HOOFDSTUK XXV.

HOOFDSTUK XXV.De jachthond blaft, de herder wacht,Gewapend met den lansenschacht,Den beer, die nadert door het woud …Hij hoort hem aan het buigend hout,Aan ’t krakend loof en ’t ritslend blad,Hij komt, mijn vijand, langs dit pad,Een van ons beiden moet ten onder …PalamonenArcite.Ik stond op en ging overeenkomstig Jarvie’s raad naar de hoogeschool, gewoonlijk »het Collegie” genoemd, minder met het oogmerk om afleiding te zoeken, dan wel om mijne gedachten te regelen en over het door mij van nu af te houden gedrag na te denken. Ik ging langs het oude schoolgebouw en kwam eindelijk in den tuin van het College, waar ik, daar het juist in de leeruren was, eenzaam op en neer wandelde, geheel verdiept in bespiegelingen over mijn zonderling lot.De omstandigheden aan mijne eerste ontmoeting met Robbert Campbell verbonden, lieten mij geen twijfel over, dat hij zonder schroom de eene of andere koene onderneming zou wagen. De tegenzin, waarmede Jarvie over dezen man en diens betrekkingen, als ook over het gebeurde van den vorigen nacht sprak, versterkte mij niet weinig in mijn vermoeden. Tot dezen mensch had zich echter Diana Vernon, naar het scheen, ten mijnen voordeele gewend, en in de handelwijze van den heer Jarvie jegens hem waren goedheid, ja zelfs hoogachting, met medelijden en afkeuring op vreemde wijze vereenigd. Er moest toch iets zeer buitengewoons in Campbells toestand en denkwijze wezen, en wat mij nogzonderlingervoorkwam, zijn noodlot scheen invloed op het mijne te hebben, en daarmede in verband te staan. Ik nam het besluit, om bij de eerste voegzame gelegenheid, bij Jarvie nader aan te dringen, ten einde zoo veel mogelijk aangaande den geheimzinnigen man uit te vorschen. Ik wilde beoordeelen, of ik, zonder nadeel voor mijn goeden naam, mij in eenige betrekking tot hem zou kunnen stellen, waartoe hij mij scheen uit te noodigen.Zoo peinzende, wandelde ik verder.Plotselingtoevallig opziende, ontwaarde ik aan het einde van de laan, waarin ik slenterde, drie mannen, die met elkander in ernstig gesprek schenen te zijn. De levendige indruk, die ons vaak de nabijheid van iemand, die wij liefhebben of haten, op onverklaarbare wijze aankondigt, lang voordat een onverschillig oog hem herkennen kan, deed in mij de overtuiging ontstaan, dat de middelste van die drie mannen Rashleigh Osbaldistone moest wezen. Mijn eerste voornemen was, hem aan te spreken; mijn tweede, hem gade te slaan, tot hij alleen zou zijn, of ten minste degenen, die zich bij hem bevonden, eens op te nemen, eer ik naar hem toeging. Zijwaren nog zoo ver verwijderd en zoo verdiept in hun gesprek, dat ik tijd genoeg had, om onbemerkt achter eene heg te sluipen.Deftige jonge lieden droegen in dien tijd op hunne morgenwandelingen, dikwijls een scharlaken mantel, meestal met goudgalon bezet. Modeheertjes hadden daarbij de gewoonte, op coquette manier daarmede hun gelaat gedeeltelijk te verbergen. Op dezelfde wijze bedekt en achter de heg verborgen, kon ik mijn neef voorbijgaan, zonder door hem of de anderen gezien, of ten minste voor iets meer dan een vreemdeling gehouden te worden. Intusschen was ik niet weinig onthutst, toen ik in Rashleigh’s gezelschap mijn voormaligen aanklager Morris herkende, en—den koopman Mac-Vittie, wiens stroef en streng gelaat den vorigen dag zulk een onaangenamen indruk op mij had gemaakt.Dit was wel een slecht teeken voor mijne en mijns vaders aangelegenheden. Ik herinnerde mij de valsche aanklacht, welke Morris tegen mij ingebracht had. Hij kon zich misschien tot eene nieuwe aanklacht even gemakkelijk laten verleiden, als hij door vrees tot het herroepen van de eerste was gedwongen. Ik dacht aan den heilloozen invloed, dien Mac-Vittie op mijns vaders zaken had, zoo als uit Owen’s gevangenneming genoegzaam bleek. Nu zag ik deze beide lieden in gesprek met hem, wiens duivelsche bekwaamheid om onheil te stichten ik door en door kende, dien ik diep verfoeide, ja zelfs bijna vreesde.Toen zij eenige schreden verder waren gegaan, keerde ik om en volgde hen ongemerkt. Aan het andere einde der laan scheidden zij. Morris en Mac-Vittie verlieten den tuin, Rashleigh kwam geheel alleen de laan af. Ik besloot hem te gemoet te gaan, hem aan te spreken en vergoeding voor de schade te eischen, welke hij mijn vader had aangedaan, ofschoon ik nog niet zag op welke wijze die vergoeding van hem zou kunnen verkregen worden. Maar dit zou van later zorg zijn. Na mijn mantel teruggeslagen te hebben, trad ik door eene opening in de heg, Rashleigh, die in gepeins verdiept scheen, te gemoet.Rashleigh liet zich door onverwachte gebeurtenissen niet licht verrassen, nog minder schrik aanjagen. Toch was hij, toen hij mij zoo vlak voor zich zag en op mijn gelaat diepe verontwaardiging las, blijkbaar onthutst. Mijne verschijning kwam hem onverwacht.»Goed, dat ik u aantref!” zeide ik. »Juist wilde ik eene verre reis ondernemen, om u op te sporen.”»Dan kent gij hem, dien gij zocht, in het geheel niet!” antwoordde Rashleigh, met zijne gewone, onwrikbare bedaardheid. »Mijne vrienden weten mij gemakkelijk te vinden en mijne vijanden nog gemakkelijker. Uwe zonderlinge wijze van u bij mij aan te melden, noodzaakt mij u te vragen, onder welke rubriek ik Frans Osbaldistone moet plaatsen?”»Onder die van uwe vijanden,” hernam ik, »ja, van uwe doodvijanden, zoo gij niet terstond jegens mijn vader, uw weldoener, als eerlijk man, rekenschap afleggen en uw plicht wilt doen.”»En aan wien, mijnheer Osbaldistone, aan wien zou ik, deelhebber in uws vaders zaak, van mijne handelwijze en doen, welke ik in alleopzichten mijne eigene mag noemen, gedwongen worden rekenschap te geven? Toch niet aan een jongeling, die zoo veel smaak voor de fraaie letteren bezit, dat dergelijke koopmanszaken hem allergeweldigst zouden vervelen, daar ze voor hem volstrekt onverstaanbaar zouden zijn.”»Uwe spotternij is geen antwoord op mijn eisch! Ik laat u niet los, voor ik volkomen inlichtingen heb erlangd aangaande het bedrog, dat gij voornemens zijt te plegen. Anders zult gij met mij voor den rechter!”»Ook al goed,” zeide Rashleigh en deed een paar schreden, alsof hij mij vergezellen wilde: doch plotseling bleef hij staan en vervolgde: »Wilde ik thans doen wat gij beweert, dan zoudt gij ras ondervinden, wie van ons beiden de meeste reden heeft om het gerecht te vreezen. Maar ik wil uw ongeluk niet verhaasten. Ga, jongeling, vermaak u in uwe dichterlijke wereld en laat de behandeling van ernstiger zaken aan lieden over, die zich daarop verstaan en aan wie die behandeling best toevertrouwd is.”Zijn oogmerk was, naar ik geloof, mij boos te maken, en het gelukte hem.—»Deze toon van ijskoude onbeschaamdheid zal u niet baten!” zeide ik. »Beter ware het dat gij u herinnerdet, dat de naam dien wij beiden voeren, nooit beleediging duldde, en dat hij ook in mijn persoon aan geene beleediging zal blootgesteld zijn.”»Gij herinnert mij,” zeide Rashleigh, terwijl hij een dreigenden blik op mij wierp, »dat de naam in mij beleedigd is, en gij herinnert mij tevens door wien. Verbeeldt ge u dan, dat ik den avond vergeten heb, toen gij zoo goedkoop, ten mijnen koste en ongestraft, den pocher speeldet? Voor deze beleediging—ze kan slechts door bloed afgewasschen worden,—en daarvoor, dat gij meer dan eens, en steeds tot mijn nadeel, mij in den weg zijt getreden; daarvoor, dat gij met eenehalsstarrigedwaasheid mijne plannen tracht te verijdelen, welker hoog belang gij noch kent, noch in staat zijt te waardeeren—voor dat alles zijt gij mij eene geweldig groote voldoening schuldig. Weldra zal de dag der afrekening aanbreken.”»Hoe eerder hoe liever!” gaf ik ten antwoord; »ik zal bereid zijn om mij te verantwoorden. Maar gij schijnt het belangrijkste punt van aanklacht vergeten te hebben: dat ik het genoegen heb gesmaakt, freule Diana Vernon behulpzaam te zijn, zich uit uwe schandelijke strikken te redden.”Vlammen schoten plotseling uit zijn somber oog op deze hem diep treffende woorden. Toch behield zijne stem den bedaarden toon, waarop hij tot dusver tegen mij gesproken had.—»Ik had eigenlijk geheel andere oogmerken met u, jongeling,” antwoordde hij; »oogmerken, minder gevaarlijk voor u en meer overeenkomstig met mijn karakter en mijne vroegere vorming. Maar ik merk, dat gij volstrekt de tuchtiging wilt ontvangen, welke uwe jongensachtige onbeschaamdheid zoo zeer verdient. Zoo ga met mij naar eene meer afgelegen plaats, waar wij geen stoornis behoeven te vreezen.”Ik volgde hem, zorgvuldig zijne bewegingen gadeslaande, omdat ikhem tot de laaghartigste en vuigste daad volkomen in staat achtte. Wij kwamen op een ruime plek in eene soort van tuin, naar Hooglandschen smaak aangelegd, met geschoren heggen en eenige gipsen standbeelden. Gelukkig voor mij dat ik op mijne hoede was. Want Rashleigh had zijn degen getrokken en viel op mij aan, eer ik mijn mantel afleggen en insgelijks den degen trekken kon. Ik sprong een paar schreden achteruit, en redde daardoor mijn leven. Het verschil van onze wapenen verschafte hem intusschen eenig voordeel, daar zijn degen langer en driehoekig was, de mijne daarentegen eene vlakke en tweesnijdende kling had, en bovendien niet zoo licht als de zijne te hanteeren was. Overigens waren wij tamelijk gelijk. Het voordeel, dat mijne meerdere bekwaamheid en vaardigheid mij gaven, werd tegen Rashleigh’s groote sterkte en vooral door zijne koelbloedigheid genoegzaam opgewogen. Hij vocht meer als een duivel dan als een mensch, met eene verwoede verbittering, slechts bedwongen door die ijskoude kalmte, die aan zijne slechtste daden een nog slechter voorkomen gaf, den schijn namelijk van bedaard overleg. Zijn boosaardig doel deed hem geene onvoorzichtigheid begaan. Alle listen en kunstgrepen werden door hem beproefd. Dat hij aan het gevecht het schrikkelijkste eind poogde te geven, was mij spoedig duidelijk.In het eerst vocht ik met de meest mogelijke kalmte. Ik was, weliswaar, in hevigen toorn ontstoken, doch volkomen mij zelven meester. Gedurende een gang van twee of drie minuten, had ik tijd genoeg om te overwegen, dat Rashleigh mijn bloedverwant, de zoon van een oom was, die zich op zijne wijze vriendelijk en welwillend jegens mij betoond had, en dat zijn dood door mijne hand, groote droefheid onder mijne nabestaanden zou veroorzaken. Mijn eerstebesluitwas, mij op het ontwapenen van mijne tegenpartij toe te leggen, wat ik, op mijne meerdere bekwaamheid en geoefendheid vertrouwende, niet moeielijk achtte. Ik merkte echter weldra, dat ik mijn man gevonden had. Een paar stooten, welker gevaarlijke gevolgen ik ter nauwernood ontging, noodzaakten mij voorzichtiger te zijn. Meer en meer werd ik echter verbitterd door de zichtbaar verraderlijke pogingen, welke Rashleigh aanwendde om mij het leven te benemen, zoodat het weldra een gevecht op leven en dood scheen te zijn. Ja, bijna zou ik daarvan het slachtoffer zijn geworden, want bij een te driftigen uitval op mijne partij, gleed ik uit, en kon mij niet spoedig genoeg herstellen, om den tegenstoot af te weren. Tot mijn geluk had zijn uitval het bedoelde gevolg niet; de degen drong slechts door mijn rok en vest, en gleed langs mijne ribben neer; maar Rashleigh stiet met zulk eene hevigheid, dat het gevest van zijn degen tegen mijne borst trof, en ik in het eerst wezenlijk meende doodelijk gekwetst te zijn. Naar wraak dorstende, begon ik met hem te worstelen, hield met mijne linkerhand den greep van zijn degen vast en nam mijn degen korter, om hem alzoo te doorboren. Maar ons woedend gevecht werd afgebroken door een man, die plotseling tusschen ons trad, ons van elkander scheidde en op gebiedenden toon riep: »Hoe, gij zonen van hen, die dezelfde borst gezoogd heeft, gij wilt uw bloed vergieten,alsof het vreemd bloed ware? Bij de hand van mijn vader! hem, die nogmaals een uitval waagt, klief ik den kop tot op de borst!”Ik keek verbaasd op. Het was Campbell. In de hand hield hij zijn ontbloot Hooglandsch zwaard, dat hij, terwijl hij sprak, over zijn hoofd zwaaide, als wilde hij daardoor aan zijne bemiddeling nog meer nadruk geven. Rashleigh en ik zwegen, verrast bij het gezicht van dezen ongeroepen bemiddelaar. »Denkt gij, mijnheer Frans,—ging hij voort—dat gij uws vaders crediet herstellen kunt door uw neef te vermoorden, of u door hem te laten vermoorden? Of gelooft gij, mijnheer Rashleigh, dat de menschen hun leven en vermogen aan iemand zullen toevertrouwen, die, wanneer ’s lands belangen hem roepen, als een dronkaard nutteloos twist zoekt? Nu, nu! Kijk mij maar zoo woest en grimmig niet aan, mijn goede man! Zijt gij boos, dan weet gij immers wel, tot wien gij u te wenden hebt?”»Mijn tegenwoordige toestand alleen maakt u zoo vermetel,” hernam Rashleigh, »anders zoudt gij het zeker niet gewaagd hebben, u met eene zaak te bemoeien, waarbij mijne eer op het spel staat.”»Zoo, zoo, zie eens aan! Vermetel? En waarom is dat zoo vermetel? Gij moogt rijker zijn dan ik, mijnheer Osbaldistone; dat is zelfs zeer waarschijnlijk. Gij moogt ook veel geleerder zijn, dat wil ik vooral niet betwisten. Maar gij zijt, dat durf ik bezweren, noch dapperder noch van betere afkomst, dan ik. Ook zou het voor mij wezenlijk iets nieuws zijn te hooren, dat gij zoo braaf waart. Voorts spreekt gij van durven? Ik heb wel andere dolkoppen, dan gij beiden zijt, in stukken gehouwen en dacht aan dergelijke wissewasjes, als zij voorbij waren, volstrekt niet meer dan aan de vlieg, die ik me thans van den neus knip. Als wijin ’t vrije veld waren, in plaats van tusschen deze twee muren, zou ik u wel aandurven!”Rashleigh had zich geheel hersteld. »Mijn neef,” zeide hij, »kan niet ontkennen, dat hij mij tot dit tweegevecht gedwongen heeft. Ik heb geen twist gezocht. Intusschen is het mij zeer aangenaam, dat wij gestoord zijn geworden, eer ik zijne voorbarigheid strenger getuchtigd had.”»Zijt gij gekwetst?” vroeg Campbell mij met deelneming.»Slechts een schram,” antwoordde ik, »en mijn waarde neef zou zich niet lang verhoovaardigd hebben, als gij niet tusschenbeiden gekomen waart.”»Dat geloof ik gaarne. Mijnheer Rashleigh, ik heb het gezien!” zeide Campbell. »Zijn koud staal en uw warm bloed zouden weldra met elkander in aanraking zijn gekomen, als ik hem niet juist bij tijds bij den arm gevat had. Maar kijk daarom zoo knorrig niet! Kom vriendje, gij gaat met mij. Ik heb u wat nieuws te vertellen, dat u wel bekoelen en tot bedaren brengen zal.”»Houd het mij ten goede,” zeide ik tot Campbell. »Bij meer dan ééne gelegenheid hebt gij u dienstvaardig, welwillend, ik zou bijna zeggen, vriendschappelijk jegens mij betoond. Maar dezen man laat ik niet los, voordat hij mij dat, waarvan hij zich op eene trouwelooze wijze meester heeft gemaakt, weder in handen heeft gegeven, opdat mijn vader als eerlijk man zijne verplichtingen kan gestand doen.”Ik vatte Rashleigh in de borst. Hij bood geen tegenstand, maar zeide met een spottend glimlachje: »Nu ziet gij het zelf, Mac-Gregor, dat hij roekeloos zijn ongeluk wil. Is het mijne schuld, als hij het slachtoffer zijner dolzinnigheid wordt? De bevelen tot zijne gevangenneming zijn reeds gegeven, en alles is gereed.”De Schot geraakte blijkbaar in verlegenheid. Hij zag naar alle kanten om en zeide eindelijk: »Ik duld het toch niet, dat men hem mishandelen zal, omdat hij voor den vader, die hem het leven gaf, ook zijn leven veil heeft. Vervloekt zijn al de rechters, schouten, gerechtsdienaars, en hoe dat satansche vee, dat ons arm Schotland sinds eene eeuw plaagt en kwelt, al heeten moge! Dat waren andere tijden, toen ieder zijn eigen have en goed met eigen vuist beschermde. Toen werd men hier te lande met geen bevelen van gevangenneming en dergelijk lastig geschrijf bedrogen. Ja, ik zeg het nog eens: mijn geweten duldt niet, dat men dezen armen jongen iets kwaads zal aandoen en dan nog wel op zulk eene verachtelijke wijze. Liever wilde ik, dat gij samen nog eens van leer trokt en de zaak, als wakkere mannen en fatsoenlijke lieden, vereffendet.”»Zoo, zoo, Mac-Gregor, gij spreekt daar van een geweten,” viel Rashleigh hem in de rede, »gij schijnt dus vergeten te hebben, sedert hoe lang wij elkander reeds kennen.”»Ja, ik spreek van mijn geweten!” herhaalde Campbell of Mac-Gregor, of hoe hij zich anders noemen mocht. »Ik bezit waarachtig zulk een ding. Misschien heb ik hierin iets op u voor. Als gij weet wie ik ben,dan weet gij ook, door welke behandeling ik dat ben geworden, wat ik ben, en hoe gij daarover ook denken moogt, ik ruil met den hoogmoedigsten der onderdrukkers niet, die mij gedwongen hebben in de bosschen eene schuilplaats te zoeken. Wat gij zijt, mijnheer Rashleigh, en welke verontschuldigingen gij kunt aanvoeren voor datgene wat gij zijt, dit is eene zaak tusschen uw hart en Gods oordeel. En nu, mijnheer Frans, laat hem los. Hij heeft gelijk met te zeggen, dat gij het gerecht meer te vreezen hebt dan hij. Al ware uwe zaak zoo recht als een pijl, hij zou wel middelen weten te vinden om ze krom te maken. Laat hem los, zeg ik!”Deze laatste woorden ondersteunde hij met zulk een plotselingen en tevens krachtigen ruk, dat hij Rashleigh aan mij ontweldigde, en mij tevens, in weerwil van mijn tegenstand, zóó vasthield, dat ik mij volstrekt niet verroeren kon. »Ga heen, Rashleigh!” zeide hij. »Gebruik thans uwe beenen nog eens zoo knap, als gij uwe handen gebruikt hebt. Het zal de eerste maal niet zijn. Laat zien hoe vlug gij loopt.”»Dank het dezen man, dat ik u thans niet geheel betaald heb,” zei Rashleigh. »Ik verlaat u, maar ik hoop, dat wij elkander spoedig weder zullen ontmoeten, en dan niet op dergelijke wijze gestoord worden.”Met deze woorden nam hij zijn degen op, stak hem in de scheede en verdween tusschen de heggen. De Schot belette mij, deels door geweld, deels door zijne krachtige taal, om mijn neef te volgen. Ik begon meer en meer te begrijpen, dat het mij ook weinig baten zou.»Wel, wel!” zeide Campbell, toen hij zag, dat ik na eenige vruchtelooze pogingen stil bleef staan; »nooit zag ik zulk een dollen knaap als u! Als iemand anders mij zoolang getergd had, zou ik hem plat op den grond gesmeten hebben! Wat duivel wildet gij toch? Den wolf in zijn hol volgen? Weet gij wel, jongen, dat hij den ouden val weder opengezet heeft? Hij heeft dat wezen Morris overgehaald, de oude historie op te warmen, en thans kunt gij van mij geen hulp verwachten, als bij den vrederechter Inglewood. Het is niet goed voor mijne gezondheid, dat ik met de trawanten van de gerechtigheid, alle vervloekte Whigs, zoo familiaar word. Gij kunt nu ongehinderd huiswaarts keeren, als een brave jongen. Ga dus heen en blijf bedaard. Maar vooral moet gij uw neef en Morris wat ontwijken, alsmede dien ellendigen Mac-Vittie. Herinner u de herberg te Aberfoil, zoo als ik u reeds gezegd heb, en vertrouw op het woord van een man van eer, er zal u geen leed geschieden. Maar blijf bedaard tot wij elkander wederzien. Ik moet u verlaten om Rashleigh de stad uit te brengen, voordat er iets ergers gebeurt; want waar hij eene rol speelt, loopt het altijd slecht af. Denk aan Aberfoil.”Met deze woorden verliet hij mij. Mijne eerste zorg was thans, mijne min of meer gehavende kleeding weder in orde te brengen en mij zoo in mijn mantel te wikkelen, dat men het uit mijne rechter zijde druppelende bloed niet zien kon. Nauwelijks was dit geschied, of de kweekelingen van het College verschenen, daar de leeruren geëindigd waren, in dentuin. Ik verwijderde mij spoedig. Op mijn weg naar Jarvie’s woning, waar het nu bijna tijd moest zijn om het middagmaal te houden, trad ik een stillen winkel binnen, welks uithangbord aankondigde, dat daarChristopherNeilson, chirurgijn en apotheker, woonde. Een kleinen jongen, die iets in een vijzel stampte, verzocht ik, mij gehoor bij zijn patroon te verschaffen. De jongen opende de deur der achterkamer, waar een opgeruimd oud man zat, die mij naar mijn verlangen vroeg. Hij schudde ongeloovig het hoofd, toen ik hem overtuigen wilde, dat ik door het afbreken van den knop van een floret, bij eene les in het schermen, gekwetst was geworden. Hij legde iets op de weinig beteekenende wond, en zeide: »Deze wond is nooit door een afgebroken kling toegebracht. Ja, ja, die jeugd, die jeugd! Maar wij, heelmeesters, zijn aan geheimhouding gewend. Als er geen driftig bloed en geen al te vurig bloed was, wat zou er van de beide geleerde faculteiten worden?”Met deze wijsgeerige opmerking liet hij mij vertrekken. Mijne wond deed mij zeer weinig pijn.

HOOFDSTUK XXV.De jachthond blaft, de herder wacht,Gewapend met den lansenschacht,Den beer, die nadert door het woud …Hij hoort hem aan het buigend hout,Aan ’t krakend loof en ’t ritslend blad,Hij komt, mijn vijand, langs dit pad,Een van ons beiden moet ten onder …PalamonenArcite.Ik stond op en ging overeenkomstig Jarvie’s raad naar de hoogeschool, gewoonlijk »het Collegie” genoemd, minder met het oogmerk om afleiding te zoeken, dan wel om mijne gedachten te regelen en over het door mij van nu af te houden gedrag na te denken. Ik ging langs het oude schoolgebouw en kwam eindelijk in den tuin van het College, waar ik, daar het juist in de leeruren was, eenzaam op en neer wandelde, geheel verdiept in bespiegelingen over mijn zonderling lot.De omstandigheden aan mijne eerste ontmoeting met Robbert Campbell verbonden, lieten mij geen twijfel over, dat hij zonder schroom de eene of andere koene onderneming zou wagen. De tegenzin, waarmede Jarvie over dezen man en diens betrekkingen, als ook over het gebeurde van den vorigen nacht sprak, versterkte mij niet weinig in mijn vermoeden. Tot dezen mensch had zich echter Diana Vernon, naar het scheen, ten mijnen voordeele gewend, en in de handelwijze van den heer Jarvie jegens hem waren goedheid, ja zelfs hoogachting, met medelijden en afkeuring op vreemde wijze vereenigd. Er moest toch iets zeer buitengewoons in Campbells toestand en denkwijze wezen, en wat mij nogzonderlingervoorkwam, zijn noodlot scheen invloed op het mijne te hebben, en daarmede in verband te staan. Ik nam het besluit, om bij de eerste voegzame gelegenheid, bij Jarvie nader aan te dringen, ten einde zoo veel mogelijk aangaande den geheimzinnigen man uit te vorschen. Ik wilde beoordeelen, of ik, zonder nadeel voor mijn goeden naam, mij in eenige betrekking tot hem zou kunnen stellen, waartoe hij mij scheen uit te noodigen.Zoo peinzende, wandelde ik verder.Plotselingtoevallig opziende, ontwaarde ik aan het einde van de laan, waarin ik slenterde, drie mannen, die met elkander in ernstig gesprek schenen te zijn. De levendige indruk, die ons vaak de nabijheid van iemand, die wij liefhebben of haten, op onverklaarbare wijze aankondigt, lang voordat een onverschillig oog hem herkennen kan, deed in mij de overtuiging ontstaan, dat de middelste van die drie mannen Rashleigh Osbaldistone moest wezen. Mijn eerste voornemen was, hem aan te spreken; mijn tweede, hem gade te slaan, tot hij alleen zou zijn, of ten minste degenen, die zich bij hem bevonden, eens op te nemen, eer ik naar hem toeging. Zijwaren nog zoo ver verwijderd en zoo verdiept in hun gesprek, dat ik tijd genoeg had, om onbemerkt achter eene heg te sluipen.Deftige jonge lieden droegen in dien tijd op hunne morgenwandelingen, dikwijls een scharlaken mantel, meestal met goudgalon bezet. Modeheertjes hadden daarbij de gewoonte, op coquette manier daarmede hun gelaat gedeeltelijk te verbergen. Op dezelfde wijze bedekt en achter de heg verborgen, kon ik mijn neef voorbijgaan, zonder door hem of de anderen gezien, of ten minste voor iets meer dan een vreemdeling gehouden te worden. Intusschen was ik niet weinig onthutst, toen ik in Rashleigh’s gezelschap mijn voormaligen aanklager Morris herkende, en—den koopman Mac-Vittie, wiens stroef en streng gelaat den vorigen dag zulk een onaangenamen indruk op mij had gemaakt.Dit was wel een slecht teeken voor mijne en mijns vaders aangelegenheden. Ik herinnerde mij de valsche aanklacht, welke Morris tegen mij ingebracht had. Hij kon zich misschien tot eene nieuwe aanklacht even gemakkelijk laten verleiden, als hij door vrees tot het herroepen van de eerste was gedwongen. Ik dacht aan den heilloozen invloed, dien Mac-Vittie op mijns vaders zaken had, zoo als uit Owen’s gevangenneming genoegzaam bleek. Nu zag ik deze beide lieden in gesprek met hem, wiens duivelsche bekwaamheid om onheil te stichten ik door en door kende, dien ik diep verfoeide, ja zelfs bijna vreesde.Toen zij eenige schreden verder waren gegaan, keerde ik om en volgde hen ongemerkt. Aan het andere einde der laan scheidden zij. Morris en Mac-Vittie verlieten den tuin, Rashleigh kwam geheel alleen de laan af. Ik besloot hem te gemoet te gaan, hem aan te spreken en vergoeding voor de schade te eischen, welke hij mijn vader had aangedaan, ofschoon ik nog niet zag op welke wijze die vergoeding van hem zou kunnen verkregen worden. Maar dit zou van later zorg zijn. Na mijn mantel teruggeslagen te hebben, trad ik door eene opening in de heg, Rashleigh, die in gepeins verdiept scheen, te gemoet.Rashleigh liet zich door onverwachte gebeurtenissen niet licht verrassen, nog minder schrik aanjagen. Toch was hij, toen hij mij zoo vlak voor zich zag en op mijn gelaat diepe verontwaardiging las, blijkbaar onthutst. Mijne verschijning kwam hem onverwacht.»Goed, dat ik u aantref!” zeide ik. »Juist wilde ik eene verre reis ondernemen, om u op te sporen.”»Dan kent gij hem, dien gij zocht, in het geheel niet!” antwoordde Rashleigh, met zijne gewone, onwrikbare bedaardheid. »Mijne vrienden weten mij gemakkelijk te vinden en mijne vijanden nog gemakkelijker. Uwe zonderlinge wijze van u bij mij aan te melden, noodzaakt mij u te vragen, onder welke rubriek ik Frans Osbaldistone moet plaatsen?”»Onder die van uwe vijanden,” hernam ik, »ja, van uwe doodvijanden, zoo gij niet terstond jegens mijn vader, uw weldoener, als eerlijk man, rekenschap afleggen en uw plicht wilt doen.”»En aan wien, mijnheer Osbaldistone, aan wien zou ik, deelhebber in uws vaders zaak, van mijne handelwijze en doen, welke ik in alleopzichten mijne eigene mag noemen, gedwongen worden rekenschap te geven? Toch niet aan een jongeling, die zoo veel smaak voor de fraaie letteren bezit, dat dergelijke koopmanszaken hem allergeweldigst zouden vervelen, daar ze voor hem volstrekt onverstaanbaar zouden zijn.”»Uwe spotternij is geen antwoord op mijn eisch! Ik laat u niet los, voor ik volkomen inlichtingen heb erlangd aangaande het bedrog, dat gij voornemens zijt te plegen. Anders zult gij met mij voor den rechter!”»Ook al goed,” zeide Rashleigh en deed een paar schreden, alsof hij mij vergezellen wilde: doch plotseling bleef hij staan en vervolgde: »Wilde ik thans doen wat gij beweert, dan zoudt gij ras ondervinden, wie van ons beiden de meeste reden heeft om het gerecht te vreezen. Maar ik wil uw ongeluk niet verhaasten. Ga, jongeling, vermaak u in uwe dichterlijke wereld en laat de behandeling van ernstiger zaken aan lieden over, die zich daarop verstaan en aan wie die behandeling best toevertrouwd is.”Zijn oogmerk was, naar ik geloof, mij boos te maken, en het gelukte hem.—»Deze toon van ijskoude onbeschaamdheid zal u niet baten!” zeide ik. »Beter ware het dat gij u herinnerdet, dat de naam dien wij beiden voeren, nooit beleediging duldde, en dat hij ook in mijn persoon aan geene beleediging zal blootgesteld zijn.”»Gij herinnert mij,” zeide Rashleigh, terwijl hij een dreigenden blik op mij wierp, »dat de naam in mij beleedigd is, en gij herinnert mij tevens door wien. Verbeeldt ge u dan, dat ik den avond vergeten heb, toen gij zoo goedkoop, ten mijnen koste en ongestraft, den pocher speeldet? Voor deze beleediging—ze kan slechts door bloed afgewasschen worden,—en daarvoor, dat gij meer dan eens, en steeds tot mijn nadeel, mij in den weg zijt getreden; daarvoor, dat gij met eenehalsstarrigedwaasheid mijne plannen tracht te verijdelen, welker hoog belang gij noch kent, noch in staat zijt te waardeeren—voor dat alles zijt gij mij eene geweldig groote voldoening schuldig. Weldra zal de dag der afrekening aanbreken.”»Hoe eerder hoe liever!” gaf ik ten antwoord; »ik zal bereid zijn om mij te verantwoorden. Maar gij schijnt het belangrijkste punt van aanklacht vergeten te hebben: dat ik het genoegen heb gesmaakt, freule Diana Vernon behulpzaam te zijn, zich uit uwe schandelijke strikken te redden.”Vlammen schoten plotseling uit zijn somber oog op deze hem diep treffende woorden. Toch behield zijne stem den bedaarden toon, waarop hij tot dusver tegen mij gesproken had.—»Ik had eigenlijk geheel andere oogmerken met u, jongeling,” antwoordde hij; »oogmerken, minder gevaarlijk voor u en meer overeenkomstig met mijn karakter en mijne vroegere vorming. Maar ik merk, dat gij volstrekt de tuchtiging wilt ontvangen, welke uwe jongensachtige onbeschaamdheid zoo zeer verdient. Zoo ga met mij naar eene meer afgelegen plaats, waar wij geen stoornis behoeven te vreezen.”Ik volgde hem, zorgvuldig zijne bewegingen gadeslaande, omdat ikhem tot de laaghartigste en vuigste daad volkomen in staat achtte. Wij kwamen op een ruime plek in eene soort van tuin, naar Hooglandschen smaak aangelegd, met geschoren heggen en eenige gipsen standbeelden. Gelukkig voor mij dat ik op mijne hoede was. Want Rashleigh had zijn degen getrokken en viel op mij aan, eer ik mijn mantel afleggen en insgelijks den degen trekken kon. Ik sprong een paar schreden achteruit, en redde daardoor mijn leven. Het verschil van onze wapenen verschafte hem intusschen eenig voordeel, daar zijn degen langer en driehoekig was, de mijne daarentegen eene vlakke en tweesnijdende kling had, en bovendien niet zoo licht als de zijne te hanteeren was. Overigens waren wij tamelijk gelijk. Het voordeel, dat mijne meerdere bekwaamheid en vaardigheid mij gaven, werd tegen Rashleigh’s groote sterkte en vooral door zijne koelbloedigheid genoegzaam opgewogen. Hij vocht meer als een duivel dan als een mensch, met eene verwoede verbittering, slechts bedwongen door die ijskoude kalmte, die aan zijne slechtste daden een nog slechter voorkomen gaf, den schijn namelijk van bedaard overleg. Zijn boosaardig doel deed hem geene onvoorzichtigheid begaan. Alle listen en kunstgrepen werden door hem beproefd. Dat hij aan het gevecht het schrikkelijkste eind poogde te geven, was mij spoedig duidelijk.In het eerst vocht ik met de meest mogelijke kalmte. Ik was, weliswaar, in hevigen toorn ontstoken, doch volkomen mij zelven meester. Gedurende een gang van twee of drie minuten, had ik tijd genoeg om te overwegen, dat Rashleigh mijn bloedverwant, de zoon van een oom was, die zich op zijne wijze vriendelijk en welwillend jegens mij betoond had, en dat zijn dood door mijne hand, groote droefheid onder mijne nabestaanden zou veroorzaken. Mijn eerstebesluitwas, mij op het ontwapenen van mijne tegenpartij toe te leggen, wat ik, op mijne meerdere bekwaamheid en geoefendheid vertrouwende, niet moeielijk achtte. Ik merkte echter weldra, dat ik mijn man gevonden had. Een paar stooten, welker gevaarlijke gevolgen ik ter nauwernood ontging, noodzaakten mij voorzichtiger te zijn. Meer en meer werd ik echter verbitterd door de zichtbaar verraderlijke pogingen, welke Rashleigh aanwendde om mij het leven te benemen, zoodat het weldra een gevecht op leven en dood scheen te zijn. Ja, bijna zou ik daarvan het slachtoffer zijn geworden, want bij een te driftigen uitval op mijne partij, gleed ik uit, en kon mij niet spoedig genoeg herstellen, om den tegenstoot af te weren. Tot mijn geluk had zijn uitval het bedoelde gevolg niet; de degen drong slechts door mijn rok en vest, en gleed langs mijne ribben neer; maar Rashleigh stiet met zulk eene hevigheid, dat het gevest van zijn degen tegen mijne borst trof, en ik in het eerst wezenlijk meende doodelijk gekwetst te zijn. Naar wraak dorstende, begon ik met hem te worstelen, hield met mijne linkerhand den greep van zijn degen vast en nam mijn degen korter, om hem alzoo te doorboren. Maar ons woedend gevecht werd afgebroken door een man, die plotseling tusschen ons trad, ons van elkander scheidde en op gebiedenden toon riep: »Hoe, gij zonen van hen, die dezelfde borst gezoogd heeft, gij wilt uw bloed vergieten,alsof het vreemd bloed ware? Bij de hand van mijn vader! hem, die nogmaals een uitval waagt, klief ik den kop tot op de borst!”Ik keek verbaasd op. Het was Campbell. In de hand hield hij zijn ontbloot Hooglandsch zwaard, dat hij, terwijl hij sprak, over zijn hoofd zwaaide, als wilde hij daardoor aan zijne bemiddeling nog meer nadruk geven. Rashleigh en ik zwegen, verrast bij het gezicht van dezen ongeroepen bemiddelaar. »Denkt gij, mijnheer Frans,—ging hij voort—dat gij uws vaders crediet herstellen kunt door uw neef te vermoorden, of u door hem te laten vermoorden? Of gelooft gij, mijnheer Rashleigh, dat de menschen hun leven en vermogen aan iemand zullen toevertrouwen, die, wanneer ’s lands belangen hem roepen, als een dronkaard nutteloos twist zoekt? Nu, nu! Kijk mij maar zoo woest en grimmig niet aan, mijn goede man! Zijt gij boos, dan weet gij immers wel, tot wien gij u te wenden hebt?”»Mijn tegenwoordige toestand alleen maakt u zoo vermetel,” hernam Rashleigh, »anders zoudt gij het zeker niet gewaagd hebben, u met eene zaak te bemoeien, waarbij mijne eer op het spel staat.”»Zoo, zoo, zie eens aan! Vermetel? En waarom is dat zoo vermetel? Gij moogt rijker zijn dan ik, mijnheer Osbaldistone; dat is zelfs zeer waarschijnlijk. Gij moogt ook veel geleerder zijn, dat wil ik vooral niet betwisten. Maar gij zijt, dat durf ik bezweren, noch dapperder noch van betere afkomst, dan ik. Ook zou het voor mij wezenlijk iets nieuws zijn te hooren, dat gij zoo braaf waart. Voorts spreekt gij van durven? Ik heb wel andere dolkoppen, dan gij beiden zijt, in stukken gehouwen en dacht aan dergelijke wissewasjes, als zij voorbij waren, volstrekt niet meer dan aan de vlieg, die ik me thans van den neus knip. Als wijin ’t vrije veld waren, in plaats van tusschen deze twee muren, zou ik u wel aandurven!”Rashleigh had zich geheel hersteld. »Mijn neef,” zeide hij, »kan niet ontkennen, dat hij mij tot dit tweegevecht gedwongen heeft. Ik heb geen twist gezocht. Intusschen is het mij zeer aangenaam, dat wij gestoord zijn geworden, eer ik zijne voorbarigheid strenger getuchtigd had.”»Zijt gij gekwetst?” vroeg Campbell mij met deelneming.»Slechts een schram,” antwoordde ik, »en mijn waarde neef zou zich niet lang verhoovaardigd hebben, als gij niet tusschenbeiden gekomen waart.”»Dat geloof ik gaarne. Mijnheer Rashleigh, ik heb het gezien!” zeide Campbell. »Zijn koud staal en uw warm bloed zouden weldra met elkander in aanraking zijn gekomen, als ik hem niet juist bij tijds bij den arm gevat had. Maar kijk daarom zoo knorrig niet! Kom vriendje, gij gaat met mij. Ik heb u wat nieuws te vertellen, dat u wel bekoelen en tot bedaren brengen zal.”»Houd het mij ten goede,” zeide ik tot Campbell. »Bij meer dan ééne gelegenheid hebt gij u dienstvaardig, welwillend, ik zou bijna zeggen, vriendschappelijk jegens mij betoond. Maar dezen man laat ik niet los, voordat hij mij dat, waarvan hij zich op eene trouwelooze wijze meester heeft gemaakt, weder in handen heeft gegeven, opdat mijn vader als eerlijk man zijne verplichtingen kan gestand doen.”Ik vatte Rashleigh in de borst. Hij bood geen tegenstand, maar zeide met een spottend glimlachje: »Nu ziet gij het zelf, Mac-Gregor, dat hij roekeloos zijn ongeluk wil. Is het mijne schuld, als hij het slachtoffer zijner dolzinnigheid wordt? De bevelen tot zijne gevangenneming zijn reeds gegeven, en alles is gereed.”De Schot geraakte blijkbaar in verlegenheid. Hij zag naar alle kanten om en zeide eindelijk: »Ik duld het toch niet, dat men hem mishandelen zal, omdat hij voor den vader, die hem het leven gaf, ook zijn leven veil heeft. Vervloekt zijn al de rechters, schouten, gerechtsdienaars, en hoe dat satansche vee, dat ons arm Schotland sinds eene eeuw plaagt en kwelt, al heeten moge! Dat waren andere tijden, toen ieder zijn eigen have en goed met eigen vuist beschermde. Toen werd men hier te lande met geen bevelen van gevangenneming en dergelijk lastig geschrijf bedrogen. Ja, ik zeg het nog eens: mijn geweten duldt niet, dat men dezen armen jongen iets kwaads zal aandoen en dan nog wel op zulk eene verachtelijke wijze. Liever wilde ik, dat gij samen nog eens van leer trokt en de zaak, als wakkere mannen en fatsoenlijke lieden, vereffendet.”»Zoo, zoo, Mac-Gregor, gij spreekt daar van een geweten,” viel Rashleigh hem in de rede, »gij schijnt dus vergeten te hebben, sedert hoe lang wij elkander reeds kennen.”»Ja, ik spreek van mijn geweten!” herhaalde Campbell of Mac-Gregor, of hoe hij zich anders noemen mocht. »Ik bezit waarachtig zulk een ding. Misschien heb ik hierin iets op u voor. Als gij weet wie ik ben,dan weet gij ook, door welke behandeling ik dat ben geworden, wat ik ben, en hoe gij daarover ook denken moogt, ik ruil met den hoogmoedigsten der onderdrukkers niet, die mij gedwongen hebben in de bosschen eene schuilplaats te zoeken. Wat gij zijt, mijnheer Rashleigh, en welke verontschuldigingen gij kunt aanvoeren voor datgene wat gij zijt, dit is eene zaak tusschen uw hart en Gods oordeel. En nu, mijnheer Frans, laat hem los. Hij heeft gelijk met te zeggen, dat gij het gerecht meer te vreezen hebt dan hij. Al ware uwe zaak zoo recht als een pijl, hij zou wel middelen weten te vinden om ze krom te maken. Laat hem los, zeg ik!”Deze laatste woorden ondersteunde hij met zulk een plotselingen en tevens krachtigen ruk, dat hij Rashleigh aan mij ontweldigde, en mij tevens, in weerwil van mijn tegenstand, zóó vasthield, dat ik mij volstrekt niet verroeren kon. »Ga heen, Rashleigh!” zeide hij. »Gebruik thans uwe beenen nog eens zoo knap, als gij uwe handen gebruikt hebt. Het zal de eerste maal niet zijn. Laat zien hoe vlug gij loopt.”»Dank het dezen man, dat ik u thans niet geheel betaald heb,” zei Rashleigh. »Ik verlaat u, maar ik hoop, dat wij elkander spoedig weder zullen ontmoeten, en dan niet op dergelijke wijze gestoord worden.”Met deze woorden nam hij zijn degen op, stak hem in de scheede en verdween tusschen de heggen. De Schot belette mij, deels door geweld, deels door zijne krachtige taal, om mijn neef te volgen. Ik begon meer en meer te begrijpen, dat het mij ook weinig baten zou.»Wel, wel!” zeide Campbell, toen hij zag, dat ik na eenige vruchtelooze pogingen stil bleef staan; »nooit zag ik zulk een dollen knaap als u! Als iemand anders mij zoolang getergd had, zou ik hem plat op den grond gesmeten hebben! Wat duivel wildet gij toch? Den wolf in zijn hol volgen? Weet gij wel, jongen, dat hij den ouden val weder opengezet heeft? Hij heeft dat wezen Morris overgehaald, de oude historie op te warmen, en thans kunt gij van mij geen hulp verwachten, als bij den vrederechter Inglewood. Het is niet goed voor mijne gezondheid, dat ik met de trawanten van de gerechtigheid, alle vervloekte Whigs, zoo familiaar word. Gij kunt nu ongehinderd huiswaarts keeren, als een brave jongen. Ga dus heen en blijf bedaard. Maar vooral moet gij uw neef en Morris wat ontwijken, alsmede dien ellendigen Mac-Vittie. Herinner u de herberg te Aberfoil, zoo als ik u reeds gezegd heb, en vertrouw op het woord van een man van eer, er zal u geen leed geschieden. Maar blijf bedaard tot wij elkander wederzien. Ik moet u verlaten om Rashleigh de stad uit te brengen, voordat er iets ergers gebeurt; want waar hij eene rol speelt, loopt het altijd slecht af. Denk aan Aberfoil.”Met deze woorden verliet hij mij. Mijne eerste zorg was thans, mijne min of meer gehavende kleeding weder in orde te brengen en mij zoo in mijn mantel te wikkelen, dat men het uit mijne rechter zijde druppelende bloed niet zien kon. Nauwelijks was dit geschied, of de kweekelingen van het College verschenen, daar de leeruren geëindigd waren, in dentuin. Ik verwijderde mij spoedig. Op mijn weg naar Jarvie’s woning, waar het nu bijna tijd moest zijn om het middagmaal te houden, trad ik een stillen winkel binnen, welks uithangbord aankondigde, dat daarChristopherNeilson, chirurgijn en apotheker, woonde. Een kleinen jongen, die iets in een vijzel stampte, verzocht ik, mij gehoor bij zijn patroon te verschaffen. De jongen opende de deur der achterkamer, waar een opgeruimd oud man zat, die mij naar mijn verlangen vroeg. Hij schudde ongeloovig het hoofd, toen ik hem overtuigen wilde, dat ik door het afbreken van den knop van een floret, bij eene les in het schermen, gekwetst was geworden. Hij legde iets op de weinig beteekenende wond, en zeide: »Deze wond is nooit door een afgebroken kling toegebracht. Ja, ja, die jeugd, die jeugd! Maar wij, heelmeesters, zijn aan geheimhouding gewend. Als er geen driftig bloed en geen al te vurig bloed was, wat zou er van de beide geleerde faculteiten worden?”Met deze wijsgeerige opmerking liet hij mij vertrekken. Mijne wond deed mij zeer weinig pijn.

HOOFDSTUK XXV.De jachthond blaft, de herder wacht,Gewapend met den lansenschacht,Den beer, die nadert door het woud …Hij hoort hem aan het buigend hout,Aan ’t krakend loof en ’t ritslend blad,Hij komt, mijn vijand, langs dit pad,Een van ons beiden moet ten onder …PalamonenArcite.

De jachthond blaft, de herder wacht,Gewapend met den lansenschacht,Den beer, die nadert door het woud …Hij hoort hem aan het buigend hout,Aan ’t krakend loof en ’t ritslend blad,Hij komt, mijn vijand, langs dit pad,Een van ons beiden moet ten onder …PalamonenArcite.

De jachthond blaft, de herder wacht,Gewapend met den lansenschacht,Den beer, die nadert door het woud …Hij hoort hem aan het buigend hout,Aan ’t krakend loof en ’t ritslend blad,Hij komt, mijn vijand, langs dit pad,Een van ons beiden moet ten onder …

De jachthond blaft, de herder wacht,

Gewapend met den lansenschacht,

Den beer, die nadert door het woud …

Hij hoort hem aan het buigend hout,

Aan ’t krakend loof en ’t ritslend blad,

Hij komt, mijn vijand, langs dit pad,

Een van ons beiden moet ten onder …

PalamonenArcite.

Ik stond op en ging overeenkomstig Jarvie’s raad naar de hoogeschool, gewoonlijk »het Collegie” genoemd, minder met het oogmerk om afleiding te zoeken, dan wel om mijne gedachten te regelen en over het door mij van nu af te houden gedrag na te denken. Ik ging langs het oude schoolgebouw en kwam eindelijk in den tuin van het College, waar ik, daar het juist in de leeruren was, eenzaam op en neer wandelde, geheel verdiept in bespiegelingen over mijn zonderling lot.De omstandigheden aan mijne eerste ontmoeting met Robbert Campbell verbonden, lieten mij geen twijfel over, dat hij zonder schroom de eene of andere koene onderneming zou wagen. De tegenzin, waarmede Jarvie over dezen man en diens betrekkingen, als ook over het gebeurde van den vorigen nacht sprak, versterkte mij niet weinig in mijn vermoeden. Tot dezen mensch had zich echter Diana Vernon, naar het scheen, ten mijnen voordeele gewend, en in de handelwijze van den heer Jarvie jegens hem waren goedheid, ja zelfs hoogachting, met medelijden en afkeuring op vreemde wijze vereenigd. Er moest toch iets zeer buitengewoons in Campbells toestand en denkwijze wezen, en wat mij nogzonderlingervoorkwam, zijn noodlot scheen invloed op het mijne te hebben, en daarmede in verband te staan. Ik nam het besluit, om bij de eerste voegzame gelegenheid, bij Jarvie nader aan te dringen, ten einde zoo veel mogelijk aangaande den geheimzinnigen man uit te vorschen. Ik wilde beoordeelen, of ik, zonder nadeel voor mijn goeden naam, mij in eenige betrekking tot hem zou kunnen stellen, waartoe hij mij scheen uit te noodigen.Zoo peinzende, wandelde ik verder.Plotselingtoevallig opziende, ontwaarde ik aan het einde van de laan, waarin ik slenterde, drie mannen, die met elkander in ernstig gesprek schenen te zijn. De levendige indruk, die ons vaak de nabijheid van iemand, die wij liefhebben of haten, op onverklaarbare wijze aankondigt, lang voordat een onverschillig oog hem herkennen kan, deed in mij de overtuiging ontstaan, dat de middelste van die drie mannen Rashleigh Osbaldistone moest wezen. Mijn eerste voornemen was, hem aan te spreken; mijn tweede, hem gade te slaan, tot hij alleen zou zijn, of ten minste degenen, die zich bij hem bevonden, eens op te nemen, eer ik naar hem toeging. Zijwaren nog zoo ver verwijderd en zoo verdiept in hun gesprek, dat ik tijd genoeg had, om onbemerkt achter eene heg te sluipen.Deftige jonge lieden droegen in dien tijd op hunne morgenwandelingen, dikwijls een scharlaken mantel, meestal met goudgalon bezet. Modeheertjes hadden daarbij de gewoonte, op coquette manier daarmede hun gelaat gedeeltelijk te verbergen. Op dezelfde wijze bedekt en achter de heg verborgen, kon ik mijn neef voorbijgaan, zonder door hem of de anderen gezien, of ten minste voor iets meer dan een vreemdeling gehouden te worden. Intusschen was ik niet weinig onthutst, toen ik in Rashleigh’s gezelschap mijn voormaligen aanklager Morris herkende, en—den koopman Mac-Vittie, wiens stroef en streng gelaat den vorigen dag zulk een onaangenamen indruk op mij had gemaakt.Dit was wel een slecht teeken voor mijne en mijns vaders aangelegenheden. Ik herinnerde mij de valsche aanklacht, welke Morris tegen mij ingebracht had. Hij kon zich misschien tot eene nieuwe aanklacht even gemakkelijk laten verleiden, als hij door vrees tot het herroepen van de eerste was gedwongen. Ik dacht aan den heilloozen invloed, dien Mac-Vittie op mijns vaders zaken had, zoo als uit Owen’s gevangenneming genoegzaam bleek. Nu zag ik deze beide lieden in gesprek met hem, wiens duivelsche bekwaamheid om onheil te stichten ik door en door kende, dien ik diep verfoeide, ja zelfs bijna vreesde.Toen zij eenige schreden verder waren gegaan, keerde ik om en volgde hen ongemerkt. Aan het andere einde der laan scheidden zij. Morris en Mac-Vittie verlieten den tuin, Rashleigh kwam geheel alleen de laan af. Ik besloot hem te gemoet te gaan, hem aan te spreken en vergoeding voor de schade te eischen, welke hij mijn vader had aangedaan, ofschoon ik nog niet zag op welke wijze die vergoeding van hem zou kunnen verkregen worden. Maar dit zou van later zorg zijn. Na mijn mantel teruggeslagen te hebben, trad ik door eene opening in de heg, Rashleigh, die in gepeins verdiept scheen, te gemoet.Rashleigh liet zich door onverwachte gebeurtenissen niet licht verrassen, nog minder schrik aanjagen. Toch was hij, toen hij mij zoo vlak voor zich zag en op mijn gelaat diepe verontwaardiging las, blijkbaar onthutst. Mijne verschijning kwam hem onverwacht.»Goed, dat ik u aantref!” zeide ik. »Juist wilde ik eene verre reis ondernemen, om u op te sporen.”»Dan kent gij hem, dien gij zocht, in het geheel niet!” antwoordde Rashleigh, met zijne gewone, onwrikbare bedaardheid. »Mijne vrienden weten mij gemakkelijk te vinden en mijne vijanden nog gemakkelijker. Uwe zonderlinge wijze van u bij mij aan te melden, noodzaakt mij u te vragen, onder welke rubriek ik Frans Osbaldistone moet plaatsen?”»Onder die van uwe vijanden,” hernam ik, »ja, van uwe doodvijanden, zoo gij niet terstond jegens mijn vader, uw weldoener, als eerlijk man, rekenschap afleggen en uw plicht wilt doen.”»En aan wien, mijnheer Osbaldistone, aan wien zou ik, deelhebber in uws vaders zaak, van mijne handelwijze en doen, welke ik in alleopzichten mijne eigene mag noemen, gedwongen worden rekenschap te geven? Toch niet aan een jongeling, die zoo veel smaak voor de fraaie letteren bezit, dat dergelijke koopmanszaken hem allergeweldigst zouden vervelen, daar ze voor hem volstrekt onverstaanbaar zouden zijn.”»Uwe spotternij is geen antwoord op mijn eisch! Ik laat u niet los, voor ik volkomen inlichtingen heb erlangd aangaande het bedrog, dat gij voornemens zijt te plegen. Anders zult gij met mij voor den rechter!”»Ook al goed,” zeide Rashleigh en deed een paar schreden, alsof hij mij vergezellen wilde: doch plotseling bleef hij staan en vervolgde: »Wilde ik thans doen wat gij beweert, dan zoudt gij ras ondervinden, wie van ons beiden de meeste reden heeft om het gerecht te vreezen. Maar ik wil uw ongeluk niet verhaasten. Ga, jongeling, vermaak u in uwe dichterlijke wereld en laat de behandeling van ernstiger zaken aan lieden over, die zich daarop verstaan en aan wie die behandeling best toevertrouwd is.”Zijn oogmerk was, naar ik geloof, mij boos te maken, en het gelukte hem.—»Deze toon van ijskoude onbeschaamdheid zal u niet baten!” zeide ik. »Beter ware het dat gij u herinnerdet, dat de naam dien wij beiden voeren, nooit beleediging duldde, en dat hij ook in mijn persoon aan geene beleediging zal blootgesteld zijn.”»Gij herinnert mij,” zeide Rashleigh, terwijl hij een dreigenden blik op mij wierp, »dat de naam in mij beleedigd is, en gij herinnert mij tevens door wien. Verbeeldt ge u dan, dat ik den avond vergeten heb, toen gij zoo goedkoop, ten mijnen koste en ongestraft, den pocher speeldet? Voor deze beleediging—ze kan slechts door bloed afgewasschen worden,—en daarvoor, dat gij meer dan eens, en steeds tot mijn nadeel, mij in den weg zijt getreden; daarvoor, dat gij met eenehalsstarrigedwaasheid mijne plannen tracht te verijdelen, welker hoog belang gij noch kent, noch in staat zijt te waardeeren—voor dat alles zijt gij mij eene geweldig groote voldoening schuldig. Weldra zal de dag der afrekening aanbreken.”»Hoe eerder hoe liever!” gaf ik ten antwoord; »ik zal bereid zijn om mij te verantwoorden. Maar gij schijnt het belangrijkste punt van aanklacht vergeten te hebben: dat ik het genoegen heb gesmaakt, freule Diana Vernon behulpzaam te zijn, zich uit uwe schandelijke strikken te redden.”Vlammen schoten plotseling uit zijn somber oog op deze hem diep treffende woorden. Toch behield zijne stem den bedaarden toon, waarop hij tot dusver tegen mij gesproken had.—»Ik had eigenlijk geheel andere oogmerken met u, jongeling,” antwoordde hij; »oogmerken, minder gevaarlijk voor u en meer overeenkomstig met mijn karakter en mijne vroegere vorming. Maar ik merk, dat gij volstrekt de tuchtiging wilt ontvangen, welke uwe jongensachtige onbeschaamdheid zoo zeer verdient. Zoo ga met mij naar eene meer afgelegen plaats, waar wij geen stoornis behoeven te vreezen.”Ik volgde hem, zorgvuldig zijne bewegingen gadeslaande, omdat ikhem tot de laaghartigste en vuigste daad volkomen in staat achtte. Wij kwamen op een ruime plek in eene soort van tuin, naar Hooglandschen smaak aangelegd, met geschoren heggen en eenige gipsen standbeelden. Gelukkig voor mij dat ik op mijne hoede was. Want Rashleigh had zijn degen getrokken en viel op mij aan, eer ik mijn mantel afleggen en insgelijks den degen trekken kon. Ik sprong een paar schreden achteruit, en redde daardoor mijn leven. Het verschil van onze wapenen verschafte hem intusschen eenig voordeel, daar zijn degen langer en driehoekig was, de mijne daarentegen eene vlakke en tweesnijdende kling had, en bovendien niet zoo licht als de zijne te hanteeren was. Overigens waren wij tamelijk gelijk. Het voordeel, dat mijne meerdere bekwaamheid en vaardigheid mij gaven, werd tegen Rashleigh’s groote sterkte en vooral door zijne koelbloedigheid genoegzaam opgewogen. Hij vocht meer als een duivel dan als een mensch, met eene verwoede verbittering, slechts bedwongen door die ijskoude kalmte, die aan zijne slechtste daden een nog slechter voorkomen gaf, den schijn namelijk van bedaard overleg. Zijn boosaardig doel deed hem geene onvoorzichtigheid begaan. Alle listen en kunstgrepen werden door hem beproefd. Dat hij aan het gevecht het schrikkelijkste eind poogde te geven, was mij spoedig duidelijk.In het eerst vocht ik met de meest mogelijke kalmte. Ik was, weliswaar, in hevigen toorn ontstoken, doch volkomen mij zelven meester. Gedurende een gang van twee of drie minuten, had ik tijd genoeg om te overwegen, dat Rashleigh mijn bloedverwant, de zoon van een oom was, die zich op zijne wijze vriendelijk en welwillend jegens mij betoond had, en dat zijn dood door mijne hand, groote droefheid onder mijne nabestaanden zou veroorzaken. Mijn eerstebesluitwas, mij op het ontwapenen van mijne tegenpartij toe te leggen, wat ik, op mijne meerdere bekwaamheid en geoefendheid vertrouwende, niet moeielijk achtte. Ik merkte echter weldra, dat ik mijn man gevonden had. Een paar stooten, welker gevaarlijke gevolgen ik ter nauwernood ontging, noodzaakten mij voorzichtiger te zijn. Meer en meer werd ik echter verbitterd door de zichtbaar verraderlijke pogingen, welke Rashleigh aanwendde om mij het leven te benemen, zoodat het weldra een gevecht op leven en dood scheen te zijn. Ja, bijna zou ik daarvan het slachtoffer zijn geworden, want bij een te driftigen uitval op mijne partij, gleed ik uit, en kon mij niet spoedig genoeg herstellen, om den tegenstoot af te weren. Tot mijn geluk had zijn uitval het bedoelde gevolg niet; de degen drong slechts door mijn rok en vest, en gleed langs mijne ribben neer; maar Rashleigh stiet met zulk eene hevigheid, dat het gevest van zijn degen tegen mijne borst trof, en ik in het eerst wezenlijk meende doodelijk gekwetst te zijn. Naar wraak dorstende, begon ik met hem te worstelen, hield met mijne linkerhand den greep van zijn degen vast en nam mijn degen korter, om hem alzoo te doorboren. Maar ons woedend gevecht werd afgebroken door een man, die plotseling tusschen ons trad, ons van elkander scheidde en op gebiedenden toon riep: »Hoe, gij zonen van hen, die dezelfde borst gezoogd heeft, gij wilt uw bloed vergieten,alsof het vreemd bloed ware? Bij de hand van mijn vader! hem, die nogmaals een uitval waagt, klief ik den kop tot op de borst!”Ik keek verbaasd op. Het was Campbell. In de hand hield hij zijn ontbloot Hooglandsch zwaard, dat hij, terwijl hij sprak, over zijn hoofd zwaaide, als wilde hij daardoor aan zijne bemiddeling nog meer nadruk geven. Rashleigh en ik zwegen, verrast bij het gezicht van dezen ongeroepen bemiddelaar. »Denkt gij, mijnheer Frans,—ging hij voort—dat gij uws vaders crediet herstellen kunt door uw neef te vermoorden, of u door hem te laten vermoorden? Of gelooft gij, mijnheer Rashleigh, dat de menschen hun leven en vermogen aan iemand zullen toevertrouwen, die, wanneer ’s lands belangen hem roepen, als een dronkaard nutteloos twist zoekt? Nu, nu! Kijk mij maar zoo woest en grimmig niet aan, mijn goede man! Zijt gij boos, dan weet gij immers wel, tot wien gij u te wenden hebt?”»Mijn tegenwoordige toestand alleen maakt u zoo vermetel,” hernam Rashleigh, »anders zoudt gij het zeker niet gewaagd hebben, u met eene zaak te bemoeien, waarbij mijne eer op het spel staat.”»Zoo, zoo, zie eens aan! Vermetel? En waarom is dat zoo vermetel? Gij moogt rijker zijn dan ik, mijnheer Osbaldistone; dat is zelfs zeer waarschijnlijk. Gij moogt ook veel geleerder zijn, dat wil ik vooral niet betwisten. Maar gij zijt, dat durf ik bezweren, noch dapperder noch van betere afkomst, dan ik. Ook zou het voor mij wezenlijk iets nieuws zijn te hooren, dat gij zoo braaf waart. Voorts spreekt gij van durven? Ik heb wel andere dolkoppen, dan gij beiden zijt, in stukken gehouwen en dacht aan dergelijke wissewasjes, als zij voorbij waren, volstrekt niet meer dan aan de vlieg, die ik me thans van den neus knip. Als wijin ’t vrije veld waren, in plaats van tusschen deze twee muren, zou ik u wel aandurven!”Rashleigh had zich geheel hersteld. »Mijn neef,” zeide hij, »kan niet ontkennen, dat hij mij tot dit tweegevecht gedwongen heeft. Ik heb geen twist gezocht. Intusschen is het mij zeer aangenaam, dat wij gestoord zijn geworden, eer ik zijne voorbarigheid strenger getuchtigd had.”»Zijt gij gekwetst?” vroeg Campbell mij met deelneming.»Slechts een schram,” antwoordde ik, »en mijn waarde neef zou zich niet lang verhoovaardigd hebben, als gij niet tusschenbeiden gekomen waart.”»Dat geloof ik gaarne. Mijnheer Rashleigh, ik heb het gezien!” zeide Campbell. »Zijn koud staal en uw warm bloed zouden weldra met elkander in aanraking zijn gekomen, als ik hem niet juist bij tijds bij den arm gevat had. Maar kijk daarom zoo knorrig niet! Kom vriendje, gij gaat met mij. Ik heb u wat nieuws te vertellen, dat u wel bekoelen en tot bedaren brengen zal.”»Houd het mij ten goede,” zeide ik tot Campbell. »Bij meer dan ééne gelegenheid hebt gij u dienstvaardig, welwillend, ik zou bijna zeggen, vriendschappelijk jegens mij betoond. Maar dezen man laat ik niet los, voordat hij mij dat, waarvan hij zich op eene trouwelooze wijze meester heeft gemaakt, weder in handen heeft gegeven, opdat mijn vader als eerlijk man zijne verplichtingen kan gestand doen.”Ik vatte Rashleigh in de borst. Hij bood geen tegenstand, maar zeide met een spottend glimlachje: »Nu ziet gij het zelf, Mac-Gregor, dat hij roekeloos zijn ongeluk wil. Is het mijne schuld, als hij het slachtoffer zijner dolzinnigheid wordt? De bevelen tot zijne gevangenneming zijn reeds gegeven, en alles is gereed.”De Schot geraakte blijkbaar in verlegenheid. Hij zag naar alle kanten om en zeide eindelijk: »Ik duld het toch niet, dat men hem mishandelen zal, omdat hij voor den vader, die hem het leven gaf, ook zijn leven veil heeft. Vervloekt zijn al de rechters, schouten, gerechtsdienaars, en hoe dat satansche vee, dat ons arm Schotland sinds eene eeuw plaagt en kwelt, al heeten moge! Dat waren andere tijden, toen ieder zijn eigen have en goed met eigen vuist beschermde. Toen werd men hier te lande met geen bevelen van gevangenneming en dergelijk lastig geschrijf bedrogen. Ja, ik zeg het nog eens: mijn geweten duldt niet, dat men dezen armen jongen iets kwaads zal aandoen en dan nog wel op zulk eene verachtelijke wijze. Liever wilde ik, dat gij samen nog eens van leer trokt en de zaak, als wakkere mannen en fatsoenlijke lieden, vereffendet.”»Zoo, zoo, Mac-Gregor, gij spreekt daar van een geweten,” viel Rashleigh hem in de rede, »gij schijnt dus vergeten te hebben, sedert hoe lang wij elkander reeds kennen.”»Ja, ik spreek van mijn geweten!” herhaalde Campbell of Mac-Gregor, of hoe hij zich anders noemen mocht. »Ik bezit waarachtig zulk een ding. Misschien heb ik hierin iets op u voor. Als gij weet wie ik ben,dan weet gij ook, door welke behandeling ik dat ben geworden, wat ik ben, en hoe gij daarover ook denken moogt, ik ruil met den hoogmoedigsten der onderdrukkers niet, die mij gedwongen hebben in de bosschen eene schuilplaats te zoeken. Wat gij zijt, mijnheer Rashleigh, en welke verontschuldigingen gij kunt aanvoeren voor datgene wat gij zijt, dit is eene zaak tusschen uw hart en Gods oordeel. En nu, mijnheer Frans, laat hem los. Hij heeft gelijk met te zeggen, dat gij het gerecht meer te vreezen hebt dan hij. Al ware uwe zaak zoo recht als een pijl, hij zou wel middelen weten te vinden om ze krom te maken. Laat hem los, zeg ik!”Deze laatste woorden ondersteunde hij met zulk een plotselingen en tevens krachtigen ruk, dat hij Rashleigh aan mij ontweldigde, en mij tevens, in weerwil van mijn tegenstand, zóó vasthield, dat ik mij volstrekt niet verroeren kon. »Ga heen, Rashleigh!” zeide hij. »Gebruik thans uwe beenen nog eens zoo knap, als gij uwe handen gebruikt hebt. Het zal de eerste maal niet zijn. Laat zien hoe vlug gij loopt.”»Dank het dezen man, dat ik u thans niet geheel betaald heb,” zei Rashleigh. »Ik verlaat u, maar ik hoop, dat wij elkander spoedig weder zullen ontmoeten, en dan niet op dergelijke wijze gestoord worden.”Met deze woorden nam hij zijn degen op, stak hem in de scheede en verdween tusschen de heggen. De Schot belette mij, deels door geweld, deels door zijne krachtige taal, om mijn neef te volgen. Ik begon meer en meer te begrijpen, dat het mij ook weinig baten zou.»Wel, wel!” zeide Campbell, toen hij zag, dat ik na eenige vruchtelooze pogingen stil bleef staan; »nooit zag ik zulk een dollen knaap als u! Als iemand anders mij zoolang getergd had, zou ik hem plat op den grond gesmeten hebben! Wat duivel wildet gij toch? Den wolf in zijn hol volgen? Weet gij wel, jongen, dat hij den ouden val weder opengezet heeft? Hij heeft dat wezen Morris overgehaald, de oude historie op te warmen, en thans kunt gij van mij geen hulp verwachten, als bij den vrederechter Inglewood. Het is niet goed voor mijne gezondheid, dat ik met de trawanten van de gerechtigheid, alle vervloekte Whigs, zoo familiaar word. Gij kunt nu ongehinderd huiswaarts keeren, als een brave jongen. Ga dus heen en blijf bedaard. Maar vooral moet gij uw neef en Morris wat ontwijken, alsmede dien ellendigen Mac-Vittie. Herinner u de herberg te Aberfoil, zoo als ik u reeds gezegd heb, en vertrouw op het woord van een man van eer, er zal u geen leed geschieden. Maar blijf bedaard tot wij elkander wederzien. Ik moet u verlaten om Rashleigh de stad uit te brengen, voordat er iets ergers gebeurt; want waar hij eene rol speelt, loopt het altijd slecht af. Denk aan Aberfoil.”Met deze woorden verliet hij mij. Mijne eerste zorg was thans, mijne min of meer gehavende kleeding weder in orde te brengen en mij zoo in mijn mantel te wikkelen, dat men het uit mijne rechter zijde druppelende bloed niet zien kon. Nauwelijks was dit geschied, of de kweekelingen van het College verschenen, daar de leeruren geëindigd waren, in dentuin. Ik verwijderde mij spoedig. Op mijn weg naar Jarvie’s woning, waar het nu bijna tijd moest zijn om het middagmaal te houden, trad ik een stillen winkel binnen, welks uithangbord aankondigde, dat daarChristopherNeilson, chirurgijn en apotheker, woonde. Een kleinen jongen, die iets in een vijzel stampte, verzocht ik, mij gehoor bij zijn patroon te verschaffen. De jongen opende de deur der achterkamer, waar een opgeruimd oud man zat, die mij naar mijn verlangen vroeg. Hij schudde ongeloovig het hoofd, toen ik hem overtuigen wilde, dat ik door het afbreken van den knop van een floret, bij eene les in het schermen, gekwetst was geworden. Hij legde iets op de weinig beteekenende wond, en zeide: »Deze wond is nooit door een afgebroken kling toegebracht. Ja, ja, die jeugd, die jeugd! Maar wij, heelmeesters, zijn aan geheimhouding gewend. Als er geen driftig bloed en geen al te vurig bloed was, wat zou er van de beide geleerde faculteiten worden?”Met deze wijsgeerige opmerking liet hij mij vertrekken. Mijne wond deed mij zeer weinig pijn.

Ik stond op en ging overeenkomstig Jarvie’s raad naar de hoogeschool, gewoonlijk »het Collegie” genoemd, minder met het oogmerk om afleiding te zoeken, dan wel om mijne gedachten te regelen en over het door mij van nu af te houden gedrag na te denken. Ik ging langs het oude schoolgebouw en kwam eindelijk in den tuin van het College, waar ik, daar het juist in de leeruren was, eenzaam op en neer wandelde, geheel verdiept in bespiegelingen over mijn zonderling lot.

De omstandigheden aan mijne eerste ontmoeting met Robbert Campbell verbonden, lieten mij geen twijfel over, dat hij zonder schroom de eene of andere koene onderneming zou wagen. De tegenzin, waarmede Jarvie over dezen man en diens betrekkingen, als ook over het gebeurde van den vorigen nacht sprak, versterkte mij niet weinig in mijn vermoeden. Tot dezen mensch had zich echter Diana Vernon, naar het scheen, ten mijnen voordeele gewend, en in de handelwijze van den heer Jarvie jegens hem waren goedheid, ja zelfs hoogachting, met medelijden en afkeuring op vreemde wijze vereenigd. Er moest toch iets zeer buitengewoons in Campbells toestand en denkwijze wezen, en wat mij nogzonderlingervoorkwam, zijn noodlot scheen invloed op het mijne te hebben, en daarmede in verband te staan. Ik nam het besluit, om bij de eerste voegzame gelegenheid, bij Jarvie nader aan te dringen, ten einde zoo veel mogelijk aangaande den geheimzinnigen man uit te vorschen. Ik wilde beoordeelen, of ik, zonder nadeel voor mijn goeden naam, mij in eenige betrekking tot hem zou kunnen stellen, waartoe hij mij scheen uit te noodigen.

Zoo peinzende, wandelde ik verder.Plotselingtoevallig opziende, ontwaarde ik aan het einde van de laan, waarin ik slenterde, drie mannen, die met elkander in ernstig gesprek schenen te zijn. De levendige indruk, die ons vaak de nabijheid van iemand, die wij liefhebben of haten, op onverklaarbare wijze aankondigt, lang voordat een onverschillig oog hem herkennen kan, deed in mij de overtuiging ontstaan, dat de middelste van die drie mannen Rashleigh Osbaldistone moest wezen. Mijn eerste voornemen was, hem aan te spreken; mijn tweede, hem gade te slaan, tot hij alleen zou zijn, of ten minste degenen, die zich bij hem bevonden, eens op te nemen, eer ik naar hem toeging. Zijwaren nog zoo ver verwijderd en zoo verdiept in hun gesprek, dat ik tijd genoeg had, om onbemerkt achter eene heg te sluipen.

Deftige jonge lieden droegen in dien tijd op hunne morgenwandelingen, dikwijls een scharlaken mantel, meestal met goudgalon bezet. Modeheertjes hadden daarbij de gewoonte, op coquette manier daarmede hun gelaat gedeeltelijk te verbergen. Op dezelfde wijze bedekt en achter de heg verborgen, kon ik mijn neef voorbijgaan, zonder door hem of de anderen gezien, of ten minste voor iets meer dan een vreemdeling gehouden te worden. Intusschen was ik niet weinig onthutst, toen ik in Rashleigh’s gezelschap mijn voormaligen aanklager Morris herkende, en—den koopman Mac-Vittie, wiens stroef en streng gelaat den vorigen dag zulk een onaangenamen indruk op mij had gemaakt.

Dit was wel een slecht teeken voor mijne en mijns vaders aangelegenheden. Ik herinnerde mij de valsche aanklacht, welke Morris tegen mij ingebracht had. Hij kon zich misschien tot eene nieuwe aanklacht even gemakkelijk laten verleiden, als hij door vrees tot het herroepen van de eerste was gedwongen. Ik dacht aan den heilloozen invloed, dien Mac-Vittie op mijns vaders zaken had, zoo als uit Owen’s gevangenneming genoegzaam bleek. Nu zag ik deze beide lieden in gesprek met hem, wiens duivelsche bekwaamheid om onheil te stichten ik door en door kende, dien ik diep verfoeide, ja zelfs bijna vreesde.

Toen zij eenige schreden verder waren gegaan, keerde ik om en volgde hen ongemerkt. Aan het andere einde der laan scheidden zij. Morris en Mac-Vittie verlieten den tuin, Rashleigh kwam geheel alleen de laan af. Ik besloot hem te gemoet te gaan, hem aan te spreken en vergoeding voor de schade te eischen, welke hij mijn vader had aangedaan, ofschoon ik nog niet zag op welke wijze die vergoeding van hem zou kunnen verkregen worden. Maar dit zou van later zorg zijn. Na mijn mantel teruggeslagen te hebben, trad ik door eene opening in de heg, Rashleigh, die in gepeins verdiept scheen, te gemoet.

Rashleigh liet zich door onverwachte gebeurtenissen niet licht verrassen, nog minder schrik aanjagen. Toch was hij, toen hij mij zoo vlak voor zich zag en op mijn gelaat diepe verontwaardiging las, blijkbaar onthutst. Mijne verschijning kwam hem onverwacht.

»Goed, dat ik u aantref!” zeide ik. »Juist wilde ik eene verre reis ondernemen, om u op te sporen.”

»Dan kent gij hem, dien gij zocht, in het geheel niet!” antwoordde Rashleigh, met zijne gewone, onwrikbare bedaardheid. »Mijne vrienden weten mij gemakkelijk te vinden en mijne vijanden nog gemakkelijker. Uwe zonderlinge wijze van u bij mij aan te melden, noodzaakt mij u te vragen, onder welke rubriek ik Frans Osbaldistone moet plaatsen?”

»Onder die van uwe vijanden,” hernam ik, »ja, van uwe doodvijanden, zoo gij niet terstond jegens mijn vader, uw weldoener, als eerlijk man, rekenschap afleggen en uw plicht wilt doen.”

»En aan wien, mijnheer Osbaldistone, aan wien zou ik, deelhebber in uws vaders zaak, van mijne handelwijze en doen, welke ik in alleopzichten mijne eigene mag noemen, gedwongen worden rekenschap te geven? Toch niet aan een jongeling, die zoo veel smaak voor de fraaie letteren bezit, dat dergelijke koopmanszaken hem allergeweldigst zouden vervelen, daar ze voor hem volstrekt onverstaanbaar zouden zijn.”

»Uwe spotternij is geen antwoord op mijn eisch! Ik laat u niet los, voor ik volkomen inlichtingen heb erlangd aangaande het bedrog, dat gij voornemens zijt te plegen. Anders zult gij met mij voor den rechter!”

»Ook al goed,” zeide Rashleigh en deed een paar schreden, alsof hij mij vergezellen wilde: doch plotseling bleef hij staan en vervolgde: »Wilde ik thans doen wat gij beweert, dan zoudt gij ras ondervinden, wie van ons beiden de meeste reden heeft om het gerecht te vreezen. Maar ik wil uw ongeluk niet verhaasten. Ga, jongeling, vermaak u in uwe dichterlijke wereld en laat de behandeling van ernstiger zaken aan lieden over, die zich daarop verstaan en aan wie die behandeling best toevertrouwd is.”

Zijn oogmerk was, naar ik geloof, mij boos te maken, en het gelukte hem.—»Deze toon van ijskoude onbeschaamdheid zal u niet baten!” zeide ik. »Beter ware het dat gij u herinnerdet, dat de naam dien wij beiden voeren, nooit beleediging duldde, en dat hij ook in mijn persoon aan geene beleediging zal blootgesteld zijn.”

»Gij herinnert mij,” zeide Rashleigh, terwijl hij een dreigenden blik op mij wierp, »dat de naam in mij beleedigd is, en gij herinnert mij tevens door wien. Verbeeldt ge u dan, dat ik den avond vergeten heb, toen gij zoo goedkoop, ten mijnen koste en ongestraft, den pocher speeldet? Voor deze beleediging—ze kan slechts door bloed afgewasschen worden,—en daarvoor, dat gij meer dan eens, en steeds tot mijn nadeel, mij in den weg zijt getreden; daarvoor, dat gij met eenehalsstarrigedwaasheid mijne plannen tracht te verijdelen, welker hoog belang gij noch kent, noch in staat zijt te waardeeren—voor dat alles zijt gij mij eene geweldig groote voldoening schuldig. Weldra zal de dag der afrekening aanbreken.”

»Hoe eerder hoe liever!” gaf ik ten antwoord; »ik zal bereid zijn om mij te verantwoorden. Maar gij schijnt het belangrijkste punt van aanklacht vergeten te hebben: dat ik het genoegen heb gesmaakt, freule Diana Vernon behulpzaam te zijn, zich uit uwe schandelijke strikken te redden.”

Vlammen schoten plotseling uit zijn somber oog op deze hem diep treffende woorden. Toch behield zijne stem den bedaarden toon, waarop hij tot dusver tegen mij gesproken had.—»Ik had eigenlijk geheel andere oogmerken met u, jongeling,” antwoordde hij; »oogmerken, minder gevaarlijk voor u en meer overeenkomstig met mijn karakter en mijne vroegere vorming. Maar ik merk, dat gij volstrekt de tuchtiging wilt ontvangen, welke uwe jongensachtige onbeschaamdheid zoo zeer verdient. Zoo ga met mij naar eene meer afgelegen plaats, waar wij geen stoornis behoeven te vreezen.”

Ik volgde hem, zorgvuldig zijne bewegingen gadeslaande, omdat ikhem tot de laaghartigste en vuigste daad volkomen in staat achtte. Wij kwamen op een ruime plek in eene soort van tuin, naar Hooglandschen smaak aangelegd, met geschoren heggen en eenige gipsen standbeelden. Gelukkig voor mij dat ik op mijne hoede was. Want Rashleigh had zijn degen getrokken en viel op mij aan, eer ik mijn mantel afleggen en insgelijks den degen trekken kon. Ik sprong een paar schreden achteruit, en redde daardoor mijn leven. Het verschil van onze wapenen verschafte hem intusschen eenig voordeel, daar zijn degen langer en driehoekig was, de mijne daarentegen eene vlakke en tweesnijdende kling had, en bovendien niet zoo licht als de zijne te hanteeren was. Overigens waren wij tamelijk gelijk. Het voordeel, dat mijne meerdere bekwaamheid en vaardigheid mij gaven, werd tegen Rashleigh’s groote sterkte en vooral door zijne koelbloedigheid genoegzaam opgewogen. Hij vocht meer als een duivel dan als een mensch, met eene verwoede verbittering, slechts bedwongen door die ijskoude kalmte, die aan zijne slechtste daden een nog slechter voorkomen gaf, den schijn namelijk van bedaard overleg. Zijn boosaardig doel deed hem geene onvoorzichtigheid begaan. Alle listen en kunstgrepen werden door hem beproefd. Dat hij aan het gevecht het schrikkelijkste eind poogde te geven, was mij spoedig duidelijk.

In het eerst vocht ik met de meest mogelijke kalmte. Ik was, weliswaar, in hevigen toorn ontstoken, doch volkomen mij zelven meester. Gedurende een gang van twee of drie minuten, had ik tijd genoeg om te overwegen, dat Rashleigh mijn bloedverwant, de zoon van een oom was, die zich op zijne wijze vriendelijk en welwillend jegens mij betoond had, en dat zijn dood door mijne hand, groote droefheid onder mijne nabestaanden zou veroorzaken. Mijn eerstebesluitwas, mij op het ontwapenen van mijne tegenpartij toe te leggen, wat ik, op mijne meerdere bekwaamheid en geoefendheid vertrouwende, niet moeielijk achtte. Ik merkte echter weldra, dat ik mijn man gevonden had. Een paar stooten, welker gevaarlijke gevolgen ik ter nauwernood ontging, noodzaakten mij voorzichtiger te zijn. Meer en meer werd ik echter verbitterd door de zichtbaar verraderlijke pogingen, welke Rashleigh aanwendde om mij het leven te benemen, zoodat het weldra een gevecht op leven en dood scheen te zijn. Ja, bijna zou ik daarvan het slachtoffer zijn geworden, want bij een te driftigen uitval op mijne partij, gleed ik uit, en kon mij niet spoedig genoeg herstellen, om den tegenstoot af te weren. Tot mijn geluk had zijn uitval het bedoelde gevolg niet; de degen drong slechts door mijn rok en vest, en gleed langs mijne ribben neer; maar Rashleigh stiet met zulk eene hevigheid, dat het gevest van zijn degen tegen mijne borst trof, en ik in het eerst wezenlijk meende doodelijk gekwetst te zijn. Naar wraak dorstende, begon ik met hem te worstelen, hield met mijne linkerhand den greep van zijn degen vast en nam mijn degen korter, om hem alzoo te doorboren. Maar ons woedend gevecht werd afgebroken door een man, die plotseling tusschen ons trad, ons van elkander scheidde en op gebiedenden toon riep: »Hoe, gij zonen van hen, die dezelfde borst gezoogd heeft, gij wilt uw bloed vergieten,alsof het vreemd bloed ware? Bij de hand van mijn vader! hem, die nogmaals een uitval waagt, klief ik den kop tot op de borst!”

Ik keek verbaasd op. Het was Campbell. In de hand hield hij zijn ontbloot Hooglandsch zwaard, dat hij, terwijl hij sprak, over zijn hoofd zwaaide, als wilde hij daardoor aan zijne bemiddeling nog meer nadruk geven. Rashleigh en ik zwegen, verrast bij het gezicht van dezen ongeroepen bemiddelaar. »Denkt gij, mijnheer Frans,—ging hij voort—dat gij uws vaders crediet herstellen kunt door uw neef te vermoorden, of u door hem te laten vermoorden? Of gelooft gij, mijnheer Rashleigh, dat de menschen hun leven en vermogen aan iemand zullen toevertrouwen, die, wanneer ’s lands belangen hem roepen, als een dronkaard nutteloos twist zoekt? Nu, nu! Kijk mij maar zoo woest en grimmig niet aan, mijn goede man! Zijt gij boos, dan weet gij immers wel, tot wien gij u te wenden hebt?”

»Mijn tegenwoordige toestand alleen maakt u zoo vermetel,” hernam Rashleigh, »anders zoudt gij het zeker niet gewaagd hebben, u met eene zaak te bemoeien, waarbij mijne eer op het spel staat.”

»Zoo, zoo, zie eens aan! Vermetel? En waarom is dat zoo vermetel? Gij moogt rijker zijn dan ik, mijnheer Osbaldistone; dat is zelfs zeer waarschijnlijk. Gij moogt ook veel geleerder zijn, dat wil ik vooral niet betwisten. Maar gij zijt, dat durf ik bezweren, noch dapperder noch van betere afkomst, dan ik. Ook zou het voor mij wezenlijk iets nieuws zijn te hooren, dat gij zoo braaf waart. Voorts spreekt gij van durven? Ik heb wel andere dolkoppen, dan gij beiden zijt, in stukken gehouwen en dacht aan dergelijke wissewasjes, als zij voorbij waren, volstrekt niet meer dan aan de vlieg, die ik me thans van den neus knip. Als wijin ’t vrije veld waren, in plaats van tusschen deze twee muren, zou ik u wel aandurven!”

Rashleigh had zich geheel hersteld. »Mijn neef,” zeide hij, »kan niet ontkennen, dat hij mij tot dit tweegevecht gedwongen heeft. Ik heb geen twist gezocht. Intusschen is het mij zeer aangenaam, dat wij gestoord zijn geworden, eer ik zijne voorbarigheid strenger getuchtigd had.”

»Zijt gij gekwetst?” vroeg Campbell mij met deelneming.

»Slechts een schram,” antwoordde ik, »en mijn waarde neef zou zich niet lang verhoovaardigd hebben, als gij niet tusschenbeiden gekomen waart.”

»Dat geloof ik gaarne. Mijnheer Rashleigh, ik heb het gezien!” zeide Campbell. »Zijn koud staal en uw warm bloed zouden weldra met elkander in aanraking zijn gekomen, als ik hem niet juist bij tijds bij den arm gevat had. Maar kijk daarom zoo knorrig niet! Kom vriendje, gij gaat met mij. Ik heb u wat nieuws te vertellen, dat u wel bekoelen en tot bedaren brengen zal.”

»Houd het mij ten goede,” zeide ik tot Campbell. »Bij meer dan ééne gelegenheid hebt gij u dienstvaardig, welwillend, ik zou bijna zeggen, vriendschappelijk jegens mij betoond. Maar dezen man laat ik niet los, voordat hij mij dat, waarvan hij zich op eene trouwelooze wijze meester heeft gemaakt, weder in handen heeft gegeven, opdat mijn vader als eerlijk man zijne verplichtingen kan gestand doen.”

Ik vatte Rashleigh in de borst. Hij bood geen tegenstand, maar zeide met een spottend glimlachje: »Nu ziet gij het zelf, Mac-Gregor, dat hij roekeloos zijn ongeluk wil. Is het mijne schuld, als hij het slachtoffer zijner dolzinnigheid wordt? De bevelen tot zijne gevangenneming zijn reeds gegeven, en alles is gereed.”

De Schot geraakte blijkbaar in verlegenheid. Hij zag naar alle kanten om en zeide eindelijk: »Ik duld het toch niet, dat men hem mishandelen zal, omdat hij voor den vader, die hem het leven gaf, ook zijn leven veil heeft. Vervloekt zijn al de rechters, schouten, gerechtsdienaars, en hoe dat satansche vee, dat ons arm Schotland sinds eene eeuw plaagt en kwelt, al heeten moge! Dat waren andere tijden, toen ieder zijn eigen have en goed met eigen vuist beschermde. Toen werd men hier te lande met geen bevelen van gevangenneming en dergelijk lastig geschrijf bedrogen. Ja, ik zeg het nog eens: mijn geweten duldt niet, dat men dezen armen jongen iets kwaads zal aandoen en dan nog wel op zulk eene verachtelijke wijze. Liever wilde ik, dat gij samen nog eens van leer trokt en de zaak, als wakkere mannen en fatsoenlijke lieden, vereffendet.”

»Zoo, zoo, Mac-Gregor, gij spreekt daar van een geweten,” viel Rashleigh hem in de rede, »gij schijnt dus vergeten te hebben, sedert hoe lang wij elkander reeds kennen.”

»Ja, ik spreek van mijn geweten!” herhaalde Campbell of Mac-Gregor, of hoe hij zich anders noemen mocht. »Ik bezit waarachtig zulk een ding. Misschien heb ik hierin iets op u voor. Als gij weet wie ik ben,dan weet gij ook, door welke behandeling ik dat ben geworden, wat ik ben, en hoe gij daarover ook denken moogt, ik ruil met den hoogmoedigsten der onderdrukkers niet, die mij gedwongen hebben in de bosschen eene schuilplaats te zoeken. Wat gij zijt, mijnheer Rashleigh, en welke verontschuldigingen gij kunt aanvoeren voor datgene wat gij zijt, dit is eene zaak tusschen uw hart en Gods oordeel. En nu, mijnheer Frans, laat hem los. Hij heeft gelijk met te zeggen, dat gij het gerecht meer te vreezen hebt dan hij. Al ware uwe zaak zoo recht als een pijl, hij zou wel middelen weten te vinden om ze krom te maken. Laat hem los, zeg ik!”

Deze laatste woorden ondersteunde hij met zulk een plotselingen en tevens krachtigen ruk, dat hij Rashleigh aan mij ontweldigde, en mij tevens, in weerwil van mijn tegenstand, zóó vasthield, dat ik mij volstrekt niet verroeren kon. »Ga heen, Rashleigh!” zeide hij. »Gebruik thans uwe beenen nog eens zoo knap, als gij uwe handen gebruikt hebt. Het zal de eerste maal niet zijn. Laat zien hoe vlug gij loopt.”

»Dank het dezen man, dat ik u thans niet geheel betaald heb,” zei Rashleigh. »Ik verlaat u, maar ik hoop, dat wij elkander spoedig weder zullen ontmoeten, en dan niet op dergelijke wijze gestoord worden.”

Met deze woorden nam hij zijn degen op, stak hem in de scheede en verdween tusschen de heggen. De Schot belette mij, deels door geweld, deels door zijne krachtige taal, om mijn neef te volgen. Ik begon meer en meer te begrijpen, dat het mij ook weinig baten zou.

»Wel, wel!” zeide Campbell, toen hij zag, dat ik na eenige vruchtelooze pogingen stil bleef staan; »nooit zag ik zulk een dollen knaap als u! Als iemand anders mij zoolang getergd had, zou ik hem plat op den grond gesmeten hebben! Wat duivel wildet gij toch? Den wolf in zijn hol volgen? Weet gij wel, jongen, dat hij den ouden val weder opengezet heeft? Hij heeft dat wezen Morris overgehaald, de oude historie op te warmen, en thans kunt gij van mij geen hulp verwachten, als bij den vrederechter Inglewood. Het is niet goed voor mijne gezondheid, dat ik met de trawanten van de gerechtigheid, alle vervloekte Whigs, zoo familiaar word. Gij kunt nu ongehinderd huiswaarts keeren, als een brave jongen. Ga dus heen en blijf bedaard. Maar vooral moet gij uw neef en Morris wat ontwijken, alsmede dien ellendigen Mac-Vittie. Herinner u de herberg te Aberfoil, zoo als ik u reeds gezegd heb, en vertrouw op het woord van een man van eer, er zal u geen leed geschieden. Maar blijf bedaard tot wij elkander wederzien. Ik moet u verlaten om Rashleigh de stad uit te brengen, voordat er iets ergers gebeurt; want waar hij eene rol speelt, loopt het altijd slecht af. Denk aan Aberfoil.”

Met deze woorden verliet hij mij. Mijne eerste zorg was thans, mijne min of meer gehavende kleeding weder in orde te brengen en mij zoo in mijn mantel te wikkelen, dat men het uit mijne rechter zijde druppelende bloed niet zien kon. Nauwelijks was dit geschied, of de kweekelingen van het College verschenen, daar de leeruren geëindigd waren, in dentuin. Ik verwijderde mij spoedig. Op mijn weg naar Jarvie’s woning, waar het nu bijna tijd moest zijn om het middagmaal te houden, trad ik een stillen winkel binnen, welks uithangbord aankondigde, dat daarChristopherNeilson, chirurgijn en apotheker, woonde. Een kleinen jongen, die iets in een vijzel stampte, verzocht ik, mij gehoor bij zijn patroon te verschaffen. De jongen opende de deur der achterkamer, waar een opgeruimd oud man zat, die mij naar mijn verlangen vroeg. Hij schudde ongeloovig het hoofd, toen ik hem overtuigen wilde, dat ik door het afbreken van den knop van een floret, bij eene les in het schermen, gekwetst was geworden. Hij legde iets op de weinig beteekenende wond, en zeide: »Deze wond is nooit door een afgebroken kling toegebracht. Ja, ja, die jeugd, die jeugd! Maar wij, heelmeesters, zijn aan geheimhouding gewend. Als er geen driftig bloed en geen al te vurig bloed was, wat zou er van de beide geleerde faculteiten worden?”

Met deze wijsgeerige opmerking liet hij mij vertrekken. Mijne wond deed mij zeer weinig pijn.


Back to IndexNext