HOOFDSTUK XIII.Des duivels was de vondst van hem, die in het gifDen dolkspits doopen leerde. Maar aaklig was ’t helsche planVan den verrader, die het doodelijk vergifIn ’t glas goot, gewijd aan vriend’lijk zamenspreken,Den dood in de ad’ren stortte, in plaats van ’t frissche leven.Anonymus.»Ik moet erkennen, mijnheer Osbaldistone,” zeide freule Diana op een toon, die verried dat zij zich gerechtigd achtte, mij met spottende verwijten te bestraffen, »ik moet erkennen, gij zijt op weg om ons te verassen. Nooit had ik kunnen denken, dat gij zulk een aanleg bezat. Gisteren moest gij nog bewijzen dat gij het recht hebt om u onder het lieve volkje op het kasteel Osbaldistone t’huis te gevoelen, en—ziedaar! gij hebt het meesterstuk dadelijk volbracht …”»Spot niet, lieve freule, ik gevoel diep, dat ik mij hoogst ongepast gedragen heb. Helaas! ik kan volstrekt niets tot mijne verontschuldiging aanvoeren, dan dat ik mededeelingen had ontvangen, waardoor ik in de hoogste mate ontroerd was. Maar hoe het zij, mijn gedrag was onbetamelijk en belachelijk.”»Doe u zelf geen onrecht!” zeide mijne onbarmhartige spotster. »Na alles, wat ik zelf gezien en later gehoord heb, is het u op één enkelen avond gelukt, al de heerlijke eigenschappen te ontwikkelen, waardoor uwe neven zich onderscheiden: de minzaamheid en grootmoedigheid van den welwillenden Rashleigh—Percivals matigheid—Thorncliffs moed—Johns meesterlijke bekwaamheid in het africhten van honden—Richards handigheid in het wedden—dit alles toonde neef Frans in zich vereenigd, en wel met eene keuze van oogenblik, plaats en omstandigheden, die den smaak en de schranderheid van den hoogwijzen Wilfred tot eer zouden verstrekt hebben.”»Maar, heb toch een weinig medelijden met mij, freule Vernon!” antwoordde ik. De tuchtiging, op die wijze en van deze hand, scheen mij wat gestrenger dan ik ze verdiende.—»Laat mij, tot verontschuldiging van dwaasheden, waaraan ik mij slechts één keer schuldig maakte, de gebruiken van dit huis en land aanvoeren. Geenszins wil ik ze billijken, maar Shakespeare zegt toch zelf: goede wijn is een goed, gezellig ding, en ieder mensch mag zich wel eens een enkelen keer laten verleiden.”»Welzeker, maar hij legt dezen lof en deze verontschuldiging den ellendigsten mensch in den mond, dien zijn penseel ooit geschilderd heeft. Ik wil ook van het voordeel, dat uw gedrag mij geeft, geene partij trekken, en u niet de wederlegging toeroepen, welke Cassio tegen den verleider Jago bezigde. Maar bedenk, dat zeker iemand met leedwezen ziet, dat een jong mensch van gelukkigen aanleg en gunstige vooruitzichten in den poel verzinkt, waarin de bewoners van dit huis zich elken avond, als zwijnen, wentelen.”»Ik verzeker u, waarde freule, ik heb slechts mijn schoen nat gemaakt, maar de morsigheid van den poel walgt mij te zeer, dan dat ik er mij verder in zou begeven.”»Dat is een verstandig besluit!” hernam zij. »Wat ik heb moeten hooren, is mij zoo pijnlijk geweest, dat ik eerder aan uwe belangen dan aan de mijne gedacht heb. Gij gedroegt u gisteren aan tafel jegens mij, alsof men u iets gezegd had, waardoor ik in uwe goede meening gedaald was. Mag ik u vragen, wat dat was?”Ik zweeg onthutst. De onbewimpelde vrijmoedigheid dezer vraag geleek ongeveer op de manier, waarop de eene man van eer den anderen vriendschappelijk maar vastberaden, eene verklaring afvraagt over de eene of andere zonderlinge, naar zijn oordeel beleedigende behandeling. Ze had volstrekt niets van dien omhaal en vergoelijking of verzachting, waarmede tusschen mannen en vrouwen uit hoogeren stand zoodanige zaken behandeld worden.Ik kon mijne verlegenheid niet onderdrukken noch verbergen. Rashleigh’s mededeelingen, als zij juist waren, maakten freule Vernon eerder tot een voorwerp van mijn medelijden dan van mijne gevoeligheid. Maar als ik daarin voor mij verontschuldiging voor mijn gedrag vond, moest het mij toch zeer moeilijk vallen datgene mede te deelen, wat voor Diana’s gevoel noodzakelijk beleedigend moest zijn.Zij begreep zeker mijne bezwaren. Eenigszins stelliger, maar nog steeds gematigd en hoffelijk, zeide zij: »gij zult mij, hoop ik, toch het recht niet betwisten, om deze verklaring te eischen. Ik heb geen bloedverwant, die mij beschermen kan, en daarom moet ik mij zelve beschermen.”Stamelende poogde ik de schuld van mijn onheusch gedrag op ongesteldheid en onaangename brieven uit Londen te schuiven. Zij liet mij mijn ganschen voorraad van verontschuldigingen uitputten, tot ik niets meer wist te zeggen, en hoorde mij met een ongeloovig glimlachje aan.»Ik dank u voor de verontschuldigende inleiding, die ge voorgedragen hebt, ook met de verlegenheid, doorgaans aan alle inleidingen eigen. Maar wees nu ook zoo goed, het scherm op te halen en mij te toonen, wat ik eigenlijk wenschte te zien,” zeide zij. »Kortom, laat mij hooren, wat Rashleigh van mij gezegd heeft; want hij is het, die hier alle machines in beweging brengt.”»Maar gesteld, waarde freule, dat ik iets te vertellen had,—ware het dan niet slecht, de geheimen van den éénen bondgenoot aan den anderen te verraden? Gij hebt mij immers zelve gezegd, dat Rashleigh wel niet uw vriend, maar toch nog steeds uw bondgenoot was.”»Ik heb geen geduld, om op mijne vragen ontwijkende antwoorden te hooren, en geen lust om over dit onderwerp te schertsen. Rashleigh kan niets, moet niets, mag niets van mij, Diana Vernon, zeggen, wat ik niet zou kunnen eischen te vernemen. Er bestaan weliswaar geheimen tusschen ons beiden, maar daarop hebben die mededeelingen zeker geen betrekking gehad, en daarmede hebben mijne persoonlijke belangen ook niets gemeen.”Ik had mijne bedaardheid herwonnen, en nam het besluit om van al wat Rashleigh mij in vertrouwen gezegd had, volstrekt niets te ontdekken. Ik hield het voor onbetamelijk voor verklikker te spelen. De mededeeling van hetgeen Rashleigh gezegd had, kon niets goeds bewerken en moest voor Diana zeer pijnlijk zijn. Ik antwoordde dus ernstig, dat er tusschen Rashleigh en mij slechts een niets beteekenend gesprek over zijne familie had plaats gevonden, en ik betuigde tevens, dat geen van zijne mededeelingen een voor Diana nadeeligen indruk bij mij had achtergelaten. Doch als man van eer, voegde ik er bij, mocht ik van den inhoud van een vertrouwelijk gesprek niets meer zeggen.Toen sprong Diana op.—»Dat helpt niets!” riep zij. »Ik moet een ander antwoord van u hebben!” Haar voorhoofd gloeide en haar oog vonkelde. »Ik vorder eene duidelijke verklaring,” ging zij luid en heftig voort, »zoo als een belasterd meisje die van elken man mag vorderen, die zich man van eer noemt; zooals een ouderloos wezen zonder vrienden, die zich geheel alleen in de wijde wereld bevindt, die zich zelf leiden en beschermen moet, die met alle recht van iedereen vorderen kan, wien een gelukkiger lot is te beurt gevallen.—Ik vorder het in den naam van God, die de gelukkigen in de wereld zond om te genieten, en ons, om te dulden. Gij moogt het mij niet weigeren,” voegde zij er bij,terwijl zij plechtig omhoog zag; »of uwe weigering zal u berouwen, indien er op aarde of in den hemel gerechtigheid voor gepleegd onrecht te vinden is.”Ik was verbaasd over hare heftigheid, maar ik gevoelde bij die plechtige uitdaging, dat het mijn plicht was, nu elke verdere bedenking ter zijde te stellen. Ik verhaalde haar nu met korte woorden, maar duidelijk, wat ik van Rashleigh had gehoord.Diana ging weder zitten. Zij scheen dadelijk te bedaren, toen ik mijn verhaal aangevangen had. Als ik soms draalde, om eene verzachtende uitdrukking te zoeken, viel zij mij telkens in de rede met te zeggen: »Ga voort! bid ik u, ga voort! Het eerste woord dat u invalt, is zeker het eenvoudigste, en moet het beste zijn. Denk niet aan mijne gevoeligheid, maar spreek tot mij, zoo als gij tot een onverschilligen derden persoon, zoudt spreken.”Aldus gedrongen, verhaalde ik wat Rashleigh van de haar vroeg opgelegde verplichting, om een van mijns ooms zonen te huwen, en van de onzekerheid en moeielijkheid der keuze verhaald had. Gaarne zou ik het overige verzwegen hebben; maar zij merkte al ras, dat er nog iets was achtergebleven, en zij vermoedde tevens wat het betrof.»Het was zeer slecht van Rashleigh, iets dergelijks van mij te vertellen!” zeide zij. »Ik gelijk op de arme wees in het sprookje, die van de geboorte af, met den zwarten beer uit Noorwegen verloofd was, maar alleen er over klaagde, dat zij door hare medescholieren steeds de »beerenbruid” genoemd werd.—Maar Rashleigh zeide toch ook iets van zich zelven met betrekking tot mij, niet waar?”»Ja, hij gaf te kennen, dat, zoo hij niet schroomde zijn broeder te verdringen, hij thans, bij zijne beroepsverandering, zeer gaarne in de pauselijke vergunning zijn naam, in plaats van die van Thorncliff, zou ingevuld zien.”»Zoo? Inderdaad?” antwoordde Diana. »Zou hij zich zoo diep willen vernederen? Te veel eer voor zijn onderdanige dienaresse, Diana Vernon! En zij zou, buiten twijfel, het toppunt van geluk bereikt hebben, indien er eens zulk eene verandering mocht plaats grijpen!”»Ik kan het niet ontkennen—hij liet zoo iets merken, en gaf verder te kennen.…”»Wat? laat mij alles hooren!” viel zij mij driftig in de rede.»Dat hij den vertrouwelijken omgang had afgebroken, om het ontkiemen eener neiging te voorkomen, aan welke hij, bij zijne bestemming tot den geestelijken stand, niet zou hebben mogen beantwoorden.”»Ik ben hem voor zijne oplettendheid ten deze ten hoogste verplicht!” antwoordde Diana, en uit elken trek van haar schoon gelaat sprak diepe verachting. Zij zweeg een oogenblik en vervolgde toen met hare gewone bedaardheid: »Bijna alles, wat ik van u hoor, verwachtte ik te hooren. Want, eene enkele omstandigheid uitgezonderd, is alles volkomen waar. Maar even als er vergiften zijn, waarvan een enkele droppel eene geheele bron kan vergiftigen, zoo is er in Rashleighs verhaal een logen, die alles verontreinigt. Dit is de afschuwlijke logen, dat ik, die Rashleighmaar al te goed ken, door eenige omstandigheid ter wereld mij zou kunnen laten bewegen, om mijn lot met hem te deelen. Neen,” vervolgde zij met een soort van rilling, die een onwillekeurige ontroering scheen te verraden;—»neen, liever elk ander lot dan dat! De gek, de speler, de twistzoeker, de roskammer—allen duizendmaal liever dan Rashleigh.—Maar het klooster, de kerker, het graf, alles is mij nog oneindig meer welkom, dan een van hen allen!”Bij deze woorden klonk haar stem bedroefd en weemoedig. Die toon paste bij het zonderlinge en ingewikkelde van haren toestand. Mij trof het diep. Zoo jong, zoo schoon, zoo onervaren, zoo geheel aan zich zelve overgelaten, beroofd van den bijstand, dien vrouwen in de bescherming van vriendinnen vinden; ja, zelfs van die verdediging beroofd, die de kieschheid eischt, de eerbied, waarmede men in beschaafde landen eene vrouw bejegent—dat alles deed mij smartelijk aan. Maar er lag zulk eene treffende uitdrukking van waardigheid in hare verachting van de gewone zeden der groote wereld, er was zooveel innig gevoel in hare verfoeiing der valschheid; zooveel vastberadenheid in hare beschouwing der gevaren, waardoor zij omringd was, dat eene onbegrensde bewondering zich aan mijn medelijden paarde. Zij geleek eene vorstin, verlaten van hare onderdanen, beroofd van hare macht, maar nog steeds de maatschappelijke inrichtingen versmadend, die voor menschen van geringen stand gemaakt zijn, te midden van hare wederwaardigheden fier en vol vertrouwen steunend op de gerechtigheid des Hemels en op de onwrikbare standvastigheid van haar gemoed. Ik wilde haar die gewaarwordingen vertolken, die haar ongelukkige toestand in mij opwekte. Maar zij liet mij niet uitspreken.»Stil,” zeide zij, »ik bid u, zwijg. In scherts heb ik u gezegd, dat ik geene vleierijen kan dulden, en nu zeg ik u in ernst, dat ik geen medelijden begeer en troost veracht. Wat ik geleden heb, is voorbij; wat ik nog lijden mocht, zal ik dragen,—zoo goed ik kan. Geen meewarig woord is in staat, om den last, dien de slaaf torschen moet, eene veer lichter te maken. Er bestaat slechtseenmenschelijk wezen, dat mij hulp zou hebben kunnen verleenen, dat wezen is Rashleigh. Maar hij heeft integendeel mijn leed vermeerderd. Ja, er was een tijd, waarin ik zou hebben kunnen leeren dezen man te beminnen.—Maar, rechtvaardige Hemel! het doel, waarom hij zich van het vertrouwen van een meisje, dat reeds zoo ongelukkig was, listig meester maakte; de volhardende ijver, waarmede hij dat oogmerk jaren lang vervolgde, zonder één enkel oogenblik gewetenswroegingen of medelijden te gevoelen; de beginselen, waarmede hij het voedsel, dat hij mijn geest gaf, in vergift wilde veranderen—goede Voorzienigheid! wat zou er van mij geworden zijn in deze en in gene wereld, naar lichaam en naar ziel, als ik in de strikken van dien ellendeling gevallen ware!”Toen ik die wanhoop zag en hoorde, werd ik verontwaardigd over den trouweloozen verrader, zoodat ik opstond, mij zelven niet meer machtig. Ik sloeg de hand aan mijn degen en wilde naar buiten snellen, om den eerloozen schelm mijn rechtmatigen toorn te doen gevoelen. Bijna ademloosen met een oog, waarin verachting en toorn door den hevigsten angst verdrongen werden, sneed Diana mij den weg naar de deur af.»Blijf!” zeide zij, »blijf! Uwe verontwaardiging billijk ik ten volle, maar gij kent nog niet half de geheimen van deze ijselijke gevangenis,”—zij zag angstig in het rond en voegde zacht fluisterend er bij: »zijn leven moet heilig zijn. Dat van anderen is met het zijne gemoeid!” en, zij ging voort: »gij kunt hem niet aanvallen zonder meer dan één leven in gevaar te brengen. Gij zoudt de verwoesting verder uitbreiden dan wij wenschen mogen. Ware dit het geval niet, dan zou hij in een oogenblik van rechtvaardige wraakneming, zelfs voor deze zwakke hand nauwelijks veilig zijn geweest. Ik zeide u”—vervolgde zij, terwijl zij mij weder naar mijn stoel leidde,—»dat ik geen trooster behoef, en nu zeg ik u, dat ik geen wreker noodig heb.”Ik ging weder zitten, als in een droom over hare woorden nadenkende, en ik gevoelde, dat ik hier weder zeer onbedachtzaam gehandeld had, daar ik volstrekt onbevoegd was, om ongeroepen als Diana’s kampvechter op te treden.Zij zweeg om ons beider ontroering te laten bedaren, en begon toen op meer kalmen toon: »ik heb u reeds gezegd, dat Rashleigh in een allergevaarlijkst noodlottig geheim gewikkeld is. Hoe laaghartig hij ook zijn moge, en hoe goed hij wete dat hij, van laaghartigheid overtuigd,voor mij staat, ik kan, ik mag nochtans niet openlijk met hem breken. Ik kan hem niet openlijk ter verantwoording roepen. Ook gij moet geduld oefenen; al zijne lagen met schranderheid trachten te verijdelen, maar niet met geweld. Vooral moet ge zulke tooneelen vermijden als gisterenavond plaats hebben gehad, die hem zeer gevaarlijke voordeelen op u kunnen verschaffen. Deze waarschuwing wilde ik u geven. Dit alleen was het oogmerk van deze bijeenkomst, welke ik wenschte. Maar ik heb mijn vertrouwen verder uitgestrekt dan eigenlijk mijn voornemen was.”Ik verzekerde haar dat zij het aan geen onwaardige had geschonken.»Dat geloof ik gaarne,” hernam zij; »gij hebt iets in uwe gelaatstrekken en in uw geheel voorkomen, dat vertrouwen inboezemt. Laat ons vrienden blijven. Gij behoeft niet te vreezen”—vervolgde zij glimlachend, terwijl zij een weinig bloosde, doch op innig hartelijken toon—»dat vriendschap bij ons slechts een verschoonende naam voor een ander gevoel zal worden. Naar mijn denken en handelen behoor ik eigenlijk meer tot uw kunne, waarmede ik steeds opgevoed werd, dan tot de mijne. Reeds in de wieg werd de noodlottige sluier mij over het hoofd geworpen. Ik zou dien sluier kunnen verscheuren, maar eene verschrikkelijke voorwaarde is daaraan verbonden. De tijd, om mijn stellig besluit te kennen te geven, is nog niet gekomen,” voegde zij er langzaam bij. »O! gaarne zou ik met andere kinderen der natuur op de woeste heide en in de vrije lucht zoo lang vroolijk ronddartelen. O! ware het mij vergund, de vreugde dezes levens te genieten. En nu—de plaats in Dante is genoegzaam toegelicht! Ga thans heen en zie eens wat er van de dappere dasjagers geworden is. Ik kan u niet vergezellen. Ik gevoel mij niet recht wel.”Ik ging heen, maar niet om naar de jagers te zoeken. Ik gevoelde dat ik eenige oogenblikken alleen moest zijn, om volkomen tot bedaren te komen, eer ik mij in Rashleigh’s gezelschap durfde wagen, wiens koel berekenende laaghartigheid mij met zulke scherpe trekken was afgeschilderd. Ik had bij Dubourg, die een Calvinist was, zoo menige geschiedenis van Katholieke priesters hooren verhalen, hoe er onder hen waren, die vriendschap, gastvrijheid en de heiligste banden van het gezellige leven misbruikten, om die driften te bevredigen, wier regelmatige voldoening hun door de wetten van hun geloof verboden is. Maar het koelbloedig overleg, om de opvoeding van eene verlaten wees van goede afkomst, eener bloedverwante op zich te nemen, met het trouwelooze oogmerk om haar eindelijk te verleiden, zoo als zij mij zelf met edele verontwaardiging verhaald had, dat was voor mij verschrikkelijker dan de ergste van al de geschiedenissen, die in Bordeaux bekend waren. Ik gevoelde hoe moeielijk het mij zijn zou, Rashleigh te zien en den afschuw te onderdrukken, dien hij mij inboezemde. Dit was echter volstrekt noodzakelijk, niet alleen wegens den geheimzinnigen wenk, welken Diana mij gegeven had, maar ook omdat ik geen verklaarbaren grond tot twist met hem zou mogen opgeven.Vaster rijpte in mij het besluit, Rashleigh’s veinzerij zoo veel mogelijkmet gelijke omzichtigheid te beantwoorden, zoolang wij met elkander in het kasteel moesten zijn. Bij zijn vertrek naar Londen wilde ik mijn vriend Owen een wenk geven omtrent de gezindheid van zijn nieuwen kantoormakker; om den braven ouden man tot waakzaamheid over mijns vaders belangen aan te sporen. Hebzucht, of eerzucht, meende ik, moest voor een mensch van Rashleigh’s karakter eene even groote, of wel nog grootere, aantrekkingskracht hebben, als zinnelijk genot. Zijne gave, om zich den schijn van alle goede eigenschappen te geven, en de gewone toon van zijne gesprekken, waarmede hij al spoedig iedereen voor zich wist in te nemen, zouden hem licht een hoogen graad van vertrouwen kunnen verschaffen. Hij bezat zeker geen edele dankbaarheid, die hem zou weerhouden van het verworven vertrouwen misbruik te maken. De zaak was wel zeer netelig, vooral in mijne omstandigheden. Men zou de waarschuwing, die ik gaf, zeer licht aan jaloezie tegen mijn medeminnaar of tegen mijn opvolger in mijns vaders gunst kunnen toeschrijven. Ik achtte het echter bepaald noodzakelijk, zulk een waarschuwenden brief te schrijven en het aan den schranderen en voorzichtigen Owen over te laten, zoo hij partij van de kennis van Rashleigh’s waren aard wilde trekken. Ik deed dit en zond den brief zoo spoedig mogelijk over de post weg.Toen ik met Rashleigh samenkwam, merkte ik terstond dat hij even gereserveerd was geworden als ik, en alle aanleiding tot twist vermijden wilde. Hij vermoedde waarschijnlijk, dat hetgeen Diana mij verhaald had in zijn nadeel was, al kon hij niet weten, dat ik zelfs de laaghartigheid kende, welke hij tegen haar in den zin had gehad. Onze omgang was van dien tijd af, van beide kanten ten hoogste omzichtig. Wij spraken slechts over niets beduidende onderwerpen. Zijn verblijf in het kasteel duurde ook nog maar eenige weinige dagen. Maar in dien korten tijd bevreemdden mij twee omstandigheden. De eerste was de groote vlugheid, waarmede hij de tot zijn nieuw beroep vereischte kundigheden zich had eigen gemaakt. Soms liet hij mij dit duidelijk bemerken, wilde hij mij toonen, hoe gemakkelijk het hem was een last op zich te nemen, dien ik uit vermoeidheid en onbekwaamheid had neergeworpen. Maar ten tweede bevreemdde mij de omstandigheid, dat Diana met Rashleigh, dien zij van zulke zware beleedigingen beschuldigde, verscheidene vrij lange gesprekken onder vier oogen had, ofschoon beiden zich vooral niet hartelijker dan te voren jegens elkander gedroegen.Toen de dag van zijn vertrek verschenen was, zeide zijn vader hem zeer onverschillig vaarwel. Zijne broeders deden hem uitgeleide, maar slecht verborgen zij daarbij hun vreugde. Ze waren als woeste schooljongens, die den meester voor eenigen tijd zien vertrekken, en niet recht wagen het genoegen dat zij gevoelen, te laten blijken. Ik nam met koele hoffelijkheid afscheid van hem. Eindelijk trad hij naar Diana toe. Doch toen hij haar wilde omhelzen, boog zij, met een blik van trotsche verachting achterwaarts, en zeide, terwijl zij hem de hand toereikte: »Vaarwel, Rashleigh! God beloone u het goede, dat gij mijbewezen hebt, en vergeve u het kwade, dat gij voornemens waart te doen!”»Amen! lieve nicht!” antwoordde hij met een schijnvroom gelaat, hetwelk hij, naar het mij scheen, nog van het Instituut te St. Omer had behouden.—»Zalig hij, wiens goede oogmerken de vrucht van goede daden droegen, en wiens booze gedachten in den bloeitijd vergaan!”Dit waren zijne afscheidswoorden.—»Die volleerde huichelaar!” zeide Diana tegen mij, toen hij de deur achter zich toetrok. »Hoe sterk kan hetgeen wij het meest haten en verachten, uitwendig gelijken op dat, wat wij het hoogst vereeren en eerbiedigen.”Ik had Rashleigh een brief aan mijn vader en eenige regels aan Owen medegegeven, behalve den reeds vermelden vertrouwelijken brief, dien ik langs een anderen weg had verzonden. Niets zou natuurlijker geweest zijn, dan dat ik in deze brieven mijn vader en mijn vriend bericht had, dat ik mij in een toestand bevond, waarin ik mij in geen opzicht, dan alleen in de geheimen van de valkenjacht kon vormen; ja, dat ik, in het gezelschap van ruwe stalknechts en roskammers, waarschijnlijk alle nuttige kundigheden die ik verworven had, spoedig zou vergeten. Het zou even natuurlijk zijn geweest, mijn tegenzin uit te drukken, om onder menschen te leven, die slechts in jagen en in onteerende tijdkortingen hun genoegen vonden. Ik zou eindelijk hebben moeten klagen over de dagelijksche onmatigheid der mannen, wier gast ik was, over den last, ja, over de onaangename aanmerkingen, die ik van mijn oom te wachten was, wanneer ik mij onder hoffelijke verontschuldigingen aan den dienst van den wijngod wilde onttrekken. Deze laatste omstandigheid was van dien aard, dat mijn vader, een streng, matig man, waarschijnlijk zich ongerust over mij gemaakt zou hebben. Had ik deze snaar wat sterk aangeroerd, dan zou de deur van mijn kerker zich zeer spoedig hebben geopend, òf de tijd van mijne verbanning zou verkort, òf een ander verblijf mij tot ballingschap aangewezen zijn geworden.Voor een jongeling van mijne jaren en neigingen moest een langer verblijf op het kasteel Osbaldistone zoo weinig mogelijk aangenaam wezen. Men zou redelijker wijze moeten gelooven, dat het mijn eerste werk had moeten zijn, mijn vader al die bezwaren te schetsen, ten einde met zijne toestemming mijns ooms huis te kunnen verlaten. En toch moet ik naar waarheid verzekeren, dat ik in mijne brieven niet een enkel woord van dit alles repte. Ware het kasteel Osbaldistone een Athene in den ouden luister van zijne beschaving; ware het door wijzen, helden en dichters bewoond, mijn verlangen, om er te blijven, had ik niet sterker kunnen toonen.Mijn stilzwijgen over een voor mij zoo belangrijk punt zult gij, waarde Tresham, licht kunnen verklaren, zoo gij slechts nog een enkel vonkje van het vuur der jeugd in u hebt. Diana’s buitengewone schoonheid, waarvan zij zelve zoo weinig scheen te weten; haar romantische en geheimzinnige toestand; het lijden, waaraan zij was blootgesteld; de moed, waarmede zij het scheen te gemoet te zien; haar gedrag, veelvrijer dan het haar betaamde, maar, zoo als het mij toescheen, slechts een gevolg van het bewustzijn harer onschuld, en eindelijk en vooral de zichtbare en vleiende onderscheiding, welke zij mij boven ieder ander betoonde—dit alles nam mij geheel voor haar in. Mijne nieuwsgierigheid was levendig gewekt, mijne verbeelding geprikkeld, mijne ijdelheid gestreeld. Ik waagde het niet, mij zelven te bekennen, welke innige deelneming Diana mij inboezemde, en hoezeer zij mijne gedachten vervulde. Wij lazen met elkander, wandelden met elkander, reden samen uit, en zaten bij elkander. De beoefening der letteren, welke zij, naar hare twist met Rashleigh, had afgebroken, zette zij thans onder mijne leiding voort. Ik was een leermeester, die wel geringer kennis, maar veel rechtschapener bedoelingen had.Eigenlijk was ik geenszins geschikt, om haar bij de voortzetting van eenige diep geleerde studiën behulpzaam te zijn, die zij met Rashleigh had begonnen. Het waren studiën, wel voor een geestelijke, maar niet voor een bevallig meisje geschikt. Ik kan niet begrijpen, met welk oogmerk hij Diana in den somberen doolhof van onvruchtbare schoolsche geleerdheid inleidde, of in de even moeielijke, ofschoon op zekere, vaste grondslagen rustende wetenschappen als wiskunde en sterrekunde. Misschien had hij heimelijk het voornemen, om haar te verleiden, zoo het maatschappelijk verschil der beide geslachten te verloochenen en te verwarren. Misschien wilde hij haar aan spitsvondigheden gewennen, opdat hij te zijner tijd des te gemakkelijker aan het valsche de kleur van het ware zou kunnen geven.Nog zonderlinger was het schandelijk doel, waarmede Rashleigh, naar den verderfelijken geest zijner leer, haar aanmoedigde, den eng begrensden kring, door het maatschappelijke gebruik om de vrouwen getrokken, te veronachtzamen en te verachten. Zij was trouwens van allen omgang met vrouwen geheel verstoken. Zij kon de gewone regels der welvoegelijkheid noch door voorbeeld noch door voorschrift leeren. Maar toch was zij met zoo veel aangeboren zedigheid en met zulk een fijn gevoel voor recht en onrecht begaafd, dat zij dat vrije, min of meer vrijpostige gedrag, dat mij bij onze eerste kennismaking zoozeer bevreemdde, nooit uit eigen neiging zou aangenomen hebben. Maar men had haar in de meening gebracht, dat verachting van de gewoonten en gebruiken der maatschappij zoowel van verstandig overleg, als van vertrouwen op de bewustheid van onschuld het bewijs kon zijn.Haar sluwe leermeester had zeker zijn geheim doel gehad, toen hij die bolwerken sloopte, door ingetogenheid, en voorzichtigheid om de deugd opgetrokken. Overigens daarvoor, en ook nog voor andere misdaden, is hij reeds lang voor een hoogeren rechterstoel ter verantwoording geroepen.Diana, wier heldere geest zoo vatbaar voor elk middel tot beschaving was, had niet alleen in de zoogenaamde positieve wetenschappen belangrijke vorderingen gemaakt, maar was ook met verscheidene talen bekend en met de schriften van oude en nieuwe tijden vrij goed vertrouwd. Menschen van uitstekende geestvermogens komendikwijls’t verste,daar, waar zij den minsten bijstand hebben. Als men dit niet in ’t oog hield, zouden Diana’s snelle vorderingen in verscheidene takken van wetenschap bijna ongeloofelijk schijnen. Dit alles trof mij des te sterker, als ik den voorraad van die kundigheden, uit boeken verworven, met hare volstrekte onbekendheid met het werkelijke leven vergeleek. Zij scheen ieder ding te zien en te kennen, behalve dat, wat rondom haar gebeurde. Juist deze onkunde en deze kinderlijke beschouwing van gewone voorwerpen, waarmede hare overige kundigheden zulk een scherpe tegenstelling opleverden, maakten vermoedelijk den omgang met haar onwederstaanbaar betooverend, en deed met aandacht letten op al wat zij zeide of deed. Men kon volstrekt nooit vooruit weten, of haar eerstvolgend woord, haar eerstvolgende daad, de scherpzinnigste waarneming of de zonderlingste onnoozelheid zou aanduiden. Wie zich zijne eigen aandoeningen uit den bloeitijd van zijn leven herinnert, zal inzien, hoe gevaarlijk het voor een jongeling van mijne jaren en van mijn gemoedsleven moest zijn, met zulk een beminnenswaardig, zeldzaam bekoorlijk wezen steeds vertrouwelijk om te gaan.
HOOFDSTUK XIII.Des duivels was de vondst van hem, die in het gifDen dolkspits doopen leerde. Maar aaklig was ’t helsche planVan den verrader, die het doodelijk vergifIn ’t glas goot, gewijd aan vriend’lijk zamenspreken,Den dood in de ad’ren stortte, in plaats van ’t frissche leven.Anonymus.»Ik moet erkennen, mijnheer Osbaldistone,” zeide freule Diana op een toon, die verried dat zij zich gerechtigd achtte, mij met spottende verwijten te bestraffen, »ik moet erkennen, gij zijt op weg om ons te verassen. Nooit had ik kunnen denken, dat gij zulk een aanleg bezat. Gisteren moest gij nog bewijzen dat gij het recht hebt om u onder het lieve volkje op het kasteel Osbaldistone t’huis te gevoelen, en—ziedaar! gij hebt het meesterstuk dadelijk volbracht …”»Spot niet, lieve freule, ik gevoel diep, dat ik mij hoogst ongepast gedragen heb. Helaas! ik kan volstrekt niets tot mijne verontschuldiging aanvoeren, dan dat ik mededeelingen had ontvangen, waardoor ik in de hoogste mate ontroerd was. Maar hoe het zij, mijn gedrag was onbetamelijk en belachelijk.”»Doe u zelf geen onrecht!” zeide mijne onbarmhartige spotster. »Na alles, wat ik zelf gezien en later gehoord heb, is het u op één enkelen avond gelukt, al de heerlijke eigenschappen te ontwikkelen, waardoor uwe neven zich onderscheiden: de minzaamheid en grootmoedigheid van den welwillenden Rashleigh—Percivals matigheid—Thorncliffs moed—Johns meesterlijke bekwaamheid in het africhten van honden—Richards handigheid in het wedden—dit alles toonde neef Frans in zich vereenigd, en wel met eene keuze van oogenblik, plaats en omstandigheden, die den smaak en de schranderheid van den hoogwijzen Wilfred tot eer zouden verstrekt hebben.”»Maar, heb toch een weinig medelijden met mij, freule Vernon!” antwoordde ik. De tuchtiging, op die wijze en van deze hand, scheen mij wat gestrenger dan ik ze verdiende.—»Laat mij, tot verontschuldiging van dwaasheden, waaraan ik mij slechts één keer schuldig maakte, de gebruiken van dit huis en land aanvoeren. Geenszins wil ik ze billijken, maar Shakespeare zegt toch zelf: goede wijn is een goed, gezellig ding, en ieder mensch mag zich wel eens een enkelen keer laten verleiden.”»Welzeker, maar hij legt dezen lof en deze verontschuldiging den ellendigsten mensch in den mond, dien zijn penseel ooit geschilderd heeft. Ik wil ook van het voordeel, dat uw gedrag mij geeft, geene partij trekken, en u niet de wederlegging toeroepen, welke Cassio tegen den verleider Jago bezigde. Maar bedenk, dat zeker iemand met leedwezen ziet, dat een jong mensch van gelukkigen aanleg en gunstige vooruitzichten in den poel verzinkt, waarin de bewoners van dit huis zich elken avond, als zwijnen, wentelen.”»Ik verzeker u, waarde freule, ik heb slechts mijn schoen nat gemaakt, maar de morsigheid van den poel walgt mij te zeer, dan dat ik er mij verder in zou begeven.”»Dat is een verstandig besluit!” hernam zij. »Wat ik heb moeten hooren, is mij zoo pijnlijk geweest, dat ik eerder aan uwe belangen dan aan de mijne gedacht heb. Gij gedroegt u gisteren aan tafel jegens mij, alsof men u iets gezegd had, waardoor ik in uwe goede meening gedaald was. Mag ik u vragen, wat dat was?”Ik zweeg onthutst. De onbewimpelde vrijmoedigheid dezer vraag geleek ongeveer op de manier, waarop de eene man van eer den anderen vriendschappelijk maar vastberaden, eene verklaring afvraagt over de eene of andere zonderlinge, naar zijn oordeel beleedigende behandeling. Ze had volstrekt niets van dien omhaal en vergoelijking of verzachting, waarmede tusschen mannen en vrouwen uit hoogeren stand zoodanige zaken behandeld worden.Ik kon mijne verlegenheid niet onderdrukken noch verbergen. Rashleigh’s mededeelingen, als zij juist waren, maakten freule Vernon eerder tot een voorwerp van mijn medelijden dan van mijne gevoeligheid. Maar als ik daarin voor mij verontschuldiging voor mijn gedrag vond, moest het mij toch zeer moeilijk vallen datgene mede te deelen, wat voor Diana’s gevoel noodzakelijk beleedigend moest zijn.Zij begreep zeker mijne bezwaren. Eenigszins stelliger, maar nog steeds gematigd en hoffelijk, zeide zij: »gij zult mij, hoop ik, toch het recht niet betwisten, om deze verklaring te eischen. Ik heb geen bloedverwant, die mij beschermen kan, en daarom moet ik mij zelve beschermen.”Stamelende poogde ik de schuld van mijn onheusch gedrag op ongesteldheid en onaangename brieven uit Londen te schuiven. Zij liet mij mijn ganschen voorraad van verontschuldigingen uitputten, tot ik niets meer wist te zeggen, en hoorde mij met een ongeloovig glimlachje aan.»Ik dank u voor de verontschuldigende inleiding, die ge voorgedragen hebt, ook met de verlegenheid, doorgaans aan alle inleidingen eigen. Maar wees nu ook zoo goed, het scherm op te halen en mij te toonen, wat ik eigenlijk wenschte te zien,” zeide zij. »Kortom, laat mij hooren, wat Rashleigh van mij gezegd heeft; want hij is het, die hier alle machines in beweging brengt.”»Maar gesteld, waarde freule, dat ik iets te vertellen had,—ware het dan niet slecht, de geheimen van den éénen bondgenoot aan den anderen te verraden? Gij hebt mij immers zelve gezegd, dat Rashleigh wel niet uw vriend, maar toch nog steeds uw bondgenoot was.”»Ik heb geen geduld, om op mijne vragen ontwijkende antwoorden te hooren, en geen lust om over dit onderwerp te schertsen. Rashleigh kan niets, moet niets, mag niets van mij, Diana Vernon, zeggen, wat ik niet zou kunnen eischen te vernemen. Er bestaan weliswaar geheimen tusschen ons beiden, maar daarop hebben die mededeelingen zeker geen betrekking gehad, en daarmede hebben mijne persoonlijke belangen ook niets gemeen.”Ik had mijne bedaardheid herwonnen, en nam het besluit om van al wat Rashleigh mij in vertrouwen gezegd had, volstrekt niets te ontdekken. Ik hield het voor onbetamelijk voor verklikker te spelen. De mededeeling van hetgeen Rashleigh gezegd had, kon niets goeds bewerken en moest voor Diana zeer pijnlijk zijn. Ik antwoordde dus ernstig, dat er tusschen Rashleigh en mij slechts een niets beteekenend gesprek over zijne familie had plaats gevonden, en ik betuigde tevens, dat geen van zijne mededeelingen een voor Diana nadeeligen indruk bij mij had achtergelaten. Doch als man van eer, voegde ik er bij, mocht ik van den inhoud van een vertrouwelijk gesprek niets meer zeggen.Toen sprong Diana op.—»Dat helpt niets!” riep zij. »Ik moet een ander antwoord van u hebben!” Haar voorhoofd gloeide en haar oog vonkelde. »Ik vorder eene duidelijke verklaring,” ging zij luid en heftig voort, »zoo als een belasterd meisje die van elken man mag vorderen, die zich man van eer noemt; zooals een ouderloos wezen zonder vrienden, die zich geheel alleen in de wijde wereld bevindt, die zich zelf leiden en beschermen moet, die met alle recht van iedereen vorderen kan, wien een gelukkiger lot is te beurt gevallen.—Ik vorder het in den naam van God, die de gelukkigen in de wereld zond om te genieten, en ons, om te dulden. Gij moogt het mij niet weigeren,” voegde zij er bij,terwijl zij plechtig omhoog zag; »of uwe weigering zal u berouwen, indien er op aarde of in den hemel gerechtigheid voor gepleegd onrecht te vinden is.”Ik was verbaasd over hare heftigheid, maar ik gevoelde bij die plechtige uitdaging, dat het mijn plicht was, nu elke verdere bedenking ter zijde te stellen. Ik verhaalde haar nu met korte woorden, maar duidelijk, wat ik van Rashleigh had gehoord.Diana ging weder zitten. Zij scheen dadelijk te bedaren, toen ik mijn verhaal aangevangen had. Als ik soms draalde, om eene verzachtende uitdrukking te zoeken, viel zij mij telkens in de rede met te zeggen: »Ga voort! bid ik u, ga voort! Het eerste woord dat u invalt, is zeker het eenvoudigste, en moet het beste zijn. Denk niet aan mijne gevoeligheid, maar spreek tot mij, zoo als gij tot een onverschilligen derden persoon, zoudt spreken.”Aldus gedrongen, verhaalde ik wat Rashleigh van de haar vroeg opgelegde verplichting, om een van mijns ooms zonen te huwen, en van de onzekerheid en moeielijkheid der keuze verhaald had. Gaarne zou ik het overige verzwegen hebben; maar zij merkte al ras, dat er nog iets was achtergebleven, en zij vermoedde tevens wat het betrof.»Het was zeer slecht van Rashleigh, iets dergelijks van mij te vertellen!” zeide zij. »Ik gelijk op de arme wees in het sprookje, die van de geboorte af, met den zwarten beer uit Noorwegen verloofd was, maar alleen er over klaagde, dat zij door hare medescholieren steeds de »beerenbruid” genoemd werd.—Maar Rashleigh zeide toch ook iets van zich zelven met betrekking tot mij, niet waar?”»Ja, hij gaf te kennen, dat, zoo hij niet schroomde zijn broeder te verdringen, hij thans, bij zijne beroepsverandering, zeer gaarne in de pauselijke vergunning zijn naam, in plaats van die van Thorncliff, zou ingevuld zien.”»Zoo? Inderdaad?” antwoordde Diana. »Zou hij zich zoo diep willen vernederen? Te veel eer voor zijn onderdanige dienaresse, Diana Vernon! En zij zou, buiten twijfel, het toppunt van geluk bereikt hebben, indien er eens zulk eene verandering mocht plaats grijpen!”»Ik kan het niet ontkennen—hij liet zoo iets merken, en gaf verder te kennen.…”»Wat? laat mij alles hooren!” viel zij mij driftig in de rede.»Dat hij den vertrouwelijken omgang had afgebroken, om het ontkiemen eener neiging te voorkomen, aan welke hij, bij zijne bestemming tot den geestelijken stand, niet zou hebben mogen beantwoorden.”»Ik ben hem voor zijne oplettendheid ten deze ten hoogste verplicht!” antwoordde Diana, en uit elken trek van haar schoon gelaat sprak diepe verachting. Zij zweeg een oogenblik en vervolgde toen met hare gewone bedaardheid: »Bijna alles, wat ik van u hoor, verwachtte ik te hooren. Want, eene enkele omstandigheid uitgezonderd, is alles volkomen waar. Maar even als er vergiften zijn, waarvan een enkele droppel eene geheele bron kan vergiftigen, zoo is er in Rashleighs verhaal een logen, die alles verontreinigt. Dit is de afschuwlijke logen, dat ik, die Rashleighmaar al te goed ken, door eenige omstandigheid ter wereld mij zou kunnen laten bewegen, om mijn lot met hem te deelen. Neen,” vervolgde zij met een soort van rilling, die een onwillekeurige ontroering scheen te verraden;—»neen, liever elk ander lot dan dat! De gek, de speler, de twistzoeker, de roskammer—allen duizendmaal liever dan Rashleigh.—Maar het klooster, de kerker, het graf, alles is mij nog oneindig meer welkom, dan een van hen allen!”Bij deze woorden klonk haar stem bedroefd en weemoedig. Die toon paste bij het zonderlinge en ingewikkelde van haren toestand. Mij trof het diep. Zoo jong, zoo schoon, zoo onervaren, zoo geheel aan zich zelve overgelaten, beroofd van den bijstand, dien vrouwen in de bescherming van vriendinnen vinden; ja, zelfs van die verdediging beroofd, die de kieschheid eischt, de eerbied, waarmede men in beschaafde landen eene vrouw bejegent—dat alles deed mij smartelijk aan. Maar er lag zulk eene treffende uitdrukking van waardigheid in hare verachting van de gewone zeden der groote wereld, er was zooveel innig gevoel in hare verfoeiing der valschheid; zooveel vastberadenheid in hare beschouwing der gevaren, waardoor zij omringd was, dat eene onbegrensde bewondering zich aan mijn medelijden paarde. Zij geleek eene vorstin, verlaten van hare onderdanen, beroofd van hare macht, maar nog steeds de maatschappelijke inrichtingen versmadend, die voor menschen van geringen stand gemaakt zijn, te midden van hare wederwaardigheden fier en vol vertrouwen steunend op de gerechtigheid des Hemels en op de onwrikbare standvastigheid van haar gemoed. Ik wilde haar die gewaarwordingen vertolken, die haar ongelukkige toestand in mij opwekte. Maar zij liet mij niet uitspreken.»Stil,” zeide zij, »ik bid u, zwijg. In scherts heb ik u gezegd, dat ik geene vleierijen kan dulden, en nu zeg ik u in ernst, dat ik geen medelijden begeer en troost veracht. Wat ik geleden heb, is voorbij; wat ik nog lijden mocht, zal ik dragen,—zoo goed ik kan. Geen meewarig woord is in staat, om den last, dien de slaaf torschen moet, eene veer lichter te maken. Er bestaat slechtseenmenschelijk wezen, dat mij hulp zou hebben kunnen verleenen, dat wezen is Rashleigh. Maar hij heeft integendeel mijn leed vermeerderd. Ja, er was een tijd, waarin ik zou hebben kunnen leeren dezen man te beminnen.—Maar, rechtvaardige Hemel! het doel, waarom hij zich van het vertrouwen van een meisje, dat reeds zoo ongelukkig was, listig meester maakte; de volhardende ijver, waarmede hij dat oogmerk jaren lang vervolgde, zonder één enkel oogenblik gewetenswroegingen of medelijden te gevoelen; de beginselen, waarmede hij het voedsel, dat hij mijn geest gaf, in vergift wilde veranderen—goede Voorzienigheid! wat zou er van mij geworden zijn in deze en in gene wereld, naar lichaam en naar ziel, als ik in de strikken van dien ellendeling gevallen ware!”Toen ik die wanhoop zag en hoorde, werd ik verontwaardigd over den trouweloozen verrader, zoodat ik opstond, mij zelven niet meer machtig. Ik sloeg de hand aan mijn degen en wilde naar buiten snellen, om den eerloozen schelm mijn rechtmatigen toorn te doen gevoelen. Bijna ademloosen met een oog, waarin verachting en toorn door den hevigsten angst verdrongen werden, sneed Diana mij den weg naar de deur af.»Blijf!” zeide zij, »blijf! Uwe verontwaardiging billijk ik ten volle, maar gij kent nog niet half de geheimen van deze ijselijke gevangenis,”—zij zag angstig in het rond en voegde zacht fluisterend er bij: »zijn leven moet heilig zijn. Dat van anderen is met het zijne gemoeid!” en, zij ging voort: »gij kunt hem niet aanvallen zonder meer dan één leven in gevaar te brengen. Gij zoudt de verwoesting verder uitbreiden dan wij wenschen mogen. Ware dit het geval niet, dan zou hij in een oogenblik van rechtvaardige wraakneming, zelfs voor deze zwakke hand nauwelijks veilig zijn geweest. Ik zeide u”—vervolgde zij, terwijl zij mij weder naar mijn stoel leidde,—»dat ik geen trooster behoef, en nu zeg ik u, dat ik geen wreker noodig heb.”Ik ging weder zitten, als in een droom over hare woorden nadenkende, en ik gevoelde, dat ik hier weder zeer onbedachtzaam gehandeld had, daar ik volstrekt onbevoegd was, om ongeroepen als Diana’s kampvechter op te treden.Zij zweeg om ons beider ontroering te laten bedaren, en begon toen op meer kalmen toon: »ik heb u reeds gezegd, dat Rashleigh in een allergevaarlijkst noodlottig geheim gewikkeld is. Hoe laaghartig hij ook zijn moge, en hoe goed hij wete dat hij, van laaghartigheid overtuigd,voor mij staat, ik kan, ik mag nochtans niet openlijk met hem breken. Ik kan hem niet openlijk ter verantwoording roepen. Ook gij moet geduld oefenen; al zijne lagen met schranderheid trachten te verijdelen, maar niet met geweld. Vooral moet ge zulke tooneelen vermijden als gisterenavond plaats hebben gehad, die hem zeer gevaarlijke voordeelen op u kunnen verschaffen. Deze waarschuwing wilde ik u geven. Dit alleen was het oogmerk van deze bijeenkomst, welke ik wenschte. Maar ik heb mijn vertrouwen verder uitgestrekt dan eigenlijk mijn voornemen was.”Ik verzekerde haar dat zij het aan geen onwaardige had geschonken.»Dat geloof ik gaarne,” hernam zij; »gij hebt iets in uwe gelaatstrekken en in uw geheel voorkomen, dat vertrouwen inboezemt. Laat ons vrienden blijven. Gij behoeft niet te vreezen”—vervolgde zij glimlachend, terwijl zij een weinig bloosde, doch op innig hartelijken toon—»dat vriendschap bij ons slechts een verschoonende naam voor een ander gevoel zal worden. Naar mijn denken en handelen behoor ik eigenlijk meer tot uw kunne, waarmede ik steeds opgevoed werd, dan tot de mijne. Reeds in de wieg werd de noodlottige sluier mij over het hoofd geworpen. Ik zou dien sluier kunnen verscheuren, maar eene verschrikkelijke voorwaarde is daaraan verbonden. De tijd, om mijn stellig besluit te kennen te geven, is nog niet gekomen,” voegde zij er langzaam bij. »O! gaarne zou ik met andere kinderen der natuur op de woeste heide en in de vrije lucht zoo lang vroolijk ronddartelen. O! ware het mij vergund, de vreugde dezes levens te genieten. En nu—de plaats in Dante is genoegzaam toegelicht! Ga thans heen en zie eens wat er van de dappere dasjagers geworden is. Ik kan u niet vergezellen. Ik gevoel mij niet recht wel.”Ik ging heen, maar niet om naar de jagers te zoeken. Ik gevoelde dat ik eenige oogenblikken alleen moest zijn, om volkomen tot bedaren te komen, eer ik mij in Rashleigh’s gezelschap durfde wagen, wiens koel berekenende laaghartigheid mij met zulke scherpe trekken was afgeschilderd. Ik had bij Dubourg, die een Calvinist was, zoo menige geschiedenis van Katholieke priesters hooren verhalen, hoe er onder hen waren, die vriendschap, gastvrijheid en de heiligste banden van het gezellige leven misbruikten, om die driften te bevredigen, wier regelmatige voldoening hun door de wetten van hun geloof verboden is. Maar het koelbloedig overleg, om de opvoeding van eene verlaten wees van goede afkomst, eener bloedverwante op zich te nemen, met het trouwelooze oogmerk om haar eindelijk te verleiden, zoo als zij mij zelf met edele verontwaardiging verhaald had, dat was voor mij verschrikkelijker dan de ergste van al de geschiedenissen, die in Bordeaux bekend waren. Ik gevoelde hoe moeielijk het mij zijn zou, Rashleigh te zien en den afschuw te onderdrukken, dien hij mij inboezemde. Dit was echter volstrekt noodzakelijk, niet alleen wegens den geheimzinnigen wenk, welken Diana mij gegeven had, maar ook omdat ik geen verklaarbaren grond tot twist met hem zou mogen opgeven.Vaster rijpte in mij het besluit, Rashleigh’s veinzerij zoo veel mogelijkmet gelijke omzichtigheid te beantwoorden, zoolang wij met elkander in het kasteel moesten zijn. Bij zijn vertrek naar Londen wilde ik mijn vriend Owen een wenk geven omtrent de gezindheid van zijn nieuwen kantoormakker; om den braven ouden man tot waakzaamheid over mijns vaders belangen aan te sporen. Hebzucht, of eerzucht, meende ik, moest voor een mensch van Rashleigh’s karakter eene even groote, of wel nog grootere, aantrekkingskracht hebben, als zinnelijk genot. Zijne gave, om zich den schijn van alle goede eigenschappen te geven, en de gewone toon van zijne gesprekken, waarmede hij al spoedig iedereen voor zich wist in te nemen, zouden hem licht een hoogen graad van vertrouwen kunnen verschaffen. Hij bezat zeker geen edele dankbaarheid, die hem zou weerhouden van het verworven vertrouwen misbruik te maken. De zaak was wel zeer netelig, vooral in mijne omstandigheden. Men zou de waarschuwing, die ik gaf, zeer licht aan jaloezie tegen mijn medeminnaar of tegen mijn opvolger in mijns vaders gunst kunnen toeschrijven. Ik achtte het echter bepaald noodzakelijk, zulk een waarschuwenden brief te schrijven en het aan den schranderen en voorzichtigen Owen over te laten, zoo hij partij van de kennis van Rashleigh’s waren aard wilde trekken. Ik deed dit en zond den brief zoo spoedig mogelijk over de post weg.Toen ik met Rashleigh samenkwam, merkte ik terstond dat hij even gereserveerd was geworden als ik, en alle aanleiding tot twist vermijden wilde. Hij vermoedde waarschijnlijk, dat hetgeen Diana mij verhaald had in zijn nadeel was, al kon hij niet weten, dat ik zelfs de laaghartigheid kende, welke hij tegen haar in den zin had gehad. Onze omgang was van dien tijd af, van beide kanten ten hoogste omzichtig. Wij spraken slechts over niets beduidende onderwerpen. Zijn verblijf in het kasteel duurde ook nog maar eenige weinige dagen. Maar in dien korten tijd bevreemdden mij twee omstandigheden. De eerste was de groote vlugheid, waarmede hij de tot zijn nieuw beroep vereischte kundigheden zich had eigen gemaakt. Soms liet hij mij dit duidelijk bemerken, wilde hij mij toonen, hoe gemakkelijk het hem was een last op zich te nemen, dien ik uit vermoeidheid en onbekwaamheid had neergeworpen. Maar ten tweede bevreemdde mij de omstandigheid, dat Diana met Rashleigh, dien zij van zulke zware beleedigingen beschuldigde, verscheidene vrij lange gesprekken onder vier oogen had, ofschoon beiden zich vooral niet hartelijker dan te voren jegens elkander gedroegen.Toen de dag van zijn vertrek verschenen was, zeide zijn vader hem zeer onverschillig vaarwel. Zijne broeders deden hem uitgeleide, maar slecht verborgen zij daarbij hun vreugde. Ze waren als woeste schooljongens, die den meester voor eenigen tijd zien vertrekken, en niet recht wagen het genoegen dat zij gevoelen, te laten blijken. Ik nam met koele hoffelijkheid afscheid van hem. Eindelijk trad hij naar Diana toe. Doch toen hij haar wilde omhelzen, boog zij, met een blik van trotsche verachting achterwaarts, en zeide, terwijl zij hem de hand toereikte: »Vaarwel, Rashleigh! God beloone u het goede, dat gij mijbewezen hebt, en vergeve u het kwade, dat gij voornemens waart te doen!”»Amen! lieve nicht!” antwoordde hij met een schijnvroom gelaat, hetwelk hij, naar het mij scheen, nog van het Instituut te St. Omer had behouden.—»Zalig hij, wiens goede oogmerken de vrucht van goede daden droegen, en wiens booze gedachten in den bloeitijd vergaan!”Dit waren zijne afscheidswoorden.—»Die volleerde huichelaar!” zeide Diana tegen mij, toen hij de deur achter zich toetrok. »Hoe sterk kan hetgeen wij het meest haten en verachten, uitwendig gelijken op dat, wat wij het hoogst vereeren en eerbiedigen.”Ik had Rashleigh een brief aan mijn vader en eenige regels aan Owen medegegeven, behalve den reeds vermelden vertrouwelijken brief, dien ik langs een anderen weg had verzonden. Niets zou natuurlijker geweest zijn, dan dat ik in deze brieven mijn vader en mijn vriend bericht had, dat ik mij in een toestand bevond, waarin ik mij in geen opzicht, dan alleen in de geheimen van de valkenjacht kon vormen; ja, dat ik, in het gezelschap van ruwe stalknechts en roskammers, waarschijnlijk alle nuttige kundigheden die ik verworven had, spoedig zou vergeten. Het zou even natuurlijk zijn geweest, mijn tegenzin uit te drukken, om onder menschen te leven, die slechts in jagen en in onteerende tijdkortingen hun genoegen vonden. Ik zou eindelijk hebben moeten klagen over de dagelijksche onmatigheid der mannen, wier gast ik was, over den last, ja, over de onaangename aanmerkingen, die ik van mijn oom te wachten was, wanneer ik mij onder hoffelijke verontschuldigingen aan den dienst van den wijngod wilde onttrekken. Deze laatste omstandigheid was van dien aard, dat mijn vader, een streng, matig man, waarschijnlijk zich ongerust over mij gemaakt zou hebben. Had ik deze snaar wat sterk aangeroerd, dan zou de deur van mijn kerker zich zeer spoedig hebben geopend, òf de tijd van mijne verbanning zou verkort, òf een ander verblijf mij tot ballingschap aangewezen zijn geworden.Voor een jongeling van mijne jaren en neigingen moest een langer verblijf op het kasteel Osbaldistone zoo weinig mogelijk aangenaam wezen. Men zou redelijker wijze moeten gelooven, dat het mijn eerste werk had moeten zijn, mijn vader al die bezwaren te schetsen, ten einde met zijne toestemming mijns ooms huis te kunnen verlaten. En toch moet ik naar waarheid verzekeren, dat ik in mijne brieven niet een enkel woord van dit alles repte. Ware het kasteel Osbaldistone een Athene in den ouden luister van zijne beschaving; ware het door wijzen, helden en dichters bewoond, mijn verlangen, om er te blijven, had ik niet sterker kunnen toonen.Mijn stilzwijgen over een voor mij zoo belangrijk punt zult gij, waarde Tresham, licht kunnen verklaren, zoo gij slechts nog een enkel vonkje van het vuur der jeugd in u hebt. Diana’s buitengewone schoonheid, waarvan zij zelve zoo weinig scheen te weten; haar romantische en geheimzinnige toestand; het lijden, waaraan zij was blootgesteld; de moed, waarmede zij het scheen te gemoet te zien; haar gedrag, veelvrijer dan het haar betaamde, maar, zoo als het mij toescheen, slechts een gevolg van het bewustzijn harer onschuld, en eindelijk en vooral de zichtbare en vleiende onderscheiding, welke zij mij boven ieder ander betoonde—dit alles nam mij geheel voor haar in. Mijne nieuwsgierigheid was levendig gewekt, mijne verbeelding geprikkeld, mijne ijdelheid gestreeld. Ik waagde het niet, mij zelven te bekennen, welke innige deelneming Diana mij inboezemde, en hoezeer zij mijne gedachten vervulde. Wij lazen met elkander, wandelden met elkander, reden samen uit, en zaten bij elkander. De beoefening der letteren, welke zij, naar hare twist met Rashleigh, had afgebroken, zette zij thans onder mijne leiding voort. Ik was een leermeester, die wel geringer kennis, maar veel rechtschapener bedoelingen had.Eigenlijk was ik geenszins geschikt, om haar bij de voortzetting van eenige diep geleerde studiën behulpzaam te zijn, die zij met Rashleigh had begonnen. Het waren studiën, wel voor een geestelijke, maar niet voor een bevallig meisje geschikt. Ik kan niet begrijpen, met welk oogmerk hij Diana in den somberen doolhof van onvruchtbare schoolsche geleerdheid inleidde, of in de even moeielijke, ofschoon op zekere, vaste grondslagen rustende wetenschappen als wiskunde en sterrekunde. Misschien had hij heimelijk het voornemen, om haar te verleiden, zoo het maatschappelijk verschil der beide geslachten te verloochenen en te verwarren. Misschien wilde hij haar aan spitsvondigheden gewennen, opdat hij te zijner tijd des te gemakkelijker aan het valsche de kleur van het ware zou kunnen geven.Nog zonderlinger was het schandelijk doel, waarmede Rashleigh, naar den verderfelijken geest zijner leer, haar aanmoedigde, den eng begrensden kring, door het maatschappelijke gebruik om de vrouwen getrokken, te veronachtzamen en te verachten. Zij was trouwens van allen omgang met vrouwen geheel verstoken. Zij kon de gewone regels der welvoegelijkheid noch door voorbeeld noch door voorschrift leeren. Maar toch was zij met zoo veel aangeboren zedigheid en met zulk een fijn gevoel voor recht en onrecht begaafd, dat zij dat vrije, min of meer vrijpostige gedrag, dat mij bij onze eerste kennismaking zoozeer bevreemdde, nooit uit eigen neiging zou aangenomen hebben. Maar men had haar in de meening gebracht, dat verachting van de gewoonten en gebruiken der maatschappij zoowel van verstandig overleg, als van vertrouwen op de bewustheid van onschuld het bewijs kon zijn.Haar sluwe leermeester had zeker zijn geheim doel gehad, toen hij die bolwerken sloopte, door ingetogenheid, en voorzichtigheid om de deugd opgetrokken. Overigens daarvoor, en ook nog voor andere misdaden, is hij reeds lang voor een hoogeren rechterstoel ter verantwoording geroepen.Diana, wier heldere geest zoo vatbaar voor elk middel tot beschaving was, had niet alleen in de zoogenaamde positieve wetenschappen belangrijke vorderingen gemaakt, maar was ook met verscheidene talen bekend en met de schriften van oude en nieuwe tijden vrij goed vertrouwd. Menschen van uitstekende geestvermogens komendikwijls’t verste,daar, waar zij den minsten bijstand hebben. Als men dit niet in ’t oog hield, zouden Diana’s snelle vorderingen in verscheidene takken van wetenschap bijna ongeloofelijk schijnen. Dit alles trof mij des te sterker, als ik den voorraad van die kundigheden, uit boeken verworven, met hare volstrekte onbekendheid met het werkelijke leven vergeleek. Zij scheen ieder ding te zien en te kennen, behalve dat, wat rondom haar gebeurde. Juist deze onkunde en deze kinderlijke beschouwing van gewone voorwerpen, waarmede hare overige kundigheden zulk een scherpe tegenstelling opleverden, maakten vermoedelijk den omgang met haar onwederstaanbaar betooverend, en deed met aandacht letten op al wat zij zeide of deed. Men kon volstrekt nooit vooruit weten, of haar eerstvolgend woord, haar eerstvolgende daad, de scherpzinnigste waarneming of de zonderlingste onnoozelheid zou aanduiden. Wie zich zijne eigen aandoeningen uit den bloeitijd van zijn leven herinnert, zal inzien, hoe gevaarlijk het voor een jongeling van mijne jaren en van mijn gemoedsleven moest zijn, met zulk een beminnenswaardig, zeldzaam bekoorlijk wezen steeds vertrouwelijk om te gaan.
HOOFDSTUK XIII.Des duivels was de vondst van hem, die in het gifDen dolkspits doopen leerde. Maar aaklig was ’t helsche planVan den verrader, die het doodelijk vergifIn ’t glas goot, gewijd aan vriend’lijk zamenspreken,Den dood in de ad’ren stortte, in plaats van ’t frissche leven.Anonymus.
Des duivels was de vondst van hem, die in het gifDen dolkspits doopen leerde. Maar aaklig was ’t helsche planVan den verrader, die het doodelijk vergifIn ’t glas goot, gewijd aan vriend’lijk zamenspreken,Den dood in de ad’ren stortte, in plaats van ’t frissche leven.Anonymus.
Des duivels was de vondst van hem, die in het gifDen dolkspits doopen leerde. Maar aaklig was ’t helsche planVan den verrader, die het doodelijk vergifIn ’t glas goot, gewijd aan vriend’lijk zamenspreken,Den dood in de ad’ren stortte, in plaats van ’t frissche leven.
Des duivels was de vondst van hem, die in het gif
Den dolkspits doopen leerde. Maar aaklig was ’t helsche plan
Van den verrader, die het doodelijk vergif
In ’t glas goot, gewijd aan vriend’lijk zamenspreken,
Den dood in de ad’ren stortte, in plaats van ’t frissche leven.
Anonymus.
»Ik moet erkennen, mijnheer Osbaldistone,” zeide freule Diana op een toon, die verried dat zij zich gerechtigd achtte, mij met spottende verwijten te bestraffen, »ik moet erkennen, gij zijt op weg om ons te verassen. Nooit had ik kunnen denken, dat gij zulk een aanleg bezat. Gisteren moest gij nog bewijzen dat gij het recht hebt om u onder het lieve volkje op het kasteel Osbaldistone t’huis te gevoelen, en—ziedaar! gij hebt het meesterstuk dadelijk volbracht …”»Spot niet, lieve freule, ik gevoel diep, dat ik mij hoogst ongepast gedragen heb. Helaas! ik kan volstrekt niets tot mijne verontschuldiging aanvoeren, dan dat ik mededeelingen had ontvangen, waardoor ik in de hoogste mate ontroerd was. Maar hoe het zij, mijn gedrag was onbetamelijk en belachelijk.”»Doe u zelf geen onrecht!” zeide mijne onbarmhartige spotster. »Na alles, wat ik zelf gezien en later gehoord heb, is het u op één enkelen avond gelukt, al de heerlijke eigenschappen te ontwikkelen, waardoor uwe neven zich onderscheiden: de minzaamheid en grootmoedigheid van den welwillenden Rashleigh—Percivals matigheid—Thorncliffs moed—Johns meesterlijke bekwaamheid in het africhten van honden—Richards handigheid in het wedden—dit alles toonde neef Frans in zich vereenigd, en wel met eene keuze van oogenblik, plaats en omstandigheden, die den smaak en de schranderheid van den hoogwijzen Wilfred tot eer zouden verstrekt hebben.”»Maar, heb toch een weinig medelijden met mij, freule Vernon!” antwoordde ik. De tuchtiging, op die wijze en van deze hand, scheen mij wat gestrenger dan ik ze verdiende.—»Laat mij, tot verontschuldiging van dwaasheden, waaraan ik mij slechts één keer schuldig maakte, de gebruiken van dit huis en land aanvoeren. Geenszins wil ik ze billijken, maar Shakespeare zegt toch zelf: goede wijn is een goed, gezellig ding, en ieder mensch mag zich wel eens een enkelen keer laten verleiden.”»Welzeker, maar hij legt dezen lof en deze verontschuldiging den ellendigsten mensch in den mond, dien zijn penseel ooit geschilderd heeft. Ik wil ook van het voordeel, dat uw gedrag mij geeft, geene partij trekken, en u niet de wederlegging toeroepen, welke Cassio tegen den verleider Jago bezigde. Maar bedenk, dat zeker iemand met leedwezen ziet, dat een jong mensch van gelukkigen aanleg en gunstige vooruitzichten in den poel verzinkt, waarin de bewoners van dit huis zich elken avond, als zwijnen, wentelen.”»Ik verzeker u, waarde freule, ik heb slechts mijn schoen nat gemaakt, maar de morsigheid van den poel walgt mij te zeer, dan dat ik er mij verder in zou begeven.”»Dat is een verstandig besluit!” hernam zij. »Wat ik heb moeten hooren, is mij zoo pijnlijk geweest, dat ik eerder aan uwe belangen dan aan de mijne gedacht heb. Gij gedroegt u gisteren aan tafel jegens mij, alsof men u iets gezegd had, waardoor ik in uwe goede meening gedaald was. Mag ik u vragen, wat dat was?”Ik zweeg onthutst. De onbewimpelde vrijmoedigheid dezer vraag geleek ongeveer op de manier, waarop de eene man van eer den anderen vriendschappelijk maar vastberaden, eene verklaring afvraagt over de eene of andere zonderlinge, naar zijn oordeel beleedigende behandeling. Ze had volstrekt niets van dien omhaal en vergoelijking of verzachting, waarmede tusschen mannen en vrouwen uit hoogeren stand zoodanige zaken behandeld worden.Ik kon mijne verlegenheid niet onderdrukken noch verbergen. Rashleigh’s mededeelingen, als zij juist waren, maakten freule Vernon eerder tot een voorwerp van mijn medelijden dan van mijne gevoeligheid. Maar als ik daarin voor mij verontschuldiging voor mijn gedrag vond, moest het mij toch zeer moeilijk vallen datgene mede te deelen, wat voor Diana’s gevoel noodzakelijk beleedigend moest zijn.Zij begreep zeker mijne bezwaren. Eenigszins stelliger, maar nog steeds gematigd en hoffelijk, zeide zij: »gij zult mij, hoop ik, toch het recht niet betwisten, om deze verklaring te eischen. Ik heb geen bloedverwant, die mij beschermen kan, en daarom moet ik mij zelve beschermen.”Stamelende poogde ik de schuld van mijn onheusch gedrag op ongesteldheid en onaangename brieven uit Londen te schuiven. Zij liet mij mijn ganschen voorraad van verontschuldigingen uitputten, tot ik niets meer wist te zeggen, en hoorde mij met een ongeloovig glimlachje aan.»Ik dank u voor de verontschuldigende inleiding, die ge voorgedragen hebt, ook met de verlegenheid, doorgaans aan alle inleidingen eigen. Maar wees nu ook zoo goed, het scherm op te halen en mij te toonen, wat ik eigenlijk wenschte te zien,” zeide zij. »Kortom, laat mij hooren, wat Rashleigh van mij gezegd heeft; want hij is het, die hier alle machines in beweging brengt.”»Maar gesteld, waarde freule, dat ik iets te vertellen had,—ware het dan niet slecht, de geheimen van den éénen bondgenoot aan den anderen te verraden? Gij hebt mij immers zelve gezegd, dat Rashleigh wel niet uw vriend, maar toch nog steeds uw bondgenoot was.”»Ik heb geen geduld, om op mijne vragen ontwijkende antwoorden te hooren, en geen lust om over dit onderwerp te schertsen. Rashleigh kan niets, moet niets, mag niets van mij, Diana Vernon, zeggen, wat ik niet zou kunnen eischen te vernemen. Er bestaan weliswaar geheimen tusschen ons beiden, maar daarop hebben die mededeelingen zeker geen betrekking gehad, en daarmede hebben mijne persoonlijke belangen ook niets gemeen.”Ik had mijne bedaardheid herwonnen, en nam het besluit om van al wat Rashleigh mij in vertrouwen gezegd had, volstrekt niets te ontdekken. Ik hield het voor onbetamelijk voor verklikker te spelen. De mededeeling van hetgeen Rashleigh gezegd had, kon niets goeds bewerken en moest voor Diana zeer pijnlijk zijn. Ik antwoordde dus ernstig, dat er tusschen Rashleigh en mij slechts een niets beteekenend gesprek over zijne familie had plaats gevonden, en ik betuigde tevens, dat geen van zijne mededeelingen een voor Diana nadeeligen indruk bij mij had achtergelaten. Doch als man van eer, voegde ik er bij, mocht ik van den inhoud van een vertrouwelijk gesprek niets meer zeggen.Toen sprong Diana op.—»Dat helpt niets!” riep zij. »Ik moet een ander antwoord van u hebben!” Haar voorhoofd gloeide en haar oog vonkelde. »Ik vorder eene duidelijke verklaring,” ging zij luid en heftig voort, »zoo als een belasterd meisje die van elken man mag vorderen, die zich man van eer noemt; zooals een ouderloos wezen zonder vrienden, die zich geheel alleen in de wijde wereld bevindt, die zich zelf leiden en beschermen moet, die met alle recht van iedereen vorderen kan, wien een gelukkiger lot is te beurt gevallen.—Ik vorder het in den naam van God, die de gelukkigen in de wereld zond om te genieten, en ons, om te dulden. Gij moogt het mij niet weigeren,” voegde zij er bij,terwijl zij plechtig omhoog zag; »of uwe weigering zal u berouwen, indien er op aarde of in den hemel gerechtigheid voor gepleegd onrecht te vinden is.”Ik was verbaasd over hare heftigheid, maar ik gevoelde bij die plechtige uitdaging, dat het mijn plicht was, nu elke verdere bedenking ter zijde te stellen. Ik verhaalde haar nu met korte woorden, maar duidelijk, wat ik van Rashleigh had gehoord.Diana ging weder zitten. Zij scheen dadelijk te bedaren, toen ik mijn verhaal aangevangen had. Als ik soms draalde, om eene verzachtende uitdrukking te zoeken, viel zij mij telkens in de rede met te zeggen: »Ga voort! bid ik u, ga voort! Het eerste woord dat u invalt, is zeker het eenvoudigste, en moet het beste zijn. Denk niet aan mijne gevoeligheid, maar spreek tot mij, zoo als gij tot een onverschilligen derden persoon, zoudt spreken.”Aldus gedrongen, verhaalde ik wat Rashleigh van de haar vroeg opgelegde verplichting, om een van mijns ooms zonen te huwen, en van de onzekerheid en moeielijkheid der keuze verhaald had. Gaarne zou ik het overige verzwegen hebben; maar zij merkte al ras, dat er nog iets was achtergebleven, en zij vermoedde tevens wat het betrof.»Het was zeer slecht van Rashleigh, iets dergelijks van mij te vertellen!” zeide zij. »Ik gelijk op de arme wees in het sprookje, die van de geboorte af, met den zwarten beer uit Noorwegen verloofd was, maar alleen er over klaagde, dat zij door hare medescholieren steeds de »beerenbruid” genoemd werd.—Maar Rashleigh zeide toch ook iets van zich zelven met betrekking tot mij, niet waar?”»Ja, hij gaf te kennen, dat, zoo hij niet schroomde zijn broeder te verdringen, hij thans, bij zijne beroepsverandering, zeer gaarne in de pauselijke vergunning zijn naam, in plaats van die van Thorncliff, zou ingevuld zien.”»Zoo? Inderdaad?” antwoordde Diana. »Zou hij zich zoo diep willen vernederen? Te veel eer voor zijn onderdanige dienaresse, Diana Vernon! En zij zou, buiten twijfel, het toppunt van geluk bereikt hebben, indien er eens zulk eene verandering mocht plaats grijpen!”»Ik kan het niet ontkennen—hij liet zoo iets merken, en gaf verder te kennen.…”»Wat? laat mij alles hooren!” viel zij mij driftig in de rede.»Dat hij den vertrouwelijken omgang had afgebroken, om het ontkiemen eener neiging te voorkomen, aan welke hij, bij zijne bestemming tot den geestelijken stand, niet zou hebben mogen beantwoorden.”»Ik ben hem voor zijne oplettendheid ten deze ten hoogste verplicht!” antwoordde Diana, en uit elken trek van haar schoon gelaat sprak diepe verachting. Zij zweeg een oogenblik en vervolgde toen met hare gewone bedaardheid: »Bijna alles, wat ik van u hoor, verwachtte ik te hooren. Want, eene enkele omstandigheid uitgezonderd, is alles volkomen waar. Maar even als er vergiften zijn, waarvan een enkele droppel eene geheele bron kan vergiftigen, zoo is er in Rashleighs verhaal een logen, die alles verontreinigt. Dit is de afschuwlijke logen, dat ik, die Rashleighmaar al te goed ken, door eenige omstandigheid ter wereld mij zou kunnen laten bewegen, om mijn lot met hem te deelen. Neen,” vervolgde zij met een soort van rilling, die een onwillekeurige ontroering scheen te verraden;—»neen, liever elk ander lot dan dat! De gek, de speler, de twistzoeker, de roskammer—allen duizendmaal liever dan Rashleigh.—Maar het klooster, de kerker, het graf, alles is mij nog oneindig meer welkom, dan een van hen allen!”Bij deze woorden klonk haar stem bedroefd en weemoedig. Die toon paste bij het zonderlinge en ingewikkelde van haren toestand. Mij trof het diep. Zoo jong, zoo schoon, zoo onervaren, zoo geheel aan zich zelve overgelaten, beroofd van den bijstand, dien vrouwen in de bescherming van vriendinnen vinden; ja, zelfs van die verdediging beroofd, die de kieschheid eischt, de eerbied, waarmede men in beschaafde landen eene vrouw bejegent—dat alles deed mij smartelijk aan. Maar er lag zulk eene treffende uitdrukking van waardigheid in hare verachting van de gewone zeden der groote wereld, er was zooveel innig gevoel in hare verfoeiing der valschheid; zooveel vastberadenheid in hare beschouwing der gevaren, waardoor zij omringd was, dat eene onbegrensde bewondering zich aan mijn medelijden paarde. Zij geleek eene vorstin, verlaten van hare onderdanen, beroofd van hare macht, maar nog steeds de maatschappelijke inrichtingen versmadend, die voor menschen van geringen stand gemaakt zijn, te midden van hare wederwaardigheden fier en vol vertrouwen steunend op de gerechtigheid des Hemels en op de onwrikbare standvastigheid van haar gemoed. Ik wilde haar die gewaarwordingen vertolken, die haar ongelukkige toestand in mij opwekte. Maar zij liet mij niet uitspreken.»Stil,” zeide zij, »ik bid u, zwijg. In scherts heb ik u gezegd, dat ik geene vleierijen kan dulden, en nu zeg ik u in ernst, dat ik geen medelijden begeer en troost veracht. Wat ik geleden heb, is voorbij; wat ik nog lijden mocht, zal ik dragen,—zoo goed ik kan. Geen meewarig woord is in staat, om den last, dien de slaaf torschen moet, eene veer lichter te maken. Er bestaat slechtseenmenschelijk wezen, dat mij hulp zou hebben kunnen verleenen, dat wezen is Rashleigh. Maar hij heeft integendeel mijn leed vermeerderd. Ja, er was een tijd, waarin ik zou hebben kunnen leeren dezen man te beminnen.—Maar, rechtvaardige Hemel! het doel, waarom hij zich van het vertrouwen van een meisje, dat reeds zoo ongelukkig was, listig meester maakte; de volhardende ijver, waarmede hij dat oogmerk jaren lang vervolgde, zonder één enkel oogenblik gewetenswroegingen of medelijden te gevoelen; de beginselen, waarmede hij het voedsel, dat hij mijn geest gaf, in vergift wilde veranderen—goede Voorzienigheid! wat zou er van mij geworden zijn in deze en in gene wereld, naar lichaam en naar ziel, als ik in de strikken van dien ellendeling gevallen ware!”Toen ik die wanhoop zag en hoorde, werd ik verontwaardigd over den trouweloozen verrader, zoodat ik opstond, mij zelven niet meer machtig. Ik sloeg de hand aan mijn degen en wilde naar buiten snellen, om den eerloozen schelm mijn rechtmatigen toorn te doen gevoelen. Bijna ademloosen met een oog, waarin verachting en toorn door den hevigsten angst verdrongen werden, sneed Diana mij den weg naar de deur af.»Blijf!” zeide zij, »blijf! Uwe verontwaardiging billijk ik ten volle, maar gij kent nog niet half de geheimen van deze ijselijke gevangenis,”—zij zag angstig in het rond en voegde zacht fluisterend er bij: »zijn leven moet heilig zijn. Dat van anderen is met het zijne gemoeid!” en, zij ging voort: »gij kunt hem niet aanvallen zonder meer dan één leven in gevaar te brengen. Gij zoudt de verwoesting verder uitbreiden dan wij wenschen mogen. Ware dit het geval niet, dan zou hij in een oogenblik van rechtvaardige wraakneming, zelfs voor deze zwakke hand nauwelijks veilig zijn geweest. Ik zeide u”—vervolgde zij, terwijl zij mij weder naar mijn stoel leidde,—»dat ik geen trooster behoef, en nu zeg ik u, dat ik geen wreker noodig heb.”Ik ging weder zitten, als in een droom over hare woorden nadenkende, en ik gevoelde, dat ik hier weder zeer onbedachtzaam gehandeld had, daar ik volstrekt onbevoegd was, om ongeroepen als Diana’s kampvechter op te treden.Zij zweeg om ons beider ontroering te laten bedaren, en begon toen op meer kalmen toon: »ik heb u reeds gezegd, dat Rashleigh in een allergevaarlijkst noodlottig geheim gewikkeld is. Hoe laaghartig hij ook zijn moge, en hoe goed hij wete dat hij, van laaghartigheid overtuigd,voor mij staat, ik kan, ik mag nochtans niet openlijk met hem breken. Ik kan hem niet openlijk ter verantwoording roepen. Ook gij moet geduld oefenen; al zijne lagen met schranderheid trachten te verijdelen, maar niet met geweld. Vooral moet ge zulke tooneelen vermijden als gisterenavond plaats hebben gehad, die hem zeer gevaarlijke voordeelen op u kunnen verschaffen. Deze waarschuwing wilde ik u geven. Dit alleen was het oogmerk van deze bijeenkomst, welke ik wenschte. Maar ik heb mijn vertrouwen verder uitgestrekt dan eigenlijk mijn voornemen was.”Ik verzekerde haar dat zij het aan geen onwaardige had geschonken.»Dat geloof ik gaarne,” hernam zij; »gij hebt iets in uwe gelaatstrekken en in uw geheel voorkomen, dat vertrouwen inboezemt. Laat ons vrienden blijven. Gij behoeft niet te vreezen”—vervolgde zij glimlachend, terwijl zij een weinig bloosde, doch op innig hartelijken toon—»dat vriendschap bij ons slechts een verschoonende naam voor een ander gevoel zal worden. Naar mijn denken en handelen behoor ik eigenlijk meer tot uw kunne, waarmede ik steeds opgevoed werd, dan tot de mijne. Reeds in de wieg werd de noodlottige sluier mij over het hoofd geworpen. Ik zou dien sluier kunnen verscheuren, maar eene verschrikkelijke voorwaarde is daaraan verbonden. De tijd, om mijn stellig besluit te kennen te geven, is nog niet gekomen,” voegde zij er langzaam bij. »O! gaarne zou ik met andere kinderen der natuur op de woeste heide en in de vrije lucht zoo lang vroolijk ronddartelen. O! ware het mij vergund, de vreugde dezes levens te genieten. En nu—de plaats in Dante is genoegzaam toegelicht! Ga thans heen en zie eens wat er van de dappere dasjagers geworden is. Ik kan u niet vergezellen. Ik gevoel mij niet recht wel.”Ik ging heen, maar niet om naar de jagers te zoeken. Ik gevoelde dat ik eenige oogenblikken alleen moest zijn, om volkomen tot bedaren te komen, eer ik mij in Rashleigh’s gezelschap durfde wagen, wiens koel berekenende laaghartigheid mij met zulke scherpe trekken was afgeschilderd. Ik had bij Dubourg, die een Calvinist was, zoo menige geschiedenis van Katholieke priesters hooren verhalen, hoe er onder hen waren, die vriendschap, gastvrijheid en de heiligste banden van het gezellige leven misbruikten, om die driften te bevredigen, wier regelmatige voldoening hun door de wetten van hun geloof verboden is. Maar het koelbloedig overleg, om de opvoeding van eene verlaten wees van goede afkomst, eener bloedverwante op zich te nemen, met het trouwelooze oogmerk om haar eindelijk te verleiden, zoo als zij mij zelf met edele verontwaardiging verhaald had, dat was voor mij verschrikkelijker dan de ergste van al de geschiedenissen, die in Bordeaux bekend waren. Ik gevoelde hoe moeielijk het mij zijn zou, Rashleigh te zien en den afschuw te onderdrukken, dien hij mij inboezemde. Dit was echter volstrekt noodzakelijk, niet alleen wegens den geheimzinnigen wenk, welken Diana mij gegeven had, maar ook omdat ik geen verklaarbaren grond tot twist met hem zou mogen opgeven.Vaster rijpte in mij het besluit, Rashleigh’s veinzerij zoo veel mogelijkmet gelijke omzichtigheid te beantwoorden, zoolang wij met elkander in het kasteel moesten zijn. Bij zijn vertrek naar Londen wilde ik mijn vriend Owen een wenk geven omtrent de gezindheid van zijn nieuwen kantoormakker; om den braven ouden man tot waakzaamheid over mijns vaders belangen aan te sporen. Hebzucht, of eerzucht, meende ik, moest voor een mensch van Rashleigh’s karakter eene even groote, of wel nog grootere, aantrekkingskracht hebben, als zinnelijk genot. Zijne gave, om zich den schijn van alle goede eigenschappen te geven, en de gewone toon van zijne gesprekken, waarmede hij al spoedig iedereen voor zich wist in te nemen, zouden hem licht een hoogen graad van vertrouwen kunnen verschaffen. Hij bezat zeker geen edele dankbaarheid, die hem zou weerhouden van het verworven vertrouwen misbruik te maken. De zaak was wel zeer netelig, vooral in mijne omstandigheden. Men zou de waarschuwing, die ik gaf, zeer licht aan jaloezie tegen mijn medeminnaar of tegen mijn opvolger in mijns vaders gunst kunnen toeschrijven. Ik achtte het echter bepaald noodzakelijk, zulk een waarschuwenden brief te schrijven en het aan den schranderen en voorzichtigen Owen over te laten, zoo hij partij van de kennis van Rashleigh’s waren aard wilde trekken. Ik deed dit en zond den brief zoo spoedig mogelijk over de post weg.Toen ik met Rashleigh samenkwam, merkte ik terstond dat hij even gereserveerd was geworden als ik, en alle aanleiding tot twist vermijden wilde. Hij vermoedde waarschijnlijk, dat hetgeen Diana mij verhaald had in zijn nadeel was, al kon hij niet weten, dat ik zelfs de laaghartigheid kende, welke hij tegen haar in den zin had gehad. Onze omgang was van dien tijd af, van beide kanten ten hoogste omzichtig. Wij spraken slechts over niets beduidende onderwerpen. Zijn verblijf in het kasteel duurde ook nog maar eenige weinige dagen. Maar in dien korten tijd bevreemdden mij twee omstandigheden. De eerste was de groote vlugheid, waarmede hij de tot zijn nieuw beroep vereischte kundigheden zich had eigen gemaakt. Soms liet hij mij dit duidelijk bemerken, wilde hij mij toonen, hoe gemakkelijk het hem was een last op zich te nemen, dien ik uit vermoeidheid en onbekwaamheid had neergeworpen. Maar ten tweede bevreemdde mij de omstandigheid, dat Diana met Rashleigh, dien zij van zulke zware beleedigingen beschuldigde, verscheidene vrij lange gesprekken onder vier oogen had, ofschoon beiden zich vooral niet hartelijker dan te voren jegens elkander gedroegen.Toen de dag van zijn vertrek verschenen was, zeide zijn vader hem zeer onverschillig vaarwel. Zijne broeders deden hem uitgeleide, maar slecht verborgen zij daarbij hun vreugde. Ze waren als woeste schooljongens, die den meester voor eenigen tijd zien vertrekken, en niet recht wagen het genoegen dat zij gevoelen, te laten blijken. Ik nam met koele hoffelijkheid afscheid van hem. Eindelijk trad hij naar Diana toe. Doch toen hij haar wilde omhelzen, boog zij, met een blik van trotsche verachting achterwaarts, en zeide, terwijl zij hem de hand toereikte: »Vaarwel, Rashleigh! God beloone u het goede, dat gij mijbewezen hebt, en vergeve u het kwade, dat gij voornemens waart te doen!”»Amen! lieve nicht!” antwoordde hij met een schijnvroom gelaat, hetwelk hij, naar het mij scheen, nog van het Instituut te St. Omer had behouden.—»Zalig hij, wiens goede oogmerken de vrucht van goede daden droegen, en wiens booze gedachten in den bloeitijd vergaan!”Dit waren zijne afscheidswoorden.—»Die volleerde huichelaar!” zeide Diana tegen mij, toen hij de deur achter zich toetrok. »Hoe sterk kan hetgeen wij het meest haten en verachten, uitwendig gelijken op dat, wat wij het hoogst vereeren en eerbiedigen.”Ik had Rashleigh een brief aan mijn vader en eenige regels aan Owen medegegeven, behalve den reeds vermelden vertrouwelijken brief, dien ik langs een anderen weg had verzonden. Niets zou natuurlijker geweest zijn, dan dat ik in deze brieven mijn vader en mijn vriend bericht had, dat ik mij in een toestand bevond, waarin ik mij in geen opzicht, dan alleen in de geheimen van de valkenjacht kon vormen; ja, dat ik, in het gezelschap van ruwe stalknechts en roskammers, waarschijnlijk alle nuttige kundigheden die ik verworven had, spoedig zou vergeten. Het zou even natuurlijk zijn geweest, mijn tegenzin uit te drukken, om onder menschen te leven, die slechts in jagen en in onteerende tijdkortingen hun genoegen vonden. Ik zou eindelijk hebben moeten klagen over de dagelijksche onmatigheid der mannen, wier gast ik was, over den last, ja, over de onaangename aanmerkingen, die ik van mijn oom te wachten was, wanneer ik mij onder hoffelijke verontschuldigingen aan den dienst van den wijngod wilde onttrekken. Deze laatste omstandigheid was van dien aard, dat mijn vader, een streng, matig man, waarschijnlijk zich ongerust over mij gemaakt zou hebben. Had ik deze snaar wat sterk aangeroerd, dan zou de deur van mijn kerker zich zeer spoedig hebben geopend, òf de tijd van mijne verbanning zou verkort, òf een ander verblijf mij tot ballingschap aangewezen zijn geworden.Voor een jongeling van mijne jaren en neigingen moest een langer verblijf op het kasteel Osbaldistone zoo weinig mogelijk aangenaam wezen. Men zou redelijker wijze moeten gelooven, dat het mijn eerste werk had moeten zijn, mijn vader al die bezwaren te schetsen, ten einde met zijne toestemming mijns ooms huis te kunnen verlaten. En toch moet ik naar waarheid verzekeren, dat ik in mijne brieven niet een enkel woord van dit alles repte. Ware het kasteel Osbaldistone een Athene in den ouden luister van zijne beschaving; ware het door wijzen, helden en dichters bewoond, mijn verlangen, om er te blijven, had ik niet sterker kunnen toonen.Mijn stilzwijgen over een voor mij zoo belangrijk punt zult gij, waarde Tresham, licht kunnen verklaren, zoo gij slechts nog een enkel vonkje van het vuur der jeugd in u hebt. Diana’s buitengewone schoonheid, waarvan zij zelve zoo weinig scheen te weten; haar romantische en geheimzinnige toestand; het lijden, waaraan zij was blootgesteld; de moed, waarmede zij het scheen te gemoet te zien; haar gedrag, veelvrijer dan het haar betaamde, maar, zoo als het mij toescheen, slechts een gevolg van het bewustzijn harer onschuld, en eindelijk en vooral de zichtbare en vleiende onderscheiding, welke zij mij boven ieder ander betoonde—dit alles nam mij geheel voor haar in. Mijne nieuwsgierigheid was levendig gewekt, mijne verbeelding geprikkeld, mijne ijdelheid gestreeld. Ik waagde het niet, mij zelven te bekennen, welke innige deelneming Diana mij inboezemde, en hoezeer zij mijne gedachten vervulde. Wij lazen met elkander, wandelden met elkander, reden samen uit, en zaten bij elkander. De beoefening der letteren, welke zij, naar hare twist met Rashleigh, had afgebroken, zette zij thans onder mijne leiding voort. Ik was een leermeester, die wel geringer kennis, maar veel rechtschapener bedoelingen had.Eigenlijk was ik geenszins geschikt, om haar bij de voortzetting van eenige diep geleerde studiën behulpzaam te zijn, die zij met Rashleigh had begonnen. Het waren studiën, wel voor een geestelijke, maar niet voor een bevallig meisje geschikt. Ik kan niet begrijpen, met welk oogmerk hij Diana in den somberen doolhof van onvruchtbare schoolsche geleerdheid inleidde, of in de even moeielijke, ofschoon op zekere, vaste grondslagen rustende wetenschappen als wiskunde en sterrekunde. Misschien had hij heimelijk het voornemen, om haar te verleiden, zoo het maatschappelijk verschil der beide geslachten te verloochenen en te verwarren. Misschien wilde hij haar aan spitsvondigheden gewennen, opdat hij te zijner tijd des te gemakkelijker aan het valsche de kleur van het ware zou kunnen geven.Nog zonderlinger was het schandelijk doel, waarmede Rashleigh, naar den verderfelijken geest zijner leer, haar aanmoedigde, den eng begrensden kring, door het maatschappelijke gebruik om de vrouwen getrokken, te veronachtzamen en te verachten. Zij was trouwens van allen omgang met vrouwen geheel verstoken. Zij kon de gewone regels der welvoegelijkheid noch door voorbeeld noch door voorschrift leeren. Maar toch was zij met zoo veel aangeboren zedigheid en met zulk een fijn gevoel voor recht en onrecht begaafd, dat zij dat vrije, min of meer vrijpostige gedrag, dat mij bij onze eerste kennismaking zoozeer bevreemdde, nooit uit eigen neiging zou aangenomen hebben. Maar men had haar in de meening gebracht, dat verachting van de gewoonten en gebruiken der maatschappij zoowel van verstandig overleg, als van vertrouwen op de bewustheid van onschuld het bewijs kon zijn.Haar sluwe leermeester had zeker zijn geheim doel gehad, toen hij die bolwerken sloopte, door ingetogenheid, en voorzichtigheid om de deugd opgetrokken. Overigens daarvoor, en ook nog voor andere misdaden, is hij reeds lang voor een hoogeren rechterstoel ter verantwoording geroepen.Diana, wier heldere geest zoo vatbaar voor elk middel tot beschaving was, had niet alleen in de zoogenaamde positieve wetenschappen belangrijke vorderingen gemaakt, maar was ook met verscheidene talen bekend en met de schriften van oude en nieuwe tijden vrij goed vertrouwd. Menschen van uitstekende geestvermogens komendikwijls’t verste,daar, waar zij den minsten bijstand hebben. Als men dit niet in ’t oog hield, zouden Diana’s snelle vorderingen in verscheidene takken van wetenschap bijna ongeloofelijk schijnen. Dit alles trof mij des te sterker, als ik den voorraad van die kundigheden, uit boeken verworven, met hare volstrekte onbekendheid met het werkelijke leven vergeleek. Zij scheen ieder ding te zien en te kennen, behalve dat, wat rondom haar gebeurde. Juist deze onkunde en deze kinderlijke beschouwing van gewone voorwerpen, waarmede hare overige kundigheden zulk een scherpe tegenstelling opleverden, maakten vermoedelijk den omgang met haar onwederstaanbaar betooverend, en deed met aandacht letten op al wat zij zeide of deed. Men kon volstrekt nooit vooruit weten, of haar eerstvolgend woord, haar eerstvolgende daad, de scherpzinnigste waarneming of de zonderlingste onnoozelheid zou aanduiden. Wie zich zijne eigen aandoeningen uit den bloeitijd van zijn leven herinnert, zal inzien, hoe gevaarlijk het voor een jongeling van mijne jaren en van mijn gemoedsleven moest zijn, met zulk een beminnenswaardig, zeldzaam bekoorlijk wezen steeds vertrouwelijk om te gaan.
»Ik moet erkennen, mijnheer Osbaldistone,” zeide freule Diana op een toon, die verried dat zij zich gerechtigd achtte, mij met spottende verwijten te bestraffen, »ik moet erkennen, gij zijt op weg om ons te verassen. Nooit had ik kunnen denken, dat gij zulk een aanleg bezat. Gisteren moest gij nog bewijzen dat gij het recht hebt om u onder het lieve volkje op het kasteel Osbaldistone t’huis te gevoelen, en—ziedaar! gij hebt het meesterstuk dadelijk volbracht …”
»Spot niet, lieve freule, ik gevoel diep, dat ik mij hoogst ongepast gedragen heb. Helaas! ik kan volstrekt niets tot mijne verontschuldiging aanvoeren, dan dat ik mededeelingen had ontvangen, waardoor ik in de hoogste mate ontroerd was. Maar hoe het zij, mijn gedrag was onbetamelijk en belachelijk.”
»Doe u zelf geen onrecht!” zeide mijne onbarmhartige spotster. »Na alles, wat ik zelf gezien en later gehoord heb, is het u op één enkelen avond gelukt, al de heerlijke eigenschappen te ontwikkelen, waardoor uwe neven zich onderscheiden: de minzaamheid en grootmoedigheid van den welwillenden Rashleigh—Percivals matigheid—Thorncliffs moed—Johns meesterlijke bekwaamheid in het africhten van honden—Richards handigheid in het wedden—dit alles toonde neef Frans in zich vereenigd, en wel met eene keuze van oogenblik, plaats en omstandigheden, die den smaak en de schranderheid van den hoogwijzen Wilfred tot eer zouden verstrekt hebben.”
»Maar, heb toch een weinig medelijden met mij, freule Vernon!” antwoordde ik. De tuchtiging, op die wijze en van deze hand, scheen mij wat gestrenger dan ik ze verdiende.—»Laat mij, tot verontschuldiging van dwaasheden, waaraan ik mij slechts één keer schuldig maakte, de gebruiken van dit huis en land aanvoeren. Geenszins wil ik ze billijken, maar Shakespeare zegt toch zelf: goede wijn is een goed, gezellig ding, en ieder mensch mag zich wel eens een enkelen keer laten verleiden.”
»Welzeker, maar hij legt dezen lof en deze verontschuldiging den ellendigsten mensch in den mond, dien zijn penseel ooit geschilderd heeft. Ik wil ook van het voordeel, dat uw gedrag mij geeft, geene partij trekken, en u niet de wederlegging toeroepen, welke Cassio tegen den verleider Jago bezigde. Maar bedenk, dat zeker iemand met leedwezen ziet, dat een jong mensch van gelukkigen aanleg en gunstige vooruitzichten in den poel verzinkt, waarin de bewoners van dit huis zich elken avond, als zwijnen, wentelen.”
»Ik verzeker u, waarde freule, ik heb slechts mijn schoen nat gemaakt, maar de morsigheid van den poel walgt mij te zeer, dan dat ik er mij verder in zou begeven.”
»Dat is een verstandig besluit!” hernam zij. »Wat ik heb moeten hooren, is mij zoo pijnlijk geweest, dat ik eerder aan uwe belangen dan aan de mijne gedacht heb. Gij gedroegt u gisteren aan tafel jegens mij, alsof men u iets gezegd had, waardoor ik in uwe goede meening gedaald was. Mag ik u vragen, wat dat was?”
Ik zweeg onthutst. De onbewimpelde vrijmoedigheid dezer vraag geleek ongeveer op de manier, waarop de eene man van eer den anderen vriendschappelijk maar vastberaden, eene verklaring afvraagt over de eene of andere zonderlinge, naar zijn oordeel beleedigende behandeling. Ze had volstrekt niets van dien omhaal en vergoelijking of verzachting, waarmede tusschen mannen en vrouwen uit hoogeren stand zoodanige zaken behandeld worden.
Ik kon mijne verlegenheid niet onderdrukken noch verbergen. Rashleigh’s mededeelingen, als zij juist waren, maakten freule Vernon eerder tot een voorwerp van mijn medelijden dan van mijne gevoeligheid. Maar als ik daarin voor mij verontschuldiging voor mijn gedrag vond, moest het mij toch zeer moeilijk vallen datgene mede te deelen, wat voor Diana’s gevoel noodzakelijk beleedigend moest zijn.
Zij begreep zeker mijne bezwaren. Eenigszins stelliger, maar nog steeds gematigd en hoffelijk, zeide zij: »gij zult mij, hoop ik, toch het recht niet betwisten, om deze verklaring te eischen. Ik heb geen bloedverwant, die mij beschermen kan, en daarom moet ik mij zelve beschermen.”
Stamelende poogde ik de schuld van mijn onheusch gedrag op ongesteldheid en onaangename brieven uit Londen te schuiven. Zij liet mij mijn ganschen voorraad van verontschuldigingen uitputten, tot ik niets meer wist te zeggen, en hoorde mij met een ongeloovig glimlachje aan.
»Ik dank u voor de verontschuldigende inleiding, die ge voorgedragen hebt, ook met de verlegenheid, doorgaans aan alle inleidingen eigen. Maar wees nu ook zoo goed, het scherm op te halen en mij te toonen, wat ik eigenlijk wenschte te zien,” zeide zij. »Kortom, laat mij hooren, wat Rashleigh van mij gezegd heeft; want hij is het, die hier alle machines in beweging brengt.”
»Maar gesteld, waarde freule, dat ik iets te vertellen had,—ware het dan niet slecht, de geheimen van den éénen bondgenoot aan den anderen te verraden? Gij hebt mij immers zelve gezegd, dat Rashleigh wel niet uw vriend, maar toch nog steeds uw bondgenoot was.”
»Ik heb geen geduld, om op mijne vragen ontwijkende antwoorden te hooren, en geen lust om over dit onderwerp te schertsen. Rashleigh kan niets, moet niets, mag niets van mij, Diana Vernon, zeggen, wat ik niet zou kunnen eischen te vernemen. Er bestaan weliswaar geheimen tusschen ons beiden, maar daarop hebben die mededeelingen zeker geen betrekking gehad, en daarmede hebben mijne persoonlijke belangen ook niets gemeen.”
Ik had mijne bedaardheid herwonnen, en nam het besluit om van al wat Rashleigh mij in vertrouwen gezegd had, volstrekt niets te ontdekken. Ik hield het voor onbetamelijk voor verklikker te spelen. De mededeeling van hetgeen Rashleigh gezegd had, kon niets goeds bewerken en moest voor Diana zeer pijnlijk zijn. Ik antwoordde dus ernstig, dat er tusschen Rashleigh en mij slechts een niets beteekenend gesprek over zijne familie had plaats gevonden, en ik betuigde tevens, dat geen van zijne mededeelingen een voor Diana nadeeligen indruk bij mij had achtergelaten. Doch als man van eer, voegde ik er bij, mocht ik van den inhoud van een vertrouwelijk gesprek niets meer zeggen.
Toen sprong Diana op.—»Dat helpt niets!” riep zij. »Ik moet een ander antwoord van u hebben!” Haar voorhoofd gloeide en haar oog vonkelde. »Ik vorder eene duidelijke verklaring,” ging zij luid en heftig voort, »zoo als een belasterd meisje die van elken man mag vorderen, die zich man van eer noemt; zooals een ouderloos wezen zonder vrienden, die zich geheel alleen in de wijde wereld bevindt, die zich zelf leiden en beschermen moet, die met alle recht van iedereen vorderen kan, wien een gelukkiger lot is te beurt gevallen.—Ik vorder het in den naam van God, die de gelukkigen in de wereld zond om te genieten, en ons, om te dulden. Gij moogt het mij niet weigeren,” voegde zij er bij,terwijl zij plechtig omhoog zag; »of uwe weigering zal u berouwen, indien er op aarde of in den hemel gerechtigheid voor gepleegd onrecht te vinden is.”
Ik was verbaasd over hare heftigheid, maar ik gevoelde bij die plechtige uitdaging, dat het mijn plicht was, nu elke verdere bedenking ter zijde te stellen. Ik verhaalde haar nu met korte woorden, maar duidelijk, wat ik van Rashleigh had gehoord.
Diana ging weder zitten. Zij scheen dadelijk te bedaren, toen ik mijn verhaal aangevangen had. Als ik soms draalde, om eene verzachtende uitdrukking te zoeken, viel zij mij telkens in de rede met te zeggen: »Ga voort! bid ik u, ga voort! Het eerste woord dat u invalt, is zeker het eenvoudigste, en moet het beste zijn. Denk niet aan mijne gevoeligheid, maar spreek tot mij, zoo als gij tot een onverschilligen derden persoon, zoudt spreken.”
Aldus gedrongen, verhaalde ik wat Rashleigh van de haar vroeg opgelegde verplichting, om een van mijns ooms zonen te huwen, en van de onzekerheid en moeielijkheid der keuze verhaald had. Gaarne zou ik het overige verzwegen hebben; maar zij merkte al ras, dat er nog iets was achtergebleven, en zij vermoedde tevens wat het betrof.
»Het was zeer slecht van Rashleigh, iets dergelijks van mij te vertellen!” zeide zij. »Ik gelijk op de arme wees in het sprookje, die van de geboorte af, met den zwarten beer uit Noorwegen verloofd was, maar alleen er over klaagde, dat zij door hare medescholieren steeds de »beerenbruid” genoemd werd.—Maar Rashleigh zeide toch ook iets van zich zelven met betrekking tot mij, niet waar?”
»Ja, hij gaf te kennen, dat, zoo hij niet schroomde zijn broeder te verdringen, hij thans, bij zijne beroepsverandering, zeer gaarne in de pauselijke vergunning zijn naam, in plaats van die van Thorncliff, zou ingevuld zien.”
»Zoo? Inderdaad?” antwoordde Diana. »Zou hij zich zoo diep willen vernederen? Te veel eer voor zijn onderdanige dienaresse, Diana Vernon! En zij zou, buiten twijfel, het toppunt van geluk bereikt hebben, indien er eens zulk eene verandering mocht plaats grijpen!”
»Ik kan het niet ontkennen—hij liet zoo iets merken, en gaf verder te kennen.…”
»Wat? laat mij alles hooren!” viel zij mij driftig in de rede.
»Dat hij den vertrouwelijken omgang had afgebroken, om het ontkiemen eener neiging te voorkomen, aan welke hij, bij zijne bestemming tot den geestelijken stand, niet zou hebben mogen beantwoorden.”
»Ik ben hem voor zijne oplettendheid ten deze ten hoogste verplicht!” antwoordde Diana, en uit elken trek van haar schoon gelaat sprak diepe verachting. Zij zweeg een oogenblik en vervolgde toen met hare gewone bedaardheid: »Bijna alles, wat ik van u hoor, verwachtte ik te hooren. Want, eene enkele omstandigheid uitgezonderd, is alles volkomen waar. Maar even als er vergiften zijn, waarvan een enkele droppel eene geheele bron kan vergiftigen, zoo is er in Rashleighs verhaal een logen, die alles verontreinigt. Dit is de afschuwlijke logen, dat ik, die Rashleighmaar al te goed ken, door eenige omstandigheid ter wereld mij zou kunnen laten bewegen, om mijn lot met hem te deelen. Neen,” vervolgde zij met een soort van rilling, die een onwillekeurige ontroering scheen te verraden;—»neen, liever elk ander lot dan dat! De gek, de speler, de twistzoeker, de roskammer—allen duizendmaal liever dan Rashleigh.—Maar het klooster, de kerker, het graf, alles is mij nog oneindig meer welkom, dan een van hen allen!”
Bij deze woorden klonk haar stem bedroefd en weemoedig. Die toon paste bij het zonderlinge en ingewikkelde van haren toestand. Mij trof het diep. Zoo jong, zoo schoon, zoo onervaren, zoo geheel aan zich zelve overgelaten, beroofd van den bijstand, dien vrouwen in de bescherming van vriendinnen vinden; ja, zelfs van die verdediging beroofd, die de kieschheid eischt, de eerbied, waarmede men in beschaafde landen eene vrouw bejegent—dat alles deed mij smartelijk aan. Maar er lag zulk eene treffende uitdrukking van waardigheid in hare verachting van de gewone zeden der groote wereld, er was zooveel innig gevoel in hare verfoeiing der valschheid; zooveel vastberadenheid in hare beschouwing der gevaren, waardoor zij omringd was, dat eene onbegrensde bewondering zich aan mijn medelijden paarde. Zij geleek eene vorstin, verlaten van hare onderdanen, beroofd van hare macht, maar nog steeds de maatschappelijke inrichtingen versmadend, die voor menschen van geringen stand gemaakt zijn, te midden van hare wederwaardigheden fier en vol vertrouwen steunend op de gerechtigheid des Hemels en op de onwrikbare standvastigheid van haar gemoed. Ik wilde haar die gewaarwordingen vertolken, die haar ongelukkige toestand in mij opwekte. Maar zij liet mij niet uitspreken.
»Stil,” zeide zij, »ik bid u, zwijg. In scherts heb ik u gezegd, dat ik geene vleierijen kan dulden, en nu zeg ik u in ernst, dat ik geen medelijden begeer en troost veracht. Wat ik geleden heb, is voorbij; wat ik nog lijden mocht, zal ik dragen,—zoo goed ik kan. Geen meewarig woord is in staat, om den last, dien de slaaf torschen moet, eene veer lichter te maken. Er bestaat slechtseenmenschelijk wezen, dat mij hulp zou hebben kunnen verleenen, dat wezen is Rashleigh. Maar hij heeft integendeel mijn leed vermeerderd. Ja, er was een tijd, waarin ik zou hebben kunnen leeren dezen man te beminnen.—Maar, rechtvaardige Hemel! het doel, waarom hij zich van het vertrouwen van een meisje, dat reeds zoo ongelukkig was, listig meester maakte; de volhardende ijver, waarmede hij dat oogmerk jaren lang vervolgde, zonder één enkel oogenblik gewetenswroegingen of medelijden te gevoelen; de beginselen, waarmede hij het voedsel, dat hij mijn geest gaf, in vergift wilde veranderen—goede Voorzienigheid! wat zou er van mij geworden zijn in deze en in gene wereld, naar lichaam en naar ziel, als ik in de strikken van dien ellendeling gevallen ware!”
Toen ik die wanhoop zag en hoorde, werd ik verontwaardigd over den trouweloozen verrader, zoodat ik opstond, mij zelven niet meer machtig. Ik sloeg de hand aan mijn degen en wilde naar buiten snellen, om den eerloozen schelm mijn rechtmatigen toorn te doen gevoelen. Bijna ademloosen met een oog, waarin verachting en toorn door den hevigsten angst verdrongen werden, sneed Diana mij den weg naar de deur af.
»Blijf!” zeide zij, »blijf! Uwe verontwaardiging billijk ik ten volle, maar gij kent nog niet half de geheimen van deze ijselijke gevangenis,”—zij zag angstig in het rond en voegde zacht fluisterend er bij: »zijn leven moet heilig zijn. Dat van anderen is met het zijne gemoeid!” en, zij ging voort: »gij kunt hem niet aanvallen zonder meer dan één leven in gevaar te brengen. Gij zoudt de verwoesting verder uitbreiden dan wij wenschen mogen. Ware dit het geval niet, dan zou hij in een oogenblik van rechtvaardige wraakneming, zelfs voor deze zwakke hand nauwelijks veilig zijn geweest. Ik zeide u”—vervolgde zij, terwijl zij mij weder naar mijn stoel leidde,—»dat ik geen trooster behoef, en nu zeg ik u, dat ik geen wreker noodig heb.”
Ik ging weder zitten, als in een droom over hare woorden nadenkende, en ik gevoelde, dat ik hier weder zeer onbedachtzaam gehandeld had, daar ik volstrekt onbevoegd was, om ongeroepen als Diana’s kampvechter op te treden.
Zij zweeg om ons beider ontroering te laten bedaren, en begon toen op meer kalmen toon: »ik heb u reeds gezegd, dat Rashleigh in een allergevaarlijkst noodlottig geheim gewikkeld is. Hoe laaghartig hij ook zijn moge, en hoe goed hij wete dat hij, van laaghartigheid overtuigd,voor mij staat, ik kan, ik mag nochtans niet openlijk met hem breken. Ik kan hem niet openlijk ter verantwoording roepen. Ook gij moet geduld oefenen; al zijne lagen met schranderheid trachten te verijdelen, maar niet met geweld. Vooral moet ge zulke tooneelen vermijden als gisterenavond plaats hebben gehad, die hem zeer gevaarlijke voordeelen op u kunnen verschaffen. Deze waarschuwing wilde ik u geven. Dit alleen was het oogmerk van deze bijeenkomst, welke ik wenschte. Maar ik heb mijn vertrouwen verder uitgestrekt dan eigenlijk mijn voornemen was.”
Ik verzekerde haar dat zij het aan geen onwaardige had geschonken.
»Dat geloof ik gaarne,” hernam zij; »gij hebt iets in uwe gelaatstrekken en in uw geheel voorkomen, dat vertrouwen inboezemt. Laat ons vrienden blijven. Gij behoeft niet te vreezen”—vervolgde zij glimlachend, terwijl zij een weinig bloosde, doch op innig hartelijken toon—»dat vriendschap bij ons slechts een verschoonende naam voor een ander gevoel zal worden. Naar mijn denken en handelen behoor ik eigenlijk meer tot uw kunne, waarmede ik steeds opgevoed werd, dan tot de mijne. Reeds in de wieg werd de noodlottige sluier mij over het hoofd geworpen. Ik zou dien sluier kunnen verscheuren, maar eene verschrikkelijke voorwaarde is daaraan verbonden. De tijd, om mijn stellig besluit te kennen te geven, is nog niet gekomen,” voegde zij er langzaam bij. »O! gaarne zou ik met andere kinderen der natuur op de woeste heide en in de vrije lucht zoo lang vroolijk ronddartelen. O! ware het mij vergund, de vreugde dezes levens te genieten. En nu—de plaats in Dante is genoegzaam toegelicht! Ga thans heen en zie eens wat er van de dappere dasjagers geworden is. Ik kan u niet vergezellen. Ik gevoel mij niet recht wel.”
Ik ging heen, maar niet om naar de jagers te zoeken. Ik gevoelde dat ik eenige oogenblikken alleen moest zijn, om volkomen tot bedaren te komen, eer ik mij in Rashleigh’s gezelschap durfde wagen, wiens koel berekenende laaghartigheid mij met zulke scherpe trekken was afgeschilderd. Ik had bij Dubourg, die een Calvinist was, zoo menige geschiedenis van Katholieke priesters hooren verhalen, hoe er onder hen waren, die vriendschap, gastvrijheid en de heiligste banden van het gezellige leven misbruikten, om die driften te bevredigen, wier regelmatige voldoening hun door de wetten van hun geloof verboden is. Maar het koelbloedig overleg, om de opvoeding van eene verlaten wees van goede afkomst, eener bloedverwante op zich te nemen, met het trouwelooze oogmerk om haar eindelijk te verleiden, zoo als zij mij zelf met edele verontwaardiging verhaald had, dat was voor mij verschrikkelijker dan de ergste van al de geschiedenissen, die in Bordeaux bekend waren. Ik gevoelde hoe moeielijk het mij zijn zou, Rashleigh te zien en den afschuw te onderdrukken, dien hij mij inboezemde. Dit was echter volstrekt noodzakelijk, niet alleen wegens den geheimzinnigen wenk, welken Diana mij gegeven had, maar ook omdat ik geen verklaarbaren grond tot twist met hem zou mogen opgeven.
Vaster rijpte in mij het besluit, Rashleigh’s veinzerij zoo veel mogelijkmet gelijke omzichtigheid te beantwoorden, zoolang wij met elkander in het kasteel moesten zijn. Bij zijn vertrek naar Londen wilde ik mijn vriend Owen een wenk geven omtrent de gezindheid van zijn nieuwen kantoormakker; om den braven ouden man tot waakzaamheid over mijns vaders belangen aan te sporen. Hebzucht, of eerzucht, meende ik, moest voor een mensch van Rashleigh’s karakter eene even groote, of wel nog grootere, aantrekkingskracht hebben, als zinnelijk genot. Zijne gave, om zich den schijn van alle goede eigenschappen te geven, en de gewone toon van zijne gesprekken, waarmede hij al spoedig iedereen voor zich wist in te nemen, zouden hem licht een hoogen graad van vertrouwen kunnen verschaffen. Hij bezat zeker geen edele dankbaarheid, die hem zou weerhouden van het verworven vertrouwen misbruik te maken. De zaak was wel zeer netelig, vooral in mijne omstandigheden. Men zou de waarschuwing, die ik gaf, zeer licht aan jaloezie tegen mijn medeminnaar of tegen mijn opvolger in mijns vaders gunst kunnen toeschrijven. Ik achtte het echter bepaald noodzakelijk, zulk een waarschuwenden brief te schrijven en het aan den schranderen en voorzichtigen Owen over te laten, zoo hij partij van de kennis van Rashleigh’s waren aard wilde trekken. Ik deed dit en zond den brief zoo spoedig mogelijk over de post weg.
Toen ik met Rashleigh samenkwam, merkte ik terstond dat hij even gereserveerd was geworden als ik, en alle aanleiding tot twist vermijden wilde. Hij vermoedde waarschijnlijk, dat hetgeen Diana mij verhaald had in zijn nadeel was, al kon hij niet weten, dat ik zelfs de laaghartigheid kende, welke hij tegen haar in den zin had gehad. Onze omgang was van dien tijd af, van beide kanten ten hoogste omzichtig. Wij spraken slechts over niets beduidende onderwerpen. Zijn verblijf in het kasteel duurde ook nog maar eenige weinige dagen. Maar in dien korten tijd bevreemdden mij twee omstandigheden. De eerste was de groote vlugheid, waarmede hij de tot zijn nieuw beroep vereischte kundigheden zich had eigen gemaakt. Soms liet hij mij dit duidelijk bemerken, wilde hij mij toonen, hoe gemakkelijk het hem was een last op zich te nemen, dien ik uit vermoeidheid en onbekwaamheid had neergeworpen. Maar ten tweede bevreemdde mij de omstandigheid, dat Diana met Rashleigh, dien zij van zulke zware beleedigingen beschuldigde, verscheidene vrij lange gesprekken onder vier oogen had, ofschoon beiden zich vooral niet hartelijker dan te voren jegens elkander gedroegen.
Toen de dag van zijn vertrek verschenen was, zeide zijn vader hem zeer onverschillig vaarwel. Zijne broeders deden hem uitgeleide, maar slecht verborgen zij daarbij hun vreugde. Ze waren als woeste schooljongens, die den meester voor eenigen tijd zien vertrekken, en niet recht wagen het genoegen dat zij gevoelen, te laten blijken. Ik nam met koele hoffelijkheid afscheid van hem. Eindelijk trad hij naar Diana toe. Doch toen hij haar wilde omhelzen, boog zij, met een blik van trotsche verachting achterwaarts, en zeide, terwijl zij hem de hand toereikte: »Vaarwel, Rashleigh! God beloone u het goede, dat gij mijbewezen hebt, en vergeve u het kwade, dat gij voornemens waart te doen!”
»Amen! lieve nicht!” antwoordde hij met een schijnvroom gelaat, hetwelk hij, naar het mij scheen, nog van het Instituut te St. Omer had behouden.—»Zalig hij, wiens goede oogmerken de vrucht van goede daden droegen, en wiens booze gedachten in den bloeitijd vergaan!”
Dit waren zijne afscheidswoorden.—
»Die volleerde huichelaar!” zeide Diana tegen mij, toen hij de deur achter zich toetrok. »Hoe sterk kan hetgeen wij het meest haten en verachten, uitwendig gelijken op dat, wat wij het hoogst vereeren en eerbiedigen.”
Ik had Rashleigh een brief aan mijn vader en eenige regels aan Owen medegegeven, behalve den reeds vermelden vertrouwelijken brief, dien ik langs een anderen weg had verzonden. Niets zou natuurlijker geweest zijn, dan dat ik in deze brieven mijn vader en mijn vriend bericht had, dat ik mij in een toestand bevond, waarin ik mij in geen opzicht, dan alleen in de geheimen van de valkenjacht kon vormen; ja, dat ik, in het gezelschap van ruwe stalknechts en roskammers, waarschijnlijk alle nuttige kundigheden die ik verworven had, spoedig zou vergeten. Het zou even natuurlijk zijn geweest, mijn tegenzin uit te drukken, om onder menschen te leven, die slechts in jagen en in onteerende tijdkortingen hun genoegen vonden. Ik zou eindelijk hebben moeten klagen over de dagelijksche onmatigheid der mannen, wier gast ik was, over den last, ja, over de onaangename aanmerkingen, die ik van mijn oom te wachten was, wanneer ik mij onder hoffelijke verontschuldigingen aan den dienst van den wijngod wilde onttrekken. Deze laatste omstandigheid was van dien aard, dat mijn vader, een streng, matig man, waarschijnlijk zich ongerust over mij gemaakt zou hebben. Had ik deze snaar wat sterk aangeroerd, dan zou de deur van mijn kerker zich zeer spoedig hebben geopend, òf de tijd van mijne verbanning zou verkort, òf een ander verblijf mij tot ballingschap aangewezen zijn geworden.
Voor een jongeling van mijne jaren en neigingen moest een langer verblijf op het kasteel Osbaldistone zoo weinig mogelijk aangenaam wezen. Men zou redelijker wijze moeten gelooven, dat het mijn eerste werk had moeten zijn, mijn vader al die bezwaren te schetsen, ten einde met zijne toestemming mijns ooms huis te kunnen verlaten. En toch moet ik naar waarheid verzekeren, dat ik in mijne brieven niet een enkel woord van dit alles repte. Ware het kasteel Osbaldistone een Athene in den ouden luister van zijne beschaving; ware het door wijzen, helden en dichters bewoond, mijn verlangen, om er te blijven, had ik niet sterker kunnen toonen.
Mijn stilzwijgen over een voor mij zoo belangrijk punt zult gij, waarde Tresham, licht kunnen verklaren, zoo gij slechts nog een enkel vonkje van het vuur der jeugd in u hebt. Diana’s buitengewone schoonheid, waarvan zij zelve zoo weinig scheen te weten; haar romantische en geheimzinnige toestand; het lijden, waaraan zij was blootgesteld; de moed, waarmede zij het scheen te gemoet te zien; haar gedrag, veelvrijer dan het haar betaamde, maar, zoo als het mij toescheen, slechts een gevolg van het bewustzijn harer onschuld, en eindelijk en vooral de zichtbare en vleiende onderscheiding, welke zij mij boven ieder ander betoonde—dit alles nam mij geheel voor haar in. Mijne nieuwsgierigheid was levendig gewekt, mijne verbeelding geprikkeld, mijne ijdelheid gestreeld. Ik waagde het niet, mij zelven te bekennen, welke innige deelneming Diana mij inboezemde, en hoezeer zij mijne gedachten vervulde. Wij lazen met elkander, wandelden met elkander, reden samen uit, en zaten bij elkander. De beoefening der letteren, welke zij, naar hare twist met Rashleigh, had afgebroken, zette zij thans onder mijne leiding voort. Ik was een leermeester, die wel geringer kennis, maar veel rechtschapener bedoelingen had.
Eigenlijk was ik geenszins geschikt, om haar bij de voortzetting van eenige diep geleerde studiën behulpzaam te zijn, die zij met Rashleigh had begonnen. Het waren studiën, wel voor een geestelijke, maar niet voor een bevallig meisje geschikt. Ik kan niet begrijpen, met welk oogmerk hij Diana in den somberen doolhof van onvruchtbare schoolsche geleerdheid inleidde, of in de even moeielijke, ofschoon op zekere, vaste grondslagen rustende wetenschappen als wiskunde en sterrekunde. Misschien had hij heimelijk het voornemen, om haar te verleiden, zoo het maatschappelijk verschil der beide geslachten te verloochenen en te verwarren. Misschien wilde hij haar aan spitsvondigheden gewennen, opdat hij te zijner tijd des te gemakkelijker aan het valsche de kleur van het ware zou kunnen geven.
Nog zonderlinger was het schandelijk doel, waarmede Rashleigh, naar den verderfelijken geest zijner leer, haar aanmoedigde, den eng begrensden kring, door het maatschappelijke gebruik om de vrouwen getrokken, te veronachtzamen en te verachten. Zij was trouwens van allen omgang met vrouwen geheel verstoken. Zij kon de gewone regels der welvoegelijkheid noch door voorbeeld noch door voorschrift leeren. Maar toch was zij met zoo veel aangeboren zedigheid en met zulk een fijn gevoel voor recht en onrecht begaafd, dat zij dat vrije, min of meer vrijpostige gedrag, dat mij bij onze eerste kennismaking zoozeer bevreemdde, nooit uit eigen neiging zou aangenomen hebben. Maar men had haar in de meening gebracht, dat verachting van de gewoonten en gebruiken der maatschappij zoowel van verstandig overleg, als van vertrouwen op de bewustheid van onschuld het bewijs kon zijn.
Haar sluwe leermeester had zeker zijn geheim doel gehad, toen hij die bolwerken sloopte, door ingetogenheid, en voorzichtigheid om de deugd opgetrokken. Overigens daarvoor, en ook nog voor andere misdaden, is hij reeds lang voor een hoogeren rechterstoel ter verantwoording geroepen.
Diana, wier heldere geest zoo vatbaar voor elk middel tot beschaving was, had niet alleen in de zoogenaamde positieve wetenschappen belangrijke vorderingen gemaakt, maar was ook met verscheidene talen bekend en met de schriften van oude en nieuwe tijden vrij goed vertrouwd. Menschen van uitstekende geestvermogens komendikwijls’t verste,daar, waar zij den minsten bijstand hebben. Als men dit niet in ’t oog hield, zouden Diana’s snelle vorderingen in verscheidene takken van wetenschap bijna ongeloofelijk schijnen. Dit alles trof mij des te sterker, als ik den voorraad van die kundigheden, uit boeken verworven, met hare volstrekte onbekendheid met het werkelijke leven vergeleek. Zij scheen ieder ding te zien en te kennen, behalve dat, wat rondom haar gebeurde. Juist deze onkunde en deze kinderlijke beschouwing van gewone voorwerpen, waarmede hare overige kundigheden zulk een scherpe tegenstelling opleverden, maakten vermoedelijk den omgang met haar onwederstaanbaar betooverend, en deed met aandacht letten op al wat zij zeide of deed. Men kon volstrekt nooit vooruit weten, of haar eerstvolgend woord, haar eerstvolgende daad, de scherpzinnigste waarneming of de zonderlingste onnoozelheid zou aanduiden. Wie zich zijne eigen aandoeningen uit den bloeitijd van zijn leven herinnert, zal inzien, hoe gevaarlijk het voor een jongeling van mijne jaren en van mijn gemoedsleven moest zijn, met zulk een beminnenswaardig, zeldzaam bekoorlijk wezen steeds vertrouwelijk om te gaan.