The Project Gutenberg eBook ofRhandensche Jongens

The Project Gutenberg eBook ofRhandensche JongensThis ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.Title: Rhandensche JongensAuthor: J. LensIllustrator: Tjeerd BottemaRelease date: March 8, 2018 [eBook #56702]Language: DutchCredits: Produced by R.G.P.M. van Giesen*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK RHANDENSCHE JONGENS ***

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: Rhandensche JongensAuthor: J. LensIllustrator: Tjeerd BottemaRelease date: March 8, 2018 [eBook #56702]Language: DutchCredits: Produced by R.G.P.M. van Giesen

Title: Rhandensche Jongens

Author: J. LensIllustrator: Tjeerd Bottema

Author: J. Lens

Illustrator: Tjeerd Bottema

Release date: March 8, 2018 [eBook #56702]

Language: Dutch

Credits: Produced by R.G.P.M. van Giesen

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK RHANDENSCHE JONGENS ***

[Illustratie: kaft, met tekst:RHANDENSCHE JONGENSDOOR J. LENS's GRAVENHAGE. D.A. DAAMEN]

[Illustratie: kaft, met tekst:RHANDENSCHE JONGENSDOOR J. LENS's GRAVENHAGE. D.A. DAAMEN]

RHANDENSCHE JONGENS.

RHANDENSCHE JONGENS.

image: 02_verhuizingen.jpg

image: 02_verhuizingen.jpg

[Illustratie: VERHUIZINGEN EN TRANSPORTEN]

[Illustratie: VERHUIZINGEN EN TRANSPORTEN]

RHANDENSCHE JONGENSDOORJ. LENS.MET VELE ILLUSTRATIES VAN TJEERD BOTTEMA.image: 03_logo.jpgD. A. DAAMEN — 's-GRAVENHAGE.

RHANDENSCHE JONGENSDOORJ. LENS.MET VELE ILLUSTRATIES VAN TJEERD BOTTEMA.image: 03_logo.jpgD. A. DAAMEN — 's-GRAVENHAGE.

Hè, wat was het nu echt in de school!

't Zonnetje zette buiten alles in gloed, en door de ruiten zag je, hoe de boomen in de lekkere lentelucht stonden te trillen van genot. De kastanje-knoppen zwollen en spreidden hun teere groen voorzichtig uit. Door de beuken ritselde het; 't oude loover viel nu af en de gladde stammen blonken.

image: 04_raam.jpg

Daar hoorde je den lijster alweer; die zat zeker in zijn eentje te zingen! Van den weeromstuit begon de kanarie, die in zijn kooi voor 't middelste raam van het lokaal zat, ook te kweelen; zijn snaveltje schuin omhoog, zong hij zijn lente-verlangen zachtkens uit.

"Meneer, mag het raam open?" vroeg Koos Venema.

"Best, Koos, doe het maar even!"

Het middelste raam werd opengezet, en de heerlijke lentegeuren drongen binnen, tot de uiterste hoeken van het lokaal.

Ze keken op, de kinderen, en wachtten even.

"Meneer, 'k heb alweer zwaluwen gezien! Bij Theunissen, onder het dak van den stal", zei Jan Arps.

image: 05_medaille.jpg

"Zoo? Nu, ik ben benieuwd, of we ze hier ook weer tegen de goot krijgen. 'k Hoop het, want we hebben ze nu al twee jaar achtereen gehad, en 't geeft een heele gezelligheid..."

"Maar je moet voorzichtig zijn, als er jongen in 't nest zitten!" De opmerking kwam van Theo Maalders, een gezelligen dikkop, die de wereld vroolijk inkeek van achter zijn brilleglazen.

'n Paar jongens begonnen te lachen. Ze herinnerden zich de historie nog, van verleden jaar. Ze hadden staan knikkeren. Theo leunde tegen den muur. Hij wou zuinig wezen op zijn nieuwe pak, dat hij voor 't eerst aanhad. Boven zijn hoofd waren de jonge zwaluwen aan het babbelen. En toen hij opkeek, daalde er juist wat van boven neer, dat hem een mooie medaille gaf op zijn linkerborst. Ze zagen hem nog staan kijken; eerst onbeholpen. Toen had hij ineens dien sulligen Henk Staden aangeklampt.

"Toe, jô, haal eens af! 'k Hoef daar niet te zaaien!"

"Waarmee?"

"Wel natuurlijk met je zakdoek!"

En die goeie lobbes van een Henk had z'n eigen zakdoek uit den zak gehaald en Theo zijn eereteeken ontnomen.

De geschiedenis werd opgehaald, en meneer moest er om lachen.

"Jij spreekt dus uit ervaring? Nou, ondervinding is de beste leermeesteres, zei mijn moeder altijd; en die wist het! Jou zal 't niet makkelijk voor de tweede maal gebeuren, dat je vlak onder een zwaluwen-nest gaat staan!"

image: 06_schoolbank.jpg

Een vroolijk gelach klonk op, ten koste van Theo nu, die met het nuchterste gezicht van de wereld zat te kijken, net alsof het hem niet aanging. "Kom, jongens, de sommen roepen! Pakt aan en..."

"Sta vast, meneer!" vulde ineens Jan Arps aan. "Allo, hurt bok! Daar gaat hij weer!"

En met een gemaakt-armzalig gezicht zette hij zich aan zijn sommen. Wie 't niet beter wist, zou denken dat hij een bloedje in rekenen was!

"Hoeveel àf, Jan?" vroeg meneer.

"Vijf van de zes, meneer."

"Allo, hurt bok, de zesde!" kreeg Jan zijn eigen woorden terug.

"Tot uw dienst, majoor! In vijf minuten."

En Jan begon met een ijver, of zijn leven er van af hing. Zijn kameraads wisten allemaal, dat het hem wel gelukken zou. De werkstemming was er dadelijk weer, behalve bij Koos. Die zat te draaien, op zijn pennehouder te bijten, in zijn boek te bladeren.

't Lukte vanmorgen niet. Die vervelende sommen! En dat het nu net zulk heerlijk weer moest wezen! Hij zou nu veel liever op zijn kar zitten, midden in het bosch. Of langs de smalle heipaadjes trappen, waar je al je rij-kunst noodig had om 't pad te houden. Als er een boer aankwam, die niet wijken wou, kon je nog afstappen ook!

't Was gek: den heelen winter had hij er best tegen gekund. Maar nu de zon zoo heerlijk deed, en er lente-geruchten in de lucht zweefden, kòn hij er niet bijblijven, hoe hij er zich ook toe dwong.

"Meneer, gaat u Woensdag mee fietsen?" vroeg hij ineens.

"Lukt het niet vanmorgen, Koos?"

"Och meneer, die vervelende sommen en dat mooie weer!"

image: 07_nestkast.jpg

"Ja maat, die komen niet bij mekaar, vind je? Toch zal 't moeten. Over dat fietsen praten we om twaalf uur wel."

Met een zucht begon Koos weer. Maar zijn gedachten waren buiten. Zouden er al kieviten in de Plassen zitten? En zijn meezenfamilie? Hoe of die het maakte?

Dat was zijn geheim, van hem en van zijn broertje Dirk. Diep in het bosch hadden ze een zelfgefabriceerd nestkastje opgehangen: een stuk berketak, dat ze met veel moeite hadden uitgehold. Ze hadden er een verscholen hoekje voor opgezocht; waren, om het te bevestigen, een heel eind een beuk ingeklommen. Dezen winter waren ze een paar malen gaan kijken: eindelijk was het door een meezenpaar bewoond! Koos had zonder daar Mops meening over te vragen, van Mop een vleezig beentje afgenomen, dat die uit de keuken had opgediept. Mop stelde het schijnbaar niet eens op prijs, dat hij mee mocht om het te brengen, en kon toezien, toen het werd opgehangen! Maar de meezen hadden de bedoeling des te beter begrepen.

Zouden er nu al jongen zijn? Nee — 't was nog veel te vroeg in 't jaar. Maar zeker waren ze reeds met de nestdrukte begonnen, vooral nu 't weer zoo mooi werd.

image: 08_schrift.jpg

Woensdag moest hij er op uit — als meneer dan eens weinig werk opgaf — en dan met z'n drieën of vieren op de kar er van door! Ja, de hei was nog wel zwart. Hoe heerlijk moeten nu de berken met hun ragfijne loover staan te droomen in de zon! Hij zou vast zijn schetsboek meenemen, even een paar krabbeltjes er van maken.

Onwillekeurig ging zijn potlood aan den gang — hij vergat sommen en klas, en voelde alleen lentelucht, zag alleen lenteleven, hoorde meezen-gesjilp en 't zacht ruischen van den voorjaarswind door het ijle berkenloover.....

Een luid gelach wekte hem uit zijn gedroom.

Hij keek op, en bemerkte, dat hij de een of andere dwaasheid moest uitgehaald hebben. De boeken en schriften waren overal weggeruimd; alleen op zijn plaats lag alles nog in wanorde op de bank. Haastig greep hij naar zijn schrift, waar nu, inplaats van sommen, een teekeningetje was ontstaan.

"Dat wil ik graag van je hebben, Koos! Anders zou ik moeten denken, dat je je heelen morgen verdroomd hebt."

Koos, wat onwillig, wat verlegen, bracht het schrift.

"Wat moet er boven dat opstel-in-lijnen staan, Venema?" vroeg meneer een beetje strak.

"'t Hindert niet. Maar ik kàn die sommen ook niet maken!"

"Dus 'Lentestemming' b.v.?" vervolgde meneer.

"Ja, als u er bijzet: Van een tot sommen-maken veroordeelde", spotte Theo. Z'n oogen, achter zijn bril, zochten het onafgewerkte schetsje af. En gul, met een gemakkelijke bewondering, voegde hij er aan toe: "Toch mooi! nou! kon ik het maar zoo!"

"'k Wou het voor jou, Theo", plaagde meneer Theo, wiens beste vak teekenen nu eenmaal niet was. "En weet je, wat ik nog meer wou? Dat jullie die sommen allemaal goed maakten. Gerust er moet beter aangepakt worden."

Koos vond het toch vervelend.

"Toe, meneer, geef me dat ding liever terug. Als u Woensdag mee gaat fietsen, zal ik wel een mooier voor u teekenen....."

"Zou je nu niet liever eerst je bulletjes opruimen? Dat heb ik je al tweemaal gevraagd, maar Koos luisterde niet."

O, hadden ze daar zoo om zitten lachen? Ze konden ook nergens tegen.

Haastig bergde hij alles weg, en toen waren ze klaar. Een kort, hartelijk dankgebed, en ze konden gaan.

"Wacht jij even, Venema?" vroeg meneer aan Koos.

"Ook al goed", bromde die, weinig vriendelijk, en lusteloos ging hij weer naar zijn plaats.

Meneer kwam dadelijk bij hem.

"Zeg, chef, waar zaten je gedachten vanmorgen?"

"Overal, behalve bij mijn sommen, meneer", biechtte Koos eerlijk op.

"'k Heb het gemerkt; je was er heelemaal niet bij."

"Ik kòn niet, meneer! Met zulk weer kom je er niet aan toe om te werken", antwoordde Koos met eenigszins koddig aandoende berusting.

"Tut-tut-tut man! Jij bent toch zelf de baas? Je zegt toch zèlf, of je er aan toe bent om te werken of niet?"

Koos zweeg. Als hijzèlf het voor 't zeggen had, dan zat hij nu op de hei, of in 't bosch bij zijn meezen.

"'k Zal zien, of ik 't er Woensdagmiddag kan uitbreken. Dan gaan we een paar uurtjes zwerven in den Del. 'k Vind het heusch óók heerlijk, maar plicht gaat boven alles."

"Als je zoo oud bent als u mogelijk wel, meneer", bekende Koos. Maar hij stelde in de beloofde wandeling meer belang.

"Mogen we ècht weer met u mee?"

"Ja, ècht, als 't eenigszins kan. Maar dan doe je mij hetzelfde pleizier als de andere jongens: dan ploeter je er vanmiddag en morgenochtend op los, dat het een aard heeft. Begrepen?"

"Begrepen, mijnheer."

Koos' oogen straalden.

"Dan, ingerukt marsch!" commandeerde meneer, en hij trachtte een harde stem op te zetten en boos te doen.

In een wip was Koos er van door, naar huis toe, eten, en dan nog even zwerven op de fiets, eer ze vanmiddag weer zouden beginnen.

't Was een klein stadje, Rhanden, maar het had een eeuwenoude geschiedenis. Al lang waren de muren afgebroken, de muren, die maar een kleine oppervlakte grond hadden ingesloten. In een goed kwartier liep je het stadje in de lengte door, en 't was niet veel breeder ook. Maar buiten die eigenlijke kom had zich een dorpsgedeelte ontwikkeld, waar de arbeiders woonden en de keuterboertjes, en waar nog een paar groote boerderijen met niet meer gebruikte tabaksschuren de herinnering levendig hielden aan een vroegeren tijd van bloei. 't Was er gewoonlijk stil, behalve in de zomermaanden. Dan zwermden stadsmenschen op het stille plaatsje neer, en vulden de straten, de wegen, de lanen met hun vaak luidruchtig gedoe; dan toeterden de auto's langs den breeden straatweg, die zich als Hoofdstraat door het stadje voortzette, en het aan de andere zijde weer verliet. 's Zomers, vooral op de zonnige dagen, lag alles langs dien weg dik onder het hoogopgeworpen stof. Rustig lag, midden in de kom van Rhanden, de oude, grauw-begroeide kerk. Stond je op de Hucht, op een half uurtje van de kom vandaan, dan zag je die kerk liggen als een kloek tusschen haar kuikentjes. Want Rhanden zelf lag in een dal, dat alleen langs den rivierkant niet afgesloten was door hoogere gronden.

Het was een paradijs voor de jongens. Behalve markt en kerkplein, bood de stad zelf weinig ruimte om te spelen. Maar de eerste lag vlak bij het politie-bureau, en het tweede was bevloerd met kleine, puntige, gedolven keitjes. Als je daar kwam te vallen, had je meteen een buil of een gat in je hoofd. Aan die scherpe keitjes was het zeker te danken, dat het Kerkplein, behalve 's winters, als er sneeuw lag, altijd een aanblik van evengroote rust vertoonde. Met de markt was het, ondanks het politie-bureau, nog anders. Alleen als Sterkhouwer er de wacht had, konden zij er niet veel uitvoeren. Want Sterkhouwer vonden ze een "kwaaien". Hij was hoofdagent en had vroeger in Amsterdam gediend. Wat kon hij daarover opsnijden! "Dáár had je nog 's mooi werk; minstens elke week een paar dieven of zoo.... maar hier.... hier is 't een dooie boel; nooit wat te doen, dan met die kwajongens!" En als hij dat zei, dan keek hij die "kwajongens", die hij op den Bergweg of midden in het bouwland van den Enk ontmoette, aan met een paar oogen, dat ze er bijna bang van werden, ook al hadden ze juist nu niets op hun geweten.

image: 09_sterkhouwer.jpg

Wanneer ze hem zoo, gewoon op de wandeling, tegenkwamen, dan was er in heel Rhanden geen beter mensch te vinden dan Sterkhouwer.

Maar o wee! als ze wat uitgehaald hadden! Hij kwam gemoedereerd bij ze thuis zeggen"dat die drommelsche jongen om zeven uur bij 'meneer' op 't 'bero' moest komen." Danzat er een standje voor ze op! En Sterkhouwer, als hij ze de kamer van "meneer" binnenbracht, keek zoo nijdig, alsof hij wel voor beul wou spelen.

Koos Venema en Theo Maalders hadden het ervaren, en ze wisten ervan te vertellen!

Op een van hun tochten waren ze in de Lichterbosschen aan 't zwerven geraakt. Ze kregen geweldigen dorst. Daarvoor waren twee redenen: vooreerst was hun veldflesch leeg en dan waren ze vlak bij de buitenplaats Boschlust, waar prachtige appelboomen stonden. Nergens, in heel Rhanden en omgeving, vond je er zulke. Ze liepen 't openstaande hek door. Er was geen tuinman te bekennen. Toen maar verder. Misschien was er wel een vijver met lekker frisch water, maakten ze zichzelven wijs. Doch in plaats van bij den vijver, dien ze zochten, belandden ze in den boomgaard, dien ze niet gezocht hadden. Theo keek eens omhoog, mat den afstand, die hem van een paar heerlijke appelen scheidde. Ze praatten er niet veel over, maar in een minimum van tijd stond Koos op Theo's schouders en de appels verdwenen... tot ze opeens den tuinman zagen. Zij àf, door den tuinman gevolgd. Maar... op den Boschweg liepen ze Sterkhouwer in de armen, die juist buitendienst had.

't Gaf een bekeuring natuurlijk, en van Sterkhouwers kant een beklagen van ouders, die zulke "apen van jongens" hadden. Of het er voor allebei had opgezeten! 't Liep bij "meneer" op "'t bero" met een geweldig standje af, maar thuis kregen ze er meer over te hooren! En toen ze hadden ingezien, dat appels-kapen óók stelen is, ja, toen vonden ze zich, tegenover hun vader, niet zulke helden! Maar tegenover hun kameraden sneden ze héél wat op over Sterkhouwer en "meneer" en "'t bero". Sedert dien probeerden de jongens, vooral hun klassegenooten, zooveel mogelijk uit Sterkhouwers handen te blijven.

image: 10_burgemeester.jpg

Den burgemeester kenden ze allemaal. Zijn middelmatige, stevige lichaamsbouw, zijn pittige oogen, die hij zoo geweldig in zijn hoofd kon laten rollen, en vooral zijn groote snor, gaven hem het voorkomen van een oud-officier. Hij boezemde den jongens respect in, en toch... ze mochten hem zoo graag nog eens nadoen!

Vooral Theo, wiens vader in den gemeenteraad zat, kon dat prachtig. Hij draaide zijn denkbeeldige, geweldige snorren op, liet zijn oogballen enkele malen naar alle ooghoeken rollen, en begon dan, met een geweldig brouwend geluid: "Inderrrdèd, mijne heerrren, het belang van de gemeente vrègt...."

Toch, hoe weinig ze hem persoonlijk ontmoetten, hielden de jongens wel van hem. In ieder geval was hij hun burgemeester, de burgemeester van het oude Rhanden aan den Rijn, en daar was niet zoo gering over te denken. In de waardigheid van zijn gang, in de deftigheid zijner manieren, in het gemaakte van zijn spreken, vertegenwoordigde hij het geslacht vanoud-Rhandenscheingezetenen. Want voor den oud-Rhandenaar, was er eigenlijk maar één soort menschen: dàt waar hij toe behoorde. De anderen, nu ja, die mochten er wezen, maar het èchte, dat was het niet!

't Bleef mooi weer, al weken aaneen. Er was bestendigheid in de lucht, alsof er nooit ander weer zou komen. In de tuinen was het dag aan dag bloemenfeest. Als reusachtige boeketten stonden de vruchtboomen in hun rijken bloei: wit met teer-rose. En 't blad ontplooide zich uit den knop en gaf een wazig lichtgroenen achtergrond aan al dat bloesem-mooi.

't Was prachtig zaai-weer geweest.

In den Enk, aan den Boschkant, in de Weerdes, overal was het druk, één en al beweging. De lijsters hadden het druk in de omgewerkte akkers, en in 't bosch was het één en al getjilp en gefiet en gekwetter, één vogeldrukte van belang....

Zwaar knarsend in de wielen, kwam een door twee logge, sterke paarden getrokken verhuiswagen den Hucht opsukkelen. 't Ging langzaam en met groote bezwaren. De vracht was te zwaar, zelfs voor de reusachtige dieren, die haar trokken. De koetsier schreeuwde en vuurde de dieren aan, zooveel hij kon. Om den wagen liepen een paar verhuisknechts; nu eens hadden ze de paarden bij den teugel, dan weer zetten ze zich tot duwen; bij oogenblikken hadden ze de met ijzer beslagen houten noodig, die, onder de wielen geschoven, het achteruit rijden van den wagen moesten beletten.

't Was nog vroeg, en dus stil langs den weg. Toch werd hier en daar een raam van een der villa's opgeschoven en kwam een nieuwsgierig hoofd naar buiten.

"Zoo gaat het niet", schreeuwde de koetsier, toen ze tot vlak bij het vriendelijk gelegen huisje genaderd waren, waar Jan Arps woonde.

image: 11_geboomte.jpg

't Lag achter zwaar geboomte verscholen, een eindje van den weg af. Maar Jan had al lang het lawaai gehoord en stond aan het hek.

"We schieten op als slakken", schreeuwde de koetsier weer.

"'t Is te zwaar voor die beesten", zei Jan, die 't hekje uitkwam. "Ze boomen het niet."

"'k Geloof het ook", pruttelde de koetsier, die van den bok afklom, en zijn beesten, die stonden te hijgen van inspanning, op den nek klopte.

"Ze kunnen niet meer. Ze zijn haast buiten adem. 't Is ook zoo'n steile hoogte hier!"

"Reinders rijdt altijd met drie paarden zijn verhuiswagens tegen den berg op", zei ongevraagd Jan, "en zóó'n kar, daar zet hij wel eens vier voor.Die zijn zoon Driekusmoet je zien mennen! Die kan het!"

"Kunnen we hier wat water krijgen voor de beesten? Want dat zie je ook nergens."

"Best hoor, ik zal 't wel halen", en in een ommezien kwam Jan aandragen met een emmer water.

De dieren dronken, of hun dorst nooit gelescht zou worden, en een tweede emmer water was noodig.

image: 12_dorst.jpg

Onderwijl overlegde de voerman met zijn kameraads, wat ze doen zouden.

"Zoo gaat het niet, zóó beul ik m'n jongens te veel af, en daar dank ik voor", zei de voerman, en weer klopte hij de dieren goedig tegen den vleezigen nek. Ze kwamen wat tot rust, maar stonden toch nog te rillen op hun pooten.

"Weet je wat, ga jij vragen of die Reinders ons met een span paarden wil komen helpen", richtte hij zich tot een van de knechts.

"Waar woont die, weet jij dat ook?" vroeg deze aan Jan.

"O, aan den dijk. Je loopt dezen weg maar op, recht door Rhanden heen, en dan nog een minuut of vijf; dan sla je een dwarsweg in, en dan zie je het wel: hun huis staat vlak tegen den dijk aan. Maar wacht, ik zal mijn boterham opeten, dan kom ik je na op de fiets en zal het je wijzen."

"Asjeblieft, want van je recht door en links af snap ik niet veel", pruttelde de knecht, die in de wandeling blijkbaar weinig zin had.

Jan ging naar binnen.

"Moeder, mag ik alvast wat eten? Dan fiets ik die lui even achterop, om ze te wijzen waar Reinders woont, want zóó komen ze niet tegen den berg op."

"Kom je voor schooltijd nog terug?"

"Natuurlijk, Moe, 't is nog vroeg."

Jan kreeg verlof, en een kwartier later fietste hij den Bergweg af.

image: 13_fiets.jpg

image: 13_fiets.jpg

Hij reed, zoo snel hij kon, en onderhaalde den knecht nog vóór in de Hoofdstraat.

Zoodra hij den man zag, remde hij, natuurlijk met zijn voet op 't voorwiel, en sprong van de fiets.

"Oók een gat hier!" Met die vriendelijke begroeting werd hij ontvangen. Net wat voor Jan! Van ouder tot ouder was hij Rhandenaar, en dan zoo iets te moeten hooren van zoo'n kerel!

"Waarom kom je dan hier, als je 't zoo'n gat vindt", beet hij nijdig terug.

"Nou jô, 'n mensch moet wat doen voor zijn broodje", zuchtte de ander. "Voor je pleizier hoef je den ganschen nacht niet op zoo'n wagen te liggen."

Ja, dat was waar, dat verzachtte, vond Jan, en hij gaf zijn plan op, om, uit wraak over de minachting, aan Rhanden betoond, den knecht niet verder te helpen. Bovendien vond hij het wel interessant; 't was een avontuurtje, waarover hij tegen zijn kameraads kon opsnijden.

"Moet je nog verder?" vroeg hij, naast de fiets voort stappend.

"'k Weet het niet, we moeten in de Hoofdstraat zijn, in 'n grooten ijzerwinkel."

"O, bij ter Hoek? Dien zijn we al voorbij. 'k Zal hem strakjes aanwijzen. Hier zijn we aan den zijweg."

Ze sloegen een pad in met diep ingezakte karsporen, en kwamen bij Reinders, die, na eenig onderhandelen, bereid bleek de gevraagde hulp te verleenen.

"Driekus", riep hij zijn zoon toe, een reus van 'n kerel.

"Ja, vader, hier!"

"Ga eres met een span paarden naar den Berg!"

"Goed, vader. Is 't weer zoo?"

"Ja, 't is zoo."

De laatste woorden werden met al het zelf-bewustzijn van den oud-Rhandenaar uitgesproken. En Jan vond het best, dat die knecht, die zoo'n slechten dunk had van Rhanden, ze lekker te hooren kreeg.

image: 14_thee.jpg

"Nou Driekus er bij is, ga ik maar terug. Mag ik straks meerijden?"

"Voor mijn part, ja, hoor!"

Jan sprong op de kar, en peddelde, nu bergop, naar huis. De koetsier zat met den anderen knecht aan den berm te eten. Juffrouw Arps had ze een kop thee gebracht, die ze graag hadden aangenomen.

"Ze komen, hoor!" riep Jan hun al tegen. "En ik mag meerijden, heeft hij gezegd."

"Meerijden? Dat zal moeilijk gaan. Waar moet je zitten?"

"Voor mijn partinden wagen", antwoordde Jan. "Of er boven op. Maar hij heeft het beloofd."

"Dan zullen we zien, wat we doen."

Jan verdween, om zijn ontbijt voort te zetten. Hij vertelde, dat 't voor den winkel van Ter Hoek was, en haastte zich, toen hij Driekus' harde stem hoorde, weer naar buiten. Driekus had zijn tweetal al aangespannen. Hij wilde beslist op den bok, en na wat tegenstribbelen van den voerman kreeg Driekus zijn zin. De koetsier nam naast hem plaats, en Jan kon achter op het trapje staan en zich vasthouden aan de handvatten van de deur. Dat gaf 't voordeel, dat hij er eens af kon springen, kijken hoe het ging, om dan zijn plaatsje weer in te nemen.

Nu ging het best. Nu knarsten de kettingen, en bleven strak-gespannen staan. Zonder hapering, gelijkmatig, kwam de wagen tegen den berg op, en al heel gauw hadden ze 't hoogste punt van den weg bereikt. Daar hielden ze stil, want Driekus wilde zijn paarden afspannen. De koetsier kon het nu verder zelf wel, maar Driekus waarschuwde hem, eerst de remmen op te zetten.

Voor Jan was er daardoor een plaatsje op den bok vrijgekomen. Hij klom er op; maar 't viel niet mee, want de zitting was niet breed, zijn beenen waren wat kort, en, ondanks alle remmen schoof de kar aardig snel den berg af, ratelend en schommelend.

"Nog sterker remmen! Anders hou je 'm niet", schreeuwde Driekus den koetsier toe.

Deze draaide aan, met uiterste krachtsinspanning tot... knap... de veer op één der remmen het opgaf en afbrak. Nu was de vaart niet te stuiten, en schommelend reed het logge gevaarte in snelle vaart over den steil-hellenden weg.

't Ging Jan nu wel wat erg hard. Hij klemde zich krampachtig vast aan één der ijzers terzijde van den bok, en keek vol angst naar de paarden. Als er nu een viel, of ze werden wat dampig, dan gingen de voerman en hij kopje-over van den bok.

Maar de koetsier hield de teugels. Geen oogenblik aarzelde hij; ze blèven buiten de tramrails, en de paarden blèven kalm.

Bovendien had Driekus zijn eigen paarden aan één van de knechts overgegeven, en stond hij zelf op een der opstappen, om bij een mogelijk ongeluk bij de hand te zijn. Dat hij zèlf daarbij gevaar liep, daaraan dacht hij niet. Hij zou zich als oud-Rhandenaar geschaamd hebben, indien hij niet geholpen had, waar hij meende, dat hulp noodig was.

Zoo deed Jan dien morgen zijn glorieuzen intocht binnen Rhanden, en trok hij van zijn verheven zitplaats de aandacht van zijn kameraden; vooral, toen na een laatste bocht in den weg, de wagen, door den koetsier weer geheel in bedwang gehouden, stopte voor den winkel van Ter Hoek.

Dadelijk was hij omgeven door tal van schooljongens, die den opstap probeerden op het nog steeds omlaag-geslagen achtertrapje. Jan klom er af, en hij was niet weinig gestreeld, toen de voerman hem toeriep: "Dank je wel, maat! Jij hebt je goed gehouden op den bok!"

"Is 't anders niet?" antwoordde Jan, schijnbaar onverschillig, maar toch zóó luid; dat de jongens het hoorden.

"Wat was er?" "Hoe kwam jij d'r bij?" "Wie komt er wonen?"

Neen maar, óók dom van hem! Dat had hij heelemaal vergeten te vragen. Maar om twaalf uur kwam hij het wel te weten. Vast! Hij ontweek daarom het antwoord op die laatste vraag, en vertelde daartoe breedvoerig zijn ervaringen van dien morgen, en het gevaar van den rit berg-af.

Met open mond luisterden de jongens, vooral toen Koos Venema bevestigde, dat de kar zoo snel reed.

"'k Kon hem haast niet voorbijkomen met de fiets", zeide hij.

De intocht van Jan werd er te meer glorieus om, en het speet hem niets, dat hij den voerman zijn diensten had aangeboden.

Maar nu nog de eerste zijn, die wist,wieer kwam te wonen!

Om twaalf uur, zoodra de school uit was, haastte hij zich naar de Hoofdstraat. De meubelwagen stond er nog, en al gauw ontdekte hij den koetsier.

"Zoo, baas, schiet je op?"

De koetsier keek op.

"Zoo, kameraad, jij alweer present? D'r is nou niks voor je te verdienen hoor, of je moet een sjouwtje willen aannemen! We kunnen er nog best een paar man bij opzetten, vooral als ze zoo vief zijn als jij!"

"Bah! Wat stuift het", zei Theo ineens. Hij was Jan gevolgd, en knipoogde tegen hem.

"Jij wordt er ook eventjes tusschengenomen, zeg! Of hij kent je nog niet."

"'k Zou dien jongen niet kennen! Vanmorgen heeft hij al voor m'n paarden gezorgd en naast me op den bok gezeten, toen m'n beesten haast op hol sloegen. Nou jij, maat!"

Theo's oogen draaiden guitig achter zijn bril heen en weer.

"Waar kom jullie vandaan, zeg?" vroeg hij.

Leukweg antwoordde de koetsier: "Wel, den berg af."

"Nou ja, dat weet ik. Maar eerst?"

"Ja, als ik je dat moet gaan vertellen, heb ik nog wel een dag werk", antwoordde de koetsier, die schik had in Theo's gezellig gezicht.

Jan was intusschen bij de knechts gaan staan, die achter in den meubelwagen hun boterham zaten te eten.

"'t Ging fijn, hè, vanmorgen?"

"Wat je fijn noemt", antwoordde de een, met wien Jan er op uit was geweest.

"Nou, ik dacht, dat ik door mekaar rammelde. Is er niets gebroken?"

image: 15_boterhammen.jpg

image: 15_boterhammen.jpg

De veronderstelling alléén, dat er iets gebroken zou wezen, was de eer der verhuizers te na.

"Als jij den boel had ingepakt, of andere Rhandenaars, dan zou het mogelijk wezen. Maar wij doen het vanzelf goed!"

"Nou, maar je moet onzen Reinders anders ook niet weggooien! Die verhuist naar alle oorden van de wereld!"

"Wij dan!" pochte den ander. "Voor een paar jaar hebben we den keizer van Japan verhuisd. Als ik er nog aan denk, wat een werk dat was! Met al dat Japansche porcelein, weet je? Zoo dun als water alles; je kon er doorheen kijken, en toch geen kopje gebroken!"

Dat werd Jan te machtig.

"En in welke stad woonde die keizer van Japan?" vroeg hij parmantig.

"In Amsterdam", was het nuchtere antwoord.

"Als je nog eens wat weet, zeg! In Amsterdam!" schaterde Jan het uit.

"Dat komt, omdat jij d'r niks van weet. Hier, in zoo'n gat, weet natuurlijk niemand iets van dien grooten Amsterdamschen porceleinwinkel", en meewarig schouderophalend draaide de verhuizer zich om.

Dat was de tweede al, die met zoo'n geringschatting over Rhanden sprak. Wat verbeeldden die lui uit de groote stad zich wel? Jan werd weer nijdig.

"'k Begrijp niet, wat jullie in zoo'n gat komen doen!"

"Ik bèst. 'n Ander hier brengen en zelf zoo gauw mogelijk weer weggaan", plaagde de knecht, die schik had in Jan. En vergoelijkende voegde hij er aan toe: "Maar 't is mooi hier, ècht mooi; veel mooier dan bij ons in stad."

Dat stelde Jan tevreden.

"Waar kom jullie eigenlijk vandaan?"

"Uit Haarlem."

"Zoo ver? Anders gaan de wagens toch per spoor?"

"D'r was zeker geen ruimte voor dezen."

"Komen de menschen gauw?"

"Die zijn gisteren al gekomen."

"Zijn ze aardig?" Nu wilde Jan alles weten.

"Vraag dat maar in Haarlem; wéét ik niet."

Zooveel wist Jan dus nu. Nu nog meer te weten zien te komen.

"Hoe heeten die menschen ook al weer?" zette hij zijn onderzoek voort.

"Poorters, geloof ik."

"Zijn d'r jongens?"

"'n Stuk of dertien, denk ik."

Nu hield de knecht hem weer voor den gek.

"Heb je nog meer te vragen? Anders ga 'k een half uurtje slapen", zei hij, keerde Jan den rug toe, kroop in den openstaanden wagen, en legde zich op de pakkleeden neer.

Jan wist genoeg. Hij stoof op Theo af, en vertelde dadelijk al wat hij wist, tot van die "stuk of dertien jongens" incluis. 't Was wel wat moeilijk te gelooven, maar 'n pààr jongens zouden er licht wezen en misschien was er wel een bij voor hun klas. Met dat nieuwtje haastten ze zich naar huis.

De middag bracht hun de oplossing van al wat ze zoo graag weten wilden. Meneer vertelde, dat er een nieuwe jongen en een nieuw meisje in hun klas zouden komen.

"Enikweet van wie!" Jan kwam er triomfantelijk mee voor den dag.

"Ik ook", zei Koos Venema, heel gewoontjes, "natuurlijk van Poorters, die in de zaak van Ter Hoek komt."

Jan keek sip. Nu zei Koos 't nog eer dan hij, en hij had Koos niet eens bij den wagen gezien...

"Is 't een aardige jongen, meneer?"

"Dat zullen we moeten ondervinden."

"En 't meisje?" vroeg Bets Craats.

"O, die zijn immers altijd aardig?" plaagde meneer.


Back to IndexNext