HOOFDSTUK VIII.

HOOFDSTUK VIII.»Gij kent de kunst van ’t vechten,”Zoo sprak de man, die het pleit hier moest beslechten.»Hoor,” sprak de pleiter, »op mijn eer,Gij zijt een vechtersbaas, mijnheer!Ja, bij mijn ziel, gij kunt het wagenDen stoutsten kamphaan hier te dagen.”Butler.Toen wij het voorplein betraden, kwam ons een bediende in mijns ooms liverei te gemoet, en nam ons de paarden af. Wij traden het huis binnen. Doch toen wij in de voorkamer kwamen, stonden mijneschoone reisgenoote en ik verrast, neef Rashleigh daar aan te treffen; terwijl hij, ons ziende, even verwonderd was.»Rashleigh,”—dus begon Diana, zonder hem tijd te laten om ons eene vraag te doen—»gij hebt van uws neefs zaak gehoord; gij hebt reeds met den rechter daarover gesproken?”»Ja!” hernam Rashleigh met zeer veel bedaardheid. »Die zaak was de reden van mijne komst. Ik heb mij beijverd,”—met eene buiging tegen mij—»mijn neef van dienst te zijn, zoo veel ik kon. Het spijt mij inderdaad, hem hier te ontmoeten voor zulk een zaak.”»Als vriend en bloedverwant,” antwoordde ik, »moest het u integendeel spijten, wanneer gij mij ergens anders ontmoettet, daar ik dan niet spoedig genoeg hier kon zijn, om mijne aangetaste eer te zuiveren.”»Volkomen waar,” hernam Rashleigh; »maar naar mijns vaders uitdrukkingen te oordeelen, meende ik niettemin, dat een kort verblijf in Schotland—slechts zoolang, tot de zaak in stilte afgedaan ware …”Ik antwoordde hem met drift, dat ik hier in geenen deele vreesachtige voorzichtigheidsmaatregelen behoefde te nemen, dat er niets in stilte afgemaakt behoefde te worden, maar dat mijn doel wel degelijk was, een laaghartigen laster op het spoor te komen, en den lasteraar beschamend te wederleggen.»Mijnheer Frans Osbaldistone is onschuldig, Rashleigh,” zeide Diana hierop. »Hij verlangt, dat men de tegen hem ingebrachte beschuldiging onderzoeke, en ik zal hem daarin behulpzaam zijn.”»Gij, lieve nicht?” vroeg Rashleigh. »Mijns inziens zou mijn neef even goed, en misschien wat voegzamer, door mij dan door u ondersteund worden.”»Dat kan wel zijn, maar gij weet toch ook wel, dat vier oogen meer zien dan twee.”»Welzeker, en vooral oogen als de uwe, schoone Diana!” hernam Rashleigh. Daarbij vatte hij hare hand, met zulk eene vertrouwelijke teederheid, dat hij er in mijne oogen nog vijftigmaal leelijker uitzag, dan de natuur hem geschapen had.Diana nam hem ter zijde. Zij spraken zeer zacht met elkander, en het meisje scheen iets te begeeren, wat hij niet toestaan kon of wilde. Nooit zag ik zulk een sterk contrast in de uitdrukking van twee gezichten. Hare oogen vonkelden; hare wangen werden vuurrood; zij balde de kleine handen tot vuisten; zij stampvoette heftig, en scheen met verachting en ergernis verontschuldigingen aan te hooren, welke hij—zoo als ik uit zijn hoffelijk schouder-ophalen, uit zijn bedaard, eerbiedig lachje en uit andere teekens besluiten moest—met alle onderdanigheid aanvoerde. Eindelijk keerde zij zich plotseling van hem af, terwijl zij op zeer stelligen toon zeide: »kort en goed, ik wil het zoo hebben!”»Maar dat is geheel buiten mijne macht. Het is mij volstrekt onmogelijk,” hernam Rashleigh, terwijl hij zich tot mij keerende er bij voegde: »denk eens neef …”»Zijt gij razend?” viel Diana hem in de rede.»Denk eens,” vervolgde Rashleigh, zonder zich door haar te latenstoren, »Freule Vernon wil volstrekt, dat ik niet alleen uwe onschuld erken—waarvan trouwens niemand inniger overtuigd kan zijn dan ik,—maar dat ik ook hen, die eigenlijk schuldig zijn aan de gepleegde misdaad, bekend zal maken, indien er werkelijk zulk eene misdaad gepleegd is. Spreek, is dat verstandig?”»Ik wil hier geen beroep op den heer Osbaldistone laten gelden, Rashleigh,” hernam Diana. »Hij toch weet niet, wat ik weet, dat namelijk uwe correspondentie over alles, wat er gebeurt, zeer uitgebreid is.”»Gij kent mij een macht toe, waarop ik geene aanspraak kan maken!” antwoordde Rashleigh.»Slechts rechtvaardig ben ik jegens u, Rashleigh, slechts rechtvaardig, en ik verwacht van u ook niets meer dan gerechtigheid.”»Gij zijt eene dwingelandes, Diana,” hernam hij met eene soort van zucht; »eene grillige dwingelandes, en gij heerscht over uwe vrienden met een ijzeren schepter. Maar aan uwe begeerte zal voldaan worden. Gij moest echter niet hier zijn; gij weet het immers—gij moest niet! Keer dus met mij terug.”En zich omkeerende, terwijl Diana besluiteloos bleef staan, trad hij naar mij toe en zeide: »Twijfel niet, neef, dat ik oprecht deelneem in hetgeen u overkomen is, en het is alleen om voor uwe belangen te waken, dat ik u op dit oogenblik verlaat. Maar gij moet uw invloed op onze nicht aanwenden, om haar te bewegen naar huis te gaan. Hare tegenwoordigheid hier kan u niet van nut zijn, en haar tot nadeel strekken.”»Gij moogt u verzekerd houden,” was mijn antwoord, »dat ik daarvan evenzeer overtuigd ben, als gij. Ik heb Freule Vernon reeds herhaalde malen dringend verzocht, zich naar huis te begeven.”»Ik heb er over nagedacht,” zeide Diana, na eene lange poos zwijgen. »Ik ga niet heen, voor dat ik zie, dat gij uit de handen der Filistijnen gered zijt. Neef Rashleigh moge het wel met u meenen, maar hij en ik, wij kennen elkander! Rashleigh, ik ga niet!—Ik weet,” voegde zij er met nadruk, doch eenigszins zachter bij, »dat gij, als ik hier blijf, des te vlugger en werkzamer zult zijn.”»Blijf dan, onbezonnen meisje!” riep Rashleigh; »gij weet maar al te wel, wien gij vertrouwt.”En snel keerde hij zich om, verliet het vertrek, en eenige oogenblikken daarna hoorden wij den hoefslag van zijn paard.»God dank, hij is weg!” zeide Diana; »nu dadelijk naar den vrederechter!”»Willen wij niet liever een bediende roepen?” vroeg ik.»Neen! o neen! Ik ken den weg naar zijn hol. Wij moeten hem plotseling overvallen. Kom!”Ik volgde haar. Zij ijlde de donkere trap op, liep haastig door een lange half duistere gang en kwam in eene groote voorkamer, waarin zeer vele oude landkaarten, bouwkundige schetsen en stamboomen aan den wand hingen. Een vleugeldeur bracht ons in het woonvertrek van den jonker, en eene stem, die in vroegere tijden bij de flesch vrij goed moet geklonken hebben, zong juist het refrein van een oud drinklied.»De goede man moet reeds gegeten hebben,” zeide Diana; »ik dacht waarlijk niet, dat het reeds zoo laat was.”Diana had goed geraden. De rechter, wiens eetlust door ambtsbezigheden nog al geprikkeld was geworden, had zich in plaats van te één uur, den gewonen tijd voor het middagmaal, reeds te twaalf uren aan tafel begeven. »Wacht hier,” vervolgde Diana; »ik ben in dit huis bekend. Nu moet ik een bediende roepen. Uwe plotselinge verschijning zou wellicht den ouden heer al te zeer verrassen.”En zij ijlde schielijk weg. Terwijl ik, besluiteloos of ik naderen of terugkeeren zou, bleef staan, kon ik duidelijk genoeg hooren, wat er in de eetzaal gesproken werd. Eene krassende stem, maar die mij bekend voorkwam, zeide verontschuldigend, niet te kunnen zingen.»Gij wilt niet zingen, vriendje!” riep de vrederechter, »gij moet! Wat satan! gij hebt daar eene van mijne grootste bokalen met echten portwijn leeg gedronken, en nu zoudt gij nog niet kunnen zingen? Vriendje, die wijn zou eene kat aan het zingen, ja zelfs aan het spreken brengen. Een vroolijk liedje dus! gij kunt er niet af. Eerst verbeuzelt gij den kostbaren tijd met uwe vervelende verklaringen, en dan zegt gij mij, dat gij niet zingen kunt!”»Mijn edele heer vrederechter heeft volkomen gelijk!” hernam eene andere stem, die deftig klonk en den klerk scheen toe te behooren; »mijnheer hier zal zich ook gaarne naar uw wensch voegen, daaraan twijfel ik niet. Ik zie het reeds op zijn voorhoofd geschreven:canet, dat is: dat hij zinge!”»Welaan, er uit met je lied!” viel de rechter in. »Of, bij St. Christoffel! gij zult mijn bokaal vol zout water moeten leeg drinken, dat is volgens de overlevering, in dergelijke gevallen de vaste boete.”Mijn voormalige reisgenoot, dien ik thans zeer goed herkende, werd door deze bedreiging naar het scheen, geheel bedwongen. In erbarmelijke jammertonen, als een misdadiger, die zijn laatste boetpsalm bij het schavot zingt, hief hij aan:Verneemt, o menschen! thans mijn lied,Een droevig, allerdroevigst lied,Van den beruchten straatbandiet,Der reiz’gers schrik en zwaar verdriet.Tralali, Tralala, enz.Er gingen zes mannen zoo al te gaarNaar Kensington, van Brentfort maar.En plotseling stond de roover daar,Van dolken en pistolen zwaar.Tralali, Tralala, enz.De mannen, die zes, ze waren zat,Want ze hadden te Brentfort wijn gehad.De roover brult: Je geld hier! Wat?…En ze beefden als een espenblad.Tralali, Tralala, enz.Ik geloof niet dat de arme reizigers uit het mooie lied bij de verschijning van den rooverzóóontsteld zijn geweest, als de zanger toen hij mij aanschouwde. Ik was het wachten moede, de kamer binnengetreden,en stond tegenover mijn voormaligen reisgenoot Morris. De hooge tonen van zijn zang stierven in een angstig beven weg, toen hij den man in zijne nabijheid zag, in zijne oogen even gevaarlijk als de held van zijn lied. Plotseling zweeg hij en staarde mij met open mond onbeweeglijk aan, als of ik het hoofd van Medusa op mijn schouders had.De vrederechter, die aan de slaapwekkende kracht van het gezang reeds half had toegegeven, richtte zich in zijn leunstoel op, toen hij de tonen niet meer hoorde. Zijne weder ontwaakte oogen vestigden zich met verwondering op den ongenooden gast. Zelfs de griffier, die tegenover den bedremmelden Morris zat, begon te deelen in de ontsteltenis van den armen man, zonder dat hij zelf wist waarom.Op de algemeene verbazing, door mijn plotseling binnentreden veroorzaakt, volgde een korte stilte. Maar ik brak spoedig die stilte af. »Mijnheer Inglewood,” zeide ik overluid, »mijn naam is Frans Osbaldistone. Ik heb vernomen, dat de een of andere ellendeling eene aanklacht tegen mij bij u gedaan heeft, en wel als zou ik aan een diefstal of berooving, welke hij voorgeeft ondergaan te hebben, deelgenomen hebben.”»Mijnheer,” antwoordde de vrederechter forsch, »dat zijn zaken, waarmede ik mij aan tafel nooit bemoei. Alles heeft zijn tijd, en een vrederechter moet even goed als andere lieden den tijd hebben om in vrede te eten.”Inglewood’s weldoorvoede buik scheen noch in den dienst van het recht, noch in dien van den Hemel op eenige wijze door vasten gekweld te zijn.»Vergeef mij, mijnheer,” als ik eenigszins ongelegen kom.»Maar daar het mijn goeden naam geldt, en de maaltijd geëindigd schijnt.…”»Gij vergist u zeer, mijnheer,” viel Inglewood mij in de rede; »de maaltijd is in zooverre geëindigd, als ik aan spijs en drank voor het oogenblik genoeg heb. Maar de spijsvertering, vriend, de spijsvertering moet ook behoorlijk bevorderd worden. En ik kan ze niet beter bevorderen, dan door na den maaltijd een paar uren rust te genieten, onder eene onschuldige vroolijkheid en een matig glaasje wijn. Verzuim ik dit, dan lijd ik dadelijk aan indigestie.”»Ik verzoek u wel verschooning, mijnheer,” begon de griffier Jobson thans, die middelerwijl reeds schrijfgereedschap en papier voor den dag had gehaald: »maar hier is sprake van eene kapitale misdaad. Mijnheer is eenigszins ongeduldig. En aangezien de aanklacht de schending der publieke veiligheid betreft—”»De duivel hale de publieke veiligheid!” riep de vrederechter ten hoogste misnoegd. »Ik hoop,” voegde hij er schielijk bij, »dat niemand mij zoo’n losse uitdrukking euvel duiden zal! Maar wezenlijk, men zou dol en razend worden, als men zoo onophoudelijk gekweld wordt! Heb ik mijn geheele leven wel één enkel oogenblik rust met al die accusatiën, arresten, condemnatiën, akten, transaktiën, borgtochten, injuriën, enz., enz. Ik zeg het u bij tijds, Jobson, binnen kort jaag ik u met het gansche vrederechterschap naar den Satan.”»Mijnheer gelieve de hooge waardigheid van het ambt niet uit het oog te verliezen,” hernam de griffier. »In de gansche Christenwereld bestaat er niets edelers en heerlijkers, dan het ambt van vrederechter, wanneer het naar behooren waargenomen wordt, zooals de beroemde rechtsgeleerde Eduard Coke zeer wijselijk heeft opgemerkt.”»Nu dan,” zeide Inglewood, half verzoend door de lofrede op de waardigheid van zijn beroep, terwijl hij het overschot van zijn misnoegen in een flinken teug wegdronk. »Ter zake! maar zonder omwegen, zoodat er spoedig een einde aan kome. Spreek, mijnheer Morris, gij ridder van de droevige figuur! Is die man daar de Frans Osbaldistone, dien gij als medeplichtige aan de tegen u begane misdaad aanklaagt?”»Ik, Mijnheer?” hernam Morris, die van zijne ontsteltenis nauwelijks eenigszins bekomen was; »ik klaag niemand aan—ik heb volstrekt niets tegen dezen heer.”»Welnu, dan wordt uwe aanklacht eenvoudig ter zijde gelegd, en daarmede uit.—Dan hebben wij er niets meer mede te maken. Kom, de glazen gevuld, mijnheer Osbaldistone, bedien u!”Maar de griffier was geenszins voornemens, om den klager zoo goedkoop vrij te laten.—»Hoe kunt gij zoo spreken, mijnheer Morris?” zeide hij. »Hier is uwe eigene verklaring—de inkt is nauwelijks droog—en gij wilt ze zoo lafhartig, herroepen!”»Gij hebt goed praten!” hernam Morris zacht en bevend. »Wat weet ik, hoe vele schelmen hier in huis zijn, die hem kunnen bijstaan. Van zulke gevallen heb ik in Johnsons Rooversgeschiedenissen gelezen. Ja, waarachtig, de deur …”De deur ging open, en Diana Vernon trad binnen.—»Maar mijnheer Inglewood, is dat een wanorde in uw huis!” zeide zij. »Nergens ziet of hoort men een bediende!”»Ei! Freule Diana!” riep de vrederechter, en zijn vroolijk opspringen verried, dat hij om Themis of Bacchus nog niet vergeten had, de schoonheid der vrouw te huldigen. »Freule Diana, het schoonste bloempje op Schotland’s grenzen! Komt gij eens zien hoe de oude vrijer het maakt? Welkom, welkom, meisjelief, en nog eens welkom, als de bloemen in Mei! zoo lieflijk zijt gij.”»Uw huis, mijnheer de vrederechter, verdient in vollen ernst een open huis genoemd te worden,” vervolgde Diana. »Nergens een levend schepsel, om uwe gasten te ontvangen!”»O die schurken! Zij wisten dat zij een paar uur vrij hadden, en hebben het waargenomen. Maar waarom komt gij zoo laat? Uw neef Rashleigh heeft hier gegeten; maar zoodra de eerste flesch ledig was, deserteerde hij als een lafhartig soldaat. Gij hebt zeker nog niet gegeten? Nu, dan moet er nog iets lekkers, zoets, liefs klaar gemaakt worden, zoo zoet en lieflijk als gij zelve zijt. Het zal dadelijk bereid worden.”»Maar ik kan volstrekt niet blijven, mijnheer Inglewood!” antwoordde Diana. »Ik zal maar een stukje brood vragen eer wij vertrekken. Ik ben met mijn neef, Frans Osbaldistone, hierheen gekomen, en moet hem ookop den terugweg vergezellen en tot gids strekken; want anders verdwaalt hij op de wijde vlakten.”»Zoo! zoo! waait de wind uit dien hoek?” hernam de vrederechter, en neuriede:En zij wees hem den weg, en zij wees hem den wegEn zij wees hem den weg door het veld!»Nu ben ik bang, dat hier voor een ouden vrijer geen fortuin te maken is, mijn rozenknopje!”»In het geheel niet, mijnheer Inglewood! Maar gij zijt een braaf, menschlievend rechter, en doet gij de zaak van mijn neef thans nu maar dadelijk af, zoodat wij spoedig weder naar huis kunnen komen, dan breng ik u aanstaande week mijn oom als gast mede, en wij zullen eens recht vroolijk zijn.”»Ja, dat zullen wij, mijn tortelduifje! Zie, ik benijd den jongen lieden het rijden en loopen niet, als zij mij daardoor slechts van uw bijzijn niet berooven. Nu, nu, heden zal ik u niet ophouden. Met de reeds afgelegde verklaring van den heer Frans Osbaldistone ben ik volkomen tevreden: er heerscht hier een misverstand, dat wij gemakkelijk kunnen ophelderen, zoodra wij slechts wat meer tijd hebben.”»Met uw verlof, mijnheer Inglewood,” zeide ik thans. »Ik weet immers nog niet eens stellig, welke beschuldiging men tegen mij ingebracht heeft.”De griffier, die bij Diana’s verschijning de zaak reeds had opgegeven, kreeg weer moed, toen hij van een kant, van welken hij zulks wel het allerminst verwachtte, ondersteuning erlangde.—»Gij weet,” zeide hij tot den vrederechter, »dat hij, die als misdadiger is aangeklaagd, niet maar zoo willekeurig in vrijheid kan gesteld worden. Hij moet zich naar de gevangenis begeven of een borgtocht stellen, en den griffier van het vredegerecht de gewone onkosten betalen.”De vrederechter zag zich in het nauw gebracht. Hij begon met de door mij verlangde uiteenzetting. Het bleek, dat de grappen, welke ik mij onderweg met den goeden Morris veroorloofd had, een diepen indruk op diens verbeelding gemaakt hadden. Ik hoorde nu, dat hij al die plagerijen, met al de overdrijving van een doodelijk beangst gemoed, als zoo vele bewijzen tegen mij had aangevoerd. Op den dag, toen wij van elkander afscheid genomen hadden, was hij, gelijk hij beweerde, op een eenzamen weg door twee zwaar gewapende, gemaskerde lieden te paard aangevallen en van zijn valies beroofd geworden. Een dier roovers was, naar zijne meening, ongeveer van mijne gestalte, en Morris wilde zelfs in het fluisteren van de beide kerels den naam Osbaldistone gehoord hebben. Na het geleden verlies had hij een Protestantschen geestelijke, bij wien hij zijn intrek nam, naar de familie Osbaldistone gevraagd en gehoord, dat de leden van dit geslacht allen Papisten en Jakobieten waren. Op al deze zoo gewichtige gronden, beschuldigde Morris mij van medeplichtig te zijn aan de gewelddadigheid, waardoor men hem van zekere hoogst belangrijke papieren en eene aanzienlijke som gelds beroofdhad, welke hij van wege de regeering aan een voornaam ambtenaar in Schotland had moeten afgeven.Op deze zonderlinge beschuldiging deed ik slechts uitkomen, dat de omstandigheden, waarop men ze gegrond had, aan geene overheid het recht konden geven mij van mijne persoonlijke vrijheid te berooven. Ik erkende, dat ik mijn angstigen reisgenoot een weinig voor den gek had gehouden, en dat ik hem door onschuldige scherts misschien min of meer vrees aangejaagd had. Maar, zeide ik, men moest wel door angst van zijn verstand beroofd zijn, om dergelijke gekheden voor waarheid op te nemen, en zich daardoor te laten verschalken. »Sedert wij van elkander afscheid hebben genomen,” voegde ik er bij, »heb ik mijn reisgenoot niet weder gezien. En is hem werkelijk overkomen, wat hij toenmaals steeds scheen te vreezen, dan betuig ik hier openlijk, dat ik aan zulk een daad, die met mijne gezindheid en mijn stand geheel strijdig is, niet alleen niet medeplichtig ben, maar ook, dat mij daarvan volstrekt niets bekend is. De omstandigheid, dat men een der roovers den naam Osbaldistone heeft gegeven, of dat deze naam slechts in hun gesprek voorgekomen is, beteekent niets. Wat aangaat de ten laste gelegde staatkundige gevoelens, bied ik aan, tot genoegen van den vrederechter, den griffier en den aanklager te bewijzen, dat ook ik tot de Presbyteriaansche kerk behoor, dat ik als een getrouw onderdaan in de grondbeginselen der revolutie opgevoed ben, en derhalve de bescherming der wetten, door die groote gebeurtenis bekrachtigd, thans voor mij zelf inroep.”De vrederechter draaide zich op zijn stoel heen en weder, nam het eene snuifje na het andere en scheen zich in jammerlijke verlegenheid te bevinden. De griffier las hem eene wet van Eduard III voor, krachtens welke de vrederechters iederen aangeklaagde of verdachte persoon in hechtenis mochten nemen. De boosaardige schelm maakte een wapen tegen mij uit dat, wat ik zelf toegestemd had. Hij beweerde, dat ik volgens mijn eigene bekentenis den schijn van een roover had aangenomen, dat ik mij daardoor zelf aan de verdenking had blootgesteld, waarover ik nu klaagde.Al deze gronden bestreed ik met vrij wat bitterheid, en liet daarbij tevens niet onduidelijk blijken, dat ik den heer griffier diep verachtte. Ten slotte beloofde ik, des noods, den borgtocht van mijne familie te zullen leveren. Dat kon men in geen geval weigeren.Maar de kwaadaardige griffier maakte allerhande bedenkingen tegen het aannemen van een borgtocht in zulk eene gewichtige zaak. Hij gaf den vrederechter een wenk, om toch wel te overwegen wat de wet hieromtrent duidelijk en stellig voorschreef.Op dat oogenblik werd een brief aan den griffier gebracht. Toen hij dien snel gelezen had, scheen hij zich over deze stoornis zeer te ergeren. »Lieve Hemel!” riep hij uit, »nu kan ik waarlijk noch aan ambtsbezigheden, noch aan mijne eigen zaken denken. Geen rust, geen uitstel! Ware er maar iemand anders hier, die mij helpen kon!”»Dankje!” mompelde de vrederechter half luid; »ik heb aan één meer dan genoeg!”»Maar het is een zaak van leven en dood!” riep de griffier.»In ’s Hemels naam, als het dan niet anders kan!—Evenwel hoop ik, dat het buiten mij kan beredderd worden, en dat ik ambtshalve er niets mede te maken heb?” vroeg de heer Inglewood min of meer beangst.En nu verhaalde de griffier, dat de rijke pachter Rutledge, in de nabuurschap, eene dagvaarding naar de eeuwigheid ontvangen en hem ontboden had, om zijne wereldsche aangelegenheden in orde te brengen.»Ga dan, ga dan!” riep de vrederechter; »dan moogt gij geen minuut langer hier blijven.”»Indien misschien mijne tegenwoordigheid hier noodzakelijk mocht zijn,” zeide Jobson, terwijl hij zich schoorvoetend naar de deur begaf;—»ik kan het bevel tot arrest oogenblikkelijk opstellen, en de gerechtsdienaar staat beneden. Ook hebt gij gehoord, wat de heer Rashleigh aanmerkte,”—vervolgde hij veel zachter, maar het overige, wat hij zeide, werd een voor mij volstrekt onverstaanbaar fluisteren.»Neen, zeg ik u, vriendje!” antwoordde de vrederechter luid. »Er zal en moet niets gebeuren, voor dat gij terugkomt: het is immers slechts een rit van anderhalve mijl. Nu, tot weerziens!—Welaan!” vervolgde hij, zich weder tot ons keerende, »het glas gevuld, mijnheer Morris! Wees niet moedeloos, mijnheer Osbaldistone. En gij mijn heidebloempje, voor u een glaasje rooden wijn, om de rozen op uwe wangen wat te verfrisschen.”Diana keek op, als ontwaakte zij uit een diep gepeins, waarin zij sedert eenige oogenblikken verzonken scheen.—»Neen, mijnheer Inglewood,” antwoordde zij: »op zulke wijze zou ik voor mijne rozen liefst geene verfrissching wenschen. Maar met een koeleren dronk wil ik u gaarne bescheid doen,” voegde zij er bij, terwijl zij een glas met water vulde. Zij dronk met een onrustige drift, die met hare schijnbare opgeruimdheid zichtbaar in strijd was.Ik was echter niet in de rechte stemming, om haar nauwkeurig gade te slaan. De nieuwe stoornis, die het oogenblikkelijk onderzoek der hatelijke aanklacht weder vertraagde, verdroot mij zeer. Het was niet te verwachten, dat de vrederechter gedurende de afwezigheid van den griffier zich ook maar in het geringste met mijne zaak zou bezig houden. Integendeel, de man scheen zoo verheugd over die afwezigheid, als een schooljongen over een vakantiedag. En vruchteloos poogde hij vroolijkheid bij zijne gasten op te wekken, daar geen van allen tot zoo iets gestemd waren.—»Maar voor den drommel, vriend Morris!” riep hij, »laat het hoofd niet hangen. Gij zijt immers de eerste niet, en zult ook de laatste niet wezen, die door roovers aangevallen werd. Met treuren komen wij niet verder, en krijgen wij ook het verlorene niet terug. En gij, mijnheer Osbaldistone, ook gij zijt de eerste jonge wildzang niet, die een eerlijk man zijn: »sta!” heeft toegeroepen. Ik herinner mij uit mijne jeugd een recht aardige jongen, Winterfield heette hij—een jongen, in alle fatsoenlijke gezelschappen gezocht en gezien, bij alle hanengevechten en harddraverijentegenwoordig—wij waren boezemvrienden, Orestes en Pylades. Maar, kom aan, drink eens, mijnheer Morris! Met eene droge tong is het slecht praten. Ja, wat ik ook zeggen wilde—menige flesch heb ik met dien goeden jongen geleegd. Hij was van fatsoenlijke familie, zag er niet kwaad uit, een gul gelaat, maar, weet ge! hij had een sluw oog en donkere wenkbrauwen; overigens een knappe, door en door eerlijke jongen, uitgezonderd in dat satansche gevalletje, dat hem het leven heeft gekost. Schenkt in, Heeren! Op zijne nagedachtenis! En daar wij nu eenmaal op dit kapittel zijn gekomen, en mijn verwenschten griffier met zijne verwenschte geleerdheid uit de voeten is, kunnen wij eens recht vertrouwelijk spreken. Mijnheer Osbaldistone, zoo gij mijn raad wilt volgen—de wet is gestreng—zeer gestreng—de ongelukkige Winterfield kwam aan de galg, in weerwil van alle voorspraak, van alle tusschenkomst van vrienden, van alle familiebetrekkingen—hij moest hangen, omdat hij een vetten beestenkooper eenige guinjes lichter had gemaakt. Nu ja, gij hebt den goeden Morris slechts een weinig willen verschrikken en zoo voorts. Wat drommel, vriendje, geef den man zijn valies weder, en de grap is afgeloopen, en er wordt nooit weder over gesproken.”Toen Morris deze woorden hoorde, helderde zijn gelaat eensklaps weder op, en hij verzekerde stamelende, dat hij de man niet was, die naar menschenbloed dorstte. Ik viel hem echter in de rede. Ik uitte mijne verontwaardiging over de beleedigende onderstelling des rechters, die mij voor schuldig hield aan eene misdaad, die ik nooit begaan had, en waarvan ik wilde vrijgesproken worden.Op dit hachelijk oogenblik kwam er een bediende binnen en meldde een vreemden heer aan. Terstond daarop trad die vreemde heer, zonder veel komplimenten, de kamer binnen.

HOOFDSTUK VIII.»Gij kent de kunst van ’t vechten,”Zoo sprak de man, die het pleit hier moest beslechten.»Hoor,” sprak de pleiter, »op mijn eer,Gij zijt een vechtersbaas, mijnheer!Ja, bij mijn ziel, gij kunt het wagenDen stoutsten kamphaan hier te dagen.”Butler.Toen wij het voorplein betraden, kwam ons een bediende in mijns ooms liverei te gemoet, en nam ons de paarden af. Wij traden het huis binnen. Doch toen wij in de voorkamer kwamen, stonden mijneschoone reisgenoote en ik verrast, neef Rashleigh daar aan te treffen; terwijl hij, ons ziende, even verwonderd was.»Rashleigh,”—dus begon Diana, zonder hem tijd te laten om ons eene vraag te doen—»gij hebt van uws neefs zaak gehoord; gij hebt reeds met den rechter daarover gesproken?”»Ja!” hernam Rashleigh met zeer veel bedaardheid. »Die zaak was de reden van mijne komst. Ik heb mij beijverd,”—met eene buiging tegen mij—»mijn neef van dienst te zijn, zoo veel ik kon. Het spijt mij inderdaad, hem hier te ontmoeten voor zulk een zaak.”»Als vriend en bloedverwant,” antwoordde ik, »moest het u integendeel spijten, wanneer gij mij ergens anders ontmoettet, daar ik dan niet spoedig genoeg hier kon zijn, om mijne aangetaste eer te zuiveren.”»Volkomen waar,” hernam Rashleigh; »maar naar mijns vaders uitdrukkingen te oordeelen, meende ik niettemin, dat een kort verblijf in Schotland—slechts zoolang, tot de zaak in stilte afgedaan ware …”Ik antwoordde hem met drift, dat ik hier in geenen deele vreesachtige voorzichtigheidsmaatregelen behoefde te nemen, dat er niets in stilte afgemaakt behoefde te worden, maar dat mijn doel wel degelijk was, een laaghartigen laster op het spoor te komen, en den lasteraar beschamend te wederleggen.»Mijnheer Frans Osbaldistone is onschuldig, Rashleigh,” zeide Diana hierop. »Hij verlangt, dat men de tegen hem ingebrachte beschuldiging onderzoeke, en ik zal hem daarin behulpzaam zijn.”»Gij, lieve nicht?” vroeg Rashleigh. »Mijns inziens zou mijn neef even goed, en misschien wat voegzamer, door mij dan door u ondersteund worden.”»Dat kan wel zijn, maar gij weet toch ook wel, dat vier oogen meer zien dan twee.”»Welzeker, en vooral oogen als de uwe, schoone Diana!” hernam Rashleigh. Daarbij vatte hij hare hand, met zulk eene vertrouwelijke teederheid, dat hij er in mijne oogen nog vijftigmaal leelijker uitzag, dan de natuur hem geschapen had.Diana nam hem ter zijde. Zij spraken zeer zacht met elkander, en het meisje scheen iets te begeeren, wat hij niet toestaan kon of wilde. Nooit zag ik zulk een sterk contrast in de uitdrukking van twee gezichten. Hare oogen vonkelden; hare wangen werden vuurrood; zij balde de kleine handen tot vuisten; zij stampvoette heftig, en scheen met verachting en ergernis verontschuldigingen aan te hooren, welke hij—zoo als ik uit zijn hoffelijk schouder-ophalen, uit zijn bedaard, eerbiedig lachje en uit andere teekens besluiten moest—met alle onderdanigheid aanvoerde. Eindelijk keerde zij zich plotseling van hem af, terwijl zij op zeer stelligen toon zeide: »kort en goed, ik wil het zoo hebben!”»Maar dat is geheel buiten mijne macht. Het is mij volstrekt onmogelijk,” hernam Rashleigh, terwijl hij zich tot mij keerende er bij voegde: »denk eens neef …”»Zijt gij razend?” viel Diana hem in de rede.»Denk eens,” vervolgde Rashleigh, zonder zich door haar te latenstoren, »Freule Vernon wil volstrekt, dat ik niet alleen uwe onschuld erken—waarvan trouwens niemand inniger overtuigd kan zijn dan ik,—maar dat ik ook hen, die eigenlijk schuldig zijn aan de gepleegde misdaad, bekend zal maken, indien er werkelijk zulk eene misdaad gepleegd is. Spreek, is dat verstandig?”»Ik wil hier geen beroep op den heer Osbaldistone laten gelden, Rashleigh,” hernam Diana. »Hij toch weet niet, wat ik weet, dat namelijk uwe correspondentie over alles, wat er gebeurt, zeer uitgebreid is.”»Gij kent mij een macht toe, waarop ik geene aanspraak kan maken!” antwoordde Rashleigh.»Slechts rechtvaardig ben ik jegens u, Rashleigh, slechts rechtvaardig, en ik verwacht van u ook niets meer dan gerechtigheid.”»Gij zijt eene dwingelandes, Diana,” hernam hij met eene soort van zucht; »eene grillige dwingelandes, en gij heerscht over uwe vrienden met een ijzeren schepter. Maar aan uwe begeerte zal voldaan worden. Gij moest echter niet hier zijn; gij weet het immers—gij moest niet! Keer dus met mij terug.”En zich omkeerende, terwijl Diana besluiteloos bleef staan, trad hij naar mij toe en zeide: »Twijfel niet, neef, dat ik oprecht deelneem in hetgeen u overkomen is, en het is alleen om voor uwe belangen te waken, dat ik u op dit oogenblik verlaat. Maar gij moet uw invloed op onze nicht aanwenden, om haar te bewegen naar huis te gaan. Hare tegenwoordigheid hier kan u niet van nut zijn, en haar tot nadeel strekken.”»Gij moogt u verzekerd houden,” was mijn antwoord, »dat ik daarvan evenzeer overtuigd ben, als gij. Ik heb Freule Vernon reeds herhaalde malen dringend verzocht, zich naar huis te begeven.”»Ik heb er over nagedacht,” zeide Diana, na eene lange poos zwijgen. »Ik ga niet heen, voor dat ik zie, dat gij uit de handen der Filistijnen gered zijt. Neef Rashleigh moge het wel met u meenen, maar hij en ik, wij kennen elkander! Rashleigh, ik ga niet!—Ik weet,” voegde zij er met nadruk, doch eenigszins zachter bij, »dat gij, als ik hier blijf, des te vlugger en werkzamer zult zijn.”»Blijf dan, onbezonnen meisje!” riep Rashleigh; »gij weet maar al te wel, wien gij vertrouwt.”En snel keerde hij zich om, verliet het vertrek, en eenige oogenblikken daarna hoorden wij den hoefslag van zijn paard.»God dank, hij is weg!” zeide Diana; »nu dadelijk naar den vrederechter!”»Willen wij niet liever een bediende roepen?” vroeg ik.»Neen! o neen! Ik ken den weg naar zijn hol. Wij moeten hem plotseling overvallen. Kom!”Ik volgde haar. Zij ijlde de donkere trap op, liep haastig door een lange half duistere gang en kwam in eene groote voorkamer, waarin zeer vele oude landkaarten, bouwkundige schetsen en stamboomen aan den wand hingen. Een vleugeldeur bracht ons in het woonvertrek van den jonker, en eene stem, die in vroegere tijden bij de flesch vrij goed moet geklonken hebben, zong juist het refrein van een oud drinklied.»De goede man moet reeds gegeten hebben,” zeide Diana; »ik dacht waarlijk niet, dat het reeds zoo laat was.”Diana had goed geraden. De rechter, wiens eetlust door ambtsbezigheden nog al geprikkeld was geworden, had zich in plaats van te één uur, den gewonen tijd voor het middagmaal, reeds te twaalf uren aan tafel begeven. »Wacht hier,” vervolgde Diana; »ik ben in dit huis bekend. Nu moet ik een bediende roepen. Uwe plotselinge verschijning zou wellicht den ouden heer al te zeer verrassen.”En zij ijlde schielijk weg. Terwijl ik, besluiteloos of ik naderen of terugkeeren zou, bleef staan, kon ik duidelijk genoeg hooren, wat er in de eetzaal gesproken werd. Eene krassende stem, maar die mij bekend voorkwam, zeide verontschuldigend, niet te kunnen zingen.»Gij wilt niet zingen, vriendje!” riep de vrederechter, »gij moet! Wat satan! gij hebt daar eene van mijne grootste bokalen met echten portwijn leeg gedronken, en nu zoudt gij nog niet kunnen zingen? Vriendje, die wijn zou eene kat aan het zingen, ja zelfs aan het spreken brengen. Een vroolijk liedje dus! gij kunt er niet af. Eerst verbeuzelt gij den kostbaren tijd met uwe vervelende verklaringen, en dan zegt gij mij, dat gij niet zingen kunt!”»Mijn edele heer vrederechter heeft volkomen gelijk!” hernam eene andere stem, die deftig klonk en den klerk scheen toe te behooren; »mijnheer hier zal zich ook gaarne naar uw wensch voegen, daaraan twijfel ik niet. Ik zie het reeds op zijn voorhoofd geschreven:canet, dat is: dat hij zinge!”»Welaan, er uit met je lied!” viel de rechter in. »Of, bij St. Christoffel! gij zult mijn bokaal vol zout water moeten leeg drinken, dat is volgens de overlevering, in dergelijke gevallen de vaste boete.”Mijn voormalige reisgenoot, dien ik thans zeer goed herkende, werd door deze bedreiging naar het scheen, geheel bedwongen. In erbarmelijke jammertonen, als een misdadiger, die zijn laatste boetpsalm bij het schavot zingt, hief hij aan:Verneemt, o menschen! thans mijn lied,Een droevig, allerdroevigst lied,Van den beruchten straatbandiet,Der reiz’gers schrik en zwaar verdriet.Tralali, Tralala, enz.Er gingen zes mannen zoo al te gaarNaar Kensington, van Brentfort maar.En plotseling stond de roover daar,Van dolken en pistolen zwaar.Tralali, Tralala, enz.De mannen, die zes, ze waren zat,Want ze hadden te Brentfort wijn gehad.De roover brult: Je geld hier! Wat?…En ze beefden als een espenblad.Tralali, Tralala, enz.Ik geloof niet dat de arme reizigers uit het mooie lied bij de verschijning van den rooverzóóontsteld zijn geweest, als de zanger toen hij mij aanschouwde. Ik was het wachten moede, de kamer binnengetreden,en stond tegenover mijn voormaligen reisgenoot Morris. De hooge tonen van zijn zang stierven in een angstig beven weg, toen hij den man in zijne nabijheid zag, in zijne oogen even gevaarlijk als de held van zijn lied. Plotseling zweeg hij en staarde mij met open mond onbeweeglijk aan, als of ik het hoofd van Medusa op mijn schouders had.De vrederechter, die aan de slaapwekkende kracht van het gezang reeds half had toegegeven, richtte zich in zijn leunstoel op, toen hij de tonen niet meer hoorde. Zijne weder ontwaakte oogen vestigden zich met verwondering op den ongenooden gast. Zelfs de griffier, die tegenover den bedremmelden Morris zat, begon te deelen in de ontsteltenis van den armen man, zonder dat hij zelf wist waarom.Op de algemeene verbazing, door mijn plotseling binnentreden veroorzaakt, volgde een korte stilte. Maar ik brak spoedig die stilte af. »Mijnheer Inglewood,” zeide ik overluid, »mijn naam is Frans Osbaldistone. Ik heb vernomen, dat de een of andere ellendeling eene aanklacht tegen mij bij u gedaan heeft, en wel als zou ik aan een diefstal of berooving, welke hij voorgeeft ondergaan te hebben, deelgenomen hebben.”»Mijnheer,” antwoordde de vrederechter forsch, »dat zijn zaken, waarmede ik mij aan tafel nooit bemoei. Alles heeft zijn tijd, en een vrederechter moet even goed als andere lieden den tijd hebben om in vrede te eten.”Inglewood’s weldoorvoede buik scheen noch in den dienst van het recht, noch in dien van den Hemel op eenige wijze door vasten gekweld te zijn.»Vergeef mij, mijnheer,” als ik eenigszins ongelegen kom.»Maar daar het mijn goeden naam geldt, en de maaltijd geëindigd schijnt.…”»Gij vergist u zeer, mijnheer,” viel Inglewood mij in de rede; »de maaltijd is in zooverre geëindigd, als ik aan spijs en drank voor het oogenblik genoeg heb. Maar de spijsvertering, vriend, de spijsvertering moet ook behoorlijk bevorderd worden. En ik kan ze niet beter bevorderen, dan door na den maaltijd een paar uren rust te genieten, onder eene onschuldige vroolijkheid en een matig glaasje wijn. Verzuim ik dit, dan lijd ik dadelijk aan indigestie.”»Ik verzoek u wel verschooning, mijnheer,” begon de griffier Jobson thans, die middelerwijl reeds schrijfgereedschap en papier voor den dag had gehaald: »maar hier is sprake van eene kapitale misdaad. Mijnheer is eenigszins ongeduldig. En aangezien de aanklacht de schending der publieke veiligheid betreft—”»De duivel hale de publieke veiligheid!” riep de vrederechter ten hoogste misnoegd. »Ik hoop,” voegde hij er schielijk bij, »dat niemand mij zoo’n losse uitdrukking euvel duiden zal! Maar wezenlijk, men zou dol en razend worden, als men zoo onophoudelijk gekweld wordt! Heb ik mijn geheele leven wel één enkel oogenblik rust met al die accusatiën, arresten, condemnatiën, akten, transaktiën, borgtochten, injuriën, enz., enz. Ik zeg het u bij tijds, Jobson, binnen kort jaag ik u met het gansche vrederechterschap naar den Satan.”»Mijnheer gelieve de hooge waardigheid van het ambt niet uit het oog te verliezen,” hernam de griffier. »In de gansche Christenwereld bestaat er niets edelers en heerlijkers, dan het ambt van vrederechter, wanneer het naar behooren waargenomen wordt, zooals de beroemde rechtsgeleerde Eduard Coke zeer wijselijk heeft opgemerkt.”»Nu dan,” zeide Inglewood, half verzoend door de lofrede op de waardigheid van zijn beroep, terwijl hij het overschot van zijn misnoegen in een flinken teug wegdronk. »Ter zake! maar zonder omwegen, zoodat er spoedig een einde aan kome. Spreek, mijnheer Morris, gij ridder van de droevige figuur! Is die man daar de Frans Osbaldistone, dien gij als medeplichtige aan de tegen u begane misdaad aanklaagt?”»Ik, Mijnheer?” hernam Morris, die van zijne ontsteltenis nauwelijks eenigszins bekomen was; »ik klaag niemand aan—ik heb volstrekt niets tegen dezen heer.”»Welnu, dan wordt uwe aanklacht eenvoudig ter zijde gelegd, en daarmede uit.—Dan hebben wij er niets meer mede te maken. Kom, de glazen gevuld, mijnheer Osbaldistone, bedien u!”Maar de griffier was geenszins voornemens, om den klager zoo goedkoop vrij te laten.—»Hoe kunt gij zoo spreken, mijnheer Morris?” zeide hij. »Hier is uwe eigene verklaring—de inkt is nauwelijks droog—en gij wilt ze zoo lafhartig, herroepen!”»Gij hebt goed praten!” hernam Morris zacht en bevend. »Wat weet ik, hoe vele schelmen hier in huis zijn, die hem kunnen bijstaan. Van zulke gevallen heb ik in Johnsons Rooversgeschiedenissen gelezen. Ja, waarachtig, de deur …”De deur ging open, en Diana Vernon trad binnen.—»Maar mijnheer Inglewood, is dat een wanorde in uw huis!” zeide zij. »Nergens ziet of hoort men een bediende!”»Ei! Freule Diana!” riep de vrederechter, en zijn vroolijk opspringen verried, dat hij om Themis of Bacchus nog niet vergeten had, de schoonheid der vrouw te huldigen. »Freule Diana, het schoonste bloempje op Schotland’s grenzen! Komt gij eens zien hoe de oude vrijer het maakt? Welkom, welkom, meisjelief, en nog eens welkom, als de bloemen in Mei! zoo lieflijk zijt gij.”»Uw huis, mijnheer de vrederechter, verdient in vollen ernst een open huis genoemd te worden,” vervolgde Diana. »Nergens een levend schepsel, om uwe gasten te ontvangen!”»O die schurken! Zij wisten dat zij een paar uur vrij hadden, en hebben het waargenomen. Maar waarom komt gij zoo laat? Uw neef Rashleigh heeft hier gegeten; maar zoodra de eerste flesch ledig was, deserteerde hij als een lafhartig soldaat. Gij hebt zeker nog niet gegeten? Nu, dan moet er nog iets lekkers, zoets, liefs klaar gemaakt worden, zoo zoet en lieflijk als gij zelve zijt. Het zal dadelijk bereid worden.”»Maar ik kan volstrekt niet blijven, mijnheer Inglewood!” antwoordde Diana. »Ik zal maar een stukje brood vragen eer wij vertrekken. Ik ben met mijn neef, Frans Osbaldistone, hierheen gekomen, en moet hem ookop den terugweg vergezellen en tot gids strekken; want anders verdwaalt hij op de wijde vlakten.”»Zoo! zoo! waait de wind uit dien hoek?” hernam de vrederechter, en neuriede:En zij wees hem den weg, en zij wees hem den wegEn zij wees hem den weg door het veld!»Nu ben ik bang, dat hier voor een ouden vrijer geen fortuin te maken is, mijn rozenknopje!”»In het geheel niet, mijnheer Inglewood! Maar gij zijt een braaf, menschlievend rechter, en doet gij de zaak van mijn neef thans nu maar dadelijk af, zoodat wij spoedig weder naar huis kunnen komen, dan breng ik u aanstaande week mijn oom als gast mede, en wij zullen eens recht vroolijk zijn.”»Ja, dat zullen wij, mijn tortelduifje! Zie, ik benijd den jongen lieden het rijden en loopen niet, als zij mij daardoor slechts van uw bijzijn niet berooven. Nu, nu, heden zal ik u niet ophouden. Met de reeds afgelegde verklaring van den heer Frans Osbaldistone ben ik volkomen tevreden: er heerscht hier een misverstand, dat wij gemakkelijk kunnen ophelderen, zoodra wij slechts wat meer tijd hebben.”»Met uw verlof, mijnheer Inglewood,” zeide ik thans. »Ik weet immers nog niet eens stellig, welke beschuldiging men tegen mij ingebracht heeft.”De griffier, die bij Diana’s verschijning de zaak reeds had opgegeven, kreeg weer moed, toen hij van een kant, van welken hij zulks wel het allerminst verwachtte, ondersteuning erlangde.—»Gij weet,” zeide hij tot den vrederechter, »dat hij, die als misdadiger is aangeklaagd, niet maar zoo willekeurig in vrijheid kan gesteld worden. Hij moet zich naar de gevangenis begeven of een borgtocht stellen, en den griffier van het vredegerecht de gewone onkosten betalen.”De vrederechter zag zich in het nauw gebracht. Hij begon met de door mij verlangde uiteenzetting. Het bleek, dat de grappen, welke ik mij onderweg met den goeden Morris veroorloofd had, een diepen indruk op diens verbeelding gemaakt hadden. Ik hoorde nu, dat hij al die plagerijen, met al de overdrijving van een doodelijk beangst gemoed, als zoo vele bewijzen tegen mij had aangevoerd. Op den dag, toen wij van elkander afscheid genomen hadden, was hij, gelijk hij beweerde, op een eenzamen weg door twee zwaar gewapende, gemaskerde lieden te paard aangevallen en van zijn valies beroofd geworden. Een dier roovers was, naar zijne meening, ongeveer van mijne gestalte, en Morris wilde zelfs in het fluisteren van de beide kerels den naam Osbaldistone gehoord hebben. Na het geleden verlies had hij een Protestantschen geestelijke, bij wien hij zijn intrek nam, naar de familie Osbaldistone gevraagd en gehoord, dat de leden van dit geslacht allen Papisten en Jakobieten waren. Op al deze zoo gewichtige gronden, beschuldigde Morris mij van medeplichtig te zijn aan de gewelddadigheid, waardoor men hem van zekere hoogst belangrijke papieren en eene aanzienlijke som gelds beroofdhad, welke hij van wege de regeering aan een voornaam ambtenaar in Schotland had moeten afgeven.Op deze zonderlinge beschuldiging deed ik slechts uitkomen, dat de omstandigheden, waarop men ze gegrond had, aan geene overheid het recht konden geven mij van mijne persoonlijke vrijheid te berooven. Ik erkende, dat ik mijn angstigen reisgenoot een weinig voor den gek had gehouden, en dat ik hem door onschuldige scherts misschien min of meer vrees aangejaagd had. Maar, zeide ik, men moest wel door angst van zijn verstand beroofd zijn, om dergelijke gekheden voor waarheid op te nemen, en zich daardoor te laten verschalken. »Sedert wij van elkander afscheid hebben genomen,” voegde ik er bij, »heb ik mijn reisgenoot niet weder gezien. En is hem werkelijk overkomen, wat hij toenmaals steeds scheen te vreezen, dan betuig ik hier openlijk, dat ik aan zulk een daad, die met mijne gezindheid en mijn stand geheel strijdig is, niet alleen niet medeplichtig ben, maar ook, dat mij daarvan volstrekt niets bekend is. De omstandigheid, dat men een der roovers den naam Osbaldistone heeft gegeven, of dat deze naam slechts in hun gesprek voorgekomen is, beteekent niets. Wat aangaat de ten laste gelegde staatkundige gevoelens, bied ik aan, tot genoegen van den vrederechter, den griffier en den aanklager te bewijzen, dat ook ik tot de Presbyteriaansche kerk behoor, dat ik als een getrouw onderdaan in de grondbeginselen der revolutie opgevoed ben, en derhalve de bescherming der wetten, door die groote gebeurtenis bekrachtigd, thans voor mij zelf inroep.”De vrederechter draaide zich op zijn stoel heen en weder, nam het eene snuifje na het andere en scheen zich in jammerlijke verlegenheid te bevinden. De griffier las hem eene wet van Eduard III voor, krachtens welke de vrederechters iederen aangeklaagde of verdachte persoon in hechtenis mochten nemen. De boosaardige schelm maakte een wapen tegen mij uit dat, wat ik zelf toegestemd had. Hij beweerde, dat ik volgens mijn eigene bekentenis den schijn van een roover had aangenomen, dat ik mij daardoor zelf aan de verdenking had blootgesteld, waarover ik nu klaagde.Al deze gronden bestreed ik met vrij wat bitterheid, en liet daarbij tevens niet onduidelijk blijken, dat ik den heer griffier diep verachtte. Ten slotte beloofde ik, des noods, den borgtocht van mijne familie te zullen leveren. Dat kon men in geen geval weigeren.Maar de kwaadaardige griffier maakte allerhande bedenkingen tegen het aannemen van een borgtocht in zulk eene gewichtige zaak. Hij gaf den vrederechter een wenk, om toch wel te overwegen wat de wet hieromtrent duidelijk en stellig voorschreef.Op dat oogenblik werd een brief aan den griffier gebracht. Toen hij dien snel gelezen had, scheen hij zich over deze stoornis zeer te ergeren. »Lieve Hemel!” riep hij uit, »nu kan ik waarlijk noch aan ambtsbezigheden, noch aan mijne eigen zaken denken. Geen rust, geen uitstel! Ware er maar iemand anders hier, die mij helpen kon!”»Dankje!” mompelde de vrederechter half luid; »ik heb aan één meer dan genoeg!”»Maar het is een zaak van leven en dood!” riep de griffier.»In ’s Hemels naam, als het dan niet anders kan!—Evenwel hoop ik, dat het buiten mij kan beredderd worden, en dat ik ambtshalve er niets mede te maken heb?” vroeg de heer Inglewood min of meer beangst.En nu verhaalde de griffier, dat de rijke pachter Rutledge, in de nabuurschap, eene dagvaarding naar de eeuwigheid ontvangen en hem ontboden had, om zijne wereldsche aangelegenheden in orde te brengen.»Ga dan, ga dan!” riep de vrederechter; »dan moogt gij geen minuut langer hier blijven.”»Indien misschien mijne tegenwoordigheid hier noodzakelijk mocht zijn,” zeide Jobson, terwijl hij zich schoorvoetend naar de deur begaf;—»ik kan het bevel tot arrest oogenblikkelijk opstellen, en de gerechtsdienaar staat beneden. Ook hebt gij gehoord, wat de heer Rashleigh aanmerkte,”—vervolgde hij veel zachter, maar het overige, wat hij zeide, werd een voor mij volstrekt onverstaanbaar fluisteren.»Neen, zeg ik u, vriendje!” antwoordde de vrederechter luid. »Er zal en moet niets gebeuren, voor dat gij terugkomt: het is immers slechts een rit van anderhalve mijl. Nu, tot weerziens!—Welaan!” vervolgde hij, zich weder tot ons keerende, »het glas gevuld, mijnheer Morris! Wees niet moedeloos, mijnheer Osbaldistone. En gij mijn heidebloempje, voor u een glaasje rooden wijn, om de rozen op uwe wangen wat te verfrisschen.”Diana keek op, als ontwaakte zij uit een diep gepeins, waarin zij sedert eenige oogenblikken verzonken scheen.—»Neen, mijnheer Inglewood,” antwoordde zij: »op zulke wijze zou ik voor mijne rozen liefst geene verfrissching wenschen. Maar met een koeleren dronk wil ik u gaarne bescheid doen,” voegde zij er bij, terwijl zij een glas met water vulde. Zij dronk met een onrustige drift, die met hare schijnbare opgeruimdheid zichtbaar in strijd was.Ik was echter niet in de rechte stemming, om haar nauwkeurig gade te slaan. De nieuwe stoornis, die het oogenblikkelijk onderzoek der hatelijke aanklacht weder vertraagde, verdroot mij zeer. Het was niet te verwachten, dat de vrederechter gedurende de afwezigheid van den griffier zich ook maar in het geringste met mijne zaak zou bezig houden. Integendeel, de man scheen zoo verheugd over die afwezigheid, als een schooljongen over een vakantiedag. En vruchteloos poogde hij vroolijkheid bij zijne gasten op te wekken, daar geen van allen tot zoo iets gestemd waren.—»Maar voor den drommel, vriend Morris!” riep hij, »laat het hoofd niet hangen. Gij zijt immers de eerste niet, en zult ook de laatste niet wezen, die door roovers aangevallen werd. Met treuren komen wij niet verder, en krijgen wij ook het verlorene niet terug. En gij, mijnheer Osbaldistone, ook gij zijt de eerste jonge wildzang niet, die een eerlijk man zijn: »sta!” heeft toegeroepen. Ik herinner mij uit mijne jeugd een recht aardige jongen, Winterfield heette hij—een jongen, in alle fatsoenlijke gezelschappen gezocht en gezien, bij alle hanengevechten en harddraverijentegenwoordig—wij waren boezemvrienden, Orestes en Pylades. Maar, kom aan, drink eens, mijnheer Morris! Met eene droge tong is het slecht praten. Ja, wat ik ook zeggen wilde—menige flesch heb ik met dien goeden jongen geleegd. Hij was van fatsoenlijke familie, zag er niet kwaad uit, een gul gelaat, maar, weet ge! hij had een sluw oog en donkere wenkbrauwen; overigens een knappe, door en door eerlijke jongen, uitgezonderd in dat satansche gevalletje, dat hem het leven heeft gekost. Schenkt in, Heeren! Op zijne nagedachtenis! En daar wij nu eenmaal op dit kapittel zijn gekomen, en mijn verwenschten griffier met zijne verwenschte geleerdheid uit de voeten is, kunnen wij eens recht vertrouwelijk spreken. Mijnheer Osbaldistone, zoo gij mijn raad wilt volgen—de wet is gestreng—zeer gestreng—de ongelukkige Winterfield kwam aan de galg, in weerwil van alle voorspraak, van alle tusschenkomst van vrienden, van alle familiebetrekkingen—hij moest hangen, omdat hij een vetten beestenkooper eenige guinjes lichter had gemaakt. Nu ja, gij hebt den goeden Morris slechts een weinig willen verschrikken en zoo voorts. Wat drommel, vriendje, geef den man zijn valies weder, en de grap is afgeloopen, en er wordt nooit weder over gesproken.”Toen Morris deze woorden hoorde, helderde zijn gelaat eensklaps weder op, en hij verzekerde stamelende, dat hij de man niet was, die naar menschenbloed dorstte. Ik viel hem echter in de rede. Ik uitte mijne verontwaardiging over de beleedigende onderstelling des rechters, die mij voor schuldig hield aan eene misdaad, die ik nooit begaan had, en waarvan ik wilde vrijgesproken worden.Op dit hachelijk oogenblik kwam er een bediende binnen en meldde een vreemden heer aan. Terstond daarop trad die vreemde heer, zonder veel komplimenten, de kamer binnen.

HOOFDSTUK VIII.»Gij kent de kunst van ’t vechten,”Zoo sprak de man, die het pleit hier moest beslechten.»Hoor,” sprak de pleiter, »op mijn eer,Gij zijt een vechtersbaas, mijnheer!Ja, bij mijn ziel, gij kunt het wagenDen stoutsten kamphaan hier te dagen.”Butler.

»Gij kent de kunst van ’t vechten,”Zoo sprak de man, die het pleit hier moest beslechten.»Hoor,” sprak de pleiter, »op mijn eer,Gij zijt een vechtersbaas, mijnheer!Ja, bij mijn ziel, gij kunt het wagenDen stoutsten kamphaan hier te dagen.”Butler.

»Gij kent de kunst van ’t vechten,”Zoo sprak de man, die het pleit hier moest beslechten.»Hoor,” sprak de pleiter, »op mijn eer,Gij zijt een vechtersbaas, mijnheer!Ja, bij mijn ziel, gij kunt het wagenDen stoutsten kamphaan hier te dagen.”

»Gij kent de kunst van ’t vechten,”

Zoo sprak de man, die het pleit hier moest beslechten.

»Hoor,” sprak de pleiter, »op mijn eer,

Gij zijt een vechtersbaas, mijnheer!

Ja, bij mijn ziel, gij kunt het wagen

Den stoutsten kamphaan hier te dagen.”

Butler.

Toen wij het voorplein betraden, kwam ons een bediende in mijns ooms liverei te gemoet, en nam ons de paarden af. Wij traden het huis binnen. Doch toen wij in de voorkamer kwamen, stonden mijneschoone reisgenoote en ik verrast, neef Rashleigh daar aan te treffen; terwijl hij, ons ziende, even verwonderd was.»Rashleigh,”—dus begon Diana, zonder hem tijd te laten om ons eene vraag te doen—»gij hebt van uws neefs zaak gehoord; gij hebt reeds met den rechter daarover gesproken?”»Ja!” hernam Rashleigh met zeer veel bedaardheid. »Die zaak was de reden van mijne komst. Ik heb mij beijverd,”—met eene buiging tegen mij—»mijn neef van dienst te zijn, zoo veel ik kon. Het spijt mij inderdaad, hem hier te ontmoeten voor zulk een zaak.”»Als vriend en bloedverwant,” antwoordde ik, »moest het u integendeel spijten, wanneer gij mij ergens anders ontmoettet, daar ik dan niet spoedig genoeg hier kon zijn, om mijne aangetaste eer te zuiveren.”»Volkomen waar,” hernam Rashleigh; »maar naar mijns vaders uitdrukkingen te oordeelen, meende ik niettemin, dat een kort verblijf in Schotland—slechts zoolang, tot de zaak in stilte afgedaan ware …”Ik antwoordde hem met drift, dat ik hier in geenen deele vreesachtige voorzichtigheidsmaatregelen behoefde te nemen, dat er niets in stilte afgemaakt behoefde te worden, maar dat mijn doel wel degelijk was, een laaghartigen laster op het spoor te komen, en den lasteraar beschamend te wederleggen.»Mijnheer Frans Osbaldistone is onschuldig, Rashleigh,” zeide Diana hierop. »Hij verlangt, dat men de tegen hem ingebrachte beschuldiging onderzoeke, en ik zal hem daarin behulpzaam zijn.”»Gij, lieve nicht?” vroeg Rashleigh. »Mijns inziens zou mijn neef even goed, en misschien wat voegzamer, door mij dan door u ondersteund worden.”»Dat kan wel zijn, maar gij weet toch ook wel, dat vier oogen meer zien dan twee.”»Welzeker, en vooral oogen als de uwe, schoone Diana!” hernam Rashleigh. Daarbij vatte hij hare hand, met zulk eene vertrouwelijke teederheid, dat hij er in mijne oogen nog vijftigmaal leelijker uitzag, dan de natuur hem geschapen had.Diana nam hem ter zijde. Zij spraken zeer zacht met elkander, en het meisje scheen iets te begeeren, wat hij niet toestaan kon of wilde. Nooit zag ik zulk een sterk contrast in de uitdrukking van twee gezichten. Hare oogen vonkelden; hare wangen werden vuurrood; zij balde de kleine handen tot vuisten; zij stampvoette heftig, en scheen met verachting en ergernis verontschuldigingen aan te hooren, welke hij—zoo als ik uit zijn hoffelijk schouder-ophalen, uit zijn bedaard, eerbiedig lachje en uit andere teekens besluiten moest—met alle onderdanigheid aanvoerde. Eindelijk keerde zij zich plotseling van hem af, terwijl zij op zeer stelligen toon zeide: »kort en goed, ik wil het zoo hebben!”»Maar dat is geheel buiten mijne macht. Het is mij volstrekt onmogelijk,” hernam Rashleigh, terwijl hij zich tot mij keerende er bij voegde: »denk eens neef …”»Zijt gij razend?” viel Diana hem in de rede.»Denk eens,” vervolgde Rashleigh, zonder zich door haar te latenstoren, »Freule Vernon wil volstrekt, dat ik niet alleen uwe onschuld erken—waarvan trouwens niemand inniger overtuigd kan zijn dan ik,—maar dat ik ook hen, die eigenlijk schuldig zijn aan de gepleegde misdaad, bekend zal maken, indien er werkelijk zulk eene misdaad gepleegd is. Spreek, is dat verstandig?”»Ik wil hier geen beroep op den heer Osbaldistone laten gelden, Rashleigh,” hernam Diana. »Hij toch weet niet, wat ik weet, dat namelijk uwe correspondentie over alles, wat er gebeurt, zeer uitgebreid is.”»Gij kent mij een macht toe, waarop ik geene aanspraak kan maken!” antwoordde Rashleigh.»Slechts rechtvaardig ben ik jegens u, Rashleigh, slechts rechtvaardig, en ik verwacht van u ook niets meer dan gerechtigheid.”»Gij zijt eene dwingelandes, Diana,” hernam hij met eene soort van zucht; »eene grillige dwingelandes, en gij heerscht over uwe vrienden met een ijzeren schepter. Maar aan uwe begeerte zal voldaan worden. Gij moest echter niet hier zijn; gij weet het immers—gij moest niet! Keer dus met mij terug.”En zich omkeerende, terwijl Diana besluiteloos bleef staan, trad hij naar mij toe en zeide: »Twijfel niet, neef, dat ik oprecht deelneem in hetgeen u overkomen is, en het is alleen om voor uwe belangen te waken, dat ik u op dit oogenblik verlaat. Maar gij moet uw invloed op onze nicht aanwenden, om haar te bewegen naar huis te gaan. Hare tegenwoordigheid hier kan u niet van nut zijn, en haar tot nadeel strekken.”»Gij moogt u verzekerd houden,” was mijn antwoord, »dat ik daarvan evenzeer overtuigd ben, als gij. Ik heb Freule Vernon reeds herhaalde malen dringend verzocht, zich naar huis te begeven.”»Ik heb er over nagedacht,” zeide Diana, na eene lange poos zwijgen. »Ik ga niet heen, voor dat ik zie, dat gij uit de handen der Filistijnen gered zijt. Neef Rashleigh moge het wel met u meenen, maar hij en ik, wij kennen elkander! Rashleigh, ik ga niet!—Ik weet,” voegde zij er met nadruk, doch eenigszins zachter bij, »dat gij, als ik hier blijf, des te vlugger en werkzamer zult zijn.”»Blijf dan, onbezonnen meisje!” riep Rashleigh; »gij weet maar al te wel, wien gij vertrouwt.”En snel keerde hij zich om, verliet het vertrek, en eenige oogenblikken daarna hoorden wij den hoefslag van zijn paard.»God dank, hij is weg!” zeide Diana; »nu dadelijk naar den vrederechter!”»Willen wij niet liever een bediende roepen?” vroeg ik.»Neen! o neen! Ik ken den weg naar zijn hol. Wij moeten hem plotseling overvallen. Kom!”Ik volgde haar. Zij ijlde de donkere trap op, liep haastig door een lange half duistere gang en kwam in eene groote voorkamer, waarin zeer vele oude landkaarten, bouwkundige schetsen en stamboomen aan den wand hingen. Een vleugeldeur bracht ons in het woonvertrek van den jonker, en eene stem, die in vroegere tijden bij de flesch vrij goed moet geklonken hebben, zong juist het refrein van een oud drinklied.»De goede man moet reeds gegeten hebben,” zeide Diana; »ik dacht waarlijk niet, dat het reeds zoo laat was.”Diana had goed geraden. De rechter, wiens eetlust door ambtsbezigheden nog al geprikkeld was geworden, had zich in plaats van te één uur, den gewonen tijd voor het middagmaal, reeds te twaalf uren aan tafel begeven. »Wacht hier,” vervolgde Diana; »ik ben in dit huis bekend. Nu moet ik een bediende roepen. Uwe plotselinge verschijning zou wellicht den ouden heer al te zeer verrassen.”En zij ijlde schielijk weg. Terwijl ik, besluiteloos of ik naderen of terugkeeren zou, bleef staan, kon ik duidelijk genoeg hooren, wat er in de eetzaal gesproken werd. Eene krassende stem, maar die mij bekend voorkwam, zeide verontschuldigend, niet te kunnen zingen.»Gij wilt niet zingen, vriendje!” riep de vrederechter, »gij moet! Wat satan! gij hebt daar eene van mijne grootste bokalen met echten portwijn leeg gedronken, en nu zoudt gij nog niet kunnen zingen? Vriendje, die wijn zou eene kat aan het zingen, ja zelfs aan het spreken brengen. Een vroolijk liedje dus! gij kunt er niet af. Eerst verbeuzelt gij den kostbaren tijd met uwe vervelende verklaringen, en dan zegt gij mij, dat gij niet zingen kunt!”»Mijn edele heer vrederechter heeft volkomen gelijk!” hernam eene andere stem, die deftig klonk en den klerk scheen toe te behooren; »mijnheer hier zal zich ook gaarne naar uw wensch voegen, daaraan twijfel ik niet. Ik zie het reeds op zijn voorhoofd geschreven:canet, dat is: dat hij zinge!”»Welaan, er uit met je lied!” viel de rechter in. »Of, bij St. Christoffel! gij zult mijn bokaal vol zout water moeten leeg drinken, dat is volgens de overlevering, in dergelijke gevallen de vaste boete.”Mijn voormalige reisgenoot, dien ik thans zeer goed herkende, werd door deze bedreiging naar het scheen, geheel bedwongen. In erbarmelijke jammertonen, als een misdadiger, die zijn laatste boetpsalm bij het schavot zingt, hief hij aan:Verneemt, o menschen! thans mijn lied,Een droevig, allerdroevigst lied,Van den beruchten straatbandiet,Der reiz’gers schrik en zwaar verdriet.Tralali, Tralala, enz.Er gingen zes mannen zoo al te gaarNaar Kensington, van Brentfort maar.En plotseling stond de roover daar,Van dolken en pistolen zwaar.Tralali, Tralala, enz.De mannen, die zes, ze waren zat,Want ze hadden te Brentfort wijn gehad.De roover brult: Je geld hier! Wat?…En ze beefden als een espenblad.Tralali, Tralala, enz.Ik geloof niet dat de arme reizigers uit het mooie lied bij de verschijning van den rooverzóóontsteld zijn geweest, als de zanger toen hij mij aanschouwde. Ik was het wachten moede, de kamer binnengetreden,en stond tegenover mijn voormaligen reisgenoot Morris. De hooge tonen van zijn zang stierven in een angstig beven weg, toen hij den man in zijne nabijheid zag, in zijne oogen even gevaarlijk als de held van zijn lied. Plotseling zweeg hij en staarde mij met open mond onbeweeglijk aan, als of ik het hoofd van Medusa op mijn schouders had.De vrederechter, die aan de slaapwekkende kracht van het gezang reeds half had toegegeven, richtte zich in zijn leunstoel op, toen hij de tonen niet meer hoorde. Zijne weder ontwaakte oogen vestigden zich met verwondering op den ongenooden gast. Zelfs de griffier, die tegenover den bedremmelden Morris zat, begon te deelen in de ontsteltenis van den armen man, zonder dat hij zelf wist waarom.Op de algemeene verbazing, door mijn plotseling binnentreden veroorzaakt, volgde een korte stilte. Maar ik brak spoedig die stilte af. »Mijnheer Inglewood,” zeide ik overluid, »mijn naam is Frans Osbaldistone. Ik heb vernomen, dat de een of andere ellendeling eene aanklacht tegen mij bij u gedaan heeft, en wel als zou ik aan een diefstal of berooving, welke hij voorgeeft ondergaan te hebben, deelgenomen hebben.”»Mijnheer,” antwoordde de vrederechter forsch, »dat zijn zaken, waarmede ik mij aan tafel nooit bemoei. Alles heeft zijn tijd, en een vrederechter moet even goed als andere lieden den tijd hebben om in vrede te eten.”Inglewood’s weldoorvoede buik scheen noch in den dienst van het recht, noch in dien van den Hemel op eenige wijze door vasten gekweld te zijn.»Vergeef mij, mijnheer,” als ik eenigszins ongelegen kom.»Maar daar het mijn goeden naam geldt, en de maaltijd geëindigd schijnt.…”»Gij vergist u zeer, mijnheer,” viel Inglewood mij in de rede; »de maaltijd is in zooverre geëindigd, als ik aan spijs en drank voor het oogenblik genoeg heb. Maar de spijsvertering, vriend, de spijsvertering moet ook behoorlijk bevorderd worden. En ik kan ze niet beter bevorderen, dan door na den maaltijd een paar uren rust te genieten, onder eene onschuldige vroolijkheid en een matig glaasje wijn. Verzuim ik dit, dan lijd ik dadelijk aan indigestie.”»Ik verzoek u wel verschooning, mijnheer,” begon de griffier Jobson thans, die middelerwijl reeds schrijfgereedschap en papier voor den dag had gehaald: »maar hier is sprake van eene kapitale misdaad. Mijnheer is eenigszins ongeduldig. En aangezien de aanklacht de schending der publieke veiligheid betreft—”»De duivel hale de publieke veiligheid!” riep de vrederechter ten hoogste misnoegd. »Ik hoop,” voegde hij er schielijk bij, »dat niemand mij zoo’n losse uitdrukking euvel duiden zal! Maar wezenlijk, men zou dol en razend worden, als men zoo onophoudelijk gekweld wordt! Heb ik mijn geheele leven wel één enkel oogenblik rust met al die accusatiën, arresten, condemnatiën, akten, transaktiën, borgtochten, injuriën, enz., enz. Ik zeg het u bij tijds, Jobson, binnen kort jaag ik u met het gansche vrederechterschap naar den Satan.”»Mijnheer gelieve de hooge waardigheid van het ambt niet uit het oog te verliezen,” hernam de griffier. »In de gansche Christenwereld bestaat er niets edelers en heerlijkers, dan het ambt van vrederechter, wanneer het naar behooren waargenomen wordt, zooals de beroemde rechtsgeleerde Eduard Coke zeer wijselijk heeft opgemerkt.”»Nu dan,” zeide Inglewood, half verzoend door de lofrede op de waardigheid van zijn beroep, terwijl hij het overschot van zijn misnoegen in een flinken teug wegdronk. »Ter zake! maar zonder omwegen, zoodat er spoedig een einde aan kome. Spreek, mijnheer Morris, gij ridder van de droevige figuur! Is die man daar de Frans Osbaldistone, dien gij als medeplichtige aan de tegen u begane misdaad aanklaagt?”»Ik, Mijnheer?” hernam Morris, die van zijne ontsteltenis nauwelijks eenigszins bekomen was; »ik klaag niemand aan—ik heb volstrekt niets tegen dezen heer.”»Welnu, dan wordt uwe aanklacht eenvoudig ter zijde gelegd, en daarmede uit.—Dan hebben wij er niets meer mede te maken. Kom, de glazen gevuld, mijnheer Osbaldistone, bedien u!”Maar de griffier was geenszins voornemens, om den klager zoo goedkoop vrij te laten.—»Hoe kunt gij zoo spreken, mijnheer Morris?” zeide hij. »Hier is uwe eigene verklaring—de inkt is nauwelijks droog—en gij wilt ze zoo lafhartig, herroepen!”»Gij hebt goed praten!” hernam Morris zacht en bevend. »Wat weet ik, hoe vele schelmen hier in huis zijn, die hem kunnen bijstaan. Van zulke gevallen heb ik in Johnsons Rooversgeschiedenissen gelezen. Ja, waarachtig, de deur …”De deur ging open, en Diana Vernon trad binnen.—»Maar mijnheer Inglewood, is dat een wanorde in uw huis!” zeide zij. »Nergens ziet of hoort men een bediende!”»Ei! Freule Diana!” riep de vrederechter, en zijn vroolijk opspringen verried, dat hij om Themis of Bacchus nog niet vergeten had, de schoonheid der vrouw te huldigen. »Freule Diana, het schoonste bloempje op Schotland’s grenzen! Komt gij eens zien hoe de oude vrijer het maakt? Welkom, welkom, meisjelief, en nog eens welkom, als de bloemen in Mei! zoo lieflijk zijt gij.”»Uw huis, mijnheer de vrederechter, verdient in vollen ernst een open huis genoemd te worden,” vervolgde Diana. »Nergens een levend schepsel, om uwe gasten te ontvangen!”»O die schurken! Zij wisten dat zij een paar uur vrij hadden, en hebben het waargenomen. Maar waarom komt gij zoo laat? Uw neef Rashleigh heeft hier gegeten; maar zoodra de eerste flesch ledig was, deserteerde hij als een lafhartig soldaat. Gij hebt zeker nog niet gegeten? Nu, dan moet er nog iets lekkers, zoets, liefs klaar gemaakt worden, zoo zoet en lieflijk als gij zelve zijt. Het zal dadelijk bereid worden.”»Maar ik kan volstrekt niet blijven, mijnheer Inglewood!” antwoordde Diana. »Ik zal maar een stukje brood vragen eer wij vertrekken. Ik ben met mijn neef, Frans Osbaldistone, hierheen gekomen, en moet hem ookop den terugweg vergezellen en tot gids strekken; want anders verdwaalt hij op de wijde vlakten.”»Zoo! zoo! waait de wind uit dien hoek?” hernam de vrederechter, en neuriede:En zij wees hem den weg, en zij wees hem den wegEn zij wees hem den weg door het veld!»Nu ben ik bang, dat hier voor een ouden vrijer geen fortuin te maken is, mijn rozenknopje!”»In het geheel niet, mijnheer Inglewood! Maar gij zijt een braaf, menschlievend rechter, en doet gij de zaak van mijn neef thans nu maar dadelijk af, zoodat wij spoedig weder naar huis kunnen komen, dan breng ik u aanstaande week mijn oom als gast mede, en wij zullen eens recht vroolijk zijn.”»Ja, dat zullen wij, mijn tortelduifje! Zie, ik benijd den jongen lieden het rijden en loopen niet, als zij mij daardoor slechts van uw bijzijn niet berooven. Nu, nu, heden zal ik u niet ophouden. Met de reeds afgelegde verklaring van den heer Frans Osbaldistone ben ik volkomen tevreden: er heerscht hier een misverstand, dat wij gemakkelijk kunnen ophelderen, zoodra wij slechts wat meer tijd hebben.”»Met uw verlof, mijnheer Inglewood,” zeide ik thans. »Ik weet immers nog niet eens stellig, welke beschuldiging men tegen mij ingebracht heeft.”De griffier, die bij Diana’s verschijning de zaak reeds had opgegeven, kreeg weer moed, toen hij van een kant, van welken hij zulks wel het allerminst verwachtte, ondersteuning erlangde.—»Gij weet,” zeide hij tot den vrederechter, »dat hij, die als misdadiger is aangeklaagd, niet maar zoo willekeurig in vrijheid kan gesteld worden. Hij moet zich naar de gevangenis begeven of een borgtocht stellen, en den griffier van het vredegerecht de gewone onkosten betalen.”De vrederechter zag zich in het nauw gebracht. Hij begon met de door mij verlangde uiteenzetting. Het bleek, dat de grappen, welke ik mij onderweg met den goeden Morris veroorloofd had, een diepen indruk op diens verbeelding gemaakt hadden. Ik hoorde nu, dat hij al die plagerijen, met al de overdrijving van een doodelijk beangst gemoed, als zoo vele bewijzen tegen mij had aangevoerd. Op den dag, toen wij van elkander afscheid genomen hadden, was hij, gelijk hij beweerde, op een eenzamen weg door twee zwaar gewapende, gemaskerde lieden te paard aangevallen en van zijn valies beroofd geworden. Een dier roovers was, naar zijne meening, ongeveer van mijne gestalte, en Morris wilde zelfs in het fluisteren van de beide kerels den naam Osbaldistone gehoord hebben. Na het geleden verlies had hij een Protestantschen geestelijke, bij wien hij zijn intrek nam, naar de familie Osbaldistone gevraagd en gehoord, dat de leden van dit geslacht allen Papisten en Jakobieten waren. Op al deze zoo gewichtige gronden, beschuldigde Morris mij van medeplichtig te zijn aan de gewelddadigheid, waardoor men hem van zekere hoogst belangrijke papieren en eene aanzienlijke som gelds beroofdhad, welke hij van wege de regeering aan een voornaam ambtenaar in Schotland had moeten afgeven.Op deze zonderlinge beschuldiging deed ik slechts uitkomen, dat de omstandigheden, waarop men ze gegrond had, aan geene overheid het recht konden geven mij van mijne persoonlijke vrijheid te berooven. Ik erkende, dat ik mijn angstigen reisgenoot een weinig voor den gek had gehouden, en dat ik hem door onschuldige scherts misschien min of meer vrees aangejaagd had. Maar, zeide ik, men moest wel door angst van zijn verstand beroofd zijn, om dergelijke gekheden voor waarheid op te nemen, en zich daardoor te laten verschalken. »Sedert wij van elkander afscheid hebben genomen,” voegde ik er bij, »heb ik mijn reisgenoot niet weder gezien. En is hem werkelijk overkomen, wat hij toenmaals steeds scheen te vreezen, dan betuig ik hier openlijk, dat ik aan zulk een daad, die met mijne gezindheid en mijn stand geheel strijdig is, niet alleen niet medeplichtig ben, maar ook, dat mij daarvan volstrekt niets bekend is. De omstandigheid, dat men een der roovers den naam Osbaldistone heeft gegeven, of dat deze naam slechts in hun gesprek voorgekomen is, beteekent niets. Wat aangaat de ten laste gelegde staatkundige gevoelens, bied ik aan, tot genoegen van den vrederechter, den griffier en den aanklager te bewijzen, dat ook ik tot de Presbyteriaansche kerk behoor, dat ik als een getrouw onderdaan in de grondbeginselen der revolutie opgevoed ben, en derhalve de bescherming der wetten, door die groote gebeurtenis bekrachtigd, thans voor mij zelf inroep.”De vrederechter draaide zich op zijn stoel heen en weder, nam het eene snuifje na het andere en scheen zich in jammerlijke verlegenheid te bevinden. De griffier las hem eene wet van Eduard III voor, krachtens welke de vrederechters iederen aangeklaagde of verdachte persoon in hechtenis mochten nemen. De boosaardige schelm maakte een wapen tegen mij uit dat, wat ik zelf toegestemd had. Hij beweerde, dat ik volgens mijn eigene bekentenis den schijn van een roover had aangenomen, dat ik mij daardoor zelf aan de verdenking had blootgesteld, waarover ik nu klaagde.Al deze gronden bestreed ik met vrij wat bitterheid, en liet daarbij tevens niet onduidelijk blijken, dat ik den heer griffier diep verachtte. Ten slotte beloofde ik, des noods, den borgtocht van mijne familie te zullen leveren. Dat kon men in geen geval weigeren.Maar de kwaadaardige griffier maakte allerhande bedenkingen tegen het aannemen van een borgtocht in zulk eene gewichtige zaak. Hij gaf den vrederechter een wenk, om toch wel te overwegen wat de wet hieromtrent duidelijk en stellig voorschreef.Op dat oogenblik werd een brief aan den griffier gebracht. Toen hij dien snel gelezen had, scheen hij zich over deze stoornis zeer te ergeren. »Lieve Hemel!” riep hij uit, »nu kan ik waarlijk noch aan ambtsbezigheden, noch aan mijne eigen zaken denken. Geen rust, geen uitstel! Ware er maar iemand anders hier, die mij helpen kon!”»Dankje!” mompelde de vrederechter half luid; »ik heb aan één meer dan genoeg!”»Maar het is een zaak van leven en dood!” riep de griffier.»In ’s Hemels naam, als het dan niet anders kan!—Evenwel hoop ik, dat het buiten mij kan beredderd worden, en dat ik ambtshalve er niets mede te maken heb?” vroeg de heer Inglewood min of meer beangst.En nu verhaalde de griffier, dat de rijke pachter Rutledge, in de nabuurschap, eene dagvaarding naar de eeuwigheid ontvangen en hem ontboden had, om zijne wereldsche aangelegenheden in orde te brengen.»Ga dan, ga dan!” riep de vrederechter; »dan moogt gij geen minuut langer hier blijven.”»Indien misschien mijne tegenwoordigheid hier noodzakelijk mocht zijn,” zeide Jobson, terwijl hij zich schoorvoetend naar de deur begaf;—»ik kan het bevel tot arrest oogenblikkelijk opstellen, en de gerechtsdienaar staat beneden. Ook hebt gij gehoord, wat de heer Rashleigh aanmerkte,”—vervolgde hij veel zachter, maar het overige, wat hij zeide, werd een voor mij volstrekt onverstaanbaar fluisteren.»Neen, zeg ik u, vriendje!” antwoordde de vrederechter luid. »Er zal en moet niets gebeuren, voor dat gij terugkomt: het is immers slechts een rit van anderhalve mijl. Nu, tot weerziens!—Welaan!” vervolgde hij, zich weder tot ons keerende, »het glas gevuld, mijnheer Morris! Wees niet moedeloos, mijnheer Osbaldistone. En gij mijn heidebloempje, voor u een glaasje rooden wijn, om de rozen op uwe wangen wat te verfrisschen.”Diana keek op, als ontwaakte zij uit een diep gepeins, waarin zij sedert eenige oogenblikken verzonken scheen.—»Neen, mijnheer Inglewood,” antwoordde zij: »op zulke wijze zou ik voor mijne rozen liefst geene verfrissching wenschen. Maar met een koeleren dronk wil ik u gaarne bescheid doen,” voegde zij er bij, terwijl zij een glas met water vulde. Zij dronk met een onrustige drift, die met hare schijnbare opgeruimdheid zichtbaar in strijd was.Ik was echter niet in de rechte stemming, om haar nauwkeurig gade te slaan. De nieuwe stoornis, die het oogenblikkelijk onderzoek der hatelijke aanklacht weder vertraagde, verdroot mij zeer. Het was niet te verwachten, dat de vrederechter gedurende de afwezigheid van den griffier zich ook maar in het geringste met mijne zaak zou bezig houden. Integendeel, de man scheen zoo verheugd over die afwezigheid, als een schooljongen over een vakantiedag. En vruchteloos poogde hij vroolijkheid bij zijne gasten op te wekken, daar geen van allen tot zoo iets gestemd waren.—»Maar voor den drommel, vriend Morris!” riep hij, »laat het hoofd niet hangen. Gij zijt immers de eerste niet, en zult ook de laatste niet wezen, die door roovers aangevallen werd. Met treuren komen wij niet verder, en krijgen wij ook het verlorene niet terug. En gij, mijnheer Osbaldistone, ook gij zijt de eerste jonge wildzang niet, die een eerlijk man zijn: »sta!” heeft toegeroepen. Ik herinner mij uit mijne jeugd een recht aardige jongen, Winterfield heette hij—een jongen, in alle fatsoenlijke gezelschappen gezocht en gezien, bij alle hanengevechten en harddraverijentegenwoordig—wij waren boezemvrienden, Orestes en Pylades. Maar, kom aan, drink eens, mijnheer Morris! Met eene droge tong is het slecht praten. Ja, wat ik ook zeggen wilde—menige flesch heb ik met dien goeden jongen geleegd. Hij was van fatsoenlijke familie, zag er niet kwaad uit, een gul gelaat, maar, weet ge! hij had een sluw oog en donkere wenkbrauwen; overigens een knappe, door en door eerlijke jongen, uitgezonderd in dat satansche gevalletje, dat hem het leven heeft gekost. Schenkt in, Heeren! Op zijne nagedachtenis! En daar wij nu eenmaal op dit kapittel zijn gekomen, en mijn verwenschten griffier met zijne verwenschte geleerdheid uit de voeten is, kunnen wij eens recht vertrouwelijk spreken. Mijnheer Osbaldistone, zoo gij mijn raad wilt volgen—de wet is gestreng—zeer gestreng—de ongelukkige Winterfield kwam aan de galg, in weerwil van alle voorspraak, van alle tusschenkomst van vrienden, van alle familiebetrekkingen—hij moest hangen, omdat hij een vetten beestenkooper eenige guinjes lichter had gemaakt. Nu ja, gij hebt den goeden Morris slechts een weinig willen verschrikken en zoo voorts. Wat drommel, vriendje, geef den man zijn valies weder, en de grap is afgeloopen, en er wordt nooit weder over gesproken.”Toen Morris deze woorden hoorde, helderde zijn gelaat eensklaps weder op, en hij verzekerde stamelende, dat hij de man niet was, die naar menschenbloed dorstte. Ik viel hem echter in de rede. Ik uitte mijne verontwaardiging over de beleedigende onderstelling des rechters, die mij voor schuldig hield aan eene misdaad, die ik nooit begaan had, en waarvan ik wilde vrijgesproken worden.Op dit hachelijk oogenblik kwam er een bediende binnen en meldde een vreemden heer aan. Terstond daarop trad die vreemde heer, zonder veel komplimenten, de kamer binnen.

Toen wij het voorplein betraden, kwam ons een bediende in mijns ooms liverei te gemoet, en nam ons de paarden af. Wij traden het huis binnen. Doch toen wij in de voorkamer kwamen, stonden mijneschoone reisgenoote en ik verrast, neef Rashleigh daar aan te treffen; terwijl hij, ons ziende, even verwonderd was.

»Rashleigh,”—dus begon Diana, zonder hem tijd te laten om ons eene vraag te doen—»gij hebt van uws neefs zaak gehoord; gij hebt reeds met den rechter daarover gesproken?”

»Ja!” hernam Rashleigh met zeer veel bedaardheid. »Die zaak was de reden van mijne komst. Ik heb mij beijverd,”—met eene buiging tegen mij—»mijn neef van dienst te zijn, zoo veel ik kon. Het spijt mij inderdaad, hem hier te ontmoeten voor zulk een zaak.”

»Als vriend en bloedverwant,” antwoordde ik, »moest het u integendeel spijten, wanneer gij mij ergens anders ontmoettet, daar ik dan niet spoedig genoeg hier kon zijn, om mijne aangetaste eer te zuiveren.”

»Volkomen waar,” hernam Rashleigh; »maar naar mijns vaders uitdrukkingen te oordeelen, meende ik niettemin, dat een kort verblijf in Schotland—slechts zoolang, tot de zaak in stilte afgedaan ware …”

Ik antwoordde hem met drift, dat ik hier in geenen deele vreesachtige voorzichtigheidsmaatregelen behoefde te nemen, dat er niets in stilte afgemaakt behoefde te worden, maar dat mijn doel wel degelijk was, een laaghartigen laster op het spoor te komen, en den lasteraar beschamend te wederleggen.

»Mijnheer Frans Osbaldistone is onschuldig, Rashleigh,” zeide Diana hierop. »Hij verlangt, dat men de tegen hem ingebrachte beschuldiging onderzoeke, en ik zal hem daarin behulpzaam zijn.”

»Gij, lieve nicht?” vroeg Rashleigh. »Mijns inziens zou mijn neef even goed, en misschien wat voegzamer, door mij dan door u ondersteund worden.”

»Dat kan wel zijn, maar gij weet toch ook wel, dat vier oogen meer zien dan twee.”

»Welzeker, en vooral oogen als de uwe, schoone Diana!” hernam Rashleigh. Daarbij vatte hij hare hand, met zulk eene vertrouwelijke teederheid, dat hij er in mijne oogen nog vijftigmaal leelijker uitzag, dan de natuur hem geschapen had.

Diana nam hem ter zijde. Zij spraken zeer zacht met elkander, en het meisje scheen iets te begeeren, wat hij niet toestaan kon of wilde. Nooit zag ik zulk een sterk contrast in de uitdrukking van twee gezichten. Hare oogen vonkelden; hare wangen werden vuurrood; zij balde de kleine handen tot vuisten; zij stampvoette heftig, en scheen met verachting en ergernis verontschuldigingen aan te hooren, welke hij—zoo als ik uit zijn hoffelijk schouder-ophalen, uit zijn bedaard, eerbiedig lachje en uit andere teekens besluiten moest—met alle onderdanigheid aanvoerde. Eindelijk keerde zij zich plotseling van hem af, terwijl zij op zeer stelligen toon zeide: »kort en goed, ik wil het zoo hebben!”

»Maar dat is geheel buiten mijne macht. Het is mij volstrekt onmogelijk,” hernam Rashleigh, terwijl hij zich tot mij keerende er bij voegde: »denk eens neef …”

»Zijt gij razend?” viel Diana hem in de rede.

»Denk eens,” vervolgde Rashleigh, zonder zich door haar te latenstoren, »Freule Vernon wil volstrekt, dat ik niet alleen uwe onschuld erken—waarvan trouwens niemand inniger overtuigd kan zijn dan ik,—maar dat ik ook hen, die eigenlijk schuldig zijn aan de gepleegde misdaad, bekend zal maken, indien er werkelijk zulk eene misdaad gepleegd is. Spreek, is dat verstandig?”

»Ik wil hier geen beroep op den heer Osbaldistone laten gelden, Rashleigh,” hernam Diana. »Hij toch weet niet, wat ik weet, dat namelijk uwe correspondentie over alles, wat er gebeurt, zeer uitgebreid is.”

»Gij kent mij een macht toe, waarop ik geene aanspraak kan maken!” antwoordde Rashleigh.

»Slechts rechtvaardig ben ik jegens u, Rashleigh, slechts rechtvaardig, en ik verwacht van u ook niets meer dan gerechtigheid.”

»Gij zijt eene dwingelandes, Diana,” hernam hij met eene soort van zucht; »eene grillige dwingelandes, en gij heerscht over uwe vrienden met een ijzeren schepter. Maar aan uwe begeerte zal voldaan worden. Gij moest echter niet hier zijn; gij weet het immers—gij moest niet! Keer dus met mij terug.”

En zich omkeerende, terwijl Diana besluiteloos bleef staan, trad hij naar mij toe en zeide: »Twijfel niet, neef, dat ik oprecht deelneem in hetgeen u overkomen is, en het is alleen om voor uwe belangen te waken, dat ik u op dit oogenblik verlaat. Maar gij moet uw invloed op onze nicht aanwenden, om haar te bewegen naar huis te gaan. Hare tegenwoordigheid hier kan u niet van nut zijn, en haar tot nadeel strekken.”

»Gij moogt u verzekerd houden,” was mijn antwoord, »dat ik daarvan evenzeer overtuigd ben, als gij. Ik heb Freule Vernon reeds herhaalde malen dringend verzocht, zich naar huis te begeven.”

»Ik heb er over nagedacht,” zeide Diana, na eene lange poos zwijgen. »Ik ga niet heen, voor dat ik zie, dat gij uit de handen der Filistijnen gered zijt. Neef Rashleigh moge het wel met u meenen, maar hij en ik, wij kennen elkander! Rashleigh, ik ga niet!—Ik weet,” voegde zij er met nadruk, doch eenigszins zachter bij, »dat gij, als ik hier blijf, des te vlugger en werkzamer zult zijn.”

»Blijf dan, onbezonnen meisje!” riep Rashleigh; »gij weet maar al te wel, wien gij vertrouwt.”

En snel keerde hij zich om, verliet het vertrek, en eenige oogenblikken daarna hoorden wij den hoefslag van zijn paard.

»God dank, hij is weg!” zeide Diana; »nu dadelijk naar den vrederechter!”

»Willen wij niet liever een bediende roepen?” vroeg ik.

»Neen! o neen! Ik ken den weg naar zijn hol. Wij moeten hem plotseling overvallen. Kom!”

Ik volgde haar. Zij ijlde de donkere trap op, liep haastig door een lange half duistere gang en kwam in eene groote voorkamer, waarin zeer vele oude landkaarten, bouwkundige schetsen en stamboomen aan den wand hingen. Een vleugeldeur bracht ons in het woonvertrek van den jonker, en eene stem, die in vroegere tijden bij de flesch vrij goed moet geklonken hebben, zong juist het refrein van een oud drinklied.

»De goede man moet reeds gegeten hebben,” zeide Diana; »ik dacht waarlijk niet, dat het reeds zoo laat was.”

Diana had goed geraden. De rechter, wiens eetlust door ambtsbezigheden nog al geprikkeld was geworden, had zich in plaats van te één uur, den gewonen tijd voor het middagmaal, reeds te twaalf uren aan tafel begeven. »Wacht hier,” vervolgde Diana; »ik ben in dit huis bekend. Nu moet ik een bediende roepen. Uwe plotselinge verschijning zou wellicht den ouden heer al te zeer verrassen.”

En zij ijlde schielijk weg. Terwijl ik, besluiteloos of ik naderen of terugkeeren zou, bleef staan, kon ik duidelijk genoeg hooren, wat er in de eetzaal gesproken werd. Eene krassende stem, maar die mij bekend voorkwam, zeide verontschuldigend, niet te kunnen zingen.

»Gij wilt niet zingen, vriendje!” riep de vrederechter, »gij moet! Wat satan! gij hebt daar eene van mijne grootste bokalen met echten portwijn leeg gedronken, en nu zoudt gij nog niet kunnen zingen? Vriendje, die wijn zou eene kat aan het zingen, ja zelfs aan het spreken brengen. Een vroolijk liedje dus! gij kunt er niet af. Eerst verbeuzelt gij den kostbaren tijd met uwe vervelende verklaringen, en dan zegt gij mij, dat gij niet zingen kunt!”

»Mijn edele heer vrederechter heeft volkomen gelijk!” hernam eene andere stem, die deftig klonk en den klerk scheen toe te behooren; »mijnheer hier zal zich ook gaarne naar uw wensch voegen, daaraan twijfel ik niet. Ik zie het reeds op zijn voorhoofd geschreven:canet, dat is: dat hij zinge!”

»Welaan, er uit met je lied!” viel de rechter in. »Of, bij St. Christoffel! gij zult mijn bokaal vol zout water moeten leeg drinken, dat is volgens de overlevering, in dergelijke gevallen de vaste boete.”

Mijn voormalige reisgenoot, dien ik thans zeer goed herkende, werd door deze bedreiging naar het scheen, geheel bedwongen. In erbarmelijke jammertonen, als een misdadiger, die zijn laatste boetpsalm bij het schavot zingt, hief hij aan:

Verneemt, o menschen! thans mijn lied,Een droevig, allerdroevigst lied,Van den beruchten straatbandiet,Der reiz’gers schrik en zwaar verdriet.Tralali, Tralala, enz.Er gingen zes mannen zoo al te gaarNaar Kensington, van Brentfort maar.En plotseling stond de roover daar,Van dolken en pistolen zwaar.Tralali, Tralala, enz.De mannen, die zes, ze waren zat,Want ze hadden te Brentfort wijn gehad.De roover brult: Je geld hier! Wat?…En ze beefden als een espenblad.Tralali, Tralala, enz.

Verneemt, o menschen! thans mijn lied,Een droevig, allerdroevigst lied,Van den beruchten straatbandiet,Der reiz’gers schrik en zwaar verdriet.Tralali, Tralala, enz.

Verneemt, o menschen! thans mijn lied,

Een droevig, allerdroevigst lied,

Van den beruchten straatbandiet,

Der reiz’gers schrik en zwaar verdriet.

Tralali, Tralala, enz.

Er gingen zes mannen zoo al te gaarNaar Kensington, van Brentfort maar.En plotseling stond de roover daar,Van dolken en pistolen zwaar.Tralali, Tralala, enz.

Er gingen zes mannen zoo al te gaar

Naar Kensington, van Brentfort maar.

En plotseling stond de roover daar,

Van dolken en pistolen zwaar.

Tralali, Tralala, enz.

De mannen, die zes, ze waren zat,Want ze hadden te Brentfort wijn gehad.De roover brult: Je geld hier! Wat?…En ze beefden als een espenblad.Tralali, Tralala, enz.

De mannen, die zes, ze waren zat,

Want ze hadden te Brentfort wijn gehad.

De roover brult: Je geld hier! Wat?…

En ze beefden als een espenblad.

Tralali, Tralala, enz.

Ik geloof niet dat de arme reizigers uit het mooie lied bij de verschijning van den rooverzóóontsteld zijn geweest, als de zanger toen hij mij aanschouwde. Ik was het wachten moede, de kamer binnengetreden,en stond tegenover mijn voormaligen reisgenoot Morris. De hooge tonen van zijn zang stierven in een angstig beven weg, toen hij den man in zijne nabijheid zag, in zijne oogen even gevaarlijk als de held van zijn lied. Plotseling zweeg hij en staarde mij met open mond onbeweeglijk aan, als of ik het hoofd van Medusa op mijn schouders had.

De vrederechter, die aan de slaapwekkende kracht van het gezang reeds half had toegegeven, richtte zich in zijn leunstoel op, toen hij de tonen niet meer hoorde. Zijne weder ontwaakte oogen vestigden zich met verwondering op den ongenooden gast. Zelfs de griffier, die tegenover den bedremmelden Morris zat, begon te deelen in de ontsteltenis van den armen man, zonder dat hij zelf wist waarom.

Op de algemeene verbazing, door mijn plotseling binnentreden veroorzaakt, volgde een korte stilte. Maar ik brak spoedig die stilte af. »Mijnheer Inglewood,” zeide ik overluid, »mijn naam is Frans Osbaldistone. Ik heb vernomen, dat de een of andere ellendeling eene aanklacht tegen mij bij u gedaan heeft, en wel als zou ik aan een diefstal of berooving, welke hij voorgeeft ondergaan te hebben, deelgenomen hebben.”

»Mijnheer,” antwoordde de vrederechter forsch, »dat zijn zaken, waarmede ik mij aan tafel nooit bemoei. Alles heeft zijn tijd, en een vrederechter moet even goed als andere lieden den tijd hebben om in vrede te eten.”

Inglewood’s weldoorvoede buik scheen noch in den dienst van het recht, noch in dien van den Hemel op eenige wijze door vasten gekweld te zijn.

»Vergeef mij, mijnheer,” als ik eenigszins ongelegen kom.»Maar daar het mijn goeden naam geldt, en de maaltijd geëindigd schijnt.…”

»Gij vergist u zeer, mijnheer,” viel Inglewood mij in de rede; »de maaltijd is in zooverre geëindigd, als ik aan spijs en drank voor het oogenblik genoeg heb. Maar de spijsvertering, vriend, de spijsvertering moet ook behoorlijk bevorderd worden. En ik kan ze niet beter bevorderen, dan door na den maaltijd een paar uren rust te genieten, onder eene onschuldige vroolijkheid en een matig glaasje wijn. Verzuim ik dit, dan lijd ik dadelijk aan indigestie.”

»Ik verzoek u wel verschooning, mijnheer,” begon de griffier Jobson thans, die middelerwijl reeds schrijfgereedschap en papier voor den dag had gehaald: »maar hier is sprake van eene kapitale misdaad. Mijnheer is eenigszins ongeduldig. En aangezien de aanklacht de schending der publieke veiligheid betreft—”

»De duivel hale de publieke veiligheid!” riep de vrederechter ten hoogste misnoegd. »Ik hoop,” voegde hij er schielijk bij, »dat niemand mij zoo’n losse uitdrukking euvel duiden zal! Maar wezenlijk, men zou dol en razend worden, als men zoo onophoudelijk gekweld wordt! Heb ik mijn geheele leven wel één enkel oogenblik rust met al die accusatiën, arresten, condemnatiën, akten, transaktiën, borgtochten, injuriën, enz., enz. Ik zeg het u bij tijds, Jobson, binnen kort jaag ik u met het gansche vrederechterschap naar den Satan.”

»Mijnheer gelieve de hooge waardigheid van het ambt niet uit het oog te verliezen,” hernam de griffier. »In de gansche Christenwereld bestaat er niets edelers en heerlijkers, dan het ambt van vrederechter, wanneer het naar behooren waargenomen wordt, zooals de beroemde rechtsgeleerde Eduard Coke zeer wijselijk heeft opgemerkt.”

»Nu dan,” zeide Inglewood, half verzoend door de lofrede op de waardigheid van zijn beroep, terwijl hij het overschot van zijn misnoegen in een flinken teug wegdronk. »Ter zake! maar zonder omwegen, zoodat er spoedig een einde aan kome. Spreek, mijnheer Morris, gij ridder van de droevige figuur! Is die man daar de Frans Osbaldistone, dien gij als medeplichtige aan de tegen u begane misdaad aanklaagt?”

»Ik, Mijnheer?” hernam Morris, die van zijne ontsteltenis nauwelijks eenigszins bekomen was; »ik klaag niemand aan—ik heb volstrekt niets tegen dezen heer.”

»Welnu, dan wordt uwe aanklacht eenvoudig ter zijde gelegd, en daarmede uit.—Dan hebben wij er niets meer mede te maken. Kom, de glazen gevuld, mijnheer Osbaldistone, bedien u!”

Maar de griffier was geenszins voornemens, om den klager zoo goedkoop vrij te laten.—»Hoe kunt gij zoo spreken, mijnheer Morris?” zeide hij. »Hier is uwe eigene verklaring—de inkt is nauwelijks droog—en gij wilt ze zoo lafhartig, herroepen!”

»Gij hebt goed praten!” hernam Morris zacht en bevend. »Wat weet ik, hoe vele schelmen hier in huis zijn, die hem kunnen bijstaan. Van zulke gevallen heb ik in Johnsons Rooversgeschiedenissen gelezen. Ja, waarachtig, de deur …”

De deur ging open, en Diana Vernon trad binnen.—

»Maar mijnheer Inglewood, is dat een wanorde in uw huis!” zeide zij. »Nergens ziet of hoort men een bediende!”

»Ei! Freule Diana!” riep de vrederechter, en zijn vroolijk opspringen verried, dat hij om Themis of Bacchus nog niet vergeten had, de schoonheid der vrouw te huldigen. »Freule Diana, het schoonste bloempje op Schotland’s grenzen! Komt gij eens zien hoe de oude vrijer het maakt? Welkom, welkom, meisjelief, en nog eens welkom, als de bloemen in Mei! zoo lieflijk zijt gij.”

»Uw huis, mijnheer de vrederechter, verdient in vollen ernst een open huis genoemd te worden,” vervolgde Diana. »Nergens een levend schepsel, om uwe gasten te ontvangen!”

»O die schurken! Zij wisten dat zij een paar uur vrij hadden, en hebben het waargenomen. Maar waarom komt gij zoo laat? Uw neef Rashleigh heeft hier gegeten; maar zoodra de eerste flesch ledig was, deserteerde hij als een lafhartig soldaat. Gij hebt zeker nog niet gegeten? Nu, dan moet er nog iets lekkers, zoets, liefs klaar gemaakt worden, zoo zoet en lieflijk als gij zelve zijt. Het zal dadelijk bereid worden.”

»Maar ik kan volstrekt niet blijven, mijnheer Inglewood!” antwoordde Diana. »Ik zal maar een stukje brood vragen eer wij vertrekken. Ik ben met mijn neef, Frans Osbaldistone, hierheen gekomen, en moet hem ookop den terugweg vergezellen en tot gids strekken; want anders verdwaalt hij op de wijde vlakten.”

»Zoo! zoo! waait de wind uit dien hoek?” hernam de vrederechter, en neuriede:

En zij wees hem den weg, en zij wees hem den wegEn zij wees hem den weg door het veld!

En zij wees hem den weg, en zij wees hem den weg

En zij wees hem den weg door het veld!

»Nu ben ik bang, dat hier voor een ouden vrijer geen fortuin te maken is, mijn rozenknopje!”

»In het geheel niet, mijnheer Inglewood! Maar gij zijt een braaf, menschlievend rechter, en doet gij de zaak van mijn neef thans nu maar dadelijk af, zoodat wij spoedig weder naar huis kunnen komen, dan breng ik u aanstaande week mijn oom als gast mede, en wij zullen eens recht vroolijk zijn.”

»Ja, dat zullen wij, mijn tortelduifje! Zie, ik benijd den jongen lieden het rijden en loopen niet, als zij mij daardoor slechts van uw bijzijn niet berooven. Nu, nu, heden zal ik u niet ophouden. Met de reeds afgelegde verklaring van den heer Frans Osbaldistone ben ik volkomen tevreden: er heerscht hier een misverstand, dat wij gemakkelijk kunnen ophelderen, zoodra wij slechts wat meer tijd hebben.”

»Met uw verlof, mijnheer Inglewood,” zeide ik thans. »Ik weet immers nog niet eens stellig, welke beschuldiging men tegen mij ingebracht heeft.”

De griffier, die bij Diana’s verschijning de zaak reeds had opgegeven, kreeg weer moed, toen hij van een kant, van welken hij zulks wel het allerminst verwachtte, ondersteuning erlangde.—»Gij weet,” zeide hij tot den vrederechter, »dat hij, die als misdadiger is aangeklaagd, niet maar zoo willekeurig in vrijheid kan gesteld worden. Hij moet zich naar de gevangenis begeven of een borgtocht stellen, en den griffier van het vredegerecht de gewone onkosten betalen.”

De vrederechter zag zich in het nauw gebracht. Hij begon met de door mij verlangde uiteenzetting. Het bleek, dat de grappen, welke ik mij onderweg met den goeden Morris veroorloofd had, een diepen indruk op diens verbeelding gemaakt hadden. Ik hoorde nu, dat hij al die plagerijen, met al de overdrijving van een doodelijk beangst gemoed, als zoo vele bewijzen tegen mij had aangevoerd. Op den dag, toen wij van elkander afscheid genomen hadden, was hij, gelijk hij beweerde, op een eenzamen weg door twee zwaar gewapende, gemaskerde lieden te paard aangevallen en van zijn valies beroofd geworden. Een dier roovers was, naar zijne meening, ongeveer van mijne gestalte, en Morris wilde zelfs in het fluisteren van de beide kerels den naam Osbaldistone gehoord hebben. Na het geleden verlies had hij een Protestantschen geestelijke, bij wien hij zijn intrek nam, naar de familie Osbaldistone gevraagd en gehoord, dat de leden van dit geslacht allen Papisten en Jakobieten waren. Op al deze zoo gewichtige gronden, beschuldigde Morris mij van medeplichtig te zijn aan de gewelddadigheid, waardoor men hem van zekere hoogst belangrijke papieren en eene aanzienlijke som gelds beroofdhad, welke hij van wege de regeering aan een voornaam ambtenaar in Schotland had moeten afgeven.

Op deze zonderlinge beschuldiging deed ik slechts uitkomen, dat de omstandigheden, waarop men ze gegrond had, aan geene overheid het recht konden geven mij van mijne persoonlijke vrijheid te berooven. Ik erkende, dat ik mijn angstigen reisgenoot een weinig voor den gek had gehouden, en dat ik hem door onschuldige scherts misschien min of meer vrees aangejaagd had. Maar, zeide ik, men moest wel door angst van zijn verstand beroofd zijn, om dergelijke gekheden voor waarheid op te nemen, en zich daardoor te laten verschalken. »Sedert wij van elkander afscheid hebben genomen,” voegde ik er bij, »heb ik mijn reisgenoot niet weder gezien. En is hem werkelijk overkomen, wat hij toenmaals steeds scheen te vreezen, dan betuig ik hier openlijk, dat ik aan zulk een daad, die met mijne gezindheid en mijn stand geheel strijdig is, niet alleen niet medeplichtig ben, maar ook, dat mij daarvan volstrekt niets bekend is. De omstandigheid, dat men een der roovers den naam Osbaldistone heeft gegeven, of dat deze naam slechts in hun gesprek voorgekomen is, beteekent niets. Wat aangaat de ten laste gelegde staatkundige gevoelens, bied ik aan, tot genoegen van den vrederechter, den griffier en den aanklager te bewijzen, dat ook ik tot de Presbyteriaansche kerk behoor, dat ik als een getrouw onderdaan in de grondbeginselen der revolutie opgevoed ben, en derhalve de bescherming der wetten, door die groote gebeurtenis bekrachtigd, thans voor mij zelf inroep.”

De vrederechter draaide zich op zijn stoel heen en weder, nam het eene snuifje na het andere en scheen zich in jammerlijke verlegenheid te bevinden. De griffier las hem eene wet van Eduard III voor, krachtens welke de vrederechters iederen aangeklaagde of verdachte persoon in hechtenis mochten nemen. De boosaardige schelm maakte een wapen tegen mij uit dat, wat ik zelf toegestemd had. Hij beweerde, dat ik volgens mijn eigene bekentenis den schijn van een roover had aangenomen, dat ik mij daardoor zelf aan de verdenking had blootgesteld, waarover ik nu klaagde.

Al deze gronden bestreed ik met vrij wat bitterheid, en liet daarbij tevens niet onduidelijk blijken, dat ik den heer griffier diep verachtte. Ten slotte beloofde ik, des noods, den borgtocht van mijne familie te zullen leveren. Dat kon men in geen geval weigeren.

Maar de kwaadaardige griffier maakte allerhande bedenkingen tegen het aannemen van een borgtocht in zulk eene gewichtige zaak. Hij gaf den vrederechter een wenk, om toch wel te overwegen wat de wet hieromtrent duidelijk en stellig voorschreef.

Op dat oogenblik werd een brief aan den griffier gebracht. Toen hij dien snel gelezen had, scheen hij zich over deze stoornis zeer te ergeren. »Lieve Hemel!” riep hij uit, »nu kan ik waarlijk noch aan ambtsbezigheden, noch aan mijne eigen zaken denken. Geen rust, geen uitstel! Ware er maar iemand anders hier, die mij helpen kon!”

»Dankje!” mompelde de vrederechter half luid; »ik heb aan één meer dan genoeg!”

»Maar het is een zaak van leven en dood!” riep de griffier.

»In ’s Hemels naam, als het dan niet anders kan!—Evenwel hoop ik, dat het buiten mij kan beredderd worden, en dat ik ambtshalve er niets mede te maken heb?” vroeg de heer Inglewood min of meer beangst.

En nu verhaalde de griffier, dat de rijke pachter Rutledge, in de nabuurschap, eene dagvaarding naar de eeuwigheid ontvangen en hem ontboden had, om zijne wereldsche aangelegenheden in orde te brengen.

»Ga dan, ga dan!” riep de vrederechter; »dan moogt gij geen minuut langer hier blijven.”

»Indien misschien mijne tegenwoordigheid hier noodzakelijk mocht zijn,” zeide Jobson, terwijl hij zich schoorvoetend naar de deur begaf;—»ik kan het bevel tot arrest oogenblikkelijk opstellen, en de gerechtsdienaar staat beneden. Ook hebt gij gehoord, wat de heer Rashleigh aanmerkte,”—vervolgde hij veel zachter, maar het overige, wat hij zeide, werd een voor mij volstrekt onverstaanbaar fluisteren.

»Neen, zeg ik u, vriendje!” antwoordde de vrederechter luid. »Er zal en moet niets gebeuren, voor dat gij terugkomt: het is immers slechts een rit van anderhalve mijl. Nu, tot weerziens!—Welaan!” vervolgde hij, zich weder tot ons keerende, »het glas gevuld, mijnheer Morris! Wees niet moedeloos, mijnheer Osbaldistone. En gij mijn heidebloempje, voor u een glaasje rooden wijn, om de rozen op uwe wangen wat te verfrisschen.”

Diana keek op, als ontwaakte zij uit een diep gepeins, waarin zij sedert eenige oogenblikken verzonken scheen.—»Neen, mijnheer Inglewood,” antwoordde zij: »op zulke wijze zou ik voor mijne rozen liefst geene verfrissching wenschen. Maar met een koeleren dronk wil ik u gaarne bescheid doen,” voegde zij er bij, terwijl zij een glas met water vulde. Zij dronk met een onrustige drift, die met hare schijnbare opgeruimdheid zichtbaar in strijd was.

Ik was echter niet in de rechte stemming, om haar nauwkeurig gade te slaan. De nieuwe stoornis, die het oogenblikkelijk onderzoek der hatelijke aanklacht weder vertraagde, verdroot mij zeer. Het was niet te verwachten, dat de vrederechter gedurende de afwezigheid van den griffier zich ook maar in het geringste met mijne zaak zou bezig houden. Integendeel, de man scheen zoo verheugd over die afwezigheid, als een schooljongen over een vakantiedag. En vruchteloos poogde hij vroolijkheid bij zijne gasten op te wekken, daar geen van allen tot zoo iets gestemd waren.—

»Maar voor den drommel, vriend Morris!” riep hij, »laat het hoofd niet hangen. Gij zijt immers de eerste niet, en zult ook de laatste niet wezen, die door roovers aangevallen werd. Met treuren komen wij niet verder, en krijgen wij ook het verlorene niet terug. En gij, mijnheer Osbaldistone, ook gij zijt de eerste jonge wildzang niet, die een eerlijk man zijn: »sta!” heeft toegeroepen. Ik herinner mij uit mijne jeugd een recht aardige jongen, Winterfield heette hij—een jongen, in alle fatsoenlijke gezelschappen gezocht en gezien, bij alle hanengevechten en harddraverijentegenwoordig—wij waren boezemvrienden, Orestes en Pylades. Maar, kom aan, drink eens, mijnheer Morris! Met eene droge tong is het slecht praten. Ja, wat ik ook zeggen wilde—menige flesch heb ik met dien goeden jongen geleegd. Hij was van fatsoenlijke familie, zag er niet kwaad uit, een gul gelaat, maar, weet ge! hij had een sluw oog en donkere wenkbrauwen; overigens een knappe, door en door eerlijke jongen, uitgezonderd in dat satansche gevalletje, dat hem het leven heeft gekost. Schenkt in, Heeren! Op zijne nagedachtenis! En daar wij nu eenmaal op dit kapittel zijn gekomen, en mijn verwenschten griffier met zijne verwenschte geleerdheid uit de voeten is, kunnen wij eens recht vertrouwelijk spreken. Mijnheer Osbaldistone, zoo gij mijn raad wilt volgen—de wet is gestreng—zeer gestreng—de ongelukkige Winterfield kwam aan de galg, in weerwil van alle voorspraak, van alle tusschenkomst van vrienden, van alle familiebetrekkingen—hij moest hangen, omdat hij een vetten beestenkooper eenige guinjes lichter had gemaakt. Nu ja, gij hebt den goeden Morris slechts een weinig willen verschrikken en zoo voorts. Wat drommel, vriendje, geef den man zijn valies weder, en de grap is afgeloopen, en er wordt nooit weder over gesproken.”

Toen Morris deze woorden hoorde, helderde zijn gelaat eensklaps weder op, en hij verzekerde stamelende, dat hij de man niet was, die naar menschenbloed dorstte. Ik viel hem echter in de rede. Ik uitte mijne verontwaardiging over de beleedigende onderstelling des rechters, die mij voor schuldig hield aan eene misdaad, die ik nooit begaan had, en waarvan ik wilde vrijgesproken worden.

Op dit hachelijk oogenblik kwam er een bediende binnen en meldde een vreemden heer aan. Terstond daarop trad die vreemde heer, zonder veel komplimenten, de kamer binnen.


Back to IndexNext