HOOFDSTUK XXXIII.

HOOFDSTUK XXXIII.Bestijgt de brug en spant zijn boogEn springt in ’t kille nat,En zwemt met kracht en komt aan walVerdwijnt langs kronk’lend pad.Gil Morrice.Aan beide zijden van het dal weergalmde het geschal der trompetten tegen de rotsen en in de enge passen, toen de ruiters in twee benden langzaam aftrokken. Galbraith’s troep wendde zich rechts en ging over de Forth om een in de nabijheid liggend kasteel te bereiken, waar hij de nacht zou doorbrengen. De overgang van het krijgsvolk over de rivier leverde een levendig tooneel op. Maar wij verloren hen weldra uit het gezicht, daar zij aan den anderen oever tusschen de boomen verdwenen.Onze bende marcheerde in redelijk goede orde voort. De hertog liet den gevangene, ten einde zich voldoende van hem te verzekeren, achter een man van zijn gevolg, met name Ewan en Brigglands, die zich door zijne buitengewone sterkte en grootte onderscheidde, op het paard plaatsen. Een buikriem, die beiden om het lijf geslagen en vóór op ’s ruiters borst vastgemaakt was, maakte het Robbert volstrekt onmogelijk te ontkomen. Ik kreeg een van de handpaarden, en moest naast hen rijden. Overigens waren wij dicht door de andere ruiters omringd, als de breedte van den weg dit maar vergunde. En steeds hadden wij één of twee man met geladen pistool ter hand, naast ons. Andries, die men op een buitgemaakt Hooglandsch paardje had gezet, reed tusschen ’s hertogs bedienden, die in grooten getale den trein volgden, zonder zich onder de geregelde troepen te mengen.Weldra bereikten wij de plaats, waar ook wij de rivier moesten overtrekken. De Forth is, zelfs daar, waar die niet breed is, van aanmerkelijke diepte. De weg liep langs een steil, smal pad, waar de ruiters slechts één voor één langs konden komen. Terwijl de voorsten, de een na den ander, naar beneden reden, moesten de daaropvolgenden aanden oever stilhouden, waardoor oponthoud, en zelfs eenige verwarring ontstond, daar verscheidene ruiters, die niet tot de eigenlijke soldaten behoorden, naar de doorwaadbare plaats drongen, en de ruiterij, die anders vrij goed geoefend was, insgelijks min of meer in wanorde brachten.Toen wij aldus op den oever zoo samengedrongen stonden, hoorde ik, dat Robbert den man, achter wien hij zat, de woorden toefluisterde: »uw vader, Ewan, zou een oud vriend waarlijk niet als een kalf ter slachtbank gevoerd hebben, al hadden ook al de hertogen in het gansche Christendom dat van hem gevergd.”Ewan antwoordde niet. Maar zijn schouderophalen scheen te zeggen, dat hij hier niet vrijwillig handelde. Hij wilde misschien wel anders, maar hij kon er niets aan veranderen.»En als Mac-Gregor’s stam in uw land komt, ging Campbell voort, en gij ziet de ledige schaapskooien, en bloed op den haard, en de vlam uit het dak van uwe woning slaan, dan zult gij zeker bij u zelven zeggen: ware mijn vriend Robbert hier aan het hoofd geweest, dan zou ik zeker dat alles niet verloren hebben.”Ewan haalde nogmaals de schouders op en zuchtte, maar sprak geen enkel woord.»Het is toch wel jammer,” vervolgde Robbert en fluisterde zijne vleiende woorden Ewan zoo zacht in het oor, dat ik alleen ze hooren kon, ik, die zeker geene roeping gevoelde, om hem zijn laatste hoop op ontvluchting te benemen.—»Het is wel jammer, dat Ewan, wien Robbert Mac-Gregor met zijn arm, zijn zwaard en zijn beurs bijstand heeft verleend, liever den wil van een groot heer gehoorzaamt, dan dat hij dankbaar het leven van zijn vriend redt!”Ewan scheen getroffen, maar zweeg.Op dat oogenblik riep de hertog van den anderen oever: »brengt den gevangene over!”Ewan gaf zijn paard de sporen, en juist toen ik Robbert hoorde zeggen: »Weeg toch het bloed van een Mac-Gregor niet tegen een behendig losgemaakten buikriem! want hier en hier namaals zal van dat bloed rekenschap gegeven worden;”—reden zij mij snel voorbij en spoedden zich te water.»Nog niet! nog niet, mijnheer!” riepen eenige ruiters mij toe, toen ik Ewan en Robbert volgen en mij door het gedrang plaats wilde maken. Bij het flauwe licht van den vallenden avond zag ik den hertog aan den anderen oever bezig met de ruiters, die deels hooger, deels lager, aan land kwamen, in orde te scharen. Velen waren de rivier reeds overgetrokken, anderen bevonden zich nog midden in het water, en de overigen maakten zich gereed om hunne kameraden te volgen, toen een plotseling gedruisch in het water mij te kennen gaf, dat Mac-Gregors welsprekendheid over Ewans bedenkingen gezegepraald had. De hertog hoorde insgelijks dat gedruisch en giste terstond de oorzaak.»Schurk!” riep hij Ewan toe, toen deze aan land kwam: »waar is uw gevangene?”—En zonder de verontschuldiging af te wachten, die debedremmelde ruiter begon uit te stamelen, brandde hij een pistool op hem los.—Of hij hem doodelijk trof of niet, weet ik niet; maar hij voegde er dadelijk bij, terwijl hij zich naar de overige ruiters keerde: »verspreidt u, vervolgt den hond! Honderd guinjes voor hem, die mij Robbert terug brengt!”De beide oevers der rivier werden thans een tooneel der levendigste verwarring. Robbert, dien Ewan buiten twijfel door den buikriem, waarmede zij samengebonden waren, los te maken bevrijd had, was ijlings in het water gesprongen en onder den buik van het paard weggezwommen. Daar hij echter genoodzaakt was, voor een oogenblik naar de oppervlakte te komen ten einde adem te halen, verried hem weldra het scheren van zijn bonten plaid. Eenige ruiters stortten zich dadelijk in de rivier, nu eens met hunne paarden zwemmende, dan weder ze verlatende en met moeite tegen den stroom worstelende. Anderen, minder ijverig, of liever voorzichtiger, galoppeerden in verschillende richtingen langs beide oevers op en neder, om de plaatsen in het oog te houden, waar de vluchteling zou kunnen landen. Het luid herhaalde geschreeuw, het roepen om bijstand hier en daar, waar men eenig teeken van den ontsnapte zag of althans meende te zien, dat de weerklank der pistool- en geweerschoten, die op elk voorwerp gelost werden, dat slechts eenigszins argwaan wekte; het gezicht van zoo vele ruiters, die her- en derwaarts in de rivier en langs den oever reden en hunne lange sabels tegen alles zwaaiden, wat hunne opmerkzaamheid trok; de vruchtelooze pogingen der officieren om de orde te herstellen, dit alles in een zoo woest oord, en bij het flauwe schemerlicht van een somberen herfstavond nauwelijks zichtbaar, vormde het zonderlingste tooneel, dat ik ooit aanschouwd had, en in deze aanschouwing bleef ik geheel aan mij zelven overgelaten, daar al de ruiters zich verstrooid hadden, om den vluchteling na te rennen, of den afloop hunner nasporingen te zien. Reeds toen vermoedde ik, en werd er naderhand volkomen van overtuigd, dat velen van degenen, die zich het ijverigste schenen te bemoeien om den vluchteling te ontdekken, eigenlijk het allerminst wenschten, dat men hem weder meester mocht worden, en slechts medeschreeuwden, ten einde de algemeene verwarring te vermeerderen en Robbert des te betere gelegenheid te geven om aan zijne vervolgers te ontkomen.Voor een geoefenden zwemmer, als Robbert was, viel dit trouwens, in ’t geheel niet moeielijk, zoodra slechts de eerste drift dergenen, die hem nazetten, een weinig bekoeld was. Eens waren zij hem echter zeer nabij, en rondom hem werden tallooze schoten en sabelhouwen in het water gedaan. Ik herinnerde mij, dit ziende, de otterjacht, die ik te Osbaldistone had bijgewoond, waarbij het dier, wanneer het den neus boven het water stak om adem te halen, door de honden ontdekt werd, maar door dadelijk weder onder te duiken hun ontsnapte. Robbert redde zich echter veel sluwer dan de otter; en wel op het oogenblik, waarop hij het hevigst vervolgd werd, door een gelukkig verzonnen list. Hij ontdeed zich, namelijk, ongemerkt van zijn bonten plaid en liet dien met den stroom mededrijven. Daardoor werd de algemeene opmerkzaamheideen poos op het kleed gevestigd. Dit deed verscheiden ruiters het spoor missen en hij ontkwam.Toen de vluchteling zijn vervolgers eenmaal uit het gezicht was, werd het nagenoeg onmogelijk, hem weder machtig te worden. Het water was op vele plaatsen te diep, de oever te steil en bijna overal met dichte bosschen bezet, die zoo ver over het water hingen, dat de ruiters dien niet dicht genoeg naderen konden. Daarenboven brachten verscheidene dwalingen en tegenspoeden, waarmede de vervolgers te worstelen hadden, er niet weinig toe bij, om hunne onderneming, toen het volkomen duister was geworden, meer en meer hopeloos te maken. Eenigen van hen werden door de snelheid van den stroom medegesleept en riepen hunne kameraden te hulp, om niet te verdrinken. Anderen waren zelfs, door het verwarde schieten en houwen, gekwetst, schreeuwden insgelijks om hulp, of dreigden met wraak. Ja, dergelijke ongevallen veroorzaakten zelfs nu en dan bloedige gevechten. Eindelijk gaven de trompetten het sein tot den terugtocht. De hertog had, hoe noode ook en vol ergernis, voor het oogenblik de hoop opgegeven, om zijn prooi, die hem zoo onverwachts ontrukt was, weder machtig te worden. Nu begonnen de ruiters zich langzaam, half onwillig en steeds met elkander twistende, te scharen. Ik zag hen, als donkere schimmen, langs den zuidelijken oever der rivier trekken. Het gedruisch daarvan, eerst door het veel luider geschreeuw van wraakzuchtige vervolgers verdoofd, hoorde ik nu te midden van het misnoegde en wrevelige grommen der teleurgestelde soldaten.Ik was tot nu slechts een stille, ofschoon geenszins onverschillige aanschouwer van het zonderlinge voorval geweest; maar plotseling riep nu eene luide stem: »Waar is de Engelschman? Hij gaf Robbert het mes, om den riem door te snijden.”»Houwt hem in stukken, dien vervloekten puddingvreter! jaagt hem een paar kogels door den kop! Stoot hem de sabel door de darmen!” aldus brulden verscheidene stemmen door elkander. Ik hoorde eenige ruiters heen en weder galoppeeren en twijfelde niet, of zij waren voornemens deze bedreigingen ten uitvoer te brengen. Ik besefte het gevaarlijke van mijn toestand. Ik vreesde dat gewapenden, wier getergde driften door niets getemd werden, mij waarschijnlijk eerst zouden dooden, en dan onderzoeken zouden, of zij daaraan wel goed hadden gedaan. Dit denkbeeld deed mij ijlings van het paard springen, hetwelk ik los liet. Ik vluchtte een elzenboschje in, waar ik, wegens de meer en meer vallende duisternis van den avond, niet zoo licht zou kunnen ontdekt worden. Was ik dicht bij den hertog geweest, dan zou ik zijne bescherming hebben ingeroepen. Maar hij had zijn terugtocht reeds aangevangen. Op den ganschen linkeroever zag ik geen één officier, wiens aanzien groot genoeg zou geweest zijn, om mij te beveiligen, als ik mij aan hem had willen overgeven. Naar mijn oordeel kon, in zulke omstandigheden, geene wet van eer mij verplichten, om mijn leven noodeloos in gevaar te stellen. Toen het alarm begon te verflauwen en de hoefslag der paarden in den omtrek van mijne schuilplaats zichzeldzamer liet hooren, was mijne eerste gedachte, den hertog op te zoeken, zoodra alles bedaard zou zijn, en mij aan hem over te geven, als een getrouw onderdaan, die de gerechtigheid niet vreezen, en die, als vreemdeling, aanspraak op bescherming had.Met dit voornemen kroop ik eindelijk uit het boschje en keek in het rond.Duisternis overdekte thans de geheele streek. Slechts eenige weinige ruiters bevonden zich nog op den linkeroever der rivier. Van den anderen kant klonk de verwijderde hoefslag der paarden en het geschetter der trompetten, dat door het bosch weergalmde, om de achterblijvers terug te roepen. Mijn toestand was netelig genoeg. Ik had geen paard, en de diepe rivier, die zich, na het woelige tooneel, dat zoo even plaats gehad en haar in haren loop verontrust had, in het flauwe licht van de opkomende maan zeer dreigend vertoonde, noodigde waarlijk geen voetganger uit, om een overtocht te beproeven. Geenszins aan het doorwaden van rivieren gewend, had ik daarenboven nog kort te voren gezien, hoe sommige ruiters al hun krachten moesten inspannen om niet door den stroom medegesleept te worden, en hoe zij tot aan den zadel in de diepte zonken. Bleef ik daarentegen op den linkeroever der rivier, dan had ik geen ander vooruitzicht dan, na alle geleden ongemakken en verdrietelijkheden, nu nog den nacht onder den blooten hemel te moeten doorbrengen.Na eenig nader overleg begreep ik, dat Andries, die zeker, met de andere bedienden de rivier moest overgekomen zijn, en steeds gewoon was zich onbescheiden op te dringen, niet in gebreke zou blijven, om den hertog aangaande mijne betrekkingen in te lichten. Het scheen mij dus niet zoo noodzakelijk, terstond op te treden om mijn goeden naam te redden en daarbij gevaar te loopen van in de rivier te verdrinken. Ja, als ik ook behouden den tegenoverliggenden oever bereikte, kon ik het spoor der ruiters missen, of door een achterblijver neergesabeld worden. Ik besloot dus naar de herberg terug te keeren, waar ik den vorigen nacht doorgebracht had. Van Robbert had ik niets te vreezen. Hij was nu vrij, en ik twijfelde niet, of, als ik onder eenigen van zijn volk mocht vallen, ik zou mij door het bericht van zijne redding bij hen verdienstelijk maken en mij vrij geleide verschaffen. Op deze wijze kon ik tevens toonen, dat het geenszins mijn plan was, Jarvie in den gevaarlijken toestand te verlaten, waarin hij hoofdzakelijk om mijnentwil was geraakt. Eindelijk kon ik slechts langs dezen weg hopen, tijding aangaande Rashleigh en mijns vaders eigendom te erlangen, wat de eerste aanleiding tot een reis was, waarop mij zulke gevaarlijke avonturen bejegend waren. Ik keerde dus de rivier den rug toe en begaf mij op weg naar Aberfoil.Een scherpe noordenwind, die zich van tijd tot tijd verhief, verdeelde de nevelwolken, die anders tot het aanbreken van den dag het gansche dal zouden overdekt hebben; maar zij werden niet geheel en al uiteengedreven, maar vormden telkens afwisselende massa’s, zonderling van gedaante, die nu eens om de kruinen der bergen zweefden, dànweder in dichte dampen de diepe kloven vulden, waar ontzaglijke rotsklompen, van de klippen losgerukt, in het dal waren neergestort. De maan, die thans hoog en helder aan den kouden nachthemel schitterde, verzilverde de golfjes der rivier, de rotspunten en de steile ruwe wanden, welke de nevel niet overdekte, terwijl hare stralen door de dichtere nevelmassa’s naar het scheen ingezogen werden, en de lichtere losse wolkjes in een doorschijnenden sluier veranderden. Bij dit inderdaad bekoorlijke gezicht en den verlevendigenden invloed der koude, gevoelde ik, in weerwil van mijn hachelijken toestand, mijn moed klimmen en mijn zenuwen meer spannen. Ik bevond mij in eene gemoedsstemming, die mij in staat stelde om elke zorg van mij te werpen, alle gevaar onverschrokken te gemoet te gaan, en ik floot onwillekeurig, terwijl ik, door de koude aangespoord, mijne schreden verdubbelde. Het kwam mij voor dat ik wezenlijk in krachten toenam, naarmate mijn vertrouwen op de sterkte, den moed en de hulpmiddelen welke ik in mij zelven vond, toenam; ja, ik hield mij zoo geheel met mijne gedachten en de gewaarwordingen, die zij in mij verwekten, bezig, dat twee lieden te paard mij inhaalden, zonder dat ik hen eerder bemerkt had, dan toen zij mij reeds op zijde waren. Die aan mijne linkerzijde deed zijn paard oogenblikkelijk den stap van het mijne houden en sprak mij aldus in het Engelsch aan: »Wel vriend, waarheen zoo laat?”»Naar mijne herberg te Aberfoil,” gaf ik ten antwoord.»Zijn de wegen veilig?” vervolgde hij op denzelfden hoogen toon.»Dat weet ik niet,” hernam ik. »Als ik in mijn nachtkwartier kom, zal ik dat wel vernemen. Maar,”—voegde ik er bij, toen ik mij het deerniswaardige lot van den ongelukkigen Morris herinnerde,—»zoo gij Engelschen zijt, raad ik u terug te keeren en den dag af te wachten. Want er zijn in dezen omtrek dingen voorgevallen, en ik zou er niet voor durven instaan, dat de weg voor vreemdelingen volkomen veilig is.”»De militairen zijn geslagen, niet waar?”»Ja, en een officier, wiens volk grootendeels gesneuveld was, is met eenige weinigen van zijn overgebleven manschappen gevangen genomen.”»Weet gij dat zeker?” vroeg de onbekende.»Zoo zeker als ik u hoor spreken. Ik was tegen wil en dank getuige van het gevecht.”»Tegen wil en dank? Gij waart er dus niet in betrokken en hadt er geen deel aan?”»Wel wis en waarachtig niet!” antwoordde ik. »Ik werd door dien officier in arrest gehouden.”»Op welk vermoeden? Wie zijt gij? Hoe heet gij?”»Ik weet inderdaad niet,” hernam ik, »waarom ik een onbekenden vreemdeling zoo vele vragen op eens zou beantwoorden. Ik heb u genoeg gezegd, om u te overtuigen, dat gij u in een onrustig, gevaarlijk oord bevindt. Wilt gij verder gaan, dat is uwe zaak; maar daar ik unoch naar uw naam, noch naar uw beroep vraag, verzoek ik u, mij met dergelijke vragen evenmin lastig te vallen.”»Als mijnheer Frans Osbaldistone”—zei de andere persoon met eene stem, die al mijne zenuwen deed trillen—»onbekend wenscht te blijven, dan moet hij zijn geliefkoosd liedje niet fluiten.”En Diana Vernon—want zij was het, die in een grooten ruitersmantel gehuld was—floot, mij nabootsende, het andere gedeelte van het lied, dat mij juist, toen zij mij inhaalden, op de lippen zweefde.»Rechtvaardige hemel!” riep ik, als door den donder getroffen. »Zijt gij het, Freule Vernon?—hier in dit oord—op zulk een uur—in zulk een wetteloos land, gekleed—in.…”»In manskleeding? wilt gij vragen. Ja, wat kan ik er aan doen? Ten laatste blijkt de filosofie van korporaalNymtoch de beste: de wereldsche zaken haren wereldschen gang te laten gaan.”Terwijl zij zoo sprak, maakte ik ongeduldig van een buitengewoon helderen straal der maan gebruik, om haren reisgenoot op te nemen. Ik behoef niet te zeggen, dat ik tot jaloezie geprikkeld werd, verrast als ik was, Diana in zulk een eenzaam oord, op zulk een gevaarvollen tocht onder de bescherming van een enkel man te ontmoeten. De stem van haar geleider was welluidend als die van Rashleigh. Zijn toon was dieper en gebiedender. Ook was hij hooger van gestalte dan mijn vijand. Ik kon bij de spraak des onbekenden ook niet aan een mijner overige neven denken. Integendeel, zijn taal en uitspraak droegen geheel dit niet te omschrijven cachet, waaraan men reeds bij de eerste woorden den man van verstand en opvoeding herkent.Mijn onderzoekende blik scheen hem lastig te zijn.—»Diana,” zeide hij op een toon, die half goedig, half gebiedend klonk: »geef uw neef zijn eigendom terug: wij moeten hier niet veel tijd verspillen.”Diana had toen daarop een klein kistje te voorschijn gehaald, en toen zij zich van haar paard naar mij vooroverboog, zeide zij op een toon, waarin opgeruimde ernst met dieper gevoel en aandoening scheen te kampen: »Zoo als ge ziet, waarde neef, ik ben tot uw beschermengel geboren. Rashleigh is genoodzaakt geworden zijn buit af te staan. Hadden wij den vorigen nacht, zoo als ons voornemen was, het dorp Aberfoil bereikt, dan zou ik wel een gedienstigen geest uit het Hoogland hebben gevonden, die u deze belangrijke papieren in handen gespeeld zou hebben. Maar reuzen en draken zwierven overal langs den weg, en dolende ridders en jonkvrouwen van onzen tijd mogen zich niet, als in oude tijden, noodeloos in gevaar begeven. Doe dat ook niet, neefje!”»Diana,” hervatte haar geleider; »ik moet u nog eenmaal herinneren, dat de nacht op handen is, en dat wij nog ver van huis zijn.”»Ik kom, ik kom!” antwoordde zij, maar voegde er tegelijk zuchtende bij: »bedenk toch, dat ik eerst zoo laat aan beperking van mijn vrijen wil gewoon ben geworden. Ook heb ik mijn neef het pakje nog niet gegeven, noch hem vaarwel gezegd—voor altijd! Ja, Frans!” vervolgde zij—»voor altijd! Er ligt een afgrond tusschen ons beiden—eenonoverkomelijke afgrond van onfeilbaar verderf. Gij moogt ons, waarheen wij ons ook begeven, volstrekt niet volgen; en aan hetgeen wij willen, moogt gij geen deel nemen. Vaarwel! Wees gelukkig!”Toen zij zich van hare Hooglandsche merrie vooroverboog, raakte haar gelaat, misschien niet geheel onwillekeurig, het mijne aan. Zij drukte mijne hand, terwijl de traan, die in haar oog glinsterde, op mijne wang viel. Het was een onvergetelijk oogenblik—onuitsprekelijk bitter en toch zoo innig roerend. In een zoet, zalig gevoel, welden nog eenmaal de gewaarwordingen uit het diepst van mijn hart op. Maar het was slechts voor een oogenblik. Zich dadelijk herstellende van de aandoening, waaraan zij zich een seconde had overgegeven, zeide Diana tot haar reisgenoot, dat zij gereed was met hem te vertrekken. Zij gaven hun paarden de sporen en waren weldra ver van de plek verwijderd, waar ik vol verbazing bleef staan.Neen! het was geene gevoelloosheid, die mijne tong belemmerde, dat ik Diana’s halve omhelzing evenmin als haar vaarwel vermocht te beantwoorden. Het woord bestierf mij op de lippen, zoo bedwelmd was ik door verrassing en droefheid. Ik stond onbewegelijk, met het pakje papieren in de hand, en staarde hen na, alsof ik de vonken wilde tellen, die onder de hoefslagen hunner paarden uit de steenen spatten. Ik volgde hen met mijn blik, tot zij geheel uit het gezicht waren, en ik luisterde nog, toen het geluid van den hoefslag voor mij reeds niet meer hoorbaar was. Eindelijk kwamen mij de tranen in de oogen, die nog altijd staarden naar iets, dat niet meer zichtbaar was. Ik droogde ze werktuigelijk af, maar de tranen vielen hoe langer hoe meer. Ik gevoelde eene krampachtige opwelling in keel en borst. Ik zette mij op een steen aan den weg neder. De smartelijkste tranen, die ik sindsmijne jeugd vergoten had, heb ik daar vergoten, daar op dien eenzamen weg in het woeste Schotsche Hoogland.….

HOOFDSTUK XXXIII.Bestijgt de brug en spant zijn boogEn springt in ’t kille nat,En zwemt met kracht en komt aan walVerdwijnt langs kronk’lend pad.Gil Morrice.Aan beide zijden van het dal weergalmde het geschal der trompetten tegen de rotsen en in de enge passen, toen de ruiters in twee benden langzaam aftrokken. Galbraith’s troep wendde zich rechts en ging over de Forth om een in de nabijheid liggend kasteel te bereiken, waar hij de nacht zou doorbrengen. De overgang van het krijgsvolk over de rivier leverde een levendig tooneel op. Maar wij verloren hen weldra uit het gezicht, daar zij aan den anderen oever tusschen de boomen verdwenen.Onze bende marcheerde in redelijk goede orde voort. De hertog liet den gevangene, ten einde zich voldoende van hem te verzekeren, achter een man van zijn gevolg, met name Ewan en Brigglands, die zich door zijne buitengewone sterkte en grootte onderscheidde, op het paard plaatsen. Een buikriem, die beiden om het lijf geslagen en vóór op ’s ruiters borst vastgemaakt was, maakte het Robbert volstrekt onmogelijk te ontkomen. Ik kreeg een van de handpaarden, en moest naast hen rijden. Overigens waren wij dicht door de andere ruiters omringd, als de breedte van den weg dit maar vergunde. En steeds hadden wij één of twee man met geladen pistool ter hand, naast ons. Andries, die men op een buitgemaakt Hooglandsch paardje had gezet, reed tusschen ’s hertogs bedienden, die in grooten getale den trein volgden, zonder zich onder de geregelde troepen te mengen.Weldra bereikten wij de plaats, waar ook wij de rivier moesten overtrekken. De Forth is, zelfs daar, waar die niet breed is, van aanmerkelijke diepte. De weg liep langs een steil, smal pad, waar de ruiters slechts één voor één langs konden komen. Terwijl de voorsten, de een na den ander, naar beneden reden, moesten de daaropvolgenden aanden oever stilhouden, waardoor oponthoud, en zelfs eenige verwarring ontstond, daar verscheidene ruiters, die niet tot de eigenlijke soldaten behoorden, naar de doorwaadbare plaats drongen, en de ruiterij, die anders vrij goed geoefend was, insgelijks min of meer in wanorde brachten.Toen wij aldus op den oever zoo samengedrongen stonden, hoorde ik, dat Robbert den man, achter wien hij zat, de woorden toefluisterde: »uw vader, Ewan, zou een oud vriend waarlijk niet als een kalf ter slachtbank gevoerd hebben, al hadden ook al de hertogen in het gansche Christendom dat van hem gevergd.”Ewan antwoordde niet. Maar zijn schouderophalen scheen te zeggen, dat hij hier niet vrijwillig handelde. Hij wilde misschien wel anders, maar hij kon er niets aan veranderen.»En als Mac-Gregor’s stam in uw land komt, ging Campbell voort, en gij ziet de ledige schaapskooien, en bloed op den haard, en de vlam uit het dak van uwe woning slaan, dan zult gij zeker bij u zelven zeggen: ware mijn vriend Robbert hier aan het hoofd geweest, dan zou ik zeker dat alles niet verloren hebben.”Ewan haalde nogmaals de schouders op en zuchtte, maar sprak geen enkel woord.»Het is toch wel jammer,” vervolgde Robbert en fluisterde zijne vleiende woorden Ewan zoo zacht in het oor, dat ik alleen ze hooren kon, ik, die zeker geene roeping gevoelde, om hem zijn laatste hoop op ontvluchting te benemen.—»Het is wel jammer, dat Ewan, wien Robbert Mac-Gregor met zijn arm, zijn zwaard en zijn beurs bijstand heeft verleend, liever den wil van een groot heer gehoorzaamt, dan dat hij dankbaar het leven van zijn vriend redt!”Ewan scheen getroffen, maar zweeg.Op dat oogenblik riep de hertog van den anderen oever: »brengt den gevangene over!”Ewan gaf zijn paard de sporen, en juist toen ik Robbert hoorde zeggen: »Weeg toch het bloed van een Mac-Gregor niet tegen een behendig losgemaakten buikriem! want hier en hier namaals zal van dat bloed rekenschap gegeven worden;”—reden zij mij snel voorbij en spoedden zich te water.»Nog niet! nog niet, mijnheer!” riepen eenige ruiters mij toe, toen ik Ewan en Robbert volgen en mij door het gedrang plaats wilde maken. Bij het flauwe licht van den vallenden avond zag ik den hertog aan den anderen oever bezig met de ruiters, die deels hooger, deels lager, aan land kwamen, in orde te scharen. Velen waren de rivier reeds overgetrokken, anderen bevonden zich nog midden in het water, en de overigen maakten zich gereed om hunne kameraden te volgen, toen een plotseling gedruisch in het water mij te kennen gaf, dat Mac-Gregors welsprekendheid over Ewans bedenkingen gezegepraald had. De hertog hoorde insgelijks dat gedruisch en giste terstond de oorzaak.»Schurk!” riep hij Ewan toe, toen deze aan land kwam: »waar is uw gevangene?”—En zonder de verontschuldiging af te wachten, die debedremmelde ruiter begon uit te stamelen, brandde hij een pistool op hem los.—Of hij hem doodelijk trof of niet, weet ik niet; maar hij voegde er dadelijk bij, terwijl hij zich naar de overige ruiters keerde: »verspreidt u, vervolgt den hond! Honderd guinjes voor hem, die mij Robbert terug brengt!”De beide oevers der rivier werden thans een tooneel der levendigste verwarring. Robbert, dien Ewan buiten twijfel door den buikriem, waarmede zij samengebonden waren, los te maken bevrijd had, was ijlings in het water gesprongen en onder den buik van het paard weggezwommen. Daar hij echter genoodzaakt was, voor een oogenblik naar de oppervlakte te komen ten einde adem te halen, verried hem weldra het scheren van zijn bonten plaid. Eenige ruiters stortten zich dadelijk in de rivier, nu eens met hunne paarden zwemmende, dan weder ze verlatende en met moeite tegen den stroom worstelende. Anderen, minder ijverig, of liever voorzichtiger, galoppeerden in verschillende richtingen langs beide oevers op en neder, om de plaatsen in het oog te houden, waar de vluchteling zou kunnen landen. Het luid herhaalde geschreeuw, het roepen om bijstand hier en daar, waar men eenig teeken van den ontsnapte zag of althans meende te zien, dat de weerklank der pistool- en geweerschoten, die op elk voorwerp gelost werden, dat slechts eenigszins argwaan wekte; het gezicht van zoo vele ruiters, die her- en derwaarts in de rivier en langs den oever reden en hunne lange sabels tegen alles zwaaiden, wat hunne opmerkzaamheid trok; de vruchtelooze pogingen der officieren om de orde te herstellen, dit alles in een zoo woest oord, en bij het flauwe schemerlicht van een somberen herfstavond nauwelijks zichtbaar, vormde het zonderlingste tooneel, dat ik ooit aanschouwd had, en in deze aanschouwing bleef ik geheel aan mij zelven overgelaten, daar al de ruiters zich verstrooid hadden, om den vluchteling na te rennen, of den afloop hunner nasporingen te zien. Reeds toen vermoedde ik, en werd er naderhand volkomen van overtuigd, dat velen van degenen, die zich het ijverigste schenen te bemoeien om den vluchteling te ontdekken, eigenlijk het allerminst wenschten, dat men hem weder meester mocht worden, en slechts medeschreeuwden, ten einde de algemeene verwarring te vermeerderen en Robbert des te betere gelegenheid te geven om aan zijne vervolgers te ontkomen.Voor een geoefenden zwemmer, als Robbert was, viel dit trouwens, in ’t geheel niet moeielijk, zoodra slechts de eerste drift dergenen, die hem nazetten, een weinig bekoeld was. Eens waren zij hem echter zeer nabij, en rondom hem werden tallooze schoten en sabelhouwen in het water gedaan. Ik herinnerde mij, dit ziende, de otterjacht, die ik te Osbaldistone had bijgewoond, waarbij het dier, wanneer het den neus boven het water stak om adem te halen, door de honden ontdekt werd, maar door dadelijk weder onder te duiken hun ontsnapte. Robbert redde zich echter veel sluwer dan de otter; en wel op het oogenblik, waarop hij het hevigst vervolgd werd, door een gelukkig verzonnen list. Hij ontdeed zich, namelijk, ongemerkt van zijn bonten plaid en liet dien met den stroom mededrijven. Daardoor werd de algemeene opmerkzaamheideen poos op het kleed gevestigd. Dit deed verscheiden ruiters het spoor missen en hij ontkwam.Toen de vluchteling zijn vervolgers eenmaal uit het gezicht was, werd het nagenoeg onmogelijk, hem weder machtig te worden. Het water was op vele plaatsen te diep, de oever te steil en bijna overal met dichte bosschen bezet, die zoo ver over het water hingen, dat de ruiters dien niet dicht genoeg naderen konden. Daarenboven brachten verscheidene dwalingen en tegenspoeden, waarmede de vervolgers te worstelen hadden, er niet weinig toe bij, om hunne onderneming, toen het volkomen duister was geworden, meer en meer hopeloos te maken. Eenigen van hen werden door de snelheid van den stroom medegesleept en riepen hunne kameraden te hulp, om niet te verdrinken. Anderen waren zelfs, door het verwarde schieten en houwen, gekwetst, schreeuwden insgelijks om hulp, of dreigden met wraak. Ja, dergelijke ongevallen veroorzaakten zelfs nu en dan bloedige gevechten. Eindelijk gaven de trompetten het sein tot den terugtocht. De hertog had, hoe noode ook en vol ergernis, voor het oogenblik de hoop opgegeven, om zijn prooi, die hem zoo onverwachts ontrukt was, weder machtig te worden. Nu begonnen de ruiters zich langzaam, half onwillig en steeds met elkander twistende, te scharen. Ik zag hen, als donkere schimmen, langs den zuidelijken oever der rivier trekken. Het gedruisch daarvan, eerst door het veel luider geschreeuw van wraakzuchtige vervolgers verdoofd, hoorde ik nu te midden van het misnoegde en wrevelige grommen der teleurgestelde soldaten.Ik was tot nu slechts een stille, ofschoon geenszins onverschillige aanschouwer van het zonderlinge voorval geweest; maar plotseling riep nu eene luide stem: »Waar is de Engelschman? Hij gaf Robbert het mes, om den riem door te snijden.”»Houwt hem in stukken, dien vervloekten puddingvreter! jaagt hem een paar kogels door den kop! Stoot hem de sabel door de darmen!” aldus brulden verscheidene stemmen door elkander. Ik hoorde eenige ruiters heen en weder galoppeeren en twijfelde niet, of zij waren voornemens deze bedreigingen ten uitvoer te brengen. Ik besefte het gevaarlijke van mijn toestand. Ik vreesde dat gewapenden, wier getergde driften door niets getemd werden, mij waarschijnlijk eerst zouden dooden, en dan onderzoeken zouden, of zij daaraan wel goed hadden gedaan. Dit denkbeeld deed mij ijlings van het paard springen, hetwelk ik los liet. Ik vluchtte een elzenboschje in, waar ik, wegens de meer en meer vallende duisternis van den avond, niet zoo licht zou kunnen ontdekt worden. Was ik dicht bij den hertog geweest, dan zou ik zijne bescherming hebben ingeroepen. Maar hij had zijn terugtocht reeds aangevangen. Op den ganschen linkeroever zag ik geen één officier, wiens aanzien groot genoeg zou geweest zijn, om mij te beveiligen, als ik mij aan hem had willen overgeven. Naar mijn oordeel kon, in zulke omstandigheden, geene wet van eer mij verplichten, om mijn leven noodeloos in gevaar te stellen. Toen het alarm begon te verflauwen en de hoefslag der paarden in den omtrek van mijne schuilplaats zichzeldzamer liet hooren, was mijne eerste gedachte, den hertog op te zoeken, zoodra alles bedaard zou zijn, en mij aan hem over te geven, als een getrouw onderdaan, die de gerechtigheid niet vreezen, en die, als vreemdeling, aanspraak op bescherming had.Met dit voornemen kroop ik eindelijk uit het boschje en keek in het rond.Duisternis overdekte thans de geheele streek. Slechts eenige weinige ruiters bevonden zich nog op den linkeroever der rivier. Van den anderen kant klonk de verwijderde hoefslag der paarden en het geschetter der trompetten, dat door het bosch weergalmde, om de achterblijvers terug te roepen. Mijn toestand was netelig genoeg. Ik had geen paard, en de diepe rivier, die zich, na het woelige tooneel, dat zoo even plaats gehad en haar in haren loop verontrust had, in het flauwe licht van de opkomende maan zeer dreigend vertoonde, noodigde waarlijk geen voetganger uit, om een overtocht te beproeven. Geenszins aan het doorwaden van rivieren gewend, had ik daarenboven nog kort te voren gezien, hoe sommige ruiters al hun krachten moesten inspannen om niet door den stroom medegesleept te worden, en hoe zij tot aan den zadel in de diepte zonken. Bleef ik daarentegen op den linkeroever der rivier, dan had ik geen ander vooruitzicht dan, na alle geleden ongemakken en verdrietelijkheden, nu nog den nacht onder den blooten hemel te moeten doorbrengen.Na eenig nader overleg begreep ik, dat Andries, die zeker, met de andere bedienden de rivier moest overgekomen zijn, en steeds gewoon was zich onbescheiden op te dringen, niet in gebreke zou blijven, om den hertog aangaande mijne betrekkingen in te lichten. Het scheen mij dus niet zoo noodzakelijk, terstond op te treden om mijn goeden naam te redden en daarbij gevaar te loopen van in de rivier te verdrinken. Ja, als ik ook behouden den tegenoverliggenden oever bereikte, kon ik het spoor der ruiters missen, of door een achterblijver neergesabeld worden. Ik besloot dus naar de herberg terug te keeren, waar ik den vorigen nacht doorgebracht had. Van Robbert had ik niets te vreezen. Hij was nu vrij, en ik twijfelde niet, of, als ik onder eenigen van zijn volk mocht vallen, ik zou mij door het bericht van zijne redding bij hen verdienstelijk maken en mij vrij geleide verschaffen. Op deze wijze kon ik tevens toonen, dat het geenszins mijn plan was, Jarvie in den gevaarlijken toestand te verlaten, waarin hij hoofdzakelijk om mijnentwil was geraakt. Eindelijk kon ik slechts langs dezen weg hopen, tijding aangaande Rashleigh en mijns vaders eigendom te erlangen, wat de eerste aanleiding tot een reis was, waarop mij zulke gevaarlijke avonturen bejegend waren. Ik keerde dus de rivier den rug toe en begaf mij op weg naar Aberfoil.Een scherpe noordenwind, die zich van tijd tot tijd verhief, verdeelde de nevelwolken, die anders tot het aanbreken van den dag het gansche dal zouden overdekt hebben; maar zij werden niet geheel en al uiteengedreven, maar vormden telkens afwisselende massa’s, zonderling van gedaante, die nu eens om de kruinen der bergen zweefden, dànweder in dichte dampen de diepe kloven vulden, waar ontzaglijke rotsklompen, van de klippen losgerukt, in het dal waren neergestort. De maan, die thans hoog en helder aan den kouden nachthemel schitterde, verzilverde de golfjes der rivier, de rotspunten en de steile ruwe wanden, welke de nevel niet overdekte, terwijl hare stralen door de dichtere nevelmassa’s naar het scheen ingezogen werden, en de lichtere losse wolkjes in een doorschijnenden sluier veranderden. Bij dit inderdaad bekoorlijke gezicht en den verlevendigenden invloed der koude, gevoelde ik, in weerwil van mijn hachelijken toestand, mijn moed klimmen en mijn zenuwen meer spannen. Ik bevond mij in eene gemoedsstemming, die mij in staat stelde om elke zorg van mij te werpen, alle gevaar onverschrokken te gemoet te gaan, en ik floot onwillekeurig, terwijl ik, door de koude aangespoord, mijne schreden verdubbelde. Het kwam mij voor dat ik wezenlijk in krachten toenam, naarmate mijn vertrouwen op de sterkte, den moed en de hulpmiddelen welke ik in mij zelven vond, toenam; ja, ik hield mij zoo geheel met mijne gedachten en de gewaarwordingen, die zij in mij verwekten, bezig, dat twee lieden te paard mij inhaalden, zonder dat ik hen eerder bemerkt had, dan toen zij mij reeds op zijde waren. Die aan mijne linkerzijde deed zijn paard oogenblikkelijk den stap van het mijne houden en sprak mij aldus in het Engelsch aan: »Wel vriend, waarheen zoo laat?”»Naar mijne herberg te Aberfoil,” gaf ik ten antwoord.»Zijn de wegen veilig?” vervolgde hij op denzelfden hoogen toon.»Dat weet ik niet,” hernam ik. »Als ik in mijn nachtkwartier kom, zal ik dat wel vernemen. Maar,”—voegde ik er bij, toen ik mij het deerniswaardige lot van den ongelukkigen Morris herinnerde,—»zoo gij Engelschen zijt, raad ik u terug te keeren en den dag af te wachten. Want er zijn in dezen omtrek dingen voorgevallen, en ik zou er niet voor durven instaan, dat de weg voor vreemdelingen volkomen veilig is.”»De militairen zijn geslagen, niet waar?”»Ja, en een officier, wiens volk grootendeels gesneuveld was, is met eenige weinigen van zijn overgebleven manschappen gevangen genomen.”»Weet gij dat zeker?” vroeg de onbekende.»Zoo zeker als ik u hoor spreken. Ik was tegen wil en dank getuige van het gevecht.”»Tegen wil en dank? Gij waart er dus niet in betrokken en hadt er geen deel aan?”»Wel wis en waarachtig niet!” antwoordde ik. »Ik werd door dien officier in arrest gehouden.”»Op welk vermoeden? Wie zijt gij? Hoe heet gij?”»Ik weet inderdaad niet,” hernam ik, »waarom ik een onbekenden vreemdeling zoo vele vragen op eens zou beantwoorden. Ik heb u genoeg gezegd, om u te overtuigen, dat gij u in een onrustig, gevaarlijk oord bevindt. Wilt gij verder gaan, dat is uwe zaak; maar daar ik unoch naar uw naam, noch naar uw beroep vraag, verzoek ik u, mij met dergelijke vragen evenmin lastig te vallen.”»Als mijnheer Frans Osbaldistone”—zei de andere persoon met eene stem, die al mijne zenuwen deed trillen—»onbekend wenscht te blijven, dan moet hij zijn geliefkoosd liedje niet fluiten.”En Diana Vernon—want zij was het, die in een grooten ruitersmantel gehuld was—floot, mij nabootsende, het andere gedeelte van het lied, dat mij juist, toen zij mij inhaalden, op de lippen zweefde.»Rechtvaardige hemel!” riep ik, als door den donder getroffen. »Zijt gij het, Freule Vernon?—hier in dit oord—op zulk een uur—in zulk een wetteloos land, gekleed—in.…”»In manskleeding? wilt gij vragen. Ja, wat kan ik er aan doen? Ten laatste blijkt de filosofie van korporaalNymtoch de beste: de wereldsche zaken haren wereldschen gang te laten gaan.”Terwijl zij zoo sprak, maakte ik ongeduldig van een buitengewoon helderen straal der maan gebruik, om haren reisgenoot op te nemen. Ik behoef niet te zeggen, dat ik tot jaloezie geprikkeld werd, verrast als ik was, Diana in zulk een eenzaam oord, op zulk een gevaarvollen tocht onder de bescherming van een enkel man te ontmoeten. De stem van haar geleider was welluidend als die van Rashleigh. Zijn toon was dieper en gebiedender. Ook was hij hooger van gestalte dan mijn vijand. Ik kon bij de spraak des onbekenden ook niet aan een mijner overige neven denken. Integendeel, zijn taal en uitspraak droegen geheel dit niet te omschrijven cachet, waaraan men reeds bij de eerste woorden den man van verstand en opvoeding herkent.Mijn onderzoekende blik scheen hem lastig te zijn.—»Diana,” zeide hij op een toon, die half goedig, half gebiedend klonk: »geef uw neef zijn eigendom terug: wij moeten hier niet veel tijd verspillen.”Diana had toen daarop een klein kistje te voorschijn gehaald, en toen zij zich van haar paard naar mij vooroverboog, zeide zij op een toon, waarin opgeruimde ernst met dieper gevoel en aandoening scheen te kampen: »Zoo als ge ziet, waarde neef, ik ben tot uw beschermengel geboren. Rashleigh is genoodzaakt geworden zijn buit af te staan. Hadden wij den vorigen nacht, zoo als ons voornemen was, het dorp Aberfoil bereikt, dan zou ik wel een gedienstigen geest uit het Hoogland hebben gevonden, die u deze belangrijke papieren in handen gespeeld zou hebben. Maar reuzen en draken zwierven overal langs den weg, en dolende ridders en jonkvrouwen van onzen tijd mogen zich niet, als in oude tijden, noodeloos in gevaar begeven. Doe dat ook niet, neefje!”»Diana,” hervatte haar geleider; »ik moet u nog eenmaal herinneren, dat de nacht op handen is, en dat wij nog ver van huis zijn.”»Ik kom, ik kom!” antwoordde zij, maar voegde er tegelijk zuchtende bij: »bedenk toch, dat ik eerst zoo laat aan beperking van mijn vrijen wil gewoon ben geworden. Ook heb ik mijn neef het pakje nog niet gegeven, noch hem vaarwel gezegd—voor altijd! Ja, Frans!” vervolgde zij—»voor altijd! Er ligt een afgrond tusschen ons beiden—eenonoverkomelijke afgrond van onfeilbaar verderf. Gij moogt ons, waarheen wij ons ook begeven, volstrekt niet volgen; en aan hetgeen wij willen, moogt gij geen deel nemen. Vaarwel! Wees gelukkig!”Toen zij zich van hare Hooglandsche merrie vooroverboog, raakte haar gelaat, misschien niet geheel onwillekeurig, het mijne aan. Zij drukte mijne hand, terwijl de traan, die in haar oog glinsterde, op mijne wang viel. Het was een onvergetelijk oogenblik—onuitsprekelijk bitter en toch zoo innig roerend. In een zoet, zalig gevoel, welden nog eenmaal de gewaarwordingen uit het diepst van mijn hart op. Maar het was slechts voor een oogenblik. Zich dadelijk herstellende van de aandoening, waaraan zij zich een seconde had overgegeven, zeide Diana tot haar reisgenoot, dat zij gereed was met hem te vertrekken. Zij gaven hun paarden de sporen en waren weldra ver van de plek verwijderd, waar ik vol verbazing bleef staan.Neen! het was geene gevoelloosheid, die mijne tong belemmerde, dat ik Diana’s halve omhelzing evenmin als haar vaarwel vermocht te beantwoorden. Het woord bestierf mij op de lippen, zoo bedwelmd was ik door verrassing en droefheid. Ik stond onbewegelijk, met het pakje papieren in de hand, en staarde hen na, alsof ik de vonken wilde tellen, die onder de hoefslagen hunner paarden uit de steenen spatten. Ik volgde hen met mijn blik, tot zij geheel uit het gezicht waren, en ik luisterde nog, toen het geluid van den hoefslag voor mij reeds niet meer hoorbaar was. Eindelijk kwamen mij de tranen in de oogen, die nog altijd staarden naar iets, dat niet meer zichtbaar was. Ik droogde ze werktuigelijk af, maar de tranen vielen hoe langer hoe meer. Ik gevoelde eene krampachtige opwelling in keel en borst. Ik zette mij op een steen aan den weg neder. De smartelijkste tranen, die ik sindsmijne jeugd vergoten had, heb ik daar vergoten, daar op dien eenzamen weg in het woeste Schotsche Hoogland.….

HOOFDSTUK XXXIII.Bestijgt de brug en spant zijn boogEn springt in ’t kille nat,En zwemt met kracht en komt aan walVerdwijnt langs kronk’lend pad.Gil Morrice.

Bestijgt de brug en spant zijn boogEn springt in ’t kille nat,En zwemt met kracht en komt aan walVerdwijnt langs kronk’lend pad.Gil Morrice.

Bestijgt de brug en spant zijn boogEn springt in ’t kille nat,En zwemt met kracht en komt aan walVerdwijnt langs kronk’lend pad.

Bestijgt de brug en spant zijn boog

En springt in ’t kille nat,

En zwemt met kracht en komt aan wal

Verdwijnt langs kronk’lend pad.

Gil Morrice.

Aan beide zijden van het dal weergalmde het geschal der trompetten tegen de rotsen en in de enge passen, toen de ruiters in twee benden langzaam aftrokken. Galbraith’s troep wendde zich rechts en ging over de Forth om een in de nabijheid liggend kasteel te bereiken, waar hij de nacht zou doorbrengen. De overgang van het krijgsvolk over de rivier leverde een levendig tooneel op. Maar wij verloren hen weldra uit het gezicht, daar zij aan den anderen oever tusschen de boomen verdwenen.Onze bende marcheerde in redelijk goede orde voort. De hertog liet den gevangene, ten einde zich voldoende van hem te verzekeren, achter een man van zijn gevolg, met name Ewan en Brigglands, die zich door zijne buitengewone sterkte en grootte onderscheidde, op het paard plaatsen. Een buikriem, die beiden om het lijf geslagen en vóór op ’s ruiters borst vastgemaakt was, maakte het Robbert volstrekt onmogelijk te ontkomen. Ik kreeg een van de handpaarden, en moest naast hen rijden. Overigens waren wij dicht door de andere ruiters omringd, als de breedte van den weg dit maar vergunde. En steeds hadden wij één of twee man met geladen pistool ter hand, naast ons. Andries, die men op een buitgemaakt Hooglandsch paardje had gezet, reed tusschen ’s hertogs bedienden, die in grooten getale den trein volgden, zonder zich onder de geregelde troepen te mengen.Weldra bereikten wij de plaats, waar ook wij de rivier moesten overtrekken. De Forth is, zelfs daar, waar die niet breed is, van aanmerkelijke diepte. De weg liep langs een steil, smal pad, waar de ruiters slechts één voor één langs konden komen. Terwijl de voorsten, de een na den ander, naar beneden reden, moesten de daaropvolgenden aanden oever stilhouden, waardoor oponthoud, en zelfs eenige verwarring ontstond, daar verscheidene ruiters, die niet tot de eigenlijke soldaten behoorden, naar de doorwaadbare plaats drongen, en de ruiterij, die anders vrij goed geoefend was, insgelijks min of meer in wanorde brachten.Toen wij aldus op den oever zoo samengedrongen stonden, hoorde ik, dat Robbert den man, achter wien hij zat, de woorden toefluisterde: »uw vader, Ewan, zou een oud vriend waarlijk niet als een kalf ter slachtbank gevoerd hebben, al hadden ook al de hertogen in het gansche Christendom dat van hem gevergd.”Ewan antwoordde niet. Maar zijn schouderophalen scheen te zeggen, dat hij hier niet vrijwillig handelde. Hij wilde misschien wel anders, maar hij kon er niets aan veranderen.»En als Mac-Gregor’s stam in uw land komt, ging Campbell voort, en gij ziet de ledige schaapskooien, en bloed op den haard, en de vlam uit het dak van uwe woning slaan, dan zult gij zeker bij u zelven zeggen: ware mijn vriend Robbert hier aan het hoofd geweest, dan zou ik zeker dat alles niet verloren hebben.”Ewan haalde nogmaals de schouders op en zuchtte, maar sprak geen enkel woord.»Het is toch wel jammer,” vervolgde Robbert en fluisterde zijne vleiende woorden Ewan zoo zacht in het oor, dat ik alleen ze hooren kon, ik, die zeker geene roeping gevoelde, om hem zijn laatste hoop op ontvluchting te benemen.—»Het is wel jammer, dat Ewan, wien Robbert Mac-Gregor met zijn arm, zijn zwaard en zijn beurs bijstand heeft verleend, liever den wil van een groot heer gehoorzaamt, dan dat hij dankbaar het leven van zijn vriend redt!”Ewan scheen getroffen, maar zweeg.Op dat oogenblik riep de hertog van den anderen oever: »brengt den gevangene over!”Ewan gaf zijn paard de sporen, en juist toen ik Robbert hoorde zeggen: »Weeg toch het bloed van een Mac-Gregor niet tegen een behendig losgemaakten buikriem! want hier en hier namaals zal van dat bloed rekenschap gegeven worden;”—reden zij mij snel voorbij en spoedden zich te water.»Nog niet! nog niet, mijnheer!” riepen eenige ruiters mij toe, toen ik Ewan en Robbert volgen en mij door het gedrang plaats wilde maken. Bij het flauwe licht van den vallenden avond zag ik den hertog aan den anderen oever bezig met de ruiters, die deels hooger, deels lager, aan land kwamen, in orde te scharen. Velen waren de rivier reeds overgetrokken, anderen bevonden zich nog midden in het water, en de overigen maakten zich gereed om hunne kameraden te volgen, toen een plotseling gedruisch in het water mij te kennen gaf, dat Mac-Gregors welsprekendheid over Ewans bedenkingen gezegepraald had. De hertog hoorde insgelijks dat gedruisch en giste terstond de oorzaak.»Schurk!” riep hij Ewan toe, toen deze aan land kwam: »waar is uw gevangene?”—En zonder de verontschuldiging af te wachten, die debedremmelde ruiter begon uit te stamelen, brandde hij een pistool op hem los.—Of hij hem doodelijk trof of niet, weet ik niet; maar hij voegde er dadelijk bij, terwijl hij zich naar de overige ruiters keerde: »verspreidt u, vervolgt den hond! Honderd guinjes voor hem, die mij Robbert terug brengt!”De beide oevers der rivier werden thans een tooneel der levendigste verwarring. Robbert, dien Ewan buiten twijfel door den buikriem, waarmede zij samengebonden waren, los te maken bevrijd had, was ijlings in het water gesprongen en onder den buik van het paard weggezwommen. Daar hij echter genoodzaakt was, voor een oogenblik naar de oppervlakte te komen ten einde adem te halen, verried hem weldra het scheren van zijn bonten plaid. Eenige ruiters stortten zich dadelijk in de rivier, nu eens met hunne paarden zwemmende, dan weder ze verlatende en met moeite tegen den stroom worstelende. Anderen, minder ijverig, of liever voorzichtiger, galoppeerden in verschillende richtingen langs beide oevers op en neder, om de plaatsen in het oog te houden, waar de vluchteling zou kunnen landen. Het luid herhaalde geschreeuw, het roepen om bijstand hier en daar, waar men eenig teeken van den ontsnapte zag of althans meende te zien, dat de weerklank der pistool- en geweerschoten, die op elk voorwerp gelost werden, dat slechts eenigszins argwaan wekte; het gezicht van zoo vele ruiters, die her- en derwaarts in de rivier en langs den oever reden en hunne lange sabels tegen alles zwaaiden, wat hunne opmerkzaamheid trok; de vruchtelooze pogingen der officieren om de orde te herstellen, dit alles in een zoo woest oord, en bij het flauwe schemerlicht van een somberen herfstavond nauwelijks zichtbaar, vormde het zonderlingste tooneel, dat ik ooit aanschouwd had, en in deze aanschouwing bleef ik geheel aan mij zelven overgelaten, daar al de ruiters zich verstrooid hadden, om den vluchteling na te rennen, of den afloop hunner nasporingen te zien. Reeds toen vermoedde ik, en werd er naderhand volkomen van overtuigd, dat velen van degenen, die zich het ijverigste schenen te bemoeien om den vluchteling te ontdekken, eigenlijk het allerminst wenschten, dat men hem weder meester mocht worden, en slechts medeschreeuwden, ten einde de algemeene verwarring te vermeerderen en Robbert des te betere gelegenheid te geven om aan zijne vervolgers te ontkomen.Voor een geoefenden zwemmer, als Robbert was, viel dit trouwens, in ’t geheel niet moeielijk, zoodra slechts de eerste drift dergenen, die hem nazetten, een weinig bekoeld was. Eens waren zij hem echter zeer nabij, en rondom hem werden tallooze schoten en sabelhouwen in het water gedaan. Ik herinnerde mij, dit ziende, de otterjacht, die ik te Osbaldistone had bijgewoond, waarbij het dier, wanneer het den neus boven het water stak om adem te halen, door de honden ontdekt werd, maar door dadelijk weder onder te duiken hun ontsnapte. Robbert redde zich echter veel sluwer dan de otter; en wel op het oogenblik, waarop hij het hevigst vervolgd werd, door een gelukkig verzonnen list. Hij ontdeed zich, namelijk, ongemerkt van zijn bonten plaid en liet dien met den stroom mededrijven. Daardoor werd de algemeene opmerkzaamheideen poos op het kleed gevestigd. Dit deed verscheiden ruiters het spoor missen en hij ontkwam.Toen de vluchteling zijn vervolgers eenmaal uit het gezicht was, werd het nagenoeg onmogelijk, hem weder machtig te worden. Het water was op vele plaatsen te diep, de oever te steil en bijna overal met dichte bosschen bezet, die zoo ver over het water hingen, dat de ruiters dien niet dicht genoeg naderen konden. Daarenboven brachten verscheidene dwalingen en tegenspoeden, waarmede de vervolgers te worstelen hadden, er niet weinig toe bij, om hunne onderneming, toen het volkomen duister was geworden, meer en meer hopeloos te maken. Eenigen van hen werden door de snelheid van den stroom medegesleept en riepen hunne kameraden te hulp, om niet te verdrinken. Anderen waren zelfs, door het verwarde schieten en houwen, gekwetst, schreeuwden insgelijks om hulp, of dreigden met wraak. Ja, dergelijke ongevallen veroorzaakten zelfs nu en dan bloedige gevechten. Eindelijk gaven de trompetten het sein tot den terugtocht. De hertog had, hoe noode ook en vol ergernis, voor het oogenblik de hoop opgegeven, om zijn prooi, die hem zoo onverwachts ontrukt was, weder machtig te worden. Nu begonnen de ruiters zich langzaam, half onwillig en steeds met elkander twistende, te scharen. Ik zag hen, als donkere schimmen, langs den zuidelijken oever der rivier trekken. Het gedruisch daarvan, eerst door het veel luider geschreeuw van wraakzuchtige vervolgers verdoofd, hoorde ik nu te midden van het misnoegde en wrevelige grommen der teleurgestelde soldaten.Ik was tot nu slechts een stille, ofschoon geenszins onverschillige aanschouwer van het zonderlinge voorval geweest; maar plotseling riep nu eene luide stem: »Waar is de Engelschman? Hij gaf Robbert het mes, om den riem door te snijden.”»Houwt hem in stukken, dien vervloekten puddingvreter! jaagt hem een paar kogels door den kop! Stoot hem de sabel door de darmen!” aldus brulden verscheidene stemmen door elkander. Ik hoorde eenige ruiters heen en weder galoppeeren en twijfelde niet, of zij waren voornemens deze bedreigingen ten uitvoer te brengen. Ik besefte het gevaarlijke van mijn toestand. Ik vreesde dat gewapenden, wier getergde driften door niets getemd werden, mij waarschijnlijk eerst zouden dooden, en dan onderzoeken zouden, of zij daaraan wel goed hadden gedaan. Dit denkbeeld deed mij ijlings van het paard springen, hetwelk ik los liet. Ik vluchtte een elzenboschje in, waar ik, wegens de meer en meer vallende duisternis van den avond, niet zoo licht zou kunnen ontdekt worden. Was ik dicht bij den hertog geweest, dan zou ik zijne bescherming hebben ingeroepen. Maar hij had zijn terugtocht reeds aangevangen. Op den ganschen linkeroever zag ik geen één officier, wiens aanzien groot genoeg zou geweest zijn, om mij te beveiligen, als ik mij aan hem had willen overgeven. Naar mijn oordeel kon, in zulke omstandigheden, geene wet van eer mij verplichten, om mijn leven noodeloos in gevaar te stellen. Toen het alarm begon te verflauwen en de hoefslag der paarden in den omtrek van mijne schuilplaats zichzeldzamer liet hooren, was mijne eerste gedachte, den hertog op te zoeken, zoodra alles bedaard zou zijn, en mij aan hem over te geven, als een getrouw onderdaan, die de gerechtigheid niet vreezen, en die, als vreemdeling, aanspraak op bescherming had.Met dit voornemen kroop ik eindelijk uit het boschje en keek in het rond.Duisternis overdekte thans de geheele streek. Slechts eenige weinige ruiters bevonden zich nog op den linkeroever der rivier. Van den anderen kant klonk de verwijderde hoefslag der paarden en het geschetter der trompetten, dat door het bosch weergalmde, om de achterblijvers terug te roepen. Mijn toestand was netelig genoeg. Ik had geen paard, en de diepe rivier, die zich, na het woelige tooneel, dat zoo even plaats gehad en haar in haren loop verontrust had, in het flauwe licht van de opkomende maan zeer dreigend vertoonde, noodigde waarlijk geen voetganger uit, om een overtocht te beproeven. Geenszins aan het doorwaden van rivieren gewend, had ik daarenboven nog kort te voren gezien, hoe sommige ruiters al hun krachten moesten inspannen om niet door den stroom medegesleept te worden, en hoe zij tot aan den zadel in de diepte zonken. Bleef ik daarentegen op den linkeroever der rivier, dan had ik geen ander vooruitzicht dan, na alle geleden ongemakken en verdrietelijkheden, nu nog den nacht onder den blooten hemel te moeten doorbrengen.Na eenig nader overleg begreep ik, dat Andries, die zeker, met de andere bedienden de rivier moest overgekomen zijn, en steeds gewoon was zich onbescheiden op te dringen, niet in gebreke zou blijven, om den hertog aangaande mijne betrekkingen in te lichten. Het scheen mij dus niet zoo noodzakelijk, terstond op te treden om mijn goeden naam te redden en daarbij gevaar te loopen van in de rivier te verdrinken. Ja, als ik ook behouden den tegenoverliggenden oever bereikte, kon ik het spoor der ruiters missen, of door een achterblijver neergesabeld worden. Ik besloot dus naar de herberg terug te keeren, waar ik den vorigen nacht doorgebracht had. Van Robbert had ik niets te vreezen. Hij was nu vrij, en ik twijfelde niet, of, als ik onder eenigen van zijn volk mocht vallen, ik zou mij door het bericht van zijne redding bij hen verdienstelijk maken en mij vrij geleide verschaffen. Op deze wijze kon ik tevens toonen, dat het geenszins mijn plan was, Jarvie in den gevaarlijken toestand te verlaten, waarin hij hoofdzakelijk om mijnentwil was geraakt. Eindelijk kon ik slechts langs dezen weg hopen, tijding aangaande Rashleigh en mijns vaders eigendom te erlangen, wat de eerste aanleiding tot een reis was, waarop mij zulke gevaarlijke avonturen bejegend waren. Ik keerde dus de rivier den rug toe en begaf mij op weg naar Aberfoil.Een scherpe noordenwind, die zich van tijd tot tijd verhief, verdeelde de nevelwolken, die anders tot het aanbreken van den dag het gansche dal zouden overdekt hebben; maar zij werden niet geheel en al uiteengedreven, maar vormden telkens afwisselende massa’s, zonderling van gedaante, die nu eens om de kruinen der bergen zweefden, dànweder in dichte dampen de diepe kloven vulden, waar ontzaglijke rotsklompen, van de klippen losgerukt, in het dal waren neergestort. De maan, die thans hoog en helder aan den kouden nachthemel schitterde, verzilverde de golfjes der rivier, de rotspunten en de steile ruwe wanden, welke de nevel niet overdekte, terwijl hare stralen door de dichtere nevelmassa’s naar het scheen ingezogen werden, en de lichtere losse wolkjes in een doorschijnenden sluier veranderden. Bij dit inderdaad bekoorlijke gezicht en den verlevendigenden invloed der koude, gevoelde ik, in weerwil van mijn hachelijken toestand, mijn moed klimmen en mijn zenuwen meer spannen. Ik bevond mij in eene gemoedsstemming, die mij in staat stelde om elke zorg van mij te werpen, alle gevaar onverschrokken te gemoet te gaan, en ik floot onwillekeurig, terwijl ik, door de koude aangespoord, mijne schreden verdubbelde. Het kwam mij voor dat ik wezenlijk in krachten toenam, naarmate mijn vertrouwen op de sterkte, den moed en de hulpmiddelen welke ik in mij zelven vond, toenam; ja, ik hield mij zoo geheel met mijne gedachten en de gewaarwordingen, die zij in mij verwekten, bezig, dat twee lieden te paard mij inhaalden, zonder dat ik hen eerder bemerkt had, dan toen zij mij reeds op zijde waren. Die aan mijne linkerzijde deed zijn paard oogenblikkelijk den stap van het mijne houden en sprak mij aldus in het Engelsch aan: »Wel vriend, waarheen zoo laat?”»Naar mijne herberg te Aberfoil,” gaf ik ten antwoord.»Zijn de wegen veilig?” vervolgde hij op denzelfden hoogen toon.»Dat weet ik niet,” hernam ik. »Als ik in mijn nachtkwartier kom, zal ik dat wel vernemen. Maar,”—voegde ik er bij, toen ik mij het deerniswaardige lot van den ongelukkigen Morris herinnerde,—»zoo gij Engelschen zijt, raad ik u terug te keeren en den dag af te wachten. Want er zijn in dezen omtrek dingen voorgevallen, en ik zou er niet voor durven instaan, dat de weg voor vreemdelingen volkomen veilig is.”»De militairen zijn geslagen, niet waar?”»Ja, en een officier, wiens volk grootendeels gesneuveld was, is met eenige weinigen van zijn overgebleven manschappen gevangen genomen.”»Weet gij dat zeker?” vroeg de onbekende.»Zoo zeker als ik u hoor spreken. Ik was tegen wil en dank getuige van het gevecht.”»Tegen wil en dank? Gij waart er dus niet in betrokken en hadt er geen deel aan?”»Wel wis en waarachtig niet!” antwoordde ik. »Ik werd door dien officier in arrest gehouden.”»Op welk vermoeden? Wie zijt gij? Hoe heet gij?”»Ik weet inderdaad niet,” hernam ik, »waarom ik een onbekenden vreemdeling zoo vele vragen op eens zou beantwoorden. Ik heb u genoeg gezegd, om u te overtuigen, dat gij u in een onrustig, gevaarlijk oord bevindt. Wilt gij verder gaan, dat is uwe zaak; maar daar ik unoch naar uw naam, noch naar uw beroep vraag, verzoek ik u, mij met dergelijke vragen evenmin lastig te vallen.”»Als mijnheer Frans Osbaldistone”—zei de andere persoon met eene stem, die al mijne zenuwen deed trillen—»onbekend wenscht te blijven, dan moet hij zijn geliefkoosd liedje niet fluiten.”En Diana Vernon—want zij was het, die in een grooten ruitersmantel gehuld was—floot, mij nabootsende, het andere gedeelte van het lied, dat mij juist, toen zij mij inhaalden, op de lippen zweefde.»Rechtvaardige hemel!” riep ik, als door den donder getroffen. »Zijt gij het, Freule Vernon?—hier in dit oord—op zulk een uur—in zulk een wetteloos land, gekleed—in.…”»In manskleeding? wilt gij vragen. Ja, wat kan ik er aan doen? Ten laatste blijkt de filosofie van korporaalNymtoch de beste: de wereldsche zaken haren wereldschen gang te laten gaan.”Terwijl zij zoo sprak, maakte ik ongeduldig van een buitengewoon helderen straal der maan gebruik, om haren reisgenoot op te nemen. Ik behoef niet te zeggen, dat ik tot jaloezie geprikkeld werd, verrast als ik was, Diana in zulk een eenzaam oord, op zulk een gevaarvollen tocht onder de bescherming van een enkel man te ontmoeten. De stem van haar geleider was welluidend als die van Rashleigh. Zijn toon was dieper en gebiedender. Ook was hij hooger van gestalte dan mijn vijand. Ik kon bij de spraak des onbekenden ook niet aan een mijner overige neven denken. Integendeel, zijn taal en uitspraak droegen geheel dit niet te omschrijven cachet, waaraan men reeds bij de eerste woorden den man van verstand en opvoeding herkent.Mijn onderzoekende blik scheen hem lastig te zijn.—»Diana,” zeide hij op een toon, die half goedig, half gebiedend klonk: »geef uw neef zijn eigendom terug: wij moeten hier niet veel tijd verspillen.”Diana had toen daarop een klein kistje te voorschijn gehaald, en toen zij zich van haar paard naar mij vooroverboog, zeide zij op een toon, waarin opgeruimde ernst met dieper gevoel en aandoening scheen te kampen: »Zoo als ge ziet, waarde neef, ik ben tot uw beschermengel geboren. Rashleigh is genoodzaakt geworden zijn buit af te staan. Hadden wij den vorigen nacht, zoo als ons voornemen was, het dorp Aberfoil bereikt, dan zou ik wel een gedienstigen geest uit het Hoogland hebben gevonden, die u deze belangrijke papieren in handen gespeeld zou hebben. Maar reuzen en draken zwierven overal langs den weg, en dolende ridders en jonkvrouwen van onzen tijd mogen zich niet, als in oude tijden, noodeloos in gevaar begeven. Doe dat ook niet, neefje!”»Diana,” hervatte haar geleider; »ik moet u nog eenmaal herinneren, dat de nacht op handen is, en dat wij nog ver van huis zijn.”»Ik kom, ik kom!” antwoordde zij, maar voegde er tegelijk zuchtende bij: »bedenk toch, dat ik eerst zoo laat aan beperking van mijn vrijen wil gewoon ben geworden. Ook heb ik mijn neef het pakje nog niet gegeven, noch hem vaarwel gezegd—voor altijd! Ja, Frans!” vervolgde zij—»voor altijd! Er ligt een afgrond tusschen ons beiden—eenonoverkomelijke afgrond van onfeilbaar verderf. Gij moogt ons, waarheen wij ons ook begeven, volstrekt niet volgen; en aan hetgeen wij willen, moogt gij geen deel nemen. Vaarwel! Wees gelukkig!”Toen zij zich van hare Hooglandsche merrie vooroverboog, raakte haar gelaat, misschien niet geheel onwillekeurig, het mijne aan. Zij drukte mijne hand, terwijl de traan, die in haar oog glinsterde, op mijne wang viel. Het was een onvergetelijk oogenblik—onuitsprekelijk bitter en toch zoo innig roerend. In een zoet, zalig gevoel, welden nog eenmaal de gewaarwordingen uit het diepst van mijn hart op. Maar het was slechts voor een oogenblik. Zich dadelijk herstellende van de aandoening, waaraan zij zich een seconde had overgegeven, zeide Diana tot haar reisgenoot, dat zij gereed was met hem te vertrekken. Zij gaven hun paarden de sporen en waren weldra ver van de plek verwijderd, waar ik vol verbazing bleef staan.Neen! het was geene gevoelloosheid, die mijne tong belemmerde, dat ik Diana’s halve omhelzing evenmin als haar vaarwel vermocht te beantwoorden. Het woord bestierf mij op de lippen, zoo bedwelmd was ik door verrassing en droefheid. Ik stond onbewegelijk, met het pakje papieren in de hand, en staarde hen na, alsof ik de vonken wilde tellen, die onder de hoefslagen hunner paarden uit de steenen spatten. Ik volgde hen met mijn blik, tot zij geheel uit het gezicht waren, en ik luisterde nog, toen het geluid van den hoefslag voor mij reeds niet meer hoorbaar was. Eindelijk kwamen mij de tranen in de oogen, die nog altijd staarden naar iets, dat niet meer zichtbaar was. Ik droogde ze werktuigelijk af, maar de tranen vielen hoe langer hoe meer. Ik gevoelde eene krampachtige opwelling in keel en borst. Ik zette mij op een steen aan den weg neder. De smartelijkste tranen, die ik sindsmijne jeugd vergoten had, heb ik daar vergoten, daar op dien eenzamen weg in het woeste Schotsche Hoogland.….

Aan beide zijden van het dal weergalmde het geschal der trompetten tegen de rotsen en in de enge passen, toen de ruiters in twee benden langzaam aftrokken. Galbraith’s troep wendde zich rechts en ging over de Forth om een in de nabijheid liggend kasteel te bereiken, waar hij de nacht zou doorbrengen. De overgang van het krijgsvolk over de rivier leverde een levendig tooneel op. Maar wij verloren hen weldra uit het gezicht, daar zij aan den anderen oever tusschen de boomen verdwenen.

Onze bende marcheerde in redelijk goede orde voort. De hertog liet den gevangene, ten einde zich voldoende van hem te verzekeren, achter een man van zijn gevolg, met name Ewan en Brigglands, die zich door zijne buitengewone sterkte en grootte onderscheidde, op het paard plaatsen. Een buikriem, die beiden om het lijf geslagen en vóór op ’s ruiters borst vastgemaakt was, maakte het Robbert volstrekt onmogelijk te ontkomen. Ik kreeg een van de handpaarden, en moest naast hen rijden. Overigens waren wij dicht door de andere ruiters omringd, als de breedte van den weg dit maar vergunde. En steeds hadden wij één of twee man met geladen pistool ter hand, naast ons. Andries, die men op een buitgemaakt Hooglandsch paardje had gezet, reed tusschen ’s hertogs bedienden, die in grooten getale den trein volgden, zonder zich onder de geregelde troepen te mengen.

Weldra bereikten wij de plaats, waar ook wij de rivier moesten overtrekken. De Forth is, zelfs daar, waar die niet breed is, van aanmerkelijke diepte. De weg liep langs een steil, smal pad, waar de ruiters slechts één voor één langs konden komen. Terwijl de voorsten, de een na den ander, naar beneden reden, moesten de daaropvolgenden aanden oever stilhouden, waardoor oponthoud, en zelfs eenige verwarring ontstond, daar verscheidene ruiters, die niet tot de eigenlijke soldaten behoorden, naar de doorwaadbare plaats drongen, en de ruiterij, die anders vrij goed geoefend was, insgelijks min of meer in wanorde brachten.

Toen wij aldus op den oever zoo samengedrongen stonden, hoorde ik, dat Robbert den man, achter wien hij zat, de woorden toefluisterde: »uw vader, Ewan, zou een oud vriend waarlijk niet als een kalf ter slachtbank gevoerd hebben, al hadden ook al de hertogen in het gansche Christendom dat van hem gevergd.”

Ewan antwoordde niet. Maar zijn schouderophalen scheen te zeggen, dat hij hier niet vrijwillig handelde. Hij wilde misschien wel anders, maar hij kon er niets aan veranderen.

»En als Mac-Gregor’s stam in uw land komt, ging Campbell voort, en gij ziet de ledige schaapskooien, en bloed op den haard, en de vlam uit het dak van uwe woning slaan, dan zult gij zeker bij u zelven zeggen: ware mijn vriend Robbert hier aan het hoofd geweest, dan zou ik zeker dat alles niet verloren hebben.”

Ewan haalde nogmaals de schouders op en zuchtte, maar sprak geen enkel woord.

»Het is toch wel jammer,” vervolgde Robbert en fluisterde zijne vleiende woorden Ewan zoo zacht in het oor, dat ik alleen ze hooren kon, ik, die zeker geene roeping gevoelde, om hem zijn laatste hoop op ontvluchting te benemen.—»Het is wel jammer, dat Ewan, wien Robbert Mac-Gregor met zijn arm, zijn zwaard en zijn beurs bijstand heeft verleend, liever den wil van een groot heer gehoorzaamt, dan dat hij dankbaar het leven van zijn vriend redt!”

Ewan scheen getroffen, maar zweeg.

Op dat oogenblik riep de hertog van den anderen oever: »brengt den gevangene over!”

Ewan gaf zijn paard de sporen, en juist toen ik Robbert hoorde zeggen: »Weeg toch het bloed van een Mac-Gregor niet tegen een behendig losgemaakten buikriem! want hier en hier namaals zal van dat bloed rekenschap gegeven worden;”—reden zij mij snel voorbij en spoedden zich te water.

»Nog niet! nog niet, mijnheer!” riepen eenige ruiters mij toe, toen ik Ewan en Robbert volgen en mij door het gedrang plaats wilde maken. Bij het flauwe licht van den vallenden avond zag ik den hertog aan den anderen oever bezig met de ruiters, die deels hooger, deels lager, aan land kwamen, in orde te scharen. Velen waren de rivier reeds overgetrokken, anderen bevonden zich nog midden in het water, en de overigen maakten zich gereed om hunne kameraden te volgen, toen een plotseling gedruisch in het water mij te kennen gaf, dat Mac-Gregors welsprekendheid over Ewans bedenkingen gezegepraald had. De hertog hoorde insgelijks dat gedruisch en giste terstond de oorzaak.

»Schurk!” riep hij Ewan toe, toen deze aan land kwam: »waar is uw gevangene?”—En zonder de verontschuldiging af te wachten, die debedremmelde ruiter begon uit te stamelen, brandde hij een pistool op hem los.—Of hij hem doodelijk trof of niet, weet ik niet; maar hij voegde er dadelijk bij, terwijl hij zich naar de overige ruiters keerde: »verspreidt u, vervolgt den hond! Honderd guinjes voor hem, die mij Robbert terug brengt!”

De beide oevers der rivier werden thans een tooneel der levendigste verwarring. Robbert, dien Ewan buiten twijfel door den buikriem, waarmede zij samengebonden waren, los te maken bevrijd had, was ijlings in het water gesprongen en onder den buik van het paard weggezwommen. Daar hij echter genoodzaakt was, voor een oogenblik naar de oppervlakte te komen ten einde adem te halen, verried hem weldra het scheren van zijn bonten plaid. Eenige ruiters stortten zich dadelijk in de rivier, nu eens met hunne paarden zwemmende, dan weder ze verlatende en met moeite tegen den stroom worstelende. Anderen, minder ijverig, of liever voorzichtiger, galoppeerden in verschillende richtingen langs beide oevers op en neder, om de plaatsen in het oog te houden, waar de vluchteling zou kunnen landen. Het luid herhaalde geschreeuw, het roepen om bijstand hier en daar, waar men eenig teeken van den ontsnapte zag of althans meende te zien, dat de weerklank der pistool- en geweerschoten, die op elk voorwerp gelost werden, dat slechts eenigszins argwaan wekte; het gezicht van zoo vele ruiters, die her- en derwaarts in de rivier en langs den oever reden en hunne lange sabels tegen alles zwaaiden, wat hunne opmerkzaamheid trok; de vruchtelooze pogingen der officieren om de orde te herstellen, dit alles in een zoo woest oord, en bij het flauwe schemerlicht van een somberen herfstavond nauwelijks zichtbaar, vormde het zonderlingste tooneel, dat ik ooit aanschouwd had, en in deze aanschouwing bleef ik geheel aan mij zelven overgelaten, daar al de ruiters zich verstrooid hadden, om den vluchteling na te rennen, of den afloop hunner nasporingen te zien. Reeds toen vermoedde ik, en werd er naderhand volkomen van overtuigd, dat velen van degenen, die zich het ijverigste schenen te bemoeien om den vluchteling te ontdekken, eigenlijk het allerminst wenschten, dat men hem weder meester mocht worden, en slechts medeschreeuwden, ten einde de algemeene verwarring te vermeerderen en Robbert des te betere gelegenheid te geven om aan zijne vervolgers te ontkomen.

Voor een geoefenden zwemmer, als Robbert was, viel dit trouwens, in ’t geheel niet moeielijk, zoodra slechts de eerste drift dergenen, die hem nazetten, een weinig bekoeld was. Eens waren zij hem echter zeer nabij, en rondom hem werden tallooze schoten en sabelhouwen in het water gedaan. Ik herinnerde mij, dit ziende, de otterjacht, die ik te Osbaldistone had bijgewoond, waarbij het dier, wanneer het den neus boven het water stak om adem te halen, door de honden ontdekt werd, maar door dadelijk weder onder te duiken hun ontsnapte. Robbert redde zich echter veel sluwer dan de otter; en wel op het oogenblik, waarop hij het hevigst vervolgd werd, door een gelukkig verzonnen list. Hij ontdeed zich, namelijk, ongemerkt van zijn bonten plaid en liet dien met den stroom mededrijven. Daardoor werd de algemeene opmerkzaamheideen poos op het kleed gevestigd. Dit deed verscheiden ruiters het spoor missen en hij ontkwam.

Toen de vluchteling zijn vervolgers eenmaal uit het gezicht was, werd het nagenoeg onmogelijk, hem weder machtig te worden. Het water was op vele plaatsen te diep, de oever te steil en bijna overal met dichte bosschen bezet, die zoo ver over het water hingen, dat de ruiters dien niet dicht genoeg naderen konden. Daarenboven brachten verscheidene dwalingen en tegenspoeden, waarmede de vervolgers te worstelen hadden, er niet weinig toe bij, om hunne onderneming, toen het volkomen duister was geworden, meer en meer hopeloos te maken. Eenigen van hen werden door de snelheid van den stroom medegesleept en riepen hunne kameraden te hulp, om niet te verdrinken. Anderen waren zelfs, door het verwarde schieten en houwen, gekwetst, schreeuwden insgelijks om hulp, of dreigden met wraak. Ja, dergelijke ongevallen veroorzaakten zelfs nu en dan bloedige gevechten. Eindelijk gaven de trompetten het sein tot den terugtocht. De hertog had, hoe noode ook en vol ergernis, voor het oogenblik de hoop opgegeven, om zijn prooi, die hem zoo onverwachts ontrukt was, weder machtig te worden. Nu begonnen de ruiters zich langzaam, half onwillig en steeds met elkander twistende, te scharen. Ik zag hen, als donkere schimmen, langs den zuidelijken oever der rivier trekken. Het gedruisch daarvan, eerst door het veel luider geschreeuw van wraakzuchtige vervolgers verdoofd, hoorde ik nu te midden van het misnoegde en wrevelige grommen der teleurgestelde soldaten.

Ik was tot nu slechts een stille, ofschoon geenszins onverschillige aanschouwer van het zonderlinge voorval geweest; maar plotseling riep nu eene luide stem: »Waar is de Engelschman? Hij gaf Robbert het mes, om den riem door te snijden.”

»Houwt hem in stukken, dien vervloekten puddingvreter! jaagt hem een paar kogels door den kop! Stoot hem de sabel door de darmen!” aldus brulden verscheidene stemmen door elkander. Ik hoorde eenige ruiters heen en weder galoppeeren en twijfelde niet, of zij waren voornemens deze bedreigingen ten uitvoer te brengen. Ik besefte het gevaarlijke van mijn toestand. Ik vreesde dat gewapenden, wier getergde driften door niets getemd werden, mij waarschijnlijk eerst zouden dooden, en dan onderzoeken zouden, of zij daaraan wel goed hadden gedaan. Dit denkbeeld deed mij ijlings van het paard springen, hetwelk ik los liet. Ik vluchtte een elzenboschje in, waar ik, wegens de meer en meer vallende duisternis van den avond, niet zoo licht zou kunnen ontdekt worden. Was ik dicht bij den hertog geweest, dan zou ik zijne bescherming hebben ingeroepen. Maar hij had zijn terugtocht reeds aangevangen. Op den ganschen linkeroever zag ik geen één officier, wiens aanzien groot genoeg zou geweest zijn, om mij te beveiligen, als ik mij aan hem had willen overgeven. Naar mijn oordeel kon, in zulke omstandigheden, geene wet van eer mij verplichten, om mijn leven noodeloos in gevaar te stellen. Toen het alarm begon te verflauwen en de hoefslag der paarden in den omtrek van mijne schuilplaats zichzeldzamer liet hooren, was mijne eerste gedachte, den hertog op te zoeken, zoodra alles bedaard zou zijn, en mij aan hem over te geven, als een getrouw onderdaan, die de gerechtigheid niet vreezen, en die, als vreemdeling, aanspraak op bescherming had.

Met dit voornemen kroop ik eindelijk uit het boschje en keek in het rond.

Duisternis overdekte thans de geheele streek. Slechts eenige weinige ruiters bevonden zich nog op den linkeroever der rivier. Van den anderen kant klonk de verwijderde hoefslag der paarden en het geschetter der trompetten, dat door het bosch weergalmde, om de achterblijvers terug te roepen. Mijn toestand was netelig genoeg. Ik had geen paard, en de diepe rivier, die zich, na het woelige tooneel, dat zoo even plaats gehad en haar in haren loop verontrust had, in het flauwe licht van de opkomende maan zeer dreigend vertoonde, noodigde waarlijk geen voetganger uit, om een overtocht te beproeven. Geenszins aan het doorwaden van rivieren gewend, had ik daarenboven nog kort te voren gezien, hoe sommige ruiters al hun krachten moesten inspannen om niet door den stroom medegesleept te worden, en hoe zij tot aan den zadel in de diepte zonken. Bleef ik daarentegen op den linkeroever der rivier, dan had ik geen ander vooruitzicht dan, na alle geleden ongemakken en verdrietelijkheden, nu nog den nacht onder den blooten hemel te moeten doorbrengen.

Na eenig nader overleg begreep ik, dat Andries, die zeker, met de andere bedienden de rivier moest overgekomen zijn, en steeds gewoon was zich onbescheiden op te dringen, niet in gebreke zou blijven, om den hertog aangaande mijne betrekkingen in te lichten. Het scheen mij dus niet zoo noodzakelijk, terstond op te treden om mijn goeden naam te redden en daarbij gevaar te loopen van in de rivier te verdrinken. Ja, als ik ook behouden den tegenoverliggenden oever bereikte, kon ik het spoor der ruiters missen, of door een achterblijver neergesabeld worden. Ik besloot dus naar de herberg terug te keeren, waar ik den vorigen nacht doorgebracht had. Van Robbert had ik niets te vreezen. Hij was nu vrij, en ik twijfelde niet, of, als ik onder eenigen van zijn volk mocht vallen, ik zou mij door het bericht van zijne redding bij hen verdienstelijk maken en mij vrij geleide verschaffen. Op deze wijze kon ik tevens toonen, dat het geenszins mijn plan was, Jarvie in den gevaarlijken toestand te verlaten, waarin hij hoofdzakelijk om mijnentwil was geraakt. Eindelijk kon ik slechts langs dezen weg hopen, tijding aangaande Rashleigh en mijns vaders eigendom te erlangen, wat de eerste aanleiding tot een reis was, waarop mij zulke gevaarlijke avonturen bejegend waren. Ik keerde dus de rivier den rug toe en begaf mij op weg naar Aberfoil.

Een scherpe noordenwind, die zich van tijd tot tijd verhief, verdeelde de nevelwolken, die anders tot het aanbreken van den dag het gansche dal zouden overdekt hebben; maar zij werden niet geheel en al uiteengedreven, maar vormden telkens afwisselende massa’s, zonderling van gedaante, die nu eens om de kruinen der bergen zweefden, dànweder in dichte dampen de diepe kloven vulden, waar ontzaglijke rotsklompen, van de klippen losgerukt, in het dal waren neergestort. De maan, die thans hoog en helder aan den kouden nachthemel schitterde, verzilverde de golfjes der rivier, de rotspunten en de steile ruwe wanden, welke de nevel niet overdekte, terwijl hare stralen door de dichtere nevelmassa’s naar het scheen ingezogen werden, en de lichtere losse wolkjes in een doorschijnenden sluier veranderden. Bij dit inderdaad bekoorlijke gezicht en den verlevendigenden invloed der koude, gevoelde ik, in weerwil van mijn hachelijken toestand, mijn moed klimmen en mijn zenuwen meer spannen. Ik bevond mij in eene gemoedsstemming, die mij in staat stelde om elke zorg van mij te werpen, alle gevaar onverschrokken te gemoet te gaan, en ik floot onwillekeurig, terwijl ik, door de koude aangespoord, mijne schreden verdubbelde. Het kwam mij voor dat ik wezenlijk in krachten toenam, naarmate mijn vertrouwen op de sterkte, den moed en de hulpmiddelen welke ik in mij zelven vond, toenam; ja, ik hield mij zoo geheel met mijne gedachten en de gewaarwordingen, die zij in mij verwekten, bezig, dat twee lieden te paard mij inhaalden, zonder dat ik hen eerder bemerkt had, dan toen zij mij reeds op zijde waren. Die aan mijne linkerzijde deed zijn paard oogenblikkelijk den stap van het mijne houden en sprak mij aldus in het Engelsch aan: »Wel vriend, waarheen zoo laat?”

»Naar mijne herberg te Aberfoil,” gaf ik ten antwoord.

»Zijn de wegen veilig?” vervolgde hij op denzelfden hoogen toon.

»Dat weet ik niet,” hernam ik. »Als ik in mijn nachtkwartier kom, zal ik dat wel vernemen. Maar,”—voegde ik er bij, toen ik mij het deerniswaardige lot van den ongelukkigen Morris herinnerde,—»zoo gij Engelschen zijt, raad ik u terug te keeren en den dag af te wachten. Want er zijn in dezen omtrek dingen voorgevallen, en ik zou er niet voor durven instaan, dat de weg voor vreemdelingen volkomen veilig is.”

»De militairen zijn geslagen, niet waar?”

»Ja, en een officier, wiens volk grootendeels gesneuveld was, is met eenige weinigen van zijn overgebleven manschappen gevangen genomen.”

»Weet gij dat zeker?” vroeg de onbekende.

»Zoo zeker als ik u hoor spreken. Ik was tegen wil en dank getuige van het gevecht.”

»Tegen wil en dank? Gij waart er dus niet in betrokken en hadt er geen deel aan?”

»Wel wis en waarachtig niet!” antwoordde ik. »Ik werd door dien officier in arrest gehouden.”

»Op welk vermoeden? Wie zijt gij? Hoe heet gij?”

»Ik weet inderdaad niet,” hernam ik, »waarom ik een onbekenden vreemdeling zoo vele vragen op eens zou beantwoorden. Ik heb u genoeg gezegd, om u te overtuigen, dat gij u in een onrustig, gevaarlijk oord bevindt. Wilt gij verder gaan, dat is uwe zaak; maar daar ik unoch naar uw naam, noch naar uw beroep vraag, verzoek ik u, mij met dergelijke vragen evenmin lastig te vallen.”

»Als mijnheer Frans Osbaldistone”—zei de andere persoon met eene stem, die al mijne zenuwen deed trillen—»onbekend wenscht te blijven, dan moet hij zijn geliefkoosd liedje niet fluiten.”

En Diana Vernon—want zij was het, die in een grooten ruitersmantel gehuld was—floot, mij nabootsende, het andere gedeelte van het lied, dat mij juist, toen zij mij inhaalden, op de lippen zweefde.

»Rechtvaardige hemel!” riep ik, als door den donder getroffen. »Zijt gij het, Freule Vernon?—hier in dit oord—op zulk een uur—in zulk een wetteloos land, gekleed—in.…”

»In manskleeding? wilt gij vragen. Ja, wat kan ik er aan doen? Ten laatste blijkt de filosofie van korporaalNymtoch de beste: de wereldsche zaken haren wereldschen gang te laten gaan.”

Terwijl zij zoo sprak, maakte ik ongeduldig van een buitengewoon helderen straal der maan gebruik, om haren reisgenoot op te nemen. Ik behoef niet te zeggen, dat ik tot jaloezie geprikkeld werd, verrast als ik was, Diana in zulk een eenzaam oord, op zulk een gevaarvollen tocht onder de bescherming van een enkel man te ontmoeten. De stem van haar geleider was welluidend als die van Rashleigh. Zijn toon was dieper en gebiedender. Ook was hij hooger van gestalte dan mijn vijand. Ik kon bij de spraak des onbekenden ook niet aan een mijner overige neven denken. Integendeel, zijn taal en uitspraak droegen geheel dit niet te omschrijven cachet, waaraan men reeds bij de eerste woorden den man van verstand en opvoeding herkent.

Mijn onderzoekende blik scheen hem lastig te zijn.—»Diana,” zeide hij op een toon, die half goedig, half gebiedend klonk: »geef uw neef zijn eigendom terug: wij moeten hier niet veel tijd verspillen.”

Diana had toen daarop een klein kistje te voorschijn gehaald, en toen zij zich van haar paard naar mij vooroverboog, zeide zij op een toon, waarin opgeruimde ernst met dieper gevoel en aandoening scheen te kampen: »Zoo als ge ziet, waarde neef, ik ben tot uw beschermengel geboren. Rashleigh is genoodzaakt geworden zijn buit af te staan. Hadden wij den vorigen nacht, zoo als ons voornemen was, het dorp Aberfoil bereikt, dan zou ik wel een gedienstigen geest uit het Hoogland hebben gevonden, die u deze belangrijke papieren in handen gespeeld zou hebben. Maar reuzen en draken zwierven overal langs den weg, en dolende ridders en jonkvrouwen van onzen tijd mogen zich niet, als in oude tijden, noodeloos in gevaar begeven. Doe dat ook niet, neefje!”

»Diana,” hervatte haar geleider; »ik moet u nog eenmaal herinneren, dat de nacht op handen is, en dat wij nog ver van huis zijn.”

»Ik kom, ik kom!” antwoordde zij, maar voegde er tegelijk zuchtende bij: »bedenk toch, dat ik eerst zoo laat aan beperking van mijn vrijen wil gewoon ben geworden. Ook heb ik mijn neef het pakje nog niet gegeven, noch hem vaarwel gezegd—voor altijd! Ja, Frans!” vervolgde zij—»voor altijd! Er ligt een afgrond tusschen ons beiden—eenonoverkomelijke afgrond van onfeilbaar verderf. Gij moogt ons, waarheen wij ons ook begeven, volstrekt niet volgen; en aan hetgeen wij willen, moogt gij geen deel nemen. Vaarwel! Wees gelukkig!”

Toen zij zich van hare Hooglandsche merrie vooroverboog, raakte haar gelaat, misschien niet geheel onwillekeurig, het mijne aan. Zij drukte mijne hand, terwijl de traan, die in haar oog glinsterde, op mijne wang viel. Het was een onvergetelijk oogenblik—onuitsprekelijk bitter en toch zoo innig roerend. In een zoet, zalig gevoel, welden nog eenmaal de gewaarwordingen uit het diepst van mijn hart op. Maar het was slechts voor een oogenblik. Zich dadelijk herstellende van de aandoening, waaraan zij zich een seconde had overgegeven, zeide Diana tot haar reisgenoot, dat zij gereed was met hem te vertrekken. Zij gaven hun paarden de sporen en waren weldra ver van de plek verwijderd, waar ik vol verbazing bleef staan.

Neen! het was geene gevoelloosheid, die mijne tong belemmerde, dat ik Diana’s halve omhelzing evenmin als haar vaarwel vermocht te beantwoorden. Het woord bestierf mij op de lippen, zoo bedwelmd was ik door verrassing en droefheid. Ik stond onbewegelijk, met het pakje papieren in de hand, en staarde hen na, alsof ik de vonken wilde tellen, die onder de hoefslagen hunner paarden uit de steenen spatten. Ik volgde hen met mijn blik, tot zij geheel uit het gezicht waren, en ik luisterde nog, toen het geluid van den hoefslag voor mij reeds niet meer hoorbaar was. Eindelijk kwamen mij de tranen in de oogen, die nog altijd staarden naar iets, dat niet meer zichtbaar was. Ik droogde ze werktuigelijk af, maar de tranen vielen hoe langer hoe meer. Ik gevoelde eene krampachtige opwelling in keel en borst. Ik zette mij op een steen aan den weg neder. De smartelijkste tranen, die ik sindsmijne jeugd vergoten had, heb ik daar vergoten, daar op dien eenzamen weg in het woeste Schotsche Hoogland.….


Back to IndexNext