Zevende Brief.

Zevende Brief.Avignon, 3 Augustus.Gisteren morgen om 4 uren voeren wij vanLyon, af; want de wind was wat veranderd, en wij hadden geen hoop, om denzelfden avond hier te zijn. De schuit was volgens afspraak; doch ’er ging maar één schipper mede, en dit beviel velen van onze reizigers, die het hoofd vol zwarigheid hadden, in ’t geheel niet; ik voor mij was hier omtrent minder ongerust, want had ’er niet deskundigen over gesproken, en men verzekerde mij, dat ’er met bekwame schippers, zoo als die lieden hier doorgaans zijn, op deze rivier geen gevaar te vreezen is. Wij voeren onder de groote steenen brug (pont de la Guillotière) door, doch langs den kant, omdat daar de minste trekking is. De stroom in het midden onder deze brug is verbaasd snel. Weldra kwamen wij aan de plaats, waar zich deSaonemet deRhoneveréénigt; de afscheiding van het water dezer twee rivieren, is aan de onderscheidene kleuren duidelijk te zien, en maakt als een streep op het water. De stroom is hier ook zeer sterk, zoo dat ons schuitje begon te hobbelen, en eenigen onzer reizigers zeer zuinig te zien. Het land aan de oevers, stond hier en daar onder water; zulk eene overstrooming,in dit jaargetij, heeft hier niet dan zeer zeldzaam plaats. TeGivors, een steedje omtrent drie mijlen vanLyonaan den oever van deRhonegelegen, moest de schipper aanleggen, om tol te betalen, en wij stapten aan land, om onderwijl eens rond te zien. Door zijne gunstige gelegenheid is dit plaatsje nog al handeldrijvend, en de inwoners, die grootendeels vrachtschippers enCommissionnairenzijn, voeren vele goederen, als ijzer en steenkolen, komende vanSt. Etienne, waar een groote geweer- en andere ijzeren instrumenten-fabriek is; ’er zijn ook steenkolen-mijnen niet ver vanGivors; zij brengen ’er dan ook een groote hoeveelheid van naarLyon, en gebruiken ’er zelve zeer veel in de flessen-fabrieken, die hier ook een’ voornamen tak van bestaan opleveren; men verhaalde mij, dat ’er thans zes aan den gang waren. Ook wordt ’er zijde in de omstreken geteeld, en ik zag een paar vrouwen bezig met de poppen aftehaspelen. Hoewel de wind niet zoo gunstig was als gisteren, vorderden wij echter door den snellen stroom al vrij spoedig, en haddenGivorsnog niet lang achter den rug, toen wijVienne, twee mijlen van daar gelegen, reeds ontdekten; die stad ligt tegen en tusschen de bergen en doet zich, van de rivier te zien, aangenaam op. Zij is zeer oud, uitgestrekt, maar weinig bevolkt. ’Er is een fabriek van groote ijzeren en stalen werktuigen. Men noemt deze stadVienne en Dauphiné, of thansdans le Departement de l’Isère, om dezelve vanWeeneninOostenrijk(Vienne enAutriche) te onderscheiden. Even buiten de stad aan den kant van de rivier, staat een oude pyramide of naald, onder den naam vanl’Eguillebekend; ik kon dezelve van de schuit duidelijk zien, en vind daar van aangeteekend, dat zij op een vierkant gewelf staat, ondersteund wordende door vier pilaren van 20 à 24 voeten hoog; de naald zelve is bijna van dezelve hoogte. Hoewel ’er hoegenaamd geen opschrift op staat, veronderstelt men, dat het de grafnaald is van den een’ of anderenRomein. Midden in de rivier, omtrent voor de stad, zag ik ook de overblijfsels van een steenen brug. Omtrent een half uur verder ziet men aan de linkerhand eenen geheel met wijngaarden beplanten heuvel, het was den om zijn’ lekkeren wijn vermaardeCôte Roti. Niet ver van daar, aan de regterhand, ligt het steedjeCondrieu; hier moest men weder aanleggen om tol te betalen; want ’er zijn verscheidene tollen op deze rivier; voor dezen was de vracht dan ook goedkooper, naar onze schipper verhaalde, maar thans moet ’er te veel af. Wij gingen ons hier weder een weinig vertreden. Verscheidene vrouwen, die ’er alles behalve bevallig uitzagen, kwamen vruchten en wijn te koop veilen. De wijn vanCondrieuis beroemd, vooral de witte, wij kochten ’er dan ook van en betaalden 20solsde fles1. Zij was zeer goed, en het speet ons naderhand, dat wij ’er niet meêr voorraadvan hadden opgedaan. Het stadje is aan den voet van een’ heuvel gelegen en ziet ’er nog al redelijk uit. Ook hier is het grootste gedeelte van de ingezetenen schippers en schuitenmakers, en vele tevens wijngaardeniers; want wijn is bijna het eenigste voortbrengsel van dezen grond. De vader van den vermaarden Marschalkde Villars, die den 6 Maart 1714 in naam vanLodewijkden XIV. den vrede teRastadteekende, is hier geboren; ik vertel u dit, omdat het eenige betrekking heeft tot onze Vaderlandsche Historie; maar maak met meêr genoegen melding van een menschlievenden en weldadigen Roomschen Priester, die hier in 1727 een Gasthuis stichtte. Het was te wenschen dat het voorbeeld van dien goeden man door zijne ambtgenoten, van welke Geloofsbelijdenis zij ook zijn mogen, wat meêr gevolgd wierd, en deze Heeren zich niet alleen vergenoegden met de weldadigheid te prediken, zoo als zij doorgaans gewoon zijn. Weder aan boord zijnde, haalde ieder zijn’ voorraad voor den dag, en men ging ontbijten; ons gezelschap was nog al vrij wel, en bestond onder anderen uit een jong militairen Chirurgijn, die eenGasconjerwas, en een soort van Landjonker, die op een Landgoed inProvence, aan de grenzen vanItaliëwoonde; beide deze lieden, vooral de Chirurgijn hadden, hier meêr gereisd en nog al eenige kunde; ’er viel dan tusschen beide ook nog al wat te praten, met kijken had ik inzonderheid veel te doen; want de oevers van deRhoneleveren doorgaans eene verscheidenheidvan aangename gezigten op. Wij zagen hier een slang, naar gissing twee à drie voeten lang, digt voor de schuit heen, en zoo het scheen dwarsover zwemmen, hij streek bijna over de oppervlaktes van het water en was zeer vlug. Toen men met smaak een stuk uit de hand had gegeten, merkte onze Chirurgijn aan, dat diergelijk koud en eenvoudig voedsel, vooral vruchten, toch wel zeker gezonder is, dan zoo vele konstig bereide en warme, of veel liever heete spijzen; dit betoogde hij eenigzins op eene geneeskundige wijze, en ik was het volkomen met hem eens; de landjonker, hoewel genoegzaam met ons van hetzelfde gevoelen, zeide, dat hij veel metEngelschenenAmerikanenomgegaan hebbende, de gewoonte aangenomen had, om ’s morgens thee te drinken, en dat deze drank alzoo voor hem eene volstrekte behoefte geworden was, doch dat hij anders ook zeer vele vruchten at, en ’er zich zeer wel bij bevond; hij verhaalde ons verder, dat hij een’ kok gekend had, die bij een voornaam man van zijn kennis teVenetiëwoonde, en sedert verscheide jaren, niettegenstaande hij dagelijks de keurigste spijze in overvloed bereidde, genoegzaam niets anders nuttigde, dan vruchten, eenige rauwe groentens, wortelen, brood, en voor allen drank koud water; dat deze zonderlinge kok zich daarbij gezond en sterk bevond, daar hij voorheen, eer hij die levenswijze had aangenomen, gedurig ongesteld en zwak was: in het begin had hem dit wel eenige moeite gekost, doch hij had het volgehouden;en eindelijk verkoos bij zijne vruchten en wortelen, uit smaak, boven de uitgezochtste lekkernijën; een en andermaal had hij zijn’ Heer, die aan overdaad gewoon, en dus ongezond was, aangeraden, om van levenswijze te veranderen, en zijn voorbeeld te volgen; deze hier geen’ zin in hebbende, en dus minder redelijk dan zijn kok, werd die raad moede, en zeide hem eens, dat hij zijn handwerk weinig eer aan deed; dat, indien men hem gehoor wilde geven, hij dan ook geen kok meer van nooden had: geen zwarigheid, antwoordde deze, gij zult gezond worden, en ik zal wel een’ anderen dienst vinden.—Maar als ieder uw voorbeeld, dat gij zegt zoo heilzaam te zijn, eens volgde: was de tegenwerping; en de kok besloot met te zeggen, dat hij niet geloofde, dat zulks althans gedurende zijn’ leeftijd plaats zou hebben; doch als het al eens gebeurde, dat dan de maatschappij zulk eene groote verandering zou ondergaan, dat hij een zijns gelijken geene moeite zouden hebben, om een stukje lands te vinden, daar zij het weinige voedsel, dat zij noodig hadden, op telen konden2.—Wat zegt gij van dezen wijsgeerigen kok?—Ik heb wel Professorale lessen gehoord of gelezen, die zoogoed niet waren. Al pratende kwamen wij voorTournon, een stadje in het Departementde l’ Ardèche, voorheenLanguedoc; het is aardig gelegen aan den voet van een’ berg; ’er is een zeer groot gebouw, dat voorheen een kollegie was, aan de Jesuiten behoorende, doch sedert de afschaffing van dezelve, werd het door wereldlijke bestuurd, en thans is het een Kweekschool, onder opzigt van het Gouvernement; het is aangenaam aan den oever van deRhonegelegen. OverTournonaan den linker oever van de rivier ligt een plaatsje,Thaingenaamd; van hetzelve valt niets anders aanteteekenen, dan dat de beroemde hermitage-wijn digt daar bij groeit. Men ziet door de wijnstokken, waarmede zij beplant is, den geheel groenen heuvel van de rivier; deze heuvel is niet groot, doch al de wijn, die in den omtrek groeit, noemt men even eens Hermitagewijn, en deze wordt ook al duur verkocht; want het gaat hier mede zoo als met mêer andere dingen; vele menschen die geene fijne kenners zijn, houden zich te vreden met den blooten naam. OmstreeksThainplagt ook een goudmijn te zijn, naar men verzekert; doch dezelve is thans geheel verwaarloosd, het geen mij verwondert; want een goudmijn zou thans inFrankrijkwel te pas komen. DaarTournonenThainzoo digt bij elkanderen liggen, vraagt men spottenderwijze,“Combien y a t’il depuis Thain à Tournon3?” en volgens eenslechte uitspraak, ”Combien y a t’il depu Thain (putains)4à Tournon. Men verhaalt, dien aangaande een’ aardigen kwinkslag. Ten tijde vanLodewijkden XIV. bevond zich een man vanTournon, op reis met iemand, die tot het hof vanVersaillesbehoorde; deze hoveling vroeg ook spottende aan onzen man: ”Combien y a t’il depu Thain (putains) à Tournon?” en deze had de tegenwoordigheid van geest, om hem zonder bedenken te antwoorden: ”Oh! ce n’est pas la peine d’en parler; mais dites moi combien y a t’il bien de Maintenon (des Maintenons) à Versailles5?” Gij vat de kneep, en zult zekerlijk zoo wel als ik dien trek van tegenwoordigheid van geest bewonderen. Vervolgens kregen wijValenceaan den linker oever van de rivier gelegen, in het gezigt, gij zult uit de afbeelding zien, dat die stad niet onaardig gelegen is; niet ver van deze stad, en eer men aan dezelve komt, werpt zich de rivierl’Isèrein deRhone. Onze reisgenoot de Chirurgijn herinnerde ons, dat hethart van den laatst overledenen Paus in de Kerk vanValence, in een looden kistje bewaard werd. Hij zelve had het niet lang geleden gezien, daar wij hier toch aan moesten leggen, en dat al weder om tol te betalen, besloten wij, om de stad eens in te gaan, en aldaar de Pausselijke overblijfsels te gaan bezigtigen. Het was even na den middag, en brandend heet, zoo dat deze bedevaart ons een zweetje koste; op verscheide plaatsen in de straten, waren echter nog al zeilen van het eene huis tot het andere uitgespannen om schaduw te geven. Wij zagen in de Hoofdkerk, in een Kapel, die geschilderd was met een’ zwarten grond, waarop hier en daar doodshoofden en Pausselijke versierselen, op een soort van klein altaartje, het geen midden in dezelve stond, een houten doos of kistje, en hier in was het looden, dat het hart en de ingewanden van den Paus bevatte; dit kistje was overdekt met een kleed van violetkleur fluweel met gouden franjes, en waarop de Pausselijke muts en sleutels met goud geborduurd waren; een soort van lijklamp hing ’er boven, en werd, naar men mij verzekerde, altijd brandende gehouden. Deze Kapel is met een ijzer hek gesloten, en boven hetzelve leest men: “Ici sont deposés le coeur et les entrailles dePieVI.” Die Paus is in deze stad, om den oorlog of de gevolgen van dienRomeontweken zijnde, hier staatsgevangen gehouden en gestorven. Zijn ligchaam is naarRomegevoerd; doch op aanzoek vanBonaparte, zoo men zegt, zijn zijne ingewanden hier wederom teruggebragt, en men wil, dat ’er een graftombe zal opgerigt worden, om dezelve in te bewaren. Aan of in de Kerk, die een donker en slordig voorkomen heeft, is voor het overige niets bijzonders te zien. Ook zag ik niets aanmerkelijks in de stad, het is de hoofdplaats van het Departementla Drome, voorheendu Valentinois en Dauphiné. Het verblijf van de Prefecture, en eenTribunal de première instance, is zeer oud en met muren omringd; de omstreken schenen mij toe nog al aangenaam te zijn.Valenceis door een heuvel, in de gedaante van een halven cirkel, natuurlijk beschut, en dat op eene wijze, alsofhet door kunst gemaakt was: men vindt hier omstreeks goede en zuivere bronnen; de zijdeteelt is ook een voorname tak van bestaan van de inwoonders. Voorheen was ’er een Universiteit, die verscheide voorname Rechtsgeleerden opgeleverd heeft. Het bijgaand fraai gezigtje zal u een denkbeeld geven van de ligging dier stad. Omtrent drie mijlen onder dezelve, valt de rivierle Dromein deRhone: deze laatstgenoemde rivier is hier al vrij breed, en wij werden reeds van verre door het hevig gedruisch van het water den snellen stroom gewaar. De rivier geleek hier op sommige plaatsen naar eene hevig ziedende pot: sommigen van ons gezelschap begonnen dan ook zeer bevreesd te worden, doch onze schipper, die mij toescheen een nuchter en bekwaam man te zijn, verzekerde, dat hij het gevaar wel zou weten te vermijden; zoo dat men niet ongerust behoefde te zijn; wij kwamen’er dan ook zonder eenig letsel over; maar werden door de golven ter deeg geschommeld. De groote toevloed van water, vooral thans, na eene zoo sterken en aanhoudenden regen, en eenige rotsen of klippen in de rivier, en onder het water staande, veroorzaken deze geweldige bruisching. Het was omtrent zeven uren des avonds, toen wijAncone, een dorpje aan de linker oever van deRhonenaderden: Onze schipper (patron) zeide, dat wij daar een redelijk goede herberg zouden vinden, en dat het dus raadzaam was, om ’er te blijven overnachten. Het voorstel werd algemeen aangenomen; maar de herberg, die men ons aanwees, zag ’er in ’t geheel niet breed uit, en wij dachten, dat, zoo wij ’er al konden slapen, het niet anders dan op stroo zou zijn. Ook hier werd het spreekwoord, dat schijn dikwijls bedriegt, bewaarheid, en wij stonden niet weinig verwonderd, toen men ons langs een’ grooten trap en langen gang verscheide redelijk goede kamers aanwees, en ’er was voor ieder een bed; dit viel dan niet weinig mede. Wij stelden nu verder onzen landjonker tot Hofmeester aan, om het avondmaal enz. te bestellen, te meer, omdat hij zeer goedpatois, het geen de landtaal is, sprak, en ik ging met den Chirurgijn landwaards in, naar den kant vanMontelimart, dat maar een half uurtje van hier gelegen is. Wij zagen het liggen, doch vonden het te laat, om ’er naar toe te gaan, wijl de afspraak was, dat wij vroeg zouden eten en naar bed gaan: om den volgenden morgen weder vroeg in de kleêren te zijn.TeMontelimartzijn veel Protestanten; de inwoners waren van de eerste, die de hervorming vanCalvinaannamen; het is nog al redelijk bevolkt, en vrij welvarende, omdat de groote weg vanLyonnaarMarseilleenItalië’er doorloopt, en de landstreek vruchtbaar is; wij zagen dan hier ook fraaije boeren-hoeven; de landlieden waren grootendeels bezig met hun koren door muilezels te laten treden, (fouler), zoo als bij ons de vlasballen worden gedaan. Het zag ’er, niettegenstaande het ongunstig weder, vrij wel uit. Behalve eenige andere vruchtbomen, waren de meesten, die ik hier zag, moerbeziën; want de zijdeteelt is ook hier omstreeks een voornaam bedrijf, en heeft waarschijnlijk aan dezen kant zijn oorsprong inFrankrijkgenomen. De natuurkundigede Faujas6, zegt in een’ zekeren brief: dat de eerste moerbezieboom inFrankrijkgebragt werd, ten tijde van de laatste Kruisvaart door eeneGui-Pape-Saint Auban, een mijl vanMontelimart. Dat deze oude moerbezieboom nog bestaat, en dat de Heerde Latour Du Pui-la Chaux, dit gedenkteeken van den landbouw had doen in waarde houden, door ’er een muur om te bouwen, en te verbieden, dat men ’er de bladeren van plukte. De afstammelingen van dezen ouden boom, bedekken thans een goed gedeelte van denFranschengrond, enbrengen aan den staat een inkomen op van verscheiden millioenen. Dit een en ander had ik voor mijn vertrek vanParijs, uit een der dagbladen, opgeteekend; hopende gelegenheid te zullen hebben, om dien merkwaardigen boom te zullen zien, doch nu was het te ver; daarbij wisten de lieden alhier, mij ’er geen genoegzaam narigt van te geven; ik zou dan eerst naarMontelimarthebben moeten gaan, om ’er na te onderzoeken, en dit zou te veel tijd gevorderd hebben: dus zag ik, hoewel niet zonder leedwezen, van dit ontwerp af.Valençe.Valençe.In 1762 vonden eenige arbeiders, omstreeks dit dorpAncone, in een tuin gravende, een groote Lijkbus (urne), waar een lijk in was, hebbende op het hoofd eene gouden kroon, en aan een oor een ring van hetzelfde metaal. Meêr vond ik hier niet van aangeteekend, en sommige inwoners, die ik ’er hier na vroeg, konden ’er mij ook niets naders van zeggen.’t Was een warme dag geweest, de avondstond was regt koel en verkwikkende. Om hier wel genot van te hebben, ging ik eenzaam op de vlakke oevers van deRhone, die men hier heeft, even als bij ons aan zee, wandelen. De bergen en rotsen aan den overkant, en boven en beneden dezelve, maakten eene majestueuse vertoning; zekerlijk, dacht ik, hebben sommige hunner voorheen stroomen vuurs en lava uitgebraakt, terwijl men de sporen daarvan nog in deze landstreek vind. Deze landstreek, te weten aan den overkant van deRhone, bekend onder dennaam vanle Vivarais, en thans behoorende tot het Departementde l’Ardeche, werd oudtijds bewoond door deHelvianen, die op het eind van de vijfde Eeuw, of het begin van de zesde, doorSigismundus, Koning derBourguignons, overwonnen werden. De avond begon meêr en meêr te vallen, de horens van de beesten-hoeders, die zich in de bergen deden hooren, en tegen de rotsen weêrgalmden, verwijderden zich al verder en verder, eindelijk hoorde ik niets meêr, dan het geruisch der rivier, en het gekraak der keisteentjes, waarover ik liep, en waar deze oever als mede bezaaid is. Het werd tijd, en ik begaf mij naar de herberg; daar zag ik met genoegen, dat de tafel voor de deur, en alzoo niet ver van dien aangenamen oever van deRhonegedekt was. ’Er was schier geen zuchtje aan de lucht, zoodat de kaarsen, die men op tafel zette, zonder moeite aanbleven, en het eten was goed, en smaakte, omdat wij honger hadden, uitmuntend. Wij deden dan een regt aangenamen landelijken maaltijd; het oud moedertje van den huize ziende, dat wij wel over haar te vreden waren, kwam ook bij ons zitten snappen, en scheen zeer opgeruimd. Hadden wij den volgenden morgen niet vroegtijdig op reis gemoeten, ik had hier zoo spoedig niet van daan gekomen, doch nu was slapen de boodschap.Heden morgen om vier uren begaven wij ons weder scheep. De rivier vertoont zich hier als geheel van bergen en rotsen omringd; de gezigten zijn schilderachtig. Weldra kregen wijViviershoofdplaats vanle Vivarais, in het oog; ook dit gezigt zou een zeer fraaije teekening opleveren; doch die hier alles, wat de moeite waard is, wilde uitteekenen, zou ’er wel eenige maanden mede kunnen doorbrengen. Dit stadje is tusschen de rotsen aan den regter of westelijken oever van deRhonegebouwd, en de hoofdkerk gelegen op een rots, die boven de huizen uitsteekt; het schijnt een oud en groot gebouw te zijn. Voor de omwenteling wasVivierseen Bisdom, en de Bisschop voerde den titel vanComte de Viviers. Beneden aan den oever van de rivier ligt een zeer groot, en zoo het schijnt, fraai gebouw; men zegt dat het zoo veel vensters heeft, als ’er dagen in het jaar zijn; nu ’er waren ’er inderdaad zeer veel; het diende voorheen tot eenSeminarium. Aan onze linkerhand zagen wij een oud Kasteel, dat de schipperle Chateau de Roche-molletnoemde, meêr wist men ’er mij niet van te zeggen. Een eindweegs gevorderd zijnde, aanhoudend bezig met de fraaije gezigten rondom ons te bewonderen, zagen wijle Bourg St. Andeol, voorheen het verblijf van den Bisschop vanViviers, en waar hij zijn paleis had. Dit stadje ziet ’er nog al wel uit, en is aangenaam aan de regteroever gelegen: wij stapten ’er een oogenblik aan wal, en kochten ’er wat provisie; want het water geeft eetlust, en het werd tijd, om te ontbijten. Het oogenblik naderde vervolgens, dat wij onder die vreesselijk vermaardePont-Saint Esprit, waar van men ons zoo veel verteld had, door moesten varen.’Er wierd raad gehouden, of wij scheep zouden blijven, dan of wij ons voor de brug aan wal zouden laten zetten, en op één na besloten tot het laatste, als zijnde het algemeen gebruik; daarbij wilden wij wel een half uurtje wandelen. Ik had anders nog al lust gehad, om ’er in te blijven, doch voegde mij nu na de meerderheid van het gezelschap; onze reisgenoot, die ’er in bleef, kon zwemmen, en trok zelfs zijn laarsen en rok uit, om daar door, in geval ’er een ongeluk plaats mogt hebben, niet belemmerd te worden; de schipper lagchte hier om, en verzekerde ons, dat ’er geen gevaar was, en hij dien togt meêr dan honderdmalen, zonder eenig letsel, gedaan had; maar het besluit was genomen, en wij stapten een groot kwartier, voor dat wij bij de brug kwamen, aan land. Als een pijl uit een boog zagen wij van daar ons schuitje wegsnellen, en wandelden langs een’ aangenamen weg, beplant met moerbezieboomen, wijngaarden, en hier en daar olijfboompjes, de eerste die ik zag, tot het stadjeSaint Esprit. Het zal waarschijnlijk een sterkte geweest zijn, en heeft eencitadelenbastions, maar heeft voor het overige weinig te beteekenen; het is aan den regteroever van deRhonegelegen, en behoort thans tot het Departementdu Gard. Wij zagen ’er in een lang en smal gebouw meer dan dertig vrouwen zitten, die bezig waren met de zijde van de poppen te haspelen. De uitwaseming van die poppen, die men in heet water legt, veroorzaakt eenen zeer onaangenamen reuk, en men zegt dat het ongezondwerk is, dat ik zeer wel gelooven wil. Nogthans waren ’er onder die werklieden, eenige meisjes die ’er wij wel uitzagen; maar misschien hadden zij dit bedrijf ook nog niet lang bij de hand gehad. Vervolgens gingen wij de vermaarde brug zien; het is een ontzaggelijk stuk werks; zij rust op 26 bogen, waarvan 19 grooten en 7 kleinere zijn; zij is, volgens de beschrijving, 420toiseslang, en 2toises, 4 voeten, en 4 duimen breed7. Zij werd begonnen in 1265, en in 1309 voltooid, men werkte ’er dus 44 jaren aan.—En hoe, denkt gij dat men aan het geld gekomen is; want dit moet nog al een sommetje gekost hebben. Men maakte gebruik van het bijgeloof van dien tijd, om deze nuttige gemeenschap tusschen den regter- en linkeroever te bewerkstelligen. Het gerucht werd verspreid dat een Engel aan een’ schaapherder verschenen was, en hem geboden had, om daar ter plaatse eene brug te bouwen; weldra kwam ’er een ruime toevloed van offeranden en giften van alle kanten. De Prior van de Abdij, waar het stadje om gebouwd was, had echter het spel haast bedorven; want men had de onvoorzigtigheid gehad, van ’er hem niet in te kennen: doch men herstelde dezen misslag, en gaf hem duimkruid; hij lag den eersten steen, en ziet het wonderwerk had de gewenste uitwerking.Een groot gedeelte van deze brug is op de rots, die daar de bedding van de rivier uitmaakt, gebouwd. Waarschijnlijk bestond ’er een reden, waarom men ze met een elleboog, die tegen den stroom gesteld is gebouwd heeft; want zij zou fraaijer zijn, als zij regt was. Wij waren veel te laat gekomen, om ’er onze schuit onder door te zien varen, zij wachte ons reeds lang aan den anderen kant. ’t Is zeer duidelijk te zien, dat de stroom tusschen de bogen van deze brug, en vooral tusschen die, welke het meest midden in staan, zeer sterk moet zijn, doch als de schippers niet onhandig zijn zie ik ’er geen gevaar in. Nog iets opmerkelijks aangaande het metselwerk van deze brug is, dat de pilaren van de bogen doorluchtig zijn als of ’er vensters in zijn. Ter instandhouding van dit ontzaggelijk en kostbaar stuk werks, is men zeer behoedzaam; de zware vragtkarren of rijtuigen, mogen ’er niet willekeurig overrijden, en om het dreunen voortekomen, worden somtijds de wielen vastgemaakt, in een soort van houten laden (sabots) gezet, en de karren ’er zoo zachtjes over gesleept. Wederom scheep zijnde, bekeek ik de brug nog eens ter deeg, doch wel dra verloren wij dezelve uit het oog. Naar ik vernam, moeten de schippers, onder die brug door willende varen, niet op het midden van een boog, maar op een pilaar aanhouden, even als of zij tegen denzelven aan wilden varen. De stroom brengt hen dan van zelve in het midden van den boog of poort daar zij door moeten,en in een oogenblik zijn zij aan den anderen kant. De gezigten blijven aanhoudend schoon, en de landstreek berg- en rotsachtig.Orangezagen wij aan de linkerhand van verre liggen; het speet mij, dat ik de overblijfsels derRomeinscheoudheden, die deze stad nog bezit, niet kon zien; doch zij is omtrent een mijl van den oever afgelegen, en dus wat te ver om ’er naar toe te wandelen; daar bij was het zeer warm, en omstreeks elf uren voor den middag. Onze voormalige Stadhouders voerden den naam van Prinsen vanOranje, naar het Prinsdom, of liever Prinsdommetje, waarvan deze stad toen de hoofdplaats was.—Wat heeft zelfs die naam in ons Vaderland niet dikwijls aanleiding tot verregaande onaangenaamheden gegeven!!... Verder op zagen wij het stadjeCaderousseaan den linkeroever gelegen; voor deze plaats ligt ’er een eiland in deRhone, dat nog al uitgestrekt is. Eindelijk wees men ons de oude Pausselijke stadAvignon, die door zijne aangename gelegenheid, zijne torens en hooge gebouwen, en de rots, waar het oude Apostolische Paleis op gebouwd is, eene fraaije en aanzienelijke vertooning oplevert. Eer dat men aan de stad komt, ziet men ook nog een eiland in de rivier, dat vrij aanmerkelijk is, deRhonemaakt daar twee armen en vereenigt zich weder bijAvignon. Het was omtrent twaalf uren ’s middags, toen wij hier aankwamen. Wij hadden dus in minder dan 23 uren (want den tijd dat wij geslapen en ons opgehouden hebben, reken ik’er af,) een’ weg afgelegd van omtrent 48 mijlen, ik was ’er dan ook bijzonder over te vreden en zou ieder, die deze reis aangenaam, goedkoop en gemakkelijk wil doen, raden, om het op dezelfde wijze aanteleggen. Wij gaven elk aan onzen schipper, behalve de bedongen vracht, 30solsdrinkgeld, en hij was zeer wel te vreden. Die man moest nu zijne schuit hier verkoopen, doorgaans voor eenen zeer geringen prijs, en dan te voet weder terug keeren naarLyon, zijne woonplaats.Dezen langenepistelhebt gij wederom aan het slechte weder te danken; want naauwelijks waren wij in ons Logement of werden door een geduchte donder- en regenbui, even eens alsLyon, verwelkomd: thans (om elf uren ’s nachts) houdt dezelve nog aan.1Dit was beste oude wijn; de gewone kocht men voor 5sols.2Onze reisgenoot verhaalde dit met verscheidene natuurlijke omstandigheden, als een echte gebeurtenis, waar van hij zelve meêr dan eens ooggetuigen geweest was, en ik heb geen de minste reden om aan ’s mans goede trouw te twijfelen.3Hoe ver isThainvanTournon?4Hoe vele ligte vrouwlieden zijn’ er teTournon?5O! dat is der moeite niet waardig, om ’er van te spreken, maar zeg mij, hoe ver isMaintenon(een steedje) vanVersailles? of ook hoe veelMaintenons(te weten ligte vrouwen, want Madamede Maintenon, was, gelijk gij weet, bijzit vanLodewijkden XIV.) zijn ’er wel teVersailles?—Deze anecdote durf ik u haast voor wat nieuws aanrekenen, zijnde verzekerd dat zij zeer weinig bekend is.6De Faujasis Professor bij het Museum van natuurlijke historie teParijs.7Men rekent detoiseop6 géometrischevoeten. Die brug is dan ook veel te smal, naar evenredigheid van de lengte.Achtste Brief.Marseille, 7Augustus.’s Morgens van den 4 dezer was het droog, doch het had den ganschen nacht geregend. Zoo veel regen in dit saisoen en in dit gedeelte vanFrankrijk, is inderdaad een ongewoon verschijnsel. Niettegenstaande onze voerman ons veel vertelde van den slechten weg, stapten wij omstreeks vijf uren op het rijtuig, om naar de vermaarde fontein vanVauclusete rijden, men rekent dezelve overl’Isle5½ uur gaans vanAvignonafgelegen; wij hadden een rijtuig op twee wielen, doch op riemen hangende, in den smaak van die, waarmede men vanParijsnaarVersaillesenz. rijdt; het was met twee paarden bespannen, en de voerman zaten postillonop een van dezelven, die soort van rijtuigen zijn ligt, en men kan ’er des noods met vier personen in zitten. Ik had het voor 21 Livres vrij van alle onkosten gehuurd. Een eind weegs buitenAvignonis de weg goed en zeer vlak, aan beide zijden met sloten, weilanden en boomgaarden, van moerbezieboomen beplant. Het heeft hier wel wat van dat gedeelte vanGelderland, waar men zoo veele kersen en andere vruchtboomgaarden vindt. De landstreek wordt vervolgens bergachtig, en men heeft eene verscheidenheid van aangename gezigten. Tot nog toe was de weg vrij goed; doch hier kwamen wij weder tusschen boomgaarden en akkerland. De grond was hier kleiachtig en zoo week, dat wij verpligt waren te voet te gaan, omdat het rijtuig en de paarden ’er zoo diep in raakten, dat zij moeite hadden, om ’er uit te komen. De voerman wees ons een voetpad langs een’ anderen weg, en wij zouden dan op eene zekere hoogte weder bij elkanderen komen; dit ging in den beginne wel genoeg, doch deze weg werd ook zoo slecht, dat wij aan den kant moeite hadden om ons over eind te houden door de glibberigheid, en in ’t midden zakte men ’er tot over de enkels toe in; tusschen beide liepen de slotenover, en men was schier genoodzaakt om te waden. Zoo sukkelden wij wel een half uur voort, eer wij weder bij het rijtuig kwamen. Onze voerman had het niet beter gemaakt dan wij, zijnde verpligt geweest, om bijna altijd naast het rijtuig te gaan, om het te ondersteunen; hij, wij en de gansche boêl zagen ’er deerlijk beslikt uit; en had de weg in ’t begin ten opzigte van het gezigt naarGelderlandgeleken, hier geleek zij wel na dat kleiachtig gedeelte van ons land, waar men ’s winters bijna niet door kan komen; en ik herinnerde mij hier aan een van de onaangenaamste wandelingen van mijn leven, die ik in het najaar van 1801 deed, vanDordtnaar hetnieuwe veer. Wij kwamen vervolgens door het dorpMorières, klommen een’ heuvel op, veelal met wijngaarden en olijfboomen beplant; hier wordt het oog wederom aangenaam vergast; de weg is hobbelig en steenachtig. Hier wees onze voerman ons in een keten heuvels en rotsen, die voor ons lag, en aan dien kant het gezigt bepaalde, de plaats, waar de fontein vanVauclusegelegen was; doch wij waren ’er nog een goed eind weegs van daan, en ik zag nog niets anders dan een bruinächtige rots. Afklimmende kwamen wij nog voorbij een ander dorp, en daarna aan het stadjel’Isle(het eiland) genaamd, waarschijnlijk om dat het riviertjela Sorguehet rondom bespoelt.—welk eene allerliefste landstreek! Wij reden door een fraaije dreef van redelijk zwareplatanus-boomen langs de stad, tot aan een gnappeherberg daarPetrarque et Laureuithangt, hier stapten wij af, aten ter loops een stuk brood, en wat vruchten, waar onder goede meloenen, en bestelden het middagmaal tegen onze terugkomst, vooral goede paling, forellen en rivierkreeften bedingende; want die zijn hier even zoo vermaard als bij ons de baars vanHillegom, of half wegAmsterdam; en schoon anders geen lekkerbek, van daag wilde ik ook eens smullen, want dat behoort bij de reis naarVaucluse, en hij, die de fontein gaat zien, moet ook de visch proeven, die ’er in dat water gevangen wordt. Na het stoffelijk deel wat verkwikt te hebben, en dat was noodig; want wij hadden ons nog al wat vermoeid met door het slijk te loopen, spoedden wij voort en ik was dan zeer nieuwsgierig en verlangende. Welhaast verlaat men het dal en de vrolijke landouw vanl’Isle; het liefelijk stroomende riviertje, dat hier en daar over een dam heen rolt, en een kleinen waterval vormt, de frisch groene weilanden en de akkers met moerbezieboomen beplant. De natuur neemt eene treurige houding aan, de grond wordt steenachtig, hier en daar rijdt men zelfs over de bloote rots; de landstreek is dan ook onvruchtbaar en woest, slechts hier en daar een struikje of een kwijnend olijfboompje. Hoe zeer men de plaats, waar de fontein moet wezen, een’ geruimen tijd voor zich gezien heeft, men kan zich niet verbeelden, dat dit iets ongemeens zal opleveren, en eenigzins aan de verwachting beantwoorden, die men ’er den reiziger vanheeft doen opvatten, en juist dit maakt de nieuwsgierigheid des te sterker gaande; ieder spreekt hier toch van de fontein vanVaucluse, alle vreemdelingen gaan die bijna zien; het Departement is ’er naar genoemd; het moet toch der moeite waardig zijn, en ondertusschen schijnt het niet anders dan een barre rots. Het dorpjeVauclusenaderende, begint het ’er nogthans wat naar te gelijken; hier wordt de natuur schilderachtig; men komt door een’ hobbeligen en kronkelenden, hier en daar zeer smallen weg, langs stukken en brokken van rotsen, in een aangenaam dal, waar deSorguelangs groene oevers, en weelderig groeijende struiken en boomen door slingert. Bij de brug van het dorpje hield de voerman stil, digter bij de fontein kan men met rijtuig niet wel komen. Een oud vrouwtje met haar spinrok in de hand, wachtte ons reeds op, en bood zich aan ons naar de fontein te geleiden. Het was nu omtrent elf uren, de zon scheen helder; het was al een zeer heete dag, en dus niet zeer aangenaam, om te wandelen, doch een nieuwsgierig reiziger laat zich daar door niet afschrikken, en wij begaven ons met onze geleidster, die al vooruit liep, en trachtte te beduiden dat het niet ver was, op weg, ik zeg trachtte te beduiden, want de goede vrouw sprak bijna niet anders dan hetpatoisvan dat land, het geen weinig overeenkomst heeft met hetFransch; door dikwijls hetzelfde te herhalen, en met de handen en oogen te wijzen en te beduiden, begreep ik ’er hier en daar nog al wat van; mij scheenzij genoegzaam te verstaan, maar vergat al gaande en pratende niet te spinnen; en hoewel ’er armoedig uitziende, scheen zij echter gezond en vrolijk. Het dorpjeVaucluseligt tegen en op een barre rots, die door deSorguebespoeld wordt; het is dan onder aan den oever aangenaam en vruchtbaar; doch boven dof en naar. Op den top van een rots bij hetzelve, ziet men de overblijfsels van een vervallen Kasteel, dat men het kasteel vanPetrarquenoemt; doch het behoorde aan de Bisschoppen vanCavaillon, die Heeren waren vanVaucluse. Men klimt, den stroom aan de regterhand latende, naar de bron; haast wordt men door het ontzaggelijk gezigt van een verbazende hooge muur van steile rotsen, die zich als een halve cirkel vertoont, en door de ruischende watervallen, die zich in den stroom opdoen, verrukt. Ter zijde ziet men spitse punten, door de natuur als gedenknaalden opgericht, en vreesselijke klompen steen, door de Eeuwige Almagt als ’t ware op een gestapeld1.—Mensch, met al u ingebeelde grootheid, wat zijt gij hier klein!! Naar mate dat men opklimt, wordt ook de bedding van den stroom hooger, en de bruisschende loop van het water dus hoe langer hoe sterker, zoo dat het schier niet anders gelijkt dan sneeuwwitte schuim. Ik had mij reeds van het snapachtig moedertje ontdaan, en zette mij nu op een brok rots aan den kant van de waterval neder, om daaralles bedaard te overzien. Zeker heeftPetrarchadeze plaats niet uitgekozen, om den lof van zijne schooneLaura2te zingen, want het geweldig gedruis van het water zou de schelste toonen verdoofd hebben; doch hij kon ’er de majestueuseschoonheid der natuur in vloeijende versen beschrijven, ten minste daar toe de ruimste stof in zijn brein verzamelen. Nu ging ik verder op, tot aan de grenzen van dit enge dal, door de steile rots, zoo steil, als of zij regt door was gezaagd, afgeteekend. Aan den voet van dezelve is een ruim onderaardsch gewelf, waar in de bron vanVaucluseopwelt. Het water, in den kom of vijver voor hetzelve, was zoo hoog, dat wij van den boog of opening maar zeer weinig zagen. De oppervlakte van dezen vijver had toen wel 50 voeten diameter. Hier was het water stil en doorschijnende, zoo dat men aan de kanten tot op den grond toe zien kon. Gedurig door de bron gevoed wordende, liep die vijver aanhoudend over, en dit maakte dien heerlijken waterval. Het was hier zeer koel, en door het water, dat bijna ijs koud is, en omdat men ’er geheel beschut is, tegen de zonnestralen; want de steile rots boven de bron helt zelfs eenigzins voorover, en deze rots is van het water af omtrent 700 voeten hoog. Men is hier genoegzaam rondom door ontzaggelijke muren ingesloten, van daar de naamVallis Clausa, daar menVauclusevan gemaakt heeft. De vorschende reiziger leest op deze wanden, als een bevel van de hoogste wijsheid: “Tot hier toe en niet verder,” en treedt eerbiedig terug.—Men ziet niets dan rotsen en water, behalve den treurigen vijgenboom, die uit een spleet van de rots, boven den vijver, niet ver van het water is voortgekomen, en hier en daar een weinig mos, entoch is het zoo verrukkend schoon, dat ik ’er niet van daan kon komen. Eenige jaren vroeger had hier de liefde misschien grootendeels mijne denkbeelden bezig gehouden, thans vervulde verhevener gedachten geheel mijne ziel,—de flaauwe beelden der Eeuwigheid, der Schepping en der Onsterfelijkheid zweefden voor mijn’ geest.—Weg met al die beuzelachtige pracht, waarmede men den godsdienst ontluistert, met al die leerstellingen die ’er menschelijk vernuft heeft bijgehangen!—Al wat menschelijk is, is hier beuzelachtig, en zinkt weg naast de Grootheid van den Schepper, dien men rondom niet anders dan met eerbied kan beschouwen.—Ik knielde niet, ik sprak geen gebed uit,—maar betrachtte, bewonderde, gevoelde en hoopte. Het nieuwe en ongewone der voorwerpen, droeg zekerlijk veel tot deze mijne geestvervoering bij.—Zulk eene verhevene gewaarwording, zulk eene zachte aandoening is onbeschrijfbaar. Doch daar het tijd werd om deze zielstreelende tooneelen te verlaten, vervoegde ik mij weder bij het gezelschap. Wij hadden een fles wijn medegebragt, die onze geleidster aan den kant van de bron gezet had om te verkoelen, hier dronken wij nu een teug van, doch ik verkoos het zuivere water, daar ik bij mijn aankomst reeds van geproefd had, doch niet veel van durfde drinken, omdat ik te warm was. Dit water is zoo klaar als kristal en uitmuntend van smaak. Onze geleidster beduidde mij, dat in den sterken stroom bij den val (cascade) Forellen gevangen werden.Hoe merkbaar was de warmte, toen wij weder in de zon kwamen; doch het is slechts eene kleine wandeling, en wij waren weldra bij het rijtuig; hier keerde ik mij nog eens om, bleef een poos op den stroom en op de rotzen staren, en zeî met aandoening,Vauclusevaarwel. Het moedertje, dat ik wat gegeven had, wenschte ons zegen en gezondheid, en wij reden, wel voldaan over deze reis, naarl’ Isleterug. Hier vonden wij den maaltijd gereed, in een kamer waar de borstbeelden vanPetrarchaenLauraop den schoorsteen stonden. Nimmer heb ik lekkerder paling, forellen en rivierkreeften gegeten, en het was jammer, dat de wijn, hoewel van de beste soort, die men hier had, ons niet beter smaakte, en wij genoegzaam verpligt waren om enkel water te drinken. De wijn vanProvenceenLanguedocis te zwaar, en heeft een’ smaak, welke voor de meeste menschen, die ’er niet aan gewoon zijn, walgächtig is. Goed koop is het hier niet, wij moesten voor het middagmaal £ 4–:–: de persoon betalen.Nahet eten ging ik de bekoorlijke wandelingen om het stadje bezigtigen, en trad ook even binnen de poort, doch inwendig scheen het niet veel te beteekenen. Voorheen waren hier ook verscheidene Kloosters, want het behoorde aan den Paus; met dat al zijn ’er ook veel Joden. De zijdeteelt, zijdeverwerijen en leêrlooijerijen, maken het voornaamste bedrijf van de inwoners uit.l’Isleis 1½ uur gaans vanVaucluseen 4 uren vanAvignon. Wij reden ’er dan ook eerst tegen, dat de grootste hitte wat overwas, van daan. Nu scheen mij het gezigt op de hoogte nog fraaijer en uitgestrekter dan in het heenrijden. Aan onze regterzijde zagen wij onder anderen van verre een vrij hoogen berg, dien onze voermanle Dojo3noemde, aan de linker deed zich op een goeden afstand, in de valei een keten rotsen op; aan den voet van de hoogte lag het dorpMorières, en regt uit in het verschiet de stadAvignon. In den omtrek vanMorières, en op meêr plaatsen langs dezen weg, vond ik ook velden met meekrap, doch zij staat zoo goed niet, als bij ons. De weg was aanmerkelijk opgedroogd, zoo dat wij nu niet veel hinder van de slijk hadden; wij kwamen dan omstreeks ’s avonds half negen teAvignonterug, en gaven aan onzen voerman, behalve de bedongen vragt £ 3–:–: en dus in ’t geheel eenLouïs d’Oren hij was zeer wel te vreden. ’Er was zeer veel volk op de publieke wandeling, die hier even buiten de poort langs deRhoneis; wij gingen daar dan ook een avondluchtje scheppen. Deze wandeling is digt met ijpe-boomen beplant en zeer lommerrijk, tusschen beide staan steenen banken, en in het midden over de poort, een fraaije tent, waar men ijs en andere ververschingen tegen eenen zeer billijken prijs kan bekomen. Men ontmoet hier ook, hoewel deze stad tot de Staten van zijn Heiligheid behoorde, en van zijnen wegen bestuurd werd, zeer veel galantemeisjes, zelfs naar men verzekerde waren ’er ruim 500 bij de Policie aangeteekend, en de gehele bevolking bedraagt omtrent 20,000 menschen.Bron van Vaucluse.Bron van Vaucluse.Den 5 dezer was het Zondag, en dus gelegenheid, om kerken te zien; voor de omwenteling waren die hier in menigte en schitterden van goud en kostbaarheden. Behalve de Kerken, waren ’er nog twintig zoo Mans- als Vrouwen-Kloosters, thans is dat getal aanmerkelijk verminderd, en ook in verscheidene Kerken, die ik bezigtigde, vond ik niet veel bijzonders. De stad beviel mij vrij wel, men vindt ’er nog al eenige ruime straten en fraaije gebouwen. Een Dame te paard gezeten, en door een’ slaanden Tamboer voorafgegaan, trok mijn aandacht; zij had eenige zeldzame natuurverschijnselen te kijken, en maakte dit bekend. Deze wijze van bekend maken scheen hier gebruikelijk. InAvignonzijn ook verscheidene Boekdrukkerijen; voor deze hielden die zich veel bezig met voornameFranschewerken natedrukken; voor het overigen drukten zij vele theologische geschriften.Het leven vanPetrarchaenz. willende koopen, ging ik in eenige Boekwinkels, en vond ’er onder die vrij groot waren, behalven het leven vanPetrarchakocht ik ook nog een werkje, ten titel voerende:Description de la Fontaine de Vaucluse etc. parJ. GuerinProfesseur etc. Avignon18044. Er staat eenfraai plaatje voor, waarop een gezigt van den waterval en omliggende rotsen, zeer naauwkeurig is afgeteekend, en daar bij eene juiste beschrijving gegeven; bij gelegenheid zend ik u dat boekje, dat u deze opmerkingswaardige bron nader zal leeren kennen5; ook voor de Natuur- en Kruidkundige is daar wat in te leeren. Ik was blijde, dat ik het niet eerder gevonden had, want dan had de verrassing minder aangenaam geweest nu ging ik de bron vanVauclusezien, zonder ’er bijna iets meêr dan den naam van te kennen. In het voorbijgaan zag ik hier ook eene geschutgieterij. Wij hadden onzen intrek genomen in het Hotèl genaamtle Palais Royaldigt bij de poort aan de gemeene wandelplaats uitkomende; het huis ziet ’er juist niet zeer gnap uit, doch over hetzelve staat een nieuw gebouw, hier gaf men ons kamers, die zindelijk en goed waren, en wij betaalden slechts £ 1–10-: voor ieder bed of £ 3–:–: voor een kamer met twee bedden. ’s Middags aten wij aan de algemeene tafel (table d’hote) in een groote zaal, met wel 40 à 50 personen, veelal kooplieden van de kermis (foire) vanBeaucaireterug komende, en met eenige duizende vliegen; want de tafel, de muren, de zolder, alleszag ’er zwart van; ik herinner mij niet van ooit zoo veel van dieinsectenbij elkanderen gezien tehebben; ik kon ze naauwlijks van mijn bord afhouden, vooral was men genoodzaakt om alle schotels,daar zoet bij kwam, te dekken, en bovendien gebruikte men de voorzorg, van de vensters digt tehouden, en het zoo donker te maken, dat men ter naauwernood zien kon. Het was heden weder zeer warm. Het ossen en kalfsvleesch begint hier al schaars te worden, en schapenvleesch is het voorname voedsel. Olij wordt veel in plaats van boter, die hier ook in ’t geheel niet rijkelijk is, gebruikt. Vele groentens, die teParijsen elders overvloedig zijn, onder anderen de frissche salade, die men daarRomainenoemt, vindt men hier weinig of niet; doch daar en tegen heeft men overvloed van geurige meloenen. DeRhoneen andere riviertjes of beken hier omstreeks leveren goeden visch op; ook schijnt het gevogelte, als hoenders, kalkoenen, duiven enz. ’er niet te ontbreken.Na het eten klom ik op de rots,de Donsgenaamt, en waarop het voormalig Pausselijk slot gelegen is, men klimt ’er aan den eenen kant met trappen op, en boven zijnde, heeft men op een soort vanterraseen fraai en uitgestrekt gezigt, over de stad en derzelver omstreek. De geheele stad, behalven deze rots, is in een vlakte gebouwd, en door een’ fraaijen muur omringd. Het voormalig zoogenoemd Pauselijk paleis, is een groot en stevigGothischgebouw, en gelijkt meêr naar een gevangenis, dan naar een paleis; trouwens, een groot gedeelte ’er van dient ook tegenwoordig om ’er de misdadigers in te bewaren; het overige wordt door oude krijgslieden (invalides) bewoond, en men noemt datune sucursale. De voormalige Pausselijke munt, die over dit gebouw staat, wordt thans door de ruiterij, ten dienste van de policie, (Gens d’Armes) bewoond; overigens ziet men op deze rots veel puinhoopen en overblijfsels van gesloopte gebouwen. De eerste Paus, die zijn zetel vanRomehier na toe verplaatste, wasBertrand de Got, genaamdClemensde V., en geboortig vanBazasinGascogne; hij had aanPhilippus le Belbeloofd, om altijd inFrankrijkte zullen blijven, en verlegde zich in 1308 teAvignon, doch had toen, aangaande het wereldlijk bestuur van die plaats, niets in te brengen. In 1348 eerst kochtClemensde VI., vanJohanna, Koningin vanSiciliën, en Gravin vanProvence, de stadAvignon, voor 80,000 guldens. Het GraafschapVenaissinbezaten de Pausen toenreeds. De Pausselijke zetel bleef ’er toen tot 1376, toenGregoriusde XI. (de laatsteFranschePaus tot nu toe) weder naarRomeging wonen, waar hij in 1377 aankwam, en den 27 Maart 1378 stierf. Mij dunkt, indien ’de Pausselijke waardigheid nog lang in stand word gehouden, dat het dan ook zeer mogelijk is, datGregoriusde XI. niet altijd de laatsteFranschePaus blijft. Na dezeGregoriusde XI. zijn ’er tweemaal achter elkanderen twee Pausen te gelijk geweest, waarvan de eene telkens teAvignon, en de andere teRomezijn verblijf hield. De geleerden waren het toen in ’t geheel niet eens onder malkanderen. Vervolgens regeerden de PausenAvignonen het aangelegen Graafschap, door Kardinalenlegaten, en deze wederom doorvice legaten, die teAvignonbun verblijf hielden, en die Onderkoningjes lieten zich daar dan ook ter deeg gelden. Thans is deze stad de hoofdplaats van het Departement vanVaucluse. Oorspronkelijk behoorde zij aan deCavariense Gaulen, en wierd daarna eenRomeinscheVolkplanting (Colonie) kwam door verscheide andere handen aan de Graven vanProvence, vervolgens aan den Paus, en eindelijk aan deFranscheRepubliek. Het afschaffen van de menigte Kloosters en Dom Kapittels, heeft het vertier in deze stad wat verminderd, en eene aanzienlijke somme gelds buiten omloop gebragt. Onder de gangbare munten alhier, ziet men ook zeer veelSpaanschestukjes, doende 20, 10 en 5 stuiversFransch. De menschen zagen ’er vrij gnap en gezonduit, en men vind hier nog al fraaije vrouwen. De kleeding der boerinnen, of liever hunne groote zwarte filten ronde hoeden, beviel mij niet. Zij zijn doorgaans in ’t geheel niet bevallig, en maakten zich door die hoeden nog onbevalliger. Tot een sieraad der burgervrouwen, schijnt even als bij onze Vaderlandsche huismoeders, een schaar aan een zilvere ketting te behoren; boven aan is nog een zilver beugeltje als een sleutelring, doch ik heb ’er geen sleutels aan gezien. HetPatois de Provenceis de gewone spraak, doch de stedelingen spreken ookFransch, hoewel de meesten, onder het zoogenaamde gemeen, zeer slecht. Tegen den avond ging ik weder naar de openbare wandelplaats, waar nu met de zondag veel volk was: het is hier dan ook allerliefst, en om de lommer, en om het aangename gezigt over de rivier. In dezelve ziet men ook nog een gedeelte van eene steenen brug; deze brug in 1188 volbouwd, wierd door den sterken stroom in 1669 vernield, zoo dat ’er nog maar drie of vier bogen van overbleeven; van den kant van de stad gaat men ’er nog op. Die brug is naderhand in hout wel weder bij gebouwd, dochLodewijkde XIV., naar men mij verzekerde, heeft ook de houten brug, daar de rivier aanFrankrijkbehoorde, doen wegnemen, om daardoor de gemeenschap met hetLanguedoksezoo veel mogelijk te belemmeren, en de zijden stoffenfabrieken vanAvignon, die ook aanmerkelijk plagten te zijn, te onderdrukken, om daardoor die vanLyonmeêr te bevoordeelen. DaarAvignonthans aanFrankrijkbehoort, verwacht men, dat de brug weder hersteld zal worden, en men verhaalde mij zelfs, dat ’er reeds een ontwerp dien aangaande begonnen was. Aan den anderen kant van deRhoneover deze stad ziet men tegen de helling van een’ heuvel, het stadjeVilleneuve-lez-Avignon, en bij hetzelve een groot en aanzienelijk gebouw, voorheen eenBenedictijnerAbdij. ’Er werd ook dezen avond in den Schouwburg, dien men hier van een Kerk gemaakt heeft, gespeeld; men gaf ’er onder anderenla Caravane du Caire, groote Opera; noch het tooneel, noch de vertooners waren tot de uitvoering van dit stuk geschikt, doch men moetParijsnaäpen, al zou het dan ook nog zoo gebrekkelijk zijn: behalven deBastaillewas ’er geen een bij, die maar dragelijk zingen kon; ik liep ’er dan ook al heel spoedig uit.Aproposvan zingen, men verbeeldt zig ook vrij algemeen bij ons, dat schier alle menschen inFrankrijkzingen als nachtegalen, en dat onze landslieden ’er ten eenemaal ongeschikt toe zijn; ik heb zelfs teParijsdoor een’ geleerde, in het openbaar sprekende, eens hooren aanvoeren, en dat in goeden ernst, dat deHollandersmisschien zoo slecht en smakeloos zongen, omdat zij alle uren of half uren de klok hoorden spelen, daar dit (zoo men wilde) op hun muzijkaal gehoor een nadeeligen invloed moet hebben; maar ten platten lande, en in verscheide plaatsjes vanFrankrijk, die ik al bezocht heb, spelen geen klokken, ondertusschen hoorde ik nog al dikwijls een boere meisje of knaap, eenwerkgast of spindster, een deuntje zingen; maar deze bragten toch ook alles, behalve aangenaam muzijk en strelende toonen, voor den dag. TeParijsen in de voornaamste steden gaat het beter; maar waarom?—omdat men daar gelegenheid heeft van dagelijks goede zangers en zangeressen te hooren, en omdat ’er een menigte muzijkanten zijn, die de jongelieden onderwijzen, en met dat al vindt men ’er onder de liedjeszangers, en het zoogenaamde gemeene volk nog een menigte, die het niet veel beter maken dan de onze. Velen, zoo inHollandals elders, die natuurlijk een goede stem, en een geschikten aanleg tot de zangkunst zouden hebben, maken ’er, mijns bedunkens, geene vorderingen in, omdat zij geene gelegenheid hebben, om zich behoorlijk te oefenen, of zelfs hunne stem misbruiken en bederven. Het Psalmgezang, bij voorbeeld, zoo het den naam van gezang verdient, geloof ik, dat ’er in ’t geheel geen goed aan doet, dikwijls heb ik in ons Vaderland, vooral in de Nederduitsche Gereformeerde Kerken menschen gezien, die zoo hard schreeuwden, dat zij rood en paarsch werden, en dit leert men den jongelieden al vroeg in de scholen; als of men ’er, in plaats van zangers, nachtroepers of havenwagters, die de schepen moeten praaijen, van wilde maken. Wenschelijk ware het, inderdaad, dat men in ons Vaderland ook hier op eene behoorlijke aandacht vestigde, en gepaste middelen in het werk stelde, om de zoo aangename, en zelfs van den kant van den Godsdienst beschouwd, nuttige zangkunst, meerderte bevorderen en aantekweeken; en ik houde mij verzekerd, dat het aan natuurlijke begaafdheden veel minder zal haperen, dan men schijnt te veronderstellen. Men zinge dan ook Vaderlandsche liederen op eenvoudige welluidende, en op de woorden toepasselijke zangwijzen, in plaats van een menigte laffe en onbetamelijkeFranscheprullen, die onder ons in ’t geheel niet voegen, en die men echter al dikwijls de voorkeur nog geeft boven het goede zangwerk van die natie.Partituur’s Nachts om twaalf uren vertrok ik met den gewonen postwagen (de l’entreprise Generale), vanAvignonnaarMarseille, en betaalde voor een plaats in deCabriolet, dat is te zeggen, voor in, £ 15–:–: en voor mijn koffer, ruim een çentenaar wegende, £5–:–: dezen postwagen vond ik al buitengewoon ruim en vermakelijk. De sterren schenen helder, en hoewel men ’s nachts veel mist, ten opzigten van het gezigt, is het toch aan den anderen kant, in dit jaargetij, weder aangenaam, om de hitte te vermijden. Wij werden door tweeGens d’armeste paard begeleid, omdat ’er gelden of papieren van het Gouvernement op den wagen waren, tot waar men deDuranceovervaart, omtrent een paar uren vanAvignon. De stroom van dezen rivier, die zijn’ oorsprong neemt in deAlpen, is zeer sterk, en daardoor onbevaarbaar, te meêr om de menigte eilandjes en zandbanken, die zich gedurig verplaatsen. Zelfs de bedding van de rivier verlegt zich dikwijls, en de landen hier om streeks worden aanhoudenddoor overstroomingen beschadigd. Bruggen zijn daar dan ook niet gemakkelijk te maken, echter naar ik vernam, was men bezig, om het wat lager dan dit veer met eene houten brug te beproeven. Thans was deDurance, door den aanhoudenden regen, ook zeer hoog. Wij wierden met een soort van pont aan een reep, die echter op verre na zoo gemakkelijk en geschikt niet was, als onze ponten, overgezet, tot een groote zandplaat, of liever bank van keisteentjes, en van daar met een tweede diergelijke pont, tot aan den oever. Dit overzetten hield ons omtrent een half uur op. Even voor het opkomen van de zon, terwijl het vrij sterk daauwde, zag ik omtrent in het zuiden een’ flaauwen regenboog. Toen de zon opkwam, en de daauw optrok, was het zoo frisch, dat wij ’er eenigzins hinder van hadden, dit heeft in deze luchtstreek, en in dit jaargetij, dikwijls plaats, en hoewel het over dag zeer heet is, kan het in den morgenstond zeer koud zijn. Over het algemeen, in dit gedeelte vanFrankrijk, voorheen onder den naam vanProvencebekend, heeft ’er eene zeer groote verscheidenheid in het luchtgestel plaats: om dat men ’er vrij hooge bergen, moerassen, rivieren, vlaktens, en zeestranden heeft. De vruchtbaarheid van den grond is dan ook zeer onderscheiden: men zegt daarom, dat men inProvencete gelijkertijd de vier jaargetijden vindt. Het stadjeOrgon, 3½ post vanAvignon, en daar wij doorreden, na van paarden verwisseld te hebben, zag ’er niet zeer gunstiguit, het ligt tegen eene vrij steile hoogte.Lambesceen ander stadje, omtrent 3 posten verder, beviel mij beter; het is aangenaam gelegen, en de omstreek schijnt nog al vruchtbaar te zijn, tot nog toe anders was de grond over het algemeen steenachtig en onvruchtbaar. In de omstreek vanLambescvindt men marmergroeven. TeSt. Cannat, daar wij omstreeks negen uren aankwamen, wilde men ons al doen eten, dat is te zeggen, een’ maaltijd doen nemen, die het ontbijt en middagmaal in zich vereenigen moest; dit beviel mij niet; ik ging dan met een’ man vanAix, die ook op den postwagen was, in een klein herbergje, waar het ’er vrij gnap uitzag, niet ver van het posthuis; hier gaf men ons persiken, watermeloen, die men hierpastèquenoemt, zoo veel brood, als wij lusten, en een fles vrij goeden wijn, en dit alles koste voor ons beide maar 9Franschestuivers. De vrouw scheen een goede huismoeder te zijn, en hield zich met een paar lieve kinderen bezig; de boer, die teffens hospes was, had een gezond oordeel, en scheen zeer aan de eerste beginselen van de omwenteling gehecht, en daar hij hoorde, dat wij het hieromtrent met hem eens waren, kwam hij met verscheidene gegronde aanmerkingen, aangaande de tegenswoordige tijdsomstandigheden, vrij rondborstig voor den dag. Ik praatte veel met deze goede lieden, en dit ontbijt is zeker een van de aangenaamste, die ik tot hier toe op deze reis aangetroffen heb.—Men wil dat deFranschenover ’t algemeenniet geschikt zijn voor eenen Republikeinschen regeringsvorm, indien ’er evenwel hier en daar sommige huishoudens, als dit gevonden werden, zoo als ik veronderstel, dat zij ’er wel te vinden zijn, als men zich de moeite gaf om ze optezoeken, en de zuivere Republikeinsche grondbeginsels werden wat aangemoedigd, zouden zij ’er wel geschikt voor kunnen worden, dunkt mij.—Mogelijk is dit het oogmerk dan ook wel van het tegenwoordige Gouvernement, en wie kan gelooven, dat al het geene zoo veele groote mannen, vooral ook inFrankrijk, dienaangaande geleerd hebben, geheel zal uitgewischt of in vergetelheid gebragt worden.—Het dorpSt. Cannatbeteekent niet veel, en de grond scheen ’er mij ook al niet zeer vruchtbaar. In het begin van de vorige eeuw ontdekte men een uur van dit dorp aan de zuidzijde, een mijlpaal, die ’er het 21 jaar van de Christelijke jaartelling, onder KeizerTiberius, geplaatst was. De reisweg derRomeinenvanAixnaarArles, liep daar langs. VanSt. CannattotAixrekent men 2 posten, of omtrent 3 mijlen vanProvence; dat is bijna zoo veel uren gaans. De landstreek blijft aanhoudend berg- of rotsachtig en de grond over het algemeen woest. De gezigten, hoewel niet vrolijk, leveren nog al eenige verscheidenheid op, en houden daar door den reizenden aangenaam bezig. Om het onbelemmerd gezigt vooruit, is dan decabrioletook verkiesselijk boven het binnenste van den wagen.Aix, voorheen de hoofdstad vanProvence, thans van het Departementles bouches du Rhone, ligt in eene aangename vlakte aan den voet van verscheidene heuvels; hier begon de natuur weder eene vriendelijke gedaante aantenemen. Wij moesten buiten om de stad rijden en verwisselden daar ook van paarden; doch deConducteurhield zich op mijn verzoek wat op, zoo dat ik den tijd had, om even in de stad te gaan en de fraaije wandeling te zien, en ’er mij een weinig te ververschen; deze stad is de oudste, die deRomeinenonder deGaulengehad hebben; zij werd gebouwd in het land derSalyes, die, volgensStrabo, verdeeld waren in zes cantons, voor dat zij aan deRomeinenonderworpen werden. Zij bestond dus reeds, toen ’er deRomeineneene kolonie naar toe zonden, 46 jaren voor de Kristelijke Jaartelling. Misschien lokten de warme baden, en de nabijheid vanMarseillehen hier naar toe; althans deze kolonie, wierd aanmerkelijk onder die welke deRomeineninProvencehadden. Verscheidene oudheden, opschriften en medailles, die hier van tijd tot tijd gevonden zijn, dienen om meerder licht over de geschiedenis van deze stad te verspreiden. De Graven vanProvencehielden hier hun gewone verblijf, en het Parlement enz. van dieProvinciezijne zitting. Bij mijne terugkomst vanMarseillekom ik hier weder door, zal ’er dan langer trachten te blijven, en ’er u meêr van weten te vertellen. De weg naarMarseilleis aangenaam en zeer levendig, hier en daar fraaije gezigten, buitenplaatsen, fonteinen en boomen; voor de herbergen lag een menigte watermeloenen, die men aan de reizendeom zich te verfrisschen, voor eenen zeer geringen prijs verkoopt; zij zijn zeer sappig, en men houdt ze hier voor gezond, zoo zelfs, dat men ’er, hoewel verhit, gerust van kan eten; doch zij zijn flaauw van smaak. Op de hoogte, een uurtje vanMarseille, heeft men een treffend schoon gezigt; links in het dal ziet men een menigte buitenplaatsen en lusthuizen, die deMarseillanen les Bastidesnoemen, en regts in deMiddellandsche zeetot aan den gezigtseinder: de eilanden, of rotsen die zich als heuvels uit zee verheffen,Pommegue,Bottaneauen de sterkte, die menle Fort d’ Isnoemt, breken op eene aangename wijze het gezigt op dezen uitgestrekten plas; regt uit heeft men de stad, doch die houdt zich nog meest verscholen, en verder een keten van hooge rotsen. De weg bijMarseilleis zeer vrolijk; hier staan een menigte herbergjes (ginguetes) daar veel volk was, rijtuigen, paarden, opgeschikte wandelaars, alles kondigde de nabijheid aan van eene voorname stad. Wij kwamen de poort, die menla porte d’Aixnoemt, binnen. Welk een ongemeene lange regte straat! wat verder is dezelve aan beide zijden met boomen beplant, en daar wandelde in het midden een menigte meestal fraai gekleede Heeren en Dames. Deze wandeling noemt men hier ookle Cours. Op de fraaije en ruime plaats genaamdla canne biere(misschien wel van hetHollandschkanne bier6afkomstig) houdt de wagen stil; hetwas omtrent 7 uren, toen wij aankwamen.AixenMarseillezijn 4 posten van elkander afgelegen. Ik gaf den Conducteur meêr dan gewoonlijk, omdat hij zich om mij teAixeen kwartier langer had opgehouden, en hij was zeer wel te vreden. Hetgrand Hotel des Ambassadeurs, waar ik mijn intrek nam, is hier digt bij. Nu weet gij dat ik teMarseilleben—Vaarwel!1Zie het nevenstaande gezigtje.2Petrarchawierd teArezzoinToscaneden 20 Julij 1304 geboren, en zette zich vervolgens teCarpintrasneder. PausClemensde V. had nu ook zijn Hof teAvignongevestigd. Weldra deed de jongePetrarchaeene bijzondere geschiktheid voor de Dichtkunde blijken, woonde de Universiteiten vanMontpellierenBolognebij, raakte vervolgens in kennis met verscheiden geleerden van dien tijd; ging reizen, na dat hij verliefd was geworden op de schooneLaura, die hij den 6 April 1327 voor het eerst in een Kerk teAvignonontmoette.Laurawerd in het dorpjeNoves, digt bijAvignon, geboren, en was toen in den bloei harer jeugd; zij was kortling gehuwd aan een Edelman, genaamdHugues de Sade, enPetrarchawerd eindelijk sentimenteel verliefd, en ging zich teVauclusein 1337 nederzetten. Den 8 April 1341 werd hij teRomein het Kapitool als Dichter gekroond. In 1348 op denzelfden dag, en op hetzelfde uur, dat hij haar het eerst gezien had, (volgens de Geschiedschrijvers), stierf zijn waardeLaura.Petrarchawas aan het Hof en bij de grooten getrokken. In 1350 kreeg hij een Kanunniksplaats tePadua, werd vervolgens ook een en andermaal in gezantschap gezonden; op het laatst van zijn leven werd hij ziekelijk, en bijzonder door een slaapziekte aangetast, en den 18 Julij 1374 vond men hem dood, leunende op een boek.3Ik geloof dat dit de benaaming inpatoisis, en dat hij eigenlijkMontventouxgenaamd wordt.41: Beschrijving van de bron vanVaucluseenz. doorJ. Guerin, Hoogleeraar enz. Dit, voor de reizigers naardie bron, zeer nuttig boekje, is bij den schrijver zelven teAvignonte bekomen.5Ik voeg hier bij de Muzijk van deRomancedu Rivage de Vaucluse, met het accompagnement voor dePiano forteof deHarp, doorBoïel Dieu. Schoon gijgeen dier Instrumenten tracteert, en uw stem niet aan den zang wagen zult, kent gij misschien wel deze of gene, die gij met die Muziek kunt pleisier doen, en ik geloof dat u de woorden, die vanMarmontelzijn, niet kwalijk bevallen zullen. Zie hier dezelve:Du Rivage de Vauclusel’Amant deLauraen ces mots,En s’eloignant de sa Muse,Fit retentir les Echo’s:o Toi, qui plains le delire,OnLaurea plongé mes sens,Roches, qu’attendrit ma Lyre,Redis encor mes accens.En repondant à mes plaintes,Echos, vous avez appris,Quels sont les vœux et les craintes,d’Un coeur tendre et bien epris.n’Oubliez pas ce langage;Et siLaurequelquefoisVient rever sur ce rivage,Imitez encor ma voix.Ditez-lui que de ses charmes,Tous mes sens sont occupés:Ditez-lui que de mes larmesToujours mes yeux sont trempés,Ma voix ne chantera qu’elle,Mon souvenir ne seraQu’un miroir pur et fidele,Où l’amour me la peindra.Dites-lui, que son imageMa suivra dans le sommeil,Et recevra pour hommageLe soupir de mon Reveil;Que mon oreille attentiveCroira sans cesse écouterLes sons, que sa voix plaintiveVous fit cent fois repêter.Jurez lui qu’envain les graces,Viendraient pour me consoler:Que les amours sur mes tracesSans cesse auraient beau voler.à Leur troupe enchanteresseJe dirais, dans ma douleur,RendezLaureà ma tendresse,Ou laissez couler mes pleurs.Insensible à tout loin d’elle,Rien ne flatte mes Desirs:Je me croiras infidèleDe goûter quelques plaisirs.Sur une rive étrangère:Où le destin me conduit,Une esperance lègèreEst le seul bien qui me suit.Mais siLaurem’est ravie,Si je ne dois plus la voir,Je perdrai bientôt la vie,Quand j’aurai perdu l’espoir.Puisse la parque appaiséeMe laisser après ma mort,Préférer à l’EliséeLes Ombrages de ces bors.Voorts komt dit bericht, uit eenFransch Journaalovergenomen, mij te belangrijk voor, om het u niet vertaald mede te deelen:Den 15 Fructidor I. l. (12 J.) vertrokken de Leden van hetAtheneumvanVaucluse, met het aanbreken van den dag vanAvignon, om zich naar de valei vanVaucluse, vijf mijlen van deze stad gelegen te begeven, en ’er den eersten steen van het gedenkteeken voorPetrarcate leggen, tot welks stichting deze Maatschappij besloten had. HetAtheneumwerd van eene groote menigte Dames en Inwoners vergezeld. De stoet wies bij elken voetstap aan. Doorl’Isletrekkende, had zij het genoegen prachtig en vriendelijk onthaald te worden; maar de overheid van het kleine dorpjeVaucluse, wilde voor die vanl’Isleniet onderdoen in die vanAvignonwel te ontvangen. De plegtigheid begon met eene statelijke mis, na welke de bijeengevloeide schare aanschouwers zich op de afhangende heuvels verspreidde, die aan de bron grenzen, waarheen weldra zich hetAtheneumwendde. De Adjunct vanVaucluseriep het eerst de schim van den minnaar vanLauraaan. De President van hetAtheneumdeed daarop eene redevoering, op de plegtigheid toepasselijk, terwijl tusschen beide verscheide Dichters en Redenaars, en vooral den HeerPiot, de een na den ander een talrijk en uitgezochtAuditorium, belangrijk wisten bezig te houden. Een Ingenieur bood vervolgens den troffel aan den President, die den eersten steen van het gedenkteeken leide. De troffel kwam vervolgens in handen der Leden van de Maatschappij, en in die van verscheidene Dames. Den ganschen dag waren ’er eenvoudige banken aan de boorden vanVaucluseopgeslagen. Men kon toen in waarheid zeggen, dat de echo’s de onsterfelijke namen vanPetrarchaenLauraherhaalden. Onder deze namen mengden de geestdrift en het gevoel, die van den grootenNapoléonen zijne vorstelijke gemalin. Dus vermengden zich in alle monden, in alle harten, de roemrijke namen van een Dichter, die zijne Eeuw tot eer verstrekte, en een held, die de zijne met zijn naam vereert. Openbare spelen verbeiden tel’Islede terugkomst van hetAtheneum, en duurden tot laat in den nacht.6Ik vind geen anderen grond voor deze onderstelling, dan dat in vroeger tijden hier misschien een kroeg was,waar deHollandschematrozen eenkanne bierdronken, en geenFranschkennende, ’er in hunne taal na vroegen.

Zevende Brief.Avignon, 3 Augustus.Gisteren morgen om 4 uren voeren wij vanLyon, af; want de wind was wat veranderd, en wij hadden geen hoop, om denzelfden avond hier te zijn. De schuit was volgens afspraak; doch ’er ging maar één schipper mede, en dit beviel velen van onze reizigers, die het hoofd vol zwarigheid hadden, in ’t geheel niet; ik voor mij was hier omtrent minder ongerust, want had ’er niet deskundigen over gesproken, en men verzekerde mij, dat ’er met bekwame schippers, zoo als die lieden hier doorgaans zijn, op deze rivier geen gevaar te vreezen is. Wij voeren onder de groote steenen brug (pont de la Guillotière) door, doch langs den kant, omdat daar de minste trekking is. De stroom in het midden onder deze brug is verbaasd snel. Weldra kwamen wij aan de plaats, waar zich deSaonemet deRhoneveréénigt; de afscheiding van het water dezer twee rivieren, is aan de onderscheidene kleuren duidelijk te zien, en maakt als een streep op het water. De stroom is hier ook zeer sterk, zoo dat ons schuitje begon te hobbelen, en eenigen onzer reizigers zeer zuinig te zien. Het land aan de oevers, stond hier en daar onder water; zulk eene overstrooming,in dit jaargetij, heeft hier niet dan zeer zeldzaam plaats. TeGivors, een steedje omtrent drie mijlen vanLyonaan den oever van deRhonegelegen, moest de schipper aanleggen, om tol te betalen, en wij stapten aan land, om onderwijl eens rond te zien. Door zijne gunstige gelegenheid is dit plaatsje nog al handeldrijvend, en de inwoners, die grootendeels vrachtschippers enCommissionnairenzijn, voeren vele goederen, als ijzer en steenkolen, komende vanSt. Etienne, waar een groote geweer- en andere ijzeren instrumenten-fabriek is; ’er zijn ook steenkolen-mijnen niet ver vanGivors; zij brengen ’er dan ook een groote hoeveelheid van naarLyon, en gebruiken ’er zelve zeer veel in de flessen-fabrieken, die hier ook een’ voornamen tak van bestaan opleveren; men verhaalde mij, dat ’er thans zes aan den gang waren. Ook wordt ’er zijde in de omstreken geteeld, en ik zag een paar vrouwen bezig met de poppen aftehaspelen. Hoewel de wind niet zoo gunstig was als gisteren, vorderden wij echter door den snellen stroom al vrij spoedig, en haddenGivorsnog niet lang achter den rug, toen wijVienne, twee mijlen van daar gelegen, reeds ontdekten; die stad ligt tegen en tusschen de bergen en doet zich, van de rivier te zien, aangenaam op. Zij is zeer oud, uitgestrekt, maar weinig bevolkt. ’Er is een fabriek van groote ijzeren en stalen werktuigen. Men noemt deze stadVienne en Dauphiné, of thansdans le Departement de l’Isère, om dezelve vanWeeneninOostenrijk(Vienne enAutriche) te onderscheiden. Even buiten de stad aan den kant van de rivier, staat een oude pyramide of naald, onder den naam vanl’Eguillebekend; ik kon dezelve van de schuit duidelijk zien, en vind daar van aangeteekend, dat zij op een vierkant gewelf staat, ondersteund wordende door vier pilaren van 20 à 24 voeten hoog; de naald zelve is bijna van dezelve hoogte. Hoewel ’er hoegenaamd geen opschrift op staat, veronderstelt men, dat het de grafnaald is van den een’ of anderenRomein. Midden in de rivier, omtrent voor de stad, zag ik ook de overblijfsels van een steenen brug. Omtrent een half uur verder ziet men aan de linkerhand eenen geheel met wijngaarden beplanten heuvel, het was den om zijn’ lekkeren wijn vermaardeCôte Roti. Niet ver van daar, aan de regterhand, ligt het steedjeCondrieu; hier moest men weder aanleggen om tol te betalen; want ’er zijn verscheidene tollen op deze rivier; voor dezen was de vracht dan ook goedkooper, naar onze schipper verhaalde, maar thans moet ’er te veel af. Wij gingen ons hier weder een weinig vertreden. Verscheidene vrouwen, die ’er alles behalve bevallig uitzagen, kwamen vruchten en wijn te koop veilen. De wijn vanCondrieuis beroemd, vooral de witte, wij kochten ’er dan ook van en betaalden 20solsde fles1. Zij was zeer goed, en het speet ons naderhand, dat wij ’er niet meêr voorraadvan hadden opgedaan. Het stadje is aan den voet van een’ heuvel gelegen en ziet ’er nog al redelijk uit. Ook hier is het grootste gedeelte van de ingezetenen schippers en schuitenmakers, en vele tevens wijngaardeniers; want wijn is bijna het eenigste voortbrengsel van dezen grond. De vader van den vermaarden Marschalkde Villars, die den 6 Maart 1714 in naam vanLodewijkden XIV. den vrede teRastadteekende, is hier geboren; ik vertel u dit, omdat het eenige betrekking heeft tot onze Vaderlandsche Historie; maar maak met meêr genoegen melding van een menschlievenden en weldadigen Roomschen Priester, die hier in 1727 een Gasthuis stichtte. Het was te wenschen dat het voorbeeld van dien goeden man door zijne ambtgenoten, van welke Geloofsbelijdenis zij ook zijn mogen, wat meêr gevolgd wierd, en deze Heeren zich niet alleen vergenoegden met de weldadigheid te prediken, zoo als zij doorgaans gewoon zijn. Weder aan boord zijnde, haalde ieder zijn’ voorraad voor den dag, en men ging ontbijten; ons gezelschap was nog al vrij wel, en bestond onder anderen uit een jong militairen Chirurgijn, die eenGasconjerwas, en een soort van Landjonker, die op een Landgoed inProvence, aan de grenzen vanItaliëwoonde; beide deze lieden, vooral de Chirurgijn hadden, hier meêr gereisd en nog al eenige kunde; ’er viel dan tusschen beide ook nog al wat te praten, met kijken had ik inzonderheid veel te doen; want de oevers van deRhoneleveren doorgaans eene verscheidenheidvan aangename gezigten op. Wij zagen hier een slang, naar gissing twee à drie voeten lang, digt voor de schuit heen, en zoo het scheen dwarsover zwemmen, hij streek bijna over de oppervlaktes van het water en was zeer vlug. Toen men met smaak een stuk uit de hand had gegeten, merkte onze Chirurgijn aan, dat diergelijk koud en eenvoudig voedsel, vooral vruchten, toch wel zeker gezonder is, dan zoo vele konstig bereide en warme, of veel liever heete spijzen; dit betoogde hij eenigzins op eene geneeskundige wijze, en ik was het volkomen met hem eens; de landjonker, hoewel genoegzaam met ons van hetzelfde gevoelen, zeide, dat hij veel metEngelschenenAmerikanenomgegaan hebbende, de gewoonte aangenomen had, om ’s morgens thee te drinken, en dat deze drank alzoo voor hem eene volstrekte behoefte geworden was, doch dat hij anders ook zeer vele vruchten at, en ’er zich zeer wel bij bevond; hij verhaalde ons verder, dat hij een’ kok gekend had, die bij een voornaam man van zijn kennis teVenetiëwoonde, en sedert verscheide jaren, niettegenstaande hij dagelijks de keurigste spijze in overvloed bereidde, genoegzaam niets anders nuttigde, dan vruchten, eenige rauwe groentens, wortelen, brood, en voor allen drank koud water; dat deze zonderlinge kok zich daarbij gezond en sterk bevond, daar hij voorheen, eer hij die levenswijze had aangenomen, gedurig ongesteld en zwak was: in het begin had hem dit wel eenige moeite gekost, doch hij had het volgehouden;en eindelijk verkoos bij zijne vruchten en wortelen, uit smaak, boven de uitgezochtste lekkernijën; een en andermaal had hij zijn’ Heer, die aan overdaad gewoon, en dus ongezond was, aangeraden, om van levenswijze te veranderen, en zijn voorbeeld te volgen; deze hier geen’ zin in hebbende, en dus minder redelijk dan zijn kok, werd die raad moede, en zeide hem eens, dat hij zijn handwerk weinig eer aan deed; dat, indien men hem gehoor wilde geven, hij dan ook geen kok meer van nooden had: geen zwarigheid, antwoordde deze, gij zult gezond worden, en ik zal wel een’ anderen dienst vinden.—Maar als ieder uw voorbeeld, dat gij zegt zoo heilzaam te zijn, eens volgde: was de tegenwerping; en de kok besloot met te zeggen, dat hij niet geloofde, dat zulks althans gedurende zijn’ leeftijd plaats zou hebben; doch als het al eens gebeurde, dat dan de maatschappij zulk eene groote verandering zou ondergaan, dat hij een zijns gelijken geene moeite zouden hebben, om een stukje lands te vinden, daar zij het weinige voedsel, dat zij noodig hadden, op telen konden2.—Wat zegt gij van dezen wijsgeerigen kok?—Ik heb wel Professorale lessen gehoord of gelezen, die zoogoed niet waren. Al pratende kwamen wij voorTournon, een stadje in het Departementde l’ Ardèche, voorheenLanguedoc; het is aardig gelegen aan den voet van een’ berg; ’er is een zeer groot gebouw, dat voorheen een kollegie was, aan de Jesuiten behoorende, doch sedert de afschaffing van dezelve, werd het door wereldlijke bestuurd, en thans is het een Kweekschool, onder opzigt van het Gouvernement; het is aangenaam aan den oever van deRhonegelegen. OverTournonaan den linker oever van de rivier ligt een plaatsje,Thaingenaamd; van hetzelve valt niets anders aanteteekenen, dan dat de beroemde hermitage-wijn digt daar bij groeit. Men ziet door de wijnstokken, waarmede zij beplant is, den geheel groenen heuvel van de rivier; deze heuvel is niet groot, doch al de wijn, die in den omtrek groeit, noemt men even eens Hermitagewijn, en deze wordt ook al duur verkocht; want het gaat hier mede zoo als met mêer andere dingen; vele menschen die geene fijne kenners zijn, houden zich te vreden met den blooten naam. OmstreeksThainplagt ook een goudmijn te zijn, naar men verzekert; doch dezelve is thans geheel verwaarloosd, het geen mij verwondert; want een goudmijn zou thans inFrankrijkwel te pas komen. DaarTournonenThainzoo digt bij elkanderen liggen, vraagt men spottenderwijze,“Combien y a t’il depuis Thain à Tournon3?” en volgens eenslechte uitspraak, ”Combien y a t’il depu Thain (putains)4à Tournon. Men verhaalt, dien aangaande een’ aardigen kwinkslag. Ten tijde vanLodewijkden XIV. bevond zich een man vanTournon, op reis met iemand, die tot het hof vanVersaillesbehoorde; deze hoveling vroeg ook spottende aan onzen man: ”Combien y a t’il depu Thain (putains) à Tournon?” en deze had de tegenwoordigheid van geest, om hem zonder bedenken te antwoorden: ”Oh! ce n’est pas la peine d’en parler; mais dites moi combien y a t’il bien de Maintenon (des Maintenons) à Versailles5?” Gij vat de kneep, en zult zekerlijk zoo wel als ik dien trek van tegenwoordigheid van geest bewonderen. Vervolgens kregen wijValenceaan den linker oever van de rivier gelegen, in het gezigt, gij zult uit de afbeelding zien, dat die stad niet onaardig gelegen is; niet ver van deze stad, en eer men aan dezelve komt, werpt zich de rivierl’Isèrein deRhone. Onze reisgenoot de Chirurgijn herinnerde ons, dat hethart van den laatst overledenen Paus in de Kerk vanValence, in een looden kistje bewaard werd. Hij zelve had het niet lang geleden gezien, daar wij hier toch aan moesten leggen, en dat al weder om tol te betalen, besloten wij, om de stad eens in te gaan, en aldaar de Pausselijke overblijfsels te gaan bezigtigen. Het was even na den middag, en brandend heet, zoo dat deze bedevaart ons een zweetje koste; op verscheide plaatsen in de straten, waren echter nog al zeilen van het eene huis tot het andere uitgespannen om schaduw te geven. Wij zagen in de Hoofdkerk, in een Kapel, die geschilderd was met een’ zwarten grond, waarop hier en daar doodshoofden en Pausselijke versierselen, op een soort van klein altaartje, het geen midden in dezelve stond, een houten doos of kistje, en hier in was het looden, dat het hart en de ingewanden van den Paus bevatte; dit kistje was overdekt met een kleed van violetkleur fluweel met gouden franjes, en waarop de Pausselijke muts en sleutels met goud geborduurd waren; een soort van lijklamp hing ’er boven, en werd, naar men mij verzekerde, altijd brandende gehouden. Deze Kapel is met een ijzer hek gesloten, en boven hetzelve leest men: “Ici sont deposés le coeur et les entrailles dePieVI.” Die Paus is in deze stad, om den oorlog of de gevolgen van dienRomeontweken zijnde, hier staatsgevangen gehouden en gestorven. Zijn ligchaam is naarRomegevoerd; doch op aanzoek vanBonaparte, zoo men zegt, zijn zijne ingewanden hier wederom teruggebragt, en men wil, dat ’er een graftombe zal opgerigt worden, om dezelve in te bewaren. Aan of in de Kerk, die een donker en slordig voorkomen heeft, is voor het overige niets bijzonders te zien. Ook zag ik niets aanmerkelijks in de stad, het is de hoofdplaats van het Departementla Drome, voorheendu Valentinois en Dauphiné. Het verblijf van de Prefecture, en eenTribunal de première instance, is zeer oud en met muren omringd; de omstreken schenen mij toe nog al aangenaam te zijn.Valenceis door een heuvel, in de gedaante van een halven cirkel, natuurlijk beschut, en dat op eene wijze, alsofhet door kunst gemaakt was: men vindt hier omstreeks goede en zuivere bronnen; de zijdeteelt is ook een voorname tak van bestaan van de inwoonders. Voorheen was ’er een Universiteit, die verscheide voorname Rechtsgeleerden opgeleverd heeft. Het bijgaand fraai gezigtje zal u een denkbeeld geven van de ligging dier stad. Omtrent drie mijlen onder dezelve, valt de rivierle Dromein deRhone: deze laatstgenoemde rivier is hier al vrij breed, en wij werden reeds van verre door het hevig gedruisch van het water den snellen stroom gewaar. De rivier geleek hier op sommige plaatsen naar eene hevig ziedende pot: sommigen van ons gezelschap begonnen dan ook zeer bevreesd te worden, doch onze schipper, die mij toescheen een nuchter en bekwaam man te zijn, verzekerde, dat hij het gevaar wel zou weten te vermijden; zoo dat men niet ongerust behoefde te zijn; wij kwamen’er dan ook zonder eenig letsel over; maar werden door de golven ter deeg geschommeld. De groote toevloed van water, vooral thans, na eene zoo sterken en aanhoudenden regen, en eenige rotsen of klippen in de rivier, en onder het water staande, veroorzaken deze geweldige bruisching. Het was omtrent zeven uren des avonds, toen wijAncone, een dorpje aan de linker oever van deRhonenaderden: Onze schipper (patron) zeide, dat wij daar een redelijk goede herberg zouden vinden, en dat het dus raadzaam was, om ’er te blijven overnachten. Het voorstel werd algemeen aangenomen; maar de herberg, die men ons aanwees, zag ’er in ’t geheel niet breed uit, en wij dachten, dat, zoo wij ’er al konden slapen, het niet anders dan op stroo zou zijn. Ook hier werd het spreekwoord, dat schijn dikwijls bedriegt, bewaarheid, en wij stonden niet weinig verwonderd, toen men ons langs een’ grooten trap en langen gang verscheide redelijk goede kamers aanwees, en ’er was voor ieder een bed; dit viel dan niet weinig mede. Wij stelden nu verder onzen landjonker tot Hofmeester aan, om het avondmaal enz. te bestellen, te meer, omdat hij zeer goedpatois, het geen de landtaal is, sprak, en ik ging met den Chirurgijn landwaards in, naar den kant vanMontelimart, dat maar een half uurtje van hier gelegen is. Wij zagen het liggen, doch vonden het te laat, om ’er naar toe te gaan, wijl de afspraak was, dat wij vroeg zouden eten en naar bed gaan: om den volgenden morgen weder vroeg in de kleêren te zijn.TeMontelimartzijn veel Protestanten; de inwoners waren van de eerste, die de hervorming vanCalvinaannamen; het is nog al redelijk bevolkt, en vrij welvarende, omdat de groote weg vanLyonnaarMarseilleenItalië’er doorloopt, en de landstreek vruchtbaar is; wij zagen dan hier ook fraaije boeren-hoeven; de landlieden waren grootendeels bezig met hun koren door muilezels te laten treden, (fouler), zoo als bij ons de vlasballen worden gedaan. Het zag ’er, niettegenstaande het ongunstig weder, vrij wel uit. Behalve eenige andere vruchtbomen, waren de meesten, die ik hier zag, moerbeziën; want de zijdeteelt is ook hier omstreeks een voornaam bedrijf, en heeft waarschijnlijk aan dezen kant zijn oorsprong inFrankrijkgenomen. De natuurkundigede Faujas6, zegt in een’ zekeren brief: dat de eerste moerbezieboom inFrankrijkgebragt werd, ten tijde van de laatste Kruisvaart door eeneGui-Pape-Saint Auban, een mijl vanMontelimart. Dat deze oude moerbezieboom nog bestaat, en dat de Heerde Latour Du Pui-la Chaux, dit gedenkteeken van den landbouw had doen in waarde houden, door ’er een muur om te bouwen, en te verbieden, dat men ’er de bladeren van plukte. De afstammelingen van dezen ouden boom, bedekken thans een goed gedeelte van denFranschengrond, enbrengen aan den staat een inkomen op van verscheiden millioenen. Dit een en ander had ik voor mijn vertrek vanParijs, uit een der dagbladen, opgeteekend; hopende gelegenheid te zullen hebben, om dien merkwaardigen boom te zullen zien, doch nu was het te ver; daarbij wisten de lieden alhier, mij ’er geen genoegzaam narigt van te geven; ik zou dan eerst naarMontelimarthebben moeten gaan, om ’er na te onderzoeken, en dit zou te veel tijd gevorderd hebben: dus zag ik, hoewel niet zonder leedwezen, van dit ontwerp af.Valençe.Valençe.In 1762 vonden eenige arbeiders, omstreeks dit dorpAncone, in een tuin gravende, een groote Lijkbus (urne), waar een lijk in was, hebbende op het hoofd eene gouden kroon, en aan een oor een ring van hetzelfde metaal. Meêr vond ik hier niet van aangeteekend, en sommige inwoners, die ik ’er hier na vroeg, konden ’er mij ook niets naders van zeggen.’t Was een warme dag geweest, de avondstond was regt koel en verkwikkende. Om hier wel genot van te hebben, ging ik eenzaam op de vlakke oevers van deRhone, die men hier heeft, even als bij ons aan zee, wandelen. De bergen en rotsen aan den overkant, en boven en beneden dezelve, maakten eene majestueuse vertoning; zekerlijk, dacht ik, hebben sommige hunner voorheen stroomen vuurs en lava uitgebraakt, terwijl men de sporen daarvan nog in deze landstreek vind. Deze landstreek, te weten aan den overkant van deRhone, bekend onder dennaam vanle Vivarais, en thans behoorende tot het Departementde l’Ardeche, werd oudtijds bewoond door deHelvianen, die op het eind van de vijfde Eeuw, of het begin van de zesde, doorSigismundus, Koning derBourguignons, overwonnen werden. De avond begon meêr en meêr te vallen, de horens van de beesten-hoeders, die zich in de bergen deden hooren, en tegen de rotsen weêrgalmden, verwijderden zich al verder en verder, eindelijk hoorde ik niets meêr, dan het geruisch der rivier, en het gekraak der keisteentjes, waarover ik liep, en waar deze oever als mede bezaaid is. Het werd tijd, en ik begaf mij naar de herberg; daar zag ik met genoegen, dat de tafel voor de deur, en alzoo niet ver van dien aangenamen oever van deRhonegedekt was. ’Er was schier geen zuchtje aan de lucht, zoodat de kaarsen, die men op tafel zette, zonder moeite aanbleven, en het eten was goed, en smaakte, omdat wij honger hadden, uitmuntend. Wij deden dan een regt aangenamen landelijken maaltijd; het oud moedertje van den huize ziende, dat wij wel over haar te vreden waren, kwam ook bij ons zitten snappen, en scheen zeer opgeruimd. Hadden wij den volgenden morgen niet vroegtijdig op reis gemoeten, ik had hier zoo spoedig niet van daan gekomen, doch nu was slapen de boodschap.Heden morgen om vier uren begaven wij ons weder scheep. De rivier vertoont zich hier als geheel van bergen en rotsen omringd; de gezigten zijn schilderachtig. Weldra kregen wijViviershoofdplaats vanle Vivarais, in het oog; ook dit gezigt zou een zeer fraaije teekening opleveren; doch die hier alles, wat de moeite waard is, wilde uitteekenen, zou ’er wel eenige maanden mede kunnen doorbrengen. Dit stadje is tusschen de rotsen aan den regter of westelijken oever van deRhonegebouwd, en de hoofdkerk gelegen op een rots, die boven de huizen uitsteekt; het schijnt een oud en groot gebouw te zijn. Voor de omwenteling wasVivierseen Bisdom, en de Bisschop voerde den titel vanComte de Viviers. Beneden aan den oever van de rivier ligt een zeer groot, en zoo het schijnt, fraai gebouw; men zegt dat het zoo veel vensters heeft, als ’er dagen in het jaar zijn; nu ’er waren ’er inderdaad zeer veel; het diende voorheen tot eenSeminarium. Aan onze linkerhand zagen wij een oud Kasteel, dat de schipperle Chateau de Roche-molletnoemde, meêr wist men ’er mij niet van te zeggen. Een eindweegs gevorderd zijnde, aanhoudend bezig met de fraaije gezigten rondom ons te bewonderen, zagen wijle Bourg St. Andeol, voorheen het verblijf van den Bisschop vanViviers, en waar hij zijn paleis had. Dit stadje ziet ’er nog al wel uit, en is aangenaam aan de regteroever gelegen: wij stapten ’er een oogenblik aan wal, en kochten ’er wat provisie; want het water geeft eetlust, en het werd tijd, om te ontbijten. Het oogenblik naderde vervolgens, dat wij onder die vreesselijk vermaardePont-Saint Esprit, waar van men ons zoo veel verteld had, door moesten varen.’Er wierd raad gehouden, of wij scheep zouden blijven, dan of wij ons voor de brug aan wal zouden laten zetten, en op één na besloten tot het laatste, als zijnde het algemeen gebruik; daarbij wilden wij wel een half uurtje wandelen. Ik had anders nog al lust gehad, om ’er in te blijven, doch voegde mij nu na de meerderheid van het gezelschap; onze reisgenoot, die ’er in bleef, kon zwemmen, en trok zelfs zijn laarsen en rok uit, om daar door, in geval ’er een ongeluk plaats mogt hebben, niet belemmerd te worden; de schipper lagchte hier om, en verzekerde ons, dat ’er geen gevaar was, en hij dien togt meêr dan honderdmalen, zonder eenig letsel, gedaan had; maar het besluit was genomen, en wij stapten een groot kwartier, voor dat wij bij de brug kwamen, aan land. Als een pijl uit een boog zagen wij van daar ons schuitje wegsnellen, en wandelden langs een’ aangenamen weg, beplant met moerbezieboomen, wijngaarden, en hier en daar olijfboompjes, de eerste die ik zag, tot het stadjeSaint Esprit. Het zal waarschijnlijk een sterkte geweest zijn, en heeft eencitadelenbastions, maar heeft voor het overige weinig te beteekenen; het is aan den regteroever van deRhonegelegen, en behoort thans tot het Departementdu Gard. Wij zagen ’er in een lang en smal gebouw meer dan dertig vrouwen zitten, die bezig waren met de zijde van de poppen te haspelen. De uitwaseming van die poppen, die men in heet water legt, veroorzaakt eenen zeer onaangenamen reuk, en men zegt dat het ongezondwerk is, dat ik zeer wel gelooven wil. Nogthans waren ’er onder die werklieden, eenige meisjes die ’er wij wel uitzagen; maar misschien hadden zij dit bedrijf ook nog niet lang bij de hand gehad. Vervolgens gingen wij de vermaarde brug zien; het is een ontzaggelijk stuk werks; zij rust op 26 bogen, waarvan 19 grooten en 7 kleinere zijn; zij is, volgens de beschrijving, 420toiseslang, en 2toises, 4 voeten, en 4 duimen breed7. Zij werd begonnen in 1265, en in 1309 voltooid, men werkte ’er dus 44 jaren aan.—En hoe, denkt gij dat men aan het geld gekomen is; want dit moet nog al een sommetje gekost hebben. Men maakte gebruik van het bijgeloof van dien tijd, om deze nuttige gemeenschap tusschen den regter- en linkeroever te bewerkstelligen. Het gerucht werd verspreid dat een Engel aan een’ schaapherder verschenen was, en hem geboden had, om daar ter plaatse eene brug te bouwen; weldra kwam ’er een ruime toevloed van offeranden en giften van alle kanten. De Prior van de Abdij, waar het stadje om gebouwd was, had echter het spel haast bedorven; want men had de onvoorzigtigheid gehad, van ’er hem niet in te kennen: doch men herstelde dezen misslag, en gaf hem duimkruid; hij lag den eersten steen, en ziet het wonderwerk had de gewenste uitwerking.Een groot gedeelte van deze brug is op de rots, die daar de bedding van de rivier uitmaakt, gebouwd. Waarschijnlijk bestond ’er een reden, waarom men ze met een elleboog, die tegen den stroom gesteld is gebouwd heeft; want zij zou fraaijer zijn, als zij regt was. Wij waren veel te laat gekomen, om ’er onze schuit onder door te zien varen, zij wachte ons reeds lang aan den anderen kant. ’t Is zeer duidelijk te zien, dat de stroom tusschen de bogen van deze brug, en vooral tusschen die, welke het meest midden in staan, zeer sterk moet zijn, doch als de schippers niet onhandig zijn zie ik ’er geen gevaar in. Nog iets opmerkelijks aangaande het metselwerk van deze brug is, dat de pilaren van de bogen doorluchtig zijn als of ’er vensters in zijn. Ter instandhouding van dit ontzaggelijk en kostbaar stuk werks, is men zeer behoedzaam; de zware vragtkarren of rijtuigen, mogen ’er niet willekeurig overrijden, en om het dreunen voortekomen, worden somtijds de wielen vastgemaakt, in een soort van houten laden (sabots) gezet, en de karren ’er zoo zachtjes over gesleept. Wederom scheep zijnde, bekeek ik de brug nog eens ter deeg, doch wel dra verloren wij dezelve uit het oog. Naar ik vernam, moeten de schippers, onder die brug door willende varen, niet op het midden van een boog, maar op een pilaar aanhouden, even als of zij tegen denzelven aan wilden varen. De stroom brengt hen dan van zelve in het midden van den boog of poort daar zij door moeten,en in een oogenblik zijn zij aan den anderen kant. De gezigten blijven aanhoudend schoon, en de landstreek berg- en rotsachtig.Orangezagen wij aan de linkerhand van verre liggen; het speet mij, dat ik de overblijfsels derRomeinscheoudheden, die deze stad nog bezit, niet kon zien; doch zij is omtrent een mijl van den oever afgelegen, en dus wat te ver om ’er naar toe te wandelen; daar bij was het zeer warm, en omstreeks elf uren voor den middag. Onze voormalige Stadhouders voerden den naam van Prinsen vanOranje, naar het Prinsdom, of liever Prinsdommetje, waarvan deze stad toen de hoofdplaats was.—Wat heeft zelfs die naam in ons Vaderland niet dikwijls aanleiding tot verregaande onaangenaamheden gegeven!!... Verder op zagen wij het stadjeCaderousseaan den linkeroever gelegen; voor deze plaats ligt ’er een eiland in deRhone, dat nog al uitgestrekt is. Eindelijk wees men ons de oude Pausselijke stadAvignon, die door zijne aangename gelegenheid, zijne torens en hooge gebouwen, en de rots, waar het oude Apostolische Paleis op gebouwd is, eene fraaije en aanzienelijke vertooning oplevert. Eer dat men aan de stad komt, ziet men ook nog een eiland in de rivier, dat vrij aanmerkelijk is, deRhonemaakt daar twee armen en vereenigt zich weder bijAvignon. Het was omtrent twaalf uren ’s middags, toen wij hier aankwamen. Wij hadden dus in minder dan 23 uren (want den tijd dat wij geslapen en ons opgehouden hebben, reken ik’er af,) een’ weg afgelegd van omtrent 48 mijlen, ik was ’er dan ook bijzonder over te vreden en zou ieder, die deze reis aangenaam, goedkoop en gemakkelijk wil doen, raden, om het op dezelfde wijze aanteleggen. Wij gaven elk aan onzen schipper, behalve de bedongen vracht, 30solsdrinkgeld, en hij was zeer wel te vreden. Die man moest nu zijne schuit hier verkoopen, doorgaans voor eenen zeer geringen prijs, en dan te voet weder terug keeren naarLyon, zijne woonplaats.Dezen langenepistelhebt gij wederom aan het slechte weder te danken; want naauwelijks waren wij in ons Logement of werden door een geduchte donder- en regenbui, even eens alsLyon, verwelkomd: thans (om elf uren ’s nachts) houdt dezelve nog aan.1Dit was beste oude wijn; de gewone kocht men voor 5sols.2Onze reisgenoot verhaalde dit met verscheidene natuurlijke omstandigheden, als een echte gebeurtenis, waar van hij zelve meêr dan eens ooggetuigen geweest was, en ik heb geen de minste reden om aan ’s mans goede trouw te twijfelen.3Hoe ver isThainvanTournon?4Hoe vele ligte vrouwlieden zijn’ er teTournon?5O! dat is der moeite niet waardig, om ’er van te spreken, maar zeg mij, hoe ver isMaintenon(een steedje) vanVersailles? of ook hoe veelMaintenons(te weten ligte vrouwen, want Madamede Maintenon, was, gelijk gij weet, bijzit vanLodewijkden XIV.) zijn ’er wel teVersailles?—Deze anecdote durf ik u haast voor wat nieuws aanrekenen, zijnde verzekerd dat zij zeer weinig bekend is.6De Faujasis Professor bij het Museum van natuurlijke historie teParijs.7Men rekent detoiseop6 géometrischevoeten. Die brug is dan ook veel te smal, naar evenredigheid van de lengte.

Avignon, 3 Augustus.

Gisteren morgen om 4 uren voeren wij vanLyon, af; want de wind was wat veranderd, en wij hadden geen hoop, om denzelfden avond hier te zijn. De schuit was volgens afspraak; doch ’er ging maar één schipper mede, en dit beviel velen van onze reizigers, die het hoofd vol zwarigheid hadden, in ’t geheel niet; ik voor mij was hier omtrent minder ongerust, want had ’er niet deskundigen over gesproken, en men verzekerde mij, dat ’er met bekwame schippers, zoo als die lieden hier doorgaans zijn, op deze rivier geen gevaar te vreezen is. Wij voeren onder de groote steenen brug (pont de la Guillotière) door, doch langs den kant, omdat daar de minste trekking is. De stroom in het midden onder deze brug is verbaasd snel. Weldra kwamen wij aan de plaats, waar zich deSaonemet deRhoneveréénigt; de afscheiding van het water dezer twee rivieren, is aan de onderscheidene kleuren duidelijk te zien, en maakt als een streep op het water. De stroom is hier ook zeer sterk, zoo dat ons schuitje begon te hobbelen, en eenigen onzer reizigers zeer zuinig te zien. Het land aan de oevers, stond hier en daar onder water; zulk eene overstrooming,in dit jaargetij, heeft hier niet dan zeer zeldzaam plaats. TeGivors, een steedje omtrent drie mijlen vanLyonaan den oever van deRhonegelegen, moest de schipper aanleggen, om tol te betalen, en wij stapten aan land, om onderwijl eens rond te zien. Door zijne gunstige gelegenheid is dit plaatsje nog al handeldrijvend, en de inwoners, die grootendeels vrachtschippers enCommissionnairenzijn, voeren vele goederen, als ijzer en steenkolen, komende vanSt. Etienne, waar een groote geweer- en andere ijzeren instrumenten-fabriek is; ’er zijn ook steenkolen-mijnen niet ver vanGivors; zij brengen ’er dan ook een groote hoeveelheid van naarLyon, en gebruiken ’er zelve zeer veel in de flessen-fabrieken, die hier ook een’ voornamen tak van bestaan opleveren; men verhaalde mij, dat ’er thans zes aan den gang waren. Ook wordt ’er zijde in de omstreken geteeld, en ik zag een paar vrouwen bezig met de poppen aftehaspelen. Hoewel de wind niet zoo gunstig was als gisteren, vorderden wij echter door den snellen stroom al vrij spoedig, en haddenGivorsnog niet lang achter den rug, toen wijVienne, twee mijlen van daar gelegen, reeds ontdekten; die stad ligt tegen en tusschen de bergen en doet zich, van de rivier te zien, aangenaam op. Zij is zeer oud, uitgestrekt, maar weinig bevolkt. ’Er is een fabriek van groote ijzeren en stalen werktuigen. Men noemt deze stadVienne en Dauphiné, of thansdans le Departement de l’Isère, om dezelve vanWeeneninOostenrijk(Vienne enAutriche) te onderscheiden. Even buiten de stad aan den kant van de rivier, staat een oude pyramide of naald, onder den naam vanl’Eguillebekend; ik kon dezelve van de schuit duidelijk zien, en vind daar van aangeteekend, dat zij op een vierkant gewelf staat, ondersteund wordende door vier pilaren van 20 à 24 voeten hoog; de naald zelve is bijna van dezelve hoogte. Hoewel ’er hoegenaamd geen opschrift op staat, veronderstelt men, dat het de grafnaald is van den een’ of anderenRomein. Midden in de rivier, omtrent voor de stad, zag ik ook de overblijfsels van een steenen brug. Omtrent een half uur verder ziet men aan de linkerhand eenen geheel met wijngaarden beplanten heuvel, het was den om zijn’ lekkeren wijn vermaardeCôte Roti. Niet ver van daar, aan de regterhand, ligt het steedjeCondrieu; hier moest men weder aanleggen om tol te betalen; want ’er zijn verscheidene tollen op deze rivier; voor dezen was de vracht dan ook goedkooper, naar onze schipper verhaalde, maar thans moet ’er te veel af. Wij gingen ons hier weder een weinig vertreden. Verscheidene vrouwen, die ’er alles behalve bevallig uitzagen, kwamen vruchten en wijn te koop veilen. De wijn vanCondrieuis beroemd, vooral de witte, wij kochten ’er dan ook van en betaalden 20solsde fles1. Zij was zeer goed, en het speet ons naderhand, dat wij ’er niet meêr voorraadvan hadden opgedaan. Het stadje is aan den voet van een’ heuvel gelegen en ziet ’er nog al redelijk uit. Ook hier is het grootste gedeelte van de ingezetenen schippers en schuitenmakers, en vele tevens wijngaardeniers; want wijn is bijna het eenigste voortbrengsel van dezen grond. De vader van den vermaarden Marschalkde Villars, die den 6 Maart 1714 in naam vanLodewijkden XIV. den vrede teRastadteekende, is hier geboren; ik vertel u dit, omdat het eenige betrekking heeft tot onze Vaderlandsche Historie; maar maak met meêr genoegen melding van een menschlievenden en weldadigen Roomschen Priester, die hier in 1727 een Gasthuis stichtte. Het was te wenschen dat het voorbeeld van dien goeden man door zijne ambtgenoten, van welke Geloofsbelijdenis zij ook zijn mogen, wat meêr gevolgd wierd, en deze Heeren zich niet alleen vergenoegden met de weldadigheid te prediken, zoo als zij doorgaans gewoon zijn. Weder aan boord zijnde, haalde ieder zijn’ voorraad voor den dag, en men ging ontbijten; ons gezelschap was nog al vrij wel, en bestond onder anderen uit een jong militairen Chirurgijn, die eenGasconjerwas, en een soort van Landjonker, die op een Landgoed inProvence, aan de grenzen vanItaliëwoonde; beide deze lieden, vooral de Chirurgijn hadden, hier meêr gereisd en nog al eenige kunde; ’er viel dan tusschen beide ook nog al wat te praten, met kijken had ik inzonderheid veel te doen; want de oevers van deRhoneleveren doorgaans eene verscheidenheidvan aangename gezigten op. Wij zagen hier een slang, naar gissing twee à drie voeten lang, digt voor de schuit heen, en zoo het scheen dwarsover zwemmen, hij streek bijna over de oppervlaktes van het water en was zeer vlug. Toen men met smaak een stuk uit de hand had gegeten, merkte onze Chirurgijn aan, dat diergelijk koud en eenvoudig voedsel, vooral vruchten, toch wel zeker gezonder is, dan zoo vele konstig bereide en warme, of veel liever heete spijzen; dit betoogde hij eenigzins op eene geneeskundige wijze, en ik was het volkomen met hem eens; de landjonker, hoewel genoegzaam met ons van hetzelfde gevoelen, zeide, dat hij veel metEngelschenenAmerikanenomgegaan hebbende, de gewoonte aangenomen had, om ’s morgens thee te drinken, en dat deze drank alzoo voor hem eene volstrekte behoefte geworden was, doch dat hij anders ook zeer vele vruchten at, en ’er zich zeer wel bij bevond; hij verhaalde ons verder, dat hij een’ kok gekend had, die bij een voornaam man van zijn kennis teVenetiëwoonde, en sedert verscheide jaren, niettegenstaande hij dagelijks de keurigste spijze in overvloed bereidde, genoegzaam niets anders nuttigde, dan vruchten, eenige rauwe groentens, wortelen, brood, en voor allen drank koud water; dat deze zonderlinge kok zich daarbij gezond en sterk bevond, daar hij voorheen, eer hij die levenswijze had aangenomen, gedurig ongesteld en zwak was: in het begin had hem dit wel eenige moeite gekost, doch hij had het volgehouden;en eindelijk verkoos bij zijne vruchten en wortelen, uit smaak, boven de uitgezochtste lekkernijën; een en andermaal had hij zijn’ Heer, die aan overdaad gewoon, en dus ongezond was, aangeraden, om van levenswijze te veranderen, en zijn voorbeeld te volgen; deze hier geen’ zin in hebbende, en dus minder redelijk dan zijn kok, werd die raad moede, en zeide hem eens, dat hij zijn handwerk weinig eer aan deed; dat, indien men hem gehoor wilde geven, hij dan ook geen kok meer van nooden had: geen zwarigheid, antwoordde deze, gij zult gezond worden, en ik zal wel een’ anderen dienst vinden.—Maar als ieder uw voorbeeld, dat gij zegt zoo heilzaam te zijn, eens volgde: was de tegenwerping; en de kok besloot met te zeggen, dat hij niet geloofde, dat zulks althans gedurende zijn’ leeftijd plaats zou hebben; doch als het al eens gebeurde, dat dan de maatschappij zulk eene groote verandering zou ondergaan, dat hij een zijns gelijken geene moeite zouden hebben, om een stukje lands te vinden, daar zij het weinige voedsel, dat zij noodig hadden, op telen konden2.—Wat zegt gij van dezen wijsgeerigen kok?—Ik heb wel Professorale lessen gehoord of gelezen, die zoogoed niet waren. Al pratende kwamen wij voorTournon, een stadje in het Departementde l’ Ardèche, voorheenLanguedoc; het is aardig gelegen aan den voet van een’ berg; ’er is een zeer groot gebouw, dat voorheen een kollegie was, aan de Jesuiten behoorende, doch sedert de afschaffing van dezelve, werd het door wereldlijke bestuurd, en thans is het een Kweekschool, onder opzigt van het Gouvernement; het is aangenaam aan den oever van deRhonegelegen. OverTournonaan den linker oever van de rivier ligt een plaatsje,Thaingenaamd; van hetzelve valt niets anders aanteteekenen, dan dat de beroemde hermitage-wijn digt daar bij groeit. Men ziet door de wijnstokken, waarmede zij beplant is, den geheel groenen heuvel van de rivier; deze heuvel is niet groot, doch al de wijn, die in den omtrek groeit, noemt men even eens Hermitagewijn, en deze wordt ook al duur verkocht; want het gaat hier mede zoo als met mêer andere dingen; vele menschen die geene fijne kenners zijn, houden zich te vreden met den blooten naam. OmstreeksThainplagt ook een goudmijn te zijn, naar men verzekert; doch dezelve is thans geheel verwaarloosd, het geen mij verwondert; want een goudmijn zou thans inFrankrijkwel te pas komen. DaarTournonenThainzoo digt bij elkanderen liggen, vraagt men spottenderwijze,“Combien y a t’il depuis Thain à Tournon3?” en volgens eenslechte uitspraak, ”Combien y a t’il depu Thain (putains)4à Tournon. Men verhaalt, dien aangaande een’ aardigen kwinkslag. Ten tijde vanLodewijkden XIV. bevond zich een man vanTournon, op reis met iemand, die tot het hof vanVersaillesbehoorde; deze hoveling vroeg ook spottende aan onzen man: ”Combien y a t’il depu Thain (putains) à Tournon?” en deze had de tegenwoordigheid van geest, om hem zonder bedenken te antwoorden: ”Oh! ce n’est pas la peine d’en parler; mais dites moi combien y a t’il bien de Maintenon (des Maintenons) à Versailles5?” Gij vat de kneep, en zult zekerlijk zoo wel als ik dien trek van tegenwoordigheid van geest bewonderen. Vervolgens kregen wijValenceaan den linker oever van de rivier gelegen, in het gezigt, gij zult uit de afbeelding zien, dat die stad niet onaardig gelegen is; niet ver van deze stad, en eer men aan dezelve komt, werpt zich de rivierl’Isèrein deRhone. Onze reisgenoot de Chirurgijn herinnerde ons, dat hethart van den laatst overledenen Paus in de Kerk vanValence, in een looden kistje bewaard werd. Hij zelve had het niet lang geleden gezien, daar wij hier toch aan moesten leggen, en dat al weder om tol te betalen, besloten wij, om de stad eens in te gaan, en aldaar de Pausselijke overblijfsels te gaan bezigtigen. Het was even na den middag, en brandend heet, zoo dat deze bedevaart ons een zweetje koste; op verscheide plaatsen in de straten, waren echter nog al zeilen van het eene huis tot het andere uitgespannen om schaduw te geven. Wij zagen in de Hoofdkerk, in een Kapel, die geschilderd was met een’ zwarten grond, waarop hier en daar doodshoofden en Pausselijke versierselen, op een soort van klein altaartje, het geen midden in dezelve stond, een houten doos of kistje, en hier in was het looden, dat het hart en de ingewanden van den Paus bevatte; dit kistje was overdekt met een kleed van violetkleur fluweel met gouden franjes, en waarop de Pausselijke muts en sleutels met goud geborduurd waren; een soort van lijklamp hing ’er boven, en werd, naar men mij verzekerde, altijd brandende gehouden. Deze Kapel is met een ijzer hek gesloten, en boven hetzelve leest men: “Ici sont deposés le coeur et les entrailles dePieVI.” Die Paus is in deze stad, om den oorlog of de gevolgen van dienRomeontweken zijnde, hier staatsgevangen gehouden en gestorven. Zijn ligchaam is naarRomegevoerd; doch op aanzoek vanBonaparte, zoo men zegt, zijn zijne ingewanden hier wederom teruggebragt, en men wil, dat ’er een graftombe zal opgerigt worden, om dezelve in te bewaren. Aan of in de Kerk, die een donker en slordig voorkomen heeft, is voor het overige niets bijzonders te zien. Ook zag ik niets aanmerkelijks in de stad, het is de hoofdplaats van het Departementla Drome, voorheendu Valentinois en Dauphiné. Het verblijf van de Prefecture, en eenTribunal de première instance, is zeer oud en met muren omringd; de omstreken schenen mij toe nog al aangenaam te zijn.Valenceis door een heuvel, in de gedaante van een halven cirkel, natuurlijk beschut, en dat op eene wijze, alsofhet door kunst gemaakt was: men vindt hier omstreeks goede en zuivere bronnen; de zijdeteelt is ook een voorname tak van bestaan van de inwoonders. Voorheen was ’er een Universiteit, die verscheide voorname Rechtsgeleerden opgeleverd heeft. Het bijgaand fraai gezigtje zal u een denkbeeld geven van de ligging dier stad. Omtrent drie mijlen onder dezelve, valt de rivierle Dromein deRhone: deze laatstgenoemde rivier is hier al vrij breed, en wij werden reeds van verre door het hevig gedruisch van het water den snellen stroom gewaar. De rivier geleek hier op sommige plaatsen naar eene hevig ziedende pot: sommigen van ons gezelschap begonnen dan ook zeer bevreesd te worden, doch onze schipper, die mij toescheen een nuchter en bekwaam man te zijn, verzekerde, dat hij het gevaar wel zou weten te vermijden; zoo dat men niet ongerust behoefde te zijn; wij kwamen’er dan ook zonder eenig letsel over; maar werden door de golven ter deeg geschommeld. De groote toevloed van water, vooral thans, na eene zoo sterken en aanhoudenden regen, en eenige rotsen of klippen in de rivier, en onder het water staande, veroorzaken deze geweldige bruisching. Het was omtrent zeven uren des avonds, toen wijAncone, een dorpje aan de linker oever van deRhonenaderden: Onze schipper (patron) zeide, dat wij daar een redelijk goede herberg zouden vinden, en dat het dus raadzaam was, om ’er te blijven overnachten. Het voorstel werd algemeen aangenomen; maar de herberg, die men ons aanwees, zag ’er in ’t geheel niet breed uit, en wij dachten, dat, zoo wij ’er al konden slapen, het niet anders dan op stroo zou zijn. Ook hier werd het spreekwoord, dat schijn dikwijls bedriegt, bewaarheid, en wij stonden niet weinig verwonderd, toen men ons langs een’ grooten trap en langen gang verscheide redelijk goede kamers aanwees, en ’er was voor ieder een bed; dit viel dan niet weinig mede. Wij stelden nu verder onzen landjonker tot Hofmeester aan, om het avondmaal enz. te bestellen, te meer, omdat hij zeer goedpatois, het geen de landtaal is, sprak, en ik ging met den Chirurgijn landwaards in, naar den kant vanMontelimart, dat maar een half uurtje van hier gelegen is. Wij zagen het liggen, doch vonden het te laat, om ’er naar toe te gaan, wijl de afspraak was, dat wij vroeg zouden eten en naar bed gaan: om den volgenden morgen weder vroeg in de kleêren te zijn.TeMontelimartzijn veel Protestanten; de inwoners waren van de eerste, die de hervorming vanCalvinaannamen; het is nog al redelijk bevolkt, en vrij welvarende, omdat de groote weg vanLyonnaarMarseilleenItalië’er doorloopt, en de landstreek vruchtbaar is; wij zagen dan hier ook fraaije boeren-hoeven; de landlieden waren grootendeels bezig met hun koren door muilezels te laten treden, (fouler), zoo als bij ons de vlasballen worden gedaan. Het zag ’er, niettegenstaande het ongunstig weder, vrij wel uit. Behalve eenige andere vruchtbomen, waren de meesten, die ik hier zag, moerbeziën; want de zijdeteelt is ook hier omstreeks een voornaam bedrijf, en heeft waarschijnlijk aan dezen kant zijn oorsprong inFrankrijkgenomen. De natuurkundigede Faujas6, zegt in een’ zekeren brief: dat de eerste moerbezieboom inFrankrijkgebragt werd, ten tijde van de laatste Kruisvaart door eeneGui-Pape-Saint Auban, een mijl vanMontelimart. Dat deze oude moerbezieboom nog bestaat, en dat de Heerde Latour Du Pui-la Chaux, dit gedenkteeken van den landbouw had doen in waarde houden, door ’er een muur om te bouwen, en te verbieden, dat men ’er de bladeren van plukte. De afstammelingen van dezen ouden boom, bedekken thans een goed gedeelte van denFranschengrond, enbrengen aan den staat een inkomen op van verscheiden millioenen. Dit een en ander had ik voor mijn vertrek vanParijs, uit een der dagbladen, opgeteekend; hopende gelegenheid te zullen hebben, om dien merkwaardigen boom te zullen zien, doch nu was het te ver; daarbij wisten de lieden alhier, mij ’er geen genoegzaam narigt van te geven; ik zou dan eerst naarMontelimarthebben moeten gaan, om ’er na te onderzoeken, en dit zou te veel tijd gevorderd hebben: dus zag ik, hoewel niet zonder leedwezen, van dit ontwerp af.

Valençe.Valençe.

Valençe.

In 1762 vonden eenige arbeiders, omstreeks dit dorpAncone, in een tuin gravende, een groote Lijkbus (urne), waar een lijk in was, hebbende op het hoofd eene gouden kroon, en aan een oor een ring van hetzelfde metaal. Meêr vond ik hier niet van aangeteekend, en sommige inwoners, die ik ’er hier na vroeg, konden ’er mij ook niets naders van zeggen.

’t Was een warme dag geweest, de avondstond was regt koel en verkwikkende. Om hier wel genot van te hebben, ging ik eenzaam op de vlakke oevers van deRhone, die men hier heeft, even als bij ons aan zee, wandelen. De bergen en rotsen aan den overkant, en boven en beneden dezelve, maakten eene majestueuse vertoning; zekerlijk, dacht ik, hebben sommige hunner voorheen stroomen vuurs en lava uitgebraakt, terwijl men de sporen daarvan nog in deze landstreek vind. Deze landstreek, te weten aan den overkant van deRhone, bekend onder dennaam vanle Vivarais, en thans behoorende tot het Departementde l’Ardeche, werd oudtijds bewoond door deHelvianen, die op het eind van de vijfde Eeuw, of het begin van de zesde, doorSigismundus, Koning derBourguignons, overwonnen werden. De avond begon meêr en meêr te vallen, de horens van de beesten-hoeders, die zich in de bergen deden hooren, en tegen de rotsen weêrgalmden, verwijderden zich al verder en verder, eindelijk hoorde ik niets meêr, dan het geruisch der rivier, en het gekraak der keisteentjes, waarover ik liep, en waar deze oever als mede bezaaid is. Het werd tijd, en ik begaf mij naar de herberg; daar zag ik met genoegen, dat de tafel voor de deur, en alzoo niet ver van dien aangenamen oever van deRhonegedekt was. ’Er was schier geen zuchtje aan de lucht, zoodat de kaarsen, die men op tafel zette, zonder moeite aanbleven, en het eten was goed, en smaakte, omdat wij honger hadden, uitmuntend. Wij deden dan een regt aangenamen landelijken maaltijd; het oud moedertje van den huize ziende, dat wij wel over haar te vreden waren, kwam ook bij ons zitten snappen, en scheen zeer opgeruimd. Hadden wij den volgenden morgen niet vroegtijdig op reis gemoeten, ik had hier zoo spoedig niet van daan gekomen, doch nu was slapen de boodschap.

Heden morgen om vier uren begaven wij ons weder scheep. De rivier vertoont zich hier als geheel van bergen en rotsen omringd; de gezigten zijn schilderachtig. Weldra kregen wijViviershoofdplaats vanle Vivarais, in het oog; ook dit gezigt zou een zeer fraaije teekening opleveren; doch die hier alles, wat de moeite waard is, wilde uitteekenen, zou ’er wel eenige maanden mede kunnen doorbrengen. Dit stadje is tusschen de rotsen aan den regter of westelijken oever van deRhonegebouwd, en de hoofdkerk gelegen op een rots, die boven de huizen uitsteekt; het schijnt een oud en groot gebouw te zijn. Voor de omwenteling wasVivierseen Bisdom, en de Bisschop voerde den titel vanComte de Viviers. Beneden aan den oever van de rivier ligt een zeer groot, en zoo het schijnt, fraai gebouw; men zegt dat het zoo veel vensters heeft, als ’er dagen in het jaar zijn; nu ’er waren ’er inderdaad zeer veel; het diende voorheen tot eenSeminarium. Aan onze linkerhand zagen wij een oud Kasteel, dat de schipperle Chateau de Roche-molletnoemde, meêr wist men ’er mij niet van te zeggen. Een eindweegs gevorderd zijnde, aanhoudend bezig met de fraaije gezigten rondom ons te bewonderen, zagen wijle Bourg St. Andeol, voorheen het verblijf van den Bisschop vanViviers, en waar hij zijn paleis had. Dit stadje ziet ’er nog al wel uit, en is aangenaam aan de regteroever gelegen: wij stapten ’er een oogenblik aan wal, en kochten ’er wat provisie; want het water geeft eetlust, en het werd tijd, om te ontbijten. Het oogenblik naderde vervolgens, dat wij onder die vreesselijk vermaardePont-Saint Esprit, waar van men ons zoo veel verteld had, door moesten varen.’Er wierd raad gehouden, of wij scheep zouden blijven, dan of wij ons voor de brug aan wal zouden laten zetten, en op één na besloten tot het laatste, als zijnde het algemeen gebruik; daarbij wilden wij wel een half uurtje wandelen. Ik had anders nog al lust gehad, om ’er in te blijven, doch voegde mij nu na de meerderheid van het gezelschap; onze reisgenoot, die ’er in bleef, kon zwemmen, en trok zelfs zijn laarsen en rok uit, om daar door, in geval ’er een ongeluk plaats mogt hebben, niet belemmerd te worden; de schipper lagchte hier om, en verzekerde ons, dat ’er geen gevaar was, en hij dien togt meêr dan honderdmalen, zonder eenig letsel, gedaan had; maar het besluit was genomen, en wij stapten een groot kwartier, voor dat wij bij de brug kwamen, aan land. Als een pijl uit een boog zagen wij van daar ons schuitje wegsnellen, en wandelden langs een’ aangenamen weg, beplant met moerbezieboomen, wijngaarden, en hier en daar olijfboompjes, de eerste die ik zag, tot het stadjeSaint Esprit. Het zal waarschijnlijk een sterkte geweest zijn, en heeft eencitadelenbastions, maar heeft voor het overige weinig te beteekenen; het is aan den regteroever van deRhonegelegen, en behoort thans tot het Departementdu Gard. Wij zagen ’er in een lang en smal gebouw meer dan dertig vrouwen zitten, die bezig waren met de zijde van de poppen te haspelen. De uitwaseming van die poppen, die men in heet water legt, veroorzaakt eenen zeer onaangenamen reuk, en men zegt dat het ongezondwerk is, dat ik zeer wel gelooven wil. Nogthans waren ’er onder die werklieden, eenige meisjes die ’er wij wel uitzagen; maar misschien hadden zij dit bedrijf ook nog niet lang bij de hand gehad. Vervolgens gingen wij de vermaarde brug zien; het is een ontzaggelijk stuk werks; zij rust op 26 bogen, waarvan 19 grooten en 7 kleinere zijn; zij is, volgens de beschrijving, 420toiseslang, en 2toises, 4 voeten, en 4 duimen breed7. Zij werd begonnen in 1265, en in 1309 voltooid, men werkte ’er dus 44 jaren aan.—En hoe, denkt gij dat men aan het geld gekomen is; want dit moet nog al een sommetje gekost hebben. Men maakte gebruik van het bijgeloof van dien tijd, om deze nuttige gemeenschap tusschen den regter- en linkeroever te bewerkstelligen. Het gerucht werd verspreid dat een Engel aan een’ schaapherder verschenen was, en hem geboden had, om daar ter plaatse eene brug te bouwen; weldra kwam ’er een ruime toevloed van offeranden en giften van alle kanten. De Prior van de Abdij, waar het stadje om gebouwd was, had echter het spel haast bedorven; want men had de onvoorzigtigheid gehad, van ’er hem niet in te kennen: doch men herstelde dezen misslag, en gaf hem duimkruid; hij lag den eersten steen, en ziet het wonderwerk had de gewenste uitwerking.Een groot gedeelte van deze brug is op de rots, die daar de bedding van de rivier uitmaakt, gebouwd. Waarschijnlijk bestond ’er een reden, waarom men ze met een elleboog, die tegen den stroom gesteld is gebouwd heeft; want zij zou fraaijer zijn, als zij regt was. Wij waren veel te laat gekomen, om ’er onze schuit onder door te zien varen, zij wachte ons reeds lang aan den anderen kant. ’t Is zeer duidelijk te zien, dat de stroom tusschen de bogen van deze brug, en vooral tusschen die, welke het meest midden in staan, zeer sterk moet zijn, doch als de schippers niet onhandig zijn zie ik ’er geen gevaar in. Nog iets opmerkelijks aangaande het metselwerk van deze brug is, dat de pilaren van de bogen doorluchtig zijn als of ’er vensters in zijn. Ter instandhouding van dit ontzaggelijk en kostbaar stuk werks, is men zeer behoedzaam; de zware vragtkarren of rijtuigen, mogen ’er niet willekeurig overrijden, en om het dreunen voortekomen, worden somtijds de wielen vastgemaakt, in een soort van houten laden (sabots) gezet, en de karren ’er zoo zachtjes over gesleept. Wederom scheep zijnde, bekeek ik de brug nog eens ter deeg, doch wel dra verloren wij dezelve uit het oog. Naar ik vernam, moeten de schippers, onder die brug door willende varen, niet op het midden van een boog, maar op een pilaar aanhouden, even als of zij tegen denzelven aan wilden varen. De stroom brengt hen dan van zelve in het midden van den boog of poort daar zij door moeten,en in een oogenblik zijn zij aan den anderen kant. De gezigten blijven aanhoudend schoon, en de landstreek berg- en rotsachtig.Orangezagen wij aan de linkerhand van verre liggen; het speet mij, dat ik de overblijfsels derRomeinscheoudheden, die deze stad nog bezit, niet kon zien; doch zij is omtrent een mijl van den oever afgelegen, en dus wat te ver om ’er naar toe te wandelen; daar bij was het zeer warm, en omstreeks elf uren voor den middag. Onze voormalige Stadhouders voerden den naam van Prinsen vanOranje, naar het Prinsdom, of liever Prinsdommetje, waarvan deze stad toen de hoofdplaats was.—Wat heeft zelfs die naam in ons Vaderland niet dikwijls aanleiding tot verregaande onaangenaamheden gegeven!!... Verder op zagen wij het stadjeCaderousseaan den linkeroever gelegen; voor deze plaats ligt ’er een eiland in deRhone, dat nog al uitgestrekt is. Eindelijk wees men ons de oude Pausselijke stadAvignon, die door zijne aangename gelegenheid, zijne torens en hooge gebouwen, en de rots, waar het oude Apostolische Paleis op gebouwd is, eene fraaije en aanzienelijke vertooning oplevert. Eer dat men aan de stad komt, ziet men ook nog een eiland in de rivier, dat vrij aanmerkelijk is, deRhonemaakt daar twee armen en vereenigt zich weder bijAvignon. Het was omtrent twaalf uren ’s middags, toen wij hier aankwamen. Wij hadden dus in minder dan 23 uren (want den tijd dat wij geslapen en ons opgehouden hebben, reken ik’er af,) een’ weg afgelegd van omtrent 48 mijlen, ik was ’er dan ook bijzonder over te vreden en zou ieder, die deze reis aangenaam, goedkoop en gemakkelijk wil doen, raden, om het op dezelfde wijze aanteleggen. Wij gaven elk aan onzen schipper, behalve de bedongen vracht, 30solsdrinkgeld, en hij was zeer wel te vreden. Die man moest nu zijne schuit hier verkoopen, doorgaans voor eenen zeer geringen prijs, en dan te voet weder terug keeren naarLyon, zijne woonplaats.

Dezen langenepistelhebt gij wederom aan het slechte weder te danken; want naauwelijks waren wij in ons Logement of werden door een geduchte donder- en regenbui, even eens alsLyon, verwelkomd: thans (om elf uren ’s nachts) houdt dezelve nog aan.

1Dit was beste oude wijn; de gewone kocht men voor 5sols.2Onze reisgenoot verhaalde dit met verscheidene natuurlijke omstandigheden, als een echte gebeurtenis, waar van hij zelve meêr dan eens ooggetuigen geweest was, en ik heb geen de minste reden om aan ’s mans goede trouw te twijfelen.3Hoe ver isThainvanTournon?4Hoe vele ligte vrouwlieden zijn’ er teTournon?5O! dat is der moeite niet waardig, om ’er van te spreken, maar zeg mij, hoe ver isMaintenon(een steedje) vanVersailles? of ook hoe veelMaintenons(te weten ligte vrouwen, want Madamede Maintenon, was, gelijk gij weet, bijzit vanLodewijkden XIV.) zijn ’er wel teVersailles?—Deze anecdote durf ik u haast voor wat nieuws aanrekenen, zijnde verzekerd dat zij zeer weinig bekend is.6De Faujasis Professor bij het Museum van natuurlijke historie teParijs.7Men rekent detoiseop6 géometrischevoeten. Die brug is dan ook veel te smal, naar evenredigheid van de lengte.

1Dit was beste oude wijn; de gewone kocht men voor 5sols.

2Onze reisgenoot verhaalde dit met verscheidene natuurlijke omstandigheden, als een echte gebeurtenis, waar van hij zelve meêr dan eens ooggetuigen geweest was, en ik heb geen de minste reden om aan ’s mans goede trouw te twijfelen.

3Hoe ver isThainvanTournon?

4Hoe vele ligte vrouwlieden zijn’ er teTournon?

5O! dat is der moeite niet waardig, om ’er van te spreken, maar zeg mij, hoe ver isMaintenon(een steedje) vanVersailles? of ook hoe veelMaintenons(te weten ligte vrouwen, want Madamede Maintenon, was, gelijk gij weet, bijzit vanLodewijkden XIV.) zijn ’er wel teVersailles?—Deze anecdote durf ik u haast voor wat nieuws aanrekenen, zijnde verzekerd dat zij zeer weinig bekend is.

6De Faujasis Professor bij het Museum van natuurlijke historie teParijs.

7Men rekent detoiseop6 géometrischevoeten. Die brug is dan ook veel te smal, naar evenredigheid van de lengte.

Achtste Brief.Marseille, 7Augustus.’s Morgens van den 4 dezer was het droog, doch het had den ganschen nacht geregend. Zoo veel regen in dit saisoen en in dit gedeelte vanFrankrijk, is inderdaad een ongewoon verschijnsel. Niettegenstaande onze voerman ons veel vertelde van den slechten weg, stapten wij omstreeks vijf uren op het rijtuig, om naar de vermaarde fontein vanVauclusete rijden, men rekent dezelve overl’Isle5½ uur gaans vanAvignonafgelegen; wij hadden een rijtuig op twee wielen, doch op riemen hangende, in den smaak van die, waarmede men vanParijsnaarVersaillesenz. rijdt; het was met twee paarden bespannen, en de voerman zaten postillonop een van dezelven, die soort van rijtuigen zijn ligt, en men kan ’er des noods met vier personen in zitten. Ik had het voor 21 Livres vrij van alle onkosten gehuurd. Een eind weegs buitenAvignonis de weg goed en zeer vlak, aan beide zijden met sloten, weilanden en boomgaarden, van moerbezieboomen beplant. Het heeft hier wel wat van dat gedeelte vanGelderland, waar men zoo veele kersen en andere vruchtboomgaarden vindt. De landstreek wordt vervolgens bergachtig, en men heeft eene verscheidenheid van aangename gezigten. Tot nog toe was de weg vrij goed; doch hier kwamen wij weder tusschen boomgaarden en akkerland. De grond was hier kleiachtig en zoo week, dat wij verpligt waren te voet te gaan, omdat het rijtuig en de paarden ’er zoo diep in raakten, dat zij moeite hadden, om ’er uit te komen. De voerman wees ons een voetpad langs een’ anderen weg, en wij zouden dan op eene zekere hoogte weder bij elkanderen komen; dit ging in den beginne wel genoeg, doch deze weg werd ook zoo slecht, dat wij aan den kant moeite hadden om ons over eind te houden door de glibberigheid, en in ’t midden zakte men ’er tot over de enkels toe in; tusschen beide liepen de slotenover, en men was schier genoodzaakt om te waden. Zoo sukkelden wij wel een half uur voort, eer wij weder bij het rijtuig kwamen. Onze voerman had het niet beter gemaakt dan wij, zijnde verpligt geweest, om bijna altijd naast het rijtuig te gaan, om het te ondersteunen; hij, wij en de gansche boêl zagen ’er deerlijk beslikt uit; en had de weg in ’t begin ten opzigte van het gezigt naarGelderlandgeleken, hier geleek zij wel na dat kleiachtig gedeelte van ons land, waar men ’s winters bijna niet door kan komen; en ik herinnerde mij hier aan een van de onaangenaamste wandelingen van mijn leven, die ik in het najaar van 1801 deed, vanDordtnaar hetnieuwe veer. Wij kwamen vervolgens door het dorpMorières, klommen een’ heuvel op, veelal met wijngaarden en olijfboomen beplant; hier wordt het oog wederom aangenaam vergast; de weg is hobbelig en steenachtig. Hier wees onze voerman ons in een keten heuvels en rotsen, die voor ons lag, en aan dien kant het gezigt bepaalde, de plaats, waar de fontein vanVauclusegelegen was; doch wij waren ’er nog een goed eind weegs van daan, en ik zag nog niets anders dan een bruinächtige rots. Afklimmende kwamen wij nog voorbij een ander dorp, en daarna aan het stadjel’Isle(het eiland) genaamd, waarschijnlijk om dat het riviertjela Sorguehet rondom bespoelt.—welk eene allerliefste landstreek! Wij reden door een fraaije dreef van redelijk zwareplatanus-boomen langs de stad, tot aan een gnappeherberg daarPetrarque et Laureuithangt, hier stapten wij af, aten ter loops een stuk brood, en wat vruchten, waar onder goede meloenen, en bestelden het middagmaal tegen onze terugkomst, vooral goede paling, forellen en rivierkreeften bedingende; want die zijn hier even zoo vermaard als bij ons de baars vanHillegom, of half wegAmsterdam; en schoon anders geen lekkerbek, van daag wilde ik ook eens smullen, want dat behoort bij de reis naarVaucluse, en hij, die de fontein gaat zien, moet ook de visch proeven, die ’er in dat water gevangen wordt. Na het stoffelijk deel wat verkwikt te hebben, en dat was noodig; want wij hadden ons nog al wat vermoeid met door het slijk te loopen, spoedden wij voort en ik was dan zeer nieuwsgierig en verlangende. Welhaast verlaat men het dal en de vrolijke landouw vanl’Isle; het liefelijk stroomende riviertje, dat hier en daar over een dam heen rolt, en een kleinen waterval vormt, de frisch groene weilanden en de akkers met moerbezieboomen beplant. De natuur neemt eene treurige houding aan, de grond wordt steenachtig, hier en daar rijdt men zelfs over de bloote rots; de landstreek is dan ook onvruchtbaar en woest, slechts hier en daar een struikje of een kwijnend olijfboompje. Hoe zeer men de plaats, waar de fontein moet wezen, een’ geruimen tijd voor zich gezien heeft, men kan zich niet verbeelden, dat dit iets ongemeens zal opleveren, en eenigzins aan de verwachting beantwoorden, die men ’er den reiziger vanheeft doen opvatten, en juist dit maakt de nieuwsgierigheid des te sterker gaande; ieder spreekt hier toch van de fontein vanVaucluse, alle vreemdelingen gaan die bijna zien; het Departement is ’er naar genoemd; het moet toch der moeite waardig zijn, en ondertusschen schijnt het niet anders dan een barre rots. Het dorpjeVauclusenaderende, begint het ’er nogthans wat naar te gelijken; hier wordt de natuur schilderachtig; men komt door een’ hobbeligen en kronkelenden, hier en daar zeer smallen weg, langs stukken en brokken van rotsen, in een aangenaam dal, waar deSorguelangs groene oevers, en weelderig groeijende struiken en boomen door slingert. Bij de brug van het dorpje hield de voerman stil, digter bij de fontein kan men met rijtuig niet wel komen. Een oud vrouwtje met haar spinrok in de hand, wachtte ons reeds op, en bood zich aan ons naar de fontein te geleiden. Het was nu omtrent elf uren, de zon scheen helder; het was al een zeer heete dag, en dus niet zeer aangenaam, om te wandelen, doch een nieuwsgierig reiziger laat zich daar door niet afschrikken, en wij begaven ons met onze geleidster, die al vooruit liep, en trachtte te beduiden dat het niet ver was, op weg, ik zeg trachtte te beduiden, want de goede vrouw sprak bijna niet anders dan hetpatoisvan dat land, het geen weinig overeenkomst heeft met hetFransch; door dikwijls hetzelfde te herhalen, en met de handen en oogen te wijzen en te beduiden, begreep ik ’er hier en daar nog al wat van; mij scheenzij genoegzaam te verstaan, maar vergat al gaande en pratende niet te spinnen; en hoewel ’er armoedig uitziende, scheen zij echter gezond en vrolijk. Het dorpjeVaucluseligt tegen en op een barre rots, die door deSorguebespoeld wordt; het is dan onder aan den oever aangenaam en vruchtbaar; doch boven dof en naar. Op den top van een rots bij hetzelve, ziet men de overblijfsels van een vervallen Kasteel, dat men het kasteel vanPetrarquenoemt; doch het behoorde aan de Bisschoppen vanCavaillon, die Heeren waren vanVaucluse. Men klimt, den stroom aan de regterhand latende, naar de bron; haast wordt men door het ontzaggelijk gezigt van een verbazende hooge muur van steile rotsen, die zich als een halve cirkel vertoont, en door de ruischende watervallen, die zich in den stroom opdoen, verrukt. Ter zijde ziet men spitse punten, door de natuur als gedenknaalden opgericht, en vreesselijke klompen steen, door de Eeuwige Almagt als ’t ware op een gestapeld1.—Mensch, met al u ingebeelde grootheid, wat zijt gij hier klein!! Naar mate dat men opklimt, wordt ook de bedding van den stroom hooger, en de bruisschende loop van het water dus hoe langer hoe sterker, zoo dat het schier niet anders gelijkt dan sneeuwwitte schuim. Ik had mij reeds van het snapachtig moedertje ontdaan, en zette mij nu op een brok rots aan den kant van de waterval neder, om daaralles bedaard te overzien. Zeker heeftPetrarchadeze plaats niet uitgekozen, om den lof van zijne schooneLaura2te zingen, want het geweldig gedruis van het water zou de schelste toonen verdoofd hebben; doch hij kon ’er de majestueuseschoonheid der natuur in vloeijende versen beschrijven, ten minste daar toe de ruimste stof in zijn brein verzamelen. Nu ging ik verder op, tot aan de grenzen van dit enge dal, door de steile rots, zoo steil, als of zij regt door was gezaagd, afgeteekend. Aan den voet van dezelve is een ruim onderaardsch gewelf, waar in de bron vanVaucluseopwelt. Het water, in den kom of vijver voor hetzelve, was zoo hoog, dat wij van den boog of opening maar zeer weinig zagen. De oppervlakte van dezen vijver had toen wel 50 voeten diameter. Hier was het water stil en doorschijnende, zoo dat men aan de kanten tot op den grond toe zien kon. Gedurig door de bron gevoed wordende, liep die vijver aanhoudend over, en dit maakte dien heerlijken waterval. Het was hier zeer koel, en door het water, dat bijna ijs koud is, en omdat men ’er geheel beschut is, tegen de zonnestralen; want de steile rots boven de bron helt zelfs eenigzins voorover, en deze rots is van het water af omtrent 700 voeten hoog. Men is hier genoegzaam rondom door ontzaggelijke muren ingesloten, van daar de naamVallis Clausa, daar menVauclusevan gemaakt heeft. De vorschende reiziger leest op deze wanden, als een bevel van de hoogste wijsheid: “Tot hier toe en niet verder,” en treedt eerbiedig terug.—Men ziet niets dan rotsen en water, behalve den treurigen vijgenboom, die uit een spleet van de rots, boven den vijver, niet ver van het water is voortgekomen, en hier en daar een weinig mos, entoch is het zoo verrukkend schoon, dat ik ’er niet van daan kon komen. Eenige jaren vroeger had hier de liefde misschien grootendeels mijne denkbeelden bezig gehouden, thans vervulde verhevener gedachten geheel mijne ziel,—de flaauwe beelden der Eeuwigheid, der Schepping en der Onsterfelijkheid zweefden voor mijn’ geest.—Weg met al die beuzelachtige pracht, waarmede men den godsdienst ontluistert, met al die leerstellingen die ’er menschelijk vernuft heeft bijgehangen!—Al wat menschelijk is, is hier beuzelachtig, en zinkt weg naast de Grootheid van den Schepper, dien men rondom niet anders dan met eerbied kan beschouwen.—Ik knielde niet, ik sprak geen gebed uit,—maar betrachtte, bewonderde, gevoelde en hoopte. Het nieuwe en ongewone der voorwerpen, droeg zekerlijk veel tot deze mijne geestvervoering bij.—Zulk eene verhevene gewaarwording, zulk eene zachte aandoening is onbeschrijfbaar. Doch daar het tijd werd om deze zielstreelende tooneelen te verlaten, vervoegde ik mij weder bij het gezelschap. Wij hadden een fles wijn medegebragt, die onze geleidster aan den kant van de bron gezet had om te verkoelen, hier dronken wij nu een teug van, doch ik verkoos het zuivere water, daar ik bij mijn aankomst reeds van geproefd had, doch niet veel van durfde drinken, omdat ik te warm was. Dit water is zoo klaar als kristal en uitmuntend van smaak. Onze geleidster beduidde mij, dat in den sterken stroom bij den val (cascade) Forellen gevangen werden.Hoe merkbaar was de warmte, toen wij weder in de zon kwamen; doch het is slechts eene kleine wandeling, en wij waren weldra bij het rijtuig; hier keerde ik mij nog eens om, bleef een poos op den stroom en op de rotzen staren, en zeî met aandoening,Vauclusevaarwel. Het moedertje, dat ik wat gegeven had, wenschte ons zegen en gezondheid, en wij reden, wel voldaan over deze reis, naarl’ Isleterug. Hier vonden wij den maaltijd gereed, in een kamer waar de borstbeelden vanPetrarchaenLauraop den schoorsteen stonden. Nimmer heb ik lekkerder paling, forellen en rivierkreeften gegeten, en het was jammer, dat de wijn, hoewel van de beste soort, die men hier had, ons niet beter smaakte, en wij genoegzaam verpligt waren om enkel water te drinken. De wijn vanProvenceenLanguedocis te zwaar, en heeft een’ smaak, welke voor de meeste menschen, die ’er niet aan gewoon zijn, walgächtig is. Goed koop is het hier niet, wij moesten voor het middagmaal £ 4–:–: de persoon betalen.Nahet eten ging ik de bekoorlijke wandelingen om het stadje bezigtigen, en trad ook even binnen de poort, doch inwendig scheen het niet veel te beteekenen. Voorheen waren hier ook verscheidene Kloosters, want het behoorde aan den Paus; met dat al zijn ’er ook veel Joden. De zijdeteelt, zijdeverwerijen en leêrlooijerijen, maken het voornaamste bedrijf van de inwoners uit.l’Isleis 1½ uur gaans vanVaucluseen 4 uren vanAvignon. Wij reden ’er dan ook eerst tegen, dat de grootste hitte wat overwas, van daan. Nu scheen mij het gezigt op de hoogte nog fraaijer en uitgestrekter dan in het heenrijden. Aan onze regterzijde zagen wij onder anderen van verre een vrij hoogen berg, dien onze voermanle Dojo3noemde, aan de linker deed zich op een goeden afstand, in de valei een keten rotsen op; aan den voet van de hoogte lag het dorpMorières, en regt uit in het verschiet de stadAvignon. In den omtrek vanMorières, en op meêr plaatsen langs dezen weg, vond ik ook velden met meekrap, doch zij staat zoo goed niet, als bij ons. De weg was aanmerkelijk opgedroogd, zoo dat wij nu niet veel hinder van de slijk hadden; wij kwamen dan omstreeks ’s avonds half negen teAvignonterug, en gaven aan onzen voerman, behalve de bedongen vragt £ 3–:–: en dus in ’t geheel eenLouïs d’Oren hij was zeer wel te vreden. ’Er was zeer veel volk op de publieke wandeling, die hier even buiten de poort langs deRhoneis; wij gingen daar dan ook een avondluchtje scheppen. Deze wandeling is digt met ijpe-boomen beplant en zeer lommerrijk, tusschen beide staan steenen banken, en in het midden over de poort, een fraaije tent, waar men ijs en andere ververschingen tegen eenen zeer billijken prijs kan bekomen. Men ontmoet hier ook, hoewel deze stad tot de Staten van zijn Heiligheid behoorde, en van zijnen wegen bestuurd werd, zeer veel galantemeisjes, zelfs naar men verzekerde waren ’er ruim 500 bij de Policie aangeteekend, en de gehele bevolking bedraagt omtrent 20,000 menschen.Bron van Vaucluse.Bron van Vaucluse.Den 5 dezer was het Zondag, en dus gelegenheid, om kerken te zien; voor de omwenteling waren die hier in menigte en schitterden van goud en kostbaarheden. Behalve de Kerken, waren ’er nog twintig zoo Mans- als Vrouwen-Kloosters, thans is dat getal aanmerkelijk verminderd, en ook in verscheidene Kerken, die ik bezigtigde, vond ik niet veel bijzonders. De stad beviel mij vrij wel, men vindt ’er nog al eenige ruime straten en fraaije gebouwen. Een Dame te paard gezeten, en door een’ slaanden Tamboer voorafgegaan, trok mijn aandacht; zij had eenige zeldzame natuurverschijnselen te kijken, en maakte dit bekend. Deze wijze van bekend maken scheen hier gebruikelijk. InAvignonzijn ook verscheidene Boekdrukkerijen; voor deze hielden die zich veel bezig met voornameFranschewerken natedrukken; voor het overigen drukten zij vele theologische geschriften.Het leven vanPetrarchaenz. willende koopen, ging ik in eenige Boekwinkels, en vond ’er onder die vrij groot waren, behalven het leven vanPetrarchakocht ik ook nog een werkje, ten titel voerende:Description de la Fontaine de Vaucluse etc. parJ. GuerinProfesseur etc. Avignon18044. Er staat eenfraai plaatje voor, waarop een gezigt van den waterval en omliggende rotsen, zeer naauwkeurig is afgeteekend, en daar bij eene juiste beschrijving gegeven; bij gelegenheid zend ik u dat boekje, dat u deze opmerkingswaardige bron nader zal leeren kennen5; ook voor de Natuur- en Kruidkundige is daar wat in te leeren. Ik was blijde, dat ik het niet eerder gevonden had, want dan had de verrassing minder aangenaam geweest nu ging ik de bron vanVauclusezien, zonder ’er bijna iets meêr dan den naam van te kennen. In het voorbijgaan zag ik hier ook eene geschutgieterij. Wij hadden onzen intrek genomen in het Hotèl genaamtle Palais Royaldigt bij de poort aan de gemeene wandelplaats uitkomende; het huis ziet ’er juist niet zeer gnap uit, doch over hetzelve staat een nieuw gebouw, hier gaf men ons kamers, die zindelijk en goed waren, en wij betaalden slechts £ 1–10-: voor ieder bed of £ 3–:–: voor een kamer met twee bedden. ’s Middags aten wij aan de algemeene tafel (table d’hote) in een groote zaal, met wel 40 à 50 personen, veelal kooplieden van de kermis (foire) vanBeaucaireterug komende, en met eenige duizende vliegen; want de tafel, de muren, de zolder, alleszag ’er zwart van; ik herinner mij niet van ooit zoo veel van dieinsectenbij elkanderen gezien tehebben; ik kon ze naauwlijks van mijn bord afhouden, vooral was men genoodzaakt om alle schotels,daar zoet bij kwam, te dekken, en bovendien gebruikte men de voorzorg, van de vensters digt tehouden, en het zoo donker te maken, dat men ter naauwernood zien kon. Het was heden weder zeer warm. Het ossen en kalfsvleesch begint hier al schaars te worden, en schapenvleesch is het voorname voedsel. Olij wordt veel in plaats van boter, die hier ook in ’t geheel niet rijkelijk is, gebruikt. Vele groentens, die teParijsen elders overvloedig zijn, onder anderen de frissche salade, die men daarRomainenoemt, vindt men hier weinig of niet; doch daar en tegen heeft men overvloed van geurige meloenen. DeRhoneen andere riviertjes of beken hier omstreeks leveren goeden visch op; ook schijnt het gevogelte, als hoenders, kalkoenen, duiven enz. ’er niet te ontbreken.Na het eten klom ik op de rots,de Donsgenaamt, en waarop het voormalig Pausselijk slot gelegen is, men klimt ’er aan den eenen kant met trappen op, en boven zijnde, heeft men op een soort vanterraseen fraai en uitgestrekt gezigt, over de stad en derzelver omstreek. De geheele stad, behalven deze rots, is in een vlakte gebouwd, en door een’ fraaijen muur omringd. Het voormalig zoogenoemd Pauselijk paleis, is een groot en stevigGothischgebouw, en gelijkt meêr naar een gevangenis, dan naar een paleis; trouwens, een groot gedeelte ’er van dient ook tegenwoordig om ’er de misdadigers in te bewaren; het overige wordt door oude krijgslieden (invalides) bewoond, en men noemt datune sucursale. De voormalige Pausselijke munt, die over dit gebouw staat, wordt thans door de ruiterij, ten dienste van de policie, (Gens d’Armes) bewoond; overigens ziet men op deze rots veel puinhoopen en overblijfsels van gesloopte gebouwen. De eerste Paus, die zijn zetel vanRomehier na toe verplaatste, wasBertrand de Got, genaamdClemensde V., en geboortig vanBazasinGascogne; hij had aanPhilippus le Belbeloofd, om altijd inFrankrijkte zullen blijven, en verlegde zich in 1308 teAvignon, doch had toen, aangaande het wereldlijk bestuur van die plaats, niets in te brengen. In 1348 eerst kochtClemensde VI., vanJohanna, Koningin vanSiciliën, en Gravin vanProvence, de stadAvignon, voor 80,000 guldens. Het GraafschapVenaissinbezaten de Pausen toenreeds. De Pausselijke zetel bleef ’er toen tot 1376, toenGregoriusde XI. (de laatsteFranschePaus tot nu toe) weder naarRomeging wonen, waar hij in 1377 aankwam, en den 27 Maart 1378 stierf. Mij dunkt, indien ’de Pausselijke waardigheid nog lang in stand word gehouden, dat het dan ook zeer mogelijk is, datGregoriusde XI. niet altijd de laatsteFranschePaus blijft. Na dezeGregoriusde XI. zijn ’er tweemaal achter elkanderen twee Pausen te gelijk geweest, waarvan de eene telkens teAvignon, en de andere teRomezijn verblijf hield. De geleerden waren het toen in ’t geheel niet eens onder malkanderen. Vervolgens regeerden de PausenAvignonen het aangelegen Graafschap, door Kardinalenlegaten, en deze wederom doorvice legaten, die teAvignonbun verblijf hielden, en die Onderkoningjes lieten zich daar dan ook ter deeg gelden. Thans is deze stad de hoofdplaats van het Departement vanVaucluse. Oorspronkelijk behoorde zij aan deCavariense Gaulen, en wierd daarna eenRomeinscheVolkplanting (Colonie) kwam door verscheide andere handen aan de Graven vanProvence, vervolgens aan den Paus, en eindelijk aan deFranscheRepubliek. Het afschaffen van de menigte Kloosters en Dom Kapittels, heeft het vertier in deze stad wat verminderd, en eene aanzienlijke somme gelds buiten omloop gebragt. Onder de gangbare munten alhier, ziet men ook zeer veelSpaanschestukjes, doende 20, 10 en 5 stuiversFransch. De menschen zagen ’er vrij gnap en gezonduit, en men vind hier nog al fraaije vrouwen. De kleeding der boerinnen, of liever hunne groote zwarte filten ronde hoeden, beviel mij niet. Zij zijn doorgaans in ’t geheel niet bevallig, en maakten zich door die hoeden nog onbevalliger. Tot een sieraad der burgervrouwen, schijnt even als bij onze Vaderlandsche huismoeders, een schaar aan een zilvere ketting te behoren; boven aan is nog een zilver beugeltje als een sleutelring, doch ik heb ’er geen sleutels aan gezien. HetPatois de Provenceis de gewone spraak, doch de stedelingen spreken ookFransch, hoewel de meesten, onder het zoogenaamde gemeen, zeer slecht. Tegen den avond ging ik weder naar de openbare wandelplaats, waar nu met de zondag veel volk was: het is hier dan ook allerliefst, en om de lommer, en om het aangename gezigt over de rivier. In dezelve ziet men ook nog een gedeelte van eene steenen brug; deze brug in 1188 volbouwd, wierd door den sterken stroom in 1669 vernield, zoo dat ’er nog maar drie of vier bogen van overbleeven; van den kant van de stad gaat men ’er nog op. Die brug is naderhand in hout wel weder bij gebouwd, dochLodewijkde XIV., naar men mij verzekerde, heeft ook de houten brug, daar de rivier aanFrankrijkbehoorde, doen wegnemen, om daardoor de gemeenschap met hetLanguedoksezoo veel mogelijk te belemmeren, en de zijden stoffenfabrieken vanAvignon, die ook aanmerkelijk plagten te zijn, te onderdrukken, om daardoor die vanLyonmeêr te bevoordeelen. DaarAvignonthans aanFrankrijkbehoort, verwacht men, dat de brug weder hersteld zal worden, en men verhaalde mij zelfs, dat ’er reeds een ontwerp dien aangaande begonnen was. Aan den anderen kant van deRhoneover deze stad ziet men tegen de helling van een’ heuvel, het stadjeVilleneuve-lez-Avignon, en bij hetzelve een groot en aanzienelijk gebouw, voorheen eenBenedictijnerAbdij. ’Er werd ook dezen avond in den Schouwburg, dien men hier van een Kerk gemaakt heeft, gespeeld; men gaf ’er onder anderenla Caravane du Caire, groote Opera; noch het tooneel, noch de vertooners waren tot de uitvoering van dit stuk geschikt, doch men moetParijsnaäpen, al zou het dan ook nog zoo gebrekkelijk zijn: behalven deBastaillewas ’er geen een bij, die maar dragelijk zingen kon; ik liep ’er dan ook al heel spoedig uit.Aproposvan zingen, men verbeeldt zig ook vrij algemeen bij ons, dat schier alle menschen inFrankrijkzingen als nachtegalen, en dat onze landslieden ’er ten eenemaal ongeschikt toe zijn; ik heb zelfs teParijsdoor een’ geleerde, in het openbaar sprekende, eens hooren aanvoeren, en dat in goeden ernst, dat deHollandersmisschien zoo slecht en smakeloos zongen, omdat zij alle uren of half uren de klok hoorden spelen, daar dit (zoo men wilde) op hun muzijkaal gehoor een nadeeligen invloed moet hebben; maar ten platten lande, en in verscheide plaatsjes vanFrankrijk, die ik al bezocht heb, spelen geen klokken, ondertusschen hoorde ik nog al dikwijls een boere meisje of knaap, eenwerkgast of spindster, een deuntje zingen; maar deze bragten toch ook alles, behalve aangenaam muzijk en strelende toonen, voor den dag. TeParijsen in de voornaamste steden gaat het beter; maar waarom?—omdat men daar gelegenheid heeft van dagelijks goede zangers en zangeressen te hooren, en omdat ’er een menigte muzijkanten zijn, die de jongelieden onderwijzen, en met dat al vindt men ’er onder de liedjeszangers, en het zoogenaamde gemeene volk nog een menigte, die het niet veel beter maken dan de onze. Velen, zoo inHollandals elders, die natuurlijk een goede stem, en een geschikten aanleg tot de zangkunst zouden hebben, maken ’er, mijns bedunkens, geene vorderingen in, omdat zij geene gelegenheid hebben, om zich behoorlijk te oefenen, of zelfs hunne stem misbruiken en bederven. Het Psalmgezang, bij voorbeeld, zoo het den naam van gezang verdient, geloof ik, dat ’er in ’t geheel geen goed aan doet, dikwijls heb ik in ons Vaderland, vooral in de Nederduitsche Gereformeerde Kerken menschen gezien, die zoo hard schreeuwden, dat zij rood en paarsch werden, en dit leert men den jongelieden al vroeg in de scholen; als of men ’er, in plaats van zangers, nachtroepers of havenwagters, die de schepen moeten praaijen, van wilde maken. Wenschelijk ware het, inderdaad, dat men in ons Vaderland ook hier op eene behoorlijke aandacht vestigde, en gepaste middelen in het werk stelde, om de zoo aangename, en zelfs van den kant van den Godsdienst beschouwd, nuttige zangkunst, meerderte bevorderen en aantekweeken; en ik houde mij verzekerd, dat het aan natuurlijke begaafdheden veel minder zal haperen, dan men schijnt te veronderstellen. Men zinge dan ook Vaderlandsche liederen op eenvoudige welluidende, en op de woorden toepasselijke zangwijzen, in plaats van een menigte laffe en onbetamelijkeFranscheprullen, die onder ons in ’t geheel niet voegen, en die men echter al dikwijls de voorkeur nog geeft boven het goede zangwerk van die natie.Partituur’s Nachts om twaalf uren vertrok ik met den gewonen postwagen (de l’entreprise Generale), vanAvignonnaarMarseille, en betaalde voor een plaats in deCabriolet, dat is te zeggen, voor in, £ 15–:–: en voor mijn koffer, ruim een çentenaar wegende, £5–:–: dezen postwagen vond ik al buitengewoon ruim en vermakelijk. De sterren schenen helder, en hoewel men ’s nachts veel mist, ten opzigten van het gezigt, is het toch aan den anderen kant, in dit jaargetij, weder aangenaam, om de hitte te vermijden. Wij werden door tweeGens d’armeste paard begeleid, omdat ’er gelden of papieren van het Gouvernement op den wagen waren, tot waar men deDuranceovervaart, omtrent een paar uren vanAvignon. De stroom van dezen rivier, die zijn’ oorsprong neemt in deAlpen, is zeer sterk, en daardoor onbevaarbaar, te meêr om de menigte eilandjes en zandbanken, die zich gedurig verplaatsen. Zelfs de bedding van de rivier verlegt zich dikwijls, en de landen hier om streeks worden aanhoudenddoor overstroomingen beschadigd. Bruggen zijn daar dan ook niet gemakkelijk te maken, echter naar ik vernam, was men bezig, om het wat lager dan dit veer met eene houten brug te beproeven. Thans was deDurance, door den aanhoudenden regen, ook zeer hoog. Wij wierden met een soort van pont aan een reep, die echter op verre na zoo gemakkelijk en geschikt niet was, als onze ponten, overgezet, tot een groote zandplaat, of liever bank van keisteentjes, en van daar met een tweede diergelijke pont, tot aan den oever. Dit overzetten hield ons omtrent een half uur op. Even voor het opkomen van de zon, terwijl het vrij sterk daauwde, zag ik omtrent in het zuiden een’ flaauwen regenboog. Toen de zon opkwam, en de daauw optrok, was het zoo frisch, dat wij ’er eenigzins hinder van hadden, dit heeft in deze luchtstreek, en in dit jaargetij, dikwijls plaats, en hoewel het over dag zeer heet is, kan het in den morgenstond zeer koud zijn. Over het algemeen, in dit gedeelte vanFrankrijk, voorheen onder den naam vanProvencebekend, heeft ’er eene zeer groote verscheidenheid in het luchtgestel plaats: om dat men ’er vrij hooge bergen, moerassen, rivieren, vlaktens, en zeestranden heeft. De vruchtbaarheid van den grond is dan ook zeer onderscheiden: men zegt daarom, dat men inProvencete gelijkertijd de vier jaargetijden vindt. Het stadjeOrgon, 3½ post vanAvignon, en daar wij doorreden, na van paarden verwisseld te hebben, zag ’er niet zeer gunstiguit, het ligt tegen eene vrij steile hoogte.Lambesceen ander stadje, omtrent 3 posten verder, beviel mij beter; het is aangenaam gelegen, en de omstreek schijnt nog al vruchtbaar te zijn, tot nog toe anders was de grond over het algemeen steenachtig en onvruchtbaar. In de omstreek vanLambescvindt men marmergroeven. TeSt. Cannat, daar wij omstreeks negen uren aankwamen, wilde men ons al doen eten, dat is te zeggen, een’ maaltijd doen nemen, die het ontbijt en middagmaal in zich vereenigen moest; dit beviel mij niet; ik ging dan met een’ man vanAix, die ook op den postwagen was, in een klein herbergje, waar het ’er vrij gnap uitzag, niet ver van het posthuis; hier gaf men ons persiken, watermeloen, die men hierpastèquenoemt, zoo veel brood, als wij lusten, en een fles vrij goeden wijn, en dit alles koste voor ons beide maar 9Franschestuivers. De vrouw scheen een goede huismoeder te zijn, en hield zich met een paar lieve kinderen bezig; de boer, die teffens hospes was, had een gezond oordeel, en scheen zeer aan de eerste beginselen van de omwenteling gehecht, en daar hij hoorde, dat wij het hieromtrent met hem eens waren, kwam hij met verscheidene gegronde aanmerkingen, aangaande de tegenswoordige tijdsomstandigheden, vrij rondborstig voor den dag. Ik praatte veel met deze goede lieden, en dit ontbijt is zeker een van de aangenaamste, die ik tot hier toe op deze reis aangetroffen heb.—Men wil dat deFranschenover ’t algemeenniet geschikt zijn voor eenen Republikeinschen regeringsvorm, indien ’er evenwel hier en daar sommige huishoudens, als dit gevonden werden, zoo als ik veronderstel, dat zij ’er wel te vinden zijn, als men zich de moeite gaf om ze optezoeken, en de zuivere Republikeinsche grondbeginsels werden wat aangemoedigd, zouden zij ’er wel geschikt voor kunnen worden, dunkt mij.—Mogelijk is dit het oogmerk dan ook wel van het tegenwoordige Gouvernement, en wie kan gelooven, dat al het geene zoo veele groote mannen, vooral ook inFrankrijk, dienaangaande geleerd hebben, geheel zal uitgewischt of in vergetelheid gebragt worden.—Het dorpSt. Cannatbeteekent niet veel, en de grond scheen ’er mij ook al niet zeer vruchtbaar. In het begin van de vorige eeuw ontdekte men een uur van dit dorp aan de zuidzijde, een mijlpaal, die ’er het 21 jaar van de Christelijke jaartelling, onder KeizerTiberius, geplaatst was. De reisweg derRomeinenvanAixnaarArles, liep daar langs. VanSt. CannattotAixrekent men 2 posten, of omtrent 3 mijlen vanProvence; dat is bijna zoo veel uren gaans. De landstreek blijft aanhoudend berg- of rotsachtig en de grond over het algemeen woest. De gezigten, hoewel niet vrolijk, leveren nog al eenige verscheidenheid op, en houden daar door den reizenden aangenaam bezig. Om het onbelemmerd gezigt vooruit, is dan decabrioletook verkiesselijk boven het binnenste van den wagen.Aix, voorheen de hoofdstad vanProvence, thans van het Departementles bouches du Rhone, ligt in eene aangename vlakte aan den voet van verscheidene heuvels; hier begon de natuur weder eene vriendelijke gedaante aantenemen. Wij moesten buiten om de stad rijden en verwisselden daar ook van paarden; doch deConducteurhield zich op mijn verzoek wat op, zoo dat ik den tijd had, om even in de stad te gaan en de fraaije wandeling te zien, en ’er mij een weinig te ververschen; deze stad is de oudste, die deRomeinenonder deGaulengehad hebben; zij werd gebouwd in het land derSalyes, die, volgensStrabo, verdeeld waren in zes cantons, voor dat zij aan deRomeinenonderworpen werden. Zij bestond dus reeds, toen ’er deRomeineneene kolonie naar toe zonden, 46 jaren voor de Kristelijke Jaartelling. Misschien lokten de warme baden, en de nabijheid vanMarseillehen hier naar toe; althans deze kolonie, wierd aanmerkelijk onder die welke deRomeineninProvencehadden. Verscheidene oudheden, opschriften en medailles, die hier van tijd tot tijd gevonden zijn, dienen om meerder licht over de geschiedenis van deze stad te verspreiden. De Graven vanProvencehielden hier hun gewone verblijf, en het Parlement enz. van dieProvinciezijne zitting. Bij mijne terugkomst vanMarseillekom ik hier weder door, zal ’er dan langer trachten te blijven, en ’er u meêr van weten te vertellen. De weg naarMarseilleis aangenaam en zeer levendig, hier en daar fraaije gezigten, buitenplaatsen, fonteinen en boomen; voor de herbergen lag een menigte watermeloenen, die men aan de reizendeom zich te verfrisschen, voor eenen zeer geringen prijs verkoopt; zij zijn zeer sappig, en men houdt ze hier voor gezond, zoo zelfs, dat men ’er, hoewel verhit, gerust van kan eten; doch zij zijn flaauw van smaak. Op de hoogte, een uurtje vanMarseille, heeft men een treffend schoon gezigt; links in het dal ziet men een menigte buitenplaatsen en lusthuizen, die deMarseillanen les Bastidesnoemen, en regts in deMiddellandsche zeetot aan den gezigtseinder: de eilanden, of rotsen die zich als heuvels uit zee verheffen,Pommegue,Bottaneauen de sterkte, die menle Fort d’ Isnoemt, breken op eene aangename wijze het gezigt op dezen uitgestrekten plas; regt uit heeft men de stad, doch die houdt zich nog meest verscholen, en verder een keten van hooge rotsen. De weg bijMarseilleis zeer vrolijk; hier staan een menigte herbergjes (ginguetes) daar veel volk was, rijtuigen, paarden, opgeschikte wandelaars, alles kondigde de nabijheid aan van eene voorname stad. Wij kwamen de poort, die menla porte d’Aixnoemt, binnen. Welk een ongemeene lange regte straat! wat verder is dezelve aan beide zijden met boomen beplant, en daar wandelde in het midden een menigte meestal fraai gekleede Heeren en Dames. Deze wandeling noemt men hier ookle Cours. Op de fraaije en ruime plaats genaamdla canne biere(misschien wel van hetHollandschkanne bier6afkomstig) houdt de wagen stil; hetwas omtrent 7 uren, toen wij aankwamen.AixenMarseillezijn 4 posten van elkander afgelegen. Ik gaf den Conducteur meêr dan gewoonlijk, omdat hij zich om mij teAixeen kwartier langer had opgehouden, en hij was zeer wel te vreden. Hetgrand Hotel des Ambassadeurs, waar ik mijn intrek nam, is hier digt bij. Nu weet gij dat ik teMarseilleben—Vaarwel!1Zie het nevenstaande gezigtje.2Petrarchawierd teArezzoinToscaneden 20 Julij 1304 geboren, en zette zich vervolgens teCarpintrasneder. PausClemensde V. had nu ook zijn Hof teAvignongevestigd. Weldra deed de jongePetrarchaeene bijzondere geschiktheid voor de Dichtkunde blijken, woonde de Universiteiten vanMontpellierenBolognebij, raakte vervolgens in kennis met verscheiden geleerden van dien tijd; ging reizen, na dat hij verliefd was geworden op de schooneLaura, die hij den 6 April 1327 voor het eerst in een Kerk teAvignonontmoette.Laurawerd in het dorpjeNoves, digt bijAvignon, geboren, en was toen in den bloei harer jeugd; zij was kortling gehuwd aan een Edelman, genaamdHugues de Sade, enPetrarchawerd eindelijk sentimenteel verliefd, en ging zich teVauclusein 1337 nederzetten. Den 8 April 1341 werd hij teRomein het Kapitool als Dichter gekroond. In 1348 op denzelfden dag, en op hetzelfde uur, dat hij haar het eerst gezien had, (volgens de Geschiedschrijvers), stierf zijn waardeLaura.Petrarchawas aan het Hof en bij de grooten getrokken. In 1350 kreeg hij een Kanunniksplaats tePadua, werd vervolgens ook een en andermaal in gezantschap gezonden; op het laatst van zijn leven werd hij ziekelijk, en bijzonder door een slaapziekte aangetast, en den 18 Julij 1374 vond men hem dood, leunende op een boek.3Ik geloof dat dit de benaaming inpatoisis, en dat hij eigenlijkMontventouxgenaamd wordt.41: Beschrijving van de bron vanVaucluseenz. doorJ. Guerin, Hoogleeraar enz. Dit, voor de reizigers naardie bron, zeer nuttig boekje, is bij den schrijver zelven teAvignonte bekomen.5Ik voeg hier bij de Muzijk van deRomancedu Rivage de Vaucluse, met het accompagnement voor dePiano forteof deHarp, doorBoïel Dieu. Schoon gijgeen dier Instrumenten tracteert, en uw stem niet aan den zang wagen zult, kent gij misschien wel deze of gene, die gij met die Muziek kunt pleisier doen, en ik geloof dat u de woorden, die vanMarmontelzijn, niet kwalijk bevallen zullen. Zie hier dezelve:Du Rivage de Vauclusel’Amant deLauraen ces mots,En s’eloignant de sa Muse,Fit retentir les Echo’s:o Toi, qui plains le delire,OnLaurea plongé mes sens,Roches, qu’attendrit ma Lyre,Redis encor mes accens.En repondant à mes plaintes,Echos, vous avez appris,Quels sont les vœux et les craintes,d’Un coeur tendre et bien epris.n’Oubliez pas ce langage;Et siLaurequelquefoisVient rever sur ce rivage,Imitez encor ma voix.Ditez-lui que de ses charmes,Tous mes sens sont occupés:Ditez-lui que de mes larmesToujours mes yeux sont trempés,Ma voix ne chantera qu’elle,Mon souvenir ne seraQu’un miroir pur et fidele,Où l’amour me la peindra.Dites-lui, que son imageMa suivra dans le sommeil,Et recevra pour hommageLe soupir de mon Reveil;Que mon oreille attentiveCroira sans cesse écouterLes sons, que sa voix plaintiveVous fit cent fois repêter.Jurez lui qu’envain les graces,Viendraient pour me consoler:Que les amours sur mes tracesSans cesse auraient beau voler.à Leur troupe enchanteresseJe dirais, dans ma douleur,RendezLaureà ma tendresse,Ou laissez couler mes pleurs.Insensible à tout loin d’elle,Rien ne flatte mes Desirs:Je me croiras infidèleDe goûter quelques plaisirs.Sur une rive étrangère:Où le destin me conduit,Une esperance lègèreEst le seul bien qui me suit.Mais siLaurem’est ravie,Si je ne dois plus la voir,Je perdrai bientôt la vie,Quand j’aurai perdu l’espoir.Puisse la parque appaiséeMe laisser après ma mort,Préférer à l’EliséeLes Ombrages de ces bors.Voorts komt dit bericht, uit eenFransch Journaalovergenomen, mij te belangrijk voor, om het u niet vertaald mede te deelen:Den 15 Fructidor I. l. (12 J.) vertrokken de Leden van hetAtheneumvanVaucluse, met het aanbreken van den dag vanAvignon, om zich naar de valei vanVaucluse, vijf mijlen van deze stad gelegen te begeven, en ’er den eersten steen van het gedenkteeken voorPetrarcate leggen, tot welks stichting deze Maatschappij besloten had. HetAtheneumwerd van eene groote menigte Dames en Inwoners vergezeld. De stoet wies bij elken voetstap aan. Doorl’Isletrekkende, had zij het genoegen prachtig en vriendelijk onthaald te worden; maar de overheid van het kleine dorpjeVaucluse, wilde voor die vanl’Isleniet onderdoen in die vanAvignonwel te ontvangen. De plegtigheid begon met eene statelijke mis, na welke de bijeengevloeide schare aanschouwers zich op de afhangende heuvels verspreidde, die aan de bron grenzen, waarheen weldra zich hetAtheneumwendde. De Adjunct vanVaucluseriep het eerst de schim van den minnaar vanLauraaan. De President van hetAtheneumdeed daarop eene redevoering, op de plegtigheid toepasselijk, terwijl tusschen beide verscheide Dichters en Redenaars, en vooral den HeerPiot, de een na den ander een talrijk en uitgezochtAuditorium, belangrijk wisten bezig te houden. Een Ingenieur bood vervolgens den troffel aan den President, die den eersten steen van het gedenkteeken leide. De troffel kwam vervolgens in handen der Leden van de Maatschappij, en in die van verscheidene Dames. Den ganschen dag waren ’er eenvoudige banken aan de boorden vanVaucluseopgeslagen. Men kon toen in waarheid zeggen, dat de echo’s de onsterfelijke namen vanPetrarchaenLauraherhaalden. Onder deze namen mengden de geestdrift en het gevoel, die van den grootenNapoléonen zijne vorstelijke gemalin. Dus vermengden zich in alle monden, in alle harten, de roemrijke namen van een Dichter, die zijne Eeuw tot eer verstrekte, en een held, die de zijne met zijn naam vereert. Openbare spelen verbeiden tel’Islede terugkomst van hetAtheneum, en duurden tot laat in den nacht.6Ik vind geen anderen grond voor deze onderstelling, dan dat in vroeger tijden hier misschien een kroeg was,waar deHollandschematrozen eenkanne bierdronken, en geenFranschkennende, ’er in hunne taal na vroegen.

Marseille, 7Augustus.

’s Morgens van den 4 dezer was het droog, doch het had den ganschen nacht geregend. Zoo veel regen in dit saisoen en in dit gedeelte vanFrankrijk, is inderdaad een ongewoon verschijnsel. Niettegenstaande onze voerman ons veel vertelde van den slechten weg, stapten wij omstreeks vijf uren op het rijtuig, om naar de vermaarde fontein vanVauclusete rijden, men rekent dezelve overl’Isle5½ uur gaans vanAvignonafgelegen; wij hadden een rijtuig op twee wielen, doch op riemen hangende, in den smaak van die, waarmede men vanParijsnaarVersaillesenz. rijdt; het was met twee paarden bespannen, en de voerman zaten postillonop een van dezelven, die soort van rijtuigen zijn ligt, en men kan ’er des noods met vier personen in zitten. Ik had het voor 21 Livres vrij van alle onkosten gehuurd. Een eind weegs buitenAvignonis de weg goed en zeer vlak, aan beide zijden met sloten, weilanden en boomgaarden, van moerbezieboomen beplant. Het heeft hier wel wat van dat gedeelte vanGelderland, waar men zoo veele kersen en andere vruchtboomgaarden vindt. De landstreek wordt vervolgens bergachtig, en men heeft eene verscheidenheid van aangename gezigten. Tot nog toe was de weg vrij goed; doch hier kwamen wij weder tusschen boomgaarden en akkerland. De grond was hier kleiachtig en zoo week, dat wij verpligt waren te voet te gaan, omdat het rijtuig en de paarden ’er zoo diep in raakten, dat zij moeite hadden, om ’er uit te komen. De voerman wees ons een voetpad langs een’ anderen weg, en wij zouden dan op eene zekere hoogte weder bij elkanderen komen; dit ging in den beginne wel genoeg, doch deze weg werd ook zoo slecht, dat wij aan den kant moeite hadden om ons over eind te houden door de glibberigheid, en in ’t midden zakte men ’er tot over de enkels toe in; tusschen beide liepen de slotenover, en men was schier genoodzaakt om te waden. Zoo sukkelden wij wel een half uur voort, eer wij weder bij het rijtuig kwamen. Onze voerman had het niet beter gemaakt dan wij, zijnde verpligt geweest, om bijna altijd naast het rijtuig te gaan, om het te ondersteunen; hij, wij en de gansche boêl zagen ’er deerlijk beslikt uit; en had de weg in ’t begin ten opzigte van het gezigt naarGelderlandgeleken, hier geleek zij wel na dat kleiachtig gedeelte van ons land, waar men ’s winters bijna niet door kan komen; en ik herinnerde mij hier aan een van de onaangenaamste wandelingen van mijn leven, die ik in het najaar van 1801 deed, vanDordtnaar hetnieuwe veer. Wij kwamen vervolgens door het dorpMorières, klommen een’ heuvel op, veelal met wijngaarden en olijfboomen beplant; hier wordt het oog wederom aangenaam vergast; de weg is hobbelig en steenachtig. Hier wees onze voerman ons in een keten heuvels en rotsen, die voor ons lag, en aan dien kant het gezigt bepaalde, de plaats, waar de fontein vanVauclusegelegen was; doch wij waren ’er nog een goed eind weegs van daan, en ik zag nog niets anders dan een bruinächtige rots. Afklimmende kwamen wij nog voorbij een ander dorp, en daarna aan het stadjel’Isle(het eiland) genaamd, waarschijnlijk om dat het riviertjela Sorguehet rondom bespoelt.—welk eene allerliefste landstreek! Wij reden door een fraaije dreef van redelijk zwareplatanus-boomen langs de stad, tot aan een gnappeherberg daarPetrarque et Laureuithangt, hier stapten wij af, aten ter loops een stuk brood, en wat vruchten, waar onder goede meloenen, en bestelden het middagmaal tegen onze terugkomst, vooral goede paling, forellen en rivierkreeften bedingende; want die zijn hier even zoo vermaard als bij ons de baars vanHillegom, of half wegAmsterdam; en schoon anders geen lekkerbek, van daag wilde ik ook eens smullen, want dat behoort bij de reis naarVaucluse, en hij, die de fontein gaat zien, moet ook de visch proeven, die ’er in dat water gevangen wordt. Na het stoffelijk deel wat verkwikt te hebben, en dat was noodig; want wij hadden ons nog al wat vermoeid met door het slijk te loopen, spoedden wij voort en ik was dan zeer nieuwsgierig en verlangende. Welhaast verlaat men het dal en de vrolijke landouw vanl’Isle; het liefelijk stroomende riviertje, dat hier en daar over een dam heen rolt, en een kleinen waterval vormt, de frisch groene weilanden en de akkers met moerbezieboomen beplant. De natuur neemt eene treurige houding aan, de grond wordt steenachtig, hier en daar rijdt men zelfs over de bloote rots; de landstreek is dan ook onvruchtbaar en woest, slechts hier en daar een struikje of een kwijnend olijfboompje. Hoe zeer men de plaats, waar de fontein moet wezen, een’ geruimen tijd voor zich gezien heeft, men kan zich niet verbeelden, dat dit iets ongemeens zal opleveren, en eenigzins aan de verwachting beantwoorden, die men ’er den reiziger vanheeft doen opvatten, en juist dit maakt de nieuwsgierigheid des te sterker gaande; ieder spreekt hier toch van de fontein vanVaucluse, alle vreemdelingen gaan die bijna zien; het Departement is ’er naar genoemd; het moet toch der moeite waardig zijn, en ondertusschen schijnt het niet anders dan een barre rots. Het dorpjeVauclusenaderende, begint het ’er nogthans wat naar te gelijken; hier wordt de natuur schilderachtig; men komt door een’ hobbeligen en kronkelenden, hier en daar zeer smallen weg, langs stukken en brokken van rotsen, in een aangenaam dal, waar deSorguelangs groene oevers, en weelderig groeijende struiken en boomen door slingert. Bij de brug van het dorpje hield de voerman stil, digter bij de fontein kan men met rijtuig niet wel komen. Een oud vrouwtje met haar spinrok in de hand, wachtte ons reeds op, en bood zich aan ons naar de fontein te geleiden. Het was nu omtrent elf uren, de zon scheen helder; het was al een zeer heete dag, en dus niet zeer aangenaam, om te wandelen, doch een nieuwsgierig reiziger laat zich daar door niet afschrikken, en wij begaven ons met onze geleidster, die al vooruit liep, en trachtte te beduiden dat het niet ver was, op weg, ik zeg trachtte te beduiden, want de goede vrouw sprak bijna niet anders dan hetpatoisvan dat land, het geen weinig overeenkomst heeft met hetFransch; door dikwijls hetzelfde te herhalen, en met de handen en oogen te wijzen en te beduiden, begreep ik ’er hier en daar nog al wat van; mij scheenzij genoegzaam te verstaan, maar vergat al gaande en pratende niet te spinnen; en hoewel ’er armoedig uitziende, scheen zij echter gezond en vrolijk. Het dorpjeVaucluseligt tegen en op een barre rots, die door deSorguebespoeld wordt; het is dan onder aan den oever aangenaam en vruchtbaar; doch boven dof en naar. Op den top van een rots bij hetzelve, ziet men de overblijfsels van een vervallen Kasteel, dat men het kasteel vanPetrarquenoemt; doch het behoorde aan de Bisschoppen vanCavaillon, die Heeren waren vanVaucluse. Men klimt, den stroom aan de regterhand latende, naar de bron; haast wordt men door het ontzaggelijk gezigt van een verbazende hooge muur van steile rotsen, die zich als een halve cirkel vertoont, en door de ruischende watervallen, die zich in den stroom opdoen, verrukt. Ter zijde ziet men spitse punten, door de natuur als gedenknaalden opgericht, en vreesselijke klompen steen, door de Eeuwige Almagt als ’t ware op een gestapeld1.—Mensch, met al u ingebeelde grootheid, wat zijt gij hier klein!! Naar mate dat men opklimt, wordt ook de bedding van den stroom hooger, en de bruisschende loop van het water dus hoe langer hoe sterker, zoo dat het schier niet anders gelijkt dan sneeuwwitte schuim. Ik had mij reeds van het snapachtig moedertje ontdaan, en zette mij nu op een brok rots aan den kant van de waterval neder, om daaralles bedaard te overzien. Zeker heeftPetrarchadeze plaats niet uitgekozen, om den lof van zijne schooneLaura2te zingen, want het geweldig gedruis van het water zou de schelste toonen verdoofd hebben; doch hij kon ’er de majestueuseschoonheid der natuur in vloeijende versen beschrijven, ten minste daar toe de ruimste stof in zijn brein verzamelen. Nu ging ik verder op, tot aan de grenzen van dit enge dal, door de steile rots, zoo steil, als of zij regt door was gezaagd, afgeteekend. Aan den voet van dezelve is een ruim onderaardsch gewelf, waar in de bron vanVaucluseopwelt. Het water, in den kom of vijver voor hetzelve, was zoo hoog, dat wij van den boog of opening maar zeer weinig zagen. De oppervlakte van dezen vijver had toen wel 50 voeten diameter. Hier was het water stil en doorschijnende, zoo dat men aan de kanten tot op den grond toe zien kon. Gedurig door de bron gevoed wordende, liep die vijver aanhoudend over, en dit maakte dien heerlijken waterval. Het was hier zeer koel, en door het water, dat bijna ijs koud is, en omdat men ’er geheel beschut is, tegen de zonnestralen; want de steile rots boven de bron helt zelfs eenigzins voorover, en deze rots is van het water af omtrent 700 voeten hoog. Men is hier genoegzaam rondom door ontzaggelijke muren ingesloten, van daar de naamVallis Clausa, daar menVauclusevan gemaakt heeft. De vorschende reiziger leest op deze wanden, als een bevel van de hoogste wijsheid: “Tot hier toe en niet verder,” en treedt eerbiedig terug.—Men ziet niets dan rotsen en water, behalve den treurigen vijgenboom, die uit een spleet van de rots, boven den vijver, niet ver van het water is voortgekomen, en hier en daar een weinig mos, entoch is het zoo verrukkend schoon, dat ik ’er niet van daan kon komen. Eenige jaren vroeger had hier de liefde misschien grootendeels mijne denkbeelden bezig gehouden, thans vervulde verhevener gedachten geheel mijne ziel,—de flaauwe beelden der Eeuwigheid, der Schepping en der Onsterfelijkheid zweefden voor mijn’ geest.—Weg met al die beuzelachtige pracht, waarmede men den godsdienst ontluistert, met al die leerstellingen die ’er menschelijk vernuft heeft bijgehangen!—Al wat menschelijk is, is hier beuzelachtig, en zinkt weg naast de Grootheid van den Schepper, dien men rondom niet anders dan met eerbied kan beschouwen.—Ik knielde niet, ik sprak geen gebed uit,—maar betrachtte, bewonderde, gevoelde en hoopte. Het nieuwe en ongewone der voorwerpen, droeg zekerlijk veel tot deze mijne geestvervoering bij.—Zulk eene verhevene gewaarwording, zulk eene zachte aandoening is onbeschrijfbaar. Doch daar het tijd werd om deze zielstreelende tooneelen te verlaten, vervoegde ik mij weder bij het gezelschap. Wij hadden een fles wijn medegebragt, die onze geleidster aan den kant van de bron gezet had om te verkoelen, hier dronken wij nu een teug van, doch ik verkoos het zuivere water, daar ik bij mijn aankomst reeds van geproefd had, doch niet veel van durfde drinken, omdat ik te warm was. Dit water is zoo klaar als kristal en uitmuntend van smaak. Onze geleidster beduidde mij, dat in den sterken stroom bij den val (cascade) Forellen gevangen werden.Hoe merkbaar was de warmte, toen wij weder in de zon kwamen; doch het is slechts eene kleine wandeling, en wij waren weldra bij het rijtuig; hier keerde ik mij nog eens om, bleef een poos op den stroom en op de rotzen staren, en zeî met aandoening,Vauclusevaarwel. Het moedertje, dat ik wat gegeven had, wenschte ons zegen en gezondheid, en wij reden, wel voldaan over deze reis, naarl’ Isleterug. Hier vonden wij den maaltijd gereed, in een kamer waar de borstbeelden vanPetrarchaenLauraop den schoorsteen stonden. Nimmer heb ik lekkerder paling, forellen en rivierkreeften gegeten, en het was jammer, dat de wijn, hoewel van de beste soort, die men hier had, ons niet beter smaakte, en wij genoegzaam verpligt waren om enkel water te drinken. De wijn vanProvenceenLanguedocis te zwaar, en heeft een’ smaak, welke voor de meeste menschen, die ’er niet aan gewoon zijn, walgächtig is. Goed koop is het hier niet, wij moesten voor het middagmaal £ 4–:–: de persoon betalen.Nahet eten ging ik de bekoorlijke wandelingen om het stadje bezigtigen, en trad ook even binnen de poort, doch inwendig scheen het niet veel te beteekenen. Voorheen waren hier ook verscheidene Kloosters, want het behoorde aan den Paus; met dat al zijn ’er ook veel Joden. De zijdeteelt, zijdeverwerijen en leêrlooijerijen, maken het voornaamste bedrijf van de inwoners uit.l’Isleis 1½ uur gaans vanVaucluseen 4 uren vanAvignon. Wij reden ’er dan ook eerst tegen, dat de grootste hitte wat overwas, van daan. Nu scheen mij het gezigt op de hoogte nog fraaijer en uitgestrekter dan in het heenrijden. Aan onze regterzijde zagen wij onder anderen van verre een vrij hoogen berg, dien onze voermanle Dojo3noemde, aan de linker deed zich op een goeden afstand, in de valei een keten rotsen op; aan den voet van de hoogte lag het dorpMorières, en regt uit in het verschiet de stadAvignon. In den omtrek vanMorières, en op meêr plaatsen langs dezen weg, vond ik ook velden met meekrap, doch zij staat zoo goed niet, als bij ons. De weg was aanmerkelijk opgedroogd, zoo dat wij nu niet veel hinder van de slijk hadden; wij kwamen dan omstreeks ’s avonds half negen teAvignonterug, en gaven aan onzen voerman, behalve de bedongen vragt £ 3–:–: en dus in ’t geheel eenLouïs d’Oren hij was zeer wel te vreden. ’Er was zeer veel volk op de publieke wandeling, die hier even buiten de poort langs deRhoneis; wij gingen daar dan ook een avondluchtje scheppen. Deze wandeling is digt met ijpe-boomen beplant en zeer lommerrijk, tusschen beide staan steenen banken, en in het midden over de poort, een fraaije tent, waar men ijs en andere ververschingen tegen eenen zeer billijken prijs kan bekomen. Men ontmoet hier ook, hoewel deze stad tot de Staten van zijn Heiligheid behoorde, en van zijnen wegen bestuurd werd, zeer veel galantemeisjes, zelfs naar men verzekerde waren ’er ruim 500 bij de Policie aangeteekend, en de gehele bevolking bedraagt omtrent 20,000 menschen.

Bron van Vaucluse.Bron van Vaucluse.

Bron van Vaucluse.

Den 5 dezer was het Zondag, en dus gelegenheid, om kerken te zien; voor de omwenteling waren die hier in menigte en schitterden van goud en kostbaarheden. Behalve de Kerken, waren ’er nog twintig zoo Mans- als Vrouwen-Kloosters, thans is dat getal aanmerkelijk verminderd, en ook in verscheidene Kerken, die ik bezigtigde, vond ik niet veel bijzonders. De stad beviel mij vrij wel, men vindt ’er nog al eenige ruime straten en fraaije gebouwen. Een Dame te paard gezeten, en door een’ slaanden Tamboer voorafgegaan, trok mijn aandacht; zij had eenige zeldzame natuurverschijnselen te kijken, en maakte dit bekend. Deze wijze van bekend maken scheen hier gebruikelijk. InAvignonzijn ook verscheidene Boekdrukkerijen; voor deze hielden die zich veel bezig met voornameFranschewerken natedrukken; voor het overigen drukten zij vele theologische geschriften.Het leven vanPetrarchaenz. willende koopen, ging ik in eenige Boekwinkels, en vond ’er onder die vrij groot waren, behalven het leven vanPetrarchakocht ik ook nog een werkje, ten titel voerende:Description de la Fontaine de Vaucluse etc. parJ. GuerinProfesseur etc. Avignon18044. Er staat eenfraai plaatje voor, waarop een gezigt van den waterval en omliggende rotsen, zeer naauwkeurig is afgeteekend, en daar bij eene juiste beschrijving gegeven; bij gelegenheid zend ik u dat boekje, dat u deze opmerkingswaardige bron nader zal leeren kennen5; ook voor de Natuur- en Kruidkundige is daar wat in te leeren. Ik was blijde, dat ik het niet eerder gevonden had, want dan had de verrassing minder aangenaam geweest nu ging ik de bron vanVauclusezien, zonder ’er bijna iets meêr dan den naam van te kennen. In het voorbijgaan zag ik hier ook eene geschutgieterij. Wij hadden onzen intrek genomen in het Hotèl genaamtle Palais Royaldigt bij de poort aan de gemeene wandelplaats uitkomende; het huis ziet ’er juist niet zeer gnap uit, doch over hetzelve staat een nieuw gebouw, hier gaf men ons kamers, die zindelijk en goed waren, en wij betaalden slechts £ 1–10-: voor ieder bed of £ 3–:–: voor een kamer met twee bedden. ’s Middags aten wij aan de algemeene tafel (table d’hote) in een groote zaal, met wel 40 à 50 personen, veelal kooplieden van de kermis (foire) vanBeaucaireterug komende, en met eenige duizende vliegen; want de tafel, de muren, de zolder, alleszag ’er zwart van; ik herinner mij niet van ooit zoo veel van dieinsectenbij elkanderen gezien tehebben; ik kon ze naauwlijks van mijn bord afhouden, vooral was men genoodzaakt om alle schotels,daar zoet bij kwam, te dekken, en bovendien gebruikte men de voorzorg, van de vensters digt tehouden, en het zoo donker te maken, dat men ter naauwernood zien kon. Het was heden weder zeer warm. Het ossen en kalfsvleesch begint hier al schaars te worden, en schapenvleesch is het voorname voedsel. Olij wordt veel in plaats van boter, die hier ook in ’t geheel niet rijkelijk is, gebruikt. Vele groentens, die teParijsen elders overvloedig zijn, onder anderen de frissche salade, die men daarRomainenoemt, vindt men hier weinig of niet; doch daar en tegen heeft men overvloed van geurige meloenen. DeRhoneen andere riviertjes of beken hier omstreeks leveren goeden visch op; ook schijnt het gevogelte, als hoenders, kalkoenen, duiven enz. ’er niet te ontbreken.Na het eten klom ik op de rots,de Donsgenaamt, en waarop het voormalig Pausselijk slot gelegen is, men klimt ’er aan den eenen kant met trappen op, en boven zijnde, heeft men op een soort vanterraseen fraai en uitgestrekt gezigt, over de stad en derzelver omstreek. De geheele stad, behalven deze rots, is in een vlakte gebouwd, en door een’ fraaijen muur omringd. Het voormalig zoogenoemd Pauselijk paleis, is een groot en stevigGothischgebouw, en gelijkt meêr naar een gevangenis, dan naar een paleis; trouwens, een groot gedeelte ’er van dient ook tegenwoordig om ’er de misdadigers in te bewaren; het overige wordt door oude krijgslieden (invalides) bewoond, en men noemt datune sucursale. De voormalige Pausselijke munt, die over dit gebouw staat, wordt thans door de ruiterij, ten dienste van de policie, (Gens d’Armes) bewoond; overigens ziet men op deze rots veel puinhoopen en overblijfsels van gesloopte gebouwen. De eerste Paus, die zijn zetel vanRomehier na toe verplaatste, wasBertrand de Got, genaamdClemensde V., en geboortig vanBazasinGascogne; hij had aanPhilippus le Belbeloofd, om altijd inFrankrijkte zullen blijven, en verlegde zich in 1308 teAvignon, doch had toen, aangaande het wereldlijk bestuur van die plaats, niets in te brengen. In 1348 eerst kochtClemensde VI., vanJohanna, Koningin vanSiciliën, en Gravin vanProvence, de stadAvignon, voor 80,000 guldens. Het GraafschapVenaissinbezaten de Pausen toenreeds. De Pausselijke zetel bleef ’er toen tot 1376, toenGregoriusde XI. (de laatsteFranschePaus tot nu toe) weder naarRomeging wonen, waar hij in 1377 aankwam, en den 27 Maart 1378 stierf. Mij dunkt, indien ’de Pausselijke waardigheid nog lang in stand word gehouden, dat het dan ook zeer mogelijk is, datGregoriusde XI. niet altijd de laatsteFranschePaus blijft. Na dezeGregoriusde XI. zijn ’er tweemaal achter elkanderen twee Pausen te gelijk geweest, waarvan de eene telkens teAvignon, en de andere teRomezijn verblijf hield. De geleerden waren het toen in ’t geheel niet eens onder malkanderen. Vervolgens regeerden de PausenAvignonen het aangelegen Graafschap, door Kardinalenlegaten, en deze wederom doorvice legaten, die teAvignonbun verblijf hielden, en die Onderkoningjes lieten zich daar dan ook ter deeg gelden. Thans is deze stad de hoofdplaats van het Departement vanVaucluse. Oorspronkelijk behoorde zij aan deCavariense Gaulen, en wierd daarna eenRomeinscheVolkplanting (Colonie) kwam door verscheide andere handen aan de Graven vanProvence, vervolgens aan den Paus, en eindelijk aan deFranscheRepubliek. Het afschaffen van de menigte Kloosters en Dom Kapittels, heeft het vertier in deze stad wat verminderd, en eene aanzienlijke somme gelds buiten omloop gebragt. Onder de gangbare munten alhier, ziet men ook zeer veelSpaanschestukjes, doende 20, 10 en 5 stuiversFransch. De menschen zagen ’er vrij gnap en gezonduit, en men vind hier nog al fraaije vrouwen. De kleeding der boerinnen, of liever hunne groote zwarte filten ronde hoeden, beviel mij niet. Zij zijn doorgaans in ’t geheel niet bevallig, en maakten zich door die hoeden nog onbevalliger. Tot een sieraad der burgervrouwen, schijnt even als bij onze Vaderlandsche huismoeders, een schaar aan een zilvere ketting te behoren; boven aan is nog een zilver beugeltje als een sleutelring, doch ik heb ’er geen sleutels aan gezien. HetPatois de Provenceis de gewone spraak, doch de stedelingen spreken ookFransch, hoewel de meesten, onder het zoogenaamde gemeen, zeer slecht. Tegen den avond ging ik weder naar de openbare wandelplaats, waar nu met de zondag veel volk was: het is hier dan ook allerliefst, en om de lommer, en om het aangename gezigt over de rivier. In dezelve ziet men ook nog een gedeelte van eene steenen brug; deze brug in 1188 volbouwd, wierd door den sterken stroom in 1669 vernield, zoo dat ’er nog maar drie of vier bogen van overbleeven; van den kant van de stad gaat men ’er nog op. Die brug is naderhand in hout wel weder bij gebouwd, dochLodewijkde XIV., naar men mij verzekerde, heeft ook de houten brug, daar de rivier aanFrankrijkbehoorde, doen wegnemen, om daardoor de gemeenschap met hetLanguedoksezoo veel mogelijk te belemmeren, en de zijden stoffenfabrieken vanAvignon, die ook aanmerkelijk plagten te zijn, te onderdrukken, om daardoor die vanLyonmeêr te bevoordeelen. DaarAvignonthans aanFrankrijkbehoort, verwacht men, dat de brug weder hersteld zal worden, en men verhaalde mij zelfs, dat ’er reeds een ontwerp dien aangaande begonnen was. Aan den anderen kant van deRhoneover deze stad ziet men tegen de helling van een’ heuvel, het stadjeVilleneuve-lez-Avignon, en bij hetzelve een groot en aanzienelijk gebouw, voorheen eenBenedictijnerAbdij. ’Er werd ook dezen avond in den Schouwburg, dien men hier van een Kerk gemaakt heeft, gespeeld; men gaf ’er onder anderenla Caravane du Caire, groote Opera; noch het tooneel, noch de vertooners waren tot de uitvoering van dit stuk geschikt, doch men moetParijsnaäpen, al zou het dan ook nog zoo gebrekkelijk zijn: behalven deBastaillewas ’er geen een bij, die maar dragelijk zingen kon; ik liep ’er dan ook al heel spoedig uit.Aproposvan zingen, men verbeeldt zig ook vrij algemeen bij ons, dat schier alle menschen inFrankrijkzingen als nachtegalen, en dat onze landslieden ’er ten eenemaal ongeschikt toe zijn; ik heb zelfs teParijsdoor een’ geleerde, in het openbaar sprekende, eens hooren aanvoeren, en dat in goeden ernst, dat deHollandersmisschien zoo slecht en smakeloos zongen, omdat zij alle uren of half uren de klok hoorden spelen, daar dit (zoo men wilde) op hun muzijkaal gehoor een nadeeligen invloed moet hebben; maar ten platten lande, en in verscheide plaatsjes vanFrankrijk, die ik al bezocht heb, spelen geen klokken, ondertusschen hoorde ik nog al dikwijls een boere meisje of knaap, eenwerkgast of spindster, een deuntje zingen; maar deze bragten toch ook alles, behalve aangenaam muzijk en strelende toonen, voor den dag. TeParijsen in de voornaamste steden gaat het beter; maar waarom?—omdat men daar gelegenheid heeft van dagelijks goede zangers en zangeressen te hooren, en omdat ’er een menigte muzijkanten zijn, die de jongelieden onderwijzen, en met dat al vindt men ’er onder de liedjeszangers, en het zoogenaamde gemeene volk nog een menigte, die het niet veel beter maken dan de onze. Velen, zoo inHollandals elders, die natuurlijk een goede stem, en een geschikten aanleg tot de zangkunst zouden hebben, maken ’er, mijns bedunkens, geene vorderingen in, omdat zij geene gelegenheid hebben, om zich behoorlijk te oefenen, of zelfs hunne stem misbruiken en bederven. Het Psalmgezang, bij voorbeeld, zoo het den naam van gezang verdient, geloof ik, dat ’er in ’t geheel geen goed aan doet, dikwijls heb ik in ons Vaderland, vooral in de Nederduitsche Gereformeerde Kerken menschen gezien, die zoo hard schreeuwden, dat zij rood en paarsch werden, en dit leert men den jongelieden al vroeg in de scholen; als of men ’er, in plaats van zangers, nachtroepers of havenwagters, die de schepen moeten praaijen, van wilde maken. Wenschelijk ware het, inderdaad, dat men in ons Vaderland ook hier op eene behoorlijke aandacht vestigde, en gepaste middelen in het werk stelde, om de zoo aangename, en zelfs van den kant van den Godsdienst beschouwd, nuttige zangkunst, meerderte bevorderen en aantekweeken; en ik houde mij verzekerd, dat het aan natuurlijke begaafdheden veel minder zal haperen, dan men schijnt te veronderstellen. Men zinge dan ook Vaderlandsche liederen op eenvoudige welluidende, en op de woorden toepasselijke zangwijzen, in plaats van een menigte laffe en onbetamelijkeFranscheprullen, die onder ons in ’t geheel niet voegen, en die men echter al dikwijls de voorkeur nog geeft boven het goede zangwerk van die natie.

Partituur

’s Nachts om twaalf uren vertrok ik met den gewonen postwagen (de l’entreprise Generale), vanAvignonnaarMarseille, en betaalde voor een plaats in deCabriolet, dat is te zeggen, voor in, £ 15–:–: en voor mijn koffer, ruim een çentenaar wegende, £5–:–: dezen postwagen vond ik al buitengewoon ruim en vermakelijk. De sterren schenen helder, en hoewel men ’s nachts veel mist, ten opzigten van het gezigt, is het toch aan den anderen kant, in dit jaargetij, weder aangenaam, om de hitte te vermijden. Wij werden door tweeGens d’armeste paard begeleid, omdat ’er gelden of papieren van het Gouvernement op den wagen waren, tot waar men deDuranceovervaart, omtrent een paar uren vanAvignon. De stroom van dezen rivier, die zijn’ oorsprong neemt in deAlpen, is zeer sterk, en daardoor onbevaarbaar, te meêr om de menigte eilandjes en zandbanken, die zich gedurig verplaatsen. Zelfs de bedding van de rivier verlegt zich dikwijls, en de landen hier om streeks worden aanhoudenddoor overstroomingen beschadigd. Bruggen zijn daar dan ook niet gemakkelijk te maken, echter naar ik vernam, was men bezig, om het wat lager dan dit veer met eene houten brug te beproeven. Thans was deDurance, door den aanhoudenden regen, ook zeer hoog. Wij wierden met een soort van pont aan een reep, die echter op verre na zoo gemakkelijk en geschikt niet was, als onze ponten, overgezet, tot een groote zandplaat, of liever bank van keisteentjes, en van daar met een tweede diergelijke pont, tot aan den oever. Dit overzetten hield ons omtrent een half uur op. Even voor het opkomen van de zon, terwijl het vrij sterk daauwde, zag ik omtrent in het zuiden een’ flaauwen regenboog. Toen de zon opkwam, en de daauw optrok, was het zoo frisch, dat wij ’er eenigzins hinder van hadden, dit heeft in deze luchtstreek, en in dit jaargetij, dikwijls plaats, en hoewel het over dag zeer heet is, kan het in den morgenstond zeer koud zijn. Over het algemeen, in dit gedeelte vanFrankrijk, voorheen onder den naam vanProvencebekend, heeft ’er eene zeer groote verscheidenheid in het luchtgestel plaats: om dat men ’er vrij hooge bergen, moerassen, rivieren, vlaktens, en zeestranden heeft. De vruchtbaarheid van den grond is dan ook zeer onderscheiden: men zegt daarom, dat men inProvencete gelijkertijd de vier jaargetijden vindt. Het stadjeOrgon, 3½ post vanAvignon, en daar wij doorreden, na van paarden verwisseld te hebben, zag ’er niet zeer gunstiguit, het ligt tegen eene vrij steile hoogte.Lambesceen ander stadje, omtrent 3 posten verder, beviel mij beter; het is aangenaam gelegen, en de omstreek schijnt nog al vruchtbaar te zijn, tot nog toe anders was de grond over het algemeen steenachtig en onvruchtbaar. In de omstreek vanLambescvindt men marmergroeven. TeSt. Cannat, daar wij omstreeks negen uren aankwamen, wilde men ons al doen eten, dat is te zeggen, een’ maaltijd doen nemen, die het ontbijt en middagmaal in zich vereenigen moest; dit beviel mij niet; ik ging dan met een’ man vanAix, die ook op den postwagen was, in een klein herbergje, waar het ’er vrij gnap uitzag, niet ver van het posthuis; hier gaf men ons persiken, watermeloen, die men hierpastèquenoemt, zoo veel brood, als wij lusten, en een fles vrij goeden wijn, en dit alles koste voor ons beide maar 9Franschestuivers. De vrouw scheen een goede huismoeder te zijn, en hield zich met een paar lieve kinderen bezig; de boer, die teffens hospes was, had een gezond oordeel, en scheen zeer aan de eerste beginselen van de omwenteling gehecht, en daar hij hoorde, dat wij het hieromtrent met hem eens waren, kwam hij met verscheidene gegronde aanmerkingen, aangaande de tegenswoordige tijdsomstandigheden, vrij rondborstig voor den dag. Ik praatte veel met deze goede lieden, en dit ontbijt is zeker een van de aangenaamste, die ik tot hier toe op deze reis aangetroffen heb.—Men wil dat deFranschenover ’t algemeenniet geschikt zijn voor eenen Republikeinschen regeringsvorm, indien ’er evenwel hier en daar sommige huishoudens, als dit gevonden werden, zoo als ik veronderstel, dat zij ’er wel te vinden zijn, als men zich de moeite gaf om ze optezoeken, en de zuivere Republikeinsche grondbeginsels werden wat aangemoedigd, zouden zij ’er wel geschikt voor kunnen worden, dunkt mij.—Mogelijk is dit het oogmerk dan ook wel van het tegenwoordige Gouvernement, en wie kan gelooven, dat al het geene zoo veele groote mannen, vooral ook inFrankrijk, dienaangaande geleerd hebben, geheel zal uitgewischt of in vergetelheid gebragt worden.—Het dorpSt. Cannatbeteekent niet veel, en de grond scheen ’er mij ook al niet zeer vruchtbaar. In het begin van de vorige eeuw ontdekte men een uur van dit dorp aan de zuidzijde, een mijlpaal, die ’er het 21 jaar van de Christelijke jaartelling, onder KeizerTiberius, geplaatst was. De reisweg derRomeinenvanAixnaarArles, liep daar langs. VanSt. CannattotAixrekent men 2 posten, of omtrent 3 mijlen vanProvence; dat is bijna zoo veel uren gaans. De landstreek blijft aanhoudend berg- of rotsachtig en de grond over het algemeen woest. De gezigten, hoewel niet vrolijk, leveren nog al eenige verscheidenheid op, en houden daar door den reizenden aangenaam bezig. Om het onbelemmerd gezigt vooruit, is dan decabrioletook verkiesselijk boven het binnenste van den wagen.Aix, voorheen de hoofdstad vanProvence, thans van het Departementles bouches du Rhone, ligt in eene aangename vlakte aan den voet van verscheidene heuvels; hier begon de natuur weder eene vriendelijke gedaante aantenemen. Wij moesten buiten om de stad rijden en verwisselden daar ook van paarden; doch deConducteurhield zich op mijn verzoek wat op, zoo dat ik den tijd had, om even in de stad te gaan en de fraaije wandeling te zien, en ’er mij een weinig te ververschen; deze stad is de oudste, die deRomeinenonder deGaulengehad hebben; zij werd gebouwd in het land derSalyes, die, volgensStrabo, verdeeld waren in zes cantons, voor dat zij aan deRomeinenonderworpen werden. Zij bestond dus reeds, toen ’er deRomeineneene kolonie naar toe zonden, 46 jaren voor de Kristelijke Jaartelling. Misschien lokten de warme baden, en de nabijheid vanMarseillehen hier naar toe; althans deze kolonie, wierd aanmerkelijk onder die welke deRomeineninProvencehadden. Verscheidene oudheden, opschriften en medailles, die hier van tijd tot tijd gevonden zijn, dienen om meerder licht over de geschiedenis van deze stad te verspreiden. De Graven vanProvencehielden hier hun gewone verblijf, en het Parlement enz. van dieProvinciezijne zitting. Bij mijne terugkomst vanMarseillekom ik hier weder door, zal ’er dan langer trachten te blijven, en ’er u meêr van weten te vertellen. De weg naarMarseilleis aangenaam en zeer levendig, hier en daar fraaije gezigten, buitenplaatsen, fonteinen en boomen; voor de herbergen lag een menigte watermeloenen, die men aan de reizendeom zich te verfrisschen, voor eenen zeer geringen prijs verkoopt; zij zijn zeer sappig, en men houdt ze hier voor gezond, zoo zelfs, dat men ’er, hoewel verhit, gerust van kan eten; doch zij zijn flaauw van smaak. Op de hoogte, een uurtje vanMarseille, heeft men een treffend schoon gezigt; links in het dal ziet men een menigte buitenplaatsen en lusthuizen, die deMarseillanen les Bastidesnoemen, en regts in deMiddellandsche zeetot aan den gezigtseinder: de eilanden, of rotsen die zich als heuvels uit zee verheffen,Pommegue,Bottaneauen de sterkte, die menle Fort d’ Isnoemt, breken op eene aangename wijze het gezigt op dezen uitgestrekten plas; regt uit heeft men de stad, doch die houdt zich nog meest verscholen, en verder een keten van hooge rotsen. De weg bijMarseilleis zeer vrolijk; hier staan een menigte herbergjes (ginguetes) daar veel volk was, rijtuigen, paarden, opgeschikte wandelaars, alles kondigde de nabijheid aan van eene voorname stad. Wij kwamen de poort, die menla porte d’Aixnoemt, binnen. Welk een ongemeene lange regte straat! wat verder is dezelve aan beide zijden met boomen beplant, en daar wandelde in het midden een menigte meestal fraai gekleede Heeren en Dames. Deze wandeling noemt men hier ookle Cours. Op de fraaije en ruime plaats genaamdla canne biere(misschien wel van hetHollandschkanne bier6afkomstig) houdt de wagen stil; hetwas omtrent 7 uren, toen wij aankwamen.AixenMarseillezijn 4 posten van elkander afgelegen. Ik gaf den Conducteur meêr dan gewoonlijk, omdat hij zich om mij teAixeen kwartier langer had opgehouden, en hij was zeer wel te vreden. Hetgrand Hotel des Ambassadeurs, waar ik mijn intrek nam, is hier digt bij. Nu weet gij dat ik teMarseilleben—Vaarwel!

1Zie het nevenstaande gezigtje.2Petrarchawierd teArezzoinToscaneden 20 Julij 1304 geboren, en zette zich vervolgens teCarpintrasneder. PausClemensde V. had nu ook zijn Hof teAvignongevestigd. Weldra deed de jongePetrarchaeene bijzondere geschiktheid voor de Dichtkunde blijken, woonde de Universiteiten vanMontpellierenBolognebij, raakte vervolgens in kennis met verscheiden geleerden van dien tijd; ging reizen, na dat hij verliefd was geworden op de schooneLaura, die hij den 6 April 1327 voor het eerst in een Kerk teAvignonontmoette.Laurawerd in het dorpjeNoves, digt bijAvignon, geboren, en was toen in den bloei harer jeugd; zij was kortling gehuwd aan een Edelman, genaamdHugues de Sade, enPetrarchawerd eindelijk sentimenteel verliefd, en ging zich teVauclusein 1337 nederzetten. Den 8 April 1341 werd hij teRomein het Kapitool als Dichter gekroond. In 1348 op denzelfden dag, en op hetzelfde uur, dat hij haar het eerst gezien had, (volgens de Geschiedschrijvers), stierf zijn waardeLaura.Petrarchawas aan het Hof en bij de grooten getrokken. In 1350 kreeg hij een Kanunniksplaats tePadua, werd vervolgens ook een en andermaal in gezantschap gezonden; op het laatst van zijn leven werd hij ziekelijk, en bijzonder door een slaapziekte aangetast, en den 18 Julij 1374 vond men hem dood, leunende op een boek.3Ik geloof dat dit de benaaming inpatoisis, en dat hij eigenlijkMontventouxgenaamd wordt.41: Beschrijving van de bron vanVaucluseenz. doorJ. Guerin, Hoogleeraar enz. Dit, voor de reizigers naardie bron, zeer nuttig boekje, is bij den schrijver zelven teAvignonte bekomen.5Ik voeg hier bij de Muzijk van deRomancedu Rivage de Vaucluse, met het accompagnement voor dePiano forteof deHarp, doorBoïel Dieu. Schoon gijgeen dier Instrumenten tracteert, en uw stem niet aan den zang wagen zult, kent gij misschien wel deze of gene, die gij met die Muziek kunt pleisier doen, en ik geloof dat u de woorden, die vanMarmontelzijn, niet kwalijk bevallen zullen. Zie hier dezelve:Du Rivage de Vauclusel’Amant deLauraen ces mots,En s’eloignant de sa Muse,Fit retentir les Echo’s:o Toi, qui plains le delire,OnLaurea plongé mes sens,Roches, qu’attendrit ma Lyre,Redis encor mes accens.En repondant à mes plaintes,Echos, vous avez appris,Quels sont les vœux et les craintes,d’Un coeur tendre et bien epris.n’Oubliez pas ce langage;Et siLaurequelquefoisVient rever sur ce rivage,Imitez encor ma voix.Ditez-lui que de ses charmes,Tous mes sens sont occupés:Ditez-lui que de mes larmesToujours mes yeux sont trempés,Ma voix ne chantera qu’elle,Mon souvenir ne seraQu’un miroir pur et fidele,Où l’amour me la peindra.Dites-lui, que son imageMa suivra dans le sommeil,Et recevra pour hommageLe soupir de mon Reveil;Que mon oreille attentiveCroira sans cesse écouterLes sons, que sa voix plaintiveVous fit cent fois repêter.Jurez lui qu’envain les graces,Viendraient pour me consoler:Que les amours sur mes tracesSans cesse auraient beau voler.à Leur troupe enchanteresseJe dirais, dans ma douleur,RendezLaureà ma tendresse,Ou laissez couler mes pleurs.Insensible à tout loin d’elle,Rien ne flatte mes Desirs:Je me croiras infidèleDe goûter quelques plaisirs.Sur une rive étrangère:Où le destin me conduit,Une esperance lègèreEst le seul bien qui me suit.Mais siLaurem’est ravie,Si je ne dois plus la voir,Je perdrai bientôt la vie,Quand j’aurai perdu l’espoir.Puisse la parque appaiséeMe laisser après ma mort,Préférer à l’EliséeLes Ombrages de ces bors.Voorts komt dit bericht, uit eenFransch Journaalovergenomen, mij te belangrijk voor, om het u niet vertaald mede te deelen:Den 15 Fructidor I. l. (12 J.) vertrokken de Leden van hetAtheneumvanVaucluse, met het aanbreken van den dag vanAvignon, om zich naar de valei vanVaucluse, vijf mijlen van deze stad gelegen te begeven, en ’er den eersten steen van het gedenkteeken voorPetrarcate leggen, tot welks stichting deze Maatschappij besloten had. HetAtheneumwerd van eene groote menigte Dames en Inwoners vergezeld. De stoet wies bij elken voetstap aan. Doorl’Isletrekkende, had zij het genoegen prachtig en vriendelijk onthaald te worden; maar de overheid van het kleine dorpjeVaucluse, wilde voor die vanl’Isleniet onderdoen in die vanAvignonwel te ontvangen. De plegtigheid begon met eene statelijke mis, na welke de bijeengevloeide schare aanschouwers zich op de afhangende heuvels verspreidde, die aan de bron grenzen, waarheen weldra zich hetAtheneumwendde. De Adjunct vanVaucluseriep het eerst de schim van den minnaar vanLauraaan. De President van hetAtheneumdeed daarop eene redevoering, op de plegtigheid toepasselijk, terwijl tusschen beide verscheide Dichters en Redenaars, en vooral den HeerPiot, de een na den ander een talrijk en uitgezochtAuditorium, belangrijk wisten bezig te houden. Een Ingenieur bood vervolgens den troffel aan den President, die den eersten steen van het gedenkteeken leide. De troffel kwam vervolgens in handen der Leden van de Maatschappij, en in die van verscheidene Dames. Den ganschen dag waren ’er eenvoudige banken aan de boorden vanVaucluseopgeslagen. Men kon toen in waarheid zeggen, dat de echo’s de onsterfelijke namen vanPetrarchaenLauraherhaalden. Onder deze namen mengden de geestdrift en het gevoel, die van den grootenNapoléonen zijne vorstelijke gemalin. Dus vermengden zich in alle monden, in alle harten, de roemrijke namen van een Dichter, die zijne Eeuw tot eer verstrekte, en een held, die de zijne met zijn naam vereert. Openbare spelen verbeiden tel’Islede terugkomst van hetAtheneum, en duurden tot laat in den nacht.6Ik vind geen anderen grond voor deze onderstelling, dan dat in vroeger tijden hier misschien een kroeg was,waar deHollandschematrozen eenkanne bierdronken, en geenFranschkennende, ’er in hunne taal na vroegen.

1Zie het nevenstaande gezigtje.

2Petrarchawierd teArezzoinToscaneden 20 Julij 1304 geboren, en zette zich vervolgens teCarpintrasneder. PausClemensde V. had nu ook zijn Hof teAvignongevestigd. Weldra deed de jongePetrarchaeene bijzondere geschiktheid voor de Dichtkunde blijken, woonde de Universiteiten vanMontpellierenBolognebij, raakte vervolgens in kennis met verscheiden geleerden van dien tijd; ging reizen, na dat hij verliefd was geworden op de schooneLaura, die hij den 6 April 1327 voor het eerst in een Kerk teAvignonontmoette.Laurawerd in het dorpjeNoves, digt bijAvignon, geboren, en was toen in den bloei harer jeugd; zij was kortling gehuwd aan een Edelman, genaamdHugues de Sade, enPetrarchawerd eindelijk sentimenteel verliefd, en ging zich teVauclusein 1337 nederzetten. Den 8 April 1341 werd hij teRomein het Kapitool als Dichter gekroond. In 1348 op denzelfden dag, en op hetzelfde uur, dat hij haar het eerst gezien had, (volgens de Geschiedschrijvers), stierf zijn waardeLaura.Petrarchawas aan het Hof en bij de grooten getrokken. In 1350 kreeg hij een Kanunniksplaats tePadua, werd vervolgens ook een en andermaal in gezantschap gezonden; op het laatst van zijn leven werd hij ziekelijk, en bijzonder door een slaapziekte aangetast, en den 18 Julij 1374 vond men hem dood, leunende op een boek.

3Ik geloof dat dit de benaaming inpatoisis, en dat hij eigenlijkMontventouxgenaamd wordt.

41: Beschrijving van de bron vanVaucluseenz. doorJ. Guerin, Hoogleeraar enz. Dit, voor de reizigers naardie bron, zeer nuttig boekje, is bij den schrijver zelven teAvignonte bekomen.

5Ik voeg hier bij de Muzijk van deRomancedu Rivage de Vaucluse, met het accompagnement voor dePiano forteof deHarp, doorBoïel Dieu. Schoon gijgeen dier Instrumenten tracteert, en uw stem niet aan den zang wagen zult, kent gij misschien wel deze of gene, die gij met die Muziek kunt pleisier doen, en ik geloof dat u de woorden, die vanMarmontelzijn, niet kwalijk bevallen zullen. Zie hier dezelve:

Du Rivage de Vauclusel’Amant deLauraen ces mots,En s’eloignant de sa Muse,Fit retentir les Echo’s:o Toi, qui plains le delire,OnLaurea plongé mes sens,Roches, qu’attendrit ma Lyre,Redis encor mes accens.En repondant à mes plaintes,Echos, vous avez appris,Quels sont les vœux et les craintes,d’Un coeur tendre et bien epris.n’Oubliez pas ce langage;Et siLaurequelquefoisVient rever sur ce rivage,Imitez encor ma voix.Ditez-lui que de ses charmes,Tous mes sens sont occupés:Ditez-lui que de mes larmesToujours mes yeux sont trempés,Ma voix ne chantera qu’elle,Mon souvenir ne seraQu’un miroir pur et fidele,Où l’amour me la peindra.Dites-lui, que son imageMa suivra dans le sommeil,Et recevra pour hommageLe soupir de mon Reveil;Que mon oreille attentiveCroira sans cesse écouterLes sons, que sa voix plaintiveVous fit cent fois repêter.Jurez lui qu’envain les graces,Viendraient pour me consoler:Que les amours sur mes tracesSans cesse auraient beau voler.à Leur troupe enchanteresseJe dirais, dans ma douleur,RendezLaureà ma tendresse,Ou laissez couler mes pleurs.Insensible à tout loin d’elle,Rien ne flatte mes Desirs:Je me croiras infidèleDe goûter quelques plaisirs.Sur une rive étrangère:Où le destin me conduit,Une esperance lègèreEst le seul bien qui me suit.Mais siLaurem’est ravie,Si je ne dois plus la voir,Je perdrai bientôt la vie,Quand j’aurai perdu l’espoir.Puisse la parque appaiséeMe laisser après ma mort,Préférer à l’EliséeLes Ombrages de ces bors.

Du Rivage de Vauclusel’Amant deLauraen ces mots,En s’eloignant de sa Muse,Fit retentir les Echo’s:o Toi, qui plains le delire,OnLaurea plongé mes sens,Roches, qu’attendrit ma Lyre,Redis encor mes accens.En repondant à mes plaintes,Echos, vous avez appris,Quels sont les vœux et les craintes,d’Un coeur tendre et bien epris.n’Oubliez pas ce langage;Et siLaurequelquefoisVient rever sur ce rivage,Imitez encor ma voix.Ditez-lui que de ses charmes,Tous mes sens sont occupés:Ditez-lui que de mes larmesToujours mes yeux sont trempés,Ma voix ne chantera qu’elle,Mon souvenir ne seraQu’un miroir pur et fidele,Où l’amour me la peindra.Dites-lui, que son imageMa suivra dans le sommeil,Et recevra pour hommageLe soupir de mon Reveil;Que mon oreille attentiveCroira sans cesse écouterLes sons, que sa voix plaintiveVous fit cent fois repêter.Jurez lui qu’envain les graces,Viendraient pour me consoler:Que les amours sur mes tracesSans cesse auraient beau voler.à Leur troupe enchanteresseJe dirais, dans ma douleur,RendezLaureà ma tendresse,Ou laissez couler mes pleurs.Insensible à tout loin d’elle,Rien ne flatte mes Desirs:Je me croiras infidèleDe goûter quelques plaisirs.Sur une rive étrangère:Où le destin me conduit,Une esperance lègèreEst le seul bien qui me suit.Mais siLaurem’est ravie,Si je ne dois plus la voir,Je perdrai bientôt la vie,Quand j’aurai perdu l’espoir.Puisse la parque appaiséeMe laisser après ma mort,Préférer à l’EliséeLes Ombrages de ces bors.

Du Rivage de Vauclusel’Amant deLauraen ces mots,En s’eloignant de sa Muse,Fit retentir les Echo’s:o Toi, qui plains le delire,OnLaurea plongé mes sens,Roches, qu’attendrit ma Lyre,Redis encor mes accens.

Du Rivage de Vauclusel’Amant deLauraen ces mots,En s’eloignant de sa Muse,Fit retentir les Echo’s:o Toi, qui plains le delire,OnLaurea plongé mes sens,Roches, qu’attendrit ma Lyre,Redis encor mes accens.

Du Rivage de Vaucluse

l’Amant deLauraen ces mots,

En s’eloignant de sa Muse,

Fit retentir les Echo’s:

o Toi, qui plains le delire,

OnLaurea plongé mes sens,

Roches, qu’attendrit ma Lyre,

Redis encor mes accens.

En repondant à mes plaintes,Echos, vous avez appris,Quels sont les vœux et les craintes,d’Un coeur tendre et bien epris.n’Oubliez pas ce langage;Et siLaurequelquefoisVient rever sur ce rivage,Imitez encor ma voix.

En repondant à mes plaintes,Echos, vous avez appris,Quels sont les vœux et les craintes,d’Un coeur tendre et bien epris.n’Oubliez pas ce langage;Et siLaurequelquefoisVient rever sur ce rivage,Imitez encor ma voix.

En repondant à mes plaintes,

Echos, vous avez appris,

Quels sont les vœux et les craintes,

d’Un coeur tendre et bien epris.

n’Oubliez pas ce langage;

Et siLaurequelquefois

Vient rever sur ce rivage,

Imitez encor ma voix.

Ditez-lui que de ses charmes,Tous mes sens sont occupés:Ditez-lui que de mes larmesToujours mes yeux sont trempés,Ma voix ne chantera qu’elle,Mon souvenir ne seraQu’un miroir pur et fidele,Où l’amour me la peindra.

Ditez-lui que de ses charmes,Tous mes sens sont occupés:Ditez-lui que de mes larmesToujours mes yeux sont trempés,Ma voix ne chantera qu’elle,Mon souvenir ne seraQu’un miroir pur et fidele,Où l’amour me la peindra.

Ditez-lui que de ses charmes,

Tous mes sens sont occupés:

Ditez-lui que de mes larmes

Toujours mes yeux sont trempés,

Ma voix ne chantera qu’elle,

Mon souvenir ne sera

Qu’un miroir pur et fidele,

Où l’amour me la peindra.

Dites-lui, que son imageMa suivra dans le sommeil,Et recevra pour hommageLe soupir de mon Reveil;Que mon oreille attentiveCroira sans cesse écouterLes sons, que sa voix plaintiveVous fit cent fois repêter.

Dites-lui, que son imageMa suivra dans le sommeil,Et recevra pour hommageLe soupir de mon Reveil;Que mon oreille attentiveCroira sans cesse écouterLes sons, que sa voix plaintiveVous fit cent fois repêter.

Dites-lui, que son image

Ma suivra dans le sommeil,

Et recevra pour hommage

Le soupir de mon Reveil;

Que mon oreille attentive

Croira sans cesse écouter

Les sons, que sa voix plaintive

Vous fit cent fois repêter.

Jurez lui qu’envain les graces,Viendraient pour me consoler:Que les amours sur mes tracesSans cesse auraient beau voler.à Leur troupe enchanteresseJe dirais, dans ma douleur,RendezLaureà ma tendresse,Ou laissez couler mes pleurs.

Jurez lui qu’envain les graces,Viendraient pour me consoler:Que les amours sur mes tracesSans cesse auraient beau voler.à Leur troupe enchanteresseJe dirais, dans ma douleur,RendezLaureà ma tendresse,Ou laissez couler mes pleurs.

Jurez lui qu’envain les graces,

Viendraient pour me consoler:

Que les amours sur mes traces

Sans cesse auraient beau voler.

à Leur troupe enchanteresse

Je dirais, dans ma douleur,

RendezLaureà ma tendresse,

Ou laissez couler mes pleurs.

Insensible à tout loin d’elle,Rien ne flatte mes Desirs:Je me croiras infidèleDe goûter quelques plaisirs.Sur une rive étrangère:Où le destin me conduit,Une esperance lègèreEst le seul bien qui me suit.

Insensible à tout loin d’elle,Rien ne flatte mes Desirs:Je me croiras infidèleDe goûter quelques plaisirs.Sur une rive étrangère:Où le destin me conduit,Une esperance lègèreEst le seul bien qui me suit.

Insensible à tout loin d’elle,

Rien ne flatte mes Desirs:

Je me croiras infidèle

De goûter quelques plaisirs.

Sur une rive étrangère:

Où le destin me conduit,

Une esperance lègère

Est le seul bien qui me suit.

Mais siLaurem’est ravie,Si je ne dois plus la voir,Je perdrai bientôt la vie,Quand j’aurai perdu l’espoir.Puisse la parque appaiséeMe laisser après ma mort,Préférer à l’EliséeLes Ombrages de ces bors.

Mais siLaurem’est ravie,Si je ne dois plus la voir,Je perdrai bientôt la vie,Quand j’aurai perdu l’espoir.Puisse la parque appaiséeMe laisser après ma mort,Préférer à l’EliséeLes Ombrages de ces bors.

Mais siLaurem’est ravie,

Si je ne dois plus la voir,

Je perdrai bientôt la vie,

Quand j’aurai perdu l’espoir.

Puisse la parque appaisée

Me laisser après ma mort,

Préférer à l’Elisée

Les Ombrages de ces bors.

Voorts komt dit bericht, uit eenFransch Journaalovergenomen, mij te belangrijk voor, om het u niet vertaald mede te deelen:

Den 15 Fructidor I. l. (12 J.) vertrokken de Leden van hetAtheneumvanVaucluse, met het aanbreken van den dag vanAvignon, om zich naar de valei vanVaucluse, vijf mijlen van deze stad gelegen te begeven, en ’er den eersten steen van het gedenkteeken voorPetrarcate leggen, tot welks stichting deze Maatschappij besloten had. HetAtheneumwerd van eene groote menigte Dames en Inwoners vergezeld. De stoet wies bij elken voetstap aan. Doorl’Isletrekkende, had zij het genoegen prachtig en vriendelijk onthaald te worden; maar de overheid van het kleine dorpjeVaucluse, wilde voor die vanl’Isleniet onderdoen in die vanAvignonwel te ontvangen. De plegtigheid begon met eene statelijke mis, na welke de bijeengevloeide schare aanschouwers zich op de afhangende heuvels verspreidde, die aan de bron grenzen, waarheen weldra zich hetAtheneumwendde. De Adjunct vanVaucluseriep het eerst de schim van den minnaar vanLauraaan. De President van hetAtheneumdeed daarop eene redevoering, op de plegtigheid toepasselijk, terwijl tusschen beide verscheide Dichters en Redenaars, en vooral den HeerPiot, de een na den ander een talrijk en uitgezochtAuditorium, belangrijk wisten bezig te houden. Een Ingenieur bood vervolgens den troffel aan den President, die den eersten steen van het gedenkteeken leide. De troffel kwam vervolgens in handen der Leden van de Maatschappij, en in die van verscheidene Dames. Den ganschen dag waren ’er eenvoudige banken aan de boorden vanVaucluseopgeslagen. Men kon toen in waarheid zeggen, dat de echo’s de onsterfelijke namen vanPetrarchaenLauraherhaalden. Onder deze namen mengden de geestdrift en het gevoel, die van den grootenNapoléonen zijne vorstelijke gemalin. Dus vermengden zich in alle monden, in alle harten, de roemrijke namen van een Dichter, die zijne Eeuw tot eer verstrekte, en een held, die de zijne met zijn naam vereert. Openbare spelen verbeiden tel’Islede terugkomst van hetAtheneum, en duurden tot laat in den nacht.

6Ik vind geen anderen grond voor deze onderstelling, dan dat in vroeger tijden hier misschien een kroeg was,waar deHollandschematrozen eenkanne bierdronken, en geenFranschkennende, ’er in hunne taal na vroegen.


Back to IndexNext