HOOFDSTUK XXXIX.

HOOFDSTUK XXXIX.Doch d’ hand van ’t ruwe noodlot trekt het gordijn omhoog,Een vreemd tooneel verschijnt voor ’t oog.Don Sebastiaan.Ik was alleen, maar als ’t ware bedwelmd, en daarbij moedeloos. Het gemoed, dat gehecht is aan afwezige geliefde voorwerpen, geeft daaraan niet alleen de schoonste vormen, maar ook zulke, waarin zij hen het liefste ziet. Diana’s beeld stond voor mijn geest, zoo als zij was, toen haar afscheidstraan op mijne wang viel; toen haar geschenk, dat ik door Mac-Gregor’s vrouw ontving, mij haren wensch verried, de herinnering mijner liefde naar de kloosterlijke eenzaamheid mede te nemen. Ik zag haar, en hare koele onderwerping, die weinig meer dan stille zwaarmoedigheid uitdrukte, verstoorde, ja beleedigde mij. Mijne eigenliefde beschuldigde haar van onverschilligheid. Ik verweet haren vader, trots, wreedheid, dweepzucht. Ik vergat dat beiden hun goed en bloed, ja, Diana ook haar hart opofferde aan dat, wat zij voor hun plicht hielden.Vernon was een ijverig Katholiek, die den weg des heils voor te eng hield, dan dat een ketter daarop zou hebben kunnen wandelen. Voor Diana was haars vaders veiligheid sedert vele jaren de eenige drijfveer van haar denken, haar hopen, haar handelen. Zij meende nu haren plicht vervuld te hebben, als zij niet alleen haar wereldlijk eigendom, maar ook de dierbaarste neigingen van haar hart aan zijn wil opofferde. Het was niet te verwonderen, dat ik op dit oogenblik niet in staat was, al die waarlijk eervolle beweegredenen behoorlijk te waardeeren; maar toch kon mijne misnoegdheid mij tot niets onedels verleiden.»Zoo, zoo, men versmaadt mij,” zeide ik tot mij zelven, toen ik Vernon’s woorden overwoog—»men versmaadt mij. Men acht mij zelfs onwaardig met haar te spreken. Goed, het zij zoo. Dat zal mij niet beletten, voor hare veiligheid te zorgen. Hier zal ik de wacht houden, en zoo lang zij zich onder mijn dak bevindt, zal geen gevaar haar genaken, als de arm van een vastberaden man in staat is, om haar te verdedigen.”Ik riep Syddall binnen. Hij kwam, maar vergezeld van den lastigen Andries, die, sedert ik bezit van het kasteel had genomen, van zijn eigen gewicht vervuld was, en besloten scheen te hebben, niet te verzuimen zich bij elke gelegenheid voorop te plaatsen. Maar zoo als het dikwijls met baatzuchtige oogmerken gaat, het miste zijn doel. Zijne oplettendheden verveelden en wekten afkeer.En nu werd ik door zijne, nu ongevraagde, tegenwoordigheid belet, openhartig met Syddall te spreken. Ik durfde den ongeroepen getuige niet wegzenden, uit vrees van den argwaan te vermeerderen, dien ik misschien reeds wakker gemaakt had, toen ik hem zoo plotseling de boekenkamer deed verlaten.»Syddall! Ik zal hier slapen,” zeide ik. Ik gaf hem bevel om een ouderwetsche rustbank wat dichter bij het vuur te plaatsen. »Ik heb nog wat te doen, en zal dus eerst laat ter ruste gaan.”Syddall, die mijn wenk scheen te verstaan, wilde mij een matras en een bed geven. Ik nam zijn aanbod aan, en zond mijn bediende weg. Ik beval hem mij den volgenden morgen niet vóór zeven uren te wekken.Toen ik alleen was, gaf ik mij geheel aan mijne sombere overdenkingen over, wachtend op het oogenblik, waarop de uitgeputte natuur rust zou eischen. Ik wendde alle pogingen aan, om mijne gedachten af te trekken van den zonderlingen toestand, waarin ik mij bevond. Die gevoelens, die ik, zoolang het voorwerp mijner liefde verwijderd was, dapper bestreden had, werden thans weder meer geprikkeld. Ik was immers dicht in de nabijheid van haar, van wie ik weldra voor altijd zou gescheiden worden. Haar naam stond in elken regel van elk boek; ik trachtte te lezen. Hare beeltenis trad voor mijne ziel, zoo dikwijls ik aan iets anders wilde denken.Nu eens gaf ik mij aan deze gedachten over, dan weder trachtte ik ze te bestrijden. Soms verloor ik mij in eene wegslepende weemoedigheid, dan weder wapende ik mij met eene zekere fierheid, des te sterker, nu zij zich door onverdiende minachting beleedigd gevoelde. Ik wandelde de bibliotheek op en neer tot ik onder al die aandoeningen in eene koortsachtige onrust was geraakt. Eindelijk wierp ik mij gekleed op het bed. Maar te vergeefs trachtte ik in te sluimeren. Vruchteloos hield ik mij, zonder een enkel lid te verroeren, doodstil. Ik poogde den verontrustenden gedachtenloop te wijzigen, te verbannen, door onophoudelijk zekere woorden te herhalen, of mij met een rekenkundig vraagstuk bezig te houden. Mijn bloed vloeide als vuur door mijne aderen, en mijn pols sloeg hevig.Ten slotte stond ik op, opende het venster en keek naar buiten in den door de maan helder beschenen nacht. De koelte en zachte stilte daarbuiten verkwikten mij, en deden den storm in mijne ziel eenigszins bedaren. Toen ik mij weder ter ruste legde, gevoelde ik mij kalmer. Weldra bekroop mij de sluimer. Maar het pijnlijke gevoel van mijn toestand bleef mij steeds bij, ook in den diepen slaap. Verschrikkelijke droomen folterden mij. Een van die ontzettende droombeelden herinner ik mij thans nog zeer duidelijk. Ik bevond mij met Diana in de macht van Mac-Gregor’s vrouw, en wij zouden van eene rots in zee gestort worden. Het teeken werd door het schot van een kanon gegeven, hetwelk Vernon, in kardinaalskleeding, liet losbranden. Nog op dit oogenblik zou ik het tooneel kunnen afschilderen—de zwijgende, moedige onderwerping op Diana’s gelaat, de woeste, ijselijke gelaatstrekken der beulen, die met steeds wisselend grijnzen van het gelaat rondom ons heendrongen. Ik zag de harde, onbuigzame godsdienstdweeperij op het gelaat des vaders: ik zag hem de lont opheffen. Het teeken des doods klonk, vele malen herhaald door de echo der omliggende rotsen, en—ik ontwaakte uit mijn ingebeelden schrik, om werkelijken angst te ondervinden.Want zie, ook wakende hoorde ik de geluiden, die mij in den droom verschrikt hadden. Wel duurde het een paar minuten, eer ik mij geheel herstellen en genoegzaam onderscheiden kon, dat er hevig aan de voorpoort werd geklopt. Ontsteld sprong ik op, nam mijn degen onder den arm en spoedde mij naar buiten, om iedereen den toegang te beletten. Ik moest echter een grooten omweg nemen, omdat de bibliotheek niet aan de voorzijde van het kasteel lag, maar op den tuin uitkwam, waarvan de vensters op het voorplein uitzagen. Daar hoorde ikSyddall’szwakke en benauwde stem in woordenwisseling met eenige ruwe mannen, die, krachtens een bevel des rechters Standish en in naam des konings, eischten binnengelaten te worden, en den ouden bediende met de zwaarste straf bedreigden, als hij hun gehoorzaamheid weigerde. Plotseling deed zich, tot mijn grootst verdriet, de stem van Andries hooren, die den ouden Syddall beval ter zijde te gaan, en zelf de deur openen wilde.»Komen zij,” zeide hij, »in ’s konings naam, dan hebben wij niets te vreezen. Immers hebben wij voor hem goed en bloed opgeofferd. Waarlijk, wij behoeven ons niet schuil te houden als andere lieden, mijnheer Syddall! wij zijn noch Papisten, noch Jakobieten.”Vruchteloos snelde ik met verdubbelde schreden de trap af. De dienstvaardige Andries schoof de grendels weg, terwijl hij onophoudelijk op zijne en zijns meesters getrouwheid jegens den koning roemde. Ik zag in, dat de gerechtsdienaren binnen zouden zijn, eer ik de grendels weder vóór de deur kon schuiven. Ik stelde de harde tuchtiging, die ik den voorbarigen kerel toedacht, uit, snelde terug naar de boekenkamer, sloot de deur zoo goed ik kon, en klopte, terwijl ik driftig bad om binnengelaten te worden, aan die, welke tot Diana’s en haars vaders kamer leidde. Diana opende de deur zelve: zij was geheel aangekleed, noch onrust, noch vrees bezielde haar, zij was uiterst kalm.»Wij zijn zoo vertrouwd met het gevaar,” zeide zij, »dat wij er steeds op voorbereid zijn. Mijn vader is reeds ontwaakt en bevindt zich in Rashleigh’s kamer. Wij spoeden ons naar den tuin, vervolgens door de achterdeur naar het bosch.—In geval van nood, heb ik mij den sleutel door Syddall doen geven. Niemand kent de wegen doorhet bosch beter dan ik. Houd hen slechts een paar minuten op. En nu, waarde Frans, nog eenmaal, vaarwel!”Zij verdween als eene geestverschijning, om zich met haar vader weg te spoeden. Men klopte heftig op de deur en poogde ze met geweld te openen, toen ik in de bibliotheek terugkwam.»Rooversgespuis!” riep ik, opzettelijk het doel van hunne gewelddadigheid verkeerd uitleggende; »verlaat terstond dit kasteel, of ik schiet op u, door de deur heen.”»Gekheid!” riep Andries mij toe. »Het is immers mijnheer Jobson met een gerechtelijk bevel.…”»Ja mijnheer, ik heb bevel het kasteel te doorzoeken, tot het aanhouden en arresteeren van zekere personen,” hoorde ik den ellendigen rechtsverdraaier zeggen, »zekere personen, genoemd en aangeduid in mijn bevelvan aanhouding, als schuldig aan hoogverraad, krachtens de verordening uit het dertiende jaar der regeering van koning Willem, in het derde kapittel.”En hij klopte op nieuw met verdubbelde heftigheid.—»Ik sta op,” riep ik, om zoo veel mogelijk tijd te winnen. »Pleegt toch geen geweld! Eerst moet ik uw bevel van arrest zien. Vind ik het wettig, dan zal ik mij niet verzetten.”»God zegene den grooten koning George!” zeide Andries. »Ik heb het u immers gezegd, dat gij hier geene Jakobieten vinden zoudt.”Ik draalde zoo lang mogelijk, tot ik mij eindelijk genoodzaakt zag om de deur te openen, die men anders zeer zeker zou opengeloopen hebben.Jobson trad binnen, vergezeld van eenige handlangers, onder wie ik denzelfden knaap opmerkte, dien Syddall bij mij verdacht had gemaakt, en die waarschijnlijk de verklikker was geweest. Jobson toonde mij zijn bevel van aanhouding, dat niet alleen Frederik Vernon, een overtuigden verrader, maar ook Diana Vernon en Frans Osbaldistone, wegens het niet aangeven van een hun bekenden verrader, betrof. Tegenstand zou razernij geweest zijn, en nadat ik nog een paar minuten uitstel had verzocht, gaf ik mij gevangen.Nu begaf Jobson zich tot mijn verdriet naar Diana’s kamer, en ik hoorde dat hij vervolgens, zonder zich te bedenken of te zoeken, naar de kamer ging, waarin zich haar vader bevond, of ten minste zich ter ruste had begeven.—»Het wild is ontsnapt!” zeide hij, »maar het nest is nog warm. Onze speurhonden zullen het wel spoedig bij den nek krijgen.”Een angstkreet in den tuin overtuigde mij, dat hij gelijk had. Weinige oogenblikken daarna trad Rashleigh met Diana en Vernon, als gevangenen, in de kamer.—»De vos,” zeide hij, »kent zijn hol nog, maar hij heeft vergeten, dat een schrander jager het dicht kan maken. Ik had de tuindeur niet vergeten, edele lord Beauchamp, zoo als gij u toch gaarne hoort noemen.”»Rashleigh,” antwoordde Vernon, »gij zijt een ellendige verrader!”»Dezen naam, mijnheer de ridder of mylord, verdiende ik vroeger, toen ik onder de leiding van een bekwamen leermeester, de fakkel van den burgeroorlog in een vreedzaam land trachtte te ontsteken. Maar ik heb mijn best gedaan,” vervolgde hij, met een blik ten hemel, »om mijne dwalingen te herstellen.”Ik kon mij niet langer bedwingen. Wel had ik mij voorgenomen zwijgend toeschouwer te blijven. Maar ik gevoelde, dat ik spreken moest, al was er de dood mee gemoeid.»Waarachtig!” riep ik, »ik geloof niet dat de hel een akeliger duivelsgestalte heeft, dan die van laagheid en gemeenheid onder het masker van huichelarij.”»Aha, mijnheer en neef!” zeide Rashleigh, en nam eene kaars van de tafel, om mij van het hoofd tot de voeten te bezien. »Van harte welkomop het kasteel Osbaldistone! Dat ge boos zijt, kan ik u licht vergeven. Het is zeker hard, zeer hard, eene geliefde en een landgoed in éénen nacht te verliezen; want wij zullen van dit kasteel en zijn toebehooren bezit nemen in naam van den wettigen erfgenaam, Rashleigh Osbaldistone.”Ik zag dat Rashleigh, terwijl hij op zulk een trotschen toon sprak, spijt en schaamte gevoelde, maar onderdrukte. Ja, nog veel merkbaarder werd die gemoedsstemming, toen Diana kalm tot hem sprak: »Rashleigh, ik heb medelijden met u. Zeker, groot is het ongeluk, waarin gij mij wildet storten. Het kwaad dat gij doet is veel. En toch kan ik u niet zoo sterk haten als verachten. Wat gij thans gedaan hebt, is het werk van eenige weinige oogenblikken. Maar gij zult er uw gansche leven aan denken. Hoe? dat laat ik over aan uw geweten. Het zal niet altijd sluimeren, het zal u martelen, lafaard!”Een paar maal ging Rashleigh met groote schreden de kamer op en neer. Toen hij bij de tafel kwam, waarop de wijn nog stond, schonk hij met eene bevende hand een vol glas in. Hij zag dat wij zijn beven bemerkten. Hij kon dit met eene krachtige poging onderdrukken en bracht, terwijl hij ons met een vast en driest oog aanstaarde, het glas aan zijn mond, zonder een enkel dropje te storten.»Het is mijns vaders oude Bourgonje!” zeide hij, Jobson aanziende. »Het doet me pleizier dat ik er nog wat van vind. Ik verzoek u, geschikter lieden te benoemen, om in mijn naam voor het kasteel en mijn eigendom zorg te dragen. Dezen ouden sukkel en dien Schotschen gek kunt gij de deur wijzen. Intusschen zullen wij de gevangenen in verzekerde bewaring brengen. Ik heb de oude familiekoets doen inspannen,” vervolgde hij, »ofschoon ik wel weet, dat onze waarde freule Vernon het ook te voet of te paard in de nachtlucht zou kunnen doen, als maar de reis meer naar haren zin was.”Andries wrong de handen. »Ik zeide immers maar,” stamelde hij, »dat mijnheer zeker met een spook in de boekenkamer gesproken had—en die ellendeling daar gaat een oud vriend verraden, die zoo vele jaren elken Zondag uit één boek met hem tot God gebeden heeft!”Men liet hem zijn klaaglied niet eindigen, maar wierp hem met Syddall het huis uit. Dit wegjagen bleef echter niet zonder gewichtige gevolgen. Besloten, om zich naar een oud bekende in het dorp te begeven, bij wien hij een nachtverblijf hoopte te vinden, had hij juist de groote laan achter zich, en was op een stuk weiland gekomen, toen hij plotseling eene kudde Schotsch vee ontmoette, die zich daar voor dien nacht gelegerd had. De tuinier verwonderde zich daarover niet; de gewoonte der Schotsche veehandelaars, om op deze wijze een goedkoop nachtverblijf op de eerste de beste grasvlakte te zoeken, was hem genoeg bekend. Maar hij werd niet weinig onthutst, toen een Hooglander opsprong, hem beschuldigde, dat hij het vee gestoord had, en hem niet verder wilde laten gaan, voordat hij met zijn baas zougesprokenhebben. De Hooglander bracht den doodelijk ontstelden man in een boschje, waar hij nog drie of vier van zijne landslieden vond.—»Ik zag al heelspoedig,” zeide Andries, »dat er voor eene kudde veel te veel mannen waren, en aan hunne vragen merkte ik wel, dat zij geheel iets anders op het oog hadden, dan zij voorwendden.”Zij vroegen hem naar al, wat er op het kasteel voorgevallen was, en schenen zeer bekommerd, toen zij zijn getrouw verhaal aangehoord hadden. »Waarlijk,” bekende Andries, »ik verzweeg niets aan mannen, die met dolk en pistool gewapend waren.” Daarop spraken zij zacht met elkander en dreven eindelijk hun vee naar het einde der groote laan, zoo wat tien minuten van het huis. Vervolgens sleepten zij eenige gevelde boomen bijeen, die in de nabijheid in het rond lagen, en maakten daarvan eene versperring op den weg.De dag begon aan te breken. Een flauw schijnsel in het Oosten vermengde zich met het meer en meer verbleekende maanlicht. Men kon alle voorwerpen reeds tamelijk goed onderscheiden. Het ratelend geluid van eene koets, die door vier paarden getrokken en door zes man te paard begeleid werd, deed zich in de groote laan hooren. De Hooglanders luisterden opmerkzaam. In de koets zat Jobson met zijne ongelukkige gevangenen. Het geleide bestond uit Rashleigh en eenige andere ruiters. Nauwelijks waren wij de laan ten einde, of het rijtuig werd opgehouden door het vee, waar tusschen wij reden, en door de boomstammen. Twee ruiters stegen af, om de boomen uit den weg te ruimen, die zij wellicht dachten, dat uit slordigheid waren blijven liggen, terwijl de anderen met hunne sabels het vee wegjoegen.»Wat is dat? Wie waagt het daar ons vee kwaad te doen,” riep eene ruwe stem. »Schiet hem neer, Angus!”»Verraad!” riep Rashleigh. »Men wil hen bevrijden!” en schoot zijn pistool af op den man die gesproken had.»Met de sabel er op in!” riep de bevelhebber der Hooglanders, en het gevecht begon terstond. De gerechtsdienaars, geheel verbluft door den plotselingen aanval, en over het algemeen niet al te dapper, verdedigden zich slechts zwak, hoewel zij de overmacht aan hun kant hadden. Eenigen van hen wilden naar het kasteel terugrijden, maar toen zij ook daarin door verscheidene geweerschoten, die er van alle kanten vielen, verhinderd werden, meenden zij geheel omsingeld te zijn en vluchtten langs verschillende wegen. Intusschen was Rashleigh afgestegen en vocht te voet woedend tegen den aanvoerder der bende. Uit het portier der koets aanschouwde ik het gevecht. Eindelijk viel Rashleigh.»Ik vraag u, wilt gij om vergeving smeeken in naam van God, van Jakobus en van de oude vriendschap?” riep eene stem, welke ik maar al te goed kende.»Neen, nooit!” antwoordde Rashleigh op vasten toon.»Zoo sterf dan, verrader!” riep Mac-Gregor en stiet den gevallene het zwaard in de borst.Een oogenblik later stond hij aan het portier der koets. Hij hielp Diana er uit en reikte haren vader en mij, bij het uitstijgen, de hand, en rukte er toen Jobson uit, dien hij onder den wagen wierp.»Mijnheer Osbaldistone,” zeide hij zacht, »gij hebt niets te vreezen. Ik moet waken over hen, die in gevaar zijn. Uwe vrienden zullen weldra in veiligheid wezen. Vaarwel! Denk aan Mac-Gregor!”Hij floot. Dadelijk schaarden zich zijne makkers rondom hem. Zij namen Diana en Vernon in hun midden en verdwenen met hen in het bosch. De koetsier had zijne paarden in den steek gelaten, toen het schieten begon; maar de paarden, door de boomen belemmerd, bleven bedaard staan, tot geluk van Jobson, die bij de minste beweging overreden zou zijn geworden. Mijne eerste gedachte was, hem bij te staan. Want hij was door den schrik dermate bedwelmd, dat hij buiten staat was, zich zelven te helpen. Maar eerst riep ik hem toe, wel op te merken, en zoo noodig te getuigen, dat ik noch eenig deel aan de bevrijding der gevangenen gehad, noch zelf eenige poging aangewend had om te ontvluchten. Toen gaf ik hem te kennen, dat hij zich naar het kasteel kon begeven en eenige van zijne aldaar achtergebleven handlangers kon roepen, ten einde de gekwetsten bij te staan. Maar Jobson was door den schrik zoo verlamd, dat hij zich niet kon verroeren. Nu besloot ik zelf te gaan, maar struikelde dadelijk over iets, dat ik eerst voor een lijk hield. Het was Andries, frisch en gezond: hij had deze houding verkozen, om de sabelhouwen en geweerschoten te ontgaan, die elk oogenblik in allerlei richtingen vielen. Het verheugde mij zeer, hem te vinden, zoodat ik niet eens vroeg hoe hij daar gekomen was, maar hem terstond beval mij hulp te verleenen.De eerste die hulp behoefde was Rashleigh. Hij steunde zwaar, toen ik hem naderde, en sloot de oogen, alsof hij zich voorgenomen had, nooit weder te spreken. Wij droegen hem in de koets, en bewezen een anderen gekwetste, die nog op den grond lag, gelijken bijstand. Met moeite overreedde ik Jobson in de koets plaats te nemen, ten einde Rashleigh te ondersteunen, en nu begaven wij ons terug naar het kasteel. Eenige der vluchtelingen waren langs zijwegen daar al aangekomen. Zij hadden de bezetting schrik aangejaagd door het bericht, dat Rashleigh, Jobson en al die hen begeleid hadden, door een hoop woeste Hooglanders in stukken gehouwen waren. Een dof gegons als van een verontruste bijenkorf verkondigde ons de gejaagdheid in het kasteel, toen wij ons in de nabijheid daarvan bevonden. Jobson, die zich thans vrij wel hersteld had, kondigde zich met luider stem aan. Hij was des te ongeduldiger, om uit de koets verlost te worden, daar een van zijne handlangers zoo even naast hem aan de gevolgen gestorven was, ten gevolge zijner wonden.Rashleigh leefde nog, maar was ook doodelijk gekwetst. Men bracht hem in het kasteel, waar men hem in een leunstoel plaatste, terwijl sommigen het bloed, dat rijkelijk uit de wonde vloeide, poogden te stelpen en anderen bevalen, een heelmeester te halen.»Plaagt mij niet meer,” riep de gewonde: »voor mij is geen hulp meer. Ik sterf.”Hij richtte zich in den stoel op, hoewel het doodzweet reeds zijn voorhoofd bedekte, en zeide met eene vastheid van stem, die hem zeer veel inspanning scheen te kosten: »Neef Frans, kom bij mij!”Ik naderde hem.—»Ik wilde u alleen maar zeggen,” vervolgde hij, »dat zelfs de doodsangst mijne gezindheid jegens u niet verandert. Ik haat u!” riep hij met hevigheid. En wraakzucht deed het vuur in het reeds brekend oog nog eenmaal ontvlammen. »Ik haat u met zulk een onverzoenlijken haat, dat dood noch graf dien ooit kunnen uitwisschen.”»Ik heb u daartoe geen reden gegeven,” hernam ik. »Om uwent wil zou ik u toewenschen, dat gij in kalmer stemming den dood tegemoet gingt.”»Het is wel waar!—gij hebt mij wel reden,—gegronde redengegeven—u te haten,” hernam Rashleigh hijgend. »Gij hebt mij overal—gedwarsboomd,—in de liefde—op den weg mijner eerzucht—in mijn eigenbelang—bij elke schrede—die ik doen wilde,—overal.—Ik werd geboren—om het sieraad—van mijn geslacht te worden,—Wat ben ik?—zijne—schande.—Dat—is uwe schuld!—Mijne erfenis—is de uwe—welnu—neem haar,—neem haar!—De vloek—van een stervende—blijve er—aan verbonden—vloek!”En met dit woord viel hij achterover in zijn stoel. Zijn oog brak, maar op de ontzielde trekken zag men nog duidelijk het grijnzen van den haat. Ik wendde mij van het afzichtelijke beeld af. Van Rashleigh’s dood heb ik niets meer te zeggen, dan dat mijn erfrecht thans onbetwist was. Jobson moest zelf bekennen, dat de aanklacht wegens het niet aangeven van een hoogverrader, alleen op Rashleigh’s verlangen was gedaan, ten einde mij uit het kasteel te verwijderen. Ook dezen Jobson haalde de straf spoedig in. Hij werd van zijn ambt ontzet, en hij verviel in armoede en sleepte een ellendig bestaan voort.Zoodra ik mijne zaken in orde had gebracht, keerde ik terug naar Londen. Ik verliet gaarne eene plaats, die zooveel pijnlijke herinneringen in mij opwekte. Lang was ik in angstige onzekerheid omtrent Diana’s lot, tot een Fransche koopman mij een brief van haar bracht, waardoor ik omtrent haar en haars vaders veiligheid gerust werd gesteld.Ik had reden uit den inhoud van dien brief de zekerheid te krijgen, dat de plotselinge verschijning van Mac-Gregor en diens bende, volstrekt niet toevallig was geweest. De Schotsche edellieden, die aan den opstand deel hadden genomen, waren vooral er op bedacht, om Vernon’s vlucht te bevorderen. Als een oud, vertrouwd aanhanger der Stuarts, zou hij zeer licht een groot gedeelte van den Schotschen adel met zich in het verderf kunnen sleepen. Robbert, op wiens sluwheid en moed men rekenen kon, werd gekozen, om Vernon’s bevrijding te bewerken. Het kasteel Osbaldistone werd als de plaats der bijeenkomst bestemd. De onderneming gelukte volkomen. Vernon en zijne dochter vonden op eenigen afstand van het kasteel paarden gereed, en kwamen, onder Robbert’s geleide, veilig in eene der westelijke havens, waar zij zich naar Frankrijk inscheepten. Ook verhaalde de koopman mij, dat Vernon door tering was aangetast, het gevolg van lijden en rampspoed, ja, dat hij nauwelijks nog eenige weinige maanden zou kunnen leven. Zijne dochter woonde in een klooster, waar zij volgens haars vaders wensch later de gelofte zou afleggen.Toen ik deze berichten ontving, ontdekte ik mijn vader onbewimpeldden toestand van mijn gemoed. Hij was wel onthutst bij het denkbeeld, dat ik met eene Roomsch-Katholieke vrouw wilde huwen, maar hij wenschte mij, voor mijn volgend leven, gelijk hij zich uitdrukte, op een vasten voet ingericht te zien. En hij stelde het zeer op prijs, dat ik met mijne ijverige deelneming aan zijne handelszaken, hem mijne neiging als het ware, opgeofferd had. Na een kort beraad, en na verscheidene vragen, die ik tot zijne tevredenheid beantwoordde, zeide hij: »Nu, zou ik waarlijk nooit gedroomd hebben, dat mijn zoon eigenaar van het kasteel Osbaldistone zou worden, maar nog minder, dat hij zijne bruid uit een Fransch klooster halen zou. Welaan! ik geef mijne toestemming. Eene zoo brave dochter, moet ook eene brave vrouw zijn. Gij hebt, mij ten gevalle, in het kantoor gearbeid, Frans. Het is billijk, dat ik u vrij laat in de keuze eener vrouw. God geve u geluk!”Waarde Tresham, hoe voorspoedig het met mijn aanzoek afliep, en hoe spoedig ik het jawoord kreeg, dat is niet noodig u te vertellen. Dat weet gij. Gij weet ook, dat ik lang en gelukkig met Diana geleefd,—gij weet hoe ik haar beweend heb, toen ik haar door den dood moest verliezen. Maar gij moet weten, hoe ten volle zij die tranen verdiende, hoe edel zij was en hoe trouw!Mijne romantische avonturen zijngeëindigd. De latere gebeurtenissen van mijn leven zijn u, mijn vriend, wel bekend. U, die met zooveel deelneming de genoegens en de stormen, welke elkander in mijn leven afwisselden, met mij gedeeld heeft. Vaak begaf ik mij naar Schotland. Nooit heb ik den koenen Hooglander weder gezien, die op mijne vroegere lotgevallen zulk een grooten invloed uitgeoefend had; wel vernam ik van tijd tot tijd, dat hij zich voortdurend in zijn gebied aan de bergachtige oevers van Loch-Lomond handhaafde, ja, dat hij zelfs zooveel toegevendheid van den kant der regeering genoot, dat hij de rol van beschermer van het graafschap Lennox spelen kon. In die hoedanigheid hief hij eene soort van schatting, welke hij even geregeld ontving, als andere grondeigenaars hunne huurpenningen. Een bestaan zoo als hij leidde, zou men denken, moest een gewelddadig einde genomen hebben, maar neen! op hoogen ouderdom is hij een vreedzamen dood gestorven, in het jaar 1773. Nog steeds leeft hij in de nagedachtenis zijner landgenooten voort als Robbert Hood van Schotland, de schrik der rijken, maar de vriend der armen. Hij was een man, die edele, achtenswaardige hoedanigheden van verstand en hart bezat. Een minder dubbelzinnig bedrijf dan dat, waartoe het noodlot hem veroordeeld had, ja, een eereambt in de wereld had door hem vervuld kunnen worden. Hij bezat er gemoed en verstand voor.Mijn ouden Andries hebt gij als tuinier in het kasteel Osbaldistone nog gekend. Die placht te zeggen: »Je kunt soms menschen in de wereld hebben, die eigenlijk veel te veel slechts doen, om ze te zegenen, en die toch veel te braaf zijn, om ze te vloeken.” Robbert Roodhaar was zulk een mensch.EINDE.

HOOFDSTUK XXXIX.Doch d’ hand van ’t ruwe noodlot trekt het gordijn omhoog,Een vreemd tooneel verschijnt voor ’t oog.Don Sebastiaan.Ik was alleen, maar als ’t ware bedwelmd, en daarbij moedeloos. Het gemoed, dat gehecht is aan afwezige geliefde voorwerpen, geeft daaraan niet alleen de schoonste vormen, maar ook zulke, waarin zij hen het liefste ziet. Diana’s beeld stond voor mijn geest, zoo als zij was, toen haar afscheidstraan op mijne wang viel; toen haar geschenk, dat ik door Mac-Gregor’s vrouw ontving, mij haren wensch verried, de herinnering mijner liefde naar de kloosterlijke eenzaamheid mede te nemen. Ik zag haar, en hare koele onderwerping, die weinig meer dan stille zwaarmoedigheid uitdrukte, verstoorde, ja beleedigde mij. Mijne eigenliefde beschuldigde haar van onverschilligheid. Ik verweet haren vader, trots, wreedheid, dweepzucht. Ik vergat dat beiden hun goed en bloed, ja, Diana ook haar hart opofferde aan dat, wat zij voor hun plicht hielden.Vernon was een ijverig Katholiek, die den weg des heils voor te eng hield, dan dat een ketter daarop zou hebben kunnen wandelen. Voor Diana was haars vaders veiligheid sedert vele jaren de eenige drijfveer van haar denken, haar hopen, haar handelen. Zij meende nu haren plicht vervuld te hebben, als zij niet alleen haar wereldlijk eigendom, maar ook de dierbaarste neigingen van haar hart aan zijn wil opofferde. Het was niet te verwonderen, dat ik op dit oogenblik niet in staat was, al die waarlijk eervolle beweegredenen behoorlijk te waardeeren; maar toch kon mijne misnoegdheid mij tot niets onedels verleiden.»Zoo, zoo, men versmaadt mij,” zeide ik tot mij zelven, toen ik Vernon’s woorden overwoog—»men versmaadt mij. Men acht mij zelfs onwaardig met haar te spreken. Goed, het zij zoo. Dat zal mij niet beletten, voor hare veiligheid te zorgen. Hier zal ik de wacht houden, en zoo lang zij zich onder mijn dak bevindt, zal geen gevaar haar genaken, als de arm van een vastberaden man in staat is, om haar te verdedigen.”Ik riep Syddall binnen. Hij kwam, maar vergezeld van den lastigen Andries, die, sedert ik bezit van het kasteel had genomen, van zijn eigen gewicht vervuld was, en besloten scheen te hebben, niet te verzuimen zich bij elke gelegenheid voorop te plaatsen. Maar zoo als het dikwijls met baatzuchtige oogmerken gaat, het miste zijn doel. Zijne oplettendheden verveelden en wekten afkeer.En nu werd ik door zijne, nu ongevraagde, tegenwoordigheid belet, openhartig met Syddall te spreken. Ik durfde den ongeroepen getuige niet wegzenden, uit vrees van den argwaan te vermeerderen, dien ik misschien reeds wakker gemaakt had, toen ik hem zoo plotseling de boekenkamer deed verlaten.»Syddall! Ik zal hier slapen,” zeide ik. Ik gaf hem bevel om een ouderwetsche rustbank wat dichter bij het vuur te plaatsen. »Ik heb nog wat te doen, en zal dus eerst laat ter ruste gaan.”Syddall, die mijn wenk scheen te verstaan, wilde mij een matras en een bed geven. Ik nam zijn aanbod aan, en zond mijn bediende weg. Ik beval hem mij den volgenden morgen niet vóór zeven uren te wekken.Toen ik alleen was, gaf ik mij geheel aan mijne sombere overdenkingen over, wachtend op het oogenblik, waarop de uitgeputte natuur rust zou eischen. Ik wendde alle pogingen aan, om mijne gedachten af te trekken van den zonderlingen toestand, waarin ik mij bevond. Die gevoelens, die ik, zoolang het voorwerp mijner liefde verwijderd was, dapper bestreden had, werden thans weder meer geprikkeld. Ik was immers dicht in de nabijheid van haar, van wie ik weldra voor altijd zou gescheiden worden. Haar naam stond in elken regel van elk boek; ik trachtte te lezen. Hare beeltenis trad voor mijne ziel, zoo dikwijls ik aan iets anders wilde denken.Nu eens gaf ik mij aan deze gedachten over, dan weder trachtte ik ze te bestrijden. Soms verloor ik mij in eene wegslepende weemoedigheid, dan weder wapende ik mij met eene zekere fierheid, des te sterker, nu zij zich door onverdiende minachting beleedigd gevoelde. Ik wandelde de bibliotheek op en neer tot ik onder al die aandoeningen in eene koortsachtige onrust was geraakt. Eindelijk wierp ik mij gekleed op het bed. Maar te vergeefs trachtte ik in te sluimeren. Vruchteloos hield ik mij, zonder een enkel lid te verroeren, doodstil. Ik poogde den verontrustenden gedachtenloop te wijzigen, te verbannen, door onophoudelijk zekere woorden te herhalen, of mij met een rekenkundig vraagstuk bezig te houden. Mijn bloed vloeide als vuur door mijne aderen, en mijn pols sloeg hevig.Ten slotte stond ik op, opende het venster en keek naar buiten in den door de maan helder beschenen nacht. De koelte en zachte stilte daarbuiten verkwikten mij, en deden den storm in mijne ziel eenigszins bedaren. Toen ik mij weder ter ruste legde, gevoelde ik mij kalmer. Weldra bekroop mij de sluimer. Maar het pijnlijke gevoel van mijn toestand bleef mij steeds bij, ook in den diepen slaap. Verschrikkelijke droomen folterden mij. Een van die ontzettende droombeelden herinner ik mij thans nog zeer duidelijk. Ik bevond mij met Diana in de macht van Mac-Gregor’s vrouw, en wij zouden van eene rots in zee gestort worden. Het teeken werd door het schot van een kanon gegeven, hetwelk Vernon, in kardinaalskleeding, liet losbranden. Nog op dit oogenblik zou ik het tooneel kunnen afschilderen—de zwijgende, moedige onderwerping op Diana’s gelaat, de woeste, ijselijke gelaatstrekken der beulen, die met steeds wisselend grijnzen van het gelaat rondom ons heendrongen. Ik zag de harde, onbuigzame godsdienstdweeperij op het gelaat des vaders: ik zag hem de lont opheffen. Het teeken des doods klonk, vele malen herhaald door de echo der omliggende rotsen, en—ik ontwaakte uit mijn ingebeelden schrik, om werkelijken angst te ondervinden.Want zie, ook wakende hoorde ik de geluiden, die mij in den droom verschrikt hadden. Wel duurde het een paar minuten, eer ik mij geheel herstellen en genoegzaam onderscheiden kon, dat er hevig aan de voorpoort werd geklopt. Ontsteld sprong ik op, nam mijn degen onder den arm en spoedde mij naar buiten, om iedereen den toegang te beletten. Ik moest echter een grooten omweg nemen, omdat de bibliotheek niet aan de voorzijde van het kasteel lag, maar op den tuin uitkwam, waarvan de vensters op het voorplein uitzagen. Daar hoorde ikSyddall’szwakke en benauwde stem in woordenwisseling met eenige ruwe mannen, die, krachtens een bevel des rechters Standish en in naam des konings, eischten binnengelaten te worden, en den ouden bediende met de zwaarste straf bedreigden, als hij hun gehoorzaamheid weigerde. Plotseling deed zich, tot mijn grootst verdriet, de stem van Andries hooren, die den ouden Syddall beval ter zijde te gaan, en zelf de deur openen wilde.»Komen zij,” zeide hij, »in ’s konings naam, dan hebben wij niets te vreezen. Immers hebben wij voor hem goed en bloed opgeofferd. Waarlijk, wij behoeven ons niet schuil te houden als andere lieden, mijnheer Syddall! wij zijn noch Papisten, noch Jakobieten.”Vruchteloos snelde ik met verdubbelde schreden de trap af. De dienstvaardige Andries schoof de grendels weg, terwijl hij onophoudelijk op zijne en zijns meesters getrouwheid jegens den koning roemde. Ik zag in, dat de gerechtsdienaren binnen zouden zijn, eer ik de grendels weder vóór de deur kon schuiven. Ik stelde de harde tuchtiging, die ik den voorbarigen kerel toedacht, uit, snelde terug naar de boekenkamer, sloot de deur zoo goed ik kon, en klopte, terwijl ik driftig bad om binnengelaten te worden, aan die, welke tot Diana’s en haars vaders kamer leidde. Diana opende de deur zelve: zij was geheel aangekleed, noch onrust, noch vrees bezielde haar, zij was uiterst kalm.»Wij zijn zoo vertrouwd met het gevaar,” zeide zij, »dat wij er steeds op voorbereid zijn. Mijn vader is reeds ontwaakt en bevindt zich in Rashleigh’s kamer. Wij spoeden ons naar den tuin, vervolgens door de achterdeur naar het bosch.—In geval van nood, heb ik mij den sleutel door Syddall doen geven. Niemand kent de wegen doorhet bosch beter dan ik. Houd hen slechts een paar minuten op. En nu, waarde Frans, nog eenmaal, vaarwel!”Zij verdween als eene geestverschijning, om zich met haar vader weg te spoeden. Men klopte heftig op de deur en poogde ze met geweld te openen, toen ik in de bibliotheek terugkwam.»Rooversgespuis!” riep ik, opzettelijk het doel van hunne gewelddadigheid verkeerd uitleggende; »verlaat terstond dit kasteel, of ik schiet op u, door de deur heen.”»Gekheid!” riep Andries mij toe. »Het is immers mijnheer Jobson met een gerechtelijk bevel.…”»Ja mijnheer, ik heb bevel het kasteel te doorzoeken, tot het aanhouden en arresteeren van zekere personen,” hoorde ik den ellendigen rechtsverdraaier zeggen, »zekere personen, genoemd en aangeduid in mijn bevelvan aanhouding, als schuldig aan hoogverraad, krachtens de verordening uit het dertiende jaar der regeering van koning Willem, in het derde kapittel.”En hij klopte op nieuw met verdubbelde heftigheid.—»Ik sta op,” riep ik, om zoo veel mogelijk tijd te winnen. »Pleegt toch geen geweld! Eerst moet ik uw bevel van arrest zien. Vind ik het wettig, dan zal ik mij niet verzetten.”»God zegene den grooten koning George!” zeide Andries. »Ik heb het u immers gezegd, dat gij hier geene Jakobieten vinden zoudt.”Ik draalde zoo lang mogelijk, tot ik mij eindelijk genoodzaakt zag om de deur te openen, die men anders zeer zeker zou opengeloopen hebben.Jobson trad binnen, vergezeld van eenige handlangers, onder wie ik denzelfden knaap opmerkte, dien Syddall bij mij verdacht had gemaakt, en die waarschijnlijk de verklikker was geweest. Jobson toonde mij zijn bevel van aanhouding, dat niet alleen Frederik Vernon, een overtuigden verrader, maar ook Diana Vernon en Frans Osbaldistone, wegens het niet aangeven van een hun bekenden verrader, betrof. Tegenstand zou razernij geweest zijn, en nadat ik nog een paar minuten uitstel had verzocht, gaf ik mij gevangen.Nu begaf Jobson zich tot mijn verdriet naar Diana’s kamer, en ik hoorde dat hij vervolgens, zonder zich te bedenken of te zoeken, naar de kamer ging, waarin zich haar vader bevond, of ten minste zich ter ruste had begeven.—»Het wild is ontsnapt!” zeide hij, »maar het nest is nog warm. Onze speurhonden zullen het wel spoedig bij den nek krijgen.”Een angstkreet in den tuin overtuigde mij, dat hij gelijk had. Weinige oogenblikken daarna trad Rashleigh met Diana en Vernon, als gevangenen, in de kamer.—»De vos,” zeide hij, »kent zijn hol nog, maar hij heeft vergeten, dat een schrander jager het dicht kan maken. Ik had de tuindeur niet vergeten, edele lord Beauchamp, zoo als gij u toch gaarne hoort noemen.”»Rashleigh,” antwoordde Vernon, »gij zijt een ellendige verrader!”»Dezen naam, mijnheer de ridder of mylord, verdiende ik vroeger, toen ik onder de leiding van een bekwamen leermeester, de fakkel van den burgeroorlog in een vreedzaam land trachtte te ontsteken. Maar ik heb mijn best gedaan,” vervolgde hij, met een blik ten hemel, »om mijne dwalingen te herstellen.”Ik kon mij niet langer bedwingen. Wel had ik mij voorgenomen zwijgend toeschouwer te blijven. Maar ik gevoelde, dat ik spreken moest, al was er de dood mee gemoeid.»Waarachtig!” riep ik, »ik geloof niet dat de hel een akeliger duivelsgestalte heeft, dan die van laagheid en gemeenheid onder het masker van huichelarij.”»Aha, mijnheer en neef!” zeide Rashleigh, en nam eene kaars van de tafel, om mij van het hoofd tot de voeten te bezien. »Van harte welkomop het kasteel Osbaldistone! Dat ge boos zijt, kan ik u licht vergeven. Het is zeker hard, zeer hard, eene geliefde en een landgoed in éénen nacht te verliezen; want wij zullen van dit kasteel en zijn toebehooren bezit nemen in naam van den wettigen erfgenaam, Rashleigh Osbaldistone.”Ik zag dat Rashleigh, terwijl hij op zulk een trotschen toon sprak, spijt en schaamte gevoelde, maar onderdrukte. Ja, nog veel merkbaarder werd die gemoedsstemming, toen Diana kalm tot hem sprak: »Rashleigh, ik heb medelijden met u. Zeker, groot is het ongeluk, waarin gij mij wildet storten. Het kwaad dat gij doet is veel. En toch kan ik u niet zoo sterk haten als verachten. Wat gij thans gedaan hebt, is het werk van eenige weinige oogenblikken. Maar gij zult er uw gansche leven aan denken. Hoe? dat laat ik over aan uw geweten. Het zal niet altijd sluimeren, het zal u martelen, lafaard!”Een paar maal ging Rashleigh met groote schreden de kamer op en neer. Toen hij bij de tafel kwam, waarop de wijn nog stond, schonk hij met eene bevende hand een vol glas in. Hij zag dat wij zijn beven bemerkten. Hij kon dit met eene krachtige poging onderdrukken en bracht, terwijl hij ons met een vast en driest oog aanstaarde, het glas aan zijn mond, zonder een enkel dropje te storten.»Het is mijns vaders oude Bourgonje!” zeide hij, Jobson aanziende. »Het doet me pleizier dat ik er nog wat van vind. Ik verzoek u, geschikter lieden te benoemen, om in mijn naam voor het kasteel en mijn eigendom zorg te dragen. Dezen ouden sukkel en dien Schotschen gek kunt gij de deur wijzen. Intusschen zullen wij de gevangenen in verzekerde bewaring brengen. Ik heb de oude familiekoets doen inspannen,” vervolgde hij, »ofschoon ik wel weet, dat onze waarde freule Vernon het ook te voet of te paard in de nachtlucht zou kunnen doen, als maar de reis meer naar haren zin was.”Andries wrong de handen. »Ik zeide immers maar,” stamelde hij, »dat mijnheer zeker met een spook in de boekenkamer gesproken had—en die ellendeling daar gaat een oud vriend verraden, die zoo vele jaren elken Zondag uit één boek met hem tot God gebeden heeft!”Men liet hem zijn klaaglied niet eindigen, maar wierp hem met Syddall het huis uit. Dit wegjagen bleef echter niet zonder gewichtige gevolgen. Besloten, om zich naar een oud bekende in het dorp te begeven, bij wien hij een nachtverblijf hoopte te vinden, had hij juist de groote laan achter zich, en was op een stuk weiland gekomen, toen hij plotseling eene kudde Schotsch vee ontmoette, die zich daar voor dien nacht gelegerd had. De tuinier verwonderde zich daarover niet; de gewoonte der Schotsche veehandelaars, om op deze wijze een goedkoop nachtverblijf op de eerste de beste grasvlakte te zoeken, was hem genoeg bekend. Maar hij werd niet weinig onthutst, toen een Hooglander opsprong, hem beschuldigde, dat hij het vee gestoord had, en hem niet verder wilde laten gaan, voordat hij met zijn baas zougesprokenhebben. De Hooglander bracht den doodelijk ontstelden man in een boschje, waar hij nog drie of vier van zijne landslieden vond.—»Ik zag al heelspoedig,” zeide Andries, »dat er voor eene kudde veel te veel mannen waren, en aan hunne vragen merkte ik wel, dat zij geheel iets anders op het oog hadden, dan zij voorwendden.”Zij vroegen hem naar al, wat er op het kasteel voorgevallen was, en schenen zeer bekommerd, toen zij zijn getrouw verhaal aangehoord hadden. »Waarlijk,” bekende Andries, »ik verzweeg niets aan mannen, die met dolk en pistool gewapend waren.” Daarop spraken zij zacht met elkander en dreven eindelijk hun vee naar het einde der groote laan, zoo wat tien minuten van het huis. Vervolgens sleepten zij eenige gevelde boomen bijeen, die in de nabijheid in het rond lagen, en maakten daarvan eene versperring op den weg.De dag begon aan te breken. Een flauw schijnsel in het Oosten vermengde zich met het meer en meer verbleekende maanlicht. Men kon alle voorwerpen reeds tamelijk goed onderscheiden. Het ratelend geluid van eene koets, die door vier paarden getrokken en door zes man te paard begeleid werd, deed zich in de groote laan hooren. De Hooglanders luisterden opmerkzaam. In de koets zat Jobson met zijne ongelukkige gevangenen. Het geleide bestond uit Rashleigh en eenige andere ruiters. Nauwelijks waren wij de laan ten einde, of het rijtuig werd opgehouden door het vee, waar tusschen wij reden, en door de boomstammen. Twee ruiters stegen af, om de boomen uit den weg te ruimen, die zij wellicht dachten, dat uit slordigheid waren blijven liggen, terwijl de anderen met hunne sabels het vee wegjoegen.»Wat is dat? Wie waagt het daar ons vee kwaad te doen,” riep eene ruwe stem. »Schiet hem neer, Angus!”»Verraad!” riep Rashleigh. »Men wil hen bevrijden!” en schoot zijn pistool af op den man die gesproken had.»Met de sabel er op in!” riep de bevelhebber der Hooglanders, en het gevecht begon terstond. De gerechtsdienaars, geheel verbluft door den plotselingen aanval, en over het algemeen niet al te dapper, verdedigden zich slechts zwak, hoewel zij de overmacht aan hun kant hadden. Eenigen van hen wilden naar het kasteel terugrijden, maar toen zij ook daarin door verscheidene geweerschoten, die er van alle kanten vielen, verhinderd werden, meenden zij geheel omsingeld te zijn en vluchtten langs verschillende wegen. Intusschen was Rashleigh afgestegen en vocht te voet woedend tegen den aanvoerder der bende. Uit het portier der koets aanschouwde ik het gevecht. Eindelijk viel Rashleigh.»Ik vraag u, wilt gij om vergeving smeeken in naam van God, van Jakobus en van de oude vriendschap?” riep eene stem, welke ik maar al te goed kende.»Neen, nooit!” antwoordde Rashleigh op vasten toon.»Zoo sterf dan, verrader!” riep Mac-Gregor en stiet den gevallene het zwaard in de borst.Een oogenblik later stond hij aan het portier der koets. Hij hielp Diana er uit en reikte haren vader en mij, bij het uitstijgen, de hand, en rukte er toen Jobson uit, dien hij onder den wagen wierp.»Mijnheer Osbaldistone,” zeide hij zacht, »gij hebt niets te vreezen. Ik moet waken over hen, die in gevaar zijn. Uwe vrienden zullen weldra in veiligheid wezen. Vaarwel! Denk aan Mac-Gregor!”Hij floot. Dadelijk schaarden zich zijne makkers rondom hem. Zij namen Diana en Vernon in hun midden en verdwenen met hen in het bosch. De koetsier had zijne paarden in den steek gelaten, toen het schieten begon; maar de paarden, door de boomen belemmerd, bleven bedaard staan, tot geluk van Jobson, die bij de minste beweging overreden zou zijn geworden. Mijne eerste gedachte was, hem bij te staan. Want hij was door den schrik dermate bedwelmd, dat hij buiten staat was, zich zelven te helpen. Maar eerst riep ik hem toe, wel op te merken, en zoo noodig te getuigen, dat ik noch eenig deel aan de bevrijding der gevangenen gehad, noch zelf eenige poging aangewend had om te ontvluchten. Toen gaf ik hem te kennen, dat hij zich naar het kasteel kon begeven en eenige van zijne aldaar achtergebleven handlangers kon roepen, ten einde de gekwetsten bij te staan. Maar Jobson was door den schrik zoo verlamd, dat hij zich niet kon verroeren. Nu besloot ik zelf te gaan, maar struikelde dadelijk over iets, dat ik eerst voor een lijk hield. Het was Andries, frisch en gezond: hij had deze houding verkozen, om de sabelhouwen en geweerschoten te ontgaan, die elk oogenblik in allerlei richtingen vielen. Het verheugde mij zeer, hem te vinden, zoodat ik niet eens vroeg hoe hij daar gekomen was, maar hem terstond beval mij hulp te verleenen.De eerste die hulp behoefde was Rashleigh. Hij steunde zwaar, toen ik hem naderde, en sloot de oogen, alsof hij zich voorgenomen had, nooit weder te spreken. Wij droegen hem in de koets, en bewezen een anderen gekwetste, die nog op den grond lag, gelijken bijstand. Met moeite overreedde ik Jobson in de koets plaats te nemen, ten einde Rashleigh te ondersteunen, en nu begaven wij ons terug naar het kasteel. Eenige der vluchtelingen waren langs zijwegen daar al aangekomen. Zij hadden de bezetting schrik aangejaagd door het bericht, dat Rashleigh, Jobson en al die hen begeleid hadden, door een hoop woeste Hooglanders in stukken gehouwen waren. Een dof gegons als van een verontruste bijenkorf verkondigde ons de gejaagdheid in het kasteel, toen wij ons in de nabijheid daarvan bevonden. Jobson, die zich thans vrij wel hersteld had, kondigde zich met luider stem aan. Hij was des te ongeduldiger, om uit de koets verlost te worden, daar een van zijne handlangers zoo even naast hem aan de gevolgen gestorven was, ten gevolge zijner wonden.Rashleigh leefde nog, maar was ook doodelijk gekwetst. Men bracht hem in het kasteel, waar men hem in een leunstoel plaatste, terwijl sommigen het bloed, dat rijkelijk uit de wonde vloeide, poogden te stelpen en anderen bevalen, een heelmeester te halen.»Plaagt mij niet meer,” riep de gewonde: »voor mij is geen hulp meer. Ik sterf.”Hij richtte zich in den stoel op, hoewel het doodzweet reeds zijn voorhoofd bedekte, en zeide met eene vastheid van stem, die hem zeer veel inspanning scheen te kosten: »Neef Frans, kom bij mij!”Ik naderde hem.—»Ik wilde u alleen maar zeggen,” vervolgde hij, »dat zelfs de doodsangst mijne gezindheid jegens u niet verandert. Ik haat u!” riep hij met hevigheid. En wraakzucht deed het vuur in het reeds brekend oog nog eenmaal ontvlammen. »Ik haat u met zulk een onverzoenlijken haat, dat dood noch graf dien ooit kunnen uitwisschen.”»Ik heb u daartoe geen reden gegeven,” hernam ik. »Om uwent wil zou ik u toewenschen, dat gij in kalmer stemming den dood tegemoet gingt.”»Het is wel waar!—gij hebt mij wel reden,—gegronde redengegeven—u te haten,” hernam Rashleigh hijgend. »Gij hebt mij overal—gedwarsboomd,—in de liefde—op den weg mijner eerzucht—in mijn eigenbelang—bij elke schrede—die ik doen wilde,—overal.—Ik werd geboren—om het sieraad—van mijn geslacht te worden,—Wat ben ik?—zijne—schande.—Dat—is uwe schuld!—Mijne erfenis—is de uwe—welnu—neem haar,—neem haar!—De vloek—van een stervende—blijve er—aan verbonden—vloek!”En met dit woord viel hij achterover in zijn stoel. Zijn oog brak, maar op de ontzielde trekken zag men nog duidelijk het grijnzen van den haat. Ik wendde mij van het afzichtelijke beeld af. Van Rashleigh’s dood heb ik niets meer te zeggen, dan dat mijn erfrecht thans onbetwist was. Jobson moest zelf bekennen, dat de aanklacht wegens het niet aangeven van een hoogverrader, alleen op Rashleigh’s verlangen was gedaan, ten einde mij uit het kasteel te verwijderen. Ook dezen Jobson haalde de straf spoedig in. Hij werd van zijn ambt ontzet, en hij verviel in armoede en sleepte een ellendig bestaan voort.Zoodra ik mijne zaken in orde had gebracht, keerde ik terug naar Londen. Ik verliet gaarne eene plaats, die zooveel pijnlijke herinneringen in mij opwekte. Lang was ik in angstige onzekerheid omtrent Diana’s lot, tot een Fransche koopman mij een brief van haar bracht, waardoor ik omtrent haar en haars vaders veiligheid gerust werd gesteld.Ik had reden uit den inhoud van dien brief de zekerheid te krijgen, dat de plotselinge verschijning van Mac-Gregor en diens bende, volstrekt niet toevallig was geweest. De Schotsche edellieden, die aan den opstand deel hadden genomen, waren vooral er op bedacht, om Vernon’s vlucht te bevorderen. Als een oud, vertrouwd aanhanger der Stuarts, zou hij zeer licht een groot gedeelte van den Schotschen adel met zich in het verderf kunnen sleepen. Robbert, op wiens sluwheid en moed men rekenen kon, werd gekozen, om Vernon’s bevrijding te bewerken. Het kasteel Osbaldistone werd als de plaats der bijeenkomst bestemd. De onderneming gelukte volkomen. Vernon en zijne dochter vonden op eenigen afstand van het kasteel paarden gereed, en kwamen, onder Robbert’s geleide, veilig in eene der westelijke havens, waar zij zich naar Frankrijk inscheepten. Ook verhaalde de koopman mij, dat Vernon door tering was aangetast, het gevolg van lijden en rampspoed, ja, dat hij nauwelijks nog eenige weinige maanden zou kunnen leven. Zijne dochter woonde in een klooster, waar zij volgens haars vaders wensch later de gelofte zou afleggen.Toen ik deze berichten ontving, ontdekte ik mijn vader onbewimpeldden toestand van mijn gemoed. Hij was wel onthutst bij het denkbeeld, dat ik met eene Roomsch-Katholieke vrouw wilde huwen, maar hij wenschte mij, voor mijn volgend leven, gelijk hij zich uitdrukte, op een vasten voet ingericht te zien. En hij stelde het zeer op prijs, dat ik met mijne ijverige deelneming aan zijne handelszaken, hem mijne neiging als het ware, opgeofferd had. Na een kort beraad, en na verscheidene vragen, die ik tot zijne tevredenheid beantwoordde, zeide hij: »Nu, zou ik waarlijk nooit gedroomd hebben, dat mijn zoon eigenaar van het kasteel Osbaldistone zou worden, maar nog minder, dat hij zijne bruid uit een Fransch klooster halen zou. Welaan! ik geef mijne toestemming. Eene zoo brave dochter, moet ook eene brave vrouw zijn. Gij hebt, mij ten gevalle, in het kantoor gearbeid, Frans. Het is billijk, dat ik u vrij laat in de keuze eener vrouw. God geve u geluk!”Waarde Tresham, hoe voorspoedig het met mijn aanzoek afliep, en hoe spoedig ik het jawoord kreeg, dat is niet noodig u te vertellen. Dat weet gij. Gij weet ook, dat ik lang en gelukkig met Diana geleefd,—gij weet hoe ik haar beweend heb, toen ik haar door den dood moest verliezen. Maar gij moet weten, hoe ten volle zij die tranen verdiende, hoe edel zij was en hoe trouw!Mijne romantische avonturen zijngeëindigd. De latere gebeurtenissen van mijn leven zijn u, mijn vriend, wel bekend. U, die met zooveel deelneming de genoegens en de stormen, welke elkander in mijn leven afwisselden, met mij gedeeld heeft. Vaak begaf ik mij naar Schotland. Nooit heb ik den koenen Hooglander weder gezien, die op mijne vroegere lotgevallen zulk een grooten invloed uitgeoefend had; wel vernam ik van tijd tot tijd, dat hij zich voortdurend in zijn gebied aan de bergachtige oevers van Loch-Lomond handhaafde, ja, dat hij zelfs zooveel toegevendheid van den kant der regeering genoot, dat hij de rol van beschermer van het graafschap Lennox spelen kon. In die hoedanigheid hief hij eene soort van schatting, welke hij even geregeld ontving, als andere grondeigenaars hunne huurpenningen. Een bestaan zoo als hij leidde, zou men denken, moest een gewelddadig einde genomen hebben, maar neen! op hoogen ouderdom is hij een vreedzamen dood gestorven, in het jaar 1773. Nog steeds leeft hij in de nagedachtenis zijner landgenooten voort als Robbert Hood van Schotland, de schrik der rijken, maar de vriend der armen. Hij was een man, die edele, achtenswaardige hoedanigheden van verstand en hart bezat. Een minder dubbelzinnig bedrijf dan dat, waartoe het noodlot hem veroordeeld had, ja, een eereambt in de wereld had door hem vervuld kunnen worden. Hij bezat er gemoed en verstand voor.Mijn ouden Andries hebt gij als tuinier in het kasteel Osbaldistone nog gekend. Die placht te zeggen: »Je kunt soms menschen in de wereld hebben, die eigenlijk veel te veel slechts doen, om ze te zegenen, en die toch veel te braaf zijn, om ze te vloeken.” Robbert Roodhaar was zulk een mensch.EINDE.

HOOFDSTUK XXXIX.Doch d’ hand van ’t ruwe noodlot trekt het gordijn omhoog,Een vreemd tooneel verschijnt voor ’t oog.Don Sebastiaan.

Doch d’ hand van ’t ruwe noodlot trekt het gordijn omhoog,Een vreemd tooneel verschijnt voor ’t oog.Don Sebastiaan.

Doch d’ hand van ’t ruwe noodlot trekt het gordijn omhoog,Een vreemd tooneel verschijnt voor ’t oog.

Doch d’ hand van ’t ruwe noodlot trekt het gordijn omhoog,

Een vreemd tooneel verschijnt voor ’t oog.

Don Sebastiaan.

Ik was alleen, maar als ’t ware bedwelmd, en daarbij moedeloos. Het gemoed, dat gehecht is aan afwezige geliefde voorwerpen, geeft daaraan niet alleen de schoonste vormen, maar ook zulke, waarin zij hen het liefste ziet. Diana’s beeld stond voor mijn geest, zoo als zij was, toen haar afscheidstraan op mijne wang viel; toen haar geschenk, dat ik door Mac-Gregor’s vrouw ontving, mij haren wensch verried, de herinnering mijner liefde naar de kloosterlijke eenzaamheid mede te nemen. Ik zag haar, en hare koele onderwerping, die weinig meer dan stille zwaarmoedigheid uitdrukte, verstoorde, ja beleedigde mij. Mijne eigenliefde beschuldigde haar van onverschilligheid. Ik verweet haren vader, trots, wreedheid, dweepzucht. Ik vergat dat beiden hun goed en bloed, ja, Diana ook haar hart opofferde aan dat, wat zij voor hun plicht hielden.Vernon was een ijverig Katholiek, die den weg des heils voor te eng hield, dan dat een ketter daarop zou hebben kunnen wandelen. Voor Diana was haars vaders veiligheid sedert vele jaren de eenige drijfveer van haar denken, haar hopen, haar handelen. Zij meende nu haren plicht vervuld te hebben, als zij niet alleen haar wereldlijk eigendom, maar ook de dierbaarste neigingen van haar hart aan zijn wil opofferde. Het was niet te verwonderen, dat ik op dit oogenblik niet in staat was, al die waarlijk eervolle beweegredenen behoorlijk te waardeeren; maar toch kon mijne misnoegdheid mij tot niets onedels verleiden.»Zoo, zoo, men versmaadt mij,” zeide ik tot mij zelven, toen ik Vernon’s woorden overwoog—»men versmaadt mij. Men acht mij zelfs onwaardig met haar te spreken. Goed, het zij zoo. Dat zal mij niet beletten, voor hare veiligheid te zorgen. Hier zal ik de wacht houden, en zoo lang zij zich onder mijn dak bevindt, zal geen gevaar haar genaken, als de arm van een vastberaden man in staat is, om haar te verdedigen.”Ik riep Syddall binnen. Hij kwam, maar vergezeld van den lastigen Andries, die, sedert ik bezit van het kasteel had genomen, van zijn eigen gewicht vervuld was, en besloten scheen te hebben, niet te verzuimen zich bij elke gelegenheid voorop te plaatsen. Maar zoo als het dikwijls met baatzuchtige oogmerken gaat, het miste zijn doel. Zijne oplettendheden verveelden en wekten afkeer.En nu werd ik door zijne, nu ongevraagde, tegenwoordigheid belet, openhartig met Syddall te spreken. Ik durfde den ongeroepen getuige niet wegzenden, uit vrees van den argwaan te vermeerderen, dien ik misschien reeds wakker gemaakt had, toen ik hem zoo plotseling de boekenkamer deed verlaten.»Syddall! Ik zal hier slapen,” zeide ik. Ik gaf hem bevel om een ouderwetsche rustbank wat dichter bij het vuur te plaatsen. »Ik heb nog wat te doen, en zal dus eerst laat ter ruste gaan.”Syddall, die mijn wenk scheen te verstaan, wilde mij een matras en een bed geven. Ik nam zijn aanbod aan, en zond mijn bediende weg. Ik beval hem mij den volgenden morgen niet vóór zeven uren te wekken.Toen ik alleen was, gaf ik mij geheel aan mijne sombere overdenkingen over, wachtend op het oogenblik, waarop de uitgeputte natuur rust zou eischen. Ik wendde alle pogingen aan, om mijne gedachten af te trekken van den zonderlingen toestand, waarin ik mij bevond. Die gevoelens, die ik, zoolang het voorwerp mijner liefde verwijderd was, dapper bestreden had, werden thans weder meer geprikkeld. Ik was immers dicht in de nabijheid van haar, van wie ik weldra voor altijd zou gescheiden worden. Haar naam stond in elken regel van elk boek; ik trachtte te lezen. Hare beeltenis trad voor mijne ziel, zoo dikwijls ik aan iets anders wilde denken.Nu eens gaf ik mij aan deze gedachten over, dan weder trachtte ik ze te bestrijden. Soms verloor ik mij in eene wegslepende weemoedigheid, dan weder wapende ik mij met eene zekere fierheid, des te sterker, nu zij zich door onverdiende minachting beleedigd gevoelde. Ik wandelde de bibliotheek op en neer tot ik onder al die aandoeningen in eene koortsachtige onrust was geraakt. Eindelijk wierp ik mij gekleed op het bed. Maar te vergeefs trachtte ik in te sluimeren. Vruchteloos hield ik mij, zonder een enkel lid te verroeren, doodstil. Ik poogde den verontrustenden gedachtenloop te wijzigen, te verbannen, door onophoudelijk zekere woorden te herhalen, of mij met een rekenkundig vraagstuk bezig te houden. Mijn bloed vloeide als vuur door mijne aderen, en mijn pols sloeg hevig.Ten slotte stond ik op, opende het venster en keek naar buiten in den door de maan helder beschenen nacht. De koelte en zachte stilte daarbuiten verkwikten mij, en deden den storm in mijne ziel eenigszins bedaren. Toen ik mij weder ter ruste legde, gevoelde ik mij kalmer. Weldra bekroop mij de sluimer. Maar het pijnlijke gevoel van mijn toestand bleef mij steeds bij, ook in den diepen slaap. Verschrikkelijke droomen folterden mij. Een van die ontzettende droombeelden herinner ik mij thans nog zeer duidelijk. Ik bevond mij met Diana in de macht van Mac-Gregor’s vrouw, en wij zouden van eene rots in zee gestort worden. Het teeken werd door het schot van een kanon gegeven, hetwelk Vernon, in kardinaalskleeding, liet losbranden. Nog op dit oogenblik zou ik het tooneel kunnen afschilderen—de zwijgende, moedige onderwerping op Diana’s gelaat, de woeste, ijselijke gelaatstrekken der beulen, die met steeds wisselend grijnzen van het gelaat rondom ons heendrongen. Ik zag de harde, onbuigzame godsdienstdweeperij op het gelaat des vaders: ik zag hem de lont opheffen. Het teeken des doods klonk, vele malen herhaald door de echo der omliggende rotsen, en—ik ontwaakte uit mijn ingebeelden schrik, om werkelijken angst te ondervinden.Want zie, ook wakende hoorde ik de geluiden, die mij in den droom verschrikt hadden. Wel duurde het een paar minuten, eer ik mij geheel herstellen en genoegzaam onderscheiden kon, dat er hevig aan de voorpoort werd geklopt. Ontsteld sprong ik op, nam mijn degen onder den arm en spoedde mij naar buiten, om iedereen den toegang te beletten. Ik moest echter een grooten omweg nemen, omdat de bibliotheek niet aan de voorzijde van het kasteel lag, maar op den tuin uitkwam, waarvan de vensters op het voorplein uitzagen. Daar hoorde ikSyddall’szwakke en benauwde stem in woordenwisseling met eenige ruwe mannen, die, krachtens een bevel des rechters Standish en in naam des konings, eischten binnengelaten te worden, en den ouden bediende met de zwaarste straf bedreigden, als hij hun gehoorzaamheid weigerde. Plotseling deed zich, tot mijn grootst verdriet, de stem van Andries hooren, die den ouden Syddall beval ter zijde te gaan, en zelf de deur openen wilde.»Komen zij,” zeide hij, »in ’s konings naam, dan hebben wij niets te vreezen. Immers hebben wij voor hem goed en bloed opgeofferd. Waarlijk, wij behoeven ons niet schuil te houden als andere lieden, mijnheer Syddall! wij zijn noch Papisten, noch Jakobieten.”Vruchteloos snelde ik met verdubbelde schreden de trap af. De dienstvaardige Andries schoof de grendels weg, terwijl hij onophoudelijk op zijne en zijns meesters getrouwheid jegens den koning roemde. Ik zag in, dat de gerechtsdienaren binnen zouden zijn, eer ik de grendels weder vóór de deur kon schuiven. Ik stelde de harde tuchtiging, die ik den voorbarigen kerel toedacht, uit, snelde terug naar de boekenkamer, sloot de deur zoo goed ik kon, en klopte, terwijl ik driftig bad om binnengelaten te worden, aan die, welke tot Diana’s en haars vaders kamer leidde. Diana opende de deur zelve: zij was geheel aangekleed, noch onrust, noch vrees bezielde haar, zij was uiterst kalm.»Wij zijn zoo vertrouwd met het gevaar,” zeide zij, »dat wij er steeds op voorbereid zijn. Mijn vader is reeds ontwaakt en bevindt zich in Rashleigh’s kamer. Wij spoeden ons naar den tuin, vervolgens door de achterdeur naar het bosch.—In geval van nood, heb ik mij den sleutel door Syddall doen geven. Niemand kent de wegen doorhet bosch beter dan ik. Houd hen slechts een paar minuten op. En nu, waarde Frans, nog eenmaal, vaarwel!”Zij verdween als eene geestverschijning, om zich met haar vader weg te spoeden. Men klopte heftig op de deur en poogde ze met geweld te openen, toen ik in de bibliotheek terugkwam.»Rooversgespuis!” riep ik, opzettelijk het doel van hunne gewelddadigheid verkeerd uitleggende; »verlaat terstond dit kasteel, of ik schiet op u, door de deur heen.”»Gekheid!” riep Andries mij toe. »Het is immers mijnheer Jobson met een gerechtelijk bevel.…”»Ja mijnheer, ik heb bevel het kasteel te doorzoeken, tot het aanhouden en arresteeren van zekere personen,” hoorde ik den ellendigen rechtsverdraaier zeggen, »zekere personen, genoemd en aangeduid in mijn bevelvan aanhouding, als schuldig aan hoogverraad, krachtens de verordening uit het dertiende jaar der regeering van koning Willem, in het derde kapittel.”En hij klopte op nieuw met verdubbelde heftigheid.—»Ik sta op,” riep ik, om zoo veel mogelijk tijd te winnen. »Pleegt toch geen geweld! Eerst moet ik uw bevel van arrest zien. Vind ik het wettig, dan zal ik mij niet verzetten.”»God zegene den grooten koning George!” zeide Andries. »Ik heb het u immers gezegd, dat gij hier geene Jakobieten vinden zoudt.”Ik draalde zoo lang mogelijk, tot ik mij eindelijk genoodzaakt zag om de deur te openen, die men anders zeer zeker zou opengeloopen hebben.Jobson trad binnen, vergezeld van eenige handlangers, onder wie ik denzelfden knaap opmerkte, dien Syddall bij mij verdacht had gemaakt, en die waarschijnlijk de verklikker was geweest. Jobson toonde mij zijn bevel van aanhouding, dat niet alleen Frederik Vernon, een overtuigden verrader, maar ook Diana Vernon en Frans Osbaldistone, wegens het niet aangeven van een hun bekenden verrader, betrof. Tegenstand zou razernij geweest zijn, en nadat ik nog een paar minuten uitstel had verzocht, gaf ik mij gevangen.Nu begaf Jobson zich tot mijn verdriet naar Diana’s kamer, en ik hoorde dat hij vervolgens, zonder zich te bedenken of te zoeken, naar de kamer ging, waarin zich haar vader bevond, of ten minste zich ter ruste had begeven.—»Het wild is ontsnapt!” zeide hij, »maar het nest is nog warm. Onze speurhonden zullen het wel spoedig bij den nek krijgen.”Een angstkreet in den tuin overtuigde mij, dat hij gelijk had. Weinige oogenblikken daarna trad Rashleigh met Diana en Vernon, als gevangenen, in de kamer.—»De vos,” zeide hij, »kent zijn hol nog, maar hij heeft vergeten, dat een schrander jager het dicht kan maken. Ik had de tuindeur niet vergeten, edele lord Beauchamp, zoo als gij u toch gaarne hoort noemen.”»Rashleigh,” antwoordde Vernon, »gij zijt een ellendige verrader!”»Dezen naam, mijnheer de ridder of mylord, verdiende ik vroeger, toen ik onder de leiding van een bekwamen leermeester, de fakkel van den burgeroorlog in een vreedzaam land trachtte te ontsteken. Maar ik heb mijn best gedaan,” vervolgde hij, met een blik ten hemel, »om mijne dwalingen te herstellen.”Ik kon mij niet langer bedwingen. Wel had ik mij voorgenomen zwijgend toeschouwer te blijven. Maar ik gevoelde, dat ik spreken moest, al was er de dood mee gemoeid.»Waarachtig!” riep ik, »ik geloof niet dat de hel een akeliger duivelsgestalte heeft, dan die van laagheid en gemeenheid onder het masker van huichelarij.”»Aha, mijnheer en neef!” zeide Rashleigh, en nam eene kaars van de tafel, om mij van het hoofd tot de voeten te bezien. »Van harte welkomop het kasteel Osbaldistone! Dat ge boos zijt, kan ik u licht vergeven. Het is zeker hard, zeer hard, eene geliefde en een landgoed in éénen nacht te verliezen; want wij zullen van dit kasteel en zijn toebehooren bezit nemen in naam van den wettigen erfgenaam, Rashleigh Osbaldistone.”Ik zag dat Rashleigh, terwijl hij op zulk een trotschen toon sprak, spijt en schaamte gevoelde, maar onderdrukte. Ja, nog veel merkbaarder werd die gemoedsstemming, toen Diana kalm tot hem sprak: »Rashleigh, ik heb medelijden met u. Zeker, groot is het ongeluk, waarin gij mij wildet storten. Het kwaad dat gij doet is veel. En toch kan ik u niet zoo sterk haten als verachten. Wat gij thans gedaan hebt, is het werk van eenige weinige oogenblikken. Maar gij zult er uw gansche leven aan denken. Hoe? dat laat ik over aan uw geweten. Het zal niet altijd sluimeren, het zal u martelen, lafaard!”Een paar maal ging Rashleigh met groote schreden de kamer op en neer. Toen hij bij de tafel kwam, waarop de wijn nog stond, schonk hij met eene bevende hand een vol glas in. Hij zag dat wij zijn beven bemerkten. Hij kon dit met eene krachtige poging onderdrukken en bracht, terwijl hij ons met een vast en driest oog aanstaarde, het glas aan zijn mond, zonder een enkel dropje te storten.»Het is mijns vaders oude Bourgonje!” zeide hij, Jobson aanziende. »Het doet me pleizier dat ik er nog wat van vind. Ik verzoek u, geschikter lieden te benoemen, om in mijn naam voor het kasteel en mijn eigendom zorg te dragen. Dezen ouden sukkel en dien Schotschen gek kunt gij de deur wijzen. Intusschen zullen wij de gevangenen in verzekerde bewaring brengen. Ik heb de oude familiekoets doen inspannen,” vervolgde hij, »ofschoon ik wel weet, dat onze waarde freule Vernon het ook te voet of te paard in de nachtlucht zou kunnen doen, als maar de reis meer naar haren zin was.”Andries wrong de handen. »Ik zeide immers maar,” stamelde hij, »dat mijnheer zeker met een spook in de boekenkamer gesproken had—en die ellendeling daar gaat een oud vriend verraden, die zoo vele jaren elken Zondag uit één boek met hem tot God gebeden heeft!”Men liet hem zijn klaaglied niet eindigen, maar wierp hem met Syddall het huis uit. Dit wegjagen bleef echter niet zonder gewichtige gevolgen. Besloten, om zich naar een oud bekende in het dorp te begeven, bij wien hij een nachtverblijf hoopte te vinden, had hij juist de groote laan achter zich, en was op een stuk weiland gekomen, toen hij plotseling eene kudde Schotsch vee ontmoette, die zich daar voor dien nacht gelegerd had. De tuinier verwonderde zich daarover niet; de gewoonte der Schotsche veehandelaars, om op deze wijze een goedkoop nachtverblijf op de eerste de beste grasvlakte te zoeken, was hem genoeg bekend. Maar hij werd niet weinig onthutst, toen een Hooglander opsprong, hem beschuldigde, dat hij het vee gestoord had, en hem niet verder wilde laten gaan, voordat hij met zijn baas zougesprokenhebben. De Hooglander bracht den doodelijk ontstelden man in een boschje, waar hij nog drie of vier van zijne landslieden vond.—»Ik zag al heelspoedig,” zeide Andries, »dat er voor eene kudde veel te veel mannen waren, en aan hunne vragen merkte ik wel, dat zij geheel iets anders op het oog hadden, dan zij voorwendden.”Zij vroegen hem naar al, wat er op het kasteel voorgevallen was, en schenen zeer bekommerd, toen zij zijn getrouw verhaal aangehoord hadden. »Waarlijk,” bekende Andries, »ik verzweeg niets aan mannen, die met dolk en pistool gewapend waren.” Daarop spraken zij zacht met elkander en dreven eindelijk hun vee naar het einde der groote laan, zoo wat tien minuten van het huis. Vervolgens sleepten zij eenige gevelde boomen bijeen, die in de nabijheid in het rond lagen, en maakten daarvan eene versperring op den weg.De dag begon aan te breken. Een flauw schijnsel in het Oosten vermengde zich met het meer en meer verbleekende maanlicht. Men kon alle voorwerpen reeds tamelijk goed onderscheiden. Het ratelend geluid van eene koets, die door vier paarden getrokken en door zes man te paard begeleid werd, deed zich in de groote laan hooren. De Hooglanders luisterden opmerkzaam. In de koets zat Jobson met zijne ongelukkige gevangenen. Het geleide bestond uit Rashleigh en eenige andere ruiters. Nauwelijks waren wij de laan ten einde, of het rijtuig werd opgehouden door het vee, waar tusschen wij reden, en door de boomstammen. Twee ruiters stegen af, om de boomen uit den weg te ruimen, die zij wellicht dachten, dat uit slordigheid waren blijven liggen, terwijl de anderen met hunne sabels het vee wegjoegen.»Wat is dat? Wie waagt het daar ons vee kwaad te doen,” riep eene ruwe stem. »Schiet hem neer, Angus!”»Verraad!” riep Rashleigh. »Men wil hen bevrijden!” en schoot zijn pistool af op den man die gesproken had.»Met de sabel er op in!” riep de bevelhebber der Hooglanders, en het gevecht begon terstond. De gerechtsdienaars, geheel verbluft door den plotselingen aanval, en over het algemeen niet al te dapper, verdedigden zich slechts zwak, hoewel zij de overmacht aan hun kant hadden. Eenigen van hen wilden naar het kasteel terugrijden, maar toen zij ook daarin door verscheidene geweerschoten, die er van alle kanten vielen, verhinderd werden, meenden zij geheel omsingeld te zijn en vluchtten langs verschillende wegen. Intusschen was Rashleigh afgestegen en vocht te voet woedend tegen den aanvoerder der bende. Uit het portier der koets aanschouwde ik het gevecht. Eindelijk viel Rashleigh.»Ik vraag u, wilt gij om vergeving smeeken in naam van God, van Jakobus en van de oude vriendschap?” riep eene stem, welke ik maar al te goed kende.»Neen, nooit!” antwoordde Rashleigh op vasten toon.»Zoo sterf dan, verrader!” riep Mac-Gregor en stiet den gevallene het zwaard in de borst.Een oogenblik later stond hij aan het portier der koets. Hij hielp Diana er uit en reikte haren vader en mij, bij het uitstijgen, de hand, en rukte er toen Jobson uit, dien hij onder den wagen wierp.»Mijnheer Osbaldistone,” zeide hij zacht, »gij hebt niets te vreezen. Ik moet waken over hen, die in gevaar zijn. Uwe vrienden zullen weldra in veiligheid wezen. Vaarwel! Denk aan Mac-Gregor!”Hij floot. Dadelijk schaarden zich zijne makkers rondom hem. Zij namen Diana en Vernon in hun midden en verdwenen met hen in het bosch. De koetsier had zijne paarden in den steek gelaten, toen het schieten begon; maar de paarden, door de boomen belemmerd, bleven bedaard staan, tot geluk van Jobson, die bij de minste beweging overreden zou zijn geworden. Mijne eerste gedachte was, hem bij te staan. Want hij was door den schrik dermate bedwelmd, dat hij buiten staat was, zich zelven te helpen. Maar eerst riep ik hem toe, wel op te merken, en zoo noodig te getuigen, dat ik noch eenig deel aan de bevrijding der gevangenen gehad, noch zelf eenige poging aangewend had om te ontvluchten. Toen gaf ik hem te kennen, dat hij zich naar het kasteel kon begeven en eenige van zijne aldaar achtergebleven handlangers kon roepen, ten einde de gekwetsten bij te staan. Maar Jobson was door den schrik zoo verlamd, dat hij zich niet kon verroeren. Nu besloot ik zelf te gaan, maar struikelde dadelijk over iets, dat ik eerst voor een lijk hield. Het was Andries, frisch en gezond: hij had deze houding verkozen, om de sabelhouwen en geweerschoten te ontgaan, die elk oogenblik in allerlei richtingen vielen. Het verheugde mij zeer, hem te vinden, zoodat ik niet eens vroeg hoe hij daar gekomen was, maar hem terstond beval mij hulp te verleenen.De eerste die hulp behoefde was Rashleigh. Hij steunde zwaar, toen ik hem naderde, en sloot de oogen, alsof hij zich voorgenomen had, nooit weder te spreken. Wij droegen hem in de koets, en bewezen een anderen gekwetste, die nog op den grond lag, gelijken bijstand. Met moeite overreedde ik Jobson in de koets plaats te nemen, ten einde Rashleigh te ondersteunen, en nu begaven wij ons terug naar het kasteel. Eenige der vluchtelingen waren langs zijwegen daar al aangekomen. Zij hadden de bezetting schrik aangejaagd door het bericht, dat Rashleigh, Jobson en al die hen begeleid hadden, door een hoop woeste Hooglanders in stukken gehouwen waren. Een dof gegons als van een verontruste bijenkorf verkondigde ons de gejaagdheid in het kasteel, toen wij ons in de nabijheid daarvan bevonden. Jobson, die zich thans vrij wel hersteld had, kondigde zich met luider stem aan. Hij was des te ongeduldiger, om uit de koets verlost te worden, daar een van zijne handlangers zoo even naast hem aan de gevolgen gestorven was, ten gevolge zijner wonden.Rashleigh leefde nog, maar was ook doodelijk gekwetst. Men bracht hem in het kasteel, waar men hem in een leunstoel plaatste, terwijl sommigen het bloed, dat rijkelijk uit de wonde vloeide, poogden te stelpen en anderen bevalen, een heelmeester te halen.»Plaagt mij niet meer,” riep de gewonde: »voor mij is geen hulp meer. Ik sterf.”Hij richtte zich in den stoel op, hoewel het doodzweet reeds zijn voorhoofd bedekte, en zeide met eene vastheid van stem, die hem zeer veel inspanning scheen te kosten: »Neef Frans, kom bij mij!”Ik naderde hem.—»Ik wilde u alleen maar zeggen,” vervolgde hij, »dat zelfs de doodsangst mijne gezindheid jegens u niet verandert. Ik haat u!” riep hij met hevigheid. En wraakzucht deed het vuur in het reeds brekend oog nog eenmaal ontvlammen. »Ik haat u met zulk een onverzoenlijken haat, dat dood noch graf dien ooit kunnen uitwisschen.”»Ik heb u daartoe geen reden gegeven,” hernam ik. »Om uwent wil zou ik u toewenschen, dat gij in kalmer stemming den dood tegemoet gingt.”»Het is wel waar!—gij hebt mij wel reden,—gegronde redengegeven—u te haten,” hernam Rashleigh hijgend. »Gij hebt mij overal—gedwarsboomd,—in de liefde—op den weg mijner eerzucht—in mijn eigenbelang—bij elke schrede—die ik doen wilde,—overal.—Ik werd geboren—om het sieraad—van mijn geslacht te worden,—Wat ben ik?—zijne—schande.—Dat—is uwe schuld!—Mijne erfenis—is de uwe—welnu—neem haar,—neem haar!—De vloek—van een stervende—blijve er—aan verbonden—vloek!”En met dit woord viel hij achterover in zijn stoel. Zijn oog brak, maar op de ontzielde trekken zag men nog duidelijk het grijnzen van den haat. Ik wendde mij van het afzichtelijke beeld af. Van Rashleigh’s dood heb ik niets meer te zeggen, dan dat mijn erfrecht thans onbetwist was. Jobson moest zelf bekennen, dat de aanklacht wegens het niet aangeven van een hoogverrader, alleen op Rashleigh’s verlangen was gedaan, ten einde mij uit het kasteel te verwijderen. Ook dezen Jobson haalde de straf spoedig in. Hij werd van zijn ambt ontzet, en hij verviel in armoede en sleepte een ellendig bestaan voort.Zoodra ik mijne zaken in orde had gebracht, keerde ik terug naar Londen. Ik verliet gaarne eene plaats, die zooveel pijnlijke herinneringen in mij opwekte. Lang was ik in angstige onzekerheid omtrent Diana’s lot, tot een Fransche koopman mij een brief van haar bracht, waardoor ik omtrent haar en haars vaders veiligheid gerust werd gesteld.Ik had reden uit den inhoud van dien brief de zekerheid te krijgen, dat de plotselinge verschijning van Mac-Gregor en diens bende, volstrekt niet toevallig was geweest. De Schotsche edellieden, die aan den opstand deel hadden genomen, waren vooral er op bedacht, om Vernon’s vlucht te bevorderen. Als een oud, vertrouwd aanhanger der Stuarts, zou hij zeer licht een groot gedeelte van den Schotschen adel met zich in het verderf kunnen sleepen. Robbert, op wiens sluwheid en moed men rekenen kon, werd gekozen, om Vernon’s bevrijding te bewerken. Het kasteel Osbaldistone werd als de plaats der bijeenkomst bestemd. De onderneming gelukte volkomen. Vernon en zijne dochter vonden op eenigen afstand van het kasteel paarden gereed, en kwamen, onder Robbert’s geleide, veilig in eene der westelijke havens, waar zij zich naar Frankrijk inscheepten. Ook verhaalde de koopman mij, dat Vernon door tering was aangetast, het gevolg van lijden en rampspoed, ja, dat hij nauwelijks nog eenige weinige maanden zou kunnen leven. Zijne dochter woonde in een klooster, waar zij volgens haars vaders wensch later de gelofte zou afleggen.Toen ik deze berichten ontving, ontdekte ik mijn vader onbewimpeldden toestand van mijn gemoed. Hij was wel onthutst bij het denkbeeld, dat ik met eene Roomsch-Katholieke vrouw wilde huwen, maar hij wenschte mij, voor mijn volgend leven, gelijk hij zich uitdrukte, op een vasten voet ingericht te zien. En hij stelde het zeer op prijs, dat ik met mijne ijverige deelneming aan zijne handelszaken, hem mijne neiging als het ware, opgeofferd had. Na een kort beraad, en na verscheidene vragen, die ik tot zijne tevredenheid beantwoordde, zeide hij: »Nu, zou ik waarlijk nooit gedroomd hebben, dat mijn zoon eigenaar van het kasteel Osbaldistone zou worden, maar nog minder, dat hij zijne bruid uit een Fransch klooster halen zou. Welaan! ik geef mijne toestemming. Eene zoo brave dochter, moet ook eene brave vrouw zijn. Gij hebt, mij ten gevalle, in het kantoor gearbeid, Frans. Het is billijk, dat ik u vrij laat in de keuze eener vrouw. God geve u geluk!”Waarde Tresham, hoe voorspoedig het met mijn aanzoek afliep, en hoe spoedig ik het jawoord kreeg, dat is niet noodig u te vertellen. Dat weet gij. Gij weet ook, dat ik lang en gelukkig met Diana geleefd,—gij weet hoe ik haar beweend heb, toen ik haar door den dood moest verliezen. Maar gij moet weten, hoe ten volle zij die tranen verdiende, hoe edel zij was en hoe trouw!Mijne romantische avonturen zijngeëindigd. De latere gebeurtenissen van mijn leven zijn u, mijn vriend, wel bekend. U, die met zooveel deelneming de genoegens en de stormen, welke elkander in mijn leven afwisselden, met mij gedeeld heeft. Vaak begaf ik mij naar Schotland. Nooit heb ik den koenen Hooglander weder gezien, die op mijne vroegere lotgevallen zulk een grooten invloed uitgeoefend had; wel vernam ik van tijd tot tijd, dat hij zich voortdurend in zijn gebied aan de bergachtige oevers van Loch-Lomond handhaafde, ja, dat hij zelfs zooveel toegevendheid van den kant der regeering genoot, dat hij de rol van beschermer van het graafschap Lennox spelen kon. In die hoedanigheid hief hij eene soort van schatting, welke hij even geregeld ontving, als andere grondeigenaars hunne huurpenningen. Een bestaan zoo als hij leidde, zou men denken, moest een gewelddadig einde genomen hebben, maar neen! op hoogen ouderdom is hij een vreedzamen dood gestorven, in het jaar 1773. Nog steeds leeft hij in de nagedachtenis zijner landgenooten voort als Robbert Hood van Schotland, de schrik der rijken, maar de vriend der armen. Hij was een man, die edele, achtenswaardige hoedanigheden van verstand en hart bezat. Een minder dubbelzinnig bedrijf dan dat, waartoe het noodlot hem veroordeeld had, ja, een eereambt in de wereld had door hem vervuld kunnen worden. Hij bezat er gemoed en verstand voor.Mijn ouden Andries hebt gij als tuinier in het kasteel Osbaldistone nog gekend. Die placht te zeggen: »Je kunt soms menschen in de wereld hebben, die eigenlijk veel te veel slechts doen, om ze te zegenen, en die toch veel te braaf zijn, om ze te vloeken.” Robbert Roodhaar was zulk een mensch.EINDE.

Ik was alleen, maar als ’t ware bedwelmd, en daarbij moedeloos. Het gemoed, dat gehecht is aan afwezige geliefde voorwerpen, geeft daaraan niet alleen de schoonste vormen, maar ook zulke, waarin zij hen het liefste ziet. Diana’s beeld stond voor mijn geest, zoo als zij was, toen haar afscheidstraan op mijne wang viel; toen haar geschenk, dat ik door Mac-Gregor’s vrouw ontving, mij haren wensch verried, de herinnering mijner liefde naar de kloosterlijke eenzaamheid mede te nemen. Ik zag haar, en hare koele onderwerping, die weinig meer dan stille zwaarmoedigheid uitdrukte, verstoorde, ja beleedigde mij. Mijne eigenliefde beschuldigde haar van onverschilligheid. Ik verweet haren vader, trots, wreedheid, dweepzucht. Ik vergat dat beiden hun goed en bloed, ja, Diana ook haar hart opofferde aan dat, wat zij voor hun plicht hielden.

Vernon was een ijverig Katholiek, die den weg des heils voor te eng hield, dan dat een ketter daarop zou hebben kunnen wandelen. Voor Diana was haars vaders veiligheid sedert vele jaren de eenige drijfveer van haar denken, haar hopen, haar handelen. Zij meende nu haren plicht vervuld te hebben, als zij niet alleen haar wereldlijk eigendom, maar ook de dierbaarste neigingen van haar hart aan zijn wil opofferde. Het was niet te verwonderen, dat ik op dit oogenblik niet in staat was, al die waarlijk eervolle beweegredenen behoorlijk te waardeeren; maar toch kon mijne misnoegdheid mij tot niets onedels verleiden.

»Zoo, zoo, men versmaadt mij,” zeide ik tot mij zelven, toen ik Vernon’s woorden overwoog—»men versmaadt mij. Men acht mij zelfs onwaardig met haar te spreken. Goed, het zij zoo. Dat zal mij niet beletten, voor hare veiligheid te zorgen. Hier zal ik de wacht houden, en zoo lang zij zich onder mijn dak bevindt, zal geen gevaar haar genaken, als de arm van een vastberaden man in staat is, om haar te verdedigen.”

Ik riep Syddall binnen. Hij kwam, maar vergezeld van den lastigen Andries, die, sedert ik bezit van het kasteel had genomen, van zijn eigen gewicht vervuld was, en besloten scheen te hebben, niet te verzuimen zich bij elke gelegenheid voorop te plaatsen. Maar zoo als het dikwijls met baatzuchtige oogmerken gaat, het miste zijn doel. Zijne oplettendheden verveelden en wekten afkeer.

En nu werd ik door zijne, nu ongevraagde, tegenwoordigheid belet, openhartig met Syddall te spreken. Ik durfde den ongeroepen getuige niet wegzenden, uit vrees van den argwaan te vermeerderen, dien ik misschien reeds wakker gemaakt had, toen ik hem zoo plotseling de boekenkamer deed verlaten.

»Syddall! Ik zal hier slapen,” zeide ik. Ik gaf hem bevel om een ouderwetsche rustbank wat dichter bij het vuur te plaatsen. »Ik heb nog wat te doen, en zal dus eerst laat ter ruste gaan.”

Syddall, die mijn wenk scheen te verstaan, wilde mij een matras en een bed geven. Ik nam zijn aanbod aan, en zond mijn bediende weg. Ik beval hem mij den volgenden morgen niet vóór zeven uren te wekken.

Toen ik alleen was, gaf ik mij geheel aan mijne sombere overdenkingen over, wachtend op het oogenblik, waarop de uitgeputte natuur rust zou eischen. Ik wendde alle pogingen aan, om mijne gedachten af te trekken van den zonderlingen toestand, waarin ik mij bevond. Die gevoelens, die ik, zoolang het voorwerp mijner liefde verwijderd was, dapper bestreden had, werden thans weder meer geprikkeld. Ik was immers dicht in de nabijheid van haar, van wie ik weldra voor altijd zou gescheiden worden. Haar naam stond in elken regel van elk boek; ik trachtte te lezen. Hare beeltenis trad voor mijne ziel, zoo dikwijls ik aan iets anders wilde denken.

Nu eens gaf ik mij aan deze gedachten over, dan weder trachtte ik ze te bestrijden. Soms verloor ik mij in eene wegslepende weemoedigheid, dan weder wapende ik mij met eene zekere fierheid, des te sterker, nu zij zich door onverdiende minachting beleedigd gevoelde. Ik wandelde de bibliotheek op en neer tot ik onder al die aandoeningen in eene koortsachtige onrust was geraakt. Eindelijk wierp ik mij gekleed op het bed. Maar te vergeefs trachtte ik in te sluimeren. Vruchteloos hield ik mij, zonder een enkel lid te verroeren, doodstil. Ik poogde den verontrustenden gedachtenloop te wijzigen, te verbannen, door onophoudelijk zekere woorden te herhalen, of mij met een rekenkundig vraagstuk bezig te houden. Mijn bloed vloeide als vuur door mijne aderen, en mijn pols sloeg hevig.

Ten slotte stond ik op, opende het venster en keek naar buiten in den door de maan helder beschenen nacht. De koelte en zachte stilte daarbuiten verkwikten mij, en deden den storm in mijne ziel eenigszins bedaren. Toen ik mij weder ter ruste legde, gevoelde ik mij kalmer. Weldra bekroop mij de sluimer. Maar het pijnlijke gevoel van mijn toestand bleef mij steeds bij, ook in den diepen slaap. Verschrikkelijke droomen folterden mij. Een van die ontzettende droombeelden herinner ik mij thans nog zeer duidelijk. Ik bevond mij met Diana in de macht van Mac-Gregor’s vrouw, en wij zouden van eene rots in zee gestort worden. Het teeken werd door het schot van een kanon gegeven, hetwelk Vernon, in kardinaalskleeding, liet losbranden. Nog op dit oogenblik zou ik het tooneel kunnen afschilderen—de zwijgende, moedige onderwerping op Diana’s gelaat, de woeste, ijselijke gelaatstrekken der beulen, die met steeds wisselend grijnzen van het gelaat rondom ons heendrongen. Ik zag de harde, onbuigzame godsdienstdweeperij op het gelaat des vaders: ik zag hem de lont opheffen. Het teeken des doods klonk, vele malen herhaald door de echo der omliggende rotsen, en—ik ontwaakte uit mijn ingebeelden schrik, om werkelijken angst te ondervinden.

Want zie, ook wakende hoorde ik de geluiden, die mij in den droom verschrikt hadden. Wel duurde het een paar minuten, eer ik mij geheel herstellen en genoegzaam onderscheiden kon, dat er hevig aan de voorpoort werd geklopt. Ontsteld sprong ik op, nam mijn degen onder den arm en spoedde mij naar buiten, om iedereen den toegang te beletten. Ik moest echter een grooten omweg nemen, omdat de bibliotheek niet aan de voorzijde van het kasteel lag, maar op den tuin uitkwam, waarvan de vensters op het voorplein uitzagen. Daar hoorde ikSyddall’szwakke en benauwde stem in woordenwisseling met eenige ruwe mannen, die, krachtens een bevel des rechters Standish en in naam des konings, eischten binnengelaten te worden, en den ouden bediende met de zwaarste straf bedreigden, als hij hun gehoorzaamheid weigerde. Plotseling deed zich, tot mijn grootst verdriet, de stem van Andries hooren, die den ouden Syddall beval ter zijde te gaan, en zelf de deur openen wilde.

»Komen zij,” zeide hij, »in ’s konings naam, dan hebben wij niets te vreezen. Immers hebben wij voor hem goed en bloed opgeofferd. Waarlijk, wij behoeven ons niet schuil te houden als andere lieden, mijnheer Syddall! wij zijn noch Papisten, noch Jakobieten.”

Vruchteloos snelde ik met verdubbelde schreden de trap af. De dienstvaardige Andries schoof de grendels weg, terwijl hij onophoudelijk op zijne en zijns meesters getrouwheid jegens den koning roemde. Ik zag in, dat de gerechtsdienaren binnen zouden zijn, eer ik de grendels weder vóór de deur kon schuiven. Ik stelde de harde tuchtiging, die ik den voorbarigen kerel toedacht, uit, snelde terug naar de boekenkamer, sloot de deur zoo goed ik kon, en klopte, terwijl ik driftig bad om binnengelaten te worden, aan die, welke tot Diana’s en haars vaders kamer leidde. Diana opende de deur zelve: zij was geheel aangekleed, noch onrust, noch vrees bezielde haar, zij was uiterst kalm.

»Wij zijn zoo vertrouwd met het gevaar,” zeide zij, »dat wij er steeds op voorbereid zijn. Mijn vader is reeds ontwaakt en bevindt zich in Rashleigh’s kamer. Wij spoeden ons naar den tuin, vervolgens door de achterdeur naar het bosch.—In geval van nood, heb ik mij den sleutel door Syddall doen geven. Niemand kent de wegen doorhet bosch beter dan ik. Houd hen slechts een paar minuten op. En nu, waarde Frans, nog eenmaal, vaarwel!”

Zij verdween als eene geestverschijning, om zich met haar vader weg te spoeden. Men klopte heftig op de deur en poogde ze met geweld te openen, toen ik in de bibliotheek terugkwam.

»Rooversgespuis!” riep ik, opzettelijk het doel van hunne gewelddadigheid verkeerd uitleggende; »verlaat terstond dit kasteel, of ik schiet op u, door de deur heen.”

»Gekheid!” riep Andries mij toe. »Het is immers mijnheer Jobson met een gerechtelijk bevel.…”

»Ja mijnheer, ik heb bevel het kasteel te doorzoeken, tot het aanhouden en arresteeren van zekere personen,” hoorde ik den ellendigen rechtsverdraaier zeggen, »zekere personen, genoemd en aangeduid in mijn bevelvan aanhouding, als schuldig aan hoogverraad, krachtens de verordening uit het dertiende jaar der regeering van koning Willem, in het derde kapittel.”

En hij klopte op nieuw met verdubbelde heftigheid.—

»Ik sta op,” riep ik, om zoo veel mogelijk tijd te winnen. »Pleegt toch geen geweld! Eerst moet ik uw bevel van arrest zien. Vind ik het wettig, dan zal ik mij niet verzetten.”

»God zegene den grooten koning George!” zeide Andries. »Ik heb het u immers gezegd, dat gij hier geene Jakobieten vinden zoudt.”

Ik draalde zoo lang mogelijk, tot ik mij eindelijk genoodzaakt zag om de deur te openen, die men anders zeer zeker zou opengeloopen hebben.

Jobson trad binnen, vergezeld van eenige handlangers, onder wie ik denzelfden knaap opmerkte, dien Syddall bij mij verdacht had gemaakt, en die waarschijnlijk de verklikker was geweest. Jobson toonde mij zijn bevel van aanhouding, dat niet alleen Frederik Vernon, een overtuigden verrader, maar ook Diana Vernon en Frans Osbaldistone, wegens het niet aangeven van een hun bekenden verrader, betrof. Tegenstand zou razernij geweest zijn, en nadat ik nog een paar minuten uitstel had verzocht, gaf ik mij gevangen.

Nu begaf Jobson zich tot mijn verdriet naar Diana’s kamer, en ik hoorde dat hij vervolgens, zonder zich te bedenken of te zoeken, naar de kamer ging, waarin zich haar vader bevond, of ten minste zich ter ruste had begeven.—

»Het wild is ontsnapt!” zeide hij, »maar het nest is nog warm. Onze speurhonden zullen het wel spoedig bij den nek krijgen.”

Een angstkreet in den tuin overtuigde mij, dat hij gelijk had. Weinige oogenblikken daarna trad Rashleigh met Diana en Vernon, als gevangenen, in de kamer.—

»De vos,” zeide hij, »kent zijn hol nog, maar hij heeft vergeten, dat een schrander jager het dicht kan maken. Ik had de tuindeur niet vergeten, edele lord Beauchamp, zoo als gij u toch gaarne hoort noemen.”

»Rashleigh,” antwoordde Vernon, »gij zijt een ellendige verrader!”

»Dezen naam, mijnheer de ridder of mylord, verdiende ik vroeger, toen ik onder de leiding van een bekwamen leermeester, de fakkel van den burgeroorlog in een vreedzaam land trachtte te ontsteken. Maar ik heb mijn best gedaan,” vervolgde hij, met een blik ten hemel, »om mijne dwalingen te herstellen.”

Ik kon mij niet langer bedwingen. Wel had ik mij voorgenomen zwijgend toeschouwer te blijven. Maar ik gevoelde, dat ik spreken moest, al was er de dood mee gemoeid.

»Waarachtig!” riep ik, »ik geloof niet dat de hel een akeliger duivelsgestalte heeft, dan die van laagheid en gemeenheid onder het masker van huichelarij.”

»Aha, mijnheer en neef!” zeide Rashleigh, en nam eene kaars van de tafel, om mij van het hoofd tot de voeten te bezien. »Van harte welkomop het kasteel Osbaldistone! Dat ge boos zijt, kan ik u licht vergeven. Het is zeker hard, zeer hard, eene geliefde en een landgoed in éénen nacht te verliezen; want wij zullen van dit kasteel en zijn toebehooren bezit nemen in naam van den wettigen erfgenaam, Rashleigh Osbaldistone.”

Ik zag dat Rashleigh, terwijl hij op zulk een trotschen toon sprak, spijt en schaamte gevoelde, maar onderdrukte. Ja, nog veel merkbaarder werd die gemoedsstemming, toen Diana kalm tot hem sprak: »Rashleigh, ik heb medelijden met u. Zeker, groot is het ongeluk, waarin gij mij wildet storten. Het kwaad dat gij doet is veel. En toch kan ik u niet zoo sterk haten als verachten. Wat gij thans gedaan hebt, is het werk van eenige weinige oogenblikken. Maar gij zult er uw gansche leven aan denken. Hoe? dat laat ik over aan uw geweten. Het zal niet altijd sluimeren, het zal u martelen, lafaard!”

Een paar maal ging Rashleigh met groote schreden de kamer op en neer. Toen hij bij de tafel kwam, waarop de wijn nog stond, schonk hij met eene bevende hand een vol glas in. Hij zag dat wij zijn beven bemerkten. Hij kon dit met eene krachtige poging onderdrukken en bracht, terwijl hij ons met een vast en driest oog aanstaarde, het glas aan zijn mond, zonder een enkel dropje te storten.

»Het is mijns vaders oude Bourgonje!” zeide hij, Jobson aanziende. »Het doet me pleizier dat ik er nog wat van vind. Ik verzoek u, geschikter lieden te benoemen, om in mijn naam voor het kasteel en mijn eigendom zorg te dragen. Dezen ouden sukkel en dien Schotschen gek kunt gij de deur wijzen. Intusschen zullen wij de gevangenen in verzekerde bewaring brengen. Ik heb de oude familiekoets doen inspannen,” vervolgde hij, »ofschoon ik wel weet, dat onze waarde freule Vernon het ook te voet of te paard in de nachtlucht zou kunnen doen, als maar de reis meer naar haren zin was.”

Andries wrong de handen. »Ik zeide immers maar,” stamelde hij, »dat mijnheer zeker met een spook in de boekenkamer gesproken had—en die ellendeling daar gaat een oud vriend verraden, die zoo vele jaren elken Zondag uit één boek met hem tot God gebeden heeft!”

Men liet hem zijn klaaglied niet eindigen, maar wierp hem met Syddall het huis uit. Dit wegjagen bleef echter niet zonder gewichtige gevolgen. Besloten, om zich naar een oud bekende in het dorp te begeven, bij wien hij een nachtverblijf hoopte te vinden, had hij juist de groote laan achter zich, en was op een stuk weiland gekomen, toen hij plotseling eene kudde Schotsch vee ontmoette, die zich daar voor dien nacht gelegerd had. De tuinier verwonderde zich daarover niet; de gewoonte der Schotsche veehandelaars, om op deze wijze een goedkoop nachtverblijf op de eerste de beste grasvlakte te zoeken, was hem genoeg bekend. Maar hij werd niet weinig onthutst, toen een Hooglander opsprong, hem beschuldigde, dat hij het vee gestoord had, en hem niet verder wilde laten gaan, voordat hij met zijn baas zougesprokenhebben. De Hooglander bracht den doodelijk ontstelden man in een boschje, waar hij nog drie of vier van zijne landslieden vond.—»Ik zag al heelspoedig,” zeide Andries, »dat er voor eene kudde veel te veel mannen waren, en aan hunne vragen merkte ik wel, dat zij geheel iets anders op het oog hadden, dan zij voorwendden.”

Zij vroegen hem naar al, wat er op het kasteel voorgevallen was, en schenen zeer bekommerd, toen zij zijn getrouw verhaal aangehoord hadden. »Waarlijk,” bekende Andries, »ik verzweeg niets aan mannen, die met dolk en pistool gewapend waren.” Daarop spraken zij zacht met elkander en dreven eindelijk hun vee naar het einde der groote laan, zoo wat tien minuten van het huis. Vervolgens sleepten zij eenige gevelde boomen bijeen, die in de nabijheid in het rond lagen, en maakten daarvan eene versperring op den weg.

De dag begon aan te breken. Een flauw schijnsel in het Oosten vermengde zich met het meer en meer verbleekende maanlicht. Men kon alle voorwerpen reeds tamelijk goed onderscheiden. Het ratelend geluid van eene koets, die door vier paarden getrokken en door zes man te paard begeleid werd, deed zich in de groote laan hooren. De Hooglanders luisterden opmerkzaam. In de koets zat Jobson met zijne ongelukkige gevangenen. Het geleide bestond uit Rashleigh en eenige andere ruiters. Nauwelijks waren wij de laan ten einde, of het rijtuig werd opgehouden door het vee, waar tusschen wij reden, en door de boomstammen. Twee ruiters stegen af, om de boomen uit den weg te ruimen, die zij wellicht dachten, dat uit slordigheid waren blijven liggen, terwijl de anderen met hunne sabels het vee wegjoegen.

»Wat is dat? Wie waagt het daar ons vee kwaad te doen,” riep eene ruwe stem. »Schiet hem neer, Angus!”

»Verraad!” riep Rashleigh. »Men wil hen bevrijden!” en schoot zijn pistool af op den man die gesproken had.

»Met de sabel er op in!” riep de bevelhebber der Hooglanders, en het gevecht begon terstond. De gerechtsdienaars, geheel verbluft door den plotselingen aanval, en over het algemeen niet al te dapper, verdedigden zich slechts zwak, hoewel zij de overmacht aan hun kant hadden. Eenigen van hen wilden naar het kasteel terugrijden, maar toen zij ook daarin door verscheidene geweerschoten, die er van alle kanten vielen, verhinderd werden, meenden zij geheel omsingeld te zijn en vluchtten langs verschillende wegen. Intusschen was Rashleigh afgestegen en vocht te voet woedend tegen den aanvoerder der bende. Uit het portier der koets aanschouwde ik het gevecht. Eindelijk viel Rashleigh.

»Ik vraag u, wilt gij om vergeving smeeken in naam van God, van Jakobus en van de oude vriendschap?” riep eene stem, welke ik maar al te goed kende.

»Neen, nooit!” antwoordde Rashleigh op vasten toon.

»Zoo sterf dan, verrader!” riep Mac-Gregor en stiet den gevallene het zwaard in de borst.

Een oogenblik later stond hij aan het portier der koets. Hij hielp Diana er uit en reikte haren vader en mij, bij het uitstijgen, de hand, en rukte er toen Jobson uit, dien hij onder den wagen wierp.

»Mijnheer Osbaldistone,” zeide hij zacht, »gij hebt niets te vreezen. Ik moet waken over hen, die in gevaar zijn. Uwe vrienden zullen weldra in veiligheid wezen. Vaarwel! Denk aan Mac-Gregor!”

Hij floot. Dadelijk schaarden zich zijne makkers rondom hem. Zij namen Diana en Vernon in hun midden en verdwenen met hen in het bosch. De koetsier had zijne paarden in den steek gelaten, toen het schieten begon; maar de paarden, door de boomen belemmerd, bleven bedaard staan, tot geluk van Jobson, die bij de minste beweging overreden zou zijn geworden. Mijne eerste gedachte was, hem bij te staan. Want hij was door den schrik dermate bedwelmd, dat hij buiten staat was, zich zelven te helpen. Maar eerst riep ik hem toe, wel op te merken, en zoo noodig te getuigen, dat ik noch eenig deel aan de bevrijding der gevangenen gehad, noch zelf eenige poging aangewend had om te ontvluchten. Toen gaf ik hem te kennen, dat hij zich naar het kasteel kon begeven en eenige van zijne aldaar achtergebleven handlangers kon roepen, ten einde de gekwetsten bij te staan. Maar Jobson was door den schrik zoo verlamd, dat hij zich niet kon verroeren. Nu besloot ik zelf te gaan, maar struikelde dadelijk over iets, dat ik eerst voor een lijk hield. Het was Andries, frisch en gezond: hij had deze houding verkozen, om de sabelhouwen en geweerschoten te ontgaan, die elk oogenblik in allerlei richtingen vielen. Het verheugde mij zeer, hem te vinden, zoodat ik niet eens vroeg hoe hij daar gekomen was, maar hem terstond beval mij hulp te verleenen.

De eerste die hulp behoefde was Rashleigh. Hij steunde zwaar, toen ik hem naderde, en sloot de oogen, alsof hij zich voorgenomen had, nooit weder te spreken. Wij droegen hem in de koets, en bewezen een anderen gekwetste, die nog op den grond lag, gelijken bijstand. Met moeite overreedde ik Jobson in de koets plaats te nemen, ten einde Rashleigh te ondersteunen, en nu begaven wij ons terug naar het kasteel. Eenige der vluchtelingen waren langs zijwegen daar al aangekomen. Zij hadden de bezetting schrik aangejaagd door het bericht, dat Rashleigh, Jobson en al die hen begeleid hadden, door een hoop woeste Hooglanders in stukken gehouwen waren. Een dof gegons als van een verontruste bijenkorf verkondigde ons de gejaagdheid in het kasteel, toen wij ons in de nabijheid daarvan bevonden. Jobson, die zich thans vrij wel hersteld had, kondigde zich met luider stem aan. Hij was des te ongeduldiger, om uit de koets verlost te worden, daar een van zijne handlangers zoo even naast hem aan de gevolgen gestorven was, ten gevolge zijner wonden.

Rashleigh leefde nog, maar was ook doodelijk gekwetst. Men bracht hem in het kasteel, waar men hem in een leunstoel plaatste, terwijl sommigen het bloed, dat rijkelijk uit de wonde vloeide, poogden te stelpen en anderen bevalen, een heelmeester te halen.

»Plaagt mij niet meer,” riep de gewonde: »voor mij is geen hulp meer. Ik sterf.”

Hij richtte zich in den stoel op, hoewel het doodzweet reeds zijn voorhoofd bedekte, en zeide met eene vastheid van stem, die hem zeer veel inspanning scheen te kosten: »Neef Frans, kom bij mij!”

Ik naderde hem.—»Ik wilde u alleen maar zeggen,” vervolgde hij, »dat zelfs de doodsangst mijne gezindheid jegens u niet verandert. Ik haat u!” riep hij met hevigheid. En wraakzucht deed het vuur in het reeds brekend oog nog eenmaal ontvlammen. »Ik haat u met zulk een onverzoenlijken haat, dat dood noch graf dien ooit kunnen uitwisschen.”

»Ik heb u daartoe geen reden gegeven,” hernam ik. »Om uwent wil zou ik u toewenschen, dat gij in kalmer stemming den dood tegemoet gingt.”

»Het is wel waar!—gij hebt mij wel reden,—gegronde redengegeven—u te haten,” hernam Rashleigh hijgend. »Gij hebt mij overal—gedwarsboomd,—in de liefde—op den weg mijner eerzucht—in mijn eigenbelang—bij elke schrede—die ik doen wilde,—overal.—Ik werd geboren—om het sieraad—van mijn geslacht te worden,—Wat ben ik?—zijne—schande.—Dat—is uwe schuld!—Mijne erfenis—is de uwe—welnu—neem haar,—neem haar!—De vloek—van een stervende—blijve er—aan verbonden—vloek!”

En met dit woord viel hij achterover in zijn stoel. Zijn oog brak, maar op de ontzielde trekken zag men nog duidelijk het grijnzen van den haat. Ik wendde mij van het afzichtelijke beeld af. Van Rashleigh’s dood heb ik niets meer te zeggen, dan dat mijn erfrecht thans onbetwist was. Jobson moest zelf bekennen, dat de aanklacht wegens het niet aangeven van een hoogverrader, alleen op Rashleigh’s verlangen was gedaan, ten einde mij uit het kasteel te verwijderen. Ook dezen Jobson haalde de straf spoedig in. Hij werd van zijn ambt ontzet, en hij verviel in armoede en sleepte een ellendig bestaan voort.

Zoodra ik mijne zaken in orde had gebracht, keerde ik terug naar Londen. Ik verliet gaarne eene plaats, die zooveel pijnlijke herinneringen in mij opwekte. Lang was ik in angstige onzekerheid omtrent Diana’s lot, tot een Fransche koopman mij een brief van haar bracht, waardoor ik omtrent haar en haars vaders veiligheid gerust werd gesteld.

Ik had reden uit den inhoud van dien brief de zekerheid te krijgen, dat de plotselinge verschijning van Mac-Gregor en diens bende, volstrekt niet toevallig was geweest. De Schotsche edellieden, die aan den opstand deel hadden genomen, waren vooral er op bedacht, om Vernon’s vlucht te bevorderen. Als een oud, vertrouwd aanhanger der Stuarts, zou hij zeer licht een groot gedeelte van den Schotschen adel met zich in het verderf kunnen sleepen. Robbert, op wiens sluwheid en moed men rekenen kon, werd gekozen, om Vernon’s bevrijding te bewerken. Het kasteel Osbaldistone werd als de plaats der bijeenkomst bestemd. De onderneming gelukte volkomen. Vernon en zijne dochter vonden op eenigen afstand van het kasteel paarden gereed, en kwamen, onder Robbert’s geleide, veilig in eene der westelijke havens, waar zij zich naar Frankrijk inscheepten. Ook verhaalde de koopman mij, dat Vernon door tering was aangetast, het gevolg van lijden en rampspoed, ja, dat hij nauwelijks nog eenige weinige maanden zou kunnen leven. Zijne dochter woonde in een klooster, waar zij volgens haars vaders wensch later de gelofte zou afleggen.

Toen ik deze berichten ontving, ontdekte ik mijn vader onbewimpeldden toestand van mijn gemoed. Hij was wel onthutst bij het denkbeeld, dat ik met eene Roomsch-Katholieke vrouw wilde huwen, maar hij wenschte mij, voor mijn volgend leven, gelijk hij zich uitdrukte, op een vasten voet ingericht te zien. En hij stelde het zeer op prijs, dat ik met mijne ijverige deelneming aan zijne handelszaken, hem mijne neiging als het ware, opgeofferd had. Na een kort beraad, en na verscheidene vragen, die ik tot zijne tevredenheid beantwoordde, zeide hij: »Nu, zou ik waarlijk nooit gedroomd hebben, dat mijn zoon eigenaar van het kasteel Osbaldistone zou worden, maar nog minder, dat hij zijne bruid uit een Fransch klooster halen zou. Welaan! ik geef mijne toestemming. Eene zoo brave dochter, moet ook eene brave vrouw zijn. Gij hebt, mij ten gevalle, in het kantoor gearbeid, Frans. Het is billijk, dat ik u vrij laat in de keuze eener vrouw. God geve u geluk!”

Waarde Tresham, hoe voorspoedig het met mijn aanzoek afliep, en hoe spoedig ik het jawoord kreeg, dat is niet noodig u te vertellen. Dat weet gij. Gij weet ook, dat ik lang en gelukkig met Diana geleefd,—gij weet hoe ik haar beweend heb, toen ik haar door den dood moest verliezen. Maar gij moet weten, hoe ten volle zij die tranen verdiende, hoe edel zij was en hoe trouw!

Mijne romantische avonturen zijngeëindigd. De latere gebeurtenissen van mijn leven zijn u, mijn vriend, wel bekend. U, die met zooveel deelneming de genoegens en de stormen, welke elkander in mijn leven afwisselden, met mij gedeeld heeft. Vaak begaf ik mij naar Schotland. Nooit heb ik den koenen Hooglander weder gezien, die op mijne vroegere lotgevallen zulk een grooten invloed uitgeoefend had; wel vernam ik van tijd tot tijd, dat hij zich voortdurend in zijn gebied aan de bergachtige oevers van Loch-Lomond handhaafde, ja, dat hij zelfs zooveel toegevendheid van den kant der regeering genoot, dat hij de rol van beschermer van het graafschap Lennox spelen kon. In die hoedanigheid hief hij eene soort van schatting, welke hij even geregeld ontving, als andere grondeigenaars hunne huurpenningen. Een bestaan zoo als hij leidde, zou men denken, moest een gewelddadig einde genomen hebben, maar neen! op hoogen ouderdom is hij een vreedzamen dood gestorven, in het jaar 1773. Nog steeds leeft hij in de nagedachtenis zijner landgenooten voort als Robbert Hood van Schotland, de schrik der rijken, maar de vriend der armen. Hij was een man, die edele, achtenswaardige hoedanigheden van verstand en hart bezat. Een minder dubbelzinnig bedrijf dan dat, waartoe het noodlot hem veroordeeld had, ja, een eereambt in de wereld had door hem vervuld kunnen worden. Hij bezat er gemoed en verstand voor.

Mijn ouden Andries hebt gij als tuinier in het kasteel Osbaldistone nog gekend. Die placht te zeggen: »Je kunt soms menschen in de wereld hebben, die eigenlijk veel te veel slechts doen, om ze te zegenen, en die toch veel te braaf zijn, om ze te vloeken.” Robbert Roodhaar was zulk een mensch.

EINDE.


Back to IndexNext