HOOFDSTUK XX..….. Mijn ziel ontroert,Van schrik verbijsterd.Want graven zie ’k en lijkgesteenten,Koud en doodsch. Mij huivert het gemoed.De treurende Bruid.Ik liet den braven, vromen Andries nog maar even ongeduldig wachten. Ik bleef nog een paar oogenblikken toeven, om het uitwendige van het gebouw te beschouwen. Nu scheen het mij in de eenzaamheid, die het omgaf, nog veel eerwaardiger. De deuren waren namelijk gesloten, zoodra de talrijke gemeente, die thans in plechtige aandacht vereenigd was, zooals de stemmen van een zwaar koorgezang ons verkondigden, zich in het binnenste van het heiligdom bevond. De toon van zoo vele stemmen, die, op een afstand, ineeneenkele harmonie samenvloeiden, vrij van de ruwe wanklanken, die het oor in de nabijheid kwetsen, samensmeltende met het murmelen der beek en met den zachten wind, die door de oude pijnboomen ruischte, scheen mij iets verhevens te hebben. De gansche natuur, zoo als de Psalmist, wiens liederen zij zongen, haar aanriep, scheen den plechtigen lofzang te zingen, waarin diepe eerbied en reine vreugde samensmelten, terwijl zij zich tot haren Schepper verheffen. In Frankrijk had ik het hoogambt zien bedienen met al den luister, dien toonkunst, kleederpracht en den sterksten indruk makende plechtigheden konden te weeg brengen. Maar de uitwerking daarvan op mij was veel flauwer dan die van de eenvoudige Schotsche godsdienstoefening. Hier werd ze, in den eigenlijken zin, door al de aanwezigen verricht. Daar bestond zij slechts in eene van buiten geleerde les, die kunstmatig opgezegd werd. Hier was het reine edele natuur.…»Kom, mijnheer, kom toch!” riep de ongeduldige Andries mij toe en trok mij aan den roksmouw. »Geloof mij, als wij zoo laat binnentreden, veroorzaken wij storing in den godsdienst. Blijven wij hier staan, dan loopen wij gevaar om, als godsdienstlooze lediggangers onder kerktijd, naar de wacht gebracht te worden.”Op deze vermaning volgde ik mijn geleider, maar niet, zoo als ik gemeendhad, naar de hoofddeur.—»Hierheen! hierheen!” riep hij, mij naar zich toetrekkende. »Daar zoudt gij slechts ijdele praat, alledaagsche zedenprekerij hooren: hier wordt de zuivere leer verkondigd.”En nu trad hij met mij door een laag poortje, dat een deftig man juist wilde sluiten, en wij stegen verscheidene trappen af, als naar een grafgewelf onder de kerk. Zoo was het ook. In deze onderaardsche kerk—om welke reden is mij onbekend,—werd eene zonderlinge godsdienstoefening gehouden.Wij kwamen in een ruim, laag gewelf, zooals doorgaans tot begraafplaats gebruikt wordt, en ook lang daartoe gediend had. Thans was het echter gedeeltelijk in eene kerk herschapen en tot dat einde van zitbanken voorzien. Dit gedeelte kon verscheidene honderden menschen bevatten, maar was toch nog kleiner dan de donkere gangen en gewelven, die ons rondom aangaapten. Sombere banieren en vermolmde wapenborden wezen in dit eenzame rijk der vergetelheid de graven van lang geleden ontslapene edelen aan. Opschriften, slechts voor den onvermoeid vlijtigen oudheidkenner leesbaar, in eene taal die even verouderd was als de vrome milddadigheid, welke zij inriepen, noodigden de levenden uit, om voor de zielen dergenen, die hier rustten, te bidden. Omringd door deze oude graven, was eene talrijke vergadering juist in haar gebed. De Schotten doen dit niet knielende, maar staande, misschien meer met het oogmerk om zoo veel mogelijk van de Roomsche kerkgebruiken af te wijken, dan om eenige andere reden.Want ik heb opgemerkt, dat zij bij hunne huiselijke godsdienstoefeningen, en waarschijnlijk ook bij hunne stille gebeden, de knielende houding van andere Christenen wel aannemen. Zoo stonden dan daar honderden menschen van beide geslachten, jong en oud, de mannen met ongedekt hoofd. Zij hoorden eerbiedig en aandachtig naar het gebed, dat een hoogbejaard, zeer bemind geestelijke voor de vuist uitsprak, althans niet voorlas. In hetzelfde geloof opgevoed, nam ik in hoog ernstige stemming terstond deel aan deze godsdienstoefening, en niet voor dat de gansche vergadering weder was gaan zitten, vestigde ik mijne opmerkzaamheid op al wat mij omringde.Na het gebed zetten de meeste mannen den hoed of de muts op. Andries en ik stonden tusschen vele anderen, die even als wij te laat waren gekomen en geene zitplaatsen hadden kunnen vinden, en een kring rondom de zittenden vormden. Achter ons waren de donkere gewelven, voor ons de vergadering der vromen. Het flauwe licht viel door een klein Gothisch venster, zooals men wel in knekelhuizen vindt, en bescheen hunne gezichten. Allen hadden, zooals de Schotten bij het verrichten van hun godsdienst gewoon zijn, op den prediker de oogen gevestigd. Bijna allen waren zeer aandachtig. Soms was hier of daar een vader of eene moeder, die de afdwalende blikken van een te levendig kind berispte, of werd een onder de predikatie zachtkens ingesluimerde toehoorder door een elleboogstoot onzacht gewekt. De grove gelaatstrekken der Schotten met de uitdrukking van verstand en sluwheid, die niet zelden daarop te lezen is, onderscheiden zich veel gunstigerbij hunne godsdienstoefeningen of wanneer zij als militairen in rij en gelid staan, dan in de gezellige bijeenkomsten van het dagelijksch leven.De voordracht van den prediker was zeer geschikt om de verschillende gevoelens en gewaarwordingen van zijne toehoorders op te wekken. Wel is waar hadden ouderdom en ziekelijkheid zijne oorspronkelijke sterkte en volle stem merkelijk verzwakt. Hij las zijn tekst niet zeer duidelijk af. Maar zoodra hij den Bijbel gesloten en zijne leerrede begonnen had, werd de toon zijner stem van lieverlede krachtiger, vooral dan wanneer hij met veel levendigheid bewijzen toelichtte, die meest op de hoogere, voor het menschelijke begrip niet vatbare, zeer diepzinnige beschouwingen en stellingen van den Christelijken godsdienst betrekking hadden, maar door hem zeer gepast door talrijke bijbelplaatsen opgehelderd werden. Wel was ik niet genoeg voorbereid, om hem in al zijne redeneeringen te volgen; ook wist ik soms niet of ik zijne stellingen wel goed begrepen had, maar niets kon treffender zijn, dan het, als door een hooger licht bestraald gelaat van den braven grijsaard; niets schranderder en meer overtuigend, dan de uiteenzetting zijner gronden. Bekend is het dat de Schotten zich meer door de oefening van hunne geestvermogens dan door de levendigheid van hun gevoel onderscheiden. Zij verkiezen logische gevolgtrekkingen boven fijne redeneerkunst, scherpzinnig betoog van leerstelsels boven die bloemrijke, tot het hart en de zinnen sprekende taal, waardoor elders godsdienstleeraars zoo veel op hunne toehoorders vermogen.Onder de aandachtige toehoorders die ik opmerkte, zag ik verscheidene gezichten vol uitdrukking, die mij aan Raphaëls beeld: „de prediking van den apostel Paulus te Athene” herinnerden. Hier zat een ijverig, verstandig calvinist, wiens saamgetrokken wenkbrauwen diepe aandacht verrieden. Zijne lippen waren half gesloten, zijne oogen op den leeraar gevestigd met eene uitdrukking van fierheid, alsof hij zich over de zegepralende kracht der ontwikkelde bewijsgronden verheugde, terwijl de wijsvinger van zijne rechterhand nu en dan de vingers der linkerhand aanraakte, naarmate de leeraar van bewijsgrond tot bewijsgrond, en zoo tot de daaruit afgeleide gevolgtrekking overging. Een ander, wiens oog fierder en somberder was, verried zijne minachting jegens allen, die aan ’s predikers betoog schenen te twijfelen, en tevens zijne vreugde over de strafbedreigingen, die tegen de twijfelaars uitgesproken werden. Een derde, die misschien tot eene andere gemeente behoorde, en zich toevallig of uit nieuwsgierigheid hier bevond, scheen het een en ander gedeelte der rede te bestrijden; vrij duidelijk verried zijn hoofdschudden, dat hij de bewijzen van den leeraar geenszins voor geldend hield. Maar de meesten luisterden met een bedaard, tevreden gelaat, waarvan de uitdrukking te kennen gaf, hoeveel zij er zich op lieten voorstaan zulk eene krachtige leerrede te hooren, ofschoon zij ze ook misschien niet volkomen begrepen. Tot deze laatsten behoorden meestal de vrouwen. De meer bejaarde vooral schenen op de verklaring der leerstellingen nauwkeuriger acht te geven. De jongere keken nu en dan bescheidenin de vergadering rond. Ja, bedroog mij mijne ijdelheid niet, dan vielen ook op mij hier en daar eenige blikken. Wat de rest betreft—sommigen geeuwden of sliepen; dit waren de onverschilligen, de luiaards en ook zij, wier bevattingsvermogen veel te beperkt was om uit de leerrede eenig nut te trekken. Vaak werden ze door hen, die naast hen zaten, op den voet getrapt, of door een elleboogstoot tot aandacht opgewekt. Slechts zeer weinigen lieten hunne verveling door hinderlijke teekenen blijken. Naast de gewone dracht derLaaglanders, uit een rok en een mantel bestaande, zag ik hier en daar menig Hooglander in zijn nationaal kostuum, steunend op het gevest van zijn zwaard, met vrijmoedige nieuwsgierigheid in de vergadering rondziende, terwijl hij op den leeraar, wiens taal hij niet verstond, volstrekt geen acht gaf. Het woeste, krijgshaftige voorkomen van deze lieden zette aan de gansche vergadering iets eigenaardigs bij, wat zij anders niet zou gehad hebben. De Hooglanders waren heden vrij talrijk, omdat er, zoo als Andries mij zeide, in de buurt beestenmarkt werd gehouden.Het was een schilderachtige aanblik, wanneer door de nauwe vensters heldere zonnestralen vielen, die de aandachtige vergadering beschenen, zich dan in de achterste gewelven verloren, terwijl vooraan eene flauwe schemering heerschte, maar de diepe achtergrond in het duister lag en zich eindeloos scheen uit te strekken.Ik stond in den buitensten kring, waar ik, met mijn gelaat naar den leeraar gewend, den rug naar de donkere gewelven keerde. Daardoor echter was ik aan herhaalde stoornissen blootgesteld; elk zacht geruisch in die gewelven werd door den weerklank duizendvoudig herhaald. Dikwijls keerde ik mij om, als regendroppels, door de scheuren van het bouwvallige dak op den bodem vielen. En hadden dan mijne oogen eenmaal die richting genomen, dan kon ik ze zoo terstond niet weder afwenden. Zij werden meer en meer aan den donkeren achtergrond gewoon. Ja allengs bekroop mij de nieuwsgierigheid, om in die geheimzinnige doolgangen ontdekkingen te doen, zoodat ik schier geheel vergat, mijne aandacht op de zinrijke preek van den leeraar te vestigen.Dit verstrooid afdwalen was eene hebbelijkheid, waarover ik van mijn vader vaak verwijtingen had moeten hooren. Ze ontstond misschien uit eene al te groote prikkelbaarheid der verbeelding, die hij zelf niet kende. Op dat oogenblik, herinnerde ik mij op eenmaal den tijd, toen ik aan zijne hand ter kerk ging en zijne ernstige vermaningen hoorde. Deze herinnering benam mij mijne aandacht geheel en al. Want zij riep mij zijn gevaarvollen toestand in het geheugen. Zacht fluisterend verzocht ik Andries, te onderzoeken, of zich ook iemand van het kantoor van Mac-Vittie in deze vergadering bevond. Al zijn aandacht wijdend aan den leeraar, beantwoordde Andries mijn verzoek slechts met een elleboogstoot, om mij te kennen te geven dat ik zwijgen moest. Met even weinig gevolg overzag ik de vele, naar den kansel gewende gezichten. Ik zocht of ook onder hen Owens mij zoo goed bekende trekken met hun uitdrukking van godvruchtige kalmte en slimmen koopmansgeest te vinden was. Maar noch onder de breede vilten hoeden der stedelingen, noch onderde mutsen met breede randen der landlieden kon ik iets ontdekken, wat naar de deftige pruik, den lichtbruinen rok en de stijve das van onzen eersten boekhouder geleek. Intusschen pijnigde mijn ongeduld mij zoo zeer, dat de nieuwheid der mij omringende dingen alle bekoring voor mij verloor. Ik trok mijn leidsman vrij onzacht bij den mouw en gaf hem mijn wensch te kennen om de kerk te verlaten en mijne nasporingen voort te zetten. Andries, even halsstarrig als op onzen tocht over het Cheviot-gebergte, verwaardigde zich in het eerst niet eens mij te antwoorden. Maar eindelijk, toen hij zag dat ik mij zoo niet liet afschepen, zeide hij dat wij vóór het eindigen der godsdienstoefening niet konden wegkomen, omdat de deuren sedert het begin van het gebed gesloten waren. Toen hij mij dit met korte woorden vrij knorrigtoegefluisterdhad, keerde hij zich weder naar den leeraar en nam opnieuw de houding van een diepdenkenden, scherpbeoordeelenden toehoorder aan.Ik moest van den noodeene deugd maken, en ook mijne opmerkzaamheid weder op de leerrede trachten te vestigen. Maar eene nieuwe zonderlinge gebeurtenis kwam mij op eenmaal daarin storen. Eene stem achter mij fluisterde mij zeer verstaanbaar in het oor: »gij zijt in deze stad in gevaar!”Onwillekeurig keerde ik mij om. Twee eenvoudige handwerkslieden stonden naast en achter mij. Even als wij, waren zij te laat in de kerk gekomen. Een enkele blik, dien ik op hunne gezichten wierp, overtuigdemij, zonder dat ik mij daarover eigenlijk eene bepaalde reden kon geven, dat geen van beiden tot mij gesproken had, en zeer opmerkzaam naar den leeraar luisterende, beantwoordde geen van beiden mijn vorschenden blik. Een dikke ronde pilaar dicht achter ons kon den geheimen waarschuwer, zoodra hij gesproken had, licht aan mijne oogen onttrokken hebben; maar waarom hij die waarschuwing op deze plaats gedaan had, en welk gevaar hij bedoelde en wie hij wezen mocht,—dit waren vragen, waaromtrent ik mij in gissingen verdiepte en mijne verbeeldingskracht te vergeefs inspande. Ik verwachtte dat men de waarschuwing herhalen zou en vestigde mijne oogen onafgewend op den leeraar, ten einde den onbekenden vriend er toe te brengen, zijne mededeeling te herhalen, in de meening dat ik hem de eerste maal niet goed gehoord of begrepen had.Het gelukte. Nauwelijks had ik mijne oogen op den leeraar gevestigd, of dezelfde stem fluisterde mij toe: »hoor naar mij, maar zie niet om.”—Ik keek onafgewend naar den preekstoel.—»Gij zijt in deze stad in gevaar,” vervolgde dezelfde stem, »en ik zelf ook. Kom heden nacht precies te twaalf ure op de groote brug: ik zal er zijn. Blijf overigens te huis tot het donker is en vermijd de spionnen.”De stem zweeg en ik keerde mij terstond om. Maar nog veel sneller had de waarschuwer zich achter den pilaar verborgen. Vast besloten om hem, zoo het slechts mogelijk ware, te zien, drong ik mij uit den kring der toehoorders, en spoedde mij om achter den pilaar te komen. Ik vond niemand, maar ik zag een eind verder eene in een mantel gewikkelde gestalte onder die sombere gewelven. Onwillekeurig wilde ik den geheimzinnige volgen, die als een spook in den donkeren achtergrond verdween. Weinig hoop had ik, om den onbekende, die blijkbaar niet ontdekt wilde zijn, te vinden. En deze weinige hoop verdween geheel, toen ik, nauwelijks drie schreden van dien pilaar, struikelde en viel. Gelukkig belette de duisternis, die mijn val veroorzaakt had, dat men mij zag vallen; want reeds had de leeraar—men was zeer streng in het handhaven der orde, gedurende de godsdienstoefening—zijne rede afgebroken en den opziener met luide stemme gelast den rustverstoorder in hechtenis te nemen. Maar daar het gedruisch niet herhaald werd, volgde er ook geen streng onderzoek. Ik kon onopgemerkt mijne plaats naast den tuinman hernemen.Zoodra de godsdienstoefening geëindigd was en de vergadering uiteen ging, wees Andries mij den Heer Mac-Vittie en diens vrouw en dochter benevens den Heer Thomas Mac-Fin, die met juffrouw Mac-Vittie verloofd was. Hij deed er, zoo als Andries er met nadruk bijvoegde, eene zeer goede partij aan. Mac-Vittie was een reeds bejaard man, met scherpe gelaatstrekken, borstelige wenkbrauwen, licht grijze oogen, met één woord, met een zoo afstootend voorkomen, dat ik er van schrikte. Ik herinnerde mij de waarschuwing van den onbekende en draalde met den man aan te spreken, ofschoon ik voor mij zelven eigenlijk niet zeggen kon, wat mij zooveel afkeer en argwaan inboezemde. Andries, die mijn dralen voor blooheid hield, vermaande mij onbeschroomd te zijn. »Spreekhem aan,” herhaalde hij telkens; »waarom zijt gij bevreesd? Hij is nog geen burgemeester, maar aanstaande jaar zal hij het, naar men zegt, zeker worden. Hij zal u wel vriendelijk antwoorden, als gij maar geen geld van hem hebben moet. Hij is schatrijk, maar ongaarne haalt hij zijn beurs uit—zeggen de lui.”Als de koopman wezenlijk zoo gierig is—dacht ik—als Andries beweert, dan dien ik voorzichtig te zijn, want ik weet niet hoe de rekening tusschen hem en mijn vader staat.… Die overweging versterkte den indruk van den geheimzinnigen wenk, dien ik ontvangen had, en ook den afkeer, door ’s mans gelaatstrekken in mij gewekt. Ik besloot mij niet terstond tot hem te wenden, zoo als eerst mijn voornemen was geweest. Ik gelastte mijn gids, aan het huis van Mac-Vittie naar Owen te vragen, maar zorgvuldig te verzwijgen, van wien hij die boodschap had, en mij dan in onze herberg antwoord te brengen. Andries beloofde het. Maar hij sprak tevens van mijn plicht, om ook den avondgodsdienst bij te wonen. En hij voegde er, met de hem zoo eigen bijtende spotternij bij: »Ja, als de menschen niet bedaard blijven staan, maar op de grafsteenen ronddrentelen alsof zij de dooden wilden wekten, ja, dan hooren ze beter in een kroeg dan in een kerk.…”
HOOFDSTUK XX..….. Mijn ziel ontroert,Van schrik verbijsterd.Want graven zie ’k en lijkgesteenten,Koud en doodsch. Mij huivert het gemoed.De treurende Bruid.Ik liet den braven, vromen Andries nog maar even ongeduldig wachten. Ik bleef nog een paar oogenblikken toeven, om het uitwendige van het gebouw te beschouwen. Nu scheen het mij in de eenzaamheid, die het omgaf, nog veel eerwaardiger. De deuren waren namelijk gesloten, zoodra de talrijke gemeente, die thans in plechtige aandacht vereenigd was, zooals de stemmen van een zwaar koorgezang ons verkondigden, zich in het binnenste van het heiligdom bevond. De toon van zoo vele stemmen, die, op een afstand, ineeneenkele harmonie samenvloeiden, vrij van de ruwe wanklanken, die het oor in de nabijheid kwetsen, samensmeltende met het murmelen der beek en met den zachten wind, die door de oude pijnboomen ruischte, scheen mij iets verhevens te hebben. De gansche natuur, zoo als de Psalmist, wiens liederen zij zongen, haar aanriep, scheen den plechtigen lofzang te zingen, waarin diepe eerbied en reine vreugde samensmelten, terwijl zij zich tot haren Schepper verheffen. In Frankrijk had ik het hoogambt zien bedienen met al den luister, dien toonkunst, kleederpracht en den sterksten indruk makende plechtigheden konden te weeg brengen. Maar de uitwerking daarvan op mij was veel flauwer dan die van de eenvoudige Schotsche godsdienstoefening. Hier werd ze, in den eigenlijken zin, door al de aanwezigen verricht. Daar bestond zij slechts in eene van buiten geleerde les, die kunstmatig opgezegd werd. Hier was het reine edele natuur.…»Kom, mijnheer, kom toch!” riep de ongeduldige Andries mij toe en trok mij aan den roksmouw. »Geloof mij, als wij zoo laat binnentreden, veroorzaken wij storing in den godsdienst. Blijven wij hier staan, dan loopen wij gevaar om, als godsdienstlooze lediggangers onder kerktijd, naar de wacht gebracht te worden.”Op deze vermaning volgde ik mijn geleider, maar niet, zoo als ik gemeendhad, naar de hoofddeur.—»Hierheen! hierheen!” riep hij, mij naar zich toetrekkende. »Daar zoudt gij slechts ijdele praat, alledaagsche zedenprekerij hooren: hier wordt de zuivere leer verkondigd.”En nu trad hij met mij door een laag poortje, dat een deftig man juist wilde sluiten, en wij stegen verscheidene trappen af, als naar een grafgewelf onder de kerk. Zoo was het ook. In deze onderaardsche kerk—om welke reden is mij onbekend,—werd eene zonderlinge godsdienstoefening gehouden.Wij kwamen in een ruim, laag gewelf, zooals doorgaans tot begraafplaats gebruikt wordt, en ook lang daartoe gediend had. Thans was het echter gedeeltelijk in eene kerk herschapen en tot dat einde van zitbanken voorzien. Dit gedeelte kon verscheidene honderden menschen bevatten, maar was toch nog kleiner dan de donkere gangen en gewelven, die ons rondom aangaapten. Sombere banieren en vermolmde wapenborden wezen in dit eenzame rijk der vergetelheid de graven van lang geleden ontslapene edelen aan. Opschriften, slechts voor den onvermoeid vlijtigen oudheidkenner leesbaar, in eene taal die even verouderd was als de vrome milddadigheid, welke zij inriepen, noodigden de levenden uit, om voor de zielen dergenen, die hier rustten, te bidden. Omringd door deze oude graven, was eene talrijke vergadering juist in haar gebed. De Schotten doen dit niet knielende, maar staande, misschien meer met het oogmerk om zoo veel mogelijk van de Roomsche kerkgebruiken af te wijken, dan om eenige andere reden.Want ik heb opgemerkt, dat zij bij hunne huiselijke godsdienstoefeningen, en waarschijnlijk ook bij hunne stille gebeden, de knielende houding van andere Christenen wel aannemen. Zoo stonden dan daar honderden menschen van beide geslachten, jong en oud, de mannen met ongedekt hoofd. Zij hoorden eerbiedig en aandachtig naar het gebed, dat een hoogbejaard, zeer bemind geestelijke voor de vuist uitsprak, althans niet voorlas. In hetzelfde geloof opgevoed, nam ik in hoog ernstige stemming terstond deel aan deze godsdienstoefening, en niet voor dat de gansche vergadering weder was gaan zitten, vestigde ik mijne opmerkzaamheid op al wat mij omringde.Na het gebed zetten de meeste mannen den hoed of de muts op. Andries en ik stonden tusschen vele anderen, die even als wij te laat waren gekomen en geene zitplaatsen hadden kunnen vinden, en een kring rondom de zittenden vormden. Achter ons waren de donkere gewelven, voor ons de vergadering der vromen. Het flauwe licht viel door een klein Gothisch venster, zooals men wel in knekelhuizen vindt, en bescheen hunne gezichten. Allen hadden, zooals de Schotten bij het verrichten van hun godsdienst gewoon zijn, op den prediker de oogen gevestigd. Bijna allen waren zeer aandachtig. Soms was hier of daar een vader of eene moeder, die de afdwalende blikken van een te levendig kind berispte, of werd een onder de predikatie zachtkens ingesluimerde toehoorder door een elleboogstoot onzacht gewekt. De grove gelaatstrekken der Schotten met de uitdrukking van verstand en sluwheid, die niet zelden daarop te lezen is, onderscheiden zich veel gunstigerbij hunne godsdienstoefeningen of wanneer zij als militairen in rij en gelid staan, dan in de gezellige bijeenkomsten van het dagelijksch leven.De voordracht van den prediker was zeer geschikt om de verschillende gevoelens en gewaarwordingen van zijne toehoorders op te wekken. Wel is waar hadden ouderdom en ziekelijkheid zijne oorspronkelijke sterkte en volle stem merkelijk verzwakt. Hij las zijn tekst niet zeer duidelijk af. Maar zoodra hij den Bijbel gesloten en zijne leerrede begonnen had, werd de toon zijner stem van lieverlede krachtiger, vooral dan wanneer hij met veel levendigheid bewijzen toelichtte, die meest op de hoogere, voor het menschelijke begrip niet vatbare, zeer diepzinnige beschouwingen en stellingen van den Christelijken godsdienst betrekking hadden, maar door hem zeer gepast door talrijke bijbelplaatsen opgehelderd werden. Wel was ik niet genoeg voorbereid, om hem in al zijne redeneeringen te volgen; ook wist ik soms niet of ik zijne stellingen wel goed begrepen had, maar niets kon treffender zijn, dan het, als door een hooger licht bestraald gelaat van den braven grijsaard; niets schranderder en meer overtuigend, dan de uiteenzetting zijner gronden. Bekend is het dat de Schotten zich meer door de oefening van hunne geestvermogens dan door de levendigheid van hun gevoel onderscheiden. Zij verkiezen logische gevolgtrekkingen boven fijne redeneerkunst, scherpzinnig betoog van leerstelsels boven die bloemrijke, tot het hart en de zinnen sprekende taal, waardoor elders godsdienstleeraars zoo veel op hunne toehoorders vermogen.Onder de aandachtige toehoorders die ik opmerkte, zag ik verscheidene gezichten vol uitdrukking, die mij aan Raphaëls beeld: „de prediking van den apostel Paulus te Athene” herinnerden. Hier zat een ijverig, verstandig calvinist, wiens saamgetrokken wenkbrauwen diepe aandacht verrieden. Zijne lippen waren half gesloten, zijne oogen op den leeraar gevestigd met eene uitdrukking van fierheid, alsof hij zich over de zegepralende kracht der ontwikkelde bewijsgronden verheugde, terwijl de wijsvinger van zijne rechterhand nu en dan de vingers der linkerhand aanraakte, naarmate de leeraar van bewijsgrond tot bewijsgrond, en zoo tot de daaruit afgeleide gevolgtrekking overging. Een ander, wiens oog fierder en somberder was, verried zijne minachting jegens allen, die aan ’s predikers betoog schenen te twijfelen, en tevens zijne vreugde over de strafbedreigingen, die tegen de twijfelaars uitgesproken werden. Een derde, die misschien tot eene andere gemeente behoorde, en zich toevallig of uit nieuwsgierigheid hier bevond, scheen het een en ander gedeelte der rede te bestrijden; vrij duidelijk verried zijn hoofdschudden, dat hij de bewijzen van den leeraar geenszins voor geldend hield. Maar de meesten luisterden met een bedaard, tevreden gelaat, waarvan de uitdrukking te kennen gaf, hoeveel zij er zich op lieten voorstaan zulk eene krachtige leerrede te hooren, ofschoon zij ze ook misschien niet volkomen begrepen. Tot deze laatsten behoorden meestal de vrouwen. De meer bejaarde vooral schenen op de verklaring der leerstellingen nauwkeuriger acht te geven. De jongere keken nu en dan bescheidenin de vergadering rond. Ja, bedroog mij mijne ijdelheid niet, dan vielen ook op mij hier en daar eenige blikken. Wat de rest betreft—sommigen geeuwden of sliepen; dit waren de onverschilligen, de luiaards en ook zij, wier bevattingsvermogen veel te beperkt was om uit de leerrede eenig nut te trekken. Vaak werden ze door hen, die naast hen zaten, op den voet getrapt, of door een elleboogstoot tot aandacht opgewekt. Slechts zeer weinigen lieten hunne verveling door hinderlijke teekenen blijken. Naast de gewone dracht derLaaglanders, uit een rok en een mantel bestaande, zag ik hier en daar menig Hooglander in zijn nationaal kostuum, steunend op het gevest van zijn zwaard, met vrijmoedige nieuwsgierigheid in de vergadering rondziende, terwijl hij op den leeraar, wiens taal hij niet verstond, volstrekt geen acht gaf. Het woeste, krijgshaftige voorkomen van deze lieden zette aan de gansche vergadering iets eigenaardigs bij, wat zij anders niet zou gehad hebben. De Hooglanders waren heden vrij talrijk, omdat er, zoo als Andries mij zeide, in de buurt beestenmarkt werd gehouden.Het was een schilderachtige aanblik, wanneer door de nauwe vensters heldere zonnestralen vielen, die de aandachtige vergadering beschenen, zich dan in de achterste gewelven verloren, terwijl vooraan eene flauwe schemering heerschte, maar de diepe achtergrond in het duister lag en zich eindeloos scheen uit te strekken.Ik stond in den buitensten kring, waar ik, met mijn gelaat naar den leeraar gewend, den rug naar de donkere gewelven keerde. Daardoor echter was ik aan herhaalde stoornissen blootgesteld; elk zacht geruisch in die gewelven werd door den weerklank duizendvoudig herhaald. Dikwijls keerde ik mij om, als regendroppels, door de scheuren van het bouwvallige dak op den bodem vielen. En hadden dan mijne oogen eenmaal die richting genomen, dan kon ik ze zoo terstond niet weder afwenden. Zij werden meer en meer aan den donkeren achtergrond gewoon. Ja allengs bekroop mij de nieuwsgierigheid, om in die geheimzinnige doolgangen ontdekkingen te doen, zoodat ik schier geheel vergat, mijne aandacht op de zinrijke preek van den leeraar te vestigen.Dit verstrooid afdwalen was eene hebbelijkheid, waarover ik van mijn vader vaak verwijtingen had moeten hooren. Ze ontstond misschien uit eene al te groote prikkelbaarheid der verbeelding, die hij zelf niet kende. Op dat oogenblik, herinnerde ik mij op eenmaal den tijd, toen ik aan zijne hand ter kerk ging en zijne ernstige vermaningen hoorde. Deze herinnering benam mij mijne aandacht geheel en al. Want zij riep mij zijn gevaarvollen toestand in het geheugen. Zacht fluisterend verzocht ik Andries, te onderzoeken, of zich ook iemand van het kantoor van Mac-Vittie in deze vergadering bevond. Al zijn aandacht wijdend aan den leeraar, beantwoordde Andries mijn verzoek slechts met een elleboogstoot, om mij te kennen te geven dat ik zwijgen moest. Met even weinig gevolg overzag ik de vele, naar den kansel gewende gezichten. Ik zocht of ook onder hen Owens mij zoo goed bekende trekken met hun uitdrukking van godvruchtige kalmte en slimmen koopmansgeest te vinden was. Maar noch onder de breede vilten hoeden der stedelingen, noch onderde mutsen met breede randen der landlieden kon ik iets ontdekken, wat naar de deftige pruik, den lichtbruinen rok en de stijve das van onzen eersten boekhouder geleek. Intusschen pijnigde mijn ongeduld mij zoo zeer, dat de nieuwheid der mij omringende dingen alle bekoring voor mij verloor. Ik trok mijn leidsman vrij onzacht bij den mouw en gaf hem mijn wensch te kennen om de kerk te verlaten en mijne nasporingen voort te zetten. Andries, even halsstarrig als op onzen tocht over het Cheviot-gebergte, verwaardigde zich in het eerst niet eens mij te antwoorden. Maar eindelijk, toen hij zag dat ik mij zoo niet liet afschepen, zeide hij dat wij vóór het eindigen der godsdienstoefening niet konden wegkomen, omdat de deuren sedert het begin van het gebed gesloten waren. Toen hij mij dit met korte woorden vrij knorrigtoegefluisterdhad, keerde hij zich weder naar den leeraar en nam opnieuw de houding van een diepdenkenden, scherpbeoordeelenden toehoorder aan.Ik moest van den noodeene deugd maken, en ook mijne opmerkzaamheid weder op de leerrede trachten te vestigen. Maar eene nieuwe zonderlinge gebeurtenis kwam mij op eenmaal daarin storen. Eene stem achter mij fluisterde mij zeer verstaanbaar in het oor: »gij zijt in deze stad in gevaar!”Onwillekeurig keerde ik mij om. Twee eenvoudige handwerkslieden stonden naast en achter mij. Even als wij, waren zij te laat in de kerk gekomen. Een enkele blik, dien ik op hunne gezichten wierp, overtuigdemij, zonder dat ik mij daarover eigenlijk eene bepaalde reden kon geven, dat geen van beiden tot mij gesproken had, en zeer opmerkzaam naar den leeraar luisterende, beantwoordde geen van beiden mijn vorschenden blik. Een dikke ronde pilaar dicht achter ons kon den geheimen waarschuwer, zoodra hij gesproken had, licht aan mijne oogen onttrokken hebben; maar waarom hij die waarschuwing op deze plaats gedaan had, en welk gevaar hij bedoelde en wie hij wezen mocht,—dit waren vragen, waaromtrent ik mij in gissingen verdiepte en mijne verbeeldingskracht te vergeefs inspande. Ik verwachtte dat men de waarschuwing herhalen zou en vestigde mijne oogen onafgewend op den leeraar, ten einde den onbekenden vriend er toe te brengen, zijne mededeeling te herhalen, in de meening dat ik hem de eerste maal niet goed gehoord of begrepen had.Het gelukte. Nauwelijks had ik mijne oogen op den leeraar gevestigd, of dezelfde stem fluisterde mij toe: »hoor naar mij, maar zie niet om.”—Ik keek onafgewend naar den preekstoel.—»Gij zijt in deze stad in gevaar,” vervolgde dezelfde stem, »en ik zelf ook. Kom heden nacht precies te twaalf ure op de groote brug: ik zal er zijn. Blijf overigens te huis tot het donker is en vermijd de spionnen.”De stem zweeg en ik keerde mij terstond om. Maar nog veel sneller had de waarschuwer zich achter den pilaar verborgen. Vast besloten om hem, zoo het slechts mogelijk ware, te zien, drong ik mij uit den kring der toehoorders, en spoedde mij om achter den pilaar te komen. Ik vond niemand, maar ik zag een eind verder eene in een mantel gewikkelde gestalte onder die sombere gewelven. Onwillekeurig wilde ik den geheimzinnige volgen, die als een spook in den donkeren achtergrond verdween. Weinig hoop had ik, om den onbekende, die blijkbaar niet ontdekt wilde zijn, te vinden. En deze weinige hoop verdween geheel, toen ik, nauwelijks drie schreden van dien pilaar, struikelde en viel. Gelukkig belette de duisternis, die mijn val veroorzaakt had, dat men mij zag vallen; want reeds had de leeraar—men was zeer streng in het handhaven der orde, gedurende de godsdienstoefening—zijne rede afgebroken en den opziener met luide stemme gelast den rustverstoorder in hechtenis te nemen. Maar daar het gedruisch niet herhaald werd, volgde er ook geen streng onderzoek. Ik kon onopgemerkt mijne plaats naast den tuinman hernemen.Zoodra de godsdienstoefening geëindigd was en de vergadering uiteen ging, wees Andries mij den Heer Mac-Vittie en diens vrouw en dochter benevens den Heer Thomas Mac-Fin, die met juffrouw Mac-Vittie verloofd was. Hij deed er, zoo als Andries er met nadruk bijvoegde, eene zeer goede partij aan. Mac-Vittie was een reeds bejaard man, met scherpe gelaatstrekken, borstelige wenkbrauwen, licht grijze oogen, met één woord, met een zoo afstootend voorkomen, dat ik er van schrikte. Ik herinnerde mij de waarschuwing van den onbekende en draalde met den man aan te spreken, ofschoon ik voor mij zelven eigenlijk niet zeggen kon, wat mij zooveel afkeer en argwaan inboezemde. Andries, die mijn dralen voor blooheid hield, vermaande mij onbeschroomd te zijn. »Spreekhem aan,” herhaalde hij telkens; »waarom zijt gij bevreesd? Hij is nog geen burgemeester, maar aanstaande jaar zal hij het, naar men zegt, zeker worden. Hij zal u wel vriendelijk antwoorden, als gij maar geen geld van hem hebben moet. Hij is schatrijk, maar ongaarne haalt hij zijn beurs uit—zeggen de lui.”Als de koopman wezenlijk zoo gierig is—dacht ik—als Andries beweert, dan dien ik voorzichtig te zijn, want ik weet niet hoe de rekening tusschen hem en mijn vader staat.… Die overweging versterkte den indruk van den geheimzinnigen wenk, dien ik ontvangen had, en ook den afkeer, door ’s mans gelaatstrekken in mij gewekt. Ik besloot mij niet terstond tot hem te wenden, zoo als eerst mijn voornemen was geweest. Ik gelastte mijn gids, aan het huis van Mac-Vittie naar Owen te vragen, maar zorgvuldig te verzwijgen, van wien hij die boodschap had, en mij dan in onze herberg antwoord te brengen. Andries beloofde het. Maar hij sprak tevens van mijn plicht, om ook den avondgodsdienst bij te wonen. En hij voegde er, met de hem zoo eigen bijtende spotternij bij: »Ja, als de menschen niet bedaard blijven staan, maar op de grafsteenen ronddrentelen alsof zij de dooden wilden wekten, ja, dan hooren ze beter in een kroeg dan in een kerk.…”
HOOFDSTUK XX..….. Mijn ziel ontroert,Van schrik verbijsterd.Want graven zie ’k en lijkgesteenten,Koud en doodsch. Mij huivert het gemoed.De treurende Bruid.
.….. Mijn ziel ontroert,Van schrik verbijsterd.Want graven zie ’k en lijkgesteenten,Koud en doodsch. Mij huivert het gemoed.De treurende Bruid.
.….. Mijn ziel ontroert,Van schrik verbijsterd.Want graven zie ’k en lijkgesteenten,Koud en doodsch. Mij huivert het gemoed.
.….. Mijn ziel ontroert,
Van schrik verbijsterd.
Want graven zie ’k en lijkgesteenten,
Koud en doodsch. Mij huivert het gemoed.
De treurende Bruid.
Ik liet den braven, vromen Andries nog maar even ongeduldig wachten. Ik bleef nog een paar oogenblikken toeven, om het uitwendige van het gebouw te beschouwen. Nu scheen het mij in de eenzaamheid, die het omgaf, nog veel eerwaardiger. De deuren waren namelijk gesloten, zoodra de talrijke gemeente, die thans in plechtige aandacht vereenigd was, zooals de stemmen van een zwaar koorgezang ons verkondigden, zich in het binnenste van het heiligdom bevond. De toon van zoo vele stemmen, die, op een afstand, ineeneenkele harmonie samenvloeiden, vrij van de ruwe wanklanken, die het oor in de nabijheid kwetsen, samensmeltende met het murmelen der beek en met den zachten wind, die door de oude pijnboomen ruischte, scheen mij iets verhevens te hebben. De gansche natuur, zoo als de Psalmist, wiens liederen zij zongen, haar aanriep, scheen den plechtigen lofzang te zingen, waarin diepe eerbied en reine vreugde samensmelten, terwijl zij zich tot haren Schepper verheffen. In Frankrijk had ik het hoogambt zien bedienen met al den luister, dien toonkunst, kleederpracht en den sterksten indruk makende plechtigheden konden te weeg brengen. Maar de uitwerking daarvan op mij was veel flauwer dan die van de eenvoudige Schotsche godsdienstoefening. Hier werd ze, in den eigenlijken zin, door al de aanwezigen verricht. Daar bestond zij slechts in eene van buiten geleerde les, die kunstmatig opgezegd werd. Hier was het reine edele natuur.…»Kom, mijnheer, kom toch!” riep de ongeduldige Andries mij toe en trok mij aan den roksmouw. »Geloof mij, als wij zoo laat binnentreden, veroorzaken wij storing in den godsdienst. Blijven wij hier staan, dan loopen wij gevaar om, als godsdienstlooze lediggangers onder kerktijd, naar de wacht gebracht te worden.”Op deze vermaning volgde ik mijn geleider, maar niet, zoo als ik gemeendhad, naar de hoofddeur.—»Hierheen! hierheen!” riep hij, mij naar zich toetrekkende. »Daar zoudt gij slechts ijdele praat, alledaagsche zedenprekerij hooren: hier wordt de zuivere leer verkondigd.”En nu trad hij met mij door een laag poortje, dat een deftig man juist wilde sluiten, en wij stegen verscheidene trappen af, als naar een grafgewelf onder de kerk. Zoo was het ook. In deze onderaardsche kerk—om welke reden is mij onbekend,—werd eene zonderlinge godsdienstoefening gehouden.Wij kwamen in een ruim, laag gewelf, zooals doorgaans tot begraafplaats gebruikt wordt, en ook lang daartoe gediend had. Thans was het echter gedeeltelijk in eene kerk herschapen en tot dat einde van zitbanken voorzien. Dit gedeelte kon verscheidene honderden menschen bevatten, maar was toch nog kleiner dan de donkere gangen en gewelven, die ons rondom aangaapten. Sombere banieren en vermolmde wapenborden wezen in dit eenzame rijk der vergetelheid de graven van lang geleden ontslapene edelen aan. Opschriften, slechts voor den onvermoeid vlijtigen oudheidkenner leesbaar, in eene taal die even verouderd was als de vrome milddadigheid, welke zij inriepen, noodigden de levenden uit, om voor de zielen dergenen, die hier rustten, te bidden. Omringd door deze oude graven, was eene talrijke vergadering juist in haar gebed. De Schotten doen dit niet knielende, maar staande, misschien meer met het oogmerk om zoo veel mogelijk van de Roomsche kerkgebruiken af te wijken, dan om eenige andere reden.Want ik heb opgemerkt, dat zij bij hunne huiselijke godsdienstoefeningen, en waarschijnlijk ook bij hunne stille gebeden, de knielende houding van andere Christenen wel aannemen. Zoo stonden dan daar honderden menschen van beide geslachten, jong en oud, de mannen met ongedekt hoofd. Zij hoorden eerbiedig en aandachtig naar het gebed, dat een hoogbejaard, zeer bemind geestelijke voor de vuist uitsprak, althans niet voorlas. In hetzelfde geloof opgevoed, nam ik in hoog ernstige stemming terstond deel aan deze godsdienstoefening, en niet voor dat de gansche vergadering weder was gaan zitten, vestigde ik mijne opmerkzaamheid op al wat mij omringde.Na het gebed zetten de meeste mannen den hoed of de muts op. Andries en ik stonden tusschen vele anderen, die even als wij te laat waren gekomen en geene zitplaatsen hadden kunnen vinden, en een kring rondom de zittenden vormden. Achter ons waren de donkere gewelven, voor ons de vergadering der vromen. Het flauwe licht viel door een klein Gothisch venster, zooals men wel in knekelhuizen vindt, en bescheen hunne gezichten. Allen hadden, zooals de Schotten bij het verrichten van hun godsdienst gewoon zijn, op den prediker de oogen gevestigd. Bijna allen waren zeer aandachtig. Soms was hier of daar een vader of eene moeder, die de afdwalende blikken van een te levendig kind berispte, of werd een onder de predikatie zachtkens ingesluimerde toehoorder door een elleboogstoot onzacht gewekt. De grove gelaatstrekken der Schotten met de uitdrukking van verstand en sluwheid, die niet zelden daarop te lezen is, onderscheiden zich veel gunstigerbij hunne godsdienstoefeningen of wanneer zij als militairen in rij en gelid staan, dan in de gezellige bijeenkomsten van het dagelijksch leven.De voordracht van den prediker was zeer geschikt om de verschillende gevoelens en gewaarwordingen van zijne toehoorders op te wekken. Wel is waar hadden ouderdom en ziekelijkheid zijne oorspronkelijke sterkte en volle stem merkelijk verzwakt. Hij las zijn tekst niet zeer duidelijk af. Maar zoodra hij den Bijbel gesloten en zijne leerrede begonnen had, werd de toon zijner stem van lieverlede krachtiger, vooral dan wanneer hij met veel levendigheid bewijzen toelichtte, die meest op de hoogere, voor het menschelijke begrip niet vatbare, zeer diepzinnige beschouwingen en stellingen van den Christelijken godsdienst betrekking hadden, maar door hem zeer gepast door talrijke bijbelplaatsen opgehelderd werden. Wel was ik niet genoeg voorbereid, om hem in al zijne redeneeringen te volgen; ook wist ik soms niet of ik zijne stellingen wel goed begrepen had, maar niets kon treffender zijn, dan het, als door een hooger licht bestraald gelaat van den braven grijsaard; niets schranderder en meer overtuigend, dan de uiteenzetting zijner gronden. Bekend is het dat de Schotten zich meer door de oefening van hunne geestvermogens dan door de levendigheid van hun gevoel onderscheiden. Zij verkiezen logische gevolgtrekkingen boven fijne redeneerkunst, scherpzinnig betoog van leerstelsels boven die bloemrijke, tot het hart en de zinnen sprekende taal, waardoor elders godsdienstleeraars zoo veel op hunne toehoorders vermogen.Onder de aandachtige toehoorders die ik opmerkte, zag ik verscheidene gezichten vol uitdrukking, die mij aan Raphaëls beeld: „de prediking van den apostel Paulus te Athene” herinnerden. Hier zat een ijverig, verstandig calvinist, wiens saamgetrokken wenkbrauwen diepe aandacht verrieden. Zijne lippen waren half gesloten, zijne oogen op den leeraar gevestigd met eene uitdrukking van fierheid, alsof hij zich over de zegepralende kracht der ontwikkelde bewijsgronden verheugde, terwijl de wijsvinger van zijne rechterhand nu en dan de vingers der linkerhand aanraakte, naarmate de leeraar van bewijsgrond tot bewijsgrond, en zoo tot de daaruit afgeleide gevolgtrekking overging. Een ander, wiens oog fierder en somberder was, verried zijne minachting jegens allen, die aan ’s predikers betoog schenen te twijfelen, en tevens zijne vreugde over de strafbedreigingen, die tegen de twijfelaars uitgesproken werden. Een derde, die misschien tot eene andere gemeente behoorde, en zich toevallig of uit nieuwsgierigheid hier bevond, scheen het een en ander gedeelte der rede te bestrijden; vrij duidelijk verried zijn hoofdschudden, dat hij de bewijzen van den leeraar geenszins voor geldend hield. Maar de meesten luisterden met een bedaard, tevreden gelaat, waarvan de uitdrukking te kennen gaf, hoeveel zij er zich op lieten voorstaan zulk eene krachtige leerrede te hooren, ofschoon zij ze ook misschien niet volkomen begrepen. Tot deze laatsten behoorden meestal de vrouwen. De meer bejaarde vooral schenen op de verklaring der leerstellingen nauwkeuriger acht te geven. De jongere keken nu en dan bescheidenin de vergadering rond. Ja, bedroog mij mijne ijdelheid niet, dan vielen ook op mij hier en daar eenige blikken. Wat de rest betreft—sommigen geeuwden of sliepen; dit waren de onverschilligen, de luiaards en ook zij, wier bevattingsvermogen veel te beperkt was om uit de leerrede eenig nut te trekken. Vaak werden ze door hen, die naast hen zaten, op den voet getrapt, of door een elleboogstoot tot aandacht opgewekt. Slechts zeer weinigen lieten hunne verveling door hinderlijke teekenen blijken. Naast de gewone dracht derLaaglanders, uit een rok en een mantel bestaande, zag ik hier en daar menig Hooglander in zijn nationaal kostuum, steunend op het gevest van zijn zwaard, met vrijmoedige nieuwsgierigheid in de vergadering rondziende, terwijl hij op den leeraar, wiens taal hij niet verstond, volstrekt geen acht gaf. Het woeste, krijgshaftige voorkomen van deze lieden zette aan de gansche vergadering iets eigenaardigs bij, wat zij anders niet zou gehad hebben. De Hooglanders waren heden vrij talrijk, omdat er, zoo als Andries mij zeide, in de buurt beestenmarkt werd gehouden.Het was een schilderachtige aanblik, wanneer door de nauwe vensters heldere zonnestralen vielen, die de aandachtige vergadering beschenen, zich dan in de achterste gewelven verloren, terwijl vooraan eene flauwe schemering heerschte, maar de diepe achtergrond in het duister lag en zich eindeloos scheen uit te strekken.Ik stond in den buitensten kring, waar ik, met mijn gelaat naar den leeraar gewend, den rug naar de donkere gewelven keerde. Daardoor echter was ik aan herhaalde stoornissen blootgesteld; elk zacht geruisch in die gewelven werd door den weerklank duizendvoudig herhaald. Dikwijls keerde ik mij om, als regendroppels, door de scheuren van het bouwvallige dak op den bodem vielen. En hadden dan mijne oogen eenmaal die richting genomen, dan kon ik ze zoo terstond niet weder afwenden. Zij werden meer en meer aan den donkeren achtergrond gewoon. Ja allengs bekroop mij de nieuwsgierigheid, om in die geheimzinnige doolgangen ontdekkingen te doen, zoodat ik schier geheel vergat, mijne aandacht op de zinrijke preek van den leeraar te vestigen.Dit verstrooid afdwalen was eene hebbelijkheid, waarover ik van mijn vader vaak verwijtingen had moeten hooren. Ze ontstond misschien uit eene al te groote prikkelbaarheid der verbeelding, die hij zelf niet kende. Op dat oogenblik, herinnerde ik mij op eenmaal den tijd, toen ik aan zijne hand ter kerk ging en zijne ernstige vermaningen hoorde. Deze herinnering benam mij mijne aandacht geheel en al. Want zij riep mij zijn gevaarvollen toestand in het geheugen. Zacht fluisterend verzocht ik Andries, te onderzoeken, of zich ook iemand van het kantoor van Mac-Vittie in deze vergadering bevond. Al zijn aandacht wijdend aan den leeraar, beantwoordde Andries mijn verzoek slechts met een elleboogstoot, om mij te kennen te geven dat ik zwijgen moest. Met even weinig gevolg overzag ik de vele, naar den kansel gewende gezichten. Ik zocht of ook onder hen Owens mij zoo goed bekende trekken met hun uitdrukking van godvruchtige kalmte en slimmen koopmansgeest te vinden was. Maar noch onder de breede vilten hoeden der stedelingen, noch onderde mutsen met breede randen der landlieden kon ik iets ontdekken, wat naar de deftige pruik, den lichtbruinen rok en de stijve das van onzen eersten boekhouder geleek. Intusschen pijnigde mijn ongeduld mij zoo zeer, dat de nieuwheid der mij omringende dingen alle bekoring voor mij verloor. Ik trok mijn leidsman vrij onzacht bij den mouw en gaf hem mijn wensch te kennen om de kerk te verlaten en mijne nasporingen voort te zetten. Andries, even halsstarrig als op onzen tocht over het Cheviot-gebergte, verwaardigde zich in het eerst niet eens mij te antwoorden. Maar eindelijk, toen hij zag dat ik mij zoo niet liet afschepen, zeide hij dat wij vóór het eindigen der godsdienstoefening niet konden wegkomen, omdat de deuren sedert het begin van het gebed gesloten waren. Toen hij mij dit met korte woorden vrij knorrigtoegefluisterdhad, keerde hij zich weder naar den leeraar en nam opnieuw de houding van een diepdenkenden, scherpbeoordeelenden toehoorder aan.Ik moest van den noodeene deugd maken, en ook mijne opmerkzaamheid weder op de leerrede trachten te vestigen. Maar eene nieuwe zonderlinge gebeurtenis kwam mij op eenmaal daarin storen. Eene stem achter mij fluisterde mij zeer verstaanbaar in het oor: »gij zijt in deze stad in gevaar!”Onwillekeurig keerde ik mij om. Twee eenvoudige handwerkslieden stonden naast en achter mij. Even als wij, waren zij te laat in de kerk gekomen. Een enkele blik, dien ik op hunne gezichten wierp, overtuigdemij, zonder dat ik mij daarover eigenlijk eene bepaalde reden kon geven, dat geen van beiden tot mij gesproken had, en zeer opmerkzaam naar den leeraar luisterende, beantwoordde geen van beiden mijn vorschenden blik. Een dikke ronde pilaar dicht achter ons kon den geheimen waarschuwer, zoodra hij gesproken had, licht aan mijne oogen onttrokken hebben; maar waarom hij die waarschuwing op deze plaats gedaan had, en welk gevaar hij bedoelde en wie hij wezen mocht,—dit waren vragen, waaromtrent ik mij in gissingen verdiepte en mijne verbeeldingskracht te vergeefs inspande. Ik verwachtte dat men de waarschuwing herhalen zou en vestigde mijne oogen onafgewend op den leeraar, ten einde den onbekenden vriend er toe te brengen, zijne mededeeling te herhalen, in de meening dat ik hem de eerste maal niet goed gehoord of begrepen had.Het gelukte. Nauwelijks had ik mijne oogen op den leeraar gevestigd, of dezelfde stem fluisterde mij toe: »hoor naar mij, maar zie niet om.”—Ik keek onafgewend naar den preekstoel.—»Gij zijt in deze stad in gevaar,” vervolgde dezelfde stem, »en ik zelf ook. Kom heden nacht precies te twaalf ure op de groote brug: ik zal er zijn. Blijf overigens te huis tot het donker is en vermijd de spionnen.”De stem zweeg en ik keerde mij terstond om. Maar nog veel sneller had de waarschuwer zich achter den pilaar verborgen. Vast besloten om hem, zoo het slechts mogelijk ware, te zien, drong ik mij uit den kring der toehoorders, en spoedde mij om achter den pilaar te komen. Ik vond niemand, maar ik zag een eind verder eene in een mantel gewikkelde gestalte onder die sombere gewelven. Onwillekeurig wilde ik den geheimzinnige volgen, die als een spook in den donkeren achtergrond verdween. Weinig hoop had ik, om den onbekende, die blijkbaar niet ontdekt wilde zijn, te vinden. En deze weinige hoop verdween geheel, toen ik, nauwelijks drie schreden van dien pilaar, struikelde en viel. Gelukkig belette de duisternis, die mijn val veroorzaakt had, dat men mij zag vallen; want reeds had de leeraar—men was zeer streng in het handhaven der orde, gedurende de godsdienstoefening—zijne rede afgebroken en den opziener met luide stemme gelast den rustverstoorder in hechtenis te nemen. Maar daar het gedruisch niet herhaald werd, volgde er ook geen streng onderzoek. Ik kon onopgemerkt mijne plaats naast den tuinman hernemen.Zoodra de godsdienstoefening geëindigd was en de vergadering uiteen ging, wees Andries mij den Heer Mac-Vittie en diens vrouw en dochter benevens den Heer Thomas Mac-Fin, die met juffrouw Mac-Vittie verloofd was. Hij deed er, zoo als Andries er met nadruk bijvoegde, eene zeer goede partij aan. Mac-Vittie was een reeds bejaard man, met scherpe gelaatstrekken, borstelige wenkbrauwen, licht grijze oogen, met één woord, met een zoo afstootend voorkomen, dat ik er van schrikte. Ik herinnerde mij de waarschuwing van den onbekende en draalde met den man aan te spreken, ofschoon ik voor mij zelven eigenlijk niet zeggen kon, wat mij zooveel afkeer en argwaan inboezemde. Andries, die mijn dralen voor blooheid hield, vermaande mij onbeschroomd te zijn. »Spreekhem aan,” herhaalde hij telkens; »waarom zijt gij bevreesd? Hij is nog geen burgemeester, maar aanstaande jaar zal hij het, naar men zegt, zeker worden. Hij zal u wel vriendelijk antwoorden, als gij maar geen geld van hem hebben moet. Hij is schatrijk, maar ongaarne haalt hij zijn beurs uit—zeggen de lui.”Als de koopman wezenlijk zoo gierig is—dacht ik—als Andries beweert, dan dien ik voorzichtig te zijn, want ik weet niet hoe de rekening tusschen hem en mijn vader staat.… Die overweging versterkte den indruk van den geheimzinnigen wenk, dien ik ontvangen had, en ook den afkeer, door ’s mans gelaatstrekken in mij gewekt. Ik besloot mij niet terstond tot hem te wenden, zoo als eerst mijn voornemen was geweest. Ik gelastte mijn gids, aan het huis van Mac-Vittie naar Owen te vragen, maar zorgvuldig te verzwijgen, van wien hij die boodschap had, en mij dan in onze herberg antwoord te brengen. Andries beloofde het. Maar hij sprak tevens van mijn plicht, om ook den avondgodsdienst bij te wonen. En hij voegde er, met de hem zoo eigen bijtende spotternij bij: »Ja, als de menschen niet bedaard blijven staan, maar op de grafsteenen ronddrentelen alsof zij de dooden wilden wekten, ja, dan hooren ze beter in een kroeg dan in een kerk.…”
Ik liet den braven, vromen Andries nog maar even ongeduldig wachten. Ik bleef nog een paar oogenblikken toeven, om het uitwendige van het gebouw te beschouwen. Nu scheen het mij in de eenzaamheid, die het omgaf, nog veel eerwaardiger. De deuren waren namelijk gesloten, zoodra de talrijke gemeente, die thans in plechtige aandacht vereenigd was, zooals de stemmen van een zwaar koorgezang ons verkondigden, zich in het binnenste van het heiligdom bevond. De toon van zoo vele stemmen, die, op een afstand, ineeneenkele harmonie samenvloeiden, vrij van de ruwe wanklanken, die het oor in de nabijheid kwetsen, samensmeltende met het murmelen der beek en met den zachten wind, die door de oude pijnboomen ruischte, scheen mij iets verhevens te hebben. De gansche natuur, zoo als de Psalmist, wiens liederen zij zongen, haar aanriep, scheen den plechtigen lofzang te zingen, waarin diepe eerbied en reine vreugde samensmelten, terwijl zij zich tot haren Schepper verheffen. In Frankrijk had ik het hoogambt zien bedienen met al den luister, dien toonkunst, kleederpracht en den sterksten indruk makende plechtigheden konden te weeg brengen. Maar de uitwerking daarvan op mij was veel flauwer dan die van de eenvoudige Schotsche godsdienstoefening. Hier werd ze, in den eigenlijken zin, door al de aanwezigen verricht. Daar bestond zij slechts in eene van buiten geleerde les, die kunstmatig opgezegd werd. Hier was het reine edele natuur.…
»Kom, mijnheer, kom toch!” riep de ongeduldige Andries mij toe en trok mij aan den roksmouw. »Geloof mij, als wij zoo laat binnentreden, veroorzaken wij storing in den godsdienst. Blijven wij hier staan, dan loopen wij gevaar om, als godsdienstlooze lediggangers onder kerktijd, naar de wacht gebracht te worden.”
Op deze vermaning volgde ik mijn geleider, maar niet, zoo als ik gemeendhad, naar de hoofddeur.—»Hierheen! hierheen!” riep hij, mij naar zich toetrekkende. »Daar zoudt gij slechts ijdele praat, alledaagsche zedenprekerij hooren: hier wordt de zuivere leer verkondigd.”
En nu trad hij met mij door een laag poortje, dat een deftig man juist wilde sluiten, en wij stegen verscheidene trappen af, als naar een grafgewelf onder de kerk. Zoo was het ook. In deze onderaardsche kerk—om welke reden is mij onbekend,—werd eene zonderlinge godsdienstoefening gehouden.
Wij kwamen in een ruim, laag gewelf, zooals doorgaans tot begraafplaats gebruikt wordt, en ook lang daartoe gediend had. Thans was het echter gedeeltelijk in eene kerk herschapen en tot dat einde van zitbanken voorzien. Dit gedeelte kon verscheidene honderden menschen bevatten, maar was toch nog kleiner dan de donkere gangen en gewelven, die ons rondom aangaapten. Sombere banieren en vermolmde wapenborden wezen in dit eenzame rijk der vergetelheid de graven van lang geleden ontslapene edelen aan. Opschriften, slechts voor den onvermoeid vlijtigen oudheidkenner leesbaar, in eene taal die even verouderd was als de vrome milddadigheid, welke zij inriepen, noodigden de levenden uit, om voor de zielen dergenen, die hier rustten, te bidden. Omringd door deze oude graven, was eene talrijke vergadering juist in haar gebed. De Schotten doen dit niet knielende, maar staande, misschien meer met het oogmerk om zoo veel mogelijk van de Roomsche kerkgebruiken af te wijken, dan om eenige andere reden.
Want ik heb opgemerkt, dat zij bij hunne huiselijke godsdienstoefeningen, en waarschijnlijk ook bij hunne stille gebeden, de knielende houding van andere Christenen wel aannemen. Zoo stonden dan daar honderden menschen van beide geslachten, jong en oud, de mannen met ongedekt hoofd. Zij hoorden eerbiedig en aandachtig naar het gebed, dat een hoogbejaard, zeer bemind geestelijke voor de vuist uitsprak, althans niet voorlas. In hetzelfde geloof opgevoed, nam ik in hoog ernstige stemming terstond deel aan deze godsdienstoefening, en niet voor dat de gansche vergadering weder was gaan zitten, vestigde ik mijne opmerkzaamheid op al wat mij omringde.
Na het gebed zetten de meeste mannen den hoed of de muts op. Andries en ik stonden tusschen vele anderen, die even als wij te laat waren gekomen en geene zitplaatsen hadden kunnen vinden, en een kring rondom de zittenden vormden. Achter ons waren de donkere gewelven, voor ons de vergadering der vromen. Het flauwe licht viel door een klein Gothisch venster, zooals men wel in knekelhuizen vindt, en bescheen hunne gezichten. Allen hadden, zooals de Schotten bij het verrichten van hun godsdienst gewoon zijn, op den prediker de oogen gevestigd. Bijna allen waren zeer aandachtig. Soms was hier of daar een vader of eene moeder, die de afdwalende blikken van een te levendig kind berispte, of werd een onder de predikatie zachtkens ingesluimerde toehoorder door een elleboogstoot onzacht gewekt. De grove gelaatstrekken der Schotten met de uitdrukking van verstand en sluwheid, die niet zelden daarop te lezen is, onderscheiden zich veel gunstigerbij hunne godsdienstoefeningen of wanneer zij als militairen in rij en gelid staan, dan in de gezellige bijeenkomsten van het dagelijksch leven.
De voordracht van den prediker was zeer geschikt om de verschillende gevoelens en gewaarwordingen van zijne toehoorders op te wekken. Wel is waar hadden ouderdom en ziekelijkheid zijne oorspronkelijke sterkte en volle stem merkelijk verzwakt. Hij las zijn tekst niet zeer duidelijk af. Maar zoodra hij den Bijbel gesloten en zijne leerrede begonnen had, werd de toon zijner stem van lieverlede krachtiger, vooral dan wanneer hij met veel levendigheid bewijzen toelichtte, die meest op de hoogere, voor het menschelijke begrip niet vatbare, zeer diepzinnige beschouwingen en stellingen van den Christelijken godsdienst betrekking hadden, maar door hem zeer gepast door talrijke bijbelplaatsen opgehelderd werden. Wel was ik niet genoeg voorbereid, om hem in al zijne redeneeringen te volgen; ook wist ik soms niet of ik zijne stellingen wel goed begrepen had, maar niets kon treffender zijn, dan het, als door een hooger licht bestraald gelaat van den braven grijsaard; niets schranderder en meer overtuigend, dan de uiteenzetting zijner gronden. Bekend is het dat de Schotten zich meer door de oefening van hunne geestvermogens dan door de levendigheid van hun gevoel onderscheiden. Zij verkiezen logische gevolgtrekkingen boven fijne redeneerkunst, scherpzinnig betoog van leerstelsels boven die bloemrijke, tot het hart en de zinnen sprekende taal, waardoor elders godsdienstleeraars zoo veel op hunne toehoorders vermogen.
Onder de aandachtige toehoorders die ik opmerkte, zag ik verscheidene gezichten vol uitdrukking, die mij aan Raphaëls beeld: „de prediking van den apostel Paulus te Athene” herinnerden. Hier zat een ijverig, verstandig calvinist, wiens saamgetrokken wenkbrauwen diepe aandacht verrieden. Zijne lippen waren half gesloten, zijne oogen op den leeraar gevestigd met eene uitdrukking van fierheid, alsof hij zich over de zegepralende kracht der ontwikkelde bewijsgronden verheugde, terwijl de wijsvinger van zijne rechterhand nu en dan de vingers der linkerhand aanraakte, naarmate de leeraar van bewijsgrond tot bewijsgrond, en zoo tot de daaruit afgeleide gevolgtrekking overging. Een ander, wiens oog fierder en somberder was, verried zijne minachting jegens allen, die aan ’s predikers betoog schenen te twijfelen, en tevens zijne vreugde over de strafbedreigingen, die tegen de twijfelaars uitgesproken werden. Een derde, die misschien tot eene andere gemeente behoorde, en zich toevallig of uit nieuwsgierigheid hier bevond, scheen het een en ander gedeelte der rede te bestrijden; vrij duidelijk verried zijn hoofdschudden, dat hij de bewijzen van den leeraar geenszins voor geldend hield. Maar de meesten luisterden met een bedaard, tevreden gelaat, waarvan de uitdrukking te kennen gaf, hoeveel zij er zich op lieten voorstaan zulk eene krachtige leerrede te hooren, ofschoon zij ze ook misschien niet volkomen begrepen. Tot deze laatsten behoorden meestal de vrouwen. De meer bejaarde vooral schenen op de verklaring der leerstellingen nauwkeuriger acht te geven. De jongere keken nu en dan bescheidenin de vergadering rond. Ja, bedroog mij mijne ijdelheid niet, dan vielen ook op mij hier en daar eenige blikken. Wat de rest betreft—sommigen geeuwden of sliepen; dit waren de onverschilligen, de luiaards en ook zij, wier bevattingsvermogen veel te beperkt was om uit de leerrede eenig nut te trekken. Vaak werden ze door hen, die naast hen zaten, op den voet getrapt, of door een elleboogstoot tot aandacht opgewekt. Slechts zeer weinigen lieten hunne verveling door hinderlijke teekenen blijken. Naast de gewone dracht derLaaglanders, uit een rok en een mantel bestaande, zag ik hier en daar menig Hooglander in zijn nationaal kostuum, steunend op het gevest van zijn zwaard, met vrijmoedige nieuwsgierigheid in de vergadering rondziende, terwijl hij op den leeraar, wiens taal hij niet verstond, volstrekt geen acht gaf. Het woeste, krijgshaftige voorkomen van deze lieden zette aan de gansche vergadering iets eigenaardigs bij, wat zij anders niet zou gehad hebben. De Hooglanders waren heden vrij talrijk, omdat er, zoo als Andries mij zeide, in de buurt beestenmarkt werd gehouden.
Het was een schilderachtige aanblik, wanneer door de nauwe vensters heldere zonnestralen vielen, die de aandachtige vergadering beschenen, zich dan in de achterste gewelven verloren, terwijl vooraan eene flauwe schemering heerschte, maar de diepe achtergrond in het duister lag en zich eindeloos scheen uit te strekken.
Ik stond in den buitensten kring, waar ik, met mijn gelaat naar den leeraar gewend, den rug naar de donkere gewelven keerde. Daardoor echter was ik aan herhaalde stoornissen blootgesteld; elk zacht geruisch in die gewelven werd door den weerklank duizendvoudig herhaald. Dikwijls keerde ik mij om, als regendroppels, door de scheuren van het bouwvallige dak op den bodem vielen. En hadden dan mijne oogen eenmaal die richting genomen, dan kon ik ze zoo terstond niet weder afwenden. Zij werden meer en meer aan den donkeren achtergrond gewoon. Ja allengs bekroop mij de nieuwsgierigheid, om in die geheimzinnige doolgangen ontdekkingen te doen, zoodat ik schier geheel vergat, mijne aandacht op de zinrijke preek van den leeraar te vestigen.
Dit verstrooid afdwalen was eene hebbelijkheid, waarover ik van mijn vader vaak verwijtingen had moeten hooren. Ze ontstond misschien uit eene al te groote prikkelbaarheid der verbeelding, die hij zelf niet kende. Op dat oogenblik, herinnerde ik mij op eenmaal den tijd, toen ik aan zijne hand ter kerk ging en zijne ernstige vermaningen hoorde. Deze herinnering benam mij mijne aandacht geheel en al. Want zij riep mij zijn gevaarvollen toestand in het geheugen. Zacht fluisterend verzocht ik Andries, te onderzoeken, of zich ook iemand van het kantoor van Mac-Vittie in deze vergadering bevond. Al zijn aandacht wijdend aan den leeraar, beantwoordde Andries mijn verzoek slechts met een elleboogstoot, om mij te kennen te geven dat ik zwijgen moest. Met even weinig gevolg overzag ik de vele, naar den kansel gewende gezichten. Ik zocht of ook onder hen Owens mij zoo goed bekende trekken met hun uitdrukking van godvruchtige kalmte en slimmen koopmansgeest te vinden was. Maar noch onder de breede vilten hoeden der stedelingen, noch onderde mutsen met breede randen der landlieden kon ik iets ontdekken, wat naar de deftige pruik, den lichtbruinen rok en de stijve das van onzen eersten boekhouder geleek. Intusschen pijnigde mijn ongeduld mij zoo zeer, dat de nieuwheid der mij omringende dingen alle bekoring voor mij verloor. Ik trok mijn leidsman vrij onzacht bij den mouw en gaf hem mijn wensch te kennen om de kerk te verlaten en mijne nasporingen voort te zetten. Andries, even halsstarrig als op onzen tocht over het Cheviot-gebergte, verwaardigde zich in het eerst niet eens mij te antwoorden. Maar eindelijk, toen hij zag dat ik mij zoo niet liet afschepen, zeide hij dat wij vóór het eindigen der godsdienstoefening niet konden wegkomen, omdat de deuren sedert het begin van het gebed gesloten waren. Toen hij mij dit met korte woorden vrij knorrigtoegefluisterdhad, keerde hij zich weder naar den leeraar en nam opnieuw de houding van een diepdenkenden, scherpbeoordeelenden toehoorder aan.
Ik moest van den noodeene deugd maken, en ook mijne opmerkzaamheid weder op de leerrede trachten te vestigen. Maar eene nieuwe zonderlinge gebeurtenis kwam mij op eenmaal daarin storen. Eene stem achter mij fluisterde mij zeer verstaanbaar in het oor: »gij zijt in deze stad in gevaar!”
Onwillekeurig keerde ik mij om. Twee eenvoudige handwerkslieden stonden naast en achter mij. Even als wij, waren zij te laat in de kerk gekomen. Een enkele blik, dien ik op hunne gezichten wierp, overtuigdemij, zonder dat ik mij daarover eigenlijk eene bepaalde reden kon geven, dat geen van beiden tot mij gesproken had, en zeer opmerkzaam naar den leeraar luisterende, beantwoordde geen van beiden mijn vorschenden blik. Een dikke ronde pilaar dicht achter ons kon den geheimen waarschuwer, zoodra hij gesproken had, licht aan mijne oogen onttrokken hebben; maar waarom hij die waarschuwing op deze plaats gedaan had, en welk gevaar hij bedoelde en wie hij wezen mocht,—dit waren vragen, waaromtrent ik mij in gissingen verdiepte en mijne verbeeldingskracht te vergeefs inspande. Ik verwachtte dat men de waarschuwing herhalen zou en vestigde mijne oogen onafgewend op den leeraar, ten einde den onbekenden vriend er toe te brengen, zijne mededeeling te herhalen, in de meening dat ik hem de eerste maal niet goed gehoord of begrepen had.
Het gelukte. Nauwelijks had ik mijne oogen op den leeraar gevestigd, of dezelfde stem fluisterde mij toe: »hoor naar mij, maar zie niet om.”—Ik keek onafgewend naar den preekstoel.—»Gij zijt in deze stad in gevaar,” vervolgde dezelfde stem, »en ik zelf ook. Kom heden nacht precies te twaalf ure op de groote brug: ik zal er zijn. Blijf overigens te huis tot het donker is en vermijd de spionnen.”
De stem zweeg en ik keerde mij terstond om. Maar nog veel sneller had de waarschuwer zich achter den pilaar verborgen. Vast besloten om hem, zoo het slechts mogelijk ware, te zien, drong ik mij uit den kring der toehoorders, en spoedde mij om achter den pilaar te komen. Ik vond niemand, maar ik zag een eind verder eene in een mantel gewikkelde gestalte onder die sombere gewelven. Onwillekeurig wilde ik den geheimzinnige volgen, die als een spook in den donkeren achtergrond verdween. Weinig hoop had ik, om den onbekende, die blijkbaar niet ontdekt wilde zijn, te vinden. En deze weinige hoop verdween geheel, toen ik, nauwelijks drie schreden van dien pilaar, struikelde en viel. Gelukkig belette de duisternis, die mijn val veroorzaakt had, dat men mij zag vallen; want reeds had de leeraar—men was zeer streng in het handhaven der orde, gedurende de godsdienstoefening—zijne rede afgebroken en den opziener met luide stemme gelast den rustverstoorder in hechtenis te nemen. Maar daar het gedruisch niet herhaald werd, volgde er ook geen streng onderzoek. Ik kon onopgemerkt mijne plaats naast den tuinman hernemen.
Zoodra de godsdienstoefening geëindigd was en de vergadering uiteen ging, wees Andries mij den Heer Mac-Vittie en diens vrouw en dochter benevens den Heer Thomas Mac-Fin, die met juffrouw Mac-Vittie verloofd was. Hij deed er, zoo als Andries er met nadruk bijvoegde, eene zeer goede partij aan. Mac-Vittie was een reeds bejaard man, met scherpe gelaatstrekken, borstelige wenkbrauwen, licht grijze oogen, met één woord, met een zoo afstootend voorkomen, dat ik er van schrikte. Ik herinnerde mij de waarschuwing van den onbekende en draalde met den man aan te spreken, ofschoon ik voor mij zelven eigenlijk niet zeggen kon, wat mij zooveel afkeer en argwaan inboezemde. Andries, die mijn dralen voor blooheid hield, vermaande mij onbeschroomd te zijn. »Spreekhem aan,” herhaalde hij telkens; »waarom zijt gij bevreesd? Hij is nog geen burgemeester, maar aanstaande jaar zal hij het, naar men zegt, zeker worden. Hij zal u wel vriendelijk antwoorden, als gij maar geen geld van hem hebben moet. Hij is schatrijk, maar ongaarne haalt hij zijn beurs uit—zeggen de lui.”
Als de koopman wezenlijk zoo gierig is—dacht ik—als Andries beweert, dan dien ik voorzichtig te zijn, want ik weet niet hoe de rekening tusschen hem en mijn vader staat.… Die overweging versterkte den indruk van den geheimzinnigen wenk, dien ik ontvangen had, en ook den afkeer, door ’s mans gelaatstrekken in mij gewekt. Ik besloot mij niet terstond tot hem te wenden, zoo als eerst mijn voornemen was geweest. Ik gelastte mijn gids, aan het huis van Mac-Vittie naar Owen te vragen, maar zorgvuldig te verzwijgen, van wien hij die boodschap had, en mij dan in onze herberg antwoord te brengen. Andries beloofde het. Maar hij sprak tevens van mijn plicht, om ook den avondgodsdienst bij te wonen. En hij voegde er, met de hem zoo eigen bijtende spotternij bij: »Ja, als de menschen niet bedaard blijven staan, maar op de grafsteenen ronddrentelen alsof zij de dooden wilden wekten, ja, dan hooren ze beter in een kroeg dan in een kerk.…”