VIER-EN-TWINTIGSTE HOOFTSTUK.

De meenigte schoone boomen van onderscheidene zoorten, welke dit Land oplevert, is waarlyk eindeloos. Men heeft slechts de moeite te doen van ze te hakken; maar indien men den afstand, op welken zy doorgaans groeien, van de bevaarbare Rivieren in aanschouw neemt, als mede de kosten op het omhakken en bewerken vallende, de meenigte slaven, welken men gebruiken moet om de boomen door de bosschen heen te trekken, vermits men zig aldaar van geene paarden bedienen kan, de gevaaren en tyd-verliezen, kan men ligtelyk naargaan de oorzaak der ongemeene duurte van het timmerhout in Guiana.

Deeze tocht verschafte ons de verrukkelykste gezichten. Wy liepen door een eindeloos bosch, waar van de altyd groene boomen het schitterendst lommer ten toon spreidden. Het saisoen van droogte (zynde de zomer in dit Land) bragt oneindig veel toe tot verfraaijing van dit toneel; en de eenvoudige natuur overtrof hier verre de verdubbelde pogingen der konst. Wy ontmoetten eindelooze zandwoestynen van het aangenaamst groen, door de bekoorlykste beeken van versch en helder water doorsneden, wier oevers vercierd waren met bloemen, die de schitterendste kleuren vertoonden, en de lucht met den aangenaamsten geur vervulden. Dan eens zag men het bevallig tafereel van een hoop fraaie uitspruitende boompjes; dan eens verhief zig een enkele boom, wiens schoonheid deed vermoeden, dat men hem met voordacht op deeze plaatsen had laten groeien, om dit tafereel nog ryker en bevalliger te maken. De geheele landstreek was door een zeer groot bosch van hooge palmboomen omringd; wier verheven kruinen, van de zelfde kleur als de golven der zee, zig in een zacht evenwicht hielden boven een onëindig getal van onderscheidene geboomten, wier groen nimmer verwelkt, die altyd met bloemen en vruchten bedekt zyn, en den vermoeiden reiziger schynen uit te noodigen, om onder hunne schaduw rust te nemen, tot het gunstig oogenblik, dat hy zig in den vlietenden stroom van het zuiverst water kan dompelen, en de verhevene schoonheden der natuur onbelemmerd aanschouwen.—Hoe meenigwerf, wanneer eene algemeene stilte rondom my heerschte, dacht ik niet aan myne lieve gezellinne, wenschende, met haar en mynen zoon, in deeze nieuwe Elyseesche velden, vreedzaame dagen te slyten!—Maar laaten wy tans zoortgelyke herdenkingen vaarwel zeggen.

Den 19den, vervolgden wy onzen tocht, en dien dag vonden wy onzen ouden weg, die ons regelrecht naar de velden van Gado-Saby bragt, alwaar wy nog eene groote meenigte ryst zagen, die kortlings gebloeid had, en welke wy afmaayden en verbrandden. De Neger, van wien ik bevorens gesproken heb, wierd hier onder boom-mos en bladeren nedergelegd, als of men hem levendig wilde begraven: voor deezen ellendeling was geene hoop meer tot genezing. Wy hingen onze hangmatten op, en verstikten byna door den rook van onze vuuren.

Ik zag op dit veld eene hagedis van by de twee voeten lengte, welke de Negers doodden en opaten: zy noemden hem Sapagala, en hy had eene groenachtig bruine kleur, maar hy geleek niet naar de Iguana. Onder de puinhoopen van het afgebrande gehucht, ontdekten wy eenige Water-rupsen of Honderd-pooten van agt tot tien duimen lengte. Dit hatelyk kruipend gedierte van eene geelachtig bruine kleur, loopt in allen opzigte zeer gezwind, en het vergift, het welk zy in de door hen gemaakte pynlyke wonde laaten, schoon het niet doodelyk is, verwekt niettemin doorgaans de koorts. Zommige schryvers geven aan dit kruipend gedierte twintig paar pooten, en anderen veertig. Ik heb ze by de geenen, die wy vonden, niet getelt: alles wat ik 'er van zeggen kan, is, dat zy my toescheenen met de Europeesche honderd-pooten eene juiste overëenkomst te hebben. Zommigen van onze Officiers maakten groote en schoone verzamelingen van alle deeze merkwaardigheden; ik voor my vergenoegde my met de afteekening en beschryving van die dingen, die my voorkwamen niet zeer gemeen te zyn.

Den 20sten, gingen wy de verblyfplaats, Cosaay genaamd, bezichtigen, en op den weg vernam ik, dat de bovengemelde Neger nog leefde. Ik nam de takken, die hem bedekten, weg, en op myne tusschenspraak, voerden wy hem met ons mede; maar de slaven, te onvreden van met zulk een pak beladen te zyn, namen, in myne afwezigheid, alle gelegenheden waar, om deezen ongelukkigen te doen lyden, met hem op wortels en steenen te laten vallen, en door het slyk en water, het welk wy doorwaden moesten, agter aan te laten sleepen. Men zondt verscheiden manschappen uit, om de omliggende streeken te onderzoeken; en het overige krygsvolk sloeg zig neder ten westen van Cosaay. Deeze afgezondene manschappen ontdekten van dien zelfden kant vier schoone velden, met maniok, ignames, bananen, pistaches, Indisch koorn, en erweten van Angola beplant. Zy zagen ook verscheiden lyken van menschen, die in het gevecht, in de maand Augustus voorgevallen, het leven hadden verloren.—Wy plukten, in de nabyheid van onze legerplaats, een zoort van mispelen, van eene karmosyn kleur, in smaak veel gelykende naar aardbezien, en groeiende aan een breed groen heestergewas, het welk in veele tuinen te Paramaribo wordt aangekweekt. Wy zagen ook een zoort van wilde Pruim-boomen, welken men hier Monpe noemt. Derzelver vruchten zyn geel, langwerpig en klein; elk van die bevat een kleine noot; het vleesch is niet zeer dik, maar schoon zeer zuur zynde, heeft het een aangenaamen smaak.

Des morgens van den 21sten, wierden alle deeze nuttige plantgewassen afgehouwen en verbrand. Na dat dit werk verrigt was, keerden wy naar onze legerplaats van den 19den te rug, welke wy ook geheel in brand vonden, en wy waren genoodzaakt onze hangmatten ter zyde van het bosch uit te spreiden. My alhier herïnnerende, dat men den armen stervenden Neger alleen gelaten had, liep ik naar die plaats toe, om hem met myne hulpe by te staan; maar na hem te vergeefs gezocht te hebben, in weerwil der rook dampen, en de donkerheid van den nacht, was ik genoodzaakt op myne eigene veiligheid bedacht te zyn, en in aller yl naar myne medgezellen te rug te keeren. Eenigen laakten myne roekeloosheid, anderen vervloekten het geraamte, het zy het levendig of dood was.

Toen de verwoesting was afgeloopen, keerden wy naar den post van Jerusalem te rug, alwaar wy den 24sten, geheel afgemat, aankwamen. De Colonel zelf wierd eindelyk door eene heete koorts aangetast, die hem noodzaakte, om in zyne hangmat te blyven leggen, en deedt vreezen, dat hy den nacht niet halen zoude. Echter behieldt hy steeds het bevel aan zig, en deedt, des anderen daags morgens, aan eenen soldaat stokslagen geven, die, vermits zyne voeten zeer gescheurd waren, hem om een paar schoenen verzogt; een ander onderging dezelfde behandeling, om dat hy gehoest had, schoon hy met eene zwaare verkoudheid behebd was; een Capitain wierd in zynen dienst geschorst, en naar het Fort Zelandia in gevangenis verzonden, om dat hy bestaan had een huwelyk aan te gaan buiten toestemming van den Colonel.—Ziekten en de dood maakten, in dit oogenblik, groote verwoestingen onder het leger, alwaar alles in de grootste verwarring was.

Den 1sten November, liepen, om de maat der onheilen vol te meten, vyf-en-twintig Negerslaven weg; en den 3den, ontfingen wy bericht, dat men meer dan vyftig gewapende muitelingen gezien had, die, een musket-schoot beneden Barbacoeba, de Cottica waren overgezwommen.

Op het ontfangen van deeze tyding, wierdt de Colonel SEYBOURG afgezonden met de weinige manschappen, die in staat waren op te trekken, en, in dit oogenblik, door honger en ellende geperst werdende, op 't punt waren om hunne eigene Officiers aan te tasten. Gebrek hebbende aan het geen zy boven alles waardeerden, tabak namelyk, rookten zy graauw papier, en kaauwden bladeren en leder, om by hun de plaats van deeze plant te vervullen. [48] Niemand ondertusschen leedt toen meer dan ik. Van levensmiddelen en kleederen ontzet, was ik uitgehongerd en naakt. Zedert het leggen in hinderlagen, en den tocht naar de Peréca, had ik een zweer aan den linker voet. Ik had geen één vriend onder het geheele leger meer overig, van wien ik de minste hulp verwagten konde. Tot overmaat van ellende was het weinige bloed, dat my nog overschoot, geduurende twee nachten agter elkander, door het Guiaansche Spook of Vampire, byna geheel en al uitgezogen. Ik geraakte in myne hangmat buiten my zelven, en kwam niet weder tot kennis, dan met een zoort van mistroostigheid, die merkelyk aanwies, na het lezen van eenen brief, waarin men my berigtte, dat JOANNA en myn zoon te Paramaribo aan eene rotkoorts op sterven lagen.

Eindelyk echter kwam de Sergeant FOWLER van de Plantagie Mocha, met één van myne kisten aan. De afgezondene krygsbende van den Colonel SEYBOURG kwam ter zelfder tyd te rug, zonder iets vernomen te hebben.

De Colonel FOURGEOUD bevondt zig den 14den zoo ziek, dat hy zig genoodzaakt zag het bevel aan een ander over te laten, en zig tot zyne herstelling naar Paramaribo te begeven. Na al zyn volk op deeze manier te hebben opgeöfferd, wierd hy het slachtöffer van zyne heerschzucht, die geene palen kende, en van zyne hardnekkige volharding, terwyl, zoo hy zig, zyne soldaten zoo wel als zig zelf, minder vermoeid en beter gevoed had, hy een even grooten, zoo geen grooteren dienst aan de Volkplanting bewezen zoude hebben.—Men zondt te gelyker tyd een vaartuig vol met zieken en stervenden naar Devil's Harwar.

Het bevel was toen in handen van den Lieutenant Colonel, die des avonds door de zelfde ziekte als de Colonel wierd aangetast. Dezelve richte toen groote verwoestingen aan ouder het krygsvolk van allerleijen rang, wier bloed door de hitte van eene brandende zon als kookte, terwyl wy, in dit saisoen van droogte, in plaats van ons op den post van Jerusalem te bevinden, de bosschen hadden moeten doorkruissen. Maar, zoo als ik reeds heb opgemerkt, de Colonel verkoos ongelukkiglyk dit ongeschikt saisoen voor deeze tochten. Verscheiden Officiers zouden toen hunne posten wel hebben willen nederleggen, indien de betamelykheid zulks gedoogd had op een oogenblik, dat zy werkelyk in dienst waren. Ik zelf zoude wel verlangd hebben eenigen tyd te Paramaribo te gaan doorbrengen; maar dewyl men my dit niet aanboodt, schoon men aan alle de anderen, tot de slaven toe, verlof gegeven hadt, achte ik het beneden my 'er om te verzoeken, dewyl ik het nog op gaande been konde houden.

Den 19den echter verërgerde myn voet zoodanig, dat de Heelmeester my buiten staat verklaarde, om dienst te kunnen doen: met dit al bleef ik steeds op de legerplaats.

Den 20sten, ontfingen wy eene versterking van krygsvolk, in slaven bestaande, en van krygsbehoeften; dienvolgende zondt men den Major MEDLAR met honderd vyftig mannen, om op kondschap uit te gaan.

Onder meerdere onheilen, waar mede het leger in dit oogenblik te kampen hadt, moet men vooral rekenen eene ontzachelyke meenigte sprinkhaanen, die alles, wat zy ontmoetten, verslonden. Het scheen waarlyk, of de vloek des hemels ons op alle manieren bezogt: allerleije zoort van ongedierte hadt zig dermaten vermeenigvuldigd, dat men, in weerwil van de grootste zorgvuldigheid, 'er zig niet geheel en al van bevryden konde. Deeze sprinkhanen waren van eene bruine kleur, en van gedaante als de anderen. Zy vlogen niet, maar sprongen by hoopen op de tafel en stoelen, terwyl wy aten. Des nachts kwelden zy ons, door over ons aangezicht te kuiëren.

Echter vonden wy op den post van Jerusalem eene groote meenigte visschen, en vooral de Newmara, de Warrappa, de Pataky en de Vieille. Allen waren uitmuntend. De Pataky was byna twee voeten lang, en hadt de gedaante van een schelvisch; de laatste geleek naar een groote baars. Men vong ook een zoort van Aal, die alhier Naay-naay-fisy genoemd wordt, zeer fyn, en omtrent een voet lang is. 'Er was ook nog een zoort van visch, genaamd Dung-fish, hebbende ten naasten by de gedaante van één kleinen haring. De Negers alleen aten de twee laatstgemelden.

Den 3den December, kwamen de afgezondene manschappen van den Major MEDLAR, na eene afwezigheid van veertien dagen, te rug, met zig brengende eene vrouw van de muitelingen, met haaren zoon, omtrent agt jaaren oud zynde, welken men op een klein veld, met bittere maniok beplant, gevangen genomen hadt. Dit ongelukkig schepzel was zwanger en zeer verschrikt; maar de Major, die een menschlievend en gevoelig mensch was, behandelde haar met goedäartigheid. Hy had echter op eene ongelukkige manier een Corporaal verloren, SCHOELAR genaamd, en een Zee-soldaat, genaamd PHILIP VAN DEN BOSCH, die onvoorzigtiglyk maniok-wortels gegeten hebbende, vergiftigd waren geworden, en den zelfden nacht in verschrikkelyke stuiptrekkingen en pynen stierven. Het geneesmiddel tegen dit vergift, is, zoo men zegt, peper van Caijenne in eenig geestryk water; maar de Major konde toen noch het een, noch het ander bekomen.

Onze gevangene verhaalde ons, dat die arme uitgehongerde Neger, dien wy gevonden hadden, ISAAC genaamd was, en dat men hem voor dood had laten leggen; zy verklaarde daarënboven, dat Capitain ARICO eene nieuwe verblyfplaats aan de zee-kusten had opgericht, waar aan hy den naam van Fissy-Hollo gegeven had; dat BONNY de gestrengste krygstucht onder zyn volk onderhieldt; dat hy eene zoo onbepaalde oppermacht oeffende, dat hy aan twee persoonen van zyn volk het hoofd hadt laten afhouwen, drie dagen voor het inneemen van Gado-Saby, namelyk in den nacht van den 17den Augustus, toen wy het geschreeuw der muitelingen, en het afschieten hunner snaphaanen hoorden, en zulks alleenlyk op de verdenking, dat deeze ongelukkigen ten voordeele der Europeanen gesproken hadden, en dat zy die geenen waren, wier hoofden wy op pieken gevonden hadden; dat deeze BONNY aan geenen Neger, onder zyn bevel staande, wapenen toevertrouwde, of hy moest hem eerst eenige jaaren als slaaf gediend, en ontwyffelbaare bewyzen van moed en trouwe gegeven hebben; dat zyne talryke onderhoorigen verpligt waren zig zonder tegenspreken te onderwerpen aan alles, wat hy goedvondt te beveelen; dat men hem intusschen meer beminde, dan vreesde, uit hoofde van zyne onkreukbaare rechtvaardigheid en zynen mannelyken moed: zy bevestigde ons ook het bericht, dat hy gewond was geworden.

Deeze vrouw en haar zoon wierden, den 4den December, met den Vaandrig CABANUS, die hen had gevangen genomen, naar Paramaribo gezonden. Men had byna te gelyker tyd een jong meisjen van omtrent veertien jaaren aangehouden, doch deeze geheel naakt, en buitengemeen gezwind zynde, had het geluk gehad te ontsnappen.

Voor het Hof van Justitie wierd bewezen, dat de eerstgemelde door de muitelingen met geweld was weggevoerd; dienvolgende kreeg zy vergiffenis, en keerde, benevens haaren zoon, met blydschap naar de Plantagie van haaren meester te rug. Het is opmerkelyk, dat, toen dit kind voor de eerste keer een paard of een koe zag, hy daar voor zoo beängst was, dat hy in zwaare stuiptrekkingen viel; bovendien konde hy niet veelen, dat hem een blanke aanraakte; want tot hier toe had hy geene menschen van die kleur gezien, en hy noemde hen altyd Yorica, het welk, in de taal der Negers, den Duivel beteekent.

Omtrent op deezen zelfden tyd, dreef het ligchaam van eene Zee-koe, of Manati, in het water, dicht by den wachtpost van Jerusalem. De slaven zwommen 'er dadelyk naar toe, de één met snoeimessen, de ander met gewoone messen, en allen bragten zy 'er stukken van mede voor hun middagmaal. Eindelyk trokken zy het dier, het welk reeds aan het rotten was, op 't land. Het was zestien voeten lang; en bestondt uit eene zeer groote en ongeschikte klomp vet, waar van het agterste gedeelte puntsgewyze liep naar eene vleeschachtige, breede en rechte staart. Deeze Zee-koe had een dikken en ronden kop, een platten bek, breede neusgaten, met zeer harde hairen aan den neus, en boven den mond, kleine oogen en drie gehoor-gaten, in plaats van ooren. In plaats van pooten, had dit dier twee uitwassen, of vleeschachtige vinnen, even als die van de Land-Schildpad, die een weinig beneden den kop te voorschyn kwamen. Het dier bedient 'er zig van om te zwemmen, en zig, schoon traaglyk, te bewegen, wanneer hy het kruid wil eeten, het welk aan den oever der rivieren groeit, want het is een halfslachtig dier. Hy had eene groenachtige zwarte kleur, eene ruwe ongelyke huid, met groote verhevenheden en rimpels, die een kring maken, en met eenige weinige stekelige hairen bedekt. Hy had kiezen, maar geene voor-tanden, en eene zeer korte tong. De Zee-koe werpt, even als de Walvisch, levende jongen, en zoogt dezelven aan twee borsten. De dieren van dit zoort zyn in de Rivier der Amazonen zeer gemeen. Men zegt, dat hun vleesch den smaak van kalfs-vleesch heeft, en goed is om te eeten. Die ik tans zag, was reeds te veel verrot, om 'er van te proeven. Men zag op zynen rug twee gaten van kogels, welken de muitelingen waarschynlyk op den 27sten, wanneer wy twee snaphaan-schoten gehoord hadden, op hem hadden laten afgaan.

Ik oordeele het niet ongepast te zyn, om alhier eene beschryving te geven van een ander halfslachtig dier, Tapira genaamd, het welk veel gelykheid heeft met het Zee-paard van het oude vaste Land, maar minder groot is. Zyn lyf heeft ten naasten by de gedaante van dat van een ezel, schoon echter minder lomp zynde. Zyn kop verschilt niet veel van den kop van een paard, maar zyne onderste lip staat meer voor uit, en eindigt met eene beweegbaare snuit, [49] als die van een Olyphant, maar niet lang genoeg, om hem van eenig nut te wezen. Zyne ooren zyn rondachtig; zyne voortanden zyn zeer sterk, en zomtyds zichtbaar. Hy heeft ruwe en rechte maanen, korte en dikke pooten met een zoort van paards-hoef, verdeeld in vier klauwen met nagels gewapend. Zyne staart heeft niet meer dan twee of drie duimen lengte. De huid van dit dier is uittermaten dik, en van eene bruine kleur; wanneer hy jong is, heeft deeze huid kleine vlakken, even als die van de harten in Guiana, of de Paca, en dezelve maken langwerpige streepen. Hy voedt zig met kruiden en planten, die op moerassige plaatsen groeijen. Hy is zoo vreesachtig, dat hy, bang zynde, zyn behoud zoekt door zig in het water te dompelen, waar in hy een zeer langen tyd verblyft. Het vleesch van het Zee-paard is zeer lekker; men geeft 'er den voorkeur aan boven het beste ossen-vleesch.

De heer SELEFELDER, Officier van 's Compagnies krygsvolk, verzekerde my, op deezen zelfden tyd, dat hy een Zeepaard, van een geheel onderscheiden aart, in de Rivier Maroni gezien had. De Majoor ABERCOMBIE, die in den zelfden dienst was, zeide my onlangs, in de Rivier van Surinamen een Meermin te hebben aangetroffen. Lord MONBODDO houdt ook zeer stellig staande het aanwezen van Zee-mannen en Zee-vrouwen, [50] en verzekert, dat men ze in 't jaar 1720. gezien heeft. Maar hoe achtenswaardig op andere punten het oordeel en gezag van deezen Lord moge voorkomen, is het my niet mogelyk, om met hem in te stemmen, dat 'er mannen en vrouwen met vinnen en schubben, laat staan met staarten, zyn zouden.

Ik geloof, zoo het my geöorloofd is myne gedachten op dit stuk te zeggen, dat men nu en dan in de Rivieren, onder den zonne-keerkring gelegen, zoo op de kust van Africa, als van Zuid-America, een zoort van visch ziet, die met het halve lyf boven het water uitsteekt, zeer veel gelykheid heeft met een menschelyk schepzel, maar veel kleiner is, en ten naasten by als die geen, welke men in 't jaar 1794 te London zag. Deszelfs kleur is zwartachtig groen; de kop is rond, met een zoort van mismaakt aangezicht. Eene zwaare vinne vertoont zig by de oogen van het dier, loopt tot het midden van den rug, en gelykt veel naar hoofdhair. Zyne twee armen en handen zyn twee vleesachtige en gevingerde vinnen. Het wyfje, als zynde een dier, dat haare jongen levendig werpt, heeft borsten, even eens gemaakt, als die van eene vrouw. De staart is volmaakt die van een visch. In veele opzigten gelykt hy naar het Zee-kalf; behalven dat de laatstgemelde geene vinnen op den rug heeft. Dezelve is ook veel dikker, en verheft zig nooit boven het water, zoo als het dier zoo even door my beschreven. Ik heb deeze berichten ontfangen van verscheiden bejaarde Negers, en van verscheiden Indianen, die alle in hunne beschryvingen overëenstemden. Zommigen voegden 'er by, dat deeze dieren zingen, maar ik denke, dat het is een klagend geschrey, zoo als men wel van andere visschen of halfslachtige dieren onder den zonne-keerkring hoort. Zy verzekerden my, dat zy, schoon zeldzaam voorkomende, ten hoogsten gevreesd zyn by hunne vrouwen en kinderen, die hen watra-mama, of moeder der wateren noemen; en, het geen vreemd is, met dien naam bestempelen zy ook hunne Profetessen. Maar laaten wy van dit stuk afstappen, en het verhaal onzer krygs-verrigtingen weder vervolgen.

Ik heb reeds gezegd, dat zeker Heelmeester, den 19den November, verklaard had, dat myn voet my buiten staat stelde, om dienst te doen; en heden, den 5den December, werden een ander Heelmeester, twee Capitains en een Adjudant gezonden om my te bezigtigen, gelyk ook den Capitain PERRET, die ziek was. De laatstgemelde Heelmeester verklaarde al mede onder eede, dat wy zonder gevaar niet gaan konden, en nog minder zwaare vermoeijing uitstaan; maar de Colonel SEYBOURG, wien de heete koorts steeds bybleef, vond goed, dat wy oogenblikkelyk de bosschen zouden intrekken, al zag hy, dat men ons op kruiwagens moest voortkruien. De arme Capitain PERRET, die 'er als een stervend mensch uitzag, en zig niet bewegen konde, besloot echter om deezen uitzinnigen last ter uitvoer te brengen; maar ik kwam 'er stellig voor uit, dat ik den geen, die bestaan zoude durven my aan te raken, de herssens zoude inschieten; en ingevolge van deeze verklaring, stelde men my onder de bewaring van een schildwacht. Het geheele leger scheen toen niet dan uit zotten te bestaan.

Den 11den, ontfingen wy bericht, dat men een zeker getal muitelingen aan de overzyde van Devil's Harwar gezien had, en wy vernamen vervolgens, dat zy de Commewyne verlaten hadden, aan welker oevers zy, den 5den, het huis van den eigenaar van Killesting-Nova, waar in de Opzichter SLICHTER was opgesloten, verbrand hadden, dat zy de geheele Plantagie verwoest hadden, drie-en-dertig vrouwen mede gevoerd, en het zoontje van eenen Mulat verminkt, om zig over zynen vader te wreeken; en dat eindelyk de Neger-Jagers hen vervolgden. Capitain FREDERIK kwam ook den zelfden dag aan. Hy had het krygsvolk der Sociëteit verlaten, om onder die van den Colonel FOURGEOUD te gaan, en hy bevestigde ons deeze ongelukkige nieuwstydingen.

Byna op deezen zelfden tyd, na vier maanden lang aan alles gebrek gehad te hebben, ontfing ik het overschot van mynen voorraad, welken men my van de Plantagie Mocha zondt; maar voor drie vierde door de kakkerlakken vernield: ik deelde het beste onder de zieken uit, maar het geen my het grootste genoegen deedt, was te vernemen, dat JOANNA en myn zoon JOHNNY buiten gevaar waren, en te Paramaribo herstelden. Deeze tyding beurde my zoodanig op, dat ik des anderen daags morgens te kennen gaf, dat ik my in staat bevond, om dienst te doen, maar ik twyffel, of dit wel zoo was. De noodzakelykheid om van lucht te veranderen, bragt 'er ook veel aan toe, want in de zoort van gevangenis, die ik hield, had ik 'er volstrekt gebrek aan, en zy was my echter ongemeen noodig. Den zelfden avond, voer een vaartuig, vol met Caraibische Indianen, de Cormoetibo-Kreek op, om, door middel van de Wana-Kreek, in de Rivier Maroni in te loopen.

Den 20sten December, was ik van myne kwetsuur aan den voet hersteld; de Colonel SEYBOURG insgelyks van zyne heete koorts.

Den 21sten, kwamen 'er beveelen van den Colonel FOURGEOUD, die zig op dit oogenblik beter bevondt: dezelve bragten mede, dat wy onze legerplaats te Jerusalem zouden opbreken, en ons andermaal naar de Wana-Kreek begeven. Dienvolgende wierden de zieken in vaartuigen naar het hospitaal te Devil's Harwar, het welk reeds byna vol was, gezonden. Veelen waren door eene ziekte aangetast, vry veel gelykende naar trommelzucht, en alhier de Kouk genaamd. Dezelve bestaat in eene verbaazende opspanning van den buik, die te gelyker tyd zeer hard is. Men krygt die ziekte, zoo men zegt, door het drinken van modderig water, zonder het met eenig geestryk vocht te vermengen; en dit was onze gewoone en algemeene drank.

Den 22sten, des morgens om zes uuren, braken wy het leger op, en volgden de oevers van de Cormoetibo-Kreek, die niet meer dan een moeras was. Men liet één van onze ongelukkige Negers, die een gat in het hoofd had, aan zyn lot over; men wierp een anderen van één der vaartuigen in het water, en hy verdronk.

Wy zagen deezen dag een groot aantal Pingos, of wilde varkens, die, als naar gewoonte, onze linie braken. Verscheiden wierden door sabelhouwen gedood, en zommigen ontkwamen het, nemende de bajonnetten, waar mede zy geraakt waren, met zig.

Deeze tocht was vooral onäangenaam uit hoofde van de zwaare regenbuien, die strooms-gewyze nedervielen, en de Rivieren deeden overloopen. De vroege ochtend-stonden waren vochtig en koud, en zoo strydig met de ongemeene hitte van den dag, dat wy zeer dikwils in onze hangmatten lagen te beven, vooral wanneer wy 'er met natte kleederen in gegaan waren. Intusschen kwam ik dit ongemak voor, door een gedeelte van den dag, even als de Jagers, half naakt te loopen, en myn hembd, geduurende den regen, onder eene omgekeerde ketel te leggen. Wanneer de regen ophieldt, kleedde ik my, en leed dus veel minder dan myne medgezellen, die zeer bleek en verkleumd waren.

Des avonds van den 23sten, sloegen wy ons neder by eene kleine beek, de Caymans-Kreek genaamd. Zekere boom, den naam van Monbiara dragende, boodt ter deezer plaats eenige uitmuntende vruchten aan, maar die allen door de slaven wierden weggenomen, eer ik 'er van konde proeven, of zelfs één van te zien krygen.

De regen viel by aanhoudenheid zoo sterk, als of wy een zondvloed te vreezen hadden. Den 24sten vervolgden wy onzen weg, en des avonds sloegen wy onze hangmatten neder by eene beek, Yorica of de Duivels-Zeef genaamd. Wy bouwden aldaar schuilplaatsen of hutten, en maakten 'er vlotten, om 'er de krygs- en mond-behoeften op te plaatsen.

Den 25sten, trokken wy door slyk en water, wy kregen de zwaarste stortregens op het lyf, en sloegen ons des avonds neder by eene kleine beek, genaamd de Java-Kreek, en loopende drie mylen beneden de Wana-Kreek.

Den 26sten, wierd ik met eenige weinige manschappen afgezonden, om onze oude legerplaatsen, by de laatstgemelde Kreek, te gaan opneemen. Des avonds kwamen wy te rug, half zwemmende door slyk en water, en zonder iets, dan eenige vogelen en merkwaardige boomen gezien te hebben, welken ik niet met stilzwygen kan voorby gaan. Men noemde deeze vogelen Crombach, Camawarry en Crocro. De eerste heeft de gedaante van eene groote houtsnip, en heeft een krommen bek. De tweede is een waterhoen, maar driemaal grooter dan de voorgaande. Zy zyn zeer ligt, en vlogen in een oogenblik weg, waarom ik 'er geene omstandiger beschryving van geven kan. De derde of de Crocro, is een weinig minder groot, dan onze kraaijen, en ik geloof, dat hy tot het zelfde zoort behoort, want hy is één der verslindendste van alle vleesch-etende vogelen. Deeze vogel heeft eene donker blaauwe kleur. Zyn bek en pooten zyn uittermaten sterk: hy maakt een allerönaangenaamst en scherpst gekras, voornamelyk in den nacht. De boomen wierden door de Negers genoemd Mataky en Markoury. De eerste is merkwaardig uit hoofde van zyne wortels, die zoodanig boven den grond uitsteken, dat een groot aantal menschen zig daar onder zouden kunnen verschuilen, zonder elkander te zien; zomtyds zelfs staan zy zoo wyd van één, dat men te paard tusschen beiden zoude kunnen doorryden; en derzelver dikte is zoo groot, dat men niet meer dan één plank of deel noodig heeft, om 'er een tafel voor twaalf menschen van te maken.

Ik verwyze den lezer naar de afteekening, die ik van deezen verbaazenden boom gemaakt heb, en geplaatst tegen over dien kant, alwaar onze legerplaats te Jerusalem was nedergeslagen. Ik heb in dezelfde plaat gebracht het gezicht van onze legerplaats aan de Java-Kreek by mooy weder.

De andere boom, Markoury genaamd, is waarlyk geducht, uit hoofde van zynen vergiftigen aart, welke zoo doordringend is, dat de rook van dit hout doodelyk is voor de dieren, wanneer het in de longen koomt. Hy groeit altyd alleen, en doet ontwyffelbaar sterven al wat 'er dicht by koomt. De slaven zelve zyn zoo beschroomd om hem aan te raken, dat zy op de Plantagiën het omhakken 'er van weigeren. Hy is niet zeer hoog, ongelyk, en van eene leelyke gedaante; hy heeft slechts eenige takken, en zyne bladeren zyn van eene bleek groene kleur. Men heeft my gezegd, dat de Indianen zommigen van hunne pylen vergiftigen, door ze in het sap van deezen boom te doopen.

Den 27sten, begaf zig eene andere ronde in aantocht, maar ontdekte even weinig, als de eerste.

Ik heb reeds gezegd, dat de zweer, die ik aan den linker voet had, geneezen was, en dit was waar; maar op dit oogenblik haalde ik uit myn regter arm twee groote insecten, die my andere zeer diepe zweeren veröorzaakten. In Surinamen noemt men deeze insecten Struik-wormen. Zy zyn zoo groot als de rups van gewoone kapellen; zy hebben een zwarten kop, en eene puntige staart; zy dringen ongemeen diep in het vleesch door, en men heeft een lancet noodig, om ze 'er uit te haalen; zy leven doorgaans in stilstaande wateren, en met geduurig door dezelven te loopen, was ik aan hunne aanvallen blootgesteld.

Myn moed begon my door de opëenstapeling van alle deeze onheilen te ontzinken. Zoo veele onderscheidene en herhaalde folteringen, waar aan ik geen einde zag, ontroerden mynen geest, en maakten my het leven verdrietig. In deeze elendige gesteldheid nam ik het stelligst en welberaden besluit om by de eerste gelegenheid, die zig zoude aanbieden om dit met eere te doen, zulke opperhoofden en zulk een dienst vaarwel te zeggen. Men zal by het vervolg van myn verhaal zien, of ik dit voornemen heb toegebragt.

Onze tegenwoordige legerplaats was zoo ondraaglyk, dat 'er geene beschryving van te geven is. Eene aanhoudende overstrooming overdekte den grond, zoodanig, dat men vlotten moest maken, om 'er onzen voorraad op te plaatsen. Wy konden uit onze hangmatten niet komen, zonder tot de kniën in slyk of water te stappen; en op plaatsen, waar het lager was, aten de insecten ons levendig op. Eene zoo ongezonde gesteldheid vermeerderde het getal van onze zieken, en men was genoodzaakt een ander vaartuig, vol met dood-kranken, de Cormoetibo-Kreek te doen afzakken, en naar het hospitaal van Devil's Harwar te zenden. Onder dit getal was die arme oude Negers, wiens herssenen byna verbryzeld waren, en die ons eerst des avonds te voor ren in eenen deerniswaardigen staat had kunnen inhalen.

Dit vaartuig, het welk veel naar een dryvend kerkhof geleek, vertrok den laatsten dag van 't jaar 1775.

Aanwerving van twee Compagniën Vrywilligers, bestaande uit Negers en vrye Mulatten.—Verscheidene zoorten van Visschen. —Arrowoukas. Indianen.—De krygsbende van den Colonel FOURGEOUD ontfangt bevel, om naar Holland in te schepen. —De Ratel-slang.—De blaauwe Dypsas.—De Amphisboena of tweehoofdige slang.—Eene fraaije Kapel.—De Colonel ontfangt naderen last.—Het krygsyolk trekt weder in de bosschen.—Koophandel in de Volkplanting van Surinamen. —Beschryving van eene Cacao-Plantagie.—Heldendaad van eenen Neger.—De Ananas.—De Muscaat- en Water-Meloen.

Op nieuwe jaars dag deedt de Colonel SEYBOURG my zyne groete doen, met verzoek om myne aanhoudende vriendschap. Ik ging hem oogenblikkelyk van de myne verzekeren, en hy verklaarde my een oprecht leedwezen te hebben over de kwade bejegeningen, waar aan hy zig ten mynen opzigte schuldig had gemaakt. Hy verzekerde my, dat zyn Adjudant en spion GIBHART, 'er de voornaame oorzaak van was; vervolgens my by de hand vattende, stondt hy my toe, om tans naar Paramaribo te gaan, of werwaarts ik goedvond, tot dat ik anderen last ontfangen zoude hebben. Deeze behandeling deedt my een innerlyk genoegen, en wy dronken al het overschot onzer vyandschap af, niet met wyn, maar in rhum met water gemengd. Dien zelfden avond derhalven afscheid genomen hebbende, zoo van mynen nieuwen vriend, als van de legerplaats aan de Java-Kreek, zakte ik, zeer wel te vreden zynde, de Rivier af, om my naar de hoofdstad der Volkplanting te begeven.

Na een gedeelte van den weg slapende te hebben overgebracht, bevond ik my des anderen daags morgens te Devil's Harwar, alwaar ik vernam, dat die zelfde GIBHART, van wien ik zoo even sprak, kortlings aldaar was overleden. Des avonds kwamen wy op de Plantagie Beekslied. Myne roeijers arbeidden met veel yver. Om elkander daar toe aan te zetten, kliefde de een het water met zyn riem in diervoegen, dat het een onderscheiden geluid gaf, en zyne medgezellen volgden hem gezamentlyk daar in naar.

Den 3den, kwam ik op het Fort Amsterdam aan, alwaar ik een uitstekend middagmaal deed met onderscheidene zoorten van visch, genaamd Passary, Prare-Prare, Provost, en Curema. De Passary is meer dan twee voeten lang, en weegt zomtyds twintig ponden. Zyn kop is breed en plat. Hy heeft twee lange knevels, maar geene schubben, zyn vleesch is aller lekkerst. De Prare-Prare is ten naasten by van dezelfde gedaante en insgelyks goed. De Provost is breed, heeft dikwils de lengte van vyf voeten, en eene geelachtige kleur. Zyn vleesch is minder aangenaam, dan dat van de twee voorgaande, maar geeft eene goede oly. De Curema is een zoort van harder, zomtyds van twee voeten lengte, hebbende twee groote witte zilverachtige oogen, en de benedenste kaak meer voor uit staande dan de bovenste. Ter deezer plaatse vangt men ook een zoort van zeeslak, waar van Mejuffrouw DE MERIAN melding maakt, en welker voorste gedeelte juist gelykt naar dat van een garnaal.

Des avonds van dien dag, ten zes uuren, trad ik in de stad Paramaribo binnen. Ik vond aldaar JOANNA en mynen zoon in volmaakte gezondheid. Beiden waren zy, van wegen de gevolgen hunner ziekte, drie weken lang blind geweest. Myn vriend, de heer DE GRAAF, noodigde my, om met haar by hem myn intrek te nemen.

Daags daaraanvolgende at ik met den Colonei FOURGEOUD, die zig zoo wel bevondt als ooit. Hy onthaalde my, als naar gewoonte, op gezouten kost, [51]en behandelde my zeer vriendelyk. Hy berigtte my, dat 'er twee compagniën vrywilligers, uit Mulatten en vrye Negers bestaande, wierden aangeworven; dat de Oucas- en Sarameca-Negers de muitelingen begunstigden, en in de daad groote schelmen waren; dat men eenigen van de laatstgemelden by de Casiwinica-Kreek gedood had; dat hy hunne verblyfplaats Fissy-Hollo hoopte te vernielen; dat BONNY en de zynen, in weerwil van hunne strooperyen, die niet lang meer duuren konden, in de bosschen van honger stierven, en dat hy besloten had, zoo lang hy een enkelen soldaat overig had, dien muiteling te vervolgen, hem zoo mogelyk gevangen te nemen, of ten minsten met zyne bende uit de Volkplanting te verjagen. De Colonel verhaalde my al verder, dat zeker Franschman, die den platten grond der vestingwerken, enz. voor den Gouverneur van Caijenne afteekende, op het oogenblik, dat hy stondt te worden opgehangen, ontsnapt was; dat hy aan den Capitain TULLING, wegens het door hem in stilte aangegaan huwelyk, vergiffenis geschonken hadt; en dat de Lieutenant Colonel DE BORGNES met eene ryke weduwe ging trouwen.

De Bevelhebber was, met één woord gezegd, ten mynen opzigte een geheel ander mensch geworden. Zyne manieren waren toen zoo geschikt, dat ik niet verlangen konde mynen tyd in beter gezelschap door te brengen. Hoe was het mogelyk, dat ik te gelyker tyd de vriend van twee Oversten was, die door nyd jegens elkander gedreven wierden. Dit is een geheim, het welk ik nimmer heb kunnen ontdekken; misschien, daar zy geslagen vyanden waren, wilden zy my beiden winnen. Wat daar ook van zy, ik besloot, de stiptste ononzydigheid in acht te nemen. Ik gedroeg my ook op dezelfde wyze jegens den Gouverneur, die my den tweeden dag na myne aankomst ten eeten verzogt, en, in plaats van my op gezouten ossen-vleesch te onthalen, overënkomstig zyne gewoonte, eene deftige maaltyd liet aanrechten.

Ik gaf ook een bezoek aan myne verdere vrienden, namelyk aan Mevrouw GODEFROY, als mede ten huize van DEMELLY, GORDON, MAC-NEYL; en ik bragt ook zeer vrolyk den dag door met de zwarte Mevrouw SAMPSON, of ZUBLY, die tans weduwe was.

Ik woonde ook een dans-party van Mulatten by, op welke men echter geene slaven zag. De musiek, het licht, de dans, het avond-eeten, waren aldaar in de volmaaktste orde geregeld. De grootste pracht stak voornamelyk in de kleederen uit. Vrolykheid en betamelykheid hadden 'er beiden plaats, en wel zoodanig, dat dit gezelschap ten voorbeelde strekken kon aan dat van veele inwooners van eene andere kleur, die zig verbeelden beschaafder zeden te bezitten.

Den 20sten, een groot aantal Indianen en Negers van beide kunne, in de Rivier by het Fort Zelandia hebbende zien zwemmen, wilden de jonge DONALD MAC-NEYL en ik van de party zyn. Nimmer zag ik eene dergelyke vaardigheid; dan die der Negers, in het water. Zy hielden een zoort van gevecht, waar in zy als visschen duikten, en elkander met de voeten, maar nooit met de handen, raakten. De Indianen, die tot het geslacht der Arrowoukas behoorden, waren ook bekwame zwemmers, en scheenen zoo wel in 't water, als op 't land, te kunnen leven.

Ons door dit genomen bad genoegzaam verkoeld hebbende, gingen wy aan den oever nederzitten, alwaar ik het genoegen had het maakzel en de trekken van eene jonge Indiane te beschouwen, die als een venus-beeld uit het water opkwam.—De Arrowoukas zyn zeer verschillende van alle de andere Indianen, over welken ik reeds den lezer onderhouden heb; hy herinnert zig misschien myne belofte, om van hun in het byzonder te spreken, en deeze zal ik tans volbrengen.—Ik merkte op, dat de huid van dit jong meisjen, by het uitkomen uit het water, niet meer met Roucou geverwd zynde, my veel schooner voorkwam, dan de koper-kleurige huid der vrouwen van andere Indiaansche volken. Haare leden waren door geene naauwe ringen, of styve catoene banden ontcierd. Haar hoofdhair hing niet los; maar was netjes rondom haar hoofd opgebonden, en op den kruin door eene breede zilvere plaat vast gemaakt. [52] Het eenige kleed, dat zy in het water aanhieldt, bestondt in een klein vierkant voorschoot, van koraalen gemaakt, zoo als ik die hier boven reeds beschreven heb: zy was derhalven, ten aanzien van de overige deelen van haar lichaam, geheel en al naakt. Zy had een aangezicht, zoo bevallig, als men zig verbeelden kan. Haare reizige gestalte, haare kragt, haare jeugd, haare levendigheid, alle de teekenen van eene goede gezondheid, overtuigden my van de waarheid, dat wanneer het lichaam zig geheel aan het oog ontdekt, men op de schoonheid van het aangezicht weinig acht slaat. Haar gelaat kondigde die beminnelyke eenvoudigheid, dien onschuldigen ernst aan, die op geenen onëerbaaren aanval zelfs verdacht is, en niet kan nagebootst worden door haar, die zig aan den geringsten misstap schuldig kent. Eene geverwde olyfkleur is met de schoonheid zeer wel bestaanbaar: deeze is de natuurlykste kleur van alle menschelyke schepselen; want het is waarschynlyk, dat blank en zwart slechts trapswyze opklimmingen zyn, veröorzaakt door overmaat van warmte en koude. [53] Dit jong meisje, zoo volmaakt schoon, scheen zelfs ook volmaakt gelukkig te zyn. Men vindt, zegt RAYNAL, in den staat der zuivere natuur het geluk meenigvuldiger, dan in den staat der volmaaktste beschaafdheid. Het is zeker, dat eene Europeesche vrouw tot aan de toppen der vingers zoude bloozen, op het enkele denkbeeld van naakt in het openbaar te verschynen; maar opvoeding en vooröordeel doen alles, vermits het een ontwyffelbaare regel is, dat, wanneer men inwendig zig niets te verwyten heeft, men voorzeker van geene schaamte weten kan.

Ik herinner my te Bergen op Zoom eenen jongen Indiaan uit den omtrek van de Volkplanting de Berbices, genaamd WILKY, gezien te hebben. De Generaal DESALVE, die hem had medegebragt, liet hem kleeden, en gaf hem een zeker zoort van opvoeding. Deeze Indiaan had onder anderen het koken en kleeder-maken geleerd, willende zig zelven, zoo hy zeide, tevens van alle noodwendigheden voorzien. Na verloop van eenigen tyd, betuigde hy zyn verlangen, om naar de Volkplanting te rug te keeren; en hy had slechts even den Americaanschen grond betreden, of hy wierp zyne kleederen weg, begaf zig naakt in het diepste der bosschen, alwaar hy, even gelyk de Hottentot, van wien ROUSSEAU spreekt in de aanteekening Nº. 13. op zyne verhandeling over den oorsprong en grondslag der ongelykheid onder de menschen, zyne dagen sleet, zoo als hy die begonnen had, in het midden zyner landgenooten en vrienden.—Maar laaten wy tot dit meisjen te rug keeren. Zy had eene levendige Papegaay, die zy zelve met een rond gemaakte pyl geschoten had, en die ik van haar voor een mes met een dubbeld lemmer verruilde. De Arrowoukas zyn in dit zoort van jagt zoo knaphandig, dat zy meenigmalen een Macaw in zyne volle vlucht, en dikwils zelfs een duif, raken.

Ik kan van dit onderwerp niet afstappen, zonder eenige aanmerkingen te maken omtrent het zedelyk character van dit volk, het welk niet alleen met de meeste andere Indiaansche volken in vrede leeft, maar vooral in goede vriendschap staat met de Europeanen, wier achting het bezit.

Ik zal slechts één geval verhalen, tot een bewys van de dankbaarheid, waar door deeze Indianen zig onderscheiden. Voor eenige jaaren kwamen twee van hun, man en vrouw, te Paramaribo. Deeze vrouw in haare zwangerheid verre gevorderd zynde, gelastte de heer VAN DER MEY aan zyne dienstboden, om hen beiden aan zyn huis te brengen, en hun eene afzonderlyke kamer, en alles wat zy noodig hadden, te geven; vervolgens wenschte hy hun goeden avond. De Indiaansche vrouw beviel dien zelfden nacht; en des anderen daags morgens, toen de dienstboden kwamen, om hun den dienst van hunnen meester op nieuw aan te bieden, vonden zy noch den man, noch de vrouw. Deeze waren voor het aankomen van den dag vertrokken, om met hun kind gerustelyk naar het bosch te rug te keeren. [54] Men maakte toen verscheiden gissingen omtrent die zoo hoog geroemde oprechtheid der Arrowoukas; maar na verloop van agttien maanden, kwam deeze zelfde Indiaan den heer VAN DER MEY weder opzoeken, met zig brengende een schoon jongman, tot het geslacht der Accawaus behoorende, dien hy in een gevecht gevangen genomen had. [55] Hy boodt hem zynen weldoener aan, zeggende alleenlyk: Die is voor u; en, zonder naar antwoord te wagten, liep hy weg. Men boodt den heer VAN DER MEY meer dan twee honderd ponden sterling voor dien slaaf, maar hy weigerde zulks, en behandelde hem, even als of hy een vry persoon was.

De opvoeding, welke de Indianen in hunne kindsheid ontsangen, is zoo overëenkomstig de wetten der eenvoudige natuur, dat zeldzaam hun gemoed bedorven, noch hun lichaam misvormd is. Te groote zorgvuldigheid in beiderleije opzigten, is zoo wel schadelyk, als eene volstrekte achteloosheid. Dit is het gevoelen van den verstandigen Dr. BANCROFT, die niet noodig had zulks met een plaats uit QUINTILIAAN te bewyzen.

Schoon de Arrowoukas in eene volmaakte eensgezindheid met de Europeanen, en de meesten van hunne nabuuren, leven, trekken zy echter ten stryde uit, wanneer men hen getergd heeft. Hunne wapenen zyn boog, pylen, en een knods, dien zy abowtow [56] noemen; maar zy eeten hunne gevangenen niet, zoo als de Caraïben doen, die zelfs de Negers opäten, welken zy in eenen opstand doodden, die in de Volkplanting de Berbices voorviel. Ofschoon zy veel verder van de zee af woonen, dan de Warrows, hebben zy kano's, zomtyds van veertig voeten lang, waar mede zy de Rivieren afzakken. De Indianen van dit geslacht zyn groote kruidkenners. Voor uitwendige kwalen, maaken zy gebruik van enkelvoudige middelen, waar van de bosschen van het vaste Land van America overvloeien.—Maar laten wy het verhaal van onze krygsverrigting vervolgen.

Den 25sten, wierd ik door de koorts aangetast, en men deedt my eene aderlating op den voet; maar het lancet te diep gestoken zynde, geraakte ik verminkt. Omtrent dien zelfden tyd kwam de Colonel SEYBOURG uit de legerplaats aan de Java-Kreek zeer ziek te rug.

De Colonel FOURGEOUD was toen op het punt, om zyne krygsverrigtingen te hervatten. Hy had reeds eenige manschappen naar de Savane der Joden afgezonden, om beter onderricht te worden van het geen 'er van dien kant omging. In dien staat der zaken ontfing hy beveelen uit den Hage, om dien tocht oogenblikkelyk te staken, en zig, met alle zyne manschappen, onverwyld naar Holland in te schepen.

Ingevolge van deeze beveelen, wierden de transport-schepen den 27sten gereedgemaakt, de Officiers en soldaten ontfingen hunne agterstallige soldye, waar over zy zeer verheugd waren. Ieder een was te Paramaribo 'er over te vreden, uitgenomen eenige inwooners, en ik zelf.

Den 14den February, onaangezien het ongemak aan myn voet, de koorts, een zweer, en de scheurbuik, ging ik, op krukken loopende, met duizend guldens in myn zak, die somme verdeelen tusschen den Colonel FOURGEOUD en Mevrouw GODEFROY, tot betaling van de schulden, welken ik door het vry koopen van mynen Neger QUACO, en myne JOANNA, gemaakt had; vervolgens keerde ik naar myne wooning te rug, geen enkelen schelling in myn zak overgehouden hebbende. De 500 guldens, welken ik aan Mevrouw GODEFROY ter hand stelde, waren eene geringe afkorting op de 1800 guldens, die ik haar schuldig was, en met dit al had zy de edelmoedigheid, om my op nieuw aan te zetten, ten einde JOANNA en mynen zoon naar Holland mede te nemen. Doch JOANNA weigerde zulks moediglyk, en verklaarde, "Dat, alle andere bedenkingen daar gelaten, zy nimmer zoude toestemmen, om de belangen van haare weldoenster aan die van haaren weldoener op te offeren; dat haar eigen geluk, en zelfs het myne, het welk zy boven het leven waardeerde, als dan in bitterheid voor haar verkeeren zoude, zoo lang de schuld van haare vrykooping niet geheel en al gekweten zoude zyn, het zy door my zelven, het zy uit de vruchten van haaren eigen arbeid, zoo als zy hoopte dit t'eeniger tyd ter uitvoer te brengen":—Zy voegde 'er by: "dat onze scheiding niet dan kortstondig zyn zoude, en dat het grootste bewys, het welk ik haar van myne achting geven konde, bestond in het kloekmoedig dragen van deeze kleine tegenkanting der fortuin, zonder in haare tegenwoordigheid zelfs een enkelen zucht daar over te laten". Zy liet deeze laatste woorden met een glimlach gepaard gaan: daar op omhelsde zy haaren zoon, en verliet my dadelyk, om onbedwongen haare tranen te storten. Op dit zelfde oogenblik wierd ik geroepen by den heer DELAMARE, die op sterven lag; en myne smart was toen onuitsprekelyk. Ik moest echter besluiten, om eene afwezigheid van één of twee jaaren door te staan. Des namiddags, om myn leed een oogenbjik te verzetten, ging ik het kabinet van Indische zeldzaamheden van den heer ROUX bezichtigen. Het oog toevallig op een ratelslang hebbende laten vallen, zal ik, alvorens de Volkplanting van Surinamen te verlaten, dit gevaarlyk kruipend gedierte beschryven.

De Ratelslang heeft in Surinamen zomtyds de lengte van agt of negen voeten. In 't midden is hy zeer dik, en naar den hals en de staart word hy dunner. Zyn breede kop is plat, en leelyk mismaakt. Men ziet in hem twee wyd open gespalkte neusgaten by den bek; en, even als de Kayman, een groote kam of bult boven de oogen, zoo zwart als git, en zeer schitterende. Aan het einde van zyne staart zyn verscheide schubben van een zoort van dun hoorn, zeer droog, en aan elkander zaamgehecht, welken het dier beweegt, wanneer hy getergd word, en die een geluid geven, gelykende naar dat van een ratel, waar van hy den naam draagt. Men zegt, dat het getal zyner schubben in evenredigheid jaarlyks vermeerdert, en dat men door dit middel zynen ouderdom zeer juist bepaalen kan. Deeze slang is geheel overdekt met andere schubben, die aan den ruggestreng over eind staan. Hy heeft eene doffe orange kleur, gemengd uit een donkerbruin, en zwarte vlakken, die op zyn kop ook zeer zichtbaar zyn: zyn buik heeft eene aschgrauwe kleur met schuinsloopende schubben, zoo als de meeste andere slangen. Wanneer dit dier zynen buit bespiedt, draait hy zig rond in elkander, als een kluw touw, en zyne staart een weinig bewegende, doet hy die vervolgens ratelen, en spreidt zig in éénen sprong uit ter lengte van zyn geheele lichaam; daar op verbergt hy zig andermaal, om zig op nieuw uit te spreiden. Het vergift van deezen slang word, ten minsten in geheel America, voor doodelyk, of voor zeer gevaarlyk gehouden. Wat betreft zyne eigenschap om de oogen te verblinden, de muizen, de eekhorentjes, de vogelen, in zynen muil te laten vallen, ik houde zulks voor verdichtsels. Al die voorgewende tooverkragt bestaat alleenlyk daar in, dat deeze arme dieren, wanneer zy zig door eenig dreigend gevaar overvallen zien, door zulk een schrik en beving worden aangetast, dat zy 'er het gebruik van hunne ledematen door verliezen, en onbeweeglyk op hunne plaats blyven, of, zig trachtende te redden, in de macht van hunnen vyand vallen.

Ik zag ook in dit kabinet de blaauwe Surinaamsche Dipsas, die byna eene blaauwe kleur op den rug heeft, in de zyden zeer helder, en aan den buik witachtig. Ik heb niet hooren zeggen, dat de beet van dit dier doodelyk is, maar dezelve veröorzaakt een onmatigen dorst, waar van hy zyn naam ontleent, want het woord dipsa beteekent in het Grieksch dorst. Ik merkte ook nog een anderen slang op, omtrent drie voeten lang, bedekt met ringen van onderscheidene kleuren, dien men Amphisboena noemt, om dat men veronderstelt, dat hy twee hoofden heeft; maar de waare reden is, om dat, uit hoofde van zyne langwerpig ronde gedaante, zyn kop en staart zoodanig naar elkander gelyken, dat het zeer wel is toe te geven, wanneer men 'er in mistast; zyne oogen zyn voorts byna onbemerkbaar. Het is die zelfde slang, aan welke de door my beschrevene groote mieren voedzel verschaffen, zoo het gemeene volk zegt, wanneer hy blind is, waarom men hem in dit Land met den naam van koning der mieren verëert. [57]

Onder de talryke verzameling van fraaije kapellen van den zelfden heer ROUX, merkte ik 'er voornamelyk een op van eene middelmatige grootte, welker vier vleugelen, zoo van boven als beneden, met zwarte streepen en een schitterend groen verciert zyn. De ontzachelyke hoogte, tot welke zig dit insect verheft, en de vlugheid, waar mede hy vliegt, maken hem zeer zeldzaam. Zyn enklauw, van eene zee-groene kleur, is van harde punten, vry veel naar pluimen gelykende, voorzien.

Ik zeide straks, dat wy bevel ontfangen hadden, om de Volkplanting te verlaten, en dat al het volk daar over verheugd was, uitgezonderd ik; maar onze Overste ontfing, den 15den, brieven uit Holland, waar by onze te rugkomst voor zes maanden wierd uitgesteld. Myne medemakkers waren over dit uitstel ter nedergeslagen, en my deedt het herleven. Ik besloot om myne geheele soldye uit te zuinigen, tot dat ik de somme by elkander zoude hebben, die 'er noodig was, om volkomen eigenaar van JOANNA te wezen: maar het deedt my zeer leed, dat wy andere tydingen uit Europa ontfingen, medebrengende, dat zyne Britannische Majesteit de Schotsche brigade had uitgenoodigd, om zig naar Engeland te begeven, en het speet my ongemeen, dat ik daar toe niet meer behoorde. [58] Men boodt my byna te gelyker tyd eene Compagnie aan onder den Generaal WASHINGTON, welke ik zonder bedenken weigerde.

Den 18den February, wierden onze soldaten, moedeloos zynde, weder naar Maagdenberg gezonden; een groot gedeelte bleef steeds aan de Java-kreek. Onze Officiers waren toen zoodanig te onvreden, dat één van hun, FISHER genaamd, twee maalen, daags na elkander, een tweegevecht hieldt, en aan zyne beide tegenpartyen, zynde Officiers van 's Compagnies krygsvolk, gevaarlyke wonden toebragt.

Dewyl ik nog niet hersteld was, bleef ik eenigen tyd langer te Paramaribo. Ik zag aldaar ten huize van den heer REYNSDORP, eene Portugeesche Jodin, die haare kinderen in den Christelyken Godsdienst opvoede; terwyl van eenen anderen kant, de Opzichteresse van zeker Godshuis dagelyks ongelukkige slaven liet geesselen, om dat zy, zoo ze zeide, Heidenen waren. Zy veröordeelde onder anderen eene arme Negerin tot vier honderd geessel-slagen, welken deeze, zonder eenige klagten te uiten, ontfing.

Maar laten wy van dit onäangenaam onderwerp afstappen; en liever, dewyl zig daar toe thans eene geschikte gelegenheid opdoet, den lezer een korten staat opgeven van den koophandel en innerlyke waarde deezer Volkplanting, alwaar zoo veel bloed op de wreedaartigste wyze geplengd word, en die nog veel ryker zoude zyn, indien zy het voorbeeld niet volgde van de vrouw, in de Fabel van de hen, die gewoon was gouden eieren te leggen.

Men telt te Surinamen zes of agt honderd Plantagiën, die suiker, koffy, cacao en catoen voortbrengen. 'Er zyn daarënboven eenige indigo Plantagiën. Men heeft ook werven gemaakt tot het hakken van timmerhout, enz. Op de onderslaande tafel kan men den staat en de waarde zien van de vier eerstgemelde zoorten van koopmanschappen, die geduurende vier jaaren van de Plantagiën zyn afgeleverd.

Jaaren. Vaten Ponden Ponden Ponden Suiker. Koffy. Cacao. Catoen. 1771 19,494 11,135,132 416,821 203,945 1772 19,260 12,267,134 354,935 90,035 1773 15,741 15,427,298 332,229 135,047 1774 15,111 11,016,518 506,610 105,126 Somma 69,606 49,846,082 1,610,595 534,153

69,606 vaten Suiker, tegen 60:-:- het vat, maken 4,176,360:—:—

49,846,082 Ponden Koffy, tegen agt en een halve stuiver het pond, maken 21,184,584:17:—

1,610,595 ponden Cacao, tegen zes en een halve stuiver het pond, maken 523,443: 7: 8

534,153 ponden Catoen, tegen agt stuivers het pond, maken 213,661: 4:—

—————————Makende te zamen 26,098,049: 8: 8==================

Dit maakt voor elk jaar juist 6,524,512: 7: 2

Maar deeze alzoo in 't ruwe opgegevene berekening betrof de Stad Amsterdam alleen.

Indien men daar by voegt, het geen bovendien naar Rotterdam en Zeeland word uitgevoerd, behalven het geen binnen 's Lands gesleten word, het beloop van de ladingen rhum, suiker-syroop, timmerhout en indigo, zal men nog eens, of ten naasten by dezelfde somme hebben; dus 6,524,512: 7: 2 ————————— Te zamen 13,049,024:14: 4 ==================

Het welk, wanneer men het slechts stelt op 11,000,000:—:— jaarlyks een millioen ponden sterling bedraagt.

Ik zal nu verder aanwyzen, hoe deeze somme tusschen de HollandscheRepubliek, en deeze Volkplanting verdeeld word.

De Stad Amsterdam levert omtrent 50 schepen van vier honderd vaten, door elkander gerekend, die voor de vracht wegens den invoer van verschillende koopmanschappen, ontfangen de somme van 6,000:—:— en wegens den uitvoer van producten uit de Volkplanting 32,000:—:— ——————— Maakende voor elk schip een vracht van 38,000:—:—

het welk, door 50 vermeenigvuldigd zynde, uitmaakt. 1,900,000:—:—

Ik reken bovendien dertig schepen van verschillenden last, voor Rotterdam en Zeeland, het welk maakt . 1,200,000:—:—

En voor de brikken, met ballast geladen, voor passagiers, enz. dienende 80,000:—:—

Elk schip van de Kust van Guinée, het welk jaarlyks 250 of 300 Negers aanbrengt, gerekend op 120,000:—:— maakt, als men dit brengt op het getal van zes schepen [59] 740,000:—:—

By deeze berekening zal ik voegen de waaren en koopmanschappen, die uit Holland worden ingevoerd, als wyn, sterke dranken, bier, gezouten ossen- en varkensvleesch, meel, zyde, catoen, en linnens; kleederen, hoeden, schoenen; kostbaarheden van goud, zilver en staal; metselaars- en timmermans gereedschappen, enz. enz. tegen de waarde van omtrent 50 ten honderd aan winst, na aftrek van de kosten op de correspondentie, de verzekeringen, de ladingen, de imposten, de pakhuis-huuren, haven- en kaai-gelden, het inpakken, welke laatstgemelde artikelen daarënboven tien ten honderd aan de inwooners kosten; al het welk, door elkander gerekend, bedraagt 1,100,000:—:— ————————- Makende reeds te zamen de somma van 5,000,000:—:—

Hier by gerekend de interessen van 6 ten honderd van vyf millioenen sterling, die de Volkplanting schuldig is, en het geen de renteniers in Holland, alwaar zy schulden heeft, en ook de geenen, die hun fortuin gemaakt hebben, hun geld gaan verteeren, aan haar kosten beloopt zulks ten minsten 1,000,000:—:— ————————- Dit alles, by elkander getrokken, maakt jaarlyks ten minsten de somma van 6,000,000:—:—

Het zelve blyft zuiver ten voordeele van de Republiek, en wel voornamelyk voor Amsterdam, Rotterdam, en Zeeland, zoo dat de inwooners van Surinamen, voor hun aandeel, van den bovengemelden schat alleenlyk genieten 5,000,000:—:— ————————- Makende te zamen de reeds op gegevene millioen sterling, of 11,000,000:—:—

Ik zal, in de derde plaats, doen zien, hoe de binnenlandsche onkosten der Sociëteit van Surinamen, door het geen deeze ladingen opbrengen, gekweten worden; en deeze zyn niet gering.

Reeds gezegd hebbende, toen ik van het Regeerings-bestuur deezer Volkplandng sprak, dat de Ontfangers van 's Lands penningen vyf in getal zyn, zal ik thans aantoonen, wat elk hunner tot kwyting deezer onkosten opgaart en ontfangt.

De eerste van deeze Ontfangers is gesteld over de in- en uitgaande rechten.

Aan hem word betaald:

Van elk Hollandsch schip. 3:—:— het vat; van de Americaansche 6:—:—. Dit maakt 90,000:—:—

Door de Americaanen voor alle in- en uitgevoerd wordende goederen, 5 ten honderd. 60,000:—:—

De Suiker betaalt 1:—:— de duizend ponden, of het oxhoofd. in 1771 bedroeg dit De Koffy, 15 stuivers, de honderd 260,000:—:— ponden gewicht.

De Cacao 1:15:— de hondert ponden gewicht.

Het Catoen————————-

Dus ontfangt hy jaarlyks de somma van 410,000:—:—

De tweede is de Ontfanger der groote n kleine imposten.

Men betaalt hem:

voor een vat Bier 3:—:— voor een vat rooden Wyn 12:—:— voor een pyp Madera Wyn 23:10:— voor een mingelen Wyn in flessen -: 1:— voor de belasting op de aangeplakte billietten 600:—:— voor de belasting op de koopwaaren, in 't klein 300:—:— —————-

Al het welk jaarlyks ten minsten beloopt 100,000:—:—

De derde Ontfanger is die van het hoofdgeld.

Hy ontfangt van alle de inwooners, blanken en zwarten, zonder onderscheid, en van ieder hoofd, het zy man of vrouw, 2:10:—; voor elken jongen of meisjen, beneden de 12 jaren 1: 5:— Dit bedraagt jaarlyks 150,000:—:—

De vierde is de Ontfanger der rechten op den verkoop van koopmanschappen en slaven. Men betaalt hem: By verkoop van goederen, in geene rent-gevende bestaande, de Plantagiën daar onder gerekend, 5 ten honderd; en by verkoop van Neger-slaven, die nieuwlings worden ingevoerd, twee en een half ten honderd. Dit bedraagt jaarlyks 130,000:—:—

De laatste ambtenaar eindelyk ontfangt de belasting wegens de kosten op het vervolgen der weggeloopen Neger-slaven, welke ingevoerd is, om dat de andere belastingen onvoldoende waren.

De sommen, die hy inzamelt, bedragen jaarlyks: wegens de verhooging van een gulden, voor hoofdgeld over de blanken en zwarten 80,000:—:—

als mede vier ten honderd van alle jaarlyksche Beneficiën, bedragende jaarlyks 400,000:—:— ————————- Makende te zamen 480,000:—:—

Men betaalt bovendien jaarlyks, voor het onderhoud der wyken; namelyk van elk huis, volgens deszelfs uitgestrektheid.

van een koets 20:—:— van een chais 10:—:— van een rypaard 10:—:—

Het welk de bovengemelde belastingen vermeerdert met de somme van 12,000:—:— ————————- Alle welke sommen, by elkander getrokken, niet minder opbrengen dan 1,282,000:—:—

Na duidelyk te hebben aangetoond, zoo met behulp van het Tafereel der Surinaamsche Volkplanting van Dr. FERMIN, als volgens myne eigene kundigheden, dat de innerlyke waarde deezer bezitting meer dan een millioen ponden sterling aan inkomsten bedraagt, die door een verstandig bestuur nog merkelyk zouden kunnen vermeerderen; na al mede betoogd te hebben, dat het grootste gedeelte deezer inkomsten ten voordeele der Republiek koomt, terwyl de Colonisten met belastingen bezwaard zyn, die hen noodzaken tot vreemde middelen hunnen toevlucht te nemen, en misschien eerlyke lieden in schurken doen verkeeren; zal ik thans, by wege van een vervolg, een korten staat opgeven van den koophandel der Noord-Americaanen met deeze Volkplanting.—Zy komen aldaar uit Virginië, Rhode-Island, Nieuw-York, Boston, Jamaica, Grenada, Antigoa, het Eiland Barbados, enz. in kleine brikken, sloepen, enz. Zy brengen meel aan, ossen- en varkens-vleesch, haring, zout, makreel, bladen tabak voor de Negers, denne planken, rhum, sterke dranken, suiker-brooden, [60] spermaceti-kaarssen, uijen enz. Elk schip is daarënboven verpligt een paard aan te brengen: de eigenaar van 't schip ontheft zig daar van dikwils door een list: hy vertoont den kop van zoodanig dier, en verzekert, dat hy het aan boord genomen heeft, maar dat het op de reize gestorven is. Tegen deze koopwaaren voeren de Americanen al de Surinaamsche suiker-syroop (melasse) uit, waar van zy rhum by hun maken, en dikwils laden zy hunne schepen geheel en al met koopmanschappen en andere voortbrengsels van deeze Volkplanting, schoon zy het niet dan ter sluik doen mogen: maar kooper en verkooper vinden 'er hun voordeel by; de een koopt goed koop, en de ander ontfangt gereed geld. Van de Eilanden onder den wind voeren zy quarteron- en mulatten-slaven van beiderlei kunne aan, die over 't algemeen jong en fraay zynde, voor zeer hoogen prys verkogt worden, hoe zy ook anderzints gesteld mogen zyn.

Alle de onderrichtingen, door my omtrent den koophandel en wezentlyken rykdom deezer schoone Volkplanting opgegeven, zyn naar de naauwkeurigste berigten gevolgd. Het zy my geöorloofd van dit onderwerp thans af te stappen, en myn verhaal te vervolgen.

Den 21sten February, nam de heer REYNSDORP, schoonzoon van Mevrouw GODEFROY, my in zyn zeil-jacht mede; en om my van lucht te doen veranderen, bragt hy my op eene zyner Koffy-plantagiën, genaamd Nut en Schadelyk. Ik zag aldaar een blanken, die door de steek van een Vampire, of Guiaansch spook, in éénen nacht zyn gezicht verloor. Des anderen daags voeren wy de Commewyne op, en gingen naar Alkmaar, eene aangenaame Cacao-Plantagie, die aan dezelfde Mevrouw GODEFROY in eigendom toebehoorde. Hier wierden de slaven door haare meesteres behandeld, als haare eigene kinderen, en zy beschouwden allen haar als hunne moeder. Men hoorde aldaar geen geraas van yzeren ketenen, geene zuchtingen; men zag aldaar geen blyk van gestrengheid. Alles was eendracht en vergenoegen. Ik heb reeds bevoorens [61] eene afbeelding gegeven van het voortreffelyk huis en deszelfs toebehooren, op deeze fraaie Plantagie, alwaar onophoudelyk genoegen heerscht, alwaar men de edelste gastvryheid uitoeffent. De tuinen, de velden, de hutten zelfs der Negers, duiden aldaar overvloed en vrede aan.

De Cacao-boomen worden voortgeplant van jong plantsoen, het welk men tot dit einde aankweekt. Men plant dezelven doorgaans op eenen afstand van tien of twaalf voeten van elkander, en zy groeien op tot de hoogte van onze Engelsche Kersseboomen. Maar deeze Plantagiën moeten wel beschut zyn, zoo voor zwaare winden, als voor de brandende straalen der zon, wanneer de boomen jong zyn, want dan zyn derzelver wortels niet diep genoeg in den grond ingedoken, om dezelven staande te houden, en zy zouden geene groote hitte kunnen doorstaan. Dienvolgende plant men 'er heester-gewassen (b. v. maniok) en Plantain-boomen tusschen, die tevens het onkruid tegengaan, het welk in de luchtstreken onder den zonne-keerkring zoo overvloedig voortteelt. Door middel van deeze voorzorgen, dragen de Cacao-boomen vruchten, eer zy drie jaaren oud zyn: als dan brengen zy jaarlyks twee oogsten voort; maar zy moeten echter twaalf of veertien jaaren oud zyn, eer zy hunnen volkomen wasdom bereikt hebben. Het blad van den Cacao-boom heeft meer dan agt duimen in de lengte, en byna drie in de breedte: het zelve is langwerpig, taay, en van een schitterend groene kleur. De gedaante der vrucht is byna dezelfde, maar echter een weinig breeder. Wanneer die vrucht jong is, heeft zy het voorkomen van een komkommer; maar wanneer zy ryp is, word ze geel als een limoen, en scheidt zig dan af in ribben, even als een meloen. Het zaad of de pitten zitten langwerpig in de vrucht of bast; ryp zynde hebben zy de dikte van olyven, en een purper kleur. Elke boom word gerekend by den oogst van dertig tot drie honderd vruchten te geven, die elk omtrent dertig pitten bevatten, een pond wegende; en langs dien weg kan men den jaarlykschen opbreng berekenen. Weinige dagen na dat de oogst geschied is, haalt men de pitten uit de schil; men laat ze in de schaduw droogen, en in dien tyd raaken zy een zoort van vochtige zelfstandigheid kwyt, het geen men noemt dezelve te laten uitzweeten; men pakt ze vervolgens in vaatjes om vervoerd te worden, en 'er die aangenaame koek van te maken, welke wy Chocolade noemen.

Men zegt, dat de Cacao-boomen oorspronglyk in Guiana groeien, en natuurlyk in groote meenigte by de Rivier der Amazonen gevonden worden. Wat daar ook van zy, de zoon van den Gouverneur CHATILLON plantte den eersten boom in 't jaar 1684 in Surinamen; en de eerste oogst, die naar Holland werd uitgevoerd, geschiede in 't jaar 1733. Een der groote voordeelen van het aankweeken der Cacao-boomen bestaat hier in, dat daar toe minder slaaven, dan tot alle andere zoorten van Plantagiën noodig zyn. Men kan naargaan, hoe aanmerkelyk de voordeelen zyn, uit den opbreng van het jaar 1774, wanneer men, alleen voor de Stad Amsterdam, 506,610 ponden Cacao-pitten uitvoerde; het welk 202,614 Hollandsche Guldens, of 18.419 ponden sterling opbragt. De prys verschilde van 4 tot 9 stuivers het pond. De middel bereekening is van zes- en een halve stuiver. De beste Plantagiën, en die van Alkmaar behoort daar onder, brengt jaarlyks meer dan 80,000 ponden op.

Den 27sten keerden wy naar de Stad te rug, alwaar men, des avonds te voren, een soldaat ter zaake van muiterye had doodgeschoten, en des anderen daags geraakte op de rheede een schip in brand. Byna ter zelfder tyd, vertrok de Neger QUACY, die de Propheet, en, om zoo te zeggen, de Koning zyner landgenooten was, naar Holland, om zyne opwagting te maken by den Prins van Orange, aan wien de Colonel FOURGEOUD hem aanbeval. Deeze Neger moest de roem van deezen Bevelhebber vermelden, en zig beklagen over den Gouverneur, die aan onzen Colonel geen eerbied genoeg betoonde. Ter gelegenheid, dat wy toen het tydstip der Zittingen van het Gerechtshof hadden, wierd aan een slaaf het been afgezet, om dat hy eenen arbeid, die boven zyne kragten was, geweigerd had. Twee anderen wierden veroordeeld om opgehangen te worden, om dat zy waren weg geloopen. Het heldhaftig gedrag, door één deezer ongelukkigen voor het Hof van Justitie gehouden, verdient alhier verhaald te worden.—Hy verzogt voor weinige oogenblikken gehoor, het geen hem wierd toegestaan; en hy liet zig toen in deezer voegen uit:

"Ik ben in Africa geboren, alwaar ik, mynen Vorst in een gevecht verdedigende, ben gevangen genomen, en door myne landgenooten op de Kust van Guinée voor slaaf verkocht.—Een van uwlieden, die thans myn Rechter is, kocht my; en ik ben door zynen Opzichter zoo deerlyk mishandeld, dat ik weg liep, en my by de muitelingen voegde.—Ik zag my gedwongen, om hun Opperhoofd BONNY te dienen, wiens dwinglandye nog ondraaglyker was, dan die der Europeanen. Een weêrzin in zulk eene handelwyze hebbende, besloot ik om het menschdom voor altyd te ontvlieden, en in de bosschen rustig te leven. Ik heb aldaar twee jaaren byna alleen doorgebragt, in de grootste ongerustheid van geest, en myn leven latende voortduuren alleenlyk in de hoop, om myn geliefd geslacht, het welk misschien, uit hoofde myner afwezigheid, in myn eigen Land van honger verging, nog eenmaal weêr te zien. Twee ellendige jaaren waren dan in deeze gesteldheid verloopen, toen de Jagers my ontdekten, my gevangen namen, en my voor deeze Rechtbank bragten, aan welke ik thans de geschiedenis van myn deerniswaardig leven open legge, en slechts de genade verzoek, om aanstaanden Saturdag, of zoo dra het mogelyk zyn zal, het vonnis aan my uit te oeffenen".

Deeze aanspraak wierd met eene ongemeene gematigdheid uitgesproken door één der schoonste Negers, dien men misschien immer zag. Zyn meester, die (zoo als hy te recht opmerkte,) onder het getal van zyne Rechters was, gaf hem dit kort antwoord:—"Schelm! alles wat gy ons vertelt, doet niets ter zaake. De pynbank zal u in een oogenblik de bekentenis van misdaden afperssen, die zoo verachtelyk zyn, als gy zelf, of uwe hatelyke medeplichtigen". De Neger, die alle zyne aderen van verontwaardiging voelde opzwellen, beantwoordde hem zulks op deeze wyze:—"Massera, de tygers in de bosschen hebben onder deeze handen (welken hy toen in de hoogte stak) gebeefd; en gy durft my met uwe armhartige werktuigen van foltering bedreigen! Neen! Neen! ik veracht de pynigingen, welken gy thans kunt uitvinden, even zeer, als den laaghartigen, die ze my aandoet". Op deeze woorden boodt hy zig zelf ter pyniging aan, en stond de ysselykste folteringen door, zonder een enkel woord uit te brengen; vervolgens weigerde hy zelfs te spreken, en eindigde zyn leven met de koord.—Maar laaten wy van dit naargeestig onderwerp afstappen.

Den 8sten Maart, hield ik het middagmaal by den Colonel FOURGEOUD, om aldaar den verjaardag van den Prins van Oranje te vieren. Dien zelfden dag gaf de heer REYNSDORP eene maaltyd aan alle de soldaten. De Colonel berigtte my, dat de Jagers, in dit oogenblik, by de Wana-kreek alleen gelegerd waren; dat de ongezonde post van Devil's Harwar geheel en al verlaten was; dat de twee Compagniën van vrywillige Negers, die kortlings waren aangeworven, op den weg, die met de Wanica agter Paramaribo gemeenschap heeft, eenige muitelingen gevangen genomen, en verscheiden anderen gedood hadden. Ik bevond my toen wel beter, schoon ik nog niet geheel en al hersteld was; en die zelfde Overste, die my voorheen zoo hard behandeld had, hield thans aan, dat ik my in de hoofdstad der Volkplanting nog eenigen tyd langer zoude blyven ophouden: hy boodt my zelfs verlof aan, om naar Europa te rug te keeren, het geen ik stellig weigerde; eindelyk, tegen het midden der maand, was ik zoo gezond, als ik in myn geheele leven geweest was. De Colonel FOURGEOUD en ik gaven toen dagelyks bezoeken aan vrouwen, in wier gezelschap zig niemand hoflyker gedroeg, dan hy, terwyl ik van myn kant mynen afkeer dikwils niet bedwingen konde. Zy keeken ons aan op eene manier, die haare bedoeling duidelyk te kennen gaf; verscheiden zelfs waren in haare gesprekken gantsch niet omzichtig; en zekere Mevrouw N. ging zelfs zoo verre, dat zy my, zonder omwegen, verzogt, of ik de plaats van haaren man wilde vervullen.

Den 17den, intusschen, vertoonde zig iets aan myn oog, het geen my meer bekoorde. By den heer TEXIER, Colonel van 's Compagnies krygsvolk, uit eeten gaande, deed ik vooraf eene wandeling in de oranjeboom-bosschen en de tuinen van den Gouverneur. Ik ontdekte aldaar wel dra dwars door de takken twee vrouwen van de cierlykste gestalte en de schoonste gedaante, die zig gebaad hadden. De eene was eene bekoorlyke en jonge Samboe-, de andere eene fraaie Qaurteron-Negerin. De trekken der laatstgemelde waren zoo regelmatig, en haare gedaante zoo bevallig, dat men byna geloofd zoude hebben, dat zy uit Griekenland geboortig was: haare roosenkleurige verwe was gelyk aan die, waar van het boschjen glinsterde. [62] Beide wandelden zy, elkander by de hand houdende, en praatten al lachende, in de nabyheid van een bed met bloemen, geplant aan den oever eener beek van vlietend en helder water, waar in zy zig als Syrenen indompelden, toen zy de bladeren van het geboomte hoorden ritselen. Ik liet haar het stil genot der onschuldige vermaken van het bad, en ik wagte het eetens-uur af, doorwandelende intusschen de beplantingen van boomen, die met vruchten beladen waren, en de bloem-tuinen, langs wandeldreeven van schoon rivier-zand. Ik zag in deeze tuinen meer Europeesche planten, dan ik dagt, dat 'er onder den zonne-keerkring waren, als kruis en munt, venkel, salie, rozemaryn, heidens wond-kruid, jasmyn, kruidje roer my niet; granaatboomen, rozenboomen, vygenboomen, en zelfs eenige wynstokplanten. De vygen waren van eene fraaije karmosyn kleur van buiten en van binnen, en de rozen van eene bleeke roode kleur. 'Er waren ook op deeze zelfde plaats eenige schoone pyn-appelen, en meloenen, waar van ik iets zeggen zal, schoon zy vry algemeen bekend zyn. De Koning van alle vruchten, ananas, of pyn-appel genaamd, groeit aan het einde van een stam, van eene zee-groene kleur, en agt duimen lengte hebbende, die zig uit het midden-punt van een fraay heester-gewas van de zelfde kleur verheft, welks langwerpige, effene, puntige, en van zeer harde stekels voorziene bladeren, op eenen kleinen afstand van den grond, in de rondte geschaard zyn. De gedaante der vrucht is ten naasten by die van een pynappel; dezelve is geheel en al met vierkante schubben bedekt, en van eene fraaije orange of goud kleur. Eene bos met bladeren, naar die der plant gelykende, maar echter veel kleiner, geeft 'er eene kroon aan, en in den grond gestoken zynde, koomt 'er, na verloop van agtien maanden, een andere ananas uit voort. De uitgelezene smaak, en de lekkere geur van deeze vruchten, zyn zedert byna een halve eeuw zoo bekend, dat ik 'er alleenlyk van spreek uit hoofde van derzelver overvloed in Guiana. De verschillende zoorten van gewoone ananassen groeien aldaar uit de natuur; en op verscheidene Plantagiën dienen zy aan de geringste dieren tot voedzel.


Back to IndexNext