daar ook baden. Het is een vrij groot en gnap gebouw. In een’ ruimen gang zijn de ingangen van de kamertjes voor de baden; in sommige zijn ’er twee, doch in de meeste maar een. Deze baden, zijn bakken van wit marmer, zoo lang, breed en diep, dat het kloekste mensch ’er in en onder water liggen kan; uit twee kranen laat men ’er koud en warm water naar goedvinden inloopen, en in den bodem is een gat, waar men het, door ’er een stop uit te trekken, weder uitlaat. Ik maakte het water maar even laauw, zijnde alleen om mij te wasschen, anders blijft men ’er doorgaans een half uur in; sommige nemen zelfs een boek, om in het bad liggende, te lezen. Men heeft hier ook Dampbaden endouches2. Achter dit gebouw is een tuintje, waar langs een beek stroomt. Boven zijn eenige zalen om te dansen en te spelen. Het gebruik van zo een bad kost hier niet meêr dan 15sols, doch men moet de handdoeken enz. medebrengen. Het huis, waar wij wonen, staat hier digt bij; men raadde mij dan ook zeer aan, vernemende dat ik somwijlen aan jichtpijnen onderhevig was, om aanhoudend de warme baden alhier te gebruiken, en braaf waterte drinken3; doch ook vooral ten opzigte van de geneeskunde niet zeer ligtgeloovig zijnde, had ik hier in ’t geheel geen zin in, en vooral niet omdat ik thans zoo gezond ben, als ik zou kunnen verlangen.Hier is ook een overdekte marktplaats (halle), waar men onderscheidene soorten van kramen vindt, als op een kleine kermis. Men verkoopt daar een mooi en goed soort van gebreide vrouwen halsdoeken, mans hemdrokken of kamizolen, tafelkleedjes, en zelfs beddespreijen van fijne Spaansche wol, gekleurd of wit, ik zag die nergens zoo als hier, en kocht daarom een kamizool met mouwen ’er aan, daar ik £ 13–:–: voor gaf. Deze soort van goed wordt hier niet alleen verkocht, maar ook gemaakt, en zoo om de deugdzame hoedanigheid, als om den smaak, waarmede het gewerkt is, veel gezocht.’s Avonds was ’er bal en concert inFrascati, de zaal is fraai en ruim, aan het eind van dezelve is een klein tooneel, dat tevens voor het orchest als ’er concert is, dient; ’er was veelbeau monde4,en pracht en opschik genoeg, doch naar evenredigheid weinig mooije vrouwen.—Welk een onderscheid tusschen de hut van een’ bergbewoner en deze zaal! en zij liggen omtrent maar een kwartier van elkanderen. Men ziet hier ook nog andere ruime vertrekken, alwaar men speelt of ververschingen gebruikt: dobbelspel zag ik ’er echter niet, hoewel het ’er anders, naar ik vernam, ook wel gespeeld wordt. Ieder hield zich nu meest met dansen, of het vertellen van zoetigheden aan de vrouwen bezig. In een van de vertrekken hingen eenige teekeningen van gezigten in deeze landstreek.Daar ons voornemen was, om den volgenden morgen vroegtijdig een reisje in de gebergtens te maken, hielden wij ons hier niet lang op.Den 11 dezer, ’s morgens om 6 uren, vertrokken wij op kleine paardjes, die aan het berg klimmen gewoon zijn, en van een geleider (guide) verzeld.Schooner vallei dan die vanCampan(la vallée de Campan) kan men zich naauwelijks verbeelden. Even buitenBagnèreskomt men daar in, en indien ’er eenArgusbestondt, zou men hem hier zijne oogen benijden. Men weet niet, waar men beginnen zal met beschouwen, met de frissche beemden, welker boorden door deAdourbespoeld worden, en waarinmen dan eenige maaijers of hooijers, en dan weder eenig vee ziet, met de eenvoudige maar bevallige tuinen en kleine boschjes, met de nette en wel gelegen woningen bij dezelven, met de steile rotsen aan den eenen, of de groene heuvelen met weidende kudde aan den anderen kant. Alles is hier zoo belangrijk, dat men aanhoudend bevreesd is van ’er iets van te zullen missen. De ProosdijSt. Paulus, (St. Paul) tusschenBaudeauenCampan, op eene kleine hoogte ter regter zijde gelegen, maakt ook eene schilderachtige vertooning. Even aan den anderen kant van dat dorp, waar naar deze vallei genoemd is, vroeg onze leidsman, of wij de spelonk (la grotte de Campan), die een eindje van den weg, in den voet van de bergen, aan de linkerhand is, wilden gaan zien; doch ik was onderrigt, dat ’er in deze spelonk niet veel bijzonders was, en destalactitesvankalkaardigalbast, die ’er gevonden werd, ’er van tijd tot tijd, door Natuurkundigen, bloote nieuwsgierigen, en zelfs door de boeren hier omstreeks, die ze verkoopen, meestal waren uitgenomen. Wij verkozen dan niet om ons hierom optehouden, maar vervolgden onzen weg. Naauwelijks waren wij eenige schreden gevorderd, of twee à drie kinderen kwamen ons naloopen, en kristallen, zoo als zij het noemen, uit de grot te koop aanbieden. De landstreek blijft aanhoudend schoon, en van alle kanten levert de natuur de liefelijkste Tooneelen op. De bergen zijn hier en daar met bosch geheel bedekt, tusschen beide maken de hutten der herders op dezelveneene aardige vertooning. In 1772 opende zich in de bedding van deAdourhier omstreeks een kolk, die, gedurende vieren twintig uren, den droom geheel verzwolg, zoo dat de rivier tot aan dit gat droog was, vervolgens raakte deze kolk vol, en het water stroomde als voorheen. Men heeft opgemerkt, dat het water in dit hol onder den grond doorloopende, niet ver vanBagnèresweder uitkwam.Van het dorpSt. Marievalt niets te zeggen, dan dat het eene aangename verzameling is van boerenwoningen, niet als een bekrompen straat tegen elkanderen gebouwd; maar luchtig uit een gelegen, en ieder huis genoegzaam van weilanden en tuinen omringd. Deze schakel van woningen strekt zich op die wijze uit tot voorbijGrippe, een ander dorp een uurtje verder gelegen. Hier vindt men een vrij goede herberg; wij zetten ’er onze paarden wat op stal, en lieten ons wat melk, brood, versche boter, die hier zeer goed is, en kaas geven. Van een bovenkamer, die men ons had aangewezen, hadden wij gelegenheid om ons met het schoone gezigt over de vallei, nog eens ter deeg te verlustigen. Het was hier zindelijk en net. De welvaart zonder pracht straalt in deze streek overal door. Bij dit huis was een tuin met verscheidene goede vruchtboomen, en zelfs een kleine vijver, waar door het water aanhoudend stroomde, en waarin wij verscheidene forellen zagen. Een uurtje van hier zijn marmergroeven. Nu wordt het dal allengskensenger, wij zagen de hooge bergen, die wij overtrekken moesten, voor ons, en hier begonnen wij reeds te klimmen. De Natuur vergast daar het vorschend oog weder op een heerlijk gezigt; doch van een anderen aard dan in de vallei. Links en regts zijn de bergen met pijnboomen bedekt, en deAdourmaakt hier eenen schoonen waterval, van twee of drie verdiepingen. Het water, tusschen de digt aan een gesloten rotsen doorbruischende, veroorzaakt een verbazend geruisch. De kegelvormige bergl’Escalette5vertoonde zich voor ons. Altijd klimmende, bereikten wij eene aanmerkelijke hoogte, onze paarden nu en dan leidende, om dezelve niet te veel te vermoeijen. Ondertusschen hadden wij voor en ter zijde nog hooge bergen; zoo dat men dezelve aanziende, zich zou kunnen verbeelden van beneden te zijn. Tegen de steile hellingen van sommige dier bergen, ver boven ons hoofd, zagen wij verscheidene geiten en schapen; wat verder graasden ook eenige koeijen, alle van klokjes voorzien, op dat de herder, wanneer zij afdwalen, dezelve wederom zou kunnen vinden: ook zegt men, dat dit geluid de wolven, die hier in ’t geheel niet zeldzaam zijn, afschrikt. Aanhoudend langs een gansch niet gemaklijken weg stijgende, bereikten wij den grooten en prachtigen watervalvanTramésaigues(Cascade de Tramésaigues) waar van de stroom, tusschen een bosch van pijn- of denneboomen doorkomende, zich met geweld van de rots in een aanmerkelijke diepte, langs eenige trappen, nederstort. Hier stapten wij van onze paarden, en klommen langs de steile helling van den berg naast den waterval, zoo ver wij komen konden, af.—Die zoo iets gezien heeft, geloof ik niet, dat ligt in verzoeking zal geraken, om in boschjes of lusthoven, watervallen door gemetselde beken stroomende, en van gemaakte rotsen afloopende, te maken. Ik weet, dat ’er inZwitserland,Italië, en zelfs niet ver van hier watervallen zijn, die van veel hooger bergen of rotsen op eenmaal afstorten. Ongetwijfeld leveren zij een ontzaggelijker en grootscher vertooning op; doch zij missen dan ook het streelende en bevallige van deze. Een groot gedeelte van den nederstortenden stroom wordt hier door de dennen, die ’er langs de helling van de rots naast staan, beschaduwd, en het schuimende water maakt tegen dat donkere groen eene heerlijke vertooning. Als men ’er digt bij staat, heeft men moeite, door het sterke gedruisch, om elkanderen te verstaan; doch men wordt ’er, wanneer het warm is, zoo als heden het geval was, ook alleraangenaamst verkwikt door de frissche lucht. Na hier een poosje te hebben gerust, zagen wij een eindje hooger opklimmende, en den waterval aan de linkerhand latende, de herders- en veehoeders-hutten vanTramésaigues6.—Wiezou hier woningen voor menschen zoeken; doch men kan het ook naauwelijks woningen noemen. Een klein vierkant perk van op een gezette brokken steen gemaakt, en met platte steenen en graszoden gedekt, dient om het vee tegen het ongunstige weder, en tegen de aanvallen der beeren en wolven te beschutten; in een hoek van dit perk is een afgezonderd hokje voor den herder; alles is niet hooger en ruimer dan volstrekt noodzakelijk is. Eenige diergelijke hutten maken hier een klein gehuchtje uit. De stroom die van dePic du Midiafloopt, slingert tusschen deze hutten door, en maakt vervolgens den schoonen waterval.—Hier wonen menschen, en in het kasteel derTuillerienteParijswoonen ook menschen.... De herders waren thans met het grootste deel van hun vee in de bergen, en wij zagen ’er niet anders dan een paar koeitjes, die tegen de wanden van hun’ eenvoudigen stal lagen te herkaauwen. De grond, daar aanhoudend besproeid zijnde, is hier en daar met een aangenaam groen tapijt bekleed. Men ziet hier ook een’ hoekigen blok granit, door de natuur aardig gevormd, boven den grond uitsteken7. Achter ons omziende, zagenwij langs de aanmerkelijke hoogte, die wij opgeklommen waren, in de laagte, die zich als een ruim dal vertoonde, een vrouw te paard gezeten; en met een roode kap op, volgde zij ons van verre, en scheen niet te schromen om dezen togt alleen te ondernemen. Wij meenden al wel geklommen te hebben, en waren echter nog op verre na niet op het hoogste punt, dat wij over te stijgen hadden. Door een scheiding van de bergen aan onze regterhand, of in het noord-oosten, ziet men, bij de hutten vanTramésaigueszijnde, die ontzaggelijkePic du Midi, die een der hoogste bergen van dePyreneënis, zich met aardige vlakken, door de valling van het licht veroorzaakt, vertoonende8. Zij heeft eene niet zeer langwerpige, kegelvormige gedaante, van hier te zien, en scheen niet ver van ons af te zijn; ondertusschen verzekerde onze leidsman, dat wij ’er (gesteld men kon ’er in een regte lijn naar toekomen) nog ruim een uur gaans af waren. De gewone weg, voor hun die dezen berg, welks top boven de oppervlakte der zee, op ruim 9000 voeten, of 1500toisesbegroot wordt, willen bestijgen, is door de vallei, waar men hier door ziet. Het was nu omtrent half twaalf voor den middag9. Deze hutten verlatende, gingen wij den top van deEscalette, en vervolgens deTourmaletbestijgen; onze goede dieren hadden daar nog wat aan te doen, en het was, hoewel hier veel luchtiger dan in de valleijen, echter te warm, om te voet te gaan, voor lieden, die zulk klimmen niet gewoon zijn. Hier begint het ’er woester uittezien; geen denneboomen, weinig gras en kruiden meêr. Overal liggen stukken en brokken steen, die van de naburige hoogtens schijnen afgerold. Welk eene hoogte! en evenwel ziet men dePic du Midinog altijd als een hoogen berg aan zijne zijde. Toen wij bijna de hoogte van deTourmalet, die wij over moesten, bereikt hadden, zagen wij het water, dat onze geleiderl’Eau d’Oncet10noemde, langs dePic du Midiafloopen; dit water maakt in het dal, naar den kant vanBarèges, zich met meêr andere stroomen vereenigende, een klein riviertje, datle Bastangenaamd wordt; welks loop geheel het tegengestelde is van deAdour, dat is te zeggen van het noord-oosten naar het zuid-westen. De helling van deTourmalet, die wij af moesten klimmen, is vrij steil; doch het smalle wegje loopt met slingers onder elkanderen. Hier stapten wij van onze paarden af, en leidden dezelve bij den toom achter elkanderen volgende. Alles is hier woest en ontzaggelijk; voor zich ziet men in de vallei vanBastan,als in eene vreesselijke diepte. Het water op stukken en brokken rots van boven neder stroomende, ruischt aanhoudend. Boven de verheven toppen der bergen zagen wij de arenden zweven. Hadden wij den weg in het opklimmen niet gemakkelijk gevonden, hier was ’er in het afstijgen ook niet op te roemen; ondertusschen viel het mij, naar het geen men ’er mij van verteld had, aanmerkelijk mede. Eindelijk kwamen wij in een dal, en vervolgens aan eenige schrale weiden, veel verschillende van die in het dal vanCampan. Beneden zijnde, zagen wij achter ons om, om de steile hoogte, die wij afgeklommen waren, te beschouwen; zij is verbazende. Men begroot die hoogte, boven de oppervlakte der zee, op omtrent 7000 voeten11. De bergen, of liever steile rotsen, welke dit dal omgeven, zijn niet met boomen en weiden bedekt, zoo als die van het dal vanCampan. Men ziet ’er genoegzaam geen struikje, zoo min in het dal als op de hoogtens, alles ziet ’er naar en treurig uit. DeBastanstroomt niet zoo als deAdourlangs groene weiden, maar rolt hier met een woest gedruisch geweldig over de brokken steen, die zij zelve medevoert, of die van de omliggendesteiltens in dit dal afrollen. Hier en daar ziet men een magere weide, die eerder rosachtig dan groen ziet, en waarop eenige kwijnende koeijen het laatste grasscheutje nog loopen zoeken. Het onderscheid tusschen het dal vanCampanen dat vanBastan, slechts door de bergen, die wij overgekomen waren, van elkanderen gescheiden, is waarlijk ontzettend. Daar heeft de natuur genoegzaam geene menschelijke hulp noodig, en hier zijn alle menschelijke krachten vereenigd, niet toereikende, om ’er maar een redelijk vruchtbaar land van te maken. De stroom zelve, door het smelten der sneeuw of stortregens zeer sterk zijnde, verwoest dikwijls de gronden, die zij moest voeden, en voert de weinige vruchtbare aarde, die hier en daar deze steenachtige bodem nog bekleedt, mede, of bedekt dezelve met steenen. Woningen en bewoners hebben een ellendig voorkomen, en alles doet zien, dat dit dal weinig geschikt is om door menschen bewoond te worden. Na een eind wegs in hetzelve te hebben afgelegd, moesten wij weder klimmen, en reden over het steenen dak van eene woning, die half in den grond gemaakt was, heen. Eindelijk na weder vrij wat gestegen te zijn, zagen wij in eene enge diepte tusschen de rotsen ter zijde van deBastan12, de huizen vanBarèges, en kwamen ’er langs een smal wegje, tegen eene steille helling bijna boven de huizen in, het was als of wij ’er door de schoorsteenenin moesten komen. Het was omtrent 3 uren na den middag, toen wij aankwamen, en wij hadden ons onder weg wel 1½ uur opgehouden, en anders altijd gegaan of stapvoets gereden, zoo dat ik reken, dat men bijna 7 uren nodig heeft, om die reis te doen, wanneer men zich niet ophoudt, ten zij men goedvindt, om vanBagnèrestotGrippede paarden te laten draven.Men ging in onze herberg kort na onze aankomst aan tafel, het geen voor ons, die vrij hongerig waren, zeer van pas kwam. De spijszaal bestond slechts uit een houten loots; eenige huizen over en naast dezelve, waren op dezelfde wijze gebouwd, zijnde maar voor eenige zomermaanden opgeslagen; omdat de steenen huizen, die hier gestaan hebben, al een en andermaal door het nederstorten van de sneeuw, de brokken steen die zij medevoert, en de overstrooming van deBastanverwoest geworden zijnde, men de moeite en kosten niet meêr doen wil, om ze op te bouwen. Tot onze verwondering vonden wij in deze woeste en onvruchtbare landstreek eene vrij goed middagmaal, onder anderen een geregt van klipgeiten (Izards), vleesch, dat ik zeer lekker vond, en hier voor de eerste maal at; de wijn was ook wel genoeg, en altans veel beter als teBagnères. Wij aten met eenige kreupelen en lammen, waaronder een paar Offiçieren, die hier de baden gebruikten, de Apotheker van de plaats enz. en evenwel was men zeer vrolijk aan tafel. Ik was verwonderd over de ongemeene oplettende gedienstigheidvan den Apotheker omtrent ons, doch welhaast begreep ik ’er de reden van; hoewel wij ’er niet ziekelijk uitzagen, verbeeldde zich die goede man, dat wij ter genezing van eene of andere kwaal hier naar toekwamen, en beschouwde ons dus als nieuwe klanten. Onder de gasten bevond zich een man van omtrent dertig jaren, die een verlamming in de beenen had, en, vanBruggeinVlaanderenzijnde, blijde was van in ons halve landslieden aantetreffen. Na den maaltijd hadden wijBarègeswelhaast gezien; het is slechts een enkele straat langs deBastan; aan het eene eind daar wij onze kamers hadden, zijnde wat hooger op dan daar, waar de houten lootsen staan, zijn eenige goede huizen, en lager een badhuis, dat een vrij gnap gebouw schijnt; voor het overige is ’er in dit plaatsje niets dan ellende te zien13. In ’t geheel zijn ’er vier of vijf mineraal-bronnen teBarèges, in warmte onderscheiden, de hoogste bereikt 39, en de minste 27 graden, schaal vanRéaumur. Deze wateren bevatten volgens waarnemingen van verscheiden deskundigen, meêr, ter genezing van sommige kwalen, heilzame stoffen, dan die vanBagnères, bestaande voornamelijk uit zwavellever,hepar sulfuris,nitrum, zeezout, een kalkachtige, en een leemachtige aarde, en een smerige of zeepachtige stof. Deze wateren worden even als teBagnèresuit- eninwendig gebruikt14. Ik zag hier veel verminkte ziekelijke, of gebrekkelijke krijgslieden; ook waren ’er eenigeEngelschehuishoudens. De luchtgesteldheid is ’er over het algemeen onaangenaam: tot in Julij toe kan het ’er somtijds koud en regenachtig zijn; veeltijds dondert het ’er geheele dagen. De wolken tusschen de bergen blijvende hangen, veroorzaken een’ dikken mist, en men ziet ’er somtijds om dezen tijd van het jaar al sneeuw. Ook wordt deze plaats niet anders bewoond dan in den tijd, dat men de wateren gebruikt, dat is van half Mei tot het begin van October; den overigen tijd blijven ’er niet meêr dan vier of vijf menschen, om zorg te dragen voor de huizen, en het weinige, dat men ’er in laat. De andere menschen gaan naar de omliggende plaatsen, vooral naarLuz, een vlek omtrent anderhalf uur van hier gelegen. De weg naar den kant vanLuzlevert gansch geene onaangename wandeling op: men ziet ’er tegen de helling der bergen, of aan de boorden van deBastan, nog eenige weilanden en akkers, die niet geploegd of gespit, maar met eene soort van houweelen bewerktworden, om ’er wat rogge op te telen; hier en daar staan zelfs nog al eenige struiken en boomen, en bij de hutten, die men ’er aantreft, zijn nog al tuintjes, waarin ik echter niet veel anders dan koolen en boonen zag staan. Ik ging omtrent een half uurtje vanBarègesin zulk een hut, die door een soort van veehoeder, zijne vrouw en verscheidene kinderen bewoond werd. De man, zoo als hij mij vertelde, in zijne jeugd soldaat geweest zijnde, sprak nog al watFransch, en ik had daar door gelegenheid, om mij met hem te onderhouden. Deze naar het scheen goede en eenvoudige lieden, gebruikten alles bijna, wat hun vee en akkertje opbragt, en hadden niets anders te verkoopen, dan een weinig gesponnen wol, hoenderen en eijeren, die zij teBarègester markt bragten, en het geld dat daar van kwam diende, om eenige onontbeerlijke dingen, zoo als zout, eenige weinige kleedingstoffen enz. te koopen15. De man vertelde mij ook, dat hij gaarne een pijp tabak rookte; wat de huisraad aanbelangt, ik zag ’er genoegzaam niets anders dan het geen volstrekt noodzaaklijk was. Zes maanden van hetjaar wonen deze menschen dikwijls onder de sneeuw, zoo dat zij naauwelijks een voetpaadje kunnen maken, om hun vee te geleiden, om te drinken. Hoewel de bewoners van deze streken ’er over het algemeen niet bevallig uitzien, zijn zij gezond, en men treft onder hen vele oude lieden aan; echter heb ik opgemerkt, dat ’er in deze geheele bergachtige landstreek, en zelfs aan den anderen kant vanBagnères, verscheidene vrouwen kropgezwellen hebben. Ik gaf eenigesolsaan de kinderen, en zij bragten mij ’er een paar kleine stukjes rots (cristal) voor in de plaats; de herders of jagers vinden dat in de hooge spleten der rotsen hier omstreeks, doch het is ’er niet overvloedig, en wordt daarom bij de bergbewoners nog al geacht16. Die kinderen gingen in ’t geheel niet school; een Pastoor of Kapellaan leerde ze slechts een weinig den Katechismus. Vele onzerMeijerijschelandlieden zijn eenvoudig en ongeleerd, maar het zijn nog Professoren in vergelijking van deze lieden; vooral van die, welke afgezonderd in de bergen wonen. In het wederom keeren naarBarèges, ontmoette ik een fraaije koets met Heerenen Dames ’er in, en liverei bediendens ’er voor en achter op; het waren ziekelijke of gebrekkige rijken, die hier hunne gezondheid door middel van de wateren weder trachten bij een te lappen. Hadden zij altijd in de hut, waar uit ik kwam, gewoond, misschien zouden zij gezonder zijn.Op sommige plaatsen is deBastanhier in ’t geheel niet diep, ik zette mij, van het eene stuk steen op het andere, stappende, op een brok rots in dezelve gelegen, neder; het water bruischte om mij heên; men ziet hier duidelijk het hellen van de bedding van dit riviertje. Rondom leverde de bergen en rotsen een niet onaardig gezigt op, en de avondstond was regt aangenaam.TeBarègesterug gekeerd, gingen wij in een soort van Koffijhuis, dat ook in een houten loots is; het dient tevens voor een dans- en concertzaal, doch het zag ’er thans akelig uit; naauwelijks waren ’er zes of acht menschen, zij zaten te spelen, en ’er brandden twee of drie kaarsen. Wij begrepen dan, dat wij niets zouden verzuimen met te gaan slapen, om, wel uitgerust, morgen vroegtijdig van hier te vertrekken.Den 12 dezer. Gisteren avond werd ik door het gedruisch van deBastandat ik op mijn bed, duidelijk hooren kon, in slaap gesust.—Het was nog donker, toen men mij kwam zeggen, dat wij alvorens te vertrekken, onze paspoorten hier moesten vertoonen en doen teekenen; hier over was ik niet zeer te vreden, vreezende, dat ons dat ophoudenzou; doch de Commissaris van de Politie had de beleefdheid om terstond optestaan, en mij te regt te helpen. Het scheen of men ons hier voorEngelschenhad aangezien, en veronderstelde, dat wij, krijgsgevangenen zijnde, wel eens over de grenzen zouden kunnen gaan. Wij reden dan ten vijf uren af. Onze leidsman verhaalde mij, dat hij volgens gewoonte, een soort van verlofbriefje had gehaald, om met de paarden tot deSpaanschegrenzen te mogen gaan, en borg gesteld om den uitvoer van dezelven te verhoeden; echter daar men hem kende, was men hier omtrent nog al gemakkelijk. Gedurende de maanden, datBarègesbewoond, en door een menigte vreemdelingen, die de wateren komen gebruiken, bezocht wordt, komt ’er behalve een Commissaris van de Policie, eene Compagnie oude krijgslieden (invalides) van het stadjeLourde.Het was schoon helder weder, dat voor een reis in deze bergen van zeer belang is en om het gezigt en om de wegen, die hier en daar zeer smal zijnde, bij sterke regenvlagen door de steenen, of het steengruis, dat dan van de bergen rolt, en door de glibberigheid ongemakkelijk en gevaarlijk zijn.De weg totLuz, den stroom van deBastanvolgende, is zelfs voor rijtuigen redelijk goed, en wat de gezigten aanbelangt, hoewel tusschen de bergen bepaald, niet onaangenaam; men ziet ’er nog al groen. Deze is de groote of postweg naarBarèges. BijLuzwordt het gezigt zeer schilderachtig; men ziet daar meêr boomen, en de nog aanzienlijke overblijfselsvan het oude kasteelSt. Marie, op eene op zich zelven staande steile rots, aan het inkomen van een schoon dal gelegen, en deBastandaar langs stroomende. Dit kasteel was in vroegere tijden eene sterkte, die wegens de Koningen vanFrankrijkmet krijgsbenden bezet werd; onder anderen ook, om de invallen der Mooren en derSpanjaardentegentegaan. Het dal vanLuz, hoewel juist niet zoo vruchtbaar als dat vanCampan, en ook minder uitgestrekt, levert toch ook een zeer aangenaam gezigt op. DeBastanminder woest en snel, omdat de grond gelijker is, stroomt door frissche groene weiden; behalveLuzziet men ’er verscheidene aardige en digt bij elkanderen gelegen dorpjes. De bergen rondom zijn met houtgewas, en gras of kruiden bedekt, en in het flaauwe verschiet ziet men hier en daar eenige ontzaggelijke toppen boven dezelve uitsteken. Wat verder op in dit dal, vereenigt zich deBastanmet deGave17. TeLuzhielden wij ons een poosje op, om te ontbijten. De herberg behoort aan denzelfden man, bij wien wij teBarègesgeweest, en waar wij wel over te vreden waren, hoe zeer alles teBarègesduur is, omdat het land zelf genoegzaam niets oplevert, en alles ’er alzoovan andere plaatsen naar toe moet gebragt worden; de zoon en dochter van dien man,Flamandgenaamd, namen hier de zaken zomers alleen waar. Wij huurden hier ook nog een paard voor onzen leidsman, en na het avondmaal, bedden, enz. besteld te hebben, begaven wij ons naar den waterval vanGavarniop reis.Luzschijnt een vrij gnap plaatsje, en is alleraangenaamst gelegen. Van daar af tot bijSt. Sauveur, loopt de weg nog door een aangenaam dal, maar dan begint men te klimmen, latende deGaveaan de regterhand. Hier ligt een brug over dien stroom, om naarSt. Sauveur, dat men aan den overkant laat liggen, te gaan. Dat plaatsje bestaande uit omtrent 20 huizen, meestal voor de baden dienende, en tegen de steile helling van een groenen berg, hier en daar met boomen en struiken beplant, gelegen, maakt eene allerliefste vertooning. Aan de linkerhand heeft men steile rotsen, tegen welker helling (hoewel het naauwelijks eene helling mag genaamd worden) de smalle weg gemaakt is.St. Sauveurvoorbij zijnde is die weg door eenige boomen en struiken, tegen de steilte geplant, aangenaam beschaduwd. Aan de regterzijde hoort men deGavein een diepte, hier en daar door dikke struiken bedekt, ruisschen. De bergen worden hooger en steiler, en de diepte hoe langer hoe ontzaggelijker. Onze leidsman (dien ik in ’t vervolgAntoinezal noemen) waarschuwde ons, dat wij welhaast aan een zeer smal padje moesten komen, daar wij, voorzigtigheidshalve,wel zouden doen om van de paarden aftestappen. Hij noemde ditun mauvais pas. Dit padje was hier en daar geen drie voeten breed, tegen een zeer steile rots boven een afgrijsselijke diepte uitgehouwen.Antoineraadde ons, om niet regts te zien, en ik volgde zijn’ raad. De rotsen, waar deGavebulderende tusschen doorloopt, zijn zoo steil, en staan zoo digt bij elkander, dat men tusschen twee vreesselijke hooge muren zeer eng schijnt ingesloten; de zonnestralen hadden hier thans geen’ toegang; het licht valt ’er alleen van boven loodregt in, en dit alles maakt het nog akeliger. De paarden zelfs hoewel aan diergelijke wegen gewoon, gaan met den neus op den grond, en voelen eerst met een soort van huivering, eer zij hunne voeten nederzetten. Men spreekt niet tegen elkander; ieder is hier alleen op zich zelven bedacht; geen wonder, men behoeft slechts te struikelen, om in de diepte te morselen te vallen. En ondertusschen had het gevoel, dat ik in dezen toestand gewaar werd, meêr van het aangename dan van het onaangename. Het grootsche, ongewone, en daar bij het liefelijk schoone, want de rotsen zijn veelal van onderen tot boven met boomen en struiken bedekt, veroorzaken eene streelende bewondering, die de ongerustheid aanmerkelijk verdoofdt. Nog vreemder vertooningen te gemoet ziende, wordt men door nieuwsgierigheid gedurig aangespoord en opgewakkerd; en laten wij ter goeder trouw zijn, de hoogmoed en eerzucht heeft aan alle diergelijke ondernemingen ook vrij watdeel. Dit zoo smalle wegje was maar kort, en wij zetten ons weder te paard; nu was het pad zoo breed, dat wij eene vrouw, die een ezel met wol geladen voor zich heen dreef, voorbij konden laten. Zij ging dit voortbrengsel van hare kudde teLuzverkoopen, en spon gedurig op de plaatsen, waar denwegniet al te smal en moeijelijk was. Een eind wegs verder heeft men een pad, altijd niet veel breeder dan volstrekt noodig is, boven een diepte van 80 à 100 voeten in de harde rots uitgehouwen, en hier en daar met stukken steen op een gezet, gemaakt; dit werk, dat niet zonder zwaren arbeid geschied is, werd in 1762 uitgevoerd. Voor dien tijd verongelukten hier veeltijds menschen en vee, en men moet ’er nog zeer voorzigtig zijn. Deze toegang wordtle passage de l’Echellegenaamd, omdat hier in vroegere tijden een kleine sterke toren plagt te staan, waar men tegen de rotsen op, als tegen een ladder, naar toe moest klimmen; zij was met krijgsvolk bezet, en diende om de invallen en strooperijen aan deze grenzen te beletten. In het begin van de vorige eeuw was zij nog van veel dienst tegen eene soort van roovers en vrijbuiters uit het landschapArragon, die menles Miqueletsnoemt.Barèges.Barèges.Omtrent een kwartier verder, ziet men aan den anderen kant van deGave, en in de laagte het gehuchtjeSia, bestaande in eenige woningen, die door eenige groote boomen beschaduwd worden. Nu loopt den weg eenklaps af, tot aan een steenen brug over deGaveliggende, eer men op de brug gaat,heeft men aan de regterhand eene bron, waar uit het frissche en heldere water aanhoudend in een’ steenen bak loopt.Antoinenoemde deze bronla Fontaine de halte, omdat men gewoon is om daar een oogenblik te rusten, en menschen en vee ’er zich door een’ koelen dronk verfrisschen. Wij dronken dan ook met onze paarden als lotgenooten, slurpende uit denzelfden bak. En nu gingen wij de brug over: zij bestaat uit een enkelen boog tusschen twee digt bij elkanderen staande rotsen gemaakt, en omtrent 90 voeten boven den stroom verheven. Van deze brug, die met mosch en klimop bewassen is, heeft men een heerlijk gezigt op eenen schoonen waterval, die door deGave, door eene enge opening tusschen twee rotsen doorloopende, gemaakt wordt, en waar over de takken der struiken, die in de spleten van die rotsen groeijen, bevallig heen zwieren. Deze brug wordtle pont l’Artiguegenaamd. Het water loopt ’er met eene vreesselijke vaart onder door. DeGaveaan de regterhand latende, klimt men langs een wegje, dat niet breeder is als aan den anderen kant, weder op. Men gaat onder de over den weg hangende rotsen door, vervolgens daalt men weder digter naar den stroom af; de natuur is hier woester, en men ziet ’er weinig groen. Op de hoogte, bijna zoo ver dat ik de voorwerpen naauwelijks kon onderscheiden, zag ik een herder met eenig vee en schapen. Hier en daar ziet men ook eene enkele hut. Over een houten brug, die nog al lang zijnde, in het middendoor een brok granit, dat midden in den stroom door de natuur geplaatst is, ondersteund wordt, kwamen wij weder aan den anderen kant van deGave, en van daar ziet men, een eind wegs opgeklommen zijnde, een’ waterval van een enkelen straal van een groene rots aan den overkant in de diepte storten, en deze straal water had thans dezelfde kleuren als een regenboog. Dit gezigt was verrukkelijk. Van de toppen der bergen ziet men ook het water als slingerende beken afstroomen. Hier is de weg niet verschrikkelijk meêr, maar integendeel alleraangenaamst; langs denzelven staan heggen van palm, en men gaat onder groene gewelven, door noten- en andere boomen gemaakt, door. Op zeer verheven en ijsselijke steiltens, zagen wij de koeijen gerust weiden. Eer dat men tePragnères, een alleraangenaamst gelegen dorp, in het midden van een groen dal, komt, gaat men door een stroom ofGave, die menle Gave de Pragnèresnoemt. Deze stroom komt van de bergenNeouviellegeheeten18, omdat ’er altijd sneeuw ligt, en wordt door die aanhoudend smeltende sneeuw veroorzaakt; zij vereenigt zich het dal doorslingerende met deGave, daar onze weg langs loopt.Pragnèresligt omtrent 1½ uur vanLuz. Tot nu toe hadden wijaltijd tusschen de bergen ingesloten geweest, en waren blijde, van ons eens in een ruim dal te bevinden. De huizen zien ’er hier over het algemeen gnap uit, en men kan zien, dat het den menschen in dezen afgezonderden staat niet kwalijk gaat: eenige kinderen, die voor de huizen onder de boomen, die ’er voor stonden, lagen te spelen, zagen ’er frisch uit. Ik zag hier weder een vrouw met een vrij groot kropgezwel (Goitre)19. Deze in der daad bekoorlijke vlakte verlatende, klommen wij meêr langs deGaveop. De weg is hier, hoewel altijd smal, dan hoog en dan laag, echter vrij goed, en veelal aangenaambeschaduwd, en met heggen van palm, die hier en daar vrij hoog en zwaar is, bezet. De landstreek verliest weder veel van zijne bevalligheid. Men ziet den bergComelie, die eene schoone vertooning maakt, voor zich. De natuur wordt weder vriendelijker. DeGavestroomt minder geweldig; hier en daar vertoonen zich eenige woningen; een nieuw dal opent zich, en wij naderden het dorpGedroofGedre.Antoinedeed ons in het verschiet den met sneeuw bedekten top van den berg, dien menMarboré20noemt, opmerken. Hier las ik op een bord voor een huis geplaatstDouanes Nationales. Wie zou in deze bergen een tolhuis zoeken; ondertusschen worden ’er op paarden en muilezels tusschen dezelve door, nog al eenige goederen in en uitSpanjegebragt, en de smokkelaars stellen zich veeltijds aan nog gevaarlijker wegen, dan men hier aantreft, bloot. Men komt over een brug, die over den stroom ligt, welke menle Gave de Héasnoemt, omdat zij door het dal van dien naam loopt. Van daar ziet men tusschen de rotsen in de diepte, een soort van hol, waar het water uitstroomt, zijnde van boven door takken en struiken zeer digt gedekt, zoo dat het licht ’er naauwelijks door schijnt. De stroom maakt ’er een kleinen waterval, en dit groene gewelf noemt men niet zeer eigenlijk dunkt mijla Grotte de Gedre. Men kan ’er uit een huis dat bij deze brug staat bijkomen. In een ander oord zoudeze zoogenaamde grot, zeker eene aardige en romaneske vertooning maken; doch hier, daar de natuur zoo vele groote en verbazende schoonheden oplevert, scheen zij mij minder belangrijk.Gedre, en het bekoorlijk dal van dien naam, ligt aan den voet van den bergComelie, omtrent 3 uren vanLuz. Het dorp voorbij zijnde, klimt men langs dezen berg op.Antoinewees mij op de hoogte in het verschiet een paal, die hij zeide op de grensscheiding tusschenFrankrijkenSpanjete staan. Nu begint het ’er eerst regt woest uit te zien: hier slingert de weg tusschen ontzaggelijke brokken rots21, op en onder elkanderen liggende, door. Sommigen zijn geheel van boven neder in deGavegerold, en hebben den stroom genoodzaakt om van loop te veranderen of zich te verdeelen. De rots, waarvan die vervaarlijke klompen afgevallen zijn, hangt in eene dreigende houding den voorbijganger boven het hoofd; hier en daar gaat men onder afgrijsselijke zware stukken door, die naauwelijks genoegzaam ondersteund, en gereed schijnen, om al wat ’er onder komt te verpletteren. Welkeen arbeid moet het niet gekost hebben, om hier een’ weg, hoe dat hij dan ook is, door te maken; en het is wel te vreezen, dat men dien arbeid, indien het mogelijk is, nog zal moeten hervatten; zijnde het maar al te waarschijnlijk, dat ’er nog meêr van boven neder zal storten. Ook komen ’er, volgens het zeggen vanAntoine, nog dikwijls stukken afrollen, vooral bij het smelten der sneeuw. Geen groen struikje of kruidje is hier te zien, niet anders dan brokken rots en lucht. De stroom van deGave, die hier veel belemmerd wordt in zijn loop, maakt een donderend gedruisch. Het tooneel is allerontzaggelijkst, en toch zag ik het met een zekere aandoening van genoegen, zoo wel als van verbaasdheid. Jammer is het, dat men zich niet op een’ grooteren afstand kan plaatsen, om van daar op eenmaal deze afgrijsselijke puinhoopen der natuur te overzien. Te regt wordt deze plaatsle Cahos22genaamd, want waarlijk hier schijnt het als of de Eeuwige Almagt pas begonnen was met de eerste hand, als ’t ware, aan het werk der Schepping te leggen, en de ruwe stof pas uit het niet was voortgebragt. De weg in dezenCahosscheen mij wel een kwartier lang te zijn.Aan den overkant van deGavestort een heerlijke waterval, dien menla Cascade Saussa23noemt. Van eene zeer aanzienelijke hoogte vallende, vormthij een’ schoonen straal, die langs drie of vier trappen in de diepte stort.Uit denCahoskomende, gaat men digt voorbij de plaats, waar zeventig à tachtig jaren geleden eene smelterij plagt te zijn van een lood- en zilvermijn, die niet ver van daar bestaat, doch thans geheel in het verval is.Waterval van Gavarnie.Waterval van Gavarnie.Altijd opklimmende, ziet men al meêr en meêr de sneeuw, die hier en daar op de in het verschiet gelegen bergen ligt. Vervolgens aan de regterhand doet zich het dalle Val d’Ossone24genaamd op; hier ziet men weder verscheidene stroomtjes en watervallen boven elkanderen, en door het frissche loof afruisschen. Altijd opklimmende, verheft men zich op eene aanmerkelijke hoogte boven deGave. Wat gemeenzamer met de smalle wegen en afgronden langs dezelve geworden zijnde, waagde ik het al eens, om ’erin te zien. Hier bevond ik mij op de rand van een steile diepte, die op omtrent 150 voeten geschat wordt; deGavestort zich in dezelve van een hoogere bedding met een ontzaggelijk geweld neder.—De landstreek wordt vooral ook door het boschachtige, dat ’er zich in opdoet, weder zeer schilderachtig. Van verre ziet men reeds den vooral in deze streek zoo befaamden waterval vanGavarnie, van de met sneeuw bedekte bergen afstorten25.Men meent ’er reeds digt bij te zijn, en, ondertusschen is men ’er nog wel een groot uur van daan. Aan onze linkerzijde tegen de helling van eenen groenen berg, vertoonde zich een herder met eenige schapen en geiten. De diepte aan de regterhand door de takken der boomen en struiken bedekt zijnde, schijnt minder vervaarlijk. Eenige steenberken26onder anderen, welker takken, even als die der treurwilligen, met lange slingers bevallig over de diepte heen schommelden, maakte hier een fraaije uitwerking. Men gaat deGaveweder over, over een’ houten brug, diele pont Baryguigenaamt wordt. Niet, ver van deze brug, dieover een aanmerkelijke diepte van de eene rots op de andere ligt, is de herberg vanGavarnie; hier stapten wij af, en gingen, na ons een weinig ververscht te hebben, te voet naar den waterval, want men kan niet wel verder dan nog een eind wegs te paard komen, en daar staan geen huizen. Het dorpje zelve is een weinig verder dan de herberg; wij zagen ’er een gedeelte van bestaande in eenige zeer eenvoudige huisjes. Buiten het dorpje zijnde, heeft men tusschen twee hoogtens waar den weg midden doorloopt, een heerlijk gezigt op den waterval en de steile rotsen. Men gaat door een dal, vervolgens over een smal brugje over deGaveliggende. Op een hoogte geklommen zijnde, en ongeduldig, om den waterval van nabij te zien, meent men ’er pas eenige schreden van af te zijn, doch men bedriegt zich; langs een vrij ongemakkelijken weg afklimmende, komt men eindelijk aan den ingang van het laatste dal, en wel dra wordt men verrukt door de majestueuse vertooning, die de natuur hier oplevert. Regt uit is het ruime dal door hemelhooge rotsen, halve cirkels gewijze omgeven; deze rotsen zijn boven aan met eene soort van trappen, en gelijken in der daad niet kwalijk naar de zitbanken waarmede de oude Amphithéaters omgeven waren, waarom deze plaats dan ook vrij algemeenle Cirque de Gavarnie27genaamd wordt. Deze ontzaggelijke muren zijn hier en daar met eeuwige sneeuw of ijs bedekt,en boven dezelven steken nog andere rotsen als torens uit, zij wordenles tours de Marborégenaamd28. Van deze rotsen aan de linkerzijde, stort de voorname waterval ruim een derde van de hoogte29die op 1266 voeten begroot wordt, zonder de rots te raken, op een uitstek, van daar op een ander, en vervolgens tot beneden, van waar zij onder een gewelf of brug van sneeuw doorloopt. Deze brug slechts van sneeuw, en niet van ijs, zoo als sommigen gemeend hebben, te zamengesteld zijnde, is het vooral in dit jaargetij, wanneer dezelve al aanmerkelijk gesmolten is, niet raadzaam om ’er op te gaan. Hier en daar in dit dal, op de plaatsen, waar de zon niet komt, blijft de sneeuw ook genoegzaam altijd liggen. Rondom ziet men nog verscheidene kleine watervallen, die zich alle tot een stroom vereenigen, en de oorsprong zijn van deGavevanPau30. De groote waterval stort uit een meer, dat boven op den berg is. Het suissend en kletterend geluid van denzelven vervrolijkt nog eenigzins deze eenzame woestenij; maar als men niet door en door nat wil worden door het water, dat ’er als een stofregen afvliegt, moet men ’er niet te digt bij komen. Aan den regterkant, over den grooten waterval, boven op de rotsen, is een soort van doorgang, die menla bréche de Rolandnoemt. Als men daar door is, komt men opSpaanschgrondgebied; de smokkelaars maken van deze ongemakkelijken en gevaarlijken weg nog al gebruik. Aan den kant van den grooten waterval, maar veel digter naarGavarnietoe, maakt een bosch van pijn- of denneboomen, tegen deze rotsen, in dit tooneel een fraaije verscheidenheid, en beneemt ’er eenigzins het treurige en ontzaggelijke van. Ieder die zoo als wij in dit jaargetij hier naar toe komen wandelen, en dus warm zijn, mogen zich wel in acht nemen om ’er niet stil te staan, veel minder te gaan zitten; want het is ’er al vrij koel. Terug keerende, stond ik dikwijls stil, om op verschillende afstanden den waterval en omliggende rotsen te zien. Overal is het schoon, doch op een zekeren afstand komt mij het gezigt veel schilderachtiger voor dan digt bij, hoewel het daar weder grootscher en ontzaggelijker is. Ondertusschen schoon deze waterval te regt verdientbewondert te worden, als zijnde de hoogste die inEuropabekend is31, en de reusachtige rotsen, die dezelve omringen, zoo wel als derzelver gedaante, een nog luisterrijker en verbazender aanzien aan dit alles geven, had het echter op mij dien invloed niet, noch verwekte die aandoening als de bron vanVaucluse; misschien omdat het tooneel, daar veel enger en beperkter zijnde, meêr onder ons bereik valt, of omdat ik reeds meêr gewoon was aan diergelijke gezigten. Bij de huizen bleef ik mij omkeerende een poos stil staan, om het gezigt tusschen de twee hoogtens door, waar ik hier boven van gesproken heb, nog eens ter deeg te genieten32. Onze paarden hadden nu goed tijd gehad om te eten en te rusten, want wij waren meêr dan 2 uren uitgebleven33; de sneeuwbrug wordt opruim drie kwartier van de herberg gerekend. Het ziet ’er in deze herberg nog al gnap uit; doch wij vonden ’er niet veel anders dan melk, brood, kaas en zeer lekkere boter. DeFranschewijn was niet te breed, en deSpaansche, hoewel goed in zijne soort, was te walgelijk zoet; trouwens ons oogmerk was ook niet, om hier lang te vertoeven; daar wij voor het vallen van den avond weder teLuzwilden zijn, en dat is nog ruim 4 uren van daar. Het huishouden bestond uit een jonge man en vrouw, een bejaarden vader en een paar dienende huisgenooten. De oude man en zijn zoon spraken nog al redelijkFransch, zoo dat ik mij gemakkelijk met hun kon onderhouden. Die lieden kwamen mij vriendelijk en geschikt voor. Behalve de nering van hunne herberg, meestal door de reizigers die door dezen smallen weg naar de een of andereSpaanscheplaats gingen, of ’er van daan kwamen34, bestond hun voorname bedrijf in de veehoederij en de jagt; en naar ik merkte, scheen vooral de oude man een stoute jager in zijn tijd geweest te zijn, en nog wel op de wolven en beeren af te durven gaan. Ikbespeurde duidelijk, dat het hem leed deed, dat hij de Izard’s niet meêr tot op de steile toppen der hooge rotsen vervolgen kon. Hij verhaalde mij ook, dat men in deze streken lynxen vindt35, die zeer veel kwaad aan de jagt doen; dat ’er in de valleijen en vruchtbare streken patrijzen gevonden werden van een licht grijze kleur, doch weinig hazen. Hij sprak mij ook van een grooten vogel, die hijPaus de Montagnenoemde; naar ik begreep, en ook na datAntoinemij beduidde, moeten het korhoenderen zijn.In den zomer is het hier voor menschen, die aan deze smalle en gevaarlijke wegen gewoon zijn, zeer wel om te houden; maar gedurende die lange winters, wanneer door de sneeuw genoegzaam alle toegang afgesneden is, en de hongerige roofdieren tot bij hunne woningen komen, moet het ’er allerakeligst zijn. Met dat al schenen zij met hun lot wel te vreden, en hadden een vrij juist denkbeeld van vele onaangenaamheden, die aan een uitgebreider maatschappelijke zamenleving verknocht zijn. Deze lieden nu en dan met vreemdelingen omgaande, waren daar door nog al eenigzins, zoo als men het noemt, beschaafd geworden; maar hunne naburen, vooral die, welke verder van den weg afwonen, zijn veel eenvoudiger. Over het algemeen zijn zij zeer bijgeloovig, en houden zich bijzonder met vertellingenvan spokerijen en duivelarijen op; geen wonder, zij hebben geen andere onderwijzers dan hunne Priesters, die zekerlijk niet van de verlichtste en onbevooroordeelste zijn.Gavarniebehoorde voorheen aan de orde derTempeliers, die hier een Klooster hadden, waarvan bij de Pastorij en de Kerk nog eenige overblijfsels te zien zijn, en daar na aan de order vanMaltha. Naar ik vernam, bevat dit dorpje niet meêr dan omtrent 150 inwoners. Ik zag ’er, zoo als in deze geheele streek, wel eenige groote en welgespierde mannen, doch naauwelijks eene enkele vrouw, die ’er maar redelijk wel uitzag. Twijfelende of mijn horlogie wel goed ging, vroeg ik hoe laat het was; ’er was geen klok of ander uurwerk; doch men riep de oude man, om op een soort van houten zonnewijzer, waar hij de bewaarder van was, te zien. Deze zonnewijzer, dien zijmontre solairenoemen, is van palmhout gedraaid, omtrent 4 duim lang, en nog geen duim over kruis dik; het gelijkt veel op een gewigtje van een klok, rondom staan de uren en maanden geteekend. Door een knopje dat ’er boven in zit, draait men een blikken wijzertje, op de streep van die maand, waarin men is, en houdt het dan aan een koordje of iets diergelijks hangende, met dat wijzertje tegen over de zon; en op die wijze wordt het uur aangewezen. Het was omtrent twee uren, toen wij vanGavarnieafreden; bij de brug kwamen wij een paarSpaanscheherders op muilezels gezeten tegen, zij schenen hun zondagspakaan te hebben, dat met een menigte kleine knoopjes versierd was. In het heen rijden had ik op vele plaatsen meest de hoogtens bekeken, doch thans zag ik al stoutmoedig in de verschrikkelijkste dieptens. Alles van een’ anderen kant ziende, want in het heen rijden hadden wij weinig om gezien, hadden de bergen weder eene gansch andere gedaante, en de natuur leverde alzoo weder nieuwe en allerschoonste vertooningen op. Bij het dal vanGedreonder anderen, zagen wij aan het eind van het doorzigt voor ons, tusschen twee in de schaduw staande hellingen van hooge rotsen, als een V bij elkanderen loopende, den top van een anderen veel verder gelegen, en door de zon geheel verlichten top van een andere rots, in de gedaante van een A zoo het scheen regt in het midden staan. Op verscheidene plaatsen daar wij ’s morgens van de paarden af waren gestapt, bleven wij ’er nu op zitten. Somtijds hangt het eene been over de diepte, en met het andere raakt men bijna tegen de steile rots aan den anderen kant van den weg. Op eenige plaatsen gingen wij echter te voet, niet alleen om het smalle padje, maar ook omdat het somwijlen steil afloopende was, op losse steenen en gruis van de rotsen, zoodat de paarden hun voeten dikwijls niet vast kunnen zetten. Nogmaals bewonderde ik de voorzigtigheid, met welke die dieren hier gaan, en bevond, zoo alsAntoineons ook gezegd had, dat men best deed, van hun naar hunne eigen zin maar te laten loopen, houdende den toom echter zoodanig,dat men ingeval zij struikelden, ze eenigzins zou kunnen ophouden. Aan de bron bij de brug gekomen zijnde, verzochtAntoineons weder om stil te houden en de paarden te laten drinken, ik beschouwde ondertusschen nog eens het schoone gezigt dat men hier heeft. Wij hadden aan den kant van deGavehier en daar menschen gezien, die forellen met den hengel vingen. Langs dezen weg ziet men ook enkele woningen; sommige kleine wichten speelden op den rand van een ontzaggelijke diepte; ik ijsde ’er van, doch zij zijn dat gewoon.Omtrent 6½ uur kwamen wij weder teLuz; terwijl het nog dag was, maakte ik daar gebruik van om in die bekoorlijke vlakte te wandelen. Vier of vijf dorpjes liggen allerliefst in dezelve. Sommige weiden waren met groote platte steenen regt over eind gezet, in plaats van met hagen, omringd; men was ’er ook nog bezig met hooijen, want het is hier meest weiland, dat ’er groen en tierig uitzag. Men had mij verhaald, dat ’er in een van deze dorpjes,Visosgeheten, een geslacht van buitengemeen lange menschen plagt te bestaan, waarvan sommigen tot bij de acht voeten haalden, en welke menschen zeer oud werden; dit werd mij hier bevestigd, doch komt het mij daarom nog niet ontwijfelbaar voor; te meêr, daar de bewoners van deze landstreek zoo ligt genegen zijn om vreemde dingen en sprookjes te gelooven36. In de herberg terug komende,kon ik het, hoewel het heden vrij warm geweest was, zeer wel bij het vuur houden; en vermaakte mij met aan den gemeenen haard met den hospes en een paar boeren te praten.Hetmoet van de lieden aan deze kanten zeggen, dat vele onder hen zeer wel gevoelen, dat de vreemdelingen, van alle kanten naarBarègesen andere omliggende plaatsen, waar warme ofmineralebronnen zijn, toe komende, hun nog al wat geld aanbrengen, en ze daarom nog al met oplettenheid en eene soort van onderscheiding behandelen. Van onveiligheid der wegen, niettegenstaande ’er zoo vele woeste en eenzame streken zijn, hoort men dan ook weinig, en, naar ik vernam, indien vreemdelingen over eenigen overlast klaagden, zou het grootste deel der inwoners van het dorp, of de plaats, waar zulks geschied mogt zijn, ’er zich zeer aan gelegen laten liggen.Wij hadden een lekker avondmaal, en door de beweging die wij zonder veel te gebruiken gemaakt hadden, en door de smakelijke spijzen, waarondereen Izard’s bout en uitmuntende forellen, en daar bij wijn, dien wij sedert eenigen tijd zoo goed niet gewoon waren.Den 13 dezer. Daar wij den ganschen dag voorhanden hadden, vertrokken wij eerst om 6 uren ’s morgens. Onderrigt zijnde, dat hier diergelijke houten zak-zonnewijzers, als ik teGavarniegezien had, gemaakt werden, kocht ik ’er een voor slechts eenige stuivers37. Over onze herberg waren wij ook bijzonder te vreden.Den grooten of postweg nemende, kwamen wij, na de vallei doorgereden te zijn, wederom tusschen de rotsen langs deGave, en klommen redelijk hoog, doch de weg is hier breed genoeg. Wij reden, en hadden alles om ons nog in de schaduw, terwijl de hooge toppen der rotsen en bergen reeds door de zon verlicht waren. Aan onze linkerhand gingen wij over eene houten brug over deGave; men vindt hier een soort van bruggen die zeer ligt schijnen, doch inderdaad stevig zijn; zij zijn aardig gemaakt. Deze moest door een’ steenen vervangen worden, en men was reeds bezig, om de steenen te bewerken, die men in de nabij gelegen rotsen overvloedig vindt, en schenen te behooren tot de soort, die men bij ons blaauwe arduinsteen noemt. Vervolgens wederom eene andere brug overgaande, heeft men watverder aan de linkerhand het dorpjeViscos, en aan de regterChiéze; men komt nog over eenige bruggen, de boorden van deGave, en de engte tusschen twee ketens van rotsen verlatende, in een alleraangenaamst dal. De weg is tot hier toe, om te voet of te paard te gaan, zeer goed, maar met rijtuig moet zij niet over hebben; op sommige plaatsen rollen of schuiven de schilfers van eene soort van schaliesteen bij zware regenvlagen, en het smelten van de sneeuw, in een groote hoeveelheid van boven neder, bedekken den weg, en maken dien somtijds onbruikbaar; dit vereischt een gedurig en kostbaar onderhoud. Hier en daar, waar zij wat smal langs de diepte is, zijn ’er schutmuurtjes gemaakt.Antoinenoemde dit dalVeille Longue. Nu kwamen wij tePierrefitte, een gnap dorp en verrukkelijk gelegen; hetzelve wordt op omtrent 3 uren vanLuzgerekend. Men heeft hier veel schaduw, vooral van zwaare noten- en castanje-boomen. Ik zag ’er ook wijngaarden, die ongemeen hoog en zwaar waren, tusschen kersen of andere boomtjes staan, en hunne ranken aan dezelve vasthechtende, zoo als ik reeds gezegd heb. De verscheidenheid der gezigten, die men hier overal heeft, is alleraangenaamst. De AbdijSt. Savinaan de linkerhand op een’ heuvel met boomen beplant gelegen, ziet men boven het digte lommer van dezelve uitsteken, en alzoo dit schilderachtig landschap door een nieuw voorwerp verrijken. Achter ons zagen wij nog die hooge, spitse, en hier en daar met sneeuw bedekterotsen, die wij gisteren nader bij hadden leeren kennen—eenige hout-zaagmolens door het water bewogen, en zeer aangenaam gelegen, deden zich op.—Men gaat over eene fraaije steenen brug, die over deGaveligt.—De weg stijgt weder vrij hoog langs de helling van een rots langs deGave, die men aan de linkerhand heeft. Hier en daar was men drok bezig, om langs dezelve muurtjes te maken, om het gevaar vooral voor de rijtuigen te verhoeden. Welhaast wordt men het stadjeLourdegewaar. Wij kwamen ’er tegen den middag aan. Het was ’er juist marktdag; op eene ruime plaats door boomen beschaduwd stond een groote menigte paarden, muilezels en rundvee. Hier schijnt men de wreedheid niet te hebben, van het kalf, zoodra het geboren is, aan zijne moeder te ontrukken; want ik zag ’er hier verscheiden die zogen; dit belette niet, dat de koeijen tevens gemolken werden38. Verder op in de straten, en op een andere marktplaats, was het vol kooplieden in linnens, vlas, wol, en meêr onderscheidene soorten van waren. ’Er stonden verscheidene kraamtjes, en het was ’er zoo vol, dat men moeite had, om ’er door te komen. De groote menigte roode kappen (capelettes) maakte hier ook weder eene zonderlinge vertooning; geene eene vrouw zag men ’er bijna zonder, en zij waren nu op haar zondags opgeschikt. RondomLourdewordt vlas geteeld; in die plaats zijn velelinnenweverijen, en de bonte neusdoeken, die ’er in menigte gemaakt worden, zijn beroemd, en worden hier omstreeks vooral zeer veel gedragen. De naburigeSpanjaardenkomen hier ook veel ter markt; doch het scheen mij toe, dat zij genoegzaam hetzelfdePatoisspreken, als de bewoners van dit gedeelte derFransche Pyreneën. De vrouwen, die wij hier op de markt en in de straten zagen, hadden genoegzaam alle den spinrok op zijde tusschen hun rokken steken39, en velen dreven al spinnende handel, praatten, liepen heen en weder enz. zij sponnenvlas en wol. Uit het Posthuis, een vrij groote herberg, waar wij onzen intrek genomen hadden, om het middagmaal te nemen, ziet men op de markt; en ik vermaakte mij met de drukte, en het gewoel van de menigte, waaronder het grootste deel half rood was. De handel in dit plaatsje schijnt aanmerkelijk te zijn; want naar ik vernam, heeft zulk een markt alle veertien dagen op Donderdag plaats. Zij verdient wel gezien te worden.Kleeding der bergbewoners.Kleeding der bergbewoners.Op een rots bij ditLourde, ligt een soort van vesting of sterk kasteel, in vroegere tijden door de Graven vanBigorre, vervolgens door andere geslachten bezeten, eindelijk een eigendom van de kroon vanFrankrijkgeworden, en voor een Staatsgevangenis gebruikt, waar toe het nog heden dient: twee personen in het regtsgeding van de beruchte zamenzwering tegen het leven van den eerste ConsulBonapartebegrepen, worden ’er, naar ik vernam, bewaard; het aangenaam gezigt dat zij van daar kunnen hebben, kan dezen kerker nog al veel dragelijker maken dan zoo vele anderen. Dit kasteel met de stad, stond in het laatst van de 14eeeuw, in het bezit van deEngelschenzijnde, eene belegering uit tegen de krijgsmagt vanKarelden V., Koning vanFrankrijk, en hield het vol.Ik zag hier een zeer groote zware koets van een wonderlijk maaksel, die met reizigers uitSpanjekwam, met zes muilezels en met een menigte touwen bespannen was.In onze herberg was het zoo drok, dat wij naauwelijks te eten konden krijgen; het maal was ’er dan ook op verre zoo goed niet als teLuz, en wij betaalden evenwel den gewonen prijs.Zonderling dat ik onder het groot aantal vanvrouwen, die hier van de plaatsen rondom verzameld waren, ’er weder genoegzaam geen eene vond, die ’er maar zeer redelijk wel uitzag. Velen hadden kropgezwellen.Om drie uren verlieten wij, en met ons een aantal menschen en vee, dit neringrijke en naar allen schijn zeer welvarend plaatsje; wij waren nu nog omtrent 3 goede uren vanBagnères, langs den weg, dien wij te nemen hadden.Luzen deze laatstgenoemde plaats rekent men overPierrefitteop ruim acht uren. De weg levert minder verscheidenheid van gezigten op dan aan den anderen kant; doch is echter aangenaam en hier en daar lommerrijk. TeLourdeverlaat men de boorden van deGave, die daar langs de stad stroomt, om den weg naar den kant vanTarbesinteslaan, tusschen welke stad enBagnères, een goed eind beneden deze laatste plaats, men dan ook uitkomt; zoo veel moet men uithoofde van de bergen omrijden. Het was zes uren, toen wij wel voldaan over dit reisje, teBagnèreste rug gekeerd waren.Den 14 September. Na den gansche voormiddag doorgebragt te hebben met dit dagverhaal voor u inorde te brengen, kwamen zij mij roepen, om een levendige Izard, in onze buurt op een binnenplaats loopende, te gaan zien. Het beestje was pas drie maanden oud. Men had het zeer jong gevangen en hier opgevoed. Het geleek naar een jong bokje, zijn hoorntjes begonnen even voor den dag te komen. Het was rosachtig van kleur, en had de achterbeenen langer dan de voorste, kunnende daardoor zeer goed springen. Ook was het in een paar sprongen een trap van verscheidene treden, op deze plaats staande, op. Hoewel met de lieden van het huis nog al gemeenzaam, was het voor ons zeer schuw, trachtte zich gedurig te verschuilen, en maakte een steenend geluid, als wij het wilden opvatten.—Hoe gaarne had ik dit diertje in de nabijgelegen bergen zijne vrijheid gegeven40.Aan tafel wierden weder een menigte voorvallen, die bij het spel plaats gehad hadden, verhaald; onder anderen, dat den vorigen avond een speler door wanhoop verwoed, zich vreesselijk had aangesteld, en een stoel tot splinters had van een geslagen. De wacht was ’er aan te pas gekomen. Vele van onze dischgenooten lagchten en staken hier den spot mede. Toen ik van tafel kwam, lokte mij een trompetter bij een hoop volks, die op de plaats digt bij het speelhuis stond. Een fraai paard met zadel en toom werd ’er aan den meestbiedenden verkocht,het had aan een’ ongelukkigen speler behoort. Dergelijke verkoopingen vallen hier schier dagelijks voor. Zwendelaars en leenders op pand, ontbreken hier ook niet; en helaas! indien de wateren vanBagnères, en andere plaatsjes in deze landstreek, eenig voordeel aan derzelver bewoners opleveren, zij maken ook, dat ’er zeer veel zedenbederf onder die eenvoudige en anders zoo nabij den natuurstaat levende menschen wordt gebragt.Zoo gij iemand kent, die deze bergen mogt komen bezoeken, kunt gij hem onzen geleiderAntoine Idrac, alhier woonachtig, als een goed en geschikt man, aanbevelen. Die wat goed lach’s zijn, zal hij daartoe nog al eens stof verschaffen, door een aanwendsel dat hij heeft van schier overal de woordenc’est fort inutile41bij te voegen, hoe ten onpasse het ’er ook dikwijls bijkomt.1Wateren des heils.Wanneer dit water slechts eenige van al die genezingen, die men ’er aan toeschrijft, veroorzaakt heeft, verdient het met alle regt dien naam. Het wordt zoo wel in- als uitwendig gebruikt.2Douchesnoemt men een straal water of druip, die men op het een of ander gebrekkig deel laat loopen of druipen. Men heeft teBagnèresook modder- of slijkbaden.3Sommige lieden drinken van dat water 50 en meêr glazen, van 4 of 5 in een fles, daags. Ik heb toch moeite om te gelooven, dat zoo een ongemeene groote hoeveelheid vocht goed kan zijn.4Doorbeau mondeverstaan deFranschenlieden, die naar demodegekleed zijn, naar demodeweten te spreken, en zich naar demodebewegen. In den eigenlijken zin geloof ik niet, dat men een andere beteekenis aan dit woordkan hechten, ten zij men ’er nog wat onderscheid van stand of beroep bij wilde voegen; doch dit laatste komt in eene openbaare t’zamenkomst als deze in geen aanmerking.5Escalettebeteekent laddertje, om dat de slingerende weg met eene soort van trappen gemaakt is.6Tramesaiguesbeteekent in de landtaal, te zamenloop van wateren.7Men vindt ’er een afbeelding van in het Natuurkundig werk van den HeerRamond, genaamdVoyages au Mont perdu et dans la partie adjacante des hautes Pyrenées, Paris Belin1801.8De afbeelding daar van, vindt men in het reeds genoemde werk vanRamond.9Ik had het ’er op aangelegd, om mij omtrent dit uur hier te bevinden, om dat men, volgens den HeerRamond, dePictusschen elven en tweeën, als dan volkomen door de zon verlicht zijnde, het beste ziet.10Aldus genaamd, om dat het uit het meerd’Oncet, op dePic du Midi, omtrent 300toiseslager dan de top gelegen, voortvloeit.11Francois Pasumot, in zijn werk genaamdVoyages Physiques dans les Pyrenées in 1788 en 1789 etc. Paris 1797, stelt de hoogte van den weg over deTourmaletiets lager dan het meerd’Oncetop dePic du Midi, welk meer men in dat werk in een plaat, de hoogte der bergen aanduidende, op omtrent 1200toisesgeteekend vindt.12Bastanbeteekend in de landtaal verwoester.13Het gezigt uit hetzelve naar den kant vanLuz, tegen hooge bergen is nog al teekenachtig.14Wanneer men omtrent den aard, de eigenschappen enz. van deze wateren meêr wil weten, kan men behalve de werken vanRamondenPasumot, waarvan hier voor reeds gesproken is, daar onder anderen nog op nazien een werk genaamd:Memoire sur les eaux minérales et établissemens thermeaux des Pyrenées etc. publié par ordre du Comité de Salut Public. Paris An 3.15Deze bergbewoners dragen bij koud en regenachtig weder, korte mantels van een bruinachtig soort van grof laken of pij, met een kap van dezelfde stof; de roodecapelettender vrouwen heb ik reeds beschreven. Van mijne geringe teekenkunde gebruik makende, heb ik een man en een vrouw in dat nog al zonderling gewaad voor u afgeschetst.16Men vindt in die rotsen ook veelAmiante, de inwoners noemen hetlinet, oflin incombustible(onverbrandbaar vlas) de langste vlokken uitzoekende, maken zij die nat, en weten ze dan tot bandjes enz. te vlechten, ook zeide men mij, dat zij ’er gebruik van maken, om in de lampen te branden. Men bood ’er mij van te koop aan teBarèges.17Alle snelle stroomen (torrens) worden hiergavegenaamd, en men voegt ’er doorgaans, om dezelve teonderscheiden, den naam van het dal daar zij doorloopen, of iets diergelijks bij, zoo alsle gave de Pau,le gave de Héas,le gave de Bastanetc.18Neouviellebeteekent in de landtaal oude sneeuw, omdat de toppen dier bergen, tot de hoogste derPyreneënbehoorende (zijnde nog hooger dan dePic du Midi) daar altijd mede bedekt zijn.19Gij weet dat dezelfde kwaal om en bijde Alpenheerscht, en aan dezelfde oorzaak, namelijk aan het bergwater, dat met kalk en aarddeelen bezwangerd is, wordt toegeschreven; niet alleen hetphysiekmaar ook hetmoreelgestel van den mensch schijnt daar door te lijden; want ik vernam, dat, overeenkomstig het geen men daar van bijRamonden anderen vindt aangeteekend, de lieden met kropgezwellen gekweld, doorgaans dom en log zijn. Gemelde schrijver spreekt ook van eenige huisgezinnen, welke men hier en daar in deze gebergtens vindt, die uit hoofde van een zeer oud vooroordeel, door de overige ingezetenen beschouwd worden, als tot een eerloos geslacht behoorende, en alzoo door hun worden geschuwd, en met verachting behandeld, hij noemt zeCagots. De kropgezwellen zijn onder hen vrij algemeen; doch naar ik met genoegen vernam, vermindert dit vooroordeel hoe langs hoe meêr, en men vindt zelfs weinige slagtoffers van deze dwaaze onregtvaardigheid meêr.20Het is een der hoogste toppen van dePyreneën.21VolgensRamondzijn ’er onder die wel 100 000 cubiek voeten groot zijn; ik heb dezelve niet nagemeten, doch dit weet ik, dat verscheidene van die stukken die hier, zoo als bij ons de keijen daar men de straten mede maakt, op elkanderen liggen, wanneer zij afzonderlijk in een dal geplaatst waren, al gnappe heuvels zouden schijnen.22In de landtaal wordt dezelvePeyradageheten.23Aldus genaamd naar den berg, daar hij afstroomt.24Of volgensRamondVallée d’Ossonë. Men vindt in zijnVoyages du Mont-perduvan die vallei melding gemaakt.25Du Perreuxlandschapschilder teParijs, omtrent te gelijker tijd met mij dePyreneënbezocht hebbende, heeft een fraaije schilderij van dat gezigt gemaakt, welke ook bij de laatsteexpositieteParijsten toon is gesteld geworden; van deze schilderij bekomt gij een teekening door denzelfden meester, die zeer gelijkende is. Gemeldedu Perreuxis reeds driemalen in dePyreneëngeweest, en bezit eene aanzienlijke verzameling van schilderstukken en gezichten door hem aldaar naar de natuur gemaald, zijn adres isrue du Montblanc, No 73. à Paris.26Deze fraaije boom ziet men vrij algemeen in deMeijerijvan’s Bosch, en ik heb mij altijd verwonderd, dat men ’er in de schoone beplantingen, die men inHollandzoo menigvuldig aantreft, geen meêr gebruik van maakt. In de zandgronden omHaarlem, ben ik verzekerd dat hij zeer goed zou groeijen.27Het worstelperk vanGavarnie.28De torens van Maboré, zij bebooren tot de allerhoogste bergen van dePyreneën. De top vanGavarniezigtbaar, is ruim 9800 voeten hoog, en de top van deMont-perdudie de hoogste van alle is, ruim 10 500 boven de oppervlakte der zee. (ZieRamondenPasumot.)29Twee vijfde volgensRamond. Het was een schoone straal, doch 1½ maand vroeger, wanneer de smelting der sneeuw het sterkste is, is zij veel zwaarder. De buitengewone sterke regen, dien men ook hier gehad had, maakte de toevloed van water echter thans nog aanmerkelijk.30Pasumotnoemt ze ookle Gave Bearnois, of van het land vanBearn.31Die van deNiagarainNoord-Amerikais 1800 voeten, die vanLauterbronnenis wel 300 voeten lager.32De sneeuwtoppen schijnen door een roodachtig licht, als het schijnsel van een gloed omgeven.—Lieden in deze streken gewoon, kennen de afstandeninde bergen aan de onderscheidene kleuren, doch vreemden bedriegen zich daar omtrent geweldig, want door de ontzaggelijke grootte gelijken zij altijd digter bij te wezen, dan zij in der daad zijn.33Ik ben verzekerd, dat zelfs de hardvochtigste en ongevoeligste menschen hier wel zorg voor hunne paarden dragen.Antoinevertelde mij, dat hij eenige jaren geleden, met een Engelschman hier naar toe gereden was, diein de vlaktens zijn paard sloeg en mishandelde, maar hier streelde, de vliegen van hetzelve verjaagde, en ’er alle zorg voor droeg.34Behalve deBreche de Roland, is ’er een andere en bruikbaarder bergweg, die menle port de Gavarnienoemt.Portbeteekent in ’t algemeen een doortogt, kloofofopening tusschen de bergen.35Ramondspreekt ’er ook van, doch zegt dat derzelver getal sedert 40 jaren, omdat ’er vele bosschen gekapt zijn, aanmerkelijk is verminderd.36TeParijsterug komende, vind ik bijPasumotechter van dit reuzengeslacht vrij omstandig melding gemaakt; de naam wordt daar zelfs bij opgegeven; en de laatste van dit geslacht moet nog maar 25 à 30 geleden, in den ouderdom van 108 à 110 jaren gestorven, en de doopceel enz. nog teLuzvoorhanden zijn. ’Er schijnen ook bewijzen te zijn, dat ’er in de begraafplaatsen van die reuzen, beenderen gevonden zijn van eene ongemeene grootte, onder anderen een sleutelbeen van 10 duimen, en eentibiavan bij de twee voeten.37Ik weet niet van ooit diergelijke zonnewijzers bij ons gezien te hebben; ondertusschen zouden zij ook van veel dienst voor onze landlieden kunnen wezen.38InFrankrijkis deze behandeling niet ongewoon.39Dit schijnt als een teeken van vlijt tot haar marktopschik te behooren, want ik zag ’er eenige, die ’er weinig gebruik van maakten.De schets, die ik van de kleeding der bergbewoners gemaakt had, niet voldoende zijnde, om ’er een plaatje naar te graveren, heeft een Landgenoot en kunstschilder alhier (teParijs) daar een aardige teekening naar gemaakt, waarop het vrouwtje spinnende verbeeld wordt. Gij kunt dezelve nu des goedvindende in het werk plaatsen. Deze schilderKnipgenaamd, en van’s Boschgeboortig, schildert zeer zoet landschappen in waterverf, welke wijze van schilderen deFranschenen gouachenoemen. Die jongman is bijzonder achtingwaardig om zijne ouderliefde: daar hij, hoewel zeer ijverig moetende werken om den kost te verdienen, gedurig een groot gedeelte van het geen hij wint, aan zijn bijna blinden vader in’s Boschtoezendt. Zijn zuster heeft hier ook eenigen tijd van den Heervan Spaandonckonderwijs in het bloemschilderen gehad, en is weder naar het Vaderland terug gekeerd, op hoop van daarmet bloemen en vruchten schilderen, waarin zij al vrij gnap is, den kost te zullen kunnen verdienen.40De Izard van dePyreneënen de Chamois van deAlpen, schijnen tot hetzelfde geslacht te behooren.41Dat is zeer onnoodig. Zoo scheen hij somtijds zeer onnoodig te vinden, dat wij aten, dronken of iets anders deden, dat in zich zelve zeer noodzakelijk was.

Negentiende Brief.Bagnères, 14 September.Wat heeft men hier een verscheidenheid van aangename wandelingen. Den 10 dezer ging ik door eene laan met Italiaansche populieren beplant, en tusschen de bergen doorloopende, tot aan het badhuis, dat menles Eaux de Salutnoemt, en dat naar gissing een kwartier van dit stadje afligt. Het gezigt van de ziekelijke en gebrekkige, die men op dezen weg ontmoet, en die veel in draagzetels gedragen worden, beneemt eenigzins het genoegelijke van deze anderzins zoo aangename wandeling. Behalve de baden, waar ik u reeds van gesproken heb, zijn ’er hier nog 12 of 14 anderen, waar van de graden van warmte verschillende zijn. Ik zal mij niet ophouden met u derzelver namen en bijzondere eigenschappen op te noemen, maar alleen zeggen, dat ’er een boekje van verscheidene bladzijden bestaat, waarin de namen, ouderdom, beroep, woonplaatsen, enz. te vinden zijn van eene menigte personen, die door de onderscheidene baden, of het inwendig gebruik der wateren vanBagnères, van onderscheidene kwalen, die daar bij worden opgegeven, zoo men zegt, genezen zijn. Anderen zeggen weder, dat de wateren vanBagnèresgenoegzaam geene genezendekracht hebben, en zoo dezelven al in sommige gevallen van nut kunnen zijn, zulks bijna alleen is toeteschrijven aan de warmte; welke graden van warmte eveneens aan het water kan gegeven worden op de gewone wijze. Teedere kleuren, zoo als lakmoes-blaauw, roze-rood enz. veranderen in dit water niet; het is ook zoo klaar als gewoon putwater, ten minste dat, hetwelk ik van verscheidene bronnen gezien heb; doch het plaatsje bestaat genoegzaam alleen van deze bronnen, het is dus geen wonder, dat men hier alles in het werk stelt, om ’er het gunstigst mogelijk denkbeeld van te geven, en alzoo aanhoudend volk te trekken, hoewel het spel misschien wel zoo vele klanten trekt als de bronnen. Terug komende vanles Eaux de Salut1, sloeg ik ter linker zijde een smal paadje in, dat onder langs den berg loopt, tot aan een kleine eenvoudige, doch met smaak versierde fontein, waar men zich op zodenbanken kan nederzetten; langs dit wegje, dat aangenaam beplant is, ruischt een helder beekje, en aan den overkant van hetzelve is eene frissche groene weide. Hier en daar zijn banken in de rots uitgekapt. Men kan zich in dien smaak niets aangenamers verbeelden.Het voornaamste badhuis, dat men hier vindt,wat het gebouw aanbelangt, is dat, wat menFrascatinoemt. Uit nieuwsgierigheid gingen wij ons daar ook baden. Het is een vrij groot en gnap gebouw. In een’ ruimen gang zijn de ingangen van de kamertjes voor de baden; in sommige zijn ’er twee, doch in de meeste maar een. Deze baden, zijn bakken van wit marmer, zoo lang, breed en diep, dat het kloekste mensch ’er in en onder water liggen kan; uit twee kranen laat men ’er koud en warm water naar goedvinden inloopen, en in den bodem is een gat, waar men het, door ’er een stop uit te trekken, weder uitlaat. Ik maakte het water maar even laauw, zijnde alleen om mij te wasschen, anders blijft men ’er doorgaans een half uur in; sommige nemen zelfs een boek, om in het bad liggende, te lezen. Men heeft hier ook Dampbaden endouches2. Achter dit gebouw is een tuintje, waar langs een beek stroomt. Boven zijn eenige zalen om te dansen en te spelen. Het gebruik van zo een bad kost hier niet meêr dan 15sols, doch men moet de handdoeken enz. medebrengen. Het huis, waar wij wonen, staat hier digt bij; men raadde mij dan ook zeer aan, vernemende dat ik somwijlen aan jichtpijnen onderhevig was, om aanhoudend de warme baden alhier te gebruiken, en braaf waterte drinken3; doch ook vooral ten opzigte van de geneeskunde niet zeer ligtgeloovig zijnde, had ik hier in ’t geheel geen zin in, en vooral niet omdat ik thans zoo gezond ben, als ik zou kunnen verlangen.Hier is ook een overdekte marktplaats (halle), waar men onderscheidene soorten van kramen vindt, als op een kleine kermis. Men verkoopt daar een mooi en goed soort van gebreide vrouwen halsdoeken, mans hemdrokken of kamizolen, tafelkleedjes, en zelfs beddespreijen van fijne Spaansche wol, gekleurd of wit, ik zag die nergens zoo als hier, en kocht daarom een kamizool met mouwen ’er aan, daar ik £ 13–:–: voor gaf. Deze soort van goed wordt hier niet alleen verkocht, maar ook gemaakt, en zoo om de deugdzame hoedanigheid, als om den smaak, waarmede het gewerkt is, veel gezocht.’s Avonds was ’er bal en concert inFrascati, de zaal is fraai en ruim, aan het eind van dezelve is een klein tooneel, dat tevens voor het orchest als ’er concert is, dient; ’er was veelbeau monde4,en pracht en opschik genoeg, doch naar evenredigheid weinig mooije vrouwen.—Welk een onderscheid tusschen de hut van een’ bergbewoner en deze zaal! en zij liggen omtrent maar een kwartier van elkanderen. Men ziet hier ook nog andere ruime vertrekken, alwaar men speelt of ververschingen gebruikt: dobbelspel zag ik ’er echter niet, hoewel het ’er anders, naar ik vernam, ook wel gespeeld wordt. Ieder hield zich nu meest met dansen, of het vertellen van zoetigheden aan de vrouwen bezig. In een van de vertrekken hingen eenige teekeningen van gezigten in deeze landstreek.Daar ons voornemen was, om den volgenden morgen vroegtijdig een reisje in de gebergtens te maken, hielden wij ons hier niet lang op.Den 11 dezer, ’s morgens om 6 uren, vertrokken wij op kleine paardjes, die aan het berg klimmen gewoon zijn, en van een geleider (guide) verzeld.Schooner vallei dan die vanCampan(la vallée de Campan) kan men zich naauwelijks verbeelden. Even buitenBagnèreskomt men daar in, en indien ’er eenArgusbestondt, zou men hem hier zijne oogen benijden. Men weet niet, waar men beginnen zal met beschouwen, met de frissche beemden, welker boorden door deAdourbespoeld worden, en waarinmen dan eenige maaijers of hooijers, en dan weder eenig vee ziet, met de eenvoudige maar bevallige tuinen en kleine boschjes, met de nette en wel gelegen woningen bij dezelven, met de steile rotsen aan den eenen, of de groene heuvelen met weidende kudde aan den anderen kant. Alles is hier zoo belangrijk, dat men aanhoudend bevreesd is van ’er iets van te zullen missen. De ProosdijSt. Paulus, (St. Paul) tusschenBaudeauenCampan, op eene kleine hoogte ter regter zijde gelegen, maakt ook eene schilderachtige vertooning. Even aan den anderen kant van dat dorp, waar naar deze vallei genoemd is, vroeg onze leidsman, of wij de spelonk (la grotte de Campan), die een eindje van den weg, in den voet van de bergen, aan de linkerhand is, wilden gaan zien; doch ik was onderrigt, dat ’er in deze spelonk niet veel bijzonders was, en destalactitesvankalkaardigalbast, die ’er gevonden werd, ’er van tijd tot tijd, door Natuurkundigen, bloote nieuwsgierigen, en zelfs door de boeren hier omstreeks, die ze verkoopen, meestal waren uitgenomen. Wij verkozen dan niet om ons hierom optehouden, maar vervolgden onzen weg. Naauwelijks waren wij eenige schreden gevorderd, of twee à drie kinderen kwamen ons naloopen, en kristallen, zoo als zij het noemen, uit de grot te koop aanbieden. De landstreek blijft aanhoudend schoon, en van alle kanten levert de natuur de liefelijkste Tooneelen op. De bergen zijn hier en daar met bosch geheel bedekt, tusschen beide maken de hutten der herders op dezelveneene aardige vertooning. In 1772 opende zich in de bedding van deAdourhier omstreeks een kolk, die, gedurende vieren twintig uren, den droom geheel verzwolg, zoo dat de rivier tot aan dit gat droog was, vervolgens raakte deze kolk vol, en het water stroomde als voorheen. Men heeft opgemerkt, dat het water in dit hol onder den grond doorloopende, niet ver vanBagnèresweder uitkwam.Van het dorpSt. Marievalt niets te zeggen, dan dat het eene aangename verzameling is van boerenwoningen, niet als een bekrompen straat tegen elkanderen gebouwd; maar luchtig uit een gelegen, en ieder huis genoegzaam van weilanden en tuinen omringd. Deze schakel van woningen strekt zich op die wijze uit tot voorbijGrippe, een ander dorp een uurtje verder gelegen. Hier vindt men een vrij goede herberg; wij zetten ’er onze paarden wat op stal, en lieten ons wat melk, brood, versche boter, die hier zeer goed is, en kaas geven. Van een bovenkamer, die men ons had aangewezen, hadden wij gelegenheid om ons met het schoone gezigt over de vallei, nog eens ter deeg te verlustigen. Het was hier zindelijk en net. De welvaart zonder pracht straalt in deze streek overal door. Bij dit huis was een tuin met verscheidene goede vruchtboomen, en zelfs een kleine vijver, waar door het water aanhoudend stroomde, en waarin wij verscheidene forellen zagen. Een uurtje van hier zijn marmergroeven. Nu wordt het dal allengskensenger, wij zagen de hooge bergen, die wij overtrekken moesten, voor ons, en hier begonnen wij reeds te klimmen. De Natuur vergast daar het vorschend oog weder op een heerlijk gezigt; doch van een anderen aard dan in de vallei. Links en regts zijn de bergen met pijnboomen bedekt, en deAdourmaakt hier eenen schoonen waterval, van twee of drie verdiepingen. Het water, tusschen de digt aan een gesloten rotsen doorbruischende, veroorzaakt een verbazend geruisch. De kegelvormige bergl’Escalette5vertoonde zich voor ons. Altijd klimmende, bereikten wij eene aanmerkelijke hoogte, onze paarden nu en dan leidende, om dezelve niet te veel te vermoeijen. Ondertusschen hadden wij voor en ter zijde nog hooge bergen; zoo dat men dezelve aanziende, zich zou kunnen verbeelden van beneden te zijn. Tegen de steile hellingen van sommige dier bergen, ver boven ons hoofd, zagen wij verscheidene geiten en schapen; wat verder graasden ook eenige koeijen, alle van klokjes voorzien, op dat de herder, wanneer zij afdwalen, dezelve wederom zou kunnen vinden: ook zegt men, dat dit geluid de wolven, die hier in ’t geheel niet zeldzaam zijn, afschrikt. Aanhoudend langs een gansch niet gemaklijken weg stijgende, bereikten wij den grooten en prachtigen watervalvanTramésaigues(Cascade de Tramésaigues) waar van de stroom, tusschen een bosch van pijn- of denneboomen doorkomende, zich met geweld van de rots in een aanmerkelijke diepte, langs eenige trappen, nederstort. Hier stapten wij van onze paarden, en klommen langs de steile helling van den berg naast den waterval, zoo ver wij komen konden, af.—Die zoo iets gezien heeft, geloof ik niet, dat ligt in verzoeking zal geraken, om in boschjes of lusthoven, watervallen door gemetselde beken stroomende, en van gemaakte rotsen afloopende, te maken. Ik weet, dat ’er inZwitserland,Italië, en zelfs niet ver van hier watervallen zijn, die van veel hooger bergen of rotsen op eenmaal afstorten. Ongetwijfeld leveren zij een ontzaggelijker en grootscher vertooning op; doch zij missen dan ook het streelende en bevallige van deze. Een groot gedeelte van den nederstortenden stroom wordt hier door de dennen, die ’er langs de helling van de rots naast staan, beschaduwd, en het schuimende water maakt tegen dat donkere groen eene heerlijke vertooning. Als men ’er digt bij staat, heeft men moeite, door het sterke gedruisch, om elkanderen te verstaan; doch men wordt ’er, wanneer het warm is, zoo als heden het geval was, ook alleraangenaamst verkwikt door de frissche lucht. Na hier een poosje te hebben gerust, zagen wij een eindje hooger opklimmende, en den waterval aan de linkerhand latende, de herders- en veehoeders-hutten vanTramésaigues6.—Wiezou hier woningen voor menschen zoeken; doch men kan het ook naauwelijks woningen noemen. Een klein vierkant perk van op een gezette brokken steen gemaakt, en met platte steenen en graszoden gedekt, dient om het vee tegen het ongunstige weder, en tegen de aanvallen der beeren en wolven te beschutten; in een hoek van dit perk is een afgezonderd hokje voor den herder; alles is niet hooger en ruimer dan volstrekt noodzakelijk is. Eenige diergelijke hutten maken hier een klein gehuchtje uit. De stroom die van dePic du Midiafloopt, slingert tusschen deze hutten door, en maakt vervolgens den schoonen waterval.—Hier wonen menschen, en in het kasteel derTuillerienteParijswoonen ook menschen.... De herders waren thans met het grootste deel van hun vee in de bergen, en wij zagen ’er niet anders dan een paar koeitjes, die tegen de wanden van hun’ eenvoudigen stal lagen te herkaauwen. De grond, daar aanhoudend besproeid zijnde, is hier en daar met een aangenaam groen tapijt bekleed. Men ziet hier ook een’ hoekigen blok granit, door de natuur aardig gevormd, boven den grond uitsteken7. Achter ons omziende, zagenwij langs de aanmerkelijke hoogte, die wij opgeklommen waren, in de laagte, die zich als een ruim dal vertoonde, een vrouw te paard gezeten; en met een roode kap op, volgde zij ons van verre, en scheen niet te schromen om dezen togt alleen te ondernemen. Wij meenden al wel geklommen te hebben, en waren echter nog op verre na niet op het hoogste punt, dat wij over te stijgen hadden. Door een scheiding van de bergen aan onze regterhand, of in het noord-oosten, ziet men, bij de hutten vanTramésaigueszijnde, die ontzaggelijkePic du Midi, die een der hoogste bergen van dePyreneënis, zich met aardige vlakken, door de valling van het licht veroorzaakt, vertoonende8. Zij heeft eene niet zeer langwerpige, kegelvormige gedaante, van hier te zien, en scheen niet ver van ons af te zijn; ondertusschen verzekerde onze leidsman, dat wij ’er (gesteld men kon ’er in een regte lijn naar toekomen) nog ruim een uur gaans af waren. De gewone weg, voor hun die dezen berg, welks top boven de oppervlakte der zee, op ruim 9000 voeten, of 1500toisesbegroot wordt, willen bestijgen, is door de vallei, waar men hier door ziet. Het was nu omtrent half twaalf voor den middag9. Deze hutten verlatende, gingen wij den top van deEscalette, en vervolgens deTourmaletbestijgen; onze goede dieren hadden daar nog wat aan te doen, en het was, hoewel hier veel luchtiger dan in de valleijen, echter te warm, om te voet te gaan, voor lieden, die zulk klimmen niet gewoon zijn. Hier begint het ’er woester uittezien; geen denneboomen, weinig gras en kruiden meêr. Overal liggen stukken en brokken steen, die van de naburige hoogtens schijnen afgerold. Welk eene hoogte! en evenwel ziet men dePic du Midinog altijd als een hoogen berg aan zijne zijde. Toen wij bijna de hoogte van deTourmalet, die wij over moesten, bereikt hadden, zagen wij het water, dat onze geleiderl’Eau d’Oncet10noemde, langs dePic du Midiafloopen; dit water maakt in het dal, naar den kant vanBarèges, zich met meêr andere stroomen vereenigende, een klein riviertje, datle Bastangenaamd wordt; welks loop geheel het tegengestelde is van deAdour, dat is te zeggen van het noord-oosten naar het zuid-westen. De helling van deTourmalet, die wij af moesten klimmen, is vrij steil; doch het smalle wegje loopt met slingers onder elkanderen. Hier stapten wij van onze paarden af, en leidden dezelve bij den toom achter elkanderen volgende. Alles is hier woest en ontzaggelijk; voor zich ziet men in de vallei vanBastan,als in eene vreesselijke diepte. Het water op stukken en brokken rots van boven neder stroomende, ruischt aanhoudend. Boven de verheven toppen der bergen zagen wij de arenden zweven. Hadden wij den weg in het opklimmen niet gemakkelijk gevonden, hier was ’er in het afstijgen ook niet op te roemen; ondertusschen viel het mij, naar het geen men ’er mij van verteld had, aanmerkelijk mede. Eindelijk kwamen wij in een dal, en vervolgens aan eenige schrale weiden, veel verschillende van die in het dal vanCampan. Beneden zijnde, zagen wij achter ons om, om de steile hoogte, die wij afgeklommen waren, te beschouwen; zij is verbazende. Men begroot die hoogte, boven de oppervlakte der zee, op omtrent 7000 voeten11. De bergen, of liever steile rotsen, welke dit dal omgeven, zijn niet met boomen en weiden bedekt, zoo als die van het dal vanCampan. Men ziet ’er genoegzaam geen struikje, zoo min in het dal als op de hoogtens, alles ziet ’er naar en treurig uit. DeBastanstroomt niet zoo als deAdourlangs groene weiden, maar rolt hier met een woest gedruisch geweldig over de brokken steen, die zij zelve medevoert, of die van de omliggendesteiltens in dit dal afrollen. Hier en daar ziet men een magere weide, die eerder rosachtig dan groen ziet, en waarop eenige kwijnende koeijen het laatste grasscheutje nog loopen zoeken. Het onderscheid tusschen het dal vanCampanen dat vanBastan, slechts door de bergen, die wij overgekomen waren, van elkanderen gescheiden, is waarlijk ontzettend. Daar heeft de natuur genoegzaam geene menschelijke hulp noodig, en hier zijn alle menschelijke krachten vereenigd, niet toereikende, om ’er maar een redelijk vruchtbaar land van te maken. De stroom zelve, door het smelten der sneeuw of stortregens zeer sterk zijnde, verwoest dikwijls de gronden, die zij moest voeden, en voert de weinige vruchtbare aarde, die hier en daar deze steenachtige bodem nog bekleedt, mede, of bedekt dezelve met steenen. Woningen en bewoners hebben een ellendig voorkomen, en alles doet zien, dat dit dal weinig geschikt is om door menschen bewoond te worden. Na een eind wegs in hetzelve te hebben afgelegd, moesten wij weder klimmen, en reden over het steenen dak van eene woning, die half in den grond gemaakt was, heen. Eindelijk na weder vrij wat gestegen te zijn, zagen wij in eene enge diepte tusschen de rotsen ter zijde van deBastan12, de huizen vanBarèges, en kwamen ’er langs een smal wegje, tegen eene steille helling bijna boven de huizen in, het was als of wij ’er door de schoorsteenenin moesten komen. Het was omtrent 3 uren na den middag, toen wij aankwamen, en wij hadden ons onder weg wel 1½ uur opgehouden, en anders altijd gegaan of stapvoets gereden, zoo dat ik reken, dat men bijna 7 uren nodig heeft, om die reis te doen, wanneer men zich niet ophoudt, ten zij men goedvindt, om vanBagnèrestotGrippede paarden te laten draven.Men ging in onze herberg kort na onze aankomst aan tafel, het geen voor ons, die vrij hongerig waren, zeer van pas kwam. De spijszaal bestond slechts uit een houten loots; eenige huizen over en naast dezelve, waren op dezelfde wijze gebouwd, zijnde maar voor eenige zomermaanden opgeslagen; omdat de steenen huizen, die hier gestaan hebben, al een en andermaal door het nederstorten van de sneeuw, de brokken steen die zij medevoert, en de overstrooming van deBastanverwoest geworden zijnde, men de moeite en kosten niet meêr doen wil, om ze op te bouwen. Tot onze verwondering vonden wij in deze woeste en onvruchtbare landstreek eene vrij goed middagmaal, onder anderen een geregt van klipgeiten (Izards), vleesch, dat ik zeer lekker vond, en hier voor de eerste maal at; de wijn was ook wel genoeg, en altans veel beter als teBagnères. Wij aten met eenige kreupelen en lammen, waaronder een paar Offiçieren, die hier de baden gebruikten, de Apotheker van de plaats enz. en evenwel was men zeer vrolijk aan tafel. Ik was verwonderd over de ongemeene oplettende gedienstigheidvan den Apotheker omtrent ons, doch welhaast begreep ik ’er de reden van; hoewel wij ’er niet ziekelijk uitzagen, verbeeldde zich die goede man, dat wij ter genezing van eene of andere kwaal hier naar toekwamen, en beschouwde ons dus als nieuwe klanten. Onder de gasten bevond zich een man van omtrent dertig jaren, die een verlamming in de beenen had, en, vanBruggeinVlaanderenzijnde, blijde was van in ons halve landslieden aantetreffen. Na den maaltijd hadden wijBarègeswelhaast gezien; het is slechts een enkele straat langs deBastan; aan het eene eind daar wij onze kamers hadden, zijnde wat hooger op dan daar, waar de houten lootsen staan, zijn eenige goede huizen, en lager een badhuis, dat een vrij gnap gebouw schijnt; voor het overige is ’er in dit plaatsje niets dan ellende te zien13. In ’t geheel zijn ’er vier of vijf mineraal-bronnen teBarèges, in warmte onderscheiden, de hoogste bereikt 39, en de minste 27 graden, schaal vanRéaumur. Deze wateren bevatten volgens waarnemingen van verscheiden deskundigen, meêr, ter genezing van sommige kwalen, heilzame stoffen, dan die vanBagnères, bestaande voornamelijk uit zwavellever,hepar sulfuris,nitrum, zeezout, een kalkachtige, en een leemachtige aarde, en een smerige of zeepachtige stof. Deze wateren worden even als teBagnèresuit- eninwendig gebruikt14. Ik zag hier veel verminkte ziekelijke, of gebrekkelijke krijgslieden; ook waren ’er eenigeEngelschehuishoudens. De luchtgesteldheid is ’er over het algemeen onaangenaam: tot in Julij toe kan het ’er somtijds koud en regenachtig zijn; veeltijds dondert het ’er geheele dagen. De wolken tusschen de bergen blijvende hangen, veroorzaken een’ dikken mist, en men ziet ’er somtijds om dezen tijd van het jaar al sneeuw. Ook wordt deze plaats niet anders bewoond dan in den tijd, dat men de wateren gebruikt, dat is van half Mei tot het begin van October; den overigen tijd blijven ’er niet meêr dan vier of vijf menschen, om zorg te dragen voor de huizen, en het weinige, dat men ’er in laat. De andere menschen gaan naar de omliggende plaatsen, vooral naarLuz, een vlek omtrent anderhalf uur van hier gelegen. De weg naar den kant vanLuzlevert gansch geene onaangename wandeling op: men ziet ’er tegen de helling der bergen, of aan de boorden van deBastan, nog eenige weilanden en akkers, die niet geploegd of gespit, maar met eene soort van houweelen bewerktworden, om ’er wat rogge op te telen; hier en daar staan zelfs nog al eenige struiken en boomen, en bij de hutten, die men ’er aantreft, zijn nog al tuintjes, waarin ik echter niet veel anders dan koolen en boonen zag staan. Ik ging omtrent een half uurtje vanBarègesin zulk een hut, die door een soort van veehoeder, zijne vrouw en verscheidene kinderen bewoond werd. De man, zoo als hij mij vertelde, in zijne jeugd soldaat geweest zijnde, sprak nog al watFransch, en ik had daar door gelegenheid, om mij met hem te onderhouden. Deze naar het scheen goede en eenvoudige lieden, gebruikten alles bijna, wat hun vee en akkertje opbragt, en hadden niets anders te verkoopen, dan een weinig gesponnen wol, hoenderen en eijeren, die zij teBarègester markt bragten, en het geld dat daar van kwam diende, om eenige onontbeerlijke dingen, zoo als zout, eenige weinige kleedingstoffen enz. te koopen15. De man vertelde mij ook, dat hij gaarne een pijp tabak rookte; wat de huisraad aanbelangt, ik zag ’er genoegzaam niets anders dan het geen volstrekt noodzaaklijk was. Zes maanden van hetjaar wonen deze menschen dikwijls onder de sneeuw, zoo dat zij naauwelijks een voetpaadje kunnen maken, om hun vee te geleiden, om te drinken. Hoewel de bewoners van deze streken ’er over het algemeen niet bevallig uitzien, zijn zij gezond, en men treft onder hen vele oude lieden aan; echter heb ik opgemerkt, dat ’er in deze geheele bergachtige landstreek, en zelfs aan den anderen kant vanBagnères, verscheidene vrouwen kropgezwellen hebben. Ik gaf eenigesolsaan de kinderen, en zij bragten mij ’er een paar kleine stukjes rots (cristal) voor in de plaats; de herders of jagers vinden dat in de hooge spleten der rotsen hier omstreeks, doch het is ’er niet overvloedig, en wordt daarom bij de bergbewoners nog al geacht16. Die kinderen gingen in ’t geheel niet school; een Pastoor of Kapellaan leerde ze slechts een weinig den Katechismus. Vele onzerMeijerijschelandlieden zijn eenvoudig en ongeleerd, maar het zijn nog Professoren in vergelijking van deze lieden; vooral van die, welke afgezonderd in de bergen wonen. In het wederom keeren naarBarèges, ontmoette ik een fraaije koets met Heerenen Dames ’er in, en liverei bediendens ’er voor en achter op; het waren ziekelijke of gebrekkige rijken, die hier hunne gezondheid door middel van de wateren weder trachten bij een te lappen. Hadden zij altijd in de hut, waar uit ik kwam, gewoond, misschien zouden zij gezonder zijn.Op sommige plaatsen is deBastanhier in ’t geheel niet diep, ik zette mij, van het eene stuk steen op het andere, stappende, op een brok rots in dezelve gelegen, neder; het water bruischte om mij heên; men ziet hier duidelijk het hellen van de bedding van dit riviertje. Rondom leverde de bergen en rotsen een niet onaardig gezigt op, en de avondstond was regt aangenaam.TeBarègesterug gekeerd, gingen wij in een soort van Koffijhuis, dat ook in een houten loots is; het dient tevens voor een dans- en concertzaal, doch het zag ’er thans akelig uit; naauwelijks waren ’er zes of acht menschen, zij zaten te spelen, en ’er brandden twee of drie kaarsen. Wij begrepen dan, dat wij niets zouden verzuimen met te gaan slapen, om, wel uitgerust, morgen vroegtijdig van hier te vertrekken.Den 12 dezer. Gisteren avond werd ik door het gedruisch van deBastandat ik op mijn bed, duidelijk hooren kon, in slaap gesust.—Het was nog donker, toen men mij kwam zeggen, dat wij alvorens te vertrekken, onze paspoorten hier moesten vertoonen en doen teekenen; hier over was ik niet zeer te vreden, vreezende, dat ons dat ophoudenzou; doch de Commissaris van de Politie had de beleefdheid om terstond optestaan, en mij te regt te helpen. Het scheen of men ons hier voorEngelschenhad aangezien, en veronderstelde, dat wij, krijgsgevangenen zijnde, wel eens over de grenzen zouden kunnen gaan. Wij reden dan ten vijf uren af. Onze leidsman verhaalde mij, dat hij volgens gewoonte, een soort van verlofbriefje had gehaald, om met de paarden tot deSpaanschegrenzen te mogen gaan, en borg gesteld om den uitvoer van dezelven te verhoeden; echter daar men hem kende, was men hier omtrent nog al gemakkelijk. Gedurende de maanden, datBarègesbewoond, en door een menigte vreemdelingen, die de wateren komen gebruiken, bezocht wordt, komt ’er behalve een Commissaris van de Policie, eene Compagnie oude krijgslieden (invalides) van het stadjeLourde.Het was schoon helder weder, dat voor een reis in deze bergen van zeer belang is en om het gezigt en om de wegen, die hier en daar zeer smal zijnde, bij sterke regenvlagen door de steenen, of het steengruis, dat dan van de bergen rolt, en door de glibberigheid ongemakkelijk en gevaarlijk zijn.De weg totLuz, den stroom van deBastanvolgende, is zelfs voor rijtuigen redelijk goed, en wat de gezigten aanbelangt, hoewel tusschen de bergen bepaald, niet onaangenaam; men ziet ’er nog al groen. Deze is de groote of postweg naarBarèges. BijLuzwordt het gezigt zeer schilderachtig; men ziet daar meêr boomen, en de nog aanzienlijke overblijfselsvan het oude kasteelSt. Marie, op eene op zich zelven staande steile rots, aan het inkomen van een schoon dal gelegen, en deBastandaar langs stroomende. Dit kasteel was in vroegere tijden eene sterkte, die wegens de Koningen vanFrankrijkmet krijgsbenden bezet werd; onder anderen ook, om de invallen der Mooren en derSpanjaardentegentegaan. Het dal vanLuz, hoewel juist niet zoo vruchtbaar als dat vanCampan, en ook minder uitgestrekt, levert toch ook een zeer aangenaam gezigt op. DeBastanminder woest en snel, omdat de grond gelijker is, stroomt door frissche groene weiden; behalveLuzziet men ’er verscheidene aardige en digt bij elkanderen gelegen dorpjes. De bergen rondom zijn met houtgewas, en gras of kruiden bedekt, en in het flaauwe verschiet ziet men hier en daar eenige ontzaggelijke toppen boven dezelve uitsteken. Wat verder op in dit dal, vereenigt zich deBastanmet deGave17. TeLuzhielden wij ons een poosje op, om te ontbijten. De herberg behoort aan denzelfden man, bij wien wij teBarègesgeweest, en waar wij wel over te vreden waren, hoe zeer alles teBarègesduur is, omdat het land zelf genoegzaam niets oplevert, en alles ’er alzoovan andere plaatsen naar toe moet gebragt worden; de zoon en dochter van dien man,Flamandgenaamd, namen hier de zaken zomers alleen waar. Wij huurden hier ook nog een paard voor onzen leidsman, en na het avondmaal, bedden, enz. besteld te hebben, begaven wij ons naar den waterval vanGavarniop reis.Luzschijnt een vrij gnap plaatsje, en is alleraangenaamst gelegen. Van daar af tot bijSt. Sauveur, loopt de weg nog door een aangenaam dal, maar dan begint men te klimmen, latende deGaveaan de regterhand. Hier ligt een brug over dien stroom, om naarSt. Sauveur, dat men aan den overkant laat liggen, te gaan. Dat plaatsje bestaande uit omtrent 20 huizen, meestal voor de baden dienende, en tegen de steile helling van een groenen berg, hier en daar met boomen en struiken beplant, gelegen, maakt eene allerliefste vertooning. Aan de linkerhand heeft men steile rotsen, tegen welker helling (hoewel het naauwelijks eene helling mag genaamd worden) de smalle weg gemaakt is.St. Sauveurvoorbij zijnde is die weg door eenige boomen en struiken, tegen de steilte geplant, aangenaam beschaduwd. Aan de regterzijde hoort men deGavein een diepte, hier en daar door dikke struiken bedekt, ruisschen. De bergen worden hooger en steiler, en de diepte hoe langer hoe ontzaggelijker. Onze leidsman (dien ik in ’t vervolgAntoinezal noemen) waarschuwde ons, dat wij welhaast aan een zeer smal padje moesten komen, daar wij, voorzigtigheidshalve,wel zouden doen om van de paarden aftestappen. Hij noemde ditun mauvais pas. Dit padje was hier en daar geen drie voeten breed, tegen een zeer steile rots boven een afgrijsselijke diepte uitgehouwen.Antoineraadde ons, om niet regts te zien, en ik volgde zijn’ raad. De rotsen, waar deGavebulderende tusschen doorloopt, zijn zoo steil, en staan zoo digt bij elkander, dat men tusschen twee vreesselijke hooge muren zeer eng schijnt ingesloten; de zonnestralen hadden hier thans geen’ toegang; het licht valt ’er alleen van boven loodregt in, en dit alles maakt het nog akeliger. De paarden zelfs hoewel aan diergelijke wegen gewoon, gaan met den neus op den grond, en voelen eerst met een soort van huivering, eer zij hunne voeten nederzetten. Men spreekt niet tegen elkander; ieder is hier alleen op zich zelven bedacht; geen wonder, men behoeft slechts te struikelen, om in de diepte te morselen te vallen. En ondertusschen had het gevoel, dat ik in dezen toestand gewaar werd, meêr van het aangename dan van het onaangename. Het grootsche, ongewone, en daar bij het liefelijk schoone, want de rotsen zijn veelal van onderen tot boven met boomen en struiken bedekt, veroorzaken eene streelende bewondering, die de ongerustheid aanmerkelijk verdoofdt. Nog vreemder vertooningen te gemoet ziende, wordt men door nieuwsgierigheid gedurig aangespoord en opgewakkerd; en laten wij ter goeder trouw zijn, de hoogmoed en eerzucht heeft aan alle diergelijke ondernemingen ook vrij watdeel. Dit zoo smalle wegje was maar kort, en wij zetten ons weder te paard; nu was het pad zoo breed, dat wij eene vrouw, die een ezel met wol geladen voor zich heen dreef, voorbij konden laten. Zij ging dit voortbrengsel van hare kudde teLuzverkoopen, en spon gedurig op de plaatsen, waar denwegniet al te smal en moeijelijk was. Een eind wegs verder heeft men een pad, altijd niet veel breeder dan volstrekt noodig is, boven een diepte van 80 à 100 voeten in de harde rots uitgehouwen, en hier en daar met stukken steen op een gezet, gemaakt; dit werk, dat niet zonder zwaren arbeid geschied is, werd in 1762 uitgevoerd. Voor dien tijd verongelukten hier veeltijds menschen en vee, en men moet ’er nog zeer voorzigtig zijn. Deze toegang wordtle passage de l’Echellegenaamd, omdat hier in vroegere tijden een kleine sterke toren plagt te staan, waar men tegen de rotsen op, als tegen een ladder, naar toe moest klimmen; zij was met krijgsvolk bezet, en diende om de invallen en strooperijen aan deze grenzen te beletten. In het begin van de vorige eeuw was zij nog van veel dienst tegen eene soort van roovers en vrijbuiters uit het landschapArragon, die menles Miqueletsnoemt.Barèges.Barèges.Omtrent een kwartier verder, ziet men aan den anderen kant van deGave, en in de laagte het gehuchtjeSia, bestaande in eenige woningen, die door eenige groote boomen beschaduwd worden. Nu loopt den weg eenklaps af, tot aan een steenen brug over deGaveliggende, eer men op de brug gaat,heeft men aan de regterhand eene bron, waar uit het frissche en heldere water aanhoudend in een’ steenen bak loopt.Antoinenoemde deze bronla Fontaine de halte, omdat men gewoon is om daar een oogenblik te rusten, en menschen en vee ’er zich door een’ koelen dronk verfrisschen. Wij dronken dan ook met onze paarden als lotgenooten, slurpende uit denzelfden bak. En nu gingen wij de brug over: zij bestaat uit een enkelen boog tusschen twee digt bij elkanderen staande rotsen gemaakt, en omtrent 90 voeten boven den stroom verheven. Van deze brug, die met mosch en klimop bewassen is, heeft men een heerlijk gezigt op eenen schoonen waterval, die door deGave, door eene enge opening tusschen twee rotsen doorloopende, gemaakt wordt, en waar over de takken der struiken, die in de spleten van die rotsen groeijen, bevallig heen zwieren. Deze brug wordtle pont l’Artiguegenaamd. Het water loopt ’er met eene vreesselijke vaart onder door. DeGaveaan de regterhand latende, klimt men langs een wegje, dat niet breeder is als aan den anderen kant, weder op. Men gaat onder de over den weg hangende rotsen door, vervolgens daalt men weder digter naar den stroom af; de natuur is hier woester, en men ziet ’er weinig groen. Op de hoogte, bijna zoo ver dat ik de voorwerpen naauwelijks kon onderscheiden, zag ik een herder met eenig vee en schapen. Hier en daar ziet men ook eene enkele hut. Over een houten brug, die nog al lang zijnde, in het middendoor een brok granit, dat midden in den stroom door de natuur geplaatst is, ondersteund wordt, kwamen wij weder aan den anderen kant van deGave, en van daar ziet men, een eind wegs opgeklommen zijnde, een’ waterval van een enkelen straal van een groene rots aan den overkant in de diepte storten, en deze straal water had thans dezelfde kleuren als een regenboog. Dit gezigt was verrukkelijk. Van de toppen der bergen ziet men ook het water als slingerende beken afstroomen. Hier is de weg niet verschrikkelijk meêr, maar integendeel alleraangenaamst; langs denzelven staan heggen van palm, en men gaat onder groene gewelven, door noten- en andere boomen gemaakt, door. Op zeer verheven en ijsselijke steiltens, zagen wij de koeijen gerust weiden. Eer dat men tePragnères, een alleraangenaamst gelegen dorp, in het midden van een groen dal, komt, gaat men door een stroom ofGave, die menle Gave de Pragnèresnoemt. Deze stroom komt van de bergenNeouviellegeheeten18, omdat ’er altijd sneeuw ligt, en wordt door die aanhoudend smeltende sneeuw veroorzaakt; zij vereenigt zich het dal doorslingerende met deGave, daar onze weg langs loopt.Pragnèresligt omtrent 1½ uur vanLuz. Tot nu toe hadden wijaltijd tusschen de bergen ingesloten geweest, en waren blijde, van ons eens in een ruim dal te bevinden. De huizen zien ’er hier over het algemeen gnap uit, en men kan zien, dat het den menschen in dezen afgezonderden staat niet kwalijk gaat: eenige kinderen, die voor de huizen onder de boomen, die ’er voor stonden, lagen te spelen, zagen ’er frisch uit. Ik zag hier weder een vrouw met een vrij groot kropgezwel (Goitre)19. Deze in der daad bekoorlijke vlakte verlatende, klommen wij meêr langs deGaveop. De weg is hier, hoewel altijd smal, dan hoog en dan laag, echter vrij goed, en veelal aangenaambeschaduwd, en met heggen van palm, die hier en daar vrij hoog en zwaar is, bezet. De landstreek verliest weder veel van zijne bevalligheid. Men ziet den bergComelie, die eene schoone vertooning maakt, voor zich. De natuur wordt weder vriendelijker. DeGavestroomt minder geweldig; hier en daar vertoonen zich eenige woningen; een nieuw dal opent zich, en wij naderden het dorpGedroofGedre.Antoinedeed ons in het verschiet den met sneeuw bedekten top van den berg, dien menMarboré20noemt, opmerken. Hier las ik op een bord voor een huis geplaatstDouanes Nationales. Wie zou in deze bergen een tolhuis zoeken; ondertusschen worden ’er op paarden en muilezels tusschen dezelve door, nog al eenige goederen in en uitSpanjegebragt, en de smokkelaars stellen zich veeltijds aan nog gevaarlijker wegen, dan men hier aantreft, bloot. Men komt over een brug, die over den stroom ligt, welke menle Gave de Héasnoemt, omdat zij door het dal van dien naam loopt. Van daar ziet men tusschen de rotsen in de diepte, een soort van hol, waar het water uitstroomt, zijnde van boven door takken en struiken zeer digt gedekt, zoo dat het licht ’er naauwelijks door schijnt. De stroom maakt ’er een kleinen waterval, en dit groene gewelf noemt men niet zeer eigenlijk dunkt mijla Grotte de Gedre. Men kan ’er uit een huis dat bij deze brug staat bijkomen. In een ander oord zoudeze zoogenaamde grot, zeker eene aardige en romaneske vertooning maken; doch hier, daar de natuur zoo vele groote en verbazende schoonheden oplevert, scheen zij mij minder belangrijk.Gedre, en het bekoorlijk dal van dien naam, ligt aan den voet van den bergComelie, omtrent 3 uren vanLuz. Het dorp voorbij zijnde, klimt men langs dezen berg op.Antoinewees mij op de hoogte in het verschiet een paal, die hij zeide op de grensscheiding tusschenFrankrijkenSpanjete staan. Nu begint het ’er eerst regt woest uit te zien: hier slingert de weg tusschen ontzaggelijke brokken rots21, op en onder elkanderen liggende, door. Sommigen zijn geheel van boven neder in deGavegerold, en hebben den stroom genoodzaakt om van loop te veranderen of zich te verdeelen. De rots, waarvan die vervaarlijke klompen afgevallen zijn, hangt in eene dreigende houding den voorbijganger boven het hoofd; hier en daar gaat men onder afgrijsselijke zware stukken door, die naauwelijks genoegzaam ondersteund, en gereed schijnen, om al wat ’er onder komt te verpletteren. Welkeen arbeid moet het niet gekost hebben, om hier een’ weg, hoe dat hij dan ook is, door te maken; en het is wel te vreezen, dat men dien arbeid, indien het mogelijk is, nog zal moeten hervatten; zijnde het maar al te waarschijnlijk, dat ’er nog meêr van boven neder zal storten. Ook komen ’er, volgens het zeggen vanAntoine, nog dikwijls stukken afrollen, vooral bij het smelten der sneeuw. Geen groen struikje of kruidje is hier te zien, niet anders dan brokken rots en lucht. De stroom van deGave, die hier veel belemmerd wordt in zijn loop, maakt een donderend gedruisch. Het tooneel is allerontzaggelijkst, en toch zag ik het met een zekere aandoening van genoegen, zoo wel als van verbaasdheid. Jammer is het, dat men zich niet op een’ grooteren afstand kan plaatsen, om van daar op eenmaal deze afgrijsselijke puinhoopen der natuur te overzien. Te regt wordt deze plaatsle Cahos22genaamd, want waarlijk hier schijnt het als of de Eeuwige Almagt pas begonnen was met de eerste hand, als ’t ware, aan het werk der Schepping te leggen, en de ruwe stof pas uit het niet was voortgebragt. De weg in dezenCahosscheen mij wel een kwartier lang te zijn.Aan den overkant van deGavestort een heerlijke waterval, dien menla Cascade Saussa23noemt. Van eene zeer aanzienelijke hoogte vallende, vormthij een’ schoonen straal, die langs drie of vier trappen in de diepte stort.Uit denCahoskomende, gaat men digt voorbij de plaats, waar zeventig à tachtig jaren geleden eene smelterij plagt te zijn van een lood- en zilvermijn, die niet ver van daar bestaat, doch thans geheel in het verval is.Waterval van Gavarnie.Waterval van Gavarnie.Altijd opklimmende, ziet men al meêr en meêr de sneeuw, die hier en daar op de in het verschiet gelegen bergen ligt. Vervolgens aan de regterhand doet zich het dalle Val d’Ossone24genaamd op; hier ziet men weder verscheidene stroomtjes en watervallen boven elkanderen, en door het frissche loof afruisschen. Altijd opklimmende, verheft men zich op eene aanmerkelijke hoogte boven deGave. Wat gemeenzamer met de smalle wegen en afgronden langs dezelve geworden zijnde, waagde ik het al eens, om ’erin te zien. Hier bevond ik mij op de rand van een steile diepte, die op omtrent 150 voeten geschat wordt; deGavestort zich in dezelve van een hoogere bedding met een ontzaggelijk geweld neder.—De landstreek wordt vooral ook door het boschachtige, dat ’er zich in opdoet, weder zeer schilderachtig. Van verre ziet men reeds den vooral in deze streek zoo befaamden waterval vanGavarnie, van de met sneeuw bedekte bergen afstorten25.Men meent ’er reeds digt bij te zijn, en, ondertusschen is men ’er nog wel een groot uur van daan. Aan onze linkerzijde tegen de helling van eenen groenen berg, vertoonde zich een herder met eenige schapen en geiten. De diepte aan de regterhand door de takken der boomen en struiken bedekt zijnde, schijnt minder vervaarlijk. Eenige steenberken26onder anderen, welker takken, even als die der treurwilligen, met lange slingers bevallig over de diepte heen schommelden, maakte hier een fraaije uitwerking. Men gaat deGaveweder over, over een’ houten brug, diele pont Baryguigenaamt wordt. Niet, ver van deze brug, dieover een aanmerkelijke diepte van de eene rots op de andere ligt, is de herberg vanGavarnie; hier stapten wij af, en gingen, na ons een weinig ververscht te hebben, te voet naar den waterval, want men kan niet wel verder dan nog een eind wegs te paard komen, en daar staan geen huizen. Het dorpje zelve is een weinig verder dan de herberg; wij zagen ’er een gedeelte van bestaande in eenige zeer eenvoudige huisjes. Buiten het dorpje zijnde, heeft men tusschen twee hoogtens waar den weg midden doorloopt, een heerlijk gezigt op den waterval en de steile rotsen. Men gaat door een dal, vervolgens over een smal brugje over deGaveliggende. Op een hoogte geklommen zijnde, en ongeduldig, om den waterval van nabij te zien, meent men ’er pas eenige schreden van af te zijn, doch men bedriegt zich; langs een vrij ongemakkelijken weg afklimmende, komt men eindelijk aan den ingang van het laatste dal, en wel dra wordt men verrukt door de majestueuse vertooning, die de natuur hier oplevert. Regt uit is het ruime dal door hemelhooge rotsen, halve cirkels gewijze omgeven; deze rotsen zijn boven aan met eene soort van trappen, en gelijken in der daad niet kwalijk naar de zitbanken waarmede de oude Amphithéaters omgeven waren, waarom deze plaats dan ook vrij algemeenle Cirque de Gavarnie27genaamd wordt. Deze ontzaggelijke muren zijn hier en daar met eeuwige sneeuw of ijs bedekt,en boven dezelven steken nog andere rotsen als torens uit, zij wordenles tours de Marborégenaamd28. Van deze rotsen aan de linkerzijde, stort de voorname waterval ruim een derde van de hoogte29die op 1266 voeten begroot wordt, zonder de rots te raken, op een uitstek, van daar op een ander, en vervolgens tot beneden, van waar zij onder een gewelf of brug van sneeuw doorloopt. Deze brug slechts van sneeuw, en niet van ijs, zoo als sommigen gemeend hebben, te zamengesteld zijnde, is het vooral in dit jaargetij, wanneer dezelve al aanmerkelijk gesmolten is, niet raadzaam om ’er op te gaan. Hier en daar in dit dal, op de plaatsen, waar de zon niet komt, blijft de sneeuw ook genoegzaam altijd liggen. Rondom ziet men nog verscheidene kleine watervallen, die zich alle tot een stroom vereenigen, en de oorsprong zijn van deGavevanPau30. De groote waterval stort uit een meer, dat boven op den berg is. Het suissend en kletterend geluid van denzelven vervrolijkt nog eenigzins deze eenzame woestenij; maar als men niet door en door nat wil worden door het water, dat ’er als een stofregen afvliegt, moet men ’er niet te digt bij komen. Aan den regterkant, over den grooten waterval, boven op de rotsen, is een soort van doorgang, die menla bréche de Rolandnoemt. Als men daar door is, komt men opSpaanschgrondgebied; de smokkelaars maken van deze ongemakkelijken en gevaarlijken weg nog al gebruik. Aan den kant van den grooten waterval, maar veel digter naarGavarnietoe, maakt een bosch van pijn- of denneboomen, tegen deze rotsen, in dit tooneel een fraaije verscheidenheid, en beneemt ’er eenigzins het treurige en ontzaggelijke van. Ieder die zoo als wij in dit jaargetij hier naar toe komen wandelen, en dus warm zijn, mogen zich wel in acht nemen om ’er niet stil te staan, veel minder te gaan zitten; want het is ’er al vrij koel. Terug keerende, stond ik dikwijls stil, om op verschillende afstanden den waterval en omliggende rotsen te zien. Overal is het schoon, doch op een zekeren afstand komt mij het gezigt veel schilderachtiger voor dan digt bij, hoewel het daar weder grootscher en ontzaggelijker is. Ondertusschen schoon deze waterval te regt verdientbewondert te worden, als zijnde de hoogste die inEuropabekend is31, en de reusachtige rotsen, die dezelve omringen, zoo wel als derzelver gedaante, een nog luisterrijker en verbazender aanzien aan dit alles geven, had het echter op mij dien invloed niet, noch verwekte die aandoening als de bron vanVaucluse; misschien omdat het tooneel, daar veel enger en beperkter zijnde, meêr onder ons bereik valt, of omdat ik reeds meêr gewoon was aan diergelijke gezigten. Bij de huizen bleef ik mij omkeerende een poos stil staan, om het gezigt tusschen de twee hoogtens door, waar ik hier boven van gesproken heb, nog eens ter deeg te genieten32. Onze paarden hadden nu goed tijd gehad om te eten en te rusten, want wij waren meêr dan 2 uren uitgebleven33; de sneeuwbrug wordt opruim drie kwartier van de herberg gerekend. Het ziet ’er in deze herberg nog al gnap uit; doch wij vonden ’er niet veel anders dan melk, brood, kaas en zeer lekkere boter. DeFranschewijn was niet te breed, en deSpaansche, hoewel goed in zijne soort, was te walgelijk zoet; trouwens ons oogmerk was ook niet, om hier lang te vertoeven; daar wij voor het vallen van den avond weder teLuzwilden zijn, en dat is nog ruim 4 uren van daar. Het huishouden bestond uit een jonge man en vrouw, een bejaarden vader en een paar dienende huisgenooten. De oude man en zijn zoon spraken nog al redelijkFransch, zoo dat ik mij gemakkelijk met hun kon onderhouden. Die lieden kwamen mij vriendelijk en geschikt voor. Behalve de nering van hunne herberg, meestal door de reizigers die door dezen smallen weg naar de een of andereSpaanscheplaats gingen, of ’er van daan kwamen34, bestond hun voorname bedrijf in de veehoederij en de jagt; en naar ik merkte, scheen vooral de oude man een stoute jager in zijn tijd geweest te zijn, en nog wel op de wolven en beeren af te durven gaan. Ikbespeurde duidelijk, dat het hem leed deed, dat hij de Izard’s niet meêr tot op de steile toppen der hooge rotsen vervolgen kon. Hij verhaalde mij ook, dat men in deze streken lynxen vindt35, die zeer veel kwaad aan de jagt doen; dat ’er in de valleijen en vruchtbare streken patrijzen gevonden werden van een licht grijze kleur, doch weinig hazen. Hij sprak mij ook van een grooten vogel, die hijPaus de Montagnenoemde; naar ik begreep, en ook na datAntoinemij beduidde, moeten het korhoenderen zijn.In den zomer is het hier voor menschen, die aan deze smalle en gevaarlijke wegen gewoon zijn, zeer wel om te houden; maar gedurende die lange winters, wanneer door de sneeuw genoegzaam alle toegang afgesneden is, en de hongerige roofdieren tot bij hunne woningen komen, moet het ’er allerakeligst zijn. Met dat al schenen zij met hun lot wel te vreden, en hadden een vrij juist denkbeeld van vele onaangenaamheden, die aan een uitgebreider maatschappelijke zamenleving verknocht zijn. Deze lieden nu en dan met vreemdelingen omgaande, waren daar door nog al eenigzins, zoo als men het noemt, beschaafd geworden; maar hunne naburen, vooral die, welke verder van den weg afwonen, zijn veel eenvoudiger. Over het algemeen zijn zij zeer bijgeloovig, en houden zich bijzonder met vertellingenvan spokerijen en duivelarijen op; geen wonder, zij hebben geen andere onderwijzers dan hunne Priesters, die zekerlijk niet van de verlichtste en onbevooroordeelste zijn.Gavarniebehoorde voorheen aan de orde derTempeliers, die hier een Klooster hadden, waarvan bij de Pastorij en de Kerk nog eenige overblijfsels te zien zijn, en daar na aan de order vanMaltha. Naar ik vernam, bevat dit dorpje niet meêr dan omtrent 150 inwoners. Ik zag ’er, zoo als in deze geheele streek, wel eenige groote en welgespierde mannen, doch naauwelijks eene enkele vrouw, die ’er maar redelijk wel uitzag. Twijfelende of mijn horlogie wel goed ging, vroeg ik hoe laat het was; ’er was geen klok of ander uurwerk; doch men riep de oude man, om op een soort van houten zonnewijzer, waar hij de bewaarder van was, te zien. Deze zonnewijzer, dien zijmontre solairenoemen, is van palmhout gedraaid, omtrent 4 duim lang, en nog geen duim over kruis dik; het gelijkt veel op een gewigtje van een klok, rondom staan de uren en maanden geteekend. Door een knopje dat ’er boven in zit, draait men een blikken wijzertje, op de streep van die maand, waarin men is, en houdt het dan aan een koordje of iets diergelijks hangende, met dat wijzertje tegen over de zon; en op die wijze wordt het uur aangewezen. Het was omtrent twee uren, toen wij vanGavarnieafreden; bij de brug kwamen wij een paarSpaanscheherders op muilezels gezeten tegen, zij schenen hun zondagspakaan te hebben, dat met een menigte kleine knoopjes versierd was. In het heen rijden had ik op vele plaatsen meest de hoogtens bekeken, doch thans zag ik al stoutmoedig in de verschrikkelijkste dieptens. Alles van een’ anderen kant ziende, want in het heen rijden hadden wij weinig om gezien, hadden de bergen weder eene gansch andere gedaante, en de natuur leverde alzoo weder nieuwe en allerschoonste vertooningen op. Bij het dal vanGedreonder anderen, zagen wij aan het eind van het doorzigt voor ons, tusschen twee in de schaduw staande hellingen van hooge rotsen, als een V bij elkanderen loopende, den top van een anderen veel verder gelegen, en door de zon geheel verlichten top van een andere rots, in de gedaante van een A zoo het scheen regt in het midden staan. Op verscheidene plaatsen daar wij ’s morgens van de paarden af waren gestapt, bleven wij ’er nu op zitten. Somtijds hangt het eene been over de diepte, en met het andere raakt men bijna tegen de steile rots aan den anderen kant van den weg. Op eenige plaatsen gingen wij echter te voet, niet alleen om het smalle padje, maar ook omdat het somwijlen steil afloopende was, op losse steenen en gruis van de rotsen, zoodat de paarden hun voeten dikwijls niet vast kunnen zetten. Nogmaals bewonderde ik de voorzigtigheid, met welke die dieren hier gaan, en bevond, zoo alsAntoineons ook gezegd had, dat men best deed, van hun naar hunne eigen zin maar te laten loopen, houdende den toom echter zoodanig,dat men ingeval zij struikelden, ze eenigzins zou kunnen ophouden. Aan de bron bij de brug gekomen zijnde, verzochtAntoineons weder om stil te houden en de paarden te laten drinken, ik beschouwde ondertusschen nog eens het schoone gezigt dat men hier heeft. Wij hadden aan den kant van deGavehier en daar menschen gezien, die forellen met den hengel vingen. Langs dezen weg ziet men ook enkele woningen; sommige kleine wichten speelden op den rand van een ontzaggelijke diepte; ik ijsde ’er van, doch zij zijn dat gewoon.Omtrent 6½ uur kwamen wij weder teLuz; terwijl het nog dag was, maakte ik daar gebruik van om in die bekoorlijke vlakte te wandelen. Vier of vijf dorpjes liggen allerliefst in dezelve. Sommige weiden waren met groote platte steenen regt over eind gezet, in plaats van met hagen, omringd; men was ’er ook nog bezig met hooijen, want het is hier meest weiland, dat ’er groen en tierig uitzag. Men had mij verhaald, dat ’er in een van deze dorpjes,Visosgeheten, een geslacht van buitengemeen lange menschen plagt te bestaan, waarvan sommigen tot bij de acht voeten haalden, en welke menschen zeer oud werden; dit werd mij hier bevestigd, doch komt het mij daarom nog niet ontwijfelbaar voor; te meêr, daar de bewoners van deze landstreek zoo ligt genegen zijn om vreemde dingen en sprookjes te gelooven36. In de herberg terug komende,kon ik het, hoewel het heden vrij warm geweest was, zeer wel bij het vuur houden; en vermaakte mij met aan den gemeenen haard met den hospes en een paar boeren te praten.Hetmoet van de lieden aan deze kanten zeggen, dat vele onder hen zeer wel gevoelen, dat de vreemdelingen, van alle kanten naarBarègesen andere omliggende plaatsen, waar warme ofmineralebronnen zijn, toe komende, hun nog al wat geld aanbrengen, en ze daarom nog al met oplettenheid en eene soort van onderscheiding behandelen. Van onveiligheid der wegen, niettegenstaande ’er zoo vele woeste en eenzame streken zijn, hoort men dan ook weinig, en, naar ik vernam, indien vreemdelingen over eenigen overlast klaagden, zou het grootste deel der inwoners van het dorp, of de plaats, waar zulks geschied mogt zijn, ’er zich zeer aan gelegen laten liggen.Wij hadden een lekker avondmaal, en door de beweging die wij zonder veel te gebruiken gemaakt hadden, en door de smakelijke spijzen, waarondereen Izard’s bout en uitmuntende forellen, en daar bij wijn, dien wij sedert eenigen tijd zoo goed niet gewoon waren.Den 13 dezer. Daar wij den ganschen dag voorhanden hadden, vertrokken wij eerst om 6 uren ’s morgens. Onderrigt zijnde, dat hier diergelijke houten zak-zonnewijzers, als ik teGavarniegezien had, gemaakt werden, kocht ik ’er een voor slechts eenige stuivers37. Over onze herberg waren wij ook bijzonder te vreden.Den grooten of postweg nemende, kwamen wij, na de vallei doorgereden te zijn, wederom tusschen de rotsen langs deGave, en klommen redelijk hoog, doch de weg is hier breed genoeg. Wij reden, en hadden alles om ons nog in de schaduw, terwijl de hooge toppen der rotsen en bergen reeds door de zon verlicht waren. Aan onze linkerhand gingen wij over eene houten brug over deGave; men vindt hier een soort van bruggen die zeer ligt schijnen, doch inderdaad stevig zijn; zij zijn aardig gemaakt. Deze moest door een’ steenen vervangen worden, en men was reeds bezig, om de steenen te bewerken, die men in de nabij gelegen rotsen overvloedig vindt, en schenen te behooren tot de soort, die men bij ons blaauwe arduinsteen noemt. Vervolgens wederom eene andere brug overgaande, heeft men watverder aan de linkerhand het dorpjeViscos, en aan de regterChiéze; men komt nog over eenige bruggen, de boorden van deGave, en de engte tusschen twee ketens van rotsen verlatende, in een alleraangenaamst dal. De weg is tot hier toe, om te voet of te paard te gaan, zeer goed, maar met rijtuig moet zij niet over hebben; op sommige plaatsen rollen of schuiven de schilfers van eene soort van schaliesteen bij zware regenvlagen, en het smelten van de sneeuw, in een groote hoeveelheid van boven neder, bedekken den weg, en maken dien somtijds onbruikbaar; dit vereischt een gedurig en kostbaar onderhoud. Hier en daar, waar zij wat smal langs de diepte is, zijn ’er schutmuurtjes gemaakt.Antoinenoemde dit dalVeille Longue. Nu kwamen wij tePierrefitte, een gnap dorp en verrukkelijk gelegen; hetzelve wordt op omtrent 3 uren vanLuzgerekend. Men heeft hier veel schaduw, vooral van zwaare noten- en castanje-boomen. Ik zag ’er ook wijngaarden, die ongemeen hoog en zwaar waren, tusschen kersen of andere boomtjes staan, en hunne ranken aan dezelve vasthechtende, zoo als ik reeds gezegd heb. De verscheidenheid der gezigten, die men hier overal heeft, is alleraangenaamst. De AbdijSt. Savinaan de linkerhand op een’ heuvel met boomen beplant gelegen, ziet men boven het digte lommer van dezelve uitsteken, en alzoo dit schilderachtig landschap door een nieuw voorwerp verrijken. Achter ons zagen wij nog die hooge, spitse, en hier en daar met sneeuw bedekterotsen, die wij gisteren nader bij hadden leeren kennen—eenige hout-zaagmolens door het water bewogen, en zeer aangenaam gelegen, deden zich op.—Men gaat over eene fraaije steenen brug, die over deGaveligt.—De weg stijgt weder vrij hoog langs de helling van een rots langs deGave, die men aan de linkerhand heeft. Hier en daar was men drok bezig, om langs dezelve muurtjes te maken, om het gevaar vooral voor de rijtuigen te verhoeden. Welhaast wordt men het stadjeLourdegewaar. Wij kwamen ’er tegen den middag aan. Het was ’er juist marktdag; op eene ruime plaats door boomen beschaduwd stond een groote menigte paarden, muilezels en rundvee. Hier schijnt men de wreedheid niet te hebben, van het kalf, zoodra het geboren is, aan zijne moeder te ontrukken; want ik zag ’er hier verscheiden die zogen; dit belette niet, dat de koeijen tevens gemolken werden38. Verder op in de straten, en op een andere marktplaats, was het vol kooplieden in linnens, vlas, wol, en meêr onderscheidene soorten van waren. ’Er stonden verscheidene kraamtjes, en het was ’er zoo vol, dat men moeite had, om ’er door te komen. De groote menigte roode kappen (capelettes) maakte hier ook weder eene zonderlinge vertooning; geene eene vrouw zag men ’er bijna zonder, en zij waren nu op haar zondags opgeschikt. RondomLourdewordt vlas geteeld; in die plaats zijn velelinnenweverijen, en de bonte neusdoeken, die ’er in menigte gemaakt worden, zijn beroemd, en worden hier omstreeks vooral zeer veel gedragen. De naburigeSpanjaardenkomen hier ook veel ter markt; doch het scheen mij toe, dat zij genoegzaam hetzelfdePatoisspreken, als de bewoners van dit gedeelte derFransche Pyreneën. De vrouwen, die wij hier op de markt en in de straten zagen, hadden genoegzaam alle den spinrok op zijde tusschen hun rokken steken39, en velen dreven al spinnende handel, praatten, liepen heen en weder enz. zij sponnenvlas en wol. Uit het Posthuis, een vrij groote herberg, waar wij onzen intrek genomen hadden, om het middagmaal te nemen, ziet men op de markt; en ik vermaakte mij met de drukte, en het gewoel van de menigte, waaronder het grootste deel half rood was. De handel in dit plaatsje schijnt aanmerkelijk te zijn; want naar ik vernam, heeft zulk een markt alle veertien dagen op Donderdag plaats. Zij verdient wel gezien te worden.Kleeding der bergbewoners.Kleeding der bergbewoners.Op een rots bij ditLourde, ligt een soort van vesting of sterk kasteel, in vroegere tijden door de Graven vanBigorre, vervolgens door andere geslachten bezeten, eindelijk een eigendom van de kroon vanFrankrijkgeworden, en voor een Staatsgevangenis gebruikt, waar toe het nog heden dient: twee personen in het regtsgeding van de beruchte zamenzwering tegen het leven van den eerste ConsulBonapartebegrepen, worden ’er, naar ik vernam, bewaard; het aangenaam gezigt dat zij van daar kunnen hebben, kan dezen kerker nog al veel dragelijker maken dan zoo vele anderen. Dit kasteel met de stad, stond in het laatst van de 14eeeuw, in het bezit van deEngelschenzijnde, eene belegering uit tegen de krijgsmagt vanKarelden V., Koning vanFrankrijk, en hield het vol.Ik zag hier een zeer groote zware koets van een wonderlijk maaksel, die met reizigers uitSpanjekwam, met zes muilezels en met een menigte touwen bespannen was.In onze herberg was het zoo drok, dat wij naauwelijks te eten konden krijgen; het maal was ’er dan ook op verre zoo goed niet als teLuz, en wij betaalden evenwel den gewonen prijs.Zonderling dat ik onder het groot aantal vanvrouwen, die hier van de plaatsen rondom verzameld waren, ’er weder genoegzaam geen eene vond, die ’er maar zeer redelijk wel uitzag. Velen hadden kropgezwellen.Om drie uren verlieten wij, en met ons een aantal menschen en vee, dit neringrijke en naar allen schijn zeer welvarend plaatsje; wij waren nu nog omtrent 3 goede uren vanBagnères, langs den weg, dien wij te nemen hadden.Luzen deze laatstgenoemde plaats rekent men overPierrefitteop ruim acht uren. De weg levert minder verscheidenheid van gezigten op dan aan den anderen kant; doch is echter aangenaam en hier en daar lommerrijk. TeLourdeverlaat men de boorden van deGave, die daar langs de stad stroomt, om den weg naar den kant vanTarbesinteslaan, tusschen welke stad enBagnères, een goed eind beneden deze laatste plaats, men dan ook uitkomt; zoo veel moet men uithoofde van de bergen omrijden. Het was zes uren, toen wij wel voldaan over dit reisje, teBagnèreste rug gekeerd waren.Den 14 September. Na den gansche voormiddag doorgebragt te hebben met dit dagverhaal voor u inorde te brengen, kwamen zij mij roepen, om een levendige Izard, in onze buurt op een binnenplaats loopende, te gaan zien. Het beestje was pas drie maanden oud. Men had het zeer jong gevangen en hier opgevoed. Het geleek naar een jong bokje, zijn hoorntjes begonnen even voor den dag te komen. Het was rosachtig van kleur, en had de achterbeenen langer dan de voorste, kunnende daardoor zeer goed springen. Ook was het in een paar sprongen een trap van verscheidene treden, op deze plaats staande, op. Hoewel met de lieden van het huis nog al gemeenzaam, was het voor ons zeer schuw, trachtte zich gedurig te verschuilen, en maakte een steenend geluid, als wij het wilden opvatten.—Hoe gaarne had ik dit diertje in de nabijgelegen bergen zijne vrijheid gegeven40.Aan tafel wierden weder een menigte voorvallen, die bij het spel plaats gehad hadden, verhaald; onder anderen, dat den vorigen avond een speler door wanhoop verwoed, zich vreesselijk had aangesteld, en een stoel tot splinters had van een geslagen. De wacht was ’er aan te pas gekomen. Vele van onze dischgenooten lagchten en staken hier den spot mede. Toen ik van tafel kwam, lokte mij een trompetter bij een hoop volks, die op de plaats digt bij het speelhuis stond. Een fraai paard met zadel en toom werd ’er aan den meestbiedenden verkocht,het had aan een’ ongelukkigen speler behoort. Dergelijke verkoopingen vallen hier schier dagelijks voor. Zwendelaars en leenders op pand, ontbreken hier ook niet; en helaas! indien de wateren vanBagnères, en andere plaatsjes in deze landstreek, eenig voordeel aan derzelver bewoners opleveren, zij maken ook, dat ’er zeer veel zedenbederf onder die eenvoudige en anders zoo nabij den natuurstaat levende menschen wordt gebragt.Zoo gij iemand kent, die deze bergen mogt komen bezoeken, kunt gij hem onzen geleiderAntoine Idrac, alhier woonachtig, als een goed en geschikt man, aanbevelen. Die wat goed lach’s zijn, zal hij daartoe nog al eens stof verschaffen, door een aanwendsel dat hij heeft van schier overal de woordenc’est fort inutile41bij te voegen, hoe ten onpasse het ’er ook dikwijls bijkomt.1Wateren des heils.Wanneer dit water slechts eenige van al die genezingen, die men ’er aan toeschrijft, veroorzaakt heeft, verdient het met alle regt dien naam. Het wordt zoo wel in- als uitwendig gebruikt.2Douchesnoemt men een straal water of druip, die men op het een of ander gebrekkig deel laat loopen of druipen. Men heeft teBagnèresook modder- of slijkbaden.3Sommige lieden drinken van dat water 50 en meêr glazen, van 4 of 5 in een fles, daags. Ik heb toch moeite om te gelooven, dat zoo een ongemeene groote hoeveelheid vocht goed kan zijn.4Doorbeau mondeverstaan deFranschenlieden, die naar demodegekleed zijn, naar demodeweten te spreken, en zich naar demodebewegen. In den eigenlijken zin geloof ik niet, dat men een andere beteekenis aan dit woordkan hechten, ten zij men ’er nog wat onderscheid van stand of beroep bij wilde voegen; doch dit laatste komt in eene openbaare t’zamenkomst als deze in geen aanmerking.5Escalettebeteekent laddertje, om dat de slingerende weg met eene soort van trappen gemaakt is.6Tramesaiguesbeteekent in de landtaal, te zamenloop van wateren.7Men vindt ’er een afbeelding van in het Natuurkundig werk van den HeerRamond, genaamdVoyages au Mont perdu et dans la partie adjacante des hautes Pyrenées, Paris Belin1801.8De afbeelding daar van, vindt men in het reeds genoemde werk vanRamond.9Ik had het ’er op aangelegd, om mij omtrent dit uur hier te bevinden, om dat men, volgens den HeerRamond, dePictusschen elven en tweeën, als dan volkomen door de zon verlicht zijnde, het beste ziet.10Aldus genaamd, om dat het uit het meerd’Oncet, op dePic du Midi, omtrent 300toiseslager dan de top gelegen, voortvloeit.11Francois Pasumot, in zijn werk genaamdVoyages Physiques dans les Pyrenées in 1788 en 1789 etc. Paris 1797, stelt de hoogte van den weg over deTourmaletiets lager dan het meerd’Oncetop dePic du Midi, welk meer men in dat werk in een plaat, de hoogte der bergen aanduidende, op omtrent 1200toisesgeteekend vindt.12Bastanbeteekend in de landtaal verwoester.13Het gezigt uit hetzelve naar den kant vanLuz, tegen hooge bergen is nog al teekenachtig.14Wanneer men omtrent den aard, de eigenschappen enz. van deze wateren meêr wil weten, kan men behalve de werken vanRamondenPasumot, waarvan hier voor reeds gesproken is, daar onder anderen nog op nazien een werk genaamd:Memoire sur les eaux minérales et établissemens thermeaux des Pyrenées etc. publié par ordre du Comité de Salut Public. Paris An 3.15Deze bergbewoners dragen bij koud en regenachtig weder, korte mantels van een bruinachtig soort van grof laken of pij, met een kap van dezelfde stof; de roodecapelettender vrouwen heb ik reeds beschreven. Van mijne geringe teekenkunde gebruik makende, heb ik een man en een vrouw in dat nog al zonderling gewaad voor u afgeschetst.16Men vindt in die rotsen ook veelAmiante, de inwoners noemen hetlinet, oflin incombustible(onverbrandbaar vlas) de langste vlokken uitzoekende, maken zij die nat, en weten ze dan tot bandjes enz. te vlechten, ook zeide men mij, dat zij ’er gebruik van maken, om in de lampen te branden. Men bood ’er mij van te koop aan teBarèges.17Alle snelle stroomen (torrens) worden hiergavegenaamd, en men voegt ’er doorgaans, om dezelve teonderscheiden, den naam van het dal daar zij doorloopen, of iets diergelijks bij, zoo alsle gave de Pau,le gave de Héas,le gave de Bastanetc.18Neouviellebeteekent in de landtaal oude sneeuw, omdat de toppen dier bergen, tot de hoogste derPyreneënbehoorende (zijnde nog hooger dan dePic du Midi) daar altijd mede bedekt zijn.19Gij weet dat dezelfde kwaal om en bijde Alpenheerscht, en aan dezelfde oorzaak, namelijk aan het bergwater, dat met kalk en aarddeelen bezwangerd is, wordt toegeschreven; niet alleen hetphysiekmaar ook hetmoreelgestel van den mensch schijnt daar door te lijden; want ik vernam, dat, overeenkomstig het geen men daar van bijRamonden anderen vindt aangeteekend, de lieden met kropgezwellen gekweld, doorgaans dom en log zijn. Gemelde schrijver spreekt ook van eenige huisgezinnen, welke men hier en daar in deze gebergtens vindt, die uit hoofde van een zeer oud vooroordeel, door de overige ingezetenen beschouwd worden, als tot een eerloos geslacht behoorende, en alzoo door hun worden geschuwd, en met verachting behandeld, hij noemt zeCagots. De kropgezwellen zijn onder hen vrij algemeen; doch naar ik met genoegen vernam, vermindert dit vooroordeel hoe langs hoe meêr, en men vindt zelfs weinige slagtoffers van deze dwaaze onregtvaardigheid meêr.20Het is een der hoogste toppen van dePyreneën.21VolgensRamondzijn ’er onder die wel 100 000 cubiek voeten groot zijn; ik heb dezelve niet nagemeten, doch dit weet ik, dat verscheidene van die stukken die hier, zoo als bij ons de keijen daar men de straten mede maakt, op elkanderen liggen, wanneer zij afzonderlijk in een dal geplaatst waren, al gnappe heuvels zouden schijnen.22In de landtaal wordt dezelvePeyradageheten.23Aldus genaamd naar den berg, daar hij afstroomt.24Of volgensRamondVallée d’Ossonë. Men vindt in zijnVoyages du Mont-perduvan die vallei melding gemaakt.25Du Perreuxlandschapschilder teParijs, omtrent te gelijker tijd met mij dePyreneënbezocht hebbende, heeft een fraaije schilderij van dat gezigt gemaakt, welke ook bij de laatsteexpositieteParijsten toon is gesteld geworden; van deze schilderij bekomt gij een teekening door denzelfden meester, die zeer gelijkende is. Gemeldedu Perreuxis reeds driemalen in dePyreneëngeweest, en bezit eene aanzienlijke verzameling van schilderstukken en gezichten door hem aldaar naar de natuur gemaald, zijn adres isrue du Montblanc, No 73. à Paris.26Deze fraaije boom ziet men vrij algemeen in deMeijerijvan’s Bosch, en ik heb mij altijd verwonderd, dat men ’er in de schoone beplantingen, die men inHollandzoo menigvuldig aantreft, geen meêr gebruik van maakt. In de zandgronden omHaarlem, ben ik verzekerd dat hij zeer goed zou groeijen.27Het worstelperk vanGavarnie.28De torens van Maboré, zij bebooren tot de allerhoogste bergen van dePyreneën. De top vanGavarniezigtbaar, is ruim 9800 voeten hoog, en de top van deMont-perdudie de hoogste van alle is, ruim 10 500 boven de oppervlakte der zee. (ZieRamondenPasumot.)29Twee vijfde volgensRamond. Het was een schoone straal, doch 1½ maand vroeger, wanneer de smelting der sneeuw het sterkste is, is zij veel zwaarder. De buitengewone sterke regen, dien men ook hier gehad had, maakte de toevloed van water echter thans nog aanmerkelijk.30Pasumotnoemt ze ookle Gave Bearnois, of van het land vanBearn.31Die van deNiagarainNoord-Amerikais 1800 voeten, die vanLauterbronnenis wel 300 voeten lager.32De sneeuwtoppen schijnen door een roodachtig licht, als het schijnsel van een gloed omgeven.—Lieden in deze streken gewoon, kennen de afstandeninde bergen aan de onderscheidene kleuren, doch vreemden bedriegen zich daar omtrent geweldig, want door de ontzaggelijke grootte gelijken zij altijd digter bij te wezen, dan zij in der daad zijn.33Ik ben verzekerd, dat zelfs de hardvochtigste en ongevoeligste menschen hier wel zorg voor hunne paarden dragen.Antoinevertelde mij, dat hij eenige jaren geleden, met een Engelschman hier naar toe gereden was, diein de vlaktens zijn paard sloeg en mishandelde, maar hier streelde, de vliegen van hetzelve verjaagde, en ’er alle zorg voor droeg.34Behalve deBreche de Roland, is ’er een andere en bruikbaarder bergweg, die menle port de Gavarnienoemt.Portbeteekent in ’t algemeen een doortogt, kloofofopening tusschen de bergen.35Ramondspreekt ’er ook van, doch zegt dat derzelver getal sedert 40 jaren, omdat ’er vele bosschen gekapt zijn, aanmerkelijk is verminderd.36TeParijsterug komende, vind ik bijPasumotechter van dit reuzengeslacht vrij omstandig melding gemaakt; de naam wordt daar zelfs bij opgegeven; en de laatste van dit geslacht moet nog maar 25 à 30 geleden, in den ouderdom van 108 à 110 jaren gestorven, en de doopceel enz. nog teLuzvoorhanden zijn. ’Er schijnen ook bewijzen te zijn, dat ’er in de begraafplaatsen van die reuzen, beenderen gevonden zijn van eene ongemeene grootte, onder anderen een sleutelbeen van 10 duimen, en eentibiavan bij de twee voeten.37Ik weet niet van ooit diergelijke zonnewijzers bij ons gezien te hebben; ondertusschen zouden zij ook van veel dienst voor onze landlieden kunnen wezen.38InFrankrijkis deze behandeling niet ongewoon.39Dit schijnt als een teeken van vlijt tot haar marktopschik te behooren, want ik zag ’er eenige, die ’er weinig gebruik van maakten.De schets, die ik van de kleeding der bergbewoners gemaakt had, niet voldoende zijnde, om ’er een plaatje naar te graveren, heeft een Landgenoot en kunstschilder alhier (teParijs) daar een aardige teekening naar gemaakt, waarop het vrouwtje spinnende verbeeld wordt. Gij kunt dezelve nu des goedvindende in het werk plaatsen. Deze schilderKnipgenaamd, en van’s Boschgeboortig, schildert zeer zoet landschappen in waterverf, welke wijze van schilderen deFranschenen gouachenoemen. Die jongman is bijzonder achtingwaardig om zijne ouderliefde: daar hij, hoewel zeer ijverig moetende werken om den kost te verdienen, gedurig een groot gedeelte van het geen hij wint, aan zijn bijna blinden vader in’s Boschtoezendt. Zijn zuster heeft hier ook eenigen tijd van den Heervan Spaandonckonderwijs in het bloemschilderen gehad, en is weder naar het Vaderland terug gekeerd, op hoop van daarmet bloemen en vruchten schilderen, waarin zij al vrij gnap is, den kost te zullen kunnen verdienen.40De Izard van dePyreneënen de Chamois van deAlpen, schijnen tot hetzelfde geslacht te behooren.41Dat is zeer onnoodig. Zoo scheen hij somtijds zeer onnoodig te vinden, dat wij aten, dronken of iets anders deden, dat in zich zelve zeer noodzakelijk was.

Bagnères, 14 September.

Wat heeft men hier een verscheidenheid van aangename wandelingen. Den 10 dezer ging ik door eene laan met Italiaansche populieren beplant, en tusschen de bergen doorloopende, tot aan het badhuis, dat menles Eaux de Salutnoemt, en dat naar gissing een kwartier van dit stadje afligt. Het gezigt van de ziekelijke en gebrekkige, die men op dezen weg ontmoet, en die veel in draagzetels gedragen worden, beneemt eenigzins het genoegelijke van deze anderzins zoo aangename wandeling. Behalve de baden, waar ik u reeds van gesproken heb, zijn ’er hier nog 12 of 14 anderen, waar van de graden van warmte verschillende zijn. Ik zal mij niet ophouden met u derzelver namen en bijzondere eigenschappen op te noemen, maar alleen zeggen, dat ’er een boekje van verscheidene bladzijden bestaat, waarin de namen, ouderdom, beroep, woonplaatsen, enz. te vinden zijn van eene menigte personen, die door de onderscheidene baden, of het inwendig gebruik der wateren vanBagnères, van onderscheidene kwalen, die daar bij worden opgegeven, zoo men zegt, genezen zijn. Anderen zeggen weder, dat de wateren vanBagnèresgenoegzaam geene genezendekracht hebben, en zoo dezelven al in sommige gevallen van nut kunnen zijn, zulks bijna alleen is toeteschrijven aan de warmte; welke graden van warmte eveneens aan het water kan gegeven worden op de gewone wijze. Teedere kleuren, zoo als lakmoes-blaauw, roze-rood enz. veranderen in dit water niet; het is ook zoo klaar als gewoon putwater, ten minste dat, hetwelk ik van verscheidene bronnen gezien heb; doch het plaatsje bestaat genoegzaam alleen van deze bronnen, het is dus geen wonder, dat men hier alles in het werk stelt, om ’er het gunstigst mogelijk denkbeeld van te geven, en alzoo aanhoudend volk te trekken, hoewel het spel misschien wel zoo vele klanten trekt als de bronnen. Terug komende vanles Eaux de Salut1, sloeg ik ter linker zijde een smal paadje in, dat onder langs den berg loopt, tot aan een kleine eenvoudige, doch met smaak versierde fontein, waar men zich op zodenbanken kan nederzetten; langs dit wegje, dat aangenaam beplant is, ruischt een helder beekje, en aan den overkant van hetzelve is eene frissche groene weide. Hier en daar zijn banken in de rots uitgekapt. Men kan zich in dien smaak niets aangenamers verbeelden.

Het voornaamste badhuis, dat men hier vindt,wat het gebouw aanbelangt, is dat, wat menFrascatinoemt. Uit nieuwsgierigheid gingen wij ons daar ook baden. Het is een vrij groot en gnap gebouw. In een’ ruimen gang zijn de ingangen van de kamertjes voor de baden; in sommige zijn ’er twee, doch in de meeste maar een. Deze baden, zijn bakken van wit marmer, zoo lang, breed en diep, dat het kloekste mensch ’er in en onder water liggen kan; uit twee kranen laat men ’er koud en warm water naar goedvinden inloopen, en in den bodem is een gat, waar men het, door ’er een stop uit te trekken, weder uitlaat. Ik maakte het water maar even laauw, zijnde alleen om mij te wasschen, anders blijft men ’er doorgaans een half uur in; sommige nemen zelfs een boek, om in het bad liggende, te lezen. Men heeft hier ook Dampbaden endouches2. Achter dit gebouw is een tuintje, waar langs een beek stroomt. Boven zijn eenige zalen om te dansen en te spelen. Het gebruik van zo een bad kost hier niet meêr dan 15sols, doch men moet de handdoeken enz. medebrengen. Het huis, waar wij wonen, staat hier digt bij; men raadde mij dan ook zeer aan, vernemende dat ik somwijlen aan jichtpijnen onderhevig was, om aanhoudend de warme baden alhier te gebruiken, en braaf waterte drinken3; doch ook vooral ten opzigte van de geneeskunde niet zeer ligtgeloovig zijnde, had ik hier in ’t geheel geen zin in, en vooral niet omdat ik thans zoo gezond ben, als ik zou kunnen verlangen.

Hier is ook een overdekte marktplaats (halle), waar men onderscheidene soorten van kramen vindt, als op een kleine kermis. Men verkoopt daar een mooi en goed soort van gebreide vrouwen halsdoeken, mans hemdrokken of kamizolen, tafelkleedjes, en zelfs beddespreijen van fijne Spaansche wol, gekleurd of wit, ik zag die nergens zoo als hier, en kocht daarom een kamizool met mouwen ’er aan, daar ik £ 13–:–: voor gaf. Deze soort van goed wordt hier niet alleen verkocht, maar ook gemaakt, en zoo om de deugdzame hoedanigheid, als om den smaak, waarmede het gewerkt is, veel gezocht.

’s Avonds was ’er bal en concert inFrascati, de zaal is fraai en ruim, aan het eind van dezelve is een klein tooneel, dat tevens voor het orchest als ’er concert is, dient; ’er was veelbeau monde4,en pracht en opschik genoeg, doch naar evenredigheid weinig mooije vrouwen.—Welk een onderscheid tusschen de hut van een’ bergbewoner en deze zaal! en zij liggen omtrent maar een kwartier van elkanderen. Men ziet hier ook nog andere ruime vertrekken, alwaar men speelt of ververschingen gebruikt: dobbelspel zag ik ’er echter niet, hoewel het ’er anders, naar ik vernam, ook wel gespeeld wordt. Ieder hield zich nu meest met dansen, of het vertellen van zoetigheden aan de vrouwen bezig. In een van de vertrekken hingen eenige teekeningen van gezigten in deeze landstreek.

Daar ons voornemen was, om den volgenden morgen vroegtijdig een reisje in de gebergtens te maken, hielden wij ons hier niet lang op.

Den 11 dezer, ’s morgens om 6 uren, vertrokken wij op kleine paardjes, die aan het berg klimmen gewoon zijn, en van een geleider (guide) verzeld.

Schooner vallei dan die vanCampan(la vallée de Campan) kan men zich naauwelijks verbeelden. Even buitenBagnèreskomt men daar in, en indien ’er eenArgusbestondt, zou men hem hier zijne oogen benijden. Men weet niet, waar men beginnen zal met beschouwen, met de frissche beemden, welker boorden door deAdourbespoeld worden, en waarinmen dan eenige maaijers of hooijers, en dan weder eenig vee ziet, met de eenvoudige maar bevallige tuinen en kleine boschjes, met de nette en wel gelegen woningen bij dezelven, met de steile rotsen aan den eenen, of de groene heuvelen met weidende kudde aan den anderen kant. Alles is hier zoo belangrijk, dat men aanhoudend bevreesd is van ’er iets van te zullen missen. De ProosdijSt. Paulus, (St. Paul) tusschenBaudeauenCampan, op eene kleine hoogte ter regter zijde gelegen, maakt ook eene schilderachtige vertooning. Even aan den anderen kant van dat dorp, waar naar deze vallei genoemd is, vroeg onze leidsman, of wij de spelonk (la grotte de Campan), die een eindje van den weg, in den voet van de bergen, aan de linkerhand is, wilden gaan zien; doch ik was onderrigt, dat ’er in deze spelonk niet veel bijzonders was, en destalactitesvankalkaardigalbast, die ’er gevonden werd, ’er van tijd tot tijd, door Natuurkundigen, bloote nieuwsgierigen, en zelfs door de boeren hier omstreeks, die ze verkoopen, meestal waren uitgenomen. Wij verkozen dan niet om ons hierom optehouden, maar vervolgden onzen weg. Naauwelijks waren wij eenige schreden gevorderd, of twee à drie kinderen kwamen ons naloopen, en kristallen, zoo als zij het noemen, uit de grot te koop aanbieden. De landstreek blijft aanhoudend schoon, en van alle kanten levert de natuur de liefelijkste Tooneelen op. De bergen zijn hier en daar met bosch geheel bedekt, tusschen beide maken de hutten der herders op dezelveneene aardige vertooning. In 1772 opende zich in de bedding van deAdourhier omstreeks een kolk, die, gedurende vieren twintig uren, den droom geheel verzwolg, zoo dat de rivier tot aan dit gat droog was, vervolgens raakte deze kolk vol, en het water stroomde als voorheen. Men heeft opgemerkt, dat het water in dit hol onder den grond doorloopende, niet ver vanBagnèresweder uitkwam.

Van het dorpSt. Marievalt niets te zeggen, dan dat het eene aangename verzameling is van boerenwoningen, niet als een bekrompen straat tegen elkanderen gebouwd; maar luchtig uit een gelegen, en ieder huis genoegzaam van weilanden en tuinen omringd. Deze schakel van woningen strekt zich op die wijze uit tot voorbijGrippe, een ander dorp een uurtje verder gelegen. Hier vindt men een vrij goede herberg; wij zetten ’er onze paarden wat op stal, en lieten ons wat melk, brood, versche boter, die hier zeer goed is, en kaas geven. Van een bovenkamer, die men ons had aangewezen, hadden wij gelegenheid om ons met het schoone gezigt over de vallei, nog eens ter deeg te verlustigen. Het was hier zindelijk en net. De welvaart zonder pracht straalt in deze streek overal door. Bij dit huis was een tuin met verscheidene goede vruchtboomen, en zelfs een kleine vijver, waar door het water aanhoudend stroomde, en waarin wij verscheidene forellen zagen. Een uurtje van hier zijn marmergroeven. Nu wordt het dal allengskensenger, wij zagen de hooge bergen, die wij overtrekken moesten, voor ons, en hier begonnen wij reeds te klimmen. De Natuur vergast daar het vorschend oog weder op een heerlijk gezigt; doch van een anderen aard dan in de vallei. Links en regts zijn de bergen met pijnboomen bedekt, en deAdourmaakt hier eenen schoonen waterval, van twee of drie verdiepingen. Het water, tusschen de digt aan een gesloten rotsen doorbruischende, veroorzaakt een verbazend geruisch. De kegelvormige bergl’Escalette5vertoonde zich voor ons. Altijd klimmende, bereikten wij eene aanmerkelijke hoogte, onze paarden nu en dan leidende, om dezelve niet te veel te vermoeijen. Ondertusschen hadden wij voor en ter zijde nog hooge bergen; zoo dat men dezelve aanziende, zich zou kunnen verbeelden van beneden te zijn. Tegen de steile hellingen van sommige dier bergen, ver boven ons hoofd, zagen wij verscheidene geiten en schapen; wat verder graasden ook eenige koeijen, alle van klokjes voorzien, op dat de herder, wanneer zij afdwalen, dezelve wederom zou kunnen vinden: ook zegt men, dat dit geluid de wolven, die hier in ’t geheel niet zeldzaam zijn, afschrikt. Aanhoudend langs een gansch niet gemaklijken weg stijgende, bereikten wij den grooten en prachtigen watervalvanTramésaigues(Cascade de Tramésaigues) waar van de stroom, tusschen een bosch van pijn- of denneboomen doorkomende, zich met geweld van de rots in een aanmerkelijke diepte, langs eenige trappen, nederstort. Hier stapten wij van onze paarden, en klommen langs de steile helling van den berg naast den waterval, zoo ver wij komen konden, af.—Die zoo iets gezien heeft, geloof ik niet, dat ligt in verzoeking zal geraken, om in boschjes of lusthoven, watervallen door gemetselde beken stroomende, en van gemaakte rotsen afloopende, te maken. Ik weet, dat ’er inZwitserland,Italië, en zelfs niet ver van hier watervallen zijn, die van veel hooger bergen of rotsen op eenmaal afstorten. Ongetwijfeld leveren zij een ontzaggelijker en grootscher vertooning op; doch zij missen dan ook het streelende en bevallige van deze. Een groot gedeelte van den nederstortenden stroom wordt hier door de dennen, die ’er langs de helling van de rots naast staan, beschaduwd, en het schuimende water maakt tegen dat donkere groen eene heerlijke vertooning. Als men ’er digt bij staat, heeft men moeite, door het sterke gedruisch, om elkanderen te verstaan; doch men wordt ’er, wanneer het warm is, zoo als heden het geval was, ook alleraangenaamst verkwikt door de frissche lucht. Na hier een poosje te hebben gerust, zagen wij een eindje hooger opklimmende, en den waterval aan de linkerhand latende, de herders- en veehoeders-hutten vanTramésaigues6.—Wiezou hier woningen voor menschen zoeken; doch men kan het ook naauwelijks woningen noemen. Een klein vierkant perk van op een gezette brokken steen gemaakt, en met platte steenen en graszoden gedekt, dient om het vee tegen het ongunstige weder, en tegen de aanvallen der beeren en wolven te beschutten; in een hoek van dit perk is een afgezonderd hokje voor den herder; alles is niet hooger en ruimer dan volstrekt noodzakelijk is. Eenige diergelijke hutten maken hier een klein gehuchtje uit. De stroom die van dePic du Midiafloopt, slingert tusschen deze hutten door, en maakt vervolgens den schoonen waterval.—Hier wonen menschen, en in het kasteel derTuillerienteParijswoonen ook menschen.... De herders waren thans met het grootste deel van hun vee in de bergen, en wij zagen ’er niet anders dan een paar koeitjes, die tegen de wanden van hun’ eenvoudigen stal lagen te herkaauwen. De grond, daar aanhoudend besproeid zijnde, is hier en daar met een aangenaam groen tapijt bekleed. Men ziet hier ook een’ hoekigen blok granit, door de natuur aardig gevormd, boven den grond uitsteken7. Achter ons omziende, zagenwij langs de aanmerkelijke hoogte, die wij opgeklommen waren, in de laagte, die zich als een ruim dal vertoonde, een vrouw te paard gezeten; en met een roode kap op, volgde zij ons van verre, en scheen niet te schromen om dezen togt alleen te ondernemen. Wij meenden al wel geklommen te hebben, en waren echter nog op verre na niet op het hoogste punt, dat wij over te stijgen hadden. Door een scheiding van de bergen aan onze regterhand, of in het noord-oosten, ziet men, bij de hutten vanTramésaigueszijnde, die ontzaggelijkePic du Midi, die een der hoogste bergen van dePyreneënis, zich met aardige vlakken, door de valling van het licht veroorzaakt, vertoonende8. Zij heeft eene niet zeer langwerpige, kegelvormige gedaante, van hier te zien, en scheen niet ver van ons af te zijn; ondertusschen verzekerde onze leidsman, dat wij ’er (gesteld men kon ’er in een regte lijn naar toekomen) nog ruim een uur gaans af waren. De gewone weg, voor hun die dezen berg, welks top boven de oppervlakte der zee, op ruim 9000 voeten, of 1500toisesbegroot wordt, willen bestijgen, is door de vallei, waar men hier door ziet. Het was nu omtrent half twaalf voor den middag9. Deze hutten verlatende, gingen wij den top van deEscalette, en vervolgens deTourmaletbestijgen; onze goede dieren hadden daar nog wat aan te doen, en het was, hoewel hier veel luchtiger dan in de valleijen, echter te warm, om te voet te gaan, voor lieden, die zulk klimmen niet gewoon zijn. Hier begint het ’er woester uittezien; geen denneboomen, weinig gras en kruiden meêr. Overal liggen stukken en brokken steen, die van de naburige hoogtens schijnen afgerold. Welk eene hoogte! en evenwel ziet men dePic du Midinog altijd als een hoogen berg aan zijne zijde. Toen wij bijna de hoogte van deTourmalet, die wij over moesten, bereikt hadden, zagen wij het water, dat onze geleiderl’Eau d’Oncet10noemde, langs dePic du Midiafloopen; dit water maakt in het dal, naar den kant vanBarèges, zich met meêr andere stroomen vereenigende, een klein riviertje, datle Bastangenaamd wordt; welks loop geheel het tegengestelde is van deAdour, dat is te zeggen van het noord-oosten naar het zuid-westen. De helling van deTourmalet, die wij af moesten klimmen, is vrij steil; doch het smalle wegje loopt met slingers onder elkanderen. Hier stapten wij van onze paarden af, en leidden dezelve bij den toom achter elkanderen volgende. Alles is hier woest en ontzaggelijk; voor zich ziet men in de vallei vanBastan,als in eene vreesselijke diepte. Het water op stukken en brokken rots van boven neder stroomende, ruischt aanhoudend. Boven de verheven toppen der bergen zagen wij de arenden zweven. Hadden wij den weg in het opklimmen niet gemakkelijk gevonden, hier was ’er in het afstijgen ook niet op te roemen; ondertusschen viel het mij, naar het geen men ’er mij van verteld had, aanmerkelijk mede. Eindelijk kwamen wij in een dal, en vervolgens aan eenige schrale weiden, veel verschillende van die in het dal vanCampan. Beneden zijnde, zagen wij achter ons om, om de steile hoogte, die wij afgeklommen waren, te beschouwen; zij is verbazende. Men begroot die hoogte, boven de oppervlakte der zee, op omtrent 7000 voeten11. De bergen, of liever steile rotsen, welke dit dal omgeven, zijn niet met boomen en weiden bedekt, zoo als die van het dal vanCampan. Men ziet ’er genoegzaam geen struikje, zoo min in het dal als op de hoogtens, alles ziet ’er naar en treurig uit. DeBastanstroomt niet zoo als deAdourlangs groene weiden, maar rolt hier met een woest gedruisch geweldig over de brokken steen, die zij zelve medevoert, of die van de omliggendesteiltens in dit dal afrollen. Hier en daar ziet men een magere weide, die eerder rosachtig dan groen ziet, en waarop eenige kwijnende koeijen het laatste grasscheutje nog loopen zoeken. Het onderscheid tusschen het dal vanCampanen dat vanBastan, slechts door de bergen, die wij overgekomen waren, van elkanderen gescheiden, is waarlijk ontzettend. Daar heeft de natuur genoegzaam geene menschelijke hulp noodig, en hier zijn alle menschelijke krachten vereenigd, niet toereikende, om ’er maar een redelijk vruchtbaar land van te maken. De stroom zelve, door het smelten der sneeuw of stortregens zeer sterk zijnde, verwoest dikwijls de gronden, die zij moest voeden, en voert de weinige vruchtbare aarde, die hier en daar deze steenachtige bodem nog bekleedt, mede, of bedekt dezelve met steenen. Woningen en bewoners hebben een ellendig voorkomen, en alles doet zien, dat dit dal weinig geschikt is om door menschen bewoond te worden. Na een eind wegs in hetzelve te hebben afgelegd, moesten wij weder klimmen, en reden over het steenen dak van eene woning, die half in den grond gemaakt was, heen. Eindelijk na weder vrij wat gestegen te zijn, zagen wij in eene enge diepte tusschen de rotsen ter zijde van deBastan12, de huizen vanBarèges, en kwamen ’er langs een smal wegje, tegen eene steille helling bijna boven de huizen in, het was als of wij ’er door de schoorsteenenin moesten komen. Het was omtrent 3 uren na den middag, toen wij aankwamen, en wij hadden ons onder weg wel 1½ uur opgehouden, en anders altijd gegaan of stapvoets gereden, zoo dat ik reken, dat men bijna 7 uren nodig heeft, om die reis te doen, wanneer men zich niet ophoudt, ten zij men goedvindt, om vanBagnèrestotGrippede paarden te laten draven.

Men ging in onze herberg kort na onze aankomst aan tafel, het geen voor ons, die vrij hongerig waren, zeer van pas kwam. De spijszaal bestond slechts uit een houten loots; eenige huizen over en naast dezelve, waren op dezelfde wijze gebouwd, zijnde maar voor eenige zomermaanden opgeslagen; omdat de steenen huizen, die hier gestaan hebben, al een en andermaal door het nederstorten van de sneeuw, de brokken steen die zij medevoert, en de overstrooming van deBastanverwoest geworden zijnde, men de moeite en kosten niet meêr doen wil, om ze op te bouwen. Tot onze verwondering vonden wij in deze woeste en onvruchtbare landstreek eene vrij goed middagmaal, onder anderen een geregt van klipgeiten (Izards), vleesch, dat ik zeer lekker vond, en hier voor de eerste maal at; de wijn was ook wel genoeg, en altans veel beter als teBagnères. Wij aten met eenige kreupelen en lammen, waaronder een paar Offiçieren, die hier de baden gebruikten, de Apotheker van de plaats enz. en evenwel was men zeer vrolijk aan tafel. Ik was verwonderd over de ongemeene oplettende gedienstigheidvan den Apotheker omtrent ons, doch welhaast begreep ik ’er de reden van; hoewel wij ’er niet ziekelijk uitzagen, verbeeldde zich die goede man, dat wij ter genezing van eene of andere kwaal hier naar toekwamen, en beschouwde ons dus als nieuwe klanten. Onder de gasten bevond zich een man van omtrent dertig jaren, die een verlamming in de beenen had, en, vanBruggeinVlaanderenzijnde, blijde was van in ons halve landslieden aantetreffen. Na den maaltijd hadden wijBarègeswelhaast gezien; het is slechts een enkele straat langs deBastan; aan het eene eind daar wij onze kamers hadden, zijnde wat hooger op dan daar, waar de houten lootsen staan, zijn eenige goede huizen, en lager een badhuis, dat een vrij gnap gebouw schijnt; voor het overige is ’er in dit plaatsje niets dan ellende te zien13. In ’t geheel zijn ’er vier of vijf mineraal-bronnen teBarèges, in warmte onderscheiden, de hoogste bereikt 39, en de minste 27 graden, schaal vanRéaumur. Deze wateren bevatten volgens waarnemingen van verscheiden deskundigen, meêr, ter genezing van sommige kwalen, heilzame stoffen, dan die vanBagnères, bestaande voornamelijk uit zwavellever,hepar sulfuris,nitrum, zeezout, een kalkachtige, en een leemachtige aarde, en een smerige of zeepachtige stof. Deze wateren worden even als teBagnèresuit- eninwendig gebruikt14. Ik zag hier veel verminkte ziekelijke, of gebrekkelijke krijgslieden; ook waren ’er eenigeEngelschehuishoudens. De luchtgesteldheid is ’er over het algemeen onaangenaam: tot in Julij toe kan het ’er somtijds koud en regenachtig zijn; veeltijds dondert het ’er geheele dagen. De wolken tusschen de bergen blijvende hangen, veroorzaken een’ dikken mist, en men ziet ’er somtijds om dezen tijd van het jaar al sneeuw. Ook wordt deze plaats niet anders bewoond dan in den tijd, dat men de wateren gebruikt, dat is van half Mei tot het begin van October; den overigen tijd blijven ’er niet meêr dan vier of vijf menschen, om zorg te dragen voor de huizen, en het weinige, dat men ’er in laat. De andere menschen gaan naar de omliggende plaatsen, vooral naarLuz, een vlek omtrent anderhalf uur van hier gelegen. De weg naar den kant vanLuzlevert gansch geene onaangename wandeling op: men ziet ’er tegen de helling der bergen, of aan de boorden van deBastan, nog eenige weilanden en akkers, die niet geploegd of gespit, maar met eene soort van houweelen bewerktworden, om ’er wat rogge op te telen; hier en daar staan zelfs nog al eenige struiken en boomen, en bij de hutten, die men ’er aantreft, zijn nog al tuintjes, waarin ik echter niet veel anders dan koolen en boonen zag staan. Ik ging omtrent een half uurtje vanBarègesin zulk een hut, die door een soort van veehoeder, zijne vrouw en verscheidene kinderen bewoond werd. De man, zoo als hij mij vertelde, in zijne jeugd soldaat geweest zijnde, sprak nog al watFransch, en ik had daar door gelegenheid, om mij met hem te onderhouden. Deze naar het scheen goede en eenvoudige lieden, gebruikten alles bijna, wat hun vee en akkertje opbragt, en hadden niets anders te verkoopen, dan een weinig gesponnen wol, hoenderen en eijeren, die zij teBarègester markt bragten, en het geld dat daar van kwam diende, om eenige onontbeerlijke dingen, zoo als zout, eenige weinige kleedingstoffen enz. te koopen15. De man vertelde mij ook, dat hij gaarne een pijp tabak rookte; wat de huisraad aanbelangt, ik zag ’er genoegzaam niets anders dan het geen volstrekt noodzaaklijk was. Zes maanden van hetjaar wonen deze menschen dikwijls onder de sneeuw, zoo dat zij naauwelijks een voetpaadje kunnen maken, om hun vee te geleiden, om te drinken. Hoewel de bewoners van deze streken ’er over het algemeen niet bevallig uitzien, zijn zij gezond, en men treft onder hen vele oude lieden aan; echter heb ik opgemerkt, dat ’er in deze geheele bergachtige landstreek, en zelfs aan den anderen kant vanBagnères, verscheidene vrouwen kropgezwellen hebben. Ik gaf eenigesolsaan de kinderen, en zij bragten mij ’er een paar kleine stukjes rots (cristal) voor in de plaats; de herders of jagers vinden dat in de hooge spleten der rotsen hier omstreeks, doch het is ’er niet overvloedig, en wordt daarom bij de bergbewoners nog al geacht16. Die kinderen gingen in ’t geheel niet school; een Pastoor of Kapellaan leerde ze slechts een weinig den Katechismus. Vele onzerMeijerijschelandlieden zijn eenvoudig en ongeleerd, maar het zijn nog Professoren in vergelijking van deze lieden; vooral van die, welke afgezonderd in de bergen wonen. In het wederom keeren naarBarèges, ontmoette ik een fraaije koets met Heerenen Dames ’er in, en liverei bediendens ’er voor en achter op; het waren ziekelijke of gebrekkige rijken, die hier hunne gezondheid door middel van de wateren weder trachten bij een te lappen. Hadden zij altijd in de hut, waar uit ik kwam, gewoond, misschien zouden zij gezonder zijn.

Op sommige plaatsen is deBastanhier in ’t geheel niet diep, ik zette mij, van het eene stuk steen op het andere, stappende, op een brok rots in dezelve gelegen, neder; het water bruischte om mij heên; men ziet hier duidelijk het hellen van de bedding van dit riviertje. Rondom leverde de bergen en rotsen een niet onaardig gezigt op, en de avondstond was regt aangenaam.

TeBarègesterug gekeerd, gingen wij in een soort van Koffijhuis, dat ook in een houten loots is; het dient tevens voor een dans- en concertzaal, doch het zag ’er thans akelig uit; naauwelijks waren ’er zes of acht menschen, zij zaten te spelen, en ’er brandden twee of drie kaarsen. Wij begrepen dan, dat wij niets zouden verzuimen met te gaan slapen, om, wel uitgerust, morgen vroegtijdig van hier te vertrekken.

Den 12 dezer. Gisteren avond werd ik door het gedruisch van deBastandat ik op mijn bed, duidelijk hooren kon, in slaap gesust.—Het was nog donker, toen men mij kwam zeggen, dat wij alvorens te vertrekken, onze paspoorten hier moesten vertoonen en doen teekenen; hier over was ik niet zeer te vreden, vreezende, dat ons dat ophoudenzou; doch de Commissaris van de Politie had de beleefdheid om terstond optestaan, en mij te regt te helpen. Het scheen of men ons hier voorEngelschenhad aangezien, en veronderstelde, dat wij, krijgsgevangenen zijnde, wel eens over de grenzen zouden kunnen gaan. Wij reden dan ten vijf uren af. Onze leidsman verhaalde mij, dat hij volgens gewoonte, een soort van verlofbriefje had gehaald, om met de paarden tot deSpaanschegrenzen te mogen gaan, en borg gesteld om den uitvoer van dezelven te verhoeden; echter daar men hem kende, was men hier omtrent nog al gemakkelijk. Gedurende de maanden, datBarègesbewoond, en door een menigte vreemdelingen, die de wateren komen gebruiken, bezocht wordt, komt ’er behalve een Commissaris van de Policie, eene Compagnie oude krijgslieden (invalides) van het stadjeLourde.

Het was schoon helder weder, dat voor een reis in deze bergen van zeer belang is en om het gezigt en om de wegen, die hier en daar zeer smal zijnde, bij sterke regenvlagen door de steenen, of het steengruis, dat dan van de bergen rolt, en door de glibberigheid ongemakkelijk en gevaarlijk zijn.

De weg totLuz, den stroom van deBastanvolgende, is zelfs voor rijtuigen redelijk goed, en wat de gezigten aanbelangt, hoewel tusschen de bergen bepaald, niet onaangenaam; men ziet ’er nog al groen. Deze is de groote of postweg naarBarèges. BijLuzwordt het gezigt zeer schilderachtig; men ziet daar meêr boomen, en de nog aanzienlijke overblijfselsvan het oude kasteelSt. Marie, op eene op zich zelven staande steile rots, aan het inkomen van een schoon dal gelegen, en deBastandaar langs stroomende. Dit kasteel was in vroegere tijden eene sterkte, die wegens de Koningen vanFrankrijkmet krijgsbenden bezet werd; onder anderen ook, om de invallen der Mooren en derSpanjaardentegentegaan. Het dal vanLuz, hoewel juist niet zoo vruchtbaar als dat vanCampan, en ook minder uitgestrekt, levert toch ook een zeer aangenaam gezigt op. DeBastanminder woest en snel, omdat de grond gelijker is, stroomt door frissche groene weiden; behalveLuzziet men ’er verscheidene aardige en digt bij elkanderen gelegen dorpjes. De bergen rondom zijn met houtgewas, en gras of kruiden bedekt, en in het flaauwe verschiet ziet men hier en daar eenige ontzaggelijke toppen boven dezelve uitsteken. Wat verder op in dit dal, vereenigt zich deBastanmet deGave17. TeLuzhielden wij ons een poosje op, om te ontbijten. De herberg behoort aan denzelfden man, bij wien wij teBarègesgeweest, en waar wij wel over te vreden waren, hoe zeer alles teBarègesduur is, omdat het land zelf genoegzaam niets oplevert, en alles ’er alzoovan andere plaatsen naar toe moet gebragt worden; de zoon en dochter van dien man,Flamandgenaamd, namen hier de zaken zomers alleen waar. Wij huurden hier ook nog een paard voor onzen leidsman, en na het avondmaal, bedden, enz. besteld te hebben, begaven wij ons naar den waterval vanGavarniop reis.Luzschijnt een vrij gnap plaatsje, en is alleraangenaamst gelegen. Van daar af tot bijSt. Sauveur, loopt de weg nog door een aangenaam dal, maar dan begint men te klimmen, latende deGaveaan de regterhand. Hier ligt een brug over dien stroom, om naarSt. Sauveur, dat men aan den overkant laat liggen, te gaan. Dat plaatsje bestaande uit omtrent 20 huizen, meestal voor de baden dienende, en tegen de steile helling van een groenen berg, hier en daar met boomen en struiken beplant, gelegen, maakt eene allerliefste vertooning. Aan de linkerhand heeft men steile rotsen, tegen welker helling (hoewel het naauwelijks eene helling mag genaamd worden) de smalle weg gemaakt is.St. Sauveurvoorbij zijnde is die weg door eenige boomen en struiken, tegen de steilte geplant, aangenaam beschaduwd. Aan de regterzijde hoort men deGavein een diepte, hier en daar door dikke struiken bedekt, ruisschen. De bergen worden hooger en steiler, en de diepte hoe langer hoe ontzaggelijker. Onze leidsman (dien ik in ’t vervolgAntoinezal noemen) waarschuwde ons, dat wij welhaast aan een zeer smal padje moesten komen, daar wij, voorzigtigheidshalve,wel zouden doen om van de paarden aftestappen. Hij noemde ditun mauvais pas. Dit padje was hier en daar geen drie voeten breed, tegen een zeer steile rots boven een afgrijsselijke diepte uitgehouwen.Antoineraadde ons, om niet regts te zien, en ik volgde zijn’ raad. De rotsen, waar deGavebulderende tusschen doorloopt, zijn zoo steil, en staan zoo digt bij elkander, dat men tusschen twee vreesselijke hooge muren zeer eng schijnt ingesloten; de zonnestralen hadden hier thans geen’ toegang; het licht valt ’er alleen van boven loodregt in, en dit alles maakt het nog akeliger. De paarden zelfs hoewel aan diergelijke wegen gewoon, gaan met den neus op den grond, en voelen eerst met een soort van huivering, eer zij hunne voeten nederzetten. Men spreekt niet tegen elkander; ieder is hier alleen op zich zelven bedacht; geen wonder, men behoeft slechts te struikelen, om in de diepte te morselen te vallen. En ondertusschen had het gevoel, dat ik in dezen toestand gewaar werd, meêr van het aangename dan van het onaangename. Het grootsche, ongewone, en daar bij het liefelijk schoone, want de rotsen zijn veelal van onderen tot boven met boomen en struiken bedekt, veroorzaken eene streelende bewondering, die de ongerustheid aanmerkelijk verdoofdt. Nog vreemder vertooningen te gemoet ziende, wordt men door nieuwsgierigheid gedurig aangespoord en opgewakkerd; en laten wij ter goeder trouw zijn, de hoogmoed en eerzucht heeft aan alle diergelijke ondernemingen ook vrij watdeel. Dit zoo smalle wegje was maar kort, en wij zetten ons weder te paard; nu was het pad zoo breed, dat wij eene vrouw, die een ezel met wol geladen voor zich heen dreef, voorbij konden laten. Zij ging dit voortbrengsel van hare kudde teLuzverkoopen, en spon gedurig op de plaatsen, waar denwegniet al te smal en moeijelijk was. Een eind wegs verder heeft men een pad, altijd niet veel breeder dan volstrekt noodig is, boven een diepte van 80 à 100 voeten in de harde rots uitgehouwen, en hier en daar met stukken steen op een gezet, gemaakt; dit werk, dat niet zonder zwaren arbeid geschied is, werd in 1762 uitgevoerd. Voor dien tijd verongelukten hier veeltijds menschen en vee, en men moet ’er nog zeer voorzigtig zijn. Deze toegang wordtle passage de l’Echellegenaamd, omdat hier in vroegere tijden een kleine sterke toren plagt te staan, waar men tegen de rotsen op, als tegen een ladder, naar toe moest klimmen; zij was met krijgsvolk bezet, en diende om de invallen en strooperijen aan deze grenzen te beletten. In het begin van de vorige eeuw was zij nog van veel dienst tegen eene soort van roovers en vrijbuiters uit het landschapArragon, die menles Miqueletsnoemt.

Barèges.Barèges.

Barèges.

Omtrent een kwartier verder, ziet men aan den anderen kant van deGave, en in de laagte het gehuchtjeSia, bestaande in eenige woningen, die door eenige groote boomen beschaduwd worden. Nu loopt den weg eenklaps af, tot aan een steenen brug over deGaveliggende, eer men op de brug gaat,heeft men aan de regterhand eene bron, waar uit het frissche en heldere water aanhoudend in een’ steenen bak loopt.Antoinenoemde deze bronla Fontaine de halte, omdat men gewoon is om daar een oogenblik te rusten, en menschen en vee ’er zich door een’ koelen dronk verfrisschen. Wij dronken dan ook met onze paarden als lotgenooten, slurpende uit denzelfden bak. En nu gingen wij de brug over: zij bestaat uit een enkelen boog tusschen twee digt bij elkanderen staande rotsen gemaakt, en omtrent 90 voeten boven den stroom verheven. Van deze brug, die met mosch en klimop bewassen is, heeft men een heerlijk gezigt op eenen schoonen waterval, die door deGave, door eene enge opening tusschen twee rotsen doorloopende, gemaakt wordt, en waar over de takken der struiken, die in de spleten van die rotsen groeijen, bevallig heen zwieren. Deze brug wordtle pont l’Artiguegenaamd. Het water loopt ’er met eene vreesselijke vaart onder door. DeGaveaan de regterhand latende, klimt men langs een wegje, dat niet breeder is als aan den anderen kant, weder op. Men gaat onder de over den weg hangende rotsen door, vervolgens daalt men weder digter naar den stroom af; de natuur is hier woester, en men ziet ’er weinig groen. Op de hoogte, bijna zoo ver dat ik de voorwerpen naauwelijks kon onderscheiden, zag ik een herder met eenig vee en schapen. Hier en daar ziet men ook eene enkele hut. Over een houten brug, die nog al lang zijnde, in het middendoor een brok granit, dat midden in den stroom door de natuur geplaatst is, ondersteund wordt, kwamen wij weder aan den anderen kant van deGave, en van daar ziet men, een eind wegs opgeklommen zijnde, een’ waterval van een enkelen straal van een groene rots aan den overkant in de diepte storten, en deze straal water had thans dezelfde kleuren als een regenboog. Dit gezigt was verrukkelijk. Van de toppen der bergen ziet men ook het water als slingerende beken afstroomen. Hier is de weg niet verschrikkelijk meêr, maar integendeel alleraangenaamst; langs denzelven staan heggen van palm, en men gaat onder groene gewelven, door noten- en andere boomen gemaakt, door. Op zeer verheven en ijsselijke steiltens, zagen wij de koeijen gerust weiden. Eer dat men tePragnères, een alleraangenaamst gelegen dorp, in het midden van een groen dal, komt, gaat men door een stroom ofGave, die menle Gave de Pragnèresnoemt. Deze stroom komt van de bergenNeouviellegeheeten18, omdat ’er altijd sneeuw ligt, en wordt door die aanhoudend smeltende sneeuw veroorzaakt; zij vereenigt zich het dal doorslingerende met deGave, daar onze weg langs loopt.Pragnèresligt omtrent 1½ uur vanLuz. Tot nu toe hadden wijaltijd tusschen de bergen ingesloten geweest, en waren blijde, van ons eens in een ruim dal te bevinden. De huizen zien ’er hier over het algemeen gnap uit, en men kan zien, dat het den menschen in dezen afgezonderden staat niet kwalijk gaat: eenige kinderen, die voor de huizen onder de boomen, die ’er voor stonden, lagen te spelen, zagen ’er frisch uit. Ik zag hier weder een vrouw met een vrij groot kropgezwel (Goitre)19. Deze in der daad bekoorlijke vlakte verlatende, klommen wij meêr langs deGaveop. De weg is hier, hoewel altijd smal, dan hoog en dan laag, echter vrij goed, en veelal aangenaambeschaduwd, en met heggen van palm, die hier en daar vrij hoog en zwaar is, bezet. De landstreek verliest weder veel van zijne bevalligheid. Men ziet den bergComelie, die eene schoone vertooning maakt, voor zich. De natuur wordt weder vriendelijker. DeGavestroomt minder geweldig; hier en daar vertoonen zich eenige woningen; een nieuw dal opent zich, en wij naderden het dorpGedroofGedre.Antoinedeed ons in het verschiet den met sneeuw bedekten top van den berg, dien menMarboré20noemt, opmerken. Hier las ik op een bord voor een huis geplaatstDouanes Nationales. Wie zou in deze bergen een tolhuis zoeken; ondertusschen worden ’er op paarden en muilezels tusschen dezelve door, nog al eenige goederen in en uitSpanjegebragt, en de smokkelaars stellen zich veeltijds aan nog gevaarlijker wegen, dan men hier aantreft, bloot. Men komt over een brug, die over den stroom ligt, welke menle Gave de Héasnoemt, omdat zij door het dal van dien naam loopt. Van daar ziet men tusschen de rotsen in de diepte, een soort van hol, waar het water uitstroomt, zijnde van boven door takken en struiken zeer digt gedekt, zoo dat het licht ’er naauwelijks door schijnt. De stroom maakt ’er een kleinen waterval, en dit groene gewelf noemt men niet zeer eigenlijk dunkt mijla Grotte de Gedre. Men kan ’er uit een huis dat bij deze brug staat bijkomen. In een ander oord zoudeze zoogenaamde grot, zeker eene aardige en romaneske vertooning maken; doch hier, daar de natuur zoo vele groote en verbazende schoonheden oplevert, scheen zij mij minder belangrijk.

Gedre, en het bekoorlijk dal van dien naam, ligt aan den voet van den bergComelie, omtrent 3 uren vanLuz. Het dorp voorbij zijnde, klimt men langs dezen berg op.Antoinewees mij op de hoogte in het verschiet een paal, die hij zeide op de grensscheiding tusschenFrankrijkenSpanjete staan. Nu begint het ’er eerst regt woest uit te zien: hier slingert de weg tusschen ontzaggelijke brokken rots21, op en onder elkanderen liggende, door. Sommigen zijn geheel van boven neder in deGavegerold, en hebben den stroom genoodzaakt om van loop te veranderen of zich te verdeelen. De rots, waarvan die vervaarlijke klompen afgevallen zijn, hangt in eene dreigende houding den voorbijganger boven het hoofd; hier en daar gaat men onder afgrijsselijke zware stukken door, die naauwelijks genoegzaam ondersteund, en gereed schijnen, om al wat ’er onder komt te verpletteren. Welkeen arbeid moet het niet gekost hebben, om hier een’ weg, hoe dat hij dan ook is, door te maken; en het is wel te vreezen, dat men dien arbeid, indien het mogelijk is, nog zal moeten hervatten; zijnde het maar al te waarschijnlijk, dat ’er nog meêr van boven neder zal storten. Ook komen ’er, volgens het zeggen vanAntoine, nog dikwijls stukken afrollen, vooral bij het smelten der sneeuw. Geen groen struikje of kruidje is hier te zien, niet anders dan brokken rots en lucht. De stroom van deGave, die hier veel belemmerd wordt in zijn loop, maakt een donderend gedruisch. Het tooneel is allerontzaggelijkst, en toch zag ik het met een zekere aandoening van genoegen, zoo wel als van verbaasdheid. Jammer is het, dat men zich niet op een’ grooteren afstand kan plaatsen, om van daar op eenmaal deze afgrijsselijke puinhoopen der natuur te overzien. Te regt wordt deze plaatsle Cahos22genaamd, want waarlijk hier schijnt het als of de Eeuwige Almagt pas begonnen was met de eerste hand, als ’t ware, aan het werk der Schepping te leggen, en de ruwe stof pas uit het niet was voortgebragt. De weg in dezenCahosscheen mij wel een kwartier lang te zijn.

Aan den overkant van deGavestort een heerlijke waterval, dien menla Cascade Saussa23noemt. Van eene zeer aanzienelijke hoogte vallende, vormthij een’ schoonen straal, die langs drie of vier trappen in de diepte stort.

Uit denCahoskomende, gaat men digt voorbij de plaats, waar zeventig à tachtig jaren geleden eene smelterij plagt te zijn van een lood- en zilvermijn, die niet ver van daar bestaat, doch thans geheel in het verval is.

Waterval van Gavarnie.Waterval van Gavarnie.

Waterval van Gavarnie.

Altijd opklimmende, ziet men al meêr en meêr de sneeuw, die hier en daar op de in het verschiet gelegen bergen ligt. Vervolgens aan de regterhand doet zich het dalle Val d’Ossone24genaamd op; hier ziet men weder verscheidene stroomtjes en watervallen boven elkanderen, en door het frissche loof afruisschen. Altijd opklimmende, verheft men zich op eene aanmerkelijke hoogte boven deGave. Wat gemeenzamer met de smalle wegen en afgronden langs dezelve geworden zijnde, waagde ik het al eens, om ’erin te zien. Hier bevond ik mij op de rand van een steile diepte, die op omtrent 150 voeten geschat wordt; deGavestort zich in dezelve van een hoogere bedding met een ontzaggelijk geweld neder.—De landstreek wordt vooral ook door het boschachtige, dat ’er zich in opdoet, weder zeer schilderachtig. Van verre ziet men reeds den vooral in deze streek zoo befaamden waterval vanGavarnie, van de met sneeuw bedekte bergen afstorten25.Men meent ’er reeds digt bij te zijn, en, ondertusschen is men ’er nog wel een groot uur van daan. Aan onze linkerzijde tegen de helling van eenen groenen berg, vertoonde zich een herder met eenige schapen en geiten. De diepte aan de regterhand door de takken der boomen en struiken bedekt zijnde, schijnt minder vervaarlijk. Eenige steenberken26onder anderen, welker takken, even als die der treurwilligen, met lange slingers bevallig over de diepte heen schommelden, maakte hier een fraaije uitwerking. Men gaat deGaveweder over, over een’ houten brug, diele pont Baryguigenaamt wordt. Niet, ver van deze brug, dieover een aanmerkelijke diepte van de eene rots op de andere ligt, is de herberg vanGavarnie; hier stapten wij af, en gingen, na ons een weinig ververscht te hebben, te voet naar den waterval, want men kan niet wel verder dan nog een eind wegs te paard komen, en daar staan geen huizen. Het dorpje zelve is een weinig verder dan de herberg; wij zagen ’er een gedeelte van bestaande in eenige zeer eenvoudige huisjes. Buiten het dorpje zijnde, heeft men tusschen twee hoogtens waar den weg midden doorloopt, een heerlijk gezigt op den waterval en de steile rotsen. Men gaat door een dal, vervolgens over een smal brugje over deGaveliggende. Op een hoogte geklommen zijnde, en ongeduldig, om den waterval van nabij te zien, meent men ’er pas eenige schreden van af te zijn, doch men bedriegt zich; langs een vrij ongemakkelijken weg afklimmende, komt men eindelijk aan den ingang van het laatste dal, en wel dra wordt men verrukt door de majestueuse vertooning, die de natuur hier oplevert. Regt uit is het ruime dal door hemelhooge rotsen, halve cirkels gewijze omgeven; deze rotsen zijn boven aan met eene soort van trappen, en gelijken in der daad niet kwalijk naar de zitbanken waarmede de oude Amphithéaters omgeven waren, waarom deze plaats dan ook vrij algemeenle Cirque de Gavarnie27genaamd wordt. Deze ontzaggelijke muren zijn hier en daar met eeuwige sneeuw of ijs bedekt,en boven dezelven steken nog andere rotsen als torens uit, zij wordenles tours de Marborégenaamd28. Van deze rotsen aan de linkerzijde, stort de voorname waterval ruim een derde van de hoogte29die op 1266 voeten begroot wordt, zonder de rots te raken, op een uitstek, van daar op een ander, en vervolgens tot beneden, van waar zij onder een gewelf of brug van sneeuw doorloopt. Deze brug slechts van sneeuw, en niet van ijs, zoo als sommigen gemeend hebben, te zamengesteld zijnde, is het vooral in dit jaargetij, wanneer dezelve al aanmerkelijk gesmolten is, niet raadzaam om ’er op te gaan. Hier en daar in dit dal, op de plaatsen, waar de zon niet komt, blijft de sneeuw ook genoegzaam altijd liggen. Rondom ziet men nog verscheidene kleine watervallen, die zich alle tot een stroom vereenigen, en de oorsprong zijn van deGavevanPau30. De groote waterval stort uit een meer, dat boven op den berg is. Het suissend en kletterend geluid van denzelven vervrolijkt nog eenigzins deze eenzame woestenij; maar als men niet door en door nat wil worden door het water, dat ’er als een stofregen afvliegt, moet men ’er niet te digt bij komen. Aan den regterkant, over den grooten waterval, boven op de rotsen, is een soort van doorgang, die menla bréche de Rolandnoemt. Als men daar door is, komt men opSpaanschgrondgebied; de smokkelaars maken van deze ongemakkelijken en gevaarlijken weg nog al gebruik. Aan den kant van den grooten waterval, maar veel digter naarGavarnietoe, maakt een bosch van pijn- of denneboomen, tegen deze rotsen, in dit tooneel een fraaije verscheidenheid, en beneemt ’er eenigzins het treurige en ontzaggelijke van. Ieder die zoo als wij in dit jaargetij hier naar toe komen wandelen, en dus warm zijn, mogen zich wel in acht nemen om ’er niet stil te staan, veel minder te gaan zitten; want het is ’er al vrij koel. Terug keerende, stond ik dikwijls stil, om op verschillende afstanden den waterval en omliggende rotsen te zien. Overal is het schoon, doch op een zekeren afstand komt mij het gezigt veel schilderachtiger voor dan digt bij, hoewel het daar weder grootscher en ontzaggelijker is. Ondertusschen schoon deze waterval te regt verdientbewondert te worden, als zijnde de hoogste die inEuropabekend is31, en de reusachtige rotsen, die dezelve omringen, zoo wel als derzelver gedaante, een nog luisterrijker en verbazender aanzien aan dit alles geven, had het echter op mij dien invloed niet, noch verwekte die aandoening als de bron vanVaucluse; misschien omdat het tooneel, daar veel enger en beperkter zijnde, meêr onder ons bereik valt, of omdat ik reeds meêr gewoon was aan diergelijke gezigten. Bij de huizen bleef ik mij omkeerende een poos stil staan, om het gezigt tusschen de twee hoogtens door, waar ik hier boven van gesproken heb, nog eens ter deeg te genieten32. Onze paarden hadden nu goed tijd gehad om te eten en te rusten, want wij waren meêr dan 2 uren uitgebleven33; de sneeuwbrug wordt opruim drie kwartier van de herberg gerekend. Het ziet ’er in deze herberg nog al gnap uit; doch wij vonden ’er niet veel anders dan melk, brood, kaas en zeer lekkere boter. DeFranschewijn was niet te breed, en deSpaansche, hoewel goed in zijne soort, was te walgelijk zoet; trouwens ons oogmerk was ook niet, om hier lang te vertoeven; daar wij voor het vallen van den avond weder teLuzwilden zijn, en dat is nog ruim 4 uren van daar. Het huishouden bestond uit een jonge man en vrouw, een bejaarden vader en een paar dienende huisgenooten. De oude man en zijn zoon spraken nog al redelijkFransch, zoo dat ik mij gemakkelijk met hun kon onderhouden. Die lieden kwamen mij vriendelijk en geschikt voor. Behalve de nering van hunne herberg, meestal door de reizigers die door dezen smallen weg naar de een of andereSpaanscheplaats gingen, of ’er van daan kwamen34, bestond hun voorname bedrijf in de veehoederij en de jagt; en naar ik merkte, scheen vooral de oude man een stoute jager in zijn tijd geweest te zijn, en nog wel op de wolven en beeren af te durven gaan. Ikbespeurde duidelijk, dat het hem leed deed, dat hij de Izard’s niet meêr tot op de steile toppen der hooge rotsen vervolgen kon. Hij verhaalde mij ook, dat men in deze streken lynxen vindt35, die zeer veel kwaad aan de jagt doen; dat ’er in de valleijen en vruchtbare streken patrijzen gevonden werden van een licht grijze kleur, doch weinig hazen. Hij sprak mij ook van een grooten vogel, die hijPaus de Montagnenoemde; naar ik begreep, en ook na datAntoinemij beduidde, moeten het korhoenderen zijn.

In den zomer is het hier voor menschen, die aan deze smalle en gevaarlijke wegen gewoon zijn, zeer wel om te houden; maar gedurende die lange winters, wanneer door de sneeuw genoegzaam alle toegang afgesneden is, en de hongerige roofdieren tot bij hunne woningen komen, moet het ’er allerakeligst zijn. Met dat al schenen zij met hun lot wel te vreden, en hadden een vrij juist denkbeeld van vele onaangenaamheden, die aan een uitgebreider maatschappelijke zamenleving verknocht zijn. Deze lieden nu en dan met vreemdelingen omgaande, waren daar door nog al eenigzins, zoo als men het noemt, beschaafd geworden; maar hunne naburen, vooral die, welke verder van den weg afwonen, zijn veel eenvoudiger. Over het algemeen zijn zij zeer bijgeloovig, en houden zich bijzonder met vertellingenvan spokerijen en duivelarijen op; geen wonder, zij hebben geen andere onderwijzers dan hunne Priesters, die zekerlijk niet van de verlichtste en onbevooroordeelste zijn.

Gavarniebehoorde voorheen aan de orde derTempeliers, die hier een Klooster hadden, waarvan bij de Pastorij en de Kerk nog eenige overblijfsels te zien zijn, en daar na aan de order vanMaltha. Naar ik vernam, bevat dit dorpje niet meêr dan omtrent 150 inwoners. Ik zag ’er, zoo als in deze geheele streek, wel eenige groote en welgespierde mannen, doch naauwelijks eene enkele vrouw, die ’er maar redelijk wel uitzag. Twijfelende of mijn horlogie wel goed ging, vroeg ik hoe laat het was; ’er was geen klok of ander uurwerk; doch men riep de oude man, om op een soort van houten zonnewijzer, waar hij de bewaarder van was, te zien. Deze zonnewijzer, dien zijmontre solairenoemen, is van palmhout gedraaid, omtrent 4 duim lang, en nog geen duim over kruis dik; het gelijkt veel op een gewigtje van een klok, rondom staan de uren en maanden geteekend. Door een knopje dat ’er boven in zit, draait men een blikken wijzertje, op de streep van die maand, waarin men is, en houdt het dan aan een koordje of iets diergelijks hangende, met dat wijzertje tegen over de zon; en op die wijze wordt het uur aangewezen. Het was omtrent twee uren, toen wij vanGavarnieafreden; bij de brug kwamen wij een paarSpaanscheherders op muilezels gezeten tegen, zij schenen hun zondagspakaan te hebben, dat met een menigte kleine knoopjes versierd was. In het heen rijden had ik op vele plaatsen meest de hoogtens bekeken, doch thans zag ik al stoutmoedig in de verschrikkelijkste dieptens. Alles van een’ anderen kant ziende, want in het heen rijden hadden wij weinig om gezien, hadden de bergen weder eene gansch andere gedaante, en de natuur leverde alzoo weder nieuwe en allerschoonste vertooningen op. Bij het dal vanGedreonder anderen, zagen wij aan het eind van het doorzigt voor ons, tusschen twee in de schaduw staande hellingen van hooge rotsen, als een V bij elkanderen loopende, den top van een anderen veel verder gelegen, en door de zon geheel verlichten top van een andere rots, in de gedaante van een A zoo het scheen regt in het midden staan. Op verscheidene plaatsen daar wij ’s morgens van de paarden af waren gestapt, bleven wij ’er nu op zitten. Somtijds hangt het eene been over de diepte, en met het andere raakt men bijna tegen de steile rots aan den anderen kant van den weg. Op eenige plaatsen gingen wij echter te voet, niet alleen om het smalle padje, maar ook omdat het somwijlen steil afloopende was, op losse steenen en gruis van de rotsen, zoodat de paarden hun voeten dikwijls niet vast kunnen zetten. Nogmaals bewonderde ik de voorzigtigheid, met welke die dieren hier gaan, en bevond, zoo alsAntoineons ook gezegd had, dat men best deed, van hun naar hunne eigen zin maar te laten loopen, houdende den toom echter zoodanig,dat men ingeval zij struikelden, ze eenigzins zou kunnen ophouden. Aan de bron bij de brug gekomen zijnde, verzochtAntoineons weder om stil te houden en de paarden te laten drinken, ik beschouwde ondertusschen nog eens het schoone gezigt dat men hier heeft. Wij hadden aan den kant van deGavehier en daar menschen gezien, die forellen met den hengel vingen. Langs dezen weg ziet men ook enkele woningen; sommige kleine wichten speelden op den rand van een ontzaggelijke diepte; ik ijsde ’er van, doch zij zijn dat gewoon.

Omtrent 6½ uur kwamen wij weder teLuz; terwijl het nog dag was, maakte ik daar gebruik van om in die bekoorlijke vlakte te wandelen. Vier of vijf dorpjes liggen allerliefst in dezelve. Sommige weiden waren met groote platte steenen regt over eind gezet, in plaats van met hagen, omringd; men was ’er ook nog bezig met hooijen, want het is hier meest weiland, dat ’er groen en tierig uitzag. Men had mij verhaald, dat ’er in een van deze dorpjes,Visosgeheten, een geslacht van buitengemeen lange menschen plagt te bestaan, waarvan sommigen tot bij de acht voeten haalden, en welke menschen zeer oud werden; dit werd mij hier bevestigd, doch komt het mij daarom nog niet ontwijfelbaar voor; te meêr, daar de bewoners van deze landstreek zoo ligt genegen zijn om vreemde dingen en sprookjes te gelooven36. In de herberg terug komende,kon ik het, hoewel het heden vrij warm geweest was, zeer wel bij het vuur houden; en vermaakte mij met aan den gemeenen haard met den hospes en een paar boeren te praten.Hetmoet van de lieden aan deze kanten zeggen, dat vele onder hen zeer wel gevoelen, dat de vreemdelingen, van alle kanten naarBarègesen andere omliggende plaatsen, waar warme ofmineralebronnen zijn, toe komende, hun nog al wat geld aanbrengen, en ze daarom nog al met oplettenheid en eene soort van onderscheiding behandelen. Van onveiligheid der wegen, niettegenstaande ’er zoo vele woeste en eenzame streken zijn, hoort men dan ook weinig, en, naar ik vernam, indien vreemdelingen over eenigen overlast klaagden, zou het grootste deel der inwoners van het dorp, of de plaats, waar zulks geschied mogt zijn, ’er zich zeer aan gelegen laten liggen.

Wij hadden een lekker avondmaal, en door de beweging die wij zonder veel te gebruiken gemaakt hadden, en door de smakelijke spijzen, waarondereen Izard’s bout en uitmuntende forellen, en daar bij wijn, dien wij sedert eenigen tijd zoo goed niet gewoon waren.

Den 13 dezer. Daar wij den ganschen dag voorhanden hadden, vertrokken wij eerst om 6 uren ’s morgens. Onderrigt zijnde, dat hier diergelijke houten zak-zonnewijzers, als ik teGavarniegezien had, gemaakt werden, kocht ik ’er een voor slechts eenige stuivers37. Over onze herberg waren wij ook bijzonder te vreden.

Den grooten of postweg nemende, kwamen wij, na de vallei doorgereden te zijn, wederom tusschen de rotsen langs deGave, en klommen redelijk hoog, doch de weg is hier breed genoeg. Wij reden, en hadden alles om ons nog in de schaduw, terwijl de hooge toppen der rotsen en bergen reeds door de zon verlicht waren. Aan onze linkerhand gingen wij over eene houten brug over deGave; men vindt hier een soort van bruggen die zeer ligt schijnen, doch inderdaad stevig zijn; zij zijn aardig gemaakt. Deze moest door een’ steenen vervangen worden, en men was reeds bezig, om de steenen te bewerken, die men in de nabij gelegen rotsen overvloedig vindt, en schenen te behooren tot de soort, die men bij ons blaauwe arduinsteen noemt. Vervolgens wederom eene andere brug overgaande, heeft men watverder aan de linkerhand het dorpjeViscos, en aan de regterChiéze; men komt nog over eenige bruggen, de boorden van deGave, en de engte tusschen twee ketens van rotsen verlatende, in een alleraangenaamst dal. De weg is tot hier toe, om te voet of te paard te gaan, zeer goed, maar met rijtuig moet zij niet over hebben; op sommige plaatsen rollen of schuiven de schilfers van eene soort van schaliesteen bij zware regenvlagen, en het smelten van de sneeuw, in een groote hoeveelheid van boven neder, bedekken den weg, en maken dien somtijds onbruikbaar; dit vereischt een gedurig en kostbaar onderhoud. Hier en daar, waar zij wat smal langs de diepte is, zijn ’er schutmuurtjes gemaakt.Antoinenoemde dit dalVeille Longue. Nu kwamen wij tePierrefitte, een gnap dorp en verrukkelijk gelegen; hetzelve wordt op omtrent 3 uren vanLuzgerekend. Men heeft hier veel schaduw, vooral van zwaare noten- en castanje-boomen. Ik zag ’er ook wijngaarden, die ongemeen hoog en zwaar waren, tusschen kersen of andere boomtjes staan, en hunne ranken aan dezelve vasthechtende, zoo als ik reeds gezegd heb. De verscheidenheid der gezigten, die men hier overal heeft, is alleraangenaamst. De AbdijSt. Savinaan de linkerhand op een’ heuvel met boomen beplant gelegen, ziet men boven het digte lommer van dezelve uitsteken, en alzoo dit schilderachtig landschap door een nieuw voorwerp verrijken. Achter ons zagen wij nog die hooge, spitse, en hier en daar met sneeuw bedekterotsen, die wij gisteren nader bij hadden leeren kennen—eenige hout-zaagmolens door het water bewogen, en zeer aangenaam gelegen, deden zich op.—Men gaat over eene fraaije steenen brug, die over deGaveligt.—De weg stijgt weder vrij hoog langs de helling van een rots langs deGave, die men aan de linkerhand heeft. Hier en daar was men drok bezig, om langs dezelve muurtjes te maken, om het gevaar vooral voor de rijtuigen te verhoeden. Welhaast wordt men het stadjeLourdegewaar. Wij kwamen ’er tegen den middag aan. Het was ’er juist marktdag; op eene ruime plaats door boomen beschaduwd stond een groote menigte paarden, muilezels en rundvee. Hier schijnt men de wreedheid niet te hebben, van het kalf, zoodra het geboren is, aan zijne moeder te ontrukken; want ik zag ’er hier verscheiden die zogen; dit belette niet, dat de koeijen tevens gemolken werden38. Verder op in de straten, en op een andere marktplaats, was het vol kooplieden in linnens, vlas, wol, en meêr onderscheidene soorten van waren. ’Er stonden verscheidene kraamtjes, en het was ’er zoo vol, dat men moeite had, om ’er door te komen. De groote menigte roode kappen (capelettes) maakte hier ook weder eene zonderlinge vertooning; geene eene vrouw zag men ’er bijna zonder, en zij waren nu op haar zondags opgeschikt. RondomLourdewordt vlas geteeld; in die plaats zijn velelinnenweverijen, en de bonte neusdoeken, die ’er in menigte gemaakt worden, zijn beroemd, en worden hier omstreeks vooral zeer veel gedragen. De naburigeSpanjaardenkomen hier ook veel ter markt; doch het scheen mij toe, dat zij genoegzaam hetzelfdePatoisspreken, als de bewoners van dit gedeelte derFransche Pyreneën. De vrouwen, die wij hier op de markt en in de straten zagen, hadden genoegzaam alle den spinrok op zijde tusschen hun rokken steken39, en velen dreven al spinnende handel, praatten, liepen heen en weder enz. zij sponnenvlas en wol. Uit het Posthuis, een vrij groote herberg, waar wij onzen intrek genomen hadden, om het middagmaal te nemen, ziet men op de markt; en ik vermaakte mij met de drukte, en het gewoel van de menigte, waaronder het grootste deel half rood was. De handel in dit plaatsje schijnt aanmerkelijk te zijn; want naar ik vernam, heeft zulk een markt alle veertien dagen op Donderdag plaats. Zij verdient wel gezien te worden.

Kleeding der bergbewoners.Kleeding der bergbewoners.

Kleeding der bergbewoners.

Op een rots bij ditLourde, ligt een soort van vesting of sterk kasteel, in vroegere tijden door de Graven vanBigorre, vervolgens door andere geslachten bezeten, eindelijk een eigendom van de kroon vanFrankrijkgeworden, en voor een Staatsgevangenis gebruikt, waar toe het nog heden dient: twee personen in het regtsgeding van de beruchte zamenzwering tegen het leven van den eerste ConsulBonapartebegrepen, worden ’er, naar ik vernam, bewaard; het aangenaam gezigt dat zij van daar kunnen hebben, kan dezen kerker nog al veel dragelijker maken dan zoo vele anderen. Dit kasteel met de stad, stond in het laatst van de 14eeeuw, in het bezit van deEngelschenzijnde, eene belegering uit tegen de krijgsmagt vanKarelden V., Koning vanFrankrijk, en hield het vol.

Ik zag hier een zeer groote zware koets van een wonderlijk maaksel, die met reizigers uitSpanjekwam, met zes muilezels en met een menigte touwen bespannen was.

In onze herberg was het zoo drok, dat wij naauwelijks te eten konden krijgen; het maal was ’er dan ook op verre zoo goed niet als teLuz, en wij betaalden evenwel den gewonen prijs.

Zonderling dat ik onder het groot aantal vanvrouwen, die hier van de plaatsen rondom verzameld waren, ’er weder genoegzaam geen eene vond, die ’er maar zeer redelijk wel uitzag. Velen hadden kropgezwellen.

Om drie uren verlieten wij, en met ons een aantal menschen en vee, dit neringrijke en naar allen schijn zeer welvarend plaatsje; wij waren nu nog omtrent 3 goede uren vanBagnères, langs den weg, dien wij te nemen hadden.Luzen deze laatstgenoemde plaats rekent men overPierrefitteop ruim acht uren. De weg levert minder verscheidenheid van gezigten op dan aan den anderen kant; doch is echter aangenaam en hier en daar lommerrijk. TeLourdeverlaat men de boorden van deGave, die daar langs de stad stroomt, om den weg naar den kant vanTarbesinteslaan, tusschen welke stad enBagnères, een goed eind beneden deze laatste plaats, men dan ook uitkomt; zoo veel moet men uithoofde van de bergen omrijden. Het was zes uren, toen wij wel voldaan over dit reisje, teBagnèreste rug gekeerd waren.

Den 14 September. Na den gansche voormiddag doorgebragt te hebben met dit dagverhaal voor u inorde te brengen, kwamen zij mij roepen, om een levendige Izard, in onze buurt op een binnenplaats loopende, te gaan zien. Het beestje was pas drie maanden oud. Men had het zeer jong gevangen en hier opgevoed. Het geleek naar een jong bokje, zijn hoorntjes begonnen even voor den dag te komen. Het was rosachtig van kleur, en had de achterbeenen langer dan de voorste, kunnende daardoor zeer goed springen. Ook was het in een paar sprongen een trap van verscheidene treden, op deze plaats staande, op. Hoewel met de lieden van het huis nog al gemeenzaam, was het voor ons zeer schuw, trachtte zich gedurig te verschuilen, en maakte een steenend geluid, als wij het wilden opvatten.—Hoe gaarne had ik dit diertje in de nabijgelegen bergen zijne vrijheid gegeven40.

Aan tafel wierden weder een menigte voorvallen, die bij het spel plaats gehad hadden, verhaald; onder anderen, dat den vorigen avond een speler door wanhoop verwoed, zich vreesselijk had aangesteld, en een stoel tot splinters had van een geslagen. De wacht was ’er aan te pas gekomen. Vele van onze dischgenooten lagchten en staken hier den spot mede. Toen ik van tafel kwam, lokte mij een trompetter bij een hoop volks, die op de plaats digt bij het speelhuis stond. Een fraai paard met zadel en toom werd ’er aan den meestbiedenden verkocht,het had aan een’ ongelukkigen speler behoort. Dergelijke verkoopingen vallen hier schier dagelijks voor. Zwendelaars en leenders op pand, ontbreken hier ook niet; en helaas! indien de wateren vanBagnères, en andere plaatsjes in deze landstreek, eenig voordeel aan derzelver bewoners opleveren, zij maken ook, dat ’er zeer veel zedenbederf onder die eenvoudige en anders zoo nabij den natuurstaat levende menschen wordt gebragt.

Zoo gij iemand kent, die deze bergen mogt komen bezoeken, kunt gij hem onzen geleiderAntoine Idrac, alhier woonachtig, als een goed en geschikt man, aanbevelen. Die wat goed lach’s zijn, zal hij daartoe nog al eens stof verschaffen, door een aanwendsel dat hij heeft van schier overal de woordenc’est fort inutile41bij te voegen, hoe ten onpasse het ’er ook dikwijls bijkomt.

1Wateren des heils.Wanneer dit water slechts eenige van al die genezingen, die men ’er aan toeschrijft, veroorzaakt heeft, verdient het met alle regt dien naam. Het wordt zoo wel in- als uitwendig gebruikt.2Douchesnoemt men een straal water of druip, die men op het een of ander gebrekkig deel laat loopen of druipen. Men heeft teBagnèresook modder- of slijkbaden.3Sommige lieden drinken van dat water 50 en meêr glazen, van 4 of 5 in een fles, daags. Ik heb toch moeite om te gelooven, dat zoo een ongemeene groote hoeveelheid vocht goed kan zijn.4Doorbeau mondeverstaan deFranschenlieden, die naar demodegekleed zijn, naar demodeweten te spreken, en zich naar demodebewegen. In den eigenlijken zin geloof ik niet, dat men een andere beteekenis aan dit woordkan hechten, ten zij men ’er nog wat onderscheid van stand of beroep bij wilde voegen; doch dit laatste komt in eene openbaare t’zamenkomst als deze in geen aanmerking.5Escalettebeteekent laddertje, om dat de slingerende weg met eene soort van trappen gemaakt is.6Tramesaiguesbeteekent in de landtaal, te zamenloop van wateren.7Men vindt ’er een afbeelding van in het Natuurkundig werk van den HeerRamond, genaamdVoyages au Mont perdu et dans la partie adjacante des hautes Pyrenées, Paris Belin1801.8De afbeelding daar van, vindt men in het reeds genoemde werk vanRamond.9Ik had het ’er op aangelegd, om mij omtrent dit uur hier te bevinden, om dat men, volgens den HeerRamond, dePictusschen elven en tweeën, als dan volkomen door de zon verlicht zijnde, het beste ziet.10Aldus genaamd, om dat het uit het meerd’Oncet, op dePic du Midi, omtrent 300toiseslager dan de top gelegen, voortvloeit.11Francois Pasumot, in zijn werk genaamdVoyages Physiques dans les Pyrenées in 1788 en 1789 etc. Paris 1797, stelt de hoogte van den weg over deTourmaletiets lager dan het meerd’Oncetop dePic du Midi, welk meer men in dat werk in een plaat, de hoogte der bergen aanduidende, op omtrent 1200toisesgeteekend vindt.12Bastanbeteekend in de landtaal verwoester.13Het gezigt uit hetzelve naar den kant vanLuz, tegen hooge bergen is nog al teekenachtig.14Wanneer men omtrent den aard, de eigenschappen enz. van deze wateren meêr wil weten, kan men behalve de werken vanRamondenPasumot, waarvan hier voor reeds gesproken is, daar onder anderen nog op nazien een werk genaamd:Memoire sur les eaux minérales et établissemens thermeaux des Pyrenées etc. publié par ordre du Comité de Salut Public. Paris An 3.15Deze bergbewoners dragen bij koud en regenachtig weder, korte mantels van een bruinachtig soort van grof laken of pij, met een kap van dezelfde stof; de roodecapelettender vrouwen heb ik reeds beschreven. Van mijne geringe teekenkunde gebruik makende, heb ik een man en een vrouw in dat nog al zonderling gewaad voor u afgeschetst.16Men vindt in die rotsen ook veelAmiante, de inwoners noemen hetlinet, oflin incombustible(onverbrandbaar vlas) de langste vlokken uitzoekende, maken zij die nat, en weten ze dan tot bandjes enz. te vlechten, ook zeide men mij, dat zij ’er gebruik van maken, om in de lampen te branden. Men bood ’er mij van te koop aan teBarèges.17Alle snelle stroomen (torrens) worden hiergavegenaamd, en men voegt ’er doorgaans, om dezelve teonderscheiden, den naam van het dal daar zij doorloopen, of iets diergelijks bij, zoo alsle gave de Pau,le gave de Héas,le gave de Bastanetc.18Neouviellebeteekent in de landtaal oude sneeuw, omdat de toppen dier bergen, tot de hoogste derPyreneënbehoorende (zijnde nog hooger dan dePic du Midi) daar altijd mede bedekt zijn.19Gij weet dat dezelfde kwaal om en bijde Alpenheerscht, en aan dezelfde oorzaak, namelijk aan het bergwater, dat met kalk en aarddeelen bezwangerd is, wordt toegeschreven; niet alleen hetphysiekmaar ook hetmoreelgestel van den mensch schijnt daar door te lijden; want ik vernam, dat, overeenkomstig het geen men daar van bijRamonden anderen vindt aangeteekend, de lieden met kropgezwellen gekweld, doorgaans dom en log zijn. Gemelde schrijver spreekt ook van eenige huisgezinnen, welke men hier en daar in deze gebergtens vindt, die uit hoofde van een zeer oud vooroordeel, door de overige ingezetenen beschouwd worden, als tot een eerloos geslacht behoorende, en alzoo door hun worden geschuwd, en met verachting behandeld, hij noemt zeCagots. De kropgezwellen zijn onder hen vrij algemeen; doch naar ik met genoegen vernam, vermindert dit vooroordeel hoe langs hoe meêr, en men vindt zelfs weinige slagtoffers van deze dwaaze onregtvaardigheid meêr.20Het is een der hoogste toppen van dePyreneën.21VolgensRamondzijn ’er onder die wel 100 000 cubiek voeten groot zijn; ik heb dezelve niet nagemeten, doch dit weet ik, dat verscheidene van die stukken die hier, zoo als bij ons de keijen daar men de straten mede maakt, op elkanderen liggen, wanneer zij afzonderlijk in een dal geplaatst waren, al gnappe heuvels zouden schijnen.22In de landtaal wordt dezelvePeyradageheten.23Aldus genaamd naar den berg, daar hij afstroomt.24Of volgensRamondVallée d’Ossonë. Men vindt in zijnVoyages du Mont-perduvan die vallei melding gemaakt.25Du Perreuxlandschapschilder teParijs, omtrent te gelijker tijd met mij dePyreneënbezocht hebbende, heeft een fraaije schilderij van dat gezigt gemaakt, welke ook bij de laatsteexpositieteParijsten toon is gesteld geworden; van deze schilderij bekomt gij een teekening door denzelfden meester, die zeer gelijkende is. Gemeldedu Perreuxis reeds driemalen in dePyreneëngeweest, en bezit eene aanzienlijke verzameling van schilderstukken en gezichten door hem aldaar naar de natuur gemaald, zijn adres isrue du Montblanc, No 73. à Paris.26Deze fraaije boom ziet men vrij algemeen in deMeijerijvan’s Bosch, en ik heb mij altijd verwonderd, dat men ’er in de schoone beplantingen, die men inHollandzoo menigvuldig aantreft, geen meêr gebruik van maakt. In de zandgronden omHaarlem, ben ik verzekerd dat hij zeer goed zou groeijen.27Het worstelperk vanGavarnie.28De torens van Maboré, zij bebooren tot de allerhoogste bergen van dePyreneën. De top vanGavarniezigtbaar, is ruim 9800 voeten hoog, en de top van deMont-perdudie de hoogste van alle is, ruim 10 500 boven de oppervlakte der zee. (ZieRamondenPasumot.)29Twee vijfde volgensRamond. Het was een schoone straal, doch 1½ maand vroeger, wanneer de smelting der sneeuw het sterkste is, is zij veel zwaarder. De buitengewone sterke regen, dien men ook hier gehad had, maakte de toevloed van water echter thans nog aanmerkelijk.30Pasumotnoemt ze ookle Gave Bearnois, of van het land vanBearn.31Die van deNiagarainNoord-Amerikais 1800 voeten, die vanLauterbronnenis wel 300 voeten lager.32De sneeuwtoppen schijnen door een roodachtig licht, als het schijnsel van een gloed omgeven.—Lieden in deze streken gewoon, kennen de afstandeninde bergen aan de onderscheidene kleuren, doch vreemden bedriegen zich daar omtrent geweldig, want door de ontzaggelijke grootte gelijken zij altijd digter bij te wezen, dan zij in der daad zijn.33Ik ben verzekerd, dat zelfs de hardvochtigste en ongevoeligste menschen hier wel zorg voor hunne paarden dragen.Antoinevertelde mij, dat hij eenige jaren geleden, met een Engelschman hier naar toe gereden was, diein de vlaktens zijn paard sloeg en mishandelde, maar hier streelde, de vliegen van hetzelve verjaagde, en ’er alle zorg voor droeg.34Behalve deBreche de Roland, is ’er een andere en bruikbaarder bergweg, die menle port de Gavarnienoemt.Portbeteekent in ’t algemeen een doortogt, kloofofopening tusschen de bergen.35Ramondspreekt ’er ook van, doch zegt dat derzelver getal sedert 40 jaren, omdat ’er vele bosschen gekapt zijn, aanmerkelijk is verminderd.36TeParijsterug komende, vind ik bijPasumotechter van dit reuzengeslacht vrij omstandig melding gemaakt; de naam wordt daar zelfs bij opgegeven; en de laatste van dit geslacht moet nog maar 25 à 30 geleden, in den ouderdom van 108 à 110 jaren gestorven, en de doopceel enz. nog teLuzvoorhanden zijn. ’Er schijnen ook bewijzen te zijn, dat ’er in de begraafplaatsen van die reuzen, beenderen gevonden zijn van eene ongemeene grootte, onder anderen een sleutelbeen van 10 duimen, en eentibiavan bij de twee voeten.37Ik weet niet van ooit diergelijke zonnewijzers bij ons gezien te hebben; ondertusschen zouden zij ook van veel dienst voor onze landlieden kunnen wezen.38InFrankrijkis deze behandeling niet ongewoon.39Dit schijnt als een teeken van vlijt tot haar marktopschik te behooren, want ik zag ’er eenige, die ’er weinig gebruik van maakten.De schets, die ik van de kleeding der bergbewoners gemaakt had, niet voldoende zijnde, om ’er een plaatje naar te graveren, heeft een Landgenoot en kunstschilder alhier (teParijs) daar een aardige teekening naar gemaakt, waarop het vrouwtje spinnende verbeeld wordt. Gij kunt dezelve nu des goedvindende in het werk plaatsen. Deze schilderKnipgenaamd, en van’s Boschgeboortig, schildert zeer zoet landschappen in waterverf, welke wijze van schilderen deFranschenen gouachenoemen. Die jongman is bijzonder achtingwaardig om zijne ouderliefde: daar hij, hoewel zeer ijverig moetende werken om den kost te verdienen, gedurig een groot gedeelte van het geen hij wint, aan zijn bijna blinden vader in’s Boschtoezendt. Zijn zuster heeft hier ook eenigen tijd van den Heervan Spaandonckonderwijs in het bloemschilderen gehad, en is weder naar het Vaderland terug gekeerd, op hoop van daarmet bloemen en vruchten schilderen, waarin zij al vrij gnap is, den kost te zullen kunnen verdienen.40De Izard van dePyreneënen de Chamois van deAlpen, schijnen tot hetzelfde geslacht te behooren.41Dat is zeer onnoodig. Zoo scheen hij somtijds zeer onnoodig te vinden, dat wij aten, dronken of iets anders deden, dat in zich zelve zeer noodzakelijk was.

1Wateren des heils.Wanneer dit water slechts eenige van al die genezingen, die men ’er aan toeschrijft, veroorzaakt heeft, verdient het met alle regt dien naam. Het wordt zoo wel in- als uitwendig gebruikt.

2Douchesnoemt men een straal water of druip, die men op het een of ander gebrekkig deel laat loopen of druipen. Men heeft teBagnèresook modder- of slijkbaden.

3Sommige lieden drinken van dat water 50 en meêr glazen, van 4 of 5 in een fles, daags. Ik heb toch moeite om te gelooven, dat zoo een ongemeene groote hoeveelheid vocht goed kan zijn.

4Doorbeau mondeverstaan deFranschenlieden, die naar demodegekleed zijn, naar demodeweten te spreken, en zich naar demodebewegen. In den eigenlijken zin geloof ik niet, dat men een andere beteekenis aan dit woordkan hechten, ten zij men ’er nog wat onderscheid van stand of beroep bij wilde voegen; doch dit laatste komt in eene openbaare t’zamenkomst als deze in geen aanmerking.

5Escalettebeteekent laddertje, om dat de slingerende weg met eene soort van trappen gemaakt is.

6Tramesaiguesbeteekent in de landtaal, te zamenloop van wateren.

7Men vindt ’er een afbeelding van in het Natuurkundig werk van den HeerRamond, genaamdVoyages au Mont perdu et dans la partie adjacante des hautes Pyrenées, Paris Belin1801.

8De afbeelding daar van, vindt men in het reeds genoemde werk vanRamond.

9Ik had het ’er op aangelegd, om mij omtrent dit uur hier te bevinden, om dat men, volgens den HeerRamond, dePictusschen elven en tweeën, als dan volkomen door de zon verlicht zijnde, het beste ziet.

10Aldus genaamd, om dat het uit het meerd’Oncet, op dePic du Midi, omtrent 300toiseslager dan de top gelegen, voortvloeit.

11Francois Pasumot, in zijn werk genaamdVoyages Physiques dans les Pyrenées in 1788 en 1789 etc. Paris 1797, stelt de hoogte van den weg over deTourmaletiets lager dan het meerd’Oncetop dePic du Midi, welk meer men in dat werk in een plaat, de hoogte der bergen aanduidende, op omtrent 1200toisesgeteekend vindt.

12Bastanbeteekend in de landtaal verwoester.

13Het gezigt uit hetzelve naar den kant vanLuz, tegen hooge bergen is nog al teekenachtig.

14Wanneer men omtrent den aard, de eigenschappen enz. van deze wateren meêr wil weten, kan men behalve de werken vanRamondenPasumot, waarvan hier voor reeds gesproken is, daar onder anderen nog op nazien een werk genaamd:Memoire sur les eaux minérales et établissemens thermeaux des Pyrenées etc. publié par ordre du Comité de Salut Public. Paris An 3.

15Deze bergbewoners dragen bij koud en regenachtig weder, korte mantels van een bruinachtig soort van grof laken of pij, met een kap van dezelfde stof; de roodecapelettender vrouwen heb ik reeds beschreven. Van mijne geringe teekenkunde gebruik makende, heb ik een man en een vrouw in dat nog al zonderling gewaad voor u afgeschetst.

16Men vindt in die rotsen ook veelAmiante, de inwoners noemen hetlinet, oflin incombustible(onverbrandbaar vlas) de langste vlokken uitzoekende, maken zij die nat, en weten ze dan tot bandjes enz. te vlechten, ook zeide men mij, dat zij ’er gebruik van maken, om in de lampen te branden. Men bood ’er mij van te koop aan teBarèges.

17Alle snelle stroomen (torrens) worden hiergavegenaamd, en men voegt ’er doorgaans, om dezelve teonderscheiden, den naam van het dal daar zij doorloopen, of iets diergelijks bij, zoo alsle gave de Pau,le gave de Héas,le gave de Bastanetc.

18Neouviellebeteekent in de landtaal oude sneeuw, omdat de toppen dier bergen, tot de hoogste derPyreneënbehoorende (zijnde nog hooger dan dePic du Midi) daar altijd mede bedekt zijn.

19Gij weet dat dezelfde kwaal om en bijde Alpenheerscht, en aan dezelfde oorzaak, namelijk aan het bergwater, dat met kalk en aarddeelen bezwangerd is, wordt toegeschreven; niet alleen hetphysiekmaar ook hetmoreelgestel van den mensch schijnt daar door te lijden; want ik vernam, dat, overeenkomstig het geen men daar van bijRamonden anderen vindt aangeteekend, de lieden met kropgezwellen gekweld, doorgaans dom en log zijn. Gemelde schrijver spreekt ook van eenige huisgezinnen, welke men hier en daar in deze gebergtens vindt, die uit hoofde van een zeer oud vooroordeel, door de overige ingezetenen beschouwd worden, als tot een eerloos geslacht behoorende, en alzoo door hun worden geschuwd, en met verachting behandeld, hij noemt zeCagots. De kropgezwellen zijn onder hen vrij algemeen; doch naar ik met genoegen vernam, vermindert dit vooroordeel hoe langs hoe meêr, en men vindt zelfs weinige slagtoffers van deze dwaaze onregtvaardigheid meêr.

20Het is een der hoogste toppen van dePyreneën.

21VolgensRamondzijn ’er onder die wel 100 000 cubiek voeten groot zijn; ik heb dezelve niet nagemeten, doch dit weet ik, dat verscheidene van die stukken die hier, zoo als bij ons de keijen daar men de straten mede maakt, op elkanderen liggen, wanneer zij afzonderlijk in een dal geplaatst waren, al gnappe heuvels zouden schijnen.

22In de landtaal wordt dezelvePeyradageheten.

23Aldus genaamd naar den berg, daar hij afstroomt.

24Of volgensRamondVallée d’Ossonë. Men vindt in zijnVoyages du Mont-perduvan die vallei melding gemaakt.

25Du Perreuxlandschapschilder teParijs, omtrent te gelijker tijd met mij dePyreneënbezocht hebbende, heeft een fraaije schilderij van dat gezigt gemaakt, welke ook bij de laatsteexpositieteParijsten toon is gesteld geworden; van deze schilderij bekomt gij een teekening door denzelfden meester, die zeer gelijkende is. Gemeldedu Perreuxis reeds driemalen in dePyreneëngeweest, en bezit eene aanzienlijke verzameling van schilderstukken en gezichten door hem aldaar naar de natuur gemaald, zijn adres isrue du Montblanc, No 73. à Paris.

26Deze fraaije boom ziet men vrij algemeen in deMeijerijvan’s Bosch, en ik heb mij altijd verwonderd, dat men ’er in de schoone beplantingen, die men inHollandzoo menigvuldig aantreft, geen meêr gebruik van maakt. In de zandgronden omHaarlem, ben ik verzekerd dat hij zeer goed zou groeijen.

27Het worstelperk vanGavarnie.

28De torens van Maboré, zij bebooren tot de allerhoogste bergen van dePyreneën. De top vanGavarniezigtbaar, is ruim 9800 voeten hoog, en de top van deMont-perdudie de hoogste van alle is, ruim 10 500 boven de oppervlakte der zee. (ZieRamondenPasumot.)

29Twee vijfde volgensRamond. Het was een schoone straal, doch 1½ maand vroeger, wanneer de smelting der sneeuw het sterkste is, is zij veel zwaarder. De buitengewone sterke regen, dien men ook hier gehad had, maakte de toevloed van water echter thans nog aanmerkelijk.

30Pasumotnoemt ze ookle Gave Bearnois, of van het land vanBearn.

31Die van deNiagarainNoord-Amerikais 1800 voeten, die vanLauterbronnenis wel 300 voeten lager.

32De sneeuwtoppen schijnen door een roodachtig licht, als het schijnsel van een gloed omgeven.—Lieden in deze streken gewoon, kennen de afstandeninde bergen aan de onderscheidene kleuren, doch vreemden bedriegen zich daar omtrent geweldig, want door de ontzaggelijke grootte gelijken zij altijd digter bij te wezen, dan zij in der daad zijn.

33Ik ben verzekerd, dat zelfs de hardvochtigste en ongevoeligste menschen hier wel zorg voor hunne paarden dragen.Antoinevertelde mij, dat hij eenige jaren geleden, met een Engelschman hier naar toe gereden was, diein de vlaktens zijn paard sloeg en mishandelde, maar hier streelde, de vliegen van hetzelve verjaagde, en ’er alle zorg voor droeg.

34Behalve deBreche de Roland, is ’er een andere en bruikbaarder bergweg, die menle port de Gavarnienoemt.Portbeteekent in ’t algemeen een doortogt, kloofofopening tusschen de bergen.

35Ramondspreekt ’er ook van, doch zegt dat derzelver getal sedert 40 jaren, omdat ’er vele bosschen gekapt zijn, aanmerkelijk is verminderd.

36TeParijsterug komende, vind ik bijPasumotechter van dit reuzengeslacht vrij omstandig melding gemaakt; de naam wordt daar zelfs bij opgegeven; en de laatste van dit geslacht moet nog maar 25 à 30 geleden, in den ouderdom van 108 à 110 jaren gestorven, en de doopceel enz. nog teLuzvoorhanden zijn. ’Er schijnen ook bewijzen te zijn, dat ’er in de begraafplaatsen van die reuzen, beenderen gevonden zijn van eene ongemeene grootte, onder anderen een sleutelbeen van 10 duimen, en eentibiavan bij de twee voeten.

37Ik weet niet van ooit diergelijke zonnewijzers bij ons gezien te hebben; ondertusschen zouden zij ook van veel dienst voor onze landlieden kunnen wezen.

38InFrankrijkis deze behandeling niet ongewoon.

39Dit schijnt als een teeken van vlijt tot haar marktopschik te behooren, want ik zag ’er eenige, die ’er weinig gebruik van maakten.

De schets, die ik van de kleeding der bergbewoners gemaakt had, niet voldoende zijnde, om ’er een plaatje naar te graveren, heeft een Landgenoot en kunstschilder alhier (teParijs) daar een aardige teekening naar gemaakt, waarop het vrouwtje spinnende verbeeld wordt. Gij kunt dezelve nu des goedvindende in het werk plaatsen. Deze schilderKnipgenaamd, en van’s Boschgeboortig, schildert zeer zoet landschappen in waterverf, welke wijze van schilderen deFranschenen gouachenoemen. Die jongman is bijzonder achtingwaardig om zijne ouderliefde: daar hij, hoewel zeer ijverig moetende werken om den kost te verdienen, gedurig een groot gedeelte van het geen hij wint, aan zijn bijna blinden vader in’s Boschtoezendt. Zijn zuster heeft hier ook eenigen tijd van den Heervan Spaandonckonderwijs in het bloemschilderen gehad, en is weder naar het Vaderland terug gekeerd, op hoop van daarmet bloemen en vruchten schilderen, waarin zij al vrij gnap is, den kost te zullen kunnen verdienen.

40De Izard van dePyreneënen de Chamois van deAlpen, schijnen tot hetzelfde geslacht te behooren.

41Dat is zeer onnoodig. Zoo scheen hij somtijds zeer onnoodig te vinden, dat wij aten, dronken of iets anders deden, dat in zich zelve zeer noodzakelijk was.


Back to IndexNext