HOOFDSTUK XXXVI.Ik roep u vaarwel toe, o land, door wolken omgeven,Wier mist, als een lijkkleed, gebergten omhult;Waar de aad’laar zijn schreeuw huwt aan ’t ruischen der stroomen,Waar schrikwekkende storm steeds de eenzaamheid vult.Door een woest, romanesk oord leidde onze weg. De Ben-Lomond, dien wij rechts lieten liggen, stak boven al de overige bergen uit. Ik was verdiept in overpeinzingen, die zwaar op mijn gemoed drukten. Doch toen wij na een langen, moeielijken tocht uit een bergpas kwamen, en de spiegelgladde oppervlakte van het Lomond-Meer voor ons lag, toen was het, of ik plotseling ontwaakte. Wie is in staat dit landschap te beschrijven! Eene reeks van schilderachtig schoone eilanden van verschillende gedaante, rijst op uit het heerlijke meer, dat, naar het noorden zich vernauwend, in de verre, donkere bergkloven geheel verdwijnt, terwijl het zich naar het zuiden meer en meer uitbreidt, en de bochten en voorgebergten van een bekoorlijke landstreek bespoelt. De oostkust was te dien tijde de hoofdplaats van Mac-Gregor en zijn clan. Om hen in bedwang te houden, had men in het fort, tusschen den Loch-Lomond en een ander meer, eene kleine bezetting gelegd. Maar door de natuur was de landstreek zoo goed versterkt en had zoo vele bergpassen, moerassen, holen en andere sluiphoeken, dat die kleine vesting het gevaar eer duidelijk aanwees, dan dat ze genoegzame bescherming daartegen verschafte. Reeds bij meer dan ééne gelegenheid had de bezetting de gevolgen van den koenen moed van Mac-Gregor en diens aanhangers ondervonden. Maar de voordeelen welke de balling op zijne vijanden behaalde, werden nooit door eenige gruweldaad bezoedeld, wanneer hij zelf aanvoerder was. Want even goedaardig als schrander, besefte hij zeer goed, dat het alleszins gevaarlijk was, zich noodeloos gehaat te maken. Met genoegen vernam ik, dat hij de op den vorigen dag gevangen gemaakte militairen ontslagen had. Nog vele dergelijke trekken van zachtmoedigheid, ja zelfs van grootmoedigheid, van dezen merkwaardigen man heb ik van allerlei personen vernomen.In een bocht, onder eene hooge rots, verbeidde ons eene boot, die met vier kloeke Hooglandsche roeiers bemand was, en nu nam onze gastheer hartelijk afscheid van ons. Hem en Jarvie scheen de band van wederzijdsche achting te verbinden, wat met hunne zoo geheel verschillende bedrijven en gewoonten eene scherpe tegenstelling vormde. Toen zij elkander hartelijk omhelsd hadden en op het punt van scheiden waren, verzekerde Jarvie met een vol hart en eene bevende stem zijn neef, dat, indien honderd pond, ja al ware het ook tweehonderd, hem of de zijnen in staat konden stellen om tot een eerlijk bestaan te geraken, hij hem dit slechts met een paar woorden behoefde te melden. Maar Robbert vatte met de eene hand het gevest van zijnzwaard en drukte met de andere Jarvie’s hand, terwijl hij hem verzekerde, dat bijaldien iemand zijn neef beleedigen mocht, en deze hem daarvan bericht zond, hij den beleediger, al ware die ook de eerste persoon van geheel Glasgow, de ooren van het hoofd zou houwen.Na deze wederzijdsche verzekeringen van voortdurende vriendschap en welwillendheid, stieten wij van den oever af en zetten koers naar den zuidwestelijken hoek van het meer, waaruit het riviertje de Leven ontstroomt. Robbert bleef nog geruimen tijd op den top der rotsen staan, waarvan onze boot afgevaren was. Hij was ook nog op vrij verren afstand zichtbaar door zijn lang geweer, zijn bont fladderend gewaad en de enkele pluim op zijne muts, waardoor in die tijden de Hooglandsche edelman en soldaat zich onderscheidden, ofschoon de Hooglandsche krijgslieden thans hunne mutsen met eene groote menigte zwarte vederen versieren. Eindelijk zag ik hem langzaam den heuvel afdalen, vergezeld van de manschappen, die zijne lijfwacht uitmaakten.Nu voeren wij vrij lang voort, zonder het stilzwijgen te verbreken. Slechts nu en dan klonk over het water hetGaelischegezang, dat een der roeiers op eene zachte onregelmatige wijs aanhief, en dan in een woesten koorzang overging, waarin hij door zijne kameraden begeleid werd.Diepe zwaarmoedigheid drukte mij ter neêr. Doch het gezicht van de ongemeen fraaie landstreek, die ons omringde, verzachtte mijn leed. In de dweepachtige stemming van het oogenblik verbeeldde ik mij, dat ik, als ik Roomsch-Katholiek geweest ware, op een der bevallige eilanden, tusschen welke onze boot henengleed, zeer gaarne als een stille kluizenaar zou willen leven en sterven.Jarvie gaf zich insgelijks geheel aan zijne overpeinzingen over. Maar ik merkte, dat ze van de mijne vrij wat verschilden, toen hij, na lange stilte, gedurende welke hij de behoorlijke berekeningen had gemaakt, trachtte te bewijzen, dat het wel mogelijk zou zijn, het meer droog te maken en voor ploeg en egge vele honderden, ja vele duizenden morgen lands te winnen, die thans volstrekt niets opleverden, dan hoogstens een snoek of waterbaarsje. Uit zijn langwijlig betoog, waarvan ik een tamelijk onverschillig toehoorder was, herinner ik mij, dat het onder anderen mede tot zijn ontwerp behoorde, dat hij ook een vaart in het meer tusschen Dumbarton en Glenfalloch behouden wilde hebben, breed en diep genoeg voor kolenschepen.Eindelijk bereikten wij de landingsplaats, niet ver van de ruïnen van een oud kasteel, waar het meer zijne wateren in de rivier de Leven uitstort. Hier wachtte Dugald ons met de paarden. Jarvie had een plan ten behoeve van dien knaap gevormd. Het was even goed als dat tot het droogmaken van het meer, maar bij beide had hij veel meer op de voordeelen dan op de uitvoerbaarheid er van gelet.»Dugald,” zeide hij, »gij hebt een goed hart en weet wat uwe meerderen toekomt. Maar het leven dat gij leidt, zal u vroeg of laat in het verderf storten en uwe ziel hier namaals reddeloos doen verloren gaan. Ik verbeeld mij, dat de diensten, welke ik in mijn ambt aan onzegoede stad Glasgow bewezen heb, even als mijn vader zaliger, de wijkmeester, vóór mij heeft gedaan, mij eenig aanzien, eenigen invloed verschaft hebben, zoo dat ik, dunkt mij, de heeren van den raad wel zou kunnen bewegen, om, ten opzichte van hetgeen door u bedreven is, genade voor recht te laten gelden, te meer, dewijl ze bij nog veel grooter wanbedrijven wel eens, om des lieven vredes wil, een oog toegedrukt hebben. Wilt gij derhalve met mij naar Glasgow gaan, Dugald, dan kunt gij als een fiksche, goedgespierde kerel, mij voorloopig in mijn magazijn behulpzaam wezen, tot er zich iets beters voor u opdoet.”Maar Dugald antwoordde, dat hij voor het welgemeende aanbod van den heer Jarvie alleszins dankbaar was, maar volstrekt niet weer te Glasgow wilde komen, dan alleen als men hem, even als vroeger, in boeien en banden derwaarts sleepte. Hij was, zoo als ik naderhand vernam, inderdaad wegens deelneming aan een gepleegden roof, als gevangene naar Glasgow gebracht geworden. Daar had hij de gunst van den opzichter der gevangenis gewonnen en zich langen tijd in diens dienst getrouw gedragen, tot eindelijk, bij de onverwachte verschijning van zijn voormaligen gebieder, zijne ingewortelde neiging weer de overhand behaalde. Verwonderd over Dugald’s weigerend antwoord op eene zoo voordeelige aanbieding, werd Jarvie te meer in zijne meening versterkt, dat de man een domkop was. Oneindig beter behaagde Dugald mijne dankbaarheid, toen ik een paar guinjes in zijne hand liet glijden. Met ongedwongen behendigheid maakte hij eenige sprongen, en spoedde zich toen naar de roeiers, die een klein gedeelte, dat hij hun van het hem geschonkene gaf, nu ook in eene recht vroolijke stemming bracht.Toen hij zich verwijderd had, stegen wij te paard en vervolgden onzen weg naar Glasgow.Weldra hadden wij het meer en de buitengewoon fraaie bergketen uit het oog verloren. Ik kon mij niet weerhouden nog een poos te gewagen van mijne bewondering van deze zoo bekoorlijke landstreek, ofschoon ik wel wist, dat Jarvie de man niet was, op wien schoone natuurtooneelen indruk maakten.—»Gij zijt nog jong,” zeide hij, »en daarenboven een Engelschman: dit is de reden, waarom gij dit alles zoo fraai vindt. Ik, die een eenvoudig man ben, hoewel ik zeer goed weet wat landerijen waard zijn, geef gaarne het schoonste natuurtooneel, dat het Hoogland oplevert, voor het eerste gezicht der daken van Glasgow. Ben ik maar eens weder te huis, dan zal ik wel zorg dragen, dat ik voortaan niet weder zoo zonder eenige noodzakelijkheid, louter om iemand pleizier te doen, naar dit verwenschte land op reis ga.”De wensch van den goeden man werd spoedig vervuld. Na flink doorgedraafd te hebben, hadden wij zeer laat in den avond zijne woning bereikt.Zoodra ik zag, dat mijn waarde reisgenoot zich weder onder de zorgvuldige hoede van zijne dienstvaardige Martha bevond, begaf ik mij naar mijne voormalige herberg, waar ik, zelfs op dit ongewone uur, nog eenige vensters verlicht zag. Niemand anders opende mij de deur danAndries, die, mij herkennende, van vreugde luidkeels schreeuwde, en, zonder een enkel woord te zeggen, de trap opstoof naar de kamer, waarin ik het licht had zien branden. Ik dacht met recht, dat hij mijne komst den, wegens mijn lang wegblijven buiten twijfel bekommerden Owen, wilde aankondigen, en ik volgde hem op den voet. Maar Owen was niet alleen in die kamer: naast hem zat—mijn vader.Eerst trachtte hij zijne gewone bedaardheid te behouden, zeide op eenigszins gedwongen toon: »het verheugt mij u te zien, Frans!”—Maar terstond daarop omvatte en omhelsde hij mij met liefdevolle woorden: »mijn zoon, mijn dierbare zoon!”—Owen vatte mijne eene hand, welke hij met zijne tranen bevochtigde, terwijl hij mij met mijne terugkomst gelukwenschte. Welk een onvergetelijk oogenblik! zelfs nu nog komen de tranen in mijne oude oogen, als ik het mij herinner.Na de eerste opwelling onzer vreugde, vernam ik, dat mijn vader, kort nadat Owen zich op reis naar Schotland begeven had, uit Holland teruggekomen was. Van voortvarenden aard in al zijne handelingen, vertoefde hij daar slechts korten tijd, om zich de middelen te verschaffen, waardoor hij de loopende wissels ten laste van zijn kantoor zou kunnen voldoen. Zijne uitgestrekte correspondentie en zijn sedert zoo vele jaren alom gevestigd krediet, hetwelk hij aan het welslagen van zijne ondernemingen op het vaste land en zijne voorbeeldige eerlijkheid en stiptheid in den handel te danken had, stelden hem weldra in staat, om thans in persoon datgene bijzonder spoedig tot stand te brengen, wat in zijne afwezigheid zeer moeilijk en langzaam had kunnen gedaan worden. Eindelijk vertrok hij naar Schotland, om Rashleigh tot verantwoording te noodzaken en tevens om zijne zaken in dat land behoorlijk te regelen. Zijne komst te Glasgow in zulke onverwacht gunstige omstandigheden, was een donderslag voor Mac-Vittie en diens compagnon, die stellig geloofd hadden, dat hij voor altijd geruïneerd was. Ten uiterste verstoord over de onbetamelijke bejegening, welke zijn brave boekhouder van hen ondergaan had, bleef mijn vader doof voor alle verontschuldigingen en voorslagen tot een vergelijk, en toen hij de loopende rekening vereffend had, verklaarde hij hun, dat zijn koopmansboeken voor altijd voor hen gesloten zouden zijn.Terwijl hij zich over deze zegepraal op zijne schijnvrienden verheugde, was hij om mij niet weinig bekommerd. De goede Owen had niet vermoed, dat eene reis van ongeveer zestig Engelsche mijlen, die, van Londen uit, in alle richtingen zoo gemakkelijk en zoo veilig te doen is, met eenig gevaar kon vergezeld gaan in Schotland. Maar ook hij werd beangst, toen hij de ongerustheid van mijn vader bemerkte, die het land en het onbeschaafde, schier woeste karakter der bewoners beter kende.Deze bezorgdheid steeg tot pijnlijken angst, toen, kort vóór mijne terugkomst, Andries verscheen, en de, weliswaar ontmoedigende, hoewel niet weinig overdreven tijding bracht van den neteligen toestand, waarin hij mij had achtergelaten. De hertog, door wiens soldaten hijals gevangene was weggevoerd, had hem na een vrij scherp verhoor niet alleen ontslagen, maar hem tevens in staat gesteld, om zich ten spoedigste naar Glasgow te begeven, ten einde mijn wedervaren te berichten.Andries behoorde eigenlijk tot die lieden, die gaarne van zich doen spreken en zich inzonderheid dat voorkomen van gewicht trachten te geven, hetwelk den overbrenger van noodlottige tijdingen doorgaans van zelf ten deel valt. Hij had dus wel gezorgd, zijn verhaal vooral niet te zacht te kleuren, te meer, toen hij hoorde, dat de rijke Londensche koopman zelf geheel onverwacht zijn toehoorder was. Zeer breedvoerig sprak hij van de gevaren, waaraan hij ontsnapt was, en wel, zoo als hij te kennen gaf, voornamelijk door zijne ervaring, zijn ijver en zijne schranderheid. Wat er echter van mij geworden was, nadat men hem, mijn getrouwen beschermengel, van mijne zijde gerukt had, kon hij slechts vermoeden, maar met geene zekerheid zeggen: intusschen moest ik buiten twijfel in levensgevaar verkeeren, zoo men mij het leven niet reeds benomen had. De heer Jarvie, voegde hij er bij, was geen man, om iemand in hachelijke omstandigheden van eenigen dienst of hulp te zijn; integendeel, zou hij met zijne ten eenemaal verkeerde begrippen en door zijne verwaandheid iemand van den wal in de sloot helpen, waarom hij, Andries, bijna vreesde, dat het tusschen de pistolen der ruiters, de geweren der soldaten en de dolken en sabels der Hooglanders en den diepen stroom naast dit alles er bij, zeker met mij niet al te best moest zijn afgeloopen.Deze boodschap zou den goeden Owen tot wanhoop gebracht hebben, als hij alleen en zonder bijstand geweest ware. Maar mijn vader werd door zijne groote menschenkennis licht in staat gesteld, om het karakter van den verhaler te doorgronden en in diens verhaal het ware van het verdichte te schiften. Al het overdrevene daarvan weggenomen, bleef het toch nog verontrustend genoeg. Reeds had mijn vader besloten zich zelf op weg te begeven, om door losgeld of onderhandeling mijne vrijheid te verkrijgen. Ja, met dat doel was hij thans nog zoo laat bezig, om met Owen eenige brieven te doorloopen en den dienstvaardigen man omtrent eenige zaken te onderrichten, die gedurende zijne afwezigheid in orde moesten gebracht worden.Het was reeds laat toen wij scheidden, en te ongeduldig om lang rust te genieten, was ik al zeer vroeg weder op de been. Andries kwam om zijn dienst bij mij waar te nemen. En zie, de vogelsverschrikkers gestalte, waarin de Hooglanders hem veranderd hadden, was tot mijne verrassing geheel verdwenen; hij trad op van top tot teen deftig in het zwart gekleed. Eerst na eenige vragen, welke de schelm zoo lang mogelijk niet wilde begrijpen, of ten minste verkeerd beantwoordde, kreeg ik uit hem, dat hij het als passend had beschouwd, mijnentwege den rouw aan te nemen. Maar nu wilde de uitdrager, in wiens winkel hij zich het daartoe noodige had aangeschaft, dat gewaad niet terug nemen. Daar hij in mijn dienst zijne eigen kleeren verloren had, zou naar zijn oordeel, noch ik, noch mijn vader, dien de Voorzienigheid zoorijkelijk met tijdelijke middelen gezegend had, hem dwingen het weg te doen en dulden, dat zulk een arme drommel, als hij was, de schade droeg. Deze list gelukte hem, daar zijne klacht wegens geleden verlies in mijn dienst alleszins gegrond was. Zoo geraakte hij aan een vrij goed rouwpak, terwijl zijn heer, over wien hij rouwde, frisch en gezond was.Zoodra mijn vader ontwaakt was, bezocht hij den braven Jarvie, wiens hartelijke goedheid hij met eene innige dankbaarheid erkende, zooals hij het met eenige weinige krachtige woorden uitdrukte. Toen hij van den zoo gunstig veranderden toestand zijner zaken had gesproken, bood hij zijn beproefden vriend, onder voordeelige voorwaarden, het deel in zijn handel aan, dat Mac-Vittie en Comp. te voren gehad hadden. Jarvie wenschte mijn vader en Owen hartelijk geluk met dezen zoo gunstigen keer, en zonder met geveinsde nederigheid te ontkennen, dat hij zijn best had gedaan, om hun van dienst te zijn, toen de zaken nog geheel anders stonden, zeide hij slechts, dat hij zoo gehandeld had, als hij wenschte in diergelijk geval zelf behandeld te worden; terwijl hij de hem aangeboden uitbreiding aan zijn handel dankbaar aannam.»Wanneer Mac-Vittie en diens compagnon,” zeide hij, »als eerlijke lui hun plichten waren nagekomen, dan zou ik niet gaarne ten hunnen koste deze voordeelen willen genieten. Maar daar het tegendeel gebleken is, moeten zij billijkerwijs daarvoor boeten.”Maar nu nam Jarvie mij ter zijde en fluisterde mij met eenige verlegenheid het volgende in het oor: »Beste mijnheer Frans, ik wenschte wel, dat er zoo min mogelijk van al datgene gesproken werd, wat wij daar ginder hebben gezien. Worden wij niet gerechtelijk ondervraagd, dan zal het wel ’t best zijn, geen enkel woord van de aan Morris gepleegde daad te reppen. Ook zou men het in onze raadzaal geenszins roemrijk achten, dat een der leden van den achtbaren raad met Hooglanders gevochten en een plaid verzengd had. Daarenboven meen ik mij steeds als fatsoenlijk man te gedragen, wanneer ik in mijn gewonen doen ben. Maar ik moet wel een zonderling figuur gemaakt hebben, toen ik zonder hoed en pruik aan dien tak hing. Als zij op het stadhuis van dat gevalletje hoorden, zou men mij dagelijks er mede plagen.”Toen Jarvie mij dit ongeval herinnerde, kon ik een glimlachje niet bedwingen. De goedhartige man werd een weinig verlegen. Maar hij glimlachte ook terwijl hij, het hoofd schuddende, zeide: »ja, ja, ik kan me best voorstellen hoe het er uitzag, o heel best! Maar spreek er toch vooral niet van, en beveel uwen praatzieken verwaanden knecht, dat hij insgelijks zijn mond houdt. Zelfs zou ik niet gaarne hebben, dat mijn Matje er iets van vernam. Al spoedig werd het dan door de gansche buurt verspreid en aan het gepraat zou geen einde zijn.”De bezorgdheid van den goeden man, om niet in een bespottelijk licht te verschijnen, werd zichtbaar verminderd, toen ik hem zeide, dat mijn vader voornemens was Glasgow terstond te verlaten. Wij hadden ook werkelijk geen reden om er langer te vertoeven, daar toch de gewichtigstepapieren, die Rashleigh ontvreemd had, weder in onze handen waren. Wat hij reeds tot geld gemaakt en voor zijne vermetele plannen besteed had, kon slechts door een rechtsgeding teruggekregen worden, dat dan ook zonder verwijl begonnen werd.Wij brachten nog één dag bij onzen gastvrijen vriend door, en namen toen afscheid van hem, zoo als dan ook mijn verhaal hier afscheid van hem neemt. Hij klom in welvaart en aanzien, en steeg eindelijk tot de hoogste eereambten in zijne geboortestad. Omtrent twee jaren na onze eerste kennismaking werd hij het ongehuwde leven moede en verhief hij de getrouwe Matje van keukenprinses tot zijne echtgenoote. Zijne benijders en vijanden, waaronder vooral Grahame en de Mac-Vittie’s, trachtten deze verandering in zijne leefwijze bespottelijk te maken. Ja, zelfs zijne vrienden vonden den stap bedenkelijk. Doch Martha gedroeg zich na hare verheffing zoo voorbeeldig, dat zij alle bezorgdheid daaromtrent volkomen wederlegde. »Laat hen praten, zooveel zij willen,” zeide Jarvie, toen hij van het gebabbel hoorde; »het deert mij niet. Ik doe toch wat ik goedvind, al blijven zij er veertien dagen lang in eens door er over praten.”In zijn vreedzaam en nuttig leven, was geloof ik geene gebeurtenis, die eenige bijzondere melding verdient, dan de voorvallen, die ik van hem verhaald heb.
HOOFDSTUK XXXVI.Ik roep u vaarwel toe, o land, door wolken omgeven,Wier mist, als een lijkkleed, gebergten omhult;Waar de aad’laar zijn schreeuw huwt aan ’t ruischen der stroomen,Waar schrikwekkende storm steeds de eenzaamheid vult.Door een woest, romanesk oord leidde onze weg. De Ben-Lomond, dien wij rechts lieten liggen, stak boven al de overige bergen uit. Ik was verdiept in overpeinzingen, die zwaar op mijn gemoed drukten. Doch toen wij na een langen, moeielijken tocht uit een bergpas kwamen, en de spiegelgladde oppervlakte van het Lomond-Meer voor ons lag, toen was het, of ik plotseling ontwaakte. Wie is in staat dit landschap te beschrijven! Eene reeks van schilderachtig schoone eilanden van verschillende gedaante, rijst op uit het heerlijke meer, dat, naar het noorden zich vernauwend, in de verre, donkere bergkloven geheel verdwijnt, terwijl het zich naar het zuiden meer en meer uitbreidt, en de bochten en voorgebergten van een bekoorlijke landstreek bespoelt. De oostkust was te dien tijde de hoofdplaats van Mac-Gregor en zijn clan. Om hen in bedwang te houden, had men in het fort, tusschen den Loch-Lomond en een ander meer, eene kleine bezetting gelegd. Maar door de natuur was de landstreek zoo goed versterkt en had zoo vele bergpassen, moerassen, holen en andere sluiphoeken, dat die kleine vesting het gevaar eer duidelijk aanwees, dan dat ze genoegzame bescherming daartegen verschafte. Reeds bij meer dan ééne gelegenheid had de bezetting de gevolgen van den koenen moed van Mac-Gregor en diens aanhangers ondervonden. Maar de voordeelen welke de balling op zijne vijanden behaalde, werden nooit door eenige gruweldaad bezoedeld, wanneer hij zelf aanvoerder was. Want even goedaardig als schrander, besefte hij zeer goed, dat het alleszins gevaarlijk was, zich noodeloos gehaat te maken. Met genoegen vernam ik, dat hij de op den vorigen dag gevangen gemaakte militairen ontslagen had. Nog vele dergelijke trekken van zachtmoedigheid, ja zelfs van grootmoedigheid, van dezen merkwaardigen man heb ik van allerlei personen vernomen.In een bocht, onder eene hooge rots, verbeidde ons eene boot, die met vier kloeke Hooglandsche roeiers bemand was, en nu nam onze gastheer hartelijk afscheid van ons. Hem en Jarvie scheen de band van wederzijdsche achting te verbinden, wat met hunne zoo geheel verschillende bedrijven en gewoonten eene scherpe tegenstelling vormde. Toen zij elkander hartelijk omhelsd hadden en op het punt van scheiden waren, verzekerde Jarvie met een vol hart en eene bevende stem zijn neef, dat, indien honderd pond, ja al ware het ook tweehonderd, hem of de zijnen in staat konden stellen om tot een eerlijk bestaan te geraken, hij hem dit slechts met een paar woorden behoefde te melden. Maar Robbert vatte met de eene hand het gevest van zijnzwaard en drukte met de andere Jarvie’s hand, terwijl hij hem verzekerde, dat bijaldien iemand zijn neef beleedigen mocht, en deze hem daarvan bericht zond, hij den beleediger, al ware die ook de eerste persoon van geheel Glasgow, de ooren van het hoofd zou houwen.Na deze wederzijdsche verzekeringen van voortdurende vriendschap en welwillendheid, stieten wij van den oever af en zetten koers naar den zuidwestelijken hoek van het meer, waaruit het riviertje de Leven ontstroomt. Robbert bleef nog geruimen tijd op den top der rotsen staan, waarvan onze boot afgevaren was. Hij was ook nog op vrij verren afstand zichtbaar door zijn lang geweer, zijn bont fladderend gewaad en de enkele pluim op zijne muts, waardoor in die tijden de Hooglandsche edelman en soldaat zich onderscheidden, ofschoon de Hooglandsche krijgslieden thans hunne mutsen met eene groote menigte zwarte vederen versieren. Eindelijk zag ik hem langzaam den heuvel afdalen, vergezeld van de manschappen, die zijne lijfwacht uitmaakten.Nu voeren wij vrij lang voort, zonder het stilzwijgen te verbreken. Slechts nu en dan klonk over het water hetGaelischegezang, dat een der roeiers op eene zachte onregelmatige wijs aanhief, en dan in een woesten koorzang overging, waarin hij door zijne kameraden begeleid werd.Diepe zwaarmoedigheid drukte mij ter neêr. Doch het gezicht van de ongemeen fraaie landstreek, die ons omringde, verzachtte mijn leed. In de dweepachtige stemming van het oogenblik verbeeldde ik mij, dat ik, als ik Roomsch-Katholiek geweest ware, op een der bevallige eilanden, tusschen welke onze boot henengleed, zeer gaarne als een stille kluizenaar zou willen leven en sterven.Jarvie gaf zich insgelijks geheel aan zijne overpeinzingen over. Maar ik merkte, dat ze van de mijne vrij wat verschilden, toen hij, na lange stilte, gedurende welke hij de behoorlijke berekeningen had gemaakt, trachtte te bewijzen, dat het wel mogelijk zou zijn, het meer droog te maken en voor ploeg en egge vele honderden, ja vele duizenden morgen lands te winnen, die thans volstrekt niets opleverden, dan hoogstens een snoek of waterbaarsje. Uit zijn langwijlig betoog, waarvan ik een tamelijk onverschillig toehoorder was, herinner ik mij, dat het onder anderen mede tot zijn ontwerp behoorde, dat hij ook een vaart in het meer tusschen Dumbarton en Glenfalloch behouden wilde hebben, breed en diep genoeg voor kolenschepen.Eindelijk bereikten wij de landingsplaats, niet ver van de ruïnen van een oud kasteel, waar het meer zijne wateren in de rivier de Leven uitstort. Hier wachtte Dugald ons met de paarden. Jarvie had een plan ten behoeve van dien knaap gevormd. Het was even goed als dat tot het droogmaken van het meer, maar bij beide had hij veel meer op de voordeelen dan op de uitvoerbaarheid er van gelet.»Dugald,” zeide hij, »gij hebt een goed hart en weet wat uwe meerderen toekomt. Maar het leven dat gij leidt, zal u vroeg of laat in het verderf storten en uwe ziel hier namaals reddeloos doen verloren gaan. Ik verbeeld mij, dat de diensten, welke ik in mijn ambt aan onzegoede stad Glasgow bewezen heb, even als mijn vader zaliger, de wijkmeester, vóór mij heeft gedaan, mij eenig aanzien, eenigen invloed verschaft hebben, zoo dat ik, dunkt mij, de heeren van den raad wel zou kunnen bewegen, om, ten opzichte van hetgeen door u bedreven is, genade voor recht te laten gelden, te meer, dewijl ze bij nog veel grooter wanbedrijven wel eens, om des lieven vredes wil, een oog toegedrukt hebben. Wilt gij derhalve met mij naar Glasgow gaan, Dugald, dan kunt gij als een fiksche, goedgespierde kerel, mij voorloopig in mijn magazijn behulpzaam wezen, tot er zich iets beters voor u opdoet.”Maar Dugald antwoordde, dat hij voor het welgemeende aanbod van den heer Jarvie alleszins dankbaar was, maar volstrekt niet weer te Glasgow wilde komen, dan alleen als men hem, even als vroeger, in boeien en banden derwaarts sleepte. Hij was, zoo als ik naderhand vernam, inderdaad wegens deelneming aan een gepleegden roof, als gevangene naar Glasgow gebracht geworden. Daar had hij de gunst van den opzichter der gevangenis gewonnen en zich langen tijd in diens dienst getrouw gedragen, tot eindelijk, bij de onverwachte verschijning van zijn voormaligen gebieder, zijne ingewortelde neiging weer de overhand behaalde. Verwonderd over Dugald’s weigerend antwoord op eene zoo voordeelige aanbieding, werd Jarvie te meer in zijne meening versterkt, dat de man een domkop was. Oneindig beter behaagde Dugald mijne dankbaarheid, toen ik een paar guinjes in zijne hand liet glijden. Met ongedwongen behendigheid maakte hij eenige sprongen, en spoedde zich toen naar de roeiers, die een klein gedeelte, dat hij hun van het hem geschonkene gaf, nu ook in eene recht vroolijke stemming bracht.Toen hij zich verwijderd had, stegen wij te paard en vervolgden onzen weg naar Glasgow.Weldra hadden wij het meer en de buitengewoon fraaie bergketen uit het oog verloren. Ik kon mij niet weerhouden nog een poos te gewagen van mijne bewondering van deze zoo bekoorlijke landstreek, ofschoon ik wel wist, dat Jarvie de man niet was, op wien schoone natuurtooneelen indruk maakten.—»Gij zijt nog jong,” zeide hij, »en daarenboven een Engelschman: dit is de reden, waarom gij dit alles zoo fraai vindt. Ik, die een eenvoudig man ben, hoewel ik zeer goed weet wat landerijen waard zijn, geef gaarne het schoonste natuurtooneel, dat het Hoogland oplevert, voor het eerste gezicht der daken van Glasgow. Ben ik maar eens weder te huis, dan zal ik wel zorg dragen, dat ik voortaan niet weder zoo zonder eenige noodzakelijkheid, louter om iemand pleizier te doen, naar dit verwenschte land op reis ga.”De wensch van den goeden man werd spoedig vervuld. Na flink doorgedraafd te hebben, hadden wij zeer laat in den avond zijne woning bereikt.Zoodra ik zag, dat mijn waarde reisgenoot zich weder onder de zorgvuldige hoede van zijne dienstvaardige Martha bevond, begaf ik mij naar mijne voormalige herberg, waar ik, zelfs op dit ongewone uur, nog eenige vensters verlicht zag. Niemand anders opende mij de deur danAndries, die, mij herkennende, van vreugde luidkeels schreeuwde, en, zonder een enkel woord te zeggen, de trap opstoof naar de kamer, waarin ik het licht had zien branden. Ik dacht met recht, dat hij mijne komst den, wegens mijn lang wegblijven buiten twijfel bekommerden Owen, wilde aankondigen, en ik volgde hem op den voet. Maar Owen was niet alleen in die kamer: naast hem zat—mijn vader.Eerst trachtte hij zijne gewone bedaardheid te behouden, zeide op eenigszins gedwongen toon: »het verheugt mij u te zien, Frans!”—Maar terstond daarop omvatte en omhelsde hij mij met liefdevolle woorden: »mijn zoon, mijn dierbare zoon!”—Owen vatte mijne eene hand, welke hij met zijne tranen bevochtigde, terwijl hij mij met mijne terugkomst gelukwenschte. Welk een onvergetelijk oogenblik! zelfs nu nog komen de tranen in mijne oude oogen, als ik het mij herinner.Na de eerste opwelling onzer vreugde, vernam ik, dat mijn vader, kort nadat Owen zich op reis naar Schotland begeven had, uit Holland teruggekomen was. Van voortvarenden aard in al zijne handelingen, vertoefde hij daar slechts korten tijd, om zich de middelen te verschaffen, waardoor hij de loopende wissels ten laste van zijn kantoor zou kunnen voldoen. Zijne uitgestrekte correspondentie en zijn sedert zoo vele jaren alom gevestigd krediet, hetwelk hij aan het welslagen van zijne ondernemingen op het vaste land en zijne voorbeeldige eerlijkheid en stiptheid in den handel te danken had, stelden hem weldra in staat, om thans in persoon datgene bijzonder spoedig tot stand te brengen, wat in zijne afwezigheid zeer moeilijk en langzaam had kunnen gedaan worden. Eindelijk vertrok hij naar Schotland, om Rashleigh tot verantwoording te noodzaken en tevens om zijne zaken in dat land behoorlijk te regelen. Zijne komst te Glasgow in zulke onverwacht gunstige omstandigheden, was een donderslag voor Mac-Vittie en diens compagnon, die stellig geloofd hadden, dat hij voor altijd geruïneerd was. Ten uiterste verstoord over de onbetamelijke bejegening, welke zijn brave boekhouder van hen ondergaan had, bleef mijn vader doof voor alle verontschuldigingen en voorslagen tot een vergelijk, en toen hij de loopende rekening vereffend had, verklaarde hij hun, dat zijn koopmansboeken voor altijd voor hen gesloten zouden zijn.Terwijl hij zich over deze zegepraal op zijne schijnvrienden verheugde, was hij om mij niet weinig bekommerd. De goede Owen had niet vermoed, dat eene reis van ongeveer zestig Engelsche mijlen, die, van Londen uit, in alle richtingen zoo gemakkelijk en zoo veilig te doen is, met eenig gevaar kon vergezeld gaan in Schotland. Maar ook hij werd beangst, toen hij de ongerustheid van mijn vader bemerkte, die het land en het onbeschaafde, schier woeste karakter der bewoners beter kende.Deze bezorgdheid steeg tot pijnlijken angst, toen, kort vóór mijne terugkomst, Andries verscheen, en de, weliswaar ontmoedigende, hoewel niet weinig overdreven tijding bracht van den neteligen toestand, waarin hij mij had achtergelaten. De hertog, door wiens soldaten hijals gevangene was weggevoerd, had hem na een vrij scherp verhoor niet alleen ontslagen, maar hem tevens in staat gesteld, om zich ten spoedigste naar Glasgow te begeven, ten einde mijn wedervaren te berichten.Andries behoorde eigenlijk tot die lieden, die gaarne van zich doen spreken en zich inzonderheid dat voorkomen van gewicht trachten te geven, hetwelk den overbrenger van noodlottige tijdingen doorgaans van zelf ten deel valt. Hij had dus wel gezorgd, zijn verhaal vooral niet te zacht te kleuren, te meer, toen hij hoorde, dat de rijke Londensche koopman zelf geheel onverwacht zijn toehoorder was. Zeer breedvoerig sprak hij van de gevaren, waaraan hij ontsnapt was, en wel, zoo als hij te kennen gaf, voornamelijk door zijne ervaring, zijn ijver en zijne schranderheid. Wat er echter van mij geworden was, nadat men hem, mijn getrouwen beschermengel, van mijne zijde gerukt had, kon hij slechts vermoeden, maar met geene zekerheid zeggen: intusschen moest ik buiten twijfel in levensgevaar verkeeren, zoo men mij het leven niet reeds benomen had. De heer Jarvie, voegde hij er bij, was geen man, om iemand in hachelijke omstandigheden van eenigen dienst of hulp te zijn; integendeel, zou hij met zijne ten eenemaal verkeerde begrippen en door zijne verwaandheid iemand van den wal in de sloot helpen, waarom hij, Andries, bijna vreesde, dat het tusschen de pistolen der ruiters, de geweren der soldaten en de dolken en sabels der Hooglanders en den diepen stroom naast dit alles er bij, zeker met mij niet al te best moest zijn afgeloopen.Deze boodschap zou den goeden Owen tot wanhoop gebracht hebben, als hij alleen en zonder bijstand geweest ware. Maar mijn vader werd door zijne groote menschenkennis licht in staat gesteld, om het karakter van den verhaler te doorgronden en in diens verhaal het ware van het verdichte te schiften. Al het overdrevene daarvan weggenomen, bleef het toch nog verontrustend genoeg. Reeds had mijn vader besloten zich zelf op weg te begeven, om door losgeld of onderhandeling mijne vrijheid te verkrijgen. Ja, met dat doel was hij thans nog zoo laat bezig, om met Owen eenige brieven te doorloopen en den dienstvaardigen man omtrent eenige zaken te onderrichten, die gedurende zijne afwezigheid in orde moesten gebracht worden.Het was reeds laat toen wij scheidden, en te ongeduldig om lang rust te genieten, was ik al zeer vroeg weder op de been. Andries kwam om zijn dienst bij mij waar te nemen. En zie, de vogelsverschrikkers gestalte, waarin de Hooglanders hem veranderd hadden, was tot mijne verrassing geheel verdwenen; hij trad op van top tot teen deftig in het zwart gekleed. Eerst na eenige vragen, welke de schelm zoo lang mogelijk niet wilde begrijpen, of ten minste verkeerd beantwoordde, kreeg ik uit hem, dat hij het als passend had beschouwd, mijnentwege den rouw aan te nemen. Maar nu wilde de uitdrager, in wiens winkel hij zich het daartoe noodige had aangeschaft, dat gewaad niet terug nemen. Daar hij in mijn dienst zijne eigen kleeren verloren had, zou naar zijn oordeel, noch ik, noch mijn vader, dien de Voorzienigheid zoorijkelijk met tijdelijke middelen gezegend had, hem dwingen het weg te doen en dulden, dat zulk een arme drommel, als hij was, de schade droeg. Deze list gelukte hem, daar zijne klacht wegens geleden verlies in mijn dienst alleszins gegrond was. Zoo geraakte hij aan een vrij goed rouwpak, terwijl zijn heer, over wien hij rouwde, frisch en gezond was.Zoodra mijn vader ontwaakt was, bezocht hij den braven Jarvie, wiens hartelijke goedheid hij met eene innige dankbaarheid erkende, zooals hij het met eenige weinige krachtige woorden uitdrukte. Toen hij van den zoo gunstig veranderden toestand zijner zaken had gesproken, bood hij zijn beproefden vriend, onder voordeelige voorwaarden, het deel in zijn handel aan, dat Mac-Vittie en Comp. te voren gehad hadden. Jarvie wenschte mijn vader en Owen hartelijk geluk met dezen zoo gunstigen keer, en zonder met geveinsde nederigheid te ontkennen, dat hij zijn best had gedaan, om hun van dienst te zijn, toen de zaken nog geheel anders stonden, zeide hij slechts, dat hij zoo gehandeld had, als hij wenschte in diergelijk geval zelf behandeld te worden; terwijl hij de hem aangeboden uitbreiding aan zijn handel dankbaar aannam.»Wanneer Mac-Vittie en diens compagnon,” zeide hij, »als eerlijke lui hun plichten waren nagekomen, dan zou ik niet gaarne ten hunnen koste deze voordeelen willen genieten. Maar daar het tegendeel gebleken is, moeten zij billijkerwijs daarvoor boeten.”Maar nu nam Jarvie mij ter zijde en fluisterde mij met eenige verlegenheid het volgende in het oor: »Beste mijnheer Frans, ik wenschte wel, dat er zoo min mogelijk van al datgene gesproken werd, wat wij daar ginder hebben gezien. Worden wij niet gerechtelijk ondervraagd, dan zal het wel ’t best zijn, geen enkel woord van de aan Morris gepleegde daad te reppen. Ook zou men het in onze raadzaal geenszins roemrijk achten, dat een der leden van den achtbaren raad met Hooglanders gevochten en een plaid verzengd had. Daarenboven meen ik mij steeds als fatsoenlijk man te gedragen, wanneer ik in mijn gewonen doen ben. Maar ik moet wel een zonderling figuur gemaakt hebben, toen ik zonder hoed en pruik aan dien tak hing. Als zij op het stadhuis van dat gevalletje hoorden, zou men mij dagelijks er mede plagen.”Toen Jarvie mij dit ongeval herinnerde, kon ik een glimlachje niet bedwingen. De goedhartige man werd een weinig verlegen. Maar hij glimlachte ook terwijl hij, het hoofd schuddende, zeide: »ja, ja, ik kan me best voorstellen hoe het er uitzag, o heel best! Maar spreek er toch vooral niet van, en beveel uwen praatzieken verwaanden knecht, dat hij insgelijks zijn mond houdt. Zelfs zou ik niet gaarne hebben, dat mijn Matje er iets van vernam. Al spoedig werd het dan door de gansche buurt verspreid en aan het gepraat zou geen einde zijn.”De bezorgdheid van den goeden man, om niet in een bespottelijk licht te verschijnen, werd zichtbaar verminderd, toen ik hem zeide, dat mijn vader voornemens was Glasgow terstond te verlaten. Wij hadden ook werkelijk geen reden om er langer te vertoeven, daar toch de gewichtigstepapieren, die Rashleigh ontvreemd had, weder in onze handen waren. Wat hij reeds tot geld gemaakt en voor zijne vermetele plannen besteed had, kon slechts door een rechtsgeding teruggekregen worden, dat dan ook zonder verwijl begonnen werd.Wij brachten nog één dag bij onzen gastvrijen vriend door, en namen toen afscheid van hem, zoo als dan ook mijn verhaal hier afscheid van hem neemt. Hij klom in welvaart en aanzien, en steeg eindelijk tot de hoogste eereambten in zijne geboortestad. Omtrent twee jaren na onze eerste kennismaking werd hij het ongehuwde leven moede en verhief hij de getrouwe Matje van keukenprinses tot zijne echtgenoote. Zijne benijders en vijanden, waaronder vooral Grahame en de Mac-Vittie’s, trachtten deze verandering in zijne leefwijze bespottelijk te maken. Ja, zelfs zijne vrienden vonden den stap bedenkelijk. Doch Martha gedroeg zich na hare verheffing zoo voorbeeldig, dat zij alle bezorgdheid daaromtrent volkomen wederlegde. »Laat hen praten, zooveel zij willen,” zeide Jarvie, toen hij van het gebabbel hoorde; »het deert mij niet. Ik doe toch wat ik goedvind, al blijven zij er veertien dagen lang in eens door er over praten.”In zijn vreedzaam en nuttig leven, was geloof ik geene gebeurtenis, die eenige bijzondere melding verdient, dan de voorvallen, die ik van hem verhaald heb.
HOOFDSTUK XXXVI.Ik roep u vaarwel toe, o land, door wolken omgeven,Wier mist, als een lijkkleed, gebergten omhult;Waar de aad’laar zijn schreeuw huwt aan ’t ruischen der stroomen,Waar schrikwekkende storm steeds de eenzaamheid vult.
Ik roep u vaarwel toe, o land, door wolken omgeven,Wier mist, als een lijkkleed, gebergten omhult;Waar de aad’laar zijn schreeuw huwt aan ’t ruischen der stroomen,Waar schrikwekkende storm steeds de eenzaamheid vult.
Ik roep u vaarwel toe, o land, door wolken omgeven,Wier mist, als een lijkkleed, gebergten omhult;Waar de aad’laar zijn schreeuw huwt aan ’t ruischen der stroomen,Waar schrikwekkende storm steeds de eenzaamheid vult.
Ik roep u vaarwel toe, o land, door wolken omgeven,
Wier mist, als een lijkkleed, gebergten omhult;
Waar de aad’laar zijn schreeuw huwt aan ’t ruischen der stroomen,
Waar schrikwekkende storm steeds de eenzaamheid vult.
Door een woest, romanesk oord leidde onze weg. De Ben-Lomond, dien wij rechts lieten liggen, stak boven al de overige bergen uit. Ik was verdiept in overpeinzingen, die zwaar op mijn gemoed drukten. Doch toen wij na een langen, moeielijken tocht uit een bergpas kwamen, en de spiegelgladde oppervlakte van het Lomond-Meer voor ons lag, toen was het, of ik plotseling ontwaakte. Wie is in staat dit landschap te beschrijven! Eene reeks van schilderachtig schoone eilanden van verschillende gedaante, rijst op uit het heerlijke meer, dat, naar het noorden zich vernauwend, in de verre, donkere bergkloven geheel verdwijnt, terwijl het zich naar het zuiden meer en meer uitbreidt, en de bochten en voorgebergten van een bekoorlijke landstreek bespoelt. De oostkust was te dien tijde de hoofdplaats van Mac-Gregor en zijn clan. Om hen in bedwang te houden, had men in het fort, tusschen den Loch-Lomond en een ander meer, eene kleine bezetting gelegd. Maar door de natuur was de landstreek zoo goed versterkt en had zoo vele bergpassen, moerassen, holen en andere sluiphoeken, dat die kleine vesting het gevaar eer duidelijk aanwees, dan dat ze genoegzame bescherming daartegen verschafte. Reeds bij meer dan ééne gelegenheid had de bezetting de gevolgen van den koenen moed van Mac-Gregor en diens aanhangers ondervonden. Maar de voordeelen welke de balling op zijne vijanden behaalde, werden nooit door eenige gruweldaad bezoedeld, wanneer hij zelf aanvoerder was. Want even goedaardig als schrander, besefte hij zeer goed, dat het alleszins gevaarlijk was, zich noodeloos gehaat te maken. Met genoegen vernam ik, dat hij de op den vorigen dag gevangen gemaakte militairen ontslagen had. Nog vele dergelijke trekken van zachtmoedigheid, ja zelfs van grootmoedigheid, van dezen merkwaardigen man heb ik van allerlei personen vernomen.In een bocht, onder eene hooge rots, verbeidde ons eene boot, die met vier kloeke Hooglandsche roeiers bemand was, en nu nam onze gastheer hartelijk afscheid van ons. Hem en Jarvie scheen de band van wederzijdsche achting te verbinden, wat met hunne zoo geheel verschillende bedrijven en gewoonten eene scherpe tegenstelling vormde. Toen zij elkander hartelijk omhelsd hadden en op het punt van scheiden waren, verzekerde Jarvie met een vol hart en eene bevende stem zijn neef, dat, indien honderd pond, ja al ware het ook tweehonderd, hem of de zijnen in staat konden stellen om tot een eerlijk bestaan te geraken, hij hem dit slechts met een paar woorden behoefde te melden. Maar Robbert vatte met de eene hand het gevest van zijnzwaard en drukte met de andere Jarvie’s hand, terwijl hij hem verzekerde, dat bijaldien iemand zijn neef beleedigen mocht, en deze hem daarvan bericht zond, hij den beleediger, al ware die ook de eerste persoon van geheel Glasgow, de ooren van het hoofd zou houwen.Na deze wederzijdsche verzekeringen van voortdurende vriendschap en welwillendheid, stieten wij van den oever af en zetten koers naar den zuidwestelijken hoek van het meer, waaruit het riviertje de Leven ontstroomt. Robbert bleef nog geruimen tijd op den top der rotsen staan, waarvan onze boot afgevaren was. Hij was ook nog op vrij verren afstand zichtbaar door zijn lang geweer, zijn bont fladderend gewaad en de enkele pluim op zijne muts, waardoor in die tijden de Hooglandsche edelman en soldaat zich onderscheidden, ofschoon de Hooglandsche krijgslieden thans hunne mutsen met eene groote menigte zwarte vederen versieren. Eindelijk zag ik hem langzaam den heuvel afdalen, vergezeld van de manschappen, die zijne lijfwacht uitmaakten.Nu voeren wij vrij lang voort, zonder het stilzwijgen te verbreken. Slechts nu en dan klonk over het water hetGaelischegezang, dat een der roeiers op eene zachte onregelmatige wijs aanhief, en dan in een woesten koorzang overging, waarin hij door zijne kameraden begeleid werd.Diepe zwaarmoedigheid drukte mij ter neêr. Doch het gezicht van de ongemeen fraaie landstreek, die ons omringde, verzachtte mijn leed. In de dweepachtige stemming van het oogenblik verbeeldde ik mij, dat ik, als ik Roomsch-Katholiek geweest ware, op een der bevallige eilanden, tusschen welke onze boot henengleed, zeer gaarne als een stille kluizenaar zou willen leven en sterven.Jarvie gaf zich insgelijks geheel aan zijne overpeinzingen over. Maar ik merkte, dat ze van de mijne vrij wat verschilden, toen hij, na lange stilte, gedurende welke hij de behoorlijke berekeningen had gemaakt, trachtte te bewijzen, dat het wel mogelijk zou zijn, het meer droog te maken en voor ploeg en egge vele honderden, ja vele duizenden morgen lands te winnen, die thans volstrekt niets opleverden, dan hoogstens een snoek of waterbaarsje. Uit zijn langwijlig betoog, waarvan ik een tamelijk onverschillig toehoorder was, herinner ik mij, dat het onder anderen mede tot zijn ontwerp behoorde, dat hij ook een vaart in het meer tusschen Dumbarton en Glenfalloch behouden wilde hebben, breed en diep genoeg voor kolenschepen.Eindelijk bereikten wij de landingsplaats, niet ver van de ruïnen van een oud kasteel, waar het meer zijne wateren in de rivier de Leven uitstort. Hier wachtte Dugald ons met de paarden. Jarvie had een plan ten behoeve van dien knaap gevormd. Het was even goed als dat tot het droogmaken van het meer, maar bij beide had hij veel meer op de voordeelen dan op de uitvoerbaarheid er van gelet.»Dugald,” zeide hij, »gij hebt een goed hart en weet wat uwe meerderen toekomt. Maar het leven dat gij leidt, zal u vroeg of laat in het verderf storten en uwe ziel hier namaals reddeloos doen verloren gaan. Ik verbeeld mij, dat de diensten, welke ik in mijn ambt aan onzegoede stad Glasgow bewezen heb, even als mijn vader zaliger, de wijkmeester, vóór mij heeft gedaan, mij eenig aanzien, eenigen invloed verschaft hebben, zoo dat ik, dunkt mij, de heeren van den raad wel zou kunnen bewegen, om, ten opzichte van hetgeen door u bedreven is, genade voor recht te laten gelden, te meer, dewijl ze bij nog veel grooter wanbedrijven wel eens, om des lieven vredes wil, een oog toegedrukt hebben. Wilt gij derhalve met mij naar Glasgow gaan, Dugald, dan kunt gij als een fiksche, goedgespierde kerel, mij voorloopig in mijn magazijn behulpzaam wezen, tot er zich iets beters voor u opdoet.”Maar Dugald antwoordde, dat hij voor het welgemeende aanbod van den heer Jarvie alleszins dankbaar was, maar volstrekt niet weer te Glasgow wilde komen, dan alleen als men hem, even als vroeger, in boeien en banden derwaarts sleepte. Hij was, zoo als ik naderhand vernam, inderdaad wegens deelneming aan een gepleegden roof, als gevangene naar Glasgow gebracht geworden. Daar had hij de gunst van den opzichter der gevangenis gewonnen en zich langen tijd in diens dienst getrouw gedragen, tot eindelijk, bij de onverwachte verschijning van zijn voormaligen gebieder, zijne ingewortelde neiging weer de overhand behaalde. Verwonderd over Dugald’s weigerend antwoord op eene zoo voordeelige aanbieding, werd Jarvie te meer in zijne meening versterkt, dat de man een domkop was. Oneindig beter behaagde Dugald mijne dankbaarheid, toen ik een paar guinjes in zijne hand liet glijden. Met ongedwongen behendigheid maakte hij eenige sprongen, en spoedde zich toen naar de roeiers, die een klein gedeelte, dat hij hun van het hem geschonkene gaf, nu ook in eene recht vroolijke stemming bracht.Toen hij zich verwijderd had, stegen wij te paard en vervolgden onzen weg naar Glasgow.Weldra hadden wij het meer en de buitengewoon fraaie bergketen uit het oog verloren. Ik kon mij niet weerhouden nog een poos te gewagen van mijne bewondering van deze zoo bekoorlijke landstreek, ofschoon ik wel wist, dat Jarvie de man niet was, op wien schoone natuurtooneelen indruk maakten.—»Gij zijt nog jong,” zeide hij, »en daarenboven een Engelschman: dit is de reden, waarom gij dit alles zoo fraai vindt. Ik, die een eenvoudig man ben, hoewel ik zeer goed weet wat landerijen waard zijn, geef gaarne het schoonste natuurtooneel, dat het Hoogland oplevert, voor het eerste gezicht der daken van Glasgow. Ben ik maar eens weder te huis, dan zal ik wel zorg dragen, dat ik voortaan niet weder zoo zonder eenige noodzakelijkheid, louter om iemand pleizier te doen, naar dit verwenschte land op reis ga.”De wensch van den goeden man werd spoedig vervuld. Na flink doorgedraafd te hebben, hadden wij zeer laat in den avond zijne woning bereikt.Zoodra ik zag, dat mijn waarde reisgenoot zich weder onder de zorgvuldige hoede van zijne dienstvaardige Martha bevond, begaf ik mij naar mijne voormalige herberg, waar ik, zelfs op dit ongewone uur, nog eenige vensters verlicht zag. Niemand anders opende mij de deur danAndries, die, mij herkennende, van vreugde luidkeels schreeuwde, en, zonder een enkel woord te zeggen, de trap opstoof naar de kamer, waarin ik het licht had zien branden. Ik dacht met recht, dat hij mijne komst den, wegens mijn lang wegblijven buiten twijfel bekommerden Owen, wilde aankondigen, en ik volgde hem op den voet. Maar Owen was niet alleen in die kamer: naast hem zat—mijn vader.Eerst trachtte hij zijne gewone bedaardheid te behouden, zeide op eenigszins gedwongen toon: »het verheugt mij u te zien, Frans!”—Maar terstond daarop omvatte en omhelsde hij mij met liefdevolle woorden: »mijn zoon, mijn dierbare zoon!”—Owen vatte mijne eene hand, welke hij met zijne tranen bevochtigde, terwijl hij mij met mijne terugkomst gelukwenschte. Welk een onvergetelijk oogenblik! zelfs nu nog komen de tranen in mijne oude oogen, als ik het mij herinner.Na de eerste opwelling onzer vreugde, vernam ik, dat mijn vader, kort nadat Owen zich op reis naar Schotland begeven had, uit Holland teruggekomen was. Van voortvarenden aard in al zijne handelingen, vertoefde hij daar slechts korten tijd, om zich de middelen te verschaffen, waardoor hij de loopende wissels ten laste van zijn kantoor zou kunnen voldoen. Zijne uitgestrekte correspondentie en zijn sedert zoo vele jaren alom gevestigd krediet, hetwelk hij aan het welslagen van zijne ondernemingen op het vaste land en zijne voorbeeldige eerlijkheid en stiptheid in den handel te danken had, stelden hem weldra in staat, om thans in persoon datgene bijzonder spoedig tot stand te brengen, wat in zijne afwezigheid zeer moeilijk en langzaam had kunnen gedaan worden. Eindelijk vertrok hij naar Schotland, om Rashleigh tot verantwoording te noodzaken en tevens om zijne zaken in dat land behoorlijk te regelen. Zijne komst te Glasgow in zulke onverwacht gunstige omstandigheden, was een donderslag voor Mac-Vittie en diens compagnon, die stellig geloofd hadden, dat hij voor altijd geruïneerd was. Ten uiterste verstoord over de onbetamelijke bejegening, welke zijn brave boekhouder van hen ondergaan had, bleef mijn vader doof voor alle verontschuldigingen en voorslagen tot een vergelijk, en toen hij de loopende rekening vereffend had, verklaarde hij hun, dat zijn koopmansboeken voor altijd voor hen gesloten zouden zijn.Terwijl hij zich over deze zegepraal op zijne schijnvrienden verheugde, was hij om mij niet weinig bekommerd. De goede Owen had niet vermoed, dat eene reis van ongeveer zestig Engelsche mijlen, die, van Londen uit, in alle richtingen zoo gemakkelijk en zoo veilig te doen is, met eenig gevaar kon vergezeld gaan in Schotland. Maar ook hij werd beangst, toen hij de ongerustheid van mijn vader bemerkte, die het land en het onbeschaafde, schier woeste karakter der bewoners beter kende.Deze bezorgdheid steeg tot pijnlijken angst, toen, kort vóór mijne terugkomst, Andries verscheen, en de, weliswaar ontmoedigende, hoewel niet weinig overdreven tijding bracht van den neteligen toestand, waarin hij mij had achtergelaten. De hertog, door wiens soldaten hijals gevangene was weggevoerd, had hem na een vrij scherp verhoor niet alleen ontslagen, maar hem tevens in staat gesteld, om zich ten spoedigste naar Glasgow te begeven, ten einde mijn wedervaren te berichten.Andries behoorde eigenlijk tot die lieden, die gaarne van zich doen spreken en zich inzonderheid dat voorkomen van gewicht trachten te geven, hetwelk den overbrenger van noodlottige tijdingen doorgaans van zelf ten deel valt. Hij had dus wel gezorgd, zijn verhaal vooral niet te zacht te kleuren, te meer, toen hij hoorde, dat de rijke Londensche koopman zelf geheel onverwacht zijn toehoorder was. Zeer breedvoerig sprak hij van de gevaren, waaraan hij ontsnapt was, en wel, zoo als hij te kennen gaf, voornamelijk door zijne ervaring, zijn ijver en zijne schranderheid. Wat er echter van mij geworden was, nadat men hem, mijn getrouwen beschermengel, van mijne zijde gerukt had, kon hij slechts vermoeden, maar met geene zekerheid zeggen: intusschen moest ik buiten twijfel in levensgevaar verkeeren, zoo men mij het leven niet reeds benomen had. De heer Jarvie, voegde hij er bij, was geen man, om iemand in hachelijke omstandigheden van eenigen dienst of hulp te zijn; integendeel, zou hij met zijne ten eenemaal verkeerde begrippen en door zijne verwaandheid iemand van den wal in de sloot helpen, waarom hij, Andries, bijna vreesde, dat het tusschen de pistolen der ruiters, de geweren der soldaten en de dolken en sabels der Hooglanders en den diepen stroom naast dit alles er bij, zeker met mij niet al te best moest zijn afgeloopen.Deze boodschap zou den goeden Owen tot wanhoop gebracht hebben, als hij alleen en zonder bijstand geweest ware. Maar mijn vader werd door zijne groote menschenkennis licht in staat gesteld, om het karakter van den verhaler te doorgronden en in diens verhaal het ware van het verdichte te schiften. Al het overdrevene daarvan weggenomen, bleef het toch nog verontrustend genoeg. Reeds had mijn vader besloten zich zelf op weg te begeven, om door losgeld of onderhandeling mijne vrijheid te verkrijgen. Ja, met dat doel was hij thans nog zoo laat bezig, om met Owen eenige brieven te doorloopen en den dienstvaardigen man omtrent eenige zaken te onderrichten, die gedurende zijne afwezigheid in orde moesten gebracht worden.Het was reeds laat toen wij scheidden, en te ongeduldig om lang rust te genieten, was ik al zeer vroeg weder op de been. Andries kwam om zijn dienst bij mij waar te nemen. En zie, de vogelsverschrikkers gestalte, waarin de Hooglanders hem veranderd hadden, was tot mijne verrassing geheel verdwenen; hij trad op van top tot teen deftig in het zwart gekleed. Eerst na eenige vragen, welke de schelm zoo lang mogelijk niet wilde begrijpen, of ten minste verkeerd beantwoordde, kreeg ik uit hem, dat hij het als passend had beschouwd, mijnentwege den rouw aan te nemen. Maar nu wilde de uitdrager, in wiens winkel hij zich het daartoe noodige had aangeschaft, dat gewaad niet terug nemen. Daar hij in mijn dienst zijne eigen kleeren verloren had, zou naar zijn oordeel, noch ik, noch mijn vader, dien de Voorzienigheid zoorijkelijk met tijdelijke middelen gezegend had, hem dwingen het weg te doen en dulden, dat zulk een arme drommel, als hij was, de schade droeg. Deze list gelukte hem, daar zijne klacht wegens geleden verlies in mijn dienst alleszins gegrond was. Zoo geraakte hij aan een vrij goed rouwpak, terwijl zijn heer, over wien hij rouwde, frisch en gezond was.Zoodra mijn vader ontwaakt was, bezocht hij den braven Jarvie, wiens hartelijke goedheid hij met eene innige dankbaarheid erkende, zooals hij het met eenige weinige krachtige woorden uitdrukte. Toen hij van den zoo gunstig veranderden toestand zijner zaken had gesproken, bood hij zijn beproefden vriend, onder voordeelige voorwaarden, het deel in zijn handel aan, dat Mac-Vittie en Comp. te voren gehad hadden. Jarvie wenschte mijn vader en Owen hartelijk geluk met dezen zoo gunstigen keer, en zonder met geveinsde nederigheid te ontkennen, dat hij zijn best had gedaan, om hun van dienst te zijn, toen de zaken nog geheel anders stonden, zeide hij slechts, dat hij zoo gehandeld had, als hij wenschte in diergelijk geval zelf behandeld te worden; terwijl hij de hem aangeboden uitbreiding aan zijn handel dankbaar aannam.»Wanneer Mac-Vittie en diens compagnon,” zeide hij, »als eerlijke lui hun plichten waren nagekomen, dan zou ik niet gaarne ten hunnen koste deze voordeelen willen genieten. Maar daar het tegendeel gebleken is, moeten zij billijkerwijs daarvoor boeten.”Maar nu nam Jarvie mij ter zijde en fluisterde mij met eenige verlegenheid het volgende in het oor: »Beste mijnheer Frans, ik wenschte wel, dat er zoo min mogelijk van al datgene gesproken werd, wat wij daar ginder hebben gezien. Worden wij niet gerechtelijk ondervraagd, dan zal het wel ’t best zijn, geen enkel woord van de aan Morris gepleegde daad te reppen. Ook zou men het in onze raadzaal geenszins roemrijk achten, dat een der leden van den achtbaren raad met Hooglanders gevochten en een plaid verzengd had. Daarenboven meen ik mij steeds als fatsoenlijk man te gedragen, wanneer ik in mijn gewonen doen ben. Maar ik moet wel een zonderling figuur gemaakt hebben, toen ik zonder hoed en pruik aan dien tak hing. Als zij op het stadhuis van dat gevalletje hoorden, zou men mij dagelijks er mede plagen.”Toen Jarvie mij dit ongeval herinnerde, kon ik een glimlachje niet bedwingen. De goedhartige man werd een weinig verlegen. Maar hij glimlachte ook terwijl hij, het hoofd schuddende, zeide: »ja, ja, ik kan me best voorstellen hoe het er uitzag, o heel best! Maar spreek er toch vooral niet van, en beveel uwen praatzieken verwaanden knecht, dat hij insgelijks zijn mond houdt. Zelfs zou ik niet gaarne hebben, dat mijn Matje er iets van vernam. Al spoedig werd het dan door de gansche buurt verspreid en aan het gepraat zou geen einde zijn.”De bezorgdheid van den goeden man, om niet in een bespottelijk licht te verschijnen, werd zichtbaar verminderd, toen ik hem zeide, dat mijn vader voornemens was Glasgow terstond te verlaten. Wij hadden ook werkelijk geen reden om er langer te vertoeven, daar toch de gewichtigstepapieren, die Rashleigh ontvreemd had, weder in onze handen waren. Wat hij reeds tot geld gemaakt en voor zijne vermetele plannen besteed had, kon slechts door een rechtsgeding teruggekregen worden, dat dan ook zonder verwijl begonnen werd.Wij brachten nog één dag bij onzen gastvrijen vriend door, en namen toen afscheid van hem, zoo als dan ook mijn verhaal hier afscheid van hem neemt. Hij klom in welvaart en aanzien, en steeg eindelijk tot de hoogste eereambten in zijne geboortestad. Omtrent twee jaren na onze eerste kennismaking werd hij het ongehuwde leven moede en verhief hij de getrouwe Matje van keukenprinses tot zijne echtgenoote. Zijne benijders en vijanden, waaronder vooral Grahame en de Mac-Vittie’s, trachtten deze verandering in zijne leefwijze bespottelijk te maken. Ja, zelfs zijne vrienden vonden den stap bedenkelijk. Doch Martha gedroeg zich na hare verheffing zoo voorbeeldig, dat zij alle bezorgdheid daaromtrent volkomen wederlegde. »Laat hen praten, zooveel zij willen,” zeide Jarvie, toen hij van het gebabbel hoorde; »het deert mij niet. Ik doe toch wat ik goedvind, al blijven zij er veertien dagen lang in eens door er over praten.”In zijn vreedzaam en nuttig leven, was geloof ik geene gebeurtenis, die eenige bijzondere melding verdient, dan de voorvallen, die ik van hem verhaald heb.
Door een woest, romanesk oord leidde onze weg. De Ben-Lomond, dien wij rechts lieten liggen, stak boven al de overige bergen uit. Ik was verdiept in overpeinzingen, die zwaar op mijn gemoed drukten. Doch toen wij na een langen, moeielijken tocht uit een bergpas kwamen, en de spiegelgladde oppervlakte van het Lomond-Meer voor ons lag, toen was het, of ik plotseling ontwaakte. Wie is in staat dit landschap te beschrijven! Eene reeks van schilderachtig schoone eilanden van verschillende gedaante, rijst op uit het heerlijke meer, dat, naar het noorden zich vernauwend, in de verre, donkere bergkloven geheel verdwijnt, terwijl het zich naar het zuiden meer en meer uitbreidt, en de bochten en voorgebergten van een bekoorlijke landstreek bespoelt. De oostkust was te dien tijde de hoofdplaats van Mac-Gregor en zijn clan. Om hen in bedwang te houden, had men in het fort, tusschen den Loch-Lomond en een ander meer, eene kleine bezetting gelegd. Maar door de natuur was de landstreek zoo goed versterkt en had zoo vele bergpassen, moerassen, holen en andere sluiphoeken, dat die kleine vesting het gevaar eer duidelijk aanwees, dan dat ze genoegzame bescherming daartegen verschafte. Reeds bij meer dan ééne gelegenheid had de bezetting de gevolgen van den koenen moed van Mac-Gregor en diens aanhangers ondervonden. Maar de voordeelen welke de balling op zijne vijanden behaalde, werden nooit door eenige gruweldaad bezoedeld, wanneer hij zelf aanvoerder was. Want even goedaardig als schrander, besefte hij zeer goed, dat het alleszins gevaarlijk was, zich noodeloos gehaat te maken. Met genoegen vernam ik, dat hij de op den vorigen dag gevangen gemaakte militairen ontslagen had. Nog vele dergelijke trekken van zachtmoedigheid, ja zelfs van grootmoedigheid, van dezen merkwaardigen man heb ik van allerlei personen vernomen.
In een bocht, onder eene hooge rots, verbeidde ons eene boot, die met vier kloeke Hooglandsche roeiers bemand was, en nu nam onze gastheer hartelijk afscheid van ons. Hem en Jarvie scheen de band van wederzijdsche achting te verbinden, wat met hunne zoo geheel verschillende bedrijven en gewoonten eene scherpe tegenstelling vormde. Toen zij elkander hartelijk omhelsd hadden en op het punt van scheiden waren, verzekerde Jarvie met een vol hart en eene bevende stem zijn neef, dat, indien honderd pond, ja al ware het ook tweehonderd, hem of de zijnen in staat konden stellen om tot een eerlijk bestaan te geraken, hij hem dit slechts met een paar woorden behoefde te melden. Maar Robbert vatte met de eene hand het gevest van zijnzwaard en drukte met de andere Jarvie’s hand, terwijl hij hem verzekerde, dat bijaldien iemand zijn neef beleedigen mocht, en deze hem daarvan bericht zond, hij den beleediger, al ware die ook de eerste persoon van geheel Glasgow, de ooren van het hoofd zou houwen.
Na deze wederzijdsche verzekeringen van voortdurende vriendschap en welwillendheid, stieten wij van den oever af en zetten koers naar den zuidwestelijken hoek van het meer, waaruit het riviertje de Leven ontstroomt. Robbert bleef nog geruimen tijd op den top der rotsen staan, waarvan onze boot afgevaren was. Hij was ook nog op vrij verren afstand zichtbaar door zijn lang geweer, zijn bont fladderend gewaad en de enkele pluim op zijne muts, waardoor in die tijden de Hooglandsche edelman en soldaat zich onderscheidden, ofschoon de Hooglandsche krijgslieden thans hunne mutsen met eene groote menigte zwarte vederen versieren. Eindelijk zag ik hem langzaam den heuvel afdalen, vergezeld van de manschappen, die zijne lijfwacht uitmaakten.
Nu voeren wij vrij lang voort, zonder het stilzwijgen te verbreken. Slechts nu en dan klonk over het water hetGaelischegezang, dat een der roeiers op eene zachte onregelmatige wijs aanhief, en dan in een woesten koorzang overging, waarin hij door zijne kameraden begeleid werd.
Diepe zwaarmoedigheid drukte mij ter neêr. Doch het gezicht van de ongemeen fraaie landstreek, die ons omringde, verzachtte mijn leed. In de dweepachtige stemming van het oogenblik verbeeldde ik mij, dat ik, als ik Roomsch-Katholiek geweest ware, op een der bevallige eilanden, tusschen welke onze boot henengleed, zeer gaarne als een stille kluizenaar zou willen leven en sterven.
Jarvie gaf zich insgelijks geheel aan zijne overpeinzingen over. Maar ik merkte, dat ze van de mijne vrij wat verschilden, toen hij, na lange stilte, gedurende welke hij de behoorlijke berekeningen had gemaakt, trachtte te bewijzen, dat het wel mogelijk zou zijn, het meer droog te maken en voor ploeg en egge vele honderden, ja vele duizenden morgen lands te winnen, die thans volstrekt niets opleverden, dan hoogstens een snoek of waterbaarsje. Uit zijn langwijlig betoog, waarvan ik een tamelijk onverschillig toehoorder was, herinner ik mij, dat het onder anderen mede tot zijn ontwerp behoorde, dat hij ook een vaart in het meer tusschen Dumbarton en Glenfalloch behouden wilde hebben, breed en diep genoeg voor kolenschepen.
Eindelijk bereikten wij de landingsplaats, niet ver van de ruïnen van een oud kasteel, waar het meer zijne wateren in de rivier de Leven uitstort. Hier wachtte Dugald ons met de paarden. Jarvie had een plan ten behoeve van dien knaap gevormd. Het was even goed als dat tot het droogmaken van het meer, maar bij beide had hij veel meer op de voordeelen dan op de uitvoerbaarheid er van gelet.
»Dugald,” zeide hij, »gij hebt een goed hart en weet wat uwe meerderen toekomt. Maar het leven dat gij leidt, zal u vroeg of laat in het verderf storten en uwe ziel hier namaals reddeloos doen verloren gaan. Ik verbeeld mij, dat de diensten, welke ik in mijn ambt aan onzegoede stad Glasgow bewezen heb, even als mijn vader zaliger, de wijkmeester, vóór mij heeft gedaan, mij eenig aanzien, eenigen invloed verschaft hebben, zoo dat ik, dunkt mij, de heeren van den raad wel zou kunnen bewegen, om, ten opzichte van hetgeen door u bedreven is, genade voor recht te laten gelden, te meer, dewijl ze bij nog veel grooter wanbedrijven wel eens, om des lieven vredes wil, een oog toegedrukt hebben. Wilt gij derhalve met mij naar Glasgow gaan, Dugald, dan kunt gij als een fiksche, goedgespierde kerel, mij voorloopig in mijn magazijn behulpzaam wezen, tot er zich iets beters voor u opdoet.”
Maar Dugald antwoordde, dat hij voor het welgemeende aanbod van den heer Jarvie alleszins dankbaar was, maar volstrekt niet weer te Glasgow wilde komen, dan alleen als men hem, even als vroeger, in boeien en banden derwaarts sleepte. Hij was, zoo als ik naderhand vernam, inderdaad wegens deelneming aan een gepleegden roof, als gevangene naar Glasgow gebracht geworden. Daar had hij de gunst van den opzichter der gevangenis gewonnen en zich langen tijd in diens dienst getrouw gedragen, tot eindelijk, bij de onverwachte verschijning van zijn voormaligen gebieder, zijne ingewortelde neiging weer de overhand behaalde. Verwonderd over Dugald’s weigerend antwoord op eene zoo voordeelige aanbieding, werd Jarvie te meer in zijne meening versterkt, dat de man een domkop was. Oneindig beter behaagde Dugald mijne dankbaarheid, toen ik een paar guinjes in zijne hand liet glijden. Met ongedwongen behendigheid maakte hij eenige sprongen, en spoedde zich toen naar de roeiers, die een klein gedeelte, dat hij hun van het hem geschonkene gaf, nu ook in eene recht vroolijke stemming bracht.
Toen hij zich verwijderd had, stegen wij te paard en vervolgden onzen weg naar Glasgow.
Weldra hadden wij het meer en de buitengewoon fraaie bergketen uit het oog verloren. Ik kon mij niet weerhouden nog een poos te gewagen van mijne bewondering van deze zoo bekoorlijke landstreek, ofschoon ik wel wist, dat Jarvie de man niet was, op wien schoone natuurtooneelen indruk maakten.—
»Gij zijt nog jong,” zeide hij, »en daarenboven een Engelschman: dit is de reden, waarom gij dit alles zoo fraai vindt. Ik, die een eenvoudig man ben, hoewel ik zeer goed weet wat landerijen waard zijn, geef gaarne het schoonste natuurtooneel, dat het Hoogland oplevert, voor het eerste gezicht der daken van Glasgow. Ben ik maar eens weder te huis, dan zal ik wel zorg dragen, dat ik voortaan niet weder zoo zonder eenige noodzakelijkheid, louter om iemand pleizier te doen, naar dit verwenschte land op reis ga.”
De wensch van den goeden man werd spoedig vervuld. Na flink doorgedraafd te hebben, hadden wij zeer laat in den avond zijne woning bereikt.
Zoodra ik zag, dat mijn waarde reisgenoot zich weder onder de zorgvuldige hoede van zijne dienstvaardige Martha bevond, begaf ik mij naar mijne voormalige herberg, waar ik, zelfs op dit ongewone uur, nog eenige vensters verlicht zag. Niemand anders opende mij de deur danAndries, die, mij herkennende, van vreugde luidkeels schreeuwde, en, zonder een enkel woord te zeggen, de trap opstoof naar de kamer, waarin ik het licht had zien branden. Ik dacht met recht, dat hij mijne komst den, wegens mijn lang wegblijven buiten twijfel bekommerden Owen, wilde aankondigen, en ik volgde hem op den voet. Maar Owen was niet alleen in die kamer: naast hem zat—mijn vader.
Eerst trachtte hij zijne gewone bedaardheid te behouden, zeide op eenigszins gedwongen toon: »het verheugt mij u te zien, Frans!”—Maar terstond daarop omvatte en omhelsde hij mij met liefdevolle woorden: »mijn zoon, mijn dierbare zoon!”—Owen vatte mijne eene hand, welke hij met zijne tranen bevochtigde, terwijl hij mij met mijne terugkomst gelukwenschte. Welk een onvergetelijk oogenblik! zelfs nu nog komen de tranen in mijne oude oogen, als ik het mij herinner.
Na de eerste opwelling onzer vreugde, vernam ik, dat mijn vader, kort nadat Owen zich op reis naar Schotland begeven had, uit Holland teruggekomen was. Van voortvarenden aard in al zijne handelingen, vertoefde hij daar slechts korten tijd, om zich de middelen te verschaffen, waardoor hij de loopende wissels ten laste van zijn kantoor zou kunnen voldoen. Zijne uitgestrekte correspondentie en zijn sedert zoo vele jaren alom gevestigd krediet, hetwelk hij aan het welslagen van zijne ondernemingen op het vaste land en zijne voorbeeldige eerlijkheid en stiptheid in den handel te danken had, stelden hem weldra in staat, om thans in persoon datgene bijzonder spoedig tot stand te brengen, wat in zijne afwezigheid zeer moeilijk en langzaam had kunnen gedaan worden. Eindelijk vertrok hij naar Schotland, om Rashleigh tot verantwoording te noodzaken en tevens om zijne zaken in dat land behoorlijk te regelen. Zijne komst te Glasgow in zulke onverwacht gunstige omstandigheden, was een donderslag voor Mac-Vittie en diens compagnon, die stellig geloofd hadden, dat hij voor altijd geruïneerd was. Ten uiterste verstoord over de onbetamelijke bejegening, welke zijn brave boekhouder van hen ondergaan had, bleef mijn vader doof voor alle verontschuldigingen en voorslagen tot een vergelijk, en toen hij de loopende rekening vereffend had, verklaarde hij hun, dat zijn koopmansboeken voor altijd voor hen gesloten zouden zijn.
Terwijl hij zich over deze zegepraal op zijne schijnvrienden verheugde, was hij om mij niet weinig bekommerd. De goede Owen had niet vermoed, dat eene reis van ongeveer zestig Engelsche mijlen, die, van Londen uit, in alle richtingen zoo gemakkelijk en zoo veilig te doen is, met eenig gevaar kon vergezeld gaan in Schotland. Maar ook hij werd beangst, toen hij de ongerustheid van mijn vader bemerkte, die het land en het onbeschaafde, schier woeste karakter der bewoners beter kende.
Deze bezorgdheid steeg tot pijnlijken angst, toen, kort vóór mijne terugkomst, Andries verscheen, en de, weliswaar ontmoedigende, hoewel niet weinig overdreven tijding bracht van den neteligen toestand, waarin hij mij had achtergelaten. De hertog, door wiens soldaten hijals gevangene was weggevoerd, had hem na een vrij scherp verhoor niet alleen ontslagen, maar hem tevens in staat gesteld, om zich ten spoedigste naar Glasgow te begeven, ten einde mijn wedervaren te berichten.
Andries behoorde eigenlijk tot die lieden, die gaarne van zich doen spreken en zich inzonderheid dat voorkomen van gewicht trachten te geven, hetwelk den overbrenger van noodlottige tijdingen doorgaans van zelf ten deel valt. Hij had dus wel gezorgd, zijn verhaal vooral niet te zacht te kleuren, te meer, toen hij hoorde, dat de rijke Londensche koopman zelf geheel onverwacht zijn toehoorder was. Zeer breedvoerig sprak hij van de gevaren, waaraan hij ontsnapt was, en wel, zoo als hij te kennen gaf, voornamelijk door zijne ervaring, zijn ijver en zijne schranderheid. Wat er echter van mij geworden was, nadat men hem, mijn getrouwen beschermengel, van mijne zijde gerukt had, kon hij slechts vermoeden, maar met geene zekerheid zeggen: intusschen moest ik buiten twijfel in levensgevaar verkeeren, zoo men mij het leven niet reeds benomen had. De heer Jarvie, voegde hij er bij, was geen man, om iemand in hachelijke omstandigheden van eenigen dienst of hulp te zijn; integendeel, zou hij met zijne ten eenemaal verkeerde begrippen en door zijne verwaandheid iemand van den wal in de sloot helpen, waarom hij, Andries, bijna vreesde, dat het tusschen de pistolen der ruiters, de geweren der soldaten en de dolken en sabels der Hooglanders en den diepen stroom naast dit alles er bij, zeker met mij niet al te best moest zijn afgeloopen.
Deze boodschap zou den goeden Owen tot wanhoop gebracht hebben, als hij alleen en zonder bijstand geweest ware. Maar mijn vader werd door zijne groote menschenkennis licht in staat gesteld, om het karakter van den verhaler te doorgronden en in diens verhaal het ware van het verdichte te schiften. Al het overdrevene daarvan weggenomen, bleef het toch nog verontrustend genoeg. Reeds had mijn vader besloten zich zelf op weg te begeven, om door losgeld of onderhandeling mijne vrijheid te verkrijgen. Ja, met dat doel was hij thans nog zoo laat bezig, om met Owen eenige brieven te doorloopen en den dienstvaardigen man omtrent eenige zaken te onderrichten, die gedurende zijne afwezigheid in orde moesten gebracht worden.
Het was reeds laat toen wij scheidden, en te ongeduldig om lang rust te genieten, was ik al zeer vroeg weder op de been. Andries kwam om zijn dienst bij mij waar te nemen. En zie, de vogelsverschrikkers gestalte, waarin de Hooglanders hem veranderd hadden, was tot mijne verrassing geheel verdwenen; hij trad op van top tot teen deftig in het zwart gekleed. Eerst na eenige vragen, welke de schelm zoo lang mogelijk niet wilde begrijpen, of ten minste verkeerd beantwoordde, kreeg ik uit hem, dat hij het als passend had beschouwd, mijnentwege den rouw aan te nemen. Maar nu wilde de uitdrager, in wiens winkel hij zich het daartoe noodige had aangeschaft, dat gewaad niet terug nemen. Daar hij in mijn dienst zijne eigen kleeren verloren had, zou naar zijn oordeel, noch ik, noch mijn vader, dien de Voorzienigheid zoorijkelijk met tijdelijke middelen gezegend had, hem dwingen het weg te doen en dulden, dat zulk een arme drommel, als hij was, de schade droeg. Deze list gelukte hem, daar zijne klacht wegens geleden verlies in mijn dienst alleszins gegrond was. Zoo geraakte hij aan een vrij goed rouwpak, terwijl zijn heer, over wien hij rouwde, frisch en gezond was.
Zoodra mijn vader ontwaakt was, bezocht hij den braven Jarvie, wiens hartelijke goedheid hij met eene innige dankbaarheid erkende, zooals hij het met eenige weinige krachtige woorden uitdrukte. Toen hij van den zoo gunstig veranderden toestand zijner zaken had gesproken, bood hij zijn beproefden vriend, onder voordeelige voorwaarden, het deel in zijn handel aan, dat Mac-Vittie en Comp. te voren gehad hadden. Jarvie wenschte mijn vader en Owen hartelijk geluk met dezen zoo gunstigen keer, en zonder met geveinsde nederigheid te ontkennen, dat hij zijn best had gedaan, om hun van dienst te zijn, toen de zaken nog geheel anders stonden, zeide hij slechts, dat hij zoo gehandeld had, als hij wenschte in diergelijk geval zelf behandeld te worden; terwijl hij de hem aangeboden uitbreiding aan zijn handel dankbaar aannam.
»Wanneer Mac-Vittie en diens compagnon,” zeide hij, »als eerlijke lui hun plichten waren nagekomen, dan zou ik niet gaarne ten hunnen koste deze voordeelen willen genieten. Maar daar het tegendeel gebleken is, moeten zij billijkerwijs daarvoor boeten.”
Maar nu nam Jarvie mij ter zijde en fluisterde mij met eenige verlegenheid het volgende in het oor: »Beste mijnheer Frans, ik wenschte wel, dat er zoo min mogelijk van al datgene gesproken werd, wat wij daar ginder hebben gezien. Worden wij niet gerechtelijk ondervraagd, dan zal het wel ’t best zijn, geen enkel woord van de aan Morris gepleegde daad te reppen. Ook zou men het in onze raadzaal geenszins roemrijk achten, dat een der leden van den achtbaren raad met Hooglanders gevochten en een plaid verzengd had. Daarenboven meen ik mij steeds als fatsoenlijk man te gedragen, wanneer ik in mijn gewonen doen ben. Maar ik moet wel een zonderling figuur gemaakt hebben, toen ik zonder hoed en pruik aan dien tak hing. Als zij op het stadhuis van dat gevalletje hoorden, zou men mij dagelijks er mede plagen.”
Toen Jarvie mij dit ongeval herinnerde, kon ik een glimlachje niet bedwingen. De goedhartige man werd een weinig verlegen. Maar hij glimlachte ook terwijl hij, het hoofd schuddende, zeide: »ja, ja, ik kan me best voorstellen hoe het er uitzag, o heel best! Maar spreek er toch vooral niet van, en beveel uwen praatzieken verwaanden knecht, dat hij insgelijks zijn mond houdt. Zelfs zou ik niet gaarne hebben, dat mijn Matje er iets van vernam. Al spoedig werd het dan door de gansche buurt verspreid en aan het gepraat zou geen einde zijn.”
De bezorgdheid van den goeden man, om niet in een bespottelijk licht te verschijnen, werd zichtbaar verminderd, toen ik hem zeide, dat mijn vader voornemens was Glasgow terstond te verlaten. Wij hadden ook werkelijk geen reden om er langer te vertoeven, daar toch de gewichtigstepapieren, die Rashleigh ontvreemd had, weder in onze handen waren. Wat hij reeds tot geld gemaakt en voor zijne vermetele plannen besteed had, kon slechts door een rechtsgeding teruggekregen worden, dat dan ook zonder verwijl begonnen werd.
Wij brachten nog één dag bij onzen gastvrijen vriend door, en namen toen afscheid van hem, zoo als dan ook mijn verhaal hier afscheid van hem neemt. Hij klom in welvaart en aanzien, en steeg eindelijk tot de hoogste eereambten in zijne geboortestad. Omtrent twee jaren na onze eerste kennismaking werd hij het ongehuwde leven moede en verhief hij de getrouwe Matje van keukenprinses tot zijne echtgenoote. Zijne benijders en vijanden, waaronder vooral Grahame en de Mac-Vittie’s, trachtten deze verandering in zijne leefwijze bespottelijk te maken. Ja, zelfs zijne vrienden vonden den stap bedenkelijk. Doch Martha gedroeg zich na hare verheffing zoo voorbeeldig, dat zij alle bezorgdheid daaromtrent volkomen wederlegde. »Laat hen praten, zooveel zij willen,” zeide Jarvie, toen hij van het gebabbel hoorde; »het deert mij niet. Ik doe toch wat ik goedvind, al blijven zij er veertien dagen lang in eens door er over praten.”
In zijn vreedzaam en nuttig leven, was geloof ik geene gebeurtenis, die eenige bijzondere melding verdient, dan de voorvallen, die ik van hem verhaald heb.