HOOFDSTUK XV.

HOOFDSTUK XV.Van waar komt gij? wie zijt gij?Milton.Ik kon den ganschen nacht niet slapen. Het vernomen nieuws hield mij aanhoudend bezig. Mijne eerste aandrift was, zoo spoedig mogelijk naar Londen terug te keeren, en in persoon den laster te logenstraffen, waarmede men mijn goeden naam beklad had. Maar ik kwam spoedig hiervan terug. Geen ongehoorzaamheid mocht ik jegens mijn vader, integendeel, zijn hulp inroepen. Mijn vader was in zijne beslissingen, vooral waar het de zijnen betrof, onbuigzaam streng maar rechtvaardig. Zijne ervaring maakte hem alleszins geschikt, om alle noodige stappen ten behoeve mijner vrijspreking te doen. Daar hij tevens met de voornaamsteWhig-ministersbekend was, behoefde het hem weinig moeite te kosten, wegens mijne zaak gehoor te erlangen. Ik oordeelde het dus ’t veiligst, mijne geheele geschiedenis in een aan hem gericht verhaal bloot te leggen. Van het kasteel werden slechts zeer zelden brieven behoorlijk op de post bezorgd. Ik besloot dus mij later naar de naburige stad te begeven en mijn brief daar zelf te bezorgen.Het had me reeds bevreemd dat ik, na eene afwezigheid van verscheidene weken, te vergeefs op brieven van mijn vader of Owen gewacht had, ofschoon Rashleigh zijn vader reeds zijne behouden aankomst in Londen en het vriendelijk onthaal ten huize van zijn oom gemeld had. Ofschoon ik nu ook gaarne wilde toestemmen dat ik mij mijns vaders ontevredenheid berokkend had, meende ik toch geenszins te verdienen, zoo geheel door hem vergeten te worden. Toen ik hem in mijn brief het avontuur met Morris getrouw verhaald had, betuigde ik in hartelijke bewoordingen mijne hoop en mijn wensch, om door eenige regels schrift van hem verblijd te worden, al ware het slechts om in eene zoo pijnlijke en moeilijke zaak, waarin mijne eigen geringe ondervinding mij niet met voldoende zekerheid leiden kon, zijn raad en leiding te genieten. Ik kon het niet over mij verkrijgen, er op aan te dringen dat hij mij vergunnen zou, weer voor goed naar Londen terug te keeren. Maar ik verborg dien tegenzin onder eene voorgewende onderwerping aan mijns vaders wil. Toen ik mij zelven die gehoorzaamheid als grondige reden voorstelde, om niet op mijn vertrek uit het kasteel aan te dringen,geloofde ik dat mijn vader het insgelijks daarvoor zou houden. Voor korten tijd zou ik wel wenschen naar Londen terug te mogen komen, schreef ik echter mijn vader om den schandelijken laster te wederleggen, dien men zoo onverdiend te mijnen opzichte verspreid had.Dezen brief, waarin ik den ernstigen wensch om mijn goeden naam te redden zoo zonderling in overeenstemming bracht met mijn verlangen hier te blijven, maakte ik gereed, vervolgens reed ik naar het postkantoor van het naaste stadje. Daar vond ik een schrijven van mijn vriend Owen, dat ik anders veel later ontvangen zou hebben. Het luidde:Waarde mijnheer Frans!»Ik heb uwe minzame regels door de goedheid van den heer R. Osbaldistone in orde ontvangen en den inhoud vernomen. Wij zullen gaarne den heer R. Osbaldistone alle beleefdheden bewijzen, die in ons vermogen zijn, en hebben Zijn Ed. reeds de Bank en het Tolkantoor laten zien. Zijn Ed. schijnt een verstandig, werkzaam jongmensch te zijn. Met veel ijver wijdt hij zich aan de zaken en zal dus de firma van veel dienst zijn. Wij hadden trouwens wel gewenscht dat zeker iemand dezen weg had willen bewandelen. Maar Gods wil geschiede! Uit hoofdea costi cassamisschien zeldzaam mocht zijn, gelieve UEd. wel te verontschuldigen, dat ik u inliggende wissel zend, betaalbaar zes dagen na zicht, op de Heeren Hooper en Girder te Newcastle, waarde 100 pd., die, twijfel ik niet, behoorlijk zal gehonoreerd worden.»Verblijve waarde mijnheer Frans, met verschuldigde hoogachtingUEds. dw. dienaar,Joseph Owen.P.S.»Ik hoop, dat UEd. de richtige ontvangst dezes mij zult gelieven te melden. Wij betreuren, dat wij van UEd. zoo weinig te hooren krijgen. Mijnheer uw vader beweert steeds heel wel te zijn, maar ziet er niet best uit.”Het bevreemdde mij, dat Owen volstrekt geen melding maakte van den vertrouwelijken brief, dien ik hem geschreven had, om hem met Rashleigh’s karakter voorloopig bekend te maken. Hij moest dien toch wel ontvangen hebben. Weliswaar had ik den brief met de gewone gelegenheid dadelijk van het kasteel afgezonden; maar er was voor mij geen reden, te vermoeden, dat hij onder weg zou kunnen verloren raken. In het postkantoor schreef ik dadelijk eenige regels aan Owen, waarin ik den voor mijn vader en mij zoo gewichtigen inhoud van mijn vroegeren brief herhaalde, en mijn braven vriend dringend verzocht, mij ten spoedigste te berichten, of hij dien ontvangen had. Terwijl ik er een paar woorden over de ontvangst van den wissel bijvoegde, dacht ik bij mij zelven hoe zonderling het was, dat mijn vader zijn boekhouder inmijne behoeften liet voorzien; maar, dacht ik tevens, misschien hebben zij dit met elkander afgesproken. In elk geval was Owen ongehuwd, voor zijn stand bemiddeld en mij zoo hartelijk genegen, dat ik geene zwarigheid maakte, hem eene kleine som schuldig te zijn. Ik besloot, ze hem zoo spoedig mogelijk in dank terug te geven, zoo dit niet reeds door mijn vader mocht geschied zijn. In dezen zin schreef ik aan Owen over de zaak. Een koopman in het stadje, dien de postmeester mij aanwees, betaalde mij gaarne het bedrag van den wissel in goud. Veel rijker dan ik vertrokken was, kwam ik op het kasteel terug. Dit was mij lang niet onverschillig, want de inhoud van mijne beurs, door de reiskosten reeds sterk verminderd, was bijna geheel uitgeput.Bij mijne terugkomst was mijn oom met al zijne zonen naar het dorpje Trinlay-Knowes vertrokken, ten einde, zooals de tuinman zich uitdrukte, het vermaak te genieten, een paar hanen op dood en leven te zien vechten.»Een wreed vermaak!” zeide ik. »In Schotland kent gij het, meen ik, niet!”»Neen, neen!” hernam Andries, maar hij trok zijne ontkenning terstond weder in, toen hij er bijvoegde: »behalve op de Paaschdagen. Wel beschouwd, is er ook niet veel aan gelegen, wat de lui met hunne hanen doen. Want dat vee giert en krabt in de tuinen, dat men bijna niets in den grond kan houden. Hm! ik zou wel eens willen weten, waarom dat torenpoortje daar ginds open staat. Rashleigh is immers vertrokken; die kan er dus niet zijn.”Het torenpoortje, door den tuinman bedoeld, kwam in den tuin uit aan den voet van een wenteltrap, die naar Rashleigh’s kamers leidde, terwijl deze weder met de overige gedeelten van het kasteel door een donkere gewelfde gang, even als de boekenkamer door eene zijdeur, vereenigd waren. Een lang, smal graspad leidde tusschen twee hooge steekpalm-heggen, van dat torenpoortje naar een achterdeurtje in dentuinmuur. Langs dezen weg kon Rashleigh, van wiens doen en laten zijne nabestaanden niets wisten, naar welgevallen het kasteel verlaten of terugkeeren, zonder dat het opgemerkt werd. Sedert zijn vertrek werd van die trap en dat poortje volstrekt geen gebruik meer gemaakt, en deze omstandigheid zette niet weinig belangrijkheid aan des tuinmans aanmerking bij.»Hebt gij dat poortje dikwijls open gevonden?” vroeg ik.»Niet dikwijls,” antwoordde Andries, »maar toch reeds een paar maal. Ik geloof dat de priester het geopend heeft, die pater Vaughan, zoo als zij hem noemen. Van de dienstboden betreedt niemand die trap: die arme sukkels zijn bang voor spoken en hansworsten uit de andere wereld. Maar vader Vaughan meent, dat de spoken hem geen kwaad zullen doen. Maar weet u wat ik zeg, de armzaligste predikant bij ons in Schotland verbant een spook tweemaal zoo gauw als de priester met zijn wijwater en zijne afgodische kluchten. Ik geloof ook niet, dat hij ver in het Latijn is. Want hij verstaat mij nauwelijks, als ik hem de geleerde namen der planten noem.”Van pater Vaughan, die in het kasteel Osbaldistone en in de woningen van eenige Katholieke edellieden in den omtrek voor het heil der zielen zorgde, heb ik nog niets gezegd, daar ik hem nog slechts zelden gezien had. Hij was ongeveer zestig jaren oud, en naar ik meen, uit een voornaam geslacht in Schotland afkomstig. Van een alleszins onbesproken gedrag, werd hij door de Katholieken van Northumberland als een braaf en waardig man geëerd. Ook bezat hij al het eigenaardige, waardoor zijn stand zich onderscheidt. Er lag op zijn gelaat iets geheimzinnigs, wat in de oogen van een Protestant naar priesterbedrog geleek. De bewoners van het kasteel Osbaldistone koesterden veel meer vrees, of ten minste eerbied, dan genegenheid voor hem.Het was bekend, dat hij hunne drinkpartijen ten sterkste afkeurde: want zoolang als hij zich op het kasteel bevond, leefde men daar veel matiger. Ja bij zulke gelegenheden deed zelfs mijn oom zich ten opzichte van zijn gedrag bepaald dwang aan; daarom was dan ook het bezoek van den priester hem eer lastig dan aangenaam. Pater Vaughan toonde in zijn gedrag dat fijne innemende en vleiende, hetwelk den leeraars van zijn geloof, bijzonder in Engeland, zoo eigen is. Immers de Katholieke leek, door strafwetten, door de beperking van zijn geloof, door de vermaningen van zijn geestelijke belemmerd, is in het verkeer met Protestanten dikwerf achterhoudend, ja bijna vreesachtig. De priester daarentegen, wien zijn stand vergunt, met lieden van alle geloofsbelijdenis te verkeeren, is gul, vroolijk en vrij in den omgang. Hij tracht zich aangenaam te maken, wat hem door zijne slimheid ook meestal gelukt.Pater Vaughan was een vertrouweling van Rashleigh. Anders had hij zich, geloof ik, bezwaarlijk in het kasteel kunnen handhaven. Deze omstandigheid kon zeker in mij geene neiging wekken, kennis met hem te maken. En daar hij zich evenmin voorkomend jegens mij gedroeg, bepaalde zich onze omgang, als wij elkander nu en dan toevallig ontmoetten,tot een wederzijdschen koelen groet. Het kwam mij zeer waarschijnlijk voor, dat de priester, gedurende zijn verblijf op het kasteel, Rashleigh’s kamer bewoonde. Van een man van zijn stand mocht men tevens verwachten, dat hij soms de boekenkamer bezocht. Niets natuurlijker dus, dan dat het zijn licht was, dat den vorigen avond mijne opmerkzaamheid had getrokken. Ook herinnerde ik mij op eenmaal, dat Diana’s omgang met den priester even geheimzinnig was als hare betrekking tot Rashleigh. Nooit had zij mij Vaughan’s naam genoemd, zelfs niet eens ter loops, behalve bij onze eerste ontmoeting, toen zij mij en Rashleigh noemde, als de eenige gezellige wezens in het kasteel, behalve haar zelve. Niettegenstaande dit geheimzinnig zwijgen, had ik toch duidelijk genoeg bemerkt, dat bij des priesters komst op het kasteel Diana steeds angstig begon te beven; dit duurde dan zoo lang tot beiden met elkander eenige veelbeteekenende blikken gewisseld hadden.Welk geheim het ook zijn mocht, dat de lotgevallen van het schoone, aanminnige meisje omsluierde, zonder twijfel was de priester daarin betrokken. Had hij misschien last, haar in het klooster te brengen, wanneer zij het huwelijk met een van mijne neven van de hand wees? Dan liet zich hare heftige ontroering bij zijne komst zeer wel verklaren. Overigens schenen beiden weinig omgang met elkander te hebben en elkaar nooit te zoeken. Bestond er inderdaad een verbond tusschen hen, dan was het eene stille overeenkomst, die hunne handelingen leidde, zonder dat zij de hulp der taal noodig hadden. Toch had ik, naar ik mij herinnerde, soms opgemerkt, dat zij elkander teekens gaven, welke ik toenmaals slechts voor wenken over het in acht nemen van dezen of genen geloofsplicht had gehouden. Ik had wel gehoord, hoe listig de Katholieke priesters ten allen tijde en overal hun invloed op de gemoederen van hunne leeken weten te handhaven. Maar nu was ik geneigd, aan die stomme taal eene meer gewichtige beteekenis toe te kennen. Had hij geheime bijeenkomsten met Diana in de boekenkamer? Dat was de vraag, die mij bezig hield. En als dat werkelijk zoo was, met welk oogmerk? En waarom had zij den vertrouweling van Rashleigh zulk een onbepaald vertrouwen geschonken?Al die vragen en twijfelingen werden voor mij des te belangrijker, naarmate het mij onmogelijk scheen, ze te beantwoorden of op te lossen. Reeds was ik begonnen te vermoeden, dat mijne vriendschap voor Diana niet zoo geheel onbaatzuchtig was, als ze naar de regels der voorzichtigheid had behooren te zijn. Reeds was ik jaloersch op den verachtelijken Thorncliff geworden en had ik aan zijne ellendige pogingen om mij te tergen mij veel sterker gestoord dan hij eigenlijk verdiende. Maar nu begon ik Diana’s gedrag met zoo scherpe blikken na te vorschen, dat ik mij te vergeefs van loutere nieuwsgierigheid trachtte te overtuigen. Er waren onbetwistbare kenteekenen, dat ik verliefd was. Wel wilde mijne, reeds niet meer onpartijdige rede standvastig blijven ontkennen, dat ik mij aan eene zoo onbezonnene neiging had overgegeven. Maar ik was als een onkundige wegwijzer, die eerst de reizigers en zich zelven op een dwaalweg bracht, dan eigenzinnig beweerde,dat het onmogelijk is, dat hij den weg niet zou kennen en verdwaald zijn. »Neen”—zeide ik—»ik ben niet verdwaald” … Toch was het zoo.

HOOFDSTUK XV.Van waar komt gij? wie zijt gij?Milton.Ik kon den ganschen nacht niet slapen. Het vernomen nieuws hield mij aanhoudend bezig. Mijne eerste aandrift was, zoo spoedig mogelijk naar Londen terug te keeren, en in persoon den laster te logenstraffen, waarmede men mijn goeden naam beklad had. Maar ik kwam spoedig hiervan terug. Geen ongehoorzaamheid mocht ik jegens mijn vader, integendeel, zijn hulp inroepen. Mijn vader was in zijne beslissingen, vooral waar het de zijnen betrof, onbuigzaam streng maar rechtvaardig. Zijne ervaring maakte hem alleszins geschikt, om alle noodige stappen ten behoeve mijner vrijspreking te doen. Daar hij tevens met de voornaamsteWhig-ministersbekend was, behoefde het hem weinig moeite te kosten, wegens mijne zaak gehoor te erlangen. Ik oordeelde het dus ’t veiligst, mijne geheele geschiedenis in een aan hem gericht verhaal bloot te leggen. Van het kasteel werden slechts zeer zelden brieven behoorlijk op de post bezorgd. Ik besloot dus mij later naar de naburige stad te begeven en mijn brief daar zelf te bezorgen.Het had me reeds bevreemd dat ik, na eene afwezigheid van verscheidene weken, te vergeefs op brieven van mijn vader of Owen gewacht had, ofschoon Rashleigh zijn vader reeds zijne behouden aankomst in Londen en het vriendelijk onthaal ten huize van zijn oom gemeld had. Ofschoon ik nu ook gaarne wilde toestemmen dat ik mij mijns vaders ontevredenheid berokkend had, meende ik toch geenszins te verdienen, zoo geheel door hem vergeten te worden. Toen ik hem in mijn brief het avontuur met Morris getrouw verhaald had, betuigde ik in hartelijke bewoordingen mijne hoop en mijn wensch, om door eenige regels schrift van hem verblijd te worden, al ware het slechts om in eene zoo pijnlijke en moeilijke zaak, waarin mijne eigen geringe ondervinding mij niet met voldoende zekerheid leiden kon, zijn raad en leiding te genieten. Ik kon het niet over mij verkrijgen, er op aan te dringen dat hij mij vergunnen zou, weer voor goed naar Londen terug te keeren. Maar ik verborg dien tegenzin onder eene voorgewende onderwerping aan mijns vaders wil. Toen ik mij zelven die gehoorzaamheid als grondige reden voorstelde, om niet op mijn vertrek uit het kasteel aan te dringen,geloofde ik dat mijn vader het insgelijks daarvoor zou houden. Voor korten tijd zou ik wel wenschen naar Londen terug te mogen komen, schreef ik echter mijn vader om den schandelijken laster te wederleggen, dien men zoo onverdiend te mijnen opzichte verspreid had.Dezen brief, waarin ik den ernstigen wensch om mijn goeden naam te redden zoo zonderling in overeenstemming bracht met mijn verlangen hier te blijven, maakte ik gereed, vervolgens reed ik naar het postkantoor van het naaste stadje. Daar vond ik een schrijven van mijn vriend Owen, dat ik anders veel later ontvangen zou hebben. Het luidde:Waarde mijnheer Frans!»Ik heb uwe minzame regels door de goedheid van den heer R. Osbaldistone in orde ontvangen en den inhoud vernomen. Wij zullen gaarne den heer R. Osbaldistone alle beleefdheden bewijzen, die in ons vermogen zijn, en hebben Zijn Ed. reeds de Bank en het Tolkantoor laten zien. Zijn Ed. schijnt een verstandig, werkzaam jongmensch te zijn. Met veel ijver wijdt hij zich aan de zaken en zal dus de firma van veel dienst zijn. Wij hadden trouwens wel gewenscht dat zeker iemand dezen weg had willen bewandelen. Maar Gods wil geschiede! Uit hoofdea costi cassamisschien zeldzaam mocht zijn, gelieve UEd. wel te verontschuldigen, dat ik u inliggende wissel zend, betaalbaar zes dagen na zicht, op de Heeren Hooper en Girder te Newcastle, waarde 100 pd., die, twijfel ik niet, behoorlijk zal gehonoreerd worden.»Verblijve waarde mijnheer Frans, met verschuldigde hoogachtingUEds. dw. dienaar,Joseph Owen.P.S.»Ik hoop, dat UEd. de richtige ontvangst dezes mij zult gelieven te melden. Wij betreuren, dat wij van UEd. zoo weinig te hooren krijgen. Mijnheer uw vader beweert steeds heel wel te zijn, maar ziet er niet best uit.”Het bevreemdde mij, dat Owen volstrekt geen melding maakte van den vertrouwelijken brief, dien ik hem geschreven had, om hem met Rashleigh’s karakter voorloopig bekend te maken. Hij moest dien toch wel ontvangen hebben. Weliswaar had ik den brief met de gewone gelegenheid dadelijk van het kasteel afgezonden; maar er was voor mij geen reden, te vermoeden, dat hij onder weg zou kunnen verloren raken. In het postkantoor schreef ik dadelijk eenige regels aan Owen, waarin ik den voor mijn vader en mij zoo gewichtigen inhoud van mijn vroegeren brief herhaalde, en mijn braven vriend dringend verzocht, mij ten spoedigste te berichten, of hij dien ontvangen had. Terwijl ik er een paar woorden over de ontvangst van den wissel bijvoegde, dacht ik bij mij zelven hoe zonderling het was, dat mijn vader zijn boekhouder inmijne behoeften liet voorzien; maar, dacht ik tevens, misschien hebben zij dit met elkander afgesproken. In elk geval was Owen ongehuwd, voor zijn stand bemiddeld en mij zoo hartelijk genegen, dat ik geene zwarigheid maakte, hem eene kleine som schuldig te zijn. Ik besloot, ze hem zoo spoedig mogelijk in dank terug te geven, zoo dit niet reeds door mijn vader mocht geschied zijn. In dezen zin schreef ik aan Owen over de zaak. Een koopman in het stadje, dien de postmeester mij aanwees, betaalde mij gaarne het bedrag van den wissel in goud. Veel rijker dan ik vertrokken was, kwam ik op het kasteel terug. Dit was mij lang niet onverschillig, want de inhoud van mijne beurs, door de reiskosten reeds sterk verminderd, was bijna geheel uitgeput.Bij mijne terugkomst was mijn oom met al zijne zonen naar het dorpje Trinlay-Knowes vertrokken, ten einde, zooals de tuinman zich uitdrukte, het vermaak te genieten, een paar hanen op dood en leven te zien vechten.»Een wreed vermaak!” zeide ik. »In Schotland kent gij het, meen ik, niet!”»Neen, neen!” hernam Andries, maar hij trok zijne ontkenning terstond weder in, toen hij er bijvoegde: »behalve op de Paaschdagen. Wel beschouwd, is er ook niet veel aan gelegen, wat de lui met hunne hanen doen. Want dat vee giert en krabt in de tuinen, dat men bijna niets in den grond kan houden. Hm! ik zou wel eens willen weten, waarom dat torenpoortje daar ginds open staat. Rashleigh is immers vertrokken; die kan er dus niet zijn.”Het torenpoortje, door den tuinman bedoeld, kwam in den tuin uit aan den voet van een wenteltrap, die naar Rashleigh’s kamers leidde, terwijl deze weder met de overige gedeelten van het kasteel door een donkere gewelfde gang, even als de boekenkamer door eene zijdeur, vereenigd waren. Een lang, smal graspad leidde tusschen twee hooge steekpalm-heggen, van dat torenpoortje naar een achterdeurtje in dentuinmuur. Langs dezen weg kon Rashleigh, van wiens doen en laten zijne nabestaanden niets wisten, naar welgevallen het kasteel verlaten of terugkeeren, zonder dat het opgemerkt werd. Sedert zijn vertrek werd van die trap en dat poortje volstrekt geen gebruik meer gemaakt, en deze omstandigheid zette niet weinig belangrijkheid aan des tuinmans aanmerking bij.»Hebt gij dat poortje dikwijls open gevonden?” vroeg ik.»Niet dikwijls,” antwoordde Andries, »maar toch reeds een paar maal. Ik geloof dat de priester het geopend heeft, die pater Vaughan, zoo als zij hem noemen. Van de dienstboden betreedt niemand die trap: die arme sukkels zijn bang voor spoken en hansworsten uit de andere wereld. Maar vader Vaughan meent, dat de spoken hem geen kwaad zullen doen. Maar weet u wat ik zeg, de armzaligste predikant bij ons in Schotland verbant een spook tweemaal zoo gauw als de priester met zijn wijwater en zijne afgodische kluchten. Ik geloof ook niet, dat hij ver in het Latijn is. Want hij verstaat mij nauwelijks, als ik hem de geleerde namen der planten noem.”Van pater Vaughan, die in het kasteel Osbaldistone en in de woningen van eenige Katholieke edellieden in den omtrek voor het heil der zielen zorgde, heb ik nog niets gezegd, daar ik hem nog slechts zelden gezien had. Hij was ongeveer zestig jaren oud, en naar ik meen, uit een voornaam geslacht in Schotland afkomstig. Van een alleszins onbesproken gedrag, werd hij door de Katholieken van Northumberland als een braaf en waardig man geëerd. Ook bezat hij al het eigenaardige, waardoor zijn stand zich onderscheidt. Er lag op zijn gelaat iets geheimzinnigs, wat in de oogen van een Protestant naar priesterbedrog geleek. De bewoners van het kasteel Osbaldistone koesterden veel meer vrees, of ten minste eerbied, dan genegenheid voor hem.Het was bekend, dat hij hunne drinkpartijen ten sterkste afkeurde: want zoolang als hij zich op het kasteel bevond, leefde men daar veel matiger. Ja bij zulke gelegenheden deed zelfs mijn oom zich ten opzichte van zijn gedrag bepaald dwang aan; daarom was dan ook het bezoek van den priester hem eer lastig dan aangenaam. Pater Vaughan toonde in zijn gedrag dat fijne innemende en vleiende, hetwelk den leeraars van zijn geloof, bijzonder in Engeland, zoo eigen is. Immers de Katholieke leek, door strafwetten, door de beperking van zijn geloof, door de vermaningen van zijn geestelijke belemmerd, is in het verkeer met Protestanten dikwerf achterhoudend, ja bijna vreesachtig. De priester daarentegen, wien zijn stand vergunt, met lieden van alle geloofsbelijdenis te verkeeren, is gul, vroolijk en vrij in den omgang. Hij tracht zich aangenaam te maken, wat hem door zijne slimheid ook meestal gelukt.Pater Vaughan was een vertrouweling van Rashleigh. Anders had hij zich, geloof ik, bezwaarlijk in het kasteel kunnen handhaven. Deze omstandigheid kon zeker in mij geene neiging wekken, kennis met hem te maken. En daar hij zich evenmin voorkomend jegens mij gedroeg, bepaalde zich onze omgang, als wij elkander nu en dan toevallig ontmoetten,tot een wederzijdschen koelen groet. Het kwam mij zeer waarschijnlijk voor, dat de priester, gedurende zijn verblijf op het kasteel, Rashleigh’s kamer bewoonde. Van een man van zijn stand mocht men tevens verwachten, dat hij soms de boekenkamer bezocht. Niets natuurlijker dus, dan dat het zijn licht was, dat den vorigen avond mijne opmerkzaamheid had getrokken. Ook herinnerde ik mij op eenmaal, dat Diana’s omgang met den priester even geheimzinnig was als hare betrekking tot Rashleigh. Nooit had zij mij Vaughan’s naam genoemd, zelfs niet eens ter loops, behalve bij onze eerste ontmoeting, toen zij mij en Rashleigh noemde, als de eenige gezellige wezens in het kasteel, behalve haar zelve. Niettegenstaande dit geheimzinnig zwijgen, had ik toch duidelijk genoeg bemerkt, dat bij des priesters komst op het kasteel Diana steeds angstig begon te beven; dit duurde dan zoo lang tot beiden met elkander eenige veelbeteekenende blikken gewisseld hadden.Welk geheim het ook zijn mocht, dat de lotgevallen van het schoone, aanminnige meisje omsluierde, zonder twijfel was de priester daarin betrokken. Had hij misschien last, haar in het klooster te brengen, wanneer zij het huwelijk met een van mijne neven van de hand wees? Dan liet zich hare heftige ontroering bij zijne komst zeer wel verklaren. Overigens schenen beiden weinig omgang met elkander te hebben en elkaar nooit te zoeken. Bestond er inderdaad een verbond tusschen hen, dan was het eene stille overeenkomst, die hunne handelingen leidde, zonder dat zij de hulp der taal noodig hadden. Toch had ik, naar ik mij herinnerde, soms opgemerkt, dat zij elkander teekens gaven, welke ik toenmaals slechts voor wenken over het in acht nemen van dezen of genen geloofsplicht had gehouden. Ik had wel gehoord, hoe listig de Katholieke priesters ten allen tijde en overal hun invloed op de gemoederen van hunne leeken weten te handhaven. Maar nu was ik geneigd, aan die stomme taal eene meer gewichtige beteekenis toe te kennen. Had hij geheime bijeenkomsten met Diana in de boekenkamer? Dat was de vraag, die mij bezig hield. En als dat werkelijk zoo was, met welk oogmerk? En waarom had zij den vertrouweling van Rashleigh zulk een onbepaald vertrouwen geschonken?Al die vragen en twijfelingen werden voor mij des te belangrijker, naarmate het mij onmogelijk scheen, ze te beantwoorden of op te lossen. Reeds was ik begonnen te vermoeden, dat mijne vriendschap voor Diana niet zoo geheel onbaatzuchtig was, als ze naar de regels der voorzichtigheid had behooren te zijn. Reeds was ik jaloersch op den verachtelijken Thorncliff geworden en had ik aan zijne ellendige pogingen om mij te tergen mij veel sterker gestoord dan hij eigenlijk verdiende. Maar nu begon ik Diana’s gedrag met zoo scherpe blikken na te vorschen, dat ik mij te vergeefs van loutere nieuwsgierigheid trachtte te overtuigen. Er waren onbetwistbare kenteekenen, dat ik verliefd was. Wel wilde mijne, reeds niet meer onpartijdige rede standvastig blijven ontkennen, dat ik mij aan eene zoo onbezonnene neiging had overgegeven. Maar ik was als een onkundige wegwijzer, die eerst de reizigers en zich zelven op een dwaalweg bracht, dan eigenzinnig beweerde,dat het onmogelijk is, dat hij den weg niet zou kennen en verdwaald zijn. »Neen”—zeide ik—»ik ben niet verdwaald” … Toch was het zoo.

HOOFDSTUK XV.Van waar komt gij? wie zijt gij?Milton.

Van waar komt gij? wie zijt gij?Milton.

Van waar komt gij? wie zijt gij?

Van waar komt gij? wie zijt gij?

Milton.

Ik kon den ganschen nacht niet slapen. Het vernomen nieuws hield mij aanhoudend bezig. Mijne eerste aandrift was, zoo spoedig mogelijk naar Londen terug te keeren, en in persoon den laster te logenstraffen, waarmede men mijn goeden naam beklad had. Maar ik kwam spoedig hiervan terug. Geen ongehoorzaamheid mocht ik jegens mijn vader, integendeel, zijn hulp inroepen. Mijn vader was in zijne beslissingen, vooral waar het de zijnen betrof, onbuigzaam streng maar rechtvaardig. Zijne ervaring maakte hem alleszins geschikt, om alle noodige stappen ten behoeve mijner vrijspreking te doen. Daar hij tevens met de voornaamsteWhig-ministersbekend was, behoefde het hem weinig moeite te kosten, wegens mijne zaak gehoor te erlangen. Ik oordeelde het dus ’t veiligst, mijne geheele geschiedenis in een aan hem gericht verhaal bloot te leggen. Van het kasteel werden slechts zeer zelden brieven behoorlijk op de post bezorgd. Ik besloot dus mij later naar de naburige stad te begeven en mijn brief daar zelf te bezorgen.Het had me reeds bevreemd dat ik, na eene afwezigheid van verscheidene weken, te vergeefs op brieven van mijn vader of Owen gewacht had, ofschoon Rashleigh zijn vader reeds zijne behouden aankomst in Londen en het vriendelijk onthaal ten huize van zijn oom gemeld had. Ofschoon ik nu ook gaarne wilde toestemmen dat ik mij mijns vaders ontevredenheid berokkend had, meende ik toch geenszins te verdienen, zoo geheel door hem vergeten te worden. Toen ik hem in mijn brief het avontuur met Morris getrouw verhaald had, betuigde ik in hartelijke bewoordingen mijne hoop en mijn wensch, om door eenige regels schrift van hem verblijd te worden, al ware het slechts om in eene zoo pijnlijke en moeilijke zaak, waarin mijne eigen geringe ondervinding mij niet met voldoende zekerheid leiden kon, zijn raad en leiding te genieten. Ik kon het niet over mij verkrijgen, er op aan te dringen dat hij mij vergunnen zou, weer voor goed naar Londen terug te keeren. Maar ik verborg dien tegenzin onder eene voorgewende onderwerping aan mijns vaders wil. Toen ik mij zelven die gehoorzaamheid als grondige reden voorstelde, om niet op mijn vertrek uit het kasteel aan te dringen,geloofde ik dat mijn vader het insgelijks daarvoor zou houden. Voor korten tijd zou ik wel wenschen naar Londen terug te mogen komen, schreef ik echter mijn vader om den schandelijken laster te wederleggen, dien men zoo onverdiend te mijnen opzichte verspreid had.Dezen brief, waarin ik den ernstigen wensch om mijn goeden naam te redden zoo zonderling in overeenstemming bracht met mijn verlangen hier te blijven, maakte ik gereed, vervolgens reed ik naar het postkantoor van het naaste stadje. Daar vond ik een schrijven van mijn vriend Owen, dat ik anders veel later ontvangen zou hebben. Het luidde:Waarde mijnheer Frans!»Ik heb uwe minzame regels door de goedheid van den heer R. Osbaldistone in orde ontvangen en den inhoud vernomen. Wij zullen gaarne den heer R. Osbaldistone alle beleefdheden bewijzen, die in ons vermogen zijn, en hebben Zijn Ed. reeds de Bank en het Tolkantoor laten zien. Zijn Ed. schijnt een verstandig, werkzaam jongmensch te zijn. Met veel ijver wijdt hij zich aan de zaken en zal dus de firma van veel dienst zijn. Wij hadden trouwens wel gewenscht dat zeker iemand dezen weg had willen bewandelen. Maar Gods wil geschiede! Uit hoofdea costi cassamisschien zeldzaam mocht zijn, gelieve UEd. wel te verontschuldigen, dat ik u inliggende wissel zend, betaalbaar zes dagen na zicht, op de Heeren Hooper en Girder te Newcastle, waarde 100 pd., die, twijfel ik niet, behoorlijk zal gehonoreerd worden.»Verblijve waarde mijnheer Frans, met verschuldigde hoogachtingUEds. dw. dienaar,Joseph Owen.P.S.»Ik hoop, dat UEd. de richtige ontvangst dezes mij zult gelieven te melden. Wij betreuren, dat wij van UEd. zoo weinig te hooren krijgen. Mijnheer uw vader beweert steeds heel wel te zijn, maar ziet er niet best uit.”Het bevreemdde mij, dat Owen volstrekt geen melding maakte van den vertrouwelijken brief, dien ik hem geschreven had, om hem met Rashleigh’s karakter voorloopig bekend te maken. Hij moest dien toch wel ontvangen hebben. Weliswaar had ik den brief met de gewone gelegenheid dadelijk van het kasteel afgezonden; maar er was voor mij geen reden, te vermoeden, dat hij onder weg zou kunnen verloren raken. In het postkantoor schreef ik dadelijk eenige regels aan Owen, waarin ik den voor mijn vader en mij zoo gewichtigen inhoud van mijn vroegeren brief herhaalde, en mijn braven vriend dringend verzocht, mij ten spoedigste te berichten, of hij dien ontvangen had. Terwijl ik er een paar woorden over de ontvangst van den wissel bijvoegde, dacht ik bij mij zelven hoe zonderling het was, dat mijn vader zijn boekhouder inmijne behoeften liet voorzien; maar, dacht ik tevens, misschien hebben zij dit met elkander afgesproken. In elk geval was Owen ongehuwd, voor zijn stand bemiddeld en mij zoo hartelijk genegen, dat ik geene zwarigheid maakte, hem eene kleine som schuldig te zijn. Ik besloot, ze hem zoo spoedig mogelijk in dank terug te geven, zoo dit niet reeds door mijn vader mocht geschied zijn. In dezen zin schreef ik aan Owen over de zaak. Een koopman in het stadje, dien de postmeester mij aanwees, betaalde mij gaarne het bedrag van den wissel in goud. Veel rijker dan ik vertrokken was, kwam ik op het kasteel terug. Dit was mij lang niet onverschillig, want de inhoud van mijne beurs, door de reiskosten reeds sterk verminderd, was bijna geheel uitgeput.Bij mijne terugkomst was mijn oom met al zijne zonen naar het dorpje Trinlay-Knowes vertrokken, ten einde, zooals de tuinman zich uitdrukte, het vermaak te genieten, een paar hanen op dood en leven te zien vechten.»Een wreed vermaak!” zeide ik. »In Schotland kent gij het, meen ik, niet!”»Neen, neen!” hernam Andries, maar hij trok zijne ontkenning terstond weder in, toen hij er bijvoegde: »behalve op de Paaschdagen. Wel beschouwd, is er ook niet veel aan gelegen, wat de lui met hunne hanen doen. Want dat vee giert en krabt in de tuinen, dat men bijna niets in den grond kan houden. Hm! ik zou wel eens willen weten, waarom dat torenpoortje daar ginds open staat. Rashleigh is immers vertrokken; die kan er dus niet zijn.”Het torenpoortje, door den tuinman bedoeld, kwam in den tuin uit aan den voet van een wenteltrap, die naar Rashleigh’s kamers leidde, terwijl deze weder met de overige gedeelten van het kasteel door een donkere gewelfde gang, even als de boekenkamer door eene zijdeur, vereenigd waren. Een lang, smal graspad leidde tusschen twee hooge steekpalm-heggen, van dat torenpoortje naar een achterdeurtje in dentuinmuur. Langs dezen weg kon Rashleigh, van wiens doen en laten zijne nabestaanden niets wisten, naar welgevallen het kasteel verlaten of terugkeeren, zonder dat het opgemerkt werd. Sedert zijn vertrek werd van die trap en dat poortje volstrekt geen gebruik meer gemaakt, en deze omstandigheid zette niet weinig belangrijkheid aan des tuinmans aanmerking bij.»Hebt gij dat poortje dikwijls open gevonden?” vroeg ik.»Niet dikwijls,” antwoordde Andries, »maar toch reeds een paar maal. Ik geloof dat de priester het geopend heeft, die pater Vaughan, zoo als zij hem noemen. Van de dienstboden betreedt niemand die trap: die arme sukkels zijn bang voor spoken en hansworsten uit de andere wereld. Maar vader Vaughan meent, dat de spoken hem geen kwaad zullen doen. Maar weet u wat ik zeg, de armzaligste predikant bij ons in Schotland verbant een spook tweemaal zoo gauw als de priester met zijn wijwater en zijne afgodische kluchten. Ik geloof ook niet, dat hij ver in het Latijn is. Want hij verstaat mij nauwelijks, als ik hem de geleerde namen der planten noem.”Van pater Vaughan, die in het kasteel Osbaldistone en in de woningen van eenige Katholieke edellieden in den omtrek voor het heil der zielen zorgde, heb ik nog niets gezegd, daar ik hem nog slechts zelden gezien had. Hij was ongeveer zestig jaren oud, en naar ik meen, uit een voornaam geslacht in Schotland afkomstig. Van een alleszins onbesproken gedrag, werd hij door de Katholieken van Northumberland als een braaf en waardig man geëerd. Ook bezat hij al het eigenaardige, waardoor zijn stand zich onderscheidt. Er lag op zijn gelaat iets geheimzinnigs, wat in de oogen van een Protestant naar priesterbedrog geleek. De bewoners van het kasteel Osbaldistone koesterden veel meer vrees, of ten minste eerbied, dan genegenheid voor hem.Het was bekend, dat hij hunne drinkpartijen ten sterkste afkeurde: want zoolang als hij zich op het kasteel bevond, leefde men daar veel matiger. Ja bij zulke gelegenheden deed zelfs mijn oom zich ten opzichte van zijn gedrag bepaald dwang aan; daarom was dan ook het bezoek van den priester hem eer lastig dan aangenaam. Pater Vaughan toonde in zijn gedrag dat fijne innemende en vleiende, hetwelk den leeraars van zijn geloof, bijzonder in Engeland, zoo eigen is. Immers de Katholieke leek, door strafwetten, door de beperking van zijn geloof, door de vermaningen van zijn geestelijke belemmerd, is in het verkeer met Protestanten dikwerf achterhoudend, ja bijna vreesachtig. De priester daarentegen, wien zijn stand vergunt, met lieden van alle geloofsbelijdenis te verkeeren, is gul, vroolijk en vrij in den omgang. Hij tracht zich aangenaam te maken, wat hem door zijne slimheid ook meestal gelukt.Pater Vaughan was een vertrouweling van Rashleigh. Anders had hij zich, geloof ik, bezwaarlijk in het kasteel kunnen handhaven. Deze omstandigheid kon zeker in mij geene neiging wekken, kennis met hem te maken. En daar hij zich evenmin voorkomend jegens mij gedroeg, bepaalde zich onze omgang, als wij elkander nu en dan toevallig ontmoetten,tot een wederzijdschen koelen groet. Het kwam mij zeer waarschijnlijk voor, dat de priester, gedurende zijn verblijf op het kasteel, Rashleigh’s kamer bewoonde. Van een man van zijn stand mocht men tevens verwachten, dat hij soms de boekenkamer bezocht. Niets natuurlijker dus, dan dat het zijn licht was, dat den vorigen avond mijne opmerkzaamheid had getrokken. Ook herinnerde ik mij op eenmaal, dat Diana’s omgang met den priester even geheimzinnig was als hare betrekking tot Rashleigh. Nooit had zij mij Vaughan’s naam genoemd, zelfs niet eens ter loops, behalve bij onze eerste ontmoeting, toen zij mij en Rashleigh noemde, als de eenige gezellige wezens in het kasteel, behalve haar zelve. Niettegenstaande dit geheimzinnig zwijgen, had ik toch duidelijk genoeg bemerkt, dat bij des priesters komst op het kasteel Diana steeds angstig begon te beven; dit duurde dan zoo lang tot beiden met elkander eenige veelbeteekenende blikken gewisseld hadden.Welk geheim het ook zijn mocht, dat de lotgevallen van het schoone, aanminnige meisje omsluierde, zonder twijfel was de priester daarin betrokken. Had hij misschien last, haar in het klooster te brengen, wanneer zij het huwelijk met een van mijne neven van de hand wees? Dan liet zich hare heftige ontroering bij zijne komst zeer wel verklaren. Overigens schenen beiden weinig omgang met elkander te hebben en elkaar nooit te zoeken. Bestond er inderdaad een verbond tusschen hen, dan was het eene stille overeenkomst, die hunne handelingen leidde, zonder dat zij de hulp der taal noodig hadden. Toch had ik, naar ik mij herinnerde, soms opgemerkt, dat zij elkander teekens gaven, welke ik toenmaals slechts voor wenken over het in acht nemen van dezen of genen geloofsplicht had gehouden. Ik had wel gehoord, hoe listig de Katholieke priesters ten allen tijde en overal hun invloed op de gemoederen van hunne leeken weten te handhaven. Maar nu was ik geneigd, aan die stomme taal eene meer gewichtige beteekenis toe te kennen. Had hij geheime bijeenkomsten met Diana in de boekenkamer? Dat was de vraag, die mij bezig hield. En als dat werkelijk zoo was, met welk oogmerk? En waarom had zij den vertrouweling van Rashleigh zulk een onbepaald vertrouwen geschonken?Al die vragen en twijfelingen werden voor mij des te belangrijker, naarmate het mij onmogelijk scheen, ze te beantwoorden of op te lossen. Reeds was ik begonnen te vermoeden, dat mijne vriendschap voor Diana niet zoo geheel onbaatzuchtig was, als ze naar de regels der voorzichtigheid had behooren te zijn. Reeds was ik jaloersch op den verachtelijken Thorncliff geworden en had ik aan zijne ellendige pogingen om mij te tergen mij veel sterker gestoord dan hij eigenlijk verdiende. Maar nu begon ik Diana’s gedrag met zoo scherpe blikken na te vorschen, dat ik mij te vergeefs van loutere nieuwsgierigheid trachtte te overtuigen. Er waren onbetwistbare kenteekenen, dat ik verliefd was. Wel wilde mijne, reeds niet meer onpartijdige rede standvastig blijven ontkennen, dat ik mij aan eene zoo onbezonnene neiging had overgegeven. Maar ik was als een onkundige wegwijzer, die eerst de reizigers en zich zelven op een dwaalweg bracht, dan eigenzinnig beweerde,dat het onmogelijk is, dat hij den weg niet zou kennen en verdwaald zijn. »Neen”—zeide ik—»ik ben niet verdwaald” … Toch was het zoo.

Ik kon den ganschen nacht niet slapen. Het vernomen nieuws hield mij aanhoudend bezig. Mijne eerste aandrift was, zoo spoedig mogelijk naar Londen terug te keeren, en in persoon den laster te logenstraffen, waarmede men mijn goeden naam beklad had. Maar ik kwam spoedig hiervan terug. Geen ongehoorzaamheid mocht ik jegens mijn vader, integendeel, zijn hulp inroepen. Mijn vader was in zijne beslissingen, vooral waar het de zijnen betrof, onbuigzaam streng maar rechtvaardig. Zijne ervaring maakte hem alleszins geschikt, om alle noodige stappen ten behoeve mijner vrijspreking te doen. Daar hij tevens met de voornaamsteWhig-ministersbekend was, behoefde het hem weinig moeite te kosten, wegens mijne zaak gehoor te erlangen. Ik oordeelde het dus ’t veiligst, mijne geheele geschiedenis in een aan hem gericht verhaal bloot te leggen. Van het kasteel werden slechts zeer zelden brieven behoorlijk op de post bezorgd. Ik besloot dus mij later naar de naburige stad te begeven en mijn brief daar zelf te bezorgen.

Het had me reeds bevreemd dat ik, na eene afwezigheid van verscheidene weken, te vergeefs op brieven van mijn vader of Owen gewacht had, ofschoon Rashleigh zijn vader reeds zijne behouden aankomst in Londen en het vriendelijk onthaal ten huize van zijn oom gemeld had. Ofschoon ik nu ook gaarne wilde toestemmen dat ik mij mijns vaders ontevredenheid berokkend had, meende ik toch geenszins te verdienen, zoo geheel door hem vergeten te worden. Toen ik hem in mijn brief het avontuur met Morris getrouw verhaald had, betuigde ik in hartelijke bewoordingen mijne hoop en mijn wensch, om door eenige regels schrift van hem verblijd te worden, al ware het slechts om in eene zoo pijnlijke en moeilijke zaak, waarin mijne eigen geringe ondervinding mij niet met voldoende zekerheid leiden kon, zijn raad en leiding te genieten. Ik kon het niet over mij verkrijgen, er op aan te dringen dat hij mij vergunnen zou, weer voor goed naar Londen terug te keeren. Maar ik verborg dien tegenzin onder eene voorgewende onderwerping aan mijns vaders wil. Toen ik mij zelven die gehoorzaamheid als grondige reden voorstelde, om niet op mijn vertrek uit het kasteel aan te dringen,geloofde ik dat mijn vader het insgelijks daarvoor zou houden. Voor korten tijd zou ik wel wenschen naar Londen terug te mogen komen, schreef ik echter mijn vader om den schandelijken laster te wederleggen, dien men zoo onverdiend te mijnen opzichte verspreid had.

Dezen brief, waarin ik den ernstigen wensch om mijn goeden naam te redden zoo zonderling in overeenstemming bracht met mijn verlangen hier te blijven, maakte ik gereed, vervolgens reed ik naar het postkantoor van het naaste stadje. Daar vond ik een schrijven van mijn vriend Owen, dat ik anders veel later ontvangen zou hebben. Het luidde:

Waarde mijnheer Frans!»Ik heb uwe minzame regels door de goedheid van den heer R. Osbaldistone in orde ontvangen en den inhoud vernomen. Wij zullen gaarne den heer R. Osbaldistone alle beleefdheden bewijzen, die in ons vermogen zijn, en hebben Zijn Ed. reeds de Bank en het Tolkantoor laten zien. Zijn Ed. schijnt een verstandig, werkzaam jongmensch te zijn. Met veel ijver wijdt hij zich aan de zaken en zal dus de firma van veel dienst zijn. Wij hadden trouwens wel gewenscht dat zeker iemand dezen weg had willen bewandelen. Maar Gods wil geschiede! Uit hoofdea costi cassamisschien zeldzaam mocht zijn, gelieve UEd. wel te verontschuldigen, dat ik u inliggende wissel zend, betaalbaar zes dagen na zicht, op de Heeren Hooper en Girder te Newcastle, waarde 100 pd., die, twijfel ik niet, behoorlijk zal gehonoreerd worden.»Verblijve waarde mijnheer Frans, met verschuldigde hoogachtingUEds. dw. dienaar,Joseph Owen.P.S.»Ik hoop, dat UEd. de richtige ontvangst dezes mij zult gelieven te melden. Wij betreuren, dat wij van UEd. zoo weinig te hooren krijgen. Mijnheer uw vader beweert steeds heel wel te zijn, maar ziet er niet best uit.”

Waarde mijnheer Frans!

»Ik heb uwe minzame regels door de goedheid van den heer R. Osbaldistone in orde ontvangen en den inhoud vernomen. Wij zullen gaarne den heer R. Osbaldistone alle beleefdheden bewijzen, die in ons vermogen zijn, en hebben Zijn Ed. reeds de Bank en het Tolkantoor laten zien. Zijn Ed. schijnt een verstandig, werkzaam jongmensch te zijn. Met veel ijver wijdt hij zich aan de zaken en zal dus de firma van veel dienst zijn. Wij hadden trouwens wel gewenscht dat zeker iemand dezen weg had willen bewandelen. Maar Gods wil geschiede! Uit hoofdea costi cassamisschien zeldzaam mocht zijn, gelieve UEd. wel te verontschuldigen, dat ik u inliggende wissel zend, betaalbaar zes dagen na zicht, op de Heeren Hooper en Girder te Newcastle, waarde 100 pd., die, twijfel ik niet, behoorlijk zal gehonoreerd worden.

»Verblijve waarde mijnheer Frans, met verschuldigde hoogachting

UEds. dw. dienaar,Joseph Owen.

P.S.»Ik hoop, dat UEd. de richtige ontvangst dezes mij zult gelieven te melden. Wij betreuren, dat wij van UEd. zoo weinig te hooren krijgen. Mijnheer uw vader beweert steeds heel wel te zijn, maar ziet er niet best uit.”

Het bevreemdde mij, dat Owen volstrekt geen melding maakte van den vertrouwelijken brief, dien ik hem geschreven had, om hem met Rashleigh’s karakter voorloopig bekend te maken. Hij moest dien toch wel ontvangen hebben. Weliswaar had ik den brief met de gewone gelegenheid dadelijk van het kasteel afgezonden; maar er was voor mij geen reden, te vermoeden, dat hij onder weg zou kunnen verloren raken. In het postkantoor schreef ik dadelijk eenige regels aan Owen, waarin ik den voor mijn vader en mij zoo gewichtigen inhoud van mijn vroegeren brief herhaalde, en mijn braven vriend dringend verzocht, mij ten spoedigste te berichten, of hij dien ontvangen had. Terwijl ik er een paar woorden over de ontvangst van den wissel bijvoegde, dacht ik bij mij zelven hoe zonderling het was, dat mijn vader zijn boekhouder inmijne behoeften liet voorzien; maar, dacht ik tevens, misschien hebben zij dit met elkander afgesproken. In elk geval was Owen ongehuwd, voor zijn stand bemiddeld en mij zoo hartelijk genegen, dat ik geene zwarigheid maakte, hem eene kleine som schuldig te zijn. Ik besloot, ze hem zoo spoedig mogelijk in dank terug te geven, zoo dit niet reeds door mijn vader mocht geschied zijn. In dezen zin schreef ik aan Owen over de zaak. Een koopman in het stadje, dien de postmeester mij aanwees, betaalde mij gaarne het bedrag van den wissel in goud. Veel rijker dan ik vertrokken was, kwam ik op het kasteel terug. Dit was mij lang niet onverschillig, want de inhoud van mijne beurs, door de reiskosten reeds sterk verminderd, was bijna geheel uitgeput.

Bij mijne terugkomst was mijn oom met al zijne zonen naar het dorpje Trinlay-Knowes vertrokken, ten einde, zooals de tuinman zich uitdrukte, het vermaak te genieten, een paar hanen op dood en leven te zien vechten.

»Een wreed vermaak!” zeide ik. »In Schotland kent gij het, meen ik, niet!”

»Neen, neen!” hernam Andries, maar hij trok zijne ontkenning terstond weder in, toen hij er bijvoegde: »behalve op de Paaschdagen. Wel beschouwd, is er ook niet veel aan gelegen, wat de lui met hunne hanen doen. Want dat vee giert en krabt in de tuinen, dat men bijna niets in den grond kan houden. Hm! ik zou wel eens willen weten, waarom dat torenpoortje daar ginds open staat. Rashleigh is immers vertrokken; die kan er dus niet zijn.”

Het torenpoortje, door den tuinman bedoeld, kwam in den tuin uit aan den voet van een wenteltrap, die naar Rashleigh’s kamers leidde, terwijl deze weder met de overige gedeelten van het kasteel door een donkere gewelfde gang, even als de boekenkamer door eene zijdeur, vereenigd waren. Een lang, smal graspad leidde tusschen twee hooge steekpalm-heggen, van dat torenpoortje naar een achterdeurtje in dentuinmuur. Langs dezen weg kon Rashleigh, van wiens doen en laten zijne nabestaanden niets wisten, naar welgevallen het kasteel verlaten of terugkeeren, zonder dat het opgemerkt werd. Sedert zijn vertrek werd van die trap en dat poortje volstrekt geen gebruik meer gemaakt, en deze omstandigheid zette niet weinig belangrijkheid aan des tuinmans aanmerking bij.

»Hebt gij dat poortje dikwijls open gevonden?” vroeg ik.

»Niet dikwijls,” antwoordde Andries, »maar toch reeds een paar maal. Ik geloof dat de priester het geopend heeft, die pater Vaughan, zoo als zij hem noemen. Van de dienstboden betreedt niemand die trap: die arme sukkels zijn bang voor spoken en hansworsten uit de andere wereld. Maar vader Vaughan meent, dat de spoken hem geen kwaad zullen doen. Maar weet u wat ik zeg, de armzaligste predikant bij ons in Schotland verbant een spook tweemaal zoo gauw als de priester met zijn wijwater en zijne afgodische kluchten. Ik geloof ook niet, dat hij ver in het Latijn is. Want hij verstaat mij nauwelijks, als ik hem de geleerde namen der planten noem.”

Van pater Vaughan, die in het kasteel Osbaldistone en in de woningen van eenige Katholieke edellieden in den omtrek voor het heil der zielen zorgde, heb ik nog niets gezegd, daar ik hem nog slechts zelden gezien had. Hij was ongeveer zestig jaren oud, en naar ik meen, uit een voornaam geslacht in Schotland afkomstig. Van een alleszins onbesproken gedrag, werd hij door de Katholieken van Northumberland als een braaf en waardig man geëerd. Ook bezat hij al het eigenaardige, waardoor zijn stand zich onderscheidt. Er lag op zijn gelaat iets geheimzinnigs, wat in de oogen van een Protestant naar priesterbedrog geleek. De bewoners van het kasteel Osbaldistone koesterden veel meer vrees, of ten minste eerbied, dan genegenheid voor hem.

Het was bekend, dat hij hunne drinkpartijen ten sterkste afkeurde: want zoolang als hij zich op het kasteel bevond, leefde men daar veel matiger. Ja bij zulke gelegenheden deed zelfs mijn oom zich ten opzichte van zijn gedrag bepaald dwang aan; daarom was dan ook het bezoek van den priester hem eer lastig dan aangenaam. Pater Vaughan toonde in zijn gedrag dat fijne innemende en vleiende, hetwelk den leeraars van zijn geloof, bijzonder in Engeland, zoo eigen is. Immers de Katholieke leek, door strafwetten, door de beperking van zijn geloof, door de vermaningen van zijn geestelijke belemmerd, is in het verkeer met Protestanten dikwerf achterhoudend, ja bijna vreesachtig. De priester daarentegen, wien zijn stand vergunt, met lieden van alle geloofsbelijdenis te verkeeren, is gul, vroolijk en vrij in den omgang. Hij tracht zich aangenaam te maken, wat hem door zijne slimheid ook meestal gelukt.

Pater Vaughan was een vertrouweling van Rashleigh. Anders had hij zich, geloof ik, bezwaarlijk in het kasteel kunnen handhaven. Deze omstandigheid kon zeker in mij geene neiging wekken, kennis met hem te maken. En daar hij zich evenmin voorkomend jegens mij gedroeg, bepaalde zich onze omgang, als wij elkander nu en dan toevallig ontmoetten,tot een wederzijdschen koelen groet. Het kwam mij zeer waarschijnlijk voor, dat de priester, gedurende zijn verblijf op het kasteel, Rashleigh’s kamer bewoonde. Van een man van zijn stand mocht men tevens verwachten, dat hij soms de boekenkamer bezocht. Niets natuurlijker dus, dan dat het zijn licht was, dat den vorigen avond mijne opmerkzaamheid had getrokken. Ook herinnerde ik mij op eenmaal, dat Diana’s omgang met den priester even geheimzinnig was als hare betrekking tot Rashleigh. Nooit had zij mij Vaughan’s naam genoemd, zelfs niet eens ter loops, behalve bij onze eerste ontmoeting, toen zij mij en Rashleigh noemde, als de eenige gezellige wezens in het kasteel, behalve haar zelve. Niettegenstaande dit geheimzinnig zwijgen, had ik toch duidelijk genoeg bemerkt, dat bij des priesters komst op het kasteel Diana steeds angstig begon te beven; dit duurde dan zoo lang tot beiden met elkander eenige veelbeteekenende blikken gewisseld hadden.

Welk geheim het ook zijn mocht, dat de lotgevallen van het schoone, aanminnige meisje omsluierde, zonder twijfel was de priester daarin betrokken. Had hij misschien last, haar in het klooster te brengen, wanneer zij het huwelijk met een van mijne neven van de hand wees? Dan liet zich hare heftige ontroering bij zijne komst zeer wel verklaren. Overigens schenen beiden weinig omgang met elkander te hebben en elkaar nooit te zoeken. Bestond er inderdaad een verbond tusschen hen, dan was het eene stille overeenkomst, die hunne handelingen leidde, zonder dat zij de hulp der taal noodig hadden. Toch had ik, naar ik mij herinnerde, soms opgemerkt, dat zij elkander teekens gaven, welke ik toenmaals slechts voor wenken over het in acht nemen van dezen of genen geloofsplicht had gehouden. Ik had wel gehoord, hoe listig de Katholieke priesters ten allen tijde en overal hun invloed op de gemoederen van hunne leeken weten te handhaven. Maar nu was ik geneigd, aan die stomme taal eene meer gewichtige beteekenis toe te kennen. Had hij geheime bijeenkomsten met Diana in de boekenkamer? Dat was de vraag, die mij bezig hield. En als dat werkelijk zoo was, met welk oogmerk? En waarom had zij den vertrouweling van Rashleigh zulk een onbepaald vertrouwen geschonken?

Al die vragen en twijfelingen werden voor mij des te belangrijker, naarmate het mij onmogelijk scheen, ze te beantwoorden of op te lossen. Reeds was ik begonnen te vermoeden, dat mijne vriendschap voor Diana niet zoo geheel onbaatzuchtig was, als ze naar de regels der voorzichtigheid had behooren te zijn. Reeds was ik jaloersch op den verachtelijken Thorncliff geworden en had ik aan zijne ellendige pogingen om mij te tergen mij veel sterker gestoord dan hij eigenlijk verdiende. Maar nu begon ik Diana’s gedrag met zoo scherpe blikken na te vorschen, dat ik mij te vergeefs van loutere nieuwsgierigheid trachtte te overtuigen. Er waren onbetwistbare kenteekenen, dat ik verliefd was. Wel wilde mijne, reeds niet meer onpartijdige rede standvastig blijven ontkennen, dat ik mij aan eene zoo onbezonnene neiging had overgegeven. Maar ik was als een onkundige wegwijzer, die eerst de reizigers en zich zelven op een dwaalweg bracht, dan eigenzinnig beweerde,dat het onmogelijk is, dat hij den weg niet zou kennen en verdwaald zijn. »Neen”—zeide ik—»ik ben niet verdwaald” … Toch was het zoo.


Back to IndexNext