Vier en Twintigste Brief.Parijs, 11 October.Dingsdags den 2 dezer, ’s morgens om 6 uren vertrok ik vanBordeaux, en gisteren ben ik hier weder aangekomen, na mij een paar dagen teTourste hebben opgehouden; zie hier mijne aanteekeningen aangaande die reis.De reizigers vanBordeauxnaarParijs, stappen doorgaans aan den overkant van deGaronne, ter plaatsela Bastidegenaamd, op den postwagen. Ik was tijdig genoeg aan het veer, doch moest ’er wel een groot kwartier wachten, omdat ’er geen schuitjes waren, zoodat ik vreesde van te laat te zullen komen; het bestuur van dit veer schijnt niet zeer naauwkeurig te zijn, want, naar ik vernam, had diergelijk verzuim wel eens meêr plaats. De bagagie wordt daags te voren in de stad op den wagen geladen. Men betaalt daar voor totTours£ 25-per quintaal en £ 60- de persoon voor een plaats binnen in. Buiten ons, was ’er alleen eene vrouw met een ziek kind op den wagen, zoo dat het gezelschap niet zeer mede viel. Langs een’ vrij goeden weg met kleine steentjes opgeworpen, en hier en daar wat stijgende, komt men omtrent 3 uren vanBordeaux, aan den oever van deDordogne. Men ziet langs dien weg eenige buitenplaatsjes en landhuizen, en veel wijngaarden, waarin men drok bezig was. Deze landstreek schijnt wel bewoond. DeDordogneis hier eene aanzienlijke rivier, en daar ’er eb en vloed gaat, zeer bevaarbaar. Ondertusschen moest de wagen hier ontladen worden, om aan dezen kant te blijven staan: aan den overkant vindt men een’ anderen; dit lossen en laden houdt zeer lang op. DeFranschenmogten hier en daar wel eenige van onze doorgaans zoo gnappe veerlieden overlaten komen, om met ponten en diergelijke schuiten te leeren omgaan. Aan den anderen kant een klein eind weegs landwaards in, ligt het dorpjeSt. André de Cubsac; dit rekent men 3 posten vanBordeaux. Hoewel het pas 10 uren was, werd ’er het middagmaal gehouden; het was maar redelijk, doch de prijs ook gering. TeCavignac2½ post verder kregen wij, uithoofde van den slechten weg, waarvan wij reeds een gedeelte gehad hadden, en nog een erger hebben moesten, acht paarden. De landstreek scheen hier niet zeer vruchtbaar; men ziet niet anders dan eenige wijngaarden, en hier en daar wat hout. De weg wordt hoe langer hoeslechter; de grond is tamelijk effen, maar meest onbebouwd; veel heide, waarop men niet anders dan hier en daar wat denneboomen, en eenige andere struiken ziet; de gezigten gelijken nu en dan wat naar die, welke men op sommige plaatsen in deMeijerij van den Boschaantreft. Het steedjeMontlieu, waar wij door kwamen, ziet ’er niet voordeelig uit, ’er was echter nog al eene overdekte halle. Nu waren wij in het Departementde la Charente Inferieure.Montlieuis 8½ post vanBordeaux. Het begon al duister te worden; en een half uur verder op een plaatsjeChevenceaugenaamd, namen wij het avondmaal en nachtverblijf, dat nog al redelijk was.Den volgenden morgen, om 5 uren, stapten wij weder op den wagen. De weg werd wat beter, doch de landstreek is meest heide; verder op echter wordt zij aangenamer, hier en daar boschjes, veel notenboomen, akkerland, en tusschen beide eenige kleine heuvels.OmtrentBarbezieuxbegint het Departementde la Charente. Wij hielden ’er op, om het middagmaal te nemen, ondertusschen ging ik het plaatsje, dat zich nog al aangenaam opdoet, doorwandelen, doende mijn ontbijt met brood en druiven, dat ik onder weg kocht. De herberg ziet ’er hier anders zeer wel uit, doch, daar het pas negen uren ’s morgens was, en ik den vorigen avond wel gegeten had, had ik niet veel honger1. De wandelingenbij dit stadje zijn aangenaam met lindeboomen beplant; in hetzelve ziet het ’er nog al redelijk welvarende uit. Ik zag ’er verscheidene linnenwevers, men scheen ’er ook veel druiven te droogen, en, naar ik vernam, waren de kapoenen vanBarbezieuxberoemd. Van een oud kasteel, dat in het steedje staat, en thans tot eene gevangenis dient, wist men mij niets bijzonders te vertellen. De Onderprefect houdt hier zijn verblijf, en het getal der inwoners wordt op ruim 2700 begroot. De weg wordt goed, en de gezigten hier en daar nog al aangenaam, vooral op een hoogte omtrent 1½ uur vanBarbezieux; men komt vervolgens door een eikenbosch, waarin echter weinig of geen zware boomen. Ik verwonderde mij gedurende de gansche reis, dat men inFrankrijkniet beter zorgt voor de beplanting, vooral, daar dit land zoo aanmerkelijk veel brandhout noodig heeft. Men ziet weinig bosschen, en de wegen zijn slechts hier en daar beplant. De prijs van het brandhout stijgt, bijzonder ook teParijs, van jaar tot jaar: sinds jaren schijnt men het gebrek daar aan te voorzien, en nog vindt men ’er onbebouwde gronden, en weinig boomen langs de wegen2. Het steedjeRoulet, waar wij door kwamen,ziet ’er vrij wel uit. De weg blijft aangenaam,—hier en daar buitenplaatsen en papierfabrieken met watermolens, die op beken staan.—Eenige rotsen maken geene onaardige vertooning. Men zeide mij, dat dezelve goede steengroeven opleverden. Hier omstreeks is de weg beplant, en de stadAngoulême, op eene hoogte gelegen, vertoont zich aan het einde van dezelve op eene bevallige wijze. Om 3½ uur na den middag stapten wij af aan de herbergla Croix d’Or, in de voorstaddu Homo, even buiten de genoemde stad, en na het avondmaal besteld te hebben, klom ik naar dezelve; ’er is een groote halle bij de plaatsde la Commune. De straten zijn ’er doorgaans naauw. Anders ziet het ’er nog al vrij welvarende uit. Men heeft hier ook een’ Schouwburg, die van buiten nog al een fraai gebouw is, hij staat op een plein, dat menPlace de la Comedienoemt. Naast den Schouwburg is een zeer fraai Koffijhuis, met een tuin en ruime zaal, waarin drie billarten; ik nam daar eenigeververschingen. Uit een der kamers heeft men een zeer fraai gezigt. Van dePlace de la Comediegaat men op de gemeene wandeling, van waar men ookeen schoon gezigt heeft, vervolgens van daar den wal rond. Het gezigt blijft altijd fraai. De hoofdkerk, die ik in het voorbijgaan zag, ziet ’er inwendig zeer eenvoudig uit, en levert niets bijzonders op. Den wal volgende, komt men opde Place Beaulieu, zijnde een fraaije wandeling op een’ terras, van waar men, alzoo de stad op een vrij hoogen heuvel ligt, een verrukkelijk en zeer uitgestrekt gezigt heeft. Door het dal ziet men de rivierla Charentekronkelen. Over dezelve ligt een fraaije steenen brug, en zij maakt door haren slingerenden loop verscheiden eilandjes. Verder ziet men de haven, waarin eenige schuiten lagen, en de voorstaddu Homo, die zeer uitgestrekt is. Aan de andere zijde ziet men den fraaijen grooten weg, en eenige bergen in het verschiet; op dit terras, dat vrij groot is, zijn eenige lanen van lindeboomen, doch zij waren hun blad meestal kwijt; het fraaije gebouw dat men op hetzelve ziet, was voorheen een Nonnenklooster. Thans dient een gedeelte van hetzelve voor de Stadsboekerij. Omstreeks deze stad zijn verscheidene papierfabrieken, en het papier vanAngoulêmeis door geheelFrankrijkberoemd, en wordt tot het drukken van werken van belang gebruikt3.Ik zag hier ook in het voorbij gaan een fabriek van speelkaarten. De Ingezetenen drijven veel handel in wijn en brandewijn. Het stadjeCognac, van welker beroemde brandewijnen wij zeer veel trekken, behoort ook tot het landschapAngoumois, waar vanAngoulêmede hoofdstad plagt te zijn. Thans is zij de hoofdplaats van het Departementde la Charente. Het getal harer ingezetenen wordt op 11,500 begroot, doch, naar men mij verzekerde, zijn de voorsteden te zamen genomen grooter, dan de stad zelve. Men zegt, dat de ingezetenen over het algemeen vrij los en ongedwongen van levenswijze zijn. De levensmiddelen, en zelfs de huishuren zijn ’er, naar ik vernam, niet goedkoop. Hier omstreeks wordt ook veel saffraan geteeld.—Dit stadje is vooral om de schoone gezigten wel der moeite waardig om te zien.Tot onze groote verwondering, vonden wij in onze herberg, die ’er gansch niet oogelijk uitzag, een zeer goed avondmaal; de postwagen naarBordeaux, ook aangekomen zijnde, aten wij met 12 à 15 menschen, waar onder een paar niet onaardige vrouwen waren. Onder andere spijzen zettede men ons een soort van kleine vogeltjes voor, die men in de wijngaarden vangt, enbecsiguesnoemt; ik had ze onder weg reeds meêr gegeten, en vond ze smakelijk, wij hadden ook, voorFrankrijk, zeer lekkeren sausbaars, en overvloed van uitmuntende rivierkreeftjes, de wijn was tamelijk goed, en men had alzoo geen reden, om over den prijs (zijnde slechts £ 3–:–:) te klagen.Deze stad heeft door de religieoorlogen veel geleden.Johannes Calvinusverpligt zijnde, omParijste verlaten (in 1533), nam eerst de wijk naar deze stad, en vervolgens naarPoitiers. In 1568 werd dezelve door den Admiraalde Coligny, aan het hoofd van het leger der Hugenoten genomen.Na het avondmaal, in plaats van naar bed te gaan, stapten wij weder op den wagen, om den nacht door te rijden. Het was helder sterrelicht, en de weg zeer goed. Ik sliep tusschen beiden nog al wat, want men heeft inFrankrijkbij den nacht minder reden, om ongerust te zijn voor ongelukken dan bij ons; omdat de persoon, die de paarden leidt, op een van dezelven zit, en dus beter zien kan, dan een koetsier, op den bok zittende.Den 4 dezer. ’s Morgens bij het opgaan van de zon, was het mistig en zeer koel, de grond tamelijk effen en de weg goed. Men ziet hier geen wijngaarden. Omtrent het dorpChaunay, 8½ post vanAngoulême, en waar wij van paarden verwisselden, begint het Departementla Vienne; hier omstreeks zag ik veel schapen, die de akkers afweiden; de boomen, die men ’er het meeste ziet, zijn noten en castagnes, hier en daar een’enkeleeik. Wij ontbeten teCouhé, 1¼ post verder, bij het riviertjela Divegelegen; ’er is een groote hal, anders schijnt het niet veel te beteekenen; hier, en in deze landstreek, wordt veel noten-olij gemaakt.—Altijd zagen wij veel noten- en castagne-boomen, die op dezen grond, die niet van de beste schijnt te zijn,nog al redelijk tierig staan. Tusschen beide ziet men ook veel onbebouwde gronden, en de landbouw schijnt hier niet zeer ter harte genomen te worden, doch de streek kwam mij ook weinig bevolkt voor.Vivonne, 2½ post vanCouhé, was voorheen een stadje; thans is het een armoedig vlek; men kan zich naauwelijks een slordiger en onoogelijker plaats voorstellen. De inwoners zagen ’er vuil en afzigtig uit, en de ellende was bijna op alle gezigten te lezen. Ondertusschen levert dit plaatsje bij het inkomen een niet onaardig en zelfs schilderachtig gezigt op. Men ziet ’er, hier en daar ruwe en naakte rotsen, de vervallen muren van een oud Klooster op eene hoogte, tegen dezelve eenige slordige woningen, lager groene beemden, door een kronkelend beekje bespoeld; welk beekje, dat men deVonnenoemt, zich een weinig verder met het riviertjele Clainvereenigt, en waar over hier eene houten brug ligt; wij verwisselden daar van paarden; ik had dus den tijd, om het op mijn gemak te beschouwen, en mij dunkt dat dit alles door de hand van een’ bekwamen meester uitgevoerd, een fraaije teekening of schoone schilderij zou zijn. De landstreek blijft, verder voortreizende, woest en onbebouwd, het weinige hout, dat men hier en daar ziet, bewijst, dat de natuur slechts behoeft geholpen te worden, omdat in eene grootere hoeveelheid voort te brengen. Naar mate dat menPoitiersnadert, wordt de landstreek aangenamer, en de weg is aan beide zijden beplant. Deze stad is wederom op eene hoogte gelegen. Wijkwamen daar omstreeks vier uren aan, en stapten af aan de herbergles Trois Pilliersgenaamd. In een tuin, niet ver van deze herberg, ziet men nog eenige geringe overblijfsels van eenRomeinschgebouw, alhier onder den naam vanPalais Galliën, ofl’Amphithéatrebekend; het scheen van gebakken steen enz. op dezelfde wijze als dat vanBordeauxgemetseld te zijn geweest4. Van daar ging ik naar de wandelplaats, die menle Parcnoemt. Het is een fraai boschje, aan een’ hoek van de stad op de hoogte gelegen, en waarin verscheidene lanen zijn; deze wandeling is bijzonder aangenaam, omdat men van de voormalige stadswallen, die dezelve omringen, een heerlijk gezigt heeft. Door een lagchend en aangenaam geschakeerd landschap, kronkelt het riviertjele Clain; ook ziet men van hier omtrent een kwartier uurs ver, eenige poorten of bogen; het zijn de overblijfsels van eenRomeinsche Aquaduc. Vervolgens langs de stadswallen of muren, naar den kant vanle Clainvoortwandelende, heeft men het gezigt op aangename moestuinen, groene weilanden, een’ watermolen, schilderachtig gelegen, een brug,le pont Joubertgenaamd, de overblijfsels van eenBenedictijnerKlooster, dat een fraai gebouw schijnt geweest te zijn, en een fraaije steenen brug, die ’er nog nieuw uitziet, en welke menle Pont Neufnoemt. Vervolgens komt men in een laan met Italiaanschepopulieren, die al eene tamelijke hoogte bereikt hebben, beplant. Van hier ziet men aan den overkant van deClain, de rotsen, die men hier en daar voor zware vervallen muren of overblijfsels van oude gebouwen zou aanzien; tegen en in deze rotsen zijn ook eenige woningen gemaakt. Een fraai en nog nieuw gebouw met eencolonnade’er voor, langs dezen weg staande, dient, om de baden te gebruiken. Aan den eenen kant zijn de vertrekjes voor de vrouwen, en aan den anderen die der mannen. Een weinig verder heeft men de allerliefste en zeer romaneske wandeling, die hierla Promenade du pont Guillongenoemd wordt; ik wil trachten om ’er u, zoo goed mij doenlijk is, een denkbeeld van te geven; verbeeld u eene plaats van eene onregelmatige gedaante, door zware en digte boomen beschaduwd; het riviertjele Clain, welkers boorden hier en daar met struiken begroeid zijn, stroomt ’er langs; aan dien kant, en zelfs in het water ziet men eenige torens en overblijfsels van een oud Kasteel voor verscheidene eeuwen, door de Graven vanPoitiers, en thans door de uilen en vledermuizen bewoond. In een der torens scheenen echter nog menschen te huizen, en eenige doeken, die uit de venstergaten te droogen hingen, maakten hier geene onaardige vertooning. Verder op ziet men de rotsen aan den overkant van deClain, en aan de andere zijde, naar den kant van de stad, is een rijweg, onder water staande, en door hooge boomen, somber beschaduwd; juist kwam daar een driftje beesten en een vrouw op een ezel gezeten door, en nu washet volmaakt een schilderij in den smaak van uw beroemden stadgenootNicolaas van Berchem. De zon bijna ondergaande begunstigde het schilderachtige nog van dit schoone landschap. Niet ver van deze wandeling gaat men door de poort,la porte de Parisgenaamd, in de stad; in de rotsen over dezelve zijn ook eenige woningen gemaakt. De stad van dezen kant ingaande, loopen de straten zeer steil; inwendig is zij meestal zoo lelijk en onaangenaam als de omstreken fraai en bevallig zijn5; naauwe, kromme en misselijk bebouwde straten; een menigte thans veelal vervallen of half verwoeste Kerken en Kloosters, en andere gothische gebouwen. De Hoofdkerk is zeer groot, en heeft misschien voor liefhebbers van diergelijke gebouwen hare schoonheden. Voorbij een straat gaande, die menla rue Neuvenoemt, zag ik een pyramide met een basrelief in den muur, op den hoek van dezelve. Eenige vrouwen die daar omtrent aan haar deur zaten, verhaalden mij met een soort van eerbied, dat het een gedenkteeken was van een groot wonderwerk door den HeiligenHilarius, Bisschop alhier, gedaan. In het begin van de omwenteling was het, hier digt bij staande, om ver geworpen, en nu had men het sedert eenigen tijd weder opgerigt, en in den muur gemetseld. HoewelCalvinusin deze stad nog al wat aanhangers gemaakt heeft, thans is ’er het getal der Protestanten niet groot, en de Roomschgezindenzijn’er meestendeels bijgeloovig en onverdraagzaam6.Voor de omwenteling waren hier omtrent 50 Kerken en Kloosters. Deze Stad heeft, ten tijde van de religieoorlogen, bloedige tooneelen opgeleverd; de MaarschalkSt. André, dezelve ingenomen hebbende, gaf ze, om zich op de Protestanten te wreken, aan de plundering en baldadigheid zijner soldaten over; de gruwelen, die aldaar toen gepleegd werden, zijn allerafgrijsselijkst. De getergde en vervolgde Protestanten moorden en martelden wel niet, maar begingen vele buitensporigheden in het plunderen der Kerken, en het verwoesten van verscheidene merkwaardige gedenkteekenen en kunststukken.De markt is eene ruime plaats; doch dat is ook al wat men ’er van zeggen kan. Na den Schouwburg, die deze avond speelde, vragende, wees men mij naar een achterstraatje. De ingang van het huis waar in de zaal was, was zoo laag, dat de schildwacht, die ’er naast stond, boven de deurstijlen uitkwam. Inwendig was het nog al redelijk; men vertoonde ’er deTartuffevanMolière; waarlijk dit stuk kwam hier niet te onpas! Over het geheel werd het nog al redelijk wel gespeeld, en ’er waren tamelijk veel aanschouwers, waar onder echter veel militairen.Poitiersis een groote stad, doch naarevenredigheid slecht bevolkt; zij bevat nog geen 18,300 inwoners. De hoofdplaats van het Departement dela Viennezijnde, is zij de zetel van de Prefecture; ook is ’er een Bisdom. Voorheen was zij de hoofdstad van de ProvinciePoitou, en is overAngoulême,enz. 33¾ post vanBordeaux. De handel is ’er niet aanmerkelijk. ’Er zijn eenige fabrieken van kousen, sommige wollestoffen, krep, enz. Bij het avondmaal, dat vrij goed was, werden wij lastig gevallen door verscheidene koopvrouwen in messen, scharen en dergelijken. Nu, die inFrankrijkreist, mag zich wel van een mes voorzien, want men komt in verscheidene herbergen, waar men wel eten en drinken, lepels en vorken, maar voor ieder geen mes vindt, en men is daar gewoon, dat de reizigers die mede brengen. De levensmiddelen zijn hier vrij overvloedig en niet duur. Wij betaalden dan ook voor het avondmaal en slapen maar £ 3–:–: Den 5 dezer, ’s morgens om 5½ uur vervolgden wij onze reis. De weg is goed en vrij aangenaam. Aan de linkerhand heeft men rotsen, en aan de regter een fraai gezigt over de beemden langs deClain, heuvels, wijngaarden, enz. In en omtrent het dorpJaulnais, waar wij door kwamen, zag ik eenige vrouwlieden met een soort van kappen, bijna als die der Nonnen op; naar ik vernam, is het de dragt van die streek. Niet ver van den weg aan de linkerhand, zag ik op eene hoogte de overblijfsels van een Kasteel, dat aanmerkelijk moet geweest zijn, zijnde nog heden een groot en hoog gebouw; men zei mij,dat hetla Tour de Beaumontgenaamd was, en dat men hetzelve op een’ afstand van 22 uren zien kon. Ons gezelschap was vermeerderd door twee Gedeputeerdens vanPoitiers, om bij de aanstaande krooning van KeizerNapoléontegenwoordig te zijn; een van die Heeren had eene lieve vrouw, en in ’t geheel scheenen het hupsche en geschikte menschen, dit maakte het onderhoud nog al levendig en aangenaam. Een dorp, waar wij doorkwamen, gaf door zijn’ zonderlingen naam geen gunstig denkbeeld van deszelfs inwoners; het heetla Tricherie(de bedriegerij); verscheidene vrouwen kwamen ’er ons vruchten te koop aanbieden. De landstreek is bij aanhoudenheid vrij aangenaam.Poitiers.Poitiers.TeChatellerault, 5 posten vanPoitiers, kwamen wij omtrent 11 uren voormiddag aan, en vertoefden ’er om het middagmaal te houden. De rivierla Vienne, waarmede zich deClain, een eindje boven deze stad vereenigt, is hier bevaarbaar, en ’er ligt een fraaije steenen brug, welke men van dezen kant in de stad komende, overgaat; dezelve is door den Hertogde Sully, vriend vanHendrikden IV., en een der voorname steunen van de Protestanten, gesticht. Deze rivier is, naar ik vernam, tamelijk vischrijk; wij hadden een snoek op tafel van wel 12 à 15 ponden, en deze zijn inFrankrijkzoo algemeen niet, als bij ons; even zoo min als de goede boter, die hier echter ook zeer lekker was. Gedurende den maaltijd werden wij weder bestormd door eene menigte koopvrouwen in messen,scharen, pennenmessen, enz. Zij hielden op eene bedelachtige wijze aan, om wat te verkoopen, en werden het somtijds oneens onder elkander. De messenmakerij is het voorname bedrijf van de ingezetenen, en zij hebben ’er nog al wat in te doen, leverende daar van aanParijs, en meêr andere plaatsen, behalve het geene zij den reizigers verkoopen of opdringen. Hun werk is fraai op ’t oog, doch de hoedanigheid van het staal is, zegt men, niet best, en dat vanMoulinswordt voor beter gehouden. Deze landstreek levert ook het ijzer, dat hier verwerkt wordt, op. De omstreek van deze plaats scheen aangenaam en vruchtbaar. Door den zwaren regen werd ik veel belet, om hier te wandelen, echter zag ik ’er eenige gnappe huizen, en het ziet ’er over het algemeen vrij wel uit. Het getal der ingezetenen wordt op ruim 7700 begroot. In de rivier voor de stad lagen verscheidene schuiten.De weg loopt vervolgens door een aangenaam landschap, latende de rivier aan de linkerhand. Aan beide zijden op een’ zekeren afstand van den weg, ziet men groene heuvelen, en hier en daar buitenverblijven. Vooruit ziet men in de verte een soort van vrij hoogen toren. Welhaast naderden wij denzelven: het is een steenen kolom, waar een wenteltrap omslingert, staande op hetmoderneKasteelles Ormesgenaamd, en behoorende aan den HeerVoyer d’Argenson. Het is een groot en prachtig gebouw, met uitgestrekte tuinen en boschjes; terwijl men van paarden verwisselde, hadden wij den tijd,om hier eens rond te loopen. Aan den anderen kant van den weg zijn de stallen, en dit alles gelijkt naar een Vorstelijk verblijf. Het ligt 2½ post vanChatellerault. Wij reden nog een goed eind weegs langs de muren, die de aangelegen erven van dit landgoed omringden;—deze landstreek schijnt zeer bewoond, en wij kwamen door eenige dorpen over eene brug, over de kleine rivierla Creuseliggende7en langs eenen beplanten weg, omtrent 7½ uren teSt. Maure, een steedje, waar wij ons avondmaal en nachtverblijf moesten houden; hebbende heden 9½ post afgelegd. Voor den gewonen prijs van £ 3–10-: hadden wij een vrij goed avondmaal en ligging, doch konden van de laatste niet lang gebruik maken: alzoo wij den 6 dezer, ’s morgens om 3 uren, weder voort reisden. Het had wat gevrozen, en deed zulks nog, toen wij afreden. De zon ging helder op, en het was een schoone herfstmorgen. Langs den weg stonden eenige ijpenboomen; men was bezig met de bladeren van dezelve aftestroopen; zij dienen tot voeder voor het vee, niet omdat het gras of andervoedsel thans buitengewoon schaars is, maar omdat men meent dat deze bladeren goed en gezond zijn, inzonderheid voor de koeijen, welke dezelve ook gaarne lusten. Ik geloof toch, dat indien men hier even zoo als inBataafschenFransch Braband, rapen en spurrie zaaide op de zoogenaamde korenstoppelen, zulks veel voordeeliger en beter zou zijn; doch zoo als ik reeds gezegd heb, over het algemeen is ’er aan den landbouw inFrankrijknog veel te verbeteren. Hier en daar zijn wel Landbouwkundige Genootschappen, welke bespiegelingen maken, prijsvragen uitgeven, en boeken schrijven; doch de landman kan dikwijls niet lezen8, of zoo hij het al kan, heeft hij ’er den tijd en den lust niet toe, en blijft ook liever zoo maar op den ouden voet voortslenteren, daar eene nieuwe behandeling doorgaans in het begin meerder moeite, althans meerder oplettenheid, en somtijds ook eenige onkosten veroorzaakt. Landbouwkundige Genootschappen zijn dan wel goed, en zelfs zeer goed, doch zij moesten, mijns bedunkens, depractijkbij detheorievoegen, en ieder genootschap moest ook tevens eenige morgens akkerland onder den ploeg hebben, tot bosch aanleggen, en van tijd tot tijd die streken gaan bezoeken, welke het meeste verbetering behoeven, aldaar eenigen tijd verblijven, en met de landlieden en hunne gebruiken kennis maken. InDuitschlandreizende, zag ik daar op sommige plaatsen Predikanten die in der daad boeren waren; doch zij hebben met dat al doorgaans eene beschaafde opvoeding en opleiding tot meêr andere wetenschappen dan de Godgeleerdheid alleen, gehad. Men vindt daar zeer hupsche en achtingwaardige Patriarchen onder; en welke zich niet door hunne opgeblazenheid, maar alleen door meerdere deugd en eenvoudige kunde van hunne gemeente trachten te onderscheiden, en alzoo bij dezelven zeer bemind zijn. Zou men niet weldoen, van dit voorbeeld aangaande onze Predikanten, Pastoren en Dorpschoolmeesters te volgen; was het niet nuttiger dat de eerstgenoemden zich op de Hooge Schole, op de studie van den landbouw, dan op die der Hebreeuwsche en Chaldeeuwsche talen toeleiden, en zou men bij het doen der examens, geene bewijzen van hunne kundigheid hier omtrent kunnen vorderen, gelijk ook van de Dorpschoolmeesters? Ik deel u deze aanmerking mede, omdat mij dunkt, dat gij dienaangaande wel eens een voorstel bij de Maatschappijtot Nut van ’t Algemeenzoudt kunnen doen. Doch keeren wij tot mijne reisbeschrijving weder terug. Langs een’ goeden weg, en door een aangename landstreek, kwamen wij, om de koude meestal wandelende, teMontbazon, een niet onaardig stadje, en dat een welvarend voorkomen heeft. Bij hetzelve ziet men de overblijfsels van eene oud Kasteel, en een fraaije steenen brug over de kleine rivierl’Indre. En nu komt men aan de bekoorlijke toegangen vanTours;van de hoogte heeft men een verrukkelijk gezigt op dezelve, en de aangename landouw, waarin zij gelegen is. Daar de wagen om eene brug, welke men herstelde, verpligt was een’ kleinen omweg te maken, verkozen wij, om langs den gewonen weg, zijnde een fraaije laan, een groot kwartier uurs lang, naar de stad te wandelen; aan het eind van deze laan komt men door een mooi ijzer hek in dezelve en die hier nooit geweest is, staat verwonderd over het fraaije, nette en regelmatige van dit gedeelte van de stad: zijnde een vrij lange en breede straat, aan beide zijden met verheven en wel gestraatte voetpaden, en zeer fraaije huizen van gehouwene steen, in eene geregelde en sierlijke order gebouwd. Wij kwamen hier om 9½ uur ’s morgens aan.Toursis, langs den weg dien wij gekomen waren, 48¾ post vanBordeaux. De postwagen vertoeft ’er, om het middagmaal te houden, en ik voornemens zijnde, om hier een paar dagen te blijven, nam mijn intrek in hetHotèl d’Espagne, hetzelfde, waar de passagiers van den postwagen spijzigen.De fraaije straat, waarin verscheidene mooije winkels en Koffijhuizen zijn, doorgaande, komt men regt over dezelve aan een der schoonste steenen bruggen vanFrankrijkover deLoire, die hier vrij breed is, gelegen; zij is niet boogsgewijze maar plat (horisontal) gebouwd, en rust op 15 bogen, waar van ’er door den ijsgang in de winter van 1790, vier verwoest zijn; dit gedeelte is in hout weder hersteld, doch thans is men bezig om hetzelve wederin zijnen vorigen staat te brengen. Eer dat men van den kant van de stad op de brug gaat, heeft men eene fraaije plaats, waarop aan den eenen kant het Stadhuis, en aan den anderen de voorgevel (facade) voor een gebouw, in denzelfden smaak, om eene regelmatige gedaante aan deze plaats te geven; dit laatstgenoemde gebouw staat al sedert verscheidene jaren onvoltooid. Wat verder, aan beide zijden, zijnterrassen, die men met eenige trappen beklimt; zij zijn met eenige rijen jonge boomen beplant, en langs dezelven zijn op eene regelmatige wijze een groot aantal kleine winkels gemaakt, om, ten tijde van de kermis, tot kramen voor de Kooplieden te dienen. Aan het eind van deze terrassen zijn fraaije getimmertens, dienende voor Koffijhuizen; van deze terrassen langs de plaats tot aan de brug, zijn steenen leuningen (balustrades), waarop eenige groote bloempotten (vases) van wit marmer staan. Op de brug zelve, heeft men een allerschoonst gezigt, op een gedeelte van de stad, en een lange dreef met populieren beplant, aan het eind van de kaai, de met boomen beplante eilanden in deLoire, en de heuvels, wijnbergen, buitenplaatsen en dorpen aan den overkant.Na den middag ging ik eene wandeling buiten de stad aan den overkant der rivier doen; de landstreek is hier allerliefst, en het is niet zonder reden, dat men het voormaligTouraine, waar vanToursde Hoofdstad was, den tuin vanFrankrijk(le Jardin de la France) noemde. In de heuvels langs de rivier,heeft men hier en daar kelders gemaakt, dienende tot bergplaatsen voor den wijn, en verder op hebben zelfs de menschen woningen in derotsen. Op de hoogtens klimmende, heeft men hier en daar zeer fraaije en schilderachtige gezigten, vooral ook bij de voormalige AbdijMarmoutier, in de voorstadSt. Symphorien, aan den regteroever van deLoiregelegen, en welke Abdij voor de oudste van het westen gehouden wordt; als zijnde doorSt. Martinde Toursin 371 gesticht9; zij is echter nog niet vele jaren geleden op eene prachtige wijze bijgebouwd. De rotsen, oude muren, enz. maken hier eene zeer romaneske vertooning. Verder landwaards inwandelende, zag ik veel wijngaarden, en men was hier en daar nog drok met den wijnoogst bezig. De wijnen hier omstreeks, vooral die vanVouvrai, hebben nog al eenigen roem, en worden overNantesook wel naar ons Vaderland gezonden, waar zij onder den naam vanTours-wijnenbekend zijn. Deze landstreek levert ook vele vruchten en vooral pruimen op; de laatstgenoemde worden in eene groote hoeveelheid gedroogd, en maken een’ voornamen tak van koophandel uit10. In deMeijerij van ’s Boschwonende, heb ik ook meêr dan eens van die vruchten, die dikwijls zeer overvloedig zijn, laten droogen; en bevonden, dat, indien ’er behoorlijke zorg voor gedragen wordt, men die bij ons ook al zeer goed kan hebben. InGelderlandis dit ook nog al gebruikelijk, doch over het algemeen maakt men anders van het aankweeken en droogen van deze gezonde vrucht bij ons niet veel werk, en wij moeten die ook al weder veel van vreemden krijgen11.Den 7 dezer, ’s morgens vroegtijdig uitgaande, vond ik het koud; het had dezen nacht weder een weinig gevrozen. Buiten het ijzeren hek, waar wij in gekomen waren, heeft men aan beide zijden ook beplante wandelingen; doch de boomen zijn nog zeerjong. Den wal omgaande, zag ik verscheidene moestuinen, waarin de groentens zoo goed stonden, dat ik ze maar zeldzaam zoo inFrankrijkgezien heb. De wandeling door de Italiaansche populieren laan12langs de rivier, welke meêr dan een kwartier uurs lang is, is zeer aangenaam. Van daar te rug komende, zag ik op de kaai,le Quai du vieux pont13genaamd, een oude sterkte met torens, en meende de overblijfsels van muren, daar hetzelve opgebouwd was, voor Romeinsch werk te moeten erkennen; zijnde op dezelfde wijze gemetseld als het zoogenaamdePalais GalliënteBordeaux, en tePoitiers. Deze overblijfsels van muren strekken zich een eindje langs deze kaai uit, en vervolgens in de stad tot aan het Aartsbisdom. Dit Aartsbisdom schijnt een fraai gebouw; boven de poort van hetzelve las ikMusée; doch vernam tevens, dat men thans bezig was met hetzelve naar een ander gebouw te verplaatsen, alzoo zijne Hoogwaardigheid de nieuwaangestelde Aartsbisschop, zich hier had neder gezet. De Hoofdkerk, die hier bijstaat, is een trotsch Gothisch gebouw, pronkende met twee torens; het is ook, zoo men wil, door den reeds genoemdenSt. Martin14in de 4de eeuw gesticht; ’er plagt eenboekerij bij dezelve te zijn, waarin zeer oude en merkwaardige handschriften, op een soort van lessenaars, aan ketenen vastgeklonken lagen. Merkwaardige beelden of schilderijen zag ik in deze Kerk niet, maar het geen ik zonderling vond, was dat de vloer voor en achter verheven gemaakt was: zoo dat men ’er met eenige trappen opklom, en naar het midden, waar het groot altaar stond, afhelde; even eens als een staanplaats ofparterrein een’ Schouwburg. Men ziet duidelijk, dat dit niet aanvankelijk, maar eerst in latere tijden gemaakt is.Ik herinnerde mij, van kort voor mijn vertrek vanParijs, aldaar in de vergadering van een Genootschap van Geletterden en Kunstenaars, genaamdSociété Philotecniquete hebben hooren spreken van een overblijfsel der oudheid, dat omstreeks deze stad nog moest bestaan, en dat naar het gevoelen van oudheidkundigen, een tempel derDruïdenzou geweest zijn15; om dien aangaande nader onderrigting te bekomen, vervoegde ik mij bij den opzigter (conservateur) van het Museum alhier, die de vriendelijkheidhad van mij de plaats, alwaar het bestond, naauwkeurig te beduiden. Het Museum kon ik niet zien, omdat, men bezig met verhuizen zijnde, alles nog overhoop lag; doch ik vernam van gemelden Heer, dat deze verzameling meestal bestond uit eenige schilderijen, beelden, enz. die men in de Kerken en Kloosters had gevonden, benevens eenige weinige oudheden. Ik meende dan te moeten besluiten, dat, indien ’er vooral onder de schilderijen stukken van den eersten rang geweest waren, men dezelve denkelijk naar de galerij vanParijszou hebben overgevoerd, en ik begreep wel, dat ik door dit Museum niet te kunnen bezigtigen, weinig verloor16.A Inwendig gedeelte.B Voorportaal.A Achterste Deksteen.B Middelste Deksteen.C Deksteen aan den kant van den Ingang.Vroegtijdig gegeten hebbende, haastte ik mij, om den tempel derDruïdente gaan opzoeken, daar dezelve omtrent twee uren van de stad afgelegen is. De hoogte aan den anderen kant van deLoire, tegen over de brugla Tranchéegenaamd, opklimmende, wandelde ik langs een’ vrij aangenamen weg, tot het Dorpla Membrolle, en nam, hetzelve door zijnde, links den weg naar het Kasteelle Plessis les Tours17; het geen nog een goed eindje is; eer menaan dat Kasteel komt, staat de vermeende Druïdentempel (bij de landlieden in deze streek onder den naam vanGrotte, ofMaisson des Féesbekend) aan het eind van een akker, aan de regter hand; een landmeisje, dat ik daar omtrent ontmoette, wees mij denzelven aan. Het is een langwerpig vierkant van onmatig groote ruwe steenen gemaakt; acht van dezelven over eind staande, maken de zijmuren rondom uit; zij zijn, hoewel zeer ongelijk, naar gissing 2 à 3 voeten dik, 5½ à 6 hoog boven den grond, waar zij een weinig in stonden, en van onderscheidene breedte; de negende steen aan den ingang staande, en die met een andere die dwars in de zijwanden geplaatst is een soort van voorportaal maakt, is kleiner: dit soort van gebouw is gedekt door drie steenen, die nog grooter en dikker zijn dan de anderen18. Ik klom ’er boven op, om denzelven aftredende te meten; die aan den kant van den ingang, is ruim 5 treden in de breedte van het gebouw en 4 lang; de middelste heeft genoegzaam dezelfde breedte, doch is maar 3 treden lang, en de achterste is 4 treden breed en 3 lang; de dikte van den middelsten steen is aan den eenen kant (naar gissing) 3½ voet, en aan den anderen omtrent 5; de twee anderen zijn minder dik, hier en daar staken de deksteenen over dezijwanden uit. Inwendig was het omtrent 11 treden lang, te weten het voorportaal omtrent 3, enhet overige gedeelte 8, de breedte was 3 treden; bij den ingang waren eenige boomen geplant, boven op en ter zijde groeide hier en daar een weinig mos en gras. De steenen van eene grijsachtige kleur zijn van de soort, die in de steengroeven hieromstreeks gevonden wordt; zij schijnen in ’t geheel niet bewerkt, maar, zoo als zij uit die groeven gekomen zijn, hier geplaatst. Ondertusschen moet het geen geringen arbeid gekost hebben, om zulke verbazende zware brokken hier na toe en op elkanderen te krijgen; en zij, die dat gedaan hebben, moeten toch, dunkt mij, eenig denkbeeld van de werktuigkunde gehad hebben; hoe zeer het schijnt dat zij geen Steenhouwers of Bouwmeesters geweest zijn. Mijne kundigheden niet toereikende zijnde, om te beslissen in hoe verre het denkbeeld, dat dit gebouw een tempel of offerplaats der Druïden zou geweest zijn19al dan niet gegrond is, zal ik hier alleenlijk bijvoegen, dat ’er inFrankrijkmeêrder gelijke opgerigte steenen gevonden worden, onder anderen in het Departementl’Aveiron; doch zij zijn veel kleiner en bestaan doorgaans slechts uit vier steenen, namelijk drie rondom en een boven op. VolgensMonteil, Hoogleeraarin de Geschiedkunde, die een beschrijving van dat Departement in het licht heeft gegeven20, zouden ’er na bij herhaling te hebben gegraven, lijkbussen, wapenen en gedenkpenningen in gevonden zijn, waarom hij waarschijnlijker vindt, dat het gedenkteekens van grafsteden zijn. Ik vroeg ’er een landman, hier omstreeks wonende, na, doch hij zeide ’er niets anders van te weten, dan dat hij wel van zijn’ grootvader had hooren zeggen, dat het sedert eeuwen bestond; ondertusschen kon ik wel merken, dat hij ’er een bovennatuurlijk denkbeeld aan hechte zoo als dit ook uit de benaming vanGrotte de Féesblijkt; en ik houde mij verzekerd, dat ’er de boer niet gaarne een nacht alleen in doorgebragt zou hebben. Ongetwijfeld, indien het niet zoo stevig was, zou het lang verwoest geweest zijn; doch dat zou niet gemakkelijk genoeg gaan, om ter sluips te kunnen geschieden.Langs een’ anderen vrij aangenamen weg, voorbij akkers en wijngaarden, keerde ik weder naarToursterug. Het gezigt dat men boven aan den wegla Tranchée, staande over de brug, door de fraaije straat vanTours, en vervolgens door de regte laan, tot tegen de andere hoogte, heeft, is schoon.’s Avonds in een Koffijhuis gaande, vond ik daar wel 30 menschen bezig met lotto-spelen; ieder tuurde aanhoudend op de kaarten, die hij voor zich hadliggen, terwijl de hospes de nommers oplas;—welk een ellendig tijdverdrijf! ook was het hier voor iemand, die niet mede speelde, niet om uit te houden.Het vervolg en slot van mijn reisverhaal, zend ik u bij eene volgende gelegenheid.—Vaarwel!1TeParijsen in de voorname steden heeft men thansde gewoonte, om maar twee maaltijden daags te houden, te weten het ontbijt om 10, 11 of 12, en het middagmaal om 4, 5 of 6 uren. TeBourdeauxwas het doorgaans 4½ uren eer wij aan tafel gingen.2En onze Turfveenen zullen die eeuwig duren?—Ondertusschen wordt ook bij ons het aanleggen van bosschen verwaarloosd, en het is als of men meent, dat men heden planten en morgen kappen kan. InFrankrijkis de turf genoegzaam niet bekend; men maakt ’er toch eene soort van turven van de run, die de looijers gebruikt hebben.3Ook maakt men bijzonder veel werk van ons fraai papier (papier de Hollande) en de boeken daar op gedrukt, moet men duur betalen. Ons postpapier iste Parijs, en elders inFrankrijkzeer veel in gebruik; en wij zelve laten, ô schande! nogEngelschpapier inkomen!4Men leest hier voor een Koffijhuis:Caffé des Antiquités Romainesof iets diergelijks.5Zie het bijgevoegd gezigtje.6Een aanzienlijk burger dezer stad, zijnde een redelijke Roomschgezinde, bevestigde mij zulks, en bragt dien aangaande eenige voorbeelden bij, terwijl ik met dien man een paar dagen op reis was.7Deze rivier scheidt hier het Departementde la Viennevan dat vanl’Indre et Loire. Aan dezelve, omtrent anderhalf uur van de brug, ter regterzijde als men vanPoitierskomt, ligt een steedje datla Haye, even eens als ons’s Gravenhage, in hetFranschgenaamd wordt. De beroemdeRené Descartes, die ook lang in ons Vaderland gewoond heeft, werd aldaar den 31 Maart 1596 geboren.8InFrankrijk, zoo wel als bij ons, treft men vele landlieden aan, die niet lezen of schrijven kunnen.9Het ware te wenschen, dat zoo vele Pausen, Bisschoppen en andere Geestelijken der Roomsche Kerk, altijd den geest van verdraagzaamheid van dien Heilige hadden nagevolgd en nog navolgden; want men vindt van hem aangeteekend, dat hij, in de 4de eeuw levende, weigerde, om gemeenschap te hebben met de Bisschoppen, die den van ketterij beschuldigdenPriscilianuster dood wilden veroordeeld hebben.—Zulk een Heilige behoorde niet gelijk gesteld te worden met een’Dominicusen diergelijke afschuwelijke vervolgers.10Zij worden veel in kleine nette mandjes en ook in kistjes verzonden, enPruneaux de Toursgenaamd.11Ieder klaagt thans bij ons over den slechten tijd, en waarlijk niet zonder reden;—de Patriotten krijgen van velen de schuld, doch daar zit de knoop niet—geen land is ’er misschien afhankelijker van de omstandigheden dan het onze, dit moeten wij trachten te verhelpen, zoo veel mogelijk onze behoeften tot het geen onder ons bereik is bepalen, en maken, dat wij geen honger behoeven te lijden, als men ons de zee betwist.12Zoude deze fraaije en vooral op lage gronden weelderig groeijende boomen, langs onze weilanden geplant, geen dubbel nut doen; vooreerst door het voordeel, dat zij de eigenaars zouden aanbrengen, zonder voor het gras hinderlijk te zijn, en ten tweede door de schaduw, die zij het vee zouden bezorgen?13Kaai van de oude brug, van welke brug men nog eenige overblijfsels in de rivier ziet. De ingang van de stad door een poort was, toen over dezelve en bij deze sterkte.14VanSt. Martinsprekende, moet ik u het volgende nog vertellen: die Heilige bij de eerste Christenen onder deGaulen, in een groot aanzien zijnde, wijddeClovis, grondlegger van deFranscheMonarchie, hem, na dat hij reeds verscheidene jaren overleden was, een paard, waarop die gelukkige geweldenaar reeds verscheidene veldslagen gewonnen had, gevende hetzelve aan den opvolger en verdere discipelen van den opgemelden heilige; doch wilde het naderhand, misschien om nog meerdere overwinningen te behalen, weder terug hebben, en bood ’er 100 stukken gouds voor; men scheen hier niet tegen te hebben, doch ziet het paard wilde geen’ voet verzetten; en was, in weêr wil van de zweep, sporen en zelfs de haver, die men het aanbood, maar van de plaats niet aftebrengen.Clovismeenende, dat de verstorven heilige met de geboden som, voor de Kerk, geen genoegen nemende, hem die poets speelde, bood meêr en meêr, tot vijfmalen toe, eindelijk neemt het paard een’ sprong en galoppeert met zijn Majesteit de Kerk (want daar gebeurde het geval) uit; en nu riep de menigte, die dit had aangezien: ô Wonderwerk!—En hoe denkt gij dat zich dit had toegedragen?—zeer eenvoudig: men had het paard gezet op een houten vloer, die in deze Kerk gemaakt was, en hetzelve door middel van vier schroeven, die in de ijzers kwamen, daarop vastgemaakt; zoodra ’er geld genoeg geboden was, draaiden eenige Geestelijken, (want aan anderenhebben zij zekerlijk hun geheim niet vertrouwd) onder die vloer verborgen, de schroeven los,—en zie daar een wonderwerk.—Zouden de meesten van die soort niet op diergelijke wijze geschieden?15Vaux de Launayheeft in de zitting van dat Genootschap van den 19Messidor an XII.(8 Julij 1804) daar over een Vertoog gedaan; doch het is tot nog toe, voor zoo verre mij bekend is, niet gedrukt.16Door dezen Heer werd ik ook in mijn gevoelen aangaande de overblijfsels vanRomeinschemuren alhier, waarvan ik hier voor gesproken heb, bevestigd.17Lodewijkde XI, die veel smaak vond in dit oord, bouwde hetzelve, bragt ’er een gedeelte van zijn leven op door, en overleed ’er in 1483, in den ouderdom van 60jaren. Hij was de eerste die den tijtel voerde van allerchristelijksten Koning (Roi tres chretien).18Ik schets de gedaante hier met de pen, zoo goed mij doenlijk is af, om ’er u een denkbeeld van te geven,te meêr, omdat ik niet weet dat ’er eene afteekening of naauwkeurige beschrijving van bestaat.19De Druïden waren Priesters en Regters onder de oudeGaulers; tot hunne Godsdienstige plegtigheden behoorden de afgrijsselijke menschenoffers; ook hadden zij eene soort van eerbied voor een bijgewas op de eikenboomen (Fiscum), en sneden het op eene plegtige wijze met een gouden sikkel af.20Description du Departement de l’Aveiron, parA. A. Monteiletc. ParisFuchsetDesennean X.
Vier en Twintigste Brief.Parijs, 11 October.Dingsdags den 2 dezer, ’s morgens om 6 uren vertrok ik vanBordeaux, en gisteren ben ik hier weder aangekomen, na mij een paar dagen teTourste hebben opgehouden; zie hier mijne aanteekeningen aangaande die reis.De reizigers vanBordeauxnaarParijs, stappen doorgaans aan den overkant van deGaronne, ter plaatsela Bastidegenaamd, op den postwagen. Ik was tijdig genoeg aan het veer, doch moest ’er wel een groot kwartier wachten, omdat ’er geen schuitjes waren, zoodat ik vreesde van te laat te zullen komen; het bestuur van dit veer schijnt niet zeer naauwkeurig te zijn, want, naar ik vernam, had diergelijk verzuim wel eens meêr plaats. De bagagie wordt daags te voren in de stad op den wagen geladen. Men betaalt daar voor totTours£ 25-per quintaal en £ 60- de persoon voor een plaats binnen in. Buiten ons, was ’er alleen eene vrouw met een ziek kind op den wagen, zoo dat het gezelschap niet zeer mede viel. Langs een’ vrij goeden weg met kleine steentjes opgeworpen, en hier en daar wat stijgende, komt men omtrent 3 uren vanBordeaux, aan den oever van deDordogne. Men ziet langs dien weg eenige buitenplaatsjes en landhuizen, en veel wijngaarden, waarin men drok bezig was. Deze landstreek schijnt wel bewoond. DeDordogneis hier eene aanzienlijke rivier, en daar ’er eb en vloed gaat, zeer bevaarbaar. Ondertusschen moest de wagen hier ontladen worden, om aan dezen kant te blijven staan: aan den overkant vindt men een’ anderen; dit lossen en laden houdt zeer lang op. DeFranschenmogten hier en daar wel eenige van onze doorgaans zoo gnappe veerlieden overlaten komen, om met ponten en diergelijke schuiten te leeren omgaan. Aan den anderen kant een klein eind weegs landwaards in, ligt het dorpjeSt. André de Cubsac; dit rekent men 3 posten vanBordeaux. Hoewel het pas 10 uren was, werd ’er het middagmaal gehouden; het was maar redelijk, doch de prijs ook gering. TeCavignac2½ post verder kregen wij, uithoofde van den slechten weg, waarvan wij reeds een gedeelte gehad hadden, en nog een erger hebben moesten, acht paarden. De landstreek scheen hier niet zeer vruchtbaar; men ziet niet anders dan eenige wijngaarden, en hier en daar wat hout. De weg wordt hoe langer hoeslechter; de grond is tamelijk effen, maar meest onbebouwd; veel heide, waarop men niet anders dan hier en daar wat denneboomen, en eenige andere struiken ziet; de gezigten gelijken nu en dan wat naar die, welke men op sommige plaatsen in deMeijerij van den Boschaantreft. Het steedjeMontlieu, waar wij door kwamen, ziet ’er niet voordeelig uit, ’er was echter nog al eene overdekte halle. Nu waren wij in het Departementde la Charente Inferieure.Montlieuis 8½ post vanBordeaux. Het begon al duister te worden; en een half uur verder op een plaatsjeChevenceaugenaamd, namen wij het avondmaal en nachtverblijf, dat nog al redelijk was.Den volgenden morgen, om 5 uren, stapten wij weder op den wagen. De weg werd wat beter, doch de landstreek is meest heide; verder op echter wordt zij aangenamer, hier en daar boschjes, veel notenboomen, akkerland, en tusschen beide eenige kleine heuvels.OmtrentBarbezieuxbegint het Departementde la Charente. Wij hielden ’er op, om het middagmaal te nemen, ondertusschen ging ik het plaatsje, dat zich nog al aangenaam opdoet, doorwandelen, doende mijn ontbijt met brood en druiven, dat ik onder weg kocht. De herberg ziet ’er hier anders zeer wel uit, doch, daar het pas negen uren ’s morgens was, en ik den vorigen avond wel gegeten had, had ik niet veel honger1. De wandelingenbij dit stadje zijn aangenaam met lindeboomen beplant; in hetzelve ziet het ’er nog al redelijk welvarende uit. Ik zag ’er verscheidene linnenwevers, men scheen ’er ook veel druiven te droogen, en, naar ik vernam, waren de kapoenen vanBarbezieuxberoemd. Van een oud kasteel, dat in het steedje staat, en thans tot eene gevangenis dient, wist men mij niets bijzonders te vertellen. De Onderprefect houdt hier zijn verblijf, en het getal der inwoners wordt op ruim 2700 begroot. De weg wordt goed, en de gezigten hier en daar nog al aangenaam, vooral op een hoogte omtrent 1½ uur vanBarbezieux; men komt vervolgens door een eikenbosch, waarin echter weinig of geen zware boomen. Ik verwonderde mij gedurende de gansche reis, dat men inFrankrijkniet beter zorgt voor de beplanting, vooral, daar dit land zoo aanmerkelijk veel brandhout noodig heeft. Men ziet weinig bosschen, en de wegen zijn slechts hier en daar beplant. De prijs van het brandhout stijgt, bijzonder ook teParijs, van jaar tot jaar: sinds jaren schijnt men het gebrek daar aan te voorzien, en nog vindt men ’er onbebouwde gronden, en weinig boomen langs de wegen2. Het steedjeRoulet, waar wij door kwamen,ziet ’er vrij wel uit. De weg blijft aangenaam,—hier en daar buitenplaatsen en papierfabrieken met watermolens, die op beken staan.—Eenige rotsen maken geene onaardige vertooning. Men zeide mij, dat dezelve goede steengroeven opleverden. Hier omstreeks is de weg beplant, en de stadAngoulême, op eene hoogte gelegen, vertoont zich aan het einde van dezelve op eene bevallige wijze. Om 3½ uur na den middag stapten wij af aan de herbergla Croix d’Or, in de voorstaddu Homo, even buiten de genoemde stad, en na het avondmaal besteld te hebben, klom ik naar dezelve; ’er is een groote halle bij de plaatsde la Commune. De straten zijn ’er doorgaans naauw. Anders ziet het ’er nog al vrij welvarende uit. Men heeft hier ook een’ Schouwburg, die van buiten nog al een fraai gebouw is, hij staat op een plein, dat menPlace de la Comedienoemt. Naast den Schouwburg is een zeer fraai Koffijhuis, met een tuin en ruime zaal, waarin drie billarten; ik nam daar eenigeververschingen. Uit een der kamers heeft men een zeer fraai gezigt. Van dePlace de la Comediegaat men op de gemeene wandeling, van waar men ookeen schoon gezigt heeft, vervolgens van daar den wal rond. Het gezigt blijft altijd fraai. De hoofdkerk, die ik in het voorbijgaan zag, ziet ’er inwendig zeer eenvoudig uit, en levert niets bijzonders op. Den wal volgende, komt men opde Place Beaulieu, zijnde een fraaije wandeling op een’ terras, van waar men, alzoo de stad op een vrij hoogen heuvel ligt, een verrukkelijk en zeer uitgestrekt gezigt heeft. Door het dal ziet men de rivierla Charentekronkelen. Over dezelve ligt een fraaije steenen brug, en zij maakt door haren slingerenden loop verscheiden eilandjes. Verder ziet men de haven, waarin eenige schuiten lagen, en de voorstaddu Homo, die zeer uitgestrekt is. Aan de andere zijde ziet men den fraaijen grooten weg, en eenige bergen in het verschiet; op dit terras, dat vrij groot is, zijn eenige lanen van lindeboomen, doch zij waren hun blad meestal kwijt; het fraaije gebouw dat men op hetzelve ziet, was voorheen een Nonnenklooster. Thans dient een gedeelte van hetzelve voor de Stadsboekerij. Omstreeks deze stad zijn verscheidene papierfabrieken, en het papier vanAngoulêmeis door geheelFrankrijkberoemd, en wordt tot het drukken van werken van belang gebruikt3.Ik zag hier ook in het voorbij gaan een fabriek van speelkaarten. De Ingezetenen drijven veel handel in wijn en brandewijn. Het stadjeCognac, van welker beroemde brandewijnen wij zeer veel trekken, behoort ook tot het landschapAngoumois, waar vanAngoulêmede hoofdstad plagt te zijn. Thans is zij de hoofdplaats van het Departementde la Charente. Het getal harer ingezetenen wordt op 11,500 begroot, doch, naar men mij verzekerde, zijn de voorsteden te zamen genomen grooter, dan de stad zelve. Men zegt, dat de ingezetenen over het algemeen vrij los en ongedwongen van levenswijze zijn. De levensmiddelen, en zelfs de huishuren zijn ’er, naar ik vernam, niet goedkoop. Hier omstreeks wordt ook veel saffraan geteeld.—Dit stadje is vooral om de schoone gezigten wel der moeite waardig om te zien.Tot onze groote verwondering, vonden wij in onze herberg, die ’er gansch niet oogelijk uitzag, een zeer goed avondmaal; de postwagen naarBordeaux, ook aangekomen zijnde, aten wij met 12 à 15 menschen, waar onder een paar niet onaardige vrouwen waren. Onder andere spijzen zettede men ons een soort van kleine vogeltjes voor, die men in de wijngaarden vangt, enbecsiguesnoemt; ik had ze onder weg reeds meêr gegeten, en vond ze smakelijk, wij hadden ook, voorFrankrijk, zeer lekkeren sausbaars, en overvloed van uitmuntende rivierkreeftjes, de wijn was tamelijk goed, en men had alzoo geen reden, om over den prijs (zijnde slechts £ 3–:–:) te klagen.Deze stad heeft door de religieoorlogen veel geleden.Johannes Calvinusverpligt zijnde, omParijste verlaten (in 1533), nam eerst de wijk naar deze stad, en vervolgens naarPoitiers. In 1568 werd dezelve door den Admiraalde Coligny, aan het hoofd van het leger der Hugenoten genomen.Na het avondmaal, in plaats van naar bed te gaan, stapten wij weder op den wagen, om den nacht door te rijden. Het was helder sterrelicht, en de weg zeer goed. Ik sliep tusschen beiden nog al wat, want men heeft inFrankrijkbij den nacht minder reden, om ongerust te zijn voor ongelukken dan bij ons; omdat de persoon, die de paarden leidt, op een van dezelven zit, en dus beter zien kan, dan een koetsier, op den bok zittende.Den 4 dezer. ’s Morgens bij het opgaan van de zon, was het mistig en zeer koel, de grond tamelijk effen en de weg goed. Men ziet hier geen wijngaarden. Omtrent het dorpChaunay, 8½ post vanAngoulême, en waar wij van paarden verwisselden, begint het Departementla Vienne; hier omstreeks zag ik veel schapen, die de akkers afweiden; de boomen, die men ’er het meeste ziet, zijn noten en castagnes, hier en daar een’enkeleeik. Wij ontbeten teCouhé, 1¼ post verder, bij het riviertjela Divegelegen; ’er is een groote hal, anders schijnt het niet veel te beteekenen; hier, en in deze landstreek, wordt veel noten-olij gemaakt.—Altijd zagen wij veel noten- en castagne-boomen, die op dezen grond, die niet van de beste schijnt te zijn,nog al redelijk tierig staan. Tusschen beide ziet men ook veel onbebouwde gronden, en de landbouw schijnt hier niet zeer ter harte genomen te worden, doch de streek kwam mij ook weinig bevolkt voor.Vivonne, 2½ post vanCouhé, was voorheen een stadje; thans is het een armoedig vlek; men kan zich naauwelijks een slordiger en onoogelijker plaats voorstellen. De inwoners zagen ’er vuil en afzigtig uit, en de ellende was bijna op alle gezigten te lezen. Ondertusschen levert dit plaatsje bij het inkomen een niet onaardig en zelfs schilderachtig gezigt op. Men ziet ’er, hier en daar ruwe en naakte rotsen, de vervallen muren van een oud Klooster op eene hoogte, tegen dezelve eenige slordige woningen, lager groene beemden, door een kronkelend beekje bespoeld; welk beekje, dat men deVonnenoemt, zich een weinig verder met het riviertjele Clainvereenigt, en waar over hier eene houten brug ligt; wij verwisselden daar van paarden; ik had dus den tijd, om het op mijn gemak te beschouwen, en mij dunkt dat dit alles door de hand van een’ bekwamen meester uitgevoerd, een fraaije teekening of schoone schilderij zou zijn. De landstreek blijft, verder voortreizende, woest en onbebouwd, het weinige hout, dat men hier en daar ziet, bewijst, dat de natuur slechts behoeft geholpen te worden, omdat in eene grootere hoeveelheid voort te brengen. Naar mate dat menPoitiersnadert, wordt de landstreek aangenamer, en de weg is aan beide zijden beplant. Deze stad is wederom op eene hoogte gelegen. Wijkwamen daar omstreeks vier uren aan, en stapten af aan de herbergles Trois Pilliersgenaamd. In een tuin, niet ver van deze herberg, ziet men nog eenige geringe overblijfsels van eenRomeinschgebouw, alhier onder den naam vanPalais Galliën, ofl’Amphithéatrebekend; het scheen van gebakken steen enz. op dezelfde wijze als dat vanBordeauxgemetseld te zijn geweest4. Van daar ging ik naar de wandelplaats, die menle Parcnoemt. Het is een fraai boschje, aan een’ hoek van de stad op de hoogte gelegen, en waarin verscheidene lanen zijn; deze wandeling is bijzonder aangenaam, omdat men van de voormalige stadswallen, die dezelve omringen, een heerlijk gezigt heeft. Door een lagchend en aangenaam geschakeerd landschap, kronkelt het riviertjele Clain; ook ziet men van hier omtrent een kwartier uurs ver, eenige poorten of bogen; het zijn de overblijfsels van eenRomeinsche Aquaduc. Vervolgens langs de stadswallen of muren, naar den kant vanle Clainvoortwandelende, heeft men het gezigt op aangename moestuinen, groene weilanden, een’ watermolen, schilderachtig gelegen, een brug,le pont Joubertgenaamd, de overblijfsels van eenBenedictijnerKlooster, dat een fraai gebouw schijnt geweest te zijn, en een fraaije steenen brug, die ’er nog nieuw uitziet, en welke menle Pont Neufnoemt. Vervolgens komt men in een laan met Italiaanschepopulieren, die al eene tamelijke hoogte bereikt hebben, beplant. Van hier ziet men aan den overkant van deClain, de rotsen, die men hier en daar voor zware vervallen muren of overblijfsels van oude gebouwen zou aanzien; tegen en in deze rotsen zijn ook eenige woningen gemaakt. Een fraai en nog nieuw gebouw met eencolonnade’er voor, langs dezen weg staande, dient, om de baden te gebruiken. Aan den eenen kant zijn de vertrekjes voor de vrouwen, en aan den anderen die der mannen. Een weinig verder heeft men de allerliefste en zeer romaneske wandeling, die hierla Promenade du pont Guillongenoemd wordt; ik wil trachten om ’er u, zoo goed mij doenlijk is, een denkbeeld van te geven; verbeeld u eene plaats van eene onregelmatige gedaante, door zware en digte boomen beschaduwd; het riviertjele Clain, welkers boorden hier en daar met struiken begroeid zijn, stroomt ’er langs; aan dien kant, en zelfs in het water ziet men eenige torens en overblijfsels van een oud Kasteel voor verscheidene eeuwen, door de Graven vanPoitiers, en thans door de uilen en vledermuizen bewoond. In een der torens scheenen echter nog menschen te huizen, en eenige doeken, die uit de venstergaten te droogen hingen, maakten hier geene onaardige vertooning. Verder op ziet men de rotsen aan den overkant van deClain, en aan de andere zijde, naar den kant van de stad, is een rijweg, onder water staande, en door hooge boomen, somber beschaduwd; juist kwam daar een driftje beesten en een vrouw op een ezel gezeten door, en nu washet volmaakt een schilderij in den smaak van uw beroemden stadgenootNicolaas van Berchem. De zon bijna ondergaande begunstigde het schilderachtige nog van dit schoone landschap. Niet ver van deze wandeling gaat men door de poort,la porte de Parisgenaamd, in de stad; in de rotsen over dezelve zijn ook eenige woningen gemaakt. De stad van dezen kant ingaande, loopen de straten zeer steil; inwendig is zij meestal zoo lelijk en onaangenaam als de omstreken fraai en bevallig zijn5; naauwe, kromme en misselijk bebouwde straten; een menigte thans veelal vervallen of half verwoeste Kerken en Kloosters, en andere gothische gebouwen. De Hoofdkerk is zeer groot, en heeft misschien voor liefhebbers van diergelijke gebouwen hare schoonheden. Voorbij een straat gaande, die menla rue Neuvenoemt, zag ik een pyramide met een basrelief in den muur, op den hoek van dezelve. Eenige vrouwen die daar omtrent aan haar deur zaten, verhaalden mij met een soort van eerbied, dat het een gedenkteeken was van een groot wonderwerk door den HeiligenHilarius, Bisschop alhier, gedaan. In het begin van de omwenteling was het, hier digt bij staande, om ver geworpen, en nu had men het sedert eenigen tijd weder opgerigt, en in den muur gemetseld. HoewelCalvinusin deze stad nog al wat aanhangers gemaakt heeft, thans is ’er het getal der Protestanten niet groot, en de Roomschgezindenzijn’er meestendeels bijgeloovig en onverdraagzaam6.Voor de omwenteling waren hier omtrent 50 Kerken en Kloosters. Deze Stad heeft, ten tijde van de religieoorlogen, bloedige tooneelen opgeleverd; de MaarschalkSt. André, dezelve ingenomen hebbende, gaf ze, om zich op de Protestanten te wreken, aan de plundering en baldadigheid zijner soldaten over; de gruwelen, die aldaar toen gepleegd werden, zijn allerafgrijsselijkst. De getergde en vervolgde Protestanten moorden en martelden wel niet, maar begingen vele buitensporigheden in het plunderen der Kerken, en het verwoesten van verscheidene merkwaardige gedenkteekenen en kunststukken.De markt is eene ruime plaats; doch dat is ook al wat men ’er van zeggen kan. Na den Schouwburg, die deze avond speelde, vragende, wees men mij naar een achterstraatje. De ingang van het huis waar in de zaal was, was zoo laag, dat de schildwacht, die ’er naast stond, boven de deurstijlen uitkwam. Inwendig was het nog al redelijk; men vertoonde ’er deTartuffevanMolière; waarlijk dit stuk kwam hier niet te onpas! Over het geheel werd het nog al redelijk wel gespeeld, en ’er waren tamelijk veel aanschouwers, waar onder echter veel militairen.Poitiersis een groote stad, doch naarevenredigheid slecht bevolkt; zij bevat nog geen 18,300 inwoners. De hoofdplaats van het Departement dela Viennezijnde, is zij de zetel van de Prefecture; ook is ’er een Bisdom. Voorheen was zij de hoofdstad van de ProvinciePoitou, en is overAngoulême,enz. 33¾ post vanBordeaux. De handel is ’er niet aanmerkelijk. ’Er zijn eenige fabrieken van kousen, sommige wollestoffen, krep, enz. Bij het avondmaal, dat vrij goed was, werden wij lastig gevallen door verscheidene koopvrouwen in messen, scharen en dergelijken. Nu, die inFrankrijkreist, mag zich wel van een mes voorzien, want men komt in verscheidene herbergen, waar men wel eten en drinken, lepels en vorken, maar voor ieder geen mes vindt, en men is daar gewoon, dat de reizigers die mede brengen. De levensmiddelen zijn hier vrij overvloedig en niet duur. Wij betaalden dan ook voor het avondmaal en slapen maar £ 3–:–: Den 5 dezer, ’s morgens om 5½ uur vervolgden wij onze reis. De weg is goed en vrij aangenaam. Aan de linkerhand heeft men rotsen, en aan de regter een fraai gezigt over de beemden langs deClain, heuvels, wijngaarden, enz. In en omtrent het dorpJaulnais, waar wij door kwamen, zag ik eenige vrouwlieden met een soort van kappen, bijna als die der Nonnen op; naar ik vernam, is het de dragt van die streek. Niet ver van den weg aan de linkerhand, zag ik op eene hoogte de overblijfsels van een Kasteel, dat aanmerkelijk moet geweest zijn, zijnde nog heden een groot en hoog gebouw; men zei mij,dat hetla Tour de Beaumontgenaamd was, en dat men hetzelve op een’ afstand van 22 uren zien kon. Ons gezelschap was vermeerderd door twee Gedeputeerdens vanPoitiers, om bij de aanstaande krooning van KeizerNapoléontegenwoordig te zijn; een van die Heeren had eene lieve vrouw, en in ’t geheel scheenen het hupsche en geschikte menschen, dit maakte het onderhoud nog al levendig en aangenaam. Een dorp, waar wij doorkwamen, gaf door zijn’ zonderlingen naam geen gunstig denkbeeld van deszelfs inwoners; het heetla Tricherie(de bedriegerij); verscheidene vrouwen kwamen ’er ons vruchten te koop aanbieden. De landstreek is bij aanhoudenheid vrij aangenaam.Poitiers.Poitiers.TeChatellerault, 5 posten vanPoitiers, kwamen wij omtrent 11 uren voormiddag aan, en vertoefden ’er om het middagmaal te houden. De rivierla Vienne, waarmede zich deClain, een eindje boven deze stad vereenigt, is hier bevaarbaar, en ’er ligt een fraaije steenen brug, welke men van dezen kant in de stad komende, overgaat; dezelve is door den Hertogde Sully, vriend vanHendrikden IV., en een der voorname steunen van de Protestanten, gesticht. Deze rivier is, naar ik vernam, tamelijk vischrijk; wij hadden een snoek op tafel van wel 12 à 15 ponden, en deze zijn inFrankrijkzoo algemeen niet, als bij ons; even zoo min als de goede boter, die hier echter ook zeer lekker was. Gedurende den maaltijd werden wij weder bestormd door eene menigte koopvrouwen in messen,scharen, pennenmessen, enz. Zij hielden op eene bedelachtige wijze aan, om wat te verkoopen, en werden het somtijds oneens onder elkander. De messenmakerij is het voorname bedrijf van de ingezetenen, en zij hebben ’er nog al wat in te doen, leverende daar van aanParijs, en meêr andere plaatsen, behalve het geene zij den reizigers verkoopen of opdringen. Hun werk is fraai op ’t oog, doch de hoedanigheid van het staal is, zegt men, niet best, en dat vanMoulinswordt voor beter gehouden. Deze landstreek levert ook het ijzer, dat hier verwerkt wordt, op. De omstreek van deze plaats scheen aangenaam en vruchtbaar. Door den zwaren regen werd ik veel belet, om hier te wandelen, echter zag ik ’er eenige gnappe huizen, en het ziet ’er over het algemeen vrij wel uit. Het getal der ingezetenen wordt op ruim 7700 begroot. In de rivier voor de stad lagen verscheidene schuiten.De weg loopt vervolgens door een aangenaam landschap, latende de rivier aan de linkerhand. Aan beide zijden op een’ zekeren afstand van den weg, ziet men groene heuvelen, en hier en daar buitenverblijven. Vooruit ziet men in de verte een soort van vrij hoogen toren. Welhaast naderden wij denzelven: het is een steenen kolom, waar een wenteltrap omslingert, staande op hetmoderneKasteelles Ormesgenaamd, en behoorende aan den HeerVoyer d’Argenson. Het is een groot en prachtig gebouw, met uitgestrekte tuinen en boschjes; terwijl men van paarden verwisselde, hadden wij den tijd,om hier eens rond te loopen. Aan den anderen kant van den weg zijn de stallen, en dit alles gelijkt naar een Vorstelijk verblijf. Het ligt 2½ post vanChatellerault. Wij reden nog een goed eind weegs langs de muren, die de aangelegen erven van dit landgoed omringden;—deze landstreek schijnt zeer bewoond, en wij kwamen door eenige dorpen over eene brug, over de kleine rivierla Creuseliggende7en langs eenen beplanten weg, omtrent 7½ uren teSt. Maure, een steedje, waar wij ons avondmaal en nachtverblijf moesten houden; hebbende heden 9½ post afgelegd. Voor den gewonen prijs van £ 3–10-: hadden wij een vrij goed avondmaal en ligging, doch konden van de laatste niet lang gebruik maken: alzoo wij den 6 dezer, ’s morgens om 3 uren, weder voort reisden. Het had wat gevrozen, en deed zulks nog, toen wij afreden. De zon ging helder op, en het was een schoone herfstmorgen. Langs den weg stonden eenige ijpenboomen; men was bezig met de bladeren van dezelve aftestroopen; zij dienen tot voeder voor het vee, niet omdat het gras of andervoedsel thans buitengewoon schaars is, maar omdat men meent dat deze bladeren goed en gezond zijn, inzonderheid voor de koeijen, welke dezelve ook gaarne lusten. Ik geloof toch, dat indien men hier even zoo als inBataafschenFransch Braband, rapen en spurrie zaaide op de zoogenaamde korenstoppelen, zulks veel voordeeliger en beter zou zijn; doch zoo als ik reeds gezegd heb, over het algemeen is ’er aan den landbouw inFrankrijknog veel te verbeteren. Hier en daar zijn wel Landbouwkundige Genootschappen, welke bespiegelingen maken, prijsvragen uitgeven, en boeken schrijven; doch de landman kan dikwijls niet lezen8, of zoo hij het al kan, heeft hij ’er den tijd en den lust niet toe, en blijft ook liever zoo maar op den ouden voet voortslenteren, daar eene nieuwe behandeling doorgaans in het begin meerder moeite, althans meerder oplettenheid, en somtijds ook eenige onkosten veroorzaakt. Landbouwkundige Genootschappen zijn dan wel goed, en zelfs zeer goed, doch zij moesten, mijns bedunkens, depractijkbij detheorievoegen, en ieder genootschap moest ook tevens eenige morgens akkerland onder den ploeg hebben, tot bosch aanleggen, en van tijd tot tijd die streken gaan bezoeken, welke het meeste verbetering behoeven, aldaar eenigen tijd verblijven, en met de landlieden en hunne gebruiken kennis maken. InDuitschlandreizende, zag ik daar op sommige plaatsen Predikanten die in der daad boeren waren; doch zij hebben met dat al doorgaans eene beschaafde opvoeding en opleiding tot meêr andere wetenschappen dan de Godgeleerdheid alleen, gehad. Men vindt daar zeer hupsche en achtingwaardige Patriarchen onder; en welke zich niet door hunne opgeblazenheid, maar alleen door meerdere deugd en eenvoudige kunde van hunne gemeente trachten te onderscheiden, en alzoo bij dezelven zeer bemind zijn. Zou men niet weldoen, van dit voorbeeld aangaande onze Predikanten, Pastoren en Dorpschoolmeesters te volgen; was het niet nuttiger dat de eerstgenoemden zich op de Hooge Schole, op de studie van den landbouw, dan op die der Hebreeuwsche en Chaldeeuwsche talen toeleiden, en zou men bij het doen der examens, geene bewijzen van hunne kundigheid hier omtrent kunnen vorderen, gelijk ook van de Dorpschoolmeesters? Ik deel u deze aanmerking mede, omdat mij dunkt, dat gij dienaangaande wel eens een voorstel bij de Maatschappijtot Nut van ’t Algemeenzoudt kunnen doen. Doch keeren wij tot mijne reisbeschrijving weder terug. Langs een’ goeden weg, en door een aangename landstreek, kwamen wij, om de koude meestal wandelende, teMontbazon, een niet onaardig stadje, en dat een welvarend voorkomen heeft. Bij hetzelve ziet men de overblijfsels van eene oud Kasteel, en een fraaije steenen brug over de kleine rivierl’Indre. En nu komt men aan de bekoorlijke toegangen vanTours;van de hoogte heeft men een verrukkelijk gezigt op dezelve, en de aangename landouw, waarin zij gelegen is. Daar de wagen om eene brug, welke men herstelde, verpligt was een’ kleinen omweg te maken, verkozen wij, om langs den gewonen weg, zijnde een fraaije laan, een groot kwartier uurs lang, naar de stad te wandelen; aan het eind van deze laan komt men door een mooi ijzer hek in dezelve en die hier nooit geweest is, staat verwonderd over het fraaije, nette en regelmatige van dit gedeelte van de stad: zijnde een vrij lange en breede straat, aan beide zijden met verheven en wel gestraatte voetpaden, en zeer fraaije huizen van gehouwene steen, in eene geregelde en sierlijke order gebouwd. Wij kwamen hier om 9½ uur ’s morgens aan.Toursis, langs den weg dien wij gekomen waren, 48¾ post vanBordeaux. De postwagen vertoeft ’er, om het middagmaal te houden, en ik voornemens zijnde, om hier een paar dagen te blijven, nam mijn intrek in hetHotèl d’Espagne, hetzelfde, waar de passagiers van den postwagen spijzigen.De fraaije straat, waarin verscheidene mooije winkels en Koffijhuizen zijn, doorgaande, komt men regt over dezelve aan een der schoonste steenen bruggen vanFrankrijkover deLoire, die hier vrij breed is, gelegen; zij is niet boogsgewijze maar plat (horisontal) gebouwd, en rust op 15 bogen, waar van ’er door den ijsgang in de winter van 1790, vier verwoest zijn; dit gedeelte is in hout weder hersteld, doch thans is men bezig om hetzelve wederin zijnen vorigen staat te brengen. Eer dat men van den kant van de stad op de brug gaat, heeft men eene fraaije plaats, waarop aan den eenen kant het Stadhuis, en aan den anderen de voorgevel (facade) voor een gebouw, in denzelfden smaak, om eene regelmatige gedaante aan deze plaats te geven; dit laatstgenoemde gebouw staat al sedert verscheidene jaren onvoltooid. Wat verder, aan beide zijden, zijnterrassen, die men met eenige trappen beklimt; zij zijn met eenige rijen jonge boomen beplant, en langs dezelven zijn op eene regelmatige wijze een groot aantal kleine winkels gemaakt, om, ten tijde van de kermis, tot kramen voor de Kooplieden te dienen. Aan het eind van deze terrassen zijn fraaije getimmertens, dienende voor Koffijhuizen; van deze terrassen langs de plaats tot aan de brug, zijn steenen leuningen (balustrades), waarop eenige groote bloempotten (vases) van wit marmer staan. Op de brug zelve, heeft men een allerschoonst gezigt, op een gedeelte van de stad, en een lange dreef met populieren beplant, aan het eind van de kaai, de met boomen beplante eilanden in deLoire, en de heuvels, wijnbergen, buitenplaatsen en dorpen aan den overkant.Na den middag ging ik eene wandeling buiten de stad aan den overkant der rivier doen; de landstreek is hier allerliefst, en het is niet zonder reden, dat men het voormaligTouraine, waar vanToursde Hoofdstad was, den tuin vanFrankrijk(le Jardin de la France) noemde. In de heuvels langs de rivier,heeft men hier en daar kelders gemaakt, dienende tot bergplaatsen voor den wijn, en verder op hebben zelfs de menschen woningen in derotsen. Op de hoogtens klimmende, heeft men hier en daar zeer fraaije en schilderachtige gezigten, vooral ook bij de voormalige AbdijMarmoutier, in de voorstadSt. Symphorien, aan den regteroever van deLoiregelegen, en welke Abdij voor de oudste van het westen gehouden wordt; als zijnde doorSt. Martinde Toursin 371 gesticht9; zij is echter nog niet vele jaren geleden op eene prachtige wijze bijgebouwd. De rotsen, oude muren, enz. maken hier eene zeer romaneske vertooning. Verder landwaards inwandelende, zag ik veel wijngaarden, en men was hier en daar nog drok met den wijnoogst bezig. De wijnen hier omstreeks, vooral die vanVouvrai, hebben nog al eenigen roem, en worden overNantesook wel naar ons Vaderland gezonden, waar zij onder den naam vanTours-wijnenbekend zijn. Deze landstreek levert ook vele vruchten en vooral pruimen op; de laatstgenoemde worden in eene groote hoeveelheid gedroogd, en maken een’ voornamen tak van koophandel uit10. In deMeijerij van ’s Boschwonende, heb ik ook meêr dan eens van die vruchten, die dikwijls zeer overvloedig zijn, laten droogen; en bevonden, dat, indien ’er behoorlijke zorg voor gedragen wordt, men die bij ons ook al zeer goed kan hebben. InGelderlandis dit ook nog al gebruikelijk, doch over het algemeen maakt men anders van het aankweeken en droogen van deze gezonde vrucht bij ons niet veel werk, en wij moeten die ook al weder veel van vreemden krijgen11.Den 7 dezer, ’s morgens vroegtijdig uitgaande, vond ik het koud; het had dezen nacht weder een weinig gevrozen. Buiten het ijzeren hek, waar wij in gekomen waren, heeft men aan beide zijden ook beplante wandelingen; doch de boomen zijn nog zeerjong. Den wal omgaande, zag ik verscheidene moestuinen, waarin de groentens zoo goed stonden, dat ik ze maar zeldzaam zoo inFrankrijkgezien heb. De wandeling door de Italiaansche populieren laan12langs de rivier, welke meêr dan een kwartier uurs lang is, is zeer aangenaam. Van daar te rug komende, zag ik op de kaai,le Quai du vieux pont13genaamd, een oude sterkte met torens, en meende de overblijfsels van muren, daar hetzelve opgebouwd was, voor Romeinsch werk te moeten erkennen; zijnde op dezelfde wijze gemetseld als het zoogenaamdePalais GalliënteBordeaux, en tePoitiers. Deze overblijfsels van muren strekken zich een eindje langs deze kaai uit, en vervolgens in de stad tot aan het Aartsbisdom. Dit Aartsbisdom schijnt een fraai gebouw; boven de poort van hetzelve las ikMusée; doch vernam tevens, dat men thans bezig was met hetzelve naar een ander gebouw te verplaatsen, alzoo zijne Hoogwaardigheid de nieuwaangestelde Aartsbisschop, zich hier had neder gezet. De Hoofdkerk, die hier bijstaat, is een trotsch Gothisch gebouw, pronkende met twee torens; het is ook, zoo men wil, door den reeds genoemdenSt. Martin14in de 4de eeuw gesticht; ’er plagt eenboekerij bij dezelve te zijn, waarin zeer oude en merkwaardige handschriften, op een soort van lessenaars, aan ketenen vastgeklonken lagen. Merkwaardige beelden of schilderijen zag ik in deze Kerk niet, maar het geen ik zonderling vond, was dat de vloer voor en achter verheven gemaakt was: zoo dat men ’er met eenige trappen opklom, en naar het midden, waar het groot altaar stond, afhelde; even eens als een staanplaats ofparterrein een’ Schouwburg. Men ziet duidelijk, dat dit niet aanvankelijk, maar eerst in latere tijden gemaakt is.Ik herinnerde mij, van kort voor mijn vertrek vanParijs, aldaar in de vergadering van een Genootschap van Geletterden en Kunstenaars, genaamdSociété Philotecniquete hebben hooren spreken van een overblijfsel der oudheid, dat omstreeks deze stad nog moest bestaan, en dat naar het gevoelen van oudheidkundigen, een tempel derDruïdenzou geweest zijn15; om dien aangaande nader onderrigting te bekomen, vervoegde ik mij bij den opzigter (conservateur) van het Museum alhier, die de vriendelijkheidhad van mij de plaats, alwaar het bestond, naauwkeurig te beduiden. Het Museum kon ik niet zien, omdat, men bezig met verhuizen zijnde, alles nog overhoop lag; doch ik vernam van gemelden Heer, dat deze verzameling meestal bestond uit eenige schilderijen, beelden, enz. die men in de Kerken en Kloosters had gevonden, benevens eenige weinige oudheden. Ik meende dan te moeten besluiten, dat, indien ’er vooral onder de schilderijen stukken van den eersten rang geweest waren, men dezelve denkelijk naar de galerij vanParijszou hebben overgevoerd, en ik begreep wel, dat ik door dit Museum niet te kunnen bezigtigen, weinig verloor16.A Inwendig gedeelte.B Voorportaal.A Achterste Deksteen.B Middelste Deksteen.C Deksteen aan den kant van den Ingang.Vroegtijdig gegeten hebbende, haastte ik mij, om den tempel derDruïdente gaan opzoeken, daar dezelve omtrent twee uren van de stad afgelegen is. De hoogte aan den anderen kant van deLoire, tegen over de brugla Tranchéegenaamd, opklimmende, wandelde ik langs een’ vrij aangenamen weg, tot het Dorpla Membrolle, en nam, hetzelve door zijnde, links den weg naar het Kasteelle Plessis les Tours17; het geen nog een goed eindje is; eer menaan dat Kasteel komt, staat de vermeende Druïdentempel (bij de landlieden in deze streek onder den naam vanGrotte, ofMaisson des Féesbekend) aan het eind van een akker, aan de regter hand; een landmeisje, dat ik daar omtrent ontmoette, wees mij denzelven aan. Het is een langwerpig vierkant van onmatig groote ruwe steenen gemaakt; acht van dezelven over eind staande, maken de zijmuren rondom uit; zij zijn, hoewel zeer ongelijk, naar gissing 2 à 3 voeten dik, 5½ à 6 hoog boven den grond, waar zij een weinig in stonden, en van onderscheidene breedte; de negende steen aan den ingang staande, en die met een andere die dwars in de zijwanden geplaatst is een soort van voorportaal maakt, is kleiner: dit soort van gebouw is gedekt door drie steenen, die nog grooter en dikker zijn dan de anderen18. Ik klom ’er boven op, om denzelven aftredende te meten; die aan den kant van den ingang, is ruim 5 treden in de breedte van het gebouw en 4 lang; de middelste heeft genoegzaam dezelfde breedte, doch is maar 3 treden lang, en de achterste is 4 treden breed en 3 lang; de dikte van den middelsten steen is aan den eenen kant (naar gissing) 3½ voet, en aan den anderen omtrent 5; de twee anderen zijn minder dik, hier en daar staken de deksteenen over dezijwanden uit. Inwendig was het omtrent 11 treden lang, te weten het voorportaal omtrent 3, enhet overige gedeelte 8, de breedte was 3 treden; bij den ingang waren eenige boomen geplant, boven op en ter zijde groeide hier en daar een weinig mos en gras. De steenen van eene grijsachtige kleur zijn van de soort, die in de steengroeven hieromstreeks gevonden wordt; zij schijnen in ’t geheel niet bewerkt, maar, zoo als zij uit die groeven gekomen zijn, hier geplaatst. Ondertusschen moet het geen geringen arbeid gekost hebben, om zulke verbazende zware brokken hier na toe en op elkanderen te krijgen; en zij, die dat gedaan hebben, moeten toch, dunkt mij, eenig denkbeeld van de werktuigkunde gehad hebben; hoe zeer het schijnt dat zij geen Steenhouwers of Bouwmeesters geweest zijn. Mijne kundigheden niet toereikende zijnde, om te beslissen in hoe verre het denkbeeld, dat dit gebouw een tempel of offerplaats der Druïden zou geweest zijn19al dan niet gegrond is, zal ik hier alleenlijk bijvoegen, dat ’er inFrankrijkmeêrder gelijke opgerigte steenen gevonden worden, onder anderen in het Departementl’Aveiron; doch zij zijn veel kleiner en bestaan doorgaans slechts uit vier steenen, namelijk drie rondom en een boven op. VolgensMonteil, Hoogleeraarin de Geschiedkunde, die een beschrijving van dat Departement in het licht heeft gegeven20, zouden ’er na bij herhaling te hebben gegraven, lijkbussen, wapenen en gedenkpenningen in gevonden zijn, waarom hij waarschijnlijker vindt, dat het gedenkteekens van grafsteden zijn. Ik vroeg ’er een landman, hier omstreeks wonende, na, doch hij zeide ’er niets anders van te weten, dan dat hij wel van zijn’ grootvader had hooren zeggen, dat het sedert eeuwen bestond; ondertusschen kon ik wel merken, dat hij ’er een bovennatuurlijk denkbeeld aan hechte zoo als dit ook uit de benaming vanGrotte de Féesblijkt; en ik houde mij verzekerd, dat ’er de boer niet gaarne een nacht alleen in doorgebragt zou hebben. Ongetwijfeld, indien het niet zoo stevig was, zou het lang verwoest geweest zijn; doch dat zou niet gemakkelijk genoeg gaan, om ter sluips te kunnen geschieden.Langs een’ anderen vrij aangenamen weg, voorbij akkers en wijngaarden, keerde ik weder naarToursterug. Het gezigt dat men boven aan den wegla Tranchée, staande over de brug, door de fraaije straat vanTours, en vervolgens door de regte laan, tot tegen de andere hoogte, heeft, is schoon.’s Avonds in een Koffijhuis gaande, vond ik daar wel 30 menschen bezig met lotto-spelen; ieder tuurde aanhoudend op de kaarten, die hij voor zich hadliggen, terwijl de hospes de nommers oplas;—welk een ellendig tijdverdrijf! ook was het hier voor iemand, die niet mede speelde, niet om uit te houden.Het vervolg en slot van mijn reisverhaal, zend ik u bij eene volgende gelegenheid.—Vaarwel!1TeParijsen in de voorname steden heeft men thansde gewoonte, om maar twee maaltijden daags te houden, te weten het ontbijt om 10, 11 of 12, en het middagmaal om 4, 5 of 6 uren. TeBourdeauxwas het doorgaans 4½ uren eer wij aan tafel gingen.2En onze Turfveenen zullen die eeuwig duren?—Ondertusschen wordt ook bij ons het aanleggen van bosschen verwaarloosd, en het is als of men meent, dat men heden planten en morgen kappen kan. InFrankrijkis de turf genoegzaam niet bekend; men maakt ’er toch eene soort van turven van de run, die de looijers gebruikt hebben.3Ook maakt men bijzonder veel werk van ons fraai papier (papier de Hollande) en de boeken daar op gedrukt, moet men duur betalen. Ons postpapier iste Parijs, en elders inFrankrijkzeer veel in gebruik; en wij zelve laten, ô schande! nogEngelschpapier inkomen!4Men leest hier voor een Koffijhuis:Caffé des Antiquités Romainesof iets diergelijks.5Zie het bijgevoegd gezigtje.6Een aanzienlijk burger dezer stad, zijnde een redelijke Roomschgezinde, bevestigde mij zulks, en bragt dien aangaande eenige voorbeelden bij, terwijl ik met dien man een paar dagen op reis was.7Deze rivier scheidt hier het Departementde la Viennevan dat vanl’Indre et Loire. Aan dezelve, omtrent anderhalf uur van de brug, ter regterzijde als men vanPoitierskomt, ligt een steedje datla Haye, even eens als ons’s Gravenhage, in hetFranschgenaamd wordt. De beroemdeRené Descartes, die ook lang in ons Vaderland gewoond heeft, werd aldaar den 31 Maart 1596 geboren.8InFrankrijk, zoo wel als bij ons, treft men vele landlieden aan, die niet lezen of schrijven kunnen.9Het ware te wenschen, dat zoo vele Pausen, Bisschoppen en andere Geestelijken der Roomsche Kerk, altijd den geest van verdraagzaamheid van dien Heilige hadden nagevolgd en nog navolgden; want men vindt van hem aangeteekend, dat hij, in de 4de eeuw levende, weigerde, om gemeenschap te hebben met de Bisschoppen, die den van ketterij beschuldigdenPriscilianuster dood wilden veroordeeld hebben.—Zulk een Heilige behoorde niet gelijk gesteld te worden met een’Dominicusen diergelijke afschuwelijke vervolgers.10Zij worden veel in kleine nette mandjes en ook in kistjes verzonden, enPruneaux de Toursgenaamd.11Ieder klaagt thans bij ons over den slechten tijd, en waarlijk niet zonder reden;—de Patriotten krijgen van velen de schuld, doch daar zit de knoop niet—geen land is ’er misschien afhankelijker van de omstandigheden dan het onze, dit moeten wij trachten te verhelpen, zoo veel mogelijk onze behoeften tot het geen onder ons bereik is bepalen, en maken, dat wij geen honger behoeven te lijden, als men ons de zee betwist.12Zoude deze fraaije en vooral op lage gronden weelderig groeijende boomen, langs onze weilanden geplant, geen dubbel nut doen; vooreerst door het voordeel, dat zij de eigenaars zouden aanbrengen, zonder voor het gras hinderlijk te zijn, en ten tweede door de schaduw, die zij het vee zouden bezorgen?13Kaai van de oude brug, van welke brug men nog eenige overblijfsels in de rivier ziet. De ingang van de stad door een poort was, toen over dezelve en bij deze sterkte.14VanSt. Martinsprekende, moet ik u het volgende nog vertellen: die Heilige bij de eerste Christenen onder deGaulen, in een groot aanzien zijnde, wijddeClovis, grondlegger van deFranscheMonarchie, hem, na dat hij reeds verscheidene jaren overleden was, een paard, waarop die gelukkige geweldenaar reeds verscheidene veldslagen gewonnen had, gevende hetzelve aan den opvolger en verdere discipelen van den opgemelden heilige; doch wilde het naderhand, misschien om nog meerdere overwinningen te behalen, weder terug hebben, en bood ’er 100 stukken gouds voor; men scheen hier niet tegen te hebben, doch ziet het paard wilde geen’ voet verzetten; en was, in weêr wil van de zweep, sporen en zelfs de haver, die men het aanbood, maar van de plaats niet aftebrengen.Clovismeenende, dat de verstorven heilige met de geboden som, voor de Kerk, geen genoegen nemende, hem die poets speelde, bood meêr en meêr, tot vijfmalen toe, eindelijk neemt het paard een’ sprong en galoppeert met zijn Majesteit de Kerk (want daar gebeurde het geval) uit; en nu riep de menigte, die dit had aangezien: ô Wonderwerk!—En hoe denkt gij dat zich dit had toegedragen?—zeer eenvoudig: men had het paard gezet op een houten vloer, die in deze Kerk gemaakt was, en hetzelve door middel van vier schroeven, die in de ijzers kwamen, daarop vastgemaakt; zoodra ’er geld genoeg geboden was, draaiden eenige Geestelijken, (want aan anderenhebben zij zekerlijk hun geheim niet vertrouwd) onder die vloer verborgen, de schroeven los,—en zie daar een wonderwerk.—Zouden de meesten van die soort niet op diergelijke wijze geschieden?15Vaux de Launayheeft in de zitting van dat Genootschap van den 19Messidor an XII.(8 Julij 1804) daar over een Vertoog gedaan; doch het is tot nog toe, voor zoo verre mij bekend is, niet gedrukt.16Door dezen Heer werd ik ook in mijn gevoelen aangaande de overblijfsels vanRomeinschemuren alhier, waarvan ik hier voor gesproken heb, bevestigd.17Lodewijkde XI, die veel smaak vond in dit oord, bouwde hetzelve, bragt ’er een gedeelte van zijn leven op door, en overleed ’er in 1483, in den ouderdom van 60jaren. Hij was de eerste die den tijtel voerde van allerchristelijksten Koning (Roi tres chretien).18Ik schets de gedaante hier met de pen, zoo goed mij doenlijk is af, om ’er u een denkbeeld van te geven,te meêr, omdat ik niet weet dat ’er eene afteekening of naauwkeurige beschrijving van bestaat.19De Druïden waren Priesters en Regters onder de oudeGaulers; tot hunne Godsdienstige plegtigheden behoorden de afgrijsselijke menschenoffers; ook hadden zij eene soort van eerbied voor een bijgewas op de eikenboomen (Fiscum), en sneden het op eene plegtige wijze met een gouden sikkel af.20Description du Departement de l’Aveiron, parA. A. Monteiletc. ParisFuchsetDesennean X.
Parijs, 11 October.
Dingsdags den 2 dezer, ’s morgens om 6 uren vertrok ik vanBordeaux, en gisteren ben ik hier weder aangekomen, na mij een paar dagen teTourste hebben opgehouden; zie hier mijne aanteekeningen aangaande die reis.
De reizigers vanBordeauxnaarParijs, stappen doorgaans aan den overkant van deGaronne, ter plaatsela Bastidegenaamd, op den postwagen. Ik was tijdig genoeg aan het veer, doch moest ’er wel een groot kwartier wachten, omdat ’er geen schuitjes waren, zoodat ik vreesde van te laat te zullen komen; het bestuur van dit veer schijnt niet zeer naauwkeurig te zijn, want, naar ik vernam, had diergelijk verzuim wel eens meêr plaats. De bagagie wordt daags te voren in de stad op den wagen geladen. Men betaalt daar voor totTours£ 25-per quintaal en £ 60- de persoon voor een plaats binnen in. Buiten ons, was ’er alleen eene vrouw met een ziek kind op den wagen, zoo dat het gezelschap niet zeer mede viel. Langs een’ vrij goeden weg met kleine steentjes opgeworpen, en hier en daar wat stijgende, komt men omtrent 3 uren vanBordeaux, aan den oever van deDordogne. Men ziet langs dien weg eenige buitenplaatsjes en landhuizen, en veel wijngaarden, waarin men drok bezig was. Deze landstreek schijnt wel bewoond. DeDordogneis hier eene aanzienlijke rivier, en daar ’er eb en vloed gaat, zeer bevaarbaar. Ondertusschen moest de wagen hier ontladen worden, om aan dezen kant te blijven staan: aan den overkant vindt men een’ anderen; dit lossen en laden houdt zeer lang op. DeFranschenmogten hier en daar wel eenige van onze doorgaans zoo gnappe veerlieden overlaten komen, om met ponten en diergelijke schuiten te leeren omgaan. Aan den anderen kant een klein eind weegs landwaards in, ligt het dorpjeSt. André de Cubsac; dit rekent men 3 posten vanBordeaux. Hoewel het pas 10 uren was, werd ’er het middagmaal gehouden; het was maar redelijk, doch de prijs ook gering. TeCavignac2½ post verder kregen wij, uithoofde van den slechten weg, waarvan wij reeds een gedeelte gehad hadden, en nog een erger hebben moesten, acht paarden. De landstreek scheen hier niet zeer vruchtbaar; men ziet niet anders dan eenige wijngaarden, en hier en daar wat hout. De weg wordt hoe langer hoeslechter; de grond is tamelijk effen, maar meest onbebouwd; veel heide, waarop men niet anders dan hier en daar wat denneboomen, en eenige andere struiken ziet; de gezigten gelijken nu en dan wat naar die, welke men op sommige plaatsen in deMeijerij van den Boschaantreft. Het steedjeMontlieu, waar wij door kwamen, ziet ’er niet voordeelig uit, ’er was echter nog al eene overdekte halle. Nu waren wij in het Departementde la Charente Inferieure.Montlieuis 8½ post vanBordeaux. Het begon al duister te worden; en een half uur verder op een plaatsjeChevenceaugenaamd, namen wij het avondmaal en nachtverblijf, dat nog al redelijk was.
Den volgenden morgen, om 5 uren, stapten wij weder op den wagen. De weg werd wat beter, doch de landstreek is meest heide; verder op echter wordt zij aangenamer, hier en daar boschjes, veel notenboomen, akkerland, en tusschen beide eenige kleine heuvels.
OmtrentBarbezieuxbegint het Departementde la Charente. Wij hielden ’er op, om het middagmaal te nemen, ondertusschen ging ik het plaatsje, dat zich nog al aangenaam opdoet, doorwandelen, doende mijn ontbijt met brood en druiven, dat ik onder weg kocht. De herberg ziet ’er hier anders zeer wel uit, doch, daar het pas negen uren ’s morgens was, en ik den vorigen avond wel gegeten had, had ik niet veel honger1. De wandelingenbij dit stadje zijn aangenaam met lindeboomen beplant; in hetzelve ziet het ’er nog al redelijk welvarende uit. Ik zag ’er verscheidene linnenwevers, men scheen ’er ook veel druiven te droogen, en, naar ik vernam, waren de kapoenen vanBarbezieuxberoemd. Van een oud kasteel, dat in het steedje staat, en thans tot eene gevangenis dient, wist men mij niets bijzonders te vertellen. De Onderprefect houdt hier zijn verblijf, en het getal der inwoners wordt op ruim 2700 begroot. De weg wordt goed, en de gezigten hier en daar nog al aangenaam, vooral op een hoogte omtrent 1½ uur vanBarbezieux; men komt vervolgens door een eikenbosch, waarin echter weinig of geen zware boomen. Ik verwonderde mij gedurende de gansche reis, dat men inFrankrijkniet beter zorgt voor de beplanting, vooral, daar dit land zoo aanmerkelijk veel brandhout noodig heeft. Men ziet weinig bosschen, en de wegen zijn slechts hier en daar beplant. De prijs van het brandhout stijgt, bijzonder ook teParijs, van jaar tot jaar: sinds jaren schijnt men het gebrek daar aan te voorzien, en nog vindt men ’er onbebouwde gronden, en weinig boomen langs de wegen2. Het steedjeRoulet, waar wij door kwamen,ziet ’er vrij wel uit. De weg blijft aangenaam,—hier en daar buitenplaatsen en papierfabrieken met watermolens, die op beken staan.—Eenige rotsen maken geene onaardige vertooning. Men zeide mij, dat dezelve goede steengroeven opleverden. Hier omstreeks is de weg beplant, en de stadAngoulême, op eene hoogte gelegen, vertoont zich aan het einde van dezelve op eene bevallige wijze. Om 3½ uur na den middag stapten wij af aan de herbergla Croix d’Or, in de voorstaddu Homo, even buiten de genoemde stad, en na het avondmaal besteld te hebben, klom ik naar dezelve; ’er is een groote halle bij de plaatsde la Commune. De straten zijn ’er doorgaans naauw. Anders ziet het ’er nog al vrij welvarende uit. Men heeft hier ook een’ Schouwburg, die van buiten nog al een fraai gebouw is, hij staat op een plein, dat menPlace de la Comedienoemt. Naast den Schouwburg is een zeer fraai Koffijhuis, met een tuin en ruime zaal, waarin drie billarten; ik nam daar eenigeververschingen. Uit een der kamers heeft men een zeer fraai gezigt. Van dePlace de la Comediegaat men op de gemeene wandeling, van waar men ookeen schoon gezigt heeft, vervolgens van daar den wal rond. Het gezigt blijft altijd fraai. De hoofdkerk, die ik in het voorbijgaan zag, ziet ’er inwendig zeer eenvoudig uit, en levert niets bijzonders op. Den wal volgende, komt men opde Place Beaulieu, zijnde een fraaije wandeling op een’ terras, van waar men, alzoo de stad op een vrij hoogen heuvel ligt, een verrukkelijk en zeer uitgestrekt gezigt heeft. Door het dal ziet men de rivierla Charentekronkelen. Over dezelve ligt een fraaije steenen brug, en zij maakt door haren slingerenden loop verscheiden eilandjes. Verder ziet men de haven, waarin eenige schuiten lagen, en de voorstaddu Homo, die zeer uitgestrekt is. Aan de andere zijde ziet men den fraaijen grooten weg, en eenige bergen in het verschiet; op dit terras, dat vrij groot is, zijn eenige lanen van lindeboomen, doch zij waren hun blad meestal kwijt; het fraaije gebouw dat men op hetzelve ziet, was voorheen een Nonnenklooster. Thans dient een gedeelte van hetzelve voor de Stadsboekerij. Omstreeks deze stad zijn verscheidene papierfabrieken, en het papier vanAngoulêmeis door geheelFrankrijkberoemd, en wordt tot het drukken van werken van belang gebruikt3.Ik zag hier ook in het voorbij gaan een fabriek van speelkaarten. De Ingezetenen drijven veel handel in wijn en brandewijn. Het stadjeCognac, van welker beroemde brandewijnen wij zeer veel trekken, behoort ook tot het landschapAngoumois, waar vanAngoulêmede hoofdstad plagt te zijn. Thans is zij de hoofdplaats van het Departementde la Charente. Het getal harer ingezetenen wordt op 11,500 begroot, doch, naar men mij verzekerde, zijn de voorsteden te zamen genomen grooter, dan de stad zelve. Men zegt, dat de ingezetenen over het algemeen vrij los en ongedwongen van levenswijze zijn. De levensmiddelen, en zelfs de huishuren zijn ’er, naar ik vernam, niet goedkoop. Hier omstreeks wordt ook veel saffraan geteeld.—Dit stadje is vooral om de schoone gezigten wel der moeite waardig om te zien.
Tot onze groote verwondering, vonden wij in onze herberg, die ’er gansch niet oogelijk uitzag, een zeer goed avondmaal; de postwagen naarBordeaux, ook aangekomen zijnde, aten wij met 12 à 15 menschen, waar onder een paar niet onaardige vrouwen waren. Onder andere spijzen zettede men ons een soort van kleine vogeltjes voor, die men in de wijngaarden vangt, enbecsiguesnoemt; ik had ze onder weg reeds meêr gegeten, en vond ze smakelijk, wij hadden ook, voorFrankrijk, zeer lekkeren sausbaars, en overvloed van uitmuntende rivierkreeftjes, de wijn was tamelijk goed, en men had alzoo geen reden, om over den prijs (zijnde slechts £ 3–:–:) te klagen.
Deze stad heeft door de religieoorlogen veel geleden.Johannes Calvinusverpligt zijnde, omParijste verlaten (in 1533), nam eerst de wijk naar deze stad, en vervolgens naarPoitiers. In 1568 werd dezelve door den Admiraalde Coligny, aan het hoofd van het leger der Hugenoten genomen.
Na het avondmaal, in plaats van naar bed te gaan, stapten wij weder op den wagen, om den nacht door te rijden. Het was helder sterrelicht, en de weg zeer goed. Ik sliep tusschen beiden nog al wat, want men heeft inFrankrijkbij den nacht minder reden, om ongerust te zijn voor ongelukken dan bij ons; omdat de persoon, die de paarden leidt, op een van dezelven zit, en dus beter zien kan, dan een koetsier, op den bok zittende.
Den 4 dezer. ’s Morgens bij het opgaan van de zon, was het mistig en zeer koel, de grond tamelijk effen en de weg goed. Men ziet hier geen wijngaarden. Omtrent het dorpChaunay, 8½ post vanAngoulême, en waar wij van paarden verwisselden, begint het Departementla Vienne; hier omstreeks zag ik veel schapen, die de akkers afweiden; de boomen, die men ’er het meeste ziet, zijn noten en castagnes, hier en daar een’enkeleeik. Wij ontbeten teCouhé, 1¼ post verder, bij het riviertjela Divegelegen; ’er is een groote hal, anders schijnt het niet veel te beteekenen; hier, en in deze landstreek, wordt veel noten-olij gemaakt.—Altijd zagen wij veel noten- en castagne-boomen, die op dezen grond, die niet van de beste schijnt te zijn,nog al redelijk tierig staan. Tusschen beide ziet men ook veel onbebouwde gronden, en de landbouw schijnt hier niet zeer ter harte genomen te worden, doch de streek kwam mij ook weinig bevolkt voor.Vivonne, 2½ post vanCouhé, was voorheen een stadje; thans is het een armoedig vlek; men kan zich naauwelijks een slordiger en onoogelijker plaats voorstellen. De inwoners zagen ’er vuil en afzigtig uit, en de ellende was bijna op alle gezigten te lezen. Ondertusschen levert dit plaatsje bij het inkomen een niet onaardig en zelfs schilderachtig gezigt op. Men ziet ’er, hier en daar ruwe en naakte rotsen, de vervallen muren van een oud Klooster op eene hoogte, tegen dezelve eenige slordige woningen, lager groene beemden, door een kronkelend beekje bespoeld; welk beekje, dat men deVonnenoemt, zich een weinig verder met het riviertjele Clainvereenigt, en waar over hier eene houten brug ligt; wij verwisselden daar van paarden; ik had dus den tijd, om het op mijn gemak te beschouwen, en mij dunkt dat dit alles door de hand van een’ bekwamen meester uitgevoerd, een fraaije teekening of schoone schilderij zou zijn. De landstreek blijft, verder voortreizende, woest en onbebouwd, het weinige hout, dat men hier en daar ziet, bewijst, dat de natuur slechts behoeft geholpen te worden, omdat in eene grootere hoeveelheid voort te brengen. Naar mate dat menPoitiersnadert, wordt de landstreek aangenamer, en de weg is aan beide zijden beplant. Deze stad is wederom op eene hoogte gelegen. Wijkwamen daar omstreeks vier uren aan, en stapten af aan de herbergles Trois Pilliersgenaamd. In een tuin, niet ver van deze herberg, ziet men nog eenige geringe overblijfsels van eenRomeinschgebouw, alhier onder den naam vanPalais Galliën, ofl’Amphithéatrebekend; het scheen van gebakken steen enz. op dezelfde wijze als dat vanBordeauxgemetseld te zijn geweest4. Van daar ging ik naar de wandelplaats, die menle Parcnoemt. Het is een fraai boschje, aan een’ hoek van de stad op de hoogte gelegen, en waarin verscheidene lanen zijn; deze wandeling is bijzonder aangenaam, omdat men van de voormalige stadswallen, die dezelve omringen, een heerlijk gezigt heeft. Door een lagchend en aangenaam geschakeerd landschap, kronkelt het riviertjele Clain; ook ziet men van hier omtrent een kwartier uurs ver, eenige poorten of bogen; het zijn de overblijfsels van eenRomeinsche Aquaduc. Vervolgens langs de stadswallen of muren, naar den kant vanle Clainvoortwandelende, heeft men het gezigt op aangename moestuinen, groene weilanden, een’ watermolen, schilderachtig gelegen, een brug,le pont Joubertgenaamd, de overblijfsels van eenBenedictijnerKlooster, dat een fraai gebouw schijnt geweest te zijn, en een fraaije steenen brug, die ’er nog nieuw uitziet, en welke menle Pont Neufnoemt. Vervolgens komt men in een laan met Italiaanschepopulieren, die al eene tamelijke hoogte bereikt hebben, beplant. Van hier ziet men aan den overkant van deClain, de rotsen, die men hier en daar voor zware vervallen muren of overblijfsels van oude gebouwen zou aanzien; tegen en in deze rotsen zijn ook eenige woningen gemaakt. Een fraai en nog nieuw gebouw met eencolonnade’er voor, langs dezen weg staande, dient, om de baden te gebruiken. Aan den eenen kant zijn de vertrekjes voor de vrouwen, en aan den anderen die der mannen. Een weinig verder heeft men de allerliefste en zeer romaneske wandeling, die hierla Promenade du pont Guillongenoemd wordt; ik wil trachten om ’er u, zoo goed mij doenlijk is, een denkbeeld van te geven; verbeeld u eene plaats van eene onregelmatige gedaante, door zware en digte boomen beschaduwd; het riviertjele Clain, welkers boorden hier en daar met struiken begroeid zijn, stroomt ’er langs; aan dien kant, en zelfs in het water ziet men eenige torens en overblijfsels van een oud Kasteel voor verscheidene eeuwen, door de Graven vanPoitiers, en thans door de uilen en vledermuizen bewoond. In een der torens scheenen echter nog menschen te huizen, en eenige doeken, die uit de venstergaten te droogen hingen, maakten hier geene onaardige vertooning. Verder op ziet men de rotsen aan den overkant van deClain, en aan de andere zijde, naar den kant van de stad, is een rijweg, onder water staande, en door hooge boomen, somber beschaduwd; juist kwam daar een driftje beesten en een vrouw op een ezel gezeten door, en nu washet volmaakt een schilderij in den smaak van uw beroemden stadgenootNicolaas van Berchem. De zon bijna ondergaande begunstigde het schilderachtige nog van dit schoone landschap. Niet ver van deze wandeling gaat men door de poort,la porte de Parisgenaamd, in de stad; in de rotsen over dezelve zijn ook eenige woningen gemaakt. De stad van dezen kant ingaande, loopen de straten zeer steil; inwendig is zij meestal zoo lelijk en onaangenaam als de omstreken fraai en bevallig zijn5; naauwe, kromme en misselijk bebouwde straten; een menigte thans veelal vervallen of half verwoeste Kerken en Kloosters, en andere gothische gebouwen. De Hoofdkerk is zeer groot, en heeft misschien voor liefhebbers van diergelijke gebouwen hare schoonheden. Voorbij een straat gaande, die menla rue Neuvenoemt, zag ik een pyramide met een basrelief in den muur, op den hoek van dezelve. Eenige vrouwen die daar omtrent aan haar deur zaten, verhaalden mij met een soort van eerbied, dat het een gedenkteeken was van een groot wonderwerk door den HeiligenHilarius, Bisschop alhier, gedaan. In het begin van de omwenteling was het, hier digt bij staande, om ver geworpen, en nu had men het sedert eenigen tijd weder opgerigt, en in den muur gemetseld. HoewelCalvinusin deze stad nog al wat aanhangers gemaakt heeft, thans is ’er het getal der Protestanten niet groot, en de Roomschgezindenzijn’er meestendeels bijgeloovig en onverdraagzaam6.Voor de omwenteling waren hier omtrent 50 Kerken en Kloosters. Deze Stad heeft, ten tijde van de religieoorlogen, bloedige tooneelen opgeleverd; de MaarschalkSt. André, dezelve ingenomen hebbende, gaf ze, om zich op de Protestanten te wreken, aan de plundering en baldadigheid zijner soldaten over; de gruwelen, die aldaar toen gepleegd werden, zijn allerafgrijsselijkst. De getergde en vervolgde Protestanten moorden en martelden wel niet, maar begingen vele buitensporigheden in het plunderen der Kerken, en het verwoesten van verscheidene merkwaardige gedenkteekenen en kunststukken.
De markt is eene ruime plaats; doch dat is ook al wat men ’er van zeggen kan. Na den Schouwburg, die deze avond speelde, vragende, wees men mij naar een achterstraatje. De ingang van het huis waar in de zaal was, was zoo laag, dat de schildwacht, die ’er naast stond, boven de deurstijlen uitkwam. Inwendig was het nog al redelijk; men vertoonde ’er deTartuffevanMolière; waarlijk dit stuk kwam hier niet te onpas! Over het geheel werd het nog al redelijk wel gespeeld, en ’er waren tamelijk veel aanschouwers, waar onder echter veel militairen.Poitiersis een groote stad, doch naarevenredigheid slecht bevolkt; zij bevat nog geen 18,300 inwoners. De hoofdplaats van het Departement dela Viennezijnde, is zij de zetel van de Prefecture; ook is ’er een Bisdom. Voorheen was zij de hoofdstad van de ProvinciePoitou, en is overAngoulême,enz. 33¾ post vanBordeaux. De handel is ’er niet aanmerkelijk. ’Er zijn eenige fabrieken van kousen, sommige wollestoffen, krep, enz. Bij het avondmaal, dat vrij goed was, werden wij lastig gevallen door verscheidene koopvrouwen in messen, scharen en dergelijken. Nu, die inFrankrijkreist, mag zich wel van een mes voorzien, want men komt in verscheidene herbergen, waar men wel eten en drinken, lepels en vorken, maar voor ieder geen mes vindt, en men is daar gewoon, dat de reizigers die mede brengen. De levensmiddelen zijn hier vrij overvloedig en niet duur. Wij betaalden dan ook voor het avondmaal en slapen maar £ 3–:–: Den 5 dezer, ’s morgens om 5½ uur vervolgden wij onze reis. De weg is goed en vrij aangenaam. Aan de linkerhand heeft men rotsen, en aan de regter een fraai gezigt over de beemden langs deClain, heuvels, wijngaarden, enz. In en omtrent het dorpJaulnais, waar wij door kwamen, zag ik eenige vrouwlieden met een soort van kappen, bijna als die der Nonnen op; naar ik vernam, is het de dragt van die streek. Niet ver van den weg aan de linkerhand, zag ik op eene hoogte de overblijfsels van een Kasteel, dat aanmerkelijk moet geweest zijn, zijnde nog heden een groot en hoog gebouw; men zei mij,dat hetla Tour de Beaumontgenaamd was, en dat men hetzelve op een’ afstand van 22 uren zien kon. Ons gezelschap was vermeerderd door twee Gedeputeerdens vanPoitiers, om bij de aanstaande krooning van KeizerNapoléontegenwoordig te zijn; een van die Heeren had eene lieve vrouw, en in ’t geheel scheenen het hupsche en geschikte menschen, dit maakte het onderhoud nog al levendig en aangenaam. Een dorp, waar wij doorkwamen, gaf door zijn’ zonderlingen naam geen gunstig denkbeeld van deszelfs inwoners; het heetla Tricherie(de bedriegerij); verscheidene vrouwen kwamen ’er ons vruchten te koop aanbieden. De landstreek is bij aanhoudenheid vrij aangenaam.
Poitiers.Poitiers.
Poitiers.
TeChatellerault, 5 posten vanPoitiers, kwamen wij omtrent 11 uren voormiddag aan, en vertoefden ’er om het middagmaal te houden. De rivierla Vienne, waarmede zich deClain, een eindje boven deze stad vereenigt, is hier bevaarbaar, en ’er ligt een fraaije steenen brug, welke men van dezen kant in de stad komende, overgaat; dezelve is door den Hertogde Sully, vriend vanHendrikden IV., en een der voorname steunen van de Protestanten, gesticht. Deze rivier is, naar ik vernam, tamelijk vischrijk; wij hadden een snoek op tafel van wel 12 à 15 ponden, en deze zijn inFrankrijkzoo algemeen niet, als bij ons; even zoo min als de goede boter, die hier echter ook zeer lekker was. Gedurende den maaltijd werden wij weder bestormd door eene menigte koopvrouwen in messen,scharen, pennenmessen, enz. Zij hielden op eene bedelachtige wijze aan, om wat te verkoopen, en werden het somtijds oneens onder elkander. De messenmakerij is het voorname bedrijf van de ingezetenen, en zij hebben ’er nog al wat in te doen, leverende daar van aanParijs, en meêr andere plaatsen, behalve het geene zij den reizigers verkoopen of opdringen. Hun werk is fraai op ’t oog, doch de hoedanigheid van het staal is, zegt men, niet best, en dat vanMoulinswordt voor beter gehouden. Deze landstreek levert ook het ijzer, dat hier verwerkt wordt, op. De omstreek van deze plaats scheen aangenaam en vruchtbaar. Door den zwaren regen werd ik veel belet, om hier te wandelen, echter zag ik ’er eenige gnappe huizen, en het ziet ’er over het algemeen vrij wel uit. Het getal der ingezetenen wordt op ruim 7700 begroot. In de rivier voor de stad lagen verscheidene schuiten.
De weg loopt vervolgens door een aangenaam landschap, latende de rivier aan de linkerhand. Aan beide zijden op een’ zekeren afstand van den weg, ziet men groene heuvelen, en hier en daar buitenverblijven. Vooruit ziet men in de verte een soort van vrij hoogen toren. Welhaast naderden wij denzelven: het is een steenen kolom, waar een wenteltrap omslingert, staande op hetmoderneKasteelles Ormesgenaamd, en behoorende aan den HeerVoyer d’Argenson. Het is een groot en prachtig gebouw, met uitgestrekte tuinen en boschjes; terwijl men van paarden verwisselde, hadden wij den tijd,om hier eens rond te loopen. Aan den anderen kant van den weg zijn de stallen, en dit alles gelijkt naar een Vorstelijk verblijf. Het ligt 2½ post vanChatellerault. Wij reden nog een goed eind weegs langs de muren, die de aangelegen erven van dit landgoed omringden;—deze landstreek schijnt zeer bewoond, en wij kwamen door eenige dorpen over eene brug, over de kleine rivierla Creuseliggende7en langs eenen beplanten weg, omtrent 7½ uren teSt. Maure, een steedje, waar wij ons avondmaal en nachtverblijf moesten houden; hebbende heden 9½ post afgelegd. Voor den gewonen prijs van £ 3–10-: hadden wij een vrij goed avondmaal en ligging, doch konden van de laatste niet lang gebruik maken: alzoo wij den 6 dezer, ’s morgens om 3 uren, weder voort reisden. Het had wat gevrozen, en deed zulks nog, toen wij afreden. De zon ging helder op, en het was een schoone herfstmorgen. Langs den weg stonden eenige ijpenboomen; men was bezig met de bladeren van dezelve aftestroopen; zij dienen tot voeder voor het vee, niet omdat het gras of andervoedsel thans buitengewoon schaars is, maar omdat men meent dat deze bladeren goed en gezond zijn, inzonderheid voor de koeijen, welke dezelve ook gaarne lusten. Ik geloof toch, dat indien men hier even zoo als inBataafschenFransch Braband, rapen en spurrie zaaide op de zoogenaamde korenstoppelen, zulks veel voordeeliger en beter zou zijn; doch zoo als ik reeds gezegd heb, over het algemeen is ’er aan den landbouw inFrankrijknog veel te verbeteren. Hier en daar zijn wel Landbouwkundige Genootschappen, welke bespiegelingen maken, prijsvragen uitgeven, en boeken schrijven; doch de landman kan dikwijls niet lezen8, of zoo hij het al kan, heeft hij ’er den tijd en den lust niet toe, en blijft ook liever zoo maar op den ouden voet voortslenteren, daar eene nieuwe behandeling doorgaans in het begin meerder moeite, althans meerder oplettenheid, en somtijds ook eenige onkosten veroorzaakt. Landbouwkundige Genootschappen zijn dan wel goed, en zelfs zeer goed, doch zij moesten, mijns bedunkens, depractijkbij detheorievoegen, en ieder genootschap moest ook tevens eenige morgens akkerland onder den ploeg hebben, tot bosch aanleggen, en van tijd tot tijd die streken gaan bezoeken, welke het meeste verbetering behoeven, aldaar eenigen tijd verblijven, en met de landlieden en hunne gebruiken kennis maken. InDuitschlandreizende, zag ik daar op sommige plaatsen Predikanten die in der daad boeren waren; doch zij hebben met dat al doorgaans eene beschaafde opvoeding en opleiding tot meêr andere wetenschappen dan de Godgeleerdheid alleen, gehad. Men vindt daar zeer hupsche en achtingwaardige Patriarchen onder; en welke zich niet door hunne opgeblazenheid, maar alleen door meerdere deugd en eenvoudige kunde van hunne gemeente trachten te onderscheiden, en alzoo bij dezelven zeer bemind zijn. Zou men niet weldoen, van dit voorbeeld aangaande onze Predikanten, Pastoren en Dorpschoolmeesters te volgen; was het niet nuttiger dat de eerstgenoemden zich op de Hooge Schole, op de studie van den landbouw, dan op die der Hebreeuwsche en Chaldeeuwsche talen toeleiden, en zou men bij het doen der examens, geene bewijzen van hunne kundigheid hier omtrent kunnen vorderen, gelijk ook van de Dorpschoolmeesters? Ik deel u deze aanmerking mede, omdat mij dunkt, dat gij dienaangaande wel eens een voorstel bij de Maatschappijtot Nut van ’t Algemeenzoudt kunnen doen. Doch keeren wij tot mijne reisbeschrijving weder terug. Langs een’ goeden weg, en door een aangename landstreek, kwamen wij, om de koude meestal wandelende, teMontbazon, een niet onaardig stadje, en dat een welvarend voorkomen heeft. Bij hetzelve ziet men de overblijfsels van eene oud Kasteel, en een fraaije steenen brug over de kleine rivierl’Indre. En nu komt men aan de bekoorlijke toegangen vanTours;van de hoogte heeft men een verrukkelijk gezigt op dezelve, en de aangename landouw, waarin zij gelegen is. Daar de wagen om eene brug, welke men herstelde, verpligt was een’ kleinen omweg te maken, verkozen wij, om langs den gewonen weg, zijnde een fraaije laan, een groot kwartier uurs lang, naar de stad te wandelen; aan het eind van deze laan komt men door een mooi ijzer hek in dezelve en die hier nooit geweest is, staat verwonderd over het fraaije, nette en regelmatige van dit gedeelte van de stad: zijnde een vrij lange en breede straat, aan beide zijden met verheven en wel gestraatte voetpaden, en zeer fraaije huizen van gehouwene steen, in eene geregelde en sierlijke order gebouwd. Wij kwamen hier om 9½ uur ’s morgens aan.Toursis, langs den weg dien wij gekomen waren, 48¾ post vanBordeaux. De postwagen vertoeft ’er, om het middagmaal te houden, en ik voornemens zijnde, om hier een paar dagen te blijven, nam mijn intrek in hetHotèl d’Espagne, hetzelfde, waar de passagiers van den postwagen spijzigen.
De fraaije straat, waarin verscheidene mooije winkels en Koffijhuizen zijn, doorgaande, komt men regt over dezelve aan een der schoonste steenen bruggen vanFrankrijkover deLoire, die hier vrij breed is, gelegen; zij is niet boogsgewijze maar plat (horisontal) gebouwd, en rust op 15 bogen, waar van ’er door den ijsgang in de winter van 1790, vier verwoest zijn; dit gedeelte is in hout weder hersteld, doch thans is men bezig om hetzelve wederin zijnen vorigen staat te brengen. Eer dat men van den kant van de stad op de brug gaat, heeft men eene fraaije plaats, waarop aan den eenen kant het Stadhuis, en aan den anderen de voorgevel (facade) voor een gebouw, in denzelfden smaak, om eene regelmatige gedaante aan deze plaats te geven; dit laatstgenoemde gebouw staat al sedert verscheidene jaren onvoltooid. Wat verder, aan beide zijden, zijnterrassen, die men met eenige trappen beklimt; zij zijn met eenige rijen jonge boomen beplant, en langs dezelven zijn op eene regelmatige wijze een groot aantal kleine winkels gemaakt, om, ten tijde van de kermis, tot kramen voor de Kooplieden te dienen. Aan het eind van deze terrassen zijn fraaije getimmertens, dienende voor Koffijhuizen; van deze terrassen langs de plaats tot aan de brug, zijn steenen leuningen (balustrades), waarop eenige groote bloempotten (vases) van wit marmer staan. Op de brug zelve, heeft men een allerschoonst gezigt, op een gedeelte van de stad, en een lange dreef met populieren beplant, aan het eind van de kaai, de met boomen beplante eilanden in deLoire, en de heuvels, wijnbergen, buitenplaatsen en dorpen aan den overkant.
Na den middag ging ik eene wandeling buiten de stad aan den overkant der rivier doen; de landstreek is hier allerliefst, en het is niet zonder reden, dat men het voormaligTouraine, waar vanToursde Hoofdstad was, den tuin vanFrankrijk(le Jardin de la France) noemde. In de heuvels langs de rivier,heeft men hier en daar kelders gemaakt, dienende tot bergplaatsen voor den wijn, en verder op hebben zelfs de menschen woningen in derotsen. Op de hoogtens klimmende, heeft men hier en daar zeer fraaije en schilderachtige gezigten, vooral ook bij de voormalige AbdijMarmoutier, in de voorstadSt. Symphorien, aan den regteroever van deLoiregelegen, en welke Abdij voor de oudste van het westen gehouden wordt; als zijnde doorSt. Martinde Toursin 371 gesticht9; zij is echter nog niet vele jaren geleden op eene prachtige wijze bijgebouwd. De rotsen, oude muren, enz. maken hier eene zeer romaneske vertooning. Verder landwaards inwandelende, zag ik veel wijngaarden, en men was hier en daar nog drok met den wijnoogst bezig. De wijnen hier omstreeks, vooral die vanVouvrai, hebben nog al eenigen roem, en worden overNantesook wel naar ons Vaderland gezonden, waar zij onder den naam vanTours-wijnenbekend zijn. Deze landstreek levert ook vele vruchten en vooral pruimen op; de laatstgenoemde worden in eene groote hoeveelheid gedroogd, en maken een’ voornamen tak van koophandel uit10. In deMeijerij van ’s Boschwonende, heb ik ook meêr dan eens van die vruchten, die dikwijls zeer overvloedig zijn, laten droogen; en bevonden, dat, indien ’er behoorlijke zorg voor gedragen wordt, men die bij ons ook al zeer goed kan hebben. InGelderlandis dit ook nog al gebruikelijk, doch over het algemeen maakt men anders van het aankweeken en droogen van deze gezonde vrucht bij ons niet veel werk, en wij moeten die ook al weder veel van vreemden krijgen11.
Den 7 dezer, ’s morgens vroegtijdig uitgaande, vond ik het koud; het had dezen nacht weder een weinig gevrozen. Buiten het ijzeren hek, waar wij in gekomen waren, heeft men aan beide zijden ook beplante wandelingen; doch de boomen zijn nog zeerjong. Den wal omgaande, zag ik verscheidene moestuinen, waarin de groentens zoo goed stonden, dat ik ze maar zeldzaam zoo inFrankrijkgezien heb. De wandeling door de Italiaansche populieren laan12langs de rivier, welke meêr dan een kwartier uurs lang is, is zeer aangenaam. Van daar te rug komende, zag ik op de kaai,le Quai du vieux pont13genaamd, een oude sterkte met torens, en meende de overblijfsels van muren, daar hetzelve opgebouwd was, voor Romeinsch werk te moeten erkennen; zijnde op dezelfde wijze gemetseld als het zoogenaamdePalais GalliënteBordeaux, en tePoitiers. Deze overblijfsels van muren strekken zich een eindje langs deze kaai uit, en vervolgens in de stad tot aan het Aartsbisdom. Dit Aartsbisdom schijnt een fraai gebouw; boven de poort van hetzelve las ikMusée; doch vernam tevens, dat men thans bezig was met hetzelve naar een ander gebouw te verplaatsen, alzoo zijne Hoogwaardigheid de nieuwaangestelde Aartsbisschop, zich hier had neder gezet. De Hoofdkerk, die hier bijstaat, is een trotsch Gothisch gebouw, pronkende met twee torens; het is ook, zoo men wil, door den reeds genoemdenSt. Martin14in de 4de eeuw gesticht; ’er plagt eenboekerij bij dezelve te zijn, waarin zeer oude en merkwaardige handschriften, op een soort van lessenaars, aan ketenen vastgeklonken lagen. Merkwaardige beelden of schilderijen zag ik in deze Kerk niet, maar het geen ik zonderling vond, was dat de vloer voor en achter verheven gemaakt was: zoo dat men ’er met eenige trappen opklom, en naar het midden, waar het groot altaar stond, afhelde; even eens als een staanplaats ofparterrein een’ Schouwburg. Men ziet duidelijk, dat dit niet aanvankelijk, maar eerst in latere tijden gemaakt is.
Ik herinnerde mij, van kort voor mijn vertrek vanParijs, aldaar in de vergadering van een Genootschap van Geletterden en Kunstenaars, genaamdSociété Philotecniquete hebben hooren spreken van een overblijfsel der oudheid, dat omstreeks deze stad nog moest bestaan, en dat naar het gevoelen van oudheidkundigen, een tempel derDruïdenzou geweest zijn15; om dien aangaande nader onderrigting te bekomen, vervoegde ik mij bij den opzigter (conservateur) van het Museum alhier, die de vriendelijkheidhad van mij de plaats, alwaar het bestond, naauwkeurig te beduiden. Het Museum kon ik niet zien, omdat, men bezig met verhuizen zijnde, alles nog overhoop lag; doch ik vernam van gemelden Heer, dat deze verzameling meestal bestond uit eenige schilderijen, beelden, enz. die men in de Kerken en Kloosters had gevonden, benevens eenige weinige oudheden. Ik meende dan te moeten besluiten, dat, indien ’er vooral onder de schilderijen stukken van den eersten rang geweest waren, men dezelve denkelijk naar de galerij vanParijszou hebben overgevoerd, en ik begreep wel, dat ik door dit Museum niet te kunnen bezigtigen, weinig verloor16.
A Inwendig gedeelte.B Voorportaal.A Achterste Deksteen.B Middelste Deksteen.C Deksteen aan den kant van den Ingang.
A Inwendig gedeelte.B Voorportaal.A Achterste Deksteen.B Middelste Deksteen.C Deksteen aan den kant van den Ingang.
Vroegtijdig gegeten hebbende, haastte ik mij, om den tempel derDruïdente gaan opzoeken, daar dezelve omtrent twee uren van de stad afgelegen is. De hoogte aan den anderen kant van deLoire, tegen over de brugla Tranchéegenaamd, opklimmende, wandelde ik langs een’ vrij aangenamen weg, tot het Dorpla Membrolle, en nam, hetzelve door zijnde, links den weg naar het Kasteelle Plessis les Tours17; het geen nog een goed eindje is; eer menaan dat Kasteel komt, staat de vermeende Druïdentempel (bij de landlieden in deze streek onder den naam vanGrotte, ofMaisson des Féesbekend) aan het eind van een akker, aan de regter hand; een landmeisje, dat ik daar omtrent ontmoette, wees mij denzelven aan. Het is een langwerpig vierkant van onmatig groote ruwe steenen gemaakt; acht van dezelven over eind staande, maken de zijmuren rondom uit; zij zijn, hoewel zeer ongelijk, naar gissing 2 à 3 voeten dik, 5½ à 6 hoog boven den grond, waar zij een weinig in stonden, en van onderscheidene breedte; de negende steen aan den ingang staande, en die met een andere die dwars in de zijwanden geplaatst is een soort van voorportaal maakt, is kleiner: dit soort van gebouw is gedekt door drie steenen, die nog grooter en dikker zijn dan de anderen18. Ik klom ’er boven op, om denzelven aftredende te meten; die aan den kant van den ingang, is ruim 5 treden in de breedte van het gebouw en 4 lang; de middelste heeft genoegzaam dezelfde breedte, doch is maar 3 treden lang, en de achterste is 4 treden breed en 3 lang; de dikte van den middelsten steen is aan den eenen kant (naar gissing) 3½ voet, en aan den anderen omtrent 5; de twee anderen zijn minder dik, hier en daar staken de deksteenen over dezijwanden uit. Inwendig was het omtrent 11 treden lang, te weten het voorportaal omtrent 3, enhet overige gedeelte 8, de breedte was 3 treden; bij den ingang waren eenige boomen geplant, boven op en ter zijde groeide hier en daar een weinig mos en gras. De steenen van eene grijsachtige kleur zijn van de soort, die in de steengroeven hieromstreeks gevonden wordt; zij schijnen in ’t geheel niet bewerkt, maar, zoo als zij uit die groeven gekomen zijn, hier geplaatst. Ondertusschen moet het geen geringen arbeid gekost hebben, om zulke verbazende zware brokken hier na toe en op elkanderen te krijgen; en zij, die dat gedaan hebben, moeten toch, dunkt mij, eenig denkbeeld van de werktuigkunde gehad hebben; hoe zeer het schijnt dat zij geen Steenhouwers of Bouwmeesters geweest zijn. Mijne kundigheden niet toereikende zijnde, om te beslissen in hoe verre het denkbeeld, dat dit gebouw een tempel of offerplaats der Druïden zou geweest zijn19al dan niet gegrond is, zal ik hier alleenlijk bijvoegen, dat ’er inFrankrijkmeêrder gelijke opgerigte steenen gevonden worden, onder anderen in het Departementl’Aveiron; doch zij zijn veel kleiner en bestaan doorgaans slechts uit vier steenen, namelijk drie rondom en een boven op. VolgensMonteil, Hoogleeraarin de Geschiedkunde, die een beschrijving van dat Departement in het licht heeft gegeven20, zouden ’er na bij herhaling te hebben gegraven, lijkbussen, wapenen en gedenkpenningen in gevonden zijn, waarom hij waarschijnlijker vindt, dat het gedenkteekens van grafsteden zijn. Ik vroeg ’er een landman, hier omstreeks wonende, na, doch hij zeide ’er niets anders van te weten, dan dat hij wel van zijn’ grootvader had hooren zeggen, dat het sedert eeuwen bestond; ondertusschen kon ik wel merken, dat hij ’er een bovennatuurlijk denkbeeld aan hechte zoo als dit ook uit de benaming vanGrotte de Féesblijkt; en ik houde mij verzekerd, dat ’er de boer niet gaarne een nacht alleen in doorgebragt zou hebben. Ongetwijfeld, indien het niet zoo stevig was, zou het lang verwoest geweest zijn; doch dat zou niet gemakkelijk genoeg gaan, om ter sluips te kunnen geschieden.
Langs een’ anderen vrij aangenamen weg, voorbij akkers en wijngaarden, keerde ik weder naarToursterug. Het gezigt dat men boven aan den wegla Tranchée, staande over de brug, door de fraaije straat vanTours, en vervolgens door de regte laan, tot tegen de andere hoogte, heeft, is schoon.
’s Avonds in een Koffijhuis gaande, vond ik daar wel 30 menschen bezig met lotto-spelen; ieder tuurde aanhoudend op de kaarten, die hij voor zich hadliggen, terwijl de hospes de nommers oplas;—welk een ellendig tijdverdrijf! ook was het hier voor iemand, die niet mede speelde, niet om uit te houden.
Het vervolg en slot van mijn reisverhaal, zend ik u bij eene volgende gelegenheid.—Vaarwel!
1TeParijsen in de voorname steden heeft men thansde gewoonte, om maar twee maaltijden daags te houden, te weten het ontbijt om 10, 11 of 12, en het middagmaal om 4, 5 of 6 uren. TeBourdeauxwas het doorgaans 4½ uren eer wij aan tafel gingen.2En onze Turfveenen zullen die eeuwig duren?—Ondertusschen wordt ook bij ons het aanleggen van bosschen verwaarloosd, en het is als of men meent, dat men heden planten en morgen kappen kan. InFrankrijkis de turf genoegzaam niet bekend; men maakt ’er toch eene soort van turven van de run, die de looijers gebruikt hebben.3Ook maakt men bijzonder veel werk van ons fraai papier (papier de Hollande) en de boeken daar op gedrukt, moet men duur betalen. Ons postpapier iste Parijs, en elders inFrankrijkzeer veel in gebruik; en wij zelve laten, ô schande! nogEngelschpapier inkomen!4Men leest hier voor een Koffijhuis:Caffé des Antiquités Romainesof iets diergelijks.5Zie het bijgevoegd gezigtje.6Een aanzienlijk burger dezer stad, zijnde een redelijke Roomschgezinde, bevestigde mij zulks, en bragt dien aangaande eenige voorbeelden bij, terwijl ik met dien man een paar dagen op reis was.7Deze rivier scheidt hier het Departementde la Viennevan dat vanl’Indre et Loire. Aan dezelve, omtrent anderhalf uur van de brug, ter regterzijde als men vanPoitierskomt, ligt een steedje datla Haye, even eens als ons’s Gravenhage, in hetFranschgenaamd wordt. De beroemdeRené Descartes, die ook lang in ons Vaderland gewoond heeft, werd aldaar den 31 Maart 1596 geboren.8InFrankrijk, zoo wel als bij ons, treft men vele landlieden aan, die niet lezen of schrijven kunnen.9Het ware te wenschen, dat zoo vele Pausen, Bisschoppen en andere Geestelijken der Roomsche Kerk, altijd den geest van verdraagzaamheid van dien Heilige hadden nagevolgd en nog navolgden; want men vindt van hem aangeteekend, dat hij, in de 4de eeuw levende, weigerde, om gemeenschap te hebben met de Bisschoppen, die den van ketterij beschuldigdenPriscilianuster dood wilden veroordeeld hebben.—Zulk een Heilige behoorde niet gelijk gesteld te worden met een’Dominicusen diergelijke afschuwelijke vervolgers.10Zij worden veel in kleine nette mandjes en ook in kistjes verzonden, enPruneaux de Toursgenaamd.11Ieder klaagt thans bij ons over den slechten tijd, en waarlijk niet zonder reden;—de Patriotten krijgen van velen de schuld, doch daar zit de knoop niet—geen land is ’er misschien afhankelijker van de omstandigheden dan het onze, dit moeten wij trachten te verhelpen, zoo veel mogelijk onze behoeften tot het geen onder ons bereik is bepalen, en maken, dat wij geen honger behoeven te lijden, als men ons de zee betwist.12Zoude deze fraaije en vooral op lage gronden weelderig groeijende boomen, langs onze weilanden geplant, geen dubbel nut doen; vooreerst door het voordeel, dat zij de eigenaars zouden aanbrengen, zonder voor het gras hinderlijk te zijn, en ten tweede door de schaduw, die zij het vee zouden bezorgen?13Kaai van de oude brug, van welke brug men nog eenige overblijfsels in de rivier ziet. De ingang van de stad door een poort was, toen over dezelve en bij deze sterkte.14VanSt. Martinsprekende, moet ik u het volgende nog vertellen: die Heilige bij de eerste Christenen onder deGaulen, in een groot aanzien zijnde, wijddeClovis, grondlegger van deFranscheMonarchie, hem, na dat hij reeds verscheidene jaren overleden was, een paard, waarop die gelukkige geweldenaar reeds verscheidene veldslagen gewonnen had, gevende hetzelve aan den opvolger en verdere discipelen van den opgemelden heilige; doch wilde het naderhand, misschien om nog meerdere overwinningen te behalen, weder terug hebben, en bood ’er 100 stukken gouds voor; men scheen hier niet tegen te hebben, doch ziet het paard wilde geen’ voet verzetten; en was, in weêr wil van de zweep, sporen en zelfs de haver, die men het aanbood, maar van de plaats niet aftebrengen.Clovismeenende, dat de verstorven heilige met de geboden som, voor de Kerk, geen genoegen nemende, hem die poets speelde, bood meêr en meêr, tot vijfmalen toe, eindelijk neemt het paard een’ sprong en galoppeert met zijn Majesteit de Kerk (want daar gebeurde het geval) uit; en nu riep de menigte, die dit had aangezien: ô Wonderwerk!—En hoe denkt gij dat zich dit had toegedragen?—zeer eenvoudig: men had het paard gezet op een houten vloer, die in deze Kerk gemaakt was, en hetzelve door middel van vier schroeven, die in de ijzers kwamen, daarop vastgemaakt; zoodra ’er geld genoeg geboden was, draaiden eenige Geestelijken, (want aan anderenhebben zij zekerlijk hun geheim niet vertrouwd) onder die vloer verborgen, de schroeven los,—en zie daar een wonderwerk.—Zouden de meesten van die soort niet op diergelijke wijze geschieden?15Vaux de Launayheeft in de zitting van dat Genootschap van den 19Messidor an XII.(8 Julij 1804) daar over een Vertoog gedaan; doch het is tot nog toe, voor zoo verre mij bekend is, niet gedrukt.16Door dezen Heer werd ik ook in mijn gevoelen aangaande de overblijfsels vanRomeinschemuren alhier, waarvan ik hier voor gesproken heb, bevestigd.17Lodewijkde XI, die veel smaak vond in dit oord, bouwde hetzelve, bragt ’er een gedeelte van zijn leven op door, en overleed ’er in 1483, in den ouderdom van 60jaren. Hij was de eerste die den tijtel voerde van allerchristelijksten Koning (Roi tres chretien).18Ik schets de gedaante hier met de pen, zoo goed mij doenlijk is af, om ’er u een denkbeeld van te geven,te meêr, omdat ik niet weet dat ’er eene afteekening of naauwkeurige beschrijving van bestaat.19De Druïden waren Priesters en Regters onder de oudeGaulers; tot hunne Godsdienstige plegtigheden behoorden de afgrijsselijke menschenoffers; ook hadden zij eene soort van eerbied voor een bijgewas op de eikenboomen (Fiscum), en sneden het op eene plegtige wijze met een gouden sikkel af.20Description du Departement de l’Aveiron, parA. A. Monteiletc. ParisFuchsetDesennean X.
1TeParijsen in de voorname steden heeft men thansde gewoonte, om maar twee maaltijden daags te houden, te weten het ontbijt om 10, 11 of 12, en het middagmaal om 4, 5 of 6 uren. TeBourdeauxwas het doorgaans 4½ uren eer wij aan tafel gingen.
2En onze Turfveenen zullen die eeuwig duren?—Ondertusschen wordt ook bij ons het aanleggen van bosschen verwaarloosd, en het is als of men meent, dat men heden planten en morgen kappen kan. InFrankrijkis de turf genoegzaam niet bekend; men maakt ’er toch eene soort van turven van de run, die de looijers gebruikt hebben.
3Ook maakt men bijzonder veel werk van ons fraai papier (papier de Hollande) en de boeken daar op gedrukt, moet men duur betalen. Ons postpapier iste Parijs, en elders inFrankrijkzeer veel in gebruik; en wij zelve laten, ô schande! nogEngelschpapier inkomen!
4Men leest hier voor een Koffijhuis:Caffé des Antiquités Romainesof iets diergelijks.
5Zie het bijgevoegd gezigtje.
6Een aanzienlijk burger dezer stad, zijnde een redelijke Roomschgezinde, bevestigde mij zulks, en bragt dien aangaande eenige voorbeelden bij, terwijl ik met dien man een paar dagen op reis was.
7Deze rivier scheidt hier het Departementde la Viennevan dat vanl’Indre et Loire. Aan dezelve, omtrent anderhalf uur van de brug, ter regterzijde als men vanPoitierskomt, ligt een steedje datla Haye, even eens als ons’s Gravenhage, in hetFranschgenaamd wordt. De beroemdeRené Descartes, die ook lang in ons Vaderland gewoond heeft, werd aldaar den 31 Maart 1596 geboren.
8InFrankrijk, zoo wel als bij ons, treft men vele landlieden aan, die niet lezen of schrijven kunnen.
9Het ware te wenschen, dat zoo vele Pausen, Bisschoppen en andere Geestelijken der Roomsche Kerk, altijd den geest van verdraagzaamheid van dien Heilige hadden nagevolgd en nog navolgden; want men vindt van hem aangeteekend, dat hij, in de 4de eeuw levende, weigerde, om gemeenschap te hebben met de Bisschoppen, die den van ketterij beschuldigdenPriscilianuster dood wilden veroordeeld hebben.—Zulk een Heilige behoorde niet gelijk gesteld te worden met een’Dominicusen diergelijke afschuwelijke vervolgers.
10Zij worden veel in kleine nette mandjes en ook in kistjes verzonden, enPruneaux de Toursgenaamd.
11Ieder klaagt thans bij ons over den slechten tijd, en waarlijk niet zonder reden;—de Patriotten krijgen van velen de schuld, doch daar zit de knoop niet—geen land is ’er misschien afhankelijker van de omstandigheden dan het onze, dit moeten wij trachten te verhelpen, zoo veel mogelijk onze behoeften tot het geen onder ons bereik is bepalen, en maken, dat wij geen honger behoeven te lijden, als men ons de zee betwist.
12Zoude deze fraaije en vooral op lage gronden weelderig groeijende boomen, langs onze weilanden geplant, geen dubbel nut doen; vooreerst door het voordeel, dat zij de eigenaars zouden aanbrengen, zonder voor het gras hinderlijk te zijn, en ten tweede door de schaduw, die zij het vee zouden bezorgen?
13Kaai van de oude brug, van welke brug men nog eenige overblijfsels in de rivier ziet. De ingang van de stad door een poort was, toen over dezelve en bij deze sterkte.
14VanSt. Martinsprekende, moet ik u het volgende nog vertellen: die Heilige bij de eerste Christenen onder deGaulen, in een groot aanzien zijnde, wijddeClovis, grondlegger van deFranscheMonarchie, hem, na dat hij reeds verscheidene jaren overleden was, een paard, waarop die gelukkige geweldenaar reeds verscheidene veldslagen gewonnen had, gevende hetzelve aan den opvolger en verdere discipelen van den opgemelden heilige; doch wilde het naderhand, misschien om nog meerdere overwinningen te behalen, weder terug hebben, en bood ’er 100 stukken gouds voor; men scheen hier niet tegen te hebben, doch ziet het paard wilde geen’ voet verzetten; en was, in weêr wil van de zweep, sporen en zelfs de haver, die men het aanbood, maar van de plaats niet aftebrengen.Clovismeenende, dat de verstorven heilige met de geboden som, voor de Kerk, geen genoegen nemende, hem die poets speelde, bood meêr en meêr, tot vijfmalen toe, eindelijk neemt het paard een’ sprong en galoppeert met zijn Majesteit de Kerk (want daar gebeurde het geval) uit; en nu riep de menigte, die dit had aangezien: ô Wonderwerk!—En hoe denkt gij dat zich dit had toegedragen?—zeer eenvoudig: men had het paard gezet op een houten vloer, die in deze Kerk gemaakt was, en hetzelve door middel van vier schroeven, die in de ijzers kwamen, daarop vastgemaakt; zoodra ’er geld genoeg geboden was, draaiden eenige Geestelijken, (want aan anderenhebben zij zekerlijk hun geheim niet vertrouwd) onder die vloer verborgen, de schroeven los,—en zie daar een wonderwerk.—Zouden de meesten van die soort niet op diergelijke wijze geschieden?
15Vaux de Launayheeft in de zitting van dat Genootschap van den 19Messidor an XII.(8 Julij 1804) daar over een Vertoog gedaan; doch het is tot nog toe, voor zoo verre mij bekend is, niet gedrukt.
16Door dezen Heer werd ik ook in mijn gevoelen aangaande de overblijfsels vanRomeinschemuren alhier, waarvan ik hier voor gesproken heb, bevestigd.
17Lodewijkde XI, die veel smaak vond in dit oord, bouwde hetzelve, bragt ’er een gedeelte van zijn leven op door, en overleed ’er in 1483, in den ouderdom van 60jaren. Hij was de eerste die den tijtel voerde van allerchristelijksten Koning (Roi tres chretien).
18Ik schets de gedaante hier met de pen, zoo goed mij doenlijk is af, om ’er u een denkbeeld van te geven,te meêr, omdat ik niet weet dat ’er eene afteekening of naauwkeurige beschrijving van bestaat.
19De Druïden waren Priesters en Regters onder de oudeGaulers; tot hunne Godsdienstige plegtigheden behoorden de afgrijsselijke menschenoffers; ook hadden zij eene soort van eerbied voor een bijgewas op de eikenboomen (Fiscum), en sneden het op eene plegtige wijze met een gouden sikkel af.
20Description du Departement de l’Aveiron, parA. A. Monteiletc. ParisFuchsetDesennean X.