Reize door Frankrijk.

Reize door Frankrijk.Eerste Brief.Dyon den 20 Julij 1804.Aan de dagteekening van den Brief ziet gij, Vriend! dat ik op reis ben. Maandag den 14. dezer vertrok ik vanParijs; en dus daags na het feest van den 14. Julij, dat dit jaar den 15. gevierd is. Ik had mij daarom nog al opgehouden, maar vond het voor mij, behalve het vuurwerk, dat nog al fraai was, die moeite niet waardig. Wij reden ’s morgens om vier uren af, met den gewonen Postwagen, die van hier opGeneverijdt, en waarop wij plaats genomen hadden totDyon. De plaats, binnen in, kost 63 livres de persoon, en voor mijn koffer, die ruim 100 ponden woeg, betaalde ik £ 13; men rekende tegens £ 25—het centenaar; doch de koffervoor twee personen zijnde, trok men ’er de 25 lb die ieder vrij had, en dus 50 af. VanCharentonenAlfort, daar wij door reden, heb ik u in een van mijne vorige al gesproken. TeLieursaint1, 4 posten vanParijs, daar wij ontbeten, niet met een boterham en een kopje thee of koffij, maar met vleesch, eijeren en wijn, begonnen onze reizigers zoo wat kennis met elkanderen te maken; en ik bespeurde toen, dat wij met een’ Priester, met een’ Rentenier vanDyon, met een Wijnkooper vanBeaune, een andere vanMaçon, en nog een vijfde persoon van den kant vanGeneve, op reis waren. InHollandzou men dat al lang geweten hebben; want naauwlijks heeft men daar een’ voet in de trekschuit of op den postwagen gezet, of er word gevraagd: “Waar komt mijn Heer van daan? waar gaat mijn Heer na toe? wat doet mijn Heer? is UEd. getrouwd? en eindelijk zelfs somtijds, hoe is mijn Heer’s naam?” Diergelijke onbescheiden vraagen treft men onder deFranschenzeldzaam aan, en men wacht doorgaans, tot dat de lieden zich zelve bekend maken. Nu werden wij wat gemeenzamer onder elkanderen, het gesprek liep natuurlijk over het Feest, dat den vorigen dag in de Hoofdstad was gevierd, en hier door werden de staatkundige gevoelenseenigzins ontwikkeld, de wijnkooper vanBeaune, dat een goede ronde kaerel scheen, en mijns bedunkens, met regt den naam vanFranc Bourguignon2verdiende, kwam er onbewimpeld vooruit, dat hij de Koninklijke regeering, welke voor de omwenteling inFrankrijkplaats, beter vond dan het tegenwoordig Gouvernement. Hij sprak van de staten der Provintien, van de voorrechten, enz. de Priester gaf wel te kennen, dat hij het hieromtrent met hem eens was, doch liet er zich zoo regelregt niet over uit. De Rentenier vanDyonscheen meêr een Volksbestuur toegedaan; deze waren de voorname sprekers, de overigen voegden ’er nu en dan een woordje bij. Ik heb algemeen opgemerkt, dat de Koningsgezinden onder anderen zeer verbitterd zijn tegen KeizerNapoléon, om dat hij de Hertog vanEnghienheeft laten ter dood brengen. Zij veroorloven zich ten dezen opzigte de hoonendste uitdrukkingen tegens hem, die zij dan nog al door een woordspeling (calembour) zoeken te bewimpelen, zoo als deze, welke iemand van ons gezelschap te berde bragt: “Iemand zeide, dat het afbeeldsel van de Keizer derFranschen, dat men op de geldspecie ziet, niet gelijkende Was; gevraagd zijnde waarom, antwoordde hij,parceque le nez est pointu et c’est un nez rond.” (Néron). Was deze ter dood veroordeelde geen voornaam hoofdvan hunne partij geweest, zij zouden ’er misschien niets op hebben aantemerken. DeFranschen, en vooral deParijzenaars, zijn liefhebbers vancalembours; men vind verscheidene boekjes, die daarmede zijn opgevuld. Vele jongelieden leren die van buiten, en met diergelijke meestal laffe aardigheden, pronkt men in de zoogenaamdebonne Societé. Anderen, die er meêr op gevat zijn, maken van alle gelegenheden gebruik om woordspelingen voor den dag te brengen, hoe weinig die dikwijls ook voegen. Men ontziet geene zaken hoe achtingwaardig, of personen, van wat rang zij ook zijn mogen, zoo hoorde ik eenigen tijd geleden, kort na dat de broeders en zusters des KeizersNapoléon, tot Rijksvorsten verheven waren, teParijsdoor de nieuwsbladverkopers (colporteurs) langs de straten roepen: “Voici etc. avec les noms et les demeures de tous les Princes et Princesses à deux sous;” een winderig heertje, die daar voorbij kwam, zeî op een’ spotachtigen toon tegen den uitventer: “Voyons ce qui c’est que vos princes et princesses à deux sous.” Sommigen lagchten hier om, anderen namen het misschien kwalijk; hoe ligt had iemand tot de politie behoorende hier omtrent kunnen zijn, onze grappemaaker zou dan zekerlijk voor zijn spotternij hebben moeten boeten, en wie zou hem beklagen.Melun.Melun.Omstreeks één uur kwamen wij teMelun, 5½ post vanParijs. De Postwagen, vertoefde hier om het middagmaal te houden, en ik, nog geen honger hebbende, daar wij laat hadden ontbeten, besteedde dientijd met het plaatsje te zien. Dit stadje de hoofdplaats van het Departement deSeine et Marne3, is in eene bekoorlijke landsdouw aan de oevers vande Seinezeer aangenaam gelegen; die rivier verdeelt hetzelve in drie deelen, die door twee steenen bruggen vereenigd worden; de bijgaande afteekening zal u hier een duidelijk denkbeeld van geeven. Verscheidene Koningen hebben teMelunhun verblijf gehouden, hun paleis was op de punt van het Eiland dat gij tusschen de twee bruggen ziet. Het is een der oudste steden van deGaulen.Caesarmaakt er gewag van in zijne gedenkschriften. Het is ook in de geschiedenis bekend, door eene belegering van deEngelschentegen die stad, welke plaats had in de vijftiende eeuw, en die de belegerden, met eene schier ongelovelijken moed, zes maanden uithielden. De geleerdeJacques Amiot, Bisschop vanAuxerreen vertaler van deDoorluchtige Mannen vanPlutarchus, enz. werd hier geboren. De voorname handel is in granen, meel, wijn, kaas, kalk en gebakke steenen; die waren worden veel alde Seineaf naarParijsvervoerd. De groote weg, die hier doorloopt, maakt het vrij levendig; ’er vaart ook een schuit (coche d’eau) van hier naarParijsheen en weder. In het terugkomen word zij met paarden tegen den stroom opgetrokken. Van deMammelukken,die metBonaparteuitEgyptekwamen, lagen er hier omtrent 150 in guarnisoen, naar men ons verhaalde. De inwooners waren ’er niet wel over te vreden, en zeide ons, dat het veeläl slecht kwaadaartig volk was; wij zagen ’er eenigen van langs de straat loopen. Hunne Oostersche kleeding maakte in dit plaatsje, waar men alles behalven Oostersche pracht ziet, een wonderlijk afstekende vertooning. De aanhoudende schoone landstreek en de fraaije gezigten die men geduurig aantreft, vermaakten mij niet weinig. DeSeineenYonnevereenigen zich voorMontereau. Men komt over een fraaije brug in het stadje. Deze brug is in de geschiedenis bekend: de Hertog vanBourgondiënkwam in het jaar 1409 op dezelve, om zich metKarelden VII, die toen Dauphin vanFrankrijkwas, te verzoenen, en werd door de Offiçieren van dien Vorst vermoord4. Onze reisgezel, de Rentenier vanDyon, die nog al ervaren scheen in de geschiedenis deed mij dit een en ander opmerken. Dit stadje ziet er welvarende uit en is alleraangenaamst gelegen; even buiten hetzelve langs de boorden van deYonneis eene fraaije algemeene wandelplaats. De ruime gezigten en bekoorlijke tooneelen die de natuur hier oplevert, houden den opmerkzamen reizigerhier aanhoudend op de aangenaamste wijze bezig.Tegen het vallen van den avond kwamen wij teVilleneuve-la-Guyard, een stadje in het Departement del’Yonne, en wel het eerste, als men ’er van dezen kant inkomt.Auxerreis de hoofdplaats van hetzelve. Wij hadden nu 10½ post afgelegd en hielden hier ons nacht verblijf, en niettegenstaande het plaatsje er niet te breed uitziet, hadden wij nogtans een vrij goed avondmaal en goede bedden. Onze Wijnkooper vanBeaune, die in deze streeken bekend was, bragt hier zeer veel toe, en deed ons vooral door de vrije en grappige wijze, waarop hij alles bezorgde en bestelde, niet weinig lagchen.Den volgenden morgen, 17 dezer, vertrokken wij om drie uren, en reeden 1½ post van hier door het stadjePont sur Yonne, aan den westelijken oever van die rivier tegen den voet van een heuvel, die met wijngaarden bedekt is, gelegen. Deze plaats ontleent zijn’ naam van de steenen brug op zeven bogen, die wij bij het uitgaan van de stad overreden, wat verder ziet men steen- en pannebakkerijen, en vervolgens een zeer uitgestrekt en aangenaam geschakeerd gezigt. De stadSensvertoonde zich voor ons in een aangenaam verschiet, tegen een’ heuvel; de landstreek is zeer bevallig, en de morgenstond was schoon. Voor de omwenteling wasSenseen Aartsbisdom en de hoofdstad vanle Senonois en Champagne; zij is 12 posten vanParijsgelegen: inwendig beantwoort zij vrij wel aan de uitwendigevertooning. De straat, waar wij in kwamen is ruim. Wij stapten af voor de Hoofdkerk, die wel bezienswaardig is; zij pronkt met een zeer hoogen en fraaijen toren; het klokkespel wierd voorheen voor het fraaiste van het gantsche rijk gehouden. Hier vervoegde ik mij bij onzen Geestelijken reisgenoot en ondervond, dat het goed is om zich met lieden van allerlei stand en beroep op reis te bevinden. Deze was dan ook een zeer vriendelijk man, en, zoo het scheen, een der redelijkste Priesters, dien ik immer heb aangetroffen. Wij traden te samen de Kerk in. Dit gebouw is zeer groot en wel verlicht, de kapellen rondom en het choor is met fraai ijzer hekwerk versierd.Lodewijk DauphinvanFrankrijk5, in den jaare 1765 teFontainebleauoverleden, werd, benevens Mevrouwde Dauphine, in deze kerk begraven; wij zagen er zijne graftombe, die in het begin van de omwenteling was weggenomen, doch thans weder opgerigt. Zij is van wit marmer, en word gehouden voor een meesterstuk van den beeldhouwerCoustou. De beelden, die de twee lijkbussen kroonen, zijn de Godsdienst, de Deugd, de Tijd en Frankrijk. Men vind meêr andere fraaije versierselen in deze kerk, bijzonder het beeldhouwwerk boven een Altaar, verbeeldende de moord vanSt. Savinien. De glazen zijn geschilderd door den bekendenFranschenkonstschilderJean Cousin6, die teSoucydigt bij deze stad in de 16de eeuw gebooren werd; men wilde, dat hij tot de Protestanten behoorde, omdat hij op de glazen vanSt. Roman’skerk teSensin eene schilderij van het laatste Oordeel een Paus in de hel geplaatst had, en men nam hem die aardigheid maar zeer kwalijk. Deze stad was reeds vermaard ten tijde vanJulius Caesar. In 1735 vond men ’er het opschrift:Vesta mater, waarom men meent te moeten onderstellen, dat ’er een tempel vanVestageweest is; uit andere aanwijzingen maakt men op, dat ’er ook een tempel ter eere vanAugustusbestaan heeft. ’Er bestaat nog geldspecie, die ’erCarolus Magnusheeft doen slaan. PausAlexanderde III. koos deze stad tot schuilplaats, en verbleef ’er van den 30 September 1163 tot in 1165. In de boekerij van het Capittel van de Hoofdkerk alhier, wierd voorheen een kluchtig stuk bewaard, namenlijk het oorspronkelijk handschrift van den kerkdienst der gekken (l’Office des fous,) zoo als die eertijds in de kerk vanSensgezongen werd, het was een lang smal en redelijk dik boekdeel in Folio, met uitgesneden ijvoor bedekt en met lange magere lettersgeschreven; men vindt ’er afbeeldingen in vanBacchusfeesten,Pan’sfeesten, potsenmakerijen en meêr andere schandelijke ongerijmdheden van dien aard: in dit feest, dat door deszelfs verregaande ongerijmdheden zeer wel aan zijne benaming beantwoordde, speelde ook een Ezel, te weten een viervoetig dier, eene voorname rol; andere op twee beenen waren ’er met menigte bij.Onder meêr anderen is hier ook een voorname fabriek van het geen men inFrankrijk Velours d’Utrechtnoemt, en dat zeer veel gebruikt word, om Meubilen, Rijtuigen, enz. te bekleeden: deze fabriek schijnt uit een der voornaamste steden in ons Vaderland herkomstig, en misschien is zij ’er, zoo als meêr anderen, thans wel in verval.De Waterhorologies (Horloges d’eau) die men zelfs tot inAsiaenAmericaverzendt, worden hier gemaakt.Buiten de stad zag ik verscheidene vruchtbaare moestuinen en boomkweekerijen; als ook eene fraaije algemeene wandelplaats. Men rijdt over een brug over deYonne, die langs deze stad stroomt. In deze landstreek zijn veel wijnbergen, en hier en daar nog al boomen. Wij ontbeten teVilleneuve le Roy, thansVilleneuve sur Yonne, een klein stadje aan den oostelijken oever van die rivier, niet onaangenaam gelegen; het heeft aanmerkelijke Leêrlooijerijen, en het leder maakt een voornamen tak van zijn’ handel uit. Op den weg naarJoignyziet men nog altijd verscheidene heuvels met wijngaarden beplant; de wijn iseen voornaam voortbrengsel van dit land. Weldra bespeurde wij de stadJoigny7, en eene vlakte zoo ver het oog kon reiken. De voorstadSt. Michel, is zeer aangenaam aan deYonnegeleegen, en maakt een fraaije kaai; ’er staan verscheidene gnappe huizen en een groot en schoon gebouw, zijnde eene cazerne, daar voorheen veel krijgsvolk zoo te voet als te paard in gelegd werd. Die kaai pronkt ook met twee prachtige en sierlijke ijzeren hekken, een derde is aan den opgang van de brug. Op de fraaije steenen brug, die door agt boogen ondersteund word, heeft men een verrukkend gezigt.Bonapartekwam ’er over, toen hij zegepralende uitItaliënte rug keerde, en men heeft toen op dezelve een’ houten eereboog opgerigt die ’er nog staat. Het stadje, dat niet groot is, maar zeer welvarende, drijft, zoo het schijnt, veel handel in koorn, daar het de stapelplaats van is, en van een soort van laken, dat ’er gemaakt word. Voorheen was het een Graafschap.Het dorpjeAvrolles, daar wij doorreden, leverde een deerlijk schouwspel op; 112 huizen en de kerk waren er den 25. der laatst afgeloopen Maand, door de onvoorzigtigheid van een der Inwoonders, afgebrand. Eer wij hier aankwamen, wees men mij het begin, dat men gemaakt had met het kanaalvanBourgondiënte graven. Het stadjeSt. Florentinop dezen weg gelegen, leverde niets merkwaardigs op; de grond hieromstreeks kwam mij niet zeer vruchtbaar voor. De wijnbergen en heuvels werden meer verheven. Dit plaatsje echter herinnerde ons aanSt. Florentin, daar na Hertogde la Vrilliere, die ’er Heer van was, een der verachtelijkste Hovelingen vanLodewijkden XV. Hij kon zich beroemen van veertig duizendLettres de Cachetuitgegeven te hebben; zijn bijzitSabathierheeft ’er omtrent wel negen en dertig duizend van verkocht. Men maakte op hem het volgende grafschrift:Ci git un petit saint8qui n’est pas du commun;Il a porté trois noms, et n’en laissa pas un.Omstreeks zeven uren kwamen wij teTonnère: heden hadden wij 13½ post afgelegd, en hielden hier ons nachtverblijf. Dit stadje is schilderachtig gelegen; een kerk op een rots gebouwd, ziet men van verre boven de huizen uitsteken; aan den voet van dezelve is een bron, die zeer overvloedig in water en zoo diep is, dat men schier geen’ grond kan vinden: rondom is eene overdekte gallerij gebouwd voor de waschvrouwen. Niet meêr dan ruim honderd voeten van daar heeft het water van deze bron reeds een stroom gevormd, waar men op eensteenen brug, van twee bogen, overgaat. De Marquisde Louvois, Secretaris van Staat, en Oorlogsminister onderLodewijkden XIV, de schrik der Protestanten, was Heer van dit Graafschap. Wij vonden hier een redelijk goed avondmaal, en de ligging was ook vrij wel; want men heeft inFrankrijkin dit saisoen, alle reden, om te vreden te zijn over de bedden, als het getal der weegluizen zoo groot niet is, dat zij het slapen ten eenenmaal verhinderen. Voor het overige moet men hier met het scherpziende oog van eeneNoord-Hollandschevrouw niet rondsnuffelen, en vooral ook de keuken onbezocht laten. Nu men word hier ook aan gewoon, en dit is noodzakelijk.Den 18 dezer begaven wij ons ’s morgens om 3 uren weder op reis. Na een eind weegs gereden te hebben, troffen wij vrij hooge heuvels aan; de wagen kon hier niet anders dan zeer langzaam vorderen, en wij verkozen, om te wandelen. Wel dra zagen wij die grootsche en schitterende vertooning, die ieder redelijk mensch met eerbied en bewondering vervult, en die zoo vreemd is voor zeer veel stedelingen. De zon rees statig boven den gezigteinder. De landstreek is hier niet zeer vruchtbaar; wijn is het voornaamste, dat men ’er teelt. Wij zagen hier en daar ook kreupelbosch en woeste onbebouwde streeken. Na twee posten gereisd te hebben, kwamen wij teAncy-le-Franc. Het stadje ziet ’er ellendig uit; doch even buiten hetzelve ligt een schoon kasteel. Het scheen door de omwentelingniet geleden te hebben.Nicolo del Abate, leerling vanPrimaticcio, een vermaard schilder ten tijde vanFrançoisI, heeft verscheidene vertrekken van dit kasteel versierd. Wij hebben het inwendig niet gezien, en vergenoegden ons met de tuinen, die hier en daar nog al aardig zijn aangelegd, te doorwandelen. Achter het huis scheen veel bosch te liggen, en het water ontbrak ’er ook niet; het kwam mij dus voor een aangenaam buitenverblijf te zijn. Voor mij zou het nog aangenamer wezen, wanneer ik het moest bewonen, indien het verder afgelegen was van het armoedige stadje, dat ’er voorheen aan behoorde, ten zij ik in staat was, om het lot van deszelfs inwoners te verbeteren. Thans behoort het kasteel aan de familie vanLouvois, van hetzelfde geslacht daar ik hier van gesproken heb, en word door een vrouw van dien naam bewoond, ik weet niet of het de laatste vrouw en weduwe is van dieLouvois, die teParijsom zijn gaauwdievenstreeken bekend was9. Dit onder anderen verdient als een staaltje van het edel gedrag van een voornaamFranschedelman aangeteekend te worden.Louvoishad geld noodig, zoo als hem wel eens meêr gebeurde. Juist wasde Courtenvaux, zijn oom, van wien hij moest erven, ziek, hij gaat zijn’ dood bekend maaken aan een man, van wien hij £ 30,000—wilde leenen, voorwendende dat hijdit geld noodig had voor de rouwkleeding, enz. overeenkomstig zijn’ staat. Men belooft hem de som, vragende slechts twee uuren tijd, om hem die te bezorgen. Daar hij zelf overtuigd was, hoe weinig staat men op hem maakte, begreep hij zeer wel, dat men in dien tusschentijd onderzoek zou doen. Hij loopt dan naar het Hotèl, waar zijn oom woonde; zendt den Zwitser onder het een of ander voorwendzel om een boodschap, gaat in deloge10, trekt het livrei aan, doet de sjerp om, en wachtte zoo, tot dat de tijd die men hem bepaald had, bijna verloopen was, en ieder, die naar den Heerde Courtenvauxvroeg, werd terug gezonden met deze boodschap: ”Hij is kwartier over tweeën gestorven.” Hier door bereikt de fielt zijn oogmerk; de gevraagde som word hem toegeteld, en ’s anderen daags verneemt men, datde Courtenvauxwelvarende was; enLouvois, die zeer wel wist, dat hij door zijn oom onterfd was, lagchte des te meêr in zijn vuist, wijl hij zich verzekerd hield dat hij de geleende som nimmer terug zou kunnen geven.—wat zegt gij, Vriend! zouCartouchehet wel beter hebben kunnen overleggen?Voort reizende vonden wij wel verscheidenheid van gezigten, hier en daar zijn zij zelf schoon, doch de landstreek is veeläl woest en onvruchtbaar. TeAisy sur Armançonzagen wij in het voorbijgaande ijzersmelterijen van den vermaardenBuffon. Het ijzer word uit de mijnen hier omstreeks gehaald, en deze smelterijen leverden ’s jaarlijks omtrent acht maal honderd duizend ponden ijzer; en men verzekert, dat zij den eigenaar veel geld opbragten. Het kasteel vanMontbarop eene aanzienelijke hoogte gelegen, vertoonde zich vervolgens aan ons gezigt, (zie de hier bijgaande afbeelding); wij moesten in het stadje van dien naam, aan den voet van den berg gelegen, het middagmaal houden. Ik had dus den tijd, om het te zien, en om op den berg, daar het kasteel ligt, te klimmen. Die Schrijver van de Natuurlijke Historie, vooral om zijn schoonen stijl beroemd, is in deze plaats den 7 September 1707 gebooren, en in 1788 begraven. Hij was een werkzaam man, zelfs tot op ’t laatst van zijn leven, en niettegenstaande hij door den steen dikwils vreesselijk leed; maar teffens was deze groote man in sommige opzigten zeer beuzelachtig: zelfs in zijn hooge jaren, en al was hij onpasselijk, liet hij zich dagelijks het haar inpapillottes11zetten en branden; veeltijds liet hij zich tweemaal op een’ dag kappen, en was ’er zeer opgesteld, dat dit met de vereischte zorg en oplettenheid geschiedde. Hij hield zich ook nu en dan gaarne met buurpraatjes bezig, en wist door zijn’ kapper en anderen alles, wat ’erinMontbarin de huisgezinnen en onder de ingezetenen omging.De Buffonwas eenFranschman; was hij eenHollandergeweest, men zou nog meêr reden hebben, om zich hier over te verwonderen.Montbar.Montbar.Het kasteel is een oud gebouw, en zag ’er zoo wel als de tuinen en toegangen tot hetzelve vervallen uit. Het woonhuis, waar de geleerde Natuuronderzoeker zijn Verblijf hield, ziet men in een straat van het stadje. De vrouw uit de Herberg, waar wij aten, was kamenier in het huis vande Buffongeweest en wilde wel praten: ik had dus gelegenheid, om mij over hem te onderhouden, en zij bevestigde dat, wat ik u hier wegens zijn geaardheid verhaal.d’Aubentonis ook vanMontbar12; het stadje behoorende tot het Departementla Côte d’Orziet ’er niet zeer gunstig uit. Het riviertje deBrennestroomt ’er door, en ’er ligt een steenen brug over. De hondslederen handschoenen, die men hier maakt, hebben nog al eenigen naam. In de omstreek zijn ook eenige marmergroeven, en men teelt ’er wijn.In de stad wandelende zag ik een aankomend jongetje aan de deur zitten, bezig met maliën om rijgsnoeren te maken, dat hier ook een fabriekje schijnt te zijn. Ik ondervroeg het kind hieromtrent een enandermaal, doch kreeg geen antwoord; hier over te onvreden, was ik gereed om mijn misnoegen aan hetzelve te kennen te geven, toen de moeder uit het huis kwam, en mij zeide, dat het ongelukkig kind stom en doof geboren was. Weldra veranderde de gemelijkheid in aandoening; ik vroeg haar, waarom zij niet trachtte, om het zoontje in de School van Dooven en Stommen teParijste bezorgen, doch de goede arme vrouw antwoordde op eenen teederen toon, dat zij bang was, dat het mishandeld zou worden, en hoe zeer zij hard werk had, om aan den kost te komen, het echter niet gaarne zou verlaten.—BuitenMontbarwordt de landstreek hoe langer hoe woester, doch levert daarom geen onaangenaame vertooning op; van de aanmerkelijke overblijfsels van een oud kasteel, dat ik hier op eene rotsachtige hoogte zag liggen, wist niemand van het gezelschap mij eenig bijzonder narigt te geeven. De grond was hier als bedekt met sprinkhanen die geduurig voor de voeten met geheele zwermen opvlogen; de vleugels waren schoon rood. In ’t voorbijgaan zagen wijSemur, een stad op een hooge rots aardig gelegen; het riviertjed’Armançonstroomt aan den voet. Men zeî mij, dat deze rots bestond uit rood graniet, bekwaam om gepolijst te worden. Men vindt hier ook veel versteeningen van groote Ammonshoornen, Oesters, Mosselen, enz. De grond hier rondom ziet ’er noch al vruchtbaar uit, en men teelt ’er veel koren. De weg is aangenaam, aan beide zijden beplant. Tegen den avondkwamen wij teVitteaux, een stadje tusschen verscheidene bergen aan het riviertjede Brennegelegen, waar wij ons avondmaal en nachtverblijf moesten houden. Hier omstreeks vindt men ook marmergroeven, en bij het inkomen eene gemeene wandelplaats. Ik doorliep het plaatsje, maar zag ’er niets bijzonders. Heden hadden wij 9½ post gereisd. Ons avondmaal was vrolijk: onze Wijnkooper vanBeauneliet zich nu en dan eens gelden, en wij waren over onze Herberg nog al wel te vreden.Den volgenden morgen, 19 dezer, vertrokken wij weder om drie uren; dit scheen het algemeen bepaalde uur. Een’ vrij hoogen berg over moetende (want hier kan men het al bergen noemen) gingen wij te voet. Op de hoogte vonden wij het zeer frisch, zoo dat het zelfs eenigzins hinderlijk was. Het begon dag te worden, en wij zagen niet ver van den weg een Telegraaf, die opgerigt, was om deArmée de Reserve, die hier omstreeks lag, met die vanItaliëngemeenschap te doen hebben: thans maakt men ’er geen gebruik meêr van; van deze plaats, de verhevenste van de geheele streek, zag ik de eerste stralen der zon een schilderachtig schoon landschap beschijnen.—Een eindweegs verder zagen wij aan onze rechterhand het aanzienelijke kasteelSombernonvoorheen bewoond door de Hertogen vanBourgondiën. Onze Rentenier vanDyondeed mij hier als iets in der daad bijzonders opmerken, dat de drup of het water van het dak op dit kasteel, aan den eenen kant door deBrennein deYonnedeSeine, en vervolgens in denOceäan; en aan den anderen kant doorde Ouchein deSaonein deRhoneen vervolgens in deMiddellandsche Zeeloopt. De landstreek blijft aanhoudend schilderachtig schoon; hier ziet men bosch, daar barre en hooge rotsen, en daar zijn dezelve weder geheel groen door de menigte palm en andere struiken, die ’er op groeijen. Hoe meêr wijDyonnaderden, hoe meêr wij bevonden, dat de Natuur hier eene eenigzins ontzaggelijke houding aanneemt; de rotsen zijn hoog en hier en daar steil; zij hellen zelfs op sommige plaatsen over den weg, die ’er digt langs loopt, heen. Wij kwamen voorbij een vrolijk gelegen dorpje, rondom meestal met allerlei vruchtboomen beplant; dit is de vruchthof vanDyonen levert zeer veel ooft aan de stad. De Bisschop vanDyonhad hier zijn buitenplaats, en dit bewijst genoegzaam, dat het een aangename en vruchtbare landsdouw is. Verder zagen wij de nog aanzienelijke overblijfsels van datCarthuizerklooster, om deszelfs pracht en weelde, om zijne paleizen en bekoorlijke tuinen zoo vermaard; en deze tempel der wellust werd, tot aan de omwenteling, door een soort van Monniken bewoond, die van vele, om hunne voorgewende godsvrucht en zedigheid, met den uitersten eerbied behandeld werden. Wat men ook van deFranscheomwenteling zegge moge, in het uitroeijen der kloosters heeft zij het menschdom een’ wezenlijken dienst bewezen. Langs den weg ziet men een gracht (canal) die onvoltooid is gebleven, en die zig tot een goedenafstand van de stad uitstrekt. Niet verre vanDyonbegint die keten heuvelen, die om derzelver overvloed van goeden wijnla Côte d’Orgenaamd wordt; de stad vertoont zich met hare fraaije spitze torens, op eene bevallige wijze, (de hier bijgevoegde aftekening zal ’er u een duidelijk denkbeeld van geeven.) Wij kwamen ’er in door eene fraaije poort, die nog niet lang gebouwd scheen, en namen onzen intrek in het Hôtelde la Galère, nadat wij van onze vriendelijke reisgenoten afscheid genomen hadden. Het speet mij in der daad, dat wij niet langer bij elkanderen bleven. De Priester vooral was een man, die kunde en smaak met een beminnelijke geaardheid scheen te vereenigen: men bespeurde aan hem in ’t geheel, die onaangename gebreken niet, die zoo dikwijls aan lieden van dien stand eigen zijn; hij was vrolijk zonder losbandigheid, zedig zonder gemaaktheid, en kundig zonder verwaandheid; daar bij scheen hij zeer verdraagzaam en redelijk zoo omtrent Godsdienstige als Staatkundige gevoelens. Het geen, mijns bedunkens, tot dit alles zeer veel had bijgedragen, was, dat hij uitgeweken zijnde zich zeer lang inEngelandhad opgehouden, en daar, bijzonder door de Protestanten, op de menschlievendste en vriendelijkste wijze was behandeld geworden. Met dankbare aandoening sprak hij hier van, en ik ben wel verzekerd, dat deze achtingswaardige geestelijke, waar hij ooit eenigen invloed moge hebbe, nimmer gewetensdwang of vervolgzucht dulden zal.Zie daar, Vriend! een’ vrij langen Brief, in eenen volgenden zal ik u over deze stad, waar omtrent ik reeds het een en ander heb aangeteekend, nader onderhouden.—Vaarwel!1De gebeurtenis, die aanleiding gaf tot het Blijspel vanColléLa partie de chasse deHenri IV. is hier omstreeks voorgevallen,Michauwas Molenaar teLieursaint; dit stuk is, meen ik, ook in ’tNederduitschvertaald.2Zoo noemt men deBourgondiërs, om de ronde en gulle inborst, die men hun toeschrijft.3Meauxalwaar de welsprekendeBossuëtBisschop was, behoort tot dit Departement. In de stad en omtrek vanMeauxwonen zeer veel Protestanten.4Dit geval heeft aanleiding gegeeven tot de partijen derBourguignon’s enArmagnac’s, die zoo veel bloeds aanFrankrijkgekost hebben.5Hij was de Vader vanLodewijkde XVI.6Hij is bekend voor de oudste der goede schilders inFrankrijk, bijzonder ook om het vermaarde stuk van het laatste Oordeel, dat teParijsop het Museum hangt, en waar van de gedrukte plaat een der grootste prenten is, die men kent. Zij is gegraveerd doorPieter de Jode, eenAntwerpenaaren vermaard Plaatsnijder.7Picardbekend auteur en acteur teParijs, heeft een stuk gemaakt onder den naam vanle Collatéral ou la Diligence à Joigny, dat zeer aardig is.8Hij was kort en dik.9Een van de vrouwen vanLouvoiswas eenHollandsche, ik meen de Baronnessede Huffelgenaamd.10Vertrekje van de portier of Zwitser aan de ingang van een Hotèl.11Ik ken hier geenNederduitschwoord voor, en het was te wenschen dat alle diergelijkeFranschemodeprullen onder ons geheel onbekend waren.12Die goede man hield zich in zijn ouden dag, benevens zijne vrouw, bezig met het lezen van bijna al de Romans, die ’er uitkwamen.Tweede Brief.Lyon, 26Julij.Eergisteren ben ik hier aangekomen, en vervolg mijn reisverhaal, zoo als ik u in mijn vorigen, gedagteekend uitDyon, beloofd heb. Die stad is mij bijzonder wel bevallen, zoo om de aangename ligging, den overvloed der levensmiddelen, als om de orde en zindelijkheid die ’er plaats heeft. Bij ons zou men ’er ten dezen opzigte in ’t geheel niets ongewoons vinden; doch voorFrankrijkmoet het als, iets bijzonders in ’t oog loopen.Dyonwas voorheen de Hoofdstad van het Hertogdom vanBourgondiën, thans is zij het van het Departement van deCôte d’Or; dePrefecthoud ’er zijn verblijf, en ’er is eenTribunal de première instance. De weg vanParijstotDyon, zoo als wij die genomen hebben, is 38¾ posten. Aan den Conducteur van den wagen gaven wij volgens gebruik £ 3–:–: de persoon drinkgeld, en aan de postillons geeft ieder doorgaans 2 sols van het eene Posthuis tot het andere: voor het gemak laat men dit door den Conducteurverschieten, het geen ook omtrent op denzelfden prijs uitkwam.Dijon.Dijon.De poort, waar wij in gekomen waren, scheen mij bezienswaardig. Onze Herberg was ’er niet ver van daan, en ik was dan naauwelijks van den wagen afgestapt, of ik ging dezelve bezigtigen. Het is een fraaije eereboog van wit gehouwen steen, in het begin van de Omwenteling voor de Vrijheid opgerigt, zoo als het opschrift boven dezelve aanduidt. Zij wordt dan ook nogla porte de la Libertégenaamd. Aan den binnenkant, en aan beide zijden, leest men op steenen tafelen: ”Les droits de l’homme reconnus le 30 Septembre l’an I. de la Liberté (1739) etc.”1De basreliefshier op toepasselijk zijn van den BeeldhouwerAttiret, in dit Departement geboren, en kort voor onze aankomst gestorven. Even buiten deze poort ziet men een’ fraaijen tuin in denEngelschensmaak aangelegd, en die thans ook voor een gemeene wandeling strekt: men noemt denzelvenle Jardin de l’Arquebuse; bij ons zou men het deSchutters Doelennoemen. Het merkwaardigste, dat ik daar zag, was een populierboom van eene zeer ongemeene dikte, men kan hem op de hoogte van de schouders naauwelijks met vier persoonen omvatten: onder aan den grond is hij nog veel dikker, en daarbij zeer hoog, en zwaar van takken, doch in de toppen isal veel dood hout, en mij dunkt, dat men wel zou, doen om hem intekorten, ten einde door dit middel eene zoo aanzienelijke gedenkzuil der Natuur nog langer in wezen te houden.—Een oude boom heeft voor mij iets eerwaardigs, en ik zie dien veel liever dan zoo vele gedenkteekenen voor de dwinglandij of het bijgeloof opgerigt, die niets merkwaardigs opleveren—dan oudheid.De Hoofdkerk is een fraai gebouw, inzonderheid de spitse toren, die door deskundigen voor een meesterstuk gehouden word. Deze kerk is onlangs van binnen nieuw opgemaakt; men was ’er zelfs nog aan bezig, alles werd dan ook zeer net en sierlijk opgepronkt. Behalve deze zijn ’er nog twee andere kerken, waarvan men de fraaije en prachtige bouworde bewonderd; zij zijn ook van binnen ter deeg mooi gemaakt.Hoewel ik weet, dat gij even zoo min als ik een liefhebber zijt van al dat heilige poppenspel, moet ik u toch het een en ander vertellen van de voorheen hier zoo vermaarde heilige Kapel (la sainte Chapelle). Deze wierd door Hugues, de derde Hertog vanBourgondiën, in 1172, gebouwd, en is dus nog al tamelijk oud. In 1430 zond Paus Eugenius de Vierde aanPhilippus, zeer ten onregte bijgenaamd,de Goede, Hertog van,Bourgondiën,2de beruchte wonderdadige hostie. Deze Paus scheen het zoo wat bont te maken, want met zat hem hevig in het vaarwater, en ten gevolge van dien werd hij ook door de kerkvergadering vanBazel, in 1439, afgezet, uitgescholden voor een handeldrijver in geestelijke zaken (Simoniet), meineedigen, onverbeterlijken ketter, kortom voor al wat leelijk was, enAmadeusHertog vanSavoyen, werd door die zelfde kerkvergadering in zijne plaats aangesteld.—Men leefde toen ook al aardig met de Pausen.—De Hertog vanEpernongaf vervolgens een gouden kist met edele gesteentens omzet, waar de heilige ouwel in bewaard moest worden, (deze Hertog was toen Gouverneur van de ProvintieBourgondiën) en eindelijk voegdeLodewijkde XI. Koning vanFrankrijk’er zijne kroon bij. Als men dezen ouwel ten toon stelde, werd dezelve in een gouden zon gezet, die een en vijftig mark woog: de kroon vanLodewijkde XI. plaatste men ’er dan boven op; of dat ook keurig mooi geweest moet zijn. Ik zeg van al die fraaijigheden niets meêr; want de geheelen boêl was opgeruimd, en de kerk is gedeeltelijk afgebroken. Naar men mij verzekerde moest ’er een Schouwburg van gemaakt worden.Nu ’er zijn ook kerken genoeg inDyon, en een Schouwburg heb ik ’er niet gezien. Van een andere kerk heeft men een Korenhal gemaakt; want men begrijpt nu, dat diergelijke gebouwen in eene wel ingerigte maatschappij ook noodzakelijk zijn. Behalve de kerken was ’er in deze stad ook een menigte kloosters. Het bijgeloof, en dus ook de onverdraagzaamheid, hadden ’er vrij wat invloed. Men heeft ’er dan ook begonnen met de Protestanten te vervolgen. De Maarschalk van FrankrijkTavannes, vertrouweling vanKarelden IX. en een van de voorname bewerkers van den rampzaligenSt. Bartelsnacht, speelde hier toen ook de eerste rol. Het Paleis, dat men voorheenle Palais de Condénoemde, omdat die Prins Gouverneur was van de Provintie, is een prachtig gebouw. Het pronkt met een fraaije colonnade en ijzer hek: voor hetzelve is eene ruime plaats in de gedaante van een halven cirkel, en rondom geregeld met huizen bebouwd. Men gaat door bogen in de straten, die ’er op uitkomen. Midden op deze plaats stond voorheen het beeld vanLodewijkde XIV. te paard. In dit Paleis vergaderden de Staten vanBourgondiënalle drie jaren, doorgaans in de Maand Mei: zij bestonden uit de Geestelijkheid, den Adel en den derden Staat. De Maire van de stadDyonwas altijd Voorzitter van den laatsten. Deze vergadering duurde gemeenelijk veertien dagen, en men hield die met veel pracht en uitwendige vertooning. ’Er was volk genoeg, want zij bestond doorgaans uit 450 persoonen.Hunne voorname werkzaamheid was het regelen van de belastingen, daar de Geestelijken en de Adel, die het meeste te zeggen hadden, geen duit in betaalden; het ging dan daarmede zoo als het spreekwoord zegt: “van een anders leder is het goed riemen snijden;” en het is dus ook geen wonder, dat de derde Staat, eindelijk deze onregtvaardigheid, die overal inFrankrijkplaats had, moede wordende, zijn misnoegen daar over op eene gevoelige wijze heeft getoond, en de goederen van die kwaadbetaalders, die daar bij nog zeer ongemakkelijk waren, heeft aangesproken voor de achterstallige schuld: en ik geloof, welk regt die zoogenaamde groote sinjeurs ook vermeenen te hebben, om zich deswegens bezwaard te achten, dat, wanneer een nauwkeurigHollandschboekhouder de rekening eens opmaakte, zij nog een aanmerkelijke som ten achteren zouden zijn. De zaken zijn nu geheel van gedaante veranderd—en wij willen hopen, dat het daar door beter zal gaan. De onderscheidene regtbanken van dit Departement houden thans zitting in dat voormalig Paleis vanCondé. Daar het openstond ging ik ’er in, en verder in een zaal, waar de Crimineele Regtbank zitting hield, en waar men bezig was met een vrouw te verhooren, die beschuldigd werd van eenige goederen gestolen te hebben. Het was na den middag, en een van de Regters, misschien gewoon, om op dien tijd een dutje te doen, zat gerust te slapen.—Aan den ingang van de zaal las ik, dat van de toehoorders demannen zich aan de eene, en de vrouwen zich aan den anderen kant moeten plaatsen. Voor iedere sekse was dan ook eene bijzondere plaats met een balie afgeschoten, zoo dat de eerbaarheid hier wel in acht schijnt genomen te worden. In het afgaan bewonderde ik den fraaijen trap. Onder in dit gebouw staan verscheidene kramen met prenten, boeken en andere waren, en achter aan hetzelve is nog een oude toren die boven het dak uitsteekt, men zeide mij, dat het nog een overblijfsel was van het oude Hertoglijke Paleis.De Stad verder doorwandelende zag ik verscheidene schoone huizen; de straten zijn veelal ruim; de wallen met boomen beplant, leveren eene alleraangenaamste wandeling op, en men heeft van daar eene verscheidenheid van schoone gezigten. De wandeling buiten om de stad is ook zeer vermakelijk, en voor een stad, komt mijDyonvoor, wat de plaatselijke gelegenheid aanbelangt, al een zeer aangenaam verblijf te zijn.Den 20 dezer regende het aanhoudend, en dat is voor een’ reiziger allerverdrietigst, men kan niet rondloopen, niet wandelen; de Koffijhuizen zijn, dan vooral in plaatsen daar men geen Schouwburg of andere openbare vermakelijkheden heeft, de voornaamste toevlucht, wij maakten ’er dan ook gebruik van; men vindt ’er hier verscheiden, en daar onder die zeer net en met smaak zijn ingerigt. Ik las daar onder anderen in een van deParijsscheNieuwsbladen eene beschrijving van het Feest van laatstledenZondag, en hoe de Keizer en Keizerin, toen zij in staatsie door den tuin van de Tuillerien reden, door de menigte van alle kanten waren toegejuicht. Daar zag ik al weder, hoe weinig men op zich zelven staat kan maken; want ik was bij dezen optogt geweest en had niets anders dan het geschreeuw van eenige weinige menschen, (men zeide dat het Militairen waren) digt bij het kasteel van de Tuillerien, gehoord. Het was, meen ik, bij gelegenheid dat hunne Keizerlijke Majeiteiten aftraden en in het Paleis gingen. Even te voren, mij onder een grooten hoop menschen, ter plaatse, waar de optogt voorbij ging, bevindende, hield bijna ieder een den hoed op. Iemand, die daar bij stond, en die ik, naar zijn kleeding te oordeelen, voor een voornaam man hield, scheen deze onbeleefdheid niet te kunnen dulden, en riep:Chapeaux bas, (de hoeden af) doch men toonde zich misnoegd en morde over deze herinnering, zonder daaraan te gehoorzamen, het geen ik in ’t geheel niet overeenkomstig vond met deFranschewellevendheid.In dit Koffijhuis vernam ik teffens, dat ’er eenMuseumin deze stad te zien was. Na den middag gingen wij daar na toe, het is ook in het voormalig Paleis vanCondé; men ziet ’er in eenige zalen verscheidene schilderijen, waar onder ’er twee Veldslagen van den beruchten krijgsman zijn, bekend onder den eernaam vanle grandCondé. Tusschen twee haakjes; in zeker opzigt heb ik nog al eenige overeenkomst met dien man,—hoe zoo? zult gij vragen,—welhij was zoo wel als ik met de jicht gekweld, zoo zelfs, dat hij in 1676 voor het opperbevel van het leger moest bedanken. In een andere zaal zijn de beelden meestäl afgietsels, en eenige kopijen van marmer; deze dienen bijzonder voor de teekenschool, die ook in dit gebouw is. Zoo de kweekelingen in het vak der beelden al iets mogten te kort komen, de natuur levert in deze streeken de heerlijkste toonelen op voor den landschapschilder. In eene volgende zaal ziet men eenige oudheden, als toiletdoozen, messen, vorken, een brieventas enz. welk tuig afkomstig is van de eerste Hertogen en Hertoginnen vanBourgondiën, naar men mij verzekerde; nu men kon ook wel zien dat het van daag of gisteren niet gemaakt, maar verscheidene modes ten achteren was. Ook zag ik ’er den knop van den Bisschoppelijken staf, benevens een ring en gordelgesp van den eersten Abt van de vermaarde Abdij vanCiteaux. Van meêr belang voor den konstminnaar, vond ik een aantal marmeren beeldjes, ieder ongeveer ander half voet hoog. Zij verbeelddenCarthuizerMonniken, in onderscheidene houdingen; deze beeldjes hadden gestaan, om de prachtige marmeren graftombes van de Hertogen vanBourgondiën, in het koor van de Kerk derCarthuizers, waarvan ik reeds gesproken heb, en welke tombes in het begin van de omwenteling zijn gesloopt. Regt fraai zijn die beeldjes gewerkt, en de uitdrukking, die ’er in hunne gezigten plaats heeft, trekt vooräl de aandacht. Ik zag hier ook nog eenklein stukje agter een glas in een lijst, het was van was geboetseerd, en verbeeldde een half verrot lijk. Men had ’er een gordijntje voor gehangen, om dat het ’er zoo afzigtelijk uitzag. Onze geleider meende, dat het iets tot de geschiedenis van het huis vanBourgondiënbehoorende, moest voorstellen; maar het regte wist ’er de sukkelaar ons niet van te zeggen.Den 21 ging ik ’s morgens vroeg in den aangenaamen Tuin van deArquebusewandelen, en mijn ouden populierboom bezoeken: geen koord of andere meet-instrumenten bij mij hebbende, mat ik de dikte van den stam, onder aan den grond, door mijne voeten rondom dezelve, den een voor den anderen te zetten, en telde op deze wijze acht en dertig zulke voeten;—Welk eene aanmerkelijke dikte!—De grond schijnt hier goed voor het houtgewas, ook naar de andere boomen en struiken te oordeelen. Voorbij een Seringe-struik komende, werd ik een zeer onaangenamen reuk gewaar, bijna als die van een hok, waarïn leeuwen, tijgers of diergelijke opgesloten zijn; ik wilde hier de reden van weten, en bevond na eenige reizen om den struik, die vrij groot was, gegaan te zijn, en hem naauwkeurig bekeken te hebben, dat ’er midden in een menigte torren zaten, welken ’er de bladeren afknaagden, en dat deze dien onaangenamen reuk veroorzaakten. Ik herinner mij niet van diergelijkeinsectenmeêr gezien te hebben, althans niet levendig: zij hadden een schone ligt groene gouden kleur, en kwamen mij voorte behooren tot de soort van het Vliegend Hart, zijnde smal van lijf met fraaije lange horens. Ik deed ’er een paar van in een papier en nam dezelve mede naar mijn kamer, doch de stank, dien zij verwekten, verpligtte mij om ze weg te werpen. De reuk was zoo sterk, dat men denzelven op den afstand van twee treden van den struik, reeds gewaar werd.Ik wandelde verder om de stad, en zag onder andere een wijngaard voor een huis geplant, van eene buitengewone uitgebreidheid. De ranken waren over een rooster van latten gespreid om lommer voor het huis te hebben; en dit groene dak was zoo groot, dat ’er wel vijftig menschen op hun gemak onder zitten konden; daarbij was deze schoone wijnstok vol met trossen druiven, Van eene ongemene grootte. Hier en daar om de stad, zag ik ook nog overblijfsels van de oude vestingwerken. Het riviertjel’Ouchestroomt langsDyon, en ’er legt een fraaije steenen brug over, even buiten de stad; het vormt ook vele aardige partijtjes. Bezat ik de kunst vanRuisdaalofWaterlo, ik zond u ook hier eenige teekeningen van. Het Gasthuis dat men buiten deporte de fer(een ijzer hek) ziet, is een fraai gebouw. Met genoegen zag ik sommige zieken gemakkelijk zitten naast verscheideneOléanders,Laurustinusboomen en andere welriekende kruiden en bloemen, die men daar in bakken en potten nedergezet had. Bij ons gebruikt men die alleen maar, om de prachtige lusthoven en buitenplaatsen opteschikken, hier hebben zij eene betere bestemming, zij dienentot verkwikking van arme zieken. Sedert de omwenteling is het bestuur van diergelijke gestichten inFrankrijkveel verbeterd; voor dien tijd had de Geestelijkheid ’er meestal alleen de bestiering over. In ons Vaderland, hoewel wij anders in menschlievendheid en mildadigheid zeer wel tegen deFranschenkunnen monsteren, zou toch, dunkt mij, ten opzigte van de gasthuizen ook nog veel te verbeteren zijn; vooral wenschte ik die buiten de steden in een gezond en aangenaam oord, zoo veel mogelijk, te hebben, en niet al de zieken in eene algemeene zaal, maar in afzonderlijke luchtige vertrekken te plaatsen, ten minste die geenen, die erg ziek zijn; behalve de besmetting, is het gezigt, en dikwijls het gekerm van sommige kranken voor anderen, die minder ziek zijn, allerakeligst; zij zien veeltijds pijnelijke operatien, het afleggen en voorbij dragen der dooden.—Welk een schouwspel! waarom in plaats van die groote zalen, zijn de gasthuizen niet zoo als onze hofjes, rondom met vertrekjes, een plaats in het midden, en het gansche gebouw omringd met bevallige tuinen, met fraaije en geurige bloemen en planten, lommerijke lanen, vruchtrijke boomgaarden enz. Het is immers zoo verkwikkelijk voor een zieke, die begint te herstellen, als hij het ziekbed, daar hij weken, en somtijds maanden aan gebonden was, kan verlaten en in de vrije lucht de vrolijke en bevallige natuur aanschouwen, en met dankbare aandoening aan den Schepper en Onderhouder van dezelve denken.In en om deze stad, zag ik verscheidene dakenen torens met pannen van onderscheidene kleuren belegd; men maakt ’er ruiten en andere figuren mede, zoo als men wel op de vloertapijten ziet; dit staat niet onäardig.De Bibliothekaris der Bibliotheek van hetLycée, is een zeer vriendelijk man; hij sprak met veel lof van onzeHollandschegeleerden, alsGrotius,Boerhave, enz. Ik zag die Bibliotheek terloops in; het kwam mij voor, dat dezelve eene aanmerkelijke verzameling boeken bevatte; ’er waren ook eenige borstbeelden van voorname mannen, alsPiron,Crebillon,Buffon,Voltaireen meêr anderen. De BeeldhouwerAttiret, daar ik u reeds van gesproken heb, is ’er de maker van.Deze stad is het Vaderland van verscheidene groote mannen, als van den welsprekendenBossuet, Bisschop vanMeaux, daar ik in mijnen vorigen reeds melding van maakte; van den ToneeldichterCrébillon, een edelman, die hier een voornamen post bekleedde; hij voerde de Treurspelen vanAEschylusop nieuws inFrankrijkten Tooneele, nadat hij dezelve op eene regelmatige wijze beärbeid had; zijne stukken zijn nog tegenwoordig in veel achting, en sommigen ’er van worden dikwijls gespeeld; hij werd in 1674 geboren, en stierf in 1762.Piron, door zijne Tooneel- en andere geestige werken bekend, werd hier in 1689 geboren3, als ookla Monnoye,Dichter enBibliograaf, en de Baronde Longpierre, schrijver van eenige Tooneelstukken, enz. die in 1659 het licht zag.Rameaueen van de grootsteFranschemuziek-componisten, is ook vanDyon; hij werd aldaar geboren in 1683, en stierf in 1769; hij was Organist van een kerk teParijs, en heeft het muzijk samengesteld van verscheidene Opera’s;4zijn uitvaart wierd zeer plegtig gevierd.Dyonheeft dus veel toegebragt tot den luister van hetFranscheTooneel; de inwoonders van die stad, hebben alzoo inzonderheid regt op een fraaijen en goeden Schouwburg, en ik wensch, dat men niet zal dralen, met het plan, om ’er een te bouwen, ten uitvoer te brengen.Menestriereen geleerde oudheidkundige, had ik haast vergeten; die man, welke ook teDyonin 1555 geboren is, heeft belangrijke aanteekeningen over de medailles nagelaten. Men las eertijds, op een der glazen vanSt. Medarskerk, het volgend zonderlinge grafschrift, dat op hem gemaakt is:“Ci gitJean le Menestrier,l’An de sa vie soixante dix,Il mit le pied a l’étrier,Pour s’en aller en Paradis.”5.Door den aanhoudenden regen verhinderd wordende, om mijne wandelingen buiten voorttezetten, moest ik die tot de stad zelve bepalen. Ik ging het oude slot, dat tegen den wal ligt, digt bij de poort naar den kant vanParijs, bezigtigen; oorspronkelijk schijnt het een Citadel geweest te zijn; naderhand heeft het ook gediend tot een gevangenis, en was tot de omwenteling toe de Bastille vanBourgondiën; ik zag ’er dan ook nog verscheidene holen en gevangenissen.—Wie weet, dacht ik, hoe vele slagtoffers van wareldlijk en kerkelijk geweld hier bittere tranen gestort hebben.—Het ziet ’er thans zeer vervallen uit.—Van den toren aan de achterzijde heeft men een fraai gezigt. Aan den anderen kant van de stad, op de wal, zag ik ook een fraaije danszaal, men noemt die plaatsTivoli.Hopende op goed weder, bestelden wij rijtuig, om den volgenden dag te vertrekken; want de Postwagen naarChalonsreed ’s nachts, en hier hadden wij geen zin in. Verscheidene lieden van dit land zeiden mij, dat, als het hier eens begon te regenen, het doorgaans eenige dagen duurde; de reden hier van was, willen zij, dat de wolken tusschen de bergen bleven hangen; en in der daad, de toppen der bergen rondom de stad waren sedert een paar dagen door wolken bedekt.Over onze herberg waren wij wel te vreden, enbetaalden £ 3–:–: aan de gemeene tafel, die vrij goed was, en £ 2–:–: voor een kamer met twee bedden. Op de reis hier na toe, hadden wij doorgaans ook £ 3–:–: voor het middag eten, en £ 3–10-: ook wel eens £ 3–:–: voor het avondeten en slapen betaald.De inwoners vanDyon, hoewel de hoofdstad van het goede wijnland, hadden, dacht mij, over het algemeen, eerder een somber dan een vrolijk voorkomen. Zou de invloed van het bijgeloof hier niet veeläl de oorzaak van zijn? Men begroot het getal der ingezetenen op ruim 20,000. Kousenweverijen en fabrieken van een soort van kanten, speelkaarten en de wijnhandel zijn de voorname takken van hun bestaan; ’er zijn verscheidene leêrlooijerijen; men maakt ’er ook sommige wollesstoffen en confituren, en de mostaart vanDyon, die geheelFrankrijkdoor beroemd is, zoo als bij ons die vanZaandamofDoesburg, moet ik ook niet vergeten.1De Regten van den Mensch, erkend den 30 September, het Eerste jaar der Vrijheid, 1789.2En Graaf vanHolland,ZeelandenVriesland.Martinetin zijnVeréénigd Nederland, zegt van hem: “Hij werd met geringen lof bekroond;” en verder van zijnzoon en opvolger sprekende: “Hij gaf den doodsteek aan ’s Lands Vrijheid door het invoeren van vaste soldaten, ’t geen ’s Volks oude dapperheid deed vervallen.”—O mijn Vriend! mogten onze Landgenoten toch de waarheid van dit gezegde duidelijk gevoelen!3La Metromanie, een van de beste Blijspelen van hetFranschetooneel, is van dezen schrijver.4CastorenPolluxis ’er de voornaamste van, en wordt gehouden voor eenclassiekstuk derFranschemuzijk van dien tijd.5Hier rustJan le Menestrier, in het zeventigstejaar zijn’s ouderdoms zette hij den voet in den stijgbeugel, om na den hemel te gaan.

Reize door Frankrijk.Eerste Brief.Dyon den 20 Julij 1804.Aan de dagteekening van den Brief ziet gij, Vriend! dat ik op reis ben. Maandag den 14. dezer vertrok ik vanParijs; en dus daags na het feest van den 14. Julij, dat dit jaar den 15. gevierd is. Ik had mij daarom nog al opgehouden, maar vond het voor mij, behalve het vuurwerk, dat nog al fraai was, die moeite niet waardig. Wij reden ’s morgens om vier uren af, met den gewonen Postwagen, die van hier opGeneverijdt, en waarop wij plaats genomen hadden totDyon. De plaats, binnen in, kost 63 livres de persoon, en voor mijn koffer, die ruim 100 ponden woeg, betaalde ik £ 13; men rekende tegens £ 25—het centenaar; doch de koffervoor twee personen zijnde, trok men ’er de 25 lb die ieder vrij had, en dus 50 af. VanCharentonenAlfort, daar wij door reden, heb ik u in een van mijne vorige al gesproken. TeLieursaint1, 4 posten vanParijs, daar wij ontbeten, niet met een boterham en een kopje thee of koffij, maar met vleesch, eijeren en wijn, begonnen onze reizigers zoo wat kennis met elkanderen te maken; en ik bespeurde toen, dat wij met een’ Priester, met een’ Rentenier vanDyon, met een Wijnkooper vanBeaune, een andere vanMaçon, en nog een vijfde persoon van den kant vanGeneve, op reis waren. InHollandzou men dat al lang geweten hebben; want naauwlijks heeft men daar een’ voet in de trekschuit of op den postwagen gezet, of er word gevraagd: “Waar komt mijn Heer van daan? waar gaat mijn Heer na toe? wat doet mijn Heer? is UEd. getrouwd? en eindelijk zelfs somtijds, hoe is mijn Heer’s naam?” Diergelijke onbescheiden vraagen treft men onder deFranschenzeldzaam aan, en men wacht doorgaans, tot dat de lieden zich zelve bekend maken. Nu werden wij wat gemeenzamer onder elkanderen, het gesprek liep natuurlijk over het Feest, dat den vorigen dag in de Hoofdstad was gevierd, en hier door werden de staatkundige gevoelenseenigzins ontwikkeld, de wijnkooper vanBeaune, dat een goede ronde kaerel scheen, en mijns bedunkens, met regt den naam vanFranc Bourguignon2verdiende, kwam er onbewimpeld vooruit, dat hij de Koninklijke regeering, welke voor de omwenteling inFrankrijkplaats, beter vond dan het tegenwoordig Gouvernement. Hij sprak van de staten der Provintien, van de voorrechten, enz. de Priester gaf wel te kennen, dat hij het hieromtrent met hem eens was, doch liet er zich zoo regelregt niet over uit. De Rentenier vanDyonscheen meêr een Volksbestuur toegedaan; deze waren de voorname sprekers, de overigen voegden ’er nu en dan een woordje bij. Ik heb algemeen opgemerkt, dat de Koningsgezinden onder anderen zeer verbitterd zijn tegen KeizerNapoléon, om dat hij de Hertog vanEnghienheeft laten ter dood brengen. Zij veroorloven zich ten dezen opzigte de hoonendste uitdrukkingen tegens hem, die zij dan nog al door een woordspeling (calembour) zoeken te bewimpelen, zoo als deze, welke iemand van ons gezelschap te berde bragt: “Iemand zeide, dat het afbeeldsel van de Keizer derFranschen, dat men op de geldspecie ziet, niet gelijkende Was; gevraagd zijnde waarom, antwoordde hij,parceque le nez est pointu et c’est un nez rond.” (Néron). Was deze ter dood veroordeelde geen voornaam hoofdvan hunne partij geweest, zij zouden ’er misschien niets op hebben aantemerken. DeFranschen, en vooral deParijzenaars, zijn liefhebbers vancalembours; men vind verscheidene boekjes, die daarmede zijn opgevuld. Vele jongelieden leren die van buiten, en met diergelijke meestal laffe aardigheden, pronkt men in de zoogenaamdebonne Societé. Anderen, die er meêr op gevat zijn, maken van alle gelegenheden gebruik om woordspelingen voor den dag te brengen, hoe weinig die dikwijls ook voegen. Men ontziet geene zaken hoe achtingwaardig, of personen, van wat rang zij ook zijn mogen, zoo hoorde ik eenigen tijd geleden, kort na dat de broeders en zusters des KeizersNapoléon, tot Rijksvorsten verheven waren, teParijsdoor de nieuwsbladverkopers (colporteurs) langs de straten roepen: “Voici etc. avec les noms et les demeures de tous les Princes et Princesses à deux sous;” een winderig heertje, die daar voorbij kwam, zeî op een’ spotachtigen toon tegen den uitventer: “Voyons ce qui c’est que vos princes et princesses à deux sous.” Sommigen lagchten hier om, anderen namen het misschien kwalijk; hoe ligt had iemand tot de politie behoorende hier omtrent kunnen zijn, onze grappemaaker zou dan zekerlijk voor zijn spotternij hebben moeten boeten, en wie zou hem beklagen.Melun.Melun.Omstreeks één uur kwamen wij teMelun, 5½ post vanParijs. De Postwagen, vertoefde hier om het middagmaal te houden, en ik, nog geen honger hebbende, daar wij laat hadden ontbeten, besteedde dientijd met het plaatsje te zien. Dit stadje de hoofdplaats van het Departement deSeine et Marne3, is in eene bekoorlijke landsdouw aan de oevers vande Seinezeer aangenaam gelegen; die rivier verdeelt hetzelve in drie deelen, die door twee steenen bruggen vereenigd worden; de bijgaande afteekening zal u hier een duidelijk denkbeeld van geeven. Verscheidene Koningen hebben teMelunhun verblijf gehouden, hun paleis was op de punt van het Eiland dat gij tusschen de twee bruggen ziet. Het is een der oudste steden van deGaulen.Caesarmaakt er gewag van in zijne gedenkschriften. Het is ook in de geschiedenis bekend, door eene belegering van deEngelschentegen die stad, welke plaats had in de vijftiende eeuw, en die de belegerden, met eene schier ongelovelijken moed, zes maanden uithielden. De geleerdeJacques Amiot, Bisschop vanAuxerreen vertaler van deDoorluchtige Mannen vanPlutarchus, enz. werd hier geboren. De voorname handel is in granen, meel, wijn, kaas, kalk en gebakke steenen; die waren worden veel alde Seineaf naarParijsvervoerd. De groote weg, die hier doorloopt, maakt het vrij levendig; ’er vaart ook een schuit (coche d’eau) van hier naarParijsheen en weder. In het terugkomen word zij met paarden tegen den stroom opgetrokken. Van deMammelukken,die metBonaparteuitEgyptekwamen, lagen er hier omtrent 150 in guarnisoen, naar men ons verhaalde. De inwooners waren ’er niet wel over te vreden, en zeide ons, dat het veeläl slecht kwaadaartig volk was; wij zagen ’er eenigen van langs de straat loopen. Hunne Oostersche kleeding maakte in dit plaatsje, waar men alles behalven Oostersche pracht ziet, een wonderlijk afstekende vertooning. De aanhoudende schoone landstreek en de fraaije gezigten die men geduurig aantreft, vermaakten mij niet weinig. DeSeineenYonnevereenigen zich voorMontereau. Men komt over een fraaije brug in het stadje. Deze brug is in de geschiedenis bekend: de Hertog vanBourgondiënkwam in het jaar 1409 op dezelve, om zich metKarelden VII, die toen Dauphin vanFrankrijkwas, te verzoenen, en werd door de Offiçieren van dien Vorst vermoord4. Onze reisgezel, de Rentenier vanDyon, die nog al ervaren scheen in de geschiedenis deed mij dit een en ander opmerken. Dit stadje ziet er welvarende uit en is alleraangenaamst gelegen; even buiten hetzelve langs de boorden van deYonneis eene fraaije algemeene wandelplaats. De ruime gezigten en bekoorlijke tooneelen die de natuur hier oplevert, houden den opmerkzamen reizigerhier aanhoudend op de aangenaamste wijze bezig.Tegen het vallen van den avond kwamen wij teVilleneuve-la-Guyard, een stadje in het Departement del’Yonne, en wel het eerste, als men ’er van dezen kant inkomt.Auxerreis de hoofdplaats van hetzelve. Wij hadden nu 10½ post afgelegd en hielden hier ons nacht verblijf, en niettegenstaande het plaatsje er niet te breed uitziet, hadden wij nogtans een vrij goed avondmaal en goede bedden. Onze Wijnkooper vanBeaune, die in deze streeken bekend was, bragt hier zeer veel toe, en deed ons vooral door de vrije en grappige wijze, waarop hij alles bezorgde en bestelde, niet weinig lagchen.Den volgenden morgen, 17 dezer, vertrokken wij om drie uren, en reeden 1½ post van hier door het stadjePont sur Yonne, aan den westelijken oever van die rivier tegen den voet van een heuvel, die met wijngaarden bedekt is, gelegen. Deze plaats ontleent zijn’ naam van de steenen brug op zeven bogen, die wij bij het uitgaan van de stad overreden, wat verder ziet men steen- en pannebakkerijen, en vervolgens een zeer uitgestrekt en aangenaam geschakeerd gezigt. De stadSensvertoonde zich voor ons in een aangenaam verschiet, tegen een’ heuvel; de landstreek is zeer bevallig, en de morgenstond was schoon. Voor de omwenteling wasSenseen Aartsbisdom en de hoofdstad vanle Senonois en Champagne; zij is 12 posten vanParijsgelegen: inwendig beantwoort zij vrij wel aan de uitwendigevertooning. De straat, waar wij in kwamen is ruim. Wij stapten af voor de Hoofdkerk, die wel bezienswaardig is; zij pronkt met een zeer hoogen en fraaijen toren; het klokkespel wierd voorheen voor het fraaiste van het gantsche rijk gehouden. Hier vervoegde ik mij bij onzen Geestelijken reisgenoot en ondervond, dat het goed is om zich met lieden van allerlei stand en beroep op reis te bevinden. Deze was dan ook een zeer vriendelijk man, en, zoo het scheen, een der redelijkste Priesters, dien ik immer heb aangetroffen. Wij traden te samen de Kerk in. Dit gebouw is zeer groot en wel verlicht, de kapellen rondom en het choor is met fraai ijzer hekwerk versierd.Lodewijk DauphinvanFrankrijk5, in den jaare 1765 teFontainebleauoverleden, werd, benevens Mevrouwde Dauphine, in deze kerk begraven; wij zagen er zijne graftombe, die in het begin van de omwenteling was weggenomen, doch thans weder opgerigt. Zij is van wit marmer, en word gehouden voor een meesterstuk van den beeldhouwerCoustou. De beelden, die de twee lijkbussen kroonen, zijn de Godsdienst, de Deugd, de Tijd en Frankrijk. Men vind meêr andere fraaije versierselen in deze kerk, bijzonder het beeldhouwwerk boven een Altaar, verbeeldende de moord vanSt. Savinien. De glazen zijn geschilderd door den bekendenFranschenkonstschilderJean Cousin6, die teSoucydigt bij deze stad in de 16de eeuw gebooren werd; men wilde, dat hij tot de Protestanten behoorde, omdat hij op de glazen vanSt. Roman’skerk teSensin eene schilderij van het laatste Oordeel een Paus in de hel geplaatst had, en men nam hem die aardigheid maar zeer kwalijk. Deze stad was reeds vermaard ten tijde vanJulius Caesar. In 1735 vond men ’er het opschrift:Vesta mater, waarom men meent te moeten onderstellen, dat ’er een tempel vanVestageweest is; uit andere aanwijzingen maakt men op, dat ’er ook een tempel ter eere vanAugustusbestaan heeft. ’Er bestaat nog geldspecie, die ’erCarolus Magnusheeft doen slaan. PausAlexanderde III. koos deze stad tot schuilplaats, en verbleef ’er van den 30 September 1163 tot in 1165. In de boekerij van het Capittel van de Hoofdkerk alhier, wierd voorheen een kluchtig stuk bewaard, namenlijk het oorspronkelijk handschrift van den kerkdienst der gekken (l’Office des fous,) zoo als die eertijds in de kerk vanSensgezongen werd, het was een lang smal en redelijk dik boekdeel in Folio, met uitgesneden ijvoor bedekt en met lange magere lettersgeschreven; men vindt ’er afbeeldingen in vanBacchusfeesten,Pan’sfeesten, potsenmakerijen en meêr andere schandelijke ongerijmdheden van dien aard: in dit feest, dat door deszelfs verregaande ongerijmdheden zeer wel aan zijne benaming beantwoordde, speelde ook een Ezel, te weten een viervoetig dier, eene voorname rol; andere op twee beenen waren ’er met menigte bij.Onder meêr anderen is hier ook een voorname fabriek van het geen men inFrankrijk Velours d’Utrechtnoemt, en dat zeer veel gebruikt word, om Meubilen, Rijtuigen, enz. te bekleeden: deze fabriek schijnt uit een der voornaamste steden in ons Vaderland herkomstig, en misschien is zij ’er, zoo als meêr anderen, thans wel in verval.De Waterhorologies (Horloges d’eau) die men zelfs tot inAsiaenAmericaverzendt, worden hier gemaakt.Buiten de stad zag ik verscheidene vruchtbaare moestuinen en boomkweekerijen; als ook eene fraaije algemeene wandelplaats. Men rijdt over een brug over deYonne, die langs deze stad stroomt. In deze landstreek zijn veel wijnbergen, en hier en daar nog al boomen. Wij ontbeten teVilleneuve le Roy, thansVilleneuve sur Yonne, een klein stadje aan den oostelijken oever van die rivier, niet onaangenaam gelegen; het heeft aanmerkelijke Leêrlooijerijen, en het leder maakt een voornamen tak van zijn’ handel uit. Op den weg naarJoignyziet men nog altijd verscheidene heuvels met wijngaarden beplant; de wijn iseen voornaam voortbrengsel van dit land. Weldra bespeurde wij de stadJoigny7, en eene vlakte zoo ver het oog kon reiken. De voorstadSt. Michel, is zeer aangenaam aan deYonnegeleegen, en maakt een fraaije kaai; ’er staan verscheidene gnappe huizen en een groot en schoon gebouw, zijnde eene cazerne, daar voorheen veel krijgsvolk zoo te voet als te paard in gelegd werd. Die kaai pronkt ook met twee prachtige en sierlijke ijzeren hekken, een derde is aan den opgang van de brug. Op de fraaije steenen brug, die door agt boogen ondersteund word, heeft men een verrukkend gezigt.Bonapartekwam ’er over, toen hij zegepralende uitItaliënte rug keerde, en men heeft toen op dezelve een’ houten eereboog opgerigt die ’er nog staat. Het stadje, dat niet groot is, maar zeer welvarende, drijft, zoo het schijnt, veel handel in koorn, daar het de stapelplaats van is, en van een soort van laken, dat ’er gemaakt word. Voorheen was het een Graafschap.Het dorpjeAvrolles, daar wij doorreden, leverde een deerlijk schouwspel op; 112 huizen en de kerk waren er den 25. der laatst afgeloopen Maand, door de onvoorzigtigheid van een der Inwoonders, afgebrand. Eer wij hier aankwamen, wees men mij het begin, dat men gemaakt had met het kanaalvanBourgondiënte graven. Het stadjeSt. Florentinop dezen weg gelegen, leverde niets merkwaardigs op; de grond hieromstreeks kwam mij niet zeer vruchtbaar voor. De wijnbergen en heuvels werden meer verheven. Dit plaatsje echter herinnerde ons aanSt. Florentin, daar na Hertogde la Vrilliere, die ’er Heer van was, een der verachtelijkste Hovelingen vanLodewijkden XV. Hij kon zich beroemen van veertig duizendLettres de Cachetuitgegeven te hebben; zijn bijzitSabathierheeft ’er omtrent wel negen en dertig duizend van verkocht. Men maakte op hem het volgende grafschrift:Ci git un petit saint8qui n’est pas du commun;Il a porté trois noms, et n’en laissa pas un.Omstreeks zeven uren kwamen wij teTonnère: heden hadden wij 13½ post afgelegd, en hielden hier ons nachtverblijf. Dit stadje is schilderachtig gelegen; een kerk op een rots gebouwd, ziet men van verre boven de huizen uitsteken; aan den voet van dezelve is een bron, die zeer overvloedig in water en zoo diep is, dat men schier geen’ grond kan vinden: rondom is eene overdekte gallerij gebouwd voor de waschvrouwen. Niet meêr dan ruim honderd voeten van daar heeft het water van deze bron reeds een stroom gevormd, waar men op eensteenen brug, van twee bogen, overgaat. De Marquisde Louvois, Secretaris van Staat, en Oorlogsminister onderLodewijkden XIV, de schrik der Protestanten, was Heer van dit Graafschap. Wij vonden hier een redelijk goed avondmaal, en de ligging was ook vrij wel; want men heeft inFrankrijkin dit saisoen, alle reden, om te vreden te zijn over de bedden, als het getal der weegluizen zoo groot niet is, dat zij het slapen ten eenenmaal verhinderen. Voor het overige moet men hier met het scherpziende oog van eeneNoord-Hollandschevrouw niet rondsnuffelen, en vooral ook de keuken onbezocht laten. Nu men word hier ook aan gewoon, en dit is noodzakelijk.Den 18 dezer begaven wij ons ’s morgens om 3 uren weder op reis. Na een eind weegs gereden te hebben, troffen wij vrij hooge heuvels aan; de wagen kon hier niet anders dan zeer langzaam vorderen, en wij verkozen, om te wandelen. Wel dra zagen wij die grootsche en schitterende vertooning, die ieder redelijk mensch met eerbied en bewondering vervult, en die zoo vreemd is voor zeer veel stedelingen. De zon rees statig boven den gezigteinder. De landstreek is hier niet zeer vruchtbaar; wijn is het voornaamste, dat men ’er teelt. Wij zagen hier en daar ook kreupelbosch en woeste onbebouwde streeken. Na twee posten gereisd te hebben, kwamen wij teAncy-le-Franc. Het stadje ziet ’er ellendig uit; doch even buiten hetzelve ligt een schoon kasteel. Het scheen door de omwentelingniet geleden te hebben.Nicolo del Abate, leerling vanPrimaticcio, een vermaard schilder ten tijde vanFrançoisI, heeft verscheidene vertrekken van dit kasteel versierd. Wij hebben het inwendig niet gezien, en vergenoegden ons met de tuinen, die hier en daar nog al aardig zijn aangelegd, te doorwandelen. Achter het huis scheen veel bosch te liggen, en het water ontbrak ’er ook niet; het kwam mij dus voor een aangenaam buitenverblijf te zijn. Voor mij zou het nog aangenamer wezen, wanneer ik het moest bewonen, indien het verder afgelegen was van het armoedige stadje, dat ’er voorheen aan behoorde, ten zij ik in staat was, om het lot van deszelfs inwoners te verbeteren. Thans behoort het kasteel aan de familie vanLouvois, van hetzelfde geslacht daar ik hier van gesproken heb, en word door een vrouw van dien naam bewoond, ik weet niet of het de laatste vrouw en weduwe is van dieLouvois, die teParijsom zijn gaauwdievenstreeken bekend was9. Dit onder anderen verdient als een staaltje van het edel gedrag van een voornaamFranschedelman aangeteekend te worden.Louvoishad geld noodig, zoo als hem wel eens meêr gebeurde. Juist wasde Courtenvaux, zijn oom, van wien hij moest erven, ziek, hij gaat zijn’ dood bekend maaken aan een man, van wien hij £ 30,000—wilde leenen, voorwendende dat hijdit geld noodig had voor de rouwkleeding, enz. overeenkomstig zijn’ staat. Men belooft hem de som, vragende slechts twee uuren tijd, om hem die te bezorgen. Daar hij zelf overtuigd was, hoe weinig staat men op hem maakte, begreep hij zeer wel, dat men in dien tusschentijd onderzoek zou doen. Hij loopt dan naar het Hotèl, waar zijn oom woonde; zendt den Zwitser onder het een of ander voorwendzel om een boodschap, gaat in deloge10, trekt het livrei aan, doet de sjerp om, en wachtte zoo, tot dat de tijd die men hem bepaald had, bijna verloopen was, en ieder, die naar den Heerde Courtenvauxvroeg, werd terug gezonden met deze boodschap: ”Hij is kwartier over tweeën gestorven.” Hier door bereikt de fielt zijn oogmerk; de gevraagde som word hem toegeteld, en ’s anderen daags verneemt men, datde Courtenvauxwelvarende was; enLouvois, die zeer wel wist, dat hij door zijn oom onterfd was, lagchte des te meêr in zijn vuist, wijl hij zich verzekerd hield dat hij de geleende som nimmer terug zou kunnen geven.—wat zegt gij, Vriend! zouCartouchehet wel beter hebben kunnen overleggen?Voort reizende vonden wij wel verscheidenheid van gezigten, hier en daar zijn zij zelf schoon, doch de landstreek is veeläl woest en onvruchtbaar. TeAisy sur Armançonzagen wij in het voorbijgaande ijzersmelterijen van den vermaardenBuffon. Het ijzer word uit de mijnen hier omstreeks gehaald, en deze smelterijen leverden ’s jaarlijks omtrent acht maal honderd duizend ponden ijzer; en men verzekert, dat zij den eigenaar veel geld opbragten. Het kasteel vanMontbarop eene aanzienelijke hoogte gelegen, vertoonde zich vervolgens aan ons gezigt, (zie de hier bijgaande afbeelding); wij moesten in het stadje van dien naam, aan den voet van den berg gelegen, het middagmaal houden. Ik had dus den tijd, om het te zien, en om op den berg, daar het kasteel ligt, te klimmen. Die Schrijver van de Natuurlijke Historie, vooral om zijn schoonen stijl beroemd, is in deze plaats den 7 September 1707 gebooren, en in 1788 begraven. Hij was een werkzaam man, zelfs tot op ’t laatst van zijn leven, en niettegenstaande hij door den steen dikwils vreesselijk leed; maar teffens was deze groote man in sommige opzigten zeer beuzelachtig: zelfs in zijn hooge jaren, en al was hij onpasselijk, liet hij zich dagelijks het haar inpapillottes11zetten en branden; veeltijds liet hij zich tweemaal op een’ dag kappen, en was ’er zeer opgesteld, dat dit met de vereischte zorg en oplettenheid geschiedde. Hij hield zich ook nu en dan gaarne met buurpraatjes bezig, en wist door zijn’ kapper en anderen alles, wat ’erinMontbarin de huisgezinnen en onder de ingezetenen omging.De Buffonwas eenFranschman; was hij eenHollandergeweest, men zou nog meêr reden hebben, om zich hier over te verwonderen.Montbar.Montbar.Het kasteel is een oud gebouw, en zag ’er zoo wel als de tuinen en toegangen tot hetzelve vervallen uit. Het woonhuis, waar de geleerde Natuuronderzoeker zijn Verblijf hield, ziet men in een straat van het stadje. De vrouw uit de Herberg, waar wij aten, was kamenier in het huis vande Buffongeweest en wilde wel praten: ik had dus gelegenheid, om mij over hem te onderhouden, en zij bevestigde dat, wat ik u hier wegens zijn geaardheid verhaal.d’Aubentonis ook vanMontbar12; het stadje behoorende tot het Departementla Côte d’Orziet ’er niet zeer gunstig uit. Het riviertje deBrennestroomt ’er door, en ’er ligt een steenen brug over. De hondslederen handschoenen, die men hier maakt, hebben nog al eenigen naam. In de omstreek zijn ook eenige marmergroeven, en men teelt ’er wijn.In de stad wandelende zag ik een aankomend jongetje aan de deur zitten, bezig met maliën om rijgsnoeren te maken, dat hier ook een fabriekje schijnt te zijn. Ik ondervroeg het kind hieromtrent een enandermaal, doch kreeg geen antwoord; hier over te onvreden, was ik gereed om mijn misnoegen aan hetzelve te kennen te geven, toen de moeder uit het huis kwam, en mij zeide, dat het ongelukkig kind stom en doof geboren was. Weldra veranderde de gemelijkheid in aandoening; ik vroeg haar, waarom zij niet trachtte, om het zoontje in de School van Dooven en Stommen teParijste bezorgen, doch de goede arme vrouw antwoordde op eenen teederen toon, dat zij bang was, dat het mishandeld zou worden, en hoe zeer zij hard werk had, om aan den kost te komen, het echter niet gaarne zou verlaten.—BuitenMontbarwordt de landstreek hoe langer hoe woester, doch levert daarom geen onaangenaame vertooning op; van de aanmerkelijke overblijfsels van een oud kasteel, dat ik hier op eene rotsachtige hoogte zag liggen, wist niemand van het gezelschap mij eenig bijzonder narigt te geeven. De grond was hier als bedekt met sprinkhanen die geduurig voor de voeten met geheele zwermen opvlogen; de vleugels waren schoon rood. In ’t voorbijgaan zagen wijSemur, een stad op een hooge rots aardig gelegen; het riviertjed’Armançonstroomt aan den voet. Men zeî mij, dat deze rots bestond uit rood graniet, bekwaam om gepolijst te worden. Men vindt hier ook veel versteeningen van groote Ammonshoornen, Oesters, Mosselen, enz. De grond hier rondom ziet ’er noch al vruchtbaar uit, en men teelt ’er veel koren. De weg is aangenaam, aan beide zijden beplant. Tegen den avondkwamen wij teVitteaux, een stadje tusschen verscheidene bergen aan het riviertjede Brennegelegen, waar wij ons avondmaal en nachtverblijf moesten houden. Hier omstreeks vindt men ook marmergroeven, en bij het inkomen eene gemeene wandelplaats. Ik doorliep het plaatsje, maar zag ’er niets bijzonders. Heden hadden wij 9½ post gereisd. Ons avondmaal was vrolijk: onze Wijnkooper vanBeauneliet zich nu en dan eens gelden, en wij waren over onze Herberg nog al wel te vreden.Den volgenden morgen, 19 dezer, vertrokken wij weder om drie uren; dit scheen het algemeen bepaalde uur. Een’ vrij hoogen berg over moetende (want hier kan men het al bergen noemen) gingen wij te voet. Op de hoogte vonden wij het zeer frisch, zoo dat het zelfs eenigzins hinderlijk was. Het begon dag te worden, en wij zagen niet ver van den weg een Telegraaf, die opgerigt, was om deArmée de Reserve, die hier omstreeks lag, met die vanItaliëngemeenschap te doen hebben: thans maakt men ’er geen gebruik meêr van; van deze plaats, de verhevenste van de geheele streek, zag ik de eerste stralen der zon een schilderachtig schoon landschap beschijnen.—Een eindweegs verder zagen wij aan onze rechterhand het aanzienelijke kasteelSombernonvoorheen bewoond door de Hertogen vanBourgondiën. Onze Rentenier vanDyondeed mij hier als iets in der daad bijzonders opmerken, dat de drup of het water van het dak op dit kasteel, aan den eenen kant door deBrennein deYonnedeSeine, en vervolgens in denOceäan; en aan den anderen kant doorde Ouchein deSaonein deRhoneen vervolgens in deMiddellandsche Zeeloopt. De landstreek blijft aanhoudend schilderachtig schoon; hier ziet men bosch, daar barre en hooge rotsen, en daar zijn dezelve weder geheel groen door de menigte palm en andere struiken, die ’er op groeijen. Hoe meêr wijDyonnaderden, hoe meêr wij bevonden, dat de Natuur hier eene eenigzins ontzaggelijke houding aanneemt; de rotsen zijn hoog en hier en daar steil; zij hellen zelfs op sommige plaatsen over den weg, die ’er digt langs loopt, heen. Wij kwamen voorbij een vrolijk gelegen dorpje, rondom meestal met allerlei vruchtboomen beplant; dit is de vruchthof vanDyonen levert zeer veel ooft aan de stad. De Bisschop vanDyonhad hier zijn buitenplaats, en dit bewijst genoegzaam, dat het een aangename en vruchtbare landsdouw is. Verder zagen wij de nog aanzienelijke overblijfsels van datCarthuizerklooster, om deszelfs pracht en weelde, om zijne paleizen en bekoorlijke tuinen zoo vermaard; en deze tempel der wellust werd, tot aan de omwenteling, door een soort van Monniken bewoond, die van vele, om hunne voorgewende godsvrucht en zedigheid, met den uitersten eerbied behandeld werden. Wat men ook van deFranscheomwenteling zegge moge, in het uitroeijen der kloosters heeft zij het menschdom een’ wezenlijken dienst bewezen. Langs den weg ziet men een gracht (canal) die onvoltooid is gebleven, en die zig tot een goedenafstand van de stad uitstrekt. Niet verre vanDyonbegint die keten heuvelen, die om derzelver overvloed van goeden wijnla Côte d’Orgenaamd wordt; de stad vertoont zich met hare fraaije spitze torens, op eene bevallige wijze, (de hier bijgevoegde aftekening zal ’er u een duidelijk denkbeeld van geeven.) Wij kwamen ’er in door eene fraaije poort, die nog niet lang gebouwd scheen, en namen onzen intrek in het Hôtelde la Galère, nadat wij van onze vriendelijke reisgenoten afscheid genomen hadden. Het speet mij in der daad, dat wij niet langer bij elkanderen bleven. De Priester vooral was een man, die kunde en smaak met een beminnelijke geaardheid scheen te vereenigen: men bespeurde aan hem in ’t geheel, die onaangename gebreken niet, die zoo dikwijls aan lieden van dien stand eigen zijn; hij was vrolijk zonder losbandigheid, zedig zonder gemaaktheid, en kundig zonder verwaandheid; daar bij scheen hij zeer verdraagzaam en redelijk zoo omtrent Godsdienstige als Staatkundige gevoelens. Het geen, mijns bedunkens, tot dit alles zeer veel had bijgedragen, was, dat hij uitgeweken zijnde zich zeer lang inEngelandhad opgehouden, en daar, bijzonder door de Protestanten, op de menschlievendste en vriendelijkste wijze was behandeld geworden. Met dankbare aandoening sprak hij hier van, en ik ben wel verzekerd, dat deze achtingswaardige geestelijke, waar hij ooit eenigen invloed moge hebbe, nimmer gewetensdwang of vervolgzucht dulden zal.Zie daar, Vriend! een’ vrij langen Brief, in eenen volgenden zal ik u over deze stad, waar omtrent ik reeds het een en ander heb aangeteekend, nader onderhouden.—Vaarwel!1De gebeurtenis, die aanleiding gaf tot het Blijspel vanColléLa partie de chasse deHenri IV. is hier omstreeks voorgevallen,Michauwas Molenaar teLieursaint; dit stuk is, meen ik, ook in ’tNederduitschvertaald.2Zoo noemt men deBourgondiërs, om de ronde en gulle inborst, die men hun toeschrijft.3Meauxalwaar de welsprekendeBossuëtBisschop was, behoort tot dit Departement. In de stad en omtrek vanMeauxwonen zeer veel Protestanten.4Dit geval heeft aanleiding gegeeven tot de partijen derBourguignon’s enArmagnac’s, die zoo veel bloeds aanFrankrijkgekost hebben.5Hij was de Vader vanLodewijkde XVI.6Hij is bekend voor de oudste der goede schilders inFrankrijk, bijzonder ook om het vermaarde stuk van het laatste Oordeel, dat teParijsop het Museum hangt, en waar van de gedrukte plaat een der grootste prenten is, die men kent. Zij is gegraveerd doorPieter de Jode, eenAntwerpenaaren vermaard Plaatsnijder.7Picardbekend auteur en acteur teParijs, heeft een stuk gemaakt onder den naam vanle Collatéral ou la Diligence à Joigny, dat zeer aardig is.8Hij was kort en dik.9Een van de vrouwen vanLouvoiswas eenHollandsche, ik meen de Baronnessede Huffelgenaamd.10Vertrekje van de portier of Zwitser aan de ingang van een Hotèl.11Ik ken hier geenNederduitschwoord voor, en het was te wenschen dat alle diergelijkeFranschemodeprullen onder ons geheel onbekend waren.12Die goede man hield zich in zijn ouden dag, benevens zijne vrouw, bezig met het lezen van bijna al de Romans, die ’er uitkwamen.

Dyon den 20 Julij 1804.

Aan de dagteekening van den Brief ziet gij, Vriend! dat ik op reis ben. Maandag den 14. dezer vertrok ik vanParijs; en dus daags na het feest van den 14. Julij, dat dit jaar den 15. gevierd is. Ik had mij daarom nog al opgehouden, maar vond het voor mij, behalve het vuurwerk, dat nog al fraai was, die moeite niet waardig. Wij reden ’s morgens om vier uren af, met den gewonen Postwagen, die van hier opGeneverijdt, en waarop wij plaats genomen hadden totDyon. De plaats, binnen in, kost 63 livres de persoon, en voor mijn koffer, die ruim 100 ponden woeg, betaalde ik £ 13; men rekende tegens £ 25—het centenaar; doch de koffervoor twee personen zijnde, trok men ’er de 25 lb die ieder vrij had, en dus 50 af. VanCharentonenAlfort, daar wij door reden, heb ik u in een van mijne vorige al gesproken. TeLieursaint1, 4 posten vanParijs, daar wij ontbeten, niet met een boterham en een kopje thee of koffij, maar met vleesch, eijeren en wijn, begonnen onze reizigers zoo wat kennis met elkanderen te maken; en ik bespeurde toen, dat wij met een’ Priester, met een’ Rentenier vanDyon, met een Wijnkooper vanBeaune, een andere vanMaçon, en nog een vijfde persoon van den kant vanGeneve, op reis waren. InHollandzou men dat al lang geweten hebben; want naauwlijks heeft men daar een’ voet in de trekschuit of op den postwagen gezet, of er word gevraagd: “Waar komt mijn Heer van daan? waar gaat mijn Heer na toe? wat doet mijn Heer? is UEd. getrouwd? en eindelijk zelfs somtijds, hoe is mijn Heer’s naam?” Diergelijke onbescheiden vraagen treft men onder deFranschenzeldzaam aan, en men wacht doorgaans, tot dat de lieden zich zelve bekend maken. Nu werden wij wat gemeenzamer onder elkanderen, het gesprek liep natuurlijk over het Feest, dat den vorigen dag in de Hoofdstad was gevierd, en hier door werden de staatkundige gevoelenseenigzins ontwikkeld, de wijnkooper vanBeaune, dat een goede ronde kaerel scheen, en mijns bedunkens, met regt den naam vanFranc Bourguignon2verdiende, kwam er onbewimpeld vooruit, dat hij de Koninklijke regeering, welke voor de omwenteling inFrankrijkplaats, beter vond dan het tegenwoordig Gouvernement. Hij sprak van de staten der Provintien, van de voorrechten, enz. de Priester gaf wel te kennen, dat hij het hieromtrent met hem eens was, doch liet er zich zoo regelregt niet over uit. De Rentenier vanDyonscheen meêr een Volksbestuur toegedaan; deze waren de voorname sprekers, de overigen voegden ’er nu en dan een woordje bij. Ik heb algemeen opgemerkt, dat de Koningsgezinden onder anderen zeer verbitterd zijn tegen KeizerNapoléon, om dat hij de Hertog vanEnghienheeft laten ter dood brengen. Zij veroorloven zich ten dezen opzigte de hoonendste uitdrukkingen tegens hem, die zij dan nog al door een woordspeling (calembour) zoeken te bewimpelen, zoo als deze, welke iemand van ons gezelschap te berde bragt: “Iemand zeide, dat het afbeeldsel van de Keizer derFranschen, dat men op de geldspecie ziet, niet gelijkende Was; gevraagd zijnde waarom, antwoordde hij,parceque le nez est pointu et c’est un nez rond.” (Néron). Was deze ter dood veroordeelde geen voornaam hoofdvan hunne partij geweest, zij zouden ’er misschien niets op hebben aantemerken. DeFranschen, en vooral deParijzenaars, zijn liefhebbers vancalembours; men vind verscheidene boekjes, die daarmede zijn opgevuld. Vele jongelieden leren die van buiten, en met diergelijke meestal laffe aardigheden, pronkt men in de zoogenaamdebonne Societé. Anderen, die er meêr op gevat zijn, maken van alle gelegenheden gebruik om woordspelingen voor den dag te brengen, hoe weinig die dikwijls ook voegen. Men ontziet geene zaken hoe achtingwaardig, of personen, van wat rang zij ook zijn mogen, zoo hoorde ik eenigen tijd geleden, kort na dat de broeders en zusters des KeizersNapoléon, tot Rijksvorsten verheven waren, teParijsdoor de nieuwsbladverkopers (colporteurs) langs de straten roepen: “Voici etc. avec les noms et les demeures de tous les Princes et Princesses à deux sous;” een winderig heertje, die daar voorbij kwam, zeî op een’ spotachtigen toon tegen den uitventer: “Voyons ce qui c’est que vos princes et princesses à deux sous.” Sommigen lagchten hier om, anderen namen het misschien kwalijk; hoe ligt had iemand tot de politie behoorende hier omtrent kunnen zijn, onze grappemaaker zou dan zekerlijk voor zijn spotternij hebben moeten boeten, en wie zou hem beklagen.

Melun.Melun.

Melun.

Omstreeks één uur kwamen wij teMelun, 5½ post vanParijs. De Postwagen, vertoefde hier om het middagmaal te houden, en ik, nog geen honger hebbende, daar wij laat hadden ontbeten, besteedde dientijd met het plaatsje te zien. Dit stadje de hoofdplaats van het Departement deSeine et Marne3, is in eene bekoorlijke landsdouw aan de oevers vande Seinezeer aangenaam gelegen; die rivier verdeelt hetzelve in drie deelen, die door twee steenen bruggen vereenigd worden; de bijgaande afteekening zal u hier een duidelijk denkbeeld van geeven. Verscheidene Koningen hebben teMelunhun verblijf gehouden, hun paleis was op de punt van het Eiland dat gij tusschen de twee bruggen ziet. Het is een der oudste steden van deGaulen.Caesarmaakt er gewag van in zijne gedenkschriften. Het is ook in de geschiedenis bekend, door eene belegering van deEngelschentegen die stad, welke plaats had in de vijftiende eeuw, en die de belegerden, met eene schier ongelovelijken moed, zes maanden uithielden. De geleerdeJacques Amiot, Bisschop vanAuxerreen vertaler van deDoorluchtige Mannen vanPlutarchus, enz. werd hier geboren. De voorname handel is in granen, meel, wijn, kaas, kalk en gebakke steenen; die waren worden veel alde Seineaf naarParijsvervoerd. De groote weg, die hier doorloopt, maakt het vrij levendig; ’er vaart ook een schuit (coche d’eau) van hier naarParijsheen en weder. In het terugkomen word zij met paarden tegen den stroom opgetrokken. Van deMammelukken,die metBonaparteuitEgyptekwamen, lagen er hier omtrent 150 in guarnisoen, naar men ons verhaalde. De inwooners waren ’er niet wel over te vreden, en zeide ons, dat het veeläl slecht kwaadaartig volk was; wij zagen ’er eenigen van langs de straat loopen. Hunne Oostersche kleeding maakte in dit plaatsje, waar men alles behalven Oostersche pracht ziet, een wonderlijk afstekende vertooning. De aanhoudende schoone landstreek en de fraaije gezigten die men geduurig aantreft, vermaakten mij niet weinig. DeSeineenYonnevereenigen zich voorMontereau. Men komt over een fraaije brug in het stadje. Deze brug is in de geschiedenis bekend: de Hertog vanBourgondiënkwam in het jaar 1409 op dezelve, om zich metKarelden VII, die toen Dauphin vanFrankrijkwas, te verzoenen, en werd door de Offiçieren van dien Vorst vermoord4. Onze reisgezel, de Rentenier vanDyon, die nog al ervaren scheen in de geschiedenis deed mij dit een en ander opmerken. Dit stadje ziet er welvarende uit en is alleraangenaamst gelegen; even buiten hetzelve langs de boorden van deYonneis eene fraaije algemeene wandelplaats. De ruime gezigten en bekoorlijke tooneelen die de natuur hier oplevert, houden den opmerkzamen reizigerhier aanhoudend op de aangenaamste wijze bezig.

Tegen het vallen van den avond kwamen wij teVilleneuve-la-Guyard, een stadje in het Departement del’Yonne, en wel het eerste, als men ’er van dezen kant inkomt.Auxerreis de hoofdplaats van hetzelve. Wij hadden nu 10½ post afgelegd en hielden hier ons nacht verblijf, en niettegenstaande het plaatsje er niet te breed uitziet, hadden wij nogtans een vrij goed avondmaal en goede bedden. Onze Wijnkooper vanBeaune, die in deze streeken bekend was, bragt hier zeer veel toe, en deed ons vooral door de vrije en grappige wijze, waarop hij alles bezorgde en bestelde, niet weinig lagchen.

Den volgenden morgen, 17 dezer, vertrokken wij om drie uren, en reeden 1½ post van hier door het stadjePont sur Yonne, aan den westelijken oever van die rivier tegen den voet van een heuvel, die met wijngaarden bedekt is, gelegen. Deze plaats ontleent zijn’ naam van de steenen brug op zeven bogen, die wij bij het uitgaan van de stad overreden, wat verder ziet men steen- en pannebakkerijen, en vervolgens een zeer uitgestrekt en aangenaam geschakeerd gezigt. De stadSensvertoonde zich voor ons in een aangenaam verschiet, tegen een’ heuvel; de landstreek is zeer bevallig, en de morgenstond was schoon. Voor de omwenteling wasSenseen Aartsbisdom en de hoofdstad vanle Senonois en Champagne; zij is 12 posten vanParijsgelegen: inwendig beantwoort zij vrij wel aan de uitwendigevertooning. De straat, waar wij in kwamen is ruim. Wij stapten af voor de Hoofdkerk, die wel bezienswaardig is; zij pronkt met een zeer hoogen en fraaijen toren; het klokkespel wierd voorheen voor het fraaiste van het gantsche rijk gehouden. Hier vervoegde ik mij bij onzen Geestelijken reisgenoot en ondervond, dat het goed is om zich met lieden van allerlei stand en beroep op reis te bevinden. Deze was dan ook een zeer vriendelijk man, en, zoo het scheen, een der redelijkste Priesters, dien ik immer heb aangetroffen. Wij traden te samen de Kerk in. Dit gebouw is zeer groot en wel verlicht, de kapellen rondom en het choor is met fraai ijzer hekwerk versierd.Lodewijk DauphinvanFrankrijk5, in den jaare 1765 teFontainebleauoverleden, werd, benevens Mevrouwde Dauphine, in deze kerk begraven; wij zagen er zijne graftombe, die in het begin van de omwenteling was weggenomen, doch thans weder opgerigt. Zij is van wit marmer, en word gehouden voor een meesterstuk van den beeldhouwerCoustou. De beelden, die de twee lijkbussen kroonen, zijn de Godsdienst, de Deugd, de Tijd en Frankrijk. Men vind meêr andere fraaije versierselen in deze kerk, bijzonder het beeldhouwwerk boven een Altaar, verbeeldende de moord vanSt. Savinien. De glazen zijn geschilderd door den bekendenFranschenkonstschilderJean Cousin6, die teSoucydigt bij deze stad in de 16de eeuw gebooren werd; men wilde, dat hij tot de Protestanten behoorde, omdat hij op de glazen vanSt. Roman’skerk teSensin eene schilderij van het laatste Oordeel een Paus in de hel geplaatst had, en men nam hem die aardigheid maar zeer kwalijk. Deze stad was reeds vermaard ten tijde vanJulius Caesar. In 1735 vond men ’er het opschrift:Vesta mater, waarom men meent te moeten onderstellen, dat ’er een tempel vanVestageweest is; uit andere aanwijzingen maakt men op, dat ’er ook een tempel ter eere vanAugustusbestaan heeft. ’Er bestaat nog geldspecie, die ’erCarolus Magnusheeft doen slaan. PausAlexanderde III. koos deze stad tot schuilplaats, en verbleef ’er van den 30 September 1163 tot in 1165. In de boekerij van het Capittel van de Hoofdkerk alhier, wierd voorheen een kluchtig stuk bewaard, namenlijk het oorspronkelijk handschrift van den kerkdienst der gekken (l’Office des fous,) zoo als die eertijds in de kerk vanSensgezongen werd, het was een lang smal en redelijk dik boekdeel in Folio, met uitgesneden ijvoor bedekt en met lange magere lettersgeschreven; men vindt ’er afbeeldingen in vanBacchusfeesten,Pan’sfeesten, potsenmakerijen en meêr andere schandelijke ongerijmdheden van dien aard: in dit feest, dat door deszelfs verregaande ongerijmdheden zeer wel aan zijne benaming beantwoordde, speelde ook een Ezel, te weten een viervoetig dier, eene voorname rol; andere op twee beenen waren ’er met menigte bij.

Onder meêr anderen is hier ook een voorname fabriek van het geen men inFrankrijk Velours d’Utrechtnoemt, en dat zeer veel gebruikt word, om Meubilen, Rijtuigen, enz. te bekleeden: deze fabriek schijnt uit een der voornaamste steden in ons Vaderland herkomstig, en misschien is zij ’er, zoo als meêr anderen, thans wel in verval.

De Waterhorologies (Horloges d’eau) die men zelfs tot inAsiaenAmericaverzendt, worden hier gemaakt.

Buiten de stad zag ik verscheidene vruchtbaare moestuinen en boomkweekerijen; als ook eene fraaije algemeene wandelplaats. Men rijdt over een brug over deYonne, die langs deze stad stroomt. In deze landstreek zijn veel wijnbergen, en hier en daar nog al boomen. Wij ontbeten teVilleneuve le Roy, thansVilleneuve sur Yonne, een klein stadje aan den oostelijken oever van die rivier, niet onaangenaam gelegen; het heeft aanmerkelijke Leêrlooijerijen, en het leder maakt een voornamen tak van zijn’ handel uit. Op den weg naarJoignyziet men nog altijd verscheidene heuvels met wijngaarden beplant; de wijn iseen voornaam voortbrengsel van dit land. Weldra bespeurde wij de stadJoigny7, en eene vlakte zoo ver het oog kon reiken. De voorstadSt. Michel, is zeer aangenaam aan deYonnegeleegen, en maakt een fraaije kaai; ’er staan verscheidene gnappe huizen en een groot en schoon gebouw, zijnde eene cazerne, daar voorheen veel krijgsvolk zoo te voet als te paard in gelegd werd. Die kaai pronkt ook met twee prachtige en sierlijke ijzeren hekken, een derde is aan den opgang van de brug. Op de fraaije steenen brug, die door agt boogen ondersteund word, heeft men een verrukkend gezigt.Bonapartekwam ’er over, toen hij zegepralende uitItaliënte rug keerde, en men heeft toen op dezelve een’ houten eereboog opgerigt die ’er nog staat. Het stadje, dat niet groot is, maar zeer welvarende, drijft, zoo het schijnt, veel handel in koorn, daar het de stapelplaats van is, en van een soort van laken, dat ’er gemaakt word. Voorheen was het een Graafschap.

Het dorpjeAvrolles, daar wij doorreden, leverde een deerlijk schouwspel op; 112 huizen en de kerk waren er den 25. der laatst afgeloopen Maand, door de onvoorzigtigheid van een der Inwoonders, afgebrand. Eer wij hier aankwamen, wees men mij het begin, dat men gemaakt had met het kanaalvanBourgondiënte graven. Het stadjeSt. Florentinop dezen weg gelegen, leverde niets merkwaardigs op; de grond hieromstreeks kwam mij niet zeer vruchtbaar voor. De wijnbergen en heuvels werden meer verheven. Dit plaatsje echter herinnerde ons aanSt. Florentin, daar na Hertogde la Vrilliere, die ’er Heer van was, een der verachtelijkste Hovelingen vanLodewijkden XV. Hij kon zich beroemen van veertig duizendLettres de Cachetuitgegeven te hebben; zijn bijzitSabathierheeft ’er omtrent wel negen en dertig duizend van verkocht. Men maakte op hem het volgende grafschrift:

Ci git un petit saint8qui n’est pas du commun;Il a porté trois noms, et n’en laissa pas un.

Ci git un petit saint8qui n’est pas du commun;Il a porté trois noms, et n’en laissa pas un.

Ci git un petit saint8qui n’est pas du commun;

Il a porté trois noms, et n’en laissa pas un.

Omstreeks zeven uren kwamen wij teTonnère: heden hadden wij 13½ post afgelegd, en hielden hier ons nachtverblijf. Dit stadje is schilderachtig gelegen; een kerk op een rots gebouwd, ziet men van verre boven de huizen uitsteken; aan den voet van dezelve is een bron, die zeer overvloedig in water en zoo diep is, dat men schier geen’ grond kan vinden: rondom is eene overdekte gallerij gebouwd voor de waschvrouwen. Niet meêr dan ruim honderd voeten van daar heeft het water van deze bron reeds een stroom gevormd, waar men op eensteenen brug, van twee bogen, overgaat. De Marquisde Louvois, Secretaris van Staat, en Oorlogsminister onderLodewijkden XIV, de schrik der Protestanten, was Heer van dit Graafschap. Wij vonden hier een redelijk goed avondmaal, en de ligging was ook vrij wel; want men heeft inFrankrijkin dit saisoen, alle reden, om te vreden te zijn over de bedden, als het getal der weegluizen zoo groot niet is, dat zij het slapen ten eenenmaal verhinderen. Voor het overige moet men hier met het scherpziende oog van eeneNoord-Hollandschevrouw niet rondsnuffelen, en vooral ook de keuken onbezocht laten. Nu men word hier ook aan gewoon, en dit is noodzakelijk.

Den 18 dezer begaven wij ons ’s morgens om 3 uren weder op reis. Na een eind weegs gereden te hebben, troffen wij vrij hooge heuvels aan; de wagen kon hier niet anders dan zeer langzaam vorderen, en wij verkozen, om te wandelen. Wel dra zagen wij die grootsche en schitterende vertooning, die ieder redelijk mensch met eerbied en bewondering vervult, en die zoo vreemd is voor zeer veel stedelingen. De zon rees statig boven den gezigteinder. De landstreek is hier niet zeer vruchtbaar; wijn is het voornaamste, dat men ’er teelt. Wij zagen hier en daar ook kreupelbosch en woeste onbebouwde streeken. Na twee posten gereisd te hebben, kwamen wij teAncy-le-Franc. Het stadje ziet ’er ellendig uit; doch even buiten hetzelve ligt een schoon kasteel. Het scheen door de omwentelingniet geleden te hebben.Nicolo del Abate, leerling vanPrimaticcio, een vermaard schilder ten tijde vanFrançoisI, heeft verscheidene vertrekken van dit kasteel versierd. Wij hebben het inwendig niet gezien, en vergenoegden ons met de tuinen, die hier en daar nog al aardig zijn aangelegd, te doorwandelen. Achter het huis scheen veel bosch te liggen, en het water ontbrak ’er ook niet; het kwam mij dus voor een aangenaam buitenverblijf te zijn. Voor mij zou het nog aangenamer wezen, wanneer ik het moest bewonen, indien het verder afgelegen was van het armoedige stadje, dat ’er voorheen aan behoorde, ten zij ik in staat was, om het lot van deszelfs inwoners te verbeteren. Thans behoort het kasteel aan de familie vanLouvois, van hetzelfde geslacht daar ik hier van gesproken heb, en word door een vrouw van dien naam bewoond, ik weet niet of het de laatste vrouw en weduwe is van dieLouvois, die teParijsom zijn gaauwdievenstreeken bekend was9. Dit onder anderen verdient als een staaltje van het edel gedrag van een voornaamFranschedelman aangeteekend te worden.Louvoishad geld noodig, zoo als hem wel eens meêr gebeurde. Juist wasde Courtenvaux, zijn oom, van wien hij moest erven, ziek, hij gaat zijn’ dood bekend maaken aan een man, van wien hij £ 30,000—wilde leenen, voorwendende dat hijdit geld noodig had voor de rouwkleeding, enz. overeenkomstig zijn’ staat. Men belooft hem de som, vragende slechts twee uuren tijd, om hem die te bezorgen. Daar hij zelf overtuigd was, hoe weinig staat men op hem maakte, begreep hij zeer wel, dat men in dien tusschentijd onderzoek zou doen. Hij loopt dan naar het Hotèl, waar zijn oom woonde; zendt den Zwitser onder het een of ander voorwendzel om een boodschap, gaat in deloge10, trekt het livrei aan, doet de sjerp om, en wachtte zoo, tot dat de tijd die men hem bepaald had, bijna verloopen was, en ieder, die naar den Heerde Courtenvauxvroeg, werd terug gezonden met deze boodschap: ”Hij is kwartier over tweeën gestorven.” Hier door bereikt de fielt zijn oogmerk; de gevraagde som word hem toegeteld, en ’s anderen daags verneemt men, datde Courtenvauxwelvarende was; enLouvois, die zeer wel wist, dat hij door zijn oom onterfd was, lagchte des te meêr in zijn vuist, wijl hij zich verzekerd hield dat hij de geleende som nimmer terug zou kunnen geven.—wat zegt gij, Vriend! zouCartouchehet wel beter hebben kunnen overleggen?

Voort reizende vonden wij wel verscheidenheid van gezigten, hier en daar zijn zij zelf schoon, doch de landstreek is veeläl woest en onvruchtbaar. TeAisy sur Armançonzagen wij in het voorbijgaande ijzersmelterijen van den vermaardenBuffon. Het ijzer word uit de mijnen hier omstreeks gehaald, en deze smelterijen leverden ’s jaarlijks omtrent acht maal honderd duizend ponden ijzer; en men verzekert, dat zij den eigenaar veel geld opbragten. Het kasteel vanMontbarop eene aanzienelijke hoogte gelegen, vertoonde zich vervolgens aan ons gezigt, (zie de hier bijgaande afbeelding); wij moesten in het stadje van dien naam, aan den voet van den berg gelegen, het middagmaal houden. Ik had dus den tijd, om het te zien, en om op den berg, daar het kasteel ligt, te klimmen. Die Schrijver van de Natuurlijke Historie, vooral om zijn schoonen stijl beroemd, is in deze plaats den 7 September 1707 gebooren, en in 1788 begraven. Hij was een werkzaam man, zelfs tot op ’t laatst van zijn leven, en niettegenstaande hij door den steen dikwils vreesselijk leed; maar teffens was deze groote man in sommige opzigten zeer beuzelachtig: zelfs in zijn hooge jaren, en al was hij onpasselijk, liet hij zich dagelijks het haar inpapillottes11zetten en branden; veeltijds liet hij zich tweemaal op een’ dag kappen, en was ’er zeer opgesteld, dat dit met de vereischte zorg en oplettenheid geschiedde. Hij hield zich ook nu en dan gaarne met buurpraatjes bezig, en wist door zijn’ kapper en anderen alles, wat ’erinMontbarin de huisgezinnen en onder de ingezetenen omging.De Buffonwas eenFranschman; was hij eenHollandergeweest, men zou nog meêr reden hebben, om zich hier over te verwonderen.

Montbar.Montbar.

Montbar.

Het kasteel is een oud gebouw, en zag ’er zoo wel als de tuinen en toegangen tot hetzelve vervallen uit. Het woonhuis, waar de geleerde Natuuronderzoeker zijn Verblijf hield, ziet men in een straat van het stadje. De vrouw uit de Herberg, waar wij aten, was kamenier in het huis vande Buffongeweest en wilde wel praten: ik had dus gelegenheid, om mij over hem te onderhouden, en zij bevestigde dat, wat ik u hier wegens zijn geaardheid verhaal.d’Aubentonis ook vanMontbar12; het stadje behoorende tot het Departementla Côte d’Orziet ’er niet zeer gunstig uit. Het riviertje deBrennestroomt ’er door, en ’er ligt een steenen brug over. De hondslederen handschoenen, die men hier maakt, hebben nog al eenigen naam. In de omstreek zijn ook eenige marmergroeven, en men teelt ’er wijn.

In de stad wandelende zag ik een aankomend jongetje aan de deur zitten, bezig met maliën om rijgsnoeren te maken, dat hier ook een fabriekje schijnt te zijn. Ik ondervroeg het kind hieromtrent een enandermaal, doch kreeg geen antwoord; hier over te onvreden, was ik gereed om mijn misnoegen aan hetzelve te kennen te geven, toen de moeder uit het huis kwam, en mij zeide, dat het ongelukkig kind stom en doof geboren was. Weldra veranderde de gemelijkheid in aandoening; ik vroeg haar, waarom zij niet trachtte, om het zoontje in de School van Dooven en Stommen teParijste bezorgen, doch de goede arme vrouw antwoordde op eenen teederen toon, dat zij bang was, dat het mishandeld zou worden, en hoe zeer zij hard werk had, om aan den kost te komen, het echter niet gaarne zou verlaten.—BuitenMontbarwordt de landstreek hoe langer hoe woester, doch levert daarom geen onaangenaame vertooning op; van de aanmerkelijke overblijfsels van een oud kasteel, dat ik hier op eene rotsachtige hoogte zag liggen, wist niemand van het gezelschap mij eenig bijzonder narigt te geeven. De grond was hier als bedekt met sprinkhanen die geduurig voor de voeten met geheele zwermen opvlogen; de vleugels waren schoon rood. In ’t voorbijgaan zagen wijSemur, een stad op een hooge rots aardig gelegen; het riviertjed’Armançonstroomt aan den voet. Men zeî mij, dat deze rots bestond uit rood graniet, bekwaam om gepolijst te worden. Men vindt hier ook veel versteeningen van groote Ammonshoornen, Oesters, Mosselen, enz. De grond hier rondom ziet ’er noch al vruchtbaar uit, en men teelt ’er veel koren. De weg is aangenaam, aan beide zijden beplant. Tegen den avondkwamen wij teVitteaux, een stadje tusschen verscheidene bergen aan het riviertjede Brennegelegen, waar wij ons avondmaal en nachtverblijf moesten houden. Hier omstreeks vindt men ook marmergroeven, en bij het inkomen eene gemeene wandelplaats. Ik doorliep het plaatsje, maar zag ’er niets bijzonders. Heden hadden wij 9½ post gereisd. Ons avondmaal was vrolijk: onze Wijnkooper vanBeauneliet zich nu en dan eens gelden, en wij waren over onze Herberg nog al wel te vreden.

Den volgenden morgen, 19 dezer, vertrokken wij weder om drie uren; dit scheen het algemeen bepaalde uur. Een’ vrij hoogen berg over moetende (want hier kan men het al bergen noemen) gingen wij te voet. Op de hoogte vonden wij het zeer frisch, zoo dat het zelfs eenigzins hinderlijk was. Het begon dag te worden, en wij zagen niet ver van den weg een Telegraaf, die opgerigt, was om deArmée de Reserve, die hier omstreeks lag, met die vanItaliëngemeenschap te doen hebben: thans maakt men ’er geen gebruik meêr van; van deze plaats, de verhevenste van de geheele streek, zag ik de eerste stralen der zon een schilderachtig schoon landschap beschijnen.—Een eindweegs verder zagen wij aan onze rechterhand het aanzienelijke kasteelSombernonvoorheen bewoond door de Hertogen vanBourgondiën. Onze Rentenier vanDyondeed mij hier als iets in der daad bijzonders opmerken, dat de drup of het water van het dak op dit kasteel, aan den eenen kant door deBrennein deYonnedeSeine, en vervolgens in denOceäan; en aan den anderen kant doorde Ouchein deSaonein deRhoneen vervolgens in deMiddellandsche Zeeloopt. De landstreek blijft aanhoudend schilderachtig schoon; hier ziet men bosch, daar barre en hooge rotsen, en daar zijn dezelve weder geheel groen door de menigte palm en andere struiken, die ’er op groeijen. Hoe meêr wijDyonnaderden, hoe meêr wij bevonden, dat de Natuur hier eene eenigzins ontzaggelijke houding aanneemt; de rotsen zijn hoog en hier en daar steil; zij hellen zelfs op sommige plaatsen over den weg, die ’er digt langs loopt, heen. Wij kwamen voorbij een vrolijk gelegen dorpje, rondom meestal met allerlei vruchtboomen beplant; dit is de vruchthof vanDyonen levert zeer veel ooft aan de stad. De Bisschop vanDyonhad hier zijn buitenplaats, en dit bewijst genoegzaam, dat het een aangename en vruchtbare landsdouw is. Verder zagen wij de nog aanzienelijke overblijfsels van datCarthuizerklooster, om deszelfs pracht en weelde, om zijne paleizen en bekoorlijke tuinen zoo vermaard; en deze tempel der wellust werd, tot aan de omwenteling, door een soort van Monniken bewoond, die van vele, om hunne voorgewende godsvrucht en zedigheid, met den uitersten eerbied behandeld werden. Wat men ook van deFranscheomwenteling zegge moge, in het uitroeijen der kloosters heeft zij het menschdom een’ wezenlijken dienst bewezen. Langs den weg ziet men een gracht (canal) die onvoltooid is gebleven, en die zig tot een goedenafstand van de stad uitstrekt. Niet verre vanDyonbegint die keten heuvelen, die om derzelver overvloed van goeden wijnla Côte d’Orgenaamd wordt; de stad vertoont zich met hare fraaije spitze torens, op eene bevallige wijze, (de hier bijgevoegde aftekening zal ’er u een duidelijk denkbeeld van geeven.) Wij kwamen ’er in door eene fraaije poort, die nog niet lang gebouwd scheen, en namen onzen intrek in het Hôtelde la Galère, nadat wij van onze vriendelijke reisgenoten afscheid genomen hadden. Het speet mij in der daad, dat wij niet langer bij elkanderen bleven. De Priester vooral was een man, die kunde en smaak met een beminnelijke geaardheid scheen te vereenigen: men bespeurde aan hem in ’t geheel, die onaangename gebreken niet, die zoo dikwijls aan lieden van dien stand eigen zijn; hij was vrolijk zonder losbandigheid, zedig zonder gemaaktheid, en kundig zonder verwaandheid; daar bij scheen hij zeer verdraagzaam en redelijk zoo omtrent Godsdienstige als Staatkundige gevoelens. Het geen, mijns bedunkens, tot dit alles zeer veel had bijgedragen, was, dat hij uitgeweken zijnde zich zeer lang inEngelandhad opgehouden, en daar, bijzonder door de Protestanten, op de menschlievendste en vriendelijkste wijze was behandeld geworden. Met dankbare aandoening sprak hij hier van, en ik ben wel verzekerd, dat deze achtingswaardige geestelijke, waar hij ooit eenigen invloed moge hebbe, nimmer gewetensdwang of vervolgzucht dulden zal.

Zie daar, Vriend! een’ vrij langen Brief, in eenen volgenden zal ik u over deze stad, waar omtrent ik reeds het een en ander heb aangeteekend, nader onderhouden.—Vaarwel!

1De gebeurtenis, die aanleiding gaf tot het Blijspel vanColléLa partie de chasse deHenri IV. is hier omstreeks voorgevallen,Michauwas Molenaar teLieursaint; dit stuk is, meen ik, ook in ’tNederduitschvertaald.2Zoo noemt men deBourgondiërs, om de ronde en gulle inborst, die men hun toeschrijft.3Meauxalwaar de welsprekendeBossuëtBisschop was, behoort tot dit Departement. In de stad en omtrek vanMeauxwonen zeer veel Protestanten.4Dit geval heeft aanleiding gegeeven tot de partijen derBourguignon’s enArmagnac’s, die zoo veel bloeds aanFrankrijkgekost hebben.5Hij was de Vader vanLodewijkde XVI.6Hij is bekend voor de oudste der goede schilders inFrankrijk, bijzonder ook om het vermaarde stuk van het laatste Oordeel, dat teParijsop het Museum hangt, en waar van de gedrukte plaat een der grootste prenten is, die men kent. Zij is gegraveerd doorPieter de Jode, eenAntwerpenaaren vermaard Plaatsnijder.7Picardbekend auteur en acteur teParijs, heeft een stuk gemaakt onder den naam vanle Collatéral ou la Diligence à Joigny, dat zeer aardig is.8Hij was kort en dik.9Een van de vrouwen vanLouvoiswas eenHollandsche, ik meen de Baronnessede Huffelgenaamd.10Vertrekje van de portier of Zwitser aan de ingang van een Hotèl.11Ik ken hier geenNederduitschwoord voor, en het was te wenschen dat alle diergelijkeFranschemodeprullen onder ons geheel onbekend waren.12Die goede man hield zich in zijn ouden dag, benevens zijne vrouw, bezig met het lezen van bijna al de Romans, die ’er uitkwamen.

1De gebeurtenis, die aanleiding gaf tot het Blijspel vanColléLa partie de chasse deHenri IV. is hier omstreeks voorgevallen,Michauwas Molenaar teLieursaint; dit stuk is, meen ik, ook in ’tNederduitschvertaald.

2Zoo noemt men deBourgondiërs, om de ronde en gulle inborst, die men hun toeschrijft.

3Meauxalwaar de welsprekendeBossuëtBisschop was, behoort tot dit Departement. In de stad en omtrek vanMeauxwonen zeer veel Protestanten.

4Dit geval heeft aanleiding gegeeven tot de partijen derBourguignon’s enArmagnac’s, die zoo veel bloeds aanFrankrijkgekost hebben.

5Hij was de Vader vanLodewijkde XVI.

6Hij is bekend voor de oudste der goede schilders inFrankrijk, bijzonder ook om het vermaarde stuk van het laatste Oordeel, dat teParijsop het Museum hangt, en waar van de gedrukte plaat een der grootste prenten is, die men kent. Zij is gegraveerd doorPieter de Jode, eenAntwerpenaaren vermaard Plaatsnijder.

7Picardbekend auteur en acteur teParijs, heeft een stuk gemaakt onder den naam vanle Collatéral ou la Diligence à Joigny, dat zeer aardig is.

8Hij was kort en dik.

9Een van de vrouwen vanLouvoiswas eenHollandsche, ik meen de Baronnessede Huffelgenaamd.

10Vertrekje van de portier of Zwitser aan de ingang van een Hotèl.

11Ik ken hier geenNederduitschwoord voor, en het was te wenschen dat alle diergelijkeFranschemodeprullen onder ons geheel onbekend waren.

12Die goede man hield zich in zijn ouden dag, benevens zijne vrouw, bezig met het lezen van bijna al de Romans, die ’er uitkwamen.

Tweede Brief.Lyon, 26Julij.Eergisteren ben ik hier aangekomen, en vervolg mijn reisverhaal, zoo als ik u in mijn vorigen, gedagteekend uitDyon, beloofd heb. Die stad is mij bijzonder wel bevallen, zoo om de aangename ligging, den overvloed der levensmiddelen, als om de orde en zindelijkheid die ’er plaats heeft. Bij ons zou men ’er ten dezen opzigte in ’t geheel niets ongewoons vinden; doch voorFrankrijkmoet het als, iets bijzonders in ’t oog loopen.Dyonwas voorheen de Hoofdstad van het Hertogdom vanBourgondiën, thans is zij het van het Departement van deCôte d’Or; dePrefecthoud ’er zijn verblijf, en ’er is eenTribunal de première instance. De weg vanParijstotDyon, zoo als wij die genomen hebben, is 38¾ posten. Aan den Conducteur van den wagen gaven wij volgens gebruik £ 3–:–: de persoon drinkgeld, en aan de postillons geeft ieder doorgaans 2 sols van het eene Posthuis tot het andere: voor het gemak laat men dit door den Conducteurverschieten, het geen ook omtrent op denzelfden prijs uitkwam.Dijon.Dijon.De poort, waar wij in gekomen waren, scheen mij bezienswaardig. Onze Herberg was ’er niet ver van daan, en ik was dan naauwelijks van den wagen afgestapt, of ik ging dezelve bezigtigen. Het is een fraaije eereboog van wit gehouwen steen, in het begin van de Omwenteling voor de Vrijheid opgerigt, zoo als het opschrift boven dezelve aanduidt. Zij wordt dan ook nogla porte de la Libertégenaamd. Aan den binnenkant, en aan beide zijden, leest men op steenen tafelen: ”Les droits de l’homme reconnus le 30 Septembre l’an I. de la Liberté (1739) etc.”1De basreliefshier op toepasselijk zijn van den BeeldhouwerAttiret, in dit Departement geboren, en kort voor onze aankomst gestorven. Even buiten deze poort ziet men een’ fraaijen tuin in denEngelschensmaak aangelegd, en die thans ook voor een gemeene wandeling strekt: men noemt denzelvenle Jardin de l’Arquebuse; bij ons zou men het deSchutters Doelennoemen. Het merkwaardigste, dat ik daar zag, was een populierboom van eene zeer ongemeene dikte, men kan hem op de hoogte van de schouders naauwelijks met vier persoonen omvatten: onder aan den grond is hij nog veel dikker, en daarbij zeer hoog, en zwaar van takken, doch in de toppen isal veel dood hout, en mij dunkt, dat men wel zou, doen om hem intekorten, ten einde door dit middel eene zoo aanzienelijke gedenkzuil der Natuur nog langer in wezen te houden.—Een oude boom heeft voor mij iets eerwaardigs, en ik zie dien veel liever dan zoo vele gedenkteekenen voor de dwinglandij of het bijgeloof opgerigt, die niets merkwaardigs opleveren—dan oudheid.De Hoofdkerk is een fraai gebouw, inzonderheid de spitse toren, die door deskundigen voor een meesterstuk gehouden word. Deze kerk is onlangs van binnen nieuw opgemaakt; men was ’er zelfs nog aan bezig, alles werd dan ook zeer net en sierlijk opgepronkt. Behalve deze zijn ’er nog twee andere kerken, waarvan men de fraaije en prachtige bouworde bewonderd; zij zijn ook van binnen ter deeg mooi gemaakt.Hoewel ik weet, dat gij even zoo min als ik een liefhebber zijt van al dat heilige poppenspel, moet ik u toch het een en ander vertellen van de voorheen hier zoo vermaarde heilige Kapel (la sainte Chapelle). Deze wierd door Hugues, de derde Hertog vanBourgondiën, in 1172, gebouwd, en is dus nog al tamelijk oud. In 1430 zond Paus Eugenius de Vierde aanPhilippus, zeer ten onregte bijgenaamd,de Goede, Hertog van,Bourgondiën,2de beruchte wonderdadige hostie. Deze Paus scheen het zoo wat bont te maken, want met zat hem hevig in het vaarwater, en ten gevolge van dien werd hij ook door de kerkvergadering vanBazel, in 1439, afgezet, uitgescholden voor een handeldrijver in geestelijke zaken (Simoniet), meineedigen, onverbeterlijken ketter, kortom voor al wat leelijk was, enAmadeusHertog vanSavoyen, werd door die zelfde kerkvergadering in zijne plaats aangesteld.—Men leefde toen ook al aardig met de Pausen.—De Hertog vanEpernongaf vervolgens een gouden kist met edele gesteentens omzet, waar de heilige ouwel in bewaard moest worden, (deze Hertog was toen Gouverneur van de ProvintieBourgondiën) en eindelijk voegdeLodewijkde XI. Koning vanFrankrijk’er zijne kroon bij. Als men dezen ouwel ten toon stelde, werd dezelve in een gouden zon gezet, die een en vijftig mark woog: de kroon vanLodewijkde XI. plaatste men ’er dan boven op; of dat ook keurig mooi geweest moet zijn. Ik zeg van al die fraaijigheden niets meêr; want de geheelen boêl was opgeruimd, en de kerk is gedeeltelijk afgebroken. Naar men mij verzekerde moest ’er een Schouwburg van gemaakt worden.Nu ’er zijn ook kerken genoeg inDyon, en een Schouwburg heb ik ’er niet gezien. Van een andere kerk heeft men een Korenhal gemaakt; want men begrijpt nu, dat diergelijke gebouwen in eene wel ingerigte maatschappij ook noodzakelijk zijn. Behalve de kerken was ’er in deze stad ook een menigte kloosters. Het bijgeloof, en dus ook de onverdraagzaamheid, hadden ’er vrij wat invloed. Men heeft ’er dan ook begonnen met de Protestanten te vervolgen. De Maarschalk van FrankrijkTavannes, vertrouweling vanKarelden IX. en een van de voorname bewerkers van den rampzaligenSt. Bartelsnacht, speelde hier toen ook de eerste rol. Het Paleis, dat men voorheenle Palais de Condénoemde, omdat die Prins Gouverneur was van de Provintie, is een prachtig gebouw. Het pronkt met een fraaije colonnade en ijzer hek: voor hetzelve is eene ruime plaats in de gedaante van een halven cirkel, en rondom geregeld met huizen bebouwd. Men gaat door bogen in de straten, die ’er op uitkomen. Midden op deze plaats stond voorheen het beeld vanLodewijkde XIV. te paard. In dit Paleis vergaderden de Staten vanBourgondiënalle drie jaren, doorgaans in de Maand Mei: zij bestonden uit de Geestelijkheid, den Adel en den derden Staat. De Maire van de stadDyonwas altijd Voorzitter van den laatsten. Deze vergadering duurde gemeenelijk veertien dagen, en men hield die met veel pracht en uitwendige vertooning. ’Er was volk genoeg, want zij bestond doorgaans uit 450 persoonen.Hunne voorname werkzaamheid was het regelen van de belastingen, daar de Geestelijken en de Adel, die het meeste te zeggen hadden, geen duit in betaalden; het ging dan daarmede zoo als het spreekwoord zegt: “van een anders leder is het goed riemen snijden;” en het is dus ook geen wonder, dat de derde Staat, eindelijk deze onregtvaardigheid, die overal inFrankrijkplaats had, moede wordende, zijn misnoegen daar over op eene gevoelige wijze heeft getoond, en de goederen van die kwaadbetaalders, die daar bij nog zeer ongemakkelijk waren, heeft aangesproken voor de achterstallige schuld: en ik geloof, welk regt die zoogenaamde groote sinjeurs ook vermeenen te hebben, om zich deswegens bezwaard te achten, dat, wanneer een nauwkeurigHollandschboekhouder de rekening eens opmaakte, zij nog een aanmerkelijke som ten achteren zouden zijn. De zaken zijn nu geheel van gedaante veranderd—en wij willen hopen, dat het daar door beter zal gaan. De onderscheidene regtbanken van dit Departement houden thans zitting in dat voormalig Paleis vanCondé. Daar het openstond ging ik ’er in, en verder in een zaal, waar de Crimineele Regtbank zitting hield, en waar men bezig was met een vrouw te verhooren, die beschuldigd werd van eenige goederen gestolen te hebben. Het was na den middag, en een van de Regters, misschien gewoon, om op dien tijd een dutje te doen, zat gerust te slapen.—Aan den ingang van de zaal las ik, dat van de toehoorders demannen zich aan de eene, en de vrouwen zich aan den anderen kant moeten plaatsen. Voor iedere sekse was dan ook eene bijzondere plaats met een balie afgeschoten, zoo dat de eerbaarheid hier wel in acht schijnt genomen te worden. In het afgaan bewonderde ik den fraaijen trap. Onder in dit gebouw staan verscheidene kramen met prenten, boeken en andere waren, en achter aan hetzelve is nog een oude toren die boven het dak uitsteekt, men zeide mij, dat het nog een overblijfsel was van het oude Hertoglijke Paleis.De Stad verder doorwandelende zag ik verscheidene schoone huizen; de straten zijn veelal ruim; de wallen met boomen beplant, leveren eene alleraangenaamste wandeling op, en men heeft van daar eene verscheidenheid van schoone gezigten. De wandeling buiten om de stad is ook zeer vermakelijk, en voor een stad, komt mijDyonvoor, wat de plaatselijke gelegenheid aanbelangt, al een zeer aangenaam verblijf te zijn.Den 20 dezer regende het aanhoudend, en dat is voor een’ reiziger allerverdrietigst, men kan niet rondloopen, niet wandelen; de Koffijhuizen zijn, dan vooral in plaatsen daar men geen Schouwburg of andere openbare vermakelijkheden heeft, de voornaamste toevlucht, wij maakten ’er dan ook gebruik van; men vindt ’er hier verscheiden, en daar onder die zeer net en met smaak zijn ingerigt. Ik las daar onder anderen in een van deParijsscheNieuwsbladen eene beschrijving van het Feest van laatstledenZondag, en hoe de Keizer en Keizerin, toen zij in staatsie door den tuin van de Tuillerien reden, door de menigte van alle kanten waren toegejuicht. Daar zag ik al weder, hoe weinig men op zich zelven staat kan maken; want ik was bij dezen optogt geweest en had niets anders dan het geschreeuw van eenige weinige menschen, (men zeide dat het Militairen waren) digt bij het kasteel van de Tuillerien, gehoord. Het was, meen ik, bij gelegenheid dat hunne Keizerlijke Majeiteiten aftraden en in het Paleis gingen. Even te voren, mij onder een grooten hoop menschen, ter plaatse, waar de optogt voorbij ging, bevindende, hield bijna ieder een den hoed op. Iemand, die daar bij stond, en die ik, naar zijn kleeding te oordeelen, voor een voornaam man hield, scheen deze onbeleefdheid niet te kunnen dulden, en riep:Chapeaux bas, (de hoeden af) doch men toonde zich misnoegd en morde over deze herinnering, zonder daaraan te gehoorzamen, het geen ik in ’t geheel niet overeenkomstig vond met deFranschewellevendheid.In dit Koffijhuis vernam ik teffens, dat ’er eenMuseumin deze stad te zien was. Na den middag gingen wij daar na toe, het is ook in het voormalig Paleis vanCondé; men ziet ’er in eenige zalen verscheidene schilderijen, waar onder ’er twee Veldslagen van den beruchten krijgsman zijn, bekend onder den eernaam vanle grandCondé. Tusschen twee haakjes; in zeker opzigt heb ik nog al eenige overeenkomst met dien man,—hoe zoo? zult gij vragen,—welhij was zoo wel als ik met de jicht gekweld, zoo zelfs, dat hij in 1676 voor het opperbevel van het leger moest bedanken. In een andere zaal zijn de beelden meestäl afgietsels, en eenige kopijen van marmer; deze dienen bijzonder voor de teekenschool, die ook in dit gebouw is. Zoo de kweekelingen in het vak der beelden al iets mogten te kort komen, de natuur levert in deze streeken de heerlijkste toonelen op voor den landschapschilder. In eene volgende zaal ziet men eenige oudheden, als toiletdoozen, messen, vorken, een brieventas enz. welk tuig afkomstig is van de eerste Hertogen en Hertoginnen vanBourgondiën, naar men mij verzekerde; nu men kon ook wel zien dat het van daag of gisteren niet gemaakt, maar verscheidene modes ten achteren was. Ook zag ik ’er den knop van den Bisschoppelijken staf, benevens een ring en gordelgesp van den eersten Abt van de vermaarde Abdij vanCiteaux. Van meêr belang voor den konstminnaar, vond ik een aantal marmeren beeldjes, ieder ongeveer ander half voet hoog. Zij verbeelddenCarthuizerMonniken, in onderscheidene houdingen; deze beeldjes hadden gestaan, om de prachtige marmeren graftombes van de Hertogen vanBourgondiën, in het koor van de Kerk derCarthuizers, waarvan ik reeds gesproken heb, en welke tombes in het begin van de omwenteling zijn gesloopt. Regt fraai zijn die beeldjes gewerkt, en de uitdrukking, die ’er in hunne gezigten plaats heeft, trekt vooräl de aandacht. Ik zag hier ook nog eenklein stukje agter een glas in een lijst, het was van was geboetseerd, en verbeeldde een half verrot lijk. Men had ’er een gordijntje voor gehangen, om dat het ’er zoo afzigtelijk uitzag. Onze geleider meende, dat het iets tot de geschiedenis van het huis vanBourgondiënbehoorende, moest voorstellen; maar het regte wist ’er de sukkelaar ons niet van te zeggen.Den 21 ging ik ’s morgens vroeg in den aangenaamen Tuin van deArquebusewandelen, en mijn ouden populierboom bezoeken: geen koord of andere meet-instrumenten bij mij hebbende, mat ik de dikte van den stam, onder aan den grond, door mijne voeten rondom dezelve, den een voor den anderen te zetten, en telde op deze wijze acht en dertig zulke voeten;—Welk eene aanmerkelijke dikte!—De grond schijnt hier goed voor het houtgewas, ook naar de andere boomen en struiken te oordeelen. Voorbij een Seringe-struik komende, werd ik een zeer onaangenamen reuk gewaar, bijna als die van een hok, waarïn leeuwen, tijgers of diergelijke opgesloten zijn; ik wilde hier de reden van weten, en bevond na eenige reizen om den struik, die vrij groot was, gegaan te zijn, en hem naauwkeurig bekeken te hebben, dat ’er midden in een menigte torren zaten, welken ’er de bladeren afknaagden, en dat deze dien onaangenamen reuk veroorzaakten. Ik herinner mij niet van diergelijkeinsectenmeêr gezien te hebben, althans niet levendig: zij hadden een schone ligt groene gouden kleur, en kwamen mij voorte behooren tot de soort van het Vliegend Hart, zijnde smal van lijf met fraaije lange horens. Ik deed ’er een paar van in een papier en nam dezelve mede naar mijn kamer, doch de stank, dien zij verwekten, verpligtte mij om ze weg te werpen. De reuk was zoo sterk, dat men denzelven op den afstand van twee treden van den struik, reeds gewaar werd.Ik wandelde verder om de stad, en zag onder andere een wijngaard voor een huis geplant, van eene buitengewone uitgebreidheid. De ranken waren over een rooster van latten gespreid om lommer voor het huis te hebben; en dit groene dak was zoo groot, dat ’er wel vijftig menschen op hun gemak onder zitten konden; daarbij was deze schoone wijnstok vol met trossen druiven, Van eene ongemene grootte. Hier en daar om de stad, zag ik ook nog overblijfsels van de oude vestingwerken. Het riviertjel’Ouchestroomt langsDyon, en ’er legt een fraaije steenen brug over, even buiten de stad; het vormt ook vele aardige partijtjes. Bezat ik de kunst vanRuisdaalofWaterlo, ik zond u ook hier eenige teekeningen van. Het Gasthuis dat men buiten deporte de fer(een ijzer hek) ziet, is een fraai gebouw. Met genoegen zag ik sommige zieken gemakkelijk zitten naast verscheideneOléanders,Laurustinusboomen en andere welriekende kruiden en bloemen, die men daar in bakken en potten nedergezet had. Bij ons gebruikt men die alleen maar, om de prachtige lusthoven en buitenplaatsen opteschikken, hier hebben zij eene betere bestemming, zij dienentot verkwikking van arme zieken. Sedert de omwenteling is het bestuur van diergelijke gestichten inFrankrijkveel verbeterd; voor dien tijd had de Geestelijkheid ’er meestal alleen de bestiering over. In ons Vaderland, hoewel wij anders in menschlievendheid en mildadigheid zeer wel tegen deFranschenkunnen monsteren, zou toch, dunkt mij, ten opzigte van de gasthuizen ook nog veel te verbeteren zijn; vooral wenschte ik die buiten de steden in een gezond en aangenaam oord, zoo veel mogelijk, te hebben, en niet al de zieken in eene algemeene zaal, maar in afzonderlijke luchtige vertrekken te plaatsen, ten minste die geenen, die erg ziek zijn; behalve de besmetting, is het gezigt, en dikwijls het gekerm van sommige kranken voor anderen, die minder ziek zijn, allerakeligst; zij zien veeltijds pijnelijke operatien, het afleggen en voorbij dragen der dooden.—Welk een schouwspel! waarom in plaats van die groote zalen, zijn de gasthuizen niet zoo als onze hofjes, rondom met vertrekjes, een plaats in het midden, en het gansche gebouw omringd met bevallige tuinen, met fraaije en geurige bloemen en planten, lommerijke lanen, vruchtrijke boomgaarden enz. Het is immers zoo verkwikkelijk voor een zieke, die begint te herstellen, als hij het ziekbed, daar hij weken, en somtijds maanden aan gebonden was, kan verlaten en in de vrije lucht de vrolijke en bevallige natuur aanschouwen, en met dankbare aandoening aan den Schepper en Onderhouder van dezelve denken.In en om deze stad, zag ik verscheidene dakenen torens met pannen van onderscheidene kleuren belegd; men maakt ’er ruiten en andere figuren mede, zoo als men wel op de vloertapijten ziet; dit staat niet onäardig.De Bibliothekaris der Bibliotheek van hetLycée, is een zeer vriendelijk man; hij sprak met veel lof van onzeHollandschegeleerden, alsGrotius,Boerhave, enz. Ik zag die Bibliotheek terloops in; het kwam mij voor, dat dezelve eene aanmerkelijke verzameling boeken bevatte; ’er waren ook eenige borstbeelden van voorname mannen, alsPiron,Crebillon,Buffon,Voltaireen meêr anderen. De BeeldhouwerAttiret, daar ik u reeds van gesproken heb, is ’er de maker van.Deze stad is het Vaderland van verscheidene groote mannen, als van den welsprekendenBossuet, Bisschop vanMeaux, daar ik in mijnen vorigen reeds melding van maakte; van den ToneeldichterCrébillon, een edelman, die hier een voornamen post bekleedde; hij voerde de Treurspelen vanAEschylusop nieuws inFrankrijkten Tooneele, nadat hij dezelve op eene regelmatige wijze beärbeid had; zijne stukken zijn nog tegenwoordig in veel achting, en sommigen ’er van worden dikwijls gespeeld; hij werd in 1674 geboren, en stierf in 1762.Piron, door zijne Tooneel- en andere geestige werken bekend, werd hier in 1689 geboren3, als ookla Monnoye,Dichter enBibliograaf, en de Baronde Longpierre, schrijver van eenige Tooneelstukken, enz. die in 1659 het licht zag.Rameaueen van de grootsteFranschemuziek-componisten, is ook vanDyon; hij werd aldaar geboren in 1683, en stierf in 1769; hij was Organist van een kerk teParijs, en heeft het muzijk samengesteld van verscheidene Opera’s;4zijn uitvaart wierd zeer plegtig gevierd.Dyonheeft dus veel toegebragt tot den luister van hetFranscheTooneel; de inwoonders van die stad, hebben alzoo inzonderheid regt op een fraaijen en goeden Schouwburg, en ik wensch, dat men niet zal dralen, met het plan, om ’er een te bouwen, ten uitvoer te brengen.Menestriereen geleerde oudheidkundige, had ik haast vergeten; die man, welke ook teDyonin 1555 geboren is, heeft belangrijke aanteekeningen over de medailles nagelaten. Men las eertijds, op een der glazen vanSt. Medarskerk, het volgend zonderlinge grafschrift, dat op hem gemaakt is:“Ci gitJean le Menestrier,l’An de sa vie soixante dix,Il mit le pied a l’étrier,Pour s’en aller en Paradis.”5.Door den aanhoudenden regen verhinderd wordende, om mijne wandelingen buiten voorttezetten, moest ik die tot de stad zelve bepalen. Ik ging het oude slot, dat tegen den wal ligt, digt bij de poort naar den kant vanParijs, bezigtigen; oorspronkelijk schijnt het een Citadel geweest te zijn; naderhand heeft het ook gediend tot een gevangenis, en was tot de omwenteling toe de Bastille vanBourgondiën; ik zag ’er dan ook nog verscheidene holen en gevangenissen.—Wie weet, dacht ik, hoe vele slagtoffers van wareldlijk en kerkelijk geweld hier bittere tranen gestort hebben.—Het ziet ’er thans zeer vervallen uit.—Van den toren aan de achterzijde heeft men een fraai gezigt. Aan den anderen kant van de stad, op de wal, zag ik ook een fraaije danszaal, men noemt die plaatsTivoli.Hopende op goed weder, bestelden wij rijtuig, om den volgenden dag te vertrekken; want de Postwagen naarChalonsreed ’s nachts, en hier hadden wij geen zin in. Verscheidene lieden van dit land zeiden mij, dat, als het hier eens begon te regenen, het doorgaans eenige dagen duurde; de reden hier van was, willen zij, dat de wolken tusschen de bergen bleven hangen; en in der daad, de toppen der bergen rondom de stad waren sedert een paar dagen door wolken bedekt.Over onze herberg waren wij wel te vreden, enbetaalden £ 3–:–: aan de gemeene tafel, die vrij goed was, en £ 2–:–: voor een kamer met twee bedden. Op de reis hier na toe, hadden wij doorgaans ook £ 3–:–: voor het middag eten, en £ 3–10-: ook wel eens £ 3–:–: voor het avondeten en slapen betaald.De inwoners vanDyon, hoewel de hoofdstad van het goede wijnland, hadden, dacht mij, over het algemeen, eerder een somber dan een vrolijk voorkomen. Zou de invloed van het bijgeloof hier niet veeläl de oorzaak van zijn? Men begroot het getal der ingezetenen op ruim 20,000. Kousenweverijen en fabrieken van een soort van kanten, speelkaarten en de wijnhandel zijn de voorname takken van hun bestaan; ’er zijn verscheidene leêrlooijerijen; men maakt ’er ook sommige wollesstoffen en confituren, en de mostaart vanDyon, die geheelFrankrijkdoor beroemd is, zoo als bij ons die vanZaandamofDoesburg, moet ik ook niet vergeten.1De Regten van den Mensch, erkend den 30 September, het Eerste jaar der Vrijheid, 1789.2En Graaf vanHolland,ZeelandenVriesland.Martinetin zijnVeréénigd Nederland, zegt van hem: “Hij werd met geringen lof bekroond;” en verder van zijnzoon en opvolger sprekende: “Hij gaf den doodsteek aan ’s Lands Vrijheid door het invoeren van vaste soldaten, ’t geen ’s Volks oude dapperheid deed vervallen.”—O mijn Vriend! mogten onze Landgenoten toch de waarheid van dit gezegde duidelijk gevoelen!3La Metromanie, een van de beste Blijspelen van hetFranschetooneel, is van dezen schrijver.4CastorenPolluxis ’er de voornaamste van, en wordt gehouden voor eenclassiekstuk derFranschemuzijk van dien tijd.5Hier rustJan le Menestrier, in het zeventigstejaar zijn’s ouderdoms zette hij den voet in den stijgbeugel, om na den hemel te gaan.

Lyon, 26Julij.

Eergisteren ben ik hier aangekomen, en vervolg mijn reisverhaal, zoo als ik u in mijn vorigen, gedagteekend uitDyon, beloofd heb. Die stad is mij bijzonder wel bevallen, zoo om de aangename ligging, den overvloed der levensmiddelen, als om de orde en zindelijkheid die ’er plaats heeft. Bij ons zou men ’er ten dezen opzigte in ’t geheel niets ongewoons vinden; doch voorFrankrijkmoet het als, iets bijzonders in ’t oog loopen.Dyonwas voorheen de Hoofdstad van het Hertogdom vanBourgondiën, thans is zij het van het Departement van deCôte d’Or; dePrefecthoud ’er zijn verblijf, en ’er is eenTribunal de première instance. De weg vanParijstotDyon, zoo als wij die genomen hebben, is 38¾ posten. Aan den Conducteur van den wagen gaven wij volgens gebruik £ 3–:–: de persoon drinkgeld, en aan de postillons geeft ieder doorgaans 2 sols van het eene Posthuis tot het andere: voor het gemak laat men dit door den Conducteurverschieten, het geen ook omtrent op denzelfden prijs uitkwam.

Dijon.Dijon.

Dijon.

De poort, waar wij in gekomen waren, scheen mij bezienswaardig. Onze Herberg was ’er niet ver van daan, en ik was dan naauwelijks van den wagen afgestapt, of ik ging dezelve bezigtigen. Het is een fraaije eereboog van wit gehouwen steen, in het begin van de Omwenteling voor de Vrijheid opgerigt, zoo als het opschrift boven dezelve aanduidt. Zij wordt dan ook nogla porte de la Libertégenaamd. Aan den binnenkant, en aan beide zijden, leest men op steenen tafelen: ”Les droits de l’homme reconnus le 30 Septembre l’an I. de la Liberté (1739) etc.”1De basreliefshier op toepasselijk zijn van den BeeldhouwerAttiret, in dit Departement geboren, en kort voor onze aankomst gestorven. Even buiten deze poort ziet men een’ fraaijen tuin in denEngelschensmaak aangelegd, en die thans ook voor een gemeene wandeling strekt: men noemt denzelvenle Jardin de l’Arquebuse; bij ons zou men het deSchutters Doelennoemen. Het merkwaardigste, dat ik daar zag, was een populierboom van eene zeer ongemeene dikte, men kan hem op de hoogte van de schouders naauwelijks met vier persoonen omvatten: onder aan den grond is hij nog veel dikker, en daarbij zeer hoog, en zwaar van takken, doch in de toppen isal veel dood hout, en mij dunkt, dat men wel zou, doen om hem intekorten, ten einde door dit middel eene zoo aanzienelijke gedenkzuil der Natuur nog langer in wezen te houden.—Een oude boom heeft voor mij iets eerwaardigs, en ik zie dien veel liever dan zoo vele gedenkteekenen voor de dwinglandij of het bijgeloof opgerigt, die niets merkwaardigs opleveren—dan oudheid.

De Hoofdkerk is een fraai gebouw, inzonderheid de spitse toren, die door deskundigen voor een meesterstuk gehouden word. Deze kerk is onlangs van binnen nieuw opgemaakt; men was ’er zelfs nog aan bezig, alles werd dan ook zeer net en sierlijk opgepronkt. Behalve deze zijn ’er nog twee andere kerken, waarvan men de fraaije en prachtige bouworde bewonderd; zij zijn ook van binnen ter deeg mooi gemaakt.

Hoewel ik weet, dat gij even zoo min als ik een liefhebber zijt van al dat heilige poppenspel, moet ik u toch het een en ander vertellen van de voorheen hier zoo vermaarde heilige Kapel (la sainte Chapelle). Deze wierd door Hugues, de derde Hertog vanBourgondiën, in 1172, gebouwd, en is dus nog al tamelijk oud. In 1430 zond Paus Eugenius de Vierde aanPhilippus, zeer ten onregte bijgenaamd,de Goede, Hertog van,Bourgondiën,2de beruchte wonderdadige hostie. Deze Paus scheen het zoo wat bont te maken, want met zat hem hevig in het vaarwater, en ten gevolge van dien werd hij ook door de kerkvergadering vanBazel, in 1439, afgezet, uitgescholden voor een handeldrijver in geestelijke zaken (Simoniet), meineedigen, onverbeterlijken ketter, kortom voor al wat leelijk was, enAmadeusHertog vanSavoyen, werd door die zelfde kerkvergadering in zijne plaats aangesteld.—Men leefde toen ook al aardig met de Pausen.—De Hertog vanEpernongaf vervolgens een gouden kist met edele gesteentens omzet, waar de heilige ouwel in bewaard moest worden, (deze Hertog was toen Gouverneur van de ProvintieBourgondiën) en eindelijk voegdeLodewijkde XI. Koning vanFrankrijk’er zijne kroon bij. Als men dezen ouwel ten toon stelde, werd dezelve in een gouden zon gezet, die een en vijftig mark woog: de kroon vanLodewijkde XI. plaatste men ’er dan boven op; of dat ook keurig mooi geweest moet zijn. Ik zeg van al die fraaijigheden niets meêr; want de geheelen boêl was opgeruimd, en de kerk is gedeeltelijk afgebroken. Naar men mij verzekerde moest ’er een Schouwburg van gemaakt worden.

Nu ’er zijn ook kerken genoeg inDyon, en een Schouwburg heb ik ’er niet gezien. Van een andere kerk heeft men een Korenhal gemaakt; want men begrijpt nu, dat diergelijke gebouwen in eene wel ingerigte maatschappij ook noodzakelijk zijn. Behalve de kerken was ’er in deze stad ook een menigte kloosters. Het bijgeloof, en dus ook de onverdraagzaamheid, hadden ’er vrij wat invloed. Men heeft ’er dan ook begonnen met de Protestanten te vervolgen. De Maarschalk van FrankrijkTavannes, vertrouweling vanKarelden IX. en een van de voorname bewerkers van den rampzaligenSt. Bartelsnacht, speelde hier toen ook de eerste rol. Het Paleis, dat men voorheenle Palais de Condénoemde, omdat die Prins Gouverneur was van de Provintie, is een prachtig gebouw. Het pronkt met een fraaije colonnade en ijzer hek: voor hetzelve is eene ruime plaats in de gedaante van een halven cirkel, en rondom geregeld met huizen bebouwd. Men gaat door bogen in de straten, die ’er op uitkomen. Midden op deze plaats stond voorheen het beeld vanLodewijkde XIV. te paard. In dit Paleis vergaderden de Staten vanBourgondiënalle drie jaren, doorgaans in de Maand Mei: zij bestonden uit de Geestelijkheid, den Adel en den derden Staat. De Maire van de stadDyonwas altijd Voorzitter van den laatsten. Deze vergadering duurde gemeenelijk veertien dagen, en men hield die met veel pracht en uitwendige vertooning. ’Er was volk genoeg, want zij bestond doorgaans uit 450 persoonen.Hunne voorname werkzaamheid was het regelen van de belastingen, daar de Geestelijken en de Adel, die het meeste te zeggen hadden, geen duit in betaalden; het ging dan daarmede zoo als het spreekwoord zegt: “van een anders leder is het goed riemen snijden;” en het is dus ook geen wonder, dat de derde Staat, eindelijk deze onregtvaardigheid, die overal inFrankrijkplaats had, moede wordende, zijn misnoegen daar over op eene gevoelige wijze heeft getoond, en de goederen van die kwaadbetaalders, die daar bij nog zeer ongemakkelijk waren, heeft aangesproken voor de achterstallige schuld: en ik geloof, welk regt die zoogenaamde groote sinjeurs ook vermeenen te hebben, om zich deswegens bezwaard te achten, dat, wanneer een nauwkeurigHollandschboekhouder de rekening eens opmaakte, zij nog een aanmerkelijke som ten achteren zouden zijn. De zaken zijn nu geheel van gedaante veranderd—en wij willen hopen, dat het daar door beter zal gaan. De onderscheidene regtbanken van dit Departement houden thans zitting in dat voormalig Paleis vanCondé. Daar het openstond ging ik ’er in, en verder in een zaal, waar de Crimineele Regtbank zitting hield, en waar men bezig was met een vrouw te verhooren, die beschuldigd werd van eenige goederen gestolen te hebben. Het was na den middag, en een van de Regters, misschien gewoon, om op dien tijd een dutje te doen, zat gerust te slapen.—Aan den ingang van de zaal las ik, dat van de toehoorders demannen zich aan de eene, en de vrouwen zich aan den anderen kant moeten plaatsen. Voor iedere sekse was dan ook eene bijzondere plaats met een balie afgeschoten, zoo dat de eerbaarheid hier wel in acht schijnt genomen te worden. In het afgaan bewonderde ik den fraaijen trap. Onder in dit gebouw staan verscheidene kramen met prenten, boeken en andere waren, en achter aan hetzelve is nog een oude toren die boven het dak uitsteekt, men zeide mij, dat het nog een overblijfsel was van het oude Hertoglijke Paleis.

De Stad verder doorwandelende zag ik verscheidene schoone huizen; de straten zijn veelal ruim; de wallen met boomen beplant, leveren eene alleraangenaamste wandeling op, en men heeft van daar eene verscheidenheid van schoone gezigten. De wandeling buiten om de stad is ook zeer vermakelijk, en voor een stad, komt mijDyonvoor, wat de plaatselijke gelegenheid aanbelangt, al een zeer aangenaam verblijf te zijn.

Den 20 dezer regende het aanhoudend, en dat is voor een’ reiziger allerverdrietigst, men kan niet rondloopen, niet wandelen; de Koffijhuizen zijn, dan vooral in plaatsen daar men geen Schouwburg of andere openbare vermakelijkheden heeft, de voornaamste toevlucht, wij maakten ’er dan ook gebruik van; men vindt ’er hier verscheiden, en daar onder die zeer net en met smaak zijn ingerigt. Ik las daar onder anderen in een van deParijsscheNieuwsbladen eene beschrijving van het Feest van laatstledenZondag, en hoe de Keizer en Keizerin, toen zij in staatsie door den tuin van de Tuillerien reden, door de menigte van alle kanten waren toegejuicht. Daar zag ik al weder, hoe weinig men op zich zelven staat kan maken; want ik was bij dezen optogt geweest en had niets anders dan het geschreeuw van eenige weinige menschen, (men zeide dat het Militairen waren) digt bij het kasteel van de Tuillerien, gehoord. Het was, meen ik, bij gelegenheid dat hunne Keizerlijke Majeiteiten aftraden en in het Paleis gingen. Even te voren, mij onder een grooten hoop menschen, ter plaatse, waar de optogt voorbij ging, bevindende, hield bijna ieder een den hoed op. Iemand, die daar bij stond, en die ik, naar zijn kleeding te oordeelen, voor een voornaam man hield, scheen deze onbeleefdheid niet te kunnen dulden, en riep:Chapeaux bas, (de hoeden af) doch men toonde zich misnoegd en morde over deze herinnering, zonder daaraan te gehoorzamen, het geen ik in ’t geheel niet overeenkomstig vond met deFranschewellevendheid.

In dit Koffijhuis vernam ik teffens, dat ’er eenMuseumin deze stad te zien was. Na den middag gingen wij daar na toe, het is ook in het voormalig Paleis vanCondé; men ziet ’er in eenige zalen verscheidene schilderijen, waar onder ’er twee Veldslagen van den beruchten krijgsman zijn, bekend onder den eernaam vanle grandCondé. Tusschen twee haakjes; in zeker opzigt heb ik nog al eenige overeenkomst met dien man,—hoe zoo? zult gij vragen,—welhij was zoo wel als ik met de jicht gekweld, zoo zelfs, dat hij in 1676 voor het opperbevel van het leger moest bedanken. In een andere zaal zijn de beelden meestäl afgietsels, en eenige kopijen van marmer; deze dienen bijzonder voor de teekenschool, die ook in dit gebouw is. Zoo de kweekelingen in het vak der beelden al iets mogten te kort komen, de natuur levert in deze streeken de heerlijkste toonelen op voor den landschapschilder. In eene volgende zaal ziet men eenige oudheden, als toiletdoozen, messen, vorken, een brieventas enz. welk tuig afkomstig is van de eerste Hertogen en Hertoginnen vanBourgondiën, naar men mij verzekerde; nu men kon ook wel zien dat het van daag of gisteren niet gemaakt, maar verscheidene modes ten achteren was. Ook zag ik ’er den knop van den Bisschoppelijken staf, benevens een ring en gordelgesp van den eersten Abt van de vermaarde Abdij vanCiteaux. Van meêr belang voor den konstminnaar, vond ik een aantal marmeren beeldjes, ieder ongeveer ander half voet hoog. Zij verbeelddenCarthuizerMonniken, in onderscheidene houdingen; deze beeldjes hadden gestaan, om de prachtige marmeren graftombes van de Hertogen vanBourgondiën, in het koor van de Kerk derCarthuizers, waarvan ik reeds gesproken heb, en welke tombes in het begin van de omwenteling zijn gesloopt. Regt fraai zijn die beeldjes gewerkt, en de uitdrukking, die ’er in hunne gezigten plaats heeft, trekt vooräl de aandacht. Ik zag hier ook nog eenklein stukje agter een glas in een lijst, het was van was geboetseerd, en verbeeldde een half verrot lijk. Men had ’er een gordijntje voor gehangen, om dat het ’er zoo afzigtelijk uitzag. Onze geleider meende, dat het iets tot de geschiedenis van het huis vanBourgondiënbehoorende, moest voorstellen; maar het regte wist ’er de sukkelaar ons niet van te zeggen.

Den 21 ging ik ’s morgens vroeg in den aangenaamen Tuin van deArquebusewandelen, en mijn ouden populierboom bezoeken: geen koord of andere meet-instrumenten bij mij hebbende, mat ik de dikte van den stam, onder aan den grond, door mijne voeten rondom dezelve, den een voor den anderen te zetten, en telde op deze wijze acht en dertig zulke voeten;—Welk eene aanmerkelijke dikte!—De grond schijnt hier goed voor het houtgewas, ook naar de andere boomen en struiken te oordeelen. Voorbij een Seringe-struik komende, werd ik een zeer onaangenamen reuk gewaar, bijna als die van een hok, waarïn leeuwen, tijgers of diergelijke opgesloten zijn; ik wilde hier de reden van weten, en bevond na eenige reizen om den struik, die vrij groot was, gegaan te zijn, en hem naauwkeurig bekeken te hebben, dat ’er midden in een menigte torren zaten, welken ’er de bladeren afknaagden, en dat deze dien onaangenamen reuk veroorzaakten. Ik herinner mij niet van diergelijkeinsectenmeêr gezien te hebben, althans niet levendig: zij hadden een schone ligt groene gouden kleur, en kwamen mij voorte behooren tot de soort van het Vliegend Hart, zijnde smal van lijf met fraaije lange horens. Ik deed ’er een paar van in een papier en nam dezelve mede naar mijn kamer, doch de stank, dien zij verwekten, verpligtte mij om ze weg te werpen. De reuk was zoo sterk, dat men denzelven op den afstand van twee treden van den struik, reeds gewaar werd.

Ik wandelde verder om de stad, en zag onder andere een wijngaard voor een huis geplant, van eene buitengewone uitgebreidheid. De ranken waren over een rooster van latten gespreid om lommer voor het huis te hebben; en dit groene dak was zoo groot, dat ’er wel vijftig menschen op hun gemak onder zitten konden; daarbij was deze schoone wijnstok vol met trossen druiven, Van eene ongemene grootte. Hier en daar om de stad, zag ik ook nog overblijfsels van de oude vestingwerken. Het riviertjel’Ouchestroomt langsDyon, en ’er legt een fraaije steenen brug over, even buiten de stad; het vormt ook vele aardige partijtjes. Bezat ik de kunst vanRuisdaalofWaterlo, ik zond u ook hier eenige teekeningen van. Het Gasthuis dat men buiten deporte de fer(een ijzer hek) ziet, is een fraai gebouw. Met genoegen zag ik sommige zieken gemakkelijk zitten naast verscheideneOléanders,Laurustinusboomen en andere welriekende kruiden en bloemen, die men daar in bakken en potten nedergezet had. Bij ons gebruikt men die alleen maar, om de prachtige lusthoven en buitenplaatsen opteschikken, hier hebben zij eene betere bestemming, zij dienentot verkwikking van arme zieken. Sedert de omwenteling is het bestuur van diergelijke gestichten inFrankrijkveel verbeterd; voor dien tijd had de Geestelijkheid ’er meestal alleen de bestiering over. In ons Vaderland, hoewel wij anders in menschlievendheid en mildadigheid zeer wel tegen deFranschenkunnen monsteren, zou toch, dunkt mij, ten opzigte van de gasthuizen ook nog veel te verbeteren zijn; vooral wenschte ik die buiten de steden in een gezond en aangenaam oord, zoo veel mogelijk, te hebben, en niet al de zieken in eene algemeene zaal, maar in afzonderlijke luchtige vertrekken te plaatsen, ten minste die geenen, die erg ziek zijn; behalve de besmetting, is het gezigt, en dikwijls het gekerm van sommige kranken voor anderen, die minder ziek zijn, allerakeligst; zij zien veeltijds pijnelijke operatien, het afleggen en voorbij dragen der dooden.—Welk een schouwspel! waarom in plaats van die groote zalen, zijn de gasthuizen niet zoo als onze hofjes, rondom met vertrekjes, een plaats in het midden, en het gansche gebouw omringd met bevallige tuinen, met fraaije en geurige bloemen en planten, lommerijke lanen, vruchtrijke boomgaarden enz. Het is immers zoo verkwikkelijk voor een zieke, die begint te herstellen, als hij het ziekbed, daar hij weken, en somtijds maanden aan gebonden was, kan verlaten en in de vrije lucht de vrolijke en bevallige natuur aanschouwen, en met dankbare aandoening aan den Schepper en Onderhouder van dezelve denken.

In en om deze stad, zag ik verscheidene dakenen torens met pannen van onderscheidene kleuren belegd; men maakt ’er ruiten en andere figuren mede, zoo als men wel op de vloertapijten ziet; dit staat niet onäardig.

De Bibliothekaris der Bibliotheek van hetLycée, is een zeer vriendelijk man; hij sprak met veel lof van onzeHollandschegeleerden, alsGrotius,Boerhave, enz. Ik zag die Bibliotheek terloops in; het kwam mij voor, dat dezelve eene aanmerkelijke verzameling boeken bevatte; ’er waren ook eenige borstbeelden van voorname mannen, alsPiron,Crebillon,Buffon,Voltaireen meêr anderen. De BeeldhouwerAttiret, daar ik u reeds van gesproken heb, is ’er de maker van.

Deze stad is het Vaderland van verscheidene groote mannen, als van den welsprekendenBossuet, Bisschop vanMeaux, daar ik in mijnen vorigen reeds melding van maakte; van den ToneeldichterCrébillon, een edelman, die hier een voornamen post bekleedde; hij voerde de Treurspelen vanAEschylusop nieuws inFrankrijkten Tooneele, nadat hij dezelve op eene regelmatige wijze beärbeid had; zijne stukken zijn nog tegenwoordig in veel achting, en sommigen ’er van worden dikwijls gespeeld; hij werd in 1674 geboren, en stierf in 1762.Piron, door zijne Tooneel- en andere geestige werken bekend, werd hier in 1689 geboren3, als ookla Monnoye,Dichter enBibliograaf, en de Baronde Longpierre, schrijver van eenige Tooneelstukken, enz. die in 1659 het licht zag.Rameaueen van de grootsteFranschemuziek-componisten, is ook vanDyon; hij werd aldaar geboren in 1683, en stierf in 1769; hij was Organist van een kerk teParijs, en heeft het muzijk samengesteld van verscheidene Opera’s;4zijn uitvaart wierd zeer plegtig gevierd.Dyonheeft dus veel toegebragt tot den luister van hetFranscheTooneel; de inwoonders van die stad, hebben alzoo inzonderheid regt op een fraaijen en goeden Schouwburg, en ik wensch, dat men niet zal dralen, met het plan, om ’er een te bouwen, ten uitvoer te brengen.Menestriereen geleerde oudheidkundige, had ik haast vergeten; die man, welke ook teDyonin 1555 geboren is, heeft belangrijke aanteekeningen over de medailles nagelaten. Men las eertijds, op een der glazen vanSt. Medarskerk, het volgend zonderlinge grafschrift, dat op hem gemaakt is:

“Ci gitJean le Menestrier,l’An de sa vie soixante dix,Il mit le pied a l’étrier,Pour s’en aller en Paradis.”5.

“Ci gitJean le Menestrier,l’An de sa vie soixante dix,Il mit le pied a l’étrier,Pour s’en aller en Paradis.”5.

“Ci gitJean le Menestrier,

l’An de sa vie soixante dix,

Il mit le pied a l’étrier,

Pour s’en aller en Paradis.”5.

Door den aanhoudenden regen verhinderd wordende, om mijne wandelingen buiten voorttezetten, moest ik die tot de stad zelve bepalen. Ik ging het oude slot, dat tegen den wal ligt, digt bij de poort naar den kant vanParijs, bezigtigen; oorspronkelijk schijnt het een Citadel geweest te zijn; naderhand heeft het ook gediend tot een gevangenis, en was tot de omwenteling toe de Bastille vanBourgondiën; ik zag ’er dan ook nog verscheidene holen en gevangenissen.—Wie weet, dacht ik, hoe vele slagtoffers van wareldlijk en kerkelijk geweld hier bittere tranen gestort hebben.—Het ziet ’er thans zeer vervallen uit.—Van den toren aan de achterzijde heeft men een fraai gezigt. Aan den anderen kant van de stad, op de wal, zag ik ook een fraaije danszaal, men noemt die plaatsTivoli.

Hopende op goed weder, bestelden wij rijtuig, om den volgenden dag te vertrekken; want de Postwagen naarChalonsreed ’s nachts, en hier hadden wij geen zin in. Verscheidene lieden van dit land zeiden mij, dat, als het hier eens begon te regenen, het doorgaans eenige dagen duurde; de reden hier van was, willen zij, dat de wolken tusschen de bergen bleven hangen; en in der daad, de toppen der bergen rondom de stad waren sedert een paar dagen door wolken bedekt.

Over onze herberg waren wij wel te vreden, enbetaalden £ 3–:–: aan de gemeene tafel, die vrij goed was, en £ 2–:–: voor een kamer met twee bedden. Op de reis hier na toe, hadden wij doorgaans ook £ 3–:–: voor het middag eten, en £ 3–10-: ook wel eens £ 3–:–: voor het avondeten en slapen betaald.

De inwoners vanDyon, hoewel de hoofdstad van het goede wijnland, hadden, dacht mij, over het algemeen, eerder een somber dan een vrolijk voorkomen. Zou de invloed van het bijgeloof hier niet veeläl de oorzaak van zijn? Men begroot het getal der ingezetenen op ruim 20,000. Kousenweverijen en fabrieken van een soort van kanten, speelkaarten en de wijnhandel zijn de voorname takken van hun bestaan; ’er zijn verscheidene leêrlooijerijen; men maakt ’er ook sommige wollesstoffen en confituren, en de mostaart vanDyon, die geheelFrankrijkdoor beroemd is, zoo als bij ons die vanZaandamofDoesburg, moet ik ook niet vergeten.

1De Regten van den Mensch, erkend den 30 September, het Eerste jaar der Vrijheid, 1789.2En Graaf vanHolland,ZeelandenVriesland.Martinetin zijnVeréénigd Nederland, zegt van hem: “Hij werd met geringen lof bekroond;” en verder van zijnzoon en opvolger sprekende: “Hij gaf den doodsteek aan ’s Lands Vrijheid door het invoeren van vaste soldaten, ’t geen ’s Volks oude dapperheid deed vervallen.”—O mijn Vriend! mogten onze Landgenoten toch de waarheid van dit gezegde duidelijk gevoelen!3La Metromanie, een van de beste Blijspelen van hetFranschetooneel, is van dezen schrijver.4CastorenPolluxis ’er de voornaamste van, en wordt gehouden voor eenclassiekstuk derFranschemuzijk van dien tijd.5Hier rustJan le Menestrier, in het zeventigstejaar zijn’s ouderdoms zette hij den voet in den stijgbeugel, om na den hemel te gaan.

1De Regten van den Mensch, erkend den 30 September, het Eerste jaar der Vrijheid, 1789.

2En Graaf vanHolland,ZeelandenVriesland.Martinetin zijnVeréénigd Nederland, zegt van hem: “Hij werd met geringen lof bekroond;” en verder van zijnzoon en opvolger sprekende: “Hij gaf den doodsteek aan ’s Lands Vrijheid door het invoeren van vaste soldaten, ’t geen ’s Volks oude dapperheid deed vervallen.”—O mijn Vriend! mogten onze Landgenoten toch de waarheid van dit gezegde duidelijk gevoelen!

3La Metromanie, een van de beste Blijspelen van hetFranschetooneel, is van dezen schrijver.

4CastorenPolluxis ’er de voornaamste van, en wordt gehouden voor eenclassiekstuk derFranschemuzijk van dien tijd.

5Hier rustJan le Menestrier, in het zeventigstejaar zijn’s ouderdoms zette hij den voet in den stijgbeugel, om na den hemel te gaan.


Back to IndexNext