VYF-EN-TWINTIGSTE HOOFTSTUK.

De Muskaat- en Water-Meloenen wassen ook overvloedig in dit Land. De eerste is volstrekt rond, van de grootte van een kleine hoed, met ribben, en van een buffels kleur, orange en groen. Derzelver vleesch is geel, vast, sappig, zacht, en van een lekkere geur.

De Water-meloen is van eene eironde gedaante. Derzelver schil is zeer effen, en gedeeltelyk van eene schitterende groene, gedeeltelyk van eene bleeke buffels kleur. Het vleesch van deeze meloen is roodachtig, van eene waterachtige en zachte zelfstandigheid, van een zeer zoeten smaak, van eene uitmuntende geurigheid, en zeer verkoelende. Deeze meloenen zyn een zoort van komkommers, en groeien aan het einde van zwaare steelen, met breede bladeren, die den grond bedekken. Het is merkwaardig, dat de Water-meloen, welke men, zonder eenige schadelyke gevolgen, in alle zoorten van ziekten eeten kan, het best word voortgeteeld in een droogen en zandachtigen grond.

Omtrent te deezer tyd zond ik eene fraaije verzameling van Surinaamsche Kapellen aan den heer REIGERSMAN in Holland. Deeze insecten zyn alhier zeer talryk, en zeer verschillende. Verscheide lieden, die hun werk maken om dezelven te vangen, scheppen 'er behagen in. Maar het denkbeeld, om een enkel levendig insect op een blad papier vast te maken, was voor my te weinig bekoorlyk, om ze zelf te gaan vangen.

Ter zelfder tyd wierden de Capitains VAN GEURICK en FREDERIK, vergezeld van den Sergeant FOWLER, naar de Oucas- en Sarameca-Negers afgezonden, om van hun eenige hulp tegen de muitelingen te verzoeken; zy beloofden dezelve, zoo lang de Colonel FOURGEOUD hun geschenken gaf, maar zy leverden ze nooit. Eenige andere Officiers bleven steeds by ons, zig bezig houdende met by de vrouwen op Paramaribo hunne opwagting te maken. Onder dit getal waren de Majoor MEDLAR, en de Capitain HAMEL, die beiden onder het Regiment van den Generaal DE SALVE, in de Volkplanting de Berbices, gediend hadden; de eerstgemelde was bevorens in Pruissischen dienst geweest. Het was voor ons, die nog zoo kortlings naar wilden geleeken, geene kleine verandering van staat, in dit oogenblik de straaten van deeze hoofdstad te bewandelen, als Fransche Marquisen uitgedoscht zynde.

Met den Gouverneur NEPVEU in goede vriendschap zynde, kreeg ik in de gedachten, om hem een onbebouwd stuk land in het bosch te verzoeken, en dadelyk stond hy my vier honderd akkers toe. By het doen van dit onbedacht verzoek had ik niet berekend, hoe veel geld 'er wel noodig was, om het hout 'er te doen uithaalen, slaven te koopen, en in alles, wat tot zulk eene onderneming verëischt word, te voorzien; maar wanneer ik de moeielykheid in aanmerking nam, om iemand te vinden, die met my zoude willen zamen doen, en de noodige gelden daar toe bezat, bedankte ik om deeze blyk van des Gouverneurs goedheid aan te nemen.

Den 26sten, bevryde ik eene arme Negerin, die een douzyn porcelein theegoed gebroken had, van eenige honderde geesselslagen, door het zelve te vergoeden. Dien zelfden dag wierd ook eene andere Negerin door een Franschman vermoord, die zulk eene scherpe knaging over zyn wanbedryf gevoelde, dat hy zig den hals afsneed; een Opzichter, die hem behulpzaam geweest was, hing zig zelven op. Na aan den armen Neger, wien men, uit kragte van een vonnis, het been had afgezet, een bezoek gegeven te hebben, maakte ik my gereed om naar mynen vierden veldtocht te vertrekken. Terwyl ik de toebereidzelen daar toe maakte, zag ik zes Neger-slaven by my binnen treden, beladen met geschenken, welken my myne vrienden zonden, en bestaande in al het beste, het geen Guiana voortbrengt. Ik moest het bevel aan de Commewyne op nieuw op my nemen.

Grappige manier tot het ontdekken van een dief.—Het Brom-vogeltje.—Verschillende zoorten van planten.—Manier van visschen in Surinamen.—Onderscheidene zoorten van visschen.—Moed van eene jonge Negerin.—De Pimpelmees. —De Americaansche Aloë.—De Banille-boom.—Huilende Aapen. —Verwonderlyke slimheid der wilde Byën.—De krygsbende van den Colonel FOURGEOUD ontfangt andermaal bevel, om naar Europa te rug te keeren.—De Guiaansche Nachtuil.

Den 27sten Maart 1776, nam ik op nieuw afscheid van de Stad Paramaribo, van JOANNA, en van mynen zoon.

Des morgens van dien dag, zelfs eer dat ik vertrok, wierd een Planter, HALBERG genaamd, door eene groote Iguana hevig gestoken, op het oogenblik, dat hy myne medgezellen en my noodigde, om ons nog eenige dagen langer op te houden, en by eene maaltyd, welke hy tot viering van zynen vyf-en-twintig jaarigen trouwdag gaf, tegenwoordig te zyn. Na hem ons leed betuigd te hebben over het ongeval, dat hem ontmoette, gingen wy in een overdekt vaartuig; en dien zelfden avond kwamen wy op de Plantagie Sporks-gift, aan de Matapica-kreek. Capitain MACNEYL ontfing ons aldaar, twee dagen lang, op eene zeer gastvrye manier. Ik verstikte aldaar echter byna door eene sterke reuk van groene koffy, leggende op den vloer van het kamertje, waar in ik myne hangmat geplaatst had.

Den 29sten des avonds, en wel zeer laat, kwamen wy op de Plantagie Goud-Myn, alwaar wy eenen jongen Neger en eene jonge Negerin vonden, die, dicht by elkander, aan een hoogen balk, met een touw, het welk aan de duimen van elk hunner was vast gemaakt, waren opgehangen. Dit touw was agter om hun rug gebonden, hunne schouders werden 'er byna door ontwricht, en het veröorzaakte hun de verschrikkelykste folteringen. Ik sneed het oogenblikkelyk af, zonder verlof of omwegen: ik zwoer daarënboven, dat ik den schelm van een Opzigter, die zulk eene nieuw uitgedachte en afgryselyke strafoeffening had aangedaan, vernielen zoude, ten minsten, dat hy my zoude moeten beloven aan deeze twee ongelukkigen kwytschelding te verleenen; het geen hy, by geluk, aanstonds en in myne tegenwoordigheid deedt.

Den 30sten, even voor dat wy aan de Hoop ontscheepten, vernam ik, dat myne Suiker, en het grootste gedeele van myn Rhum weg waren, maar ik ontdekte den dief door eene aartige list, waar van ik echter niet beweere de uitvinder te zyn. Ik zeide aan zes Negers, die met roeijen bezig waren, dat in zes minuten op den neus van hem, die de schuldigste was, een veder van een Papegaay zoude groeijen: tevens sprak ik eenige woorden uit, die geen zin hadden, en zwaaide twee of drie malen met myn sabel, waar na ik my in de hut opsloot. Ik keek aldaar door het sleutelgat, en hield een naauwkeurig oog op de roeijers, zonder dat zy 'er iets van bemerkten. Spoedig zag ik, dat één van hun, by elken slag met de roeyriem, de hand opligte, en aan zyn neus voelde. Ik kwam dadelyk weder te voorschyn, en regelrecht naar hem loopende, riep ik hem toe:—"Ik zie de veder, schurk! gy zyt de dief."—De arme schelm antwoordde my aanstonds:—"Ja, Masera!" Vervolgens, op de kniën vallende, bad hy den toovenaar, dat hy hem genade bewyzen wilde. De anderen verëenigden zig met hem, en ik schonk deezen bygeloovigen schelm, en zyne medeplichtigen vergiffenis, en gaf hun, om dat zy my de zaak openhartig bekend hadden, een stuk gezouten ossen-vleesch voor hun middagmaal, met een calebas vol rhum en water.

Ik nam dadelyk na myne aankomst op den wachtpost van de Hoop, het bevel der Rivier op my, en ik beschouwde my op nieuw als de Vorst van de Commewyne. Om eene goede woning te hebben, liet ik een Paleis in de hoogte bouwen, naar dat van den Generaal BONNY te Bousy-Cray gelykende. Deeze wooning, die byna eene lucht-woning was, was my van zeer groot nut. Het grootste gedeelte van het land aan deezen post stond, door de overstroomingen, onder water. Het was niets meer dan een moeras, zoo weinig acht had men 'er op geslagen, en 'er was geen voetstap meer van myne oude hut te ontdekken. Ik vond de ellendigste soldaten op deeze plaats. Zy waren aldaar byna naakt, en hadden tot hunne schoenen verkogt, om zig een maand lang verschen voorraad te bezorgen. Ik verzachtte intusschen hunne ellende door myne aanzoeken by den Colonel FOURGEOUD, in wiens gunst ik meer en meer deelde; en de wachtpost van de Hoop was wel dra een paradys, in vergelyking van het geen dezelve was, toen ik 'er kwam.

De jagt was toen, gelyk voorheen, myne dagelyksche bezigheid. Den 4den bragt ik Pluviers, Roodborsjes, en byna een dozyn Musschen uit de zand-woestyn mede.

De Pluviers van Guiana hebben de grootte van een duif. Zy hebben vederen van eene donker bruine kleur, met wit doormengd, en met dwarsloopende streepen. Men vindt 'er een groot aantal van in de verdronkene Savanen, en zy verschaffen een lekker eeten. De Roodborsjes zyn een zoort van dikke rood-staarten, en hebben het bovenste gedeelte van het lyf van eene donkere kastanje kleur, en al het overige van eene bloedkleur. Zy zyn zoo lekker als een leeuwrik, en op alle Plantagiën zeer gemeen. De wilde Musschen, die zommigen, zoo ik meen, Anacas noemen, zyn lieve diertjes van de gedaante van een Papegaay. Hunne vederen zyn volmaakt groen, en zy hebben een witten bek en roode oogen. Zy doen veel schade aan de ryst- en koorn-landen, en vliegen met eindelooze hoopen over de Plantagiën.

De Brom-vogeltjes plaatsten zig in zulk een groot getal op de tamarinde boomen aan de Hoop, dat men ze byna voor zwermen van wespen zoude hebben aangezien. De Lieutenant SWELDENS doodde 'er dagelyks verscheiden, door kleine erweten of korrels van Indisch koorn met een vogelspuit op hen te werpen.

Het Brom-vogeltje (Trochulus, of het Colorietje) is byzonder merkwaardig, zoo uit hoofde van deszelfs fraaiheid als kleinte; want hy is zoo lang niet als een derde van een menschen vinger; en wanneer zyne vederen zyn uitgeplukt, is hy niet veel grooter, dan eene groote vlieg. ('Er zyn echter verscheiden zoorten, waar van zommige twee maal zoo groot zyn.) De vederen van deezen vogel zyn gekleurd met eene sterke weêrschyn: in de schaduw, hebben zy eene schitterende en donker groene kleur; in de zon, eene bruine en glinsterende purper-kleur, met hemels-blaauw gemengd. Zyn kop is verciert met een kleine kuif van groene, zwarte en goud-kleurige vederen; zyne staart en vlerken zyn van eene helder zwarte kleur; zyn bek, die lang, zwart, en aan het einde gebogen is, is niet veel grooter, dan eene spelde. Zyne gespleete tong gelykt naar een rooden zyden draad. Zy dient hem, om den nectar of het sap der bloemen uit te pompen of uit te trekken, geduurende welke verrigting hy als een bye stil staat; en dit sap schynt het eenige voedzel van dit vogeltje te zyn. Dikwils maakt hy zyn nest op een blad van wilde Ananas, of kruipende Aloë. Dit nest, het welk niet veel grooter is, dan een nooten-dop, is byna geheel van catoen gemaakt. Het wyfje legt twee eieren, die van de grootte van erweten zyn. Mejuffrouw DE MERIAN brengt dezelven tot het getal van vier; maar ik verzeker, dat ik 'er nimmer zoo veelen in eenig nest gezien, noch ook gehoord heb, dat zy 'er nu en dan in gevonden zouden worden. Ik heb getracht twee vogelen van dit zoort op het natuurlykst, en met hunne kleine wooning, af te teekenen. Het is my niet mogelyk geweest die afteekening volkomener te maken; want de beweging hunner vlerken is zoo gezwind, dat men moeite heeft de kleur 'er van te kunnen onderscheiden. Deeze beweging veröorzaakt het zoort van bromming, waar van deeze vogeltjes hunnen naam ontleenen.

'Er was ook in deezen omtrek eene eindelooze meenigte van Aapen. Ik zag 'er by de twee honderd op een veld van Suiker-riet, al waar zy groote verwoestingen aanrigtten. Deeze doorslepen dieren zetten schildwagten uit rondom de plaats, alwaar zy stroopen, om op het vernemen van onraad gerucht te maken; en ik ben getuige geweest van de oplettenheid en het verstand, waar mede zy, die met die zorge belast zyn, zig van dezelve kwyten. Wanneer deeze stroopers eenig gevaar vernemen, loopt de geheele bende al springende naar het bosch, houdende elk den geroofden buit met de poot vast.

Ik vermaakte my ook met zwemmen. Deeze oeffening gaf my kragten, en bragt veel toe tot behoud van eene goede gezondheid. De voordeelen, welken men hier door verkrygt, zyn op eene verrukkende wyze afgemaalt, door den Schryver der Jaargetyden.

"Het is de gezondste oeffening, en de zoete verkoeling der brandende hitte van den zomer. Op die wyze verkrygen de ledematen sterkte, en de arm van die Romeinen, die op het overheerde land het bevel voerden, leerde vooräf, in zyne jeugd, de water-golven te vermeesteren."

Den 14den, doodde ik een Kayman; maar van deezen tocht in een vaartuig te rug komende, viel een pak brieven, my door den Colonel FOURGEOUD toegezonden, by ongeluk in het water, en zonk. Eenige Officiers, die daags daar aan op de Hoop kwamen, berigtten my echter, welke de voorname inhoud deezer brieven was: zy gaven my kennis, dat de Overste, besloten hebbende nog eenmaal de bosschen te doorkruissen, my last gaf, dat alle manschappen, krygs- en mondbehoeften, welken ik niet volstrekt noodig had, de Rivier moesten worden opgezonden; dat het Sociëteits krygsvolk, op Oranjeboom post houdende, ook stond te vertrekken; en dat de één zig naar Maagdenberg, de ander naar de Peréca moest begeven. Ik behield dus slechts twaalf verminkte soldaten op de Hoop, en een gelyk getal op Klarenbeek, zonder Heelmeester, noch geneesmiddelen. Niettemin deed ik, met zulk een zwak getal manschappen, dagelyks de ronde, zoo te land als te water.—De zelfde Officiers gaven my ook berigt, dat de Vaandrig VAN HALM was overleden, en dat een schip vol zieken gereed lag, om onverwyld naar Holland onder zeil te gaan.

Schoon de Colonel FOURGEOUD steeds te Paramaribo bleef, hield hy niettemin, met zeer veel nauwkeurigheid, over alle krygs-verrigtingen het toezicht. Dienvolgende gelastte hy, den 23sten, aan eene bende van honderd mannen, om het land tusschen Maagdenberg, de Wana-Kreek, en de Maroni te gaan onderzoeken; maar zy kwamen wederom, zonder iets ontdekt te hebben.

Dewyl het zig liet aanzien, dat ik nog eenigen tyd op den wachtpost de Hoop zoude moeten blyven, liet ik myne schapen en gevogelte halen van de Plantagie, alwaar ik die had agtergelaten, en ik deed aan den heer GOURLY een geschenk van een ram en een schaap, die alle anderen van dat zoort in de Volkplanting overtroffen. By de aankomst van deeze myne kudde vee, zag ik met genoegen, dat zy merkelyk vermeerderd was.

Den 26sten, bragt één van myne soldaten, my een slang, dien hy gevangen had. Dit dier was niet meer dan vier voeten lang, en niet dikker, dan de loop van een snaphaan. Bemerkt hebbende, dat hy midden op zyn lyf een bult had van de grootte van myn vuist, was ik nieuwsgierig om dezelve open te maken, en ik vond een kikvorsch, levendig en in zyn geheel, maar waar aan men op den kop en hals een vlak zag, welke scheen aan te duiden, dat hy begon te bederven. Ik nam de proef, om een touw aan één zyner pooten vast te binden, en hem in het gras aan den waterkant te laten, geduurende drie dagen, na verloop van welken het arme dier nog in goeden staat scheen te zyn, en ik gaf hem zyne vryheid weder.

Den 28sten, gaf ik een bezoek aan THOMAS PALMER, Schildknaap en Raad des Konings in Massachufets-Baay, die zig op zyne Plantagie Fairfield bevond. Zyne slaven leefden aldaar volmaakt gelukkig en wel te vreden, het geen het gevolg was van het verstandig bestuur van den eigenaar. Weinige bezittingen van dit zoort, in de West-Indiën, waren in eene zoo gelukkige gesteldheid, zoo ten aanzien der bevolking, als der vruchtbaarheid. De beminnelyke wellevenheid, waar mede de eigenaar deezer Plantagie de vreemdelingen aldaar ontfing, gaf een verheven denkbeeld van zyn character, het welk in de geheele Volkplanting ten gunstigsten bekend was.

By myne te rug komst op de Hoop, ontfing ik een brief van den Bevelhebber, my meldende, dat de Jagers, onder aanvoering van VINSACK, verscheiden muitelingen gedood, en 'er elf gevangen genomen hadden: maar dat eene andere party van die zelfde Jagers door den vyand was verrast geworden, zynde verscheiden van het volk, terwyl zy in hunne hangmatten lagen te slapen, gedood.

In eene van deeze schermutselingen betoonde een Neger van de muitelingen eene zonderlinge tegenwoordigheid van geest. Een Jager op hem hebbende aangelegd, riep deeze Neger hem toe: "Wel hoe! wilt gy één van uwe medemakkers dooden?" De Jager, geloovende dat dit waar was, antwoordde hem: "Daar bewaare my God voor"! En zyn wapentuig nederzettende, kreeg hy dwars door het lyf een kogel, op hem door zynen vyand afgeschoten, die dadelyk als een blixemstraal uit het gezicht was. De al te lichtgeloovige Jager stierf 'er van. Een der gevangenen verhaalde, dat des avonds te vooren een Neger, die wel eer van de Plantagie Fauconberg was weggeloopen, op last van BONNY was nedergesabeld.

De haven van de Hoop, onderging, den 6den Mey, een zwaaren orkaan, verzeld van donder en blixem. Verscheide boomen wierden uit den grond gerukt, huizen om ver gesmeeten, en dakken afgeworpen. Myn lucht-paleis in tusschen stond, zonder eenig letzel, den storm door. JOANNA met mynen zoon den 8sten zynde aangekomen, stelde ik my het zelfde geluk voor, als ik in 1774 reeds genoten had. Myn huisgezin, myne kudde, myn gevogelte, waren in dit oogenblik verdubbeld. Ik bebouwde daarënboven een fraaien tuin; en zoo ik my al in den volsten zin geen Planter noemen kon, ik had ten minsten eenig recht, om my een kleinen tuinier te noemen.

Den 29sten, waren wy allen by den heer DE GRAAF, op zyne fraaie Plantagie Knoppemonbo, aan de Casavinica-Kreek, ter maaltyd. Ik zag aldaar planten en wortelen, welken ik nog niet had opgemerkt.—De Taijers, voortkomende uit het midden van een groen heestergewas van eene meelachtige zelfstandigheid, het welk niet meer dan drie of vier voeten hoog is, bladeren voortbrengt, die ongemeen breed zyn, en de gedaante van een hart hebben, en waar van de stam naar die van den Bananen-boom gelykt. Wanneer de uitwendige bekleedselen van deeze plant zyn afgeschild, heeft zy het voorkomen van de ignames of aard-appelen, maar is veel aangenaamer om te eeten, en veel fyner. 'Er zyn verschillende zoorten van Taijers, en men geeft den voorrang aan de kleinste, waar van men op de zelfde wyze gebruik maakt. 'Er werden ook, in groote meenigte, op deeze zelfde plaats, waare aardappelen gevonden, maar van een minder zoort dan de gemeene aard-appelen in Engeland, en alleenlyk voor de Negers dienende.

De Tabaks-plant groeide in deezen tuin. Dezelve heeft bladeren, die nederhangen, en vol vezelen zyn, en leeft tien of twaalf jaaren; maar zy is van zoo veel geringer caliber, dan de Virginische, dat 'er zig alleenlyk de Negers van bedienen. Deeze plant ontleent haaren naam van het Eiland Tabago, alwaar zy in het jaar 1560. ontdekt wierd.

Men zag hier ook nog een zoort van wilde thee, welke men als zeer gezond beschouwt; maar die, naar myn inzien, niet veel beter is dan ons kruipend eiloof. Ik vond bovendien aldaar eene groote meenigte van Goud-appelen; maar dewyl men die in verscheiden Engelsche tuinen aankweekt, behoeve ik 'er geene beschryving van te geven: ik zal alleen opmerken, dat de Joden in dit Land 'er ongemeene liefhebbers van zyn, en ze by het vleesch koken, in plaats van uijen.

De heester, waar aan de geneeskragtige noot groeit, was ook onder de planten in deezen tuin. Dezelve is rank, en tien of twaalf voeten hoog. De vrucht bevat een noot, naar een amandel gelykende. Deeze noot is zeer goed om te eeten, mits men 'er een dunne en witte schil, die 'er om zit, af doet; want zonder dat veröorzaakt zy oogenblikkelyk de geweldigste braking en buik-ontlasting. Men deedt my ook opmerken verscheide zoorten van erweten, boonen en zoortgelyke peulvruchten, en onder anderen de Cassia, welker kleine, harde, geele en helderschynende zaden besloten zyn in een houte pyp van by de zes duimen lang, maar zeer naauw, en welke een zwart vleesch bevat, zoo zoet als honig. Men houdt de Cassia voor een uitmuntend ontlastmiddel. Zy is in Guiana zeer gemeen, en word aldaar genaamd Zoete Boontjes en Cotiaan. Een ander zoort van heester-gewas in dit Land, draagt den naam van Zeven-jaars Boontjes, om dat het zeven jaaren bloeit, alvorens eenige vrucht voort te brengen. Het boompje, genaamd Snaky wiry-wiry, wierd ook op deeze zelfde plaats gevonden. Men verzekerde my, dat het een onfeilbaar middel tegen de koorts was, en ik geloof, dat het 't zelfde was met de Serpentaria Virginiana, of Virginische Slangekruid. Eindelyk zag ik een plantgewas, genaamd Zeven-bloemen, waar van de jonge Negerinnen zig dik wils bedienen, om de vrucht af te dry ven. De groene pyn-appelen hebben ook, zoo men zegt, dezelfde uitwerking.

Op deeze wyze eenen dag te Knoppemonbo hebbende doorgebragt, welke niet alleen tot myn vermaak, maar ook tot myne onderrigting diende, namen wy des avonds afscheid van onze vrienden, en keerden, wel te vreden, naar de Hoop te rug, in een vaartuig vol met allerleije zoort van geschenken, waar onder schoone Cocos-noten waren, welken één der slaven in onze tegenwoordigheid plukte, na met eene ongemeene gezwindheid den boom te zyn opgeklauterd, en aldaar een gevecht te hebben doorgestaan tegen een zwarten slang, dien hy met zyn mes overwon, en voor onze voeten dood deedt nedervallen.

De slaven van de Hoop en Fauconberg betoonden hunne achting voor JOANNA en haaren zoon, door aan haar gevogelte, wild, visch, eijeren en vruchten aan te bieden. De heer PALMER gaf ons eene groote meenigte Indisch koorn tot voedzel voor ons gevogelte. Alles scheen dus tot myn geluk mede te loopen, het welk echter merkelyk veranderde, toen ik, den 18den, de tyding ontfing van het verlies van mynen vriend, den heer WALTER KENNEDY, die korten tyd na zyne te rug komst in Holland overleedt.

Om het leed, my door deeze gebeurtenis veroorzaakt, te verzetten, gaf ik een kort bezoek aan den heer DE CACHELIEU, op zyne Plantagie Egmond. Ik vond aldaar, onder meer andere lieden, eenen Planter, een Italiaan van geboorte, die maar één arm had. Deeze man zat naast my aan de tafel; en zonder dat hy eenige de minste uitdaging van myne zyde konde bybrengen, nam hy een mes, en stak naar my van agteren, tot groote verwondering van alle de dischgenooten. Den steek gelukkiglyk hebbende afgekeerd, door hem den elleboog op te ligten, het geen maakte, dat de punt van het mes over myn schouder heen ging, stond ik oogenblikkelyk op, en ik zoude hem daar ter plaatse vermoord hebben, zoo men my niet had tegen gehouden. Ik bood hem toen aan met my te vechten, met zoodanig wapen, als hy verkiezen mogt, en met éénen arm; maar de lafhartige zulks geweigerd hebbende, wierd hy uit het gezelschap verjaagd, en naar zyne Plantagie, Hazard genaamd, te rug gezonden.

Deeze schelm was zoo geweldadig, dat hy korten tyd te voren eene Negerin, die agt maanden zwanger was, had laten geesselen, tot dat haar de darmen uit het lyf kwamen, om dat zy een glas gebroken had. Een van zyne mans slaven, die zyne gramschap poogde te ontwyken, wierd door hem op staande voet om 't leven gebragt. Hy had 'er geen één, wien het lichaam van het hoofd tot de voeten niet was van één gereten, door de meenigvuldige kastydingen, welken hy hun deedt ondergaan.

Dewyl de Colonel FOURGEOUD my eene versterking van soldaten, benevens een Heelmeester en geneesmiddelen, gezonden had, kreeg de wachtpost van de Hoop een geheel ander voorkomen: vergenoegdheid en gezondheid vertoonden zig aldaar wel dra op aller aangezichten. Ik zette vooral de soldaten aan om visch te vangen, die alhier in grooten overvloed was; en de Negers leerden hun de manier om dit te doen, het zy met den haak, het zy met de mand. De eerste bestaat daar in, dat men een buigbaaren en sterken stok in den grond steekt, en aan deszelfs einde eene dubbele lyn vast maakt, welkers kortste gedeelte aan een stokjen van tien duimen lengte gehecht is; het andere insgelyks aan een stok van dezelfde lengte, maar veel lager vallende. Aan het einde van de tweede lyn haakt men een kleinen visch aan de vinnen, latende hem de mogelykheid van te zwemmen, en zorg dragende, dat hy aan een grooter zoort van visch tot aas kan dienen; vervolgens steekt men nog twee andere stokken in den grond, maar zoodanig, dat zy boven het water uitsteken; men hecht dezelven te zamen door een anderen stok, die zoo lang niet is, en aan het geheel de gedaante van een galg geeft, boven welke de buigbaare stok door middel van deszelfs dubbele lyn en kleinere stokken wordt heen getrokken, maar echter zoo gemakkelyk, dat op de minste beweging, de geheele toestel uit elkander geraakt; en deeze buigbaare stok zig dan van zelf opheffende, hangt de visch, die met het aas gevangen is, aan een haak in de hoogte.

De tweede manier, Mansoa genaamd, gelykt veel naar de voorgaande. Men werpt eene kleine biezen mand, die als een broodsuiker gemaakt is, in het water, aan welkers punt men den buigbaaren stok vast maakt, terwyl het ander einde even als een val open blyft, wordende het geheel door een gespleten stuk hout in een rechten stand gehouden. Men doet ook een kleinen visch in deeze mand; en zoo dra dezelve door een grooter visch is ingeslokt, sluit de val of ingang van de mand zig agter hem toe. Dit zoort van vischvangst verschilt daar in van de andere, dat men geen haak noodig heeft. Deeze oordeelkundige manieren kunnen een denkbeeld geven van de slimheid der Negers. Dezelve zyn daarom te nuttiger, dewyl zy geen tyd doen verliezen, en men des anderen daags den visch gevangen vindt; zynde doorgaans de Newmara of Barracota, van welken ik reeds gesproken heb.

Onder de onderscheidene visschen, welken ik hier heb zien vangen, vind men de Siliba, die klein is, van eene eyronde gedaante, en gespikkeld als een ananas; de Sokay, die lekker en zeer dik is; de Torro-torro, en nog een genaamd de Tarpoen: de eerste is drie voeten lang, en de tweede, die wit is, omtrent twee voeten, zes duimen.

Den 26sten, zag ik eene jonge Negerin, Clardina genaamd, wier moed, kragt, en gezwindheid ik zeer bewonderde. Een hart, zig van zyne troep hebbende afgezonderd, liep den weg op; deeze vrouw greep hem aan een agterpoot, in het midden van zynen loop; maar hem niet kunnende doen stil staan, liet zy zig een zeer groot einde van den weg voortslepen, en raakte haaren buit niet kwyt, dan na het bekomen van eene zwaare wonde.

De post van de Hoop verschafte toen een aangenaam verblyf. De grond was 'er volmaakt vast, en doorsneden met canalen, waar in by hooge vloeden het water kwam. De heggen, die de tuinen en velden omheinden, waren wel onderhouden, en bragten vrugten en groenten van allerleije zoort voort, die ons tot levensmiddelen dienden. De huizen en bruggen waren weder in orde gemaakt. Ik moedigde de soldaten aan, en beval hun de grootste zindelykheid. Mitsdien had ik geen enkelen zieken, onder vyftig manschappen, waar uit myne krygsbende bestond, op een plaats, alwaar bevorens de land of zee-scheurbuik, en alle kwalen, die door luiheid, morssigheid en ellende veröorzaakt worden, de grootste verwoestingen hadden aangerecht. Van de zoo even vermelde twee zoorten van scheurbuik, bedekte de eerste het geheele lyf met puistjes, en de tweede deedt voornamelyk het tandvleesch en de tanden aan.

Ik genoot toen het volmaaktste genoegen, en de volkomenste gezondheid, terwyl de meeste myner reisgenooten of gestorven, of naar Europa vertrokken waren: 'er was toen geen enkel Officier in rang boven my, uitgenomen de geenen, die zedert lang aan het luchtgestel van Guiana gewend waren.

Maar laten wy naar mynen tuin te rug keeren.—Dezelve verschafte my thans wortelen, kool, uijen, komkommers, latouw, radys, pry, waterkers, enz. alles even goed als in Europa. 'Er was ook zuuring van tweederleije zoort, gemeene en roode; de laatste groeit aan een boompjen. Bloemen ontbraken my al mede niet; ik had verschillende zoorten van Jasmyn. De meest geächte is een klein boompje, welkers bloemen van eene bleek roode kleur zyn, maar fraay, en van eene aangenaame geur; het heeft dikke, glinsterende bladeren, die vol van een melkachtig sap zyn. Een zoort van kruidje roer my niet, Shanne-shanne genaamd, vercierde mede deezen tuin; het geleek naar de slaapende plant, aldus genoemd, om dat derzelver bladeren, by paaren geplaatst, zig by het ondergaan der zon toesluiten, en dat de twee 'er dan slechts één schynen uit te maken; maar zoo dra dit hemellicht opkoomt, scheiden zy zig van één, en vertoonen zig onder hunne dubbele gedaante. Deeze gewassen waren tusschen myne heggen verspreid, en ik kweekte bovendien granaat-boomen en Indische rozen-boomen [63] aan, die dagelyks bloeijen. Eenige roode leliën, wier bladen glad, en van eene zeer schitterende groene kleur zyn, omzoomden myne grachten: zy groeien natuurlyk in de zand-woestynen.

In deezen gelukkigen staat, ontfingen wy het bezoek van verscheiden lieden, en vooral van Mevrouw Z……, vergezeld door haaren broeder, en door nog een ander, SCHADTS genaamd, die alle drie uit Holland kwamen. Deeze vrouw wierd gehouden voor eene der schoonste vrouwen van Europa, en te gelyk allerbekwaamst. Zy sprak verscheidene talen; in de zang- en schilder-kunst muntte zy uit; zy danste met bevalligheid, en reedt volmaakt te paard; zy kon met het geweer omgaan, en ging ter jagt, enz. Haar in alle zoorten van oeffeningen willende onderricht zien, bood ik haar aan om haar te leeren zwemmen, het geen zy gepast oordeelde, om met een glimlach te weigeren.

De soldaten en Negers, die onder myn bevel stonden, en onder welken de grootste eendracht heerschte, scheenen op dit oogenblik volmaakt gelukkig. Ik zette de jonge lieden aan, om zig des avonds te vermaken, en aan de in jaaren meer gevorderden schonk ik eenige glazen rhum uit.

Te midden echter van dit vrolyk leven, gaf ik eenen geheimen last, om vuur te geven, en alarm te slaan, als of de vyand op de Plantagie was. Ik had toen het genoegen te zien, dat alle de soldaten hunne wapenen opvatteden, en met veel orde en onverschrokkenheid zig by elkander verzamelden. Ik besloot vooral van deezen list gebruik te maken, om dat men my berigt had, dat de muitelingen het oogmerk hadden aan de Commewyne een bezoek te geven.

Onäangezien al het vermelde nopens onzen voorspoed, ondervonden wy wel dra, dat 'er niets volmaakt, nog duurzaam op de weereld is. Het saisoen van droogte eensklaps hebbende opgehouden, sleepten de ziekten verscheiden van ons volk in het graf; en 'er stierven dagelyks tien of twaalf op de legerplaats te Maagdenberg en aan de Java-Kreek.

Den 3den, verloor ik mynen Vaandrig CABANUS. Zyn dood deedt my zeer leed. Hy had zyne aanstelling op myn verzoek verkregen, en bezat eenen uitmuntenden inborst.

Den 4den Juny, verbrak de hooge vloed onze sluizen, terwyl wy op de gezondheid van den Koning dronken, en de geheele wachtpost geraakte daar door onder water, het geen eene groote verwarring veröorzaakte. In deezen deerniswaardigen toestand, weigerde de Opzichter van de Hoop, genaamd BLENDERMAN, my het toebrengen van de minste hulp, en daar op volgde zulk een hevig geschil tusschen ons, dat hy tot zyn geluk het hazenpad koos, en de Plantagie verliet. Nooit kwam ik ten einde, indien ik alle de trekken van onbeschoftheid van deeze schelmen, die grootendeels het uitschot van hun Land zyn, of Duitschers, aan den Corporaals-stok gewoon, wilde opnoemen.

Den 7den, ging ik myne opwagting maken by den heer MORIN, Bestuurder van de Plantagie de Hoop, en zig bevindende op een stuk land, dat kortlings aangelegd, en aan de andere zyde der Rivier gelegen was, ten einde hem recht te vragen tegen den onbeschoften Opzigter, die by hem was. Maar de laaghartigheid van den laatstgemelden gelyk staande met zyne onbeschaamdheid en wreedheid, gaf hy alles toe, wat ik vorderde, en beloofde zelfs de sluizen te doen herstellen.

Op zekeren dag op deeze nieuwe velden, alwaar men reeds een zeer fraai huis gebouwd had, wandelende, merkte ik eenige schoone vogelen op, waar onder was de Pimpelmees. Ik had hem reeds voorlang behooren te beschryven, gelyk nog een anderen, wiens naam my onbekend is, om dat ik 'er gelegenheid toe gehad heb, toen ik myn verblyf op Maagdenberg verhaalde; maar ik heb ze toen alleenlyk afgeteekend. De Pimpelmees gelykt, wat de gedaante van zyn lyf belangt, ten naasten by naar een Lyster. Zyne vederen zyn van eene fraaie kaneel-kleur, tusschen bruin en geel gemengd; maar aan de stuit is hy geheel en al van de laatstgemelde kleur. Eene kuif van kleine vederen, van dezelfde kleur als het lyf, bedekt hem den kop, zyn staart is lang en zwart, zyn bek recht, schraal, spits, en van eene zee-groene kleur. Zyne pooten en oogäppels zyn ook van dezelfde groene kleur, en onder de laatstgemelden ziet men van wederzyden twee vlakken van eene schoone karmosyn-kleur.

De andere vogel, wiens naam ik niet weet, maar dien de Negers echter Woudo-lousso fowlo noemen, om dat hy zig met houtluizen voedt, is grooter dan de eerste, en van ongemeene schitterende vederen voorzien. Zyn kop en het bovenste gedeelte van zyn lyf zyn van eene schoone grasgroene kleur; zyn borst en buik van een karmosyn-kleur, en door eene aschgraauwe streep afgescheiden. Hy heeft een lange en ligt blaauwe staart. De slagvederen van elk zyner vlerken, waar van de plooy van het groen van het lyf door eene andere aschgraauwe en zeer breede streep schynt afgescheiden te zyn, hebben dezelfde kleur als de staart. Zyn bek is geel en gekromd, en met eene meenigte kleine zwarte vederen bedekt, even als de omtrek van het oog, welks appel eene bloedkleur heeft. Ik zag ook eenige Gallinas of Guineesche hoenderen, alhier Tokay genaamd, en die overvloedig bekend zynde, geene beschryving behoeven.

Onder de planten, welken ik op deeze zelfde plaats vond, merkte ik de Americaansche Aloë op, welkers stam een half voet dik en twintig voeten hoog was. Deeze stam, die altyd groen is, is vol met merg, en voorzien van zeer spitse bladeren, welke aan den top in grootte verminderen. Die aan den voet des booms zyn zeer talryk, lang en breed, puntig, getand, en van zeer scherpe stekels voorzien. Boven aan den stam groeit een hoop bloemen, waar van de steel het zaad, of de kiem van de aanstaande Aloë bevat, welke in den tyd van twee maanden tot den staat van volkomenheid koomt, zonder dat dit ooit faalt.

Aan de zyde der bosschen, die ons omringden, zag ik ook de Banille-Boom, eene plant, die door middel van haare kronkelende ranken, zig, even als het eiloof, aan den stam der boomen vasthecht. Deszelfs bladeren zyn ongemeen dik, en van eene donker groene kleur. Zyne vrucht bestaat in eene driehoekige peul van zes of agt duimen lengte, en vol met gladde zaadjes, Deeze peulen, welken men in één agter-middag in de zon laat droogen, worden bruin, hebben eene uitmuntende specery-reuk, en een aangenaamen smaak, het geen de reden is, dat men 'er zig van bedient, om aan de chocolaad een geur te geven. 'Er zyn verscheiden zoorten van Banille-boomen, maar de meest geachte heeft lange en dunne peulen. De Negers vertoonden my ook een klein zoetachtig zaad, het welk zy bongora noemen.

By myne te rug komst aan de Hoop, ontmoete ik COJO, den oom van JOANNA, die my een huilenden Aap bragt, door hem gedood. De Aapen van dit zoort hebben de grootte van een kleine steendogge. Zy hebben een baard, lange en roode hairen, en over 't geheel zyn zy uittermaten leelyk. Maar het geen hen voornamelyk van andere Aapen onderscheidt, is het ysselyk gehuil, het welk talryke hoopen van deeze dieren gezamentlyk doen hooren, en op zulk een hoogen toon, dat het op den afstand van een myl door de ooren klinkt. De Negers verzekerden my, dat zy doorgaans, dag en nacht, by hoog water, het welk zy door eene aangeborene neiging weten, deeze wanluidende gezangen herhalen.—Van zoodanig een verstand der dieren sprekende, kan ik niet nalaten het volgende aller zonderlingst geval te vermelden; ik zal vervolgens tot het geschiedkundig gedeelte van myn verhaal te rug keeren.

Ik ontfing, den 16den, een bezoek van één myner buuren, wien ik myn trap deed opklimmen; maar hy had nog naauwlyks den voet in myne lucht-woning gezet, of hy sprong van boven naar beneden, schreeuwende van de verschrikkelykste pynen; en hy dompelde zig dadelyk in de Rivier, met het hoofd vooruit. Boven my heen kykende, ontdekte ik wel dra, dat dit voorval veroorzaakt was door een zeer groot nest van wilde byën, of wassy-wassy, het welk zig geplaatst had in het rieten dak, recht boven myn hoofd, wanneer ik in myne kamer intrad. Ik liep dus ook op myn beurt weg, en gelastte de slaven, om dit nest onverwyld uit te roeijen. Zy gongen aan het werk, toen een oude Neger hen tegenhield, en zig onderwierp tot het ondergaan van alle straffen, die ik hem wilde aandoen, indien eene enkele van deeze byën my ooit of ooit steken zoude. "Massera, zeide hy my, deeze dieren zouden u reeds lang mishandeld hebben, indien gy hun vreemd geweest waart, maar zy zyn uwe huisgenooten; gy hebt hun stilzwygend toegestaan, om alhier hunne woonplaats te houden; zy kennen u zekerlyk, en nooit zullen zy u, nog de uwen, kwetsen". Ik stemde dadelyk in het voorstel van deezen man toe; en hem aan een boom hebbende doen vastbinden, gelastte ik QUACO de trap op te klimmen, byna naakt, het geen hy deedt, zonder gestoken te worden. Toen waagde ik het om hem te volgen; en ik verklaar op myn woord van eer, dat zelfs na aan het nest geschud te hebben, waar op de byën 'er al brommende uit vlogen, en rondom myn aangezicht heen draaiden, geene derzelver my trachte te steken. Ik stelde dus den ouden Neger weder in vryheid, en gaf hem een glas rhum, en vyf schellingen, tot zyne belooning. Ik behield vervolgens deeze kleine byënkorf, zonder eenig gevaar voor my zelf, en ik maakte 'er myne lyfwagt van. Tot myn groot vermaak deeden zy eenige Opzichters, welken ik, onder het één of ander voorwendzel, de trap deed opklimmen, wanneer ik hunne onrechtvaardigheid en wreedheid straffen wilde, verscheiden malen aartige sprongen doen.

Dezelfde Neger verzekerde my, dat 'er voorheen op de Plantagie van zynen meester een boom stond, waar op, zoo lang zyn geheugen reikte, een gezelschap van vogelen en een zwerm byën genesteld waren, die in eene volmaakte eendracht zamen leefden: maar indien eenige vreemde vogelen de byën kwamen stooren, verdreven hunne gepluimde bondgenooten dezelven aanstonds; zoo ook, wanneer vreemde byën tot in de nesten der vogelen durfden doordringen, wierp zig de zwerm, die aldaar t'huis hoorde, op de aanvallers, en doodde dezelven. De eigenaar der Plantagie en zyn geheele huisgezin, hadden zulk een eerbied voor deeze maatschappye, dat zy den boom als heilig beschouwden en niet gedoogden, dat men dien om ver hakte. Dienvolgende viel hy eindelyk van ouderdom om ver.

Den 22sten, kwamen eenige manschappen van Rietwyk aan de Peréca aan, en berigtten my, dat een gedeelte van ons krygsvolk aan de Java-Kreek was te rug gekomen, na tot by Vrydenburg aan de Maroni geweest te zyn; dat zy, gezamentlyk met de Jagers, geduurende deezen veldtocht, verscheiden bezaayde landen, aan de muitelingen toebehoorende, verwoest hadden; en dat deeze zelfde Jagers, uit hoofde van hunne byzondere diensten, van de Compagnie nieuwe wapenen ontfangen hadden, als mede eene monteering, bestaande in een groen buisje, zynde dit het eerste, het welk zy gedragen hadden. Ik vernam ook, te gelyker tyd, dat de genen, die aan de Oucas- en Sarameca-Negers gezonden waren, na eene nuttelooze reize waren te rug gekomen; want deeze beide volken wilden ons met geene hulp bystaan. Ingevolge van deeze weigering, nam de Colonel FOURGEOUD, die zig eindelyk afgemat gevoelde, en zyn volk door het vernielen van het grootste gedeelte van de bezittingen der muitelingen had uitgeput, het besluit om deezen tocht te staken; maar vooraf gaf hy van dit zyn besluit kennis aan zyne Doorluchtige Hoogheid den Prins van Orange.

Den 23sten, ontfing ik stelligen last, om my tot myn vertrek gereed te houden tegen den 15den July, met al het volk, het welk onder myn bevel stond, vervolgens de Commewyne te verlaten, en naar Paramaribo af te zakken, alwaar schepen gereed lagen, om ons naar Holland over te voeren. Ik las oogenblikkelyk dit bevel aan alle myne soldaten voor, die het met vervoering van vreugde, en driewerf herhaalde toejuichingen, aanhoorden.—Maar ik zuchtte 'er over. Myne geliefde JOANNA en myn zoon waren beiden toen zeer ziek, de eerste had de koorts, de ander was door struiptrekkingen aangetast, en men wanhoopte aan hun leven. Om myne ellende ten hoogsten top te brengen, indien men de kwaalen van het lichaam met die der ziele gelyk kan stellen, trapte ik ter zelfder tyd op een spyker, die vry diep in den voet indrong.

In deeze smartelyke gesteldheid, kwam de Nacht-uil van Guiana ons regelmatig zyn nacht-bezoek geven. Hy kwam zelfs in myne kamer, en liet aldaar zyn naar geluid hooren. Deeze vogel wordt alhier Ourou-coucou genoemd, om dat zyn geschreeuw met deeze woorden eenige overëenkomst heeft. Hy heeft ten naasten by de grootte van een duif. Zyn bek is geel en gekromd even als die van een valk; hy heeft een gespleten tong; zyne oogen zyn ook geel, en zyne ooren zeer zichtbaar. Hy heeft korte, sterke pooten met zeer puntige nagels gewapend. De algemeene kleur der vederen van deezen Nachtuil is helder bruin, uitgenomen aan den hals en aan de buik, die wit zyn, met eenige gryze vlakken daar onder gemengd. De Negers, die zeer bygeloovig zyn, stellen algemeen, dat de tegenwoordigheid van den Nachtuil een teeken van den dood is. Dit vooroordeel is echter verschoonlyk, om dat deeze vogel vermaak vindt met zig in een zieken-kamer optehouden; mogelyk wordt hy derwaarts gelokt door het licht der lampen, welken men den geheelen nacht brandt, of liever door de benaauwde lucht, die hem doet hoopen, aldaar eenigen buit aan te treffen,

Eene oude Indiane, aan welke JOANNA kennis hadt, haar te deezer tyd op de Hoop een bezoek zynde komen geven, was ik door haare bekwaamheid en zorge spoedig geneezen. Maar myn klein huisgezin bleef by aanhoudenheid in zulk een ellendigen staat, dat ik besloot haar naar Paramaribo te doen vertrekken, eer het te laat mogt zyn. Den 10den zond ik ook myne kudde vee en gevogelte naar Fauconberg: ik hield echter twee vette schapen, die ik liet slachten, en waar op, mitsgaders op wild en visch, ik geduurende twee dagen vier-en-twintig der aanzienlykste inwooners uit den omtrek deezer Rivier onthaalde. Myn waarde vriend, JACQUES GOURLEY, gaf my, by deeze gelegenheid, wit brood, Spaanschen wyn, en vruchten ten geschenke.

Den 13den, gelastte ik aan het krygsvolk, het welk op Klarenbeek geplaatst was, alwaar men voor de tweede maal een Hospitaal had opgericht, de Rivier af te zakken; en dien zelfden avond kwamen zy op de Hoop aan.

Den 14den, kwam een Officier van 's Compagnies krygsvolk my in het bevel aan de Rivier aflossen; en van dit oogenblik begonnen zyne soldaten den dienst waar te nemen.

Des avonds van dien zelfden dag, nam ik afscheid van de nabestaanden van JOANNA, die op de Plantagie Fauconberg woonden. Deeze goede lieden omringden my, en betuigden my hun innerlyk leedwezen over myn vertrek; en met de traanen in de oogen, baden zy den Hemel my te beschermen, en my eene voorspoedige reize te schenken.

Den 15den, verlieten wy eindelyk den wachtpost van de Hoop. Myne soldaten gingen des morgens ten tien uuren aan boord van de vaartuigen; op den middag deed ik een pistool-schoot, om het anker te doen ligten; wy zakten vervolgens de Commewyne af, om op de rheede van Paramaribo te komen, en ons van daar naar Europa in te schepen.

Inscheeping van het krygsvolk.—De Zurzaca, en Sabatille. —De Papaija, en de Gember.—Het krygsvolk gelast om te ontschepen.—Muiterye.—Onbetamelyk gedrag van een Capitain der Oucas-Negers.—Een groot aantal zieken naar Europa gezonden.—Nieuwe byzonderheden betrekkelyk de Negers.

Des avonds van den dag van ons vertrek lieten wy het anker vallen by de Plantagie Berkshoven, toebehoorende aan dien zelfden heer GOURLEY, van wien ik op het einde van het voorige Hooftstuk gesproken heb, en by wien ik den nacht doorbragt. Des anderen daags morgens vervolgden wy onze reize, en ik nam afscheid van den heer PALMER. Ik bragt den avond en den nacht van den 17den met den Capiten MACNEYL door; en den 18den, liet onze kleine vloot, bestaande uit myne vaartuigen, en de genen, die van Maagdenberg en de Cottica kwamen, het anker vallen op de rheede van Paramaribo, alwaar het krygsvolk, het welk onder myn bevel stond, oogenblikkelyk aan boord ging van de Transport-schepen, die ons aldaar reeds wagtten.

Zoo dra zy aan boord waren, ging ik aan wal, om 'er aan den Colonel FOURGEOUD bericht van te geven. Vervolgens ging ik JOANNA en myn zoon zien, welken ik, tot myne groote blydschap, volmaakt hersteld vond.

Des anderen daags keerde ik naar het schip te rug, om alles tot onze reize gereed te maken.

Den 20sten, hield ik het middagmaal by den Colonel FOURGEOUD, op wiens tafel ik tot myne verwondering zag opdisschen twee visschen, van welken ik nog niets gezegd heb. De één word hier Haddok genoemd, en gelykt veel naar onze wyting, schoon een weinig grooter en witter van kleur. De andere draagt den naam van Separy, en gelykt naar de aschkleurige roch. Op het nageregt zag ik een vrucht, die in Surinamen den naam van Zurzaka draagt. Het is dezelfde, zoo ik meen, die wy in Engeland noemen Soursap. Dezelve groeit aan een boom van middelmatige grootte, waar van de schors grys is, en de bladeren gelyk zyn aan die van den oranje-boom, maar aan paaren gerangschikt. De vrucht is van eene spits toeloopende gedaante, en zwaarder, dan de grootste peer: over het geheel heeft dezelve punten, maar die niet steeken. Derzelver vleesch, het welk eene zeer harde schil rondom zig heeft, is van eene mergachtige zelfstandigheid, zoo wit als melk, van een zeer zoeten smaak met een aangenaam zuur vermengd, en zaad-korrels in zig bevattende, even als een groote appel. Men vindt ook een ander zoort van Zurzaka, [64] naar hop gelykende, maar die van geen gebruik is. Op het zelfde nageregt, hadden wy ook nog eene vrucht, Sabatille genaamd, welke aan een zeer zwaaren boom groeit, waar van de bladeren gelyk zyn aan die van den Laurier-boom. Deeze vrucht heeft de gedaante van eene zeer ronde persik; zy is van eene bruine kleur, en met een zeer zacht dons overdekt. Men zoude derzelver vleeschachtig gedeelte aanzien voor eene marmelade vol zaadkorrels; maar het is zoo zoet en laf, dat veelen het niet eeten kunnen.

Den 21sten, ontfingen wy onze soldye, maar in papieren geld, waar op wy een zeer merkelyk verlies leden. Ik ging oogenblikkelyk aan Mevrouw GODEFROY een bezoek geven; ik stelde haar al het geld ter hand, het welk ik in myn zak had, en niet meer dan veertig ponden sterling bedroeg. Deeze uitmuntende vrouw drong by my op nieuw, maar vrugteloos aan, dat ik mynen zoon en zyne moeder naar Europa zoude mede nemen. JOANNA was onverzettelyk. Zy bleef 'er by van niet te willen vertrekken, voor dat haare losprys volkomen was afbetaald. Wy hielden ons dus, als wilden wy ons lot met eene volmaakte onderwerping dragen; maar het geen wy 'er in ons eigen hart van ondervonden, laat zig gemakkelyker begrypen, dan beschryven.

Onze vaandels wierden, den 23sten, in groote plechtigheid aan boord gebracht. Het Fort Zelandia echter bewees aan dezelven geene de minste eer; men deedt geen enkelen kanon-schoot, en zelfs wierd 'er op de vestingwerken geen vlag opgeheist, het geen den Colonel FOURGEOUD een onëindigen spyt deedt. Hy moest het echter alleenlyk wyten aan zyne eigene achteloosheid; want hy had aan den Gouverneur geen behoorlyk bericht van zyn vertrek gegeven. Al het krygstuig en verdere goederen wierden ook ingescheept; en een Colonist, VAN HEYST genaamd, deedt, op zyne eigene kosten, drie honderd flessen wyn, vruchten, en onderscheidene eetbaare waaren, onder de soldaten uitdeelen.

Ik heb te meermalen van de gastvryheid en edelmoedigheid van de inwooners deezer Volkplanting gesproken. Ik ondervond 'er in dit oogenblik de blyken van, daar ik van myne talryke vrienden, versche en ingelegde vruchten tot mynen overtocht ontfing. Onder de laatstgemelden vond ik Papaijes, zynde de vruchten van den Papaijen-boom, het wyfje namelyk, want het mannetje brengt geene vruchten voort, Deeze boom groeit op tot de hoogte van byna twintig voeten. Zyne stam loopt recht, is vol merg, en door een gryzen schors omgeven; zyne bladeren maken aan den top een zoort van kroon; zy zyn uittermaten breed, getand, en bedragen slechts een getal van veertien of zestien. De vrucht groeit dicht by den top, en de bloem geeft eene aangenaame geur van zig. De Papaije, tot haare volwassenheid gekomen zynde, heeft de grootte en gedaante van een water-meloen; maar haar vleesch is harder en vaster, en in het begin groen zynde, word zy naderhand geel. Het binnenste gedeelte van dit vleesch is sponsachtig, zoet, en onëindig vol met korrels. Men snydt deeze vrucht in verscheiden stukken, wanneer zy volkomen ryp is; dan laat men ze koken, en zy heeft de zelfde smaak als Engelsche raapen; maar men bedient 'er zig voornamelyk van, om ze in suiker in te leggen, wanneer ze nog jong is, te gelyk met haare bloemen, die zeer geurig en zeer gezond zyn. Men had my ook ingelegde Gember gezonden; deeze is de wortel van een zoort van riet, het welk nooit hooger groeit, dan twee voeten, en waar van de bladen lang, smal en puntig zyn. Deeze wortels zyn knobbelachtig, plat gemaakt, klein, en van verschillende gedaanten, zeer veel gelykende naar aardäppelen, en ten naasten by van dezelfde kleur van binnen, maar vezelachtig, veel zuur in zig bevattende, en van een speceryächtigen en zeer heeten smaak. Men weet, dat deeze wortel niet alleen eene goede ingelegde fruit verschaft, maar ook in verscheiden gevallen een uitmuntend geneesmiddel.

Den 24sten July, toen wy zeilree lagen, gingen wy eindelyk gezamenlyk zyne Excellentie, den Gouverneur der Volkplanting, begroeten, die ons met de grootste beleefdheid ontfangende, aan onzen Oversten te kennen gaf, dat, indien hy dit oogenblik had afgewagt, om zyne vaandels aan boord te zenden, hy hun zekerlyk de eere bewezen zoude hebben, die hy hun ontegenspreekelyk verschuldigd was. Toen wy in het hoofdquartier waren te rug gekomen, zondt hy de gezamentlyke Officiers der Compagnie mede plechtig derwaarts; om ons eene gelukkige reize te wenschen. In alles wat plechtige wellevendheid betrof, was de Gouverneur ontwyffelbaar onzen Colonel ver voor uit; en ik had byna een hevigen twist met hem gehad, om dat hy aan zommigen zyner gunstelingen iets in het oor had gefluisterd. De Officiers vervoegden zig toen by de soldaten, die zedert den 18den waren ingescheept, en het deerniswaardig overschot deezer fraaie Zee-krygsbende bevondt zig nu eindelyk op een schip, het welk gereed lag, om des anderen daags naar Europa te stevenen. De vergenoegdheid blonk op aller aangezichten, één alleen uitgezonderd; en niets konde evenaaren aan de opgetogenheid van algemeene vreugde, toen men den volgenden morgen bevel gaf, om het anker te ligten, en in zee te steken.

Maar het lot had beschooren, dat de levendigste en meest gegronde hoop nog eenmaal vervallen zoude. Op het zelfde oogenblik van het vertrek, kwam een Schip de Rivier opzeilen. Het zelve bragt brieven mede, waar by onze krygsbende gelast wierd, zig weder in de bosschen te begeven, en in de Volkplanting te blyven, tot dat zy door nieuw krygsvolk, het welk men tot dat einde uit Holland zenden zoude, wierd afgelost. Men las vervolgens aan de soldaten, die op het dek van elk schip geschaard stonden, de oprechte dankbetuigingen voor van zyne Doorluchtige Hoogheid den Prins van Orange, voor den moed en standvastigheid, waar mede zy de grootste vermoeijenissen en schroomelykste gevaaren hadden doorgestaan. Maar dewyl hier op volgde het bevel om te ontschepen, en dien afgryzelyken dienst voort te zetten, bemerkte ik nimmer zoo veel neerslagtigheid, zoo veel misnoegen en wanhoop; terwyl ik, die tot op dit oogenblik een volmaakt ellendeling was geweest, op myn beurt de eenige was, wien de droefheid niet had ter nedergeslagen.

In het midden van dit droevig toneel, gelastte men een driewerf Hoezée, het geen de soldaten van één der schepen volstrekt weigerden. De Colonel SEYBOURG en ik (by ongeluk) kregen bevel, om hen daar toe te noodzaken. Deeze Officier, voor zoo veel hem betrof, deedt zulks met den stok in de hoogte, en het pistool in de hand. Zynen gramstoorigen en oploopenden inborst kennende, was ik thans voor de gevolgen hoogst beducht. Ik sprong oogenblikkelyk in de sloep, die op zyde van één der schepen lag; aldaar sprak ik de genen aan, die op het dek met het hoofd gebogen stonden, en ik beloofde twintig glazen brandewyn voor al het volk, indien zy dit droevig geroep wilden aanheffen. Vervolgens op het schip geklommen zynde, gaf ik aan den Colonel SEYBOURG bericht, dat alle de soldaten thans bereid waren aan zyne bevelen te gehoorzamen. Wy gingen dus weder in de sloep, en by ons heengaan, hadden wy het genoegen het driemaal herhaald geroep van Hoezée te ontfangen, het welk door de matroozen van goeder harten gedaan wierd, waar by zig eenige zee-soldaten voegden, maar op zulk een neêrslagtigen toon, dat het my onmogelyk is, zulks te beschryven.

De goedhartigheid van den Prins van Orange bleek echter op eene doorslaande manier by deeze gelegenheid, want hy gelastte, dat het geen deezen en geenen van het volk aan Artsen en Heelmeesters verschuldigd waren, uit de kas betaald zoude worden. Van hoe weinig aanbelang dit ook scheen, was dit geene kleinigheid voor verscheiden Officiers, en betoonde in zyne Doorluchtige Hoogheid eene oplettendheid, die men by de Vorsten niet altyd aantreft. Zy wisten bovendien allen, hoe veel deel hy in het leed van zyne soldaten nam; maar hy konde hen daar van niet bevryden, zonder het algemeen belang in de waagschaal te stellen.

Zoo al dit tegen-bevel ons volk met droefheid aandeedt, het gaf aan de meeste Colonisten een groot vermaak. De voornaamste derzelven hadden, eenige dagen te vooren, een verzoek-schrift aan den Colonel FOURGEOUD geteekend en aangeboden, waar by zy hem verzogten, "nog eenigen tyd met zyn volk te blyven, en het geen hy zoo roemryk begonnen had, te volvoeren, door by aanhoudenheid de muitelingen te ontrusten en te verstrooijen, het welk hun eindelyk geheel zoude t'onder brengen". Zekerlyk had onze krygsbende, gezamentlyk met het krygsvolk der Sociëteit en de Jagers, het grootste gedeelte van de bezittingen der muitelingen in de Volkplanting vernield, en hen genoodzaakt zoo ver heen te vluchten, dat de strooperyen en het wegloopen der slaven ongelyk veel zeldzaamer waren, dan by onze komst. Het was ongetwyffeld beter van dit middel gebruik te maken, dan eenen schandelyken vrede te sluiten, gelyk men met de Oucas- en Saraméca-Negers gedaan had, en waarschynlyk ook zoude plaats gehad hebben, indien men ons niet naar Guiana gezonden had.

Ik kan niet nalaten, tot bewys van het onbeschaafd character der laatstgemelden, een gesprek te verhalen, door my met één van hun gehouden, terwyl ons volk, alvorens weder te veld te gaan, zig te Paramaribo ophield. By den Capitain MACNEYL, die toen van zyne Plantagie in de Stad te rug kwam, ten eeten zynde, kwam een Capitain der Oucas-Negers, onze zoogenaamde bondgenooten, aan de vrouw van 't huis om geld vragen. Hy was zoo verveelend, dat ik in het Engelsch den raad gaf, "hem een glas wyn te geven, en hem weg te zenden". My gehoord hebbende, stelde hy my voor buiten te komen, en zyn stok met een zilvere knop oplichtende, vroeg hy my: "Of ik de heer van 't huis was; en zoo niet, waar ik my dan mede bemoeide"? "Ik ben", zeide hy, met eene donderende stem, "Capitain FORTUNE DAGO-SO; en indien ik u in myn Land by de Oucas had, ik zoude den grond met uw bloed bevochtigen". Ik antwoordde hem, myn sabel trekkende; "Dat myn naam STEDMAN was, en dat, indien hy nog eenmaal zulke onbeschaamde woorden dorst uitten, ik hem oogenblikkelyk een houw zou geven". Daar op kraakte hy met zyne vingers, en verliet ons. Ik was over dit voorval zeer te onvreden, en keurde zeer af, dat de Colonel FOURGEOUD aan zulke roovers zoo veel achting betoonde. Des avonds, ter maaltyd uitgaande, ontmoette ik den zelfden Neger, die eensklaps bleef staan, en my zeide: "Massera, gy zyt een man, een braaf man; wildt gy eenig geld aan Capitain FORTUNE geven"? Het op een barssen toon aan hem geweigerd hebbende, kustte hy my de hand, en vertoonde my zyne tanden, tot een blyk van verzoening, zoo hy my zeide; en hy beloofde my, om my pistache-nooten ten geschenke te zenden, die echter nooit gekomen zyn.

Schoon ons verblyf in Surinamen eenigen tyd verlengd wierd, konde onze dienst aldaar aan de Volkplanting van weinig nut meer zyn. Ons getal was byna tot niet versmolten, en hoe zwak het ook was, toen wy op nieuw ontscheepten, deedt men, op den 1sten Augustus, nog negen Officiers, en meer dan één honderd zestig ongeneeslyke of zieke soldaten, naar Holland vertrekken. Ik had toen de koorts, en de Colonel gaf my dienvolgende verlof om mede scheep te gaan; maar ik weigerde zulks, besloten hebbende, om, zoo mogelyk, het einde van deezen tocht te zien. Ik maakte echter van deeze gelegenheid gebruik, om eenige geschenken aan myne vrienden in Europa te zenden, bestaande in twee fraaije Papegaaijen, in twee Aapen van een zeer merkwaardig zoort, in eene voortreffelyke verzameling van fraaije Kapellen, in drie kistjens met ingelegde fruiten en vleesch, welken ik aan boord van het Schip Paramaribo deed brengen, en aan de zorge van den Sergeant FOWLER aanbeval, die ongelukkiglyk één van de zieken was, welken men naar Amsterdam zond.

De Majoor MEDLAR, die door vermoeienis ten eenemaal was uitgeput, vertrok toen ook naar Holland. Ik nam in zyne afwezigheid zynen post waar, en ik wanhoopte niet, om zelf t'eeniger tyd onze krygsbende te rug te brengen, indien het getal van onze Officiers dagelyks zoodanig verminderde. Onder de geenen, die overbleven, werden 'er egter twee gevonden, die moeds genoeg hadden een huwelyk te wagen, en ieder met eene Creoolsche weduwe trouwden.

Toen rust en stilte genietende, bekwam ik weder genoegzaame kragten, om my, den 10den, naar Mevrouw GODEFROY te begeven, aan wien ik myn verlangen te kennen gaf, om ten minsten JOHNNY STEDMAN vry te maken, en ik verzogt haar, dat zy, door zig voor de gewoone somme van drie honderd ponden sterling by den Raad tot borge te stellen, verklaaren wilde, dat hy nimmer tot last van de Volkplanting van Surinamen komen zoude. Maar zy weigerde het my stellig, schoon zy geen gevaar hoe genaamd te loopen had, en het een niets beduidende zaak was, alleenlyk om aan het voorschrift van de wet te voldoen. Ik konde niet nalaten daar over myne verwondering te betuigen, die nochtans ophield, toen ik vernam, dat deeze vrouw die zelfde gunst aan haaren eigen zoon geweigerd had.

Ik kan van de slavernye niet spreken, zonder my eene schuld te herinneren, welke ik aan den lezer nog niet heb afgedaan. Ik heb reeds eenige byzonderheden opgegeven omtrent de manier, op welke de slaven in dit Land verkogt en behandeld worden; maar ik gevoel, dat ik nopens dit onderwerp niet uitgebreid genoeg geweest ben, en ik verbeelde my voegzaam te zyn, dat ik alle de berichten, welken ik omtrent de Negers bekomen heb, mede deele. Ik vleije my zaaken te zullen vermelden, waar op men geene aandacht genoeg gevestigd heeft, of die tot hier toe slechts onvolkomen zyn verhaald geworden.

Ik begin met de kleur der Negers, en ik houde my verzekerd, zoo als ik reeds te vooren heb opgemerkt, dat zy geheel en al moet worden toegeschreven aan de brandende luchtstreek, waar in zy leven, en aan derzelver verhitten dampkring door die regelmatige winden, die over eindelooze zand-woestynen heen waaijen, alvorens zy tot eenig bewoond land komen. De Indianen van America, die onder denzelfden graad van breedte woonen, ontfangen deeze verkoelde winden in tegendeel door den Atlantischen Oceaan, en hebben eene koper-kleur; de inwooners van Abyssinië, die dezelven al mede ontfangen, na dat ze door de Indische Zee gematigd zyn, hebben geheel en al eene olyf-kleur. Zoo ook aan het noordelyk gedeelte van de groote Rivier van Senegal, verandert de kleur der huid van zwart tot bruin onder de Mooren, gelyk zy aan den zuidkant doet onder de Kaffers en Hottentotten: ik ben zelfs van gevoelen, dat de wolachtige hoedanigheid van het hair der Negers een uitwerkzel is van die zelfde oorzaak. Ik heb meer dan eens de opperhuid der Negers zien ontleden; zy is doorschynend en helder, maar tusschen dezelve en de waare huid, vindt men een dunne plaat of blad, dat volmaakt zwart is, en door strenge geesselingen of door het mes weggenomen zynde, eene kleur doet te voorschyn komen, niet minder dan die van de huid van een Europeaan.

Twee blanke Negers wierden in Surinamen, op de Plantagie Vossenberg, geboren van ouders, die volmaakt zwart waren. De eerste van dezelven was een meisjen, en wierd, in het jaar 1734, naar Parys gezonden; de tweede was een jongen, en wierd geboren in 't jaar 1738. In 't jaar 1794, heeft men in Engeland eene dergelyke vrouw gezien, genaamd EMILIA LEWSAM, wier kinderen, schoon zy met een Europeaan getrouwd was, allen Mulatten waren. De huid van diergelyke persoonen is zoo wit niet als de onze; zy gelykt naar een kryt-kleur: zoodanig is ook de kleur van hunne hairen. Hunne oogen zyn dikwils rood, [65] en zy zien naauwlyks in de heldere zonneschyn. Zy zyn tot geenerhande zoort van arbeid geschikt; en hunne verstandelyke vermogens beantwoorden doorgaans, zoo men my gezegd heeft, aan de zwakheid van hun lichaam.

De uiterlyke gedaante der Africaansche Negers is, van het hoofd tot de voeten, verschillende van die der Europeanen, schoon naar myne gedachten, en alle vooröordeel ter zyde gesteld, van geene mindere hoedanigheid. Hunne uiterlyke trekken, hunne platte neus, hunne dikke lippen, hunne bolle wangen, kunnen ons mismaakt schynen; en echter onder hen geheel anders beschouwd worden. Wy zyn genoodzaakt hunne zwarte en schitterende oogen, hunne witte reijen tanden te bewonderen. Een der voordeelen van de lichaams gesteldheid der Negers bestaat daar in, dat men onder hen nooit een kwynend en bleek persoon ziet, gelyk men zoo dikwils in Europa ontmoet. De rimpels, en andere gevolgen van den ouderdom, zyn by hen ook zoo zichtbaar niet, schoon ik echter toestemme, dat wanneer een Neger ernstig ziek is, zyne zwarte kleur eene aller onaangenaamste bleeke olyf-kleur bekoomt.

De Negers zyn zekerlyk meer dan wy geschikt tot oeffeningen, tot welken kracht van lichaam en knaphandigheid noodig is. Over het algemeen wel gespierd en sterk van romp zynde, zyn hunne uiterlyke ledematen fyner. Hunne borst is zeer schoon, maar zy hebben naauwe heupen. Hunne dyen zyn dik en sterk; zoo ook hunne armen, boven den elleboog; maar de gewrichten van hunne hand, en het onderste gedeelte van hunne beenen zyn zeer langwerpig. Derzelver krom gebogene gedaante moet men toeschryven aan de manier, op welke de moeder haar kind op den rug draagt. Zy verwydert de beenen des kinds van elkander, zo dat dezelve tegen haar midden drukken, het geen dit zoort van mismaaktheid veröorzaakt, waar mede het kind niet geboren is: bovendien leert zy aan het zelve het loopen niet, zy laat het in het zand en gras kruipen, en het staat niet over einde, dan wanneer het 'er kracht en lust toe heeft, het geen spoedig gebeurt. De houding der voeten wordt echter door deeze gewoonte zeer verwaarloosd, maar door middel van lichaams-oeffening en dagelyksche baden, verkrygt het kind die kragt en vaardigheid, welken alle de Negers in den hoogsten graad bezitten.

Zy hebben nog eene andere gewoonte, die, naar hunne gedachten, zeer veel tot bevordering van hunne sterkte en gezondheid toebrengt. In de twee eerste jaaren, dat de moeder haar kind zoogt, doet zy het zelve dikwils eene groote meenigte water inzwelgen, waar na zy het twee malen daags zeer sterk schudt: zy neemt het ook by een been of by een arm, en wascht deszelfs huid in de Rivier af. De meisjens worden op dezelfde wyze als de jongens opgevoed. Tot eenen zekeren ouderdom gekomen zynde, behoeven zy voor de mannen niet onder te doen, dan in grootte; zommige zelfs winnen het hun af, in het loopen, in het vechten met de vuist, in het danssen, in het zwemmen, en in het klauteren tot boven in de boomen. Op die wyze kan men, door eene geschikte opvoeding, een stam van Amazonen vormen.

Deeze sterk gespierde meisjens van de gezengde luchtstreek zyn merkwaardig door haare vruchtbaarheid. Ik heb eene slavin gekend, Esperanza genaamd, en tot de Plantagie van den heer DE GRAAF behoorende, die in drie jaaren en in drie kramen negen kinderen had ter weereld gebragt: de eerste keer vier; de tweede twee, en de derde drie. De Negerinnen baaren haare kinderen zonder moeite, en, even als de Indiaansche vrouwen, hernemen zy haare dagelyksche bezigheden op den dag van haare bevalling zelven. Geduurende de eerste week, zyn haare kinderen volstrekt als die van de Europeanen, uitgenomen echter, dat men in de jongetjens eene zwartächtige vlak op zeker deel van het lichaam ziet, waar na het in 't kort geheel en al van dezelfde kleur wordt. De meisjens komen vroegtydig tot jaaren van huwbaarheid, maar het is met haar, als met de vruchten van deeze luchtstreek, zy vallen schielyk af. Verscheiden Negers bereiken nogtans eenen hoogen ouderdom: ik heb 'er één of twee gezien, die meer dan honderd jaren oud waren; en de Londonsche Kronyk van den 5den October 1780 maakt melding van eene Negerin, LOUISA TRUXO genaamd, die toen te Cordua du Tucunna, in Zuid-America, leefde, en honderd vyf-en-zeventig jaaren oud was.

Vindt men in de sterf-lysten één enkelen Europeaan, die zulk een hoogen ouderdom bereikt had? En deeze vrouw had waarschynlyk, even als de andere slavinnen, haare jeugd in moeielyken arbeid doorgebragt.

Ik heb in het gestel der Negers deeze byzonderheid steeds opgemerkt, dat, daar zy geschikt zyn, om zwaaren arbeid in de heetste dagen van den zomer te volvoeren, zy niet minder koude en vochtigheid verdragen kunnen, beter dan een Europeaan, immers dan ik zelve op onze tochten doen konde. Zy slapen den geheelen nacht, naakt in het vochtig gras liggende, zonder dat 'er hunne gezondheid iets by lydt, terwyl ik zeer gelukkig was, met des morgens by myne hangmat vuur te hebben, en onze soldaten van huivering beefden, om dat zy 'er van verstoken waren. Honger of dorst, pyn of ziekte, verdragen zy met zoo veel lydzaamheid, als moed.

Ik heb hier vooren meer dan twaalf stammen van Negers genoemd, welken ik allen kenne door de verschillende teekenen, die de genen, welke tot deeze of geene stam behooren, op hun lichaam maken.—By voorbeeld, de Coromantyn-Negers, die de meest geachte zyn, hebben drie of vier sneden op elke wang.

De Loango-Negers, die het minst in aanzien zyn, onderscheiden zig, door verhevene en vierkante beeldtenissen, naar dobbelsteenen gelykende, op de armen, in de zyden, en op de dyen, te teekenen. Zy slypen ook hunne voortanden puntsgewyze, het geen hen vervaarlyk maakt. Alle hunne mannelyke kinderen zyn besneden, ten naasten by als die der Joden.

Onder de spelingen der natuur, behoort men te stellen het maakzel van een byzonder zoort van Negers, Accorys, of tweevingerige genaamd, die onder de Negers van Saraméca, aan het bovenste gedeelte der Rivier van dien naam, woonen. Zy, die dit volk uitmaken, zyn merkwaardig, uit hoofde van hunne allermismaaktste voeten en handen; de eerste hebben vier zeer lange toonen, en de andere alleenlyk twee vingeren, maar die naar de schaaren van een kreeft gelyken, of liever het voorkomen hebben, als of zy door eene branding of ander toeval, een lidteeken bekomen hadden. Deeze mismaaktheid zoude, wanneer zy zig tot een enkel persoon bepaalde, weinig verwondering baaren; maar het is ontwyffelbaar een vreemd verschynsel, wanneer men deeze byzonderheid in een geheel volk ontmoet. Ik heb twee van deeze Negers gezien, maar op eenen te verren afstand, om ze te kunnen afteekenen. Ik begeere my dus by deeze gelegenheid niet tot getuige op te werpen; ik verhaale alleen, wat my bericht is. De afteekening van een man, die voeten en handen van dit maakzel had, is aan de Maatschappy der wetenschappen te Haarlem gezonden. Ik heb daarënboven in een oud boek over de ontleed- en heel-kunde, aan my door den kundigen OWEN CAMBRIDGE van Twickenham bezorgt, een bericht gelezen, waar uit het my gegund zy het volgend uittrekzel op te geven.

"In 't jaar 1629, na de zitting van St. Michiël, bragt men van de plaats, alwaar de misdadigers ter dood gebragt worden, aan het Geneeskundig Collegie, een lyk, tot het doen van ontleedkundige vertooningen geschikt; en by toeval nam de bediende van het Collegie het lyk van eenen schelm, die den zoon van den heer SCOT, een heelmeester van goeden naam, in deeze stad, vermoord had. Zyn aangezicht had nog een woest voorkomen behouden. Zyne hairen waren zwart, gekruld, niet zeer lang, maar dik, en zwaar in één gevlochten: zyn voorhoofd was niet hooger dan een duim. Hy had groote en vooruit steekende wenkbrauwen, de oogen in hunne holte diep ingezonken, een kromme neus, met een bult of dikte aan de punt, en een weinig in de hoogte stekende. Eene zeer zwaare knevel bedekte zyne bovenste lip, maar aan de kin had hy slechts eenige harde en zwarte hairen; zyne onderste lip was drie maalen dikker dan gewoonlyk: zie daar de gedaante van zyn aangezicht. Zyne grootste mismaaktheid echter, die in de daad buitengewoon was, vertoonde zig aan zyne voeten, die beiden gespleten waren, maar niet op dezelfde manier. De rechte voet verdeelde zig in twee toonen, van vier tot vyf duimen lengte, even als die van elk ander mensch, maar zoo groot, dat de helft van dit gedeelte van den voet hem dragen konde; de nagels waren naar evenredigheid. De linke voet was insgelyks in het midden gespleten, maar deeze scheiding was ten hoogsten drie duimen lang. De helft naar de binnen-zyde had de gedaante van een grooten toon met een zeer zwaaren nagel, en gelykende naar die van dezelfde helft, aan den rechten voet; de buitenste helft bestond uit twee andere toonen, die zeer digt tegen elkander stonden. Ik heb gepast geöordeeld het gedrochtelyk maaksel van dit mensch te beschryven, na eene naauwkeurige beschouwing, in tegenwoordigheid van meer dan duizend lieden gedaan".

Ik weet weinig van de verschillende spraken der Africaansche Negers; echter zal ik eenige spreekwoorden van de Coromantyn-Negers, opteekenen, welken myn Neger QUACO, tot deeze stam behoorende, my heeft opgegeven: ik moet tevens aanmerken, dat de Negers hunne woorden zeer schielyk uitspreken, dezelven als uit de keel halende, het geen zig niet gemakkelyk op het papier laat beduiden. Zie hier deeze spreekwyzen met derzelver vertaaling: "Co fa ansyo, na baramon-bra: gaat naar de Rivier, en haal my water".—"My yery, nacomeda my: vrouw, ik heb honger".—Dit zy genoeg met opzigt tot de taal der Coromantyn-Negers, zoo als men die op de kust van Guinée spreekt.

De taal der Negers in de Volkplanting van Surinamen verstaa ik volkomen, want het is een zamenstelzel van 't Hollandsch, Fransch, Spaansch, Portugeesch, en vooral van het Engelsch, het welk 'er de grondslag van is, en waar van zy veel houden. Ik heb reeds gezegd, dat de eerste Europeanen, die deeze Volkplanting bezaten, luiden van onze natie waren; van daar koomt het waarschynlyk, dat de Negers zulk een byzonderen lust tot hunne taal hebben. In deeze gemengde taal, waar van ik reeds eene gedrukte spraakkunst gezien heb, eindigen de woorden doorgaans met een klinkletter, even als in de Italiaansche en Indiaansche taalen. Zy is zoo aangenaam, zoo welluidend, en zoo zacht, dat de Surinaamsche inwooners van den eersten smaak 'er zig meestäl van bedienen. Men kan over den aart der uitdrukkingen oordeelen door de volgende voorbeelden:—"Goed eeten, wordt uitgedrukt door de woorden swyty-mousso.—Buskruid: man sanny.—Ik zal u met al myn hart, en zoo lang ik leef, beminnen: my saloby you, lango alla my hatty, so langa me lyby.—Een aangenaam verhaal: ananassy tory.—Ik ben zeer droefgeestig: me hatty brun.—Leef lang, zoo lang, dat uwe hairen wit worden als catoen: leby langa, tay-tay, ta-y you wyry tam wity liky caton.—Klein: pyky.—zeer klein: pykinini.—Vaarwel! ik sterf, ik ga tot mynen God: adiossoo, cerroboay, my de go dede, me de go na my gado". Men kan in deeze taal verscheiden woorden van bedorven Engelsch opmerken, welker gebruik men in de hoofdstad begint agter te laten, maar die altyd op de afgelegene Plantagiën gebruikt worden: by voorbeeld, ik heb eene oude Negerin van de Plantagie Goed-Accord aan de Cottica hooren zeggen: "We lobee fo lebee togeddere", om daar mede te kennen te geven, wy houden veel van met elkander te leven; en om dit zelfde denkbeeld te Paramaribo uit te drukken, zeide men, "way louko fortanna marandera".

Het gezang der Negers is, zoo als dat der vogelen, welluidend, maar zonder maat. Dikwils voeren zy een zoort van gezang op de volgende wyze uit: één van hun geeft eerst een spreuk op, vervolgens zingt hy die, en alle de anderen herhalen zulks gezamentlyk; dit afgeloopen zynde, geeft men eene andere op, zingt en herhaalt die op dezelfde wyze.

Op die manier zingen de roeijers der vaartuigen, en zy houden 'er vooral veel van zulks by maaneschyn te doen. Dit gezang onder hun roeijen moedigt hun aan, en men hoort het op een vry verren afstand.

Het is bewezen, dat de Negers, wanneer zy eene goede opvoeding ontfangen hebben, voor eene groote kieschheid van het gehoor vatbaar zyn, en zig op de dichtkunst kunnen toeleggen. Onder de genen, die in dit zoort van letteroeffeningen uitmuntten, behoort men vooral te tellen PHILLIS WHEATLYE, een slaaf te Boston, in Nieuw-Engeland, die de Latynsche taal leerde, en agt-en-dertig dichtstukken over verschillende onderwerpen zamenstelde, die zeer cierlyk zyn, en in 't jaar 1773. in 't licht kwamen.

De sentimenteele brieven van Ignace Sancho, een Neger in dienst van den Hertog van Montagu, zyn zeer bekend, en zouden de pen van een Europeaan niet ontcieren. Wat de gave van het geheugen en van rekenen betreft, om te bewyzen, dat de Negers dezelve in den hoogsten graad bezitten, zal ik hier een brief bybrengen, door Dr. RUSH uit Philadelphia aan één van zyne vrienden te Manchester gezonden.

"Met eenige inwooners van deeze stad reizende, en Maryland doorkruissende, zegt de Doctor, hoorden wy spreken van de wonderbaarlyke gevatheid in de rekenkunst, waar mede een Neger, THOMAS FULLER genaamd, begaafd was; en wy lieten hem by ons komen. Iemand van het gezelschap vroeg hem, hoe veele maanden, weken en dagen een man van zeventig jaaren oud geleefd had? Hy beantwoordde de vraag in anderhalve minuut. Die hem de vraag had voorgesteld, nam de pen op, maakte de berekening, en zeide hem, dat hy zig zekerlyk vergist had, en dat het door hem opgegeven getal te hoog was. Neen, Massera, antwoordde de Neger hem wederom, dit koomt, dat gy vergeten hebt de schrikkel-jaaren te berekenen. Wanneer de Americaan vervolgens de minuten berekende, welke in deeze getallen begrepen waren, kwam zulks juist uit met het getal van FULLER. Die zelfde Neger vermeenigvuldigde, by eene andere gelegenheid, uit zyn hoofd, negen cyffergetallen met negen andere". Ik heb 'er één gekend, die den Alcoran van buiten kende. Welk een vermogen in menschen, die noch lezen, noch schryven geleerd hebben! Alle deeze verhaalen zyn met dit al volkomen echt.

By het geen ik omtrent de Godsdienstige gevoelens der Negers heb bygebragt, kan ik nog voegen, dat zy het aanzyn van een God vastelyk gelooven: in wiens goedheid zy hun vertrouwen stellen, wiens magt zy aanbidden, en wien zy een gedeelte van alle hunne levensmiddelen opofferen. Zy vreezen den dood niet. Aan de Rivieren Gambie en Senegal zyn zy byna allen van den Mahomedaanschen Godsdienst. Maar de Godsdienstige leere en plechtigheden der Africanen verschillen over het algemeen, even als de bygeloovige en tallooze gebruiken van alle de wilden, en zelfs van te veel Europeanen. Opgemerkt hebbende, dat zy gewoon waren aan den wilden Catoen-boom offerhanden te doen, [66] vroeg ik aan een ouden Neger, waarom men aan denzelven deeze eer bewees. "Massera, zeide hy my, zie hier de reden. Dewyl wy geen tempel hebben, om onzen Godsdienst in te oeffenen, en deeze boom de grootste en schoonste is, die op de kust van Guinée groeit, verzamelen zig onze landslieden onder zyne takken, die hen voor de hitte der zon en voor den regen beveiligen, om aldaar onzen Gadoman, of Priester te hooren prediken. Wy hebben voor dien boom zulk een eerbied, dat men dien nooit om ver hakt, om welke reden het ook zy".


Back to IndexNext