HOOFDSTUK XIX.

HOOFDSTUK XIX.Zie ginds! die grijze kerkhofsmuur,Verweerd, gebrokkeld en gebogen,Daarachter slaapt des dichters geest,Des krijgsmans moed en menig minnend harte.Langhorne.Nauwelijks waren wij in de eerste Schotsche grensplaats aangekomen, of mijn gids ging heen tot een vriend en raadsman, om met hem te overleggen, op welke wijze hij langs rechtmatigen weg het paard zijn wettig eigendom zou kunnen noemen. Dat het dier thans nog niet zoo geheel wettig in zijn bezit was, gevoelde hij zelf zeer goed. Bij zijne terugkomst zag ik, tot mijn genoegen, uit zijne neerslachtige blikken, dat hij zich in zijne hoop teleurgesteld vond. Zijn vriend, jegens wien Andries zich misschien al te openhartig uitgelaten had, was sedert eenigen tijd griffier van den vrederechter geworden. Deze had hem verklaard, dat het paard in beslag genomen en tegen een voedergeld van twaalf shillings Schotsch daags bewaard moest worden, tot de vraag aangaande het recht van eigendom behoorlijk beslist zou zijn. Zelfs werd de persoonlijke vrijheid van den tuinman bedreigd, doch op zijn ootmoedig smeeken zag de griffier van dezen maatregel af en schonk hem zelfs een klein, droezig, kreupel paardje, om hem tot het voortzetten van zijne reis in staat te stellen. Doch daarvoor moest mijn reisgenoot hem zijne aanspraak op Thorncliff’s paard geheel afstaan, terwijl de rechtsgeleerde schertsend opmerkte, dat deze afstand geen offer was, daar hem toch ten laatste niet eens de halster van het paard zou overblijven.Daarbij verried Andries, toen ik het verhaal van al deze omstandigheden uitlokte, duidelijk zijne bekommering en verlegenheid. Hij moest bekennen, dat rechtsgeleerden overal rechtsgeleerden waren, en de Schotsche griffier geen haar beter was dan de griffier Jobson.»Had men hem,” zeide hij, »van rechtswege het paard ontnomen, dat hij zich met zooveel gevaar had weten te verschaffen, en zoo die afzetterij slechts door Engelschen gepleegd ware, zou hij niets te zeggen hebben. Maar hij vond het ongehoord, dat de eene kraai de andere de oogen uitpikte, en dat de eene eerlijke Schot den anderen bedroog.Maar wat zal ik er van zeggen!” voegde hij er op droevigen toon bij; »alles is in ons vaderland jammerlijk verbasterd sedert die ongelukkige Unie!”—Aan deze gebeurtenis schreef Andries namelijk elke verkeerdheid, elke verbastering toe, welke hij onder zijne landslieden bespeurde, inzonderheid de veel grootere rekeningen in de herbergen, de kleinere drankmaat en andere onaangenaamheden, waarop hij mij onderweg opmerkzaam maakte. Onder deze omstandigheden geloofde ik het mijne gedaan te hebben, toen ik mijn oom schreef, hoe het paard naar Schotland en aldaar in handen der gerechtigheid, of ten minste van de plaatsvervangers daarvan, gekomen was. Of de vossenjagers in Northumberland het terugkregen, of de Schotsche griffier het behouden heeft, behoort niet tot onze geschiedenis. Ik heb het ook niet onderzocht.Langzamer dan in den aanvang, gingen wij nu verder, in eene noord-westelijke richting voort. Toen eenige kale, woeste heuvels achter ons lagen, opende zich voor ons het vruchtbare dal van de Clyde. En weldra bereikten wij Glasgow, dat, naar ik hoor, in de laatste tijden den naam van grootestad, die mijn gids, als door een profetischen geest bezield, haar gaf, volkomen waardig is geworden. Een uitgebreide, steeds toenemende koophandel met de West-Indische en Amerikaansche koloniën heeft den grond tot rijkdom en welvaart gelegd. Als men nu dien grond goed bevestigt en verstandig daarop voortbouwt, dan kan zich hier eenmaal een hecht en schoon gebouw van handelswelvaart verheffen. In de tijden, van welke ik spreek, was het morgenrood van dien luister nog niet aangebroken. De Unie heeft den Schotten trouwens den handel met de Engelsche koloniën geopend; doch deels was aan gebrek aan geld, deels aan de ijverzucht der Engelschen te wijten, dat de Schotsche kooplieden voor het grootste gedeelte nog van het genot dier voorrechten verstoken waren, door dat gedenkwaardig verdrag hun verleend. Glasgow’s ligging begunstigde geenszins de deelneming aan den handel op het vasteland. Toch heeft de Unie den weinig beduidenden handel, welke toenmaals in Schotland gedreven werd, dadelijk verlevendigd. Hoe weinig hoop intusschen Glasgow destijds gaf, om die hoogte in den handel te bereiken, waartoe het zich thans schijnt te kunnen verheffen,—het was toch als hoofdplaats in het midden van het westelijke Schotland, reeds aanzienlijk en gewichtig. De breede Clyde, wier golven de muren der stad bespoelen, bevorderde een vrij levendige binnenlandsche scheepvaart. Men zag dat hier de hoofdstad was, zoowel van de omliggendevruchtbare vlakte, als van de districten van Ayr en Dumfries. De bewoners der omstreken brachten hunne voortbrengselen en kochten hier hunne benoodigdheden en allerlei voorwerpen.De sombere gebergten van het westelijke Hoogland zonden dikwerf hunne woeste stammen naar de markten dier stad. Kudden van wilde, ruigharige, kleine runderen en paarden, door Hooglanders geleid, die even wild en afzichtelijk waren als hunne dieren, zag men in talrijke menigte op straat. Met verrassing zagen vreemdelingen de ouderwetsche, zonderlinge dracht der bergbewoners, luisterden naar de ruwe, onbekende tonen dier taal, terwijl de Hooglanders—zelfs onder hunne vreedzame handelsbetrekkingen, met geweer, pistool, dolk en schild gewapend—met verbazing de voorwerpen van weelde aanstaarden, welker gebruik hun onbekend was, en met een schier verontrustende hebzucht naar die dingen keken, die zij nauwelijks kenden, noch wisten te waardeeren. De Hooglander verlaat ongaarne zijne woeste geboorteplaats, en in die vroegere tijden zou men eerder een pijnboom uit zijne rots kunnen rukken, dan hem overplanten. Doch reeds toen waren de dalen van het Hoogland, die later nu en dan door hongersnood en oorlog bezocht werden, zoo dicht bevolkt, dat zij zeer vele van hunne bewoners aan Glasgow konden afleveren, die zich daar met der woon nederzetten en door hunne nijverheid niet weinig tot vermeerdering van de welvaart der stad bijdroegen.Het uitwendige voorkomen der stad beantwoordde vrij wel aan deze veel belovende omstandigheden. De breede, aanzienlijke hoofdstraat had verscheidene openbare gebouwen. Maar de bouwtrant was eerder zonderling, dan gekenmerkt door goeden smaak. Men zag twee rijen hooge, steenen huizen, welker voorzijde somwijlen prachtig met metselwerk was versierd. Dit gaf aan de straat een edel en grootsch aanzien, dat men in de meeste Engelsche steden, wegens de broosheid der baksteenen waarvan zij gebouwd zijn, niet licht zal vinden.Het was op een Zondagmorgen, dat ik met mijn gids de stad binnenreed. Al de klokken der kerktorens luidden. De menigte menschen, die ter kerk gingen, getuigde van de plechtigheid van den dag. Wij stegen voor eene herberg af, waar men ons zeer minzaam en wellevend ontving. Mijne eerste gedachte was, Owen op te zoeken; maar op mijne navraag vernam ik, dat vóór het einde van de godsdienstoefening elke poging daartoe vruchteloos zou zijn. De kasteleines en mijn gids verzekerden mij eenparig, dat er ten huize van de heeren Mac-Vittie,Mac-Finen Co, aan wien ik geadresseerd was, geen levende ziel zou te vinden wezen. De heeren waren daar, waar het goede Christenen op Zondag betaamt te zijn.Andries, wiens afkeer van de rechtspleging in zijn vaderland zich gelukkig niet tot de andere instellingen van zijn geboortegrond uitstrekte, hield nu een lofrede op den predikant, die thans in de hoofdkerk den dienst waarnam, welke lofrede de kasteleines met de luidste verzekeringen bekrachtigde. Het gevolg daarvan was, dat ik besloot de beroemde kerk te bezoeken, meer in de hoop om iets omtrent Owen te vernemendan omdat ik bijzonder veel stichting verwachtte. Mijne hoop werd verhoogd door de mededeeling, dat de heer EphraimMac-Vittie, een zeer vroom man, niet alleen zelf in de kerk zou zijn, maar dat hij ook zekeren vreemdeling, die zijn gast was, daarheen moest medegenomen hebben.Onder het geleide van den tuinman begaf ik me dus weldra op weg. Ik zou zijn geleide ditmaal wel hebben kunnen ontberen, daar de dichte drommen menschen, die de steile, oneffene straat optrokken, om den beminden predikant te hooren, mij den weg reeds aanwezen. Toen wij den top van den heuvel bereikt hadden, kwamen wij met de overige kerkgangers door eene poort op het ruime kerkhof, dat de hoofdkerk van Glasgow omgeeft. De kerk zelve is een somber en juist niet zeer fraai gebouw van Gothische bouworde. Maar haar eigenaardig karakter is over het geheel zoo goed bewaard gebleven en past ook zoo volkomen bij hare omgeving, dat de indruk, dien ze bij het eerste gezicht maakt, in den hoogsten graad ernstig en plechtig is. Ja, ik was zoo sterk getroffen, dat ik de pogingen van mijn gids Andries, die mij in de kerk wilde trekken, eenige minuten weerstond, ten einde ze van den buitenkant met aandacht te beschouwen.Het gebouw ligt zeer afgezonderd. Hooge muren scheiden de kerk van den eenen kant van de gebouwen der volkrijke stad, terwijl zij aan den anderen kant door een hollen weg wordt begrensd, door welks bijna onzichtbare diepte een beekje murmelt. Dit gedruisch draagt bij om de verhevene uitwerking van het geheel nog te vermeerderen. Aan gene zijde van den hollen weg verheft zich eene steile hoogte, die met pijnboomen bedekt is, welker donkere schaduwen somber op het kerkhof vallen. Het kerkhof levert weder een ander eigenaardig gezicht op. De talrijke graven zijn met zerken bedekt. Nergens is ruimte voor het woekerende gras, dat gewoonlijk dergelijke plaatsenbekleedt. De zeer breede, vlakke gedenksteenen liggen dicht naast elkander en ofschoon aan den invloed van het weer blootgesteld, gelijken zij den met grafschriften bedekten bodem van sommige oude Engelsche kerken. De inhoud van deze sombere gedenkteekenen der vergankelijkheid; de vruchtelooze droefheid, welke zij verkondigen; de ernstige les, welke zij omtrent de nietigheid van al het aardsche geven; de wijde vlakte, welke zij dekken—alles herinnerde mij die rol van den heiligen Profeet, die van binnen en van buiten beschreven was, en er stond echter niets anders in dan klachten, rouw en wee!Ik zeide reeds dat de hoofdkerk zelve in hare statige verhevenheid met al hetgene wat haar omringt volmaakt overeenstemt; een log gebouw. Doch men gevoelt, dat het karakter van het geheel bedorven zou zijn, indien het lichter en sierlijker ware. Zij is, met uitzondering van de kerk Kirkwall op de Orkadische eilanden, de eenige kerk in Schotland, die onaangerand de tijden der hervorming overleefd heeft. Andries, die met zichtbaren trots bemerkte welken diepen indruk het gebouw op mij maakte, bleef niet in gebreke mij alles te verhalen, wat hem bekend was van de omstandigheden dezer gelukkige ontsnapping aan het lot, dat toenmaals alle andere kerken getroffen had.—»Ja,” zeide hij, »het is een fraaie kerk, dat moet men toestemmen. Geen krullen, geen Paapsche pronkerij, maar alles hecht en sterk. Als dit gebouw vrij blijft van verwoestende menschenhanden en van het verwoestende buskruit, dan kan het dáár staan, zoo lang de wereld staat. Bijna zou het haar gegaan zijn, als het de kerken van St. Andreas, Perth en andere steden is gegaan, in de tijden der hervorming. Men wilde ze zuiveren van den Paapschen inboedel, koorhemden en andere lorren van de Papisterij, die op de zeven heuvels van Rome zit, alsof één heuvel niet groot genoeg voor haar ware. Op een mooien morgen kwamen ze uit de gemeente van Renfrew en andere plaatsen, en wilden deze kerk insgelijks van al dat ellendige tuig schoon vegen. Maar de burgers van Glasgow waren van meening, dat zulk eene sterke opruiming hunne oude kerk misschien kwalijk zou bekomen. Toen luidden zij de stormklok, roerden de trommen, riepen alles te wapen, en trokken uit, om liever met die schoonmakende gemeenten te plukharen, dan hunne dierbare kerk te laten verwoesten. Het was echter niet uit liefde voor de Papisterij—neen, dat kan niemand Glasgow’s burgers nageven. Ten slotte kwamen zij overeen, dat de afgodische beelden der zoogenaamde Heiligen—God behoede er ons voor!—er uit zouden gehaald worden. Die steenen afgoden werden in stukken geslagen, gelijk de Schrift uitdrukkelijk beveelt, en in het water geworpen. En de oude eerwaardige kerk stond daar, zoo glad en zuiver als een kat, wanneer haar de vlooien uitgekamd zijn. En elk braaf Christenmensen was volkomen tevreden. Vele verstandige lieden heb ik hooren zeggen dat, als men met de andere kerken in Schotland ook zoo gehandeld had, de hervorming even onbesmet zou gebleven zijn, als ze thans is, en wij alsdan meer kerken van een echt Christelijk aanzien zouden hebben. Ja, ik ben lang genoeg in Engeland geweest en ik vergeet het zeker niet,dat de hondenstal in het kasteel Osbaldistone veel beter is dan menig Godshuis in Schotland.”En met die woorden was Andries de kerk binnengetreden.

HOOFDSTUK XIX.Zie ginds! die grijze kerkhofsmuur,Verweerd, gebrokkeld en gebogen,Daarachter slaapt des dichters geest,Des krijgsmans moed en menig minnend harte.Langhorne.Nauwelijks waren wij in de eerste Schotsche grensplaats aangekomen, of mijn gids ging heen tot een vriend en raadsman, om met hem te overleggen, op welke wijze hij langs rechtmatigen weg het paard zijn wettig eigendom zou kunnen noemen. Dat het dier thans nog niet zoo geheel wettig in zijn bezit was, gevoelde hij zelf zeer goed. Bij zijne terugkomst zag ik, tot mijn genoegen, uit zijne neerslachtige blikken, dat hij zich in zijne hoop teleurgesteld vond. Zijn vriend, jegens wien Andries zich misschien al te openhartig uitgelaten had, was sedert eenigen tijd griffier van den vrederechter geworden. Deze had hem verklaard, dat het paard in beslag genomen en tegen een voedergeld van twaalf shillings Schotsch daags bewaard moest worden, tot de vraag aangaande het recht van eigendom behoorlijk beslist zou zijn. Zelfs werd de persoonlijke vrijheid van den tuinman bedreigd, doch op zijn ootmoedig smeeken zag de griffier van dezen maatregel af en schonk hem zelfs een klein, droezig, kreupel paardje, om hem tot het voortzetten van zijne reis in staat te stellen. Doch daarvoor moest mijn reisgenoot hem zijne aanspraak op Thorncliff’s paard geheel afstaan, terwijl de rechtsgeleerde schertsend opmerkte, dat deze afstand geen offer was, daar hem toch ten laatste niet eens de halster van het paard zou overblijven.Daarbij verried Andries, toen ik het verhaal van al deze omstandigheden uitlokte, duidelijk zijne bekommering en verlegenheid. Hij moest bekennen, dat rechtsgeleerden overal rechtsgeleerden waren, en de Schotsche griffier geen haar beter was dan de griffier Jobson.»Had men hem,” zeide hij, »van rechtswege het paard ontnomen, dat hij zich met zooveel gevaar had weten te verschaffen, en zoo die afzetterij slechts door Engelschen gepleegd ware, zou hij niets te zeggen hebben. Maar hij vond het ongehoord, dat de eene kraai de andere de oogen uitpikte, en dat de eene eerlijke Schot den anderen bedroog.Maar wat zal ik er van zeggen!” voegde hij er op droevigen toon bij; »alles is in ons vaderland jammerlijk verbasterd sedert die ongelukkige Unie!”—Aan deze gebeurtenis schreef Andries namelijk elke verkeerdheid, elke verbastering toe, welke hij onder zijne landslieden bespeurde, inzonderheid de veel grootere rekeningen in de herbergen, de kleinere drankmaat en andere onaangenaamheden, waarop hij mij onderweg opmerkzaam maakte. Onder deze omstandigheden geloofde ik het mijne gedaan te hebben, toen ik mijn oom schreef, hoe het paard naar Schotland en aldaar in handen der gerechtigheid, of ten minste van de plaatsvervangers daarvan, gekomen was. Of de vossenjagers in Northumberland het terugkregen, of de Schotsche griffier het behouden heeft, behoort niet tot onze geschiedenis. Ik heb het ook niet onderzocht.Langzamer dan in den aanvang, gingen wij nu verder, in eene noord-westelijke richting voort. Toen eenige kale, woeste heuvels achter ons lagen, opende zich voor ons het vruchtbare dal van de Clyde. En weldra bereikten wij Glasgow, dat, naar ik hoor, in de laatste tijden den naam van grootestad, die mijn gids, als door een profetischen geest bezield, haar gaf, volkomen waardig is geworden. Een uitgebreide, steeds toenemende koophandel met de West-Indische en Amerikaansche koloniën heeft den grond tot rijkdom en welvaart gelegd. Als men nu dien grond goed bevestigt en verstandig daarop voortbouwt, dan kan zich hier eenmaal een hecht en schoon gebouw van handelswelvaart verheffen. In de tijden, van welke ik spreek, was het morgenrood van dien luister nog niet aangebroken. De Unie heeft den Schotten trouwens den handel met de Engelsche koloniën geopend; doch deels was aan gebrek aan geld, deels aan de ijverzucht der Engelschen te wijten, dat de Schotsche kooplieden voor het grootste gedeelte nog van het genot dier voorrechten verstoken waren, door dat gedenkwaardig verdrag hun verleend. Glasgow’s ligging begunstigde geenszins de deelneming aan den handel op het vasteland. Toch heeft de Unie den weinig beduidenden handel, welke toenmaals in Schotland gedreven werd, dadelijk verlevendigd. Hoe weinig hoop intusschen Glasgow destijds gaf, om die hoogte in den handel te bereiken, waartoe het zich thans schijnt te kunnen verheffen,—het was toch als hoofdplaats in het midden van het westelijke Schotland, reeds aanzienlijk en gewichtig. De breede Clyde, wier golven de muren der stad bespoelen, bevorderde een vrij levendige binnenlandsche scheepvaart. Men zag dat hier de hoofdstad was, zoowel van de omliggendevruchtbare vlakte, als van de districten van Ayr en Dumfries. De bewoners der omstreken brachten hunne voortbrengselen en kochten hier hunne benoodigdheden en allerlei voorwerpen.De sombere gebergten van het westelijke Hoogland zonden dikwerf hunne woeste stammen naar de markten dier stad. Kudden van wilde, ruigharige, kleine runderen en paarden, door Hooglanders geleid, die even wild en afzichtelijk waren als hunne dieren, zag men in talrijke menigte op straat. Met verrassing zagen vreemdelingen de ouderwetsche, zonderlinge dracht der bergbewoners, luisterden naar de ruwe, onbekende tonen dier taal, terwijl de Hooglanders—zelfs onder hunne vreedzame handelsbetrekkingen, met geweer, pistool, dolk en schild gewapend—met verbazing de voorwerpen van weelde aanstaarden, welker gebruik hun onbekend was, en met een schier verontrustende hebzucht naar die dingen keken, die zij nauwelijks kenden, noch wisten te waardeeren. De Hooglander verlaat ongaarne zijne woeste geboorteplaats, en in die vroegere tijden zou men eerder een pijnboom uit zijne rots kunnen rukken, dan hem overplanten. Doch reeds toen waren de dalen van het Hoogland, die later nu en dan door hongersnood en oorlog bezocht werden, zoo dicht bevolkt, dat zij zeer vele van hunne bewoners aan Glasgow konden afleveren, die zich daar met der woon nederzetten en door hunne nijverheid niet weinig tot vermeerdering van de welvaart der stad bijdroegen.Het uitwendige voorkomen der stad beantwoordde vrij wel aan deze veel belovende omstandigheden. De breede, aanzienlijke hoofdstraat had verscheidene openbare gebouwen. Maar de bouwtrant was eerder zonderling, dan gekenmerkt door goeden smaak. Men zag twee rijen hooge, steenen huizen, welker voorzijde somwijlen prachtig met metselwerk was versierd. Dit gaf aan de straat een edel en grootsch aanzien, dat men in de meeste Engelsche steden, wegens de broosheid der baksteenen waarvan zij gebouwd zijn, niet licht zal vinden.Het was op een Zondagmorgen, dat ik met mijn gids de stad binnenreed. Al de klokken der kerktorens luidden. De menigte menschen, die ter kerk gingen, getuigde van de plechtigheid van den dag. Wij stegen voor eene herberg af, waar men ons zeer minzaam en wellevend ontving. Mijne eerste gedachte was, Owen op te zoeken; maar op mijne navraag vernam ik, dat vóór het einde van de godsdienstoefening elke poging daartoe vruchteloos zou zijn. De kasteleines en mijn gids verzekerden mij eenparig, dat er ten huize van de heeren Mac-Vittie,Mac-Finen Co, aan wien ik geadresseerd was, geen levende ziel zou te vinden wezen. De heeren waren daar, waar het goede Christenen op Zondag betaamt te zijn.Andries, wiens afkeer van de rechtspleging in zijn vaderland zich gelukkig niet tot de andere instellingen van zijn geboortegrond uitstrekte, hield nu een lofrede op den predikant, die thans in de hoofdkerk den dienst waarnam, welke lofrede de kasteleines met de luidste verzekeringen bekrachtigde. Het gevolg daarvan was, dat ik besloot de beroemde kerk te bezoeken, meer in de hoop om iets omtrent Owen te vernemendan omdat ik bijzonder veel stichting verwachtte. Mijne hoop werd verhoogd door de mededeeling, dat de heer EphraimMac-Vittie, een zeer vroom man, niet alleen zelf in de kerk zou zijn, maar dat hij ook zekeren vreemdeling, die zijn gast was, daarheen moest medegenomen hebben.Onder het geleide van den tuinman begaf ik me dus weldra op weg. Ik zou zijn geleide ditmaal wel hebben kunnen ontberen, daar de dichte drommen menschen, die de steile, oneffene straat optrokken, om den beminden predikant te hooren, mij den weg reeds aanwezen. Toen wij den top van den heuvel bereikt hadden, kwamen wij met de overige kerkgangers door eene poort op het ruime kerkhof, dat de hoofdkerk van Glasgow omgeeft. De kerk zelve is een somber en juist niet zeer fraai gebouw van Gothische bouworde. Maar haar eigenaardig karakter is over het geheel zoo goed bewaard gebleven en past ook zoo volkomen bij hare omgeving, dat de indruk, dien ze bij het eerste gezicht maakt, in den hoogsten graad ernstig en plechtig is. Ja, ik was zoo sterk getroffen, dat ik de pogingen van mijn gids Andries, die mij in de kerk wilde trekken, eenige minuten weerstond, ten einde ze van den buitenkant met aandacht te beschouwen.Het gebouw ligt zeer afgezonderd. Hooge muren scheiden de kerk van den eenen kant van de gebouwen der volkrijke stad, terwijl zij aan den anderen kant door een hollen weg wordt begrensd, door welks bijna onzichtbare diepte een beekje murmelt. Dit gedruisch draagt bij om de verhevene uitwerking van het geheel nog te vermeerderen. Aan gene zijde van den hollen weg verheft zich eene steile hoogte, die met pijnboomen bedekt is, welker donkere schaduwen somber op het kerkhof vallen. Het kerkhof levert weder een ander eigenaardig gezicht op. De talrijke graven zijn met zerken bedekt. Nergens is ruimte voor het woekerende gras, dat gewoonlijk dergelijke plaatsenbekleedt. De zeer breede, vlakke gedenksteenen liggen dicht naast elkander en ofschoon aan den invloed van het weer blootgesteld, gelijken zij den met grafschriften bedekten bodem van sommige oude Engelsche kerken. De inhoud van deze sombere gedenkteekenen der vergankelijkheid; de vruchtelooze droefheid, welke zij verkondigen; de ernstige les, welke zij omtrent de nietigheid van al het aardsche geven; de wijde vlakte, welke zij dekken—alles herinnerde mij die rol van den heiligen Profeet, die van binnen en van buiten beschreven was, en er stond echter niets anders in dan klachten, rouw en wee!Ik zeide reeds dat de hoofdkerk zelve in hare statige verhevenheid met al hetgene wat haar omringt volmaakt overeenstemt; een log gebouw. Doch men gevoelt, dat het karakter van het geheel bedorven zou zijn, indien het lichter en sierlijker ware. Zij is, met uitzondering van de kerk Kirkwall op de Orkadische eilanden, de eenige kerk in Schotland, die onaangerand de tijden der hervorming overleefd heeft. Andries, die met zichtbaren trots bemerkte welken diepen indruk het gebouw op mij maakte, bleef niet in gebreke mij alles te verhalen, wat hem bekend was van de omstandigheden dezer gelukkige ontsnapping aan het lot, dat toenmaals alle andere kerken getroffen had.—»Ja,” zeide hij, »het is een fraaie kerk, dat moet men toestemmen. Geen krullen, geen Paapsche pronkerij, maar alles hecht en sterk. Als dit gebouw vrij blijft van verwoestende menschenhanden en van het verwoestende buskruit, dan kan het dáár staan, zoo lang de wereld staat. Bijna zou het haar gegaan zijn, als het de kerken van St. Andreas, Perth en andere steden is gegaan, in de tijden der hervorming. Men wilde ze zuiveren van den Paapschen inboedel, koorhemden en andere lorren van de Papisterij, die op de zeven heuvels van Rome zit, alsof één heuvel niet groot genoeg voor haar ware. Op een mooien morgen kwamen ze uit de gemeente van Renfrew en andere plaatsen, en wilden deze kerk insgelijks van al dat ellendige tuig schoon vegen. Maar de burgers van Glasgow waren van meening, dat zulk eene sterke opruiming hunne oude kerk misschien kwalijk zou bekomen. Toen luidden zij de stormklok, roerden de trommen, riepen alles te wapen, en trokken uit, om liever met die schoonmakende gemeenten te plukharen, dan hunne dierbare kerk te laten verwoesten. Het was echter niet uit liefde voor de Papisterij—neen, dat kan niemand Glasgow’s burgers nageven. Ten slotte kwamen zij overeen, dat de afgodische beelden der zoogenaamde Heiligen—God behoede er ons voor!—er uit zouden gehaald worden. Die steenen afgoden werden in stukken geslagen, gelijk de Schrift uitdrukkelijk beveelt, en in het water geworpen. En de oude eerwaardige kerk stond daar, zoo glad en zuiver als een kat, wanneer haar de vlooien uitgekamd zijn. En elk braaf Christenmensen was volkomen tevreden. Vele verstandige lieden heb ik hooren zeggen dat, als men met de andere kerken in Schotland ook zoo gehandeld had, de hervorming even onbesmet zou gebleven zijn, als ze thans is, en wij alsdan meer kerken van een echt Christelijk aanzien zouden hebben. Ja, ik ben lang genoeg in Engeland geweest en ik vergeet het zeker niet,dat de hondenstal in het kasteel Osbaldistone veel beter is dan menig Godshuis in Schotland.”En met die woorden was Andries de kerk binnengetreden.

HOOFDSTUK XIX.Zie ginds! die grijze kerkhofsmuur,Verweerd, gebrokkeld en gebogen,Daarachter slaapt des dichters geest,Des krijgsmans moed en menig minnend harte.Langhorne.

Zie ginds! die grijze kerkhofsmuur,Verweerd, gebrokkeld en gebogen,Daarachter slaapt des dichters geest,Des krijgsmans moed en menig minnend harte.Langhorne.

Zie ginds! die grijze kerkhofsmuur,Verweerd, gebrokkeld en gebogen,Daarachter slaapt des dichters geest,Des krijgsmans moed en menig minnend harte.

Zie ginds! die grijze kerkhofsmuur,

Verweerd, gebrokkeld en gebogen,

Daarachter slaapt des dichters geest,

Des krijgsmans moed en menig minnend harte.

Langhorne.

Nauwelijks waren wij in de eerste Schotsche grensplaats aangekomen, of mijn gids ging heen tot een vriend en raadsman, om met hem te overleggen, op welke wijze hij langs rechtmatigen weg het paard zijn wettig eigendom zou kunnen noemen. Dat het dier thans nog niet zoo geheel wettig in zijn bezit was, gevoelde hij zelf zeer goed. Bij zijne terugkomst zag ik, tot mijn genoegen, uit zijne neerslachtige blikken, dat hij zich in zijne hoop teleurgesteld vond. Zijn vriend, jegens wien Andries zich misschien al te openhartig uitgelaten had, was sedert eenigen tijd griffier van den vrederechter geworden. Deze had hem verklaard, dat het paard in beslag genomen en tegen een voedergeld van twaalf shillings Schotsch daags bewaard moest worden, tot de vraag aangaande het recht van eigendom behoorlijk beslist zou zijn. Zelfs werd de persoonlijke vrijheid van den tuinman bedreigd, doch op zijn ootmoedig smeeken zag de griffier van dezen maatregel af en schonk hem zelfs een klein, droezig, kreupel paardje, om hem tot het voortzetten van zijne reis in staat te stellen. Doch daarvoor moest mijn reisgenoot hem zijne aanspraak op Thorncliff’s paard geheel afstaan, terwijl de rechtsgeleerde schertsend opmerkte, dat deze afstand geen offer was, daar hem toch ten laatste niet eens de halster van het paard zou overblijven.Daarbij verried Andries, toen ik het verhaal van al deze omstandigheden uitlokte, duidelijk zijne bekommering en verlegenheid. Hij moest bekennen, dat rechtsgeleerden overal rechtsgeleerden waren, en de Schotsche griffier geen haar beter was dan de griffier Jobson.»Had men hem,” zeide hij, »van rechtswege het paard ontnomen, dat hij zich met zooveel gevaar had weten te verschaffen, en zoo die afzetterij slechts door Engelschen gepleegd ware, zou hij niets te zeggen hebben. Maar hij vond het ongehoord, dat de eene kraai de andere de oogen uitpikte, en dat de eene eerlijke Schot den anderen bedroog.Maar wat zal ik er van zeggen!” voegde hij er op droevigen toon bij; »alles is in ons vaderland jammerlijk verbasterd sedert die ongelukkige Unie!”—Aan deze gebeurtenis schreef Andries namelijk elke verkeerdheid, elke verbastering toe, welke hij onder zijne landslieden bespeurde, inzonderheid de veel grootere rekeningen in de herbergen, de kleinere drankmaat en andere onaangenaamheden, waarop hij mij onderweg opmerkzaam maakte. Onder deze omstandigheden geloofde ik het mijne gedaan te hebben, toen ik mijn oom schreef, hoe het paard naar Schotland en aldaar in handen der gerechtigheid, of ten minste van de plaatsvervangers daarvan, gekomen was. Of de vossenjagers in Northumberland het terugkregen, of de Schotsche griffier het behouden heeft, behoort niet tot onze geschiedenis. Ik heb het ook niet onderzocht.Langzamer dan in den aanvang, gingen wij nu verder, in eene noord-westelijke richting voort. Toen eenige kale, woeste heuvels achter ons lagen, opende zich voor ons het vruchtbare dal van de Clyde. En weldra bereikten wij Glasgow, dat, naar ik hoor, in de laatste tijden den naam van grootestad, die mijn gids, als door een profetischen geest bezield, haar gaf, volkomen waardig is geworden. Een uitgebreide, steeds toenemende koophandel met de West-Indische en Amerikaansche koloniën heeft den grond tot rijkdom en welvaart gelegd. Als men nu dien grond goed bevestigt en verstandig daarop voortbouwt, dan kan zich hier eenmaal een hecht en schoon gebouw van handelswelvaart verheffen. In de tijden, van welke ik spreek, was het morgenrood van dien luister nog niet aangebroken. De Unie heeft den Schotten trouwens den handel met de Engelsche koloniën geopend; doch deels was aan gebrek aan geld, deels aan de ijverzucht der Engelschen te wijten, dat de Schotsche kooplieden voor het grootste gedeelte nog van het genot dier voorrechten verstoken waren, door dat gedenkwaardig verdrag hun verleend. Glasgow’s ligging begunstigde geenszins de deelneming aan den handel op het vasteland. Toch heeft de Unie den weinig beduidenden handel, welke toenmaals in Schotland gedreven werd, dadelijk verlevendigd. Hoe weinig hoop intusschen Glasgow destijds gaf, om die hoogte in den handel te bereiken, waartoe het zich thans schijnt te kunnen verheffen,—het was toch als hoofdplaats in het midden van het westelijke Schotland, reeds aanzienlijk en gewichtig. De breede Clyde, wier golven de muren der stad bespoelen, bevorderde een vrij levendige binnenlandsche scheepvaart. Men zag dat hier de hoofdstad was, zoowel van de omliggendevruchtbare vlakte, als van de districten van Ayr en Dumfries. De bewoners der omstreken brachten hunne voortbrengselen en kochten hier hunne benoodigdheden en allerlei voorwerpen.De sombere gebergten van het westelijke Hoogland zonden dikwerf hunne woeste stammen naar de markten dier stad. Kudden van wilde, ruigharige, kleine runderen en paarden, door Hooglanders geleid, die even wild en afzichtelijk waren als hunne dieren, zag men in talrijke menigte op straat. Met verrassing zagen vreemdelingen de ouderwetsche, zonderlinge dracht der bergbewoners, luisterden naar de ruwe, onbekende tonen dier taal, terwijl de Hooglanders—zelfs onder hunne vreedzame handelsbetrekkingen, met geweer, pistool, dolk en schild gewapend—met verbazing de voorwerpen van weelde aanstaarden, welker gebruik hun onbekend was, en met een schier verontrustende hebzucht naar die dingen keken, die zij nauwelijks kenden, noch wisten te waardeeren. De Hooglander verlaat ongaarne zijne woeste geboorteplaats, en in die vroegere tijden zou men eerder een pijnboom uit zijne rots kunnen rukken, dan hem overplanten. Doch reeds toen waren de dalen van het Hoogland, die later nu en dan door hongersnood en oorlog bezocht werden, zoo dicht bevolkt, dat zij zeer vele van hunne bewoners aan Glasgow konden afleveren, die zich daar met der woon nederzetten en door hunne nijverheid niet weinig tot vermeerdering van de welvaart der stad bijdroegen.Het uitwendige voorkomen der stad beantwoordde vrij wel aan deze veel belovende omstandigheden. De breede, aanzienlijke hoofdstraat had verscheidene openbare gebouwen. Maar de bouwtrant was eerder zonderling, dan gekenmerkt door goeden smaak. Men zag twee rijen hooge, steenen huizen, welker voorzijde somwijlen prachtig met metselwerk was versierd. Dit gaf aan de straat een edel en grootsch aanzien, dat men in de meeste Engelsche steden, wegens de broosheid der baksteenen waarvan zij gebouwd zijn, niet licht zal vinden.Het was op een Zondagmorgen, dat ik met mijn gids de stad binnenreed. Al de klokken der kerktorens luidden. De menigte menschen, die ter kerk gingen, getuigde van de plechtigheid van den dag. Wij stegen voor eene herberg af, waar men ons zeer minzaam en wellevend ontving. Mijne eerste gedachte was, Owen op te zoeken; maar op mijne navraag vernam ik, dat vóór het einde van de godsdienstoefening elke poging daartoe vruchteloos zou zijn. De kasteleines en mijn gids verzekerden mij eenparig, dat er ten huize van de heeren Mac-Vittie,Mac-Finen Co, aan wien ik geadresseerd was, geen levende ziel zou te vinden wezen. De heeren waren daar, waar het goede Christenen op Zondag betaamt te zijn.Andries, wiens afkeer van de rechtspleging in zijn vaderland zich gelukkig niet tot de andere instellingen van zijn geboortegrond uitstrekte, hield nu een lofrede op den predikant, die thans in de hoofdkerk den dienst waarnam, welke lofrede de kasteleines met de luidste verzekeringen bekrachtigde. Het gevolg daarvan was, dat ik besloot de beroemde kerk te bezoeken, meer in de hoop om iets omtrent Owen te vernemendan omdat ik bijzonder veel stichting verwachtte. Mijne hoop werd verhoogd door de mededeeling, dat de heer EphraimMac-Vittie, een zeer vroom man, niet alleen zelf in de kerk zou zijn, maar dat hij ook zekeren vreemdeling, die zijn gast was, daarheen moest medegenomen hebben.Onder het geleide van den tuinman begaf ik me dus weldra op weg. Ik zou zijn geleide ditmaal wel hebben kunnen ontberen, daar de dichte drommen menschen, die de steile, oneffene straat optrokken, om den beminden predikant te hooren, mij den weg reeds aanwezen. Toen wij den top van den heuvel bereikt hadden, kwamen wij met de overige kerkgangers door eene poort op het ruime kerkhof, dat de hoofdkerk van Glasgow omgeeft. De kerk zelve is een somber en juist niet zeer fraai gebouw van Gothische bouworde. Maar haar eigenaardig karakter is over het geheel zoo goed bewaard gebleven en past ook zoo volkomen bij hare omgeving, dat de indruk, dien ze bij het eerste gezicht maakt, in den hoogsten graad ernstig en plechtig is. Ja, ik was zoo sterk getroffen, dat ik de pogingen van mijn gids Andries, die mij in de kerk wilde trekken, eenige minuten weerstond, ten einde ze van den buitenkant met aandacht te beschouwen.Het gebouw ligt zeer afgezonderd. Hooge muren scheiden de kerk van den eenen kant van de gebouwen der volkrijke stad, terwijl zij aan den anderen kant door een hollen weg wordt begrensd, door welks bijna onzichtbare diepte een beekje murmelt. Dit gedruisch draagt bij om de verhevene uitwerking van het geheel nog te vermeerderen. Aan gene zijde van den hollen weg verheft zich eene steile hoogte, die met pijnboomen bedekt is, welker donkere schaduwen somber op het kerkhof vallen. Het kerkhof levert weder een ander eigenaardig gezicht op. De talrijke graven zijn met zerken bedekt. Nergens is ruimte voor het woekerende gras, dat gewoonlijk dergelijke plaatsenbekleedt. De zeer breede, vlakke gedenksteenen liggen dicht naast elkander en ofschoon aan den invloed van het weer blootgesteld, gelijken zij den met grafschriften bedekten bodem van sommige oude Engelsche kerken. De inhoud van deze sombere gedenkteekenen der vergankelijkheid; de vruchtelooze droefheid, welke zij verkondigen; de ernstige les, welke zij omtrent de nietigheid van al het aardsche geven; de wijde vlakte, welke zij dekken—alles herinnerde mij die rol van den heiligen Profeet, die van binnen en van buiten beschreven was, en er stond echter niets anders in dan klachten, rouw en wee!Ik zeide reeds dat de hoofdkerk zelve in hare statige verhevenheid met al hetgene wat haar omringt volmaakt overeenstemt; een log gebouw. Doch men gevoelt, dat het karakter van het geheel bedorven zou zijn, indien het lichter en sierlijker ware. Zij is, met uitzondering van de kerk Kirkwall op de Orkadische eilanden, de eenige kerk in Schotland, die onaangerand de tijden der hervorming overleefd heeft. Andries, die met zichtbaren trots bemerkte welken diepen indruk het gebouw op mij maakte, bleef niet in gebreke mij alles te verhalen, wat hem bekend was van de omstandigheden dezer gelukkige ontsnapping aan het lot, dat toenmaals alle andere kerken getroffen had.—»Ja,” zeide hij, »het is een fraaie kerk, dat moet men toestemmen. Geen krullen, geen Paapsche pronkerij, maar alles hecht en sterk. Als dit gebouw vrij blijft van verwoestende menschenhanden en van het verwoestende buskruit, dan kan het dáár staan, zoo lang de wereld staat. Bijna zou het haar gegaan zijn, als het de kerken van St. Andreas, Perth en andere steden is gegaan, in de tijden der hervorming. Men wilde ze zuiveren van den Paapschen inboedel, koorhemden en andere lorren van de Papisterij, die op de zeven heuvels van Rome zit, alsof één heuvel niet groot genoeg voor haar ware. Op een mooien morgen kwamen ze uit de gemeente van Renfrew en andere plaatsen, en wilden deze kerk insgelijks van al dat ellendige tuig schoon vegen. Maar de burgers van Glasgow waren van meening, dat zulk eene sterke opruiming hunne oude kerk misschien kwalijk zou bekomen. Toen luidden zij de stormklok, roerden de trommen, riepen alles te wapen, en trokken uit, om liever met die schoonmakende gemeenten te plukharen, dan hunne dierbare kerk te laten verwoesten. Het was echter niet uit liefde voor de Papisterij—neen, dat kan niemand Glasgow’s burgers nageven. Ten slotte kwamen zij overeen, dat de afgodische beelden der zoogenaamde Heiligen—God behoede er ons voor!—er uit zouden gehaald worden. Die steenen afgoden werden in stukken geslagen, gelijk de Schrift uitdrukkelijk beveelt, en in het water geworpen. En de oude eerwaardige kerk stond daar, zoo glad en zuiver als een kat, wanneer haar de vlooien uitgekamd zijn. En elk braaf Christenmensen was volkomen tevreden. Vele verstandige lieden heb ik hooren zeggen dat, als men met de andere kerken in Schotland ook zoo gehandeld had, de hervorming even onbesmet zou gebleven zijn, als ze thans is, en wij alsdan meer kerken van een echt Christelijk aanzien zouden hebben. Ja, ik ben lang genoeg in Engeland geweest en ik vergeet het zeker niet,dat de hondenstal in het kasteel Osbaldistone veel beter is dan menig Godshuis in Schotland.”En met die woorden was Andries de kerk binnengetreden.

Nauwelijks waren wij in de eerste Schotsche grensplaats aangekomen, of mijn gids ging heen tot een vriend en raadsman, om met hem te overleggen, op welke wijze hij langs rechtmatigen weg het paard zijn wettig eigendom zou kunnen noemen. Dat het dier thans nog niet zoo geheel wettig in zijn bezit was, gevoelde hij zelf zeer goed. Bij zijne terugkomst zag ik, tot mijn genoegen, uit zijne neerslachtige blikken, dat hij zich in zijne hoop teleurgesteld vond. Zijn vriend, jegens wien Andries zich misschien al te openhartig uitgelaten had, was sedert eenigen tijd griffier van den vrederechter geworden. Deze had hem verklaard, dat het paard in beslag genomen en tegen een voedergeld van twaalf shillings Schotsch daags bewaard moest worden, tot de vraag aangaande het recht van eigendom behoorlijk beslist zou zijn. Zelfs werd de persoonlijke vrijheid van den tuinman bedreigd, doch op zijn ootmoedig smeeken zag de griffier van dezen maatregel af en schonk hem zelfs een klein, droezig, kreupel paardje, om hem tot het voortzetten van zijne reis in staat te stellen. Doch daarvoor moest mijn reisgenoot hem zijne aanspraak op Thorncliff’s paard geheel afstaan, terwijl de rechtsgeleerde schertsend opmerkte, dat deze afstand geen offer was, daar hem toch ten laatste niet eens de halster van het paard zou overblijven.Daarbij verried Andries, toen ik het verhaal van al deze omstandigheden uitlokte, duidelijk zijne bekommering en verlegenheid. Hij moest bekennen, dat rechtsgeleerden overal rechtsgeleerden waren, en de Schotsche griffier geen haar beter was dan de griffier Jobson.

»Had men hem,” zeide hij, »van rechtswege het paard ontnomen, dat hij zich met zooveel gevaar had weten te verschaffen, en zoo die afzetterij slechts door Engelschen gepleegd ware, zou hij niets te zeggen hebben. Maar hij vond het ongehoord, dat de eene kraai de andere de oogen uitpikte, en dat de eene eerlijke Schot den anderen bedroog.Maar wat zal ik er van zeggen!” voegde hij er op droevigen toon bij; »alles is in ons vaderland jammerlijk verbasterd sedert die ongelukkige Unie!”—Aan deze gebeurtenis schreef Andries namelijk elke verkeerdheid, elke verbastering toe, welke hij onder zijne landslieden bespeurde, inzonderheid de veel grootere rekeningen in de herbergen, de kleinere drankmaat en andere onaangenaamheden, waarop hij mij onderweg opmerkzaam maakte. Onder deze omstandigheden geloofde ik het mijne gedaan te hebben, toen ik mijn oom schreef, hoe het paard naar Schotland en aldaar in handen der gerechtigheid, of ten minste van de plaatsvervangers daarvan, gekomen was. Of de vossenjagers in Northumberland het terugkregen, of de Schotsche griffier het behouden heeft, behoort niet tot onze geschiedenis. Ik heb het ook niet onderzocht.

Langzamer dan in den aanvang, gingen wij nu verder, in eene noord-westelijke richting voort. Toen eenige kale, woeste heuvels achter ons lagen, opende zich voor ons het vruchtbare dal van de Clyde. En weldra bereikten wij Glasgow, dat, naar ik hoor, in de laatste tijden den naam van grootestad, die mijn gids, als door een profetischen geest bezield, haar gaf, volkomen waardig is geworden. Een uitgebreide, steeds toenemende koophandel met de West-Indische en Amerikaansche koloniën heeft den grond tot rijkdom en welvaart gelegd. Als men nu dien grond goed bevestigt en verstandig daarop voortbouwt, dan kan zich hier eenmaal een hecht en schoon gebouw van handelswelvaart verheffen. In de tijden, van welke ik spreek, was het morgenrood van dien luister nog niet aangebroken. De Unie heeft den Schotten trouwens den handel met de Engelsche koloniën geopend; doch deels was aan gebrek aan geld, deels aan de ijverzucht der Engelschen te wijten, dat de Schotsche kooplieden voor het grootste gedeelte nog van het genot dier voorrechten verstoken waren, door dat gedenkwaardig verdrag hun verleend. Glasgow’s ligging begunstigde geenszins de deelneming aan den handel op het vasteland. Toch heeft de Unie den weinig beduidenden handel, welke toenmaals in Schotland gedreven werd, dadelijk verlevendigd. Hoe weinig hoop intusschen Glasgow destijds gaf, om die hoogte in den handel te bereiken, waartoe het zich thans schijnt te kunnen verheffen,—het was toch als hoofdplaats in het midden van het westelijke Schotland, reeds aanzienlijk en gewichtig. De breede Clyde, wier golven de muren der stad bespoelen, bevorderde een vrij levendige binnenlandsche scheepvaart. Men zag dat hier de hoofdstad was, zoowel van de omliggendevruchtbare vlakte, als van de districten van Ayr en Dumfries. De bewoners der omstreken brachten hunne voortbrengselen en kochten hier hunne benoodigdheden en allerlei voorwerpen.

De sombere gebergten van het westelijke Hoogland zonden dikwerf hunne woeste stammen naar de markten dier stad. Kudden van wilde, ruigharige, kleine runderen en paarden, door Hooglanders geleid, die even wild en afzichtelijk waren als hunne dieren, zag men in talrijke menigte op straat. Met verrassing zagen vreemdelingen de ouderwetsche, zonderlinge dracht der bergbewoners, luisterden naar de ruwe, onbekende tonen dier taal, terwijl de Hooglanders—zelfs onder hunne vreedzame handelsbetrekkingen, met geweer, pistool, dolk en schild gewapend—met verbazing de voorwerpen van weelde aanstaarden, welker gebruik hun onbekend was, en met een schier verontrustende hebzucht naar die dingen keken, die zij nauwelijks kenden, noch wisten te waardeeren. De Hooglander verlaat ongaarne zijne woeste geboorteplaats, en in die vroegere tijden zou men eerder een pijnboom uit zijne rots kunnen rukken, dan hem overplanten. Doch reeds toen waren de dalen van het Hoogland, die later nu en dan door hongersnood en oorlog bezocht werden, zoo dicht bevolkt, dat zij zeer vele van hunne bewoners aan Glasgow konden afleveren, die zich daar met der woon nederzetten en door hunne nijverheid niet weinig tot vermeerdering van de welvaart der stad bijdroegen.

Het uitwendige voorkomen der stad beantwoordde vrij wel aan deze veel belovende omstandigheden. De breede, aanzienlijke hoofdstraat had verscheidene openbare gebouwen. Maar de bouwtrant was eerder zonderling, dan gekenmerkt door goeden smaak. Men zag twee rijen hooge, steenen huizen, welker voorzijde somwijlen prachtig met metselwerk was versierd. Dit gaf aan de straat een edel en grootsch aanzien, dat men in de meeste Engelsche steden, wegens de broosheid der baksteenen waarvan zij gebouwd zijn, niet licht zal vinden.

Het was op een Zondagmorgen, dat ik met mijn gids de stad binnenreed. Al de klokken der kerktorens luidden. De menigte menschen, die ter kerk gingen, getuigde van de plechtigheid van den dag. Wij stegen voor eene herberg af, waar men ons zeer minzaam en wellevend ontving. Mijne eerste gedachte was, Owen op te zoeken; maar op mijne navraag vernam ik, dat vóór het einde van de godsdienstoefening elke poging daartoe vruchteloos zou zijn. De kasteleines en mijn gids verzekerden mij eenparig, dat er ten huize van de heeren Mac-Vittie,Mac-Finen Co, aan wien ik geadresseerd was, geen levende ziel zou te vinden wezen. De heeren waren daar, waar het goede Christenen op Zondag betaamt te zijn.

Andries, wiens afkeer van de rechtspleging in zijn vaderland zich gelukkig niet tot de andere instellingen van zijn geboortegrond uitstrekte, hield nu een lofrede op den predikant, die thans in de hoofdkerk den dienst waarnam, welke lofrede de kasteleines met de luidste verzekeringen bekrachtigde. Het gevolg daarvan was, dat ik besloot de beroemde kerk te bezoeken, meer in de hoop om iets omtrent Owen te vernemendan omdat ik bijzonder veel stichting verwachtte. Mijne hoop werd verhoogd door de mededeeling, dat de heer EphraimMac-Vittie, een zeer vroom man, niet alleen zelf in de kerk zou zijn, maar dat hij ook zekeren vreemdeling, die zijn gast was, daarheen moest medegenomen hebben.

Onder het geleide van den tuinman begaf ik me dus weldra op weg. Ik zou zijn geleide ditmaal wel hebben kunnen ontberen, daar de dichte drommen menschen, die de steile, oneffene straat optrokken, om den beminden predikant te hooren, mij den weg reeds aanwezen. Toen wij den top van den heuvel bereikt hadden, kwamen wij met de overige kerkgangers door eene poort op het ruime kerkhof, dat de hoofdkerk van Glasgow omgeeft. De kerk zelve is een somber en juist niet zeer fraai gebouw van Gothische bouworde. Maar haar eigenaardig karakter is over het geheel zoo goed bewaard gebleven en past ook zoo volkomen bij hare omgeving, dat de indruk, dien ze bij het eerste gezicht maakt, in den hoogsten graad ernstig en plechtig is. Ja, ik was zoo sterk getroffen, dat ik de pogingen van mijn gids Andries, die mij in de kerk wilde trekken, eenige minuten weerstond, ten einde ze van den buitenkant met aandacht te beschouwen.

Het gebouw ligt zeer afgezonderd. Hooge muren scheiden de kerk van den eenen kant van de gebouwen der volkrijke stad, terwijl zij aan den anderen kant door een hollen weg wordt begrensd, door welks bijna onzichtbare diepte een beekje murmelt. Dit gedruisch draagt bij om de verhevene uitwerking van het geheel nog te vermeerderen. Aan gene zijde van den hollen weg verheft zich eene steile hoogte, die met pijnboomen bedekt is, welker donkere schaduwen somber op het kerkhof vallen. Het kerkhof levert weder een ander eigenaardig gezicht op. De talrijke graven zijn met zerken bedekt. Nergens is ruimte voor het woekerende gras, dat gewoonlijk dergelijke plaatsenbekleedt. De zeer breede, vlakke gedenksteenen liggen dicht naast elkander en ofschoon aan den invloed van het weer blootgesteld, gelijken zij den met grafschriften bedekten bodem van sommige oude Engelsche kerken. De inhoud van deze sombere gedenkteekenen der vergankelijkheid; de vruchtelooze droefheid, welke zij verkondigen; de ernstige les, welke zij omtrent de nietigheid van al het aardsche geven; de wijde vlakte, welke zij dekken—alles herinnerde mij die rol van den heiligen Profeet, die van binnen en van buiten beschreven was, en er stond echter niets anders in dan klachten, rouw en wee!

Ik zeide reeds dat de hoofdkerk zelve in hare statige verhevenheid met al hetgene wat haar omringt volmaakt overeenstemt; een log gebouw. Doch men gevoelt, dat het karakter van het geheel bedorven zou zijn, indien het lichter en sierlijker ware. Zij is, met uitzondering van de kerk Kirkwall op de Orkadische eilanden, de eenige kerk in Schotland, die onaangerand de tijden der hervorming overleefd heeft. Andries, die met zichtbaren trots bemerkte welken diepen indruk het gebouw op mij maakte, bleef niet in gebreke mij alles te verhalen, wat hem bekend was van de omstandigheden dezer gelukkige ontsnapping aan het lot, dat toenmaals alle andere kerken getroffen had.—»Ja,” zeide hij, »het is een fraaie kerk, dat moet men toestemmen. Geen krullen, geen Paapsche pronkerij, maar alles hecht en sterk. Als dit gebouw vrij blijft van verwoestende menschenhanden en van het verwoestende buskruit, dan kan het dáár staan, zoo lang de wereld staat. Bijna zou het haar gegaan zijn, als het de kerken van St. Andreas, Perth en andere steden is gegaan, in de tijden der hervorming. Men wilde ze zuiveren van den Paapschen inboedel, koorhemden en andere lorren van de Papisterij, die op de zeven heuvels van Rome zit, alsof één heuvel niet groot genoeg voor haar ware. Op een mooien morgen kwamen ze uit de gemeente van Renfrew en andere plaatsen, en wilden deze kerk insgelijks van al dat ellendige tuig schoon vegen. Maar de burgers van Glasgow waren van meening, dat zulk eene sterke opruiming hunne oude kerk misschien kwalijk zou bekomen. Toen luidden zij de stormklok, roerden de trommen, riepen alles te wapen, en trokken uit, om liever met die schoonmakende gemeenten te plukharen, dan hunne dierbare kerk te laten verwoesten. Het was echter niet uit liefde voor de Papisterij—neen, dat kan niemand Glasgow’s burgers nageven. Ten slotte kwamen zij overeen, dat de afgodische beelden der zoogenaamde Heiligen—God behoede er ons voor!—er uit zouden gehaald worden. Die steenen afgoden werden in stukken geslagen, gelijk de Schrift uitdrukkelijk beveelt, en in het water geworpen. En de oude eerwaardige kerk stond daar, zoo glad en zuiver als een kat, wanneer haar de vlooien uitgekamd zijn. En elk braaf Christenmensen was volkomen tevreden. Vele verstandige lieden heb ik hooren zeggen dat, als men met de andere kerken in Schotland ook zoo gehandeld had, de hervorming even onbesmet zou gebleven zijn, als ze thans is, en wij alsdan meer kerken van een echt Christelijk aanzien zouden hebben. Ja, ik ben lang genoeg in Engeland geweest en ik vergeet het zeker niet,dat de hondenstal in het kasteel Osbaldistone veel beter is dan menig Godshuis in Schotland.”

En met die woorden was Andries de kerk binnengetreden.


Back to IndexNext