'Er is geen volk, het welk meer bygeloovigheid heeft, dan de Negers. Hunne Locomen, of zoogenaamde Propheten, vinden 'er hun belang by, met dezelve aan te zetten. Zy verkoopen hun, gelyk ik reeds gezegd heb, hunne obias, of tooverbanden, en trekken 'er groot voordeel van. De Negers hebben ook een zoort van Sybillen, die Godspraken uitgeven. Deeze statige vrouwen danssen in het rond te midden van een talryk gezelschap, en met eene groote vlugheid, tot dat haar het schuim op den mond staat, en dat zy in stuiptrekkingen vervallen. Al wat zy in deezen aanval gelasten, moet door de omstaande meenigte heiliglyk worden naargekomen. Deeze magt maakt haar zeer gevaarlyk; want dikwils gelasten zy aan de slaven, om hunne meesters te vermoorden, of van de Plantagiën weg te loopen, en in de bosschen de wyk te nemen. Deeze toneelen van bygeloovigheid zyn derhalven, in de Surinaamsche Volkplanting, onder bedreiging van zwaare straffen, by de wetten verboden. Met dit al grypen zy op afgelegene plaatsen dikwils stand. Zy zyn onder de Oucas- en Saraméca-Negers zeer gemeen, en de Capitains FREDERIK en VAN GUERICK hebben my verzekerd dezelven te hebben zien uitoeffenen. Men noemt ze hier wynty-play, of Syrenen-danssen, en zy hebben van onheuchelyke tyden plaats gehad. Men weet, dat de oude Schryvers van zoortgelyke dwaasheden dikwils melding maken.
Maar het vreemdste is, dat deeze Sybillen, door de klank van haare stem, den Ammodite- of Papaw-slang [67] weten aan te lokken, en hem uit den boom te doen vallen. De Negers dooden hem niet, noch brengen hem immer eene wonde toe; zy beschouwen hem integendeel als hunnen beschermer en vriend, en zy achten zig zeer gelukkig, wanneer hy in hunne hutten koomt. Wanneer eene Sybille der Negers deezen slang bezworen heeft, of hem uit den boom naar beneden doet komen, ziet men doorgaans, dat dit dier zig om den arm, de borst, en den hals van deeze vrouw slingert, als of hy in het hooren van haare stem behagen schepte, en te gelyker tyd vleit en streelt zy hem met de hand. De heilige Schryvers spreken, op verscheiden plaatsen, van het vermogen, om de slangen en adders te betooveren, het welk ik hier alleenlyk bybrenge, om de oudheid van dit gebruik te bewyzen; en het is bekend, dat de Oost-Indische volken de meest vergiftige slangen door het geluid van eene fluit, die hen uit hunne schuilhoeken doet te voorschyn komen, uit de huizen weten te jagen. Het is nog maar weinige jaaren geleden, dat eene Italiaansche vrouw te London drie makke en gemeenzame slangen vertoonde, die zig ook om haare armen en hals slingerden; zy waren vier of vyf voeten lang, maar hadden geen vergif in zig.
Ik moet nog een ander bewys van de bygeloovigheid der Negers aanhalen. In elk huisgezin is een verbod, het welk van vader tot zoon overgaat, om het vleesch van het een of ander dier, het zy vogel, viervoetig dier, of visch, niet te eeten; het geen op die wyze verboden is, noemen zy treff, en zy proeven 'er nooit van.
Hoe belachelyk ook zommige van deeze plechtigheden mogen voorkomen, zy zyn hoogst noodzakelyk, om de Negers in onderwerping te houden. Deeze ongeletterde menschen verschillen daar in van de Europeanen, dat zy vast zyn in hun geloof, hoedanig het zelve ook zyn moge, en dat geene twyffelingen hen daar van immer te rug houden. Ik wil echter daar uit niet beslissen, of zy erger of beter zyn.
De Negers zyn omtrent elkanderen zoo welwillend, dat men hun niet behoeft te zeggen:—"Bemint uwen naasten als u zelven.". De armste, onder hen, al heeft hy maar één ey, zal het met allen, die 'er tegenwoordig zyn, verdeelen. Het zelfde zal hy doen met het kleinste glaasjen rhum; maar vooraf zal hy eenige droppels op den grond sprengen, by wyze van wyn-plenging.
Zoo al de wilde volken doorgaans veel edelmoedigheid en goede trouw bezitten, zy hebben ook hunne gebreken, waar onder eene groote wraakzucht gevonden wordt. De grootte van deeze hartstocht in de Negers staat gelyk met die van hunne gevoelens van dankbaarheid; en ik kenne 'er geen één, die aan een ander de hem aangedaane belediging vergeven heeft. Men kan van hun zeggen, dat hunne vriendschap zoo teederhartig, als hunne haat onverzoenlyk is. Even als alle barbaarsche volken, geven zy zig aan verschrikkelyke wreedheden over.
In den laatsten opstand, die in de Volkplanting de Berbices is voorgevallen, ging hunne woede zoo ver, dat zy de vrouwen hunner meesters, schoon zwanger zynd, en in tegenwoordigheid van hunne echtgenooten vermoordden. [68] De Accawaws-Negers zyn niet minder dan zy op de konst, om door vergif om te brengen, afgericht. Zy verbergen het vergif onder hunne nagels, en door slechts den vinger in een glas met water te steken, veroorzaken zy eenen langzamen, maar zekeren dood. [69] Geheele huisgezinnen, en zelfs alle de inwooners van eene Plantagie, hebben de gevolgen van hunne wraakzucht ondervonden. Dit ging eindelyk zoo hoog, dat zy tachtig slaven, derzelver ouders en vrienden, deeden omkomen, om hunne meesters van dit gewichtig gedeelte van hunnen eigendom te berooven. Deeze monsters dragen den naam van wissy-men, het welk misschien koomt van het woord wise (wys); en door dit helsch middel helpen zy een groot aantal slachtöffers van kant, langen tyd voor dat zy ontdekt worden.
De barbaarsche volken, schoon van de voordeelen der opvoeding beroofd, hebben nochtans verwarde denkbeelden van eigendom: dus moet men zig niet verwonderen, dat slaven, die in hun persoon de duidelykste schending van alle recht ondervinden, aangezet worden, om zig deswegens schadeloos-stelling te bezorgen. Die van de Plantagiën zyn al te zeer aan dieverye overgegeven, en plunderen alles, wat onder hun bereik koomt, wanneer zy hope hebben, om het straffeloos te kunnen doen. Men kan ook aan hunne onmatigheid, vooral aan die in den drank, geene palen stellen. Ik heb eene jonge Negerin een kom, waar in ik twee flessen wyn geschonken had, achter een zien uitdrinken.
Van de Negers van den stam van Gango, wordt gezegd, dat zy uit een geest van wraakzucht, even als de Caraïben, menschen-eeters zyn. Na het innemen van Boucou, vondt men, in de huizen der muitelingen van deezen stam, potten vol met menschen-vleesch, die nog op het vuur stonden. De nieuwsgierigheid drong een Officier, om deeze afschuwelyke kost te proeven, en hy verklaarde, dat dusdanig vleesch niet minder was, dan ossen- of varkens-vleesch.
De heer WANGILLS, een Americaan, die in het binnenste van Africa zeer diep is doorgedrongen, heeft my naderhand verzekerd, dat hy in eene stad of gehucht van dit Land gekomen was, alwaar armen, dyen en beenen van menschelyke schepsels zoo openbaar te koop lagen, als het vleesch by onze vleeshouwers ligt. JOHN KEENE, Capitain in dienst van de Compagnie van Sierra-Leona, heeft my stellig gezegd, dat hy zig met zyn schip op de Africaansche kust bevindende, om hout, yzer en goud-poeder in te nemen, de Capitain van het schip Nassau, genaamd DUNNINGEN, met alle zyne manschappen vermoord wierd. Hunne lyken wierden vervolgens in stukken gehakt, ingezouten en opgegeten door de Negers van den grooten Drevin, omtrent dertig mylen ten noorden van de Rivier van St. Andreas. Deeze zelfde menschen-eeters namen toen al het koper van het schip weg, en staken vervolgens het schip zelve in brand.
Na de gebreken van het character der Negers te hebben aangewezen, is het billyk, dat ik ook hunne goede hoedanigheden en deugden schetse.
Ik heb reeds van hun vernuft en dankbaarheid gesproken; de laatstgemelde gaat zoo verre, dat zy zig voor de genen, die hun eenige byzondere weldaad bewezen hebben, aan doods-gevaaren zouden bloot stellen. Niets overtreft de genegenheid, dien zy voor hunnen meester hebben, wanneer deeze hen met goedheid behandelt; waar uit blykt, dat hunne genegenheid even sterk is, als hunne haat. De Negers zyn over 't algemeen gevoelig, maar vooral de Coromantyn- en Nago-Negers. Zy zyn vatbaar voor liefde; en de jaloersheid brengt in hun hart de vreesselykste gevolgen voort. Hunne ingetogenheid verdient hier genoemd te worden; want geduurende verscheiden jaren, dat ik onder hen verkeerd heb, herinner ik my niet 'er ooit één in 't openbaar eene vrouw te hebben zien kussen. De Negerinnen hebben eene ongemeene liefde voor hunne kinderen. Geduurende de twee jaaren, dat zy dezelven zoogen, houden zy geene gemeenschap met hunne mannen. Zy zouden het zig zelven verwyten als eene onnatuurlyke zaak, tot nadeel haarer zuigelingen strekkende. De zindelykheid der Negers is zeer opmerkelyk. Zy baden zig ten minsten drie maalen daags. Die van de stam van Congo in 't byzonder zyn zulke liefhebbers van het water, dat men hen, met eenig recht, halfslachtige dieren zoude kunnen noemen.
De Negers zyn moedig en geduldig in tegenspoed. Zy trotseeren de pynigingen en den dood met eene onverschrokkenheid, die zonder weêrgaa is. Hun gedrag in de neteligste omstandigheden gelykt naar heldenmoed. Zy laten geene klachte hooren, zy loosen geen zucht, men hoort van hun geen gekerm, zelfs wanneer zy in 't midden der vlammen hun leven laten. Ik heb nimmer een enkelen gezien, die, om welke reden het ook wezen mogt, tranen storte; en echter bidden zy met den sterksten aandrang om genade, wanneer men hen veröordeelt, om gegeesseld te worden voor misdryven, welken zy erkennen; maar indien zy vermeenen de kastyding niet verdiend te hebben, maken zy zig zelf byna oogenblikkelyk van kant. Die van den stam der Coromantyn-Negers, geven zig voornamelyk aan deeze daad van wanhoop over. Het gebeurt dikwils, dat zy, by de uitvoering der straf, hun hoofd agter over gooijen, om hunne tong in te slikken, hetgeen hen oogenblikkelyk doet versmooren; en zy vallen dood voor de voeten hunner meesters neder. Maar wanneer hun geweten hun overtuigt, dat hunne straf rechtvaardig is, zyn zy gedwee, en onderwerpen zig met gelatenheid aan hun lot. Men heeft zedert kort in Surinamen het zeer menschelyk middel uitgevonden, om te beletten, dat zy zig zelven niet versmooren, gelyk ik zoo even verhaalde, door hun een aangestoken stroo-fakkel voor den mond te houden, waar door het dubbeld oogmerk bereikt wordt, om hun het gezicht te blakeren, en hunnen aandacht van een dergelyk ontwerp af te trekken. Zommigen nemen hun toevlucht tot een ander middel: zy eeten aarde; het geen hunne maag belet derzelver gewoone werkingen te doen, en zy eindigen dus hun leven zonder pyn, maar kwynende zomtyds meer dan een jaar in eenen staat van ongemeene zwakheid. De wetten hebben tegen deeze aard-eeters de gestrengste kastydingen vrugteloos vastgesteld, want men ontdekt hen zeldzaam, wanneer zy deeze misdaad aan zig zelven begaan.
Na deeze algemeene aanmerking omtrent de natuurlyke en zedelyke vermogens der Negers, zal ik hen thans beschouwen in den staat van slavernye, en aan de yzere roede van eene verschrikkelyke dwingelandye onderworpen. Vervolgens van dit afgryzelyk toneel afstappende, zal ik aantoonen, wat zy zyn onder rechtvaardige, menschlievende en gevoelige meesters.
Men herinnert zig ongetwyffeld, het geen ik van hun gezegd heb, wanneer zy van de kust van Guinée aankomen, en in welken zwakken en elendigen staat zy zig dan bevinden. Ik heb ook doen opmerken, dat zy spoedig hunne lyvigheid weder bekomen, en dat men hun aan de zorge van eenen ouden slaaf toevertrouwt, die hun de taal der Volkplanting leert. Zoo verre gevorderd zynde, zendt men hen naar het land om te werken, waar aan zy zig met genoegen onderwerpen, schoon ik eenige voorbeelden van nieuwlings ingevoerde Negers gezien heb, die zulks weigerden, in weêrwil van de beloften, gebeden, bedreigingen, en slagen zelfs, tot welken men toevlucht nam, om 'er hen toe te dwingen; maar deeze waren Vorsten of persoonen van aanzienlyken rang in hun vaderland, die door de lotgevallen van den oorlog tot den staat van slavernye vervallen waren, en wier verheven gevoelens hun den dood deeden verkiezen boven de vernedering en de ellenden der slavernye. By verscheiden gelegenheden van dien aart, heb ik andere slaven op de kniën zien vallen, en hunne meesters smeeken, dat zy de taak van den gevangen Prins of hoogen persoon by hunne taak voegen wilden; het geen men hun zomtyds toestond, en zy bewezen hem bestendiglyk den zelfden eerbied, als of hy in zyn eigen Land was. Ik herïnner my, dat ik eens, om my voor een oogenblik te dienen, eenen Neger gehad heb van een zeer goed voorkomen, en die kortlings ontscheept was, wiens gewrichten aan de handen en enklaauwen door ketenen ontveld waren. Ik vroeg 'er hem de reden van.—"Myn vader", antwoordde hy my, "was Koning, en wierd door de zoons van een nabuurig Vorst verraderlyk vermoord. Zynen dood trachtende te wreeken, ging ik met zommigen van de mynen dagelyks ter jagt, in de hoop van zyne moorders te ontmoeten; maar ik had het ongeluk om verrast en geketend te worden; van daar komen die schandelyke lidteekens, welken gy ziet. Men verkocht my vervolgens aan uwe landgenooten op de kust van Guinée, eene straf, die voor verschrikkelyker gehouden wordt, dan de dood zelve".
De geschiedenis van mynen Neger QUACO was nog zonderlinger.—"Myne ouders", zeide hy my, "leefden van hunne jagt en visscherye. Men ligtte my, nog zeer jong zynde, op, terwyl ik met twee van myne broeders in het zand speelde. Dadelyk stak men my in een zak, en vervoerde my verscheiden mylen ver. Ik wierd vervolgens één der slaven van eenen Koning op de Guineesche kust, die een aanzienlyk getal bezat. Toen hy stierf, onthoofde men 'er het grootste gedeelte van, en begroef dezelven met hem. De kinderen van myne jaaren wierden onder de Capitains van zyn leger ten geschenke gegeven; en de Capitain van een Hollandsch Schip kogt my voor een snaphaan, en een weinig buskruid".—Elk mensch bemint zyn geboorte-land, hoe hard de wetten 'er ook wezen mogen.
Zoo dra deeze ongelukkige vreemdelingen met minder yver beginnen te arbeiden, worden zweepen, bulle-peesen, bambous-rieten, touwen, yzers en ketenen te werk gelegd, om hen vlugger te maken. 'Er zyn meesters, die hen nacht en dag bezig houden, zonder zelfs de zondagen uit te zonderen. Ik herïnner my, dat een jong en zeer sterk Neger, MARQUIS genaamd, die een vrouw en twee lieve kinderen had, welken hy teederlyk beminde, zynen arbeid met zoo veel yver doorzette, dat hy des namiddags ten vier uuren met het graven van een sloot of greppel, van vyf honderd voeten lang, geëindigd had, om tyd te hebben tot het bebouwen van zynen kleinen tuin, of te gaan visschen, of vogelen te vangen, tot onderhoud van dit zyn geliefd huisgezin. Zyn meester, dit vernomen hebbende, bewees hem, om hem aan te moedigen, dat wanneer hy voor vier uuren vyf honderd voeten had kunnen afgraven, hy 'er zekerlyk voor zonnen ondergang zes honderd zoude hebben kunnen volëinden. De ongelukkige keerel wierd vervolgens verwezen, om dagelyks dien taak af te werken.
De slaven loopen in Surinamen byna naakt, en hun dagelyks voedzel bestaat in eenige ignames en vruchten van Plantain-boomen. Misschien twee maalen 's jaars, krygen zy een middelmatig rantsoen van gezouten visch, en eenige bladen tabak, het geen zy sweety mouffo noemen; en dit is het ook al. Maar het ondraaglykste voor hun is, dat ofschoon een Neger en zyne vrouw voor elkander de grootste genegenheid hebben, de laatstgemelde, indien zy wat mooy is, de walgelyke omhelzingen van eenen overspeeligen en onbeschaamden Opzichter zig moet laten welgevallen, zoo zy haaren man, zulks trachtende te beletten, niet wil zien in stukken houwen. Deeze onwaardige behandeling heeft hen dikwerf tot de geweldigste wanhoop vervoerd, en tot een groot getal moorden gelegenheid gegeven.
Uit hoofde van eene zoo groote opéénstapeling van onheilen, is de zelfsmoord onder de Negers gemeen; dikwils loopen zy weg naar de bosschen, om zig met hunne muitende landgenooten te vereenigen; of zoo zy al de vlucht niet nemen, worden zy mistroostig, en krygen kwynende ziekten, ten gevolge van de mishandelingen, die hun worden aangedaan. Deeze ziekten zyn de lota, bestaande in eene scheurbuikige en witte vlak over het geheele lichaam:—De crassy crassy, of schurft, die by hun, even als by de Europeanen, voortspruit uit slecht voedzel, en onder hen zeer gemeen is:—De yaws, welke ziekte veelen gelyk stellen met de venus-ziekte, en waar door het geheele lichaam met geele zweeren wordt overdekt; de meeste Negers zyn 'er aan onderworpen, maar zy worden 'er slechts eenmaal in hun leven door aangetast; eene byzonderheid, die, wanneer men 'er by voegt, dat de kwaal ligtelyk aan anderen wordt medegedeeld, dezelve eenigermaten gelyk stelt met de kinderpokjes. Deeze besmettelyke hoedanigheid is zoo groot, dat indien eene enkele vlieg, die zig op den zieken nederzet, (en by is 'er als mede bedekt) zig op de ligtste ontvelling der huid van iemand, die volmaakt gezond is, plaatst, zy hem met dit verschrikkelyk vergif besmet, waar van de gevolgen zig verscheiden maanden lang doen gevoelen. Men geneest deeze ziekte doorgaans door kwyling en een goeden levensregel, gepaard met eene aanhoudende beweging, die eene overvloedige uitwaasseming te weeg brengt; en zoo lang die geneezing duurt, is de zieke ongemeen mager.
De boassy, of melaatsheid, is nog veel verschrikkelyker, en men beschouwt dezelve als ongeneeslyk. Het aangezicht en de ledematen zwellen in deeze ziekte op, en het geheele lichaam is vol met zweeren. De adem heeft een ondragelyken stank; de hairen vallen uit; de toonen en vingers verrotten, en vallen vervolgens lid voor lid af. Het ongelukkigste van allen is bovendien, dat de ellendeling, die door deeze ongeneeslyke kwaal wordt aangetast, zomtyds verscheiden jaaren lang kwynen kan. Dewyl de melaatschen van natuure tot het minnespel genegen zyn, en hunne ziekte besmettelyk is, moet men hun alle gemeenschap verbieden, en hen veröordeelen tot een altoosduurende ballingschap op den een of anderen hoek der Plantagie.
De clabba-yaws of tubboes zyn ook eene deerlyke en ellendige ziekte, die pynlyke zweeren veröorzaakt aan de voeten, voornamelyk aan den bal van den voet, tusschen vel en vleesch. Het gewoon middel in dit geval bestaat hier in, dat men het aangestoken deel met een gloeiend yzer brandt, of met een dun lancet doorvlymt; alsdan laat men op de wonde zeer warm sap van citroen loopen, het geen wel zeer gevoelig, maar van een zeer groot geneezend vermogen is.
De Negers zyn ook onderworpen aan ziekten van uit- en inwendige wormen, het welk by hun veröorzaakt word door het gebruik van modderig water, waar in die wormen huisvesten, of door de rauwheid van hun voedzel. Een der voornaamsten wordt genoemd Lindworm: zynde wormen zomtyds van zes voeten lengte, van eene schitterende zilver witte kleur, en niet veel dikker, dan de tweede snaar van een bas-viool. Zommige wormen plaatsen zig tusschen vel en vleesch: zy veröorzaken gevaarlyke en pynlyke zwellingen overal waar zy inkomen, en vooral aan de beenen. Het middel, om deeze kwaal te geneezen, bestaat daar in, dat men den worm, wanneer hy boven de huid uitkoomt, by den kop neemt, en hem 'er geheel en al uittrekt, hem, om zoo te spreken, op een kaart of stokjen windende. Dit kan men met niet te veel omzichtigheid doen, want zoo de worm breekt, is het verlies van het lid, of zelfs van het leven, 'er dik wils het gevolg van. Zommige lieden zyn met zeven of agt van die wormen te gelyk gekweld.
Behalven deeze ziekten, die hun byzonder eigen zyn, zyn de Negers bovendien onderworpen aan die ziekten, welken de Europeanen gewoonlyk ondervinden, die op hun beurt van de opgegevene gevaarlyke en pynlyke kwalen in Guiana niet ontheven zyn.
Het is dus niet te verwonderen, dat de Plantagiën zulk een groot aantal zieken opleveren; men laat hen eeniglyk over aan de zorge van eenen Dressy-Negro, of Heelmeester der Negers, wiens geheele kundigheid bestaat in het toedienen van eenige zouten, of het smeeren van eenige pleisters. Zy, die door aanhoudende geesselingen van het hoofd tot de voeten zyn van één gereten, kunnen zig zelven genezen, of zonder huid arbeiden, zoo hun dit gelieft.
Van alle deeze opéénstapelingen van ellende, waar van zommige natuurlyk uit de luchtstreek, en het slegt voedzel der Negers, maar vooral uit de onbetamelyke wreedheid der Opzigters voortspruiten, is het gevolg, dat een groot getal slaven buiten staat is om te werken, de één door eene geheele en schielyke uitputting hunner kragten, de ander door eenen te vroegtydigen ouderdom: maar de dwingeland eener Plantagie vindt voor hunne kwaalen een onfeilbaar hulpmiddel, het geen niet minder is, dan hen met eenen slag dood te slaan: dit verlies raakt hem niet meer dan zynen meester. Hy is alleen nayverig omtrent de geenen, die zig van hunnen taak kwyten kunnen; hy verzekert, dat de anderen gestorven zyn, de meesten van de venus-ziekte, en geen Neger is bevoegd, om getuigenis tegen hem te geven. Indien echter eenig Europeaan den moord bewees, zoude de schuldige vry zyn, gelyk ik reeds heb opgemerkt, met eene boete van vyftig ponden sterling, en met den eigenaar schadeloos te stellen, zoo deeze zulks begeerde. Voor deezen bloedprys kan hy elken slaaf, die onder zyne magt staat, en het ongeluk heeft zyne woede gaande te maken, opöfferen.
Een Opzigter kan bovendien duizende listen te baat nemen, om het bewys van zyne schuld te ontduiken. Ik heb 'er een gekend, die zig van eenen Neger willende ontdoen, hem op de jagt mede nam, en hem gelastte het wild op te jagen: zyn eerste snaphaanschoot raakte deezen ongelukkigen, die dood ter neder viel. Dit wierd een toeval genoemd, en men deed 'er geen het minste onderzoek naar. Een ander kwam op de volgende wyze om.—Men stak een houten paal op het midden van eene groote vlakte in den grond; men bond 'er den slaaf aan vast in de hitte van eene brandende zon, en men gaf hem, om het leven te behouden, niet meer dan ééne banane en één glas water daags, tot dat hy stierf. De Opzigter beweerde, dat dit niet door den honger veröorzaakt was, om dat men hem altyd eeten en drinken gebragt had; dus wierd hy met eere vry gesproken.
Men heeft dikwils een ander middel gebezigd, om eenigen van deeze ongelukkige slaven straffeloos van kant te helpen. Het bedoeld slagtöffer wordt naakt aan een boom in het bosch gebonden, met de armen en beenen uitgestrekt, onder voorwendzel van hem dezelve wat losser te maken; men laat hem aldaar, en geeft hem op bepaalde tyden te eeten, tot dat hy, door het steken der muggen of andere insecten, het leven verloren heeft. Men verdrinkt de Negers ook wel, door hun, met een keten aan de voeten, in 't water te werpen, en dit noemt men ook een toeval!
Het is zeer zeker, dat verscheiden, op last van eene vrouw, op houtstapels geketend zynde, zyn van kant geholpen. De straf om hun de tanden uit te trekken, alleenlyk wegens het proeven van het door hem bewerkte suiker-riet, hun den neus te klooven, of de ooren af te snyden, om onderlinge kyvagiën, is van te weinig aanbelang, dan dat wy daar van zouden behoeven te spreken.
Zulk eene wreede mishandeling doet zomtyds in den geest van deeze ongelukkigen zulk eene moedeloosheid geboren worden, dat zy, om hun rampzalig leven te eindigen, en zig op eenmaal van zulk eene verschrikkelyke slavernye te ontheffen, zig zelven in de ketels werpen, waar in men het sap van het suiker-riet laat koken, daar door een middel vindende, om hunnen geweldenaar van hunnen persoon en van een gedeelte van zynen oogst te ontzetten.
Is het derhalven, na zulk eene behandeling, wel te verwonderen, dat geheele benden van slaven zig in de bosschen verzamelen, en alle gelegenheden waarneemen, om hunne wraakzucht te koelen?
Ik zal deeze aandoenlyke berichten eindigen met eene algemeene aanmerking, tot bewys, hoe veel nadeel de bevolking door zulke wreedheden lydt.
Ik heb gezegd, dat 'er in Surinamen 75,000 Neger-slaven zyn. Indien men daar van aftrekt het getal der oude lieden van beiderlei kunne, en der kinderen, zullen 'er niet meer dan 50,000 overblyven, die tot werken geschikt zyn. Het getal der schepen, die jaarlyks elk 250 of 300 Negers invoeren, wordt op zes tot twaalf gesteld. Men kan dus de jaarlyksche invoering berekenen op 2500 slaven, die noodig zyn, om de gemelde 50,000 voltallig te houden. Het getal der dooden nu gaat jaarlyks dat der geboorten ten beloope van 2500 te boven, schoon elke Neger eene vrouw heeft, en zelfs twee, zoo hem dit goeddunkt; het geen over het geheel juist uitmaakt vyf ten honderd, en gevolgelyk bewyst, dat een geheel geslacht van 50,000 gezonde menschen alle twintig jaaren volkomen uitsterft.
De rechtvaardigheid en waarheid noodzaken my echter te verklaren, dat de wreedheden, die zulk eene uitwerking voortbrengen, niet algemeen zyn. De mededogende Hemel heeft wel eenige uitzonderingen willen daar stellen, welken ik met genoegen verhalen zal, en die het tegenövergestelde zyn van het hier boven door my geschetst tafereel. Ik zal niet naarvolgen eenige Schryvers, die het zelfde onderwerp behandeld hebben, en daden van goedäartigheid en menschlievenheid zorgvuldig hebben verborgen gehouden, om deeze zaak alleenlyk van de ongunstigste zyde te doen beschouwen: ik wil dezelve met openhartigheid en onpartydigheid zonder verminking openleggen. Ik kan verzekeren, dat op zommige Plantagiën de slaven naar myne gedachten behandeld worden, zoo als menschen behooren behandeld te worden. Zulk eene behandeling zoude nog algemeener zyn, indien de wetten geen onbepaald gezag over hen veröorloofden, waar van het onmogelyk is, dat geen misbruik gemaakt werde. Geen eigenaar moest het recht hebben, om het leven van zynen slaaf straffeloos aan te tasten; en het dooden van een zwarten of blanken behoorde in het oog der menschen eene gelyke misdaad te zyn, even als in het oog van God.
Voorts zal ik als nu aan den Lezer vertoonen een huisgezin van Negers, in dien staat van voorspoed en gerustheid, welken zy steeds onder eenen goeden meester genieten. De beeldtenissen, op de plaat voorkomende, worden vooröndersteld te verbeelden persoonen van het volk of den stam van Loango, uit hoofde der teekenen, die over het lichaam van den man getrokken zyn, en het cyffer op deszelfs borst, uit de letters J. G. S. zaamgesteld, door middel van het welk de eigenaar bewyzen kan, dat de slaaf hem toebehoort. Deeze man heeft op het hoofd een net en een mand vol kleine visschen; hy houdt ook een groote mand in de hand, die alle voortbrengzels van zyne visch-vangst zyn. Zyne vrouw, die zwanger is, draagt verscheiden zoorten van vruchten, draaijende catoen op een klos, en vreedzaam haare pyp rookende; zy heeft nog een kind op haaren rug, en een ander loopt al speelende naast haar. Op die wyze is de arbeid van eenen Neger, onder eenen menschlievenden meester en geschikten Opzigter, niets meer, dan eene heilzaame lichaams-oeffening, die met het ondergaan der zon ophoudt, en hem een genoegzaam overschot van tyd overlaat, om te jagen, te visschen, zynen kleinen tuin te bebouwen, of manden en netten ter verkoop te maken. Voor den prys, dien hy daar voor maakt, koopt hy één of twee varkens, eendvogels en ander gevogelte, welken hy zonder moeite en kosten voedt op eenen grond, die het noodige daar toe van zelf voortbrengt; en op die wyze heeft hy 'er zeer veel voordeel by. In zulk eene gesteldheid is hy ontheven van hartseer; hy betaalt geene lasten, en hy beschouwt zynen meester alleenlyk als den beschermer van hem en zyn huisgezin. Hy bidt hem aan, niet uit vreeze, maar om dat hy in zyn hart overtuigd is, den voorspoed, dien hy geniet, aan hem verschuldigd te zyn. De door hem bewoonde luchtstreek staat gelyk aan zynen geboorte-grond, en bevrydt hem van het dragen van kleederen, het geen hy veel gemakkelyker en gezonder vindt. Hy kan zyne wooning bouwen, zoo als hy goedvindt, en het bosch verschaft hem de noodige bouwstoffen. Zyn bed is een hangmat, of mat, papaija genaamd. Hy maakt zyne eigene potten; en de calebassen, die hem tot schotels dienen, groeijen in zynen tuin. Nooit leeft hy te zamen met eene vrouw, welke hy niet bemint, want de beide echtgenooten verlaten elkander, zoo dra de één den ander moede is; en deeze scheiding gebeurt nochtans dikwerf minder dan de echtscheiding in Europa. Behalven de levensmiddelen, welken hy 's weekelyks van zynen meester ontfangt, weet zyne vrouw hem verscheiden zeer smakelyke spyzen toe te bereiden, als daar zyn de braf, zynde een huspot van Plaintain-boom vruchten en ignames, met gezouten vleesch, drooge visch, en peper van Cajenne te zamen gekookt; de tom-tom, een zoort van pudding, of taart, van meel van Indisch koorn gemaakt, en met stukjes vleesch, gevogelte, visch, peper van Caijenne, en zagte schillen van de ocra of althéa gebakken: de peperpot, zynde een kookzel van visch met Guineesche peper, het welk men met gebraden plantain-vruchten eet: de gangotay, zaamgesteld uit drooge visch en groene plantain-vruchten: de acansa en de doguenou, die van meel van Indisch koorn gebakken worden, waar by in de laatstgemelde suiker-syroop gevoegd word. Zyn gewoone drank is schoon water, waar in nu en dan een weinig rhum gegoten wordt. Indien hy ziek of gewond wordt, geneest men hem voor niet; maar hy gebruikt zeldzaam den Heelmeester, vermits hy zelf de geneeskragtige kruiden tamelyk wel kent; bovendien verrigt hy het zetten van koppen, of het doen van doorsnydingen van het vleesch, hem voor aderlatingen dienende, aan zig zelf. Zyn hoofd houdt hy zindelyk, door zyne hairen met vochtige kley te besmeeren; hy laat die daar op droogen, en wast dezelve 'er vervolgens met zeep sop weder af. Om zyne tanden zoo wit als yvoor te houden, neemt hy een stukjen hout van een orangenboom, waar van de vezelen aan één der einden van elkander zyn gescheiden, en tot een borsteltje dienen: men ziet geen Neger, het zy man of vrouw, zonder dit klein huisraad, het welk daarënboven het vermogen heeft, om den stank van den adem te verbeteren.
Dit is het geen zyn lichaam betreft. Wat zynen geest belangt, dezelve wordt nooit ontrust door vreeze voor den dood, nog door knagingen van het geweten; want een Neger gelooft vastelyk het geen men hem geleerd heeft, en het welk eenvoudig en klaar is. Wanneer hy het leven heeft afgelegd, brengen zyne nabestaanden en vrienden hem in een boschjen van oranjeboomen, alwaar zy hem begraven, niet zonder onkosten, want doorgaans leggen zy hem in een kist, die van best hout fraay gewerkt is, en tevens doen de lykzangen, zuchtingen en geschreeuw, de lucht weergalmen. Het graf gevuld zynde, en met groene zoden bedekt, zet men twee groene calebassen op zyde, de ééne vol met water, de andere met verschillende zoorten van gekookt vleesch en cassave, het geen men doet, niet zoo als zommige lieden meenen, in het denkbeeld, als of de doode dit zoude kunnen benoodigd hebben, maar als een blyk van hoogachting, die men voor zyne nagedachtenis heeft: zomtyds zelfs brengt men 'er het weinige huisraad, door hem nagelaten, en breekt het op zyn graf aan stukken. Na het afloopen deezer plechtigheden nemen alle de omstanders afscheid van hem; zy spreken tot hem, als of hy hun verstaan konde; zy verzekeren hem van het leed, het welk zy door hunne scheiding ondervinden; zy zeggen eindelyk, dat zy hem hopen weder te zien, niet in Guinée, het geen men ongeschikt oordeelt, maar in dat gelukkig verblyf, alwaar hy thans het gezelschap zyner voorvaderen, zyner nabestaanden, zyner vrienden geniet. De plechtigheid deezer begraaffenis eindigt met jammerkreeten, en vervolgens keert men naar huis te rug. Des anderen daags slacht men een vet varken, eendvogels, ander gevogelte, enz.; en de vrienden geven aan de andere Negers een feest, het welk eerst den volgenden dag eindigt. Tot een teeken van rouwe, scheeren mannen en vrouwen zig het hoofd, en omwinden het met een blaauwen doek, dien zy het geheele jaar dragen. Wanneer dit jaar verstreken is, gaan zy weder naar het graf; zy leggen aldaar de laatste offerhanden neder; zy zeggen den overledenen als nog vaar wel; vervolgens vieren zy een ander feest, en het zelve eindigt met een vrolyken dans, en lofzangen ter eere van den nabestaanden of vriend, die hen verlaten heeft.
'Er is geen volk, waar van de byzondere persoonen, die het zelve uitmaken, meerder achting en vriendschap jegens elkander gevoelen, dan de Neger-slaven. Zy schynen verrukt te zyn, wanneer zy zig by elkander bevinden, en zy zyn nimmer van vermaken uitgeput, om elkander het gezelschap te veräangenamen. Eene zekere vrolykheid, welke zy Soesa noemen, bestaat in het springen tegen over zynen dansser of dansseresse, de handen op de heupen slaande, om de maat te houden. Zy zyn op dit zoort van oeffening zoo heet, dat dezelve dikwils met zeven of agt paaren danssers te gelyk plaats heeft, het geen, door het te groot geweld, den dood van verscheiden hunner meer dan eens veröorzaakte; waarom de Regeering van Paramaribo hetzelve verboden heeft.
De Negers zyn vlug en sterk, maar hun grootste vermaak is het zwemmen; het geen zy twee of drie malen daags doen, onder malkander en by hoopen van jongens en meisjens, even als de Indianen; en de beide kunnen onderscheiden zig door hunnen moed, kragt en werkzaamheid. Ik heb eene jonge Negerin de Commewyne zien overzwemmen, een jong sterk manspersoon voorby zwemmende, en, toen zy aan de overzyde aankwam, door haar aan hem hooren voorstellen, om een weg van twee mylen af te leggen, en hem nog voor uit te blyven.—Ik moet thans spreken van het speeltuig der Negers, en de manier, op welke zy danssen. Men herinnert zig ongetwyffeld, het geen ik van die der Loango-stam ten deezen opzigte gezegd heb; het geen nu zal volgen, is aan alle de andere stammen gemeen.
Hun speeltuig, dat zeer vernuftig is, en door hen zelven gemaakt word, heb ik op eene afzonderlyke plaat afgebeeld.
Nº. 1. De qua-qua; eene plank van een hard en geluidgevend hout, welke aan de eene zyde door een dwarshout in de hoogte wordt opgeligt, en waar op men met twee yzere staafjes, of twee beenderen, als op een trommel, slaat.
Nº. 2. De Kiemba-toetoe; een hol riet, waar op de Negers met den neus blaazen, even als de bewooners van het Eiland Taïti. Deeze fluit heeft niet meer dan twee openingen, de eene om op te blazen, de andere om 'er de vingers op te houden.
Nº. 3. De Ansokko-bania; een plank van hard hout, aan wederzyden als een voetbank verheven, en waar op kleine houtjes van verschillende gedaanten zyn vast gemaakt. Men slaat daar op met twee stokjes, als op een hakbord, het geen verschillende geluiden voortbrengt, die niet onäangenaam zyn.
Nº. 4. De groote Creoolsche trommel, gemaakt uit den stam van een hollen boom. Dezelve is aan de eene zyde open; aan de andere met een schapen-vel overdekt. Die deeze trommel slaat, zit 'er boven op, en slaat met de vlakke hand, het geen genoegzaam overëenkoomt met een basviool of qua-qua.
Nº. 5. De groote Loango trommel, die aan beide zyden gesloten is, en dezelfde uitwerking doet, als de keteltrom.
Nº. 6. De kleine trommel, genaamd papa drum, welke men op dezelfde wyze slaat als de andere.
Nº. 7. De kleine Loango trommel, die te gelyker tyd met de groote geslagen wordt.
Nº. 8. De kleine Creoolsche trommel, die mede tot het zelfde einde dient.
Nº. 9. De Coeroema, een zoort van beker, konstig gemaakt, insgelyks met een schapen-vel overdekt, waar op men met twee yzere staafjes, of twee stokjes slaat, even als op de qua-qua.
Nº. 10. De Loango-bania. Dit is een zeer merkwaardig speeltuig. Het is gemaakt van een plank van zeer droog hout, waar op twee schuinsche klampen zyn vast gemaakt. Boven dezelve zyn eenvoudig kleine houte stokjes van elastiek palmhout geplaatst, die van ongelyke lengte zynde, boven op een derde klamp schynen uit te maken.
Nº. 11. Eene groote ledige Calebas, dienende tot opblaazing van het geluid van de Loango-bania, waar van de stokjes met de vingers worden opgeligt, ten naasten by als de klauwieren van een forte piano; en dit speeltuig is dan aangegenaam en zacht.
Nº. 12. De Saka-saka; zynde een calebas, met een stok uitgehold. Dezelve is met een mouw overtrokken, en vol met kleine nooten en erweten, ten naasten by als de toover-schelp der Indianen.
Nº. 13. Een Zee-schelp, waar op de Negers blaazen, het zy uit vermaak, het zy om gerucht te maken, maar zynde by het danssen van geen gebruik.
Nº. 14. De Benta; een tak als een boog gespannen, door middel van een koord van droog riet, of Warimbo, het welk men tusschen de tanden houdt, waar op men met een kort eind hout slaat, en het welk men links en rechts weet te bewegen. Het zelve geeft een geluid, byna naar dat van een jagthoorn gelykende.
Nº. 15. De Creoolsche Bania; een speeltuig, het welk naar eene mandoline of guitaar gelykt. Het is gemaakt van een halve calebas, met een schapen-vel overdekt, en waar aan eene lange mouw is vast gemaakt. Dit speeltuig heeft vier koorden, waar van drie lang zyn, en het vierde kort en dik is, en tot een bas dient. Men speelt 'er met de vingers op; het geeft een zeer aangenaam geluid, het welk nog aangenaamer wordt, wanneer het met gezang vergezeld gaat.
Nº. 16. De oorlogs-trompet, om het laden of den aftocht te bevelen, enz. De Negers noemen dezelve tou-tou.
Nº. 17. De Jagthoorn, geschikt om de plaats van deeze trompet te vervullen, of om de slaven der Plantagiën tot den arbeid te roepen.
Nº. 18. De Loango-tou-tou, een fluit, waar op de Negers even als de Europeanen spelen. Zy heeft alleenlyk vier gaten voor de vingers, en echter brengt zy eene groote verscheidenheid van geluiden voort.
Dusdanig is het speeltuig der Negers, op welks geluid zy met meer vermaak danssen, dan men in Europa op dat van het beste orkest doet.
By het geen ik gezegd heb, moest ik nog voegen, dat zy by hun zingen en danssen, het welk zeer veel gelykt naar het geluid van een bakker, die zyn brood uit den oven haalende, aanhoudend roept touchety-touk, touchety-touk, de maat slaan op één, en op een halve maat, maar nooit op drie.
Alle Saturdag avonden eindigen de slaven, die wel behandeld worden, de week met eene vrolykheid van dien aart; en doorgaans geeft men hun alle drie maanden eene groote dans-party, waar op hunne medgezellen uit de nabuurschap genoodigd worden. Dikwils verëert hun meester het feest met zyne tegenwoordigheid, of hy zendt ten minsten nieuwe rhum aan de danssers.
De slaven zyn op deeze danspartyen zeer netjes uitgedoscht; de vrouwen verschynen aldaar met haare beste kleederen, van Indische stoffen gemaakt, en de mannen met lange broeken van het fynste Hollandsche linnen. Zy zyn zoo heet op het danssen, dat ik hun van zaturdag s' avonds ten zes uuren tot maandag 's morgens met het opkomen van de zon, zonder ophouden den trommel heb hooren slaan; hebbende zy alzoo met danssen, zingen, schreeuwen en handgeklap, zes-en-dertig uuren doorgebragt. De Negers danssen altyd paar aan paar; de mans maken de figuren en teekenen de passen af; de vrouwen draaijen, houdende haaren kleinen rok als een zonnescherm uitgespreid. Zy noemen deezen dans waey-cotto. De jonge lieden, die rusten, schenken den drank in; de meisjens moedigen de danssers aan, en droogen het zweet aan het voorhoofd van hunne onvermoeide musikanten af.
Het is verwonderlyk, om de orde en goede verstandhouding, die op deeze dans-partyen heerschen, te aanschouwen. Het vermaak in het danssen is het waare en eenige voorwerp; en de Negers, ik moet dit herhalen, zyn 'er zoo verhit op, dat ik 'er één, die kortlings ingevoerd was, en geene dansseres had, twee uuren lang heb zien staan kyken naar zyne schaduw, welke zig op den muur vertoonde.
Indien men by al het geen ik van het lot der Negers, die aan eenen goeden meester onderworpen zyn, gezegd heb, nog voegt, dat zy zig nooit van elkander afscheiden; dat de vaders hunne kinderen rondöm hun zien, zomtyds zelfs tot in het derde geslacht; dat zy voor 't overige zeker zyn, van in hun geheele leven geen gebrek te lyden; en indien men eindelyk het lot van deeze menschen vergelykt by dat der bedelaars, die in grooten getaale de straaten der steden in Europa vervullen, kan men hen zekerlyk niet ongelukkig noemen.
Thans, om in weinige woorden alles zamen te trekken, en om geene tegenstrydigheid met my zelven te doen voorkomen, na zoo dikwerf de trekken van onmenschelyke wreedheden van verscheiden meesters verhaald, en niet dan by toeval van de menschlievenheid van zommige anderen gesproken te hebben, zy het my geöorloofd, om met een woord over het ontwerp eener algemeene afschaffing der slaverny te spreken.—Indien wy onze nabuuren konden overreden, om van gelyken te doen, zoude het een ander geval zyn; maar dewyl men aan de eigenaars op de Engelsche Eilanden de wreedheden niet kan te last leggen, welken ik zoo dikwerf in Surinamen heb zien plegen, waarom zouden wy ons gedragen, als of die aldaar plaats hadden? waarom zouden wy onze Planters verjagen, en hen naar eenen grond verzenden, die veel ryker, en van natuure veel vruchtbaarer is, als mede onder een bestuur, het welk den vryen invoer der Negers toestaat, terwyl ons oogmerk alleenlyk is de willekeurige kastydingen te beletten, die deeze zelfde Planters vastgesteld hebben. [70]
Verscheiden Colonisten stellen zulk een vertrouwen in hunne slaven, dat zy dikwils hunne kinderen liever aan eene Negerin geven om te zogen, dan aan eene Europeesche vrouw; en zommige slaven zyn zoodanig aan hunnen meester verkleefd, dat ik 'er gekend heb, die hunne vrylating geweigerd hebben, en anderen, die hunne vryheid reeds genietende, vrywillig in eenen staat van afhangelykheid zyn te rug gekeerd. Niemand is volmaakt vry in deeze weereld, en wy moeten allen de één van den ander afhangen.—Ik zal derhalven dit uitgebreid hoofdstuk besluiten met deeze algemeene aanmerking, dat alle geluk op aarde enkel in verbeelding bestaat, en dat men die altyd verkrygen kan, wanneer de gezondheid des lichaams, en de vrede der ziele door eenen onderdrukkenden geweldenaar niet ontrust worden.
De muitelingen voeren verscheiden Negerinnen weg.—Aanstootelyke wyzen van straföeffening.—Onverschrokkenkeid der Negers.—Verschillendezoorten van Gier-vogels.—Gekuifde Arenden.—Beschryving van eene Indigo-Plantagie.—Kaneel-Appel.
In weêrwil van de herhaalde nederlagen der muitelingen, vernam men den 15den Augustus, op Paramaribo, dat zy eenen aanval gedaan hadden op de Plantagie Berg-en-Daal, of den blaauwen Berg, anders ook genoemd Parnassus-Berg, gelegen aan het bovenste gedeelte van de Rivier Surinamen; en dat zy, zonder eenige daad van wreedheid te plegen, het geen maar al te veel hunne gewoonte was, alle de Negerinnen van daar hadden weggevoerd, schoon op eenen korten afstand een wachtpost geplaatst was. Op deeze tyding zond men een hoop jagers af, om hen te agtervolgen; en byna ter zelfder tyd deed men door zeven honderd Negers het beruchte cordon, of den verschansten weg, maken, welke reeds zedert lang ontworpen was. Deeze weg moest verdedigd worden door leger wachten, wier post was de Plantagiën voor nieuwe overrompelingen te beveiligen, en het wegloopen der slaven te beletten.
De Plantagie Parnassus-Berg is gelegen aan de westzyde der Rivier Surinamen, die door de kronkelingen, welken zy vervolgens maakt, op deezen afstand honderd mylen van Paramaribo af ligt. Dewyl het gezicht van deeze Plantagie aller aangenaamst is, biede ik 'er den Lezer eene afteekening van aan, als mede van de Savane der Joden, een dorp of gehucht, in eene rechte lyn meer dan veertig mylen van deeze hoofdstad der Volkplanting, en meer dan zestig mylen te water af gelegen. De Joden bezitten aldaar eene zeer fraaije Synagoge, in welke zy hunne Godsdienst-plechtigheden verrigten. Zy hebben 'er ook scholen en huizen van opvoeding, want deeze plaats wordt door verscheiden aanzienlyke huisgezinnen van hunne natie bewoond. Deeze zelfde lieden genieten in Surinamen byzondere rechten en voorrechten, die hun door KAREL II. vergund wierden, toen deeze Volkplanting aan de Engelschen toebehoorde; en deeze voorrechten zyn zoo groot, als zy die ergens bezitten.
De Rivier Surinamen is, van de stad Paramaribo, of liever van het Fort Amsterdam af, even als de Cottica en Commewyne, door fraaije Suiker- en Koffy-Plantagiën omzoomd; en 'er ontspringen uit dezelve verscheide kreeken of kleine Rivieren, als de Paulus, de Para, de Cropina, en de Pararaca; maar hooger dan Parnassus-Berg, vindt men niets, het welk eene Plantagie genoemd mag worden. De Rivier is ook op deezen afstand niet meer bevaarbaar, zelfs niet voor kleine vaartuigen, uit hoofde van de vervaarlyke rotsen en watervallen, die haar verstoppen, naar maate zy tusschen zeer hooge bergen, en ondoordringbaare bosschen doorloopt. Deeze natuurlyke bolwerken, schoon zy de liggingen verrukkelyk maken, beletten echter de bezitters der Volkplanting, om ontdekkingen te doen, die hun misschien hunnen arbeid door onmeetlyke schatten vergoeden zouden,
Zoo al de muitelingen zoo veele wreedheden op de Plantagiën niet meer pleegden, zy waren in de hoofdstad tot eene aanstootelyke hoogte gestegen. Ik hoorde aldaar onöphoudelyk het geklater der zweepslagen, en het gekerm der Negers. Onder de eigenaars, die op het vervolgen hunner slaven byzonder vuurig waren, bevond zig zekere Mevrouw SP—N, wier Plantagie in de nabuurschap van die van den heer DE GRAAF gelegen was, en welke ik op zekeren tyd met schrik uit haar raam het onmenschelyk bevel hoorde geven, om eene jonge Negerin voornamelyk op den boezem te geesselen, een schouwspel, waar in zy een byzonder genoegen scheen te scheppen. Den indruk, die deeze vertooning op mynen geest gemaakt had, willende verzetten, ging ik tot vermaak een eind weegs om ryden; en het eerste voorwerp, het welk zig aan myn oog vertoonde, was eene andere Negerin, ook jong zynde, die byna naakt boven van een zolder, op een hoop gebroken flessen neder viel: 't is waar, dit was een ongeluk, maar dit ellendig schepzel had zig zoo schroomelyk bezeerd, dat zy zig in eenen even deerniswaardigen staat bevond, als de eerstgemelde.—Myn lot verwenschende, keerde ik aan de haven-kant myn rydtuig om, alwaar ik het verdriet had, om twee Engelsch-Americaansche matroosen, die op de voorplecht van hun schip met elkander vochten, in het water te zien vallen en verdrinken. Op een ander Americaansch schip ontdekte ik eenen kleinen scheepsjongen, die, met een byl gewapend zynde, zig boven uit de mast tegen een Sergeant en vier soldaten zeer lang verdedigde; deeze waren genoodzaakt hem te dreigen van op hem te zullen schieten, zoo hy zig niet overgaf, het geen hy eindelyk deed. Men bragt hem dus aan wal, door twee zyner medgezellen vergezeld, en met een wacht van twee gelederen soldaten; men geleide hen alle drie naar het Fort Zelandia, alwaar zy, volgens des Capitains eisch, en om dat zy zig geduurende hunnen dienst hadden dronken gedronken, elk de fire cant ontfingen; daar in bestaande, dat zy met twee bambous-rieten op de schouders werden afgerost, tot dat dezelve opgezwollen en geheel zwart waren. De Capitain trachte echter dit zoort van willekeurige straföeffening te wettigen, uit hoofde der noodzakelykheid, en om dat de Americaansche matroosen en scheepsjongens de onstuimigste menschen zyn, wanneer zy dronken zyn, schoon 'er geene de minste reden tot twist aanwezig is: men kan hen onder de beste zeelieden der weereld rekenen.
Des anderen daags morgens, my bezig houdende met de gevaaren en kastydingen, waar aan het volk van lageren rang is bloot gesteld, te overwegen, hoorde ik eene groote meenigte voor by myne wooning loopen. De nieuwsgierigheid deed my opstaan, en my in aller yl aankleeden, om te verneemen, wat 'er gaande was. Ik vernam toen drie Negers, geketend en door eene talryke wacht omringd, welke in de Savane hunne straf gingen ontfangen. Hun stout en onbeschaamd voorkomen trok myne aandacht zoodanig derwaarts, dat ik, in weêrwil van myne afkeerigheid voor dergelyke vertooningen, besloot te gaan zien, wat het gevolg van dit alles wezen mogt.—Men las het vonnis, in plat Hollandsch opgesteld, het welk deeze ongelukkigen niet verstonden. De eerste wierd veröordeeld, om met een byl het hoofd te worden afgehouwen, vermits hy een slaaf gedood had, die op de Plantagie van zyne meesteresse bananen was komen steelen. De waarheid der zaak was, dat hy dien moord op uitdrukkelyken last van deeze vrouw gepleegd had; maar toen de misdaad ontdekt was, liet zy 'er haaren slaaf voor opdraaijen, om haaren goeden naam te behouden, en de kosten van boete en schadeloos-stelling uit te winnen. De arme keerel leide zyn hoofd met onverschilligheid op het blok neder, en ontfing den dood in éénen slag. De tweede, die zyn medepligtige was, wierd onder de galg gegeesseld. De derde, wiens naam NEPTUNUS was, was een vry persoon, en een timmerman van zyn ambacht; maar, ter gelegenheid van zekeren twist, den Opzigter der Plantagie Altona, aan de Para Kreek, gedood hebbende, wierd hy rechtvaardig veröordeeld om het leven te verliezen. De byzonderheden van zyne misdaad en straf zyn merkwaardig. Deeze Neger, die jong en wel gemaakt was, een schaap gestolen hebbende, om 'er eene vrouw op te onthaalen, door welke hy bemind wierd, besloot de Opzigter, die van jaloersheid brandde, hem te laten ophangen. NEPTUNUS, om dit voor te komen, schoot in een veld van suiker-riet een snaphaan op hem af, zoo dat hy dood ter aarde viel. Tot straf van deeze misdaad wierd hy verwezen, om levendig gerabraakt te worden, zonder den genade-slag te ontfangen. Van den inhoud van dit verschrikkelyk vonnis onderrigt zynde, plaatste hy zig zonder tegenkanting op een sterk kruis, vervolgens strekte hy de armen en beenen uit, welken men met touwen vast bond. De scherprechter (zynde altyd een Neger,) nam de byl, en hieuw hem de linke hand af, waar na hy, een yzeren koevoet in de vuist nemende, hem met verdubbelde slagen de beenderen aan stukken sloeg. De touwen wierden vervolgens los gemaakt, en meenende dat hy dood was, gevoelde ik my zelf als getroost; maar toen de rechters op het punt waren om heen te gaan, wierp de misdadiger zig zelf van boven neder van het kruis, en viel in het gras, vervloekende zyne rechters als een hoop van gruwelyke schelmen. Vervolgens met zyn hoofd tegen het kruis aanleunende, verzogt hy aan de omstanders een pyp tabak, die onmeedoogend genoeg waren, om hem zulks te weigeren, hem met den voet stootende, en op hem spuwende, het geen echter eenige Americaansche matroosen vervolgens beletteden. Hy smeekte toen, maar vrugteloos, dat men hem het hoofd wilde afhouwen. Eindelyk, geen einde aan zyn lyden ziende, verklaarde hy:—"Dat hy den dood verdiend had, maar niet verwagtte, dat men hem zoo veele maalen zoude doen sterven. Met dit al, vervolgde hy, gy bereikt uw oogmerk niet; ik lach in alle uwe folteringen, al moest ik hier nog een maand zoo blyven liggen."
Dit gezegd hebbende, zong hy agter malkander, en met eene heldere stem, twee liederen, by het ééne van welke hy aan zyne naastbestaanden en vrienden vaar wel zeide, en by het andere aan zyne overledene vrienden berigtte, dat hy spoedig in het gelukkig verblyf, door hen bewoond, hun gezelschap zoude genieten. Toen hy geëindigd had, verhaalde hy bedaard zyn rechtsgeding, met alle deszelfs byzonderheden.—"Maar, zeide hy eensklaps tot de geenen, die hem omringden, ik zie aan de hoogte van de zon, dat het byna agt uuren is, en het zoude my leed doen, dat gy, door myn langer spreken, uw ontbyt zoudt verliezen." De oogen toen naar eenen Jood, DE VRIES genaamd, gewend hebbende, zeide hy hem. "Ei lieve, myn heer, wilt gy my betaalen de vyf guldens, welken gy my schuldig zyt?—Om wat te doen, antwoordde de Jood?—Om eeten en drinken te koopen; ziet gy niet, dat men my laat leven?" De Jood op deeze woorden agter uit deinzende, lachte de ongelukkige misdadiger hem opentlyk en van goeder harten in het aangezicht uit. Vervolgens den soldaat aankykende, die by hem de wacht hield, en van tyd tot tyd in een stuk droog brood beet, vroeg hy hem:—"Waar het by toe kwam, dat een blanke geen ander ontbyt had?"—"Om dat ik niet ryk ben, antwoordde de soldaat."—"Wel nu, ik wil u een geschenk doen, hernam de Neger: neemt de hand, die men my heeft afgekapt; eet die tot op het been toe af; verslind vervolgens myn lichaam, tot dat gy verzadigd zyt; gy zult dan een ontbyt gedaan hebben, het welk u voegt." Hy deed deeze schimprede met een schaterenden lach gepaard gaan; en ging op die wyze voort, geduurende de drie uuren, dat ik aldaar verbleef. [71]
Het is verbazend, dat iemand de kracht heeft, om dergelyke folteringen door te staan; voorzeker kan hy dit niet doen, dan door eene vermenging van woede, hoogmoed, verachting, en de zekerheid, dat hy zyne vervolgers en beulen spoedig ontkomen zal.
Ik heb de byzondere omstandigheden van zulk eene straföeffening, die geen daad van wreedheid van eenig byzonder persoon was, breedvoeriger verhaald, om een voorbeeld te geven van de ongemeene gestrengheid der Surinaamsche wetten.
Verder moet ik alhier een toeval verhalen, het welk slechts een oogenblik op myne verbeelding werkte, maar van een langduuriger uitwerking had kunnen zyn by iemand, die 'er de oorzaak niet van wist, welke ik echter zeer gemakkelyk ontdekte. Des namiddags omtrent drie uuren, myn geest nog vervuld zynde met het aandoenlyk toneel van des morgens, ging ik naar de strafplaats toe, alwaar myn oog het eerst viel op het hoofd van den gestraften Neger, het welk boven op een paal gestoken was, en heen en weder waggelde, als of hy nog geleefd had, en my eenig teeken wilde geven. Ik bleef oogenblikkelyk staan, en niemand in de Savane ziende, alwaar zelfs geen wind genoeg was, om een blad te doen ritselen, erken ik, dat ik my gevoelde, als aan den grond vast gehecht, en een tyd lang geen moed had om voorwaarts te gaan. My vervolgens myne zwakheid verwytende, van naar iets van dien aart niet te durven naderen, en te onderzoeken, welke de reden van een dergelyk verschynsel wezen mogt, bespeurde ik zulks zeer schielyk door het vliegen van een Giervogel, die zig op dit hoofd kwam nederzetten, als wilde hy my een dergelyken buit betwisten. Hy had hem reeds één zyner oogen uitgepikt, toen hy op myne eerste aannadering wegvloog; en by dit wegvliegen met de pooten tegen dit hoofd stootende, veroorzaakte hy deeze schielyke beweging. Ik moet by dit alles voegen, dat de ongelukkige NEPTUNUS, nog by de zes uuren na het ondergaan van zyne straf geleefd hebbende, uit mededogen van den soldaat, die de wacht hield, een slag met de kolf van den snaphaan kreeg, waar van ik de teekens nog zag.
Zommige Schryvers vergelyken den Giervogel by den Arend; maar die van Surinamen heeft dezelfde hoedanigheden niet: hy is in de daad een roofvogel, maar in plaats van zig te voeden met de dieren, welken hy doodt, leeft hy niet, dan van krengen. Dienvolgende verschynt hy veel op de kerkhoven, en de plaatsen, waar men doodstraffen uitoeffent; het geen zyne reuk zoo klaar aanduidt, dat de Negers hem tingy fowlo, den stinkenden vogel, noemen. De Giervogel in Guiana heeft de grootte van eene gewoone kalkoen. Zyne vederen hebben eene donker gryze kleur, uitgenomen de vlerken, die zwart zyn. Hy heeft een vooruitstekende, sterke en kromme bek, een gespleten tong, een langen hals, en zeer korte pooten. Behalven het straks gemelde voedsel, eet hy dikwils slangen, en zelfs alles wat hy vindt, in zulk eene meenigte, dat hy somtyds moeite heeft om te vliegen.
De vogel, genaamd de Koning der Roofvogelen, is in Surinamen niet zeer gemeen, schoon de Indianen 'er zomtyds één of twee te Paramaribo brengen, uit hoofde van deszelfs ongemeene fraaiheid. Hy is grooter, dan eenig zoort van kalkoenen. De huid van zyn kop en hals, die geene vederen hebben, is gemengd van eene scharlaken, violet en bruine kleur. Hy draagt een halsband van lange en dik op elkander zittende vederen, waar in hy zoodanig kan ingedoken zyn, dat men naauwlyks zyn kop ontdekt. Deeze vogel leeft insgelyks van bedorven vleesch, slangen, rotten, padden, en zelfs van drek.
Onder de roofvogelen in de Surinaamsche bosschen telt men den gekuifden Arend, een zeer wild en sterk dier. Zyne vederen zyn zwart op den rug, maar geelachtig naar de stuit; zyn borst, buik, dyën, en zelfs zyne pooten, zyn wit met zwarte vlakken; het overige van zyn lichaam is geheel bruin, en de klaauwen volmaakt geel. Deeze vogel heeft eene platte kop, vercierd met een kuif van vier vederen, twee lange en twee korte, die hy naar willekeur verheft of laat vallen.
Den 24sten, zynde den geboortedag van den Prins van Orange, gaf de Colonel FOURGEOUD aan de gezamentlyke Officiers een middagmaal van gezouten ossen en varkens-vleesch, van puddings van garste meel, en gedroogde visch. Dewyl JOANNA steeds by haar besluit bleef volharden, nam ik op dien zelfden dag, in tegenwoordigheid van haare moeder en andere nabestaanden, de verbintenis aan van de goede Mevrouw GODEFROY;—"van haar aan niemand dan aan my te verkoopen. Deeze Mevrouw schonk, by haaren dood, niet alleen aan haar haare vryheid, maar ook een stuk land om te bebouwen, waar op men voor haar eene gemakkelyke wooning zoude stichten, waar over zy de vrye beschikking hebben zoude." Mevrouw GODEFROY gaf my vervolgens myn briefje van negen honderd guldens te rug, en deed aan JOANNA een geschenk van eene beurs van twintig goude ducaten, en twee fraaije stukken Indisch linnen. Zy raade my tevens, om aan den Raad een verzoekschrift in te leveren, tot dadelyke vrymaking van myne JOHNNY.—"Eene noodzakelyke plechtigheid, zeide zy my, het zy ik een borg vond, het zy niet, en zonder welke zelfs in het eerstgemelde geval niets verrigt zoude zyn."
Beiden betuigden wy onze oprechte dank-erkentenis aan deeze uitmuntende vrouw, en door vreugde zynde opgenomen, ging ik by den Gouverneur des avonds ter maaltyd, en bood hem myn verzoekschrift aan, het welk in goede orde was opgesteld. Zyne Excellentie nam het aan, met het hoofd schuddende, en my de hand drukkende; maar hy erkende my rond uit:—"Dat hy volkomen overtuigd was, dat myn zoon slaaf zou sterven, ten waare ik de borgtocht, die de wet vorderde, vinden konde, 't geen niet gemakkelyk was." Na derhalven veel moeite en tyd verloren te hebben, na meer dan vyf honderd guinies betaald te hebben, had ik nog de onuitspreekelyke smarte, om hem, van wien ik vader en eigenaar tevens was, misschien aan eene eeuwige slavernye te zien bloot gesteld. JOANNA zelve had toen niets meer te vreezen, het geen my een groot genoegen deed.
Te midden echter van eene zoo billyke neêrslagtigheid, deed zich eene gelukkige hoop juist ter snede op. De beruchte Neger GRAMAN QUACY, van wien ik reeds gesproken heb, kwam uit Holland aan, en had de tyding verspreid, dat men, door zyne tusschenkomst, eene wet gemaakt had, volgens welke alle slaven, zes maanden na hunne ontscheping in Texel, vry zouden zyn. De eigenaar konde nochtans dien tyd voor zes andere maanden verlengd krygen, na verloop van welken geen uitstel meer, zelfs voor geen enkelen dag, zoude worden toegestaan.—In myne ziel nu overtuigd zynde, dat ik vroeg of laat, en zoon, en moeder, in Europa brengen zoude, was myn hart uittermaten getroost.
Alvoorens het verhaal van myne reize te eindigen, zal ik omtrent deezen GRAMAN QUACY eenige byzonderheden opgeven. Het zal genoeg zyn voor het tegenwoordige te zeggen, dat de Prins van Orange, niet genegen zynde hem de kosten uit zyn beurs te betalen, en hem veele geschenken te doen, hem te rug zond, gekleed in een scharlaken en blaauwen rok, om welken een breed goud boordzel gelegd was; hy had een witten veder op zyn hoed; en hy geleek dus naar een Hollandsch Generaal. Die goedheid van den Prins maakte deezen Koning der Negers zeer hoogmoedig, en nu en dan zelfs zeer onbeschaamd.
De Gouverneur der Volkplanting gaf den 27sten, een zeer kostbaar festyn aan zyne vrienden, op zyne Indigo-Plantagie, eenige mylen agter zyn paleis gelegen. Hy deed my de eer aan, om my daar by te verzoeken, en ik had het genoegen, om het maken van Indigo te zien, waar van ik de behandeling thans zal opgeven.
De Indigo-plant is een knobbelig heester-gewas, dat van zaad voortkoomt, by de twee voeten hoog groeit, en in den tyd van twee maanden zyn volkomer wasdom verkrygt. Deeze plant vordert een vrugtbaaren grond, en men moet het onkruid zorgvuldig uitwieden. Men ziet dezelve doorgaans, vier of vyf dagen, na dat het zaad in den grond geworpen is, uitkomen. Het zyn in het begin knobbelige stronkjes, voorzien van kleine takjes, die verscheiden paaren van bladeren dragen, en altoos met een ongelyk blad eindigen. Deeze bladen zyn eirond, glad, zagt in 't aanraken, aan de boven-zyde van eene donker groene kleur, aan de beneden-zyde bleek groen, ongetand, en aan eene byna onzigtbaare steel vast gehecht. De bloem behoort onder het zoort van die geenen, die tot een peul of schil groeijen, en hangt aan eene zeer korte steel. Wanneer de bladen van de bloem zyn afgevallen, groeit der zelver hart in de lengte, en wordt een peul, die langwerpig, krom gebogen, glad, helderschynend, puntig uitloopende, bruin van buiten, en wit van binnen is, en zeven of acht pitten bevat, die door een klokhuis van elkander zyn afgescheiden. Elke pit vertoont een kleine rol, grys of olyfächtig van kleur, en een lyn lang.
Zie hier de manier, op welke deeze plant tot Indigo bereid wordt. Wanneer men alle de takken heeft afgesneden, bindt men dezelven tot schoven of bossen, legt die in een groote kuip vol water, en bedekt dezelven met zwaare stukken hout, die tot perssen dienen. Alles op die manier zynde gereed gemaakt, begint de gisting zeer spoedig; in minder dan agtien uuren schynt het water te koken, en de verwstof der plant naar zig trekkende, verkrygt het zelve eene blaauwe violet kleur. Tot dien staat van gisting gekomen zynde, laat men het water in een tweede kuip overloopen, die zomtyds minder groot is; en dan zuivert men het zorgvuldig van alle stukjes hout, welken men weg werpt. De stank, die dit water opgeeft, maakt deeze bewerking zeer ongezond. Dit water, in de tweede kuip overgegoten zynde, wordt met houten spadels omgeroerd, tot dat het kleurend gedeelte zig afscheidt, en tot kleine bolletjes zamenloopt, die naar den bodem zinken. Het water herneemt dan op deszelfs oppervlakte zyne natuurlyke doorschynendheid; en men giet het nog eens, tot aan dat gekleurd zinkzel, in een derde kuip, ten einde de stukjens Indigo, die 'er nog in vervat zouden mogen zyn, mede naar den grond zinken; waar na men dit water weg giet, en het zinkzel of de Indigo wordt gelegd in vaten, die geschikt zyn, om 'er in te droogen. Het raakt alzoo alle verdere vochtigheid, die 'er nog in mogt zyn, kwyt; het krygt aldaar de gedaante van kleine vierkante langwerpige brooden, van eene fraaije lichtblaauwe kleur, en is dan tot de vervoering geschikt. [72] Men kweekt de Indigo-Fabrieken in deeze Volkplanting weinig aan. Ik weet 'er de reden niet van, want de koek, welke zy voortbrengt, wordt verkogt voor vier guldens het pond; beste Indigo moet ligt, hard, en brandbaar zyn.
De aankweeking van deeze plant is in Surinamen begonnen door zekeren DESTRADES, die zig een Fransch Officier noemde, en het zaad daar toe uit St. Domingo medebragt. Dit had eerst in later tyd plaats, dewyl ik zelf deezen armen keerel nog gekend heb, die zig op Demerary met een pistool-schoot het leven benam.—Dewyl de omstandigheden van zynen dood vry merkwaardig zyn, kan ik myne geneigdheid, om dezelve kortelyk te verhaalen, niet wederstaan. Deeze man, zig in schulden gestoken hebbende, maakte het overschot van zyne bezittingen tot geld, en vluchte uit de Volkplanting van Surinamen weg. Zig in de Spaansche bezittingen met verboden handel hebbende opgehouden, wierd al het geen hy bezat vervolgens in beslag genomen. Geen uitkomst meer hebbende, vervoegde hy zig by één zyner vrienden op Demerary, die de menschlievenheid had om aan hem eene vryplaats te verleenen. Hy had daar van slechts eenigen tyd gebruik gemaakt, toen eene verzweering aan zynen schouder doorbrak; maar hy weigerde bestendig alle hulp, en om zich te laten bezichtigen. Het ongemak wierd met dit al erger, en zelfs gevaarlyk; maar DESTRADES bleef 'er altyd by met het bedekt te houden. Eindelyk geraakte op zekeren dag het geheele huis in ontsteltenis, toen men hoorde, dat 'er een schietgeweer in zyne kamer afging. Men trad binnen, en vond hem, met zyn besten rok aangekleed, maar zwemmende in zyn bloed, met een pistool, het welk by hem op den grond was gevallen. Toen ontkleedde men hem, en tot groote verbaazing der tegenwoordig zynde lieden, ontdekte men de letter V (voleur: dief:) op dien zelfden schouder, welken hy niet had willen vertoonen.—Dus eindigde het leven van eenen man, die eenige jaaren lang te Paramaribo met roem geleefd had, en aldaar over het algemeen geacht was.
Na het eeten verliet ik de Plantagie van den Gouverneur, en begaf my, in het rydtuig van zyne Excellentie, tot aan den oever der Rivier, alwaar ik een overdekt vaartuig met agt riemen vond, om my naar de Plantagie Catwyk aan de Commewyne te brengen. De heer GOETZÉE, een Hollandsch Zee-Officier, die eigenaar van deeze fraaije Plantagie was, had my op dezelve genoodigd. 'Er ontbrak geen vermaak, van welk zoort ook, in dit aangenaam verblyf. Men hield aldaar paarden, rydtuigen, vaartuigen, die altyd gereed lagen; maar het geen alle vermaak bedorf, was de onmenschelykheid van Mevrouw GOETZÉE, die, om de geringste misslag, haare slaven deed zweepen: by voorbeeld, een jonge Neger, JACKY genaamd, wierd, om dat hy de glasen niet naar haaren zin gespoeld had, door haar veröordeeld, om des anderen daags een zeker getal zweepslagen te ontfangen; maar de arme keerel vond middel om zig aan haaren wrevel te onttrekken. Dien zelfden avond nam hy afscheid van alle de Negers op de Plantagie; vervolgens ging hy in het bed van zynen meester leggen, nam de tromp van een jachtgeweer in zynen mond, en den trekker met één der toonen van zynen voet overhaalende, maakte hy op die manier een einde van zyn leven. Dit schot alles in rep en roer gemaakt hebbende, werden twee groote Negers gezonden, om te vernemen wat 'er gaande was, en zy vonden den jongeling dood en mismaakt liggen op het bed, het welk geheel bebloed was. De beide slaven gaven bericht van dit voorval, en kregen last om het lyk uit het vengster te gooijen; maar noch de eigenaar, noch de eigenaresse, en zelfs geen ander mensch, wilde, eer dat ik kwam, in de kamer gaan, schoon dezelve anderzints aangenaam en gemakkelyk was. Het geen de meesters van den huize in deeze omstandigheid het meest verschrikte, bestond daar in, dat hun geliefd kind in dezelfde kamer sliep, waar dit voorval gebeurde, maar zy stelden zig spoedig gerust, toen zy vernamen, dat aan het zelve niets was wedervaren.
Ik had nog geen veertien dagen op deeze Plantagie doorgebragt, toen eene slavin, YETTEE genaamd, naakt wierd uitgekleed, en door twee sterke Negers op eene verschrikkelyke wyze gegeesseld. De uitvoering der straf geschiedde voor de deur van 't huis, en de ongelukkige had de huid byna geheel ontveld. Haare misdaad bestond in gezegd te hebben: "dat haare meesteresse eenige schulden had, zoo wel als zy". Vyf dagen daar na verwierf ik echter, dat de ketenen, die men haar aan de voeten, en boven de lendenen had vast gemaakt, wierden weggenomen: maar zekere Mevrouw VAN EYS, voorgewend hebbende, dat deeze slavin haar onbeschoft had aangekeken, was oorzaak, dat Mevrouw GOETZEE, in die zelfde week, de kastyding liet herhaalen, en wel op zulk eene manier, dat ik niet geloove, dat het arme schepzel 'er van heeft kunnen opkomen.
In zoo veele onmenschelyke wreedheden een weerzin hebbende, verliet ik Catwyk, in het vast voornemen, om het zelve nooit wederom te zien. Niettemin was ik in gezelschap van den heer GOETZEE, op verscheide andere Plantagiën, aan de Rivieren Cottica en Peréca. Op de Plantagie Alia, onder dit getal behoorende, haalde men my op eene beleefde wyze over, om aan een meisjen, het welk geboren wierd, een naam te geven, en ik noemde haar Charlotta; des anderen daags morgens, onder het ontbyt, wierden alhier zeven Negers strengelyk gegeesseld.—Ik begaf my vervolgens naar de Plantagie 's Gravenhage, alwaar ik eenen jongen mulat, DOUGLAS genaamd, ontmoette, die geboeid was, en ik herinnerde my met aandoening, dat zyn ongelukkige vader voor deszelfs dood hem van de slavernye niet hadde kunnen bevryden. Door zulk eene reize vermoeid zynde, kwam ik spoedig te Paramaribo te rug, alwaar ik by myne aankomst vernam, dat LAURENS, de kamerdienaar van den Colonel FOURGEOUD, overleden was, en dat men hem begraven had, eer hy nog volkomen dood was.—Geduurende myne afwezigheid hadden dertien van onze soldaten, om dat zy in een herberg beschonken waren geraakt, door de spitsroeden geloopen, en stokslagen ontfangen. Zy waren zoo afgerost, dat weinigen van hun in Europa te rug kwamen,—Men had een Hollandsch matroos, en een jong meisjen van het geslacht der Quateron-Negers, aan den oever der Rivier vermoord gevonden.—By myne te rug komst, op het plein zynde gaan wandelen, wierd ik geroepen door den ST—K—R, die my op de derde verdieping gebragt hebbende, tot my zeide:—"zoudt gy wel gelooven, dat één van myne Negers laatst van deeze hoogte afsprong, om eene geringe kastyding te ontgaan; maar dewyl hy door zynen val slechts eene ligte bedwelming bekwam, wreef men hem sterk aan de slapen van het hoofd, en hy kwam weder spoedig by: toen, om hem te straffen, dat hy zyn persoon, die de eigendom van zynen meester was, in zulk een gevaar gebragt had, en myne vrouw had doen verschrikken, zond zy hem naar 't Fort Zelandia om aldaar door een frisschen Spanso-bocko zyne misdaad te boeten".
De kastyding, die deezen naam draagt, is één der verschrikkelykste; zy wordt op de volgende wyze uitgevoerd.—Men bindt den veroordeelden de handen, en laat hem de kniën tusschen de armen doorgaan; men legt hem vervolgens op de ééne zyde, en houdt hem zoo als een hoen in malkander gewonden, door middel van een paal, waar aan men hem vast maakt, en die men in den grond steekt. In die gesteldheid kan hy zig even min bewegen, als of hy dood was: dan slaat hem een Neger, met een bos knobbelige tamarinde-takken gewapend, tot hy hem de geheele huid heeft van één gereten; hy keert hem vervolgens naar de andere zyde om, slaat hem op gelyke wyze, en de grond is op de straf-plaats van het bloed doorweekt. Wanneer dit is afgeloopen, wascht men den armen keerel, om de versterving van het vleesch voor te komen, met citroen-sap, waar in buskruid ontbonden is. Na dit alles zendt men hem naar zyn hok te rug, alwaar hy mag zien, hoe hy genezen wordt.
Is het nu wel te verwonderen, ik moet het herhalen, dat de slaven opstaan tegen meesters, die hen zoo wreed behandelen!
De manier nog niet beschreven hebbende, op welke de muitende Negerslaven de Plantagiën aantasten, meene ik geene betere gelegenheid, dan de tegenwoordige, daar toe te kunnen vinden.
Na zig den geheelen nacht in de naby gelegene struiken verborgen te hebben gehouden, komen zy, by het aanbreken van den dageraad daar uit te voorschyn, vallen de Europeanen onverhoeds aan, en vermoorden ze allen. Zy plonderen en verbranden vervolgens het huis van den eigenaar. By het heengaan nemen zy alle de Negerinnen mede; zy beladen dezelven met hunnen buit, en behandelen haar met de grootste onbeschoftheid, indien zy den minsten tegenstand durven bieden.
Ik zal de aandoenlykheid van den lezer door deeze treurige verhaalen niet meer afmatten, hebbende ik hem 'er reeds te lang mede bezig gehouden. Ik hoopte daar door de wreedäarts te doen bloosen, en de zaak der menschelykheid te bevorderen.
Ik heb reeds gezegd, dat ik, den 24sten Augustus, een verzoekschrift aan den Gouverneur had ingeleverd, om mynen zoon vry te maken. Mitsdien zag ik, den 8sten October, met zoo veel vreugde, als verwondering, het volgende aangeplakt. "Indien iemand gerechtigd is, om zig te verzetten tegen zeker gedaan verzoek, om de vryheid te bekomen voor een kind, behoorende tot het geslacht der Quarterons, genaamd JOHN STEDMAN, zoon van den Capitain STEDMAN, kan dezelve zig aanmelden tot den 1sten January 1777.". Zoo dra ik dit bericht gelezen had, liep ik naar den heer PALMER, om hem dit nieuws mede te deelen. Hy verzekerde my, "dat dit eene enkele plechtigheid was, gegrond op de veronderstelling, dat ik de noodige borgtocht bezorgen zoude, waar op men ongetwyffeld staat maakte, overeenkomstig de vrypostigheid, waar mede ik myn verzoekschrift aan den Gouverneur der Volkplanting had ingeleverd". Niet in staat zynde een enkel woord uit te brengen, ging ik naar JOANNA toe, die my al glimlachende antwoorde, dat ik aan de vryheid van onzen zoon niet moest wanhoopen. In deeze oogenblikken van neerslagtigheid verliet ik deeze beminnenswaardige vrouw nooit, zonder dat zy my eenigen troost gegeven had.
Byna op deezen zelfden tyd vernamen wy, dat in de Utrechtsche nieuwspapieren een zeer scherp geschrift stond tegen den Colonel FOURGEOUD, waar by men met het zenden van afgezanten, door hem aan de Oucas- en Sarameca-Negers gedaan, den spot dreef. Schoon hy van die zoogenaamde bondgenooten niets te verwagten had, en dat zyn volk op dit oogenblik byna geheel versmolten was, wilde hy echter de geenen, die nog gaan konden, niet geheel werkeloos laten. Hy kleedde derhalven zyne soldaten op nieuw, (voor de eerste maal na het jaar 1772,) en hy gaf hun nieuwe sabels, enz.; vervolgens zond hy hen om aan den mond van de Cassipory-Kreek, aan het bovenëinde van de Cottica te gaan legeren, zynde alleenlyk door Onder-Officiers vergezeld; maar de Officiers van hoogeren rang, kregen spoedig bevel om hen te volgen. Den 7den, onthaalde hy ons ter maaltyd, en liet eindelyk een gebraden ossenharst opdisschen, welke men hem van Amsterdam gezonden had, op zoodanige wyze gereed gemaakt, als ik reeds beschreven heb. Op het nagerecht zag ik eene vrucht, die men in Surinamen noemt Kaneel-appel, aan een boompjen groeit, en in de tuinen van Paramaribo, meenig-werf gevonden word. Dezelve is met een zoort van groene schubben geheel bedekt, en gelykt naar een jonge artichok.
De schil van deeze vrucht is byna een halve duim dik. Het vleesch smaakt als dikke room, waar in aangebrande suiker geroerd is. Het is zoo zoet, dat zommige lieden het al te laf oordeelen. Derzelver breede, harde en zwarte zaaden zitten in dit vleesch.
My hebbende gereed gemaakt om weder eenen dadelyken dienst te beginnen, en daarënboven eene groote meenigte wyn, sterke dranken, en allerleije zoorten van ververschingen, my door myne vrienden toegezonden, ontfangen hebbende, beval ik JOANNA, en mynen zoon, aan de zorge van de goede Mevrouw GODEFROY aan. Dit was dus de zevende veldtocht, die thans een aanvang nam: ik verlangde de onderneming, welke wy met eenen zoo standvastigen yver voortzetteden, zoo mogelyk, tot genoegen van de inwooners deezer Volkplanting te doen afloopen. Ik bevond my toen zoo wel, ik was zoo opgeruimd van geest en wel gemoed, als op den dag zelven, toen ik, met de krygsbende van den Colonel FOURGEOUD, op het vaste Land van America ontscheepte.