Hooge en lage Landen.—Timmer-hout.—Voortbrengzels vanFransch Guiana.—Levens-middelen, tot de tafel dienende.
Wanneer men de reize van den Capitain STEDMAN gelezen heeft, is het minder noodig, om nopens de voortbrengzels van Fransch Guiana breedvoerig te handelen.
In Guiana onderscheidt men, in 't algemeen, hooge en lageLanden. Laaten wy met de beschryving der laastgemelden beginnen.
De kusten van Guiana worden byna overal door laage en verdronkene landen omzoomd. Dezelve bestaan uit groote vlakten, door het afloopen van het zee-water gevormd wordende, waar van veelen kortlings opgekomen, anderen zedert eeuwen herwaards aanwezig zyn. Deeze zoorten van vlakten worden by elk gety tot de hoogte van één voet, agttien duimen, of twee voeten, iets meerder of minder, overstroomd, en loopen weder droog. Zy zyn overäl bewassen met Paletuvier-boomen, of eenige andere groote planten, die op een slyk-grond, waar in men ten minsten tot aan de kniën inzakt, ondoordringbaare bosschen uitmaken. Van dien aart is het Land aan alle de zeekusten, tot de diepte van drie of vier mylen, gelyk ook langs de oevers der voornaamste Rivieren.
Men ziet dikwils deeze slykbanken, door de zee aan de kust van Guiana aangespoeld, gezwinden voortgang maken, en de roode Paletuvier-boomen aldaar welig opgroeijen. Op gelyke wyze vormen zig ook Eilanden in de monden der Rivieren, en zelfs hooger, op die plaatsen, waar ebbe en vloed plaats heeft. By beurten, zonder dat men 'er eenig juist tydperk van bepalen kan, brengt de zee, in plaats van slyk aan te spoelen, zand en schelpen op de kust. Als dan vormen zig zandbanken, of eene zoort van lange niet zeer hooge duinen, en de roode Paletuvier-boomen, die niet dan in zout water groeien, zig van het zelve beroofd vindende, sterven van tyd tot tyd.
Deeze lage en verdronkene Landen zyn de vrugtbaarste in de geheele Volkplanting; maar 'er valt echter tusschen dezelven eene keuze te doen. Zy zyn alle, ja zelfs de meeste, niet van de beste zoort. Men kent de vrugtbaarsten daar aan, dat onder eene zwarte, of hoog bruine aarde, uit verrotte planten voortgekomen, en naar mest gelykende, ter diepte van zestien of agtien duimen, een slykgrond gevonden wordt, van eene graauwe of bleek blaauwachtige kleur, overal van gelykzoortigen aart, en die zig zeer gemakkelyk laat omspitten. Men kan 'er insgelyks met de hand, en zonder veel moeite, een stok in steeken, al was hy zelfs twintig of dertig voeten lang. Wanneer by dit teeken koomt de nabyheid van de zee, welker lucht de Plantagiën vrolyker, en het verblyf op dezelven gezonder maakt, of ten minsten, indien men niet verder dan ten hoogsten twee mylen binnenwaarts van den mond van eene Rivier af is, kan men, mits behoorlyk arbeidende, zig van eenen goeden uitslag verzekerd houden. Men moet echter ook oplettend zyn, om zulke plaatsen te verkiezen, welken de zon gewoon is te beschynen, tot op eene zekere hoogte, het geen duidelyk is af te nemen uit de grootte van de boomen, en de dikte van die bovenkorst van aarde, welke uit verrotte overblyfzels van planten bestaat. Die lage landen, welke kortlings door de zee gevormd zyn, zyn al te zacht: men kent dezelven aan de jongheid der Paletuvier-boomen.
De aarde, die deeze lage landen tot op eene dikte van twintig duimen, overdekt, zakt meer dan de helft in, vermits zy door de lucht en zon verdroogt. Deeze aarde is ongetwyffeld nuttig, maar het slyk, dat 'er onder zit, is tot de voortplanting het meest geschikt.
De lage landen, welken men tot het aanleggen van groote beplantingen boven alle anderen behoort te verkiezen, verëisschen in het begin meerdere onkosten, dan de hooge landen, om dat men dezelven boven water moet brengen. Wanneer het regen-saisoen geëindigd is, namelyk in de maand July, moet men zig met het droogmaken derzelven bezig houden. Het jaar-getyde, het welk tot deezen arbeid gunstig is, eindigt met de maand December. Men kan deeze onderneming niet goed volvoeren, of men moet 'er ten minsten honderd duizend livres aan kunnen besteden. 'Er zit meer voordeel op het doen van eene groote onderneming, dan van eene middelmatige. De kosten van Negers, het eerste oprigten van wooningen, en werkplaatsen, het getal der persoonen, die tot huisselyke en andere diensten noodig zyn, zyn voor eene kleine Plantagie dezelfde, als voor eene groote, Het is ook noodig, dat hy, die dusdanige onderneming doet, het verëischte character, standvastigheid en kundigheden bezitte, die hem in staat stellen, om zyne onderneming zelf te bestieren: anders moet hy een Opzigter zoeken, die kunde, yver en werkzaamheid zamenpaart; zeldzaame hoedanigheden, welken men niet te ruim betalen kan, wanneer zy zig in denzelfden persoon vereenigen. Zie daar dan wederom een nieuw punt van bekostiging.
De hooge of bergachtige landen zyn ten aanzien van de zoort van aarde zeer verschillende. De één, die zandig is, en op eene groote vlakte niets dan lage planten voortbrengt, wordt Savane, of zand-woestyn genoemd. Op zommigen derzelven echter wassen groote boomen, waar onder men 'er vindt van die zoort van hout, het welk men onvergankelyk noemt, en ander hout van de meest gewaardeerde kleuren. Eenige deezer landen bestaan uit een mengzel van zand, en blaauwachtige kley, waar in weinig zelfstandigheid gevonden wordt. In zeer veelen is een mengzel van zwart zand en yzerachtige deelen. Men vindt 'er zonder steenen, anderen wederom vol steenen, en eindelyk eene derde zoort, geheel met rotsen bedekt. Deeze steenen en rotsen bevatten yzer, of granit-steenen. De landen, die, of over 't geheel, of in afzonderlyke gedeelten, zulke steenen opleveren, bestaan uit eene aarde, dan eens zwartachtig, dan eens graauw, geel of roodachtig, met eene verscheidenheid van mengelingen en schakeeringen.
Schoon voornaame Schryvers [89] van Guiana sprekende, over 't algemeen, zig verklaaren tegen het bebouwen der hooge landen, als zynde koud en onvruchtbaar, verdienen zy egter alle dit oordeel niet. Men vindt aldaar eenige Plantagiën, die naar den wensch van hunne eigenaars zyn uitgevallen. Op de hooge landen bezit de Staat eene groote en schoone Plantagie van Nagelboomen, die volmaakt wel gelukt is. Met dit al is het eene waarheid, dat deeze hooge landen grootendeels weinig geschikt zyn tot het aanleggen van groote beplantingen, die eenen ryken en vetten grond vorderen, en dat de meeste lage landen den voorrang verdienen.
De eerstgemelde hebben niettemin ook eenige voordeelen. Men kan dezelven gemakkelyker tot stand brengen; zy brengen veel eer vrugten voort, en verëisschen veel minder kosten. Men vindt 'er de beste zoort van hout. Aldaar zyn ook aangenaame liggingen, af hellingen, die tot zekere zoort van handwerken byzonder geschikt zyn, stroomend water, en steenen tot het maken van gebouwen. Deeze zelfde landen zyn meer geschikt tot her planten van Manioc, die het voornaamste voedzel uitmaakt voor de arbeiders, landbouwers en inboorlingen. Daarënboven zyn zy nooit wel bearbeid geworden. Nimmer heeft men 'er geweten, wat het was den grond om te ploegen, zoo als men dit in Frankryk, en in de meer gevorderde Volkplantingen doet.
Men kan op die gedeelten der hooge landen, die in de Savanen liggen, fokkeryen van groot vee met hoop van eenen goeden uitslag aanleggen. Met de behoorlyke voorzorge zoude de fokkerye van paarden 'er zelfs gelukken. Fransch Guiana bevat bovendien in verscheidene landstreeken geheele bergen, waar in yzer-mynen van een uitmuntend alloy, en tot allerleye werk, zelfs tot het maken van geschut, geschikt, gevonden worden. De mynstoffen zyn hier ryk en in overvloed. Het levert van vyf-en-veertig tot tachtig ten honderd op. De plaatsen, waar dezelve voor handen zyn, zyn met hout bedekt, het geen de bewerking der mynen zeer gemakkelyk maakt.
Eene der voornaamste rykdommen van Guiana bestaat in een groot aantal van onderscheidene zoorten van timmerhout. Men kan die in drie zoorten verdeelen. De eene, bekend onder den naam van zacht of wit hout, moet geheel en al worden weggeworpen, als veel te ligt, en van te korten duur zynde. Tot deeze zoort behooren de Mapa, de Pekeïa, en het Bananen hout. De andere zoorten van eenen geheel tegenstrydigen aart, als de voorgaande, zyn hard, in één gedrongen, en zwaar, grootendeels van eene bruine of donkere kleur, maar zomtyds rood, of helder geel. Deeze wederstaan den bytel en de zaag. Het erf van dit hout is glad en fyn, en het is voor de fraaiste polysting vatbaar. Dit hout heeft billyk den naam van onvergankelyk hout verdiend; eene uitdrukking, waar door men niet letterlyk verstaan moet, dat het nooit vergaat, maar dat het veel beter stand houdt, dan het beste van ons hout, misschien by voorb. in de evenredigheid van tien tot vyftig jaaren.
Onder de derde zoort vindt men 'er verscheiden, die de schoonste stukken, in lengte en breedte, opleveren, om tot het bouwen van schepen te dienen. Hier toe behooren het courbari-hout, het bagasse-hout, het acoma-hout, het balata-hout, het couratari-hout, het agouti-hout, het macaco-hout, het groen ebben-hout, het pok-hout, het yzer-hout, het hout, genaamd coeur-dehors, het letter-hout, het satyn-hout, het tendre à cailliou, het hout van St. Martin, het mannetjes roozen-hout, en verscheide andere zoorten. Het gewigt van een vierkante voet van deeze zoorten van hout verschilt van tachtig tot drie en negentig ponden, en daar het gevolgelyk zwaarder is, dan eene gelyke hoeveelheid water, zoo dryft het zelve niet.
Echter is 'er nog eene zoort tusschen de eerste, die tot niets dient, en de andere, die ongemeen hard is. Deeze zoort van hout is vast, en minder moeielyk om te bewerken. Hier toe behooren het acajou-hout, het violetten- of amaranthus-hout, het zwart ceder-hout, het geel cederhout, het wyfjes roozen-hout, enz. enz. Dit hout weegt van veertig tot zeventig ponden de vierkante voet, en dryft by gevolg op het water. Het is tot onderscheidene gebruiken in den zee-scheepsbouw geschikt.
Onder deeze onderscheidene zoorten van hout zyn 'er, die eene bittere of speceryachtige hoedanigheid hebben, die de insecten en zee-wormen, voor de schepen zoo verderffelyk zynde, verdryven. 'Er zyn wederom anderen, die in het water versteenen, en in het zelve nimmer vergaan. Men ziet 'er in de bosschen van Guiana, die door ouderdom, of eenigen stormwind omgevallen, een reeks van jaaren lang, de guurheid van het weder, en eene byna aanhoudende vochtigheid hebben doorgestaan, zonder dat zy daar door verder, dan in het spint, bedorven waren.
Men heeft ligtvaardigryk en zonder onderscheid te maken, tegen alle deeze zoorten van hout tegenwerpingen gemaakt, die dezelven hebben doen verwerpen.
De eerste is derzelver groote zwaarte. Maar deeze zwarigheid beantwoordt zig ligtelyk in deezer voegen, dat de scheeps-timmerman, na zyne berekening gemaakt te hebben, van het zwaarste hout die gedeelten maakt, welke onder water zyn, en de hoogere gedeelten van ligter hout, het welk dit land insgelyks oplevert. Hy zal daar door het middenpunt van zwaarte van zyn schip des te meer naar de laagte drukken, en het zal daar door veel minder ballast noodig hebben, en een grooter ruim uitleveren.
De tweede zwarigheid tegen dit hout is deszelfs al te groote hardheid. Schoon dit deszelfs deugd bewyst, heeft nogtans deeze tegenwerping eenigen grond. De werkzaamheden van den scheeps-timmerman zouden daar door zekerlyk vermeerderd worden, maar daarentegen zoude het werk van eene groote duurzaamheid en van eene onvergelykelyke stevigheid zyn.
De derde tegenwerping wordt ontleend van de moeielykheid in het hakken van dit hout, en de kosten der vervoering. Men beweert, dat dit hout veel te duur zoude komen te staan. Dit zoude ook in de daad zoo zyn, indien men het ging haalen uit die landstreeken, die verre van de Rivieren en Zee-kusten zyn afgelegen; maar men treft het in groote meenigte aan in de nabyheid van de Rivier Oyapoc, werwaarts de toegang zeer gemakkelyk is.
De bosschen en binnen-landen van Guiana brengen, behalven verscheidene zoorten van timmerhout, ook voort Banilje, Salsaparilla, elastieke gom, Gom Copal, en veele anderen. Men vindt aldaar verschillende zoorten van natuurlyke speceryen, als kreeften-hout, en de Puchiri, een zoort van muscaat, de balsem Copaïva, de balsem Peru, de kassia, de simaruba, de ipecacuanha, de pareira-brava, eene wasch van planten, zwarte wach, anders bekend onder den naam van wasch van Guadeloupe, uitmuntende honig, een zeker goed, mieren-nest genaamd, en bestaande uit een zagt dons, van eene geelachtige kleur, het welk men vindt op uitloopende bladeren van den Latanus-boom, en dat eene hoedanigheid bezit verre boven de beste bekende zwam, om het bloed te stelpen; eindelyk ook hout, om verswaaren van te maken, en een aantal andere voortbrengzels, die nog geenen naam hebben.
Geheele bosschen van Cacao-boomen groeijen ook natuurlyk in het binnenste gedeelte des Lands, maar op verre afstanden. Het bevat ook mynen van dat fraaije rots-kristal, het welk men, onder den naam van steenen van Cayenne ook wel aan het strand, en aan de oevers van zommige Rivieren ontmoet.
De eerste voortbrengzels van dit Land waren de Roucou, het Catoen en de Suiker. De korrel van de laatstgemelde is veel grooter, en beter gekristalliseerd, dan op de Eilanden. Het catoen is ook van eene ongemeene fraaiheid, en is altyd in den koophandel veertig of vyftig guldens op de honderd ponden meer waardig, dan dat van de Eilanden. Men weet, dat men te Cayenne de Roucou beter, en in grootere meenigte maakt, dan in alle andere Volkplantingen. Cayenne was de eerste onder alle Fransche Volkplantingen, alwaar koffy geteeld werdt. Het is bekend, dat na de Moka-Koffy die van Cayenne de beste is. Men is altyd in het begrip geweest, dat het eenige overloopers waren, die, in 't jaar 1721, dezelve van Surinamen, werwaarts zy gevlucht waren, medebragten, en daar door Vergiffenis van straf erlangden; zeker Geschiedschryver heeft in 't kort opgegeven, dat dit eene weldaad was van LA MOTTE AIGRON, die, in 't jaar 1722, middel wist, om versche koffy-boonen uit deeze Hollandsche Bezitting mede te brengen, in weerwil van het verbod, om dezelve, nog in de schil zittende, te mogen uitvoeren. Tien of twaalf jaaren later, plantte men Cacao, die weelig voortteelde. De Indigo, of liever de plant, waar van de Indigo voortkoomt, kwam voorheen zeer goed te Cayenne voort, en dezelve was zeer geacht. "Deeze plant, die de voornaamste rijkdom der Volkplanting uitmaakt, zegt BARRERE, is zoo sterk in verval geraakt, en brengt thans zoo weinig op, dat het naauwlyks der moeite waardig is". Het schynt, dat men de reden daar van in de plant alleen niet zoeken moet. De Indigo is, volgens DE PREFONTAINE, (in zyn Maison rustique de Cayenne,) eene den beste aankweekingen in America, maar ook één van de teederste. 'Er wordt aan de zyde van hem, die dezelve wil voortteelen, de grootste oplettendheid verëischt, en misschien ook de beste zoort van grond. "ROUSSEAU, dus vervolgt dezelfde Schryver, is de eenige, wien het gelukt is, om met voordeel Indigo te maken. Hy heeft de zyne tot die fraayheid gebragt, dat zy, die lust hebben om dit vak van landbouw te beoeffenen, daar door behooren te worden aangemoedigd; en dit wederspreekt de voorgewende onmogelykheid, als of de inwooners van Cayenne in dit vak niet zouden kunnen slagen". Nieuwere berigten brengen mede, dat de Indigo op lage landen zeer wel voortkoomt; maar zy vordert oppassing, zonder welke alles te gronde gaat.
De Oost-Indische speceryen, en alle de lekkerste vruchten der warme Landen, groeijen welig in Guiana. Verscheiden komen 'er even goed voort, als op de Moluksche Eilanden, of op Ceylon. Men kan zig onder anderen tot bewys beroepen op de beplanting van Nagelboomen, welke men aantreft op de Plantagie la Gabrielle, den Staat toebehoorende. Deeze boomen hebben aldaar vrugten voortgebragt, die in hoedanigheid aan de Oost-Indische gelyk bevonden zyn. De eerste planten zyn van Isle de France naar Cayenne overgebragt, alwaar zy onder het opzigt van MAILLERT DU MERLE zyn geplant geworden. In 't jaar 1778 ontfing RAYNAL, die door de geheele weereld kennis en gemeenschap had, van daar een tak, waar aan de kruidnagelen gevonden werden. Volgens het berigt van den Burger LESCAILLIER, hebben de jaaren 1785, 1786 en 1787 deeze vrucht, telkens met eene jaarlyksche vermeerdering, voortgebragt, tot dat men in de jaaren 1788 en 1789, op deeze Plantagie la Gabrielle, verscheiden honderde ponden heeft ingeöogst. By zyn vertrek van Guiana, in 't jaar 1788, bevondt zig deeze Plantagie in eenen bloeijenden staat.
Behalven deeze voortbrengzels, de bron van groote rykdommen, levert de grond der Volkplanting van Cayenne alles op, wat tot levens-onderhoud van derzelver inwooners noodig is. De tuinen zyn aldaar vol met moeskruiden, als latuw, kervel, pimpernel, cichorey en sellery. Men teelt aldaar kleine erweten, komkommers, kampernoeljes, water-meloenen, die van een lekkeren smaak zyn. De Fransche vrugtboomen kunnen, wel is waar, zig naar deeze luchtstreek niet voegen, maar men heeft in derzelver plaats de vrugten van dit Land, als de geele en witte Ananas, de Papaye, en eenige anderen, die op verschillende wyzen worden ingelegd. Men weet, dat de citroenen en orange-appelen aldaar in zoo grooten overvloed zyn, dat men 'er weinig werk van maakt.
Het is veel aangenaamer zyn verblyf te houden op de Plantagiën, dan te Cayenne zelve. Men heeft aldaar aan niets gebrek, vooral by de Planters, die eenigzints bemiddeld zyn, en vooral, wanneer 'er koopvaardy-schepen aankomen. Men houdt doorgaans eene wel voorziene diergaarde, alwaar men varkens, kalkoenen, eendvogels, duiven en hoenders aankweekt, die goed zyn om te eeten, wanneer men ze eenigen tyd met geerst gevoed heeft. Daarënboven heeft men één en zelfs meerder jagers en visschers, die wild en visch bezorgen: de laatstgemelde is uitmuntend. Behalven de zoorten, die aan de Eilanden onder den wind gemeen zyn, leveren de Zee en Rivieren eene meenigte anderen op, die elders geheel onbekend zyn. De Krabben verschaffen ook een zeer voornaam levensmiddel. Zy zyn het gewoone voedzel der Indianen, en van de min gegoede inwooners. Deeze dieren teelen in het onëindige voort, om dat men de oplettendheid gebruikt van alleen de mannetjes-krabben te vangen, en de wyfjes te laten, die altyd eene verbaazende meenigte eijeren in zig hebben.
Onder de water-vogelen telt men de Ganzen, de Eendvogelen, de Lepelganzen, de Fregat-vogelen, allen goed om te eeten. De land-vogelen zyn graauwe Patryzen, zoo dik als een Kapoen, en zeer goed van smaak, schoon een weinig droog; Faisanten, die kleiner, en zoo goed niet zyn, als in Frankryk; Ringelduiven, Tortelduiven, Merels, Leeuwriken, Brom-vogeltjes; en eene meenigte andere groote en kleine vogelen, waar onder men moet rekenen de Papegayen, die zeer talryk zyn, en eene uitmuntende soep verschaffen.
Men kweekt ook Schapen, Geiten, en verscheiden kudden van Ossen aan. Om hun goed weiland te bezorgen, steekt men in de maanden Augustus en September, de Savanen in brand. Deeze landen, dus afgebrand zynde, doen, in het begin van het regen-saisoen, heerlyk gras uitspruiten. Dus zyn de ossen en schapen in Guiana van beter smaak, dan op de andere Eilanden. Men brengt aldaar meel, spek, en allerleye zoorten van wyn; als mede een groot aantal gewerkte stoffen, die tot kleeding noodig zyn.
Met zoo veele voordeelen, door de Natuur zelve geschonken, zal ongetwyffeld de Volkplanting van Fransch Guiana voorspoedig zyn, wanneer vreedzamere omstandigheden gedogen zullen, dat de Regeering en byzondere persoonen 'er zig mede bezig houden. Deeze landstreek maakt eene Volkplanting uit, waar van de Stad Cayenne de hoofdplaats is. Men weet aldaar van geene in- en uitgaande rechten, waar mede de koopwaaren bezwaard zouden worden.
XVII. Wachtpost van Vrydenburg, aan de Rivier Maroni.—Mitsgaders gezicht van drie Legerplaatsen, aan de Wana-Kreek: te plaatsen tegen over [20]
XVIII. Gezicht van de Reede en Stad Paramaribo [40]
XIX. Platte grond der Stad Paramaribo [44]
XX. Eene Slavin, behoorende tot het geslacht der Quarteronnés Slaven [54]
XXI. Eene Samboe Slavin, wier lichaam door zweepslagen is van één gereeten [88]
XXII. Eene Indiaansche Familie, tot het geslacht der Caraïben behoorende [158]
XXIII. Wapenen, Huisraad en Cieradiën der Indianen [206]
XXIV. Gezicht van den Wachtpost de Hoop, en van de PlantagieKlarenbeek, beiden aan de Commewyne [212]
XXV. De Aapen, genaamd Coiata, en Saki-Winki [224]
XXVI. Tak van den Roucou- of Arnotta-Boom.—Riviervisch, genaamdDago-Faisy.—En de New-Mara [236]
XXVII. Een Surinaamsch Planter, in zyn morgen-gewaad [282]
XXVIII. De Koolboom; en Palmboom, Mauricy genaamd [302]
XXIX. Post van Maagdenberg, aan de Tempaty-Kreek.—En Post van Calais, aan de Cassivica-Kreek [306]
XXX. Een oproerige Neger, op Schildwachtstaande; te plaatsen tegen over 4
XXXI. Het doorwaden van een Moeras, inGuiana, door het krygsvolk. 22
XXXII. Platte grond van de Hoofd-legerplaats, tusschen de Rivieren Cottica en Maroni; benevens de manier, om in de bosschen van Surinamen te legeren. 52
XXXIII. Gezicht der legerplaats aan de Java-Kreek:—alsmede by Jerusalem. 134
XXXIV. Eene Indiaansche Vrouw, tot het geslachtder Arrowoukas behoorende. 156
XXXV. Het Colibrietje of Bromvogeltje. 188
XXXVI. Een huisgezin van Loango-Neger-slaven. 236
XXXVII. Speeltuig der Negers. 274
XXXVIII. Gezicht van de Savane der Joden:—mitsgaders van den Berg Parnassus, of blaauwen Berg. 284
XXXIX. Manier om in de bosschen van Surinamen te slapen.—Boeren-hut, tot een buiten-verblyf. 326
XL. De beruchte GRAMAN-QUACY; te plaatsen tegen over
XLI. De Haay en Zuigervisch
XLII. Kaart van een gedeelte van Fransch Guiana
[1] Na den dood van den zee-braassem verwelkt dit blaauw, en word donker. (Aant. v. d. Franschen Vert.)
[2] Ik weet niet, dat men van deeze noodzakelykheid immer eene voldoende reden gegeven heeft: die slymige stof, die de vinnen of wieken bedekt, verhardt misschien zoodanig door de hette der zon en de werking van de lucht, dat alle beweeging voor hun onmogelyk word; of misschien kan deeze visch niet lang leven buiten het element, dat hem natuurlyk eigen is. De eene of andere van deeze vooronderstellingen wyst aan, waarom hy zoo dikwils, en als tegen zynen wil, op de Schepen, en in den bek van zyne vyanden, den Dolphyn, de Zeebraassem, enz. nedervalt.
(Aant. v. d. Schryver.)
[3] Guiana heeft ten minsten twee honderd mylen van het noorden tot het zuiden, en meer dan drie honderd van het oosten naar het westen. (Aardrykskundige Beschryving van Guiana.)
[4] Derzelver Kusten strekken zig uit van de Noord-Kaap, gelegen op omtrent twee graaden noorder-breedte, tot de groote uitloop van de Orenoco, die op agt graaden breedte ligt; maar in de lengte bevatten zy meer dan tien graaden, liggende de Noord-Kaap op twee-en-vyftig graaden dertig minuuten ten westen van den Parysschen middaglyn, en deeze mond van de Orenoco op twee-en-zestig graden; bevattende in dit vak meer dan twee honderd vyftig mylen aan zee-kusten. (Aardrykskundige Beschryving van Guiana.)
[5] CHRISTOPHORUS COLUMBUS, in den jaare 1498, zig zuidwaarts van de Antillische Eilanden begeven hebbende, ontdekte den 10 Augustus het Eiland la Trinidad, en des anderen daags kreeg hy kennis aan het naby gelegen vaste Land, het welk hy Terre de Paria noemde, naar den naam, door de Indiaanen van de Kust daar aan gegeven.
Het was op deeze reize, dat hem één der monden van de Orenoco bekend wierd, welke hy Bocca del Drago noemde, uit hoofde van 't gevaar, dat zyn Schip daar liep; maar zig westwaarts begeven hebbende, had hy geen kennis aan de Orenoco, nog aan Guiana.
In 't jaar 1499, landde ALPHONSUS OJEDA, een Spaansch Edelman, vergezelt door AMERICUS VESPUTIUS, een Florentyn, en JUAN DE LA COSA, de bekwaamste Stuurman die toen in Spanjen was, in het vaste Land van America aan, op tweehonderd mylen oostwaarts van de Orenoco, en doorreisde de geheele kust, het westen naderende. Maar deeze reize verschafte nog geene groote kennis van Guiana.
In 't jaar 1535, ondernam DIEGO D'ORDAZ, een Spanjaard, om in de monden van de Orenoco binnen te loopen; zyne pogingen waaren vrugteloos: hy verloor zelfs aldaar een gedeelte zyner Schepen en van zyn volk. Deeze dappere Spanjaard was op eene andere keer gelukkiger; hy kwam in de Orenoco binnen, en zeilde dezelve zeer hoog op, tot dat hy in den mond van de Meta, eene aanzienlyke Rivier, die zig, meer dan vierhonderd mylen van derzelver inkomen, in de Orenoco ontlast, ten anker kwam. Maar dit geschiedde niet zonder het uitstaan van veele zwarigheden en vermoeienissen; want hy verloor zyne Schepen, en byna al zyn volk, in de onderscheidene gevechten, die hy genoodzaakt wierd aan de Indianen te leveren: zoo dat hy in wanorde te rug keerde, zonder eenige bezitting te hebben kunnen vestigen.
In weerwil van deezen nadeeligen uitslag van der Spanjaarden onderneming, had zig een gerucht verspreid, dat, in het binnenste gedeelte van dit uitgestrekt Land, eene landstreek was, die men el Dorado noemde, en onmeetelyke rykdommen in goud en kostbaare gesteenten bevatte: men zeide dat 'er een Meir was, zoo groot als een zee, genaamt het Meir van Parimo, waar van het zand vol goud-poeder en goud-korrels was. Drie Spaansche Capitains, GONZALO PIZARRA, broeder van den geen die Peru veroverde, PEDRO DE ORDAZ, en GONZALO XIMENES DE QUESEDA ondernamen deeze ryke ontdekking: het was, zoo men weet, eene ingebeelde hoop.
Terwyl zy dit poogden tot stand te brengen, kwam DIEGO DE ORDAZ, die het eerst de Orenoco was opgevaaren, uit Spanjen te rug, met brieven van Keizer KAREL V, waar by deeze Vorst aan hem alleen het recht en de vryheid vergunde om de Dorado te gaan opzoeken, en de ontdekkingen van de Orenoco nader op te spooren. De geheele uitslag zyner onderneeming bepaalde zig tot het bouwen van eene Stad aan den oostelyken oever van deeze Rivier, meer dan zestig mylen van derzelver mond af, welke hy St. Thomas van Guiana noemde.
De Engelschen, over de ontdekkingen der Spanjaarden in Guiana jaloers zynde, en benydende den koophandel, welken de Franschen aldaar van toen af aan dreeven, waar van men wonderen vertelde, wilden daar in deel nemen. Een van hunne bekwaame zeelieden, de heer WALTER RALEIGH, was de eerste Engelschman, die den 6den February van 't jaar 1595 [*] vertrok, om in deeze ryke landen eenige onderneeming te beproeven: dus maakte men in Europa de Orenoco en Guiana bekend.
RALEIGH hield zig van het wezentlyk aanzyn deezer rykdommen zoo vast overtuigt, dat hy niet schroomt in het verhaal van zyne reize te zeggen: Dat hy, die Guiana veroveren zal, meer goud bezitten, en over meer volken heerschen zal, dan de Koning van Spanje en de Turksche Keizer. (Aardrykskundige Beschryving van Guiana.)
[*] Men zal opmerken dat onze Reiziger hier het volgende jaar 1596 noemt.
[6] SOMMELSDYK had het caracter van een dwingeland. Onder een godsdienstig uiterlyk, was hy oploopend, onbeschoft, een geweldenaar en wreedäart. Op zekeren tyd liet hy aan een hoofd der Indianen den kop afslaan, alleenlyk om dat dezelve aan eenig huislyk wangedrag schuldig stond.
Aant. v. d. Schryver.
[7] In den jaare 1667, zoo als ik hier boven gezegd heb, gaf Capitain ABRAHAM CRUISSEN aan deeze Stad den naam van Nieuw-Middelburg; maar zy behield altoos dien van Paramaribo, welken men voorgeeft een Indischen naam te zyn, en te beteekenen Bloem-veld. Dit is het algemeen gevoelen; maar ik vermeene, dat de punt Parham, de Para-Kreek, de Stad Paramaribo, en zelfs die groote uitgestrektheid van water, welke Golden-Parima genoemt word, hunnen naam ontleenen van Lord FRANCIS WILLOUGBY DE PARHAM, die één der eerste bezitters van deeze schoone landstreek was. De Hollanders geeven aan het grondgebied van Surinamen ook den naam van Provintie; maar men bedient zig in 't algemeen meer van den naam van Volkplanting of Bezitting.
Aant. v. d. Schryver.
[8] Men heeft naderhand by dit krygsvolk eenige jagers gevoegd.
Aant. v. d. Scryver.
[9] Men had ook een ontwerp gemaakt om jagthonden te leeren, de oproerige Negers in de bosschen op te zoeken en aan te vallen, maar zulks is nimmer aangenomen, uit hoofde van de moeielykheid om deeze dieren te geleiden.
Aant. v. d. Schryver.
[10] De kinderen volgen, in Surinamen, den staat van hunne moeder. Indien zy in slavernye is, behooren zy aan haaren meester, al was hun vader een Prins.
Aant. v. d. Schryver.
[11] Het is een plat vaartuig met vier of zes riemen, welks gedaante veel overëenkomst heeft met die van een schoen. Dan eens is het met een tent overdekt, dan eens niet.
Aant. v. d. Schryver
[12] De Kill-devill (een woord, zaamgestelt uit de woorden dooden en duivel, en het geen waarschynlyk zeggen wil: wie zou de duivel dooden,) is een zoort van rhum, die men maakt van schuim en droessem van suiker. Deeze drank is in de Volkplanting zeer gemeen, en de eenige, die men aan de Negers toestaat. De zuinigheid beweegt verscheiden Europeaanen, om daar van mede gebruik te maken; maar het is ten naasten by een langzaam vergift voor hun.
Aant. v. d. Schryver.
[13] Het schynt dat de vogel, waar van STEDMAN hier spreekt, is de Toucan van Caijenne met een witten hals, of het vrouwtje van den Toucan met een geelen hals.
Aant. v. d. Franschen Vert.
[14] Verscheiden beminnaars der Natuurlyke Geschiedenis, hebben aan deeze laatste herschepping getwyffeld. Het staat aan hunne beöordeeling, of het bewys, door onzen Reiziger bygebragt, gegrond genoeg is, om hun gevoelen te bepaalen. Mejuffrouw DE MERIAN, van wien hier gesproken word, was eene jonge Duitscheresse van Frankfort aan den Main, die, in 't jaar 1699, de reize naar Hollandsch Guiana deed, om aldaar insecten en kapellen af te teekenen.
Aant. v. d. Franschen Vert.
[15] De heer GREENWOOD, uit den omtrek van Leicester, heeft my verzekerd 'er één gedood te hebben van twaalf voeten lengte.
Aant. v. d. Schryver.
[16] Het schynt, dat het woord harwar is een bedorven spelling van het Engelsch en Hollandsch woord Haven. Dus zoude Devil's-Harwar beteekenen Duivels-haven.
Aant. v. d. Franschen Vert.
[17] "Het Kabinet van Natuurlyke Geschiedenis bezit het beruchte hoofd, te Maastricht gevonden, en zelfs eenige wervelbeenderen van zommige deelen van het geraamte, waar toe die kop behoord heeft…. Ik had dit beruchte hoofd, het welk myne nieuwsgierigheid had gaande gemaakt, doen afteekenen: het zelve is thans in het Magazin in 't koper gesneden.
"Het is gemakkelyk te zien in deeze versteening, dat 'er verscheiden koppen van beesten van één en het zelfde zoort zyn; maar welk is het zoort, waar toe deeze behoord? dit staat nog te beslissen; men heeft derzelver classe nog met geene zekerheid kunnen bepaalen….
"Dit stuk, eenig in zyn zoort, heeft de aandacht van veele waarneemers tot zig getrokken…. Het heerschend gevoelen tegenwoordig is, dat deeze kop tot een nieuw zoort van Krokodillen behoord". (Getrokken uit een brief van L. A. MILLIN aan Dr. HERMAN, ingelascht in 't Magazin Encyclopedique, 't 1ste jaar, 6de Deel, bladz. 34., alwaar men ook eene in 't koper gesnedene afbeelding van deezen zelfden kop vind, waar van de Burger FAUJAS-SAINT-FOND, Hoogleeraar in 't Museum der Natuurlyke Geschiedenis, eene beschryving belooft.)
Aant. v.d. Franschen Vert.
[18] Het is de Passiebloem. Mejuffrouw DE MERIAN noemt dezelve Marquias.
Aant. v. d. Franschen Vert.
[19] Dr. LABORDE zegt drie zoorten van Otters in Guiana te hebben waargenomen.
1º. De grootste, die van veertig tot vyftig ponden weegt, en wiens hair zwart, en byna kaal is; hy houd zig op in de Rivieren.
2º. Die geene, waar van de huid geel-achtig is, van de kleur der Gummi-gutta, en wegende twintig tot vyf-en-twintig ponden; hy bewoond insgelyks de Rivieren.
3º. De gryze, niet meer dan drie of vier ponden wegende; hy houd zig op in de gaten by de Rivieren, en is zeer gevaarlyk voor de honden.
Allen ontwyken zy het water, alwaar ebbe en vloed is, en houden zig alleenlyk op in zoete wateren, in de meiren, of boven in de Rivieren; zy gaan troepsgewyze naar de verdronken Savanen. Men maakt 'er jagt op, om hunnen buit te hebben, tot dit einde gaat men in eene hinderlaag aan den waterkant leggen. Zy zyn wild; en zoo men op hen schiet, terwyl zy zwemmen, zinken zy naar den grond, en zyn voor den jager verlooren.
De wyfjes werpen maar één jong, zelden twee; zy zyn minder vruchtbaar dan in Europa. Zy werpen haare jongen in de holen, die zy aan den waterkant graven. Op de landhuizen voed men deeze dieren op.
Aant. v. d. Franschen Vert.
[20] Dusdanige kruik houd vier pinten, Parysche maat.
Aant. v. d. Franschen Vert.
[21] Volgens Mejuffrouw MERIAN en LINNAEUS is STEDMAN in dit verkeerd begrip gevallen. De eijeren van de Pipal, uit het lichaam van het wyfjen uitkomende, worden door het mannetjen vruchtbaar gemaakt; op de zelfde wyze, als die van alle andere kikvorschen of padden. Het mannetje duwt ze te gelyker tyd onder zyn buik, en spreidt ze uit op den rug van het wyfjen: de eijeren kleeven aan de huid vast, en het vruchtbaarmakend vocht van het mannetje, het geen dezelve besproeit, doet de bekleedzelen van den rug opzwellen. De eijeren intusschen worden dik, de jongen broeien uit, komen uit hunnen dop, en een waarnemer, die hen op dit oogenblik ontmoet, zou gelooven, dat zy op den rug zelven van hunne moeder zyn voortgebracht.
Aantekening v. d. Franschen Vert.
[22] Men leest in de Beschryving der Dieren van den heer PENNANT, dat deeze zelfde ARSCOTT, een Engelschman, zoo verre gekomen is, dat hy eene gemeene padde eenigermaten heeft tam gemaakt. Dezelve was van eene ongemeene grootte; het was omtrent zes-en-dertig jaaren geleden, dat deeze padde zig voor de eerste maal aan den vader van ARSSCOTT vertoond had; hy had langen tyd onder een trap gehuisvest. De zorg, die men voor zyn onderhoud droeg, maakte hem tot een huisdier, zoodanig dat hy alle avonden, wanneer hy licht in huis bemerkte, voor den dag kwam, en de oogen opsloeg, als of hy verwagtte, dat men hem zoude opvatten, om op de tafel zetten. Aldaar vond hy zyn eeten klaar gemaakt; dit bestond uit wormen, van het zoort, zoo als men op bedorven vleesch ziet te voorschyn komen: men bewaarde dezelve voor hem in zemelen. De pad ging dezelve met aandacht na; en wanneer zig één van deeze wormen onder zyn bereik bevond, bespiedde hy dien met het oog, en bleef eenige oogenblikken onbeweeglyk; vervolgens wierp hy eensklaps zyne tong van verre op den worm, die 'er aan bleef hangen, door middel van een lymig vocht, waar mede dezelve aan het einde bestreeken was; deeze beweeging van de tong was zoo gezwind, dat 'er de toekyker geen oog op houden konde.
Het is waarschynlyk, dat deeze padde zeer lang geleefd zoude hebben, zoo niet een huis-raaf hem op zekeren tyd by den ingang van zyn hol had aangepakt. De pogingen, welke ARSSCOTT deed, om de padde aan zynen vyand te ontrukken, konden niet beletten dat deeze hem een oog uitpikte; schoon hy naderhand nog een jaar geleefd heeft, wierd hy treurig en kwynende. Hy had veel moeite, om zynen buit meester te worden, dewyl het verlies van zyn oog hem het vermogen benam, om denzelven juist te mikken.
Aanteeken. v. d. Franschen Vert.
[23] Indien men zommige reizigers gelooven mag, maakt de Trompetter zig meester van de voorplaats. Des morgens jaagt hy alle de kalkoenen, eendvogelen en andere huisdieren naar buiten; en des avonds noodzaakt hy dezelve om te rug te komen: hy zelf sluit zig niet op; hy slaapt of op het dak van de voorplaats, of op een naby staande boom.
Aant. v. d. Fransschen Vert.
[24] Deeze driehoeken hebben drie punten, zynde lang en met weerhaken, gelykende naar kleine dreggen, en die uit een yzeren halsband uitkomen.
Aanteek. v. d. Schryver.
[25] De Lepelaar, of Bécharu, is de Flamant van BRISSON, of de Flamant van BELON, en de Phoenicopterus der ouden. Men zegt, dat de laatstgemelde naam, afgeleid van den naam, dien de Grieken aan deezen vogel gegeven hebben, volgens deszelfs oorsprong beteekend, een vogel met vuur-kleurige vlerken, en schildert zeer wel den Phoenicopterus, wiens vlerken in de daad van een zeer levendig roode kleur zyn. De naam van Bécharu is hem gegeven uit hoofde van de byzondere gedaante van zyn bek, die gekromd is als het kromhout van een ploeg.
Deeze vogel is eenig in zyn zoort, en maakt een geslacht op zig zelf uit. Men vind die op 't oude vaste Land; en in Europa, op de kusten van Spanjen, Italiën, Provence, en Languedoc. De Americaansche Indianen maken, van zyne fraaije vederen, halsbanden, mutsen, gordels, waar mede zy zig vercieren. Het vleesch van den jongen Phoenicopterus wierd door de ouden als eene uitgezochte spyze beschouwd.
[26] Het schynt, dat dezelve de pacobe of bacove van Cayenne is. Men noemt de vrucht van den Bananen- en Plantain-boom doorgaans bananen; maar wy hebben dezelven, met den Schryver van dit werk, onderscheiden, door aan de vrucht van den laatstgemelden, den naam van plantain te geven. Dit was noodzakeiyk, want hy verwart ze niet, en spreekt dikwils van beiden te gelyk.
Aanteek. v. d. Franschen Vert.
[27] De Schryver van deeze reize verwyst hier den lezer tot de meer uitgebreide opgaven, door Dr. BANCROFT aangaande dit vergift gegeven in zyne natuurlyke Geschiedenis van Guiana, een werk, weinig of in 't geheel niet in Frankryk bekend.
BANCROFT begint met te verhaalen, het geen DE LA CONDAMINE voor hem nopens dit vergift gezegd heeft; zie het zelve hier: "De Yamcos zyn zeer afgericht op het maken van lange pylkokers, die het gewoonste jagt-wapen der Indianen zyn. Zy doen daar in kleine pylen van palmhout passen, welke zy, in plaats van met vederen, met een kleine kloen catoen voorzien, die de buis naauwkeurig vult. Zy werpen dezelve door blaazen dertig of veertig schreden ver, en missen byna nooit te raken. Een zoo eenvoudig werktuig vervult by alle deeze volken met zeer veel voordeel het gebrek van schietgeweer. Zy doopen de punt van deeze kleine pylen, als mede die van hunne bogen, in zulk een scherp vergift, dat het zelve, wanneer het versch is, in minder dan één minuut het dier doodt, het welk door den pyl gewond is. Schoon wy snaphaanen hadden, hebben wy, aan de Rivier, nooit wildt gegeten, het welk op eene andere wyze gedood was, en dikwils hebben wy de punt van den pyl onder den tand gevonden; daar by is geen gevaar hoe genaamd; dit vergif werkt niet, dan wanneer het onder het bloed koomt. Dan is het voor den mensch niet minder doodelyk, dan voor andere dieren. Het tegengift is het zout, en nog zekerder de suiker"—Op een andere plaats:
"Dit vergift is een uittrekzel, door middel van het vuur gemaakt, uit de sappen van onderscheidene planten, en in 't byzonder van zekere heestergewassen. Men verzekert, dat het vergift, ticunas genaamd, zynde het zelfde, waar mede ik de proef genomen heb, het welk onder de verschillende zoorten, die langs de Rivier der Amazonen bekend zyn, het meest geacht is, uit meer dan dertig zoorten van kruiden is zaamgesteld". (Verkort verhaal van eene reize door de binnen-lánden van Zuid-America gedaan.)
"De ticunas (dus vervolgt Dr. BANCROFT) wordt waarschynlyk gemaakt van de zelfde kruiden, als de wourara, een vergift, het welk zynen naam ontleent van het heestergewas, het welk 'er de grondslag van uitmaakt. Het vergift der Accawaus-Indianen, het welk voor het geweldigste gehouden wordt, bestaat slechts uit vyfderley kruiden, wel verre, dat het uit dertig zoude bestaan, zoo als de heer DE LA CONDAMINE van de ticunas opgeeft. Andere volken echter, en in 't byzonder de Arrawks, voegen 'er naar goedvinden de tanden en lever van een vergiftige slang, als mede roode peper, by; het laatste, om 'er de werking van te vermeerderen. De Worrows mengen 'er een grooter getal kruiden onder, misschien uit bygeloovigheid, of om dat zy zig door onkunde verbeelden, dat zy, meerder dingen onder elkander mengende, de verlangde uitwerking des te zekerder bekomen zullen.
"Zie hier het voorschrift van het vergift der Accawaus, het welk verscheiden van hunne Peji of Geneeskundigen my op verschillende tyden gegeven hebben: allen stemden zy over één met opzigt tot het zoort en getal der planten; zy verschilden alleenlyk in de hoeveelheid of gifte.
Men neemt van alle de kruiden, waar uit dit mengzel bestaat, even veel.
Men neemt zes deelen van de schil van den wortel van wourara, twee van de schors van warra cobba courra; één van de schil van den wortel van concassapi, één van balleti, en eindelyk één van hatchybaly.
Men schraapt alles fyn, doet het in een kruik, en giet 'er water op. Men zet deeze kruik op een matig vuur, zoo dat het na verloop van een vierde van een uur begint te koken. Dit gedaan zynde, moet men het sap met de hand uitdrukken, zorg dragende, dat de huid niet ontvelle. Men werpt de bast weg, en doet vervolgens het sap op een matig vuur uitdampen, tot op de dikte van pik en teer. Dan neemt men het af, en men doopt daar in kleine platte stukken cokarito hout, (een zoort van palmhout,) waar aan het vergift, wanneer het koud is, blyft hangen, en dan de gedaante heeft van een roodachtig bruine gom. Deeze stukken hout dus bestreken zynde, steekt men dezelve in groote holle rottingen, aan beide einden met een huid toegemaakt. Wanneer men een pyl wil vergiftigen, werpt men één van deeze stukken hout in 't water, of men houdt het zelve boven den rook van 't vuur, om door dien damp week te worden; in het eerste geval doopt men de pyl in 't water, en in 't tweede wryft men die tegen dit stuk hout. De kleinste hoeveelheid van dit vergift, door eene wonde in de bloedvaten van een dier gebragt zynde, doet het zelve in minder dan één minuut sterven, zonder eene blykbaare waare pyn, schoon men zomtyds ligte stuiptrekkingen op het oogenblik van den dood bemerkt.
De heer DE LA CONDAMINE zegt, dat de Indianen misdadige vrouwlieden tot het bereiden van dit vergift gebruiken, en dat, wanneer zy den geest geven, zulks een bewys is, dat het genoeg gekookt heeft: dit gelykt zeer naar een verdichtsel. De Indianen, die in den omtrek der Volkplanting van Demerary woonen, doen, hun vergift in de vrye lucht uitdampen, tot dat het zyne volkomene dikte verkregen heeft, en zulks zonder het minste gevaar.
"De kruiden, die tot het zamenstellen van dit vergift der Accawaus gebruikt worden, zyn heestergewassen van onderscheiden zoort.
"Ik heb 'er de proef mede genomen op dieren die ziek waren, en weinig bloed hadden; ik bevond, dat het een langzaamer uitwerking deed, dan op sterke en gezonde dieren.
Men weet geen zeker tegengift tegen dit vergift. Ik twyffel, of eenig geneesmiddel, langs den weg, tot de spysverteering geschikt, ingenomen, schielyk genoeg kan werken, om deszelfs verschrikkelyke gevolgen voor te komen. Om de uitwerking van de ticunas tegen te gaan, geeft DE LA CONDAMINE het zout, en als een zekerder middel de suiker op. De blanke inwooners van Demerary schryven dezelfde kragt aan het sap van het suikerriet toe, maar de Indianen zyn het daar mede niet eens, en ik heb geene enkele keer het bewys van deszelfs kragtdadige werking kunnen ontdekken. De zelfde reiziger spreekt van eene proeve, te Caijenne in tegenwoordigheid van den Bevelhebber genomen, aan een hoen, door eene vergiftigde pyl gewond, het welk men suiker deed inneemen, zonder eenig blyk van ongesteldheid te geven. Maar deeze proef te Leiden, in tegenwoordigheid van verscheiden Hoogleeraars in de Geneeskunde aldaar, hernieuwd zynde, was zonder het verlangd gevolg, schoon de koude van den winter ontwyffelbaar de werking van het vergift verzwakt had.
Wanneer één der watervaten door één van deeze vergiftigde pylen gekwetst is, volgt 'er eene koortsachtige ontsteeking op. Ik heb 'er een voorbeeld van gezien in een Indiaan, tot zekere Plantagie behoorende, die zig den voorsten vinger van de linke hand met één van deeze pylen ligtelyk ontveld had. Dewyl 'er geen bloed uit liep, vreesde hy niets; maar wel dra wierd zyne wonde pynlyk, zyne hand zwelde verbaazend op, en dienvolgende kwam deeze man my raadplegen. De uitwerking van dit vergift toen niet kennende, deed ik een Peji uit den stam der Arrawks roepen, die in de nabyheid was, en vroeg hem door een tolk, of hy eenig geneesmiddel tegen dit toeval had. Hy antwoordde my van neen; maar hy verzekerde my, dat de Indiaan 'er niet van sterven zoude, dewyl 'er geen bloed uit de ontvelling, die naauwlyks zigtbaar was, geloopen had. De uitwerkzels van het vergift wierden intusschen steeds geweldiger; en niet alleen zyne hand, maar zelfs de geheele arm was ontstoken. De pols was hard, schielyk, afgebroken; de ademhaling moeielyk, met eene koortsige hette, een brandende dorst, en de oxel-klieren waren gezwollen. De zieke wierd in tyds adergelaten. Men wond hem den arm in linnen, het welk in oly en azyn was nat gemaakt. Verscheide middelen, de ontsteeking tegengaande, wierden inwendig toegediend; maar ik zal ze niet opnoemen, want ik weet niet, of zy van eenig nut waren. In twaalf uuren verminderde het geweld der toevallen zichtbaar; en des anderen daags morgens was 'er geen blyk meer van overig.
"Ik zal 'er byvoegen, als eene andere uitwerking van dit vergift, dat wanneer een aap door eene vergiftigde pyl gewond is, hy op den grond valt; wanneer hy door eene gewoone pyl geraakt is, klimt hy op den top van den boom, en blyft aldaar; zelfs na dat hy reeds dood is".
De proeven van Dr. BANCROFT omtrent het door hem vermelde vergift, dezelfde zynde, als die van FONTANA aangaande de ticunas, zullen wy het besluit van deezen Natuur-kenner des aangaande opgeven.
Van de ticunas, of het Americaansch vergift.
"De reuk van dit vergift, wanneer het droog is, is geheel onschadelyk; en zoodanig zyn ook deszelfs deeltjens, die door de lucht in den mond of in de neus, en vervolgens in de long komen.
"De uitwaassemende dampen van het Americaansch vergift, (het zy men het op gloeiende kooien geworpen heeft, het zy men het in een pot heeft laten koken,) zyn onschadelyk, het zy men ze ruikt, het zy men ze inademt.
"Schoon het vergift, waar van ik my bediende, door ouderdom veel verloren had, had het egter zyne wezentlyke eigenschap behouden, om in zeer korten tyd, en in zeer kleine giften, zeer sterke dieren te dooden; en het was altyd zonder gunstig gevolg, wanneer ik deszelfs werking tragte te beletten door suiker en zout, welke ondertusschen de twee eigenäartige geneesmiddelen zyn van den heer DE LA CONDAMINE, die daar in het begrip der lieden van dit Land gevolgd heeft.
"Dit vergift ontbindt zig gemakkelyk en zeer goed in water, zelfs in koud water, als mede in zuuren uit het ryk der mineraalen en planten. Echter ontbindt het zig veel langzaamer in vitriool-oly, dan in andere zuuren, en het wordt 'er zoo zwart in als inkt: het welk met geene der andere zuuren gebeurt.
"Het maakt geene opbruisching, nog met zuuren, nog met loogzouten, en doet de melk niet schiften, geevende daar aan alleenlyk deszelfs natuurlyke kleur.
"Het verandert het radys-sap niet, nog in eene roode, nog in in eene groene kleur; en wanneer men het door het vergrootglas onderzoekt, ziet men 'er niets regelmatigs en zoutachtigs in; maar het schynt grootendeels uit zeer kleine onregelmatige rondachtige lichaampjes zaamgesteld, even als sappen van planten. Het droogt zonder barsten, verschillende daar in van het slangen-vergift: en op de tong gelegd zynde heeft het eene zeer bittere smaak.
"Uit allen deezen besluit ik, dat het noch zuur, noch loogzoutig is, en dat het niet bestaat uit zouten, die zigtbaar zyn, zelfs door middel van het vergrootglas.
"Het Americaansch vergift is geen vergift, wanneer men het op de oogen legt, zelfs na dat het in water ontbonden is; en het doet op deeze deelen geene werking.
"De heer DE LA CONDAMINE, en alle Americaanen gelooven, dat dit vergift, inwendig genomen, geheel onschadelyk is.
"Volgens verscheide waarneemingen, genomen aan dieren, die 'er van gestorven zyn, besluit ik als eene waarheid, dat het Americaansch vergift, inwendig genomen, een vergift is, maar dat 'er eene wezentlyke hoeveelheid verëischt word, om zelfs een klein dier te dooden.
"Andere, naderhand genomene proeven, zoo aan vogelen, als aan viervoetige dieren, hebben my doen befluiten, dat het Americaansch vergift, op de huid gelegd zynde, schoon dezelve naauwlyks door eene krabbing ontveld is, den dood kan veroorzaaken, hoe wel niet altyd, en in alle omstandigheden. De grootste dieren wederstaan de werking van dit vergift het gemakkelykst, en wanneer zelfs de zwakste dieren 'er niet van sterven, bevinden zy zig in korten tyd zoo gezond als te vooren.
"Men behoeft omtrent een honderdste gedeelte van een grein van dit vergift, om een klein dier te dooden, en het is noodig, dat dit vergift ontbonden zy, om den dood te veroorzaken, of tot eenige verwarring van aanbelang in de dierlyke huishouding gelegenheid te geven.
"Wanneer 'er weinig bloedvaten in het aangetast deel zyn, word het kwaad niet medegedeeld, of is ten minsten niet doodelyk.
"De pylen zyn veel gevaarlyker en doodelyker, dan het vergift, het welk in water ontbonden is, en eenvoudiglyk op het gewonde deel gelegd word.
"Het vergift der pylen is krachtiger, indien men ze vooraf in warm water doopt; en dan werken zy met meer zekerheid en gezwindheid. Deszelfs werkzaamheid is nog veel grooter, indien men de pylen doopt in het vergift, het welk in water tot de dikte van een drank gekookt is.
"Het Americaansch vergift verliest zyne doodelyke hoedanigheden, wanneer het in de drie zuuren uit het mineraalen-ryk ontbonden word; maar in rhum en azyn ontbonden zynde, behoudt het dezelve.
"Het schynt derhalven, dat de zuuren uit het mineralen-ryk aan het Americaansch vergift deszelfs schadelyke hoedanigheden ontnemen: ik zeg eenvoudig, dat dit zoo schynt, om dat men nog zoude kunnen denken, dat 'er een weinig zuur met het vergift vereenigd blyft, schoon men het heeft uitgedampt, en dat dit zuur op de vaten van de huid zyne werking doet. Het verschroeit dezelve, en byt ze eenigermaten weg.
"Schoon de zuuren de werking van het vergift beletten, schynt het, dat zy een nutteloos en gevaarlyk middel zyn, indien men ze op de vergiftigde spieren van het dier legt.
"'Er is een bepaalde tyd noodig, op dat het Americaansch vergift aan het dier worde medegedeeld. Deeze tyd is veel aanmerkelyker, dan die 'er tot de mededeeling van het vergift der slangen verëischt word. Deszelfs uitwerkingen op de dieren zyn veel onbepaalder en meer verschillende. Beiden kan men geneezen door het afzetten der deelen, wanneer zulks zonder doods-gevaar geschieden kan, en mits deeze afzetting in tyds geschiede.
"Het vergift, in het bloed gekomen zynde, doodt oogenblikkelyk: waar uit ontwyffelbaar blykt, dat, wanneer het uitwendig op een gewond deel van een levend dier gelegd word, het zelve groote wanorden in de dierlyke huishouding kan en moet veroorzaken, of zelfs den dood aanbrengen.
"Het vergiftigt de zenuwen niet; en is een onschadelyk sap, op welke wyze het dezelve ook aanraakt. Maar het is doodelyk, zelfs in de kleinste gift, indien men het door den strot-ader in het bloed brengt, even als het vergift der slangen doet. De geheele werking van dit vergift is dus op het bloed.
"De dood, die onmiddelyk volgt, zoo dra het vergift in 't bloed gekomen is, zoude kunnen doen denken, dat 'er in het bloed een werkzaamer, fyner, vlugger beginzel is, het welk aan het beste gezicht, en zelfs aan het vergrootglas ontsnapt. Dit beginzel zoude, in die veronderstelling, voor het leven noodzakelyk schynen; en op dit beginzel zelfs schynt het vergift onmiddelyk deszelfs werking te doen.
"Voor het nemen myner proeven, zoude niemand getwyffeld hebben, of het Americaansch vergift deedt zyne werking onmiddelyk op de zenuwen. Alle uiterlyke teekenen kondigden dit mede aan. Deeze teekenen gaan dus niet zeker; en de Geneeskundigen beschouwen dezelve ten onrecht als een bewys, dat de ziekte eene zuivere zenuw-ziekte is" (FONTANA, Memoire sur le poison Americain, appellé ticunas. Tom. II. pag. 83.)
Aanteek. v. d. Franschen Vert.
[28] Men vindt in het Kabinet van oudheden, in de Nationale Boekereije, eene merkwaardige reeks van kleederen en huisraad, door Asiätische, Africaansche, en Americaansche volken gebruikt wordende. Deeze dingen zyn, by gebrek aan plaats, onder de Grieksche en Romeinsche gedenkstukken ongelukkiglyk verward geraakt; maar men moet de Opzichters van dit Kabinet deswegens niet beschuldigen, daar zy liever verkozen hebben de voorwerpen op één te stapelen, dan ze verborgen te houden. Hun oogmerk, met die dingen in hun Kabinet te verzamelen, is, om na de gedenkstukken, die tot de geschiedenis der oude volken betrekking hebben, als daar zyn de Egyptenaaren, de Grieken, en de Romeinen, tevens aan de nieuwsgierigheid aan te bieden die geene, welke tot de geschiedenis der volken in afgelegene Gewesten behoord hebben, als de Chineezen, de Japoneezen, de bewooners van de Kust van Guinee, van de Landen in de Zuid-zee, van Peru, van Mexico, enz. Het was te wenschen, dat men de zaal afmaakte, die voor deeze gedenkstukken in de Nationaale Boekereije bestemd is, en dat men, overëenkomstig het verlangen der Opzichters, de even vermelde zaaken op ééne plaats by elkander voegde. Alles wat op deeze plaat vertoond word, is in het Kabinet der Boekereije te zien. Men ziet 'er bovendien een hut der wilden, waar in alle deeze werktuigen in 't klein met eene groote juistheid zyn nagemaakt, even als het verkleind model van onderscheidene gewerkte stoffen, het welk de gewezen Hertog van Orleans had laten maken, om in de bewaarplaats der konsten gezet te worden.
Aanteek. v. d. Franschen Vert.
[29] Zie hier het geen Dr. BANCROFT van deezen aap zegt: "De quato (of coïata) is groot, en geheel met lange zwarte hairen bedekt, uitgenomen het aangezicht, het welk kaal en gerimpeld is. Zyne ooren zyn breed, en hebben de gedaante van menschen-ooren, Zyne oogen zyn zeer ingedoken, en zyn neus gelykt naar die van een Neger; maar is veel kleiner. Zyn lichaam heeft by de twee voeten lengte, en agttien duimen in den omtrek, aan de borst gerekend. Deeze Aap heeft geen baard, en ook geen staart. De dieren van dit zoort worden gemakkelyk zeer gemeenzaam. Zy betoonen in alle hunne daden veel behendigheid, en een zoort van list, waardoor zy opmerkelyk worden. Wanneer men hun de voorpooten of handen agter op den rug bindt, loopen zy met het lichaam over einde, en op hunne agterpooten, geheele dagen lang, en met zoo veel gemakkelykheid, als of zy in hunnen natuurlyken stand waren. Indien men een quato slaat, klautert hy dadelyk op een limoen-, of orange-boom. Indien men hem aldaar wil vervolgen, werpt hy de limoenen of oranje-appelen op het hoofd van den aanvaller; hy tracht hem zelfs af te weeren, door hem zyne vuiligheid toe te werpen; en hy trekt te gelyker tyd allerleije wonderbaarlyke gezichten; hy maakt duizend kromme sprongen, die aan de toekykers een oneindig vermaak verschaffen. De mannetjes zyn zeer wellustig, en men betrapt hen meenigmaal op zaad-verspillingen". (Natural History of Guiana, pag. 131.)
Aanteek. v.d. Franschen Vert.
[30] Het is zeer waarschynlyk, dat ULLOA dit heeft overgenomen uit de Geschiedenis der West-Indiën van ACOSTA. Deezen doet men zeggen in eene vertaaling, in 't jaar 1604 gedrukt.
"Deeze aapen springen, waar zy willen; en om den sprong te doen, draaien zy de staart rondom een tak. Wanneer zy lust hebben, om verder te springen, dan zy in eens doen kunnen, gebruiken zy een vernuftig middel, daar in bestaande, dat zy zig met de staart aan malkander vast binden. Op die wyze maken zy een zoort van keten, en springen op een grooten afstand."
ACOSTA zegt, dat hy zelf geen getuige van dit gebeurde geweest is, maar hy staat in voor de waarheid van het volgende. Zie hier zyne woorden: "Ik heb aan 't huis van den Gouverneur van Carthagena een aap gezien, die zoo wel geleerd was, dat hy dingen deed, die ongelooflyk schynen. Men zond hem om wyn te haalen naar de herberg, doende hem de pot in de eene, en het geld in de andere poot nemen; en het was onmogelyk het geld van hem te krygen, eer men hem aan den wyn geholpen had. Indien hem op straat kinderen ontmoetten, en steenen naar hem wierpen, zette hy zyn pot op den grond neder, gooide de kinderen de steenen weder toe, tot dat zy den weg vry hadden gelaten; en dan keerde hy met zyn pot naar huis. Maar het sterkst van allen is, dat schoon hy veel van wyn hield, hy nooit den wyn aanraakte, dien hy t'huis bragt, zoo lang men 'er hem geen verlof toe gaf."
Aanteek. v.d. Schryver.
[31] Onze Reiziger zegt, dat de Franschen deezen boom Latanus-boom noemen: men weet, dat 'er twee van dien naam zyn. Hy heeft den eersten, die tot het geslacht der Palmboomen behoort, in het I. Deel, X. Hooftst. bladz. 308. beschreven. De beschryving van zynen Mauricy past op den tweeden niet. Verscheiden Natuurkenners, welken ik geraadpleegd heb, hebben hem geenen naam, die aan zyn zoort byzonder eigen was, kunnen geven; ik heb dus gemeend, zoo hier als op de Plaat, die hem vertoont, den naam te moeten behouden, welken hy in het oorsprongelyke heeft. Dr. BANCROFT spreekt, in zyne Natuurlyke Geschiedenis van Guiana, van den Mauricy niet; misschien is hy niet in de gelegenheid geweest denzelven te zien.
Aanteek. v. d. Franschen Vert.
[32] 'Er wordt hier waarschynlyk gedoeld op de amandel, welke men aard-pistache of aard-appel noemt, waar van de bloemen, uit welken zy voortkomen, naar den grond buigen, tot dat zy denzelven raaken. Wanneer de bloem heeft uitgebloeit, gaat de noot in den grond, werkt zig aldaar hoe langer hoe dieper in, en wordt een bultachtige, asch-kleurige, ronde en bogtige bol, van de grootte van een vinger, doorweven met draden, uit den wortel voortkomende. Deeze bol, die onder den grond ryp wordt, bevat twee of drie ronde roodachtige pitten, van de grootte van onze hazelnoten, en van denzelfden smaak.
Aanteek. v. d. Franschen Vert.
[33] Zie hier, het geen Mejuffrouw DE MERIAN ten deezen opzigte zegt:
"De roode, blaauwe en witte druif groeit weelig in het Surinaamsch Gewest; een wynstok, gesneden en in den grond gestoken zynde, brengt zes maanden daar na rype druiven voort; zoo dat men alle maanden plantende, het geheele jaar door druiven hebben kan. Het is te betreuren, dat 'er in dit Land geene lieden gevonden worden, die zig op het aankweeken van deeze plant toeleggen; want wel verre, dat het noodig zoude zyn, om wyn naar Surinamen te voeren, zoude deeze Volkplanting dien zelfs aan Holland kunnen leveren, dewyl men verscheiden malen 's jaars zoude kunnen oogsten". Men vindt, in de verzameling der afbeeldingen van deeze Juffrouw, een Surinaamschen druiven-tros. Iets verder spreekt zy ook van kerssen; maar zy zegt, dat ze niet goed zyn: misschien had men in haaren tyd pogingen gedaan, om verscheiden van deeze vruchten in de Volkplanting van Surinamen aan te kweeken, en het welk niet gelukt zynde, STEDMAN dezelve niet zal hebben kunnen vinden.
Aanteek. v. d. Franschen Vert.
[34] Men kan een slaaf van goed gedrag, in Surinamen, niet afzonderlyk verkoopen, zonder de toestemming van zynen vader, moeder, broeders en zusters.
Aantek. v. d. Schryver.
[35] Ik heb gezegd, dat JOANNA de dogter was van een fatsoenlyken Hollander, en dat het geslacht van haare moeder onder de aanzienlyksten op de Africaansche kust was.
Aantek. v. d. Schrijver.
[36] De Neger-Jagers hadden de gewoonte, om elken muiteling, dien zy doodden, de rechte hand af te kappen, en dan ontfingen zy vyf-en-twintig gulden. Men gaf hun vyftig gulden, wanneer zy 'er één levendig vongen, en duizend gulden voor het ontdekken van een gehucht of bezitting.
Aanteek. v. d. Schryver.
[37] De Negers hebben de onmenschelyke gewoonte, om de lyken hunner vyanden te verminken en te verscheuren; zommigen zelfs doen dit, even als de Caraïben, met hunne tanden.
[38] Men zie het Pourtrait van den Schryver, voor het eerste Deel van dit werk geplaatst.
[39] De Indianen maken de buitenste bast van deeze vruchten glad, na dat ze ledig gemaakt en gedroogd zyn, en doorvlammen dezelve op eene fraaije wyze met Roucoa en andere schoone kleuren, in acajou gom gemengd zynde. Hunne teekeningen, in 't wilde gemaakt, zyn vry juist voor lieden, die geene liniaalen noch passers hebben. Men ziet deeze werken nu en dan in de kabinetten van zeldzaamheden.
De inwooners der plaatsen, alwaar de Calebassen-boom groeit, beschouwen het vleesch van deszelfs vrucht als een algemeen geneesmiddel voor een groot aantal ziekten en toevallen. Zy gebruiken het tegen de waterzucht, buikloop, kwetsingen door vallen veröorzaakt, kneuzingen, ongemakken van wegen het steken der zon, hoofdpynen, zelfs om verbrandingen te geneezen. Zy maken 'er een geestryken drank van, naar onze limonade gelykende. Tegenwoordig heeft men het gebruik, om dit vleesch te laten koken, het afkookzel door een doek te gieten, vervolgens suiker daar in te mengen, en daar van eene buikzuiverende Syroop te maken, welke men op de Eilanden dikwils gebruikt, om geronnen bloed kwyt te raken: deeze Syroop word tans in Frankryk gemeen, alwaar men ze voor de borst gebruikt. Zy is bekend onder den naam van Calebassen-Syroop.
MILLER bericht ons, dat men, uit aartigheid, en met een goeden uitslag, den Americaanschen Calebassen-boom, in een broeikas van gematigde warmte, in Europa had aangekweekt; deeze boom vordert een ligten grond, en meenigvuldige besproeijingen. Men plant hem voort door stekken en versche korrels of pitten in den grond te steken.
Aanteek. v. d. Franschen Vertaler.
[40] STEDMAN zegt in eene aanteekening, by deeze gelegenheid, te gelooven, dat deeze slang tot het zelfde zoort behoort, waar van Dr. BANCROFT spreekt, die, in navolging van de Indianen, denzelven de kleine Labarra noemt, waar van de beschryving alhier volgt:
"De kleine Labarra heeft ten naasten by de lengte van veertien voeten, en de dikte van een gewoone zwanen-schacht. Hy is bedekt met kleine blinkende schubben van eene donker bruine kleur, en eene meenigte witte vlakken. Zyne staart is klein en spitsachtig toeloopende, zyn kop een weinig plat, en grooter dan het overig gedeelte van zyn lichaam. Een ongelukkig voorval, onlangs op de Plantagie la Conception, in de Volkplanting Demerary, gebeurd, bewyst de kwaadaartigheid van het gift van deezen slang. Hy, die daar van de doodelyke gevolgen ondervondt, was een Neger-slaaf, een timmerman van zyn ambacht. Aan zyn werk zynde, en een stuk hout willende omkeeren, beet een slang van dit zoort, die 'er onder verborgen lag, hem in dien voorsten vinger van zyne rechte hand. De uitwerking van dit vergift was allergezwindst. De Neger had naauwlyks den tyd gehad, om den slang te dooden, of hy konde het niet langer op de been houden, maar viel op den grond ter neder, en stierf in minder dan vyf minuten. Het bloed, eene zoo schielyke ontbinding ondergaande, liep uit de slagaderen, en deedt op alle de uitwendige deelen van het lichaam purper-vlakken te voorschyn komen. 'Er volgde ook eene bloedstorting uit neus, ooren en mond, enz. Ik ben van dit geval geen ooggetuige geweest, maar ik verhaale het volgens het gezegde van lieden, wier geloofwaardigheid niet in twyffel kan getrokken worden, en die 'er by tegenwoordig waren, toen het voorviel".
De andere slang, waar van STEDMAN in het vervolg spreekt, schynt deCenco te zyn, en met de evengemelde veel overëenkomst te hebben.
Aanteek. v. d. Franschen Vertaler.
[41] Men vindt van dit dier, onder deeze benaming, eene beschryving in het Dictionn. d'Hist. Natur.
Aanteek. v. d. Franschen Vertaler.
[42] Men schoot het kanon af by het aannaderen van het gevaar; de nabuurige Plantagiën herhaalden telkens de schoten; het alarm verspreidde zig dadelyk van wederzyden der Rivier, en de hulp kwam van alle toeschieten.
Aanteek, van den Schryver.
[43] Deeze regels zyn uit het treurspel van Hamlet overgenomen.
[44] In het vierde deel der Natuurlyke Geschiedenis van BUFFON, pl. 83, vindt men één van deeze vledermuizen, die slechts drie klaauwen aan elke vlerk heeft.
Aanteek. van den Schryver.
[45] Zommige Schryvers noemen hem het Rivierpaard van Zuid-America. Ik zal dit dier op een geschikter plaats, beschryven.
Aanteek. van den Schryver.
[46] Dit was des te aanmerkelyker, om dat wy met alle de Indianen in vrede waren, en dat de Negers de gewoonte niet hebben om het zelve weg te nemen.
Aanteek. van den Schryver.
[47] Locust-tree.—STEDMAN noch BANCROFT geven den Latynschen naam niet op van deezen boom, welken de Engelsche woordenboeken, door my gebruikt, vertaalen door het woord Caroubier of Brood-boom De beschryving, welke zy beiden van deezen boom geven, koomt niet juist overëen met de beschryving van den boom, die onder den naam van Broodboom bekend is. Zie hier, wat de laatstgemelde, van den Locust-tree sprekende, zegt.
"Deeze boom, die dikwils zeventig voeten hoog is, en een omtrek van negen voeten heeft, behoort tot het geslacht der peulvrucht-dragende planten. Zyne schors heeft eene gryze heldere asch-kleur. Zyne takken, die alleenlyk aan den top uitschieten, zyn zeer talryk, en bedekt met eironde bladen, van omtrent drie voeten lang, en eene zeer donkere groene kleur. Dezelve zyn aan een enkele steel twee aan twee verspreid, en altyd in het midden door eene ribbe ongelyk verdeeld. In plaats van zyne bloemen, die veel van de gedaante van kapellen hebben, komen platte peulvruchten, van omtrent drie duimen lengte, en anderhalve duim breedte, van eene heldere bruine kleur, wanneer ze ryp zyn, en bevattende drie purperkleurige amandelen, die veel naar de Windsorsche boonen gelyken, maar veel kleiner zyn. Deeze amandelen zyn bekleed met eene meelachtige zelfstandigheid, van een suikersmaak en helder bruine kleur, welke de Indianen met graagte eeten, en die aangenaam en zoet is.—Uit de voornaamste wortels van deezen boom druipt eene harstächtige, heldere, doorschynende,geel- of rood-kleurige gom. Men vindt 'er stukken van in den grond tusschen deeze wortels. In overgehaalden brandewyn gesmolten zynde, (want in water laat zy zig niet ontbinden,) levert zy een vernis op, het Chineesch verlakt zelfs overtreffende. Het hout van den Brood-boom is van eene helder bruine kleur; het is hard, zwaar en duurzaam; maar het vergaat in het water, even als het hout van byna alle de boomen in dit Land" (BANCROFT, Nat. Hist. of Guiana.)
Aanteek. v. d. Franschen Vertaler.
[48] Alle de Matroosen, Soldaten en Negers zyn zeer ongelukkig, wanneer zy gebrek aan tabak hebben. Dit houdt hen, zoo zy zeggen, wel te vreden, en zommigen zouden liever gebrek aan brood hebben.
Aanteek. van den Schryver.
[49] Zommige natuurkenners beweeren tegen het gevoelen van onzen reiziger, dat dit dier deeze snuit naar willekeur kan uit en intrekken, byna op de manier van een Olyphants snuit, of den hoorn van een Rhinoceros.
De Zee-paarden, in de huizen te Caijenne opgevoed, zyn uittermaten gemeenzaam, en worden gaarne gestreeld en gekrabd; zy loopen over al heen zonder kwaad te doen. Op het eetens-uur ziet men deeze dieren aankomen, als of zy tot het huisgezin behoorden; zy vermoeien de lieden, die aan tafel zitten, zeer; zy vragen hun op eene lompe wyze met hun snuit, om eeten te hebben; zy loopen rondom de eetens-tafel; zy eeten brood, cassave, vruchten, en dikwils, eer zy heen gaan, wryven zy zig tegen het huisraad.
De Indiaansche wilden bereiden de huid van deeze dieren, door dezelve uit te spannen en in de zon te laten droogen; zy bekleeden 'er hunne rondassen of oorlogs-schilden en hunne stormhoeden mede: de pylen en kogels doordringen met moeite dit gedroogde leder, het welk zeer hard, zeer dik, en waar van het weefzel zeer vast en in één gedrongen is. Te Caijenne maakt men 'er schoenen van, die langer duuren dan schoenen van ossen-leder; het water doorweekt dezelven niet ligt.
Aanteek. v. d. Franschen Vertaler.
[50] Veele Reizigers maken melding van Zee-menschen, waar aan zy den naam gegeven hebben van Tritons, Nereïden, Sirenen, half visch, half vrouw, of Ambizen. Allen komen daar in over één, dat het zeemonsters zyn, naar menschen gelykende, ten minsten van het hoofd tot het midden toe.
Men leest in zeker boek, genaamd Delices de la Hollande, dat in het jaar 1430, na eenen zwaaren storm, die de dyken in Westvriesland had doorgebroken, een Meermin in het slyk gevonden wierd. Men bragt dezelve naar Haarlem; men kleede haar, en leerde haar spinnen; zy gebruikte ons voedzel, en leefde eenige jaaren, zonder het spreken te hebben kunnen leeren, en had altyd een trek naar het water behouden. Haar geluid had veel overëenkomst met dat van een stervend mensch.
Aanteek. v. d. Franschen Vertaler.
[51] Hy hieldt hardnekkiglyk staande, dat deeze gezouten spyzen uitmuntend voor de gezondheid waren; en met dit al had hy drie koks uit Europa medegenomen.
Aanteek. van den Schryver.
[52] In plaats van dezelve neemt men ook wel een schelp, een visch-graat, of tyger-tanden.