HOOFDSTUK XVIII.Voort ging ’t! voort maar! hop, hop, hop!Al voort! in bruisenden galop,Dat ros en ruiter snoven,En stof en vonken stoven.Bürger.Het is hard, als op den mensch allerlei ongelukken van verschillenden aard tezamen instormen. En toch ligt daarin het voordeel dat door de verstrooiing, die hunne tegenstrijdige werking op het gemoed doet ontstaan, geen der onheilen hem geheel en al overweldigt. Het scheiden van Diana smartte mij diep; maar nochtans niet zoo zeer, dat ook het ongeluk, hetwelk mijn vader dreigde, mijn geest niet zou hebben bezig gehouden, terwijl weder die Jobstijding mij minder bekommerde, omdat ze niet heteenigevoorwerp van bezorgdheid voor mij was.Niet dat ik een wuft minnaar, of een gevoellooze zoon was. Maar een mensch wijdt slechts een zeker deel van zijne smartelijke gewaarwordingen aan de oorzaak, waardoor zij verwekt worden. En wanneer twee daarvan tegelijk werken, dan moet onze deelneming noodzakelijk, even als de percent’s gewijze betaling van een bankroetier, tusschen allen verdeeld worden. Met zulke gedachten kwam ik in mijne kamer. Het was alsof ik reeds op weg was naar de koopmansberekeningen.Ik begon mijns vaders brief ernstig te overwegen. De inhoud was mij nog niet zeer duidelijk. Ik werd ten opzichte van verscheidene omstandigheden naar Owen verwezen, dien ik te Glasgow aan het kantoor van de heerenMac-Vittie, Mac-Fin en Compagnie moest zoeken. Bij de vermelding van verscheidene vroeger aan mij afgezonden brieven, die verloren of onderschept moesten zijn, klaagde men over mijn halsstarrig zwijgen in uitdrukkingen, die zeer onbillijk zouden zijn geweest, wanneer mijne brieven ter plaatse van hunne bestemming waren gekomen. Ik was schier buiten mij zelven van verbazing. Ik twijfelde er geen oogenblik aan, dat Rashleigh’s geest rondom mij zweefde, en dat hij de zwarigheden, die mij omringden, als spoken opriep. Ik schrikte voor de gedachte, toen ik overwoog hoe veel laaghartigheid en macht hij tot de uitvoering van zijne ontwerpen moest gebruikt hebben. Om mij ten minste in één opzicht recht te laten wedervaren, wil ik niet verzwijgen dat het scheiden van Diana Vernon, hoe het mij ook op een anderen tijd zou ter neer geslagen hebben, mij thans minder trof, dan de gedachte aan de gevaren die mijn vader dreigden. Ik zelf hechtte weinig aan rijkdom, en meende, even als de meeste jonge lieden van levendige fantasie, dat ik gemakkelijker het bezit van geld ontberen kon, dan mijn tijd en mijne bekwaamheden opofferen voor de werkzaamheden, waardoor het moest verkregen worden. Maar ik wist dat mijn vader het verlies van zijn vermogen voor een onherstelbaar ongeluk zou houden, waarvoor het leven hem geen troost verschaffen en de dood alleen het eenige redmiddel zijn kon.Mijn geest ontwikkelde, bij de overweging hoe dit ongeluk af te weren, eene kracht, welke het eigenbelang nooit zou opgewekt hebben, wanneer het mijn eigen vermogen gegolden had. Ik nam het besluit, reeds den volgenden dag het kasteel te verlaten en Owen in Glasgow op te zoeken. Ik oordeelde het raadzaam, dit besluit aan mijn oom eenvoudig bekend te maken door een brief, waarin ik hem voor de bij hem genoten gastvrijheid mijn dank betuigde, en hem tevens verzekerde dat eene dringende en zeer gewichtige aangelegenheid mij belette, hem mondeling daarvoor te danken. Ik wist wel, dat de oude eenvoudige ridder mij gemakkelijk verontschuldigen zou, en ik geloofde zoo vast aan Rashleigh’s wijd uitgebreide en vermetele macht, dat ik inderdaad vreesde dat hij, als ik mijn vertrek openlijk zou hebben aangekondigd, middelen zou gevonden hebben, om deze reis te verhinderen. Zijne verdere plannen zouden immers door mijne reis worden belemmerd.Ik besloot, mij met het aanbreken van den dag te verwijderen, ten einde ongehinderd over de naburige Schotsche grenzen te komen, waarvanhet welgelukken mijner onderneming afhing. Ik kende noch den kortsten, noch over het geheel eenigen weg naar Glasgow. In deze verlegenheid, daar spoed thans van het hoogste belang was, viel mijne gedachte op den tuinman Andries, van wien ik eenige inlichting kon verwachten. Hoe laat het ook reeds was, ik begaf mij terstond naar zijne woning, die niet ver van den buitenmuur van den tuin lag. Het was een aardig, van ruwe steenen gebouwd en door groote berkeboomen overschaduwd huis; een beekje kronkelde erlangs, terwijl het ook een bloemperk en moestuintje had; uit dit laatste verschafte zich de bewoner de behoeften voor zijne tafel; eene koe, die hem boter en melk verstrekte, had ook hare behoorlijke stalling.Toen ik deze woning naderde, hoorde ik een geluid, dat zich in langgerekte neustonen oploste. Mijne eerste gedachte was, dat Andries, volgens de goede gewoonte zijner landslieden, eenige buren tot eene avondoefening, zoo als zij het noemden, bij zich vereenigd had. Hij had vrouw noch kinderen, noch andere vrouwelijke huisgenooten. »De eerste man,” zeide hij doorgaans, »had al genoeg van dat vee gehad.” Maar soms wist hij toehoorders uit de rondom wonende Katholieken en aanhangers der bisschoppelijke kerk bij zich te verzamelen—»brandhouten uit het vuur weggerukt,” zoo als hij ze noemde—en dan oefende hij aan hen zijne geestelijke gaven, in spijt van pater Vaughan, pater Dotharty, Rashleigh en alle naburige Katholieken die hem, wegens deze onwettige uitoefening van hunne ambtsbediening, voor eene soort van ketterschen beunhaas verklaarden. Ik dacht, dat ook nu zijne woning tot een bedehuis voor zulk een gezelschap diende. Maar bij aandachtiger luisteren scheen mij het geluid uit de longen van den tuinman alleen te komen. Toen ik het door mijn binnentreden afbrak, vond ik hem werkelijk geheel alleen. Tot zijne stichting las hij een godgeleerd twistschrift en raffelde, zoo goed als hij kon, al de lange woorden en moeielijke namen achter elkander af.»Juist zocht ik een zalvende plaats of spreuk op bij den eerwaarden doctor Lichtfoot,” zeide hij, terwijl hij den foliant ter zijde legde.»Lichtfoot?” hernam ik, met verwondering op den foliant ziende. »Uw schrijver heeft een vrij ongepasten naam.”»Ja, Lichtfoot heet hij, waarde heer, maar hij was een heel ander godgeleerde, dan die van onzen tegenwoordigen tijd. Nu neem het mij niet kwalijk dat ik u zoo lang voor de deur liet staan, maar ik had heden avond een heel spul met een spook—God behoede ons!—en toen wilde ik niet gaarne opendoen, voor dat ik mijne avondoefening verricht had. Juist had ik het vijftiende kapittel van Nehemiah geëindigd. Als dat geen spook kan bedwingen, dan weet ik er niets van.”»Met een spook hadt ge te doen?” vroeg ik, »hoe moet ik dat verstaan, Andries?”»Nu ja, het wilde op mij los, God bewaar me!”»Op u los? Wat beteekent dat toch?”»Nu ja, ik meen eigenlijk niet, dat het mij te lijf wilde—maar het verschrikte mij geweldig.”»Nu, mij is het wel. Genoeg daarvan! Ik wenschte gaarne te weten, of gij mij den naasten weg naar een zekere plaats van uw land, Glasgow genaamd, kunt wijzen?”»Eene plaats, Glasgow genaamd?” herhaalde Andries. »Glasgow is een zeer groote stad, waarde Heer. Of ik den weg naar Glasgow ken? Wat een vraag? Die stad ligt dicht bij mijne geboorteplaats; mijne geboorteplaats ligt alleen een beetje meer westelijk. Maar wat hebt gij toch in Glasgow te zoeken?”»Bijzondere zaken roepen mij daarheen.”»Dat is met andere woorden: vraag mij niet verder. Nu, ik zal u niet lastig vallen. Naar Glasgow?” vervolgde hij, na eene poos zwijgens. »Mij dunkt, gij deedt beter, als gij een gids medenaamt.”»Ja, kon ik er maar een vinden, die den weg kent.”»En gij zoudt dan zeker voor verzuimden tijd en genomen moeite goed schadeloos stellen?”»Welzeker. Ik heb groote haast, en wanneer gij voor mij een knaap opsporen kunt, die mij vergezellen wil, kunt gij hem tevens verzekeren dat ik hem goed zal betalen.”»Hoor eens, mijnheer, heden is het Zondag,” vervolgde Andries, naar mij opziende, »en dan mag men zich met geene wereldsche zaken bezig houden, anders zou ik u wel eens willen vragen, wat gij er voor over hebt, als ik u een flinken gids bezorg, die de namen der kasteelen van al de edellieden langs dien weg weet op te noemen, en met de betrekkingen van die edellieden even goed als met zijne eigen familie bekend is.”»Ik zeg u immers, dat ik alleen den weg behoef te weten. De gids zal met mijne betaling tevreden zijn.”»Dat doet er niets toe!” hernam Andries. »De man, dien ik bedoel, kent alle zijpaden, alle voetpaden door het gebergte.”»Ik heb geen tijd om thans langer te praten of u te hooren praten, mijn beste Andries. Breng de zaak maar voor mij in orde zoo als gij wilt, en gij zult mij een grooten dienst bewijzen.”»Nu, dat laat zich hooren,” hernam Andries. »Als het zoo is, en niet anders, dan zal ik, om alle verdere moeite te besparen, u maar zelf den weg wijzen.”»Gij, Andries? Maar hoe kunt gij zoo plotseling uw dienst verlaten?”»Ik heb u immers gezegd,” antwoordde de tuinman, »dat ik reeds sedert lang dit voornemen gekoesterd heb, reeds sedert het eerste jaar van mijn dienst; en nu zal het daarmede eindelijk eens ernst worden. Beter laat dan nooit.”»Dus wilt gij uw dienst vaarwel zeggen en uw loon in den steek laten?” vroeg ik.»Nu ja, er zal iets aan moeten opgeofferd worden, dat spreekt van zelf. Maar ik heb nog eenig geld van onzen heer onder mij, van de appelen, weet ge, uit dien ouden boomgaard.—Ja, de lieden, die dat onrijpe goed gekregen hebben, zijn er leelijk mede gefopt! En toch is onzeheer zoo happig naar dat geld, en onze rentmeester maant er mij zoo dringend om, alsof het voor gouden pippelingen ontvangen was. Ook heb ik nog eene kleinigheid in geld voor verkochte zaden in handen, en zoo denk ik, zal ik mijn loon wel kunnen vinden. Maar wanneer wij naar Glasgow gaan, zult gij toch wel in aanmerking gelieven te nemen, dat ik gevaar loop eenig verlies te lijden. Gij zult waarschijnlijk spoedig vertrekken?”»Met het krieken van den dag.”»Dat is toch wat al te vlug! Van waar krijg ik een paard? Maar stil, ik weet er al een, dat juist voor mij geschikt is.”»Dan vinden wij elkander morgen vroeg te vijf ure heel aan het vooreinde van de laan.”»Ik zal er zijn, gij kunt er u gerust op verlaten!” zeide Andries welgemoed. »Maar wilt gij mijn raad volgen, laat ons twee uren vroeger vertrekken, ik ken den weg bij dag en bij nacht.”Gaarne gaf ik mijne toestemming tot dat voorstel, en wij maakten afspraak om elkander den volgenden morgen te drie ure op de bestemde plaats te ontmoeten.Plotseling herinnerde zich mijn aanstaande reisgenoot zijn spook. »Maar, maar,” zeide hij, »dat spook, dat spook zou ons kunnen overvallen, en niet gaarne zou ik tweemaal in de vier en twintig uren daarmede opgescheept zijn.”»Gekheid!” riep ik in het heengaan. »Vrees toch niet voor wezens uit de andere wereld! Hier op aarde zijn booze geesten genoeg, die zonder bijstand van den Satan en zijne booze geesten, al erg genoeg klaar spelen.”Met deze woorden keerde ik naar het kasteel terug, maakte schielijk de noodige toebereidselen tot mijne reis, laadde mijne pistolen en wierp mij toen op ’t bed, om, zoo het zijn kon, nog eene korte rust te genieten, voor dat ik de lange reis ondernam, die niet zonder moeielijkheden en onaangenaamheden zou zijn. Uitgeput door de hevige aandoeningen, welke mij geschokt hadden, viel ik weldra in een diepen slaap, maar toen de klok van het kasteel twee ure sloeg, werd ik wakker, stond schielijk op, ontstak het licht, schreef den voor mijn oom bestemden brief, en nadat ik de allernoodigste kleederen in mijn valies had gepakt, begaf ik mij naar beneden en kwam, zonder eenige hindernis te ontmoeten, in den stal. Ofschoon ik nu wel geen volmaakte stalknecht was, zoo als mijne neven, had ik toch gedurende mijn verblijf op het kasteel Osbaldistone geleerd mijn paard te tuigen en te zadelen, ik was dan ook in weinige minuten daarmede gereed.Toen ik nu de oude laan, waarop de afnemende maan haar flauw schijnsel wierp, opreed, zag ik met een diepen zucht terug naar het gebouw waar Diana woonde, en het denkbeeld, dat wij misschien voor altijd van elkander gescheiden waren, deed mij onbeschrijfelijk leed.»Zij is reeds voor mij verloren!” zeide ik in mij zelf, terwijl mijn oog te vergeefs uitzag naar het venster van hare kamer in den langen Gothischen muur van het kasteel, waarvan de tinnen spookachtig wit inden maneschijn uitstaken.—»Zij is reeds voor mij verloren, eer ik nog uit hare nabijheid ben! Hoe zou ik kunnen hopen, als er mijlen afstand tusschen ons liggen, haar te herwinnen.”In deze sombere droomerijen verdiept, hoorde ik de klok van het kasteel drie uren slaan.Dicht tegen den tuinmuur zag ik een man te paard wachten, doch ik moest wel driemaal hoesten en Andries roepen, eer de kerel antwoordde: »ja, ja, het is Andries!”»Vooruit dan!” zeide ik, »en zwijg, zoo gij kunt, tot wij door het dorp in het dal zijn.”Andries reed nog veel sneller dan ik eigenlijk wenschte. Hij nam mijn bevel om stil te zwijgen zoo stipt in acht, dat hij mij zelfs met geen enkel woord antwoordde, toen ik hem herhaalde malen naar de oorzaak van dezen noodeloozen spoed vroeg. Eindelijk hadden wij langs allerlei zijpaden, welke Andries zeer goed kende, een goed eind wegs afgelegd, en kwamen nu over een wijduitgestrekte heide spoedig aan de kale heuvels, die Engeland van Schotland scheiden. Het pad, of liever het spoor, dat wij thans volgden, was steenachtig en vrij ongemakkelijk, maar desniettemin reed Andries steeds op een fikschen draf vooruit. Ik was verwonderd en misnoegd over zijne eigenzinnigheid, daar wij hier wegens den oneffen bodem telkens gevaar liepen, om langs de steile afgronden, die ons links en rechts aangrijnsden, door het struikelen van onze paarden een ernstig ongeluk te krijgen, of misschien zelfs het leven te verliezen. De maan scheen nog zeer flauw. Soms reden wij onder de schaduw van hooge bergruggen in eene zoo dichte duisternis, dat ik mijn voorrijder niet meer zien kon, en slechts de hoefslag van zijn paard en de vonken, welke het uit de steenen sloeg, mij zijn spoor aanduidden. De snelle beweging en de oplettendheid, die ik wegensmijne eigen veiligheid aan mijn paard moest wijden, hadden eerst de weldadige uitwerking, dat zij mijn geest van mijn vele smartelijke overdenkingen afleidden. Toen ik echter den tuinman eene geruime poos vruchteloos toegeroepen had, werd ik innig boos over zijne halsstarrigheid, daar hij mij noch wilde gehoorzamen, noch eenig antwoord geven. Maar mijn toorn was, helaas, machteloos. Een paar maal trachtte ik hem in te halen, om hem mijn misnoegen eens ernstig te doen gevoelen, maar zijn paard was veel beter dan het mijne. Hij raadde mijn doel en reed steeds sneller, zoodra hij merkte dat ik hem naderbij kwam. Van boosheid kwam ik bijna buiten mij zelven, en eindelijk dreigde ik hem, mijne pistolen op hem te zullen losbranden. Dit maakte meer indruk, dan alle vriendelijke beden. Hij reed langzamer. Maar toen ik dicht bij hem was, begon hij: »het is waarachtig wat te zeggen, langs zulk een ellendigen weg te moeten rijden!”»Maar zeg eerst waarom zijt gij zoo snel gereden?” antwoordde ik driftig. Men wordt in den regel driftiger, als men even te voren eerst een weinig vrees gevoeld heeft.»Maar wat wenscht u dan, waarde heer?” vroeg Andries met onwrikbaren ernst.»Wat ik wensch, schelm? Heb ik u niet reeds een geheel uur toegeroepen langzamer te rijden, en gij hebt mij niet eens geantwoord! Zijt gij dronken of gek?”»Ja, waarde heer,” hernam Andries; »ik heb eigenlijk, eer ik mijn huisje, waar ik zoo lang gewoond had, verliet, een klein slokje genomen tot afscheid. Zie, ik wil met de zuivere waarheid voor den dag komen, want liegen is een groote zonde. Ik had niemand, die mij bescheid kon doen, en dus moest ik dat wel zelf doen, of het restje brandewijn voor de Papisten achterlaten, en dat zou ik toch voor onzen lieven Heer niet hebben kunnen verantwoorden. Ik heb het dus maar heelemaal opgedronken.”Ik liet zijne verontschuldiging gelden. Hij was mijn gids in wiens macht ik in zeker opzicht was. Ik vergenoegde mij dus, met hem onder het oog te brengen, dat hij zich voortaan naar mijne bevelen te richten had.Toen hij uit mijne vriendelijkheid zag, dat mijn toorn was bedaard, nam hij weer het woord, eigenlijk op min of meer schoolmeesterachtigen beslissenden toon. »Gij zult het mij niet tegenspreken, gij noch iemand anders, dat men wel degelijk voor zijne gezondheid moet zorgen, wanneer men ’s nachts over heidevelden en in het gebergte reizen moet, en het best is, dan vooraf een slokje brandewijn of iets dergelijks tot versterking te nemen. Dan heeft de nadeelige nachtlucht geen invloed op ons zwak gestel, en men is daarenboven veel moediger. Wel honderdmaal ben ik, bij dag en bij nacht, den Otterscopeheuvel overgetrokken, maar nooit kon ik den weg vinden, als ik niet vooraf behoorlijk mijn morgenslokje genomen had. Soms had ik een paar vaatjes brandewijn aan iederen kant van mijn paard.”»Met andere woorden Andries, gij waart een smokkelaar? Hoe kan eenman van uwe strenge grondbeginselen er ooit toe overgaan om de regeering te bestelen?”»De regeering? Neen, dat zou ik nooit gedaan hebben! Als het een echte regeering was. Maar het is immers hier slechts eene berooving van tollenaren en zondaren!” antwoordde Andries. »Het arme Schotland lijdt erg van die liederlijke ontvangers en nog liederlijker kommiezen, die sedert de rampzalige unie als sprinkhanen tot ons overgewaaid zijn. Daarom moet een braaf mensch zijn vaderland nu en dan eene hartsterking bezorgen en dat satansche dievenras zijn buit ontnemen.”Bij nadere bespreking bleek, dat Andries, vóór en na zijne aanstelling als tuinman op het kasteel Osbaldistone, dikwijls als smokkelaar op dit bergpad was geweest. Voor mij was deze omstandigheid in zoo verre van belang, als ik daarin een bewijs vond, dat de tuinman tot gids zeer bruikbaar was, ondanks den poets, dien hij mij in het begin gespeeld had. Hij reed nu wel is waar langzamer, maar nog steeds scheen het afscheidsglaasje, dat hem zoo zonderling opgewonden had, zijn invloed niet verloren te hebben. Dikwijls keek hij angstig om. Zoo vaak de weg effen werd, kwam hij in verzoeking om weder sneller te rijden, als vreesde hij den een of ander die hem vervolgde. Intusschen scheen zijne bezorgdheid meer en meer te verminderen, toen wij den rug van eene keten heuvels bereikte, die zich westelijk uitstrekten en aan beide kanten steil afliepen. Nu begon ook de dag aan te breken. En toen Andries eindelijk nogmaals omziende op de geheele eenzame heide geene menschelijke gedaante ontdekte, helderde zijn gelaat op. Hij begon te fluiten en zong eindelijk met ruwe, leelijke stem, maar vroolijk het einde van een Schotsch liedje:»Jenny, ik heb je meisje lief!Achter ’t veen, in bosch en heiBlijft mijn meisje aan mijn zij.”En daarbij klopte hij het dier, dat hem zoo welgemoed en vroolijk tot hiertoe gedragen had, vriendelijk op den hals. Maar toen ik het nu van naderbij bezag, herkende ik terstond Thorncliff’s lievelingspaard.—»Wat is dat?” vroeg ik min of meer norsch; »hoe komt gij aan het paard van mijnheer Thorncliff?”»Ja, eens was het zeker het paard van den jongenheer Thorncliff, maar thans is het zeker het mijne.”»Hebt gij het gestolen, schurk?”»Gestolen? Wel waarachtig niet, mijnheer! niemand kan mij een dief noemen. Ik zal u zeggen hoe het eigenlijk met de zaak gelegen is. Mijnheer Thorncliff leende van mij tien pond, toen hij naar de harddraverij te York ging, en toen ik hem naderhand om mijn geld maande, snauwde hij mij toe, dat als ik nog eens op dien toon durfde zingen, hij onze rekening met zijn knuppel zou vereffenen. Nu heb ik het hecht in handen. Wil hij zijn paard weer hebben, dan moet hij mij tot den laatsten duit betalen, of hij krijgt geen haar van den staart meer van zijnemerrie te zien. Ik ken een zaakwaarnemer inLoughmaben, die verstaat het recht. Een paard stelen! Neen! God beware mij voor die gruwelijke zonde! Ik heb het slechts in beslag genomen.Juridictionis fendendie causaof hoe ze dat met een Latijnschen of Griekschen naam heeten. Ja, die namen hebben veel van de plantennamen bij ons tuinlieden en andere geleerde mannen. Die drie woorden heb ik geleerd. Jammer maar dat die studie zoo weergaas duur was. Het is al wat Andries uit een langdurig proces overgehouden heeft. Het was om drie vaatjes brandewijn. Ja, het recht is al een zeer kostbaar ding!”»Het zou u wel duurder te staan kunnen komen dan gij denkt,” viel ik hem in de rede; »als gij onvoorzichtig genoeg zijt, om zonder de rechterlijke hulp in te roepen, uw eigen rechter te willen zijn.”»Oho, beste mijnheer! Wij zijn thans in Schotland,” antwoordde hij, »dank zij den Hemel! Daar zal ik wel goede vrienden vinden en rechters bovendien, zoo knap als een Osbaldistone denken durft. De neef van mijn ooms schoonbroeder is een neef van den schout te Dumfries, en die zal niet dulden, dat iemand van de familie verongelijkt wordt of schade lijdt. Hier krijgt iedereen recht, die recht heeft. Het gaat hier niet zoo als daar, waar de griffier Jobson, eer men er om denkt, een eerlijk man in de gevangenis werpt. Ook geloof ik stellig, dat recht en wet daar spoedig uitverkocht zullen zijn. Ik ben blij, dat ik maar bijtijds naar eene andere markt op weg ben, waar het een en ander nog wat ruimer en van beter allooi te vinden is.”Ik was zeer geërgerd over de handelwijze van den zoogenaamden eerlijken tuinman. Het verdroot mij geweldig, dat mijn noodlot mij voor de tweede maal met een mensch van zoo slechte beginselen in aanraking had gebracht. Ik besloot hem, zoodra wij het doel van onze reis bereikt hadden, het paard af te koopen en het mijn neef terug te zenden. Aan mijn oom wilde ik echter van het naaste posthuis voorloopig bericht van mijne plannen geven. Met Andries nog langer te twisten, oordeelde ik nutteloos. Misschien had hij, op de keper beschouwd, voor een mensch van zijn stand en opvoeding niet geheel onnatuurlijk gehandeld. Mijn misnoegen bedwingend, vroeg ik hem, waarom hij geloofde, dat er binnen kort in Northumberland geen recht meer te krijgen zou zijn.»Recht?” antwoordde Andries. »Nu ja, het knuppelrecht zal daar al spoedig alleen gelden. De priesters, de Iersche officieren en al de Papisten, die buiten ’s lands soldaat zijn geweest, omdat zij niet langer te huis durfden blijven, die zwerven thans talrijk genoeg door geheel Northumberland. De kraaien komen altijd daar bijeen, waar zij aas rieken. Gij moogt mij gelooven, de oude ridder Osbaldistone heeft zich ook al daarmede ingelaten. In het kasteel ziet men niets anders dan geweren, pistolen, degens en dolken. Ik wed dat zijne lieve zoontjes, die zelfs den duivel niet vreezen, er ook spoedig bij zullen zijn. Neem het mij niet kwalijk, waarde Heer! Ik spreek, zoo als ik denk.”Deze verzekering van den tuinman herinnerde mij het vermoeden, hetwelk ook in mij was opgerezen, dat namelijk de Jacobieten de eeneof andere wanhopige onderneming op het oog hadden. Ik had, daar ik zeer goed gevoelde, dat het mij niet paste mijns ooms woorden en daden te bespieden, elke gelegenheid, die zich voor mij aanbood om op die teekenen van eenige bijzondere voorbereiding te letten, eerder vermeden, dan daar partij van getrokken. Andries, die hieromtrent niet zoo nauwgezet behoefde te zijn, had nauwkeuriger opgelet. De nabijzijnde uitbarsting van oproerige bewegingen had hij met grond vermoed.—»Zij hebben de dienstboden en al wat tot het kasteel behoort, geregeld gemonsterd,” voegde hij er bij op geheimzinnigen toon. »Ik zou ook gewapend zijn geworden. Maar onder zulke lieden te dienen—neen, dan kennen zij Andries niet! Vechten wil ik, als ik er lust in heb, doch niet voor de »hoer van Babel,” en zeker niet voor zoo eene in Engeland.”
HOOFDSTUK XVIII.Voort ging ’t! voort maar! hop, hop, hop!Al voort! in bruisenden galop,Dat ros en ruiter snoven,En stof en vonken stoven.Bürger.Het is hard, als op den mensch allerlei ongelukken van verschillenden aard tezamen instormen. En toch ligt daarin het voordeel dat door de verstrooiing, die hunne tegenstrijdige werking op het gemoed doet ontstaan, geen der onheilen hem geheel en al overweldigt. Het scheiden van Diana smartte mij diep; maar nochtans niet zoo zeer, dat ook het ongeluk, hetwelk mijn vader dreigde, mijn geest niet zou hebben bezig gehouden, terwijl weder die Jobstijding mij minder bekommerde, omdat ze niet heteenigevoorwerp van bezorgdheid voor mij was.Niet dat ik een wuft minnaar, of een gevoellooze zoon was. Maar een mensch wijdt slechts een zeker deel van zijne smartelijke gewaarwordingen aan de oorzaak, waardoor zij verwekt worden. En wanneer twee daarvan tegelijk werken, dan moet onze deelneming noodzakelijk, even als de percent’s gewijze betaling van een bankroetier, tusschen allen verdeeld worden. Met zulke gedachten kwam ik in mijne kamer. Het was alsof ik reeds op weg was naar de koopmansberekeningen.Ik begon mijns vaders brief ernstig te overwegen. De inhoud was mij nog niet zeer duidelijk. Ik werd ten opzichte van verscheidene omstandigheden naar Owen verwezen, dien ik te Glasgow aan het kantoor van de heerenMac-Vittie, Mac-Fin en Compagnie moest zoeken. Bij de vermelding van verscheidene vroeger aan mij afgezonden brieven, die verloren of onderschept moesten zijn, klaagde men over mijn halsstarrig zwijgen in uitdrukkingen, die zeer onbillijk zouden zijn geweest, wanneer mijne brieven ter plaatse van hunne bestemming waren gekomen. Ik was schier buiten mij zelven van verbazing. Ik twijfelde er geen oogenblik aan, dat Rashleigh’s geest rondom mij zweefde, en dat hij de zwarigheden, die mij omringden, als spoken opriep. Ik schrikte voor de gedachte, toen ik overwoog hoe veel laaghartigheid en macht hij tot de uitvoering van zijne ontwerpen moest gebruikt hebben. Om mij ten minste in één opzicht recht te laten wedervaren, wil ik niet verzwijgen dat het scheiden van Diana Vernon, hoe het mij ook op een anderen tijd zou ter neer geslagen hebben, mij thans minder trof, dan de gedachte aan de gevaren die mijn vader dreigden. Ik zelf hechtte weinig aan rijkdom, en meende, even als de meeste jonge lieden van levendige fantasie, dat ik gemakkelijker het bezit van geld ontberen kon, dan mijn tijd en mijne bekwaamheden opofferen voor de werkzaamheden, waardoor het moest verkregen worden. Maar ik wist dat mijn vader het verlies van zijn vermogen voor een onherstelbaar ongeluk zou houden, waarvoor het leven hem geen troost verschaffen en de dood alleen het eenige redmiddel zijn kon.Mijn geest ontwikkelde, bij de overweging hoe dit ongeluk af te weren, eene kracht, welke het eigenbelang nooit zou opgewekt hebben, wanneer het mijn eigen vermogen gegolden had. Ik nam het besluit, reeds den volgenden dag het kasteel te verlaten en Owen in Glasgow op te zoeken. Ik oordeelde het raadzaam, dit besluit aan mijn oom eenvoudig bekend te maken door een brief, waarin ik hem voor de bij hem genoten gastvrijheid mijn dank betuigde, en hem tevens verzekerde dat eene dringende en zeer gewichtige aangelegenheid mij belette, hem mondeling daarvoor te danken. Ik wist wel, dat de oude eenvoudige ridder mij gemakkelijk verontschuldigen zou, en ik geloofde zoo vast aan Rashleigh’s wijd uitgebreide en vermetele macht, dat ik inderdaad vreesde dat hij, als ik mijn vertrek openlijk zou hebben aangekondigd, middelen zou gevonden hebben, om deze reis te verhinderen. Zijne verdere plannen zouden immers door mijne reis worden belemmerd.Ik besloot, mij met het aanbreken van den dag te verwijderen, ten einde ongehinderd over de naburige Schotsche grenzen te komen, waarvanhet welgelukken mijner onderneming afhing. Ik kende noch den kortsten, noch over het geheel eenigen weg naar Glasgow. In deze verlegenheid, daar spoed thans van het hoogste belang was, viel mijne gedachte op den tuinman Andries, van wien ik eenige inlichting kon verwachten. Hoe laat het ook reeds was, ik begaf mij terstond naar zijne woning, die niet ver van den buitenmuur van den tuin lag. Het was een aardig, van ruwe steenen gebouwd en door groote berkeboomen overschaduwd huis; een beekje kronkelde erlangs, terwijl het ook een bloemperk en moestuintje had; uit dit laatste verschafte zich de bewoner de behoeften voor zijne tafel; eene koe, die hem boter en melk verstrekte, had ook hare behoorlijke stalling.Toen ik deze woning naderde, hoorde ik een geluid, dat zich in langgerekte neustonen oploste. Mijne eerste gedachte was, dat Andries, volgens de goede gewoonte zijner landslieden, eenige buren tot eene avondoefening, zoo als zij het noemden, bij zich vereenigd had. Hij had vrouw noch kinderen, noch andere vrouwelijke huisgenooten. »De eerste man,” zeide hij doorgaans, »had al genoeg van dat vee gehad.” Maar soms wist hij toehoorders uit de rondom wonende Katholieken en aanhangers der bisschoppelijke kerk bij zich te verzamelen—»brandhouten uit het vuur weggerukt,” zoo als hij ze noemde—en dan oefende hij aan hen zijne geestelijke gaven, in spijt van pater Vaughan, pater Dotharty, Rashleigh en alle naburige Katholieken die hem, wegens deze onwettige uitoefening van hunne ambtsbediening, voor eene soort van ketterschen beunhaas verklaarden. Ik dacht, dat ook nu zijne woning tot een bedehuis voor zulk een gezelschap diende. Maar bij aandachtiger luisteren scheen mij het geluid uit de longen van den tuinman alleen te komen. Toen ik het door mijn binnentreden afbrak, vond ik hem werkelijk geheel alleen. Tot zijne stichting las hij een godgeleerd twistschrift en raffelde, zoo goed als hij kon, al de lange woorden en moeielijke namen achter elkander af.»Juist zocht ik een zalvende plaats of spreuk op bij den eerwaarden doctor Lichtfoot,” zeide hij, terwijl hij den foliant ter zijde legde.»Lichtfoot?” hernam ik, met verwondering op den foliant ziende. »Uw schrijver heeft een vrij ongepasten naam.”»Ja, Lichtfoot heet hij, waarde heer, maar hij was een heel ander godgeleerde, dan die van onzen tegenwoordigen tijd. Nu neem het mij niet kwalijk dat ik u zoo lang voor de deur liet staan, maar ik had heden avond een heel spul met een spook—God behoede ons!—en toen wilde ik niet gaarne opendoen, voor dat ik mijne avondoefening verricht had. Juist had ik het vijftiende kapittel van Nehemiah geëindigd. Als dat geen spook kan bedwingen, dan weet ik er niets van.”»Met een spook hadt ge te doen?” vroeg ik, »hoe moet ik dat verstaan, Andries?”»Nu ja, het wilde op mij los, God bewaar me!”»Op u los? Wat beteekent dat toch?”»Nu ja, ik meen eigenlijk niet, dat het mij te lijf wilde—maar het verschrikte mij geweldig.”»Nu, mij is het wel. Genoeg daarvan! Ik wenschte gaarne te weten, of gij mij den naasten weg naar een zekere plaats van uw land, Glasgow genaamd, kunt wijzen?”»Eene plaats, Glasgow genaamd?” herhaalde Andries. »Glasgow is een zeer groote stad, waarde Heer. Of ik den weg naar Glasgow ken? Wat een vraag? Die stad ligt dicht bij mijne geboorteplaats; mijne geboorteplaats ligt alleen een beetje meer westelijk. Maar wat hebt gij toch in Glasgow te zoeken?”»Bijzondere zaken roepen mij daarheen.”»Dat is met andere woorden: vraag mij niet verder. Nu, ik zal u niet lastig vallen. Naar Glasgow?” vervolgde hij, na eene poos zwijgens. »Mij dunkt, gij deedt beter, als gij een gids medenaamt.”»Ja, kon ik er maar een vinden, die den weg kent.”»En gij zoudt dan zeker voor verzuimden tijd en genomen moeite goed schadeloos stellen?”»Welzeker. Ik heb groote haast, en wanneer gij voor mij een knaap opsporen kunt, die mij vergezellen wil, kunt gij hem tevens verzekeren dat ik hem goed zal betalen.”»Hoor eens, mijnheer, heden is het Zondag,” vervolgde Andries, naar mij opziende, »en dan mag men zich met geene wereldsche zaken bezig houden, anders zou ik u wel eens willen vragen, wat gij er voor over hebt, als ik u een flinken gids bezorg, die de namen der kasteelen van al de edellieden langs dien weg weet op te noemen, en met de betrekkingen van die edellieden even goed als met zijne eigen familie bekend is.”»Ik zeg u immers, dat ik alleen den weg behoef te weten. De gids zal met mijne betaling tevreden zijn.”»Dat doet er niets toe!” hernam Andries. »De man, dien ik bedoel, kent alle zijpaden, alle voetpaden door het gebergte.”»Ik heb geen tijd om thans langer te praten of u te hooren praten, mijn beste Andries. Breng de zaak maar voor mij in orde zoo als gij wilt, en gij zult mij een grooten dienst bewijzen.”»Nu, dat laat zich hooren,” hernam Andries. »Als het zoo is, en niet anders, dan zal ik, om alle verdere moeite te besparen, u maar zelf den weg wijzen.”»Gij, Andries? Maar hoe kunt gij zoo plotseling uw dienst verlaten?”»Ik heb u immers gezegd,” antwoordde de tuinman, »dat ik reeds sedert lang dit voornemen gekoesterd heb, reeds sedert het eerste jaar van mijn dienst; en nu zal het daarmede eindelijk eens ernst worden. Beter laat dan nooit.”»Dus wilt gij uw dienst vaarwel zeggen en uw loon in den steek laten?” vroeg ik.»Nu ja, er zal iets aan moeten opgeofferd worden, dat spreekt van zelf. Maar ik heb nog eenig geld van onzen heer onder mij, van de appelen, weet ge, uit dien ouden boomgaard.—Ja, de lieden, die dat onrijpe goed gekregen hebben, zijn er leelijk mede gefopt! En toch is onzeheer zoo happig naar dat geld, en onze rentmeester maant er mij zoo dringend om, alsof het voor gouden pippelingen ontvangen was. Ook heb ik nog eene kleinigheid in geld voor verkochte zaden in handen, en zoo denk ik, zal ik mijn loon wel kunnen vinden. Maar wanneer wij naar Glasgow gaan, zult gij toch wel in aanmerking gelieven te nemen, dat ik gevaar loop eenig verlies te lijden. Gij zult waarschijnlijk spoedig vertrekken?”»Met het krieken van den dag.”»Dat is toch wat al te vlug! Van waar krijg ik een paard? Maar stil, ik weet er al een, dat juist voor mij geschikt is.”»Dan vinden wij elkander morgen vroeg te vijf ure heel aan het vooreinde van de laan.”»Ik zal er zijn, gij kunt er u gerust op verlaten!” zeide Andries welgemoed. »Maar wilt gij mijn raad volgen, laat ons twee uren vroeger vertrekken, ik ken den weg bij dag en bij nacht.”Gaarne gaf ik mijne toestemming tot dat voorstel, en wij maakten afspraak om elkander den volgenden morgen te drie ure op de bestemde plaats te ontmoeten.Plotseling herinnerde zich mijn aanstaande reisgenoot zijn spook. »Maar, maar,” zeide hij, »dat spook, dat spook zou ons kunnen overvallen, en niet gaarne zou ik tweemaal in de vier en twintig uren daarmede opgescheept zijn.”»Gekheid!” riep ik in het heengaan. »Vrees toch niet voor wezens uit de andere wereld! Hier op aarde zijn booze geesten genoeg, die zonder bijstand van den Satan en zijne booze geesten, al erg genoeg klaar spelen.”Met deze woorden keerde ik naar het kasteel terug, maakte schielijk de noodige toebereidselen tot mijne reis, laadde mijne pistolen en wierp mij toen op ’t bed, om, zoo het zijn kon, nog eene korte rust te genieten, voor dat ik de lange reis ondernam, die niet zonder moeielijkheden en onaangenaamheden zou zijn. Uitgeput door de hevige aandoeningen, welke mij geschokt hadden, viel ik weldra in een diepen slaap, maar toen de klok van het kasteel twee ure sloeg, werd ik wakker, stond schielijk op, ontstak het licht, schreef den voor mijn oom bestemden brief, en nadat ik de allernoodigste kleederen in mijn valies had gepakt, begaf ik mij naar beneden en kwam, zonder eenige hindernis te ontmoeten, in den stal. Ofschoon ik nu wel geen volmaakte stalknecht was, zoo als mijne neven, had ik toch gedurende mijn verblijf op het kasteel Osbaldistone geleerd mijn paard te tuigen en te zadelen, ik was dan ook in weinige minuten daarmede gereed.Toen ik nu de oude laan, waarop de afnemende maan haar flauw schijnsel wierp, opreed, zag ik met een diepen zucht terug naar het gebouw waar Diana woonde, en het denkbeeld, dat wij misschien voor altijd van elkander gescheiden waren, deed mij onbeschrijfelijk leed.»Zij is reeds voor mij verloren!” zeide ik in mij zelf, terwijl mijn oog te vergeefs uitzag naar het venster van hare kamer in den langen Gothischen muur van het kasteel, waarvan de tinnen spookachtig wit inden maneschijn uitstaken.—»Zij is reeds voor mij verloren, eer ik nog uit hare nabijheid ben! Hoe zou ik kunnen hopen, als er mijlen afstand tusschen ons liggen, haar te herwinnen.”In deze sombere droomerijen verdiept, hoorde ik de klok van het kasteel drie uren slaan.Dicht tegen den tuinmuur zag ik een man te paard wachten, doch ik moest wel driemaal hoesten en Andries roepen, eer de kerel antwoordde: »ja, ja, het is Andries!”»Vooruit dan!” zeide ik, »en zwijg, zoo gij kunt, tot wij door het dorp in het dal zijn.”Andries reed nog veel sneller dan ik eigenlijk wenschte. Hij nam mijn bevel om stil te zwijgen zoo stipt in acht, dat hij mij zelfs met geen enkel woord antwoordde, toen ik hem herhaalde malen naar de oorzaak van dezen noodeloozen spoed vroeg. Eindelijk hadden wij langs allerlei zijpaden, welke Andries zeer goed kende, een goed eind wegs afgelegd, en kwamen nu over een wijduitgestrekte heide spoedig aan de kale heuvels, die Engeland van Schotland scheiden. Het pad, of liever het spoor, dat wij thans volgden, was steenachtig en vrij ongemakkelijk, maar desniettemin reed Andries steeds op een fikschen draf vooruit. Ik was verwonderd en misnoegd over zijne eigenzinnigheid, daar wij hier wegens den oneffen bodem telkens gevaar liepen, om langs de steile afgronden, die ons links en rechts aangrijnsden, door het struikelen van onze paarden een ernstig ongeluk te krijgen, of misschien zelfs het leven te verliezen. De maan scheen nog zeer flauw. Soms reden wij onder de schaduw van hooge bergruggen in eene zoo dichte duisternis, dat ik mijn voorrijder niet meer zien kon, en slechts de hoefslag van zijn paard en de vonken, welke het uit de steenen sloeg, mij zijn spoor aanduidden. De snelle beweging en de oplettendheid, die ik wegensmijne eigen veiligheid aan mijn paard moest wijden, hadden eerst de weldadige uitwerking, dat zij mijn geest van mijn vele smartelijke overdenkingen afleidden. Toen ik echter den tuinman eene geruime poos vruchteloos toegeroepen had, werd ik innig boos over zijne halsstarrigheid, daar hij mij noch wilde gehoorzamen, noch eenig antwoord geven. Maar mijn toorn was, helaas, machteloos. Een paar maal trachtte ik hem in te halen, om hem mijn misnoegen eens ernstig te doen gevoelen, maar zijn paard was veel beter dan het mijne. Hij raadde mijn doel en reed steeds sneller, zoodra hij merkte dat ik hem naderbij kwam. Van boosheid kwam ik bijna buiten mij zelven, en eindelijk dreigde ik hem, mijne pistolen op hem te zullen losbranden. Dit maakte meer indruk, dan alle vriendelijke beden. Hij reed langzamer. Maar toen ik dicht bij hem was, begon hij: »het is waarachtig wat te zeggen, langs zulk een ellendigen weg te moeten rijden!”»Maar zeg eerst waarom zijt gij zoo snel gereden?” antwoordde ik driftig. Men wordt in den regel driftiger, als men even te voren eerst een weinig vrees gevoeld heeft.»Maar wat wenscht u dan, waarde heer?” vroeg Andries met onwrikbaren ernst.»Wat ik wensch, schelm? Heb ik u niet reeds een geheel uur toegeroepen langzamer te rijden, en gij hebt mij niet eens geantwoord! Zijt gij dronken of gek?”»Ja, waarde heer,” hernam Andries; »ik heb eigenlijk, eer ik mijn huisje, waar ik zoo lang gewoond had, verliet, een klein slokje genomen tot afscheid. Zie, ik wil met de zuivere waarheid voor den dag komen, want liegen is een groote zonde. Ik had niemand, die mij bescheid kon doen, en dus moest ik dat wel zelf doen, of het restje brandewijn voor de Papisten achterlaten, en dat zou ik toch voor onzen lieven Heer niet hebben kunnen verantwoorden. Ik heb het dus maar heelemaal opgedronken.”Ik liet zijne verontschuldiging gelden. Hij was mijn gids in wiens macht ik in zeker opzicht was. Ik vergenoegde mij dus, met hem onder het oog te brengen, dat hij zich voortaan naar mijne bevelen te richten had.Toen hij uit mijne vriendelijkheid zag, dat mijn toorn was bedaard, nam hij weer het woord, eigenlijk op min of meer schoolmeesterachtigen beslissenden toon. »Gij zult het mij niet tegenspreken, gij noch iemand anders, dat men wel degelijk voor zijne gezondheid moet zorgen, wanneer men ’s nachts over heidevelden en in het gebergte reizen moet, en het best is, dan vooraf een slokje brandewijn of iets dergelijks tot versterking te nemen. Dan heeft de nadeelige nachtlucht geen invloed op ons zwak gestel, en men is daarenboven veel moediger. Wel honderdmaal ben ik, bij dag en bij nacht, den Otterscopeheuvel overgetrokken, maar nooit kon ik den weg vinden, als ik niet vooraf behoorlijk mijn morgenslokje genomen had. Soms had ik een paar vaatjes brandewijn aan iederen kant van mijn paard.”»Met andere woorden Andries, gij waart een smokkelaar? Hoe kan eenman van uwe strenge grondbeginselen er ooit toe overgaan om de regeering te bestelen?”»De regeering? Neen, dat zou ik nooit gedaan hebben! Als het een echte regeering was. Maar het is immers hier slechts eene berooving van tollenaren en zondaren!” antwoordde Andries. »Het arme Schotland lijdt erg van die liederlijke ontvangers en nog liederlijker kommiezen, die sedert de rampzalige unie als sprinkhanen tot ons overgewaaid zijn. Daarom moet een braaf mensch zijn vaderland nu en dan eene hartsterking bezorgen en dat satansche dievenras zijn buit ontnemen.”Bij nadere bespreking bleek, dat Andries, vóór en na zijne aanstelling als tuinman op het kasteel Osbaldistone, dikwijls als smokkelaar op dit bergpad was geweest. Voor mij was deze omstandigheid in zoo verre van belang, als ik daarin een bewijs vond, dat de tuinman tot gids zeer bruikbaar was, ondanks den poets, dien hij mij in het begin gespeeld had. Hij reed nu wel is waar langzamer, maar nog steeds scheen het afscheidsglaasje, dat hem zoo zonderling opgewonden had, zijn invloed niet verloren te hebben. Dikwijls keek hij angstig om. Zoo vaak de weg effen werd, kwam hij in verzoeking om weder sneller te rijden, als vreesde hij den een of ander die hem vervolgde. Intusschen scheen zijne bezorgdheid meer en meer te verminderen, toen wij den rug van eene keten heuvels bereikte, die zich westelijk uitstrekten en aan beide kanten steil afliepen. Nu begon ook de dag aan te breken. En toen Andries eindelijk nogmaals omziende op de geheele eenzame heide geene menschelijke gedaante ontdekte, helderde zijn gelaat op. Hij begon te fluiten en zong eindelijk met ruwe, leelijke stem, maar vroolijk het einde van een Schotsch liedje:»Jenny, ik heb je meisje lief!Achter ’t veen, in bosch en heiBlijft mijn meisje aan mijn zij.”En daarbij klopte hij het dier, dat hem zoo welgemoed en vroolijk tot hiertoe gedragen had, vriendelijk op den hals. Maar toen ik het nu van naderbij bezag, herkende ik terstond Thorncliff’s lievelingspaard.—»Wat is dat?” vroeg ik min of meer norsch; »hoe komt gij aan het paard van mijnheer Thorncliff?”»Ja, eens was het zeker het paard van den jongenheer Thorncliff, maar thans is het zeker het mijne.”»Hebt gij het gestolen, schurk?”»Gestolen? Wel waarachtig niet, mijnheer! niemand kan mij een dief noemen. Ik zal u zeggen hoe het eigenlijk met de zaak gelegen is. Mijnheer Thorncliff leende van mij tien pond, toen hij naar de harddraverij te York ging, en toen ik hem naderhand om mijn geld maande, snauwde hij mij toe, dat als ik nog eens op dien toon durfde zingen, hij onze rekening met zijn knuppel zou vereffenen. Nu heb ik het hecht in handen. Wil hij zijn paard weer hebben, dan moet hij mij tot den laatsten duit betalen, of hij krijgt geen haar van den staart meer van zijnemerrie te zien. Ik ken een zaakwaarnemer inLoughmaben, die verstaat het recht. Een paard stelen! Neen! God beware mij voor die gruwelijke zonde! Ik heb het slechts in beslag genomen.Juridictionis fendendie causaof hoe ze dat met een Latijnschen of Griekschen naam heeten. Ja, die namen hebben veel van de plantennamen bij ons tuinlieden en andere geleerde mannen. Die drie woorden heb ik geleerd. Jammer maar dat die studie zoo weergaas duur was. Het is al wat Andries uit een langdurig proces overgehouden heeft. Het was om drie vaatjes brandewijn. Ja, het recht is al een zeer kostbaar ding!”»Het zou u wel duurder te staan kunnen komen dan gij denkt,” viel ik hem in de rede; »als gij onvoorzichtig genoeg zijt, om zonder de rechterlijke hulp in te roepen, uw eigen rechter te willen zijn.”»Oho, beste mijnheer! Wij zijn thans in Schotland,” antwoordde hij, »dank zij den Hemel! Daar zal ik wel goede vrienden vinden en rechters bovendien, zoo knap als een Osbaldistone denken durft. De neef van mijn ooms schoonbroeder is een neef van den schout te Dumfries, en die zal niet dulden, dat iemand van de familie verongelijkt wordt of schade lijdt. Hier krijgt iedereen recht, die recht heeft. Het gaat hier niet zoo als daar, waar de griffier Jobson, eer men er om denkt, een eerlijk man in de gevangenis werpt. Ook geloof ik stellig, dat recht en wet daar spoedig uitverkocht zullen zijn. Ik ben blij, dat ik maar bijtijds naar eene andere markt op weg ben, waar het een en ander nog wat ruimer en van beter allooi te vinden is.”Ik was zeer geërgerd over de handelwijze van den zoogenaamden eerlijken tuinman. Het verdroot mij geweldig, dat mijn noodlot mij voor de tweede maal met een mensch van zoo slechte beginselen in aanraking had gebracht. Ik besloot hem, zoodra wij het doel van onze reis bereikt hadden, het paard af te koopen en het mijn neef terug te zenden. Aan mijn oom wilde ik echter van het naaste posthuis voorloopig bericht van mijne plannen geven. Met Andries nog langer te twisten, oordeelde ik nutteloos. Misschien had hij, op de keper beschouwd, voor een mensch van zijn stand en opvoeding niet geheel onnatuurlijk gehandeld. Mijn misnoegen bedwingend, vroeg ik hem, waarom hij geloofde, dat er binnen kort in Northumberland geen recht meer te krijgen zou zijn.»Recht?” antwoordde Andries. »Nu ja, het knuppelrecht zal daar al spoedig alleen gelden. De priesters, de Iersche officieren en al de Papisten, die buiten ’s lands soldaat zijn geweest, omdat zij niet langer te huis durfden blijven, die zwerven thans talrijk genoeg door geheel Northumberland. De kraaien komen altijd daar bijeen, waar zij aas rieken. Gij moogt mij gelooven, de oude ridder Osbaldistone heeft zich ook al daarmede ingelaten. In het kasteel ziet men niets anders dan geweren, pistolen, degens en dolken. Ik wed dat zijne lieve zoontjes, die zelfs den duivel niet vreezen, er ook spoedig bij zullen zijn. Neem het mij niet kwalijk, waarde Heer! Ik spreek, zoo als ik denk.”Deze verzekering van den tuinman herinnerde mij het vermoeden, hetwelk ook in mij was opgerezen, dat namelijk de Jacobieten de eeneof andere wanhopige onderneming op het oog hadden. Ik had, daar ik zeer goed gevoelde, dat het mij niet paste mijns ooms woorden en daden te bespieden, elke gelegenheid, die zich voor mij aanbood om op die teekenen van eenige bijzondere voorbereiding te letten, eerder vermeden, dan daar partij van getrokken. Andries, die hieromtrent niet zoo nauwgezet behoefde te zijn, had nauwkeuriger opgelet. De nabijzijnde uitbarsting van oproerige bewegingen had hij met grond vermoed.—»Zij hebben de dienstboden en al wat tot het kasteel behoort, geregeld gemonsterd,” voegde hij er bij op geheimzinnigen toon. »Ik zou ook gewapend zijn geworden. Maar onder zulke lieden te dienen—neen, dan kennen zij Andries niet! Vechten wil ik, als ik er lust in heb, doch niet voor de »hoer van Babel,” en zeker niet voor zoo eene in Engeland.”
HOOFDSTUK XVIII.Voort ging ’t! voort maar! hop, hop, hop!Al voort! in bruisenden galop,Dat ros en ruiter snoven,En stof en vonken stoven.Bürger.
Voort ging ’t! voort maar! hop, hop, hop!Al voort! in bruisenden galop,Dat ros en ruiter snoven,En stof en vonken stoven.Bürger.
Voort ging ’t! voort maar! hop, hop, hop!Al voort! in bruisenden galop,Dat ros en ruiter snoven,En stof en vonken stoven.
Voort ging ’t! voort maar! hop, hop, hop!
Al voort! in bruisenden galop,
Dat ros en ruiter snoven,
En stof en vonken stoven.
Bürger.
Het is hard, als op den mensch allerlei ongelukken van verschillenden aard tezamen instormen. En toch ligt daarin het voordeel dat door de verstrooiing, die hunne tegenstrijdige werking op het gemoed doet ontstaan, geen der onheilen hem geheel en al overweldigt. Het scheiden van Diana smartte mij diep; maar nochtans niet zoo zeer, dat ook het ongeluk, hetwelk mijn vader dreigde, mijn geest niet zou hebben bezig gehouden, terwijl weder die Jobstijding mij minder bekommerde, omdat ze niet heteenigevoorwerp van bezorgdheid voor mij was.Niet dat ik een wuft minnaar, of een gevoellooze zoon was. Maar een mensch wijdt slechts een zeker deel van zijne smartelijke gewaarwordingen aan de oorzaak, waardoor zij verwekt worden. En wanneer twee daarvan tegelijk werken, dan moet onze deelneming noodzakelijk, even als de percent’s gewijze betaling van een bankroetier, tusschen allen verdeeld worden. Met zulke gedachten kwam ik in mijne kamer. Het was alsof ik reeds op weg was naar de koopmansberekeningen.Ik begon mijns vaders brief ernstig te overwegen. De inhoud was mij nog niet zeer duidelijk. Ik werd ten opzichte van verscheidene omstandigheden naar Owen verwezen, dien ik te Glasgow aan het kantoor van de heerenMac-Vittie, Mac-Fin en Compagnie moest zoeken. Bij de vermelding van verscheidene vroeger aan mij afgezonden brieven, die verloren of onderschept moesten zijn, klaagde men over mijn halsstarrig zwijgen in uitdrukkingen, die zeer onbillijk zouden zijn geweest, wanneer mijne brieven ter plaatse van hunne bestemming waren gekomen. Ik was schier buiten mij zelven van verbazing. Ik twijfelde er geen oogenblik aan, dat Rashleigh’s geest rondom mij zweefde, en dat hij de zwarigheden, die mij omringden, als spoken opriep. Ik schrikte voor de gedachte, toen ik overwoog hoe veel laaghartigheid en macht hij tot de uitvoering van zijne ontwerpen moest gebruikt hebben. Om mij ten minste in één opzicht recht te laten wedervaren, wil ik niet verzwijgen dat het scheiden van Diana Vernon, hoe het mij ook op een anderen tijd zou ter neer geslagen hebben, mij thans minder trof, dan de gedachte aan de gevaren die mijn vader dreigden. Ik zelf hechtte weinig aan rijkdom, en meende, even als de meeste jonge lieden van levendige fantasie, dat ik gemakkelijker het bezit van geld ontberen kon, dan mijn tijd en mijne bekwaamheden opofferen voor de werkzaamheden, waardoor het moest verkregen worden. Maar ik wist dat mijn vader het verlies van zijn vermogen voor een onherstelbaar ongeluk zou houden, waarvoor het leven hem geen troost verschaffen en de dood alleen het eenige redmiddel zijn kon.Mijn geest ontwikkelde, bij de overweging hoe dit ongeluk af te weren, eene kracht, welke het eigenbelang nooit zou opgewekt hebben, wanneer het mijn eigen vermogen gegolden had. Ik nam het besluit, reeds den volgenden dag het kasteel te verlaten en Owen in Glasgow op te zoeken. Ik oordeelde het raadzaam, dit besluit aan mijn oom eenvoudig bekend te maken door een brief, waarin ik hem voor de bij hem genoten gastvrijheid mijn dank betuigde, en hem tevens verzekerde dat eene dringende en zeer gewichtige aangelegenheid mij belette, hem mondeling daarvoor te danken. Ik wist wel, dat de oude eenvoudige ridder mij gemakkelijk verontschuldigen zou, en ik geloofde zoo vast aan Rashleigh’s wijd uitgebreide en vermetele macht, dat ik inderdaad vreesde dat hij, als ik mijn vertrek openlijk zou hebben aangekondigd, middelen zou gevonden hebben, om deze reis te verhinderen. Zijne verdere plannen zouden immers door mijne reis worden belemmerd.Ik besloot, mij met het aanbreken van den dag te verwijderen, ten einde ongehinderd over de naburige Schotsche grenzen te komen, waarvanhet welgelukken mijner onderneming afhing. Ik kende noch den kortsten, noch over het geheel eenigen weg naar Glasgow. In deze verlegenheid, daar spoed thans van het hoogste belang was, viel mijne gedachte op den tuinman Andries, van wien ik eenige inlichting kon verwachten. Hoe laat het ook reeds was, ik begaf mij terstond naar zijne woning, die niet ver van den buitenmuur van den tuin lag. Het was een aardig, van ruwe steenen gebouwd en door groote berkeboomen overschaduwd huis; een beekje kronkelde erlangs, terwijl het ook een bloemperk en moestuintje had; uit dit laatste verschafte zich de bewoner de behoeften voor zijne tafel; eene koe, die hem boter en melk verstrekte, had ook hare behoorlijke stalling.Toen ik deze woning naderde, hoorde ik een geluid, dat zich in langgerekte neustonen oploste. Mijne eerste gedachte was, dat Andries, volgens de goede gewoonte zijner landslieden, eenige buren tot eene avondoefening, zoo als zij het noemden, bij zich vereenigd had. Hij had vrouw noch kinderen, noch andere vrouwelijke huisgenooten. »De eerste man,” zeide hij doorgaans, »had al genoeg van dat vee gehad.” Maar soms wist hij toehoorders uit de rondom wonende Katholieken en aanhangers der bisschoppelijke kerk bij zich te verzamelen—»brandhouten uit het vuur weggerukt,” zoo als hij ze noemde—en dan oefende hij aan hen zijne geestelijke gaven, in spijt van pater Vaughan, pater Dotharty, Rashleigh en alle naburige Katholieken die hem, wegens deze onwettige uitoefening van hunne ambtsbediening, voor eene soort van ketterschen beunhaas verklaarden. Ik dacht, dat ook nu zijne woning tot een bedehuis voor zulk een gezelschap diende. Maar bij aandachtiger luisteren scheen mij het geluid uit de longen van den tuinman alleen te komen. Toen ik het door mijn binnentreden afbrak, vond ik hem werkelijk geheel alleen. Tot zijne stichting las hij een godgeleerd twistschrift en raffelde, zoo goed als hij kon, al de lange woorden en moeielijke namen achter elkander af.»Juist zocht ik een zalvende plaats of spreuk op bij den eerwaarden doctor Lichtfoot,” zeide hij, terwijl hij den foliant ter zijde legde.»Lichtfoot?” hernam ik, met verwondering op den foliant ziende. »Uw schrijver heeft een vrij ongepasten naam.”»Ja, Lichtfoot heet hij, waarde heer, maar hij was een heel ander godgeleerde, dan die van onzen tegenwoordigen tijd. Nu neem het mij niet kwalijk dat ik u zoo lang voor de deur liet staan, maar ik had heden avond een heel spul met een spook—God behoede ons!—en toen wilde ik niet gaarne opendoen, voor dat ik mijne avondoefening verricht had. Juist had ik het vijftiende kapittel van Nehemiah geëindigd. Als dat geen spook kan bedwingen, dan weet ik er niets van.”»Met een spook hadt ge te doen?” vroeg ik, »hoe moet ik dat verstaan, Andries?”»Nu ja, het wilde op mij los, God bewaar me!”»Op u los? Wat beteekent dat toch?”»Nu ja, ik meen eigenlijk niet, dat het mij te lijf wilde—maar het verschrikte mij geweldig.”»Nu, mij is het wel. Genoeg daarvan! Ik wenschte gaarne te weten, of gij mij den naasten weg naar een zekere plaats van uw land, Glasgow genaamd, kunt wijzen?”»Eene plaats, Glasgow genaamd?” herhaalde Andries. »Glasgow is een zeer groote stad, waarde Heer. Of ik den weg naar Glasgow ken? Wat een vraag? Die stad ligt dicht bij mijne geboorteplaats; mijne geboorteplaats ligt alleen een beetje meer westelijk. Maar wat hebt gij toch in Glasgow te zoeken?”»Bijzondere zaken roepen mij daarheen.”»Dat is met andere woorden: vraag mij niet verder. Nu, ik zal u niet lastig vallen. Naar Glasgow?” vervolgde hij, na eene poos zwijgens. »Mij dunkt, gij deedt beter, als gij een gids medenaamt.”»Ja, kon ik er maar een vinden, die den weg kent.”»En gij zoudt dan zeker voor verzuimden tijd en genomen moeite goed schadeloos stellen?”»Welzeker. Ik heb groote haast, en wanneer gij voor mij een knaap opsporen kunt, die mij vergezellen wil, kunt gij hem tevens verzekeren dat ik hem goed zal betalen.”»Hoor eens, mijnheer, heden is het Zondag,” vervolgde Andries, naar mij opziende, »en dan mag men zich met geene wereldsche zaken bezig houden, anders zou ik u wel eens willen vragen, wat gij er voor over hebt, als ik u een flinken gids bezorg, die de namen der kasteelen van al de edellieden langs dien weg weet op te noemen, en met de betrekkingen van die edellieden even goed als met zijne eigen familie bekend is.”»Ik zeg u immers, dat ik alleen den weg behoef te weten. De gids zal met mijne betaling tevreden zijn.”»Dat doet er niets toe!” hernam Andries. »De man, dien ik bedoel, kent alle zijpaden, alle voetpaden door het gebergte.”»Ik heb geen tijd om thans langer te praten of u te hooren praten, mijn beste Andries. Breng de zaak maar voor mij in orde zoo als gij wilt, en gij zult mij een grooten dienst bewijzen.”»Nu, dat laat zich hooren,” hernam Andries. »Als het zoo is, en niet anders, dan zal ik, om alle verdere moeite te besparen, u maar zelf den weg wijzen.”»Gij, Andries? Maar hoe kunt gij zoo plotseling uw dienst verlaten?”»Ik heb u immers gezegd,” antwoordde de tuinman, »dat ik reeds sedert lang dit voornemen gekoesterd heb, reeds sedert het eerste jaar van mijn dienst; en nu zal het daarmede eindelijk eens ernst worden. Beter laat dan nooit.”»Dus wilt gij uw dienst vaarwel zeggen en uw loon in den steek laten?” vroeg ik.»Nu ja, er zal iets aan moeten opgeofferd worden, dat spreekt van zelf. Maar ik heb nog eenig geld van onzen heer onder mij, van de appelen, weet ge, uit dien ouden boomgaard.—Ja, de lieden, die dat onrijpe goed gekregen hebben, zijn er leelijk mede gefopt! En toch is onzeheer zoo happig naar dat geld, en onze rentmeester maant er mij zoo dringend om, alsof het voor gouden pippelingen ontvangen was. Ook heb ik nog eene kleinigheid in geld voor verkochte zaden in handen, en zoo denk ik, zal ik mijn loon wel kunnen vinden. Maar wanneer wij naar Glasgow gaan, zult gij toch wel in aanmerking gelieven te nemen, dat ik gevaar loop eenig verlies te lijden. Gij zult waarschijnlijk spoedig vertrekken?”»Met het krieken van den dag.”»Dat is toch wat al te vlug! Van waar krijg ik een paard? Maar stil, ik weet er al een, dat juist voor mij geschikt is.”»Dan vinden wij elkander morgen vroeg te vijf ure heel aan het vooreinde van de laan.”»Ik zal er zijn, gij kunt er u gerust op verlaten!” zeide Andries welgemoed. »Maar wilt gij mijn raad volgen, laat ons twee uren vroeger vertrekken, ik ken den weg bij dag en bij nacht.”Gaarne gaf ik mijne toestemming tot dat voorstel, en wij maakten afspraak om elkander den volgenden morgen te drie ure op de bestemde plaats te ontmoeten.Plotseling herinnerde zich mijn aanstaande reisgenoot zijn spook. »Maar, maar,” zeide hij, »dat spook, dat spook zou ons kunnen overvallen, en niet gaarne zou ik tweemaal in de vier en twintig uren daarmede opgescheept zijn.”»Gekheid!” riep ik in het heengaan. »Vrees toch niet voor wezens uit de andere wereld! Hier op aarde zijn booze geesten genoeg, die zonder bijstand van den Satan en zijne booze geesten, al erg genoeg klaar spelen.”Met deze woorden keerde ik naar het kasteel terug, maakte schielijk de noodige toebereidselen tot mijne reis, laadde mijne pistolen en wierp mij toen op ’t bed, om, zoo het zijn kon, nog eene korte rust te genieten, voor dat ik de lange reis ondernam, die niet zonder moeielijkheden en onaangenaamheden zou zijn. Uitgeput door de hevige aandoeningen, welke mij geschokt hadden, viel ik weldra in een diepen slaap, maar toen de klok van het kasteel twee ure sloeg, werd ik wakker, stond schielijk op, ontstak het licht, schreef den voor mijn oom bestemden brief, en nadat ik de allernoodigste kleederen in mijn valies had gepakt, begaf ik mij naar beneden en kwam, zonder eenige hindernis te ontmoeten, in den stal. Ofschoon ik nu wel geen volmaakte stalknecht was, zoo als mijne neven, had ik toch gedurende mijn verblijf op het kasteel Osbaldistone geleerd mijn paard te tuigen en te zadelen, ik was dan ook in weinige minuten daarmede gereed.Toen ik nu de oude laan, waarop de afnemende maan haar flauw schijnsel wierp, opreed, zag ik met een diepen zucht terug naar het gebouw waar Diana woonde, en het denkbeeld, dat wij misschien voor altijd van elkander gescheiden waren, deed mij onbeschrijfelijk leed.»Zij is reeds voor mij verloren!” zeide ik in mij zelf, terwijl mijn oog te vergeefs uitzag naar het venster van hare kamer in den langen Gothischen muur van het kasteel, waarvan de tinnen spookachtig wit inden maneschijn uitstaken.—»Zij is reeds voor mij verloren, eer ik nog uit hare nabijheid ben! Hoe zou ik kunnen hopen, als er mijlen afstand tusschen ons liggen, haar te herwinnen.”In deze sombere droomerijen verdiept, hoorde ik de klok van het kasteel drie uren slaan.Dicht tegen den tuinmuur zag ik een man te paard wachten, doch ik moest wel driemaal hoesten en Andries roepen, eer de kerel antwoordde: »ja, ja, het is Andries!”»Vooruit dan!” zeide ik, »en zwijg, zoo gij kunt, tot wij door het dorp in het dal zijn.”Andries reed nog veel sneller dan ik eigenlijk wenschte. Hij nam mijn bevel om stil te zwijgen zoo stipt in acht, dat hij mij zelfs met geen enkel woord antwoordde, toen ik hem herhaalde malen naar de oorzaak van dezen noodeloozen spoed vroeg. Eindelijk hadden wij langs allerlei zijpaden, welke Andries zeer goed kende, een goed eind wegs afgelegd, en kwamen nu over een wijduitgestrekte heide spoedig aan de kale heuvels, die Engeland van Schotland scheiden. Het pad, of liever het spoor, dat wij thans volgden, was steenachtig en vrij ongemakkelijk, maar desniettemin reed Andries steeds op een fikschen draf vooruit. Ik was verwonderd en misnoegd over zijne eigenzinnigheid, daar wij hier wegens den oneffen bodem telkens gevaar liepen, om langs de steile afgronden, die ons links en rechts aangrijnsden, door het struikelen van onze paarden een ernstig ongeluk te krijgen, of misschien zelfs het leven te verliezen. De maan scheen nog zeer flauw. Soms reden wij onder de schaduw van hooge bergruggen in eene zoo dichte duisternis, dat ik mijn voorrijder niet meer zien kon, en slechts de hoefslag van zijn paard en de vonken, welke het uit de steenen sloeg, mij zijn spoor aanduidden. De snelle beweging en de oplettendheid, die ik wegensmijne eigen veiligheid aan mijn paard moest wijden, hadden eerst de weldadige uitwerking, dat zij mijn geest van mijn vele smartelijke overdenkingen afleidden. Toen ik echter den tuinman eene geruime poos vruchteloos toegeroepen had, werd ik innig boos over zijne halsstarrigheid, daar hij mij noch wilde gehoorzamen, noch eenig antwoord geven. Maar mijn toorn was, helaas, machteloos. Een paar maal trachtte ik hem in te halen, om hem mijn misnoegen eens ernstig te doen gevoelen, maar zijn paard was veel beter dan het mijne. Hij raadde mijn doel en reed steeds sneller, zoodra hij merkte dat ik hem naderbij kwam. Van boosheid kwam ik bijna buiten mij zelven, en eindelijk dreigde ik hem, mijne pistolen op hem te zullen losbranden. Dit maakte meer indruk, dan alle vriendelijke beden. Hij reed langzamer. Maar toen ik dicht bij hem was, begon hij: »het is waarachtig wat te zeggen, langs zulk een ellendigen weg te moeten rijden!”»Maar zeg eerst waarom zijt gij zoo snel gereden?” antwoordde ik driftig. Men wordt in den regel driftiger, als men even te voren eerst een weinig vrees gevoeld heeft.»Maar wat wenscht u dan, waarde heer?” vroeg Andries met onwrikbaren ernst.»Wat ik wensch, schelm? Heb ik u niet reeds een geheel uur toegeroepen langzamer te rijden, en gij hebt mij niet eens geantwoord! Zijt gij dronken of gek?”»Ja, waarde heer,” hernam Andries; »ik heb eigenlijk, eer ik mijn huisje, waar ik zoo lang gewoond had, verliet, een klein slokje genomen tot afscheid. Zie, ik wil met de zuivere waarheid voor den dag komen, want liegen is een groote zonde. Ik had niemand, die mij bescheid kon doen, en dus moest ik dat wel zelf doen, of het restje brandewijn voor de Papisten achterlaten, en dat zou ik toch voor onzen lieven Heer niet hebben kunnen verantwoorden. Ik heb het dus maar heelemaal opgedronken.”Ik liet zijne verontschuldiging gelden. Hij was mijn gids in wiens macht ik in zeker opzicht was. Ik vergenoegde mij dus, met hem onder het oog te brengen, dat hij zich voortaan naar mijne bevelen te richten had.Toen hij uit mijne vriendelijkheid zag, dat mijn toorn was bedaard, nam hij weer het woord, eigenlijk op min of meer schoolmeesterachtigen beslissenden toon. »Gij zult het mij niet tegenspreken, gij noch iemand anders, dat men wel degelijk voor zijne gezondheid moet zorgen, wanneer men ’s nachts over heidevelden en in het gebergte reizen moet, en het best is, dan vooraf een slokje brandewijn of iets dergelijks tot versterking te nemen. Dan heeft de nadeelige nachtlucht geen invloed op ons zwak gestel, en men is daarenboven veel moediger. Wel honderdmaal ben ik, bij dag en bij nacht, den Otterscopeheuvel overgetrokken, maar nooit kon ik den weg vinden, als ik niet vooraf behoorlijk mijn morgenslokje genomen had. Soms had ik een paar vaatjes brandewijn aan iederen kant van mijn paard.”»Met andere woorden Andries, gij waart een smokkelaar? Hoe kan eenman van uwe strenge grondbeginselen er ooit toe overgaan om de regeering te bestelen?”»De regeering? Neen, dat zou ik nooit gedaan hebben! Als het een echte regeering was. Maar het is immers hier slechts eene berooving van tollenaren en zondaren!” antwoordde Andries. »Het arme Schotland lijdt erg van die liederlijke ontvangers en nog liederlijker kommiezen, die sedert de rampzalige unie als sprinkhanen tot ons overgewaaid zijn. Daarom moet een braaf mensch zijn vaderland nu en dan eene hartsterking bezorgen en dat satansche dievenras zijn buit ontnemen.”Bij nadere bespreking bleek, dat Andries, vóór en na zijne aanstelling als tuinman op het kasteel Osbaldistone, dikwijls als smokkelaar op dit bergpad was geweest. Voor mij was deze omstandigheid in zoo verre van belang, als ik daarin een bewijs vond, dat de tuinman tot gids zeer bruikbaar was, ondanks den poets, dien hij mij in het begin gespeeld had. Hij reed nu wel is waar langzamer, maar nog steeds scheen het afscheidsglaasje, dat hem zoo zonderling opgewonden had, zijn invloed niet verloren te hebben. Dikwijls keek hij angstig om. Zoo vaak de weg effen werd, kwam hij in verzoeking om weder sneller te rijden, als vreesde hij den een of ander die hem vervolgde. Intusschen scheen zijne bezorgdheid meer en meer te verminderen, toen wij den rug van eene keten heuvels bereikte, die zich westelijk uitstrekten en aan beide kanten steil afliepen. Nu begon ook de dag aan te breken. En toen Andries eindelijk nogmaals omziende op de geheele eenzame heide geene menschelijke gedaante ontdekte, helderde zijn gelaat op. Hij begon te fluiten en zong eindelijk met ruwe, leelijke stem, maar vroolijk het einde van een Schotsch liedje:»Jenny, ik heb je meisje lief!Achter ’t veen, in bosch en heiBlijft mijn meisje aan mijn zij.”En daarbij klopte hij het dier, dat hem zoo welgemoed en vroolijk tot hiertoe gedragen had, vriendelijk op den hals. Maar toen ik het nu van naderbij bezag, herkende ik terstond Thorncliff’s lievelingspaard.—»Wat is dat?” vroeg ik min of meer norsch; »hoe komt gij aan het paard van mijnheer Thorncliff?”»Ja, eens was het zeker het paard van den jongenheer Thorncliff, maar thans is het zeker het mijne.”»Hebt gij het gestolen, schurk?”»Gestolen? Wel waarachtig niet, mijnheer! niemand kan mij een dief noemen. Ik zal u zeggen hoe het eigenlijk met de zaak gelegen is. Mijnheer Thorncliff leende van mij tien pond, toen hij naar de harddraverij te York ging, en toen ik hem naderhand om mijn geld maande, snauwde hij mij toe, dat als ik nog eens op dien toon durfde zingen, hij onze rekening met zijn knuppel zou vereffenen. Nu heb ik het hecht in handen. Wil hij zijn paard weer hebben, dan moet hij mij tot den laatsten duit betalen, of hij krijgt geen haar van den staart meer van zijnemerrie te zien. Ik ken een zaakwaarnemer inLoughmaben, die verstaat het recht. Een paard stelen! Neen! God beware mij voor die gruwelijke zonde! Ik heb het slechts in beslag genomen.Juridictionis fendendie causaof hoe ze dat met een Latijnschen of Griekschen naam heeten. Ja, die namen hebben veel van de plantennamen bij ons tuinlieden en andere geleerde mannen. Die drie woorden heb ik geleerd. Jammer maar dat die studie zoo weergaas duur was. Het is al wat Andries uit een langdurig proces overgehouden heeft. Het was om drie vaatjes brandewijn. Ja, het recht is al een zeer kostbaar ding!”»Het zou u wel duurder te staan kunnen komen dan gij denkt,” viel ik hem in de rede; »als gij onvoorzichtig genoeg zijt, om zonder de rechterlijke hulp in te roepen, uw eigen rechter te willen zijn.”»Oho, beste mijnheer! Wij zijn thans in Schotland,” antwoordde hij, »dank zij den Hemel! Daar zal ik wel goede vrienden vinden en rechters bovendien, zoo knap als een Osbaldistone denken durft. De neef van mijn ooms schoonbroeder is een neef van den schout te Dumfries, en die zal niet dulden, dat iemand van de familie verongelijkt wordt of schade lijdt. Hier krijgt iedereen recht, die recht heeft. Het gaat hier niet zoo als daar, waar de griffier Jobson, eer men er om denkt, een eerlijk man in de gevangenis werpt. Ook geloof ik stellig, dat recht en wet daar spoedig uitverkocht zullen zijn. Ik ben blij, dat ik maar bijtijds naar eene andere markt op weg ben, waar het een en ander nog wat ruimer en van beter allooi te vinden is.”Ik was zeer geërgerd over de handelwijze van den zoogenaamden eerlijken tuinman. Het verdroot mij geweldig, dat mijn noodlot mij voor de tweede maal met een mensch van zoo slechte beginselen in aanraking had gebracht. Ik besloot hem, zoodra wij het doel van onze reis bereikt hadden, het paard af te koopen en het mijn neef terug te zenden. Aan mijn oom wilde ik echter van het naaste posthuis voorloopig bericht van mijne plannen geven. Met Andries nog langer te twisten, oordeelde ik nutteloos. Misschien had hij, op de keper beschouwd, voor een mensch van zijn stand en opvoeding niet geheel onnatuurlijk gehandeld. Mijn misnoegen bedwingend, vroeg ik hem, waarom hij geloofde, dat er binnen kort in Northumberland geen recht meer te krijgen zou zijn.»Recht?” antwoordde Andries. »Nu ja, het knuppelrecht zal daar al spoedig alleen gelden. De priesters, de Iersche officieren en al de Papisten, die buiten ’s lands soldaat zijn geweest, omdat zij niet langer te huis durfden blijven, die zwerven thans talrijk genoeg door geheel Northumberland. De kraaien komen altijd daar bijeen, waar zij aas rieken. Gij moogt mij gelooven, de oude ridder Osbaldistone heeft zich ook al daarmede ingelaten. In het kasteel ziet men niets anders dan geweren, pistolen, degens en dolken. Ik wed dat zijne lieve zoontjes, die zelfs den duivel niet vreezen, er ook spoedig bij zullen zijn. Neem het mij niet kwalijk, waarde Heer! Ik spreek, zoo als ik denk.”Deze verzekering van den tuinman herinnerde mij het vermoeden, hetwelk ook in mij was opgerezen, dat namelijk de Jacobieten de eeneof andere wanhopige onderneming op het oog hadden. Ik had, daar ik zeer goed gevoelde, dat het mij niet paste mijns ooms woorden en daden te bespieden, elke gelegenheid, die zich voor mij aanbood om op die teekenen van eenige bijzondere voorbereiding te letten, eerder vermeden, dan daar partij van getrokken. Andries, die hieromtrent niet zoo nauwgezet behoefde te zijn, had nauwkeuriger opgelet. De nabijzijnde uitbarsting van oproerige bewegingen had hij met grond vermoed.—»Zij hebben de dienstboden en al wat tot het kasteel behoort, geregeld gemonsterd,” voegde hij er bij op geheimzinnigen toon. »Ik zou ook gewapend zijn geworden. Maar onder zulke lieden te dienen—neen, dan kennen zij Andries niet! Vechten wil ik, als ik er lust in heb, doch niet voor de »hoer van Babel,” en zeker niet voor zoo eene in Engeland.”
Het is hard, als op den mensch allerlei ongelukken van verschillenden aard tezamen instormen. En toch ligt daarin het voordeel dat door de verstrooiing, die hunne tegenstrijdige werking op het gemoed doet ontstaan, geen der onheilen hem geheel en al overweldigt. Het scheiden van Diana smartte mij diep; maar nochtans niet zoo zeer, dat ook het ongeluk, hetwelk mijn vader dreigde, mijn geest niet zou hebben bezig gehouden, terwijl weder die Jobstijding mij minder bekommerde, omdat ze niet heteenigevoorwerp van bezorgdheid voor mij was.
Niet dat ik een wuft minnaar, of een gevoellooze zoon was. Maar een mensch wijdt slechts een zeker deel van zijne smartelijke gewaarwordingen aan de oorzaak, waardoor zij verwekt worden. En wanneer twee daarvan tegelijk werken, dan moet onze deelneming noodzakelijk, even als de percent’s gewijze betaling van een bankroetier, tusschen allen verdeeld worden. Met zulke gedachten kwam ik in mijne kamer. Het was alsof ik reeds op weg was naar de koopmansberekeningen.
Ik begon mijns vaders brief ernstig te overwegen. De inhoud was mij nog niet zeer duidelijk. Ik werd ten opzichte van verscheidene omstandigheden naar Owen verwezen, dien ik te Glasgow aan het kantoor van de heerenMac-Vittie, Mac-Fin en Compagnie moest zoeken. Bij de vermelding van verscheidene vroeger aan mij afgezonden brieven, die verloren of onderschept moesten zijn, klaagde men over mijn halsstarrig zwijgen in uitdrukkingen, die zeer onbillijk zouden zijn geweest, wanneer mijne brieven ter plaatse van hunne bestemming waren gekomen. Ik was schier buiten mij zelven van verbazing. Ik twijfelde er geen oogenblik aan, dat Rashleigh’s geest rondom mij zweefde, en dat hij de zwarigheden, die mij omringden, als spoken opriep. Ik schrikte voor de gedachte, toen ik overwoog hoe veel laaghartigheid en macht hij tot de uitvoering van zijne ontwerpen moest gebruikt hebben. Om mij ten minste in één opzicht recht te laten wedervaren, wil ik niet verzwijgen dat het scheiden van Diana Vernon, hoe het mij ook op een anderen tijd zou ter neer geslagen hebben, mij thans minder trof, dan de gedachte aan de gevaren die mijn vader dreigden. Ik zelf hechtte weinig aan rijkdom, en meende, even als de meeste jonge lieden van levendige fantasie, dat ik gemakkelijker het bezit van geld ontberen kon, dan mijn tijd en mijne bekwaamheden opofferen voor de werkzaamheden, waardoor het moest verkregen worden. Maar ik wist dat mijn vader het verlies van zijn vermogen voor een onherstelbaar ongeluk zou houden, waarvoor het leven hem geen troost verschaffen en de dood alleen het eenige redmiddel zijn kon.
Mijn geest ontwikkelde, bij de overweging hoe dit ongeluk af te weren, eene kracht, welke het eigenbelang nooit zou opgewekt hebben, wanneer het mijn eigen vermogen gegolden had. Ik nam het besluit, reeds den volgenden dag het kasteel te verlaten en Owen in Glasgow op te zoeken. Ik oordeelde het raadzaam, dit besluit aan mijn oom eenvoudig bekend te maken door een brief, waarin ik hem voor de bij hem genoten gastvrijheid mijn dank betuigde, en hem tevens verzekerde dat eene dringende en zeer gewichtige aangelegenheid mij belette, hem mondeling daarvoor te danken. Ik wist wel, dat de oude eenvoudige ridder mij gemakkelijk verontschuldigen zou, en ik geloofde zoo vast aan Rashleigh’s wijd uitgebreide en vermetele macht, dat ik inderdaad vreesde dat hij, als ik mijn vertrek openlijk zou hebben aangekondigd, middelen zou gevonden hebben, om deze reis te verhinderen. Zijne verdere plannen zouden immers door mijne reis worden belemmerd.
Ik besloot, mij met het aanbreken van den dag te verwijderen, ten einde ongehinderd over de naburige Schotsche grenzen te komen, waarvanhet welgelukken mijner onderneming afhing. Ik kende noch den kortsten, noch over het geheel eenigen weg naar Glasgow. In deze verlegenheid, daar spoed thans van het hoogste belang was, viel mijne gedachte op den tuinman Andries, van wien ik eenige inlichting kon verwachten. Hoe laat het ook reeds was, ik begaf mij terstond naar zijne woning, die niet ver van den buitenmuur van den tuin lag. Het was een aardig, van ruwe steenen gebouwd en door groote berkeboomen overschaduwd huis; een beekje kronkelde erlangs, terwijl het ook een bloemperk en moestuintje had; uit dit laatste verschafte zich de bewoner de behoeften voor zijne tafel; eene koe, die hem boter en melk verstrekte, had ook hare behoorlijke stalling.
Toen ik deze woning naderde, hoorde ik een geluid, dat zich in langgerekte neustonen oploste. Mijne eerste gedachte was, dat Andries, volgens de goede gewoonte zijner landslieden, eenige buren tot eene avondoefening, zoo als zij het noemden, bij zich vereenigd had. Hij had vrouw noch kinderen, noch andere vrouwelijke huisgenooten. »De eerste man,” zeide hij doorgaans, »had al genoeg van dat vee gehad.” Maar soms wist hij toehoorders uit de rondom wonende Katholieken en aanhangers der bisschoppelijke kerk bij zich te verzamelen—»brandhouten uit het vuur weggerukt,” zoo als hij ze noemde—en dan oefende hij aan hen zijne geestelijke gaven, in spijt van pater Vaughan, pater Dotharty, Rashleigh en alle naburige Katholieken die hem, wegens deze onwettige uitoefening van hunne ambtsbediening, voor eene soort van ketterschen beunhaas verklaarden. Ik dacht, dat ook nu zijne woning tot een bedehuis voor zulk een gezelschap diende. Maar bij aandachtiger luisteren scheen mij het geluid uit de longen van den tuinman alleen te komen. Toen ik het door mijn binnentreden afbrak, vond ik hem werkelijk geheel alleen. Tot zijne stichting las hij een godgeleerd twistschrift en raffelde, zoo goed als hij kon, al de lange woorden en moeielijke namen achter elkander af.
»Juist zocht ik een zalvende plaats of spreuk op bij den eerwaarden doctor Lichtfoot,” zeide hij, terwijl hij den foliant ter zijde legde.
»Lichtfoot?” hernam ik, met verwondering op den foliant ziende. »Uw schrijver heeft een vrij ongepasten naam.”
»Ja, Lichtfoot heet hij, waarde heer, maar hij was een heel ander godgeleerde, dan die van onzen tegenwoordigen tijd. Nu neem het mij niet kwalijk dat ik u zoo lang voor de deur liet staan, maar ik had heden avond een heel spul met een spook—God behoede ons!—en toen wilde ik niet gaarne opendoen, voor dat ik mijne avondoefening verricht had. Juist had ik het vijftiende kapittel van Nehemiah geëindigd. Als dat geen spook kan bedwingen, dan weet ik er niets van.”
»Met een spook hadt ge te doen?” vroeg ik, »hoe moet ik dat verstaan, Andries?”
»Nu ja, het wilde op mij los, God bewaar me!”
»Op u los? Wat beteekent dat toch?”
»Nu ja, ik meen eigenlijk niet, dat het mij te lijf wilde—maar het verschrikte mij geweldig.”
»Nu, mij is het wel. Genoeg daarvan! Ik wenschte gaarne te weten, of gij mij den naasten weg naar een zekere plaats van uw land, Glasgow genaamd, kunt wijzen?”
»Eene plaats, Glasgow genaamd?” herhaalde Andries. »Glasgow is een zeer groote stad, waarde Heer. Of ik den weg naar Glasgow ken? Wat een vraag? Die stad ligt dicht bij mijne geboorteplaats; mijne geboorteplaats ligt alleen een beetje meer westelijk. Maar wat hebt gij toch in Glasgow te zoeken?”
»Bijzondere zaken roepen mij daarheen.”
»Dat is met andere woorden: vraag mij niet verder. Nu, ik zal u niet lastig vallen. Naar Glasgow?” vervolgde hij, na eene poos zwijgens. »Mij dunkt, gij deedt beter, als gij een gids medenaamt.”
»Ja, kon ik er maar een vinden, die den weg kent.”
»En gij zoudt dan zeker voor verzuimden tijd en genomen moeite goed schadeloos stellen?”
»Welzeker. Ik heb groote haast, en wanneer gij voor mij een knaap opsporen kunt, die mij vergezellen wil, kunt gij hem tevens verzekeren dat ik hem goed zal betalen.”
»Hoor eens, mijnheer, heden is het Zondag,” vervolgde Andries, naar mij opziende, »en dan mag men zich met geene wereldsche zaken bezig houden, anders zou ik u wel eens willen vragen, wat gij er voor over hebt, als ik u een flinken gids bezorg, die de namen der kasteelen van al de edellieden langs dien weg weet op te noemen, en met de betrekkingen van die edellieden even goed als met zijne eigen familie bekend is.”
»Ik zeg u immers, dat ik alleen den weg behoef te weten. De gids zal met mijne betaling tevreden zijn.”
»Dat doet er niets toe!” hernam Andries. »De man, dien ik bedoel, kent alle zijpaden, alle voetpaden door het gebergte.”
»Ik heb geen tijd om thans langer te praten of u te hooren praten, mijn beste Andries. Breng de zaak maar voor mij in orde zoo als gij wilt, en gij zult mij een grooten dienst bewijzen.”
»Nu, dat laat zich hooren,” hernam Andries. »Als het zoo is, en niet anders, dan zal ik, om alle verdere moeite te besparen, u maar zelf den weg wijzen.”
»Gij, Andries? Maar hoe kunt gij zoo plotseling uw dienst verlaten?”
»Ik heb u immers gezegd,” antwoordde de tuinman, »dat ik reeds sedert lang dit voornemen gekoesterd heb, reeds sedert het eerste jaar van mijn dienst; en nu zal het daarmede eindelijk eens ernst worden. Beter laat dan nooit.”
»Dus wilt gij uw dienst vaarwel zeggen en uw loon in den steek laten?” vroeg ik.
»Nu ja, er zal iets aan moeten opgeofferd worden, dat spreekt van zelf. Maar ik heb nog eenig geld van onzen heer onder mij, van de appelen, weet ge, uit dien ouden boomgaard.—Ja, de lieden, die dat onrijpe goed gekregen hebben, zijn er leelijk mede gefopt! En toch is onzeheer zoo happig naar dat geld, en onze rentmeester maant er mij zoo dringend om, alsof het voor gouden pippelingen ontvangen was. Ook heb ik nog eene kleinigheid in geld voor verkochte zaden in handen, en zoo denk ik, zal ik mijn loon wel kunnen vinden. Maar wanneer wij naar Glasgow gaan, zult gij toch wel in aanmerking gelieven te nemen, dat ik gevaar loop eenig verlies te lijden. Gij zult waarschijnlijk spoedig vertrekken?”
»Met het krieken van den dag.”
»Dat is toch wat al te vlug! Van waar krijg ik een paard? Maar stil, ik weet er al een, dat juist voor mij geschikt is.”
»Dan vinden wij elkander morgen vroeg te vijf ure heel aan het vooreinde van de laan.”
»Ik zal er zijn, gij kunt er u gerust op verlaten!” zeide Andries welgemoed. »Maar wilt gij mijn raad volgen, laat ons twee uren vroeger vertrekken, ik ken den weg bij dag en bij nacht.”
Gaarne gaf ik mijne toestemming tot dat voorstel, en wij maakten afspraak om elkander den volgenden morgen te drie ure op de bestemde plaats te ontmoeten.
Plotseling herinnerde zich mijn aanstaande reisgenoot zijn spook. »Maar, maar,” zeide hij, »dat spook, dat spook zou ons kunnen overvallen, en niet gaarne zou ik tweemaal in de vier en twintig uren daarmede opgescheept zijn.”
»Gekheid!” riep ik in het heengaan. »Vrees toch niet voor wezens uit de andere wereld! Hier op aarde zijn booze geesten genoeg, die zonder bijstand van den Satan en zijne booze geesten, al erg genoeg klaar spelen.”
Met deze woorden keerde ik naar het kasteel terug, maakte schielijk de noodige toebereidselen tot mijne reis, laadde mijne pistolen en wierp mij toen op ’t bed, om, zoo het zijn kon, nog eene korte rust te genieten, voor dat ik de lange reis ondernam, die niet zonder moeielijkheden en onaangenaamheden zou zijn. Uitgeput door de hevige aandoeningen, welke mij geschokt hadden, viel ik weldra in een diepen slaap, maar toen de klok van het kasteel twee ure sloeg, werd ik wakker, stond schielijk op, ontstak het licht, schreef den voor mijn oom bestemden brief, en nadat ik de allernoodigste kleederen in mijn valies had gepakt, begaf ik mij naar beneden en kwam, zonder eenige hindernis te ontmoeten, in den stal. Ofschoon ik nu wel geen volmaakte stalknecht was, zoo als mijne neven, had ik toch gedurende mijn verblijf op het kasteel Osbaldistone geleerd mijn paard te tuigen en te zadelen, ik was dan ook in weinige minuten daarmede gereed.
Toen ik nu de oude laan, waarop de afnemende maan haar flauw schijnsel wierp, opreed, zag ik met een diepen zucht terug naar het gebouw waar Diana woonde, en het denkbeeld, dat wij misschien voor altijd van elkander gescheiden waren, deed mij onbeschrijfelijk leed.
»Zij is reeds voor mij verloren!” zeide ik in mij zelf, terwijl mijn oog te vergeefs uitzag naar het venster van hare kamer in den langen Gothischen muur van het kasteel, waarvan de tinnen spookachtig wit inden maneschijn uitstaken.—»Zij is reeds voor mij verloren, eer ik nog uit hare nabijheid ben! Hoe zou ik kunnen hopen, als er mijlen afstand tusschen ons liggen, haar te herwinnen.”
In deze sombere droomerijen verdiept, hoorde ik de klok van het kasteel drie uren slaan.
Dicht tegen den tuinmuur zag ik een man te paard wachten, doch ik moest wel driemaal hoesten en Andries roepen, eer de kerel antwoordde: »ja, ja, het is Andries!”
»Vooruit dan!” zeide ik, »en zwijg, zoo gij kunt, tot wij door het dorp in het dal zijn.”
Andries reed nog veel sneller dan ik eigenlijk wenschte. Hij nam mijn bevel om stil te zwijgen zoo stipt in acht, dat hij mij zelfs met geen enkel woord antwoordde, toen ik hem herhaalde malen naar de oorzaak van dezen noodeloozen spoed vroeg. Eindelijk hadden wij langs allerlei zijpaden, welke Andries zeer goed kende, een goed eind wegs afgelegd, en kwamen nu over een wijduitgestrekte heide spoedig aan de kale heuvels, die Engeland van Schotland scheiden. Het pad, of liever het spoor, dat wij thans volgden, was steenachtig en vrij ongemakkelijk, maar desniettemin reed Andries steeds op een fikschen draf vooruit. Ik was verwonderd en misnoegd over zijne eigenzinnigheid, daar wij hier wegens den oneffen bodem telkens gevaar liepen, om langs de steile afgronden, die ons links en rechts aangrijnsden, door het struikelen van onze paarden een ernstig ongeluk te krijgen, of misschien zelfs het leven te verliezen. De maan scheen nog zeer flauw. Soms reden wij onder de schaduw van hooge bergruggen in eene zoo dichte duisternis, dat ik mijn voorrijder niet meer zien kon, en slechts de hoefslag van zijn paard en de vonken, welke het uit de steenen sloeg, mij zijn spoor aanduidden. De snelle beweging en de oplettendheid, die ik wegensmijne eigen veiligheid aan mijn paard moest wijden, hadden eerst de weldadige uitwerking, dat zij mijn geest van mijn vele smartelijke overdenkingen afleidden. Toen ik echter den tuinman eene geruime poos vruchteloos toegeroepen had, werd ik innig boos over zijne halsstarrigheid, daar hij mij noch wilde gehoorzamen, noch eenig antwoord geven. Maar mijn toorn was, helaas, machteloos. Een paar maal trachtte ik hem in te halen, om hem mijn misnoegen eens ernstig te doen gevoelen, maar zijn paard was veel beter dan het mijne. Hij raadde mijn doel en reed steeds sneller, zoodra hij merkte dat ik hem naderbij kwam. Van boosheid kwam ik bijna buiten mij zelven, en eindelijk dreigde ik hem, mijne pistolen op hem te zullen losbranden. Dit maakte meer indruk, dan alle vriendelijke beden. Hij reed langzamer. Maar toen ik dicht bij hem was, begon hij: »het is waarachtig wat te zeggen, langs zulk een ellendigen weg te moeten rijden!”
»Maar zeg eerst waarom zijt gij zoo snel gereden?” antwoordde ik driftig. Men wordt in den regel driftiger, als men even te voren eerst een weinig vrees gevoeld heeft.
»Maar wat wenscht u dan, waarde heer?” vroeg Andries met onwrikbaren ernst.
»Wat ik wensch, schelm? Heb ik u niet reeds een geheel uur toegeroepen langzamer te rijden, en gij hebt mij niet eens geantwoord! Zijt gij dronken of gek?”
»Ja, waarde heer,” hernam Andries; »ik heb eigenlijk, eer ik mijn huisje, waar ik zoo lang gewoond had, verliet, een klein slokje genomen tot afscheid. Zie, ik wil met de zuivere waarheid voor den dag komen, want liegen is een groote zonde. Ik had niemand, die mij bescheid kon doen, en dus moest ik dat wel zelf doen, of het restje brandewijn voor de Papisten achterlaten, en dat zou ik toch voor onzen lieven Heer niet hebben kunnen verantwoorden. Ik heb het dus maar heelemaal opgedronken.”
Ik liet zijne verontschuldiging gelden. Hij was mijn gids in wiens macht ik in zeker opzicht was. Ik vergenoegde mij dus, met hem onder het oog te brengen, dat hij zich voortaan naar mijne bevelen te richten had.
Toen hij uit mijne vriendelijkheid zag, dat mijn toorn was bedaard, nam hij weer het woord, eigenlijk op min of meer schoolmeesterachtigen beslissenden toon. »Gij zult het mij niet tegenspreken, gij noch iemand anders, dat men wel degelijk voor zijne gezondheid moet zorgen, wanneer men ’s nachts over heidevelden en in het gebergte reizen moet, en het best is, dan vooraf een slokje brandewijn of iets dergelijks tot versterking te nemen. Dan heeft de nadeelige nachtlucht geen invloed op ons zwak gestel, en men is daarenboven veel moediger. Wel honderdmaal ben ik, bij dag en bij nacht, den Otterscopeheuvel overgetrokken, maar nooit kon ik den weg vinden, als ik niet vooraf behoorlijk mijn morgenslokje genomen had. Soms had ik een paar vaatjes brandewijn aan iederen kant van mijn paard.”
»Met andere woorden Andries, gij waart een smokkelaar? Hoe kan eenman van uwe strenge grondbeginselen er ooit toe overgaan om de regeering te bestelen?”
»De regeering? Neen, dat zou ik nooit gedaan hebben! Als het een echte regeering was. Maar het is immers hier slechts eene berooving van tollenaren en zondaren!” antwoordde Andries. »Het arme Schotland lijdt erg van die liederlijke ontvangers en nog liederlijker kommiezen, die sedert de rampzalige unie als sprinkhanen tot ons overgewaaid zijn. Daarom moet een braaf mensch zijn vaderland nu en dan eene hartsterking bezorgen en dat satansche dievenras zijn buit ontnemen.”
Bij nadere bespreking bleek, dat Andries, vóór en na zijne aanstelling als tuinman op het kasteel Osbaldistone, dikwijls als smokkelaar op dit bergpad was geweest. Voor mij was deze omstandigheid in zoo verre van belang, als ik daarin een bewijs vond, dat de tuinman tot gids zeer bruikbaar was, ondanks den poets, dien hij mij in het begin gespeeld had. Hij reed nu wel is waar langzamer, maar nog steeds scheen het afscheidsglaasje, dat hem zoo zonderling opgewonden had, zijn invloed niet verloren te hebben. Dikwijls keek hij angstig om. Zoo vaak de weg effen werd, kwam hij in verzoeking om weder sneller te rijden, als vreesde hij den een of ander die hem vervolgde. Intusschen scheen zijne bezorgdheid meer en meer te verminderen, toen wij den rug van eene keten heuvels bereikte, die zich westelijk uitstrekten en aan beide kanten steil afliepen. Nu begon ook de dag aan te breken. En toen Andries eindelijk nogmaals omziende op de geheele eenzame heide geene menschelijke gedaante ontdekte, helderde zijn gelaat op. Hij begon te fluiten en zong eindelijk met ruwe, leelijke stem, maar vroolijk het einde van een Schotsch liedje:
»Jenny, ik heb je meisje lief!Achter ’t veen, in bosch en heiBlijft mijn meisje aan mijn zij.”
»Jenny, ik heb je meisje lief!
Achter ’t veen, in bosch en hei
Blijft mijn meisje aan mijn zij.”
En daarbij klopte hij het dier, dat hem zoo welgemoed en vroolijk tot hiertoe gedragen had, vriendelijk op den hals. Maar toen ik het nu van naderbij bezag, herkende ik terstond Thorncliff’s lievelingspaard.—»Wat is dat?” vroeg ik min of meer norsch; »hoe komt gij aan het paard van mijnheer Thorncliff?”
»Ja, eens was het zeker het paard van den jongenheer Thorncliff, maar thans is het zeker het mijne.”
»Hebt gij het gestolen, schurk?”
»Gestolen? Wel waarachtig niet, mijnheer! niemand kan mij een dief noemen. Ik zal u zeggen hoe het eigenlijk met de zaak gelegen is. Mijnheer Thorncliff leende van mij tien pond, toen hij naar de harddraverij te York ging, en toen ik hem naderhand om mijn geld maande, snauwde hij mij toe, dat als ik nog eens op dien toon durfde zingen, hij onze rekening met zijn knuppel zou vereffenen. Nu heb ik het hecht in handen. Wil hij zijn paard weer hebben, dan moet hij mij tot den laatsten duit betalen, of hij krijgt geen haar van den staart meer van zijnemerrie te zien. Ik ken een zaakwaarnemer inLoughmaben, die verstaat het recht. Een paard stelen! Neen! God beware mij voor die gruwelijke zonde! Ik heb het slechts in beslag genomen.Juridictionis fendendie causaof hoe ze dat met een Latijnschen of Griekschen naam heeten. Ja, die namen hebben veel van de plantennamen bij ons tuinlieden en andere geleerde mannen. Die drie woorden heb ik geleerd. Jammer maar dat die studie zoo weergaas duur was. Het is al wat Andries uit een langdurig proces overgehouden heeft. Het was om drie vaatjes brandewijn. Ja, het recht is al een zeer kostbaar ding!”
»Het zou u wel duurder te staan kunnen komen dan gij denkt,” viel ik hem in de rede; »als gij onvoorzichtig genoeg zijt, om zonder de rechterlijke hulp in te roepen, uw eigen rechter te willen zijn.”
»Oho, beste mijnheer! Wij zijn thans in Schotland,” antwoordde hij, »dank zij den Hemel! Daar zal ik wel goede vrienden vinden en rechters bovendien, zoo knap als een Osbaldistone denken durft. De neef van mijn ooms schoonbroeder is een neef van den schout te Dumfries, en die zal niet dulden, dat iemand van de familie verongelijkt wordt of schade lijdt. Hier krijgt iedereen recht, die recht heeft. Het gaat hier niet zoo als daar, waar de griffier Jobson, eer men er om denkt, een eerlijk man in de gevangenis werpt. Ook geloof ik stellig, dat recht en wet daar spoedig uitverkocht zullen zijn. Ik ben blij, dat ik maar bijtijds naar eene andere markt op weg ben, waar het een en ander nog wat ruimer en van beter allooi te vinden is.”
Ik was zeer geërgerd over de handelwijze van den zoogenaamden eerlijken tuinman. Het verdroot mij geweldig, dat mijn noodlot mij voor de tweede maal met een mensch van zoo slechte beginselen in aanraking had gebracht. Ik besloot hem, zoodra wij het doel van onze reis bereikt hadden, het paard af te koopen en het mijn neef terug te zenden. Aan mijn oom wilde ik echter van het naaste posthuis voorloopig bericht van mijne plannen geven. Met Andries nog langer te twisten, oordeelde ik nutteloos. Misschien had hij, op de keper beschouwd, voor een mensch van zijn stand en opvoeding niet geheel onnatuurlijk gehandeld. Mijn misnoegen bedwingend, vroeg ik hem, waarom hij geloofde, dat er binnen kort in Northumberland geen recht meer te krijgen zou zijn.
»Recht?” antwoordde Andries. »Nu ja, het knuppelrecht zal daar al spoedig alleen gelden. De priesters, de Iersche officieren en al de Papisten, die buiten ’s lands soldaat zijn geweest, omdat zij niet langer te huis durfden blijven, die zwerven thans talrijk genoeg door geheel Northumberland. De kraaien komen altijd daar bijeen, waar zij aas rieken. Gij moogt mij gelooven, de oude ridder Osbaldistone heeft zich ook al daarmede ingelaten. In het kasteel ziet men niets anders dan geweren, pistolen, degens en dolken. Ik wed dat zijne lieve zoontjes, die zelfs den duivel niet vreezen, er ook spoedig bij zullen zijn. Neem het mij niet kwalijk, waarde Heer! Ik spreek, zoo als ik denk.”
Deze verzekering van den tuinman herinnerde mij het vermoeden, hetwelk ook in mij was opgerezen, dat namelijk de Jacobieten de eeneof andere wanhopige onderneming op het oog hadden. Ik had, daar ik zeer goed gevoelde, dat het mij niet paste mijns ooms woorden en daden te bespieden, elke gelegenheid, die zich voor mij aanbood om op die teekenen van eenige bijzondere voorbereiding te letten, eerder vermeden, dan daar partij van getrokken. Andries, die hieromtrent niet zoo nauwgezet behoefde te zijn, had nauwkeuriger opgelet. De nabijzijnde uitbarsting van oproerige bewegingen had hij met grond vermoed.—
»Zij hebben de dienstboden en al wat tot het kasteel behoort, geregeld gemonsterd,” voegde hij er bij op geheimzinnigen toon. »Ik zou ook gewapend zijn geworden. Maar onder zulke lieden te dienen—neen, dan kennen zij Andries niet! Vechten wil ik, als ik er lust in heb, doch niet voor de »hoer van Babel,” en zeker niet voor zoo eene in Engeland.”