Wilde Porselyn.—Calebassen-boom.—Schermutzeling.—Tafereel van broederlyke teederheid.—Het krygsvolk keert naar Barbacoeba te rug.—Beschryving van de manier, waar op de legerplaats was ingericht.—Een slaaf door den slang Orou-coukou gedood.
De Colonel FOURGEOUD, zig op deeze wyze door eenen Neger getrotseerd ziende, konde zyn spyt niet langer inhouden, en zwoer, dat hy BONNY vervolgen zoude, al was het ook aan het einde van de weereld. Alle onze krygs- en mondbehoeften intusschen waren verbruikt; en al was dit zoo niet geweest, zoo zoude het zekerlyk eene ydele onderneming geweest zyn den vyand te willen agterhalen. Onze Bevelhebber niettemin bleef by dit onuitvoerlyk ontwerp; hy zondt derhalven eenige manschappen naar Barbacoeba, onder bevel van den Capitain BOLTS, en bestaande uit honderd Zee-soldaten, dertig Jagers en een goed getal slaven, met last, om krygs- en mondbehoeften voor ééne week van dien wachtpost te gaan halen. Te gelyker tyd deedt hy alleenlyk eene halve portie aan het overgebleven krygsvolk uitdeelen, en hy zette de soldaten aan, om dit gebrek aan noodig voedzel te vervullen, door het opzamelen van ryst, duiven- of angola-boonen, en door het uit den grond halen van maniok-wortel, welken zy, zoo goed zy konden, moesten gereed maken. De Officiers wierden op dezelfde wyze behandeld. Het was in de daad wonderlyk om te zien, dat een twintigtal van ons zig, even als zoo veele Apothecars, bezig hielden met de ryst elk in een zoort van vyzel te stampen, die door de muitelingen uit den stam van een boom, het roode hart genaamd, was uitgehold, als zynde dit het eenige middel, om dezelve van haare schel te zuiveren. Dusdanige arbeid was echter zeer afmattend; het zweet liep ons langs het geheele lyf, als of wy uit een bad kwamen; en op dit oogenblik, dat wy wel eenigen versterkenden drank noodig hadden, hadden wy niets dan water.
Wy hadden het geluk, om, onder andere plantgewassen, eene groote meenigte wilde porselyn te vinden, die van de gewoone alleenlyk daar in verschilt, dat zy digter aan den grond groeit, en dat derzelver bladeren kleiner en van een donkerer groene kleur zyn. Men kan ze gerust eeten, het zy als eene salade, het zy gestoofd; zy verschaft een smakelyk en verkoelend voedzel; en ze is bovendien een uitmuntend middel tegen de scheurbuik.
Wy vonden ook een groot aantal Calebassen-boomen, waar van de vrugten voor de inboorlingen des Lands van zeer groot nut zyn. De Calebassen-boom groeit tot de hoogte van een gewoonen appel-boom. Deszelfs bladeren zyn dik, en loopen puntig toe. De gedaante en grootte van deszelfs vruchten is onëindig verschillende; eenige zyn eirond, andere spits toeloopende, andere wederom rond, en dikwils hebben zy tien of twaalf duimen in den omtrek. De schil is hard, glad, en met eene schitterende huid overdekt, die bruin wordt, wanneer de calebas droog is. Het vleesch is eene mergachtige zelfstandigheid, welke men 'er met een krom mes kan uitnemen. De calebassen dienen tot poejer-doozen, flessen, schaalen en schotels. Zelden ging ik door de bosschen, zonder 'er een by my te hebben. De Negers vercieren dezelve doorgaans, door op de bast verscheiden misselyke streepen te snyden; zomtyds zelfs vullen zy de groeven met kryt, het geen een zeer fraaije vertooning maakt. [39]
De Jagers op kondschap zynde uitgegaan, kwamen in den namiddag van den 23sten te rug, berigtende, dat zy het gewas van een ander rystveld, noord-oost-waarts gelegen, vernield hadden. De Colonel was met deeze tyding zeer in zyn schik; maar toen ik hem tegen den avond zeide, dat ik op eenigen afstand verscheiden gewapende Negers zag, die tot ons naderden, verbleekte hy en riep uit, wy zyn 'er om koud! Oogenblikkelyk gaf hy aan al het krygsvolk bevel, om de wapenen op te vatten. Na verloop van eenige minuten, waren deeze Negers naby genoeg, om onderscheiden te kunnen worden, en wy herkenden 'er veelen van, die in hunne hangmatten gedragen wierden. De Colonel FOURGEOUD riep op nieuw uit: "Wy zyn niet minder bedorven, schoon het de vyand niet is: het is de Capitain BOLTS, die geslagen is geworden, en met zyne manschappen te rug koomt". Hy sprak de zuivere waarheid. Deeze ongelukkige Officier, zoo dra hy zyne gekwetsten in handen der Heelmeesters had overgeleverd, gaf het volgende bericht: hy verklaarde, dat hy, gekomen zynde in het rampzalig moeras, waar in de Capitain MEYLAND de nederlaag gekregen had, door den vyand, die aan de overzyde post hieldt, was aangetast geworden; dat dezelve, zonder zig met eenig Europeaan te bemoeien, een verschrikkelyk bloedbad onder de Neger-Jagers gemaakt had; dat één der Capitains van deeze dappere lieden, genaamd VALENTYN, op het oogenblik, dat hy ter aanmoediging der soldaten den jagthoorn blies, en op vyf verschillende plaatsen doodelyk gewond was, was om ver geschoten. De Capitain AVANTAGE, broeder van VALENTYN, hem in dien doodelyken toestand ziende, gaf blyken van de innerlykste teederheid en van de aandoenlykste gevoeligheid. Hy ging naast zynen broeder op de kniën leggen; hy bukte naar zyne wonden, om 'er het bloed uit te zuigen; hy zwoer hem met eenen eed, dat hy zynen dood op hunne vyanden wreeken zoude; en zeide eindelyk, dat hy wenschte, om, na 'er zelf het leven te hebben by ingeschoten, hem op een gelukkiger plaats weer te zien.
De Colonel FOURGEOUD erkende toen; dat de muitelingen hun woord gehouden hadden met het dooden van de Jagers. De Capitain BOLTS berigtte ook, dat eenigen van de eerstgemelden, na op zyn volk van boven uit de palmboomen te hebben vuur gegeven, met de verbazendste gezwindheid naar beneden kwamen, en vervolgens wegvloden, terwyl de Jagers van kwaadheid schuimden, en van yver brandden, om hunne vyanden dwars door de struiken heen te vervolgen.
Onze Bevelhebber bemerkte toen de ongerymdheid van zyn ontwerp. Verre van in staat te zyn, om 'er de uitvoering van te voltooijen, zouden zyn krygsvolk en hy zelf gevaar geloopen hebben van geheel en al vernield te worden. Hy had noch mond- noch krygsbehoeften in zyne legerplaats gelaten, en bovendien was alle gemeenschap afgesneden; hy was dus ernstig bedacht op middelen, om zynen aftocht te dekken. De herhaalde murmureeringen van het krygsvolk drongen hem met ernst, om die party te kiezen; en in de daad, zy waren verschrikkelyk afgemat, door zig des daags te vermoeien, en des nachts aanhoudend te waken. Men konde van onze soldaten zeggen: "dat zy in wilde woestenyen omzworven, zonder aldaar eene enkele schuilplaats te vinden".
Den 24sten, ontfing eene krygsbende van honderd veertig mannen, onder bevel van twee Staf-Officiers, last, om het te velde staande gewas, het welk zy in den omtrek van de oude verblyfplaats, Cosaay genaamd, vinden mogten, geheel en al te vernielen: ik behoorde 'er mede toe. Wy hadden dit werk spoedig verrigt, en vonden in het moeras eene meenigte huisraad, als ketels, yzere potten en pannen. De muitelingen hadden die goederen op eenige Plantagiën geroofd, en zy hadden die in 't water geworpen, om ze aan ons te onttrekken, met oogmerk, ongetwyffeld, om ze weder op te visschen, wanneer wy Gado Saby verlaten zouden hebben.
Onze manschappen kwamen in den namiddag te rug, en wy braken oogenblikkelyk het leger op, om onzen aftocht naar Barbacoeba te beginnen. De Colonel FOURGEOUD gaf in dit oogenblik een blyk van een zeer verkeerd overleg, waar aan zommige lieden zelfs eene veel hardere benaming gaven. Des avonds, toen wy in het moeras kwamen, het welk een akelig voorkomen had, nam hy een ledige kist, leide 'er een hangmat in, en droeg dezelve als een schild voor het lyf, zyne soldaten toeroepende: Red u, zoo goed gy kunt! Op dit gezegde stondt een Waal, genaamd MATTOW, stil, en zeide tot hem: "Myn Colonel, 'er zyn 'er onder ons niet veelen, die uw voorbeeld kunnen, en, zoo ik denk, nog minder willen volgen. Laat uw schild daar, en maak uwe soldaten niet bevreesd. Een dapper man maakt van andere schilden gebruik. Volg dus MATTOW, en vrees voor niets". Deeze onverschrokken krygsman ontblootte dadelyk zyne borst, en met de bajonnet voor uit, beklom hy het eerst den oever aan de overzyde. Dit voorbeeld wierd gevolgd, en wy kwamen zonder hinder het moeras door. De kloekmoedige daad van deezen soldaat wierd vervolgens met den rang van Sergeant beloond. Ik moet hier opmerken, dat de Waalen, die wy onder ons hadden, eene groote dapperheid betoonden, en in alle opzigten uitmuntende soldaten waren. Des avonds sloegen wy ons neder op dezelfde plaats, alwaar wy den nacht voor den slag hadden doorgebragt: het was aller akeligst weder, en er viel een zwaare stortregen.
Den 25sten, des morgens zeer vroeg, zetten wy onzen tocht voort, maar ten minsten was de weg, dien wy voor ons hadden, gebaand. Des anderen daags tegen den avond, bereikten wy Barbacoeba, de plaats van onze algemeene byëenkomst, en wy bevonden ons in den elendigsten staat. Al het volk was door vermoeienis ten eenemaal uitgeput; eenige soldaten waren byna uitgehongerd, en anderen zeer gevaarlyk gewond. De arme slaven wierden allen gebruikt om de zieken of verminkten in hunne hangmatten te dragen, terwyl zy zelven naauwlyks in staat waren te gaan.—Op deeze wyze liep het met het innemen van Gado Saby af. Met dit al, schoon wy op deezen tocht, noch gevangenen, noch buit maakten, deeden wy niettemin aan de Volkplanting eenen wezentlyken dienst, door deeze schuilplaats der muitelingen te vernielen, die, gelyk ik reeds gezegd heb, eenmaal uit eene bezitting verdreven zynde, nooit aldaar wederom kwamen. Ik zoude 'er zelfs kunnen byvoegen, dat onze overwinning byna beslissend was: want indien men het afloopen van eenige Plantagiën uitzondert, het geen de muitelingen alleenlyk door een geest van wraakzucht deeden, en om voor het oogenblik onderhoud te vinden, waren zy zoodanig in verwarring gebragt, en door eenen zoo zwaaren schrik bevangen, dat van dien tyd af hunne verwoestingen zekerlyk minder meenigvuldig waren, en dat zy zeer kort daar op zig zoo diep in de bosschen begaven, dat het hun onmogelyk was groote plonderingen aan te rechten, noch ook de slaven der Plantagiën te verleiden.
Om de bekwaamheid der Negers in hunne krygs-bedryven des te beter te doen kennen, voege ik hier nevens eene afteekening van hunne bezitting Gado Saby, als mede van onze verschillende standen, na dat wy onze legerplaats aan de oevers van de Cottica verlaten hadden.
De getallen 1, 2 en 3, geven de algemeene verzamelplaats te Barbacoeba te kennen, als mede de legeringen in de twee nachten, die op ons vertrek van deezen post gevolgd zyn.
Nº. 4, beteekent de plaats, alwaar wy in den nacht van den 17den, het schieten en schreeuwen der muitelingen hoorden.
Nº. 5, de plaats, alwaar de Neger-Jagers zig by ons voegden.
Nº. 6, de plaats, alwaar wy gelegerd lagen, des nachts voor dat het gevecht voorviel.
Nº. 7, den oever van het moeras, van den kant, alwaar de manschappen van den Capitain MEYLAND hunne nederlaag ontmoetten.
Nº. 8, den voorpost der muitelingen, van waar de eerste snaphaan-schoten voortkwamen.
Nº. 9, de vlakte, met ryst en Indisch koorn bezaaid, welke wy zonder tegenkanting bezetten.
Nº. 10, de doortogt of engte, alwaar het vuur begon.
Nº. 11, de schoone vlakte, met ryst bezaait, alwaar het gevecht meer dan veertig minuuten duurde.
Nº. 12, het gehucht Gado Saby, in brand, en op eenigen afstand te zien.
Nº. 13, de plaats, van waar de muitelingen op ons leger schooten, en in den nacht van den 20sten met ons spraken.
Nº. 14, de oude verblyfplaats van Cosaay, met de dryvende brug, waar door de aftocht der muitelingen begunstigd wierd.
Nº. 15, de velden, met maniok, ignames en bananen beplant, welke op verschillende tyden verwoest wierden.
Nº. 16, het ryst-veld, door Capitain STEDMAN ontdekt en verwoest.
Nº. 17, het gewas, het welk den 23sten door de Jagers vernield wierd.
Nº. 18, het moeras, waar door de verblyfplaats omringd wierd.
Nº. 19, de modderpoel, of na by gelegen biry-biry.
Nº. 20, het bosch.
Na vooraf de manier beschreven te hebben, op welke wy onze hutten bouwden, zal ik hier eene kleine afteekening byvoegen van de wyze, op welke wy die hutten geduurende onze legeringen in de bosschen van Guiana plaatsten. Onze legerplaatsen waren doorgaans van eene driehoekige gedaante, als zynde, in geval van overrompeling, veel zekerder en gemakkelyker tot verdediging van onze krygs- en mondbehoeften; maar de gesteldheid van den grond gedoogde dit altyd niet, en dan was onze legerplaats vierkant, langwerpig, of van eene ronde gedaante, enz. Op de afteekening zelve beteekent,
Nº. 1, de hut of het priëel van den Colonel FOURGEOUD, of van den bevelhebbenden Officier, welke altyd in het midden stondt, en waar voor een schildwagt geplaatst was.
Nº. 2, de hutten van alle de verdere Officiers, makende een kleinen driehoek, en die van den Opper-bevelhebber omringende.
Nº. 3, de buitenste hoeken van den driehoek, die door middel van de hutten der soldaten in drie afdeelingen verdeeld wierden, namelyk, de hoofdbende, de voor-hoede en de agter-hoede, benevens de schildwagten, die op een bekwamen afstand geplaatst wierden.
Nº. 4, de kisten tot berging der krygs- en mond-behoeften, als mede der geneesmiddelen, waar by een schildwagt stondt.
Nº. 5, de vuuren, agter elke afgezonderde hoop krygsvolk geplaatst, om het eeten gereed te maken, en rondom welken de slaven op den grond lagen.
Nº. 6, een hoop afgehakte Latanus-boomen, om hutten of priëelen te maken.
Nº. 7, eene kleine beek of kreek, die aan het krygsvolk water verschafte.
Nº. 8, het naby gelegen bosch.
Ik keere tans tot myn verhaal te rug, en moet aanmerken, dat de wachtpost van Barbacoeba, verre van in staat te zyn, om ons levensmiddelen toe te zenden, zoo als onze Bevelhebber zig verbeeld had, naauwlyks een gering onderhoud aan ons aankomend krygsvolk, het welk uitgehongerd was, verschaffen konde. Verscheiden dagen lang leefden zy alleenlyk van ryst, ignames, erweten, Turksch graan, en wierden vervolgens byna allen door een geweldigen rooden loop aangetast. Schoon dit zoort van voedzel voor de Indianen en Negers krachtig genoeg is, is het niet geschikt voor de Europeanen, die niet lang zonder vleesch leven kunnen: en dit laatste was tans zoo zeldzaam te bekomen, dat zelfs de Joodsche soldaten, die zig onder het krygsvolk der Sociëteit bevonden, al het gezouten varkens-vleesch, het welk zy maar bekomen konden, opslokten.
Ik behoorde niettemin by aanhoudenheid onder het klein getal der geenen, die gezond waren: dit was byna een wonder; want ik had geen beter voedzel, dan een ander, dewyl ik mynen byzonderen voorraad op de Plantagie Mocha had agtergelaten. Ik hoopte op dit oogenblik verlof te zullen bekomen, om dezelve in persoon te gaan halen, en die hoop verkwikte my; maar de Colonel FOURGEOUD hielp my spoedig uit den droom, en verklaarde my, dat hy my geen oogenblik van het doen van den dienst ontslaan zoude, zoo lang ik op myne voeten staan konde: ik moest dus eene gelegenheid afwagten, om ze te laten komen. Ik deelde te gelyker tyd het middelmatig rantsoen van een soldaat met mynen Neger; nu en dan wierdt het vermeerderd met kool, of palmboom-wormen, of ook wel met eenige visch.
Wat de ongelukkige slaven betrof, zy waren zoodanig uitgehongerd, dat zy, een aap van het geslacht der coaitas gedood hebbende, denzelven met huid, hair en ingewanden kookten. Vervolgens haalden zy hem uit de ketel, half gaar zynde: om hem rond te deelen, scheurden ze hem met de tanden van één, en slokten hem eindelyk met zoo veel gretigheid in, als of zy menscheneeters waren. Zy boden 'er my geen brok van aan; maar, hoe groot ook myn honger was, myn maag had geen trek naar zulk wildbraad.
Ik wierd veel geholpen door myn sterk gestel, door eene zeer goede gezondheid, en door mynen vrolyken inborst, zonder het welk ik onder den last der elende en vermoeienis bezweken zoude zyn, daar dezelve toen zoo ondraaglyk geworden waren, dat de Jagers op nieuw onze legerplaats verlieten. Hun leidsman, WINSACK genaamd, één der yverigste en moedigste lieden, die immer de bosschen van Guiana waren ingetrokken, leide zynen post neder, zoo als MONGOL, geduurende den eersten veldtocht van den Colonel FOURRGEOUD aan de Wana-Kreek gedaan had.
In 't begin van September, maakte de roode loop zulke verwoestingen onder het volk, dat de Colonel zig genoodzaakt zag, om alle de zieke Officiers en soldaten zonder onderscheid weg te zenden, niet om zig in het groot Hospitaal te Paramaribo te laten geneezen, maar om aan de oevers der Rivieren te kwynen en te sterven. Het volk van zyne krygsbende begaf zig naar Maagdenberg aan de Tempaty-Kreek, en dat der Sociëteit naar Vrydenberg, aan de Cottica.
De onmenschelykheid van den Colonel FOURGEOUD, omtrent zyne Officiers, was tans tot die hoogte geklommen, dat hy zelfs niet gedogen wilde, dat zy, die in eenen hopeloozen toestand waren, een soldaat tot oppasser hadden, welken prys zy ook bereid waren 'er voor te betalen. Ik heb 'er verscheiden in hunne hangmatten, die tusschen twee boomen opgehangen waren, zien leggen, in een staat van walgelyke vuiligheid, by gebrek van hulp. Onder dit getal behoorde de Vaandrig STROWS, wien de Bevelhebber vervolgens in een open vaartuig naar Devil's Harwar liet overvoeren, alwaar hy stierf. De Colonel wierd eindelyk zelf door deeze wreede ziekte aangetast, en zyn geliefde geneesdrank hielp hem niet met al. Echter herstelde hy schielyk, door eene groote hoeveelheid rooden wyn te drinken, en veel speceryen te eeten, waar aan hy zelden gebrek had. De Colonel SEYBOURG gebruikte ook het eerstgemelde van deeze behoedmiddelen; maar dewyl hy 'er te veel op eenmaal van nam, verloor hy 'er dikwils het gebruik van zyn verstand door. In zulk eene gesteldheid, en in een legerplaats, die zulk een rampzalig voorkomen had, wagte onze Colonel echter eene bezending af van den Raad van Paramaribo, die gelast was hem met zyne overwinning geluk te wenschen. Dienvolgende had hy eene cierlyke hut doen bouwen, en last gegeven om hem schapen en varkens te bezorgen, waar op hy de afgezondenen onthaalen zoude;—maar 'er kwam niemand.
Den 9den, slagtte men dit vee; en voor de eerste keer, zedert dat hy het bevel voerde, liet de Colonel onder het volk een pond vleesch, de beenen daar onder begrepen, voor ieder man, uitdeelen; maar het getal der soldaten, die van deeze edelmoedigheid gebruik konden maken, was in dit oogenblik zeer gering.
Des anderen daags zagen wy eene versterking van honderd mannen, die van Maagdenberg aan de Commewyne kwamen, aankomen; en de wachtpost van Vrydenberg zondt ons byna een gelyk getal van Sociëteit's krygsvolk. De laatstgemelden bevestigden ons de tyding van het overlyden van den Vaandrig STROWS, en berigtten ons die van een groot aantal gemeene soldaaten, die by het innemen van Gado-Saby waren tegenwoordig geweest, en, terwyl men hen naar Barbacoeba vervoerde, in de vaartuigen zelve stierven.
Men ontfing te gelyker tyd berigt, dat de muitelingen, welken wy verslagen hadden, de Cottica boven de Patamaca-Kreek overtrokken, om hunne verwoestingen aan den westkant oogenblikkelyk uit te oeffenen. Dadelyk wierden te water vyftig mannen afgezonden onder bevel van eenen Capitain, om de oevers by de Pinnenburg-Kreek te gaan onderzoeken. Dit volk kwam den 8sten te rug, en bevestigde deeze tyding. Onze onvermoeide Bevelhebber besloot derhalven, om de muitelingen op nieuw te vervolgen; maar de slaven, die onze krygs- en mond-behoeften droegen, niet meer dan het vel over de beenen hebbende, waren naar hunne meesters te rug gezonden, die in hunne plaats anderen moesten zenden, maar die nog niet waren aangekomen.
Den 9den, verkogt men de nagelatene goederen van den Vaandrig STROWS aan de meestbiedenden om op tyd te betaalen. De ongelukkige soldaten, zig beyverende, om zig eenige ververschingen en kleederen te bezorgen, betaalden zevenmaal de waardy van het geen zy kogten; en deeze schandelyke schuld wierd van hun geld ingehouden. Ik heb 'er één vyf Engelsche schellingen zien geven voor een pond snuif-tabak, die geen tiende gedeelte van dien prys waardig was. De zelfde persoon betaalde voor slechte schoenen het dubbeld van derzelver echte waarde. Een paar magere kuikens kostten een guinie voor een zieken. Deeze ongelukkigen wierden op die wyze geheel en al beroofd van hunne weinige overgegaarde penningen, waar voor zy hun bloed en arbeid hadden veil gehad, terwyl men hunnen dringenden nood had kunnen voorkomen, alleenlyk door hun te geven het geen men hun verschuldigd was. Een zee-soldaat zwoer toen in de drift van zyne misnoegdheid, dat hy den Colonel FOURGEOUD zekerlyk zoude van kant helpen, wanneer hy 'er de gelegenheid toe vinden mogt. Een getuige hoorde dit, maar ik haalde hem over, na dat de schuldige berouw over zyne uitdrukking betoond had, om geene verklaring tegen denzelven te geven: dus redde ik zyn leven, het welk hy anders door de koord verloren zoude hebben.
Alle menschen zyn by geluk zoo verregaande ongevoelig niet, als onze Colonel, want dien zelfden dag zondt de braave Mevrouw GODEFROY een vaartuig, waar in een vette os, oranje-appelen en bananen voor de arme soldaten geladen waren, en die vervolgens onder hen verdeeld wierden. Des avonds van dien dag, ontfing ik een weinig voorraad, en eenige flessen Porto-wyn, welken JOANNA my toezondt. Zy had eene veel grootere hoeveelheid afgezonden, maar dezelve was gedeeltelyk gestolen, en gedeeltelyk bedorven. Dit maal gaf ik niets aan den Colonel.
Wanneer ik van voorraad, in een dergelyk geval ontfangen, spreek, bedoel ik suiker, thee, koffy, Bostonsche bischuit, een kaas, rhum, een ham, of eenig gezouten vleesch, alles in eene kleine hoeveelheid, want één slaaf kon de in de bosschen geen zwaarder vracht dragen, en het was ons niet geöorloofd 'er twee te gebruiken. Onder de behoeften telde men ook hembden, koussen schoenen; maar deeze twee laatstgemelde artikelen waren voor my van geen nut, zedert dat ik de gewoonte had aangenomen om blootsvoets te gaan. Reeds zedert twee jaaren had ik my hier aan gewend: ik bevond 'er my wonder wel by, en wenschte 'er my zei ven geluk mede, vooral wanneer ik zag, hoe myne ongelukkige medgezellen de beenen en voeten met scheuren en zweeren als bedekt hadden.
Den 12den, toen de nieuwe slaven waren aangekomen, maakte men zig gereed, om de muitelingen des anderen daags te vervolgen, onzen weg nemende naar den wachtpost, Jerusalem genaamd, waar van ik gesproken heb, ter gelegenheid, dat ik by den rampzaligen tocht naar het bovenste gedeelte van de Cottica het bevel voerde. Den 13den, zondt men de krygsbehoeften en legergoederen te water derwaart, onder geleide van de zieke Officiers en soldaten. Wy braken dus de legerplaats op, en verlieten Barbacoeba, om weder de bosschen te doorkruissen, nemende geduurende den geheelen eersten dag onzen weg ten zuiden en zuid-oosten; wy bragten den nacht door aan de overzyde van de Cassipory-Kreek, alwaar wy ons ter nedersloegen.
De ongelukkige slaven ondervonden op deezen tocht eene wreede mishandeling. Half uitgehongerd, waren zy niet alleen met pakken overladen, maar een ieder, wien het hoofd niet wel stondt, veroorloofde zig bovendien straffeloos om hen te slaan. Ik zag by voorbeeld des Colonels gunsteling, den Neger GOUSARY, 'er één tegen den grond smyten, om dat hy zyn pak niet schielyk genoeg opnam; de Colonel deedt vervolgens van gelyken, om dat hy het te schielyk opnam: de ongelukkige slaaf, niet wetende wat te doen, riep op een beklaaglyken toon uit, ô Massera Jesus Christus, en toen kwam 'er een geestdryver, die hem op nieuw tegen den grond smeet, om dat hy eenen naam, welks heiligheid hy zoo weinig kende, had durven ontheiligen.
Op den tocht van deezen dag, ontmoetten wy een groote troep wilde varkens. De soldaten doodden 'er verscheiden met sabel-houwen en bajonnet-steken, maar op geene andere wyze, want de Colonel had verboden een enkel schot met den snaphaan te doen. Men slagte dezelven; en het vleesch, het welk op het oogenblik wierd rond gedeeld, was by allen zeer welkoom. Ik kan niet nalaten nog op te merken, als iets dat zeer merkwaardig is, dat indien de eerste van deeze dieren, welke voor uit loopt, deezen of geenen weg inslaat, de anderen hem blindelings volgen, hopende even als hy het gevaar te zullen ontsnappen; het geen hun integendeel dikwils in handen van hunne vyanden doet vallen.
Den 14den, trokken wy naar het zuid-westen tot op den middag, wanneer wy te Jerusalem aankwamen, alwaar de voorhoede zig reeds zedert een uur bevondt. Wy waren geheel en al met slyk bemorst. Verscheiden soldaten vielen over wortels van boomen, of groote steenen, het geen hun zelfs breuken veroorzaakte. Tot myne groote verwondering, vonden wy hier dien zelfden WINSACK, van wien ik hier boven gesproken heb, en die aan het hoofd van honderd andere Jagers was. Hy had hooren zeggen, dat de muitelingen de Rivier Cottica aan derzelver bovenste gedeelte waren overgetrokken, en de Gouverneur had hem aangezogt, om het bevel weder op zig te nemen; dienvolgende boodt hy aan den Colonel FOURGEOUD op nieuw zynen dienst aan, die zeer wel deedt met zulks aan te nemen.
Onze legerplaats was byna geheel en al ter neder geslagen op een stuk land, dat met langwerpige en steekende planten bedekt was. Een der slaven wierd ongelukkiglyk in zyn voet gestoken door een kleine slang, die in Surinamen den naam van Oroucoukou [40] draagt, uit hoofde van deszelfs kleur, naar die van een nachtuil gelykende. In minder dan één minuut begon het been van deezen man op te zwellen; vervolgens gevoelde hy vreesselyke pynen, en verviel kort daarop in stuiptrekkingen. Een van zyne medgezellen, den slang gedood hebbende, liet de gal van dit dier, gemengd in een half glas brandewyn, het welk ik hem gaf, door den gewonden inneemen. Toen (misschien was het loutere inbeelding) scheen hy een weinig verligting te gevoelen: maar het toeval kwam met een ongemeen geweld schielyk wederom, en de ongelukkige wierdt dadelyk naar de Plantagie van zynen meester gezonden, alwaar hy stierf. Ik heb dik wils hooren zeggen, dat de gal van een slang, uitwendig op de beet gelegd, in dit geval van zeer kragtige uitwerking is. Men kan zelfs in the Great Magazine van de maand April 1758, een brief lezen, gedagteekend den 24sten Maart, en geteekend J. H., waar in de Schryver op eene leerstellige wyze de manier behandelt, op welke dit geneesmiddel behoort te worden toegediend. Maar ik laat voor lieden van de kunst over, om in deeze byzonderheden te treden, en ik zal my vergenoegen met in 't algemeen op te merken, dat hoe kleiner de slang is, ten minsten in Guiana, hoe doodelyker het vergift is. En dit is het, 't geen THOMPSON met zoo veel juistheid en kragt van woorden schetst.
"Maar de wreedste, schoon de kleinste van allen, is steeds die dienaar van den dood, welke, zig in de schaduw verborgen houdende, zyn ongelukkig slachtöffer bespiedt, en het zelve een fyn vergift mededeelt, het welk langen tyd in zyne aderen gekookt, met eene gezwindheid, als die der blixemstraalen, zynen levensloop stuit".
In deeze zelfde Savane, doodde één der Jagers nog een ander dier van dit zelfde geslacht, genaamd de Zweepslang, om dat hy naar een zweep gelykt. Naauwlyks dikker zynde dan een zwaanen-schacht, heeft hy de lengte van vyf voeten. Zyn buik is van eene witte, en zyn rug van eene lood-kleur: ik weet de gevolgen van zyne steeken niet. De Negers hebben my gezegd, maar ik heb het niet gezien, dat hy met zyn staart een zeer harden slag kan geven.
Ik moet niet met stilzwygen voorbygaan, een halfslachtig dier, het welk de Negers ook dien zelfden avond doodden, en door hen Cabiai [41] genoemd word. Het is een zoort van water-varken, van de zelfde gedaante, als het land-dier van dien naam. Hy is met gryze borstels bedekt, en met zeer scherpe tanden gewapend: hy heeft geen staart. Elk van zyne pooten heeft drie klaauwen, met een vlies, even als de eendvogels. Men beweert, dat dit dier alleenlyk des nachts aan den oever koomt, en dat hy zig aldaar met allerleije kruiden en plantgewassen voedt. Zyn vleesch is, zoo men zegt, goed om te eeten, maar ik heb het niet geproeft.
Den 16den, zondt de Colonel FOURGEOUD twee aanzienlyke gedeelten zyner krygsbende af, om op kondschap uit te gaan. Het eerste bestond uit honderd mannen, waar over de Lieutenant Colonel DE BORNES het bevel voerde; hetzelve had in last, om zig van den kant van de Wana-Kreek naar het bovenste gedeelte der Cormoetibo-Kreek te begeven. Het tweede bedroeg een gelyk getal, onder bevel van den Colonel SEYBOURG; het zelve kreeg bevel, om naar de Pinnenburg-Kreek, aan het bovenste gedeelte van de Cottica, heen te trekken. Het laatstgemelde volk kwam omtrent te middernacht te rug, met twee kano's, welken zy, aan de andere zyde der Rivier, een weinig beneden de Claas-Kreek, gevonden hadden op 't land gehaald te zyn. Hun bericht overtuigde ons van den aantocht der muitelingen, die hunne ledige kano's alleenlyk hadden doen afzakken, om dezelven, met buit beladen, te rug te zenden. Ingevolge van dit bericht, maakte men dadelyk de noodige toebereidzels, om hen met ernst te vervolgen. Onze oude Bevelhebber betoonde nimmer meerder moed, dan in dit oogenblik. Hy zwoer zig over alle de muitelingen, het koste wat het wilde, te zullen wreeken.—Maar men zal, in het volgende Hooftstuk, zien, of de bekwaamheid van onzen Generaal met die van BONNY gelyk stondt.
Byzonder zoort van Mieren.—Acajou-nooten.—Eta-appel. —Alarm aan de Peréca.—Hinderlaag.—Vreemde uitwerking, door eene Vledermuis veröorzaakt.—De Opposfum.—De Agouti en de Paca.—De Dadel-boom.—Het krygsvolk keert naar de Cormoetibo-kreek te rug.
Den 19den September 1775, een oogenblik voor het opgaan der zon, begaf zig de Colonel SEYBOURG, aan het hoofd van honderd Zee-soldaten en veertig Jagers, in aantocht. Deeze Officier deedt my de eer aan, zyne keuze op my te laten vallen, om hem te vergezellen; en hy was, geheel anders dan voor deezen, zeer bescheiden omtrent my, zonder dat ik de reden van die verandering bevroeden konde.
Na de Cormoetibo-Kreek te zyn overgetrokken, gingen wy zuidwestwaarts ten zuiden, tot aan de Cottica, aan welker oevers wy ons ter neder sloegen. Den eersten dag van onzen tocht zagen wy niets merkwaardigs, dan een groot aantal mieren van ten minsten een duim lengte, en volmaakt zwart. De insecten van dit zoort ontbladeren een boom in zeer korten tyd; zy snyden dezelven in kleine stukjens ter groote van een zes stuivers stuk, om ze onder den grond met zig te voeren. Het was alleräangenaamst dit mierenleger te zien, elk met een stuk van een groen blad, onöphoudelyk den zelfden weg volgende. Men is zoodanig genegen het wonderbaarlyke te gelooven, dat zommige lieden beweerd hebben, als of deeze vernieling ten voordeele van eenen blinden slang geschiede. Dit is 'er van de zaak, dat deeze bladen tot voedzel dienen voor de jongen der mieren, die nog geen kragt genoeg bezitten om zich zelven voedzel te bezorgen, en die zomtyds zes voeten diep in den grond woonen. Mejuffrouw DE MERIAN zegt, dat zommigen van deeze insecten zig tot een keten vormen van den eenen tak tot den anderen; en dat de geheele troep vervolgens daar over als over een brug gaat. Zy beweert ook, dat deeze troep eenmaal 's jaars van huis tot huis gaat, en aldaar al het ongedierte doodt, het welk zy vinden: maar ik ben verpligt te erkennen, dat ik op de plaatsen zelve geene van die omstandigheden vernomen heb: dit alleen kan ik verzekeren, dat het steken van dit zoort van mieren byna even pynlyk is, als van de vuur-mier, welke ik reeds beschreven heb.
Des anderen daags trokken wy langs de oevers van de Cottica, tot dat wy in den omtrek van de Claas-Kreek waren, (dezelfde, die ik, met myn sabel tusschen myne tanden, had overgezwommen,) alwaar wy onze hangmatten ophingen. Men zondt my vervolgens met eenige jagers af, om aan den mond van de Wana-Kreek tot aan den nacht in eene hinderlaag te gaan leggen. Ik ontdekte hier niets anders, dan dat deeze zelfde Jagers, even als de muitelingen, geloofden, dat hunne tooverbanden of obias hen onkwetsbaar maakten. Zy zeiden my, dat de laatstgemelden dezelven van hunne Priesters ontfingen; en dat zy zelven die kogten van GRAMAN-QUACY, een zeer beruchten en doorslepen ouden Neger, van wien ik op een geschikter plaats in het byzonder spreken zal.—Wanneer ik hun vroeg, "waar het by toekwam, dat 'er iemand van hun, of van hunne onkwetsbaare tegenpartyen gedood wierdt"? antwoordden zy my: "Dit gebeurt, om dat zy even als gy, Masera, op hunnen tooverband, of obia, geen vertrouwen stellen".—Deeze trek van bekwaamheid van QUACY bragt nogtans het goed gevolg te weeg, dat hy van zyne landgenooten zulke onvertzaagde soldaten maakte, dat ik dikwerf over hunne ongemeene dapperheid verbaasd stond, en deeze bedriegerye, behalven dat ze veel aanzien en eerbied verwekte, bezorgde aan haaren uitvinder een gemakkelyk leven, het welk in eenen Surinaamschen Neger niet zeer gemeen is.
Ik zag, aan den mond van deeze Kreek, eene groote meenigte Acajou-nooten op het water dryven. By de beschryving, daar van door my reeds gegeven, moet ik nog voegen, dat de noot van deezen naam zig aan eene groote peer vormt, en dat deeze aan een boom groeit van middelmatige grootte, die een gryze schors, en dikke en breede bladen heeft. Men kan deeze uitmuntende nooten door alle de werelddeelen vervoeren; want zy blyven eenen zeer langen tyd goed: zommige Schryvers noemen dezelven anacardium occidental. Uit den boom druipt eene doorschynende gom, die, in water ontbonden zynde, de dikte van vogellym heeft.
Ter deezer zelfde plaats proefde ik ook den Eta-appel, waar van de Negers ongemeen veel houden. De boom, die denzelven voortbrengt, is een zoort van palmboom met breede bladeren, maar minder dik, dan de Mauricy, of den berg-palmboom. Deszelfs vruchten zyn rond, en groeien aan groote risten of bossen, even als de druiven-trossen: binnen in eiken appel zit een harde noot, die een pit in zig bevat, en met een oranje-kleurig vleesch, ter dikte van een halve duim, en van een alleraangenaamste zuure smaak, omgeven is. Men zamelt deeze nooten zeldzaam op; men wagt, dat de appelen ryp afvallen. De Indianen laten dezelven in water uitweeken, en maken 'er op die wyze een lekkeren en gezonden drank van.
De Colonel FOURGEOUD zondt ons te water een bode, die den 21sten aankwam, met bericht, dat het alarm-geschut [42] zig van den kant van de Peréca had laten hooren. Wy trokken dadelyk de Cottica over, op welkers westelyken oever de Jagers en eenige zee-soldaten last hadden, in eene hinderlaag te gaan leggen, in de hoop van den te rug tocht der muitelingen af te snyden, wanneer zy deeze Rivier weder met hunnen buit zouden over trekken. Den zelfden namiddag wierdt 'er een Neger van de muitelingen gezien, een groene mand dragende, die de reuk van den tabak geroken hebbende, eensklaps stil stondt, en den zelfden weg te rug keerde. Een Jager en ik schoten dadelyk op hem; wy raakten hem niet, maar zyn mand viel. Wy vonden daar in een dozyn fraaije servetten, een opgetoomden hoed met een goude lis, en twee rokken van kostelyke chits. Ik nam de laatstgemelden, en liet het overige aan mynen medgezel.
Op de tyding van het gevaar, het welk de Plantagiën aan de Peréca liepen, trokken de Neger-Jagers met een ongemeenen yver voor uit; en eenige oogenblikken na hun vertrek, verzogt ik aan den Colonel SEYBOURG verlof, om hen te volgen. Deeze Officier gevraagd hebbende, wie lust had mede te trekken, boodt zig een groot getal aan; maar hy koos 'er alleenlyk vier uit, en ik was onder dezelven. Dwars door struiken en doornen, die als netten in malkander zaten, en die my de voeten op eene verschrikkelyke manier van één scheurden, gegaan zynde, haalde ik de afgezondene manschappen in, op den afstand van een myl van de legerplaats. Kort daar op ontdekten wy dertien geheel nieuw opgeslagene hutten, en wy gisten, dat de muitelingen kortlings deeze plaats waren doorgetrokken. Dienvolgende zond ik aan den Colonel SEYBOURG daar van berigt, en verzogt voor de Jagers en voor my bevel, om onverwyld naar de Peréca te trekken; maar zyn antwoord bragt stellig mede, om ons oogenblikkelyk by hem te vervoegen. Wy keerden derhalven langs onzen voorigen weg te rug; het geen ons tot groot hartzeer verstrekte; de Neger-soldaten waren vooral zeer misnoegd, en maakten duizend onaangenaame aanmerkingen.
By onze aankomst op de legerplaats, vonden wy aldaar eene versterking, van den post van Jerusalem komende. Dezelve bestondt uit zestig mannen, zoo zwarten, als blanken, en bragt ons stelligen last mede, om het leger op te breken, en des anderen daags morgens naar de Peréca te trekken. Den geheelen nacht bevondt zig eene goede meenigte volks in hinderlagen.
Den volgenden dag was ieder voor het opkomen der zon gereed, en echter verlieten wy onze legerplaats zeer laat. Geduurende dit onbegrypelyk verwyl vernamen wy, dat men een kano, waar in alleenlyk één Neger was, de Rivier had zien oversteken. Het was waarschynlyk die arme schelm, op wien ik des avonds te vooren geschoten had.
Ik kan niet nalaten alhier eene zeer zonderlinge omstandigheid te verhaalen. Des morgens ten vier uuren ontwakende, was ik uittermaten verschrikt, toen ik my in gestolt bloed vond liggen, hoe zeer geene de minste pyn gevoelende. Ik stond oogenblikkelyk op, en liep met een toorts in de hand naar den Heelmeester toe; dit bloed, deeze toorts, myne bleeke kleur, myn afgesneden hair, myne ontramponeerde kleeding, konden in hem deeze vraag doen opryzen: "zyt gy een levendig schepzel, of een spook, uit het graf opgerezen? Is het zuivere hemel-lucht, die u omgeeft, of zyn het uitdampingen der helle?" [43]
Het geheele geheim bestondt daar in, dat ik gebeeten of gestoken was door de Vampire, of het Spook van Guiana, ook de vliegende hond yan Nieuw Spanje, en door de Spanjaarden Perro-Volador genaamd. Dit dier is niets anders dan een vledermuis van eene monsterachtige gedaante, die aan menschen en beesten, wanneer zy slapen, het bloed uitzuigt, zelfs nu en dan zoodanig, dat zy 'er van sterven. Dewyl de manier, waar op deeze dieren dit doen, in de daad verwonderenswaardig is, zal ik trachten dezelve opzettelyk te beschryven.
De Vampire, wanneer de geen, op wien hy het gemunt heeft, in slaap is, het welk hy uit zyne eigene natuurlyke neiging weet te ontdekken, zet zig doorgaans by de voeten neder. Hy houdt zig aldaar in evenwicht door middel van zyne groote vlerken, welken hy geduurig beweegt, en inmiddels doorboort hy de kop van de groote toon, maar het gat, het welk hy maakt, is zoo klein, dat 'er naauwlyks de kop van eene spelde door kan, en zulks derhalven geene de minste pyn veröorzaakt. Door middel van deeze opening, gaat hy niettemin voort met het bloed uit te zuigen, tot dat hy genoodzaakt is het uit te spuwen. Hy begint vervolgens op nieuw, en gaat zoo voort met zuigen en uitspuwen, zoo dat hy niet dan met zeer veel moeite kan wegvliegen, en dat zyn slachtöffer dikwerf van den natuurlyken in den eeuwigen slaap is overgegaan. De beesten steekt hy doorgaans in het oor, en altyd op een plaats, waar het bloed een oogenblikkelyken loop heeft, misschien in de eene of andere slagäder. Na dat men tabaks-asch op de wonde gelegd had, als het zekerst middel zynde, kwam ik te rug om my te wasschen, gelyk ook myne hangmat, waar onder ik veel geronnen bloed gewaar wierd. De Heelmeester het zelve naargegaan hebbende, oordeelde, dat ik geduurende dien nacht dertien of veertien oncen bloed moest verloren hebben.
Ik heb naderhand gelegenheid gehad één van deeze vledermuizen te dooden, wiens uitgespreide vlerken eene wydte maakten van twee-en-dertig en een halve duim: men zegt, dat 'er zommige zyn van drie voeten in die zelfde rigting, schoon zy naar die van Madagascar niets hoe genaamd gelyken. De door my gedoodde vledermuis had eene donker bruine, byna zwarte kleur, maar ligter onder aan den buik. Over 't geheel had hy een in de daad afschuwelyk voorkomen. Maar zyn kop was vooral vervaarlyk: men zag aldaar boven den neus een blinkend, ongebogen, rimpelig, en puntsgewyze toeloopend vlies. Zyne ooren waaren lang, rond en doorschynend. In het bovenste kakenbeen had hy vier snydende tanden en zes in het onderste. Ik zag niet, dat hy een staart had, maar een vel, in welks midden een pees was. Elk van zyne vlerken had vier klaauwen, van elkander afgescheiden, als die der pooten van een eendvogel, [44] en met nagels gewapend: men zag ook nog een ander ter plaatse, waar deeze zelfde klaauwen zig verëenigen. Alle dienen zy aan het dier om te klauteren op, en zig vast te houden aan boomen, rotsen of daken, alwaar hy hangen blyft, wanneer hy slaapt.
Een der Zee-soldaaten vong dien zelfden dag een Oppossum of Sarigue. Dit dier verschilt, in zommige byzonderheden, merkelyk van de beschryving, welke 'er de beroemde BUFFON van gegeven heeft.—By voorbeeld, hy is veel ligter dan alle de geenen, waar van deeze Schryver spreekt; en hy heeft den staart met hair, in plaats van met schubben bedekt. Ik meen dit ten minsten, en, zoo myn oog my bedrogen heeft, ben ik de eenigste niet die met opzigt van dit dier in dat geval geweest is. LINNÆUS, SEBA en VOSMAAR, beschouwen de Oppossum als een dier, zoo wel van de oude als nieuwe weereld, schoon het echter zeker is, dat hy alleen in America gevonden wordt. LINNÆUS tast ook mis, wanneer hy verzekert, dat alle de vledermuizen vier snydende tanden in elk kabenbeen hebben. (Zie BUFFON V. Deel, bladz. 282.)
Deeze Oppossum was niet grooter, dan een groote muis. Hy was volmaakt zwart, uitgenomen onder den buik, aan de pooten, en onder aan den staart, die de kleur had van een buffels huid. Boven elk van zyne oogen, vry veel naar die van een rot gelykende, had hy een vlak van deeze zelfde kleur. Zyne ooren waaren lang, rond en doorschynend; zyne klaauwen bedroegen een getal van twintig, zynde één derzelven agterwaarts geplaatst, en tot een duim dienende. Dezelve had tien of twaalf tepels, waar aan (zoo men zegt) de jongen, zoo dra zy gebooren zyn, zig vasthouden, zynde zy dan niet veel grooter, dan jonge Kevers. Maar dit dier had den zak niet, welken andere Oppossums gewoonlyk hebben. In plaatse van dien, zag men twee langwerpige plooijen aan de binnenzyde van elke dye, die even als de gemelde zak geschikt waren, om de jongen voor alle onheil te beveiligen, daar geene foltering, ja zelfs het vuur niet, de moeder kan doen besluiten haare jongen te verlaten. Ik zal by deeze beschryving voegen, dat deeze dieren op het land leven, en dikwils op de boomen klauteren; maar dat zy zig, even als de muizen, met graanen, vruchten, en wortelen voeden. De beschryving van het andere zoort zal ik uitstellen, tot dat zig de gelegenheid my daar toe aanbiedt.
Mejuffrouw DE MERIAN sreekt van eene byzondere Oppossum, die, in het oogenblik van gevaar, de jongen op haaren rug draagt: ik heb 'er in Surinamen nooit van hooren spreeken, en houde my verzekerd, dat 'er dit zoort niet is.
Ik heb reeds gezegd, dat door eene vertraging, waar van my de reden onbekend was, de ogtend reeds verre gevorderd was, toen wy onze legerplaats verlieten. Ik behoorde tot de voorhoede met de Jagers en eenige Zee-soldaaten, die allen voor negen dagen mondbehoeften op hunnen rug droegen. Wy hadden nog maar een klein gedeelte van den weg afgelegd, toen één der eerstgemelden op den jagthoorn blaazende, de anderen uit elkander gingen, en zig plat op den buik aan den grond nederleiden, hebbende den haan van hun geweer overgehaald, en zynde alzoo tot het gevecht gereed. Ik deed even als zy; maar het was niet meer, dan een valsch alarm. Het was een hart, het welk in zynen loop de bladeren van 't geboomte in beweeging gebragt had. Wy stonden derhalven weder op, en trokken door slyk en water heen, tot drie uuren na den middag, wanneer wy ons op hoogere landen nedersloegen, alwaar men geen water vinden konde, dan door een put te graven; en dan nog was het water, het welk wy daar uit schepten, zoo modderig, dat wy genoodzaakt waren, het door onze dassen of hembds-mouwen te laten doorloopen. De Colonel SEYBOURG kwam alhier by my, om my des avonds in zyne hut ter maaltyd te verzoeken, en behandelde my met eene beleefdheid, waar over ik zeer verwonderd was,
Des anderen daags vervolgden wy onzen weg, neemende denzelven westwaarts ten noordwesten. Wy hadden zwaare slagregens, en moesten een moeras doorwaden. Ik voerde toen het bevel over de agterhoede, en had drie uuren noodig, om dezelve van deeze naar de overzyde te geleiden. Deeze tocht was allerverdrietelykst. De slaven, onder hunne pakken gebukt gaande, braken elk oogenblik de korst, die over het water lag. De Zee-soldaaten, met hunne mondbehoeften belaaden, hadden zeer veel moeiten om zig op de been te houden, en ik zelf, door de groote meenigte bloed, welke ik verlooren had, verzwakt zynde konde aan niemand van dienst wezen. Toen wy weder den vasten grond bereikt hadden, zag ik aldaar de lyken van verscheiden muitelingen verspreid liggen, aan elk van welken de regte hand en het hoofd was afgehouwen. Deeze lyken waren nog niet verrot, het geen my deedt vermoeden, dat 'er in 't kort eenig gevecht tusschen de muitelingen, en het krygsvolk, aan de Peréca leggende, had plaats gehad.—Ik moet hier opmerken, dat, indien men den 21sten, in plaats van my te gelasten om te rug te komen, en de Jagers weder mede te brengen, ons had toegestaan voorwaarts te gaan, de muitelingen tusschen twee vuuren zouden geraakt zyn, 'er zeer weinigen van hun zouden zyn ontsnapt, en wy hunnen buit zouden hebben hernomen. De lezer zal zig herinneren, dat dit zelfde voorval plaats had, toen ik, twee jaaren te vooren, te Devil's Harwar het bevel voerde. Indien ik toen een genoegzaam getal manschappen en krygsbehoeften tot den tocht gehad had, zoude ik aan de Volkplanting den gewichtigsten dienst gedaan hebben. Het spyt my deeze twee wezentlyke misslagen te moeten aanhaalen; maar waarheid en onpartydigheid verpligten 'er my toe. Deeze aanmerkingen echter behooren my niet van wreedheid te doen beschuldigen, want niemands hart was meer getroffen dan het myne, op het zien van zo veele jongelingen, die onder het ons omringende geboomte dood uitgestrekt lagen. Myn oog viel in 't byzonder op twee van hun, die zoo wel gemaakt waaren, als men ze met mogelykheid bedenken kan.
Terwyl ik met het maken van deeze en andere gelykzoortige aanmerkingen bezig was, bleeven verscheiden slaven, die te zwaar belaaden waren, in het moeras zitten. De bevelhebbende Officier, met het voornaamste gedeelte zyner manschappen zig op een hoog stuk land nedergeslagen hebbende, konde ons niet meer zien, noch hooren; en door deeze scheiding liep de agterhoede gevaar, niet alleen om haare mond- en krygs-behoeften te verliezen, maar om zelfs in de pan gehakt te worden.
Geenen enkelen Europeaan vindende, die kragten genoeg had overgehouden, om het volk, het welk voor uit getrokken was, in te haalen, gaf ik het bevel over aan mynen Lieutenant DE LOSRIOS, en waagde het om alleen dwars door het bosch te loopen, tot dat ik onze legerbende bereikt zoude hebben. Ik hield den Colonel SEYBOURG de gesteldheid der agterhoede voor, en verzogt hem "om wat langzaam voort te trekken, ten einde aan die geenen, die in de modder gezonken waren, tyd te geven, om 'er zig uit te redden, zonder het welk ik voor de gevolgen niet konde instaan". Zyn antwoord was, "dat hy zyn leger zoude opslaan, zoo dra hy goed water ontmoette". Schoon zeer vermoeit zynde, keerde ik dadelyk naar myne agterhoede te rug, waar van het grootste gedeelte tot des nachts in den deerniswaardigsten en gevaarlyksten toestand bleef, want eerst des avonds ten zeven uuren redden wy den laatsten man uit het moeras, en toen gingen wy langzaam voort, tot dat wy in de legerplaats aankwamen.
Myne oplettenheid voor het behoud der manschappen, over welken ik het bevel voerde, myne zorge voor de bespaaring van krygs- en mondbehoeften, wel verre van my de goedkeuring te doen ondervinden van hem, onder wiens bevelen ik voor dit oogenblik stond, van hem, die my nog kortlings met zoo veel bescheidenheid behandelde, wikkelde my integendeel in een ernstig voorval in, waar over ik zoo gevoelig was, dat ik my naauwlyks wederhouden konde, om tot wanhoop te vervallen. Men kan myn verdriet beöordeelen, wanneer men weet, dat ik naauwlyks in de legerplaats zynde te rug gekomen, in arrest gezet wierd, om door eenen krygsraad, ter zaake van gepleegde ongehoorzaamheid, gevonnisd te worden. De Colonel SEYBOURG en ik hadden nimmer met elkander in betere vriendschap omgegaan; maar schoon hy my in het begin van den tocht met eene uiterlyke beleefdheid behandeld had, was het niet minder zichtbaar, dat hy, na een dergelyken trek, zig betoonde myn doodelykste vyand te zyn. Ik moet echter niet vergeeten eene zonderlinge omstandigheid te verhaalen, hier in bestaande, dat men my, schoon in gevangenis gesteld zynde, tot nader orde myne wapens liet behouden.
Den 24sten vertrokken wy des morgens vroeg, en namen den weg ten zuiden en zuidwesten. In deeze laatstgemelde richting gingen wy voorby Pinnenburg, een verlaten gehucht der muitelingen, waar van ik gesproken heb. Ik bleef steeds gearresteerd, en was uittermaten mismoedig.
Des daags daar aan volgende trokken wy zuidwestwaarts, en doorwaadden een zeer diep moeras, waar in wy nat bezweet ingingen, vermits wy tot hier toe te schielyk gegaan hadden: maar de gezondheid van onze soldaaten was geen zaak, waar over men zig bekreunde, van hoe veel aanbelang zy ook voor den goeden uitslag onzer onderneming was.
Op nieuw een zoort van heuvel of hoog land bereikt hebbende, was ik op het punt een ongeluk te ontmoeten, noodlottiger dan alle de ellende, welke ik tot dus verre ondervonden had. In eene diepe mymering als weggezonken, terwyl ik de agterhoede volgde, verdwaalde ik ongevoelig, en bevond my eindelyk alleen, in het midden van eene eindelooze woestenye. Zoo dra de arme QUACO bemerkt hadt, dat ik was afgedwaald, waagde hy dwars door het bosch heen te loopen, om zynen meester te rug te vinden, en, by louter geluk, zag hy my, aan den voet van eenen boom zittende in eene neerslagtigheid, die zig niet laat beschryven, en ten prooy van smart en wanhoop overgegeven. Des morgens van dien dag meende ik, dat myn ongeluk op het hoogst was, en in dit oogenblik zoude ik alles gegeven hebben, om my nog in die zelfde gesteldheid te bevinden. Ik was in eenen staat van volmaakte gevoelloosheid, te midden van een onmeetelyk bosch, en door verslindende vyanden omringd; stortregens vielen uit den hemel, en myn uitzicht was op tygers, op hongersnood, op alle onheilen, op alle gevaaren. JOANNA moest ik voor eeuwig vaarwel zeggen!—Dusdanig was de gesteldheid van mynen geest, toen ik, eensklaps mynen Neger herkennende, van den grond oprees, en als een geheel nieuw leven in my voelde ontvonken. Vervolgens eenigen tyd te zamen zynde voortgewandeld, zeide ik hem, dat ik een vyver zag, door welken ik meende, dat het krygsvolk was doorgegaan, om dat het water zig drabbig vertoonde. De Jongeling, het oog op dit water slaande, antwoordde my met ontsteltenis; dat deeze modderpoel door een Tapira veröorzaakt was, [45] en hy toonde my de voetstappen van het dier in het slyk, vervolgens berste hy uit in traanen, en riep uit: Masera, wy zyn 'er om koud! wy zyn 'er om kond! In het midden van deezen angst herïnnerde ik my echter, dat de Peréca op de kaart wierdt aangewezen ten westen van de plaats, alwaar wy ons bevonden, en ik besloot om oogenblikkelyk mynen weg derwaarts te nemen. Derhalven mynen snaphaan op nieuw geladen hebbende, gelastte ik aan QUACO om my te volgen; maar 'er was my nog één hinderpaal in den weg, ik had myn kompas niet by my, en de regen belette het doorschynen der zonnestraalen. In deezen bangen nood, herïnnerde my myn medgezel, dat de schors der boomen aan de zuidzyde doorgaans veel gladder is. Dit was waarlyk een goede inval, en dienvolgende gingen wy naar dien kant heen; dan eens door een dik en donker bosch, dan eens door een zoort van kreupelbosch, tot dat wy, door vermoeienis en honger afgemat, gingen nederzitten, zonder een enkel woord uit te brengen, en elkander aankykende als twee slachtöffers; die ter dood verwezen waren. Ons stilzwygen bleef nog voortduuren, wanneer wy een verward gedruis hoorden, als van lieden, die hoestten, en van anderen, die met wapentuig eenige beweging maakten. Gode zy dank! het was ons krygsvolk, het welk zig nedersloeg op een veld, bevoorens door het volk van de Peréca bezet. In weerwil van myne ongelegenheid, bevond ik my in dit oogenblik in eene der gelukkigste geest-gesteldheden, die my deedt zien, dat alles in deeze weereld ten goeden en ten kwaaden keeren kan. Alle de Officiers wenschten my van goeder hart geluk, en myn Neger, zoo wel als ik, deelden met hun van hun koud ossenvleesch en brood. Na het eindigen van deezen maaltyd, vervolgden wy onzen weg, en wy kwamen wederom in een moeras, of liever in een modderigen vyver, welks oppervlakte te zwak was om ons te dragen. De donkerheid van den nacht overviel ons, en wy waren genoodzaakt aldaar te verblyven. De soldaten hingen hunne hangmatten aan de boomen, de eene boven de andere; de slaven maakten houtvlotten, op welken zy het kruit, de krygsbehoeften, enz. nederzetten, en zy zelven gingen leggen slapen.
Den 26sten, vertrokken wy, een uur voor het aankomen van den dag, maar na dat de Colonel SEYBOURG in zyne hangmat koffy gedronken had, terwyl al het volk, tot hun midden toe in het water staande, op hem wagtte, en wy gingen eerst west-, vervolgens noord-westwaarts. Onze tocht was zoo moeielyk en verveelend, dat verscheiden slaven hunne pakken lieten vallen, waar door dezelve deels nat wierden, deels verloren geraakten. Eindelyk, na eene andere verlatene legerplaats, te zyn doorgetrokken, hielden wy stil aan het oude cordon, of den weg, die op andere wegen uitliep, alwaar ik dadelyk het spoor der muitelingen ontdekte, geduurende dat ik aan de Cottica het bevel voerde. Wy sloegen aldaar ligte hutten op, om onder dezelven den nacht door te brengen.—Ik bleef nog steeds in arrest.
Een der Jagers, een klein viervoetig dier ontdekt hebbende, het welk met eene ongelooflyke gezwindheid door de legerplaats liep, hakte het zelve met zyn sabel. Het was de Paca, of de gevlakte Cavey, in Surinamen den naam van Water-haas dragende. Dit dier is ongemeen vet, en heeft de grootte van een speenvarken. Zyn onderste kakebeen is kort, zyne neusgaten zyn breed, en van knevels voorzien, even als de katten; zyne oogen zyn zwart, en zyne ooren klein en kaal. Aan elke poot heeft hy vyf klaauwen. Zyne huid, van eene bruine aard-kleur, is met vlakken gespikkeld, die een buffels kleur hebben, in de lengte, en meer of min streeps-gewyze geplaatst zyn: de buik heeft eene vuile witte kleur, en het geheele lyf is met een ruw, grof en kort hair overdekt. De Paca is een halfslachtig dier. Zig op het land bevindende, graaft hy, even als de varkens, in den grond, om zyn voedzel te zoeken: wanneer hy in gevaar is, loopt hy naar het water, om aldaar eene schuilplaats te vinden. Schoon hy vet, en, naar mate van zyne grootte, zeer wel in 't vleesch is, loopt hy echter veel gezwinder, dan eenig dier van zyne dikte in Zuid-America doet. Men leest nochtans het tegendeel in de beschryving, welke men daar van vindt in het vervolg op de Natuurlyke Geschiedenis van BUFFON, alwaar gezegd wordt: "Dat de Paca niet gezwind loopt, dat hy zelfs zeldzaam loopt, en dan nog met zeer weinig bevalligheid". Misschien is dit waar, wanneer men hem als een huisdier beschouwt, want men kan hem tam maken; maar ten minsten in den staat der natuur is hy zoodanig niet; en ik kan verzekeren, dat ik hem als een haas heb zien loopen. Wy lieten hem voor onzen avond-maaltyd gereed maken, en wy vonden hem nog veel lekkerder dan de Bosch-rot, of zelfs dan de Warrabocerra.
De Cavey, met een lange neus, beter bekend onder den naam van Agouli Pacarara, is in Surinamen mede zeer gemeen. Zyne grootte is die van een groot konyn, Zyne huid heeft eene bruine oranje kleur op den rug, en geel aan den buik; zyne pooten zyn zwart: alle vier zyn ze lang uitgerekt: de voorpooten eindigen met vier klaauwen, en de agterpooten met drie. De oogen van dit dier hebben eene schitterende zwarte kleur. Zyne bovenste lip is gespleten, en van knevels voorzien; zyne ooren zyn klein. Even als de Paca, heeft hy een zeer korten staart. Hy teelt sterk voort, en het wyfje zoogt haare jongen, die ten getale van drie of vier zig in holen van oude stammen van boomen ophouden, werwaarts zy ook de wyk neemt, wanneer zy vervolgd wordt. De Agouli Pacarara zoekt zyn voedzel niet op het land, zoo als de Paca. Men maakt hem gemakkelyk tam, en hy eet vruchten, wortelen, nooten, enz. maar zyn vleesch, schoon goed, is echter van een minder zoort, dan dat van de Paca.
Men heeft my in Surinamen gezegd, dat aldaar ook een ander dier van dit zoort gevonden wordt, genaamd de langstaartige Agouli. Ik heb hem niet gezien, of het is dezelfde, dien ik onder den naam van den Struikrot beschreven heb.
Den 27sten, vervolgden wy onzen weg, en voor den middag kwamen wy in eenen elendigen staat op de Plantagie Soribo, aan de Peréca, om aldaar de naby gelegene Plantagiën tegen BONNY en de muitelingen te verdedigen.
De Rivier Peréca heeft, zoo men zegt, uit hoofde van derzelver veelvuldige kromten, een loop van meer dan zestig mylen, en zulks over 't algemeen van den zuid-oost naar den noord-west kant. Zy is zeer diep; maar haar bed is naauw, en aan haare oevers zyn, even als ten aanzien van alle de andere Rivieren, overäl schoone Suiker- en Koffy-Plantagiën gelegen. Wy waren naauwlyks op den wachtpost te Soribo aangekomen, of verscheiden afgezondenen van den Colonel SEYBOURG spraken my aan, en verzogten my ernstig, dat ik erkennen wilde ongelyk gehad te hebben: zy verzekerden my, dat ik, dit erkend hebbende, myne vryheid zoude te rug bekomen, en alles vergeten zoude zyn. Overtuigd van myne onschuld, konde ik my met geen schik schuldig verklaren, en vooräl naardien de misdaad, waar van men my beschuldigde, slechts een gevolg was van myne getrouwe zorge voor het behoud der manschappen en krygsbehoeften, die my toevertrouwd waren. Na myne weigering, welke de Colonel SEYBOURG als eene misdadige halstarrigheid geliefde aan te merken, gaf men my onder de bewaring van eene wacht, en men nam my myne wapenen af. Onze Zee-soldaten bragten my toen in eene zeer groote ongerustheid, door opentlyk te dreigen, dat zy ten mynen voordeele aan 't muiten zouden slaan. Om dit onheil voor te komen, verklaarde ik hun, dat, daar, naar myn inzien, ongehoorzaamheid en muiterye in krygslieden onverschoonlyk waren, ik my gedwongen zoude zien, hoe hard my dit ook vallen mogt, om my tegen hen te wapenen.
Op den dag van onze aankomst op den wachtpost van Soribo, vernamen wy, wat 'er aan de Peréca was voorgevallen. De Plantagiën Schoonhove en Altona waren door de muitelingen, welken wy uit Gado Saby verjaagd hadden, geplonderd geworden. Maar zig voor de Plantagie Poelwyk vertoond hebbende, hadden de slaven aldaar hen genoodzaakt te rug te keeren. De Jagers, die op de Plantagie Hagenbos geplaatst waren, waren hen den 21sten agter na getrokken. Zy hadden hen den 23sten ingehaald, een groot getal 'er van gedood, en het grootste gedeelte van hunnen geroofden buit hernomen. Den zelfden dag, poogde een ander gedeelte der muitelingen zig meester te maken van het kruid-magazyn op Hagenbos, het welk geen kwaad ontwerp was, en zy hadden daar toe het tydstip uitgekozen, dat de Jagers bezig waren met eene andere bende te vervolgen; maar zy wierden door een klein getal gewapende slaven te rug gedreven, één van welken, tot de Plantagie Timotibo behoorende, eenen gewapenden muiteling gevangen nam, en vervolgens hunne legerplaats agter de Plantagie van zynen meester ontdekte, voor welken dienst hy wel beloond wierd. Na al dit verhaalde, was 'er geen twyffel aan, of indien de party, die den 16den door den Colonel SEYBOURG was afgezonden, voorwaarts gerukt was, in plaats van volgens zyne beveelen te rug te trekken, alle deeze noodlottige voorvallen zouden geen plaats gehad hebben, en de onderneming der muitelingen zou geheel en al vervallen geraakt zyn. Het was daarënboven klaar, dat de Neger, op wien wy den 21sten geschoten hadden, één van de rooversbende van den 20sten was, en dat de muitelingen, wier lyken wy den 23sten gevonden hadden, dien zelfden dag waren gedood geworden.
Den 29sten zondt een Officier van het Sociëteits krygsvolk my eenige vruchten, waar onder dadels waren. De boom, die dezelven voortbrengt, de dadel-boom, behoort tot het geslacht der palm-boomen, maar is van eene ongemeene hoogte. Zyne bladeren loopen uit den kruin van den boom, zy zyn wyd uitgespreid, zeer dik, nederhangende, en by elkander genomen, vormen zy een zonnescherm. Deszelfs vruchten groeien aan rissen, waar van elk een groot getal bevat. Zy zyn langwerpig, van de grootte van een menschenduim, en van eene geele kleur. Het vleesch, het welk lymig, vast en zoet is, zit rondöm eene zeer harde, grysachtige noot, die over haare geheele breedte als met een vooren doorsneden is.
Dien zelfden dag bevonden zestig Jagers, die op kondschap waren uitgegaan, dat de legerplaats der muitelingen agter de Plantagie Timotibo verlaten was. Zy moest omtrent zestig menschen bevatten.
In de nabuurschap van de Peréca niets te doen hebbende, verlieten wy die plaats des morgens van den 30sten September, en den 1sten October, kwamen wy op Devil's Harwar aan, ongemeen vermoeid zynde, en zonder iets merkwaardigs op onzen tocht ontmoet te hebben. Des avonds te voren had ik aan den Colonel FOURGEOUD geschreeven; ik verzogt hem, dewyl myne tegenwoordige gesteldheid my ten hoogsten verdroot, oogenblikkelyk eenen krygsraad by één te roepen, en had hem mynen brief door eenen slaaf gezonden. By onze aankomst op deezen post, gebruikte men de hardste middelen om my tot onderwerping te dwingen; en de behandeling, welke ik ondervond, was van dien aart, dat een Capitain der Jagers, QUACI genaamd, uitriep: "Indien de Europeanen zig jegens elkander zoodanig gedragen, is het niet te verwonderen; dat het hun tot genoegen strekt ons arme Africanen te mishandelen en te kwellen"!
Deeze verdrietelyke zaak liep echter op Devil's Harwar ten einde. De Colonel SEYBOURG, overtuigd van zyn ongelyk, en niet kunnende weten, hoe dit geval moge afloopen, trachte, zoo mogelyk, uit de netelige omstandigheid, waar in hem zyne oploopenheid gebragt had, met eere uit te komen. Den 2den October, vroeg hy my derhalven met eenen glimlach: "Of ik wist te vergeten en te vergeven"? Ik antwoordde hem, neen! Hy daar op zyne vraag herhalende, zeide ik hem; "dat ik eerbied voor de waarheid had, en dat ik nooit erkennen zoude schuld te hebben, zoo lang myn geweten my zulks niet deedt gevoelen; dat ik onbekwaam was tot zulk eene laagheid voor een medemensch, en nog minder voor hem, dan voor eenig ander". Hy nam my by de hand, verzogt my bedaard te zyn, en verklaarde my: "Dat hy, op alle voorwaarden, vrede met my wilde maken"! maar ik antwoordde hem stellig: "Dat ik naar geen ander vergelyk luisteren wilde, dan het volgende; dat hy zyne misslag in tegenwoordigheid van alle de Officiers erkennen zoude, en dat hy, met eigen handen, uit zyn Dag-register alle de bladen zoude uitscheuren, die mynen goeden naam in verdenking zouden kunnen brengen". Dit geschiedde oogenblikkelyk; men gaf my myne wapenen te rug, en myne zegepraal ging gepaard met alle omstandigheden, die my eene volkomene voldoening verschaffen konden. Ik reikte vervolgens ongeveinsd en van goeder harten aan den Colonel SEYBOURG de hand toe: dezelve gaf eene maaltyd tot een vreugde-feest over onze verzoening: na den maaltyd stelde hy my, tot myne groote verwondering, den brief weder ter hand, dien ik aan den Colonel FOURGEOUD geschreven had, en hy erkende my denzelven onderschept te hebben, om voor te komen, dat deeze zaak geene verdere gevolgen hebben zoude. Hy berigte my tevens, dat onze Opper-Bevelhebber aan de Wana-Kreek gelegerd lag, in plaats van den Lieutenant Colonel DE BORGNES, die ziek geworden, en naar Paramaribo opgezonden was. Onze verzoening was zeer wel gemeend, en na dat het krygsvolk een weinig had uitgerust, vertrokken wy den 4den, naar het hoofd-quartier van Jerusalem; maar ik was genoodzaakt mynen QUACO te Devil's Harwar zeer ziek agter te laten, alwaar ik hem aan de zorge van den Heelmeester aanbeval. Dien avond sloegen wy ons neder aan de overzyde van de Cormoetibo-Kreek.
Des anderen daags in den vroegen morgen, kwamen wy, de Cottica overgestoken zynde, weder op den wachtpost van Jerusalem. Ik had ledigen tyd om aanmerkingen te maken omtrent de wisselvalligheden van dit leven, en alle de onheilen, waar aan wy bloot gesteld zyn, het zy wy ze al, dan niet verdiend hebben: ik maakte vooral deeze aanmerkingen, toen ik onder de kortlings ontscheepte persoonen, eene van myne oude kennissen vond, namelyk den heer P…., die in Europa meer dan dertig duizend ponden sterling hadt doorgebragt. Men hadt hem zyne vrouw, die zeer schoon was, ontvoerd, en hy zag zig in dit oogenblik, om te kunnen bestaan, vervallen tot den post van Vaandrig, onder het krygsvolk van de Compagnie. Hy had voorheen een aanzienlyken eigendom in deeze zelfde Volkplanting bezeten, het geen zynen staat steeds veel onäangenamer en verdrietelyker maakte. Van zynen geheelen rykdom hadt hy niets meer overig, dan een enkel stuk geld, het welk hy onder de slaven wierp, tevens eenige Fransche versen aanhalende, die op zyne gesteldheid toepasselyk waren.
Tweede tocht naar Gado-Saby.—Land-Schildpad.—Verschillendezoorten van hout.—Levendig geraamte.—Treffelykegezichten.—Honderd-pooten.—Verschillende Plantgewassen.—De Opper-Bevelhebber wordt ziek, en verlaat delegerplaats.—Sprinkhanen.—Verschillende zoorten vanvisschen.—De Zeekoe.—Het Zee-paard.—Aanmerkingen omtrenthet aanwezen der Meerminnen.—Trommelzucht.—Verscheidenzoorten van vogelen.—De Malaky en Markoury boomen.—Doornhaag-wormen.
Den 9den October 1775, verliet de Colonel FOURGEOUD zyne legerplaats aan de Wana-Kreek, om zig op den post van Jerusalem met ons te verëenigen. Hy deedt vooraf de helft zyner soldaten, die ziek waren, in vaartuigen de Rivier afzakken. De soldaten van deezen post voegden zig by hun, en men zondt hen allen naar Devil's Harwar, om den genade-slag te ontfangen. De Neger-Jagers vertrokken insgelyks, en begaven zig met hunnen leidsman WINSAK naar de Peréca, alwaar zy met de verdediging belast waren.
De Colonel ontdekte, by deezen laatstgemelden tocht een honderdtal ledige huizen, en bespeurde eenige muitelingen, maar nam 'er geen één van gevangen. Hy vondt ook een bekkeneel aan een tak van een boom hangen, en men konde met genoegzaame zekerheid gissen, dat dit het hoofd, was van den ongelukkigen SCHMIDT, die omgekomen was. [46]
Den 13den, kwam myn Neger QUACO te rug, volmaakt hersteld zynde: ik was 'er verblyd over, want zyne getrouwheid omtrent my had nog nooit gewankeld. Wy vernamen te gelyker tyd, dat de Capitain STOELEMAN, die aan het hoofd van eenige Jagers was, door een zwaren rook, dien hy van verre in het bosch bespeurd had, eene verblyfplaats der muitelingen had ontdekt, doch die door hem niet was aangetast; dat de Capitain FREDERIK, met een anderen hoop Jagers, de oevers der Zee beneden Paramaribo schoon hieldt; dat twee soldaten, die den 18den Augustus verdwaald geraakt waren, het geluk gehad hadden, om op eene wonderbaarlyke wyze hun gevaar te ontkomen, en dat zy den wachtpost, die aan de Rivier Maroni geplaatst was, bereikt hadden; en eindelyk, dat twaalf schoone Negerslaven van de Plantagie Gold Mina waren weggeloopen, om zig met de muitelingen te verëenigen.
Deeze tydingen bemoedigden den Colonel FOURGEOUD dermaten, dat deeze onvermoeide Overste steeds by zyn besluit bleef, om den vyand te vervolgen. Mitsdien trokken wy den 15den, in den vroegen morgen, de bosschen in, schoon ons getal toen merkelyk gesmolten was. De Colonel liet des avonds te voren een vrywilliger, één van zyne landgenooten, MATTHIEU genaamd, en broeder van den Vaandrig van dien naam, ter aarde bestellen. De dood was ons zoo gemeenzaam geworden, dat, wanneer iemand onzer een nabestaanden of vriend op de legerplaats verloor, men hem doorgaans deeze vraag deedt: "Heeft hy brandewyn, rhum of tabak nagelaten"?
Korten tyd voor ons vertrek, liepen zeven van onze Neger-slaven weg, en namen de vlucht naar hunne meesters, alwaar zy mismoedig, vermagerd, en byna uitgehongerd, aankwamen. Wy stelden ons echter in aantocht, en trokken regelrecht noord-oostwaarts aan. De kist, waar in myne flessen gesloten waren, brak aan stukken met al wat 'er in was, en dit was de eenige merkwaardige gebeurtenis op deezen tocht. Des avonds sloegen wy ons by de Cassipory-Kreek neder; en dewyl het saisoen van droogte aankwam, moesten wy een put graven, om water te hebben. Het krygsvolk kreeg alhier bevel, om geene hutten, noch schuilplaatsen meer te bouwen, dewyl de regenbuien minder zwaar wierden.
Den 16den, vervolgden wy onzen weg, steeds noord-oostwaarts trekkende, en tegen den avond kwamen wy aan die huizen, welken de Colonel FOURGEOUD laatst ontdekt had, maar die, zoo als men naderhand ontdekte, slechts voor een tyd eene verblyfplaats hadden opgeleverd aan die muitelingen, welke verwagtten oogenblikkelyk van Gado-Saby verjaagd te worden; en waar aan zy den naam van Bousy-Gray (dat is: "de bosschen schreyen",) gegeven hadden. Wy sloegen ons hier neder, en bezagen met veel vermaak de wooning van BONNY, zynde in den smaak van een molen gebouwd, en zeer hoog boven den grond verheven. Dezelve had twee deuren, om des te beter te kunnen zien, wat 'er rondom hem omging, en alzoo geen gevaar te loopen, om het slagtöffer eener verrassing te worden. De lucht had aldaar ook vryer doorspeeling, dan in de andere wooningen, en uit dien hoofde was zy voor zyne gezondheid beter geschikt, want in één der laatste gevechten hadt hy eene gevaarlyke wonde in de liesch bekomen, zoo als wy naderhand van één onzer gevangenen vernamen. In de nabyheid der wooning van dit Opperhoofd der muitelingen, zag men baden, byzonderlyk geschikt ten gebruike van zyne vrouwen, die zig des morgens en des avonds daar in begaven, want 'er was in den omtrek deezer verblyfplaats geene Rivier.
Een der slaven boodt my, op de laatstgemelde legerplaats, een Land-Schildpad aan; een dier, het welk wy, wel is waar, verscheiden malen gezien hadden, maar het nog niet beschreven hebbende, zal ik trachten zulks thans te doen. De Surinaamsche Land-Schildpad is van eene eyronde gedaante, en heeft niet meer dan agtien of twintig duimen lengte. Zyne schelp, die van eene donker geele of bruine kleur is, veel meer uitpuilende, dan die van de zee-schildpad, heeft dertien zeshoekige verhevenheden, en is zoo hard, dat zy, zonder te breken, het zwaarste gewicht dragen kan. De onderste schelp, of het borststuk, is een weinig hol, en van eene helder geele kleur. De kop van dit dier gelykt naar dat van alle andere Schildpadden. De staart is zonder hair en kort, maar in plaats van vinnen, heeft hy vier pooten, met schubben bedekt, en met puntige nagels gewapend, waar van hy zig in het loopen bedient. Wanneer hy zig voor eenig gevaar wil beveiligen, kruipt hy in zyn schelp of bekleedzel. De Indianen laten de Schildpad in dien staat op het vuur koken, tot dat dezelve gaar is; het geen men weet, wanneer het benedenste gedeelte zig afscheidt van het bovenste, het welk tot een schotel voor deeze spyze dient. Eene minder wreede manier, waar van ik altoos gebruik maakte, bestaat daar in, dat men het dier in zyn beenachtig bekleedzel op heeten asch plaatst; hy steekt dan kop en hals naar buiten, welke men hem afhouwt, en zig daar door de spyze verschaft, welke zyn lichaam oplevert, zonder het dier verdere folteringen aan te doen. De heer DE GRAAF, drie of vier van deeze Land-Schildpadden willende verzenden, bewaarde dezelven vier maanden; geduurende al dien tyd bleven zy in 't leven, zonder dat zy eenig voedzel scheenen te nemen, en met dit al behielden zy haare kragten, zoodanig dat zy zelfs ter voortteeling geschikt waren.
Ik heb ook dikwils eene andere Land-Schildpad gezien, die hier Alacacca genoemd wordt. Dezelve is van eene zeer platte gedaante, en van eenen kleinderen omvang, dan de eerstgemelde. Derzelver groenachtige kleur is voor het gezicht zeer onaangenaam, en zy is zoo goed niet om te eeten, dan de andere.
Den 17den, vervolgden wy onzen weg ten noorden en noord-oosten, in de hoop om eenige ontdekking te doen, maar zonder vrucht. Dien dag gingen wy voorby eenige mieren-nesten, die meer dan zes voeten hoogte, en, zonder vergrooting, een omtrek van meer dan honderd voeten hadden. Wy zagen ook eene meenigte stukken fraay timmerhout, waar onder was het hout van den zwarten kool-boom, die eene donker bruine kleur heeft, en by de schrynwerkers en timmerlieden zeer geacht is. Men toonde my ook den Zandkuil-boom, alzoo genoemd naar zyne vrucht, waar uit men het zaad neemt, en dezelve dan met zand vult voor de schryftafels. Deeze vrucht, die de dikte heeft van eene groote uije, heeft kleine gaten in derzelver oppervlakte. Het is een ontlast- en braak-middel te gelyk; maar het sap van derzelver vleesch is een sterk vergift. Zie daar alles, wat ik 'er van zeggen kan, want ik had noch tyd, noch gelegenheid, om dezelve met de nauwkeurigheid van eenen kruidkundigen te onderzoeken.
Den 18den, trokken wy steeds in dezelfde richting voort. Wel dra vonden wy een gebaand voetpad, het welk een cirkel maakte, en niettemin een weg van gemeenschap scheen te zyn tusschen Gabo-Saby en Bousy-Gray. Dit voetpad bragt ons regelrecht naar den westkant, en na verloop van eenige uuren, dat wy het zelve gevolgd hadden, vond ik een armen Neger, tot de muitelingen behoorende, die met bladen van den Latanus-boom bedekt was, en nauwlyks meer adem halen konde. Hy hadt niet meer, dan het vel over de beenderen, en één van zyne oogen was uit de oog-holte uitgezakt. Ik zette hem myn fles voor den mond, en hy dronk eenige teugen rhum met water gemengd; vervolgens zeide hy my met eene zwakke stem, die wy naauwlyks verstaan konden:—"Ik bedank u, Masera".—Verder sprak hy niets. De Colonel gaf bevel, om hem in een hangmat mede te nemen; en kort daar na sloegen wy ons neder by een biry-biry, of modderpoel. Ik moet niet vergeten, dat wy deezen dag eenige schoone Brood-boomen [47] zagen, die tachtig of honderd voeten hoog, en zeer dik waren. De boom van dien naam is grys, en loopt lynrecht op. Zyne takken spruiten aan den top uit, en de bladen zyn aldaar aan paaren gerangschikt. Men noemt hem te recht den Koning van het woud, want schooner boom is 'er niet. Deszelfs hout, van eene voortreffelyke kaneel-kleur, is vast, van een fraay erf, neemt een goeden glans aan, en kan den tyd verduuren.—Maar het geen vooral onzen aandacht tot zig trok, waren de zaden, die naar boonen gelyken, en ten getale van drie of vier in eene breede en helder bruine peul besloten zyn. Wy zagen 'er eene groote meenigte van aan den voet van den boom op den grond verspreid leggen; zy hadden een smaak van zoete koek. Uit zyne wortels druipt eene gom, die, behoorlyk toebereid zynde, een vernis oplevert, het welk in helderheid en gebruik geen weêrgaa heeft.