HOOFDSTUK XIV.

HOOFDSTUK XIV.Uit ’t slaapvertrek van harteliefSchijnt licht. Wat straalt het fel!Waarom toch brandt mijns liefjes lampIn ’t nachtelijk uur zoo hel?Uit eene oude Ballade.Wij leidden in het kasteel Osbaldistone een leven, zoo eenvoudig, ja zoo eentonig, dat er weinig aan te beschrijven valt. Diana en ik brachten verscheidene uren van den dag met lezen door. De overige bewoners doodden den tijd met uitspanningen en vermaken, al naar gelang van het seizoen. Nu en dan namen wij beiden er ook deel aan. Mijn oom was de slaaf van zijne gewoonten. Uit gewoonte werd hij met mijne tegenwoordigheid en mijne levenswijze zoo zeer vertrouwd, dat hij mij over het geheel vrij goed mocht lijden. Als ik gewild had, zou ik nog hooger in zijne gunst gestegen zijn. Daartoe zou ik dezelfde middelen kunnen aanwenden, waarvan Rashleigh zich bediende. Van zijns vaders afkeer van werkzaamheden partij trekkende, had hij zich van lieverlede het oppertoezicht over diens vermogen toegeëigend. Ik verleende mijn oom trouwens gaarne mijn hulp, met pen en rekenkunde,zoo dikwijls, hij aan een buurman brieven te schrijven of met een pachter eene rekening te vereffenen had. In zooverre was ik heminderdaadvan meer dienst, dan één van zijne zonen. Ik gevoelde evenwel geen lust, om hem den last zijner zaken geheel en al af te nemen. Wel placht dan de goede oude heer te zeggen: »neef Frans is een knappe, vlijtige jongen!” Maar zelden vergat hij, er in één adem bij te voegen: »Ik had niet gedacht, dat ik Rashleigh zoo zou missen.”Het is bepaald een onaangenaam gevoel in den kring van een huisgezin te leven, waar men niet met al de leden ervan op een goeden en vertrouwelijken voet staat. Ik wendde daarom pogingen aan, den tegenzin te overwinnen, dien mijne neven jegens mij vaak vrij duidelijk lieten blijken. In plaats van mijn opgetoomden hoed, ging ik een jagersmuts dragen. En wezenlijk begonnen zij gunstiger over mij te denken. Toen ik kort daarna een jong paard gedresseerd had, steeg ik nog hooger in hunne gunst. Een paar weddingschappen, welke ik bij zekere gelegenheden aan Richard verloor, en een volle beker, dien ik boven het gewone getal met mijn neef Percival ledigde, bracht mij in de beste verstandhouding met allen,—behalve met Thorncliff.Ik heb vroeger reeds aangestipt, dat deze jonge man mij niet lijden mocht. Hij had wat meer verstand dan zijne broeders, maar tevens een veel slechteren aard. Twistziek, norsch en lichtgeraakt, beschouwde hij mij als een overtollig en lastig wezen op het kasteel. Met nijdige, jaloersche oogen zag hij mijne vriendschapsbetrekking tot Diana, die, volgens de familieovereenkomst, tot zijne bruid was bestemd. Dat hij haar beminde, kan ik trouwens niet zeggen, ten minste als ik dat woord niet in een soort van minder juisten zin wil misbruiken. Maar hij beschouwde haar als iets, dat hem toebehoorde. Het ergerde hem, dat men hem in den weg trad, terwijl hij geen middel wist, dit te voorkomen of te verhinderen. Bij verscheidene gelegenheden beproefde ik een verzoenenden toon jegens hem. Maar hij beantwoordde mijne minzamevriendelijkheidongeveer als een knorrige hofhond, wanneer een vreemdeling hem liefkozen wil. Sedert dien tijd liet ik hem geheel aan zijne kwade luim over. Aan zijn zuur gezicht en zijne norsche manieren stoorde ik mij eenvoudig niet.Zoo stond ik met de bewoners van het kasteel. Ik moet echter nog een anderen huisgenoot noemen, met wien ik mij nu en dan onderhield.Het was de tuinman Andries, die, sedert hij wist dat ik Protestant was, mij zelden liet voorbijgaan, zonder mij een snuifje aan te bieden. Deze wellevendheid had voor hem intusschen menig voordeel. Vooreerst was ze goedkoop, daar ik nooit snuif gebruikte, en ten tweede verschafte zij den goeden Andries, die juist geen vriend van aanhoudend arbeiden was, eene schoone gelegenheid, om eenige minuten op zijne spade te rusten. Maar bovenal trok Andries van deze korte samenkomsten partij, om eene menigte nieuwigheden uit te kramen, of met echt-Schotschen humor zijne spotachtige praatjes en opmerkingen te luchten.»Ja, ja, mijn beste mijnheer,” zeide hij op zekeren avond met bijzonderen nadruk, »van daag ben ik in het dorp geweest.”»Zoo! wat nieuws was er in de dorpskroeg?” vroeg ik.»Neen, neen, mijnheer, in de kroeg kom ik nooit, of de een of andere goede vriend moest mij vrij houden. Maar voor zijn eigen geld de kroeg te bezoeken, zie, dat noem ik den tijd en zijne zuur verdiende penningskens liederlijk verkwisten. Neen, mijnheer, ik had eigenlijk iets met de oude Grietje Simpson te vereffenen. Die had een paar manden peren noodig. Op het kasteel komt het op een paar zakken vol niet aan. Toen wij nu met elkander over den prijs handelden, denk eens, wie er toen bij ons binnen trad? Macready, de reizende koopman …”»Den marskramer, meent gij?” viel ik hem in de rede.»Nu ja, als gij hem zoo noemen wilt, mij is het wel! Maar zijne zaakjes gaan zoo slecht niet. Hij is eigenlijk mijn neef, en wij waren recht blijde, elkaar eindelijk weder eens te ontmoeten.”»En toen zijt ge met elkander in de kroeg gegaan, om een glas bier te drinken. Maar om ’s Hemels wil, vertel me nu uwe geschiedenis, en zoo kort mogelijk, als ik u verzoeken mag.”»Maar mijn goede heer! heb toch geduld, geduld! Gij heeren uit Engeland zijt altijd zoo haastig gebakerd. En deze geschiedenis betreft nog wel u zelf. Bier, zegt u, zou ik gedronken hebben? Gelooft u dat? Nou, vergif moge elke droppel worden, dien mijn neef mij gaf. Neen, Grietje gaf ons beiden een slokje afgeroomde melk en een van hare dikke haverkoeken, die evenwel zoo taai als zoolleder was. Neen, dan heilig onze lekkere koeken in Schotland!—Maar hoe het zij, wij gingen dan zitten en praatten een beetje over koetjes en kalfjes.”»Maar kom dan toch eindelijk met het nieuws dat ge hebt, zoo het ten minste de moeite waard is!” riep ik ongeduldig, »want ik kan den ganschen dag niet hier blijven.”»Nu, als gij het dan volstrekt weten moet en weten wilt; in Londen maken zij vrij wat alarm over dat laatste stukje.”»Welk stukje? Wat bedoelt gij?”»Hm! dat gevalletje met dat weergaasche valies!” hernam Andries met een sluwen blik.»Welk valies? Wat wilt gij toch zeggen?”»Die Morris, of hoe hij heeten mag, moet het immers verloren hebben. Maar u gaat het zeker evenmin aan, als mij. Ik zal er den kostbaren tijd niet om verspillen.”Na dit gezegd te hebben, begon hij met alle kracht te werken, alsof hij een vlaag van hevigen werklust gekregen had.De sluwe kerel wist wel, dat hij mijne opmerkzaamheid en nieuwsgierigheid ten sterkste gespannen had. Door eene directe vraag wilde ik echter niet te veel belangstelling in de zaak verraden. Ik wachtte zwijgend, of de geest van mededeelzaamheid hem nog eens aansporen zou, den draad van zijne geschiedenis weder op te vatten. Maar Andries bleef ijverig aan ’t spitten en sprak nu en dan een woord, maar over geheel andere onderwerpen. Innerlijk boos, hoorde ik hem toch aan. Ik wilde toch eens zien, hoe lang zijne halsstarrigheid zijn verlangen zoubedwingen om over eene zaak te spreken, waarmede hij blijkbaar geheel vervuld was.»Zie zoo!” begon hij; »dat aspergie-bed is omgespit; nu nog een paar staken bij de snijboonen gezet. Die moeten zij bij het varkensvleesch hebben;—wel bekome het hun!… Wat is dat toch slechte mest, zoo hard als een steen! Ja, ja, de jager speelt den baas in de stallen, heeft zeker al de goede mest verkocht … daar sta ik u borg voor … Ja, ik moet maar doorwerken op zoo’n schoonen Zaterdag-avond, want met het weer wil het ook niet te best. Van de zeven dagen der week, hebt ge op zijn hoogst een paar, die men goed kan noemen, en daaronder is één steeds een Zondag. Maar het kan toch weêr goed worden tegen Maandag.—Ik weet niet waarom ik me lam zou werken. Ik ga maar naar het kasteel, want daar hoor ik de avondklok, zooals zij dat oude ding noemen.”En met die woorden stiet hij zijne spade in den grond en zag mij terzij heel leuk aan, als wilde hij mij te kennen geven, dat hij mij wel iets gewichtigs kon ontdekken, maar ook wel verzwijgen. Eindelijk stroopte hij zijne hemdsmouwen neer en ging langzaam naar de tuinbank, waar zijn rok zorgvuldig opgevouwen lag. Ik zag nu wel, dat ik den stijfkop moest toegeven, en geduld hebben, tot het hem zou behagen, mij alles op zijne wijze te verhalen. Op zeer minzamen toon vroeg ik: »Maar Andries, wat zijn het dan voor nieuwigheden die uw neef, de reizende koopman van Londen, voor u heeft medegebracht?”»O, u bedoelt den marskramer. Och! noem u hem maar zoo als u verkiest; zoo’n man is een onmisbaar wezen in een land, waar zoo weinig steden zijn als hier in Northumberland. In Schotland is het veel beter. Daar hebt ge het koninkrijk1Fife, van het eene einde tot het andere bijna één enkele groote stad: en dan nog zoo vele heerlijke vlekken met fraaie straten, schoone winkels, steenen huizen met breede stoepen. Kircaldy is grooter dan eenige stad in Engeland.”»Zeer zeker, Andries, daar is het zeer fraai, schoon en heerlijk! Maar om weder op het nieuws van Londen terug te komen …”»Ach ja, dat is ook zoo, ziet u, ik dacht dat er u juist niet veel aan gelegen was,” hernam de tuinman meesmuilende. »Mijn neef heeft mij gezegd dat zij in het Parlement vinnig boos zijn geweest over dat historietje met dien Morris, of zoo als die knaap heeten mag.”»In het Parlement?” vroeg ik; »maar hoe kwam die zaak dan daar ter sprake?”»Ja, dat zeide ik ook al tegen mijn neef. Ik zal u woord voor woord zeggen, wat ik tegen hem zeide; want het is de moeite niet waard, er om te liegen. Neef, zeide ik tegen hem, wat hebben toch de Lords en Heeren in Londen met dien kerel en zijn valies te maken? Toen wij in Schotland nog een Parlement hadden, neefje—de duivel hale hen, diehet ons ontnomen hebben! zaten de leden van dat Parlement bedaard wetten voor het land en het rijk te maken en bemoeiden zich met geen zaken, die door den gewonen rechter behoorden afgedaan te worden. Maar ik geloof, zeide ik, dat wanneer een oud wijf ergens in Engeland hare buurvrouw de muts van het hoofd scheurt, dat ze dan beiden voor het Parlement van Londen moeten komen. Het is daar bijna net zoo erg als hier, met den ouden heer en zijne zonen en jagers: die jagen geheele dagen na elkander een ongelukkig dier na en als zij dan dat dier gevangen hebben, blijkt het, dat het, waarachtig! geen zes pond zwaar is!”»Volkomen juist aangemerkt, Andries, zeer juist! Maar wat zeide toch uw neef?”»O, hij zeide dat men het niet anders van de Engelschen—die poddingeters,—verwachten kon. En de geschiedenis van dien Morris—nu ja, toen hebben zij weder eene kijfpartij gehouden, en toen is een onder hen opgestaan en heeft gezegd, dat het in het Noorden van Engeland wemelt van Jakobieten—nu, hij kan wel gelijk hebben—en dat zij een oorlog wilden beginnen, dat ze een koningsbode op den publieken weg hadden aangerand; dat de aanzienlijkste lieden van Northumberland daarbij waren geweest; dat zij hem veel geld en vele belangrijke papieren hadden afgenomen; dat hij geen recht had kunnen krijgen, want dat de vrederechter de beide knapen, die den diefstal gepleegd hadden, bij zich te gast had genoodigd; dat die daar ook dapper gegeten en gedronken hebben, en dat hij den een voor den ander heeft laten getuigen, en borgtocht van hen aangenomen heeft, terwijl de eerlijke man, die zijn geld had verloren, ten slotte maar blij was, nog heelhuids uit dat land weg te komen.”»Zou dat wezenlijk waar zijn?” vroeg ik verwonderd.»Mijn neef zweert, dat het zoo waar is, als hij een goedgeijkte el heeft, en aan zijn el ontbreekt toch maar een enkel zestiende. En toen die man daar in dat Parlement uitgepraat was, begon er plotseling zulk een vreeselijk geschreeuw te ontstaan, dat hij namen noemen moest. Toen kwam hij in den nood. Hij noemde namen, eerst dien vent Morris, en ook uw oom en den rechter Inglewood en nog vele andere lieden bovendien,” voegde Andries er bij, terwijl hij een sluwen blik op mij wierp. »Maar toen stond er ook aan den anderen kant van het Parlement iemand op, en zeide, dat men de braafste menschen van het land niet mocht aanklagen op den eed van een ellendigen lafaard, als deze Morris, die in den oorlog in Vlaanderen de kanonnenkoorts gekregen en schandelijk de plaat gepoetst had. Het gansche historietje was zeker met den minister reeds afgesproken en in orde gebracht, eer de kerel nog een voet buiten Londen had gezet. Zoo men huiszoeking wilde doen, zou men het geld, dat men hem ontnomen had, misschien niet ver van het koninklijk paleis vinden. En wat gebeurde er toen? Die Morris werd voor het Parlement gebracht, en hij moest zeggen, hoe de vork eigenlijk in den steel stak. Maar de menschen, die tegen hem waren, somden al zijn gauwdievenstreken, die hij in zijn vroeger leven gepleegd had, zoobreed en duidelijk op, dat de lafaard eer op een lijk dan op een levend wezen geleek, zei mijn neef. Geen enkel verstandig woord konden zij uit hem krijgen, zoo bitter was hij door dat geschreeuw en dat uitschelden in de war gemaakt. Bij mijne zondige ziel, de kerel moet een kop hebben als een bevroren raap! Zij hadden lang kunnen schreeuwen eer zij mij in de war zouden gebracht hebben!”»En waarop liep dat alles dan uit? Heeft uw neef dat ook niet vernomen, vriend Andries?”»Natuurlijk heeft hij het vernomen, mijn neef heeft zijne reis omtrent eene week expres opgeschoven, omdat het zijn klanten zeer aangenaam zou zijn, dat nieuws te vernemen. Het liep met een sisser af. Laat ik u maar zeggen dat degeen, die het historietje ’t eerst op het tapijt bracht, weder spoedig in zijne schelp kroop. De man, zeide hij, kon ook wel wezenlijk in handen van roovers gevallen zijn; maar omtrent de eigenlijke omstandigheden was men nog in het onzekere. Toen stond deanderevent weer op, en zeide, dat het hem zeer onverschillig was of men dien Morris beroofd had of niet. Maar men moest om zoo iets geen brave lieden van hunne eer en hun goeden naam berooven, inzonderheid in het noorden van Engeland, want hij was er zelf van daan, en daar behoefde hij zich niet over te schamen. En dat noemt men een zaak uitmaken! De een geeft iets toe en de andere geeft iets toe en dan zijn ze weer goede vrienden. En toen zij nu in het Lagerhuis lang en breed over dat geval gewauweld hadden, zoo dat zij er eindelijk misselijk van waren, wilden de heeren in het Hoogerhuis er ook nog iets van hebben. In het lieve oude Schotsche Parlement, ja, waarde mijnheer, daar zaten zij allen bij elkander, en behoefden een ding niet tweemaal te bepraten, maar daar in Londen kauwen en herkauwen zij elk ding zoo lang, tot er volstrekt niets van overblijft. Ook heeft men er van een zekeren Campbell gesproken; die moet bij dat plunderen en rooven ook eene hand in het spel gehad hebben, maar tot zijn geluk had hij een flink getuigschrift van den hertog van Argyle. En toen dit openlijk gezegd werd, geraakte de hertog in vuur en vlam—nu daarin had hij, mijns insziens, wel gelijk!—Hij maakte vrij wat spektakel, terwijl hij ieder overtuigend wilde bewijzen, ja schier instampen, dat iedere Campbell steeds een braaf, dapper en verstandig man was geweest. Als gij echter zeker zijt, dat er geen druppel bloed van het geslacht van Campbell door uwe aderen vloeit, wat, voor zoo verre ik weet, bij mij insgelijks het geval is, dan wil ik u wel zeggen wat ik van de zaak denk.”Ik verzekerde dat ik rechtstreeks noch zijdelings tot dat geslacht behoorde.»Nu, dan kunnen wij immers gerust onder ons zeggen wat wij weten. Van de Campbells valt goed en kwaad te zeggen, even als van alle andere menschen. Maar van Mac-Callumore, van dien Argyle—van hem zijn er zeer zonderlinge praatjes in omloop onder de voorname lui van Londen. Maar hij heeft er veel in te brengen. Men kan eigenlijk niet recht zeggen, welke partij hij gekozen heeft. Niemand durft hem aan. En het einde van het lied was, dat zij verklaarden, dat de ganschehistorie enkel laster was. En als die Morris zich niet bij tijds uit de voeten gemaakt had, zou hij nog leelijk te pas zijn gekomen.”Bij die woorden pakte Andries zijn tuinmansgereedschap bijeen en wierp het dood kalm, stuk voor stuk in een kruiwagen. Hij gaf mij blijkbaar, eer hij heenging, den tijd, nog eenige vragen te doen. Ik oordeelde het best, alles dadelijk te zeggen, opdat de man mijn zwijgen niet aan verkeerde redenen zou toeschrijven en een al te groot gewicht er aan hechten zou.»Andries,” zeide ik, »ik zou uw landsman wel eens willen spreken, om al dat nieuws uit zijn eigen mond te vernemen. Gij hebt waarschijnlijk gehoord, dat ik door de onbeschaamde zotheid van dien Morris eenigen last heb gehad.” Andries meesmuilde. »Gaarne zou ik uw neef nu vragen, wat hij dan eigenlijk te Londen gehoord heeft; ten minste wanneer het hem niet al te moeilijk is, met mij eenige oogenblikken te komen praten.”Andries antwoordde dat dit geen bezwaar zou opleveren. Als hij zijn neef een wenk gaf, dat ik een paar kousen noodig had, dan zou die niet in gebreke blijven, terstond bij mij te komen.»Ja, gij kunt hem zeggen, dat hij in mij een goeden klant zal vinden, en daar de avond heden bijzonder mooi is, zal ik zoo lang in den tuin blijven wandelen tot hij komt. De maan zal spoedig opkomen. Breng uw neef aan het achterpoortje. Ik zal mij intusschen met het gezicht van de struiken en heesters bij het heldere maanlicht amuseeren.”»Best! heel goed!” hernam Andries; »dat zeg ik ook altijd: koolbladen en bloemkool schitteren in den maneschijn even prachtig als eene mooie vrouw in diamanten.”En Andries ging blijkbaar welgemoed weg. Hij scheen den vrij langenweg met het grootste genoegen af te leggen, om zijn neef een klein voordeeltje te bezorgen, ofschoon hij er niets voor over had gehad, om hem op eene kan bier te onthalen. De wellevendheid van een Engelschman zou zich op eene geheel andere wijze geuit hebben, dacht ik, toen ik wandelde langs de pas geschoren heggen van hooge taxis en steekpalm, waarmede de gansche tuin doorsneden was.Toen ik omkeerde, keek ik onwillekeurig naar de smalle vensters van de oude boekenkamer op de tweede verdieping. Dat dáár licht brandde, verraste mij niet; want ik wist, dat Diana zeer dikwijls de avonden in die kamer doorbracht. Maar ik had uit een zeker gevoel van kieschheid, het mij tot vaste wet gemaakt, haar daar niet op te zoeken op een tijd, waarop ik wist, dat de overige leden der familie in het huisvertrek bijeen waren, en onze bijeenkomst dus noodzakelijk onder vier oogen zou hebben moeten zijn. In de morgenuren zaten wij gewoonlijk samen in de boekenkamer te lezen, en dan gebeurde het niet zelden, dat een van onze neven binnen kwam om een perkamenten bandje te halen, en dat dan ondanks het kostbaar verguldsel en de geschilderde versieringen, tot een zakboekje van vischhengels werd gebezigd. Soms ook om ons van eene afgesproken jachtpartij te verhalen, of ook wel uit loutere verveling. In de avonduren echter werd de boekenkamer nooit als gemeenschappelijk terrein beschouwd. In een land opgevoed, waar men, ten minste in dien tijd, aan de wetten der wellevendheid zeer hechtte,gevoeldeik den plicht, om jegens Diana dubbel te letten op het in acht nemen van die wetten, juist omdat zij ze, uit gebrek aan ervaring, wel eens vergat. Zoo kiesch mogelijk gaf ik haar te kennen, dat telkens, wanneer wij des avonds lezen wilden, de tegenwoordigheid van een derden persoon passend, ja, betamelijk was.In het eerst lachte Diana, daarna bloosde zij, en was op het punt boos te worden, tot zij zich plotseling bedwong en mij antwoordde: »Ik geloof, dat gij volkomen gelijk hebt. Wanneer ik eens lust krijg, om heel vlijtig te leeren, zal ik onze oude Martha met een kopje thee omkoopen, om bij ons te zitten en om mij onder haar vleugels te nemen.”Martha, de oude huishoudster, was met de heerschende neiging van al de huisgenooten besmet, en een glas brandewijn was haar meer welkom geweest dan al de thee uit China. Maar het streelde hare ijdelheid, dat men haar een drank aanbood, welke in dien tijd alleen door groote lui gebruikt werd. Een ruime portie suiker, en eenige niet minder zoete woorden, alsook een overvloed van geroosterd brood en boter—door dit alles te zamen liet zij zich nu en dan bewegen om ons gezelschap te houden. Anders vermeden de dienstboden, zoodra slechts de avond begon te vallen, deze boekenkamer, daar ze zich in een vleugel van het kasteel bevond, waar het, volgens hunne dwaze verbeelding, spookte. Eenige der vreesachtigsten wilden daar zelfs spoken gezien, ja, allerlei geluiden gehoord hebben, als al de overige huisgenooten sliepen. Zelfs mijne neven hadden, nadat het donker was geworden, niet veel lust, als zij het eenigszins vermijden konden, om zich in dat verschrikkelijke gedeelte hunner woning te wagen.De omstandigheid, dat de boekenkamer eens Rashleighs geliefkoosd verblijf was geweest, en dat eene zijdeur daaruit naar dat eenzaam gedeelte van het kasteel leidde, waar hij steeds gewoond had, vermeerderde nog de vrees der huisgenooten voor die angstwekkende zaal. Zijne uitgebreide kunde in alle vakken, zijne groote kennis van de wetenschappen en eenige natuurkundige proeven, welke hij nu en dan in hunne tegenwoordigheid genomen had, waren voor de domme en bijgeloovige bewoners van het kasteel voldoende redenen, om hem macht over de geestenwereld toe te schrijven. Hij verstond immers Latijn, Grieksch en Hebreeuwsch, en behoefde alzoo, zoo als zijn broeder Wilfred zeide, noch geesten, noch spoken, noch duivels, noch kabouters te vreezen. Ja, de dienstboden beweerden, dat zij hem in de boekenkamer hadden hooren spreken op een tijd, dat ieder in het kasteel reeds te bed was, en hij had den ganschen nacht met allerlei spoken doorwaakt en toen een gat in den dag geslapen, in plaats van, zoo als een echten Osbaldistone betaamde, met het krieken van den dag de honden naar buiten te volgen.Al die ongerijmde geruchten had ik uit halve wenken en afgebroken uitdrukkingen vernomen. Natuurlijk had ik ze slechts met een spottenden glimlach aangehoord. Maar de eenzaamheid waarin die zoo beruchte kamer ’s avonds was, was voor mij een reden te meer, om Diana niet te storen, als zij daar den avond doorbracht.Ik behoefde mij dus niet te verwonderen, toen ik licht in die kamer zag. Maar sterk was ik verrast, toen ik mijne oogen op de vensters vestigende, duidelijk de schaduw van twee gestalten zag, die zich voor het eerste venster bewogen en het voor eenige oogenblikken geheel verduisterden. Het moet de oude Martha zijn, dacht ik. Misschien heeft Diana haar bij zich geroepen. Of zou ik mij vergist hebben en Diana’s gestalte voor eene tweede gestalte aangezien hebben? Neen, bij den hemel! nu ook aan het tweede venster! Zeer duidelijk twee gestalten! Nu verdwenen zij—nu weder aan het derde—eindelijk ook aan het vierde! De beweging der gestalten tusschen het licht en de vensters werd tweemaal herhaald, alsof ik mij volkomen moest overtuigen dat ik goed gezien had: toen werd het licht uitgedoofd.Deze onbeduidende omstandigheid hield mij vrij lang bezig. Ik waagde niet mij zelven te bekennen, dat mijne vriendschap voor Diana met een egoïstisch oogmerk gepaard ging. Maar ik kan niet zeggen, hoe onaangenaam mij de gedachte was, dat zij iemand anders heimelijke bijeenkomsten toestond op een tijd en eene plaats, waar ik het onvoegzaam oordeelde haar te bezoeken; te meer omdat ik ook, om haar zelfs wil, getracht had haar dat onder het oog te brengen. »Dwaas, lichtzinnig meisje!” zeide ik tot mij zelf. »Zij stoort zich aan geen welgemeenden raad, aan geene welvoegelijkheid. Ik heb mij door hare ongekunstelde houding laten misleiden. Zulk een houding schijnt zij even gemakkelijk te kunnen aannemen, als of zij een stroohoed opzet, door eene nieuwe mode ingevoerd; ondanks al hare groote geestvermogens, zal misschien het gezelschap van een dommen gek, met wien zij haarkaartje kon leggen, haar meer genoegen kunnen verschaffen, dan Ariosto zelf, wanneer hij uit het graf verrees.”Deze gedachte kwam levendig in mij op, daar ik haar juist dienzelfden dag mijne vertaling van Ariosto’s eersten zang getoond, en haar verzocht had, de oude Martha op de thee uit te noodigen, terwijl zij onder een voorwendsel, dat ik voor volstrekt nietig hield, dit bepaald geweigerd had.Nog niet lang had ik mij in deze onaangename overdenkingen verdiept, toen het achterpoortje van den tuin openging, en Andries en zijn neef, die met een zwaar pak koopwaren beladen was, in den maneschijn de laan opkwamen. De sluwe Macready was een Schot, dien zijne neiging en zijn koophandel tot eene wandelende krant hadden gemaakt. Hij kon mij omtrent het voorgevallene in het Parlement eenigszins uitvoeriger en grondiger berichten geven, dan de tuinman. De beide Staatspartijen hadden naar het scheen, het avontuur van Morris als een toetssteen gebezigd, om de gezindheid van het Parlement uit te vorschen. Waarschijnlijk echter waren de opstokers van het vuurtje niet in staat geweest, om de waarheid van eene geschiedenis te staven, vooral omdat zeer aanzienlijke en zeer invloedrijke personen in die zaak gewikkeld waren, en alles zich slechts op de getuigenis van een man van slechten naam grondde, die zich zelven bovendien tegengesproken had en in zijne verklaringen over het geheel zeer onduidelijk was geweest. Ook kon de koopman mij een nieuwsblad ter hand stellen met een uittreksel der verhandelingen van het Parlement—in dien tijd eene zeldzaamheid buiten den omtrek der hoofdstad—en de gedrukte redevoering van den hertog van Argyle op een groot vel papier. Verscheidene exemplaren had hij van de uitventsters gekocht, om ze in Schotland met voordeel aan den man te brengen. Het uittreksel der verhandelingen was slechts eene zeer magere opgave met veel gapingen en sterretjes, waaruit ik niet veel meer licht kon erlangen dan de Schot voor mij had ontstoken. En de zeer fraaie en bij uitstek welsprekende redevoering des hertogs was grootendeels eene lofrede op zijn vaderland, zijn geslacht en zijn stam, met eenige, misschien even oprechte, hoewel niet zoo vurige vleierijen, welke hij, bij eene zoo gunstige gelegenheid, zich zelve wilde zeggen. Of zijn goede naam inderdaad verdacht was gemaakt, kon ik niet te weten komen, maar zooveel zag ik duidelijk genoeg, dat men de eer der naastbestaanden van mijn oom aangerand had; ja, dat Morris het had voorgesteld, als zou Campbell een eerste rol bij die straatrooverij hebben gespeeld en door zijn invloed op den al te zachtzinnigen vrederechter een Osbaldistone de vrijheid hebben verschaft. In zekeren zin kwam die voorstelling van het gebeurde met het vermoeden overeen, dat ik zelf ten opzichte van Campbell gevoed had, van het oogenblik af, dat ik hem bij den vrederechter zag. Ten hoogste misnoegd en tevens verwonderd over deze zonderlinge geschiedenis, verliet ik de beide Schotten, nadat ik van den koopman iets gekocht en Andries een fooi gegeven had. Ik spoedde mij naar mijne eenzame kamer, om te overwegen wat mij thans te doen stond. Mijn goede naamwas openlijk aangerand. Ik meende, dat het plicht voor mij was, naar herstel van eer te streven.1Zoo noemt men het graafschap Fife.↑

HOOFDSTUK XIV.Uit ’t slaapvertrek van harteliefSchijnt licht. Wat straalt het fel!Waarom toch brandt mijns liefjes lampIn ’t nachtelijk uur zoo hel?Uit eene oude Ballade.Wij leidden in het kasteel Osbaldistone een leven, zoo eenvoudig, ja zoo eentonig, dat er weinig aan te beschrijven valt. Diana en ik brachten verscheidene uren van den dag met lezen door. De overige bewoners doodden den tijd met uitspanningen en vermaken, al naar gelang van het seizoen. Nu en dan namen wij beiden er ook deel aan. Mijn oom was de slaaf van zijne gewoonten. Uit gewoonte werd hij met mijne tegenwoordigheid en mijne levenswijze zoo zeer vertrouwd, dat hij mij over het geheel vrij goed mocht lijden. Als ik gewild had, zou ik nog hooger in zijne gunst gestegen zijn. Daartoe zou ik dezelfde middelen kunnen aanwenden, waarvan Rashleigh zich bediende. Van zijns vaders afkeer van werkzaamheden partij trekkende, had hij zich van lieverlede het oppertoezicht over diens vermogen toegeëigend. Ik verleende mijn oom trouwens gaarne mijn hulp, met pen en rekenkunde,zoo dikwijls, hij aan een buurman brieven te schrijven of met een pachter eene rekening te vereffenen had. In zooverre was ik heminderdaadvan meer dienst, dan één van zijne zonen. Ik gevoelde evenwel geen lust, om hem den last zijner zaken geheel en al af te nemen. Wel placht dan de goede oude heer te zeggen: »neef Frans is een knappe, vlijtige jongen!” Maar zelden vergat hij, er in één adem bij te voegen: »Ik had niet gedacht, dat ik Rashleigh zoo zou missen.”Het is bepaald een onaangenaam gevoel in den kring van een huisgezin te leven, waar men niet met al de leden ervan op een goeden en vertrouwelijken voet staat. Ik wendde daarom pogingen aan, den tegenzin te overwinnen, dien mijne neven jegens mij vaak vrij duidelijk lieten blijken. In plaats van mijn opgetoomden hoed, ging ik een jagersmuts dragen. En wezenlijk begonnen zij gunstiger over mij te denken. Toen ik kort daarna een jong paard gedresseerd had, steeg ik nog hooger in hunne gunst. Een paar weddingschappen, welke ik bij zekere gelegenheden aan Richard verloor, en een volle beker, dien ik boven het gewone getal met mijn neef Percival ledigde, bracht mij in de beste verstandhouding met allen,—behalve met Thorncliff.Ik heb vroeger reeds aangestipt, dat deze jonge man mij niet lijden mocht. Hij had wat meer verstand dan zijne broeders, maar tevens een veel slechteren aard. Twistziek, norsch en lichtgeraakt, beschouwde hij mij als een overtollig en lastig wezen op het kasteel. Met nijdige, jaloersche oogen zag hij mijne vriendschapsbetrekking tot Diana, die, volgens de familieovereenkomst, tot zijne bruid was bestemd. Dat hij haar beminde, kan ik trouwens niet zeggen, ten minste als ik dat woord niet in een soort van minder juisten zin wil misbruiken. Maar hij beschouwde haar als iets, dat hem toebehoorde. Het ergerde hem, dat men hem in den weg trad, terwijl hij geen middel wist, dit te voorkomen of te verhinderen. Bij verscheidene gelegenheden beproefde ik een verzoenenden toon jegens hem. Maar hij beantwoordde mijne minzamevriendelijkheidongeveer als een knorrige hofhond, wanneer een vreemdeling hem liefkozen wil. Sedert dien tijd liet ik hem geheel aan zijne kwade luim over. Aan zijn zuur gezicht en zijne norsche manieren stoorde ik mij eenvoudig niet.Zoo stond ik met de bewoners van het kasteel. Ik moet echter nog een anderen huisgenoot noemen, met wien ik mij nu en dan onderhield.Het was de tuinman Andries, die, sedert hij wist dat ik Protestant was, mij zelden liet voorbijgaan, zonder mij een snuifje aan te bieden. Deze wellevendheid had voor hem intusschen menig voordeel. Vooreerst was ze goedkoop, daar ik nooit snuif gebruikte, en ten tweede verschafte zij den goeden Andries, die juist geen vriend van aanhoudend arbeiden was, eene schoone gelegenheid, om eenige minuten op zijne spade te rusten. Maar bovenal trok Andries van deze korte samenkomsten partij, om eene menigte nieuwigheden uit te kramen, of met echt-Schotschen humor zijne spotachtige praatjes en opmerkingen te luchten.»Ja, ja, mijn beste mijnheer,” zeide hij op zekeren avond met bijzonderen nadruk, »van daag ben ik in het dorp geweest.”»Zoo! wat nieuws was er in de dorpskroeg?” vroeg ik.»Neen, neen, mijnheer, in de kroeg kom ik nooit, of de een of andere goede vriend moest mij vrij houden. Maar voor zijn eigen geld de kroeg te bezoeken, zie, dat noem ik den tijd en zijne zuur verdiende penningskens liederlijk verkwisten. Neen, mijnheer, ik had eigenlijk iets met de oude Grietje Simpson te vereffenen. Die had een paar manden peren noodig. Op het kasteel komt het op een paar zakken vol niet aan. Toen wij nu met elkander over den prijs handelden, denk eens, wie er toen bij ons binnen trad? Macready, de reizende koopman …”»Den marskramer, meent gij?” viel ik hem in de rede.»Nu ja, als gij hem zoo noemen wilt, mij is het wel! Maar zijne zaakjes gaan zoo slecht niet. Hij is eigenlijk mijn neef, en wij waren recht blijde, elkaar eindelijk weder eens te ontmoeten.”»En toen zijt ge met elkander in de kroeg gegaan, om een glas bier te drinken. Maar om ’s Hemels wil, vertel me nu uwe geschiedenis, en zoo kort mogelijk, als ik u verzoeken mag.”»Maar mijn goede heer! heb toch geduld, geduld! Gij heeren uit Engeland zijt altijd zoo haastig gebakerd. En deze geschiedenis betreft nog wel u zelf. Bier, zegt u, zou ik gedronken hebben? Gelooft u dat? Nou, vergif moge elke droppel worden, dien mijn neef mij gaf. Neen, Grietje gaf ons beiden een slokje afgeroomde melk en een van hare dikke haverkoeken, die evenwel zoo taai als zoolleder was. Neen, dan heilig onze lekkere koeken in Schotland!—Maar hoe het zij, wij gingen dan zitten en praatten een beetje over koetjes en kalfjes.”»Maar kom dan toch eindelijk met het nieuws dat ge hebt, zoo het ten minste de moeite waard is!” riep ik ongeduldig, »want ik kan den ganschen dag niet hier blijven.”»Nu, als gij het dan volstrekt weten moet en weten wilt; in Londen maken zij vrij wat alarm over dat laatste stukje.”»Welk stukje? Wat bedoelt gij?”»Hm! dat gevalletje met dat weergaasche valies!” hernam Andries met een sluwen blik.»Welk valies? Wat wilt gij toch zeggen?”»Die Morris, of hoe hij heeten mag, moet het immers verloren hebben. Maar u gaat het zeker evenmin aan, als mij. Ik zal er den kostbaren tijd niet om verspillen.”Na dit gezegd te hebben, begon hij met alle kracht te werken, alsof hij een vlaag van hevigen werklust gekregen had.De sluwe kerel wist wel, dat hij mijne opmerkzaamheid en nieuwsgierigheid ten sterkste gespannen had. Door eene directe vraag wilde ik echter niet te veel belangstelling in de zaak verraden. Ik wachtte zwijgend, of de geest van mededeelzaamheid hem nog eens aansporen zou, den draad van zijne geschiedenis weder op te vatten. Maar Andries bleef ijverig aan ’t spitten en sprak nu en dan een woord, maar over geheel andere onderwerpen. Innerlijk boos, hoorde ik hem toch aan. Ik wilde toch eens zien, hoe lang zijne halsstarrigheid zijn verlangen zoubedwingen om over eene zaak te spreken, waarmede hij blijkbaar geheel vervuld was.»Zie zoo!” begon hij; »dat aspergie-bed is omgespit; nu nog een paar staken bij de snijboonen gezet. Die moeten zij bij het varkensvleesch hebben;—wel bekome het hun!… Wat is dat toch slechte mest, zoo hard als een steen! Ja, ja, de jager speelt den baas in de stallen, heeft zeker al de goede mest verkocht … daar sta ik u borg voor … Ja, ik moet maar doorwerken op zoo’n schoonen Zaterdag-avond, want met het weer wil het ook niet te best. Van de zeven dagen der week, hebt ge op zijn hoogst een paar, die men goed kan noemen, en daaronder is één steeds een Zondag. Maar het kan toch weêr goed worden tegen Maandag.—Ik weet niet waarom ik me lam zou werken. Ik ga maar naar het kasteel, want daar hoor ik de avondklok, zooals zij dat oude ding noemen.”En met die woorden stiet hij zijne spade in den grond en zag mij terzij heel leuk aan, als wilde hij mij te kennen geven, dat hij mij wel iets gewichtigs kon ontdekken, maar ook wel verzwijgen. Eindelijk stroopte hij zijne hemdsmouwen neer en ging langzaam naar de tuinbank, waar zijn rok zorgvuldig opgevouwen lag. Ik zag nu wel, dat ik den stijfkop moest toegeven, en geduld hebben, tot het hem zou behagen, mij alles op zijne wijze te verhalen. Op zeer minzamen toon vroeg ik: »Maar Andries, wat zijn het dan voor nieuwigheden die uw neef, de reizende koopman van Londen, voor u heeft medegebracht?”»O, u bedoelt den marskramer. Och! noem u hem maar zoo als u verkiest; zoo’n man is een onmisbaar wezen in een land, waar zoo weinig steden zijn als hier in Northumberland. In Schotland is het veel beter. Daar hebt ge het koninkrijk1Fife, van het eene einde tot het andere bijna één enkele groote stad: en dan nog zoo vele heerlijke vlekken met fraaie straten, schoone winkels, steenen huizen met breede stoepen. Kircaldy is grooter dan eenige stad in Engeland.”»Zeer zeker, Andries, daar is het zeer fraai, schoon en heerlijk! Maar om weder op het nieuws van Londen terug te komen …”»Ach ja, dat is ook zoo, ziet u, ik dacht dat er u juist niet veel aan gelegen was,” hernam de tuinman meesmuilende. »Mijn neef heeft mij gezegd dat zij in het Parlement vinnig boos zijn geweest over dat historietje met dien Morris, of zoo als die knaap heeten mag.”»In het Parlement?” vroeg ik; »maar hoe kwam die zaak dan daar ter sprake?”»Ja, dat zeide ik ook al tegen mijn neef. Ik zal u woord voor woord zeggen, wat ik tegen hem zeide; want het is de moeite niet waard, er om te liegen. Neef, zeide ik tegen hem, wat hebben toch de Lords en Heeren in Londen met dien kerel en zijn valies te maken? Toen wij in Schotland nog een Parlement hadden, neefje—de duivel hale hen, diehet ons ontnomen hebben! zaten de leden van dat Parlement bedaard wetten voor het land en het rijk te maken en bemoeiden zich met geen zaken, die door den gewonen rechter behoorden afgedaan te worden. Maar ik geloof, zeide ik, dat wanneer een oud wijf ergens in Engeland hare buurvrouw de muts van het hoofd scheurt, dat ze dan beiden voor het Parlement van Londen moeten komen. Het is daar bijna net zoo erg als hier, met den ouden heer en zijne zonen en jagers: die jagen geheele dagen na elkander een ongelukkig dier na en als zij dan dat dier gevangen hebben, blijkt het, dat het, waarachtig! geen zes pond zwaar is!”»Volkomen juist aangemerkt, Andries, zeer juist! Maar wat zeide toch uw neef?”»O, hij zeide dat men het niet anders van de Engelschen—die poddingeters,—verwachten kon. En de geschiedenis van dien Morris—nu ja, toen hebben zij weder eene kijfpartij gehouden, en toen is een onder hen opgestaan en heeft gezegd, dat het in het Noorden van Engeland wemelt van Jakobieten—nu, hij kan wel gelijk hebben—en dat zij een oorlog wilden beginnen, dat ze een koningsbode op den publieken weg hadden aangerand; dat de aanzienlijkste lieden van Northumberland daarbij waren geweest; dat zij hem veel geld en vele belangrijke papieren hadden afgenomen; dat hij geen recht had kunnen krijgen, want dat de vrederechter de beide knapen, die den diefstal gepleegd hadden, bij zich te gast had genoodigd; dat die daar ook dapper gegeten en gedronken hebben, en dat hij den een voor den ander heeft laten getuigen, en borgtocht van hen aangenomen heeft, terwijl de eerlijke man, die zijn geld had verloren, ten slotte maar blij was, nog heelhuids uit dat land weg te komen.”»Zou dat wezenlijk waar zijn?” vroeg ik verwonderd.»Mijn neef zweert, dat het zoo waar is, als hij een goedgeijkte el heeft, en aan zijn el ontbreekt toch maar een enkel zestiende. En toen die man daar in dat Parlement uitgepraat was, begon er plotseling zulk een vreeselijk geschreeuw te ontstaan, dat hij namen noemen moest. Toen kwam hij in den nood. Hij noemde namen, eerst dien vent Morris, en ook uw oom en den rechter Inglewood en nog vele andere lieden bovendien,” voegde Andries er bij, terwijl hij een sluwen blik op mij wierp. »Maar toen stond er ook aan den anderen kant van het Parlement iemand op, en zeide, dat men de braafste menschen van het land niet mocht aanklagen op den eed van een ellendigen lafaard, als deze Morris, die in den oorlog in Vlaanderen de kanonnenkoorts gekregen en schandelijk de plaat gepoetst had. Het gansche historietje was zeker met den minister reeds afgesproken en in orde gebracht, eer de kerel nog een voet buiten Londen had gezet. Zoo men huiszoeking wilde doen, zou men het geld, dat men hem ontnomen had, misschien niet ver van het koninklijk paleis vinden. En wat gebeurde er toen? Die Morris werd voor het Parlement gebracht, en hij moest zeggen, hoe de vork eigenlijk in den steel stak. Maar de menschen, die tegen hem waren, somden al zijn gauwdievenstreken, die hij in zijn vroeger leven gepleegd had, zoobreed en duidelijk op, dat de lafaard eer op een lijk dan op een levend wezen geleek, zei mijn neef. Geen enkel verstandig woord konden zij uit hem krijgen, zoo bitter was hij door dat geschreeuw en dat uitschelden in de war gemaakt. Bij mijne zondige ziel, de kerel moet een kop hebben als een bevroren raap! Zij hadden lang kunnen schreeuwen eer zij mij in de war zouden gebracht hebben!”»En waarop liep dat alles dan uit? Heeft uw neef dat ook niet vernomen, vriend Andries?”»Natuurlijk heeft hij het vernomen, mijn neef heeft zijne reis omtrent eene week expres opgeschoven, omdat het zijn klanten zeer aangenaam zou zijn, dat nieuws te vernemen. Het liep met een sisser af. Laat ik u maar zeggen dat degeen, die het historietje ’t eerst op het tapijt bracht, weder spoedig in zijne schelp kroop. De man, zeide hij, kon ook wel wezenlijk in handen van roovers gevallen zijn; maar omtrent de eigenlijke omstandigheden was men nog in het onzekere. Toen stond deanderevent weer op, en zeide, dat het hem zeer onverschillig was of men dien Morris beroofd had of niet. Maar men moest om zoo iets geen brave lieden van hunne eer en hun goeden naam berooven, inzonderheid in het noorden van Engeland, want hij was er zelf van daan, en daar behoefde hij zich niet over te schamen. En dat noemt men een zaak uitmaken! De een geeft iets toe en de andere geeft iets toe en dan zijn ze weer goede vrienden. En toen zij nu in het Lagerhuis lang en breed over dat geval gewauweld hadden, zoo dat zij er eindelijk misselijk van waren, wilden de heeren in het Hoogerhuis er ook nog iets van hebben. In het lieve oude Schotsche Parlement, ja, waarde mijnheer, daar zaten zij allen bij elkander, en behoefden een ding niet tweemaal te bepraten, maar daar in Londen kauwen en herkauwen zij elk ding zoo lang, tot er volstrekt niets van overblijft. Ook heeft men er van een zekeren Campbell gesproken; die moet bij dat plunderen en rooven ook eene hand in het spel gehad hebben, maar tot zijn geluk had hij een flink getuigschrift van den hertog van Argyle. En toen dit openlijk gezegd werd, geraakte de hertog in vuur en vlam—nu daarin had hij, mijns insziens, wel gelijk!—Hij maakte vrij wat spektakel, terwijl hij ieder overtuigend wilde bewijzen, ja schier instampen, dat iedere Campbell steeds een braaf, dapper en verstandig man was geweest. Als gij echter zeker zijt, dat er geen druppel bloed van het geslacht van Campbell door uwe aderen vloeit, wat, voor zoo verre ik weet, bij mij insgelijks het geval is, dan wil ik u wel zeggen wat ik van de zaak denk.”Ik verzekerde dat ik rechtstreeks noch zijdelings tot dat geslacht behoorde.»Nu, dan kunnen wij immers gerust onder ons zeggen wat wij weten. Van de Campbells valt goed en kwaad te zeggen, even als van alle andere menschen. Maar van Mac-Callumore, van dien Argyle—van hem zijn er zeer zonderlinge praatjes in omloop onder de voorname lui van Londen. Maar hij heeft er veel in te brengen. Men kan eigenlijk niet recht zeggen, welke partij hij gekozen heeft. Niemand durft hem aan. En het einde van het lied was, dat zij verklaarden, dat de ganschehistorie enkel laster was. En als die Morris zich niet bij tijds uit de voeten gemaakt had, zou hij nog leelijk te pas zijn gekomen.”Bij die woorden pakte Andries zijn tuinmansgereedschap bijeen en wierp het dood kalm, stuk voor stuk in een kruiwagen. Hij gaf mij blijkbaar, eer hij heenging, den tijd, nog eenige vragen te doen. Ik oordeelde het best, alles dadelijk te zeggen, opdat de man mijn zwijgen niet aan verkeerde redenen zou toeschrijven en een al te groot gewicht er aan hechten zou.»Andries,” zeide ik, »ik zou uw landsman wel eens willen spreken, om al dat nieuws uit zijn eigen mond te vernemen. Gij hebt waarschijnlijk gehoord, dat ik door de onbeschaamde zotheid van dien Morris eenigen last heb gehad.” Andries meesmuilde. »Gaarne zou ik uw neef nu vragen, wat hij dan eigenlijk te Londen gehoord heeft; ten minste wanneer het hem niet al te moeilijk is, met mij eenige oogenblikken te komen praten.”Andries antwoordde dat dit geen bezwaar zou opleveren. Als hij zijn neef een wenk gaf, dat ik een paar kousen noodig had, dan zou die niet in gebreke blijven, terstond bij mij te komen.»Ja, gij kunt hem zeggen, dat hij in mij een goeden klant zal vinden, en daar de avond heden bijzonder mooi is, zal ik zoo lang in den tuin blijven wandelen tot hij komt. De maan zal spoedig opkomen. Breng uw neef aan het achterpoortje. Ik zal mij intusschen met het gezicht van de struiken en heesters bij het heldere maanlicht amuseeren.”»Best! heel goed!” hernam Andries; »dat zeg ik ook altijd: koolbladen en bloemkool schitteren in den maneschijn even prachtig als eene mooie vrouw in diamanten.”En Andries ging blijkbaar welgemoed weg. Hij scheen den vrij langenweg met het grootste genoegen af te leggen, om zijn neef een klein voordeeltje te bezorgen, ofschoon hij er niets voor over had gehad, om hem op eene kan bier te onthalen. De wellevendheid van een Engelschman zou zich op eene geheel andere wijze geuit hebben, dacht ik, toen ik wandelde langs de pas geschoren heggen van hooge taxis en steekpalm, waarmede de gansche tuin doorsneden was.Toen ik omkeerde, keek ik onwillekeurig naar de smalle vensters van de oude boekenkamer op de tweede verdieping. Dat dáár licht brandde, verraste mij niet; want ik wist, dat Diana zeer dikwijls de avonden in die kamer doorbracht. Maar ik had uit een zeker gevoel van kieschheid, het mij tot vaste wet gemaakt, haar daar niet op te zoeken op een tijd, waarop ik wist, dat de overige leden der familie in het huisvertrek bijeen waren, en onze bijeenkomst dus noodzakelijk onder vier oogen zou hebben moeten zijn. In de morgenuren zaten wij gewoonlijk samen in de boekenkamer te lezen, en dan gebeurde het niet zelden, dat een van onze neven binnen kwam om een perkamenten bandje te halen, en dat dan ondanks het kostbaar verguldsel en de geschilderde versieringen, tot een zakboekje van vischhengels werd gebezigd. Soms ook om ons van eene afgesproken jachtpartij te verhalen, of ook wel uit loutere verveling. In de avonduren echter werd de boekenkamer nooit als gemeenschappelijk terrein beschouwd. In een land opgevoed, waar men, ten minste in dien tijd, aan de wetten der wellevendheid zeer hechtte,gevoeldeik den plicht, om jegens Diana dubbel te letten op het in acht nemen van die wetten, juist omdat zij ze, uit gebrek aan ervaring, wel eens vergat. Zoo kiesch mogelijk gaf ik haar te kennen, dat telkens, wanneer wij des avonds lezen wilden, de tegenwoordigheid van een derden persoon passend, ja, betamelijk was.In het eerst lachte Diana, daarna bloosde zij, en was op het punt boos te worden, tot zij zich plotseling bedwong en mij antwoordde: »Ik geloof, dat gij volkomen gelijk hebt. Wanneer ik eens lust krijg, om heel vlijtig te leeren, zal ik onze oude Martha met een kopje thee omkoopen, om bij ons te zitten en om mij onder haar vleugels te nemen.”Martha, de oude huishoudster, was met de heerschende neiging van al de huisgenooten besmet, en een glas brandewijn was haar meer welkom geweest dan al de thee uit China. Maar het streelde hare ijdelheid, dat men haar een drank aanbood, welke in dien tijd alleen door groote lui gebruikt werd. Een ruime portie suiker, en eenige niet minder zoete woorden, alsook een overvloed van geroosterd brood en boter—door dit alles te zamen liet zij zich nu en dan bewegen om ons gezelschap te houden. Anders vermeden de dienstboden, zoodra slechts de avond begon te vallen, deze boekenkamer, daar ze zich in een vleugel van het kasteel bevond, waar het, volgens hunne dwaze verbeelding, spookte. Eenige der vreesachtigsten wilden daar zelfs spoken gezien, ja, allerlei geluiden gehoord hebben, als al de overige huisgenooten sliepen. Zelfs mijne neven hadden, nadat het donker was geworden, niet veel lust, als zij het eenigszins vermijden konden, om zich in dat verschrikkelijke gedeelte hunner woning te wagen.De omstandigheid, dat de boekenkamer eens Rashleighs geliefkoosd verblijf was geweest, en dat eene zijdeur daaruit naar dat eenzaam gedeelte van het kasteel leidde, waar hij steeds gewoond had, vermeerderde nog de vrees der huisgenooten voor die angstwekkende zaal. Zijne uitgebreide kunde in alle vakken, zijne groote kennis van de wetenschappen en eenige natuurkundige proeven, welke hij nu en dan in hunne tegenwoordigheid genomen had, waren voor de domme en bijgeloovige bewoners van het kasteel voldoende redenen, om hem macht over de geestenwereld toe te schrijven. Hij verstond immers Latijn, Grieksch en Hebreeuwsch, en behoefde alzoo, zoo als zijn broeder Wilfred zeide, noch geesten, noch spoken, noch duivels, noch kabouters te vreezen. Ja, de dienstboden beweerden, dat zij hem in de boekenkamer hadden hooren spreken op een tijd, dat ieder in het kasteel reeds te bed was, en hij had den ganschen nacht met allerlei spoken doorwaakt en toen een gat in den dag geslapen, in plaats van, zoo als een echten Osbaldistone betaamde, met het krieken van den dag de honden naar buiten te volgen.Al die ongerijmde geruchten had ik uit halve wenken en afgebroken uitdrukkingen vernomen. Natuurlijk had ik ze slechts met een spottenden glimlach aangehoord. Maar de eenzaamheid waarin die zoo beruchte kamer ’s avonds was, was voor mij een reden te meer, om Diana niet te storen, als zij daar den avond doorbracht.Ik behoefde mij dus niet te verwonderen, toen ik licht in die kamer zag. Maar sterk was ik verrast, toen ik mijne oogen op de vensters vestigende, duidelijk de schaduw van twee gestalten zag, die zich voor het eerste venster bewogen en het voor eenige oogenblikken geheel verduisterden. Het moet de oude Martha zijn, dacht ik. Misschien heeft Diana haar bij zich geroepen. Of zou ik mij vergist hebben en Diana’s gestalte voor eene tweede gestalte aangezien hebben? Neen, bij den hemel! nu ook aan het tweede venster! Zeer duidelijk twee gestalten! Nu verdwenen zij—nu weder aan het derde—eindelijk ook aan het vierde! De beweging der gestalten tusschen het licht en de vensters werd tweemaal herhaald, alsof ik mij volkomen moest overtuigen dat ik goed gezien had: toen werd het licht uitgedoofd.Deze onbeduidende omstandigheid hield mij vrij lang bezig. Ik waagde niet mij zelven te bekennen, dat mijne vriendschap voor Diana met een egoïstisch oogmerk gepaard ging. Maar ik kan niet zeggen, hoe onaangenaam mij de gedachte was, dat zij iemand anders heimelijke bijeenkomsten toestond op een tijd en eene plaats, waar ik het onvoegzaam oordeelde haar te bezoeken; te meer omdat ik ook, om haar zelfs wil, getracht had haar dat onder het oog te brengen. »Dwaas, lichtzinnig meisje!” zeide ik tot mij zelf. »Zij stoort zich aan geen welgemeenden raad, aan geene welvoegelijkheid. Ik heb mij door hare ongekunstelde houding laten misleiden. Zulk een houding schijnt zij even gemakkelijk te kunnen aannemen, als of zij een stroohoed opzet, door eene nieuwe mode ingevoerd; ondanks al hare groote geestvermogens, zal misschien het gezelschap van een dommen gek, met wien zij haarkaartje kon leggen, haar meer genoegen kunnen verschaffen, dan Ariosto zelf, wanneer hij uit het graf verrees.”Deze gedachte kwam levendig in mij op, daar ik haar juist dienzelfden dag mijne vertaling van Ariosto’s eersten zang getoond, en haar verzocht had, de oude Martha op de thee uit te noodigen, terwijl zij onder een voorwendsel, dat ik voor volstrekt nietig hield, dit bepaald geweigerd had.Nog niet lang had ik mij in deze onaangename overdenkingen verdiept, toen het achterpoortje van den tuin openging, en Andries en zijn neef, die met een zwaar pak koopwaren beladen was, in den maneschijn de laan opkwamen. De sluwe Macready was een Schot, dien zijne neiging en zijn koophandel tot eene wandelende krant hadden gemaakt. Hij kon mij omtrent het voorgevallene in het Parlement eenigszins uitvoeriger en grondiger berichten geven, dan de tuinman. De beide Staatspartijen hadden naar het scheen, het avontuur van Morris als een toetssteen gebezigd, om de gezindheid van het Parlement uit te vorschen. Waarschijnlijk echter waren de opstokers van het vuurtje niet in staat geweest, om de waarheid van eene geschiedenis te staven, vooral omdat zeer aanzienlijke en zeer invloedrijke personen in die zaak gewikkeld waren, en alles zich slechts op de getuigenis van een man van slechten naam grondde, die zich zelven bovendien tegengesproken had en in zijne verklaringen over het geheel zeer onduidelijk was geweest. Ook kon de koopman mij een nieuwsblad ter hand stellen met een uittreksel der verhandelingen van het Parlement—in dien tijd eene zeldzaamheid buiten den omtrek der hoofdstad—en de gedrukte redevoering van den hertog van Argyle op een groot vel papier. Verscheidene exemplaren had hij van de uitventsters gekocht, om ze in Schotland met voordeel aan den man te brengen. Het uittreksel der verhandelingen was slechts eene zeer magere opgave met veel gapingen en sterretjes, waaruit ik niet veel meer licht kon erlangen dan de Schot voor mij had ontstoken. En de zeer fraaie en bij uitstek welsprekende redevoering des hertogs was grootendeels eene lofrede op zijn vaderland, zijn geslacht en zijn stam, met eenige, misschien even oprechte, hoewel niet zoo vurige vleierijen, welke hij, bij eene zoo gunstige gelegenheid, zich zelve wilde zeggen. Of zijn goede naam inderdaad verdacht was gemaakt, kon ik niet te weten komen, maar zooveel zag ik duidelijk genoeg, dat men de eer der naastbestaanden van mijn oom aangerand had; ja, dat Morris het had voorgesteld, als zou Campbell een eerste rol bij die straatrooverij hebben gespeeld en door zijn invloed op den al te zachtzinnigen vrederechter een Osbaldistone de vrijheid hebben verschaft. In zekeren zin kwam die voorstelling van het gebeurde met het vermoeden overeen, dat ik zelf ten opzichte van Campbell gevoed had, van het oogenblik af, dat ik hem bij den vrederechter zag. Ten hoogste misnoegd en tevens verwonderd over deze zonderlinge geschiedenis, verliet ik de beide Schotten, nadat ik van den koopman iets gekocht en Andries een fooi gegeven had. Ik spoedde mij naar mijne eenzame kamer, om te overwegen wat mij thans te doen stond. Mijn goede naamwas openlijk aangerand. Ik meende, dat het plicht voor mij was, naar herstel van eer te streven.1Zoo noemt men het graafschap Fife.↑

HOOFDSTUK XIV.Uit ’t slaapvertrek van harteliefSchijnt licht. Wat straalt het fel!Waarom toch brandt mijns liefjes lampIn ’t nachtelijk uur zoo hel?Uit eene oude Ballade.

Uit ’t slaapvertrek van harteliefSchijnt licht. Wat straalt het fel!Waarom toch brandt mijns liefjes lampIn ’t nachtelijk uur zoo hel?Uit eene oude Ballade.

Uit ’t slaapvertrek van harteliefSchijnt licht. Wat straalt het fel!Waarom toch brandt mijns liefjes lampIn ’t nachtelijk uur zoo hel?

Uit ’t slaapvertrek van hartelief

Schijnt licht. Wat straalt het fel!

Waarom toch brandt mijns liefjes lamp

In ’t nachtelijk uur zoo hel?

Uit eene oude Ballade.

Wij leidden in het kasteel Osbaldistone een leven, zoo eenvoudig, ja zoo eentonig, dat er weinig aan te beschrijven valt. Diana en ik brachten verscheidene uren van den dag met lezen door. De overige bewoners doodden den tijd met uitspanningen en vermaken, al naar gelang van het seizoen. Nu en dan namen wij beiden er ook deel aan. Mijn oom was de slaaf van zijne gewoonten. Uit gewoonte werd hij met mijne tegenwoordigheid en mijne levenswijze zoo zeer vertrouwd, dat hij mij over het geheel vrij goed mocht lijden. Als ik gewild had, zou ik nog hooger in zijne gunst gestegen zijn. Daartoe zou ik dezelfde middelen kunnen aanwenden, waarvan Rashleigh zich bediende. Van zijns vaders afkeer van werkzaamheden partij trekkende, had hij zich van lieverlede het oppertoezicht over diens vermogen toegeëigend. Ik verleende mijn oom trouwens gaarne mijn hulp, met pen en rekenkunde,zoo dikwijls, hij aan een buurman brieven te schrijven of met een pachter eene rekening te vereffenen had. In zooverre was ik heminderdaadvan meer dienst, dan één van zijne zonen. Ik gevoelde evenwel geen lust, om hem den last zijner zaken geheel en al af te nemen. Wel placht dan de goede oude heer te zeggen: »neef Frans is een knappe, vlijtige jongen!” Maar zelden vergat hij, er in één adem bij te voegen: »Ik had niet gedacht, dat ik Rashleigh zoo zou missen.”Het is bepaald een onaangenaam gevoel in den kring van een huisgezin te leven, waar men niet met al de leden ervan op een goeden en vertrouwelijken voet staat. Ik wendde daarom pogingen aan, den tegenzin te overwinnen, dien mijne neven jegens mij vaak vrij duidelijk lieten blijken. In plaats van mijn opgetoomden hoed, ging ik een jagersmuts dragen. En wezenlijk begonnen zij gunstiger over mij te denken. Toen ik kort daarna een jong paard gedresseerd had, steeg ik nog hooger in hunne gunst. Een paar weddingschappen, welke ik bij zekere gelegenheden aan Richard verloor, en een volle beker, dien ik boven het gewone getal met mijn neef Percival ledigde, bracht mij in de beste verstandhouding met allen,—behalve met Thorncliff.Ik heb vroeger reeds aangestipt, dat deze jonge man mij niet lijden mocht. Hij had wat meer verstand dan zijne broeders, maar tevens een veel slechteren aard. Twistziek, norsch en lichtgeraakt, beschouwde hij mij als een overtollig en lastig wezen op het kasteel. Met nijdige, jaloersche oogen zag hij mijne vriendschapsbetrekking tot Diana, die, volgens de familieovereenkomst, tot zijne bruid was bestemd. Dat hij haar beminde, kan ik trouwens niet zeggen, ten minste als ik dat woord niet in een soort van minder juisten zin wil misbruiken. Maar hij beschouwde haar als iets, dat hem toebehoorde. Het ergerde hem, dat men hem in den weg trad, terwijl hij geen middel wist, dit te voorkomen of te verhinderen. Bij verscheidene gelegenheden beproefde ik een verzoenenden toon jegens hem. Maar hij beantwoordde mijne minzamevriendelijkheidongeveer als een knorrige hofhond, wanneer een vreemdeling hem liefkozen wil. Sedert dien tijd liet ik hem geheel aan zijne kwade luim over. Aan zijn zuur gezicht en zijne norsche manieren stoorde ik mij eenvoudig niet.Zoo stond ik met de bewoners van het kasteel. Ik moet echter nog een anderen huisgenoot noemen, met wien ik mij nu en dan onderhield.Het was de tuinman Andries, die, sedert hij wist dat ik Protestant was, mij zelden liet voorbijgaan, zonder mij een snuifje aan te bieden. Deze wellevendheid had voor hem intusschen menig voordeel. Vooreerst was ze goedkoop, daar ik nooit snuif gebruikte, en ten tweede verschafte zij den goeden Andries, die juist geen vriend van aanhoudend arbeiden was, eene schoone gelegenheid, om eenige minuten op zijne spade te rusten. Maar bovenal trok Andries van deze korte samenkomsten partij, om eene menigte nieuwigheden uit te kramen, of met echt-Schotschen humor zijne spotachtige praatjes en opmerkingen te luchten.»Ja, ja, mijn beste mijnheer,” zeide hij op zekeren avond met bijzonderen nadruk, »van daag ben ik in het dorp geweest.”»Zoo! wat nieuws was er in de dorpskroeg?” vroeg ik.»Neen, neen, mijnheer, in de kroeg kom ik nooit, of de een of andere goede vriend moest mij vrij houden. Maar voor zijn eigen geld de kroeg te bezoeken, zie, dat noem ik den tijd en zijne zuur verdiende penningskens liederlijk verkwisten. Neen, mijnheer, ik had eigenlijk iets met de oude Grietje Simpson te vereffenen. Die had een paar manden peren noodig. Op het kasteel komt het op een paar zakken vol niet aan. Toen wij nu met elkander over den prijs handelden, denk eens, wie er toen bij ons binnen trad? Macready, de reizende koopman …”»Den marskramer, meent gij?” viel ik hem in de rede.»Nu ja, als gij hem zoo noemen wilt, mij is het wel! Maar zijne zaakjes gaan zoo slecht niet. Hij is eigenlijk mijn neef, en wij waren recht blijde, elkaar eindelijk weder eens te ontmoeten.”»En toen zijt ge met elkander in de kroeg gegaan, om een glas bier te drinken. Maar om ’s Hemels wil, vertel me nu uwe geschiedenis, en zoo kort mogelijk, als ik u verzoeken mag.”»Maar mijn goede heer! heb toch geduld, geduld! Gij heeren uit Engeland zijt altijd zoo haastig gebakerd. En deze geschiedenis betreft nog wel u zelf. Bier, zegt u, zou ik gedronken hebben? Gelooft u dat? Nou, vergif moge elke droppel worden, dien mijn neef mij gaf. Neen, Grietje gaf ons beiden een slokje afgeroomde melk en een van hare dikke haverkoeken, die evenwel zoo taai als zoolleder was. Neen, dan heilig onze lekkere koeken in Schotland!—Maar hoe het zij, wij gingen dan zitten en praatten een beetje over koetjes en kalfjes.”»Maar kom dan toch eindelijk met het nieuws dat ge hebt, zoo het ten minste de moeite waard is!” riep ik ongeduldig, »want ik kan den ganschen dag niet hier blijven.”»Nu, als gij het dan volstrekt weten moet en weten wilt; in Londen maken zij vrij wat alarm over dat laatste stukje.”»Welk stukje? Wat bedoelt gij?”»Hm! dat gevalletje met dat weergaasche valies!” hernam Andries met een sluwen blik.»Welk valies? Wat wilt gij toch zeggen?”»Die Morris, of hoe hij heeten mag, moet het immers verloren hebben. Maar u gaat het zeker evenmin aan, als mij. Ik zal er den kostbaren tijd niet om verspillen.”Na dit gezegd te hebben, begon hij met alle kracht te werken, alsof hij een vlaag van hevigen werklust gekregen had.De sluwe kerel wist wel, dat hij mijne opmerkzaamheid en nieuwsgierigheid ten sterkste gespannen had. Door eene directe vraag wilde ik echter niet te veel belangstelling in de zaak verraden. Ik wachtte zwijgend, of de geest van mededeelzaamheid hem nog eens aansporen zou, den draad van zijne geschiedenis weder op te vatten. Maar Andries bleef ijverig aan ’t spitten en sprak nu en dan een woord, maar over geheel andere onderwerpen. Innerlijk boos, hoorde ik hem toch aan. Ik wilde toch eens zien, hoe lang zijne halsstarrigheid zijn verlangen zoubedwingen om over eene zaak te spreken, waarmede hij blijkbaar geheel vervuld was.»Zie zoo!” begon hij; »dat aspergie-bed is omgespit; nu nog een paar staken bij de snijboonen gezet. Die moeten zij bij het varkensvleesch hebben;—wel bekome het hun!… Wat is dat toch slechte mest, zoo hard als een steen! Ja, ja, de jager speelt den baas in de stallen, heeft zeker al de goede mest verkocht … daar sta ik u borg voor … Ja, ik moet maar doorwerken op zoo’n schoonen Zaterdag-avond, want met het weer wil het ook niet te best. Van de zeven dagen der week, hebt ge op zijn hoogst een paar, die men goed kan noemen, en daaronder is één steeds een Zondag. Maar het kan toch weêr goed worden tegen Maandag.—Ik weet niet waarom ik me lam zou werken. Ik ga maar naar het kasteel, want daar hoor ik de avondklok, zooals zij dat oude ding noemen.”En met die woorden stiet hij zijne spade in den grond en zag mij terzij heel leuk aan, als wilde hij mij te kennen geven, dat hij mij wel iets gewichtigs kon ontdekken, maar ook wel verzwijgen. Eindelijk stroopte hij zijne hemdsmouwen neer en ging langzaam naar de tuinbank, waar zijn rok zorgvuldig opgevouwen lag. Ik zag nu wel, dat ik den stijfkop moest toegeven, en geduld hebben, tot het hem zou behagen, mij alles op zijne wijze te verhalen. Op zeer minzamen toon vroeg ik: »Maar Andries, wat zijn het dan voor nieuwigheden die uw neef, de reizende koopman van Londen, voor u heeft medegebracht?”»O, u bedoelt den marskramer. Och! noem u hem maar zoo als u verkiest; zoo’n man is een onmisbaar wezen in een land, waar zoo weinig steden zijn als hier in Northumberland. In Schotland is het veel beter. Daar hebt ge het koninkrijk1Fife, van het eene einde tot het andere bijna één enkele groote stad: en dan nog zoo vele heerlijke vlekken met fraaie straten, schoone winkels, steenen huizen met breede stoepen. Kircaldy is grooter dan eenige stad in Engeland.”»Zeer zeker, Andries, daar is het zeer fraai, schoon en heerlijk! Maar om weder op het nieuws van Londen terug te komen …”»Ach ja, dat is ook zoo, ziet u, ik dacht dat er u juist niet veel aan gelegen was,” hernam de tuinman meesmuilende. »Mijn neef heeft mij gezegd dat zij in het Parlement vinnig boos zijn geweest over dat historietje met dien Morris, of zoo als die knaap heeten mag.”»In het Parlement?” vroeg ik; »maar hoe kwam die zaak dan daar ter sprake?”»Ja, dat zeide ik ook al tegen mijn neef. Ik zal u woord voor woord zeggen, wat ik tegen hem zeide; want het is de moeite niet waard, er om te liegen. Neef, zeide ik tegen hem, wat hebben toch de Lords en Heeren in Londen met dien kerel en zijn valies te maken? Toen wij in Schotland nog een Parlement hadden, neefje—de duivel hale hen, diehet ons ontnomen hebben! zaten de leden van dat Parlement bedaard wetten voor het land en het rijk te maken en bemoeiden zich met geen zaken, die door den gewonen rechter behoorden afgedaan te worden. Maar ik geloof, zeide ik, dat wanneer een oud wijf ergens in Engeland hare buurvrouw de muts van het hoofd scheurt, dat ze dan beiden voor het Parlement van Londen moeten komen. Het is daar bijna net zoo erg als hier, met den ouden heer en zijne zonen en jagers: die jagen geheele dagen na elkander een ongelukkig dier na en als zij dan dat dier gevangen hebben, blijkt het, dat het, waarachtig! geen zes pond zwaar is!”»Volkomen juist aangemerkt, Andries, zeer juist! Maar wat zeide toch uw neef?”»O, hij zeide dat men het niet anders van de Engelschen—die poddingeters,—verwachten kon. En de geschiedenis van dien Morris—nu ja, toen hebben zij weder eene kijfpartij gehouden, en toen is een onder hen opgestaan en heeft gezegd, dat het in het Noorden van Engeland wemelt van Jakobieten—nu, hij kan wel gelijk hebben—en dat zij een oorlog wilden beginnen, dat ze een koningsbode op den publieken weg hadden aangerand; dat de aanzienlijkste lieden van Northumberland daarbij waren geweest; dat zij hem veel geld en vele belangrijke papieren hadden afgenomen; dat hij geen recht had kunnen krijgen, want dat de vrederechter de beide knapen, die den diefstal gepleegd hadden, bij zich te gast had genoodigd; dat die daar ook dapper gegeten en gedronken hebben, en dat hij den een voor den ander heeft laten getuigen, en borgtocht van hen aangenomen heeft, terwijl de eerlijke man, die zijn geld had verloren, ten slotte maar blij was, nog heelhuids uit dat land weg te komen.”»Zou dat wezenlijk waar zijn?” vroeg ik verwonderd.»Mijn neef zweert, dat het zoo waar is, als hij een goedgeijkte el heeft, en aan zijn el ontbreekt toch maar een enkel zestiende. En toen die man daar in dat Parlement uitgepraat was, begon er plotseling zulk een vreeselijk geschreeuw te ontstaan, dat hij namen noemen moest. Toen kwam hij in den nood. Hij noemde namen, eerst dien vent Morris, en ook uw oom en den rechter Inglewood en nog vele andere lieden bovendien,” voegde Andries er bij, terwijl hij een sluwen blik op mij wierp. »Maar toen stond er ook aan den anderen kant van het Parlement iemand op, en zeide, dat men de braafste menschen van het land niet mocht aanklagen op den eed van een ellendigen lafaard, als deze Morris, die in den oorlog in Vlaanderen de kanonnenkoorts gekregen en schandelijk de plaat gepoetst had. Het gansche historietje was zeker met den minister reeds afgesproken en in orde gebracht, eer de kerel nog een voet buiten Londen had gezet. Zoo men huiszoeking wilde doen, zou men het geld, dat men hem ontnomen had, misschien niet ver van het koninklijk paleis vinden. En wat gebeurde er toen? Die Morris werd voor het Parlement gebracht, en hij moest zeggen, hoe de vork eigenlijk in den steel stak. Maar de menschen, die tegen hem waren, somden al zijn gauwdievenstreken, die hij in zijn vroeger leven gepleegd had, zoobreed en duidelijk op, dat de lafaard eer op een lijk dan op een levend wezen geleek, zei mijn neef. Geen enkel verstandig woord konden zij uit hem krijgen, zoo bitter was hij door dat geschreeuw en dat uitschelden in de war gemaakt. Bij mijne zondige ziel, de kerel moet een kop hebben als een bevroren raap! Zij hadden lang kunnen schreeuwen eer zij mij in de war zouden gebracht hebben!”»En waarop liep dat alles dan uit? Heeft uw neef dat ook niet vernomen, vriend Andries?”»Natuurlijk heeft hij het vernomen, mijn neef heeft zijne reis omtrent eene week expres opgeschoven, omdat het zijn klanten zeer aangenaam zou zijn, dat nieuws te vernemen. Het liep met een sisser af. Laat ik u maar zeggen dat degeen, die het historietje ’t eerst op het tapijt bracht, weder spoedig in zijne schelp kroop. De man, zeide hij, kon ook wel wezenlijk in handen van roovers gevallen zijn; maar omtrent de eigenlijke omstandigheden was men nog in het onzekere. Toen stond deanderevent weer op, en zeide, dat het hem zeer onverschillig was of men dien Morris beroofd had of niet. Maar men moest om zoo iets geen brave lieden van hunne eer en hun goeden naam berooven, inzonderheid in het noorden van Engeland, want hij was er zelf van daan, en daar behoefde hij zich niet over te schamen. En dat noemt men een zaak uitmaken! De een geeft iets toe en de andere geeft iets toe en dan zijn ze weer goede vrienden. En toen zij nu in het Lagerhuis lang en breed over dat geval gewauweld hadden, zoo dat zij er eindelijk misselijk van waren, wilden de heeren in het Hoogerhuis er ook nog iets van hebben. In het lieve oude Schotsche Parlement, ja, waarde mijnheer, daar zaten zij allen bij elkander, en behoefden een ding niet tweemaal te bepraten, maar daar in Londen kauwen en herkauwen zij elk ding zoo lang, tot er volstrekt niets van overblijft. Ook heeft men er van een zekeren Campbell gesproken; die moet bij dat plunderen en rooven ook eene hand in het spel gehad hebben, maar tot zijn geluk had hij een flink getuigschrift van den hertog van Argyle. En toen dit openlijk gezegd werd, geraakte de hertog in vuur en vlam—nu daarin had hij, mijns insziens, wel gelijk!—Hij maakte vrij wat spektakel, terwijl hij ieder overtuigend wilde bewijzen, ja schier instampen, dat iedere Campbell steeds een braaf, dapper en verstandig man was geweest. Als gij echter zeker zijt, dat er geen druppel bloed van het geslacht van Campbell door uwe aderen vloeit, wat, voor zoo verre ik weet, bij mij insgelijks het geval is, dan wil ik u wel zeggen wat ik van de zaak denk.”Ik verzekerde dat ik rechtstreeks noch zijdelings tot dat geslacht behoorde.»Nu, dan kunnen wij immers gerust onder ons zeggen wat wij weten. Van de Campbells valt goed en kwaad te zeggen, even als van alle andere menschen. Maar van Mac-Callumore, van dien Argyle—van hem zijn er zeer zonderlinge praatjes in omloop onder de voorname lui van Londen. Maar hij heeft er veel in te brengen. Men kan eigenlijk niet recht zeggen, welke partij hij gekozen heeft. Niemand durft hem aan. En het einde van het lied was, dat zij verklaarden, dat de ganschehistorie enkel laster was. En als die Morris zich niet bij tijds uit de voeten gemaakt had, zou hij nog leelijk te pas zijn gekomen.”Bij die woorden pakte Andries zijn tuinmansgereedschap bijeen en wierp het dood kalm, stuk voor stuk in een kruiwagen. Hij gaf mij blijkbaar, eer hij heenging, den tijd, nog eenige vragen te doen. Ik oordeelde het best, alles dadelijk te zeggen, opdat de man mijn zwijgen niet aan verkeerde redenen zou toeschrijven en een al te groot gewicht er aan hechten zou.»Andries,” zeide ik, »ik zou uw landsman wel eens willen spreken, om al dat nieuws uit zijn eigen mond te vernemen. Gij hebt waarschijnlijk gehoord, dat ik door de onbeschaamde zotheid van dien Morris eenigen last heb gehad.” Andries meesmuilde. »Gaarne zou ik uw neef nu vragen, wat hij dan eigenlijk te Londen gehoord heeft; ten minste wanneer het hem niet al te moeilijk is, met mij eenige oogenblikken te komen praten.”Andries antwoordde dat dit geen bezwaar zou opleveren. Als hij zijn neef een wenk gaf, dat ik een paar kousen noodig had, dan zou die niet in gebreke blijven, terstond bij mij te komen.»Ja, gij kunt hem zeggen, dat hij in mij een goeden klant zal vinden, en daar de avond heden bijzonder mooi is, zal ik zoo lang in den tuin blijven wandelen tot hij komt. De maan zal spoedig opkomen. Breng uw neef aan het achterpoortje. Ik zal mij intusschen met het gezicht van de struiken en heesters bij het heldere maanlicht amuseeren.”»Best! heel goed!” hernam Andries; »dat zeg ik ook altijd: koolbladen en bloemkool schitteren in den maneschijn even prachtig als eene mooie vrouw in diamanten.”En Andries ging blijkbaar welgemoed weg. Hij scheen den vrij langenweg met het grootste genoegen af te leggen, om zijn neef een klein voordeeltje te bezorgen, ofschoon hij er niets voor over had gehad, om hem op eene kan bier te onthalen. De wellevendheid van een Engelschman zou zich op eene geheel andere wijze geuit hebben, dacht ik, toen ik wandelde langs de pas geschoren heggen van hooge taxis en steekpalm, waarmede de gansche tuin doorsneden was.Toen ik omkeerde, keek ik onwillekeurig naar de smalle vensters van de oude boekenkamer op de tweede verdieping. Dat dáár licht brandde, verraste mij niet; want ik wist, dat Diana zeer dikwijls de avonden in die kamer doorbracht. Maar ik had uit een zeker gevoel van kieschheid, het mij tot vaste wet gemaakt, haar daar niet op te zoeken op een tijd, waarop ik wist, dat de overige leden der familie in het huisvertrek bijeen waren, en onze bijeenkomst dus noodzakelijk onder vier oogen zou hebben moeten zijn. In de morgenuren zaten wij gewoonlijk samen in de boekenkamer te lezen, en dan gebeurde het niet zelden, dat een van onze neven binnen kwam om een perkamenten bandje te halen, en dat dan ondanks het kostbaar verguldsel en de geschilderde versieringen, tot een zakboekje van vischhengels werd gebezigd. Soms ook om ons van eene afgesproken jachtpartij te verhalen, of ook wel uit loutere verveling. In de avonduren echter werd de boekenkamer nooit als gemeenschappelijk terrein beschouwd. In een land opgevoed, waar men, ten minste in dien tijd, aan de wetten der wellevendheid zeer hechtte,gevoeldeik den plicht, om jegens Diana dubbel te letten op het in acht nemen van die wetten, juist omdat zij ze, uit gebrek aan ervaring, wel eens vergat. Zoo kiesch mogelijk gaf ik haar te kennen, dat telkens, wanneer wij des avonds lezen wilden, de tegenwoordigheid van een derden persoon passend, ja, betamelijk was.In het eerst lachte Diana, daarna bloosde zij, en was op het punt boos te worden, tot zij zich plotseling bedwong en mij antwoordde: »Ik geloof, dat gij volkomen gelijk hebt. Wanneer ik eens lust krijg, om heel vlijtig te leeren, zal ik onze oude Martha met een kopje thee omkoopen, om bij ons te zitten en om mij onder haar vleugels te nemen.”Martha, de oude huishoudster, was met de heerschende neiging van al de huisgenooten besmet, en een glas brandewijn was haar meer welkom geweest dan al de thee uit China. Maar het streelde hare ijdelheid, dat men haar een drank aanbood, welke in dien tijd alleen door groote lui gebruikt werd. Een ruime portie suiker, en eenige niet minder zoete woorden, alsook een overvloed van geroosterd brood en boter—door dit alles te zamen liet zij zich nu en dan bewegen om ons gezelschap te houden. Anders vermeden de dienstboden, zoodra slechts de avond begon te vallen, deze boekenkamer, daar ze zich in een vleugel van het kasteel bevond, waar het, volgens hunne dwaze verbeelding, spookte. Eenige der vreesachtigsten wilden daar zelfs spoken gezien, ja, allerlei geluiden gehoord hebben, als al de overige huisgenooten sliepen. Zelfs mijne neven hadden, nadat het donker was geworden, niet veel lust, als zij het eenigszins vermijden konden, om zich in dat verschrikkelijke gedeelte hunner woning te wagen.De omstandigheid, dat de boekenkamer eens Rashleighs geliefkoosd verblijf was geweest, en dat eene zijdeur daaruit naar dat eenzaam gedeelte van het kasteel leidde, waar hij steeds gewoond had, vermeerderde nog de vrees der huisgenooten voor die angstwekkende zaal. Zijne uitgebreide kunde in alle vakken, zijne groote kennis van de wetenschappen en eenige natuurkundige proeven, welke hij nu en dan in hunne tegenwoordigheid genomen had, waren voor de domme en bijgeloovige bewoners van het kasteel voldoende redenen, om hem macht over de geestenwereld toe te schrijven. Hij verstond immers Latijn, Grieksch en Hebreeuwsch, en behoefde alzoo, zoo als zijn broeder Wilfred zeide, noch geesten, noch spoken, noch duivels, noch kabouters te vreezen. Ja, de dienstboden beweerden, dat zij hem in de boekenkamer hadden hooren spreken op een tijd, dat ieder in het kasteel reeds te bed was, en hij had den ganschen nacht met allerlei spoken doorwaakt en toen een gat in den dag geslapen, in plaats van, zoo als een echten Osbaldistone betaamde, met het krieken van den dag de honden naar buiten te volgen.Al die ongerijmde geruchten had ik uit halve wenken en afgebroken uitdrukkingen vernomen. Natuurlijk had ik ze slechts met een spottenden glimlach aangehoord. Maar de eenzaamheid waarin die zoo beruchte kamer ’s avonds was, was voor mij een reden te meer, om Diana niet te storen, als zij daar den avond doorbracht.Ik behoefde mij dus niet te verwonderen, toen ik licht in die kamer zag. Maar sterk was ik verrast, toen ik mijne oogen op de vensters vestigende, duidelijk de schaduw van twee gestalten zag, die zich voor het eerste venster bewogen en het voor eenige oogenblikken geheel verduisterden. Het moet de oude Martha zijn, dacht ik. Misschien heeft Diana haar bij zich geroepen. Of zou ik mij vergist hebben en Diana’s gestalte voor eene tweede gestalte aangezien hebben? Neen, bij den hemel! nu ook aan het tweede venster! Zeer duidelijk twee gestalten! Nu verdwenen zij—nu weder aan het derde—eindelijk ook aan het vierde! De beweging der gestalten tusschen het licht en de vensters werd tweemaal herhaald, alsof ik mij volkomen moest overtuigen dat ik goed gezien had: toen werd het licht uitgedoofd.Deze onbeduidende omstandigheid hield mij vrij lang bezig. Ik waagde niet mij zelven te bekennen, dat mijne vriendschap voor Diana met een egoïstisch oogmerk gepaard ging. Maar ik kan niet zeggen, hoe onaangenaam mij de gedachte was, dat zij iemand anders heimelijke bijeenkomsten toestond op een tijd en eene plaats, waar ik het onvoegzaam oordeelde haar te bezoeken; te meer omdat ik ook, om haar zelfs wil, getracht had haar dat onder het oog te brengen. »Dwaas, lichtzinnig meisje!” zeide ik tot mij zelf. »Zij stoort zich aan geen welgemeenden raad, aan geene welvoegelijkheid. Ik heb mij door hare ongekunstelde houding laten misleiden. Zulk een houding schijnt zij even gemakkelijk te kunnen aannemen, als of zij een stroohoed opzet, door eene nieuwe mode ingevoerd; ondanks al hare groote geestvermogens, zal misschien het gezelschap van een dommen gek, met wien zij haarkaartje kon leggen, haar meer genoegen kunnen verschaffen, dan Ariosto zelf, wanneer hij uit het graf verrees.”Deze gedachte kwam levendig in mij op, daar ik haar juist dienzelfden dag mijne vertaling van Ariosto’s eersten zang getoond, en haar verzocht had, de oude Martha op de thee uit te noodigen, terwijl zij onder een voorwendsel, dat ik voor volstrekt nietig hield, dit bepaald geweigerd had.Nog niet lang had ik mij in deze onaangename overdenkingen verdiept, toen het achterpoortje van den tuin openging, en Andries en zijn neef, die met een zwaar pak koopwaren beladen was, in den maneschijn de laan opkwamen. De sluwe Macready was een Schot, dien zijne neiging en zijn koophandel tot eene wandelende krant hadden gemaakt. Hij kon mij omtrent het voorgevallene in het Parlement eenigszins uitvoeriger en grondiger berichten geven, dan de tuinman. De beide Staatspartijen hadden naar het scheen, het avontuur van Morris als een toetssteen gebezigd, om de gezindheid van het Parlement uit te vorschen. Waarschijnlijk echter waren de opstokers van het vuurtje niet in staat geweest, om de waarheid van eene geschiedenis te staven, vooral omdat zeer aanzienlijke en zeer invloedrijke personen in die zaak gewikkeld waren, en alles zich slechts op de getuigenis van een man van slechten naam grondde, die zich zelven bovendien tegengesproken had en in zijne verklaringen over het geheel zeer onduidelijk was geweest. Ook kon de koopman mij een nieuwsblad ter hand stellen met een uittreksel der verhandelingen van het Parlement—in dien tijd eene zeldzaamheid buiten den omtrek der hoofdstad—en de gedrukte redevoering van den hertog van Argyle op een groot vel papier. Verscheidene exemplaren had hij van de uitventsters gekocht, om ze in Schotland met voordeel aan den man te brengen. Het uittreksel der verhandelingen was slechts eene zeer magere opgave met veel gapingen en sterretjes, waaruit ik niet veel meer licht kon erlangen dan de Schot voor mij had ontstoken. En de zeer fraaie en bij uitstek welsprekende redevoering des hertogs was grootendeels eene lofrede op zijn vaderland, zijn geslacht en zijn stam, met eenige, misschien even oprechte, hoewel niet zoo vurige vleierijen, welke hij, bij eene zoo gunstige gelegenheid, zich zelve wilde zeggen. Of zijn goede naam inderdaad verdacht was gemaakt, kon ik niet te weten komen, maar zooveel zag ik duidelijk genoeg, dat men de eer der naastbestaanden van mijn oom aangerand had; ja, dat Morris het had voorgesteld, als zou Campbell een eerste rol bij die straatrooverij hebben gespeeld en door zijn invloed op den al te zachtzinnigen vrederechter een Osbaldistone de vrijheid hebben verschaft. In zekeren zin kwam die voorstelling van het gebeurde met het vermoeden overeen, dat ik zelf ten opzichte van Campbell gevoed had, van het oogenblik af, dat ik hem bij den vrederechter zag. Ten hoogste misnoegd en tevens verwonderd over deze zonderlinge geschiedenis, verliet ik de beide Schotten, nadat ik van den koopman iets gekocht en Andries een fooi gegeven had. Ik spoedde mij naar mijne eenzame kamer, om te overwegen wat mij thans te doen stond. Mijn goede naamwas openlijk aangerand. Ik meende, dat het plicht voor mij was, naar herstel van eer te streven.

Wij leidden in het kasteel Osbaldistone een leven, zoo eenvoudig, ja zoo eentonig, dat er weinig aan te beschrijven valt. Diana en ik brachten verscheidene uren van den dag met lezen door. De overige bewoners doodden den tijd met uitspanningen en vermaken, al naar gelang van het seizoen. Nu en dan namen wij beiden er ook deel aan. Mijn oom was de slaaf van zijne gewoonten. Uit gewoonte werd hij met mijne tegenwoordigheid en mijne levenswijze zoo zeer vertrouwd, dat hij mij over het geheel vrij goed mocht lijden. Als ik gewild had, zou ik nog hooger in zijne gunst gestegen zijn. Daartoe zou ik dezelfde middelen kunnen aanwenden, waarvan Rashleigh zich bediende. Van zijns vaders afkeer van werkzaamheden partij trekkende, had hij zich van lieverlede het oppertoezicht over diens vermogen toegeëigend. Ik verleende mijn oom trouwens gaarne mijn hulp, met pen en rekenkunde,zoo dikwijls, hij aan een buurman brieven te schrijven of met een pachter eene rekening te vereffenen had. In zooverre was ik heminderdaadvan meer dienst, dan één van zijne zonen. Ik gevoelde evenwel geen lust, om hem den last zijner zaken geheel en al af te nemen. Wel placht dan de goede oude heer te zeggen: »neef Frans is een knappe, vlijtige jongen!” Maar zelden vergat hij, er in één adem bij te voegen: »Ik had niet gedacht, dat ik Rashleigh zoo zou missen.”

Het is bepaald een onaangenaam gevoel in den kring van een huisgezin te leven, waar men niet met al de leden ervan op een goeden en vertrouwelijken voet staat. Ik wendde daarom pogingen aan, den tegenzin te overwinnen, dien mijne neven jegens mij vaak vrij duidelijk lieten blijken. In plaats van mijn opgetoomden hoed, ging ik een jagersmuts dragen. En wezenlijk begonnen zij gunstiger over mij te denken. Toen ik kort daarna een jong paard gedresseerd had, steeg ik nog hooger in hunne gunst. Een paar weddingschappen, welke ik bij zekere gelegenheden aan Richard verloor, en een volle beker, dien ik boven het gewone getal met mijn neef Percival ledigde, bracht mij in de beste verstandhouding met allen,—behalve met Thorncliff.

Ik heb vroeger reeds aangestipt, dat deze jonge man mij niet lijden mocht. Hij had wat meer verstand dan zijne broeders, maar tevens een veel slechteren aard. Twistziek, norsch en lichtgeraakt, beschouwde hij mij als een overtollig en lastig wezen op het kasteel. Met nijdige, jaloersche oogen zag hij mijne vriendschapsbetrekking tot Diana, die, volgens de familieovereenkomst, tot zijne bruid was bestemd. Dat hij haar beminde, kan ik trouwens niet zeggen, ten minste als ik dat woord niet in een soort van minder juisten zin wil misbruiken. Maar hij beschouwde haar als iets, dat hem toebehoorde. Het ergerde hem, dat men hem in den weg trad, terwijl hij geen middel wist, dit te voorkomen of te verhinderen. Bij verscheidene gelegenheden beproefde ik een verzoenenden toon jegens hem. Maar hij beantwoordde mijne minzamevriendelijkheidongeveer als een knorrige hofhond, wanneer een vreemdeling hem liefkozen wil. Sedert dien tijd liet ik hem geheel aan zijne kwade luim over. Aan zijn zuur gezicht en zijne norsche manieren stoorde ik mij eenvoudig niet.

Zoo stond ik met de bewoners van het kasteel. Ik moet echter nog een anderen huisgenoot noemen, met wien ik mij nu en dan onderhield.

Het was de tuinman Andries, die, sedert hij wist dat ik Protestant was, mij zelden liet voorbijgaan, zonder mij een snuifje aan te bieden. Deze wellevendheid had voor hem intusschen menig voordeel. Vooreerst was ze goedkoop, daar ik nooit snuif gebruikte, en ten tweede verschafte zij den goeden Andries, die juist geen vriend van aanhoudend arbeiden was, eene schoone gelegenheid, om eenige minuten op zijne spade te rusten. Maar bovenal trok Andries van deze korte samenkomsten partij, om eene menigte nieuwigheden uit te kramen, of met echt-Schotschen humor zijne spotachtige praatjes en opmerkingen te luchten.

»Ja, ja, mijn beste mijnheer,” zeide hij op zekeren avond met bijzonderen nadruk, »van daag ben ik in het dorp geweest.”

»Zoo! wat nieuws was er in de dorpskroeg?” vroeg ik.

»Neen, neen, mijnheer, in de kroeg kom ik nooit, of de een of andere goede vriend moest mij vrij houden. Maar voor zijn eigen geld de kroeg te bezoeken, zie, dat noem ik den tijd en zijne zuur verdiende penningskens liederlijk verkwisten. Neen, mijnheer, ik had eigenlijk iets met de oude Grietje Simpson te vereffenen. Die had een paar manden peren noodig. Op het kasteel komt het op een paar zakken vol niet aan. Toen wij nu met elkander over den prijs handelden, denk eens, wie er toen bij ons binnen trad? Macready, de reizende koopman …”

»Den marskramer, meent gij?” viel ik hem in de rede.

»Nu ja, als gij hem zoo noemen wilt, mij is het wel! Maar zijne zaakjes gaan zoo slecht niet. Hij is eigenlijk mijn neef, en wij waren recht blijde, elkaar eindelijk weder eens te ontmoeten.”

»En toen zijt ge met elkander in de kroeg gegaan, om een glas bier te drinken. Maar om ’s Hemels wil, vertel me nu uwe geschiedenis, en zoo kort mogelijk, als ik u verzoeken mag.”

»Maar mijn goede heer! heb toch geduld, geduld! Gij heeren uit Engeland zijt altijd zoo haastig gebakerd. En deze geschiedenis betreft nog wel u zelf. Bier, zegt u, zou ik gedronken hebben? Gelooft u dat? Nou, vergif moge elke droppel worden, dien mijn neef mij gaf. Neen, Grietje gaf ons beiden een slokje afgeroomde melk en een van hare dikke haverkoeken, die evenwel zoo taai als zoolleder was. Neen, dan heilig onze lekkere koeken in Schotland!—Maar hoe het zij, wij gingen dan zitten en praatten een beetje over koetjes en kalfjes.”

»Maar kom dan toch eindelijk met het nieuws dat ge hebt, zoo het ten minste de moeite waard is!” riep ik ongeduldig, »want ik kan den ganschen dag niet hier blijven.”

»Nu, als gij het dan volstrekt weten moet en weten wilt; in Londen maken zij vrij wat alarm over dat laatste stukje.”

»Welk stukje? Wat bedoelt gij?”

»Hm! dat gevalletje met dat weergaasche valies!” hernam Andries met een sluwen blik.

»Welk valies? Wat wilt gij toch zeggen?”

»Die Morris, of hoe hij heeten mag, moet het immers verloren hebben. Maar u gaat het zeker evenmin aan, als mij. Ik zal er den kostbaren tijd niet om verspillen.”

Na dit gezegd te hebben, begon hij met alle kracht te werken, alsof hij een vlaag van hevigen werklust gekregen had.

De sluwe kerel wist wel, dat hij mijne opmerkzaamheid en nieuwsgierigheid ten sterkste gespannen had. Door eene directe vraag wilde ik echter niet te veel belangstelling in de zaak verraden. Ik wachtte zwijgend, of de geest van mededeelzaamheid hem nog eens aansporen zou, den draad van zijne geschiedenis weder op te vatten. Maar Andries bleef ijverig aan ’t spitten en sprak nu en dan een woord, maar over geheel andere onderwerpen. Innerlijk boos, hoorde ik hem toch aan. Ik wilde toch eens zien, hoe lang zijne halsstarrigheid zijn verlangen zoubedwingen om over eene zaak te spreken, waarmede hij blijkbaar geheel vervuld was.

»Zie zoo!” begon hij; »dat aspergie-bed is omgespit; nu nog een paar staken bij de snijboonen gezet. Die moeten zij bij het varkensvleesch hebben;—wel bekome het hun!… Wat is dat toch slechte mest, zoo hard als een steen! Ja, ja, de jager speelt den baas in de stallen, heeft zeker al de goede mest verkocht … daar sta ik u borg voor … Ja, ik moet maar doorwerken op zoo’n schoonen Zaterdag-avond, want met het weer wil het ook niet te best. Van de zeven dagen der week, hebt ge op zijn hoogst een paar, die men goed kan noemen, en daaronder is één steeds een Zondag. Maar het kan toch weêr goed worden tegen Maandag.—Ik weet niet waarom ik me lam zou werken. Ik ga maar naar het kasteel, want daar hoor ik de avondklok, zooals zij dat oude ding noemen.”

En met die woorden stiet hij zijne spade in den grond en zag mij terzij heel leuk aan, als wilde hij mij te kennen geven, dat hij mij wel iets gewichtigs kon ontdekken, maar ook wel verzwijgen. Eindelijk stroopte hij zijne hemdsmouwen neer en ging langzaam naar de tuinbank, waar zijn rok zorgvuldig opgevouwen lag. Ik zag nu wel, dat ik den stijfkop moest toegeven, en geduld hebben, tot het hem zou behagen, mij alles op zijne wijze te verhalen. Op zeer minzamen toon vroeg ik: »Maar Andries, wat zijn het dan voor nieuwigheden die uw neef, de reizende koopman van Londen, voor u heeft medegebracht?”

»O, u bedoelt den marskramer. Och! noem u hem maar zoo als u verkiest; zoo’n man is een onmisbaar wezen in een land, waar zoo weinig steden zijn als hier in Northumberland. In Schotland is het veel beter. Daar hebt ge het koninkrijk1Fife, van het eene einde tot het andere bijna één enkele groote stad: en dan nog zoo vele heerlijke vlekken met fraaie straten, schoone winkels, steenen huizen met breede stoepen. Kircaldy is grooter dan eenige stad in Engeland.”

»Zeer zeker, Andries, daar is het zeer fraai, schoon en heerlijk! Maar om weder op het nieuws van Londen terug te komen …”

»Ach ja, dat is ook zoo, ziet u, ik dacht dat er u juist niet veel aan gelegen was,” hernam de tuinman meesmuilende. »Mijn neef heeft mij gezegd dat zij in het Parlement vinnig boos zijn geweest over dat historietje met dien Morris, of zoo als die knaap heeten mag.”

»In het Parlement?” vroeg ik; »maar hoe kwam die zaak dan daar ter sprake?”

»Ja, dat zeide ik ook al tegen mijn neef. Ik zal u woord voor woord zeggen, wat ik tegen hem zeide; want het is de moeite niet waard, er om te liegen. Neef, zeide ik tegen hem, wat hebben toch de Lords en Heeren in Londen met dien kerel en zijn valies te maken? Toen wij in Schotland nog een Parlement hadden, neefje—de duivel hale hen, diehet ons ontnomen hebben! zaten de leden van dat Parlement bedaard wetten voor het land en het rijk te maken en bemoeiden zich met geen zaken, die door den gewonen rechter behoorden afgedaan te worden. Maar ik geloof, zeide ik, dat wanneer een oud wijf ergens in Engeland hare buurvrouw de muts van het hoofd scheurt, dat ze dan beiden voor het Parlement van Londen moeten komen. Het is daar bijna net zoo erg als hier, met den ouden heer en zijne zonen en jagers: die jagen geheele dagen na elkander een ongelukkig dier na en als zij dan dat dier gevangen hebben, blijkt het, dat het, waarachtig! geen zes pond zwaar is!”

»Volkomen juist aangemerkt, Andries, zeer juist! Maar wat zeide toch uw neef?”

»O, hij zeide dat men het niet anders van de Engelschen—die poddingeters,—verwachten kon. En de geschiedenis van dien Morris—nu ja, toen hebben zij weder eene kijfpartij gehouden, en toen is een onder hen opgestaan en heeft gezegd, dat het in het Noorden van Engeland wemelt van Jakobieten—nu, hij kan wel gelijk hebben—en dat zij een oorlog wilden beginnen, dat ze een koningsbode op den publieken weg hadden aangerand; dat de aanzienlijkste lieden van Northumberland daarbij waren geweest; dat zij hem veel geld en vele belangrijke papieren hadden afgenomen; dat hij geen recht had kunnen krijgen, want dat de vrederechter de beide knapen, die den diefstal gepleegd hadden, bij zich te gast had genoodigd; dat die daar ook dapper gegeten en gedronken hebben, en dat hij den een voor den ander heeft laten getuigen, en borgtocht van hen aangenomen heeft, terwijl de eerlijke man, die zijn geld had verloren, ten slotte maar blij was, nog heelhuids uit dat land weg te komen.”

»Zou dat wezenlijk waar zijn?” vroeg ik verwonderd.

»Mijn neef zweert, dat het zoo waar is, als hij een goedgeijkte el heeft, en aan zijn el ontbreekt toch maar een enkel zestiende. En toen die man daar in dat Parlement uitgepraat was, begon er plotseling zulk een vreeselijk geschreeuw te ontstaan, dat hij namen noemen moest. Toen kwam hij in den nood. Hij noemde namen, eerst dien vent Morris, en ook uw oom en den rechter Inglewood en nog vele andere lieden bovendien,” voegde Andries er bij, terwijl hij een sluwen blik op mij wierp. »Maar toen stond er ook aan den anderen kant van het Parlement iemand op, en zeide, dat men de braafste menschen van het land niet mocht aanklagen op den eed van een ellendigen lafaard, als deze Morris, die in den oorlog in Vlaanderen de kanonnenkoorts gekregen en schandelijk de plaat gepoetst had. Het gansche historietje was zeker met den minister reeds afgesproken en in orde gebracht, eer de kerel nog een voet buiten Londen had gezet. Zoo men huiszoeking wilde doen, zou men het geld, dat men hem ontnomen had, misschien niet ver van het koninklijk paleis vinden. En wat gebeurde er toen? Die Morris werd voor het Parlement gebracht, en hij moest zeggen, hoe de vork eigenlijk in den steel stak. Maar de menschen, die tegen hem waren, somden al zijn gauwdievenstreken, die hij in zijn vroeger leven gepleegd had, zoobreed en duidelijk op, dat de lafaard eer op een lijk dan op een levend wezen geleek, zei mijn neef. Geen enkel verstandig woord konden zij uit hem krijgen, zoo bitter was hij door dat geschreeuw en dat uitschelden in de war gemaakt. Bij mijne zondige ziel, de kerel moet een kop hebben als een bevroren raap! Zij hadden lang kunnen schreeuwen eer zij mij in de war zouden gebracht hebben!”

»En waarop liep dat alles dan uit? Heeft uw neef dat ook niet vernomen, vriend Andries?”

»Natuurlijk heeft hij het vernomen, mijn neef heeft zijne reis omtrent eene week expres opgeschoven, omdat het zijn klanten zeer aangenaam zou zijn, dat nieuws te vernemen. Het liep met een sisser af. Laat ik u maar zeggen dat degeen, die het historietje ’t eerst op het tapijt bracht, weder spoedig in zijne schelp kroop. De man, zeide hij, kon ook wel wezenlijk in handen van roovers gevallen zijn; maar omtrent de eigenlijke omstandigheden was men nog in het onzekere. Toen stond deanderevent weer op, en zeide, dat het hem zeer onverschillig was of men dien Morris beroofd had of niet. Maar men moest om zoo iets geen brave lieden van hunne eer en hun goeden naam berooven, inzonderheid in het noorden van Engeland, want hij was er zelf van daan, en daar behoefde hij zich niet over te schamen. En dat noemt men een zaak uitmaken! De een geeft iets toe en de andere geeft iets toe en dan zijn ze weer goede vrienden. En toen zij nu in het Lagerhuis lang en breed over dat geval gewauweld hadden, zoo dat zij er eindelijk misselijk van waren, wilden de heeren in het Hoogerhuis er ook nog iets van hebben. In het lieve oude Schotsche Parlement, ja, waarde mijnheer, daar zaten zij allen bij elkander, en behoefden een ding niet tweemaal te bepraten, maar daar in Londen kauwen en herkauwen zij elk ding zoo lang, tot er volstrekt niets van overblijft. Ook heeft men er van een zekeren Campbell gesproken; die moet bij dat plunderen en rooven ook eene hand in het spel gehad hebben, maar tot zijn geluk had hij een flink getuigschrift van den hertog van Argyle. En toen dit openlijk gezegd werd, geraakte de hertog in vuur en vlam—nu daarin had hij, mijns insziens, wel gelijk!—Hij maakte vrij wat spektakel, terwijl hij ieder overtuigend wilde bewijzen, ja schier instampen, dat iedere Campbell steeds een braaf, dapper en verstandig man was geweest. Als gij echter zeker zijt, dat er geen druppel bloed van het geslacht van Campbell door uwe aderen vloeit, wat, voor zoo verre ik weet, bij mij insgelijks het geval is, dan wil ik u wel zeggen wat ik van de zaak denk.”

Ik verzekerde dat ik rechtstreeks noch zijdelings tot dat geslacht behoorde.

»Nu, dan kunnen wij immers gerust onder ons zeggen wat wij weten. Van de Campbells valt goed en kwaad te zeggen, even als van alle andere menschen. Maar van Mac-Callumore, van dien Argyle—van hem zijn er zeer zonderlinge praatjes in omloop onder de voorname lui van Londen. Maar hij heeft er veel in te brengen. Men kan eigenlijk niet recht zeggen, welke partij hij gekozen heeft. Niemand durft hem aan. En het einde van het lied was, dat zij verklaarden, dat de ganschehistorie enkel laster was. En als die Morris zich niet bij tijds uit de voeten gemaakt had, zou hij nog leelijk te pas zijn gekomen.”

Bij die woorden pakte Andries zijn tuinmansgereedschap bijeen en wierp het dood kalm, stuk voor stuk in een kruiwagen. Hij gaf mij blijkbaar, eer hij heenging, den tijd, nog eenige vragen te doen. Ik oordeelde het best, alles dadelijk te zeggen, opdat de man mijn zwijgen niet aan verkeerde redenen zou toeschrijven en een al te groot gewicht er aan hechten zou.

»Andries,” zeide ik, »ik zou uw landsman wel eens willen spreken, om al dat nieuws uit zijn eigen mond te vernemen. Gij hebt waarschijnlijk gehoord, dat ik door de onbeschaamde zotheid van dien Morris eenigen last heb gehad.” Andries meesmuilde. »Gaarne zou ik uw neef nu vragen, wat hij dan eigenlijk te Londen gehoord heeft; ten minste wanneer het hem niet al te moeilijk is, met mij eenige oogenblikken te komen praten.”

Andries antwoordde dat dit geen bezwaar zou opleveren. Als hij zijn neef een wenk gaf, dat ik een paar kousen noodig had, dan zou die niet in gebreke blijven, terstond bij mij te komen.

»Ja, gij kunt hem zeggen, dat hij in mij een goeden klant zal vinden, en daar de avond heden bijzonder mooi is, zal ik zoo lang in den tuin blijven wandelen tot hij komt. De maan zal spoedig opkomen. Breng uw neef aan het achterpoortje. Ik zal mij intusschen met het gezicht van de struiken en heesters bij het heldere maanlicht amuseeren.”

»Best! heel goed!” hernam Andries; »dat zeg ik ook altijd: koolbladen en bloemkool schitteren in den maneschijn even prachtig als eene mooie vrouw in diamanten.”

En Andries ging blijkbaar welgemoed weg. Hij scheen den vrij langenweg met het grootste genoegen af te leggen, om zijn neef een klein voordeeltje te bezorgen, ofschoon hij er niets voor over had gehad, om hem op eene kan bier te onthalen. De wellevendheid van een Engelschman zou zich op eene geheel andere wijze geuit hebben, dacht ik, toen ik wandelde langs de pas geschoren heggen van hooge taxis en steekpalm, waarmede de gansche tuin doorsneden was.

Toen ik omkeerde, keek ik onwillekeurig naar de smalle vensters van de oude boekenkamer op de tweede verdieping. Dat dáár licht brandde, verraste mij niet; want ik wist, dat Diana zeer dikwijls de avonden in die kamer doorbracht. Maar ik had uit een zeker gevoel van kieschheid, het mij tot vaste wet gemaakt, haar daar niet op te zoeken op een tijd, waarop ik wist, dat de overige leden der familie in het huisvertrek bijeen waren, en onze bijeenkomst dus noodzakelijk onder vier oogen zou hebben moeten zijn. In de morgenuren zaten wij gewoonlijk samen in de boekenkamer te lezen, en dan gebeurde het niet zelden, dat een van onze neven binnen kwam om een perkamenten bandje te halen, en dat dan ondanks het kostbaar verguldsel en de geschilderde versieringen, tot een zakboekje van vischhengels werd gebezigd. Soms ook om ons van eene afgesproken jachtpartij te verhalen, of ook wel uit loutere verveling. In de avonduren echter werd de boekenkamer nooit als gemeenschappelijk terrein beschouwd. In een land opgevoed, waar men, ten minste in dien tijd, aan de wetten der wellevendheid zeer hechtte,gevoeldeik den plicht, om jegens Diana dubbel te letten op het in acht nemen van die wetten, juist omdat zij ze, uit gebrek aan ervaring, wel eens vergat. Zoo kiesch mogelijk gaf ik haar te kennen, dat telkens, wanneer wij des avonds lezen wilden, de tegenwoordigheid van een derden persoon passend, ja, betamelijk was.

In het eerst lachte Diana, daarna bloosde zij, en was op het punt boos te worden, tot zij zich plotseling bedwong en mij antwoordde: »Ik geloof, dat gij volkomen gelijk hebt. Wanneer ik eens lust krijg, om heel vlijtig te leeren, zal ik onze oude Martha met een kopje thee omkoopen, om bij ons te zitten en om mij onder haar vleugels te nemen.”

Martha, de oude huishoudster, was met de heerschende neiging van al de huisgenooten besmet, en een glas brandewijn was haar meer welkom geweest dan al de thee uit China. Maar het streelde hare ijdelheid, dat men haar een drank aanbood, welke in dien tijd alleen door groote lui gebruikt werd. Een ruime portie suiker, en eenige niet minder zoete woorden, alsook een overvloed van geroosterd brood en boter—door dit alles te zamen liet zij zich nu en dan bewegen om ons gezelschap te houden. Anders vermeden de dienstboden, zoodra slechts de avond begon te vallen, deze boekenkamer, daar ze zich in een vleugel van het kasteel bevond, waar het, volgens hunne dwaze verbeelding, spookte. Eenige der vreesachtigsten wilden daar zelfs spoken gezien, ja, allerlei geluiden gehoord hebben, als al de overige huisgenooten sliepen. Zelfs mijne neven hadden, nadat het donker was geworden, niet veel lust, als zij het eenigszins vermijden konden, om zich in dat verschrikkelijke gedeelte hunner woning te wagen.

De omstandigheid, dat de boekenkamer eens Rashleighs geliefkoosd verblijf was geweest, en dat eene zijdeur daaruit naar dat eenzaam gedeelte van het kasteel leidde, waar hij steeds gewoond had, vermeerderde nog de vrees der huisgenooten voor die angstwekkende zaal. Zijne uitgebreide kunde in alle vakken, zijne groote kennis van de wetenschappen en eenige natuurkundige proeven, welke hij nu en dan in hunne tegenwoordigheid genomen had, waren voor de domme en bijgeloovige bewoners van het kasteel voldoende redenen, om hem macht over de geestenwereld toe te schrijven. Hij verstond immers Latijn, Grieksch en Hebreeuwsch, en behoefde alzoo, zoo als zijn broeder Wilfred zeide, noch geesten, noch spoken, noch duivels, noch kabouters te vreezen. Ja, de dienstboden beweerden, dat zij hem in de boekenkamer hadden hooren spreken op een tijd, dat ieder in het kasteel reeds te bed was, en hij had den ganschen nacht met allerlei spoken doorwaakt en toen een gat in den dag geslapen, in plaats van, zoo als een echten Osbaldistone betaamde, met het krieken van den dag de honden naar buiten te volgen.

Al die ongerijmde geruchten had ik uit halve wenken en afgebroken uitdrukkingen vernomen. Natuurlijk had ik ze slechts met een spottenden glimlach aangehoord. Maar de eenzaamheid waarin die zoo beruchte kamer ’s avonds was, was voor mij een reden te meer, om Diana niet te storen, als zij daar den avond doorbracht.

Ik behoefde mij dus niet te verwonderen, toen ik licht in die kamer zag. Maar sterk was ik verrast, toen ik mijne oogen op de vensters vestigende, duidelijk de schaduw van twee gestalten zag, die zich voor het eerste venster bewogen en het voor eenige oogenblikken geheel verduisterden. Het moet de oude Martha zijn, dacht ik. Misschien heeft Diana haar bij zich geroepen. Of zou ik mij vergist hebben en Diana’s gestalte voor eene tweede gestalte aangezien hebben? Neen, bij den hemel! nu ook aan het tweede venster! Zeer duidelijk twee gestalten! Nu verdwenen zij—nu weder aan het derde—eindelijk ook aan het vierde! De beweging der gestalten tusschen het licht en de vensters werd tweemaal herhaald, alsof ik mij volkomen moest overtuigen dat ik goed gezien had: toen werd het licht uitgedoofd.

Deze onbeduidende omstandigheid hield mij vrij lang bezig. Ik waagde niet mij zelven te bekennen, dat mijne vriendschap voor Diana met een egoïstisch oogmerk gepaard ging. Maar ik kan niet zeggen, hoe onaangenaam mij de gedachte was, dat zij iemand anders heimelijke bijeenkomsten toestond op een tijd en eene plaats, waar ik het onvoegzaam oordeelde haar te bezoeken; te meer omdat ik ook, om haar zelfs wil, getracht had haar dat onder het oog te brengen. »Dwaas, lichtzinnig meisje!” zeide ik tot mij zelf. »Zij stoort zich aan geen welgemeenden raad, aan geene welvoegelijkheid. Ik heb mij door hare ongekunstelde houding laten misleiden. Zulk een houding schijnt zij even gemakkelijk te kunnen aannemen, als of zij een stroohoed opzet, door eene nieuwe mode ingevoerd; ondanks al hare groote geestvermogens, zal misschien het gezelschap van een dommen gek, met wien zij haarkaartje kon leggen, haar meer genoegen kunnen verschaffen, dan Ariosto zelf, wanneer hij uit het graf verrees.”

Deze gedachte kwam levendig in mij op, daar ik haar juist dienzelfden dag mijne vertaling van Ariosto’s eersten zang getoond, en haar verzocht had, de oude Martha op de thee uit te noodigen, terwijl zij onder een voorwendsel, dat ik voor volstrekt nietig hield, dit bepaald geweigerd had.

Nog niet lang had ik mij in deze onaangename overdenkingen verdiept, toen het achterpoortje van den tuin openging, en Andries en zijn neef, die met een zwaar pak koopwaren beladen was, in den maneschijn de laan opkwamen. De sluwe Macready was een Schot, dien zijne neiging en zijn koophandel tot eene wandelende krant hadden gemaakt. Hij kon mij omtrent het voorgevallene in het Parlement eenigszins uitvoeriger en grondiger berichten geven, dan de tuinman. De beide Staatspartijen hadden naar het scheen, het avontuur van Morris als een toetssteen gebezigd, om de gezindheid van het Parlement uit te vorschen. Waarschijnlijk echter waren de opstokers van het vuurtje niet in staat geweest, om de waarheid van eene geschiedenis te staven, vooral omdat zeer aanzienlijke en zeer invloedrijke personen in die zaak gewikkeld waren, en alles zich slechts op de getuigenis van een man van slechten naam grondde, die zich zelven bovendien tegengesproken had en in zijne verklaringen over het geheel zeer onduidelijk was geweest. Ook kon de koopman mij een nieuwsblad ter hand stellen met een uittreksel der verhandelingen van het Parlement—in dien tijd eene zeldzaamheid buiten den omtrek der hoofdstad—en de gedrukte redevoering van den hertog van Argyle op een groot vel papier. Verscheidene exemplaren had hij van de uitventsters gekocht, om ze in Schotland met voordeel aan den man te brengen. Het uittreksel der verhandelingen was slechts eene zeer magere opgave met veel gapingen en sterretjes, waaruit ik niet veel meer licht kon erlangen dan de Schot voor mij had ontstoken. En de zeer fraaie en bij uitstek welsprekende redevoering des hertogs was grootendeels eene lofrede op zijn vaderland, zijn geslacht en zijn stam, met eenige, misschien even oprechte, hoewel niet zoo vurige vleierijen, welke hij, bij eene zoo gunstige gelegenheid, zich zelve wilde zeggen. Of zijn goede naam inderdaad verdacht was gemaakt, kon ik niet te weten komen, maar zooveel zag ik duidelijk genoeg, dat men de eer der naastbestaanden van mijn oom aangerand had; ja, dat Morris het had voorgesteld, als zou Campbell een eerste rol bij die straatrooverij hebben gespeeld en door zijn invloed op den al te zachtzinnigen vrederechter een Osbaldistone de vrijheid hebben verschaft. In zekeren zin kwam die voorstelling van het gebeurde met het vermoeden overeen, dat ik zelf ten opzichte van Campbell gevoed had, van het oogenblik af, dat ik hem bij den vrederechter zag. Ten hoogste misnoegd en tevens verwonderd over deze zonderlinge geschiedenis, verliet ik de beide Schotten, nadat ik van den koopman iets gekocht en Andries een fooi gegeven had. Ik spoedde mij naar mijne eenzame kamer, om te overwegen wat mij thans te doen stond. Mijn goede naamwas openlijk aangerand. Ik meende, dat het plicht voor mij was, naar herstel van eer te streven.

1Zoo noemt men het graafschap Fife.↑

1Zoo noemt men het graafschap Fife.↑

1Zoo noemt men het graafschap Fife.↑


Back to IndexNext