Veertiende Brief.

Mais que j’aime la bienfaisance,De ce Cardinal adoré,Qui par son ame et sa naissance,A double titre est illustré.Grossi par les eaux des montagnes,Se debordant avec fureur,Le Tarn avoit dans ses campagnes,Detruit l’espoir du Laboureur,Tout perissait dans la misère,l’Air retintit de cris affreux.“Ah! dit le prelat généreux,Cest donc à moi qui suis leur père,A secourir ces malheureux.”Aussitôt sa main secourable,Verse à grand flots l’or sous ses pas,Et l’abondance favorable,Ranime tout en ces climats.Des qu’il parais sur ce rivage,Le peuple enivré de transports,Se jette en foule a son passage,Et fait répèter à ces bords:“Grand Dieu! dont son coeur est l’image.Repand sur lui tous tes trêsorsIl sait tropbien en faire usage.”Chacun pour lui forme ces voeux,Il partage cette allégresse,Et dans ces doux momens d’ivresse,Il est encore le plus heureux.Ah! sans doute la bienfaisance,Fut le premier Dieu des Mortels,Et ce fut la reconnaissance,Qui dressa les premiers autels.Veertiende Brief.Montpellier, 27 Augustus.Voor dat ik van mijne afreis vanNismesspreek, moet ik u nog iets van de oudheid en geschiedenis dier stad zeggen. Vermaarde schrijvers het denkbeeld, dat zij door de kinderen vanHerculeszou gebouwd, en wel 3400 jaren oud zijn, als een sprookje verwerpende, stellen, dat die stad haar’ oorsprong verschuldigd is aan dePhoceënsers, dieMarseillete klein vindende, zich hier, zoo wel als teOrange, teNissa, teAntibes, teTurin, en teTarragone, kwamen vestigen. De onderscheideneGriekscheopschriften, teNismesgevonden, schijnen dit te bevestigen; in de landtaal (Patois) heeft men ook verscheidene woorden, die van hetGriekschherkomstig schijnen, als mede deGriekschebenamingen van sommige plaatsen hier omstreeks. Zij bestond dan reeds 400 jaren voor de overwinningen vanFabius Maximusonder deGaulen, en werd toen aan het juk derRomeinenonderworpen. In de 5de eeuw, was zij gedurende zestig jaren, beurt om beurt de prooi derWandalenenGothen; in de 6de maakten deVisi-Gothen’er zich meester van, in de 8ste werd zij door deSaracenenverwoest,aan welkePepin le Bres1haar weder ontrukte, en ’er Ondergraven (Vicomtes) aanstelde, onder de Hertogen vanSeptimanie. Vervolgens namen de Ondergraven vanNismes, en de Graven vanToulouse’er bezit van, en na hun de Koningen vanArragon, die ze in 1258 aanLodewijkden IX. bijgenaamdden Heiligen(St. Louïs) afstonden. Na dien tijd heeft zij door Staats- en geloofsonlusten nog zeer veel geleden, en welke aanmerkelijke veranderingen heeft zij in onze dagen niet ondergaan! Van eene Koninklijke regering onder een Republikeinsch bestuur, en eindelijk onder eene Keizerlijke regering! Thans isNismesde hoofdplaats van het Departementdu Gard, het verblijf van de Prefect, en een Regtbank ter eersterinstantie.De menschen schijnen hier vlijtig, en in hunne levenswijze vrij eenvoudig te zijn, en men vindt’er verscheidene gegoede burgers. Behalve de fabrieken, waarvan ik reeds gesproken heb, heeft men ’er hier ook nog van wollen en andere stoffen, doch de tijdsomstandigheden zijn daar voor ook al niet gunstig.Den 24 dezer, ’s morgens vroeg opstaande, ging ik voor het laatst het Amphithéater en andere oudheden nog eens bekijken; op deEsplanaderaakte ik in gesprek met een’ burgerman, die liefhebberij voor kunsten en wetenschappen scheen te hebben, en mij van dit een en ander nog al wat wist te vertellen. Over het algemeen hebben de burgers hier nog al veel op met de oudheden van hunne stad, het geen ik met genoegen bespeurde. De twee torens die deGothenofVisi-Gothen, zich binnen de muren van het Amphithéater versterkende, daarin hadden, gebouwd, zijn ook in het begin van de omwenteling, op last van de Municipaliteit, afgebroken, en de steenen daarvan hebben gediend, om den tuin van het voormalige Kapucijner-Klooster, op deEsplanade, met een muur te omringen. De Kloosters afgeschaft zijnde, dient dit gebouw voor een bijzonder gebruik, ik meen voor een fabriek.Toen ik voor de Hoofdkerk stond, en die nog eens met aandacht bekeek, bood een boer, die waarschijnlijk bespeurde, dat ik een nieuwsgierige vreemdeling was, mij drie oude koperen munten aan, om te koopen; hij zeî, die niet lang geleden, omstreeks deze stad, naar den kant vanArles, in een boschje gravende, gevonden te hebben. Zij schenen van de eerste Christen tijden te zijn; ikkocht ze voor slechts 24 Fransche stuivers; want meêr vroeg de man niet, en ik raadde hem, om daar omstreeks verder te zoeken, alzoo ’er misschien nog oudheden van meêr belang verborgen waren.Jean Nicot, die, in 1559 Ambassadeur inPortugalzijnde, vervolgens de Tabaksplant van daar aan aanbragt, welke dan ook na hemNicotianagenaamt werd, is teNismesgeboren.—en dit vergat eenHollanderbijna aan eenHollanderte schrijven. Hij was Doktor in de Medicijnen, en heeft ook eene Fransche en LatijnscheDictionairegeschreven.’s Morgens om elf uren vertrokken wij met den postwagen, die vanAvignonnaarToulouserijdende hier door komt, totMontpellier, van waar ik u thans schrijve.De weg was goed, doch de stof verschrikkelijk, want de wegen zijn hier niet gestraat, maar met steengruis opgeworpen, en deze steen, die niet zeer hard is, door de raderen gemalen zijnde, veroorzaakt eene fijne en ligte stof. Reizigers, vanMarseillekomende, verhaalden ons, dat de AdmiraalFreville LatoucheteToulon, waar hij kommandeerde, overleden was; hij bevond zich reeds gevaarlijk ziek, toen wij ’er waren.—Dit is een groot verlies voor deFranschezeemagt.Het land schijnt hier omstreeks zeer bewoond; wij zagen verscheidene steedjes en dorpjes aan den weg, en van verre liggen. TeLunel, een steedje beroemd bij alle lekkerbekken om den keurigen muscaatwijn, die daar omstreeks groeit, en de muscadelle druiven, die men ook gedroogd in kistjes naaralle oorden verzendt, en die voor eene ongemeene lekkernij gehouden worden, was het juist jaarmarkt en daar door vrij druk; wij hielden ’er een kwartier stil, en hadden dus den tijd om eens rond te zien, en van den lekkeren wijn te proeven. Zij wordt in kleine flessen van licht groen glas, die verzegeld zijn, en waarop een briefje geplakt is, verkocht; wij betaalden voor zulk een fles 50sous. Met genoegen zag ik de boeren op de markt met elkanderen, bezig met het koopen en verkoopen van vee, bijzonder schapen, ezels en muilezels; het gaat daar bijna zoo al op dezelfde wijze toe, als op onze markten.Hier zijn ook vele Protestanten. In vroegere tijden was deze plaats meest door Joden bewoond, en de vermaarde RabbiSalomon Jarchihad hier zijn school. Behalve de stof is de weg niet onaangenaam, en tamelijk vlak; de voorname vruchten, die deze landstreek oplevert, schijnen olij en wijn te zijn. Ten 6½ uur kwamen wij teMontpellieraan; die stad op een hoogte gelegen, doet zich aangenaam op. Wij stapten af aan het Hotèldu Midi, digt bij den Schouwburg, en de voornaamste gemeene wandeling.NismesenMontpellieris 6½ post van elkanderen gelegen.Den 25 dezer, na de stad eens doorgeloopen te hebben, ging ik de gemeene wandeling, deEsplanadegenaamd, bezigtigen; zij is vrij groot; en met regte rijen boomen beplant, doch welke ’er niet wel schijnen te kunnen groeijen, want zij zien ’er dor en kwijnende uit; hoewel zij reeds 80 jarenoud zijn; want deze wandeling werd door den Hertogde Roquelaure, Kommandant van de Provincie, in 1724 aangelegd, geven zij nog maar weinig lommer, en men zou denken, dat zij ’er naauwelijks de helft van dien tijd gestaan hadden. Aan ieder eind van deze wandeling is een ronde vijver of kom met water, en in het midden staat een vrij hooge kolom, waarop een Vrijheidsbeeld van geelachtigen steen, dien men hier omstreeks vindt. De citadel, die aan den eenen kant van deze wandeling gelegen is, werd doorLodewijkden XIII. na de belegering van deze stad gebouwd, om de Protestanten in teugel te houden. Ik ging ’er in, doch zag niets bijzonders. ’Er staan uitgestrekte gebouwen, die voordezen voorcasernendienden. Op de wallen rondom, heeft men een schoon gezigt, tot in deMiddellandsche Zee; naar ik vernam, moest deze vesting eerstdaags gesloopt worden, de grond en afbraak is aan de stad afgestaan. Men was werkelijk bezig met de grachten te dempen. Inwendig isMontpellierook al niet fraai, de meeste straten zijn naauw, krom, en op en neder loopende. In de groote straat (grande rue), die nog al redelijk breed is, zijn de fraaiste winkels en Koffijhuizen: vooral in dat gedeelte van de stad, is het ook vrij levendig.La place du Peyrouis eene gemeene wandeling; aan de andere zijde van de stad (met betrekking tot deEsplanade) en op het hoogste gedeelte van den heuvel, waarop zij gebouwd is, gelegen; men komt ’er op door een fraaije poort of zegeboog, die met afbeeldingenen basreliefpronkt,welke keurig gewerkt zijn; een van dezelve verbeeldt den Godsdienst, te weten den Roomschen; die de ketterij, dat is het Protestantsch geloof, vernietigt; het opschrift dat ’er onderstond, heeft men ’er in het begin van de omwenteling uitgehouwen. Door deze poort ziet men op een’ zekeren afstand een sierlijk gebouw, het is een water-kasteel (Chateau d’eau) zeskant van gedaante; de buitenzijde pronkt met twaalf geribde pilaren van Corinthische orde, en van binnen staan ’er zes diergelijken, en in ’t midden van dezelve een fraaije ronde kom met water. Men klimt ’er langs verscheidene trappen naar toe, en heeft daar op eene soort van galerij, met een fraai steenen hekwerk en zitbanken omgeven, een allerverrukkendst gezigt. In het zuid-westen ziet men de keten derPyreneschegebergtens, ten noorden over een vrolijk landschap de bergen en rotsen van deCevennes, ten oosten ontdekt men deAlpenin een flaauw verschiet, en ten zuiden ziet men weder over een fraai en aangenaam geschakeerd landschap tot in deMiddellandsche Zee. Het water-kasteel is met fraai en toepasselijk beeldhouwwerk versierd, zoo alsGuirlandesvan netten met allerlei visschen enz. onder hetzelve liet men ons de bakken zien, waarin het water, door de trotsche waterleiding, waarvan ik u hier na spreken zal, gebragt wordt; onder voor dit water-kasteel, is nog een groote vijver, waarin het water uit de binnenste kom, door kleine watervallen loopt. In dezen vijver, waarvan het water zeer helder is, ziet menkarpers, bermen, en eenige goudvisschen. De plaatsdu Peyrou2zelve is rondom met een steenen leuning en zitbanken omringd, en in het midden stond voor de omwenteling een fraai metalen standbeeld, verbeeldendeLodewijkden XIV. te paard3. Sedert eenigen tijd heeft men aan beide zijde ook een rijAcacia-boomen geplant, dat wel noodig is; want het is anders zoo vlak en aan de zon blootgesteld, dat men ’er althans zomers niet anders dan ’s avonds, of ’s morgens zeer vroeg, wandelen kan; doch van deze plaats klimt men aan beide zijden af, en daar heeft men een aangename en lommerijke wandeling onder acacia, platanussen, en ijpeboomen, hoewel deze laatste hier ook niet wel aarden willen; doorgaans worden de bladeren al vroeg in den zomer rood, en van een soort van insecten doorknaagd; thans zagen zij ’er door den buitengewoonen regen nog al vrij wel uit; in het achterstegedeelte van deze wandeling, zijn twee vijvers met springende fonteinen, en hier gaat men door ruime bogen onder de waterleiding (aquaduc) door. De ingangen van deze wandeling zijn met fraaije ijzeren hekken versierd, kortom het geheel is zoo grootsch en prachtig, en voegt zoo weinig bij een stad alsMontpellier, waar men anders bijna niets van dien aard ziet, dat KeizerJosephusde II. hier door reizende, enla place du Peyrouziende, vroeg: ”Waar dat toch de stad was.”Aan de linkerzijde, als men de stad zal ingaan, ziet men boven de muren van dezelve een vrij hoogen en van boven platten toren uitsteken. Op dezelve zag ik eenige tamelijke groote pijnboomen; dit maakte geene onaardige vertooning. Van hier verder de muren buiten omwandelende, komt men uit aan deEsplanade, en klimt daar langs verscheidene trappen ter dezer plaatse op.Den 26 dezer wandelde ik ’s morgens om 5½ uur reeds naar buiten, om deAquaduc, waar ik u van gesproken heb, en die ik reeds van deplace du Peyroubewonderde, nader bij te beschouwen. Ik ging den grooten weg op, tot het begin van deze waterleiding, dat is een half uurtje van de stad; hier staat een steenen huisje, waarin de buizen, door welke het water van de bronSt. Clement, omtrent een uur van daar geleid wordt, uitkomen; dit huisje is geplaatst op een’ heuvel, de helling van denzelven volgende, heeft men eerst ter lengte van eenige passen een muurwerk zonder bogen; vervolgens lager afklimmende,komt men aan de kleine bogen, en daarna aan de groote; daar de kleinen boven opstaan; want dezeAquaducbestaat uit twee verdiepingen, in denzelfden smaak als de twee bovenste van dePont du Gard. Jammer is het, dat zij niet regt, maar met een elleboog gebouwd is4; tot dezen hoek of elleboog, naar de stad gaande, telde ik 59 kleine en 10 groote bogen, en van daar 123 kleine en 40 groote, dus in ’t geheel 182 kleine op 50 groote bogen of poorten, behalve de twee, die nog in de onderste wandeling van deplace du Peyroustaan. Volgens mijne afmeting is zij 970 treden lang, tot aan den muur van deplace du Peyrou. De bovenste of kleine bogen zijn ook aan de binnen zijde boogsgewijze gemaakt, zoodat men daar van deplace du Peyroulangs een trap bijklimmende5, ’er in ziet, als in een lange galerij, nimmer heb ik fraaijerperspectiefgezien, en nog ziet men maar tot den hoek of elleboog. Ik beschrijf dit wat omstandig, omdat vele schrijvers ’er geennaauwkeurig verslag van doen, en mij dunkt, dat het der moeite wel waardig was. Omtrent het midden van de afgeloopen eeuw, werd dit groote werk ondernomen; en eenPitot, in de water-werktuigkunde bekwaam, met de uitvoering daar van belast.De morgenstond schoon zijnde, wandelde ik weder naar de akkers terug; onder aan de bogen van deAquaductegen den zonkant, zag ik verscheidene hagedissen, die overal in het zuiden vanFrankrijkzeer algemeen zijn, doch nergens zag ik ’er meêr bij elkanderen dan hier; sommige zijn wel een span lang, doch zij doen hoegenaamd geen kwaad. De grond, hoewel van natuur schraal, levert, door de bewerking en bemesting, echter akkers, konstweiden, meestal van Lucerne-klaver, en moestuinen, op; deze laatsten moet men gedurig bevochtigen, en dat geschiedt op de volgende wijze: bij de meeste tuinen is een put gegraven, die eene vrij wijde opening op een heuveltje heeft; digt bij deze opening is een rosmolen, waarin een paard of muilezel loopt, en door de gewone werking van die molens, een redelijk breed rad in den mond van de putverticaalbeweegt. Aan dit rad hangt een soort van touwladder, waaraan verscheidene aarden potten of kruiken onder elkanderen geplaatst zijn6, dezeladder los om het rad hangende, gaat dezelve door de draaijing op en neder, zoo dat de onderste kruiken water scheppen, en de bovenste het uitstorten in een bak tegen de put geplaatst, uit welken bak het dan door een buis of buizen afloopt in den tuin, door groeven ten dien einde gemaakt, dezelve overal bevochtigende, en langs en op de bedden loopende. Deze wijze van begieten zou in deMeijerijvan denBosch, en andere hooge landen bij ons, ook zeer wel te pas komen, en scheen mij toe, de put gegraven zijnde, niet zeer kostbaar te zijn. De groentens in soorten stonden daar dan ook vrij frisch. Anders ziet men hier omstreeks weinig vrolijk groen; de vale olijfboom, de wijnstok en de moerbeziënboom, die in de lente, en het begin van den zomer schier bladerloos is, omdat het blad voor de zijwormen geplukt wordt, deze zijn het, die men in een groot deel vanProvenceenLanguedochet meeste aantreft, en men mag onze Vaderlandsche vlakke gronden eenzelvig noemen; zij hebben een veel weelderiger en aangenamer voorkomen, dan de landen, die men over het algemeen in het zuiden, en zelfs in het grootste deel vanFrankrijk, dat ik gezien heb, vindt. Wat is het bovendien aangenaam, dat men zoo vele goede en nuttige dieren, zoo vrij en vrolijk in de weide ziet omspringen en huppelen; hier zijn zij bijna altijd onder het juk of op de stallen, als in eene gevangenis opgesloten. Bij ons geeft een koe hare melk, en leeft althans zomers genoegzaamvolkomen in haren natuurstaat, zij ziet ’er gezond en vrolijk uit, terwijl hier het magere kwijnende koeitje, dat ’er doorgaans morsig uitziet, op den stal vermuft, of zelfs nog wel een kar moet trekken. Bij ons spant de landman ’s avonds zijn paard uit, en brengt het naar de weide; daar loopt het vrolijk heen, rolt zich in het lange gras en vergeet zijne moeite en arbeid; het heeft ook zoo wel als de mensch zijne rustdagen. In ons Vaderland gebruikt men de dieren, ten minste op het land, en vooral daar overvloedige weilanden zijn, om zoo te spreeken, als bedienden—hier zijn het ellendige slaven.—Ja, Vriend! wat men ’er ook van zeggen moge, ons Land is in alle opzigten een land waar Vrijheid en Welvaart wonen willen! en God geve, dat wij het toch eindelijk onder elkanderen hierin eens mogen worden, om met vereende kragten alles in het werk te stellen, tot handhaving van onze vrijheid en onafhankelijkheid, en alzoo tot bevordering van ons wezenlijk heil; want zonder vrijheid kunnen wij veel minder dan andere landen bestaan; zij is immers genoegzaam onafscheidelijk aan onze Vaderlandsche bodem verbonden? en wee ons! indien wij haar van daar, door schandelijke onverschilligheid en gebrek aan Vaderlandsche deugden, verjagen.Hier over peinzende, ging ik de stad weder in, want het begon reeds warm te worden; en vervolgens, na wat ontbeten te hebben, de Protestantsche Kerk (Temple de Protestants) zoo als men die inFrankrijknoemt, opzoeken: want het was zondag,en ik wist, dat hier vele inwoners tot dat Geloofsgenootschap behoorden. Deze Kerk staat in een der voorstedenle Faubourg de Lattesgenaamd, voorheen behoorde zij ook tot een Klooster; inwendig is dit gebouw zeer netjes opgemaakt, en ’er is een fraaije zaal voor den Kerkenraad. De tafel voor het Nachtmaal blijft altijd in de Kerk staan. Zij bestaat uit een’ marmeren blad, op twee, naar den antieken smaak, gewerkte schragen van gemarmerd hout. ’Er was geen orgel, doch men zong ’er redelijk wel, ten minste schreeuwde men ’er zoo vervaarlijk hard niet, als doorgaans bij ons. De Gemeente was vrij talrijk, en scheen met aandacht te luisteren naar een goed en eenvoudig zedelijk Vertoog, dat door den leeraar zonder veel omslag ofpedanterie, duidelijk werd uitgesproken, en dat niet langer dan een half uur duurde. De Diaken, welke aan de deur stond, en dien ik bij het uitgaan mijn aalmoes reikte, boog het hoofd, zeggende:Que Dieu vous le rende!Zoo hier als teNismes, zag ik verscheiden Roomschgezinden, (zoo het scheen; want zij maakten tusschen beiden een kruis) den Godsdienst van het begin tot het einde bijwonen.—Met hoe veel genoegen zag ik dit bewijs van broederlijke verdraagzaamheid. Voor aan de straat was men bezig, om deze Kerk met een fraai portaal van gehouwen steen te versieren; het was reeds aanmerkelijk gevorderd: op dezelve staat ook een torentje met een klok, en men luidt ’er eveneens als teNismes, bij het aangaan van dendienst7. Van hier ging ik de Hoofdkerk bezigtigen; zij is, zoo men wil, door PausUrbanusden V., die in 1370 gestorven is, gebouwd. Het portaal bestaat uit twee torens met een gewelf ’er tusschen, en gelijkt eerder naar den ingang van een vesting- of ridderslot, dan naar dien van een Kerk, Boven het koor staat nog een fraaije en hooge toren. Inwendig is zij ruim, vrij licht, en naar het schijnt onlangs opgemaakt. Het merkwaardigste, dat men hier ziet, is het groote en vermaarde schilderij vanBourdon, in deze stad geboren. Dit schoone stuk is aan het eind van het koor geplaatst, en verbeeldtSimonden Toovenaar, zijne kunsten voor KeizerNero, in tegenwoordigheid vanPetrusenPaulus, doende. Hij wordt door de duivelen, want die moeten toch altijd in het spel komen bij soortgelijke dingen, in de lucht opgeheven, enz. De hoofden vanSt. PieterenSt. Paulus, worden bijzonder in dit stuk bewonderd.Bourdonheeft ’er ook zijn eigen afbeelding (portrait) in gemaakt, en is te erkennen daar aan, dat hij naar de aanschouwers gekeerd is, en ook eenigzins eenmodernervoorkomen heeft8. Het stuk kwam mij voorwat hoog geplaatst te zijn, doch heeft een goed licht. Aan beide zijden van hetzelve ziet men twee andere groote schilderijen; verbeeldende insgelijks geschiedenissen tot die vanSt. PieterenSt. Paulusbehoorende; wantSt. Pieteris de patroon van deze Kerk; deze stukken schenen mij ook wel bezienswaardig te zijn; doch wie ’er de meester van was, wist men mij niet te zeggen. Van de Kerk sprekende, moet ik u eene afschuwelijke gebeurtenis verhalen, die hier in vroegere eeuwen plaats gehad heeft. Een der Bisschoppen vanMaquelone, voorheen eene aanzienlijke, doch thans vervallen stad, niet ver vanMontpellier, willende omtrent het jaar 1250, zijne onderhoorige Geestelijken, die vrij zedeloos en losbandig waren, tot het betrachten van hun’ pligt terug brengen; besloten deze monsters om zich van zulk een’ strengen zedemeester te ontdoen, en vergiftigden ten dien einde dehostie, die hij moest gebruiken om te communiçeren; zij bereikten maar al te wel hun oogmerk, want de redelijke Bisschop overleed wel dra aan de gevolgen van het vergift. Hoe gruwelijk deze moord op zich zelven ook reeds zijn moge, in het oog van Roomschgezinden vooral moet zij allerafgrijsselijkst wezen.’s Avonds ging ik in den Schouwburg; het is eenvrij gnap gebouw, digt bij deEsplanade; voor hetzelve is een fraaije fontein met een groep, verbeeldende de drie bevalligheden, van wit marmer. Inwendig stond mij de zaal ook wel aan. Men gaf ’er eenBalletenles Miletiens,Opera,à grand spectacle. De dekoratien waren vrij wel, doch de rest beteekende niet veel. Het zingen bijzonder was nog minder als redelijk, en ik, die buiten dien geen groot liefhebber van Opera’s, en vooral niet van Balletten ben, liep ’er al schielijk uit, en ging liever op deEsplanadewandelen, waar het in den maneschijn allerliefst was.Heden den 27 stond ik weder vroeg op, want ik herhaal het, men moet, in deze warme landen, vooral van den morgenstond gebruik maken, en ging eene wandeling buiten de stad doen. Het eerste dat mijne aandacht trok was een wol-bleekerij; de wol gewasschen zijnde werd op het veld uitgespreid, en met netten overspannen, om het verwaaien te beletten. Hier omstreeks heeft men ook eenige wasch-bleekerijen. Immers leverde dit ook in ons land een aanzienelijken tak van bestaan op; doch zal zekerlijk door de ongelukkige tijdsomstandigheden ook al veel verminderd zijn. Verder voortwandelende, zag ik nog meêr wol wasschen in een riviertje dat men hierle Leznoemt, de velden langs, en bij dit riviertje gelegen, waarop men de wol droogt, worden in hetPatois,lous Pras de la Lana9genaamd. Naar ik vernam, is deze wijzevan de wol te zuiveren, hier reeds van ouds een voornaam bedrijf, en levert een’ aanzienlijken handel op; men maakt hier ook wollen dekens. De wandelingen beteekenen niet veel. Hier en daar op de hoogtens heeft men wel fraaije gezigten, en treft nu en dan nog al fraaije tuinen en buitenplaatsen aan; maar het lommer, dat lieve lommer, ontbreekt genoegzaam overal. Getroost u dan, Vriend! veroorloven uwe beroepsbezigheden u niet, om buiten ’s lands te reizen, gij woont in het midden van de aangenaamste wandelingen, en ik verzeker u, dat ik nog nergens zulk eene aangename en bevallige verscheidenheid daarvan aangetroffen heb, als men rondomHaarlemvindt.Balsamiqueenaromatiquekruiden en planten groeijen hier omstreeks veel, en worden door de reukwerk-bereiders (parfumeurs) ter dezer plaats woonachtig, wier waren, zoo als gij weet, ook onder ons beroemd zijn, in eene groote hoeveelheid gebruikt. Bij het inkomen van de stad bood mij een aardig meisje lekkere muskadelle druiven, voor den geringen prijs van driesolshet pond, te koop aan; zij had ’er versche broodjes bij; ik kocht van het een en ander, en zette mij op een’ bank, die niet ver van hier stond, neder, daar ik het voor mijn ontbijt met smaak opknapte; want in dit opzigt val ik in ’t geheel niet verlegen. Dat de mist hier niet overvloedig zijn moet, blijkt; want niet alleen paarden-, maar allerlei soort van straatmist wordt hier langs de straten en wegen, zoodra het ’er maar nedergeworpen is, opgeraapt, en op ezels geladen; eens zelfs zag ik twee jongens elkanderen bijna inhet haar zitten, om een hoopje paardenmist. Deze mist dient dan ook voor den land- en tuinbouw, en niet zoo als bij ons, om aan vreemden te verkoopen.—Hier aan kan ik toch nooit denken, zonder mij te ergeren.Door een’ aanbevelingsbrief aan iemand, die naverwant was aan den ProfessorBroussonet, hadden wij bijzondere gelegenheid, om de zoo vermaarde Faculteit der Geneeskunde alhier te zien. Het gebouw, dat menl’Universiténoemt, is digt bij de hoofd- ofSt. Pieterskerk. De HeerBroussonet,Professeur de Clinique interne, ontving ons zeer vriendelijk, doch daar hij het drok had, moetende dadelijk bij eenexamentegenwoordig zijn, gaf hij order, om ons al het merkwaardige te laten zien. Hij kwam mij voor tusschen de 35 en 40 jaren oud te zijn. Wij begonnen met hetAmphithéatervoor de ontleedkunde, dat een schoon gebouw is, met een koepel, waarin een lantaarn, waardoor het licht valt; de zitbanken zijn, zoo als gewoonlijk, trapsgewijze en in de rondte geplaatst, en men zeide, dat dit Amphithéater 2000 menschen bevatte. Ik zag ’er ook het borstbeeld van den bekenden ChimistChaptal, zoo ik meen, Oom van den voormaligen Minister van binnenlandsche zaken teParijs, en schrijver van een werk genaamd,Elémens de Chimie. Vervolgens zagen wij de boekerij, die men zegt, dat in het vak der geneeskunde al zeer volledig is. Men toonde ons verscheidene fraaije en kostbare werken, met afgezette platen, enz. Deverzameling van geraamtens,dissecaties,injecties, enz. vond ik niet zoo aanmerkelijk, als ik wel verwacht had; en de ontleedkundige afbeeldingen in wasch, die ik hier gezien heb, kwamen mij veel minder voor dan die, welke men in het Kabinet vanBertrandteParijsziet. Dit verwonderde mij omtrent de vermaardste geneeskundige Faculteit van geheelFrankrijk. Men was reeds bezig met het examen in een ruime zaal, waar wij ook onder de toehoorders, welker getal echter niet zeer aanmerkelijk was, plaats namen. De Candidaat, die wel 25 Jaren oud scheen, deed een vertoog (Dissertatie) in deFranschetaal, staande in een gestoelte; achter hem op een zeer verheven plaats zat een van de Professoren, en ter zijde, aan de linkerhand van den spreker, vier anderen, waar onder de HeerBroussonet, van wien ik reeds sprak, en eenMejon, die een vermaard Operateur en Oculist moet zijn; de namen van de anderen heb ik vergeten. Deze Heeren Professoren hadden roode satijnen wijdetoga’saan, met boorden van wit bont, en roode mutsen op met een zwart en goud boord. Het examen ging niet gemakkelijk, zoodat de arme Candidaat het al vrij benaauwd kreeg. Ik bleef niet tot het einde, maar vernam naderhand, dat hij nog niet was aangenomen, en verpligt, zich aan een nader onderzoek te onderwerpen. In hoe verre het spreekwoord: ”een nieuwe Arts een nieuw Kerkhof,” gegrond is, zullen wij hier niet onderzoeken; doch zoo ’er al Doctors wezen moeten, doetmen echter wel, van te zorgen, dat ieder zoo maar op zijn eigen houtje niet doctoren kan. Het merkwaardigste dat men in deze zaal ziet, is een metalen hoofd, levensgroot, verbeeldende dat vanHippocrates; het scheen mij, wat de teekening aangaat, keurig uitgevoerd. Men wil, dat het vele jaren geleden in of omAthenegevonden is, en van daar naarRomevervoerd werd, waar het, tot de Pauselijke oudheden en kunststukken behoorende, door deFranschengevonden en genomen, en eindelijk aan deze Universiteit gegeven is. Ik had het reeds, voor dat het examen begonnen was, van nabij bezien en bewonderd. Volgens sommige geschiedschrijvers, zou de geneeskundige Faculteit vanMontpellier, reeds in 1220 zijn opgerigt; en men meent dat deSaracenenen Joden, die een groot deel vanMontpellieruitmaakten, ’er de geneeskunde, die toen meerder vorderingen onder hun dan onder andere volkeren gemaakt had, bragten. De vermaardeRabelais10alhier in de geneeskunde gestudeerd hebbende, werd volgens oud gebruik, met een tabbaart bekleed, die men vervolgens deTabbaard van Rabelaisnoemde, en waarmede men na dien tijd alle de nieuw aangenomen Doctoren bekleedde. Deze tabbaard was bij de Studenten in groote achting, zoo dat ieder doorgaans trachtte, om ’er een stukje tot een aandenken aftescheuren, en hier door, en door den tijd, was dit kleed eindelijkniet meêr bruikbaar, doch, zoo als het doorgaans met diergelijke dingen gaat, het werd meêr dan eens vernieuwd, en het laatste ging zoo wel voor een achtingwaardige oudheid door als het eerste. De geneeskundige Faculteit vanMontpellieris nog beroemd, en vele vreemdelingen, en in vredestijd, bijzonderEngelschen, die hier om hun Guinjes dan ook zeer geacht zijn, komen dezelve raadplegen.—’Er was ook eens een tijd, dat onze Hooge Scholen zeer beroemd waren; vreemdelingen uit alle oorden vloeiden ’er toen in menigte naar toe,—en de naam, vanBoerhaaveklonk met roem de wereld door.—Helaas! waarop kunnen wij thans onzen hoogsten roem dragen?—misschien op ons taai geduld.De kruidtuin, die ter zijde van deplace du Peyrouligt, kwam mij niet zeer ongemeen voor, doch ik beken gaarne, dat mijneBotanischekundigheden zeer bepaald zijn. Men toonde hier eene plaats, waarin men langs eenige trappen afklimt, en alwaar de, door zijn sombere Nachten, zoo bekendeYoungzijne dochter zou begraven hebben; deze plaats is onder een boog of gewelf, en wordtle Tombeau de la fille deYoung11genaamd; doch men ziet ’er niets, dat een grafstede aanduidt. Gij weet, datYoungmet een ziekelijke dochter van zijne vrouw, teMontpellierkwam, om ’er hare gezondheid te herstellen, doch dat dezelve daar overleed; dit gebeurde omtrent 1741. En die zwaarmoedige,en, toen in der daad zeer ongelukkige man, verloor in drie maanden tijds zijne vrouw en hare twee dochters; en deze slag trof hem in den ouderdom van zestig jaren. Tot het Protestantsche geloofsgenootschap behoorende, waar onderYoungzelfs Predikant was, mogt die dochter niet op de gewone wijze, en in zoogenaamde gewijde aarde begraven worden; hij droeg het ligchaam dan zelf bij nacht hier henen, en begroef het met behulp van een tuinmans knecht, die hem door een klein deurtje ter sluip had ingelaten. Eenigen tijd voor de omwenteling vondt men hier, de aarde roerende, dan ook nog eenige beenderen. De te regt vermaarde TooneelspelerTalma, en MadamePetit, beide tot het eerste Tooneel vanParijsen vanFrankrijkbehoorende, bevonden zich hier weinige jaren geleden, en stelden edelmoediglijk eene inschrijving voor, denzelven te gelijker tijd beginnende, om een eenvoudig gedenkteeken op het graf vanNarcissaopterichten, ten einde daar door de schandelijke onregtvaardigheid van het bijgeloof eenigzins te vergoeden, en de gedachtenis van een voornaam dichter te vereeren12. Tot nog toe echter is dit ontwerp niet uitgevoerd. Had het een beeld of altaar in een Kerk betroffen, waarschijnlijk zou het ’er al gestaan hebben.Men was nog drok bezig met bouwen in den kruidtuin (jardin des plantes) aan eene nieuwe kas voor vreemde planten; ook werd ’er, naar ik vernam, van wegens het Gouvernement, ter zijde van dezen tuin, een huis gebouwd voor den vermaarden Professor in de BotanieBroussonet, broeder van dien waarvan ik reeds gesproken heb13. Rondom den tuin is een gemeene wandeling, die nog al aangenaam en zeer lommerrijk is, door de onderscheidene soorten van boomen, die ’er staan. De goedeHendrikden IV. was de stichter van dezen tuin; hij bestond meêr dan 25 jaren voor dien vanParijs, en was de eerste van dien aard, welke inFrankrijkaangelegd is.De stad doorgaande, bragt onze vriend ons in een paar winkels van zuikergoed (dragées) en reukwerken, want wie zou hier verzuimen, om die te bezoeken. Voor het eerste isMontagu, en voor het tweedeRibande voornaamste; men behoeft hier anders na de reukwerkers-winkels niet te vragen, want daar zijn ’er verscheiden, en men wordt ze door de straten gaande, aan den aangenamen reuk gemakkelijk gewaar.Ik heb reeds rijtuig gehuurd, om morgen een reisje in deCevennes, waar men mij veel van verteld heeft, te doen, verwacht hier over dan het een en ander bij mijne terugkomst.1Pepin le Breswas de Vader vanCarolus Magnus, en de eersteFranscheKoning, die zich deed kroonen en zalven met Kerkelijke plegtigheden; dit geschiedde door een legaat van PausZachariasden I., welke Paus hem behulpzaam was, niettegenstaandeChildericde III. door zijn toedoen onttroond, geschoren en in een Klooster was opgesloten, en de Zoon en opvolger van dien Vorst in een ander. De Pausen sprongen ’er toen ook maar vrij luchtig met de zalvingen om. Eenigen tijd, na dat Pepin Koning was, verzocht hij van PausStevenden II. vergeving der misdaad, die hij tegen zijn wettigen Koning, zoo als hij hem zelven noemde, begaan had.2Het woordPeyroubeteekent in hetPatoisvanLanguedocsteenachtig, omdat de grond zeer steenig is. In de eerste tijden van deze stad schijnt dit een marktplaats geweest te zijn; want men vindt in eene acte van het jaar 1156, doord’Aigrefeuille, Geschiedschrijver vanMontpellier, aangehaald:Forum seu mercatum Montispessulana del Peyrou.3Het was door een’ beeldhouwer vanTroyes, genaamdJoly, naar men mij verzekerde, teParijsgegooten, en woeg 45,000 ponden; in 1717 deden die vanMontpellierhet hier oprichten.4Naar men mij verzekerde, is zij niet regt gebouwd om de gronden en landgoederen van eenige voorname personen te vermijden. Welk eene schandelijke inschikkelijkheid bij zulk een werk! want de waterleiding is geen bloot sieraad, maar dient vooral, om het water in verscheidene fonteinen in de stad, en ten algemeene nutte dienende, te brengen.5De oppasser van dit gebouw laat dit en de waterbakken onder hetChateau d’eau, voor een fooitje zien.6Aan die, welke ik hier zag, waren ’er naar gissing, 60 of 70; naar mate de put meêr of min diep is, moet dit getal vermeerderd of verminderd worden.7Het bovenste gedeelte van dit torentje, waarin de klok hangt, bestaat uit eene soort van ijzeren korf. Ik had u nog vergeten te zeggen, dat men diergelijk soort van torens op verscheidene plaatsen inProvenceenLanguedocaantreft; in sommigen ziet men poppen, die op de klok slaan.8Sebastiaan Bourdonwerd in 1616 geboren, en gehoorde tot het Protestantsche Kerkgenootschap; hij iseenigen tijd eerste schilder van de KoninginChristinavanZwedengeweest, en wordt voor een der voornaamste schilders vanFrankrijkgehouden; behalve verscheidene schilderijen, bestaan ’er van hem ook nog teekeningen en geëtst werk. Hij stierf teParijsin 1671.9De wol-velden.10Een van de geestigste schrijvers van de 16de eeuw.11Het graf van de Dochter vanYoung.12Youngheeft ook voor het tooneel gewerkt, en twee Treurspelen van hem, namelijkBusirisende Wraakzijn in het Fransch overgezet.13Hij is ook door zijne kruidkundige werken bekend.Vijftiende Brief.Montpellier, 30 Augustus.’s Morgens om 5 uren vertrokken wij met een koets met twee paarden, om ’er drie dagen gebruik van te maken. Het steedje of dorpSt. Gilles, waar wij doorkwamen, levert niets merkwaardigs op. De weg is vrij goed doch bergachtig, en de landstreek dor en steenachtig. Hier en daar ziet men echter nog eenig bouwland en wijngaarden. Op zijde van den weg bespeurde ik op een heuveltje, een soort van kleine tafeltjes, die gemaakt waren door twee of drie steenen, die men op een gelegd had. Daar stonden ’er zoo verscheidene; en zij dienden, naar ik vernam, om de schapen zout op te laten lekken, Omstreeks ten tien uren kwamen wij teSt. Martin de Londres, een naar vervallen stadje; en ik weet niet waarom het ook den naam van de hoofdstad vanEngelanddraagt. De herberg scheen pas opgemaakt, en zag ’er binnen en buiten gnapjes uit, en daar het zeer warm was, besloten wij op verzoek van onzen voerman, om hier wat te vertoeven en het middagmaal te houden. Terwijl men het gereed maakte, ging ik, niets beters te doen hebbende, het plaatsje eens rond. De ingezetenen schenen ijverige lieden, veelal zijden-kousenwevers; dochmet dat al zag het ’er armoedig uit, vooral ook de Kerk, die men, wijl ik geloof dat men geen middelen heeft, om ze te herstellen, wel zou doen om aftebreken, ter voorkoming van ongelukken. Het akkerland, dat hier nog bij lag, zag ’er ook dor en schraal uit. Geen lommer vindende, was ik ras genoodzaakt, om mijne wandeling te staken, en zette mij bij de fontein, die voor de herberg staat, in de schaduw van een’ moerbeziënboom neder; waarschijnlijk is dit de eenige bron, die men hier omstreeks vindt; want ik zat ’er niet lang, of een menigte vee van alle kanten kwam ’er drinken; en jongens en meisjes, mans en vrouwen, hunne kruiken met water vullen; dit scheen voor die arme menschen tevens eene uitspanning te zijn. Men verleende ’er elkanderen een praatje, en vooral de jonge lieden schenen hier hun te zamenkomst (rendez vous) te hebben. Een meisje onder anderen, dat al een poosje onrustig had staan wachten; en al de overigen liet voorgaan aan de fontein, hoewel zij een van de eersten was; zag ik op eenmaal eene vrolijke houding aannemen, toen zij een’ gnappe boeren jongen, met een paar muilezels zag aankomen; nu werd de kruik spoedig gevuld, en men keerde te zamen weder terug. Toen ik mij met deze eenvoudige landlijke tooneelen vermaakte, kwam een lief wichtje, dat nog maar naauwelijks loopen kon, mij streelen, en trachtte op mijn knie te klauteren, terwijl de moeder bezig was, om aan de fontein koren te wasschen; zijn broêrtje, dat wat ouderscheen, kwam ’er bij, en stamelde mij zijnPatoisvoor. Die kindertjes zagen ’er gezond en zuiver uit. Hunne gansche kleeding bestond in een hemdje, en het onschuldig genoegen was op hun gelaat te lezen; ook kwamen zij in ’t geheel niet, om te bedelen; maar alleen, zoo het scheen, uit een gullen en eenvoudigen trek; terwijl ik, als een ongewoon voorwerp, hunne nieuwsgierigheid eenigzins gaande maakte. Zij hielden mij een poos aangenaam bezig; ik maakte ook zoo goed ik kon een praatje met de moeder, die mij eene goede vrouw scheen te zijn; en hoe onbevallig anders het plaatsje ook was, de tijd viel ’er mij niet lang. Het eten was voor den prijs vrij wel, en om één uur vervolgden wij onzen weg, die altijd door een’ dorren berg en rotsachtige landstreek loopt, tot op eene hoogte een kwartier vanSt. Bausille; hier begint de bevallige natuur de nieuwsgierige reizigers voor hunne moeite te beloonen.—Men ziet eene heerlijke schilderij in het dal, waarin dat steedje ligt voor zich, welke door de schielijke verandering des te aangenamer treft.St. Bausilleheeft weinig aanzien, doch armoedig zag het ’er niet uit, en de meeste menschen zaten aan de deur zijde te haspelen of op strengen te winden. De boorden van het riviertjel’ Héraultlangs rijdende, kwamen wij omstreeks vijf uren teGanges; men rekent deze plaats omtrent acht uren gaans vanMontpellier, en daar men schier aanhoudend op en afklimt, kan men doorgaans ook al niet anders dan stapvoets rijden.Wij traden hier af aan deherberg het witte kruis (la Croix Blanche), en gingen het stadje bezigtigen, dat mij wel beviel, zijnde ruim en vrolijk gebouwd; de huizen zien ’er wel onderhouden uit, en men kan duidelijk zien dat hier ijver en goede orde heerschen; ’er is ook eencoursof gemeene wandeling, en nog een regte breede straat aan beide zijden met boomen beplant. Pracht of grootheid bespeurt men ’er niet; alles heeft een eenvoudig, doch net en bevallig voorkomen.—Dit kon men misschien ook eens van ons Vaderland zeggen, en toen ging het ons wel.—In de Roomsche Kerk ziet men zoo weinig opschik, dat, indien ’er geen altaar stond, men zou meenen in eene Protestantsche Kerk te zijn; tot welk Kerkgenootschap het grootste gedeelte der ingezetenen dan ook behoorde. Ik ging hunne Kerk zien, die voor de omwenteling aan een Klooster toekwam. De Predikantsvrouw, die ik hier sprak, en die zeer vriendelijk was, verhaalde mij, dat deze Kerk veel te klein zijnde voor de gemeente, men reeds een ontwerp gemaakt had, om die te vergrooten; de grond, die ’er bij behoorde was groot genoeg, en ik merkte wel, dat het aan geen geldmiddelen zal haperen; ook zijn hier onder de Protestanten verscheiden bemiddelde lieden.Den 29 ’s morgens om 6 uren reden wij naarle Vigan, een ander stadje in deze landstreek; men volgt de boorden vanl’Hérault, die tusschen twee ketens bergen al ruischende doorstroomt;—grootsche gezigten of ontzaggelijke vertooningen levertde natuur hier niet op; alles is lief en bekoorlijk, en om zoo te spreken, meêr onder het bereik van den mensch. De bergen zijn groen; hier en daar ziet men een woning, overal treft men castanje-, moerbeziën en andere boomen; de Natuur had hier haar lentegewaad nog aan, en het groen zag ’er zoo jeugdig uit, als bij ons in de maand Mei. Een half uur vanGanges, aan den anderen kant van het riviertje, ligt het buitengoed van den HeerMejan; eer men daar komt, ziet men aan dien zelfden kant, tusschen twee rotsen, in een ander riviertje, dat zich hier metl’Héraultvereenigt, over een dam van steenen, die ’er inligt, een kleinen waterval rollen. Onze waardin had ons geraden, om, hoewel wij den HeerMejanniet kenden, of geen brieven aan hem hadden, hem evenwel vrijelijk een bezoek op dit zijn buitengoed te gaan geven, met verzekering, dat wij ’er wel zouden ontvangen worden, en wel te vreden zijn over de ligging van dat verblijf. Wij gingen ’er dan ook heen. Over den berg, waarop het gelegen is, kan men met het rijtuig door het riviertje rijden, en van daar klommen wij te voet op de hoogte, langs een kronkelpaadje, aan beide zijden met moerbeziën en andere boomen beplant, welke door kleine beekjes aanhoudend besproeid worden, en daar door een verwonderlijk frisch en tierig aanzien hebben; de uitwaseming van duizende geurige planten en bloemen, die hier in het wild groeijen, overtreft al, wat de reukwerk-kramers vanMontpellierin hunne winkels hebben. Aan den ingang van eene lommerrijke laan, die naar het huisgeleidde, zagen wij een kloek man aankomen, met een buisje en lange broek aan, een ronde witten hoed op, en een wandelstok in de hand—het was de HeerMejanzelf, voornemens zijnde, om zijne arbeiders te gaan bezoeken; ik gaf hem ons voornemen te kennen, en hij ontving ons op de gulste en vriendelijkste wijze; en hoe zeer wij hem verzochten, om zich om onzenwille niet op te houden, hij wilde ons zelf in zijne tuinen en verrukkelijke boschjes rond leiden. Achter ons aan het eind van de laan, die zich als een groen gewelf vertoonde, en regt over den ingang van het huis is een fraaije waterval, die door een bron, die hooger op de rots ontspringt, altijd van water voorzien wordt, en dus onophoudelijk loopt. Toen wij ons weder omkeerden, had men intusschen een kraan geopend, waardoor wij, door het huis heen, aan den anderen kant van hetzelve een schoonen watersprong tegen de zon zagen, terwijl de rotsen aan den anderen kant van het riviertje, waar men den straal water tegen zag, nog niet door de zonnestralen verlicht waren; dit deed eene fraaije uitwerking. Eer wij verder gingen, gaf de gastvrijeMejanaan zijn’ knecht last, om een paar flessen wijn in een koele bron te zetten, en wat vruchten enz. in gereedheid te houden, zeggende tegen ons: “Gijlieden hebt zekerlijk nog niet ontbeten, als wij terugkomen, willen wij te zamen een stuk eten.” Zulk eene hartelijke wijze van aanbieden, duldde geen weigering; daar bij boezemde hier alles eene soort van vrijpostigheid in, die men nimmer in lusthovenof paleizen der gewone rijken, of bij de meesten zoogenaamde grooten gevoelt. Alles geschiedt daar, vooral wanneer zij met lieden te doen hebben, die zij niet kennen, met eene stijve wellevendheid; gebrek aan gulheid en vertrouwen straalt overal in door; alles is kunst, niets natuur.—Neen! met hun kan hij, die vrij en voor de vuist is, niet te regt; en hoe zeer onbeschoftheid zeer onaardig is, ik heb nog liever met een’ grooten lompert te doen, dan met sommige lieden, die uitermate vriendelijk en wellevend zijn; want die soort van vriendelijke wellevendheid, die wij hier aantroffen, vindt men juist niet zeer algemeen, en vooral niet in de groote steden vanFrankrijk, anderzins om de beleefdheid en welvoeglijkheid zoo beroemd; en daar de vriendschapsbetuigingen, uitdrukkingen van deelneming, van medelijden, of vreugde, van dienstaanbieding en diergelijk, even eens geleerd worden als het A. B. C., waar eene wel opgevoede Dame zich te gelijker tijd bezig houdt met de klagten van eenen ongelukkigen aan te hooren, daar over tranen te storten, en eene kleeding voor het naaste bal aan hare modekraamster te bestellen, of een’ brief van rouwbeklag over het afsterven van eene harer beste vriendinnen te schrijven, en onderwijl ook de aankondiging van eene nieuwe Opera te lezen;—doch keeren wij tot de beschrijving van dien bekoorlijken lusthof weder terug.—Overal treft men hier eene verscheidenheid van schilderachtige gelegenheden aan, en zonder juist zeersentimenteelofromaneskte zijn, is men verrukt en opgetogen bij het beschouwen van dezelve. De kunst heeft hier en daar wel wat geholpen, doch op zulk eene behoedzame wijze, dat alles genoegzaam natuur schijnt. Aan de linkerhand, eer men aan het huis komt, bewondert men een hol of nis in de rots, uit welkers bovenste gedeelte het water loodregt valt. Van boven, is deze nis bedekt door struiken van palm en klimop, die met bevalligeGuirlandeslangs dezelve afhangen: uit den tuin ofterrasachter het huis heeft men een allerliefst gezigt op de omliggende bergen en rotsen; op het riviertje en den weg langs hetzelve, en men klimt langs een eng voetpadje, aangenaam belommerd, of met bloeijende struiken, zoo als dealthéaenz. ter zijde beplant, naar een aardig tuinhuisje, van buiten als een boerenhutje gemaakt; in ’t voorbijgaan ziet men een bergje, waarin eenige tamme konijnen hun verblijf houden. Vervolgens kruipt men door spleten van de rots, of men gaat door enge gangen, en over een brugje, waar van de leuningen aardig met wilde wijngaardranken door de natuur omwonden zijn, tot aan een Kluizenaarsverblijf. Van daar voortwandelende, komt men in een grot, alleen door een spleet, die in de rots is, verlicht, en welke, dunkt mij, een allergeschiktste rustplaats is voor teedere, zwaarmoedige, voor verliefde zuchtjes of gevoelvolle romançes. Dan treft men weder een kleinen vijver met helder water, waarin karpers en andere visschen, aan. Dit alles ligt tegen de helling van den berg, en deHeerMejanverhaalde mij, dat hij in een beek aan de voet van denzelven, een menigte kreeftjes had van de soort, die hij vanVauclusehad laten komen, en in het riviertjel’Héraultvindt men zeer goede forellen. Het wild is hier ook niet schaars; olij en wijn groeit ’er in overvloed. De moestuin en vruchtboomgaard scheen wel voorzien, en de weiden, op en tusschen de bergen, voeden talrijke kudden, zoo dat het hier ook in dat opzigt zeer wel te houden is. De bronnen, die men hier op de bergen heeft, brengen het meest toe tot deze vruchtbaarheid. Uit dezelve loopt eene menigte beekjes, aan alle kanten, langs dezelve af, en bevochtigen de aarde, die op de steenrotsen ligt, zoo dat men zich geen vrolijker en levendiger wasdom kan voorstellen.—Alles boezemt hier als ’t ware genoegen en stille te vredenheid in,—alles lagcht en juicht u tegen;—en nog haperde ’er in dit jaargetij iets aan dat jeugdig en vrolijk gelaat der natuur. De vogelen zongen niet meêr. De HeerMejanzeî mij, dat tegen den tijd, dat de natuur hier uit haar’ slaap ontwaakt, welke slaap in dit bergachtige land vrij lang duurt, het dan bijzonder levendig en vrolijk is door de groote menigte van zoovelerlei soort van vogelen, welke zich hier ophouden. Nu gingen wij ook de bronnen zelve op het bovenste gedeelte van den berg zien; het water van een derzelve was genoegzaam ijskoud, en naar men mij verzekerde van eene uitmuntende hoedanigheid; zoo dat, als men, wat meêr dan gewoonlijk gegeten hebbende, hier van een glas gebruikte,men duidelijk bespeurde, dat de spijsvertering daar door bevorderd werd. In een aangenamen koepel, aan beide zijden met ramen, en welke het voornaamste vertrek van deze, alleen voor het gerijf geschikte, woning uitmaakt, stond een ontbijt, meestal uit smakelijke vruchten, zoo als persiken, peren, druiven, en vooral ook vijgen, die ik nimmer lekkerder gegeten heb, benevens brood en wijn bestaande. Wij deden ons hier aan dan ook ter deeg te goed, want de gulhartigeMejanwas niet te vreden dat wij slechts proefden, wij moesten eten, ter deeg eten. Hij verhaalde ons, dat hij vooral met een zijden kousen-fabriek, die hij teGangeshad, een aanzienlijk vermogen had gewonnen, doch al eenige jaren geleden den handel had vaarwel gezegd, en aan zijne kinderen overgelaten; dat hij sedert altijd buiten woonde, en zich alleen met den landbouw, en het bestuur van zijne landgoederen, die zeer uitgestrekt zijn, bezig hield; dat hij dit aangenaam verblijf, dat bij zijne Hermitage noemde, zelve had aangelegd, en voor een groot deel beplant; zijnde verpligt geweest, om hier en daar eene aanmerkelijke hoeveelheid aarde op de rots te laten brengen. Hij zei, dat hij veel van deHollandershield; nu, hij gaf ons daar ook een blijk van, en om de maat van zijne vriendelijkheid vol te meten, noodigde hij ons, om ’s avonds in het terug komen, andermaal eenige ververschingen bij hem te nemen, en om onze landgenooten en andere reizigers, die deze streek mogten komen zien, te verzoeken,van hem niet voorbij te gaan. Hoe zeer wij zulks trachtten te beletten, geleidde ons de goede man in het heen gaan, langs een ander voetpadje als wij gekomen waren, een eind weegs den berg af, tot daar hij ons den weg, dien wij te houden hadden, kon aanwijzen, en hier drukte ik hem met aandoening en hartelijke tevredenheid de hand, waarschijnlijk om hem nooit weder te zien.—Deze plaats wordtToumeolgenaamd, wat deze naam beteekent weet ik niet, maar wel dat men moeijelijk een naam zou vinden, waar door het zielstreelende van dit oord genoegzaam wordt uitgedrukt. De ouden zouden het buiten twijfel voor een verblijf der Nimfen, of goede toovergodinnen gehouden hebben; en hadMahomethet gezien, hij zou ’er zekerlijk zijn Paradijs naar geschetst hebben.Beneden aan den berg, deed zich nog een bekoorlijk groepje op, tegen de helling naast een klein beekje, lagen twee engelachtige half naakte kindertjes, waar van het oudste drie of vier jaren kon bereiken, in het midden van eenige schapen en geiten, waarop zij achteloos leunden: de grond was hier met kruiden en bloemen overdekt, en zij werden door eenige lommerrijke boomen beschaduwd—het was een allerliefst arkadisch landschapje. Ik wilde de kleine herders eenige stuivers geven, doch, ô gelukkige onschuld! zij schenen geen geld te kennen, althans het werd niet aangenomen, en een kus was dezen nog onbedorvene schepseltjes veel liever.Omtrent een kwartier van het buitenverblijf van den HeerMejan, naar den kant vanle Vigan, ligt een brug op het riviertje, en daar bij een roodachtige rots, die buiten de andere bergen uitsteekt en eene aardige vertooning maakt. De weg is goed, loopende altijd zich meerder of minder verheffende langs del’Hérault, waarin men hier en daar kleine watervallen en bruisingen ziet, door de brokken steen, die het water ophouden, veroorzaakt. Ieder oogenblik is men verrukt door de onderscheidene schilderachtige liggingen,—rotsen met boomen en frissche kruiden bedekt, hier en daar een woning op de hoogte, in het flaauwe verschiet, aan de helling van een’ heuvel, half tusschen de struiken verscholen, of in de diepte aan de boorden der rivier,—daar op den weg sommige muilezels met hunn’ geleider,—ginds eenig rundvee en schapen in een eng dal weidende,—ontzaggelijke brokken rots, zoo het schijnt nog maar pas van boven neder in het riviertje gerold, en hier en daar zware castanjeboomen, die den weg belommeren. Onder alle deze voorwerpen heerscht, door de verschillende gedaanten en liggingen der bergen, eene verscheidenheid van schaduw en licht, die allerbevalligst is. Men schijnt hier, door zoo vele steile bergen van de verkeerde en bedorven maatschappij afgezonderd; niets doet zich op dat het denkbeeld daar aan opwekt, geene paleizen, geene Heeren of Juffrouwen, geene kostbare rijtuigen, liverijen, of al diergelijke dingen, waarvan een redelijk denkend mensen walgt;want deze landstreek wordt door de grooten weinig bezocht, en ’er loopt geen groote of Postweg door.Omstreeks elf uren kwamen wij teVigan, drie uurtjes vanGangesafgelegen, en stapten af aan het Hotèldu Cheval vert. Die herberg zag ’er hier in ’t geheel niet zindelijk uit, maar het was, naar men ons gezegd had, de beste, dus bestelden wij ’er den maaltijd. De Roomsche Kerk is ook uit en inwendig zeer eenvoudig; de Protestantsche was niet open. Hoewel het zeer heet was, gingen wij de bron, een kwartier uurs van hier, bezoeken; zij heeft niets bijzonders dan zeer helder en lekker water. De gemeene wandeling is met een aantal ongemeen zware castanjeboomen beplant; zij staan zonder order door elkander, en maken een klein maar aangenaam en bevallig woud. Het is hier in de schaduw van dat digte lommer, vooral in dit jaargetij, op dezen tijd van den dag, regt vermakelijk, om wat te rusten. Het stadje beviel mij zoo wel niet alsGanges, het is zoo goed niet bebouwd, en ziet ’er slordiger uit. De bevolking verschilt niet veel, in het eene zoo wel als in het andere telt men omtrent 4000 inwoners. De zijden-teelt en zijden-kousenweverijen zijn hier ook de voorname kostwinning.Le Viganbehoorde voorheen tot het landschapd’Alais, en thans tot het Departementdu Gard: de Onderprefect houdt ’er zijn verblijf, en daar is een regtbank. Het riviertjel’Arrestroomt ’er langs, en van een steenen brug die hier over hetzelve ligt, heeft men een schilderachtiggezigt. EenigeEngelschehuishoudens, die krijgsgevangenen zijn, hebben verlof, on hier den zomer doortebrengen; aan hunne rijtuigen en paarden te zien, schenen het rijke lieden te zijn; ook verteerden zij, naar ik vernam, nog al wat, en dit gaf in dit plaatsje een meêr dan gewoon vertier. Voor den gewonen prijs aten wij in onze herberg tegen verwachting vrij wel. Trouwens het was ook uit dezelfde keuken, waar deEngelschenuit schaften: het eten werd hun van hier gebragt. Na den maaltijd reden wij weder terug. Voor het verrukkelijke buitenverblijf van den HeerMejanhielden wij stil, om nog eens de alleraangenaamste ligging van hetzelve te bewonderen; het is een groenAmphithéater, de treurwilligen die boven op en tegen de helling van den berg staan, en met lange takken langs denzelven afhangen, maken ook een aardige en eenigzins vreemde vertooning, om dat die boom in de laagte t’huis hoort; doch hier tiert zij door de menigte beekjes en stroomtjes ook zeer weelderig op de hoogte. Ik had onder weg ook opgemerkt, dat men hier en daar boekweit teelde; iets, dat ik in het gedeelte vanFrankrijk, dat ik doorreisd heb, en vooral in het zuiden, weinig of niet zag. Castanjes levert deze landstreek in menigte op.TeGangesterug gekomen, gingen wij in de fabriek vanMejaneenige paren zijden-kousen koopen. Het huis is groot, en ziet ’er gnap, maar in ’t geheel niet prachtig uit, en in de magazijnen kan men zoo wel één paar, als eenige honderdedozijnen paren zijden-kousen krijgen. Wij vonden ’er twee kleinzonen van onzen vriendelijken gastheer, die ook zeer geschikte jongelieden schenen te zijn. Dit huis drijft een’ zeer uitgebreiden handel, en heeft zelfs een Kantoor teCadix; algemeen zijn zij bekend als zeer eerlijke lieden, met wien het goed te handelen is, en die daardoor en door hun aanzienlijk vermogen een uitgebreid krediet hebben; zij behooren, aan zoo vele honderde handen werk verschaffende, tot de voorname steunen van deze en omliggende plaatsen, en schijnen door hunne medeburgers zeer bemind te zijn. Zoo gij die goede lieden door aanbeveling, of anderzins, eenigzins dienst kon bewijzen, Vriend! zulks zou mij bijzonder aangenaam zijn; want zij verdienen het, en hebben billijke aanspraak op de achting van vreemdelingen, om de gulle vriendelijkheid, waarmede zij dezelven ontvangen, zijnde hunne gastvrijheid, naar men mij verzekerde, in dit opzigt algemeen. Raad dan ook ieder van uwe kennissen, die hier naar toe mogt reizen, gerust aan, om een bezoek op het landgoed vanMejante gaan afleggen.Daar het nog vroeg genoeg was om een wandeling buiten het stadje te doen, ging ik de steenen brug die hier overl’Héraultligt over, en zag ter zijde op den muur van dezelve eene waterleiding (Aquaduc) gemaakt, dienende om het water uit eene bron aan den overkant van de rivier, op een’ zekeren afstand gelegen, in de stad te brengen; doch drie wekengeleden was een gedeelte van het metselwerk ingevallen en nog niet hersteld. Ik wandelde langs de rivier en klom tusschen beiden eens op een heuvel tot den avond begon te vallen. Van verre deed zich het geluid van de bellen der schapen, en het vee, dat men naar den stal dreef, als een’ klokkenspel hooren, en dan hoorde ik al eens een boerenmeisje of knaap een liedje in hetPatoiszingen, terwijl zij de paarden of het vee naar de rivier leidden, om te drinken. Ik had hier, dunkt mij, met genoegen eenige dagen doorgebragt; doch dat kwam met ons reisbestek niet overeen.De vrouwen dragen hier veelal zwarte zijden-hoedjes met eene kant ’erom, zoo als bij ons de dienstmeisjes. Een praatje makende met de vrouw uit onze herberg, vernam ik, dat zij tot de Protestanten behoorde; dat die hier met de Roomschgezinden in goede verstandhouding leefden, en zelfs veel onder elkanderen trouwden; als mede dat de vrouw van den Predikant eeneHollandschewas, doch uit welke plaats en hoe genaamd, wist zij mij niet te zeggen.Den 30 dezer ’s morgens om 5 uren vertrokken wij vanGanges. De morgenstond was frisch en aangenaam. Een half uurtje van daar komt men door een dorpjele Rocgenaamd; een oud kasteel ligt daar tegen een rots, die zich als een pyramide vertoont, van hier denkelijk de naam van (le Roc) de rots. Wat verder op, aan den anderen kant van het riviertje, ziet men de punt van een rots, vanverre gelijkende naar een oudcolossaalbeeld van een Bisschop met een mijter op. De rotsen, die hier vrij hoog zijn, en sommige een kegelvormige gedaante hebben, zijn meest zamengesteld van steenen, die laagsgewijze op een liggen, of van een soort van schaliesteen. De natuur is hier meêr grootsch en majestueus, dan aangenaam en liefelijk.—Verder koomende, ziet men eene steile rots, als de muren van een oud kasteel. Hier en daar schijnen ’er gaten of spelonken in te zijn,—nu daalt de weg, die eenigen tijd vrij verheven was boven de rivier, in een aangenaam dal af. Hier ziet men vele moerbezienboomen; vervolgens komt men in het dorpSt. Bausille. De straten zijn ’er zoo naauw, dat twee rijtuigen ’er elkanderen met geen mogelijkheid zouden kunnen voorbij komen. Buiten dit dorp klimt men eenen redelijk hoogen berg op; van daar ziet men achter zich het dorp in een alleraangenaamst groen dal, en het riviertjel’Hérault, dat men daar verlaat, ’er doorkronkelen. Op zulke plaatsen beklaag ik mij altijd van niet genoeg te kunnen teekenen; want diergelijke schoone schilderijen wenschte ik mij daar door dikwijls voor te kunnen stellen.—Hier hoort men het water nog liefelijk ruisschen, doch welhaast mist men geheel de bekoorlijke boorden van deHérault, en het lagchende groen van dat gedeelte derCevennes.—Men daalt af, om weder een’ hoogen berg langs kronkelwegen op te klimmen. Daar het redelijk koel was, gingen wij meest te voet. Aan een heesterlangs den weg staande, vond ik eenige gewassen die ik voor een soort van kleine appelen hield; zij waren even als die geelachtig, en aan den eenen kant rood; hoe verwonderd was ik van dezelve doorbreekende, te vinden dat zij vol waren van een soort van kleine gevleugelde insekten, die door elkanderen krielden; zij hadden veel overeenkomst met de plantluizen, die men bij ons onder de bladeren van de aalbeziën vindt. Op de rotsen hier rondom groeit veel palm, die de landlieden meest gebruiken, om te branden. TeSt. Martin de Londreslieten wij ons wat eten klaar maken, en aten ’er onder anderen witte truffels, die men hier omstreeks veel vindt; zij kwamen mij zoo goed niet voor als de zwarte. Men rekent van hier totMontpelliernog omtrent 4½ uur; de vrolijke gezigten houden geheel op, de landstreek is dor, en hier en daar ziet men hooge en steile rotsen. Een half uurtje vanMontpellierontdekt men reeds deAquaducvan verre; hier en daar aan den weg staan steenen palen; onze voerman zeide, dat de pijpen of buizen tot die waterleiding behoorende, en waar door het water van de bron wierd aangevoerd, hier onder doorliepen. Omstreeks vijf uren na den middag waren wij teMontpellierterug.—’s Nachts viel ’er zware donder en regen.Den 31 dezer, ’s morgens op de markt gaven de koopvrouwen in visch, groentens, enz. vrij luidruchtig en in geen zeer bescheiden uitdrukkingen, hun misnoegen te kennen, over een besluit (arrète)van het Gouvernement, waarbij eenige kleine munten, waar de stempel af gesleten was, buiten omloop werden gesteld. Op deze markt ziet men een zeer fraaije fontein in een nis tegen een muur; boven op staan twee eenhoorns en een kindje, houdende een’ wapenschild en een laurierkrans; op het voetstuk wordt een veldslagen basreliefverbeeld, waaronder men leest:Bataille de Clostercamp1; boven de nis is een wapen (trophée), en dit alles is van marmer en in een fraaijen smaak gemaakt. De Maarschalkde CastriesGouverneur teMontpellierzijnde, werd deze fontein ter zijner eere opgerigt. Het gebouw, dat men de beurs noemt, schijnt oorspronkelijk een Kerk of Kapel geweest te zijn; men bedient ’er zich weinig van, want de Koophandel is hier van geen groot aanbelang.TeMontpellierwordt veel koperrood of eigenlijk koperroest gemaakt; gedurende een’ geruimen tijd deed men dit bijna nergens anders, wanende, dat de kelders alhier ’er bijzonder toegeschikt waren, doch thans wordt het ook op verscheidene andere plaatsen gemaakt; de bewerking is zeer eenvoudig. Men plaatst in een aardepot boven wijn, die men aan het gisten maakt, laagsgewijze met verdroogde druiventrossen, en tusschen verscheidene plaatjes koper,die door de uitwazeming van den wijn aan het roesten raken; opgedroogd zijnde, schraapt men ’er dit roest af, en dat is het koperroest. Zoo gij het omstandiger weten wilt, lees danChaptalElemens de Chimie. Zonderling is het, dat vrouwen hier meest met dien arbeid, die om het vergiftige met zeer veel omzigtigheid moet geschieden, belast zijn. Men fabriceert hier ook deCremor Tartari.Het schijnt ter dezer plaatse niet ongezond te wezen, mits men zich behoorlijk in acht neemt opzigtens de kleeding; want het weder kan ’er, even als bij ons, zeer ongestadig zijn.Montpellieris zijn opkomst verschuldigd aan het verval van het oudeMaquelone. Het gedeelte vanNeder-Languedoc, waarin deze stad gelegen is, werd oudtijds door deVolces-Arecomiquesbewoond. De inwoners worden voor levendig en werkzaam van aard gehouden; de huishoudens, naar men zegt, leven veel op zich zelve, en de gezellige verkeering heeft hier minder dan in andere steden plaats. De religiegeschillen, die hier ook vele rampen veroorzaakten, gaven daar misschien wel aanleiding toe. Hunne gastvrijheid omtrent de vreemdelingen is ook niet beroemd; en zelfs eenLanguedoc’sspreekwoord, doet den ongezelligen aard van die vanMontpellierkennen2. Deze Stad is thansde Hoofdplaats van het Departement del’Hérault; zij is de geboorteplaats van verscheidene mannen van naam, zoo als de in de Natuurlijke Historie der Visschen ervaren,Guillaume Rondelet, die ’er in 1507 geboren werd;Pierre Magnol, kruidkundige, in 1638;Louis Bertrand Castel, wiskunstenaar, in 1688; de bekende TooneeldichterBrueijs, van wien wij ook eenige stukken in hetHollandschovergezet hebben3, en meêr anderen.Cambacèresin de geschiedenis van de omwenteling vanFrankrijk, en vooral als tweede Consul bekend, thans groot Kanselier met den tijtel van Prins, is ook vanMontpellier.Over onze herbergl’Hotel du Midi, waren wij ongemeen wel te vreden; het is ’er gnap, en men eet ’er zeer goed aan de gemeene tafel in een ruime en fraaije zaal. Wij hadden hier niet minder lekkeren zeevisch dan teMarseille, onder anderen goede versche tonijn, en zeer groote schelvisschen. Voor een kamer met twee bedden, van waar men een gezigt had tot in deMiddellandsche Zee, betaalde ik 40solsdaags. Morgen voor den middag reizen wij naarToulouse.1De vermaarde slag vanKloosterkampviel voor in het laatst van het jaar 1760. DeFranschen, na lang half naakt, zoo als zij uit de tenten kwamen, gevochten te hebben, behaalden eindelijk de overwinning.2Dit spreekwoord, in hetPatoisvanLanguedocluidt:Couvit de Mouspéiè, couvida à l’escaiè; dat is, noodiging vanMontpellierop den trap gedaan.3De Advokaat Pateleinis onder anderen vanBrueijs.

Mais que j’aime la bienfaisance,De ce Cardinal adoré,Qui par son ame et sa naissance,A double titre est illustré.Grossi par les eaux des montagnes,Se debordant avec fureur,Le Tarn avoit dans ses campagnes,Detruit l’espoir du Laboureur,Tout perissait dans la misère,l’Air retintit de cris affreux.“Ah! dit le prelat généreux,Cest donc à moi qui suis leur père,A secourir ces malheureux.”Aussitôt sa main secourable,Verse à grand flots l’or sous ses pas,Et l’abondance favorable,Ranime tout en ces climats.Des qu’il parais sur ce rivage,Le peuple enivré de transports,Se jette en foule a son passage,Et fait répèter à ces bords:“Grand Dieu! dont son coeur est l’image.Repand sur lui tous tes trêsorsIl sait tropbien en faire usage.”Chacun pour lui forme ces voeux,Il partage cette allégresse,Et dans ces doux momens d’ivresse,Il est encore le plus heureux.Ah! sans doute la bienfaisance,Fut le premier Dieu des Mortels,Et ce fut la reconnaissance,Qui dressa les premiers autels.

Mais que j’aime la bienfaisance,De ce Cardinal adoré,Qui par son ame et sa naissance,A double titre est illustré.Grossi par les eaux des montagnes,Se debordant avec fureur,Le Tarn avoit dans ses campagnes,Detruit l’espoir du Laboureur,Tout perissait dans la misère,l’Air retintit de cris affreux.“Ah! dit le prelat généreux,Cest donc à moi qui suis leur père,A secourir ces malheureux.”Aussitôt sa main secourable,Verse à grand flots l’or sous ses pas,Et l’abondance favorable,Ranime tout en ces climats.Des qu’il parais sur ce rivage,Le peuple enivré de transports,Se jette en foule a son passage,Et fait répèter à ces bords:“Grand Dieu! dont son coeur est l’image.Repand sur lui tous tes trêsorsIl sait tropbien en faire usage.”Chacun pour lui forme ces voeux,Il partage cette allégresse,Et dans ces doux momens d’ivresse,Il est encore le plus heureux.Ah! sans doute la bienfaisance,Fut le premier Dieu des Mortels,Et ce fut la reconnaissance,Qui dressa les premiers autels.

Mais que j’aime la bienfaisance,De ce Cardinal adoré,Qui par son ame et sa naissance,A double titre est illustré.Grossi par les eaux des montagnes,Se debordant avec fureur,Le Tarn avoit dans ses campagnes,Detruit l’espoir du Laboureur,Tout perissait dans la misère,l’Air retintit de cris affreux.“Ah! dit le prelat généreux,Cest donc à moi qui suis leur père,A secourir ces malheureux.”Aussitôt sa main secourable,Verse à grand flots l’or sous ses pas,Et l’abondance favorable,Ranime tout en ces climats.Des qu’il parais sur ce rivage,Le peuple enivré de transports,Se jette en foule a son passage,Et fait répèter à ces bords:“Grand Dieu! dont son coeur est l’image.Repand sur lui tous tes trêsorsIl sait tropbien en faire usage.”Chacun pour lui forme ces voeux,Il partage cette allégresse,Et dans ces doux momens d’ivresse,Il est encore le plus heureux.Ah! sans doute la bienfaisance,Fut le premier Dieu des Mortels,Et ce fut la reconnaissance,Qui dressa les premiers autels.

Mais que j’aime la bienfaisance,

De ce Cardinal adoré,

Qui par son ame et sa naissance,

A double titre est illustré.

Grossi par les eaux des montagnes,

Se debordant avec fureur,

Le Tarn avoit dans ses campagnes,

Detruit l’espoir du Laboureur,

Tout perissait dans la misère,

l’Air retintit de cris affreux.

“Ah! dit le prelat généreux,

Cest donc à moi qui suis leur père,

A secourir ces malheureux.”

Aussitôt sa main secourable,

Verse à grand flots l’or sous ses pas,

Et l’abondance favorable,

Ranime tout en ces climats.

Des qu’il parais sur ce rivage,

Le peuple enivré de transports,

Se jette en foule a son passage,

Et fait répèter à ces bords:

“Grand Dieu! dont son coeur est l’image.

Repand sur lui tous tes trêsors

Il sait tropbien en faire usage.”

Chacun pour lui forme ces voeux,

Il partage cette allégresse,

Et dans ces doux momens d’ivresse,

Il est encore le plus heureux.

Ah! sans doute la bienfaisance,

Fut le premier Dieu des Mortels,

Et ce fut la reconnaissance,

Qui dressa les premiers autels.

Veertiende Brief.Montpellier, 27 Augustus.Voor dat ik van mijne afreis vanNismesspreek, moet ik u nog iets van de oudheid en geschiedenis dier stad zeggen. Vermaarde schrijvers het denkbeeld, dat zij door de kinderen vanHerculeszou gebouwd, en wel 3400 jaren oud zijn, als een sprookje verwerpende, stellen, dat die stad haar’ oorsprong verschuldigd is aan dePhoceënsers, dieMarseillete klein vindende, zich hier, zoo wel als teOrange, teNissa, teAntibes, teTurin, en teTarragone, kwamen vestigen. De onderscheideneGriekscheopschriften, teNismesgevonden, schijnen dit te bevestigen; in de landtaal (Patois) heeft men ook verscheidene woorden, die van hetGriekschherkomstig schijnen, als mede deGriekschebenamingen van sommige plaatsen hier omstreeks. Zij bestond dan reeds 400 jaren voor de overwinningen vanFabius Maximusonder deGaulen, en werd toen aan het juk derRomeinenonderworpen. In de 5de eeuw, was zij gedurende zestig jaren, beurt om beurt de prooi derWandalenenGothen; in de 6de maakten deVisi-Gothen’er zich meester van, in de 8ste werd zij door deSaracenenverwoest,aan welkePepin le Bres1haar weder ontrukte, en ’er Ondergraven (Vicomtes) aanstelde, onder de Hertogen vanSeptimanie. Vervolgens namen de Ondergraven vanNismes, en de Graven vanToulouse’er bezit van, en na hun de Koningen vanArragon, die ze in 1258 aanLodewijkden IX. bijgenaamdden Heiligen(St. Louïs) afstonden. Na dien tijd heeft zij door Staats- en geloofsonlusten nog zeer veel geleden, en welke aanmerkelijke veranderingen heeft zij in onze dagen niet ondergaan! Van eene Koninklijke regering onder een Republikeinsch bestuur, en eindelijk onder eene Keizerlijke regering! Thans isNismesde hoofdplaats van het Departementdu Gard, het verblijf van de Prefect, en een Regtbank ter eersterinstantie.De menschen schijnen hier vlijtig, en in hunne levenswijze vrij eenvoudig te zijn, en men vindt’er verscheidene gegoede burgers. Behalve de fabrieken, waarvan ik reeds gesproken heb, heeft men ’er hier ook nog van wollen en andere stoffen, doch de tijdsomstandigheden zijn daar voor ook al niet gunstig.Den 24 dezer, ’s morgens vroeg opstaande, ging ik voor het laatst het Amphithéater en andere oudheden nog eens bekijken; op deEsplanaderaakte ik in gesprek met een’ burgerman, die liefhebberij voor kunsten en wetenschappen scheen te hebben, en mij van dit een en ander nog al wat wist te vertellen. Over het algemeen hebben de burgers hier nog al veel op met de oudheden van hunne stad, het geen ik met genoegen bespeurde. De twee torens die deGothenofVisi-Gothen, zich binnen de muren van het Amphithéater versterkende, daarin hadden, gebouwd, zijn ook in het begin van de omwenteling, op last van de Municipaliteit, afgebroken, en de steenen daarvan hebben gediend, om den tuin van het voormalige Kapucijner-Klooster, op deEsplanade, met een muur te omringen. De Kloosters afgeschaft zijnde, dient dit gebouw voor een bijzonder gebruik, ik meen voor een fabriek.Toen ik voor de Hoofdkerk stond, en die nog eens met aandacht bekeek, bood een boer, die waarschijnlijk bespeurde, dat ik een nieuwsgierige vreemdeling was, mij drie oude koperen munten aan, om te koopen; hij zeî, die niet lang geleden, omstreeks deze stad, naar den kant vanArles, in een boschje gravende, gevonden te hebben. Zij schenen van de eerste Christen tijden te zijn; ikkocht ze voor slechts 24 Fransche stuivers; want meêr vroeg de man niet, en ik raadde hem, om daar omstreeks verder te zoeken, alzoo ’er misschien nog oudheden van meêr belang verborgen waren.Jean Nicot, die, in 1559 Ambassadeur inPortugalzijnde, vervolgens de Tabaksplant van daar aan aanbragt, welke dan ook na hemNicotianagenaamt werd, is teNismesgeboren.—en dit vergat eenHollanderbijna aan eenHollanderte schrijven. Hij was Doktor in de Medicijnen, en heeft ook eene Fransche en LatijnscheDictionairegeschreven.’s Morgens om elf uren vertrokken wij met den postwagen, die vanAvignonnaarToulouserijdende hier door komt, totMontpellier, van waar ik u thans schrijve.De weg was goed, doch de stof verschrikkelijk, want de wegen zijn hier niet gestraat, maar met steengruis opgeworpen, en deze steen, die niet zeer hard is, door de raderen gemalen zijnde, veroorzaakt eene fijne en ligte stof. Reizigers, vanMarseillekomende, verhaalden ons, dat de AdmiraalFreville LatoucheteToulon, waar hij kommandeerde, overleden was; hij bevond zich reeds gevaarlijk ziek, toen wij ’er waren.—Dit is een groot verlies voor deFranschezeemagt.Het land schijnt hier omstreeks zeer bewoond; wij zagen verscheidene steedjes en dorpjes aan den weg, en van verre liggen. TeLunel, een steedje beroemd bij alle lekkerbekken om den keurigen muscaatwijn, die daar omstreeks groeit, en de muscadelle druiven, die men ook gedroogd in kistjes naaralle oorden verzendt, en die voor eene ongemeene lekkernij gehouden worden, was het juist jaarmarkt en daar door vrij druk; wij hielden ’er een kwartier stil, en hadden dus den tijd om eens rond te zien, en van den lekkeren wijn te proeven. Zij wordt in kleine flessen van licht groen glas, die verzegeld zijn, en waarop een briefje geplakt is, verkocht; wij betaalden voor zulk een fles 50sous. Met genoegen zag ik de boeren op de markt met elkanderen, bezig met het koopen en verkoopen van vee, bijzonder schapen, ezels en muilezels; het gaat daar bijna zoo al op dezelfde wijze toe, als op onze markten.Hier zijn ook vele Protestanten. In vroegere tijden was deze plaats meest door Joden bewoond, en de vermaarde RabbiSalomon Jarchihad hier zijn school. Behalve de stof is de weg niet onaangenaam, en tamelijk vlak; de voorname vruchten, die deze landstreek oplevert, schijnen olij en wijn te zijn. Ten 6½ uur kwamen wij teMontpellieraan; die stad op een hoogte gelegen, doet zich aangenaam op. Wij stapten af aan het Hotèldu Midi, digt bij den Schouwburg, en de voornaamste gemeene wandeling.NismesenMontpellieris 6½ post van elkanderen gelegen.Den 25 dezer, na de stad eens doorgeloopen te hebben, ging ik de gemeene wandeling, deEsplanadegenaamd, bezigtigen; zij is vrij groot; en met regte rijen boomen beplant, doch welke ’er niet wel schijnen te kunnen groeijen, want zij zien ’er dor en kwijnende uit; hoewel zij reeds 80 jarenoud zijn; want deze wandeling werd door den Hertogde Roquelaure, Kommandant van de Provincie, in 1724 aangelegd, geven zij nog maar weinig lommer, en men zou denken, dat zij ’er naauwelijks de helft van dien tijd gestaan hadden. Aan ieder eind van deze wandeling is een ronde vijver of kom met water, en in het midden staat een vrij hooge kolom, waarop een Vrijheidsbeeld van geelachtigen steen, dien men hier omstreeks vindt. De citadel, die aan den eenen kant van deze wandeling gelegen is, werd doorLodewijkden XIII. na de belegering van deze stad gebouwd, om de Protestanten in teugel te houden. Ik ging ’er in, doch zag niets bijzonders. ’Er staan uitgestrekte gebouwen, die voordezen voorcasernendienden. Op de wallen rondom, heeft men een schoon gezigt, tot in deMiddellandsche Zee; naar ik vernam, moest deze vesting eerstdaags gesloopt worden, de grond en afbraak is aan de stad afgestaan. Men was werkelijk bezig met de grachten te dempen. Inwendig isMontpellierook al niet fraai, de meeste straten zijn naauw, krom, en op en neder loopende. In de groote straat (grande rue), die nog al redelijk breed is, zijn de fraaiste winkels en Koffijhuizen: vooral in dat gedeelte van de stad, is het ook vrij levendig.La place du Peyrouis eene gemeene wandeling; aan de andere zijde van de stad (met betrekking tot deEsplanade) en op het hoogste gedeelte van den heuvel, waarop zij gebouwd is, gelegen; men komt ’er op door een fraaije poort of zegeboog, die met afbeeldingenen basreliefpronkt,welke keurig gewerkt zijn; een van dezelve verbeeldt den Godsdienst, te weten den Roomschen; die de ketterij, dat is het Protestantsch geloof, vernietigt; het opschrift dat ’er onderstond, heeft men ’er in het begin van de omwenteling uitgehouwen. Door deze poort ziet men op een’ zekeren afstand een sierlijk gebouw, het is een water-kasteel (Chateau d’eau) zeskant van gedaante; de buitenzijde pronkt met twaalf geribde pilaren van Corinthische orde, en van binnen staan ’er zes diergelijken, en in ’t midden van dezelve een fraaije ronde kom met water. Men klimt ’er langs verscheidene trappen naar toe, en heeft daar op eene soort van galerij, met een fraai steenen hekwerk en zitbanken omgeven, een allerverrukkendst gezigt. In het zuid-westen ziet men de keten derPyreneschegebergtens, ten noorden over een vrolijk landschap de bergen en rotsen van deCevennes, ten oosten ontdekt men deAlpenin een flaauw verschiet, en ten zuiden ziet men weder over een fraai en aangenaam geschakeerd landschap tot in deMiddellandsche Zee. Het water-kasteel is met fraai en toepasselijk beeldhouwwerk versierd, zoo alsGuirlandesvan netten met allerlei visschen enz. onder hetzelve liet men ons de bakken zien, waarin het water, door de trotsche waterleiding, waarvan ik u hier na spreken zal, gebragt wordt; onder voor dit water-kasteel, is nog een groote vijver, waarin het water uit de binnenste kom, door kleine watervallen loopt. In dezen vijver, waarvan het water zeer helder is, ziet menkarpers, bermen, en eenige goudvisschen. De plaatsdu Peyrou2zelve is rondom met een steenen leuning en zitbanken omringd, en in het midden stond voor de omwenteling een fraai metalen standbeeld, verbeeldendeLodewijkden XIV. te paard3. Sedert eenigen tijd heeft men aan beide zijde ook een rijAcacia-boomen geplant, dat wel noodig is; want het is anders zoo vlak en aan de zon blootgesteld, dat men ’er althans zomers niet anders dan ’s avonds, of ’s morgens zeer vroeg, wandelen kan; doch van deze plaats klimt men aan beide zijden af, en daar heeft men een aangename en lommerijke wandeling onder acacia, platanussen, en ijpeboomen, hoewel deze laatste hier ook niet wel aarden willen; doorgaans worden de bladeren al vroeg in den zomer rood, en van een soort van insecten doorknaagd; thans zagen zij ’er door den buitengewoonen regen nog al vrij wel uit; in het achterstegedeelte van deze wandeling, zijn twee vijvers met springende fonteinen, en hier gaat men door ruime bogen onder de waterleiding (aquaduc) door. De ingangen van deze wandeling zijn met fraaije ijzeren hekken versierd, kortom het geheel is zoo grootsch en prachtig, en voegt zoo weinig bij een stad alsMontpellier, waar men anders bijna niets van dien aard ziet, dat KeizerJosephusde II. hier door reizende, enla place du Peyrouziende, vroeg: ”Waar dat toch de stad was.”Aan de linkerzijde, als men de stad zal ingaan, ziet men boven de muren van dezelve een vrij hoogen en van boven platten toren uitsteken. Op dezelve zag ik eenige tamelijke groote pijnboomen; dit maakte geene onaardige vertooning. Van hier verder de muren buiten omwandelende, komt men uit aan deEsplanade, en klimt daar langs verscheidene trappen ter dezer plaatse op.Den 26 dezer wandelde ik ’s morgens om 5½ uur reeds naar buiten, om deAquaduc, waar ik u van gesproken heb, en die ik reeds van deplace du Peyroubewonderde, nader bij te beschouwen. Ik ging den grooten weg op, tot het begin van deze waterleiding, dat is een half uurtje van de stad; hier staat een steenen huisje, waarin de buizen, door welke het water van de bronSt. Clement, omtrent een uur van daar geleid wordt, uitkomen; dit huisje is geplaatst op een’ heuvel, de helling van denzelven volgende, heeft men eerst ter lengte van eenige passen een muurwerk zonder bogen; vervolgens lager afklimmende,komt men aan de kleine bogen, en daarna aan de groote; daar de kleinen boven opstaan; want dezeAquaducbestaat uit twee verdiepingen, in denzelfden smaak als de twee bovenste van dePont du Gard. Jammer is het, dat zij niet regt, maar met een elleboog gebouwd is4; tot dezen hoek of elleboog, naar de stad gaande, telde ik 59 kleine en 10 groote bogen, en van daar 123 kleine en 40 groote, dus in ’t geheel 182 kleine op 50 groote bogen of poorten, behalve de twee, die nog in de onderste wandeling van deplace du Peyroustaan. Volgens mijne afmeting is zij 970 treden lang, tot aan den muur van deplace du Peyrou. De bovenste of kleine bogen zijn ook aan de binnen zijde boogsgewijze gemaakt, zoodat men daar van deplace du Peyroulangs een trap bijklimmende5, ’er in ziet, als in een lange galerij, nimmer heb ik fraaijerperspectiefgezien, en nog ziet men maar tot den hoek of elleboog. Ik beschrijf dit wat omstandig, omdat vele schrijvers ’er geennaauwkeurig verslag van doen, en mij dunkt, dat het der moeite wel waardig was. Omtrent het midden van de afgeloopen eeuw, werd dit groote werk ondernomen; en eenPitot, in de water-werktuigkunde bekwaam, met de uitvoering daar van belast.De morgenstond schoon zijnde, wandelde ik weder naar de akkers terug; onder aan de bogen van deAquaductegen den zonkant, zag ik verscheidene hagedissen, die overal in het zuiden vanFrankrijkzeer algemeen zijn, doch nergens zag ik ’er meêr bij elkanderen dan hier; sommige zijn wel een span lang, doch zij doen hoegenaamd geen kwaad. De grond, hoewel van natuur schraal, levert, door de bewerking en bemesting, echter akkers, konstweiden, meestal van Lucerne-klaver, en moestuinen, op; deze laatsten moet men gedurig bevochtigen, en dat geschiedt op de volgende wijze: bij de meeste tuinen is een put gegraven, die eene vrij wijde opening op een heuveltje heeft; digt bij deze opening is een rosmolen, waarin een paard of muilezel loopt, en door de gewone werking van die molens, een redelijk breed rad in den mond van de putverticaalbeweegt. Aan dit rad hangt een soort van touwladder, waaraan verscheidene aarden potten of kruiken onder elkanderen geplaatst zijn6, dezeladder los om het rad hangende, gaat dezelve door de draaijing op en neder, zoo dat de onderste kruiken water scheppen, en de bovenste het uitstorten in een bak tegen de put geplaatst, uit welken bak het dan door een buis of buizen afloopt in den tuin, door groeven ten dien einde gemaakt, dezelve overal bevochtigende, en langs en op de bedden loopende. Deze wijze van begieten zou in deMeijerijvan denBosch, en andere hooge landen bij ons, ook zeer wel te pas komen, en scheen mij toe, de put gegraven zijnde, niet zeer kostbaar te zijn. De groentens in soorten stonden daar dan ook vrij frisch. Anders ziet men hier omstreeks weinig vrolijk groen; de vale olijfboom, de wijnstok en de moerbeziënboom, die in de lente, en het begin van den zomer schier bladerloos is, omdat het blad voor de zijwormen geplukt wordt, deze zijn het, die men in een groot deel vanProvenceenLanguedochet meeste aantreft, en men mag onze Vaderlandsche vlakke gronden eenzelvig noemen; zij hebben een veel weelderiger en aangenamer voorkomen, dan de landen, die men over het algemeen in het zuiden, en zelfs in het grootste deel vanFrankrijk, dat ik gezien heb, vindt. Wat is het bovendien aangenaam, dat men zoo vele goede en nuttige dieren, zoo vrij en vrolijk in de weide ziet omspringen en huppelen; hier zijn zij bijna altijd onder het juk of op de stallen, als in eene gevangenis opgesloten. Bij ons geeft een koe hare melk, en leeft althans zomers genoegzaamvolkomen in haren natuurstaat, zij ziet ’er gezond en vrolijk uit, terwijl hier het magere kwijnende koeitje, dat ’er doorgaans morsig uitziet, op den stal vermuft, of zelfs nog wel een kar moet trekken. Bij ons spant de landman ’s avonds zijn paard uit, en brengt het naar de weide; daar loopt het vrolijk heen, rolt zich in het lange gras en vergeet zijne moeite en arbeid; het heeft ook zoo wel als de mensch zijne rustdagen. In ons Vaderland gebruikt men de dieren, ten minste op het land, en vooral daar overvloedige weilanden zijn, om zoo te spreeken, als bedienden—hier zijn het ellendige slaven.—Ja, Vriend! wat men ’er ook van zeggen moge, ons Land is in alle opzigten een land waar Vrijheid en Welvaart wonen willen! en God geve, dat wij het toch eindelijk onder elkanderen hierin eens mogen worden, om met vereende kragten alles in het werk te stellen, tot handhaving van onze vrijheid en onafhankelijkheid, en alzoo tot bevordering van ons wezenlijk heil; want zonder vrijheid kunnen wij veel minder dan andere landen bestaan; zij is immers genoegzaam onafscheidelijk aan onze Vaderlandsche bodem verbonden? en wee ons! indien wij haar van daar, door schandelijke onverschilligheid en gebrek aan Vaderlandsche deugden, verjagen.Hier over peinzende, ging ik de stad weder in, want het begon reeds warm te worden; en vervolgens, na wat ontbeten te hebben, de Protestantsche Kerk (Temple de Protestants) zoo als men die inFrankrijknoemt, opzoeken: want het was zondag,en ik wist, dat hier vele inwoners tot dat Geloofsgenootschap behoorden. Deze Kerk staat in een der voorstedenle Faubourg de Lattesgenaamd, voorheen behoorde zij ook tot een Klooster; inwendig is dit gebouw zeer netjes opgemaakt, en ’er is een fraaije zaal voor den Kerkenraad. De tafel voor het Nachtmaal blijft altijd in de Kerk staan. Zij bestaat uit een’ marmeren blad, op twee, naar den antieken smaak, gewerkte schragen van gemarmerd hout. ’Er was geen orgel, doch men zong ’er redelijk wel, ten minste schreeuwde men ’er zoo vervaarlijk hard niet, als doorgaans bij ons. De Gemeente was vrij talrijk, en scheen met aandacht te luisteren naar een goed en eenvoudig zedelijk Vertoog, dat door den leeraar zonder veel omslag ofpedanterie, duidelijk werd uitgesproken, en dat niet langer dan een half uur duurde. De Diaken, welke aan de deur stond, en dien ik bij het uitgaan mijn aalmoes reikte, boog het hoofd, zeggende:Que Dieu vous le rende!Zoo hier als teNismes, zag ik verscheiden Roomschgezinden, (zoo het scheen; want zij maakten tusschen beiden een kruis) den Godsdienst van het begin tot het einde bijwonen.—Met hoe veel genoegen zag ik dit bewijs van broederlijke verdraagzaamheid. Voor aan de straat was men bezig, om deze Kerk met een fraai portaal van gehouwen steen te versieren; het was reeds aanmerkelijk gevorderd: op dezelve staat ook een torentje met een klok, en men luidt ’er eveneens als teNismes, bij het aangaan van dendienst7. Van hier ging ik de Hoofdkerk bezigtigen; zij is, zoo men wil, door PausUrbanusden V., die in 1370 gestorven is, gebouwd. Het portaal bestaat uit twee torens met een gewelf ’er tusschen, en gelijkt eerder naar den ingang van een vesting- of ridderslot, dan naar dien van een Kerk, Boven het koor staat nog een fraaije en hooge toren. Inwendig is zij ruim, vrij licht, en naar het schijnt onlangs opgemaakt. Het merkwaardigste, dat men hier ziet, is het groote en vermaarde schilderij vanBourdon, in deze stad geboren. Dit schoone stuk is aan het eind van het koor geplaatst, en verbeeldtSimonden Toovenaar, zijne kunsten voor KeizerNero, in tegenwoordigheid vanPetrusenPaulus, doende. Hij wordt door de duivelen, want die moeten toch altijd in het spel komen bij soortgelijke dingen, in de lucht opgeheven, enz. De hoofden vanSt. PieterenSt. Paulus, worden bijzonder in dit stuk bewonderd.Bourdonheeft ’er ook zijn eigen afbeelding (portrait) in gemaakt, en is te erkennen daar aan, dat hij naar de aanschouwers gekeerd is, en ook eenigzins eenmodernervoorkomen heeft8. Het stuk kwam mij voorwat hoog geplaatst te zijn, doch heeft een goed licht. Aan beide zijden van hetzelve ziet men twee andere groote schilderijen; verbeeldende insgelijks geschiedenissen tot die vanSt. PieterenSt. Paulusbehoorende; wantSt. Pieteris de patroon van deze Kerk; deze stukken schenen mij ook wel bezienswaardig te zijn; doch wie ’er de meester van was, wist men mij niet te zeggen. Van de Kerk sprekende, moet ik u eene afschuwelijke gebeurtenis verhalen, die hier in vroegere eeuwen plaats gehad heeft. Een der Bisschoppen vanMaquelone, voorheen eene aanzienlijke, doch thans vervallen stad, niet ver vanMontpellier, willende omtrent het jaar 1250, zijne onderhoorige Geestelijken, die vrij zedeloos en losbandig waren, tot het betrachten van hun’ pligt terug brengen; besloten deze monsters om zich van zulk een’ strengen zedemeester te ontdoen, en vergiftigden ten dien einde dehostie, die hij moest gebruiken om te communiçeren; zij bereikten maar al te wel hun oogmerk, want de redelijke Bisschop overleed wel dra aan de gevolgen van het vergift. Hoe gruwelijk deze moord op zich zelven ook reeds zijn moge, in het oog van Roomschgezinden vooral moet zij allerafgrijsselijkst wezen.’s Avonds ging ik in den Schouwburg; het is eenvrij gnap gebouw, digt bij deEsplanade; voor hetzelve is een fraaije fontein met een groep, verbeeldende de drie bevalligheden, van wit marmer. Inwendig stond mij de zaal ook wel aan. Men gaf ’er eenBalletenles Miletiens,Opera,à grand spectacle. De dekoratien waren vrij wel, doch de rest beteekende niet veel. Het zingen bijzonder was nog minder als redelijk, en ik, die buiten dien geen groot liefhebber van Opera’s, en vooral niet van Balletten ben, liep ’er al schielijk uit, en ging liever op deEsplanadewandelen, waar het in den maneschijn allerliefst was.Heden den 27 stond ik weder vroeg op, want ik herhaal het, men moet, in deze warme landen, vooral van den morgenstond gebruik maken, en ging eene wandeling buiten de stad doen. Het eerste dat mijne aandacht trok was een wol-bleekerij; de wol gewasschen zijnde werd op het veld uitgespreid, en met netten overspannen, om het verwaaien te beletten. Hier omstreeks heeft men ook eenige wasch-bleekerijen. Immers leverde dit ook in ons land een aanzienelijken tak van bestaan op; doch zal zekerlijk door de ongelukkige tijdsomstandigheden ook al veel verminderd zijn. Verder voortwandelende, zag ik nog meêr wol wasschen in een riviertje dat men hierle Leznoemt, de velden langs, en bij dit riviertje gelegen, waarop men de wol droogt, worden in hetPatois,lous Pras de la Lana9genaamd. Naar ik vernam, is deze wijzevan de wol te zuiveren, hier reeds van ouds een voornaam bedrijf, en levert een’ aanzienlijken handel op; men maakt hier ook wollen dekens. De wandelingen beteekenen niet veel. Hier en daar op de hoogtens heeft men wel fraaije gezigten, en treft nu en dan nog al fraaije tuinen en buitenplaatsen aan; maar het lommer, dat lieve lommer, ontbreekt genoegzaam overal. Getroost u dan, Vriend! veroorloven uwe beroepsbezigheden u niet, om buiten ’s lands te reizen, gij woont in het midden van de aangenaamste wandelingen, en ik verzeker u, dat ik nog nergens zulk eene aangename en bevallige verscheidenheid daarvan aangetroffen heb, als men rondomHaarlemvindt.Balsamiqueenaromatiquekruiden en planten groeijen hier omstreeks veel, en worden door de reukwerk-bereiders (parfumeurs) ter dezer plaats woonachtig, wier waren, zoo als gij weet, ook onder ons beroemd zijn, in eene groote hoeveelheid gebruikt. Bij het inkomen van de stad bood mij een aardig meisje lekkere muskadelle druiven, voor den geringen prijs van driesolshet pond, te koop aan; zij had ’er versche broodjes bij; ik kocht van het een en ander, en zette mij op een’ bank, die niet ver van hier stond, neder, daar ik het voor mijn ontbijt met smaak opknapte; want in dit opzigt val ik in ’t geheel niet verlegen. Dat de mist hier niet overvloedig zijn moet, blijkt; want niet alleen paarden-, maar allerlei soort van straatmist wordt hier langs de straten en wegen, zoodra het ’er maar nedergeworpen is, opgeraapt, en op ezels geladen; eens zelfs zag ik twee jongens elkanderen bijna inhet haar zitten, om een hoopje paardenmist. Deze mist dient dan ook voor den land- en tuinbouw, en niet zoo als bij ons, om aan vreemden te verkoopen.—Hier aan kan ik toch nooit denken, zonder mij te ergeren.Door een’ aanbevelingsbrief aan iemand, die naverwant was aan den ProfessorBroussonet, hadden wij bijzondere gelegenheid, om de zoo vermaarde Faculteit der Geneeskunde alhier te zien. Het gebouw, dat menl’Universiténoemt, is digt bij de hoofd- ofSt. Pieterskerk. De HeerBroussonet,Professeur de Clinique interne, ontving ons zeer vriendelijk, doch daar hij het drok had, moetende dadelijk bij eenexamentegenwoordig zijn, gaf hij order, om ons al het merkwaardige te laten zien. Hij kwam mij voor tusschen de 35 en 40 jaren oud te zijn. Wij begonnen met hetAmphithéatervoor de ontleedkunde, dat een schoon gebouw is, met een koepel, waarin een lantaarn, waardoor het licht valt; de zitbanken zijn, zoo als gewoonlijk, trapsgewijze en in de rondte geplaatst, en men zeide, dat dit Amphithéater 2000 menschen bevatte. Ik zag ’er ook het borstbeeld van den bekenden ChimistChaptal, zoo ik meen, Oom van den voormaligen Minister van binnenlandsche zaken teParijs, en schrijver van een werk genaamd,Elémens de Chimie. Vervolgens zagen wij de boekerij, die men zegt, dat in het vak der geneeskunde al zeer volledig is. Men toonde ons verscheidene fraaije en kostbare werken, met afgezette platen, enz. Deverzameling van geraamtens,dissecaties,injecties, enz. vond ik niet zoo aanmerkelijk, als ik wel verwacht had; en de ontleedkundige afbeeldingen in wasch, die ik hier gezien heb, kwamen mij veel minder voor dan die, welke men in het Kabinet vanBertrandteParijsziet. Dit verwonderde mij omtrent de vermaardste geneeskundige Faculteit van geheelFrankrijk. Men was reeds bezig met het examen in een ruime zaal, waar wij ook onder de toehoorders, welker getal echter niet zeer aanmerkelijk was, plaats namen. De Candidaat, die wel 25 Jaren oud scheen, deed een vertoog (Dissertatie) in deFranschetaal, staande in een gestoelte; achter hem op een zeer verheven plaats zat een van de Professoren, en ter zijde, aan de linkerhand van den spreker, vier anderen, waar onder de HeerBroussonet, van wien ik reeds sprak, en eenMejon, die een vermaard Operateur en Oculist moet zijn; de namen van de anderen heb ik vergeten. Deze Heeren Professoren hadden roode satijnen wijdetoga’saan, met boorden van wit bont, en roode mutsen op met een zwart en goud boord. Het examen ging niet gemakkelijk, zoodat de arme Candidaat het al vrij benaauwd kreeg. Ik bleef niet tot het einde, maar vernam naderhand, dat hij nog niet was aangenomen, en verpligt, zich aan een nader onderzoek te onderwerpen. In hoe verre het spreekwoord: ”een nieuwe Arts een nieuw Kerkhof,” gegrond is, zullen wij hier niet onderzoeken; doch zoo ’er al Doctors wezen moeten, doetmen echter wel, van te zorgen, dat ieder zoo maar op zijn eigen houtje niet doctoren kan. Het merkwaardigste dat men in deze zaal ziet, is een metalen hoofd, levensgroot, verbeeldende dat vanHippocrates; het scheen mij, wat de teekening aangaat, keurig uitgevoerd. Men wil, dat het vele jaren geleden in of omAthenegevonden is, en van daar naarRomevervoerd werd, waar het, tot de Pauselijke oudheden en kunststukken behoorende, door deFranschengevonden en genomen, en eindelijk aan deze Universiteit gegeven is. Ik had het reeds, voor dat het examen begonnen was, van nabij bezien en bewonderd. Volgens sommige geschiedschrijvers, zou de geneeskundige Faculteit vanMontpellier, reeds in 1220 zijn opgerigt; en men meent dat deSaracenenen Joden, die een groot deel vanMontpellieruitmaakten, ’er de geneeskunde, die toen meerder vorderingen onder hun dan onder andere volkeren gemaakt had, bragten. De vermaardeRabelais10alhier in de geneeskunde gestudeerd hebbende, werd volgens oud gebruik, met een tabbaart bekleed, die men vervolgens deTabbaard van Rabelaisnoemde, en waarmede men na dien tijd alle de nieuw aangenomen Doctoren bekleedde. Deze tabbaard was bij de Studenten in groote achting, zoo dat ieder doorgaans trachtte, om ’er een stukje tot een aandenken aftescheuren, en hier door, en door den tijd, was dit kleed eindelijkniet meêr bruikbaar, doch, zoo als het doorgaans met diergelijke dingen gaat, het werd meêr dan eens vernieuwd, en het laatste ging zoo wel voor een achtingwaardige oudheid door als het eerste. De geneeskundige Faculteit vanMontpellieris nog beroemd, en vele vreemdelingen, en in vredestijd, bijzonderEngelschen, die hier om hun Guinjes dan ook zeer geacht zijn, komen dezelve raadplegen.—’Er was ook eens een tijd, dat onze Hooge Scholen zeer beroemd waren; vreemdelingen uit alle oorden vloeiden ’er toen in menigte naar toe,—en de naam, vanBoerhaaveklonk met roem de wereld door.—Helaas! waarop kunnen wij thans onzen hoogsten roem dragen?—misschien op ons taai geduld.De kruidtuin, die ter zijde van deplace du Peyrouligt, kwam mij niet zeer ongemeen voor, doch ik beken gaarne, dat mijneBotanischekundigheden zeer bepaald zijn. Men toonde hier eene plaats, waarin men langs eenige trappen afklimt, en alwaar de, door zijn sombere Nachten, zoo bekendeYoungzijne dochter zou begraven hebben; deze plaats is onder een boog of gewelf, en wordtle Tombeau de la fille deYoung11genaamd; doch men ziet ’er niets, dat een grafstede aanduidt. Gij weet, datYoungmet een ziekelijke dochter van zijne vrouw, teMontpellierkwam, om ’er hare gezondheid te herstellen, doch dat dezelve daar overleed; dit gebeurde omtrent 1741. En die zwaarmoedige,en, toen in der daad zeer ongelukkige man, verloor in drie maanden tijds zijne vrouw en hare twee dochters; en deze slag trof hem in den ouderdom van zestig jaren. Tot het Protestantsche geloofsgenootschap behoorende, waar onderYoungzelfs Predikant was, mogt die dochter niet op de gewone wijze, en in zoogenaamde gewijde aarde begraven worden; hij droeg het ligchaam dan zelf bij nacht hier henen, en begroef het met behulp van een tuinmans knecht, die hem door een klein deurtje ter sluip had ingelaten. Eenigen tijd voor de omwenteling vondt men hier, de aarde roerende, dan ook nog eenige beenderen. De te regt vermaarde TooneelspelerTalma, en MadamePetit, beide tot het eerste Tooneel vanParijsen vanFrankrijkbehoorende, bevonden zich hier weinige jaren geleden, en stelden edelmoediglijk eene inschrijving voor, denzelven te gelijker tijd beginnende, om een eenvoudig gedenkteeken op het graf vanNarcissaopterichten, ten einde daar door de schandelijke onregtvaardigheid van het bijgeloof eenigzins te vergoeden, en de gedachtenis van een voornaam dichter te vereeren12. Tot nog toe echter is dit ontwerp niet uitgevoerd. Had het een beeld of altaar in een Kerk betroffen, waarschijnlijk zou het ’er al gestaan hebben.Men was nog drok bezig met bouwen in den kruidtuin (jardin des plantes) aan eene nieuwe kas voor vreemde planten; ook werd ’er, naar ik vernam, van wegens het Gouvernement, ter zijde van dezen tuin, een huis gebouwd voor den vermaarden Professor in de BotanieBroussonet, broeder van dien waarvan ik reeds gesproken heb13. Rondom den tuin is een gemeene wandeling, die nog al aangenaam en zeer lommerrijk is, door de onderscheidene soorten van boomen, die ’er staan. De goedeHendrikden IV. was de stichter van dezen tuin; hij bestond meêr dan 25 jaren voor dien vanParijs, en was de eerste van dien aard, welke inFrankrijkaangelegd is.De stad doorgaande, bragt onze vriend ons in een paar winkels van zuikergoed (dragées) en reukwerken, want wie zou hier verzuimen, om die te bezoeken. Voor het eerste isMontagu, en voor het tweedeRibande voornaamste; men behoeft hier anders na de reukwerkers-winkels niet te vragen, want daar zijn ’er verscheiden, en men wordt ze door de straten gaande, aan den aangenamen reuk gemakkelijk gewaar.Ik heb reeds rijtuig gehuurd, om morgen een reisje in deCevennes, waar men mij veel van verteld heeft, te doen, verwacht hier over dan het een en ander bij mijne terugkomst.1Pepin le Breswas de Vader vanCarolus Magnus, en de eersteFranscheKoning, die zich deed kroonen en zalven met Kerkelijke plegtigheden; dit geschiedde door een legaat van PausZachariasden I., welke Paus hem behulpzaam was, niettegenstaandeChildericde III. door zijn toedoen onttroond, geschoren en in een Klooster was opgesloten, en de Zoon en opvolger van dien Vorst in een ander. De Pausen sprongen ’er toen ook maar vrij luchtig met de zalvingen om. Eenigen tijd, na dat Pepin Koning was, verzocht hij van PausStevenden II. vergeving der misdaad, die hij tegen zijn wettigen Koning, zoo als hij hem zelven noemde, begaan had.2Het woordPeyroubeteekent in hetPatoisvanLanguedocsteenachtig, omdat de grond zeer steenig is. In de eerste tijden van deze stad schijnt dit een marktplaats geweest te zijn; want men vindt in eene acte van het jaar 1156, doord’Aigrefeuille, Geschiedschrijver vanMontpellier, aangehaald:Forum seu mercatum Montispessulana del Peyrou.3Het was door een’ beeldhouwer vanTroyes, genaamdJoly, naar men mij verzekerde, teParijsgegooten, en woeg 45,000 ponden; in 1717 deden die vanMontpellierhet hier oprichten.4Naar men mij verzekerde, is zij niet regt gebouwd om de gronden en landgoederen van eenige voorname personen te vermijden. Welk eene schandelijke inschikkelijkheid bij zulk een werk! want de waterleiding is geen bloot sieraad, maar dient vooral, om het water in verscheidene fonteinen in de stad, en ten algemeene nutte dienende, te brengen.5De oppasser van dit gebouw laat dit en de waterbakken onder hetChateau d’eau, voor een fooitje zien.6Aan die, welke ik hier zag, waren ’er naar gissing, 60 of 70; naar mate de put meêr of min diep is, moet dit getal vermeerderd of verminderd worden.7Het bovenste gedeelte van dit torentje, waarin de klok hangt, bestaat uit eene soort van ijzeren korf. Ik had u nog vergeten te zeggen, dat men diergelijk soort van torens op verscheidene plaatsen inProvenceenLanguedocaantreft; in sommigen ziet men poppen, die op de klok slaan.8Sebastiaan Bourdonwerd in 1616 geboren, en gehoorde tot het Protestantsche Kerkgenootschap; hij iseenigen tijd eerste schilder van de KoninginChristinavanZwedengeweest, en wordt voor een der voornaamste schilders vanFrankrijkgehouden; behalve verscheidene schilderijen, bestaan ’er van hem ook nog teekeningen en geëtst werk. Hij stierf teParijsin 1671.9De wol-velden.10Een van de geestigste schrijvers van de 16de eeuw.11Het graf van de Dochter vanYoung.12Youngheeft ook voor het tooneel gewerkt, en twee Treurspelen van hem, namelijkBusirisende Wraakzijn in het Fransch overgezet.13Hij is ook door zijne kruidkundige werken bekend.

Montpellier, 27 Augustus.

Voor dat ik van mijne afreis vanNismesspreek, moet ik u nog iets van de oudheid en geschiedenis dier stad zeggen. Vermaarde schrijvers het denkbeeld, dat zij door de kinderen vanHerculeszou gebouwd, en wel 3400 jaren oud zijn, als een sprookje verwerpende, stellen, dat die stad haar’ oorsprong verschuldigd is aan dePhoceënsers, dieMarseillete klein vindende, zich hier, zoo wel als teOrange, teNissa, teAntibes, teTurin, en teTarragone, kwamen vestigen. De onderscheideneGriekscheopschriften, teNismesgevonden, schijnen dit te bevestigen; in de landtaal (Patois) heeft men ook verscheidene woorden, die van hetGriekschherkomstig schijnen, als mede deGriekschebenamingen van sommige plaatsen hier omstreeks. Zij bestond dan reeds 400 jaren voor de overwinningen vanFabius Maximusonder deGaulen, en werd toen aan het juk derRomeinenonderworpen. In de 5de eeuw, was zij gedurende zestig jaren, beurt om beurt de prooi derWandalenenGothen; in de 6de maakten deVisi-Gothen’er zich meester van, in de 8ste werd zij door deSaracenenverwoest,aan welkePepin le Bres1haar weder ontrukte, en ’er Ondergraven (Vicomtes) aanstelde, onder de Hertogen vanSeptimanie. Vervolgens namen de Ondergraven vanNismes, en de Graven vanToulouse’er bezit van, en na hun de Koningen vanArragon, die ze in 1258 aanLodewijkden IX. bijgenaamdden Heiligen(St. Louïs) afstonden. Na dien tijd heeft zij door Staats- en geloofsonlusten nog zeer veel geleden, en welke aanmerkelijke veranderingen heeft zij in onze dagen niet ondergaan! Van eene Koninklijke regering onder een Republikeinsch bestuur, en eindelijk onder eene Keizerlijke regering! Thans isNismesde hoofdplaats van het Departementdu Gard, het verblijf van de Prefect, en een Regtbank ter eersterinstantie.

De menschen schijnen hier vlijtig, en in hunne levenswijze vrij eenvoudig te zijn, en men vindt’er verscheidene gegoede burgers. Behalve de fabrieken, waarvan ik reeds gesproken heb, heeft men ’er hier ook nog van wollen en andere stoffen, doch de tijdsomstandigheden zijn daar voor ook al niet gunstig.

Den 24 dezer, ’s morgens vroeg opstaande, ging ik voor het laatst het Amphithéater en andere oudheden nog eens bekijken; op deEsplanaderaakte ik in gesprek met een’ burgerman, die liefhebberij voor kunsten en wetenschappen scheen te hebben, en mij van dit een en ander nog al wat wist te vertellen. Over het algemeen hebben de burgers hier nog al veel op met de oudheden van hunne stad, het geen ik met genoegen bespeurde. De twee torens die deGothenofVisi-Gothen, zich binnen de muren van het Amphithéater versterkende, daarin hadden, gebouwd, zijn ook in het begin van de omwenteling, op last van de Municipaliteit, afgebroken, en de steenen daarvan hebben gediend, om den tuin van het voormalige Kapucijner-Klooster, op deEsplanade, met een muur te omringen. De Kloosters afgeschaft zijnde, dient dit gebouw voor een bijzonder gebruik, ik meen voor een fabriek.

Toen ik voor de Hoofdkerk stond, en die nog eens met aandacht bekeek, bood een boer, die waarschijnlijk bespeurde, dat ik een nieuwsgierige vreemdeling was, mij drie oude koperen munten aan, om te koopen; hij zeî, die niet lang geleden, omstreeks deze stad, naar den kant vanArles, in een boschje gravende, gevonden te hebben. Zij schenen van de eerste Christen tijden te zijn; ikkocht ze voor slechts 24 Fransche stuivers; want meêr vroeg de man niet, en ik raadde hem, om daar omstreeks verder te zoeken, alzoo ’er misschien nog oudheden van meêr belang verborgen waren.

Jean Nicot, die, in 1559 Ambassadeur inPortugalzijnde, vervolgens de Tabaksplant van daar aan aanbragt, welke dan ook na hemNicotianagenaamt werd, is teNismesgeboren.—en dit vergat eenHollanderbijna aan eenHollanderte schrijven. Hij was Doktor in de Medicijnen, en heeft ook eene Fransche en LatijnscheDictionairegeschreven.

’s Morgens om elf uren vertrokken wij met den postwagen, die vanAvignonnaarToulouserijdende hier door komt, totMontpellier, van waar ik u thans schrijve.

De weg was goed, doch de stof verschrikkelijk, want de wegen zijn hier niet gestraat, maar met steengruis opgeworpen, en deze steen, die niet zeer hard is, door de raderen gemalen zijnde, veroorzaakt eene fijne en ligte stof. Reizigers, vanMarseillekomende, verhaalden ons, dat de AdmiraalFreville LatoucheteToulon, waar hij kommandeerde, overleden was; hij bevond zich reeds gevaarlijk ziek, toen wij ’er waren.—Dit is een groot verlies voor deFranschezeemagt.

Het land schijnt hier omstreeks zeer bewoond; wij zagen verscheidene steedjes en dorpjes aan den weg, en van verre liggen. TeLunel, een steedje beroemd bij alle lekkerbekken om den keurigen muscaatwijn, die daar omstreeks groeit, en de muscadelle druiven, die men ook gedroogd in kistjes naaralle oorden verzendt, en die voor eene ongemeene lekkernij gehouden worden, was het juist jaarmarkt en daar door vrij druk; wij hielden ’er een kwartier stil, en hadden dus den tijd om eens rond te zien, en van den lekkeren wijn te proeven. Zij wordt in kleine flessen van licht groen glas, die verzegeld zijn, en waarop een briefje geplakt is, verkocht; wij betaalden voor zulk een fles 50sous. Met genoegen zag ik de boeren op de markt met elkanderen, bezig met het koopen en verkoopen van vee, bijzonder schapen, ezels en muilezels; het gaat daar bijna zoo al op dezelfde wijze toe, als op onze markten.

Hier zijn ook vele Protestanten. In vroegere tijden was deze plaats meest door Joden bewoond, en de vermaarde RabbiSalomon Jarchihad hier zijn school. Behalve de stof is de weg niet onaangenaam, en tamelijk vlak; de voorname vruchten, die deze landstreek oplevert, schijnen olij en wijn te zijn. Ten 6½ uur kwamen wij teMontpellieraan; die stad op een hoogte gelegen, doet zich aangenaam op. Wij stapten af aan het Hotèldu Midi, digt bij den Schouwburg, en de voornaamste gemeene wandeling.NismesenMontpellieris 6½ post van elkanderen gelegen.

Den 25 dezer, na de stad eens doorgeloopen te hebben, ging ik de gemeene wandeling, deEsplanadegenaamd, bezigtigen; zij is vrij groot; en met regte rijen boomen beplant, doch welke ’er niet wel schijnen te kunnen groeijen, want zij zien ’er dor en kwijnende uit; hoewel zij reeds 80 jarenoud zijn; want deze wandeling werd door den Hertogde Roquelaure, Kommandant van de Provincie, in 1724 aangelegd, geven zij nog maar weinig lommer, en men zou denken, dat zij ’er naauwelijks de helft van dien tijd gestaan hadden. Aan ieder eind van deze wandeling is een ronde vijver of kom met water, en in het midden staat een vrij hooge kolom, waarop een Vrijheidsbeeld van geelachtigen steen, dien men hier omstreeks vindt. De citadel, die aan den eenen kant van deze wandeling gelegen is, werd doorLodewijkden XIII. na de belegering van deze stad gebouwd, om de Protestanten in teugel te houden. Ik ging ’er in, doch zag niets bijzonders. ’Er staan uitgestrekte gebouwen, die voordezen voorcasernendienden. Op de wallen rondom, heeft men een schoon gezigt, tot in deMiddellandsche Zee; naar ik vernam, moest deze vesting eerstdaags gesloopt worden, de grond en afbraak is aan de stad afgestaan. Men was werkelijk bezig met de grachten te dempen. Inwendig isMontpellierook al niet fraai, de meeste straten zijn naauw, krom, en op en neder loopende. In de groote straat (grande rue), die nog al redelijk breed is, zijn de fraaiste winkels en Koffijhuizen: vooral in dat gedeelte van de stad, is het ook vrij levendig.La place du Peyrouis eene gemeene wandeling; aan de andere zijde van de stad (met betrekking tot deEsplanade) en op het hoogste gedeelte van den heuvel, waarop zij gebouwd is, gelegen; men komt ’er op door een fraaije poort of zegeboog, die met afbeeldingenen basreliefpronkt,welke keurig gewerkt zijn; een van dezelve verbeeldt den Godsdienst, te weten den Roomschen; die de ketterij, dat is het Protestantsch geloof, vernietigt; het opschrift dat ’er onderstond, heeft men ’er in het begin van de omwenteling uitgehouwen. Door deze poort ziet men op een’ zekeren afstand een sierlijk gebouw, het is een water-kasteel (Chateau d’eau) zeskant van gedaante; de buitenzijde pronkt met twaalf geribde pilaren van Corinthische orde, en van binnen staan ’er zes diergelijken, en in ’t midden van dezelve een fraaije ronde kom met water. Men klimt ’er langs verscheidene trappen naar toe, en heeft daar op eene soort van galerij, met een fraai steenen hekwerk en zitbanken omgeven, een allerverrukkendst gezigt. In het zuid-westen ziet men de keten derPyreneschegebergtens, ten noorden over een vrolijk landschap de bergen en rotsen van deCevennes, ten oosten ontdekt men deAlpenin een flaauw verschiet, en ten zuiden ziet men weder over een fraai en aangenaam geschakeerd landschap tot in deMiddellandsche Zee. Het water-kasteel is met fraai en toepasselijk beeldhouwwerk versierd, zoo alsGuirlandesvan netten met allerlei visschen enz. onder hetzelve liet men ons de bakken zien, waarin het water, door de trotsche waterleiding, waarvan ik u hier na spreken zal, gebragt wordt; onder voor dit water-kasteel, is nog een groote vijver, waarin het water uit de binnenste kom, door kleine watervallen loopt. In dezen vijver, waarvan het water zeer helder is, ziet menkarpers, bermen, en eenige goudvisschen. De plaatsdu Peyrou2zelve is rondom met een steenen leuning en zitbanken omringd, en in het midden stond voor de omwenteling een fraai metalen standbeeld, verbeeldendeLodewijkden XIV. te paard3. Sedert eenigen tijd heeft men aan beide zijde ook een rijAcacia-boomen geplant, dat wel noodig is; want het is anders zoo vlak en aan de zon blootgesteld, dat men ’er althans zomers niet anders dan ’s avonds, of ’s morgens zeer vroeg, wandelen kan; doch van deze plaats klimt men aan beide zijden af, en daar heeft men een aangename en lommerijke wandeling onder acacia, platanussen, en ijpeboomen, hoewel deze laatste hier ook niet wel aarden willen; doorgaans worden de bladeren al vroeg in den zomer rood, en van een soort van insecten doorknaagd; thans zagen zij ’er door den buitengewoonen regen nog al vrij wel uit; in het achterstegedeelte van deze wandeling, zijn twee vijvers met springende fonteinen, en hier gaat men door ruime bogen onder de waterleiding (aquaduc) door. De ingangen van deze wandeling zijn met fraaije ijzeren hekken versierd, kortom het geheel is zoo grootsch en prachtig, en voegt zoo weinig bij een stad alsMontpellier, waar men anders bijna niets van dien aard ziet, dat KeizerJosephusde II. hier door reizende, enla place du Peyrouziende, vroeg: ”Waar dat toch de stad was.”

Aan de linkerzijde, als men de stad zal ingaan, ziet men boven de muren van dezelve een vrij hoogen en van boven platten toren uitsteken. Op dezelve zag ik eenige tamelijke groote pijnboomen; dit maakte geene onaardige vertooning. Van hier verder de muren buiten omwandelende, komt men uit aan deEsplanade, en klimt daar langs verscheidene trappen ter dezer plaatse op.

Den 26 dezer wandelde ik ’s morgens om 5½ uur reeds naar buiten, om deAquaduc, waar ik u van gesproken heb, en die ik reeds van deplace du Peyroubewonderde, nader bij te beschouwen. Ik ging den grooten weg op, tot het begin van deze waterleiding, dat is een half uurtje van de stad; hier staat een steenen huisje, waarin de buizen, door welke het water van de bronSt. Clement, omtrent een uur van daar geleid wordt, uitkomen; dit huisje is geplaatst op een’ heuvel, de helling van denzelven volgende, heeft men eerst ter lengte van eenige passen een muurwerk zonder bogen; vervolgens lager afklimmende,komt men aan de kleine bogen, en daarna aan de groote; daar de kleinen boven opstaan; want dezeAquaducbestaat uit twee verdiepingen, in denzelfden smaak als de twee bovenste van dePont du Gard. Jammer is het, dat zij niet regt, maar met een elleboog gebouwd is4; tot dezen hoek of elleboog, naar de stad gaande, telde ik 59 kleine en 10 groote bogen, en van daar 123 kleine en 40 groote, dus in ’t geheel 182 kleine op 50 groote bogen of poorten, behalve de twee, die nog in de onderste wandeling van deplace du Peyroustaan. Volgens mijne afmeting is zij 970 treden lang, tot aan den muur van deplace du Peyrou. De bovenste of kleine bogen zijn ook aan de binnen zijde boogsgewijze gemaakt, zoodat men daar van deplace du Peyroulangs een trap bijklimmende5, ’er in ziet, als in een lange galerij, nimmer heb ik fraaijerperspectiefgezien, en nog ziet men maar tot den hoek of elleboog. Ik beschrijf dit wat omstandig, omdat vele schrijvers ’er geennaauwkeurig verslag van doen, en mij dunkt, dat het der moeite wel waardig was. Omtrent het midden van de afgeloopen eeuw, werd dit groote werk ondernomen; en eenPitot, in de water-werktuigkunde bekwaam, met de uitvoering daar van belast.

De morgenstond schoon zijnde, wandelde ik weder naar de akkers terug; onder aan de bogen van deAquaductegen den zonkant, zag ik verscheidene hagedissen, die overal in het zuiden vanFrankrijkzeer algemeen zijn, doch nergens zag ik ’er meêr bij elkanderen dan hier; sommige zijn wel een span lang, doch zij doen hoegenaamd geen kwaad. De grond, hoewel van natuur schraal, levert, door de bewerking en bemesting, echter akkers, konstweiden, meestal van Lucerne-klaver, en moestuinen, op; deze laatsten moet men gedurig bevochtigen, en dat geschiedt op de volgende wijze: bij de meeste tuinen is een put gegraven, die eene vrij wijde opening op een heuveltje heeft; digt bij deze opening is een rosmolen, waarin een paard of muilezel loopt, en door de gewone werking van die molens, een redelijk breed rad in den mond van de putverticaalbeweegt. Aan dit rad hangt een soort van touwladder, waaraan verscheidene aarden potten of kruiken onder elkanderen geplaatst zijn6, dezeladder los om het rad hangende, gaat dezelve door de draaijing op en neder, zoo dat de onderste kruiken water scheppen, en de bovenste het uitstorten in een bak tegen de put geplaatst, uit welken bak het dan door een buis of buizen afloopt in den tuin, door groeven ten dien einde gemaakt, dezelve overal bevochtigende, en langs en op de bedden loopende. Deze wijze van begieten zou in deMeijerijvan denBosch, en andere hooge landen bij ons, ook zeer wel te pas komen, en scheen mij toe, de put gegraven zijnde, niet zeer kostbaar te zijn. De groentens in soorten stonden daar dan ook vrij frisch. Anders ziet men hier omstreeks weinig vrolijk groen; de vale olijfboom, de wijnstok en de moerbeziënboom, die in de lente, en het begin van den zomer schier bladerloos is, omdat het blad voor de zijwormen geplukt wordt, deze zijn het, die men in een groot deel vanProvenceenLanguedochet meeste aantreft, en men mag onze Vaderlandsche vlakke gronden eenzelvig noemen; zij hebben een veel weelderiger en aangenamer voorkomen, dan de landen, die men over het algemeen in het zuiden, en zelfs in het grootste deel vanFrankrijk, dat ik gezien heb, vindt. Wat is het bovendien aangenaam, dat men zoo vele goede en nuttige dieren, zoo vrij en vrolijk in de weide ziet omspringen en huppelen; hier zijn zij bijna altijd onder het juk of op de stallen, als in eene gevangenis opgesloten. Bij ons geeft een koe hare melk, en leeft althans zomers genoegzaamvolkomen in haren natuurstaat, zij ziet ’er gezond en vrolijk uit, terwijl hier het magere kwijnende koeitje, dat ’er doorgaans morsig uitziet, op den stal vermuft, of zelfs nog wel een kar moet trekken. Bij ons spant de landman ’s avonds zijn paard uit, en brengt het naar de weide; daar loopt het vrolijk heen, rolt zich in het lange gras en vergeet zijne moeite en arbeid; het heeft ook zoo wel als de mensch zijne rustdagen. In ons Vaderland gebruikt men de dieren, ten minste op het land, en vooral daar overvloedige weilanden zijn, om zoo te spreeken, als bedienden—hier zijn het ellendige slaven.—Ja, Vriend! wat men ’er ook van zeggen moge, ons Land is in alle opzigten een land waar Vrijheid en Welvaart wonen willen! en God geve, dat wij het toch eindelijk onder elkanderen hierin eens mogen worden, om met vereende kragten alles in het werk te stellen, tot handhaving van onze vrijheid en onafhankelijkheid, en alzoo tot bevordering van ons wezenlijk heil; want zonder vrijheid kunnen wij veel minder dan andere landen bestaan; zij is immers genoegzaam onafscheidelijk aan onze Vaderlandsche bodem verbonden? en wee ons! indien wij haar van daar, door schandelijke onverschilligheid en gebrek aan Vaderlandsche deugden, verjagen.

Hier over peinzende, ging ik de stad weder in, want het begon reeds warm te worden; en vervolgens, na wat ontbeten te hebben, de Protestantsche Kerk (Temple de Protestants) zoo als men die inFrankrijknoemt, opzoeken: want het was zondag,en ik wist, dat hier vele inwoners tot dat Geloofsgenootschap behoorden. Deze Kerk staat in een der voorstedenle Faubourg de Lattesgenaamd, voorheen behoorde zij ook tot een Klooster; inwendig is dit gebouw zeer netjes opgemaakt, en ’er is een fraaije zaal voor den Kerkenraad. De tafel voor het Nachtmaal blijft altijd in de Kerk staan. Zij bestaat uit een’ marmeren blad, op twee, naar den antieken smaak, gewerkte schragen van gemarmerd hout. ’Er was geen orgel, doch men zong ’er redelijk wel, ten minste schreeuwde men ’er zoo vervaarlijk hard niet, als doorgaans bij ons. De Gemeente was vrij talrijk, en scheen met aandacht te luisteren naar een goed en eenvoudig zedelijk Vertoog, dat door den leeraar zonder veel omslag ofpedanterie, duidelijk werd uitgesproken, en dat niet langer dan een half uur duurde. De Diaken, welke aan de deur stond, en dien ik bij het uitgaan mijn aalmoes reikte, boog het hoofd, zeggende:Que Dieu vous le rende!Zoo hier als teNismes, zag ik verscheiden Roomschgezinden, (zoo het scheen; want zij maakten tusschen beiden een kruis) den Godsdienst van het begin tot het einde bijwonen.—Met hoe veel genoegen zag ik dit bewijs van broederlijke verdraagzaamheid. Voor aan de straat was men bezig, om deze Kerk met een fraai portaal van gehouwen steen te versieren; het was reeds aanmerkelijk gevorderd: op dezelve staat ook een torentje met een klok, en men luidt ’er eveneens als teNismes, bij het aangaan van dendienst7. Van hier ging ik de Hoofdkerk bezigtigen; zij is, zoo men wil, door PausUrbanusden V., die in 1370 gestorven is, gebouwd. Het portaal bestaat uit twee torens met een gewelf ’er tusschen, en gelijkt eerder naar den ingang van een vesting- of ridderslot, dan naar dien van een Kerk, Boven het koor staat nog een fraaije en hooge toren. Inwendig is zij ruim, vrij licht, en naar het schijnt onlangs opgemaakt. Het merkwaardigste, dat men hier ziet, is het groote en vermaarde schilderij vanBourdon, in deze stad geboren. Dit schoone stuk is aan het eind van het koor geplaatst, en verbeeldtSimonden Toovenaar, zijne kunsten voor KeizerNero, in tegenwoordigheid vanPetrusenPaulus, doende. Hij wordt door de duivelen, want die moeten toch altijd in het spel komen bij soortgelijke dingen, in de lucht opgeheven, enz. De hoofden vanSt. PieterenSt. Paulus, worden bijzonder in dit stuk bewonderd.Bourdonheeft ’er ook zijn eigen afbeelding (portrait) in gemaakt, en is te erkennen daar aan, dat hij naar de aanschouwers gekeerd is, en ook eenigzins eenmodernervoorkomen heeft8. Het stuk kwam mij voorwat hoog geplaatst te zijn, doch heeft een goed licht. Aan beide zijden van hetzelve ziet men twee andere groote schilderijen; verbeeldende insgelijks geschiedenissen tot die vanSt. PieterenSt. Paulusbehoorende; wantSt. Pieteris de patroon van deze Kerk; deze stukken schenen mij ook wel bezienswaardig te zijn; doch wie ’er de meester van was, wist men mij niet te zeggen. Van de Kerk sprekende, moet ik u eene afschuwelijke gebeurtenis verhalen, die hier in vroegere eeuwen plaats gehad heeft. Een der Bisschoppen vanMaquelone, voorheen eene aanzienlijke, doch thans vervallen stad, niet ver vanMontpellier, willende omtrent het jaar 1250, zijne onderhoorige Geestelijken, die vrij zedeloos en losbandig waren, tot het betrachten van hun’ pligt terug brengen; besloten deze monsters om zich van zulk een’ strengen zedemeester te ontdoen, en vergiftigden ten dien einde dehostie, die hij moest gebruiken om te communiçeren; zij bereikten maar al te wel hun oogmerk, want de redelijke Bisschop overleed wel dra aan de gevolgen van het vergift. Hoe gruwelijk deze moord op zich zelven ook reeds zijn moge, in het oog van Roomschgezinden vooral moet zij allerafgrijsselijkst wezen.

’s Avonds ging ik in den Schouwburg; het is eenvrij gnap gebouw, digt bij deEsplanade; voor hetzelve is een fraaije fontein met een groep, verbeeldende de drie bevalligheden, van wit marmer. Inwendig stond mij de zaal ook wel aan. Men gaf ’er eenBalletenles Miletiens,Opera,à grand spectacle. De dekoratien waren vrij wel, doch de rest beteekende niet veel. Het zingen bijzonder was nog minder als redelijk, en ik, die buiten dien geen groot liefhebber van Opera’s, en vooral niet van Balletten ben, liep ’er al schielijk uit, en ging liever op deEsplanadewandelen, waar het in den maneschijn allerliefst was.

Heden den 27 stond ik weder vroeg op, want ik herhaal het, men moet, in deze warme landen, vooral van den morgenstond gebruik maken, en ging eene wandeling buiten de stad doen. Het eerste dat mijne aandacht trok was een wol-bleekerij; de wol gewasschen zijnde werd op het veld uitgespreid, en met netten overspannen, om het verwaaien te beletten. Hier omstreeks heeft men ook eenige wasch-bleekerijen. Immers leverde dit ook in ons land een aanzienelijken tak van bestaan op; doch zal zekerlijk door de ongelukkige tijdsomstandigheden ook al veel verminderd zijn. Verder voortwandelende, zag ik nog meêr wol wasschen in een riviertje dat men hierle Leznoemt, de velden langs, en bij dit riviertje gelegen, waarop men de wol droogt, worden in hetPatois,lous Pras de la Lana9genaamd. Naar ik vernam, is deze wijzevan de wol te zuiveren, hier reeds van ouds een voornaam bedrijf, en levert een’ aanzienlijken handel op; men maakt hier ook wollen dekens. De wandelingen beteekenen niet veel. Hier en daar op de hoogtens heeft men wel fraaije gezigten, en treft nu en dan nog al fraaije tuinen en buitenplaatsen aan; maar het lommer, dat lieve lommer, ontbreekt genoegzaam overal. Getroost u dan, Vriend! veroorloven uwe beroepsbezigheden u niet, om buiten ’s lands te reizen, gij woont in het midden van de aangenaamste wandelingen, en ik verzeker u, dat ik nog nergens zulk eene aangename en bevallige verscheidenheid daarvan aangetroffen heb, als men rondomHaarlemvindt.Balsamiqueenaromatiquekruiden en planten groeijen hier omstreeks veel, en worden door de reukwerk-bereiders (parfumeurs) ter dezer plaats woonachtig, wier waren, zoo als gij weet, ook onder ons beroemd zijn, in eene groote hoeveelheid gebruikt. Bij het inkomen van de stad bood mij een aardig meisje lekkere muskadelle druiven, voor den geringen prijs van driesolshet pond, te koop aan; zij had ’er versche broodjes bij; ik kocht van het een en ander, en zette mij op een’ bank, die niet ver van hier stond, neder, daar ik het voor mijn ontbijt met smaak opknapte; want in dit opzigt val ik in ’t geheel niet verlegen. Dat de mist hier niet overvloedig zijn moet, blijkt; want niet alleen paarden-, maar allerlei soort van straatmist wordt hier langs de straten en wegen, zoodra het ’er maar nedergeworpen is, opgeraapt, en op ezels geladen; eens zelfs zag ik twee jongens elkanderen bijna inhet haar zitten, om een hoopje paardenmist. Deze mist dient dan ook voor den land- en tuinbouw, en niet zoo als bij ons, om aan vreemden te verkoopen.—Hier aan kan ik toch nooit denken, zonder mij te ergeren.

Door een’ aanbevelingsbrief aan iemand, die naverwant was aan den ProfessorBroussonet, hadden wij bijzondere gelegenheid, om de zoo vermaarde Faculteit der Geneeskunde alhier te zien. Het gebouw, dat menl’Universiténoemt, is digt bij de hoofd- ofSt. Pieterskerk. De HeerBroussonet,Professeur de Clinique interne, ontving ons zeer vriendelijk, doch daar hij het drok had, moetende dadelijk bij eenexamentegenwoordig zijn, gaf hij order, om ons al het merkwaardige te laten zien. Hij kwam mij voor tusschen de 35 en 40 jaren oud te zijn. Wij begonnen met hetAmphithéatervoor de ontleedkunde, dat een schoon gebouw is, met een koepel, waarin een lantaarn, waardoor het licht valt; de zitbanken zijn, zoo als gewoonlijk, trapsgewijze en in de rondte geplaatst, en men zeide, dat dit Amphithéater 2000 menschen bevatte. Ik zag ’er ook het borstbeeld van den bekenden ChimistChaptal, zoo ik meen, Oom van den voormaligen Minister van binnenlandsche zaken teParijs, en schrijver van een werk genaamd,Elémens de Chimie. Vervolgens zagen wij de boekerij, die men zegt, dat in het vak der geneeskunde al zeer volledig is. Men toonde ons verscheidene fraaije en kostbare werken, met afgezette platen, enz. Deverzameling van geraamtens,dissecaties,injecties, enz. vond ik niet zoo aanmerkelijk, als ik wel verwacht had; en de ontleedkundige afbeeldingen in wasch, die ik hier gezien heb, kwamen mij veel minder voor dan die, welke men in het Kabinet vanBertrandteParijsziet. Dit verwonderde mij omtrent de vermaardste geneeskundige Faculteit van geheelFrankrijk. Men was reeds bezig met het examen in een ruime zaal, waar wij ook onder de toehoorders, welker getal echter niet zeer aanmerkelijk was, plaats namen. De Candidaat, die wel 25 Jaren oud scheen, deed een vertoog (Dissertatie) in deFranschetaal, staande in een gestoelte; achter hem op een zeer verheven plaats zat een van de Professoren, en ter zijde, aan de linkerhand van den spreker, vier anderen, waar onder de HeerBroussonet, van wien ik reeds sprak, en eenMejon, die een vermaard Operateur en Oculist moet zijn; de namen van de anderen heb ik vergeten. Deze Heeren Professoren hadden roode satijnen wijdetoga’saan, met boorden van wit bont, en roode mutsen op met een zwart en goud boord. Het examen ging niet gemakkelijk, zoodat de arme Candidaat het al vrij benaauwd kreeg. Ik bleef niet tot het einde, maar vernam naderhand, dat hij nog niet was aangenomen, en verpligt, zich aan een nader onderzoek te onderwerpen. In hoe verre het spreekwoord: ”een nieuwe Arts een nieuw Kerkhof,” gegrond is, zullen wij hier niet onderzoeken; doch zoo ’er al Doctors wezen moeten, doetmen echter wel, van te zorgen, dat ieder zoo maar op zijn eigen houtje niet doctoren kan. Het merkwaardigste dat men in deze zaal ziet, is een metalen hoofd, levensgroot, verbeeldende dat vanHippocrates; het scheen mij, wat de teekening aangaat, keurig uitgevoerd. Men wil, dat het vele jaren geleden in of omAthenegevonden is, en van daar naarRomevervoerd werd, waar het, tot de Pauselijke oudheden en kunststukken behoorende, door deFranschengevonden en genomen, en eindelijk aan deze Universiteit gegeven is. Ik had het reeds, voor dat het examen begonnen was, van nabij bezien en bewonderd. Volgens sommige geschiedschrijvers, zou de geneeskundige Faculteit vanMontpellier, reeds in 1220 zijn opgerigt; en men meent dat deSaracenenen Joden, die een groot deel vanMontpellieruitmaakten, ’er de geneeskunde, die toen meerder vorderingen onder hun dan onder andere volkeren gemaakt had, bragten. De vermaardeRabelais10alhier in de geneeskunde gestudeerd hebbende, werd volgens oud gebruik, met een tabbaart bekleed, die men vervolgens deTabbaard van Rabelaisnoemde, en waarmede men na dien tijd alle de nieuw aangenomen Doctoren bekleedde. Deze tabbaard was bij de Studenten in groote achting, zoo dat ieder doorgaans trachtte, om ’er een stukje tot een aandenken aftescheuren, en hier door, en door den tijd, was dit kleed eindelijkniet meêr bruikbaar, doch, zoo als het doorgaans met diergelijke dingen gaat, het werd meêr dan eens vernieuwd, en het laatste ging zoo wel voor een achtingwaardige oudheid door als het eerste. De geneeskundige Faculteit vanMontpellieris nog beroemd, en vele vreemdelingen, en in vredestijd, bijzonderEngelschen, die hier om hun Guinjes dan ook zeer geacht zijn, komen dezelve raadplegen.—’Er was ook eens een tijd, dat onze Hooge Scholen zeer beroemd waren; vreemdelingen uit alle oorden vloeiden ’er toen in menigte naar toe,—en de naam, vanBoerhaaveklonk met roem de wereld door.—Helaas! waarop kunnen wij thans onzen hoogsten roem dragen?—misschien op ons taai geduld.

De kruidtuin, die ter zijde van deplace du Peyrouligt, kwam mij niet zeer ongemeen voor, doch ik beken gaarne, dat mijneBotanischekundigheden zeer bepaald zijn. Men toonde hier eene plaats, waarin men langs eenige trappen afklimt, en alwaar de, door zijn sombere Nachten, zoo bekendeYoungzijne dochter zou begraven hebben; deze plaats is onder een boog of gewelf, en wordtle Tombeau de la fille deYoung11genaamd; doch men ziet ’er niets, dat een grafstede aanduidt. Gij weet, datYoungmet een ziekelijke dochter van zijne vrouw, teMontpellierkwam, om ’er hare gezondheid te herstellen, doch dat dezelve daar overleed; dit gebeurde omtrent 1741. En die zwaarmoedige,en, toen in der daad zeer ongelukkige man, verloor in drie maanden tijds zijne vrouw en hare twee dochters; en deze slag trof hem in den ouderdom van zestig jaren. Tot het Protestantsche geloofsgenootschap behoorende, waar onderYoungzelfs Predikant was, mogt die dochter niet op de gewone wijze, en in zoogenaamde gewijde aarde begraven worden; hij droeg het ligchaam dan zelf bij nacht hier henen, en begroef het met behulp van een tuinmans knecht, die hem door een klein deurtje ter sluip had ingelaten. Eenigen tijd voor de omwenteling vondt men hier, de aarde roerende, dan ook nog eenige beenderen. De te regt vermaarde TooneelspelerTalma, en MadamePetit, beide tot het eerste Tooneel vanParijsen vanFrankrijkbehoorende, bevonden zich hier weinige jaren geleden, en stelden edelmoediglijk eene inschrijving voor, denzelven te gelijker tijd beginnende, om een eenvoudig gedenkteeken op het graf vanNarcissaopterichten, ten einde daar door de schandelijke onregtvaardigheid van het bijgeloof eenigzins te vergoeden, en de gedachtenis van een voornaam dichter te vereeren12. Tot nog toe echter is dit ontwerp niet uitgevoerd. Had het een beeld of altaar in een Kerk betroffen, waarschijnlijk zou het ’er al gestaan hebben.

Men was nog drok bezig met bouwen in den kruidtuin (jardin des plantes) aan eene nieuwe kas voor vreemde planten; ook werd ’er, naar ik vernam, van wegens het Gouvernement, ter zijde van dezen tuin, een huis gebouwd voor den vermaarden Professor in de BotanieBroussonet, broeder van dien waarvan ik reeds gesproken heb13. Rondom den tuin is een gemeene wandeling, die nog al aangenaam en zeer lommerrijk is, door de onderscheidene soorten van boomen, die ’er staan. De goedeHendrikden IV. was de stichter van dezen tuin; hij bestond meêr dan 25 jaren voor dien vanParijs, en was de eerste van dien aard, welke inFrankrijkaangelegd is.

De stad doorgaande, bragt onze vriend ons in een paar winkels van zuikergoed (dragées) en reukwerken, want wie zou hier verzuimen, om die te bezoeken. Voor het eerste isMontagu, en voor het tweedeRibande voornaamste; men behoeft hier anders na de reukwerkers-winkels niet te vragen, want daar zijn ’er verscheiden, en men wordt ze door de straten gaande, aan den aangenamen reuk gemakkelijk gewaar.

Ik heb reeds rijtuig gehuurd, om morgen een reisje in deCevennes, waar men mij veel van verteld heeft, te doen, verwacht hier over dan het een en ander bij mijne terugkomst.

1Pepin le Breswas de Vader vanCarolus Magnus, en de eersteFranscheKoning, die zich deed kroonen en zalven met Kerkelijke plegtigheden; dit geschiedde door een legaat van PausZachariasden I., welke Paus hem behulpzaam was, niettegenstaandeChildericde III. door zijn toedoen onttroond, geschoren en in een Klooster was opgesloten, en de Zoon en opvolger van dien Vorst in een ander. De Pausen sprongen ’er toen ook maar vrij luchtig met de zalvingen om. Eenigen tijd, na dat Pepin Koning was, verzocht hij van PausStevenden II. vergeving der misdaad, die hij tegen zijn wettigen Koning, zoo als hij hem zelven noemde, begaan had.2Het woordPeyroubeteekent in hetPatoisvanLanguedocsteenachtig, omdat de grond zeer steenig is. In de eerste tijden van deze stad schijnt dit een marktplaats geweest te zijn; want men vindt in eene acte van het jaar 1156, doord’Aigrefeuille, Geschiedschrijver vanMontpellier, aangehaald:Forum seu mercatum Montispessulana del Peyrou.3Het was door een’ beeldhouwer vanTroyes, genaamdJoly, naar men mij verzekerde, teParijsgegooten, en woeg 45,000 ponden; in 1717 deden die vanMontpellierhet hier oprichten.4Naar men mij verzekerde, is zij niet regt gebouwd om de gronden en landgoederen van eenige voorname personen te vermijden. Welk eene schandelijke inschikkelijkheid bij zulk een werk! want de waterleiding is geen bloot sieraad, maar dient vooral, om het water in verscheidene fonteinen in de stad, en ten algemeene nutte dienende, te brengen.5De oppasser van dit gebouw laat dit en de waterbakken onder hetChateau d’eau, voor een fooitje zien.6Aan die, welke ik hier zag, waren ’er naar gissing, 60 of 70; naar mate de put meêr of min diep is, moet dit getal vermeerderd of verminderd worden.7Het bovenste gedeelte van dit torentje, waarin de klok hangt, bestaat uit eene soort van ijzeren korf. Ik had u nog vergeten te zeggen, dat men diergelijk soort van torens op verscheidene plaatsen inProvenceenLanguedocaantreft; in sommigen ziet men poppen, die op de klok slaan.8Sebastiaan Bourdonwerd in 1616 geboren, en gehoorde tot het Protestantsche Kerkgenootschap; hij iseenigen tijd eerste schilder van de KoninginChristinavanZwedengeweest, en wordt voor een der voornaamste schilders vanFrankrijkgehouden; behalve verscheidene schilderijen, bestaan ’er van hem ook nog teekeningen en geëtst werk. Hij stierf teParijsin 1671.9De wol-velden.10Een van de geestigste schrijvers van de 16de eeuw.11Het graf van de Dochter vanYoung.12Youngheeft ook voor het tooneel gewerkt, en twee Treurspelen van hem, namelijkBusirisende Wraakzijn in het Fransch overgezet.13Hij is ook door zijne kruidkundige werken bekend.

1Pepin le Breswas de Vader vanCarolus Magnus, en de eersteFranscheKoning, die zich deed kroonen en zalven met Kerkelijke plegtigheden; dit geschiedde door een legaat van PausZachariasden I., welke Paus hem behulpzaam was, niettegenstaandeChildericde III. door zijn toedoen onttroond, geschoren en in een Klooster was opgesloten, en de Zoon en opvolger van dien Vorst in een ander. De Pausen sprongen ’er toen ook maar vrij luchtig met de zalvingen om. Eenigen tijd, na dat Pepin Koning was, verzocht hij van PausStevenden II. vergeving der misdaad, die hij tegen zijn wettigen Koning, zoo als hij hem zelven noemde, begaan had.

2Het woordPeyroubeteekent in hetPatoisvanLanguedocsteenachtig, omdat de grond zeer steenig is. In de eerste tijden van deze stad schijnt dit een marktplaats geweest te zijn; want men vindt in eene acte van het jaar 1156, doord’Aigrefeuille, Geschiedschrijver vanMontpellier, aangehaald:Forum seu mercatum Montispessulana del Peyrou.

3Het was door een’ beeldhouwer vanTroyes, genaamdJoly, naar men mij verzekerde, teParijsgegooten, en woeg 45,000 ponden; in 1717 deden die vanMontpellierhet hier oprichten.

4Naar men mij verzekerde, is zij niet regt gebouwd om de gronden en landgoederen van eenige voorname personen te vermijden. Welk eene schandelijke inschikkelijkheid bij zulk een werk! want de waterleiding is geen bloot sieraad, maar dient vooral, om het water in verscheidene fonteinen in de stad, en ten algemeene nutte dienende, te brengen.

5De oppasser van dit gebouw laat dit en de waterbakken onder hetChateau d’eau, voor een fooitje zien.

6Aan die, welke ik hier zag, waren ’er naar gissing, 60 of 70; naar mate de put meêr of min diep is, moet dit getal vermeerderd of verminderd worden.

7Het bovenste gedeelte van dit torentje, waarin de klok hangt, bestaat uit eene soort van ijzeren korf. Ik had u nog vergeten te zeggen, dat men diergelijk soort van torens op verscheidene plaatsen inProvenceenLanguedocaantreft; in sommigen ziet men poppen, die op de klok slaan.

8Sebastiaan Bourdonwerd in 1616 geboren, en gehoorde tot het Protestantsche Kerkgenootschap; hij iseenigen tijd eerste schilder van de KoninginChristinavanZwedengeweest, en wordt voor een der voornaamste schilders vanFrankrijkgehouden; behalve verscheidene schilderijen, bestaan ’er van hem ook nog teekeningen en geëtst werk. Hij stierf teParijsin 1671.

9De wol-velden.

10Een van de geestigste schrijvers van de 16de eeuw.

11Het graf van de Dochter vanYoung.

12Youngheeft ook voor het tooneel gewerkt, en twee Treurspelen van hem, namelijkBusirisende Wraakzijn in het Fransch overgezet.

13Hij is ook door zijne kruidkundige werken bekend.

Vijftiende Brief.Montpellier, 30 Augustus.’s Morgens om 5 uren vertrokken wij met een koets met twee paarden, om ’er drie dagen gebruik van te maken. Het steedje of dorpSt. Gilles, waar wij doorkwamen, levert niets merkwaardigs op. De weg is vrij goed doch bergachtig, en de landstreek dor en steenachtig. Hier en daar ziet men echter nog eenig bouwland en wijngaarden. Op zijde van den weg bespeurde ik op een heuveltje, een soort van kleine tafeltjes, die gemaakt waren door twee of drie steenen, die men op een gelegd had. Daar stonden ’er zoo verscheidene; en zij dienden, naar ik vernam, om de schapen zout op te laten lekken, Omstreeks ten tien uren kwamen wij teSt. Martin de Londres, een naar vervallen stadje; en ik weet niet waarom het ook den naam van de hoofdstad vanEngelanddraagt. De herberg scheen pas opgemaakt, en zag ’er binnen en buiten gnapjes uit, en daar het zeer warm was, besloten wij op verzoek van onzen voerman, om hier wat te vertoeven en het middagmaal te houden. Terwijl men het gereed maakte, ging ik, niets beters te doen hebbende, het plaatsje eens rond. De ingezetenen schenen ijverige lieden, veelal zijden-kousenwevers; dochmet dat al zag het ’er armoedig uit, vooral ook de Kerk, die men, wijl ik geloof dat men geen middelen heeft, om ze te herstellen, wel zou doen om aftebreken, ter voorkoming van ongelukken. Het akkerland, dat hier nog bij lag, zag ’er ook dor en schraal uit. Geen lommer vindende, was ik ras genoodzaakt, om mijne wandeling te staken, en zette mij bij de fontein, die voor de herberg staat, in de schaduw van een’ moerbeziënboom neder; waarschijnlijk is dit de eenige bron, die men hier omstreeks vindt; want ik zat ’er niet lang, of een menigte vee van alle kanten kwam ’er drinken; en jongens en meisjes, mans en vrouwen, hunne kruiken met water vullen; dit scheen voor die arme menschen tevens eene uitspanning te zijn. Men verleende ’er elkanderen een praatje, en vooral de jonge lieden schenen hier hun te zamenkomst (rendez vous) te hebben. Een meisje onder anderen, dat al een poosje onrustig had staan wachten; en al de overigen liet voorgaan aan de fontein, hoewel zij een van de eersten was; zag ik op eenmaal eene vrolijke houding aannemen, toen zij een’ gnappe boeren jongen, met een paar muilezels zag aankomen; nu werd de kruik spoedig gevuld, en men keerde te zamen weder terug. Toen ik mij met deze eenvoudige landlijke tooneelen vermaakte, kwam een lief wichtje, dat nog maar naauwelijks loopen kon, mij streelen, en trachtte op mijn knie te klauteren, terwijl de moeder bezig was, om aan de fontein koren te wasschen; zijn broêrtje, dat wat ouderscheen, kwam ’er bij, en stamelde mij zijnPatoisvoor. Die kindertjes zagen ’er gezond en zuiver uit. Hunne gansche kleeding bestond in een hemdje, en het onschuldig genoegen was op hun gelaat te lezen; ook kwamen zij in ’t geheel niet, om te bedelen; maar alleen, zoo het scheen, uit een gullen en eenvoudigen trek; terwijl ik, als een ongewoon voorwerp, hunne nieuwsgierigheid eenigzins gaande maakte. Zij hielden mij een poos aangenaam bezig; ik maakte ook zoo goed ik kon een praatje met de moeder, die mij eene goede vrouw scheen te zijn; en hoe onbevallig anders het plaatsje ook was, de tijd viel ’er mij niet lang. Het eten was voor den prijs vrij wel, en om één uur vervolgden wij onzen weg, die altijd door een’ dorren berg en rotsachtige landstreek loopt, tot op eene hoogte een kwartier vanSt. Bausille; hier begint de bevallige natuur de nieuwsgierige reizigers voor hunne moeite te beloonen.—Men ziet eene heerlijke schilderij in het dal, waarin dat steedje ligt voor zich, welke door de schielijke verandering des te aangenamer treft.St. Bausilleheeft weinig aanzien, doch armoedig zag het ’er niet uit, en de meeste menschen zaten aan de deur zijde te haspelen of op strengen te winden. De boorden van het riviertjel’ Héraultlangs rijdende, kwamen wij omstreeks vijf uren teGanges; men rekent deze plaats omtrent acht uren gaans vanMontpellier, en daar men schier aanhoudend op en afklimt, kan men doorgaans ook al niet anders dan stapvoets rijden.Wij traden hier af aan deherberg het witte kruis (la Croix Blanche), en gingen het stadje bezigtigen, dat mij wel beviel, zijnde ruim en vrolijk gebouwd; de huizen zien ’er wel onderhouden uit, en men kan duidelijk zien dat hier ijver en goede orde heerschen; ’er is ook eencoursof gemeene wandeling, en nog een regte breede straat aan beide zijden met boomen beplant. Pracht of grootheid bespeurt men ’er niet; alles heeft een eenvoudig, doch net en bevallig voorkomen.—Dit kon men misschien ook eens van ons Vaderland zeggen, en toen ging het ons wel.—In de Roomsche Kerk ziet men zoo weinig opschik, dat, indien ’er geen altaar stond, men zou meenen in eene Protestantsche Kerk te zijn; tot welk Kerkgenootschap het grootste gedeelte der ingezetenen dan ook behoorde. Ik ging hunne Kerk zien, die voor de omwenteling aan een Klooster toekwam. De Predikantsvrouw, die ik hier sprak, en die zeer vriendelijk was, verhaalde mij, dat deze Kerk veel te klein zijnde voor de gemeente, men reeds een ontwerp gemaakt had, om die te vergrooten; de grond, die ’er bij behoorde was groot genoeg, en ik merkte wel, dat het aan geen geldmiddelen zal haperen; ook zijn hier onder de Protestanten verscheiden bemiddelde lieden.Den 29 ’s morgens om 6 uren reden wij naarle Vigan, een ander stadje in deze landstreek; men volgt de boorden vanl’Hérault, die tusschen twee ketens bergen al ruischende doorstroomt;—grootsche gezigten of ontzaggelijke vertooningen levertde natuur hier niet op; alles is lief en bekoorlijk, en om zoo te spreken, meêr onder het bereik van den mensch. De bergen zijn groen; hier en daar ziet men een woning, overal treft men castanje-, moerbeziën en andere boomen; de Natuur had hier haar lentegewaad nog aan, en het groen zag ’er zoo jeugdig uit, als bij ons in de maand Mei. Een half uur vanGanges, aan den anderen kant van het riviertje, ligt het buitengoed van den HeerMejan; eer men daar komt, ziet men aan dien zelfden kant, tusschen twee rotsen, in een ander riviertje, dat zich hier metl’Héraultvereenigt, over een dam van steenen, die ’er inligt, een kleinen waterval rollen. Onze waardin had ons geraden, om, hoewel wij den HeerMejanniet kenden, of geen brieven aan hem hadden, hem evenwel vrijelijk een bezoek op dit zijn buitengoed te gaan geven, met verzekering, dat wij ’er wel zouden ontvangen worden, en wel te vreden zijn over de ligging van dat verblijf. Wij gingen ’er dan ook heen. Over den berg, waarop het gelegen is, kan men met het rijtuig door het riviertje rijden, en van daar klommen wij te voet op de hoogte, langs een kronkelpaadje, aan beide zijden met moerbeziën en andere boomen beplant, welke door kleine beekjes aanhoudend besproeid worden, en daar door een verwonderlijk frisch en tierig aanzien hebben; de uitwaseming van duizende geurige planten en bloemen, die hier in het wild groeijen, overtreft al, wat de reukwerk-kramers vanMontpellierin hunne winkels hebben. Aan den ingang van eene lommerrijke laan, die naar het huisgeleidde, zagen wij een kloek man aankomen, met een buisje en lange broek aan, een ronde witten hoed op, en een wandelstok in de hand—het was de HeerMejanzelf, voornemens zijnde, om zijne arbeiders te gaan bezoeken; ik gaf hem ons voornemen te kennen, en hij ontving ons op de gulste en vriendelijkste wijze; en hoe zeer wij hem verzochten, om zich om onzenwille niet op te houden, hij wilde ons zelf in zijne tuinen en verrukkelijke boschjes rond leiden. Achter ons aan het eind van de laan, die zich als een groen gewelf vertoonde, en regt over den ingang van het huis is een fraaije waterval, die door een bron, die hooger op de rots ontspringt, altijd van water voorzien wordt, en dus onophoudelijk loopt. Toen wij ons weder omkeerden, had men intusschen een kraan geopend, waardoor wij, door het huis heen, aan den anderen kant van hetzelve een schoonen watersprong tegen de zon zagen, terwijl de rotsen aan den anderen kant van het riviertje, waar men den straal water tegen zag, nog niet door de zonnestralen verlicht waren; dit deed eene fraaije uitwerking. Eer wij verder gingen, gaf de gastvrijeMejanaan zijn’ knecht last, om een paar flessen wijn in een koele bron te zetten, en wat vruchten enz. in gereedheid te houden, zeggende tegen ons: “Gijlieden hebt zekerlijk nog niet ontbeten, als wij terugkomen, willen wij te zamen een stuk eten.” Zulk eene hartelijke wijze van aanbieden, duldde geen weigering; daar bij boezemde hier alles eene soort van vrijpostigheid in, die men nimmer in lusthovenof paleizen der gewone rijken, of bij de meesten zoogenaamde grooten gevoelt. Alles geschiedt daar, vooral wanneer zij met lieden te doen hebben, die zij niet kennen, met eene stijve wellevendheid; gebrek aan gulheid en vertrouwen straalt overal in door; alles is kunst, niets natuur.—Neen! met hun kan hij, die vrij en voor de vuist is, niet te regt; en hoe zeer onbeschoftheid zeer onaardig is, ik heb nog liever met een’ grooten lompert te doen, dan met sommige lieden, die uitermate vriendelijk en wellevend zijn; want die soort van vriendelijke wellevendheid, die wij hier aantroffen, vindt men juist niet zeer algemeen, en vooral niet in de groote steden vanFrankrijk, anderzins om de beleefdheid en welvoeglijkheid zoo beroemd; en daar de vriendschapsbetuigingen, uitdrukkingen van deelneming, van medelijden, of vreugde, van dienstaanbieding en diergelijk, even eens geleerd worden als het A. B. C., waar eene wel opgevoede Dame zich te gelijker tijd bezig houdt met de klagten van eenen ongelukkigen aan te hooren, daar over tranen te storten, en eene kleeding voor het naaste bal aan hare modekraamster te bestellen, of een’ brief van rouwbeklag over het afsterven van eene harer beste vriendinnen te schrijven, en onderwijl ook de aankondiging van eene nieuwe Opera te lezen;—doch keeren wij tot de beschrijving van dien bekoorlijken lusthof weder terug.—Overal treft men hier eene verscheidenheid van schilderachtige gelegenheden aan, en zonder juist zeersentimenteelofromaneskte zijn, is men verrukt en opgetogen bij het beschouwen van dezelve. De kunst heeft hier en daar wel wat geholpen, doch op zulk eene behoedzame wijze, dat alles genoegzaam natuur schijnt. Aan de linkerhand, eer men aan het huis komt, bewondert men een hol of nis in de rots, uit welkers bovenste gedeelte het water loodregt valt. Van boven, is deze nis bedekt door struiken van palm en klimop, die met bevalligeGuirlandeslangs dezelve afhangen: uit den tuin ofterrasachter het huis heeft men een allerliefst gezigt op de omliggende bergen en rotsen; op het riviertje en den weg langs hetzelve, en men klimt langs een eng voetpadje, aangenaam belommerd, of met bloeijende struiken, zoo als dealthéaenz. ter zijde beplant, naar een aardig tuinhuisje, van buiten als een boerenhutje gemaakt; in ’t voorbijgaan ziet men een bergje, waarin eenige tamme konijnen hun verblijf houden. Vervolgens kruipt men door spleten van de rots, of men gaat door enge gangen, en over een brugje, waar van de leuningen aardig met wilde wijngaardranken door de natuur omwonden zijn, tot aan een Kluizenaarsverblijf. Van daar voortwandelende, komt men in een grot, alleen door een spleet, die in de rots is, verlicht, en welke, dunkt mij, een allergeschiktste rustplaats is voor teedere, zwaarmoedige, voor verliefde zuchtjes of gevoelvolle romançes. Dan treft men weder een kleinen vijver met helder water, waarin karpers en andere visschen, aan. Dit alles ligt tegen de helling van den berg, en deHeerMejanverhaalde mij, dat hij in een beek aan de voet van denzelven, een menigte kreeftjes had van de soort, die hij vanVauclusehad laten komen, en in het riviertjel’Héraultvindt men zeer goede forellen. Het wild is hier ook niet schaars; olij en wijn groeit ’er in overvloed. De moestuin en vruchtboomgaard scheen wel voorzien, en de weiden, op en tusschen de bergen, voeden talrijke kudden, zoo dat het hier ook in dat opzigt zeer wel te houden is. De bronnen, die men hier op de bergen heeft, brengen het meest toe tot deze vruchtbaarheid. Uit dezelve loopt eene menigte beekjes, aan alle kanten, langs dezelve af, en bevochtigen de aarde, die op de steenrotsen ligt, zoo dat men zich geen vrolijker en levendiger wasdom kan voorstellen.—Alles boezemt hier als ’t ware genoegen en stille te vredenheid in,—alles lagcht en juicht u tegen;—en nog haperde ’er in dit jaargetij iets aan dat jeugdig en vrolijk gelaat der natuur. De vogelen zongen niet meêr. De HeerMejanzeî mij, dat tegen den tijd, dat de natuur hier uit haar’ slaap ontwaakt, welke slaap in dit bergachtige land vrij lang duurt, het dan bijzonder levendig en vrolijk is door de groote menigte van zoovelerlei soort van vogelen, welke zich hier ophouden. Nu gingen wij ook de bronnen zelve op het bovenste gedeelte van den berg zien; het water van een derzelve was genoegzaam ijskoud, en naar men mij verzekerde van eene uitmuntende hoedanigheid; zoo dat, als men, wat meêr dan gewoonlijk gegeten hebbende, hier van een glas gebruikte,men duidelijk bespeurde, dat de spijsvertering daar door bevorderd werd. In een aangenamen koepel, aan beide zijden met ramen, en welke het voornaamste vertrek van deze, alleen voor het gerijf geschikte, woning uitmaakt, stond een ontbijt, meestal uit smakelijke vruchten, zoo als persiken, peren, druiven, en vooral ook vijgen, die ik nimmer lekkerder gegeten heb, benevens brood en wijn bestaande. Wij deden ons hier aan dan ook ter deeg te goed, want de gulhartigeMejanwas niet te vreden dat wij slechts proefden, wij moesten eten, ter deeg eten. Hij verhaalde ons, dat hij vooral met een zijden kousen-fabriek, die hij teGangeshad, een aanzienlijk vermogen had gewonnen, doch al eenige jaren geleden den handel had vaarwel gezegd, en aan zijne kinderen overgelaten; dat hij sedert altijd buiten woonde, en zich alleen met den landbouw, en het bestuur van zijne landgoederen, die zeer uitgestrekt zijn, bezig hield; dat hij dit aangenaam verblijf, dat bij zijne Hermitage noemde, zelve had aangelegd, en voor een groot deel beplant; zijnde verpligt geweest, om hier en daar eene aanmerkelijke hoeveelheid aarde op de rots te laten brengen. Hij zei, dat hij veel van deHollandershield; nu, hij gaf ons daar ook een blijk van, en om de maat van zijne vriendelijkheid vol te meten, noodigde hij ons, om ’s avonds in het terug komen, andermaal eenige ververschingen bij hem te nemen, en om onze landgenooten en andere reizigers, die deze streek mogten komen zien, te verzoeken,van hem niet voorbij te gaan. Hoe zeer wij zulks trachtten te beletten, geleidde ons de goede man in het heen gaan, langs een ander voetpadje als wij gekomen waren, een eind weegs den berg af, tot daar hij ons den weg, dien wij te houden hadden, kon aanwijzen, en hier drukte ik hem met aandoening en hartelijke tevredenheid de hand, waarschijnlijk om hem nooit weder te zien.—Deze plaats wordtToumeolgenaamd, wat deze naam beteekent weet ik niet, maar wel dat men moeijelijk een naam zou vinden, waar door het zielstreelende van dit oord genoegzaam wordt uitgedrukt. De ouden zouden het buiten twijfel voor een verblijf der Nimfen, of goede toovergodinnen gehouden hebben; en hadMahomethet gezien, hij zou ’er zekerlijk zijn Paradijs naar geschetst hebben.Beneden aan den berg, deed zich nog een bekoorlijk groepje op, tegen de helling naast een klein beekje, lagen twee engelachtige half naakte kindertjes, waar van het oudste drie of vier jaren kon bereiken, in het midden van eenige schapen en geiten, waarop zij achteloos leunden: de grond was hier met kruiden en bloemen overdekt, en zij werden door eenige lommerrijke boomen beschaduwd—het was een allerliefst arkadisch landschapje. Ik wilde de kleine herders eenige stuivers geven, doch, ô gelukkige onschuld! zij schenen geen geld te kennen, althans het werd niet aangenomen, en een kus was dezen nog onbedorvene schepseltjes veel liever.Omtrent een kwartier van het buitenverblijf van den HeerMejan, naar den kant vanle Vigan, ligt een brug op het riviertje, en daar bij een roodachtige rots, die buiten de andere bergen uitsteekt en eene aardige vertooning maakt. De weg is goed, loopende altijd zich meerder of minder verheffende langs del’Hérault, waarin men hier en daar kleine watervallen en bruisingen ziet, door de brokken steen, die het water ophouden, veroorzaakt. Ieder oogenblik is men verrukt door de onderscheidene schilderachtige liggingen,—rotsen met boomen en frissche kruiden bedekt, hier en daar een woning op de hoogte, in het flaauwe verschiet, aan de helling van een’ heuvel, half tusschen de struiken verscholen, of in de diepte aan de boorden der rivier,—daar op den weg sommige muilezels met hunn’ geleider,—ginds eenig rundvee en schapen in een eng dal weidende,—ontzaggelijke brokken rots, zoo het schijnt nog maar pas van boven neder in het riviertje gerold, en hier en daar zware castanjeboomen, die den weg belommeren. Onder alle deze voorwerpen heerscht, door de verschillende gedaanten en liggingen der bergen, eene verscheidenheid van schaduw en licht, die allerbevalligst is. Men schijnt hier, door zoo vele steile bergen van de verkeerde en bedorven maatschappij afgezonderd; niets doet zich op dat het denkbeeld daar aan opwekt, geene paleizen, geene Heeren of Juffrouwen, geene kostbare rijtuigen, liverijen, of al diergelijke dingen, waarvan een redelijk denkend mensen walgt;want deze landstreek wordt door de grooten weinig bezocht, en ’er loopt geen groote of Postweg door.Omstreeks elf uren kwamen wij teVigan, drie uurtjes vanGangesafgelegen, en stapten af aan het Hotèldu Cheval vert. Die herberg zag ’er hier in ’t geheel niet zindelijk uit, maar het was, naar men ons gezegd had, de beste, dus bestelden wij ’er den maaltijd. De Roomsche Kerk is ook uit en inwendig zeer eenvoudig; de Protestantsche was niet open. Hoewel het zeer heet was, gingen wij de bron, een kwartier uurs van hier, bezoeken; zij heeft niets bijzonders dan zeer helder en lekker water. De gemeene wandeling is met een aantal ongemeen zware castanjeboomen beplant; zij staan zonder order door elkander, en maken een klein maar aangenaam en bevallig woud. Het is hier in de schaduw van dat digte lommer, vooral in dit jaargetij, op dezen tijd van den dag, regt vermakelijk, om wat te rusten. Het stadje beviel mij zoo wel niet alsGanges, het is zoo goed niet bebouwd, en ziet ’er slordiger uit. De bevolking verschilt niet veel, in het eene zoo wel als in het andere telt men omtrent 4000 inwoners. De zijden-teelt en zijden-kousenweverijen zijn hier ook de voorname kostwinning.Le Viganbehoorde voorheen tot het landschapd’Alais, en thans tot het Departementdu Gard: de Onderprefect houdt ’er zijn verblijf, en daar is een regtbank. Het riviertjel’Arrestroomt ’er langs, en van een steenen brug die hier over hetzelve ligt, heeft men een schilderachtiggezigt. EenigeEngelschehuishoudens, die krijgsgevangenen zijn, hebben verlof, on hier den zomer doortebrengen; aan hunne rijtuigen en paarden te zien, schenen het rijke lieden te zijn; ook verteerden zij, naar ik vernam, nog al wat, en dit gaf in dit plaatsje een meêr dan gewoon vertier. Voor den gewonen prijs aten wij in onze herberg tegen verwachting vrij wel. Trouwens het was ook uit dezelfde keuken, waar deEngelschenuit schaften: het eten werd hun van hier gebragt. Na den maaltijd reden wij weder terug. Voor het verrukkelijke buitenverblijf van den HeerMejanhielden wij stil, om nog eens de alleraangenaamste ligging van hetzelve te bewonderen; het is een groenAmphithéater, de treurwilligen die boven op en tegen de helling van den berg staan, en met lange takken langs denzelven afhangen, maken ook een aardige en eenigzins vreemde vertooning, om dat die boom in de laagte t’huis hoort; doch hier tiert zij door de menigte beekjes en stroomtjes ook zeer weelderig op de hoogte. Ik had onder weg ook opgemerkt, dat men hier en daar boekweit teelde; iets, dat ik in het gedeelte vanFrankrijk, dat ik doorreisd heb, en vooral in het zuiden, weinig of niet zag. Castanjes levert deze landstreek in menigte op.TeGangesterug gekomen, gingen wij in de fabriek vanMejaneenige paren zijden-kousen koopen. Het huis is groot, en ziet ’er gnap, maar in ’t geheel niet prachtig uit, en in de magazijnen kan men zoo wel één paar, als eenige honderdedozijnen paren zijden-kousen krijgen. Wij vonden ’er twee kleinzonen van onzen vriendelijken gastheer, die ook zeer geschikte jongelieden schenen te zijn. Dit huis drijft een’ zeer uitgebreiden handel, en heeft zelfs een Kantoor teCadix; algemeen zijn zij bekend als zeer eerlijke lieden, met wien het goed te handelen is, en die daardoor en door hun aanzienlijk vermogen een uitgebreid krediet hebben; zij behooren, aan zoo vele honderde handen werk verschaffende, tot de voorname steunen van deze en omliggende plaatsen, en schijnen door hunne medeburgers zeer bemind te zijn. Zoo gij die goede lieden door aanbeveling, of anderzins, eenigzins dienst kon bewijzen, Vriend! zulks zou mij bijzonder aangenaam zijn; want zij verdienen het, en hebben billijke aanspraak op de achting van vreemdelingen, om de gulle vriendelijkheid, waarmede zij dezelven ontvangen, zijnde hunne gastvrijheid, naar men mij verzekerde, in dit opzigt algemeen. Raad dan ook ieder van uwe kennissen, die hier naar toe mogt reizen, gerust aan, om een bezoek op het landgoed vanMejante gaan afleggen.Daar het nog vroeg genoeg was om een wandeling buiten het stadje te doen, ging ik de steenen brug die hier overl’Héraultligt over, en zag ter zijde op den muur van dezelve eene waterleiding (Aquaduc) gemaakt, dienende om het water uit eene bron aan den overkant van de rivier, op een’ zekeren afstand gelegen, in de stad te brengen; doch drie wekengeleden was een gedeelte van het metselwerk ingevallen en nog niet hersteld. Ik wandelde langs de rivier en klom tusschen beiden eens op een heuvel tot den avond begon te vallen. Van verre deed zich het geluid van de bellen der schapen, en het vee, dat men naar den stal dreef, als een’ klokkenspel hooren, en dan hoorde ik al eens een boerenmeisje of knaap een liedje in hetPatoiszingen, terwijl zij de paarden of het vee naar de rivier leidden, om te drinken. Ik had hier, dunkt mij, met genoegen eenige dagen doorgebragt; doch dat kwam met ons reisbestek niet overeen.De vrouwen dragen hier veelal zwarte zijden-hoedjes met eene kant ’erom, zoo als bij ons de dienstmeisjes. Een praatje makende met de vrouw uit onze herberg, vernam ik, dat zij tot de Protestanten behoorde; dat die hier met de Roomschgezinden in goede verstandhouding leefden, en zelfs veel onder elkanderen trouwden; als mede dat de vrouw van den Predikant eeneHollandschewas, doch uit welke plaats en hoe genaamd, wist zij mij niet te zeggen.Den 30 dezer ’s morgens om 5 uren vertrokken wij vanGanges. De morgenstond was frisch en aangenaam. Een half uurtje van daar komt men door een dorpjele Rocgenaamd; een oud kasteel ligt daar tegen een rots, die zich als een pyramide vertoont, van hier denkelijk de naam van (le Roc) de rots. Wat verder op, aan den anderen kant van het riviertje, ziet men de punt van een rots, vanverre gelijkende naar een oudcolossaalbeeld van een Bisschop met een mijter op. De rotsen, die hier vrij hoog zijn, en sommige een kegelvormige gedaante hebben, zijn meest zamengesteld van steenen, die laagsgewijze op een liggen, of van een soort van schaliesteen. De natuur is hier meêr grootsch en majestueus, dan aangenaam en liefelijk.—Verder koomende, ziet men eene steile rots, als de muren van een oud kasteel. Hier en daar schijnen ’er gaten of spelonken in te zijn,—nu daalt de weg, die eenigen tijd vrij verheven was boven de rivier, in een aangenaam dal af. Hier ziet men vele moerbezienboomen; vervolgens komt men in het dorpSt. Bausille. De straten zijn ’er zoo naauw, dat twee rijtuigen ’er elkanderen met geen mogelijkheid zouden kunnen voorbij komen. Buiten dit dorp klimt men eenen redelijk hoogen berg op; van daar ziet men achter zich het dorp in een alleraangenaamst groen dal, en het riviertjel’Hérault, dat men daar verlaat, ’er doorkronkelen. Op zulke plaatsen beklaag ik mij altijd van niet genoeg te kunnen teekenen; want diergelijke schoone schilderijen wenschte ik mij daar door dikwijls voor te kunnen stellen.—Hier hoort men het water nog liefelijk ruisschen, doch welhaast mist men geheel de bekoorlijke boorden van deHérault, en het lagchende groen van dat gedeelte derCevennes.—Men daalt af, om weder een’ hoogen berg langs kronkelwegen op te klimmen. Daar het redelijk koel was, gingen wij meest te voet. Aan een heesterlangs den weg staande, vond ik eenige gewassen die ik voor een soort van kleine appelen hield; zij waren even als die geelachtig, en aan den eenen kant rood; hoe verwonderd was ik van dezelve doorbreekende, te vinden dat zij vol waren van een soort van kleine gevleugelde insekten, die door elkanderen krielden; zij hadden veel overeenkomst met de plantluizen, die men bij ons onder de bladeren van de aalbeziën vindt. Op de rotsen hier rondom groeit veel palm, die de landlieden meest gebruiken, om te branden. TeSt. Martin de Londreslieten wij ons wat eten klaar maken, en aten ’er onder anderen witte truffels, die men hier omstreeks veel vindt; zij kwamen mij zoo goed niet voor als de zwarte. Men rekent van hier totMontpelliernog omtrent 4½ uur; de vrolijke gezigten houden geheel op, de landstreek is dor, en hier en daar ziet men hooge en steile rotsen. Een half uurtje vanMontpellierontdekt men reeds deAquaducvan verre; hier en daar aan den weg staan steenen palen; onze voerman zeide, dat de pijpen of buizen tot die waterleiding behoorende, en waar door het water van de bron wierd aangevoerd, hier onder doorliepen. Omstreeks vijf uren na den middag waren wij teMontpellierterug.—’s Nachts viel ’er zware donder en regen.Den 31 dezer, ’s morgens op de markt gaven de koopvrouwen in visch, groentens, enz. vrij luidruchtig en in geen zeer bescheiden uitdrukkingen, hun misnoegen te kennen, over een besluit (arrète)van het Gouvernement, waarbij eenige kleine munten, waar de stempel af gesleten was, buiten omloop werden gesteld. Op deze markt ziet men een zeer fraaije fontein in een nis tegen een muur; boven op staan twee eenhoorns en een kindje, houdende een’ wapenschild en een laurierkrans; op het voetstuk wordt een veldslagen basreliefverbeeld, waaronder men leest:Bataille de Clostercamp1; boven de nis is een wapen (trophée), en dit alles is van marmer en in een fraaijen smaak gemaakt. De Maarschalkde CastriesGouverneur teMontpellierzijnde, werd deze fontein ter zijner eere opgerigt. Het gebouw, dat men de beurs noemt, schijnt oorspronkelijk een Kerk of Kapel geweest te zijn; men bedient ’er zich weinig van, want de Koophandel is hier van geen groot aanbelang.TeMontpellierwordt veel koperrood of eigenlijk koperroest gemaakt; gedurende een’ geruimen tijd deed men dit bijna nergens anders, wanende, dat de kelders alhier ’er bijzonder toegeschikt waren, doch thans wordt het ook op verscheidene andere plaatsen gemaakt; de bewerking is zeer eenvoudig. Men plaatst in een aardepot boven wijn, die men aan het gisten maakt, laagsgewijze met verdroogde druiventrossen, en tusschen verscheidene plaatjes koper,die door de uitwazeming van den wijn aan het roesten raken; opgedroogd zijnde, schraapt men ’er dit roest af, en dat is het koperroest. Zoo gij het omstandiger weten wilt, lees danChaptalElemens de Chimie. Zonderling is het, dat vrouwen hier meest met dien arbeid, die om het vergiftige met zeer veel omzigtigheid moet geschieden, belast zijn. Men fabriceert hier ook deCremor Tartari.Het schijnt ter dezer plaatse niet ongezond te wezen, mits men zich behoorlijk in acht neemt opzigtens de kleeding; want het weder kan ’er, even als bij ons, zeer ongestadig zijn.Montpellieris zijn opkomst verschuldigd aan het verval van het oudeMaquelone. Het gedeelte vanNeder-Languedoc, waarin deze stad gelegen is, werd oudtijds door deVolces-Arecomiquesbewoond. De inwoners worden voor levendig en werkzaam van aard gehouden; de huishoudens, naar men zegt, leven veel op zich zelve, en de gezellige verkeering heeft hier minder dan in andere steden plaats. De religiegeschillen, die hier ook vele rampen veroorzaakten, gaven daar misschien wel aanleiding toe. Hunne gastvrijheid omtrent de vreemdelingen is ook niet beroemd; en zelfs eenLanguedoc’sspreekwoord, doet den ongezelligen aard van die vanMontpellierkennen2. Deze Stad is thansde Hoofdplaats van het Departement del’Hérault; zij is de geboorteplaats van verscheidene mannen van naam, zoo als de in de Natuurlijke Historie der Visschen ervaren,Guillaume Rondelet, die ’er in 1507 geboren werd;Pierre Magnol, kruidkundige, in 1638;Louis Bertrand Castel, wiskunstenaar, in 1688; de bekende TooneeldichterBrueijs, van wien wij ook eenige stukken in hetHollandschovergezet hebben3, en meêr anderen.Cambacèresin de geschiedenis van de omwenteling vanFrankrijk, en vooral als tweede Consul bekend, thans groot Kanselier met den tijtel van Prins, is ook vanMontpellier.Over onze herbergl’Hotel du Midi, waren wij ongemeen wel te vreden; het is ’er gnap, en men eet ’er zeer goed aan de gemeene tafel in een ruime en fraaije zaal. Wij hadden hier niet minder lekkeren zeevisch dan teMarseille, onder anderen goede versche tonijn, en zeer groote schelvisschen. Voor een kamer met twee bedden, van waar men een gezigt had tot in deMiddellandsche Zee, betaalde ik 40solsdaags. Morgen voor den middag reizen wij naarToulouse.1De vermaarde slag vanKloosterkampviel voor in het laatst van het jaar 1760. DeFranschen, na lang half naakt, zoo als zij uit de tenten kwamen, gevochten te hebben, behaalden eindelijk de overwinning.2Dit spreekwoord, in hetPatoisvanLanguedocluidt:Couvit de Mouspéiè, couvida à l’escaiè; dat is, noodiging vanMontpellierop den trap gedaan.3De Advokaat Pateleinis onder anderen vanBrueijs.

Montpellier, 30 Augustus.

’s Morgens om 5 uren vertrokken wij met een koets met twee paarden, om ’er drie dagen gebruik van te maken. Het steedje of dorpSt. Gilles, waar wij doorkwamen, levert niets merkwaardigs op. De weg is vrij goed doch bergachtig, en de landstreek dor en steenachtig. Hier en daar ziet men echter nog eenig bouwland en wijngaarden. Op zijde van den weg bespeurde ik op een heuveltje, een soort van kleine tafeltjes, die gemaakt waren door twee of drie steenen, die men op een gelegd had. Daar stonden ’er zoo verscheidene; en zij dienden, naar ik vernam, om de schapen zout op te laten lekken, Omstreeks ten tien uren kwamen wij teSt. Martin de Londres, een naar vervallen stadje; en ik weet niet waarom het ook den naam van de hoofdstad vanEngelanddraagt. De herberg scheen pas opgemaakt, en zag ’er binnen en buiten gnapjes uit, en daar het zeer warm was, besloten wij op verzoek van onzen voerman, om hier wat te vertoeven en het middagmaal te houden. Terwijl men het gereed maakte, ging ik, niets beters te doen hebbende, het plaatsje eens rond. De ingezetenen schenen ijverige lieden, veelal zijden-kousenwevers; dochmet dat al zag het ’er armoedig uit, vooral ook de Kerk, die men, wijl ik geloof dat men geen middelen heeft, om ze te herstellen, wel zou doen om aftebreken, ter voorkoming van ongelukken. Het akkerland, dat hier nog bij lag, zag ’er ook dor en schraal uit. Geen lommer vindende, was ik ras genoodzaakt, om mijne wandeling te staken, en zette mij bij de fontein, die voor de herberg staat, in de schaduw van een’ moerbeziënboom neder; waarschijnlijk is dit de eenige bron, die men hier omstreeks vindt; want ik zat ’er niet lang, of een menigte vee van alle kanten kwam ’er drinken; en jongens en meisjes, mans en vrouwen, hunne kruiken met water vullen; dit scheen voor die arme menschen tevens eene uitspanning te zijn. Men verleende ’er elkanderen een praatje, en vooral de jonge lieden schenen hier hun te zamenkomst (rendez vous) te hebben. Een meisje onder anderen, dat al een poosje onrustig had staan wachten; en al de overigen liet voorgaan aan de fontein, hoewel zij een van de eersten was; zag ik op eenmaal eene vrolijke houding aannemen, toen zij een’ gnappe boeren jongen, met een paar muilezels zag aankomen; nu werd de kruik spoedig gevuld, en men keerde te zamen weder terug. Toen ik mij met deze eenvoudige landlijke tooneelen vermaakte, kwam een lief wichtje, dat nog maar naauwelijks loopen kon, mij streelen, en trachtte op mijn knie te klauteren, terwijl de moeder bezig was, om aan de fontein koren te wasschen; zijn broêrtje, dat wat ouderscheen, kwam ’er bij, en stamelde mij zijnPatoisvoor. Die kindertjes zagen ’er gezond en zuiver uit. Hunne gansche kleeding bestond in een hemdje, en het onschuldig genoegen was op hun gelaat te lezen; ook kwamen zij in ’t geheel niet, om te bedelen; maar alleen, zoo het scheen, uit een gullen en eenvoudigen trek; terwijl ik, als een ongewoon voorwerp, hunne nieuwsgierigheid eenigzins gaande maakte. Zij hielden mij een poos aangenaam bezig; ik maakte ook zoo goed ik kon een praatje met de moeder, die mij eene goede vrouw scheen te zijn; en hoe onbevallig anders het plaatsje ook was, de tijd viel ’er mij niet lang. Het eten was voor den prijs vrij wel, en om één uur vervolgden wij onzen weg, die altijd door een’ dorren berg en rotsachtige landstreek loopt, tot op eene hoogte een kwartier vanSt. Bausille; hier begint de bevallige natuur de nieuwsgierige reizigers voor hunne moeite te beloonen.—Men ziet eene heerlijke schilderij in het dal, waarin dat steedje ligt voor zich, welke door de schielijke verandering des te aangenamer treft.St. Bausilleheeft weinig aanzien, doch armoedig zag het ’er niet uit, en de meeste menschen zaten aan de deur zijde te haspelen of op strengen te winden. De boorden van het riviertjel’ Héraultlangs rijdende, kwamen wij omstreeks vijf uren teGanges; men rekent deze plaats omtrent acht uren gaans vanMontpellier, en daar men schier aanhoudend op en afklimt, kan men doorgaans ook al niet anders dan stapvoets rijden.Wij traden hier af aan deherberg het witte kruis (la Croix Blanche), en gingen het stadje bezigtigen, dat mij wel beviel, zijnde ruim en vrolijk gebouwd; de huizen zien ’er wel onderhouden uit, en men kan duidelijk zien dat hier ijver en goede orde heerschen; ’er is ook eencoursof gemeene wandeling, en nog een regte breede straat aan beide zijden met boomen beplant. Pracht of grootheid bespeurt men ’er niet; alles heeft een eenvoudig, doch net en bevallig voorkomen.—Dit kon men misschien ook eens van ons Vaderland zeggen, en toen ging het ons wel.—In de Roomsche Kerk ziet men zoo weinig opschik, dat, indien ’er geen altaar stond, men zou meenen in eene Protestantsche Kerk te zijn; tot welk Kerkgenootschap het grootste gedeelte der ingezetenen dan ook behoorde. Ik ging hunne Kerk zien, die voor de omwenteling aan een Klooster toekwam. De Predikantsvrouw, die ik hier sprak, en die zeer vriendelijk was, verhaalde mij, dat deze Kerk veel te klein zijnde voor de gemeente, men reeds een ontwerp gemaakt had, om die te vergrooten; de grond, die ’er bij behoorde was groot genoeg, en ik merkte wel, dat het aan geen geldmiddelen zal haperen; ook zijn hier onder de Protestanten verscheiden bemiddelde lieden.

Den 29 ’s morgens om 6 uren reden wij naarle Vigan, een ander stadje in deze landstreek; men volgt de boorden vanl’Hérault, die tusschen twee ketens bergen al ruischende doorstroomt;—grootsche gezigten of ontzaggelijke vertooningen levertde natuur hier niet op; alles is lief en bekoorlijk, en om zoo te spreken, meêr onder het bereik van den mensch. De bergen zijn groen; hier en daar ziet men een woning, overal treft men castanje-, moerbeziën en andere boomen; de Natuur had hier haar lentegewaad nog aan, en het groen zag ’er zoo jeugdig uit, als bij ons in de maand Mei. Een half uur vanGanges, aan den anderen kant van het riviertje, ligt het buitengoed van den HeerMejan; eer men daar komt, ziet men aan dien zelfden kant, tusschen twee rotsen, in een ander riviertje, dat zich hier metl’Héraultvereenigt, over een dam van steenen, die ’er inligt, een kleinen waterval rollen. Onze waardin had ons geraden, om, hoewel wij den HeerMejanniet kenden, of geen brieven aan hem hadden, hem evenwel vrijelijk een bezoek op dit zijn buitengoed te gaan geven, met verzekering, dat wij ’er wel zouden ontvangen worden, en wel te vreden zijn over de ligging van dat verblijf. Wij gingen ’er dan ook heen. Over den berg, waarop het gelegen is, kan men met het rijtuig door het riviertje rijden, en van daar klommen wij te voet op de hoogte, langs een kronkelpaadje, aan beide zijden met moerbeziën en andere boomen beplant, welke door kleine beekjes aanhoudend besproeid worden, en daar door een verwonderlijk frisch en tierig aanzien hebben; de uitwaseming van duizende geurige planten en bloemen, die hier in het wild groeijen, overtreft al, wat de reukwerk-kramers vanMontpellierin hunne winkels hebben. Aan den ingang van eene lommerrijke laan, die naar het huisgeleidde, zagen wij een kloek man aankomen, met een buisje en lange broek aan, een ronde witten hoed op, en een wandelstok in de hand—het was de HeerMejanzelf, voornemens zijnde, om zijne arbeiders te gaan bezoeken; ik gaf hem ons voornemen te kennen, en hij ontving ons op de gulste en vriendelijkste wijze; en hoe zeer wij hem verzochten, om zich om onzenwille niet op te houden, hij wilde ons zelf in zijne tuinen en verrukkelijke boschjes rond leiden. Achter ons aan het eind van de laan, die zich als een groen gewelf vertoonde, en regt over den ingang van het huis is een fraaije waterval, die door een bron, die hooger op de rots ontspringt, altijd van water voorzien wordt, en dus onophoudelijk loopt. Toen wij ons weder omkeerden, had men intusschen een kraan geopend, waardoor wij, door het huis heen, aan den anderen kant van hetzelve een schoonen watersprong tegen de zon zagen, terwijl de rotsen aan den anderen kant van het riviertje, waar men den straal water tegen zag, nog niet door de zonnestralen verlicht waren; dit deed eene fraaije uitwerking. Eer wij verder gingen, gaf de gastvrijeMejanaan zijn’ knecht last, om een paar flessen wijn in een koele bron te zetten, en wat vruchten enz. in gereedheid te houden, zeggende tegen ons: “Gijlieden hebt zekerlijk nog niet ontbeten, als wij terugkomen, willen wij te zamen een stuk eten.” Zulk eene hartelijke wijze van aanbieden, duldde geen weigering; daar bij boezemde hier alles eene soort van vrijpostigheid in, die men nimmer in lusthovenof paleizen der gewone rijken, of bij de meesten zoogenaamde grooten gevoelt. Alles geschiedt daar, vooral wanneer zij met lieden te doen hebben, die zij niet kennen, met eene stijve wellevendheid; gebrek aan gulheid en vertrouwen straalt overal in door; alles is kunst, niets natuur.—Neen! met hun kan hij, die vrij en voor de vuist is, niet te regt; en hoe zeer onbeschoftheid zeer onaardig is, ik heb nog liever met een’ grooten lompert te doen, dan met sommige lieden, die uitermate vriendelijk en wellevend zijn; want die soort van vriendelijke wellevendheid, die wij hier aantroffen, vindt men juist niet zeer algemeen, en vooral niet in de groote steden vanFrankrijk, anderzins om de beleefdheid en welvoeglijkheid zoo beroemd; en daar de vriendschapsbetuigingen, uitdrukkingen van deelneming, van medelijden, of vreugde, van dienstaanbieding en diergelijk, even eens geleerd worden als het A. B. C., waar eene wel opgevoede Dame zich te gelijker tijd bezig houdt met de klagten van eenen ongelukkigen aan te hooren, daar over tranen te storten, en eene kleeding voor het naaste bal aan hare modekraamster te bestellen, of een’ brief van rouwbeklag over het afsterven van eene harer beste vriendinnen te schrijven, en onderwijl ook de aankondiging van eene nieuwe Opera te lezen;—doch keeren wij tot de beschrijving van dien bekoorlijken lusthof weder terug.—Overal treft men hier eene verscheidenheid van schilderachtige gelegenheden aan, en zonder juist zeersentimenteelofromaneskte zijn, is men verrukt en opgetogen bij het beschouwen van dezelve. De kunst heeft hier en daar wel wat geholpen, doch op zulk eene behoedzame wijze, dat alles genoegzaam natuur schijnt. Aan de linkerhand, eer men aan het huis komt, bewondert men een hol of nis in de rots, uit welkers bovenste gedeelte het water loodregt valt. Van boven, is deze nis bedekt door struiken van palm en klimop, die met bevalligeGuirlandeslangs dezelve afhangen: uit den tuin ofterrasachter het huis heeft men een allerliefst gezigt op de omliggende bergen en rotsen; op het riviertje en den weg langs hetzelve, en men klimt langs een eng voetpadje, aangenaam belommerd, of met bloeijende struiken, zoo als dealthéaenz. ter zijde beplant, naar een aardig tuinhuisje, van buiten als een boerenhutje gemaakt; in ’t voorbijgaan ziet men een bergje, waarin eenige tamme konijnen hun verblijf houden. Vervolgens kruipt men door spleten van de rots, of men gaat door enge gangen, en over een brugje, waar van de leuningen aardig met wilde wijngaardranken door de natuur omwonden zijn, tot aan een Kluizenaarsverblijf. Van daar voortwandelende, komt men in een grot, alleen door een spleet, die in de rots is, verlicht, en welke, dunkt mij, een allergeschiktste rustplaats is voor teedere, zwaarmoedige, voor verliefde zuchtjes of gevoelvolle romançes. Dan treft men weder een kleinen vijver met helder water, waarin karpers en andere visschen, aan. Dit alles ligt tegen de helling van den berg, en deHeerMejanverhaalde mij, dat hij in een beek aan de voet van denzelven, een menigte kreeftjes had van de soort, die hij vanVauclusehad laten komen, en in het riviertjel’Héraultvindt men zeer goede forellen. Het wild is hier ook niet schaars; olij en wijn groeit ’er in overvloed. De moestuin en vruchtboomgaard scheen wel voorzien, en de weiden, op en tusschen de bergen, voeden talrijke kudden, zoo dat het hier ook in dat opzigt zeer wel te houden is. De bronnen, die men hier op de bergen heeft, brengen het meest toe tot deze vruchtbaarheid. Uit dezelve loopt eene menigte beekjes, aan alle kanten, langs dezelve af, en bevochtigen de aarde, die op de steenrotsen ligt, zoo dat men zich geen vrolijker en levendiger wasdom kan voorstellen.—Alles boezemt hier als ’t ware genoegen en stille te vredenheid in,—alles lagcht en juicht u tegen;—en nog haperde ’er in dit jaargetij iets aan dat jeugdig en vrolijk gelaat der natuur. De vogelen zongen niet meêr. De HeerMejanzeî mij, dat tegen den tijd, dat de natuur hier uit haar’ slaap ontwaakt, welke slaap in dit bergachtige land vrij lang duurt, het dan bijzonder levendig en vrolijk is door de groote menigte van zoovelerlei soort van vogelen, welke zich hier ophouden. Nu gingen wij ook de bronnen zelve op het bovenste gedeelte van den berg zien; het water van een derzelve was genoegzaam ijskoud, en naar men mij verzekerde van eene uitmuntende hoedanigheid; zoo dat, als men, wat meêr dan gewoonlijk gegeten hebbende, hier van een glas gebruikte,men duidelijk bespeurde, dat de spijsvertering daar door bevorderd werd. In een aangenamen koepel, aan beide zijden met ramen, en welke het voornaamste vertrek van deze, alleen voor het gerijf geschikte, woning uitmaakt, stond een ontbijt, meestal uit smakelijke vruchten, zoo als persiken, peren, druiven, en vooral ook vijgen, die ik nimmer lekkerder gegeten heb, benevens brood en wijn bestaande. Wij deden ons hier aan dan ook ter deeg te goed, want de gulhartigeMejanwas niet te vreden dat wij slechts proefden, wij moesten eten, ter deeg eten. Hij verhaalde ons, dat hij vooral met een zijden kousen-fabriek, die hij teGangeshad, een aanzienlijk vermogen had gewonnen, doch al eenige jaren geleden den handel had vaarwel gezegd, en aan zijne kinderen overgelaten; dat hij sedert altijd buiten woonde, en zich alleen met den landbouw, en het bestuur van zijne landgoederen, die zeer uitgestrekt zijn, bezig hield; dat hij dit aangenaam verblijf, dat bij zijne Hermitage noemde, zelve had aangelegd, en voor een groot deel beplant; zijnde verpligt geweest, om hier en daar eene aanmerkelijke hoeveelheid aarde op de rots te laten brengen. Hij zei, dat hij veel van deHollandershield; nu, hij gaf ons daar ook een blijk van, en om de maat van zijne vriendelijkheid vol te meten, noodigde hij ons, om ’s avonds in het terug komen, andermaal eenige ververschingen bij hem te nemen, en om onze landgenooten en andere reizigers, die deze streek mogten komen zien, te verzoeken,van hem niet voorbij te gaan. Hoe zeer wij zulks trachtten te beletten, geleidde ons de goede man in het heen gaan, langs een ander voetpadje als wij gekomen waren, een eind weegs den berg af, tot daar hij ons den weg, dien wij te houden hadden, kon aanwijzen, en hier drukte ik hem met aandoening en hartelijke tevredenheid de hand, waarschijnlijk om hem nooit weder te zien.—Deze plaats wordtToumeolgenaamd, wat deze naam beteekent weet ik niet, maar wel dat men moeijelijk een naam zou vinden, waar door het zielstreelende van dit oord genoegzaam wordt uitgedrukt. De ouden zouden het buiten twijfel voor een verblijf der Nimfen, of goede toovergodinnen gehouden hebben; en hadMahomethet gezien, hij zou ’er zekerlijk zijn Paradijs naar geschetst hebben.

Beneden aan den berg, deed zich nog een bekoorlijk groepje op, tegen de helling naast een klein beekje, lagen twee engelachtige half naakte kindertjes, waar van het oudste drie of vier jaren kon bereiken, in het midden van eenige schapen en geiten, waarop zij achteloos leunden: de grond was hier met kruiden en bloemen overdekt, en zij werden door eenige lommerrijke boomen beschaduwd—het was een allerliefst arkadisch landschapje. Ik wilde de kleine herders eenige stuivers geven, doch, ô gelukkige onschuld! zij schenen geen geld te kennen, althans het werd niet aangenomen, en een kus was dezen nog onbedorvene schepseltjes veel liever.

Omtrent een kwartier van het buitenverblijf van den HeerMejan, naar den kant vanle Vigan, ligt een brug op het riviertje, en daar bij een roodachtige rots, die buiten de andere bergen uitsteekt en eene aardige vertooning maakt. De weg is goed, loopende altijd zich meerder of minder verheffende langs del’Hérault, waarin men hier en daar kleine watervallen en bruisingen ziet, door de brokken steen, die het water ophouden, veroorzaakt. Ieder oogenblik is men verrukt door de onderscheidene schilderachtige liggingen,—rotsen met boomen en frissche kruiden bedekt, hier en daar een woning op de hoogte, in het flaauwe verschiet, aan de helling van een’ heuvel, half tusschen de struiken verscholen, of in de diepte aan de boorden der rivier,—daar op den weg sommige muilezels met hunn’ geleider,—ginds eenig rundvee en schapen in een eng dal weidende,—ontzaggelijke brokken rots, zoo het schijnt nog maar pas van boven neder in het riviertje gerold, en hier en daar zware castanjeboomen, die den weg belommeren. Onder alle deze voorwerpen heerscht, door de verschillende gedaanten en liggingen der bergen, eene verscheidenheid van schaduw en licht, die allerbevalligst is. Men schijnt hier, door zoo vele steile bergen van de verkeerde en bedorven maatschappij afgezonderd; niets doet zich op dat het denkbeeld daar aan opwekt, geene paleizen, geene Heeren of Juffrouwen, geene kostbare rijtuigen, liverijen, of al diergelijke dingen, waarvan een redelijk denkend mensen walgt;want deze landstreek wordt door de grooten weinig bezocht, en ’er loopt geen groote of Postweg door.

Omstreeks elf uren kwamen wij teVigan, drie uurtjes vanGangesafgelegen, en stapten af aan het Hotèldu Cheval vert. Die herberg zag ’er hier in ’t geheel niet zindelijk uit, maar het was, naar men ons gezegd had, de beste, dus bestelden wij ’er den maaltijd. De Roomsche Kerk is ook uit en inwendig zeer eenvoudig; de Protestantsche was niet open. Hoewel het zeer heet was, gingen wij de bron, een kwartier uurs van hier, bezoeken; zij heeft niets bijzonders dan zeer helder en lekker water. De gemeene wandeling is met een aantal ongemeen zware castanjeboomen beplant; zij staan zonder order door elkander, en maken een klein maar aangenaam en bevallig woud. Het is hier in de schaduw van dat digte lommer, vooral in dit jaargetij, op dezen tijd van den dag, regt vermakelijk, om wat te rusten. Het stadje beviel mij zoo wel niet alsGanges, het is zoo goed niet bebouwd, en ziet ’er slordiger uit. De bevolking verschilt niet veel, in het eene zoo wel als in het andere telt men omtrent 4000 inwoners. De zijden-teelt en zijden-kousenweverijen zijn hier ook de voorname kostwinning.Le Viganbehoorde voorheen tot het landschapd’Alais, en thans tot het Departementdu Gard: de Onderprefect houdt ’er zijn verblijf, en daar is een regtbank. Het riviertjel’Arrestroomt ’er langs, en van een steenen brug die hier over hetzelve ligt, heeft men een schilderachtiggezigt. EenigeEngelschehuishoudens, die krijgsgevangenen zijn, hebben verlof, on hier den zomer doortebrengen; aan hunne rijtuigen en paarden te zien, schenen het rijke lieden te zijn; ook verteerden zij, naar ik vernam, nog al wat, en dit gaf in dit plaatsje een meêr dan gewoon vertier. Voor den gewonen prijs aten wij in onze herberg tegen verwachting vrij wel. Trouwens het was ook uit dezelfde keuken, waar deEngelschenuit schaften: het eten werd hun van hier gebragt. Na den maaltijd reden wij weder terug. Voor het verrukkelijke buitenverblijf van den HeerMejanhielden wij stil, om nog eens de alleraangenaamste ligging van hetzelve te bewonderen; het is een groenAmphithéater, de treurwilligen die boven op en tegen de helling van den berg staan, en met lange takken langs denzelven afhangen, maken ook een aardige en eenigzins vreemde vertooning, om dat die boom in de laagte t’huis hoort; doch hier tiert zij door de menigte beekjes en stroomtjes ook zeer weelderig op de hoogte. Ik had onder weg ook opgemerkt, dat men hier en daar boekweit teelde; iets, dat ik in het gedeelte vanFrankrijk, dat ik doorreisd heb, en vooral in het zuiden, weinig of niet zag. Castanjes levert deze landstreek in menigte op.

TeGangesterug gekomen, gingen wij in de fabriek vanMejaneenige paren zijden-kousen koopen. Het huis is groot, en ziet ’er gnap, maar in ’t geheel niet prachtig uit, en in de magazijnen kan men zoo wel één paar, als eenige honderdedozijnen paren zijden-kousen krijgen. Wij vonden ’er twee kleinzonen van onzen vriendelijken gastheer, die ook zeer geschikte jongelieden schenen te zijn. Dit huis drijft een’ zeer uitgebreiden handel, en heeft zelfs een Kantoor teCadix; algemeen zijn zij bekend als zeer eerlijke lieden, met wien het goed te handelen is, en die daardoor en door hun aanzienlijk vermogen een uitgebreid krediet hebben; zij behooren, aan zoo vele honderde handen werk verschaffende, tot de voorname steunen van deze en omliggende plaatsen, en schijnen door hunne medeburgers zeer bemind te zijn. Zoo gij die goede lieden door aanbeveling, of anderzins, eenigzins dienst kon bewijzen, Vriend! zulks zou mij bijzonder aangenaam zijn; want zij verdienen het, en hebben billijke aanspraak op de achting van vreemdelingen, om de gulle vriendelijkheid, waarmede zij dezelven ontvangen, zijnde hunne gastvrijheid, naar men mij verzekerde, in dit opzigt algemeen. Raad dan ook ieder van uwe kennissen, die hier naar toe mogt reizen, gerust aan, om een bezoek op het landgoed vanMejante gaan afleggen.

Daar het nog vroeg genoeg was om een wandeling buiten het stadje te doen, ging ik de steenen brug die hier overl’Héraultligt over, en zag ter zijde op den muur van dezelve eene waterleiding (Aquaduc) gemaakt, dienende om het water uit eene bron aan den overkant van de rivier, op een’ zekeren afstand gelegen, in de stad te brengen; doch drie wekengeleden was een gedeelte van het metselwerk ingevallen en nog niet hersteld. Ik wandelde langs de rivier en klom tusschen beiden eens op een heuvel tot den avond begon te vallen. Van verre deed zich het geluid van de bellen der schapen, en het vee, dat men naar den stal dreef, als een’ klokkenspel hooren, en dan hoorde ik al eens een boerenmeisje of knaap een liedje in hetPatoiszingen, terwijl zij de paarden of het vee naar de rivier leidden, om te drinken. Ik had hier, dunkt mij, met genoegen eenige dagen doorgebragt; doch dat kwam met ons reisbestek niet overeen.

De vrouwen dragen hier veelal zwarte zijden-hoedjes met eene kant ’erom, zoo als bij ons de dienstmeisjes. Een praatje makende met de vrouw uit onze herberg, vernam ik, dat zij tot de Protestanten behoorde; dat die hier met de Roomschgezinden in goede verstandhouding leefden, en zelfs veel onder elkanderen trouwden; als mede dat de vrouw van den Predikant eeneHollandschewas, doch uit welke plaats en hoe genaamd, wist zij mij niet te zeggen.

Den 30 dezer ’s morgens om 5 uren vertrokken wij vanGanges. De morgenstond was frisch en aangenaam. Een half uurtje van daar komt men door een dorpjele Rocgenaamd; een oud kasteel ligt daar tegen een rots, die zich als een pyramide vertoont, van hier denkelijk de naam van (le Roc) de rots. Wat verder op, aan den anderen kant van het riviertje, ziet men de punt van een rots, vanverre gelijkende naar een oudcolossaalbeeld van een Bisschop met een mijter op. De rotsen, die hier vrij hoog zijn, en sommige een kegelvormige gedaante hebben, zijn meest zamengesteld van steenen, die laagsgewijze op een liggen, of van een soort van schaliesteen. De natuur is hier meêr grootsch en majestueus, dan aangenaam en liefelijk.—Verder koomende, ziet men eene steile rots, als de muren van een oud kasteel. Hier en daar schijnen ’er gaten of spelonken in te zijn,—nu daalt de weg, die eenigen tijd vrij verheven was boven de rivier, in een aangenaam dal af. Hier ziet men vele moerbezienboomen; vervolgens komt men in het dorpSt. Bausille. De straten zijn ’er zoo naauw, dat twee rijtuigen ’er elkanderen met geen mogelijkheid zouden kunnen voorbij komen. Buiten dit dorp klimt men eenen redelijk hoogen berg op; van daar ziet men achter zich het dorp in een alleraangenaamst groen dal, en het riviertjel’Hérault, dat men daar verlaat, ’er doorkronkelen. Op zulke plaatsen beklaag ik mij altijd van niet genoeg te kunnen teekenen; want diergelijke schoone schilderijen wenschte ik mij daar door dikwijls voor te kunnen stellen.—Hier hoort men het water nog liefelijk ruisschen, doch welhaast mist men geheel de bekoorlijke boorden van deHérault, en het lagchende groen van dat gedeelte derCevennes.—Men daalt af, om weder een’ hoogen berg langs kronkelwegen op te klimmen. Daar het redelijk koel was, gingen wij meest te voet. Aan een heesterlangs den weg staande, vond ik eenige gewassen die ik voor een soort van kleine appelen hield; zij waren even als die geelachtig, en aan den eenen kant rood; hoe verwonderd was ik van dezelve doorbreekende, te vinden dat zij vol waren van een soort van kleine gevleugelde insekten, die door elkanderen krielden; zij hadden veel overeenkomst met de plantluizen, die men bij ons onder de bladeren van de aalbeziën vindt. Op de rotsen hier rondom groeit veel palm, die de landlieden meest gebruiken, om te branden. TeSt. Martin de Londreslieten wij ons wat eten klaar maken, en aten ’er onder anderen witte truffels, die men hier omstreeks veel vindt; zij kwamen mij zoo goed niet voor als de zwarte. Men rekent van hier totMontpelliernog omtrent 4½ uur; de vrolijke gezigten houden geheel op, de landstreek is dor, en hier en daar ziet men hooge en steile rotsen. Een half uurtje vanMontpellierontdekt men reeds deAquaducvan verre; hier en daar aan den weg staan steenen palen; onze voerman zeide, dat de pijpen of buizen tot die waterleiding behoorende, en waar door het water van de bron wierd aangevoerd, hier onder doorliepen. Omstreeks vijf uren na den middag waren wij teMontpellierterug.—’s Nachts viel ’er zware donder en regen.

Den 31 dezer, ’s morgens op de markt gaven de koopvrouwen in visch, groentens, enz. vrij luidruchtig en in geen zeer bescheiden uitdrukkingen, hun misnoegen te kennen, over een besluit (arrète)van het Gouvernement, waarbij eenige kleine munten, waar de stempel af gesleten was, buiten omloop werden gesteld. Op deze markt ziet men een zeer fraaije fontein in een nis tegen een muur; boven op staan twee eenhoorns en een kindje, houdende een’ wapenschild en een laurierkrans; op het voetstuk wordt een veldslagen basreliefverbeeld, waaronder men leest:Bataille de Clostercamp1; boven de nis is een wapen (trophée), en dit alles is van marmer en in een fraaijen smaak gemaakt. De Maarschalkde CastriesGouverneur teMontpellierzijnde, werd deze fontein ter zijner eere opgerigt. Het gebouw, dat men de beurs noemt, schijnt oorspronkelijk een Kerk of Kapel geweest te zijn; men bedient ’er zich weinig van, want de Koophandel is hier van geen groot aanbelang.

TeMontpellierwordt veel koperrood of eigenlijk koperroest gemaakt; gedurende een’ geruimen tijd deed men dit bijna nergens anders, wanende, dat de kelders alhier ’er bijzonder toegeschikt waren, doch thans wordt het ook op verscheidene andere plaatsen gemaakt; de bewerking is zeer eenvoudig. Men plaatst in een aardepot boven wijn, die men aan het gisten maakt, laagsgewijze met verdroogde druiventrossen, en tusschen verscheidene plaatjes koper,die door de uitwazeming van den wijn aan het roesten raken; opgedroogd zijnde, schraapt men ’er dit roest af, en dat is het koperroest. Zoo gij het omstandiger weten wilt, lees danChaptalElemens de Chimie. Zonderling is het, dat vrouwen hier meest met dien arbeid, die om het vergiftige met zeer veel omzigtigheid moet geschieden, belast zijn. Men fabriceert hier ook deCremor Tartari.

Het schijnt ter dezer plaatse niet ongezond te wezen, mits men zich behoorlijk in acht neemt opzigtens de kleeding; want het weder kan ’er, even als bij ons, zeer ongestadig zijn.

Montpellieris zijn opkomst verschuldigd aan het verval van het oudeMaquelone. Het gedeelte vanNeder-Languedoc, waarin deze stad gelegen is, werd oudtijds door deVolces-Arecomiquesbewoond. De inwoners worden voor levendig en werkzaam van aard gehouden; de huishoudens, naar men zegt, leven veel op zich zelve, en de gezellige verkeering heeft hier minder dan in andere steden plaats. De religiegeschillen, die hier ook vele rampen veroorzaakten, gaven daar misschien wel aanleiding toe. Hunne gastvrijheid omtrent de vreemdelingen is ook niet beroemd; en zelfs eenLanguedoc’sspreekwoord, doet den ongezelligen aard van die vanMontpellierkennen2. Deze Stad is thansde Hoofdplaats van het Departement del’Hérault; zij is de geboorteplaats van verscheidene mannen van naam, zoo als de in de Natuurlijke Historie der Visschen ervaren,Guillaume Rondelet, die ’er in 1507 geboren werd;Pierre Magnol, kruidkundige, in 1638;Louis Bertrand Castel, wiskunstenaar, in 1688; de bekende TooneeldichterBrueijs, van wien wij ook eenige stukken in hetHollandschovergezet hebben3, en meêr anderen.Cambacèresin de geschiedenis van de omwenteling vanFrankrijk, en vooral als tweede Consul bekend, thans groot Kanselier met den tijtel van Prins, is ook vanMontpellier.

Over onze herbergl’Hotel du Midi, waren wij ongemeen wel te vreden; het is ’er gnap, en men eet ’er zeer goed aan de gemeene tafel in een ruime en fraaije zaal. Wij hadden hier niet minder lekkeren zeevisch dan teMarseille, onder anderen goede versche tonijn, en zeer groote schelvisschen. Voor een kamer met twee bedden, van waar men een gezigt had tot in deMiddellandsche Zee, betaalde ik 40solsdaags. Morgen voor den middag reizen wij naarToulouse.

1De vermaarde slag vanKloosterkampviel voor in het laatst van het jaar 1760. DeFranschen, na lang half naakt, zoo als zij uit de tenten kwamen, gevochten te hebben, behaalden eindelijk de overwinning.2Dit spreekwoord, in hetPatoisvanLanguedocluidt:Couvit de Mouspéiè, couvida à l’escaiè; dat is, noodiging vanMontpellierop den trap gedaan.3De Advokaat Pateleinis onder anderen vanBrueijs.

1De vermaarde slag vanKloosterkampviel voor in het laatst van het jaar 1760. DeFranschen, na lang half naakt, zoo als zij uit de tenten kwamen, gevochten te hebben, behaalden eindelijk de overwinning.

2Dit spreekwoord, in hetPatoisvanLanguedocluidt:Couvit de Mouspéiè, couvida à l’escaiè; dat is, noodiging vanMontpellierop den trap gedaan.

3De Advokaat Pateleinis onder anderen vanBrueijs.


Back to IndexNext