HOOFDSTUK XXXVII.

HOOFDSTUK XXXVII.Komt hier, mijn zestal zonen!Dat ik op u bouwe.Gij blijft voorzeker met mijDen edelen graaf getrouwe.…..… En vijf der zonen spraken:„Wij zijn met raad en daadU en den graaf getrouw.…”De zesde pleegt verraad.De wapenroep van het Noorden.Het was op den ochtend waarop wij Glasgow zouden verlaten. Daar stoof Andries plotseling als een bezetene mijne kamer binnen. Met zeer veel moeite kon ik hem zoo ver brengen, dat hij tot bedaren kwam en mij zeide wat er voorgevallen was. Daarop verhaalde hij mij dan, dat al de Hooglanders de wapenen opgevat hadden, en met Robbert Roodhaar aan hun hoofd tegen Glasgow in aantocht waren, en binnen vierentwintig uren aankomen zouden.»Ge moet dronken zijn of krankzinnig!” riep ik; »en in elk geval zie ik geen reden om zoo opgetogen te wezen als gij nu zijt.”»Natuurlijk, daar heb je ’t weer,” hernam hij onbeschoft: »dronken of dol! Een mensch heet bij u altijd dronken of dol, als hij iets vertelt dat groote lui niet gaarne hooren. Maar ze komen toch,—dat houd ik vol!”Ik sprong terstond uit bed en spoedde mij naar mijn vader en Owen, die evenzeer als ik ontstelden. Weldra vernamen wij dat de ontvangen, tijding over het geheel maar al te waar was. De opstand, die Groot-Brittannië in het jaar 1715 teisterde, was juist uitgebarsten, toen de ongelukkige graaf van Mar ter kwader ure het vaandel der Stuarts opstak. Het verraad van eenige Jacobietische handlangers, onder wie ook Rashleigh zich bevond, en de gevangenneming van eenige anderen, had koning George’s raad met de wijd en zijd uitgebreide vertakkingen van eene reeds lang gesmede samenzwering bekend gemaakt. Ze brak onverwacht uit, maar in een te afgelegen gedeelte van het rijk, om van duurzamen invloed te zijn, hoewel het rijk in groote beroering erdoor geraakte. Deze zoo gewichtige gebeurtenis bevestigde en verklaarde de wenken, die ik van Mac-Gregor ontvangen had. Thans zag ik duidelijk, waarom de westelijke clans hun bijzonderen twist bijgelegd hadden. Zij wisten wel dat zij weldra tot verdediging hunner gemeenschappelijke zaak vereenigd zouden moeten handelen. Smartelijker was voor mij de gedachte dat Diana Vernon nu de vrouw was van een man die ’t ijverigst tot het bevorderen der algemeene omwenteling medewerkte, aan alle ontberingen en gevaren blootgesteld was, die met haars echtgenoots roekelooze onderneming gepaard gingen.Wij raadpleegden over de maatregelen, die deze netelige omstandigheden vereischten, en billijkten mijns vaders besluit, dat wij ons regelrecht naar Londen zouden begeven. Ik gaf mijn wensch te kennen, om bij een der vrijkorpsen, die opgericht zouden worden, den Staat te dienen. En mijn vader, die den oorlog als eene kostwinning wel afkeurde, maar tot verdediging van zijn vrijheid en zijn geloof zijn bloed zou opgeofferd hebben, gaf gaarne zijne toestemming.Wij reisden snel en onder veel gevaren door een gedeelte van Schotland en het noorden van Engeland, waar de heeren, die tot de Tories behoorden, manschappen en paarden bijeenbrachten en uitrustten, terwijl deWhigszich in de groote steden verzamelden, de burgerij wapenden en zich op den burgeroorlog voorbereidden. Meermalen werden wij bijna aangehouden en moesten dikwerf groote omwegen maken, ten einde het krijgsvolk te ontwijken.Na onze aankomst te Londen, vereenigden wij ons met de bankiers en aanzienlijkste kooplieden, die zich bereid hadden verklaard, om de regeering te ondersteunen en de daling der staatsfondsen te voorkomen. Immers de saamgezworenen hadden ook vooral de hoop op dit punt tot een gunstig slagen in hunne onderneming gebouwd, door, zoo als zij geloofden, een staatsbankroet te kunnen veroorzaken. Mijn vader werd tot een der medeleden van de financieele commissie benoemd; daar menalgemeen een onbepaald vertrouwen in zijn ijver, bekwaamheid en welwillendheid stelde. Hij voerde zelf de onderhandelingen met de ministers en het gelukte hem, door zijn geldmiddelen den prijs der staatspapieren, die bij het uitbarsten van den opstand aanmerkelijk gedaald waren, weder tot gezonder stand te brengen.Ik zelf was intusschen ook niet werkeloos, maar liet mij als officier aanstellen en wierf op mijns vaders kosten omtrent tweehonderd man, met wie ik mij bij het korps van den generaal Carpenter voegde.De opstand had zich nu ook naar Engeland uitgebreid, waar de ongelukkige graaf van Derwentwater en de generaal Foster met eenige anderen voor de Stuarts de wapenen opvatten. Mijn arme oom, wiens vermogen door eigen zorgeloosheid en de verkwisting zijner zonen nagenoeg weggesmolten was, liet zich overhalen, den heilloozen standaard te volgen. Maar eer hij dezen stap deed, nam hij een maatregel van voorzichtigheid, dien men van hem nauwelijks zou hebben verwacht: hij maakte zijn testament. Volgens dat stuk moesten zijne vaste goederen aan zijn oudsten zoon komen, en na diens dood op de jongere en hunne mannelijke erven overgaan. Maar Rashleigh die, door zich jegens zijne partij trouweloos te gedragen, den haat zijns vaders op zich geladen had, werd geheel uitgesloten en onterfd. Het gansche vermogen werd in geval van het afsterven der andere zonen aan mij, als den naasten erfgenaam toegewezen. Ik was dan ook steeds de lieveling van mijn oom geweest. Maar de aanblik der reusachtige jongelingen, zijne zonen, die zich thans wapenden, gaf hem waarschijnlijk zooveel vertrouwen op de instandhouding van zijn stam, dat hij die laatste beschikking slechts als eene doode letter beschouwde, die alleen diende, om zijne verontwaardiging over Rashleigh’s verraad duidelijk te doen uitkomen. Ook vermaakte hij aan de nicht van zijne overleden echtgenoote, Diana Vernon, thans Diana Vernon Beauchamp, eenige diamanten, die aan hare tante toebehoord hadden, en een groot zilveren bekken, waarop de ineengevlochten wapens der familie Vernon en Osbaldistone gedreven waren.Maar het was Gods wil, dat de krachtvolle, edele stam sneller uitstierf, dan de ongelukkige vader vermoeden kon. Bij de eerste monstering der saamgezworenen geraakte Thorncliff met een edelman uit Northumberland, die even trotsch en onbuigzaam was als hij, in een hevigen twist. In weerwil van alle pogingen hunner krijgsmakkers, om dien bij te leggen, kwam het tot een tweegevecht met den degen, waarin mijn neef den dood vond. Zijn dood was een groot verlies voor ridder Hildebrand, daar Thorncliff bij zijn opvliegenden aard een paar grein gezond menschenverstand meer bezat dan al zijne overige broeders,—Rashleigh, zoo als van zelf spreekt, alleen uitgezonderd.Percival sneuvelde insgelijks in zijn beroep; dat wil zeggen, op zijn manier op het bed van eer. Hij ging met een anderen edelman eene weddingschap aan, wie van beiden den grootsten beker brandewijn zou kunnen uitdrinken op den dag, dat Jakobus Stuart door de oproerigen te Morpeth als koning uitgeroepen werd. De gevolgen van dezenwedstrijd waren eene hevige koorts, waaraan hij weinige dagen daarna stierf, onder het gestadig uitroepen van: »water! water!”Richard brak den hals toen hij met een stram paard, dat hij een tot de partij der oproerigen overgegaan koopman uit Manchester aanpraten wilde, over eene heg poogde te springen.Wilfred, de domkop, trof, zoo als het den dommen soms gaat, nog het beste lot. Hij sneuvelde in den slag bij Preston, waar hij zeer dapper vocht, ofschoon hij, naar men verzekert, niet recht wist, wat eigenlijk de aanleiding tot den strijd was, terwijl hij zich ook niet herinneren kon, voor welken koning hij de wapens droeg. John streed insgelijks moedig in dat gevecht, en ontving verscheidene wonden, maar was niet zoo gelukkig om op het slagveld te sterven. Mijn oude oom, wien al deze rampen het hart gebroken hadden, werd den volgenden dag, toen al de aanhangers van zijne partij zich aan den overwinnaar moesten overgeven, gevangen genomen en met zijn gekwetsten zoon John naar de gevangenis van Newgate gebracht.Ik was in zoover blijde, weder van den militairen dienst bevrijd te zijn, daar ik nu het ongeluk mijner verwanten kon helpen verzachten. Mijn vader had veel invloed bij de regeering. En het lot van den ongelukkigen man, die in zulk een kort tijdsbestek op twee na, al zijne zonen verloren had, verwekte zulk een algemeen medelijden, dat mijn oom en neef waarschijnlijk niet van hoogverraad zouden aangeklaagd zijn geworden. Maar een hooger gerecht voorkwam die aanklacht. John stierf in de gevangenis en bad mij in zijn laatste oogenblikken de verzorging van zijne valken op het kasteel Osbaldistone en van zijn geliefkoosden jachthond op mij te willen nemen.Mijne beklagenswaardige oom was geheel ter neer geslagen. Hij sprak weinig, maar de deelneming die ik hem bewees, scheen hem te roeren. Ofschoon ik geen getuige was van de eerste samenkomst met mijn vader na eene scheiding van zoo vele jaren en onder zulke treurige omstandigheden, gaf mijns vaders neerslachtigheid mij duidelijk genoeg te kennen, dat ze zeer smartelijk geweest was. Mijn oom sprak met veel verbittering over Rashleigh, zijn thans nog eenig overgebleven zoon. Hij verweet hem den ondergang van zijn geslacht en den dood zijner broeders. Hij verzekerde dat noch hij, noch zijne zonen tot de opstandelingen zouden zijn overgegaan, als Rashleigh hen niet verleid had, en nu had hij zelf de zaak der Stuart’s ’t eerst verraden. Een paar maal noemde hij zijne nicht Diana met innige genegenheid. Toen ik op zekeren dag naast zijn bed zat, zeide hij tot mij: »O, beste neef, daar nu Thorncliff en allen dood zijn, doet het mij zoo leed, dat gij haar niet hebben moogt.”De woorden »Thorncliff en allen” roerden mij diep. Het waren de gewone woorden van den goeden ouden man, wanneer hij ’s morgens vroolijk op de jacht ging en zijn lieveling Thorncliff onderscheidde van al de overigen, die hij slechts in het algemeen noemde. Maar de luide, vroolijke stem, waarmede hij placht te zeggen: »Roept Thorncliff—en allen!” verschilde veel van den somberen, lijdenden toon, waarop hij nu detroostelooze woorden uitsprak. Zelf onderrichtte hij mij van den inhoud van zijn laatsten wil, waarvan hij mij een authentiek afschrift mededeelde, daar hij het oorspronkelijke bij den rechter Inglewood had gedeponeerd, die door niemand gevreesd en door allen, als een onzijdig persoon, vertrouwd, de bewaarder was geworden der testamenten van de helft der heeren van beide partijen, die uitgetrokken waren.Mijn arme oom bracht zijne laatste uren grootendeels in godvruchtige overdenkingen en gebeden door, daarin bijgestaan door den kapelaan van het Sardinische gezantschap, voor wien wij met moeite de vergunning verkregen den gevangene te bezoeken. Kort na den dood van zijn zoon bezweek hij onder het lijden, waartegen zijne lichaams- en zielskrachten niet langer bestand waren, maar waarvoor de geneesheeren geen naam konden vinden. Inderdaad, hij scheen eerder op te houden te leven, dan met eenigen strijd te sterven.—Het was als een door de golven geslingerd schip, dat soms lek wordt en in de diepte verdwijnt, eer men eenig zichtbaar lek aan het vaartuig heeft kunnen ontwaren.Dadelijk nadat mijn vader zijn broeder de laatste eer bewezen had, gaf hij mij tot mijne verwondering zijn verlangen te kennen, dat ik, overeenkomstig het testament van mijn oom, als hoofd der familie zou optreden. Dit verraste mij zeer. Ik dacht, dat zoo iets voor hem nooit iets bekoorlijks had gehad. Maar het is wel mogelijk dat hij vroeger meer schijnbaar dan werkelijk, onverschillig was geweest, daar hij begreep dat hij best deed, even als de vos in de fabel, niet dat te verlangen, wat hij toch niet kon verkrijgen. Daarbij kwam echter zijn hevige afkeer van Rashleigh, die openlijk dreigde zijns vaders beschikkingen te willen bestrijden. Dit versterkte hem in het verlangen, om den uitersten wil zijns broeders te handhaven.—»Met het meeste recht,” zeide mijn vader, »was die laaghartige booswicht onterfd geworden. Door het testament heeft de overledene eene vroegere onrechtvaardigheid vergoed en de overgebleven goederen komen nu weer aan de wettige erfgenamen.”Intusschen was Rashleigh als tegenpartij geenszins gering te achten. De berichten, welke hij der regeering verraderlijk had medegedeeld, waren voor het oogenblik, zoo gewichtig geweest, ja, hij had daarbij op zulk eene sluwe wijze zich zoo groote verdiensten weten toe te dichten, dat hij zelfs onder de voornaamste ministers vele begunstigers bezat. Reeds waren wij bezig hem wegens den aan ons gepleegden roof in rechten te vervolgen. Naar den gang van dat eenvoudige rechtsgeding te oordeelen, liet het zich aanzien, dat het nieuw begonnen proces over de goederen veel langer dan onze leeftijd duren kon.Om deze vertraging te voorkomen, volgde mijn vader den raad van zijn advokaat, betaalde eenige zware hypotheken af, waarmede de landerijen van Osbaldistone bezwaard waren en droeg al zijne eigen aanspraken aan mij over. De gunstige gelegenheid, om een groot gedeelte der aanmerkelijke winst, door het snelle rijzen der staatspapieren bij het dempen van den opstand behaald, te beleggen, en zijne onlangs verkregenondervinding van de gevaren, waaraan de handel is blootgesteld, bewogen hem misschien op deze wijze een aanzienlijk gedeelte van zijn vermogen vast te zetten. Hoe het zij, ik had verwacht, dat hij mij weder naar zijn kantoor zou brengen, waartoe ik hem mijne bereidwilligheid had verklaard, want ik wilde zijne wenschen, welke die ook waren, onvoorwaardelijk volbrengen. Maar zie! in plaats daarvan, beval hij mij naar Northumberland te vertrekken, en als wettig erfgenaam bezit van het kasteel Osbaldistone te nemen. Bij den rechter Inglewood moest ik het oorspronkelijke testament van mijn oom lichten en de noodige maatregelen nemen, om mij in het bezit der goederen te stellen.Op iederen anderen tijd zou deze verandering van toestand mij zeer gewenscht zijn geweest, maar thans kon het kasteel Osbaldistone slechts smartelijke gewaarwordingen in mij opwekken. En toch, waar anders dan in dat oord kon ik berichten omtrent Diana’s lot hopen te verkrijgen? Met reden moest ik vreezen, het geheel anders te zullen vinden dan ik wenschte, maar tot dusver wist ik nog niet, wat er van haar geworden was. Vruchteloos had ik getracht, door allerlei bewijzen van vriendelijke deelneming het vertrouwen van eenige verre bloedverwanten te verwerven, die zich onder de gevangenen in Newgate bevonden. Maar eene zekere fierheid, die ik niet kon afkeuren, daarbij een vergeeflijke argwaan tegen Frans Osbaldistone, den aanhanger der heerschende partij, en den neef van den ellendigen verrader Rashleigh, sloten ieders hart, ieders mond. Ik ontving niets dan koelen gedwongen dank, voor den bijstand, dien ik bewijzen kon. De arm der straffende gerechtigheid verminderde ook van lieverlede het getal dergenen, wien ik van nut poogde te zijn. Nu werden de overblijvenden nog afkeeriger van allen, die zij voor aanhangers der regeering hielden. Toen men weder eenigen in afdeelingen naar de gerechtsplaats ter dood had weggevoerd, verloren de teruggeblevenen alle deelneming aan het leven. Zij hadden lust noch moed meer om met menschen te verkeeren. Nog lang zal ik mij een dezer ongelukkigen herinneren, die op mijn dringende vraag, of ik hem niet met nog iets genoegen kon doen, antwoordde: »Mijnheer Osbaldistone, ik geloof gaarne dat gij het goed meent, en daarom betuig ik u mijn dank. Maar waarlijk, een mensch laat zich niet mesten als pluimgedierte, als hij ziet, dat zijne vrienden dag aan dag naar het moordschavot gevoerd worden, en hij weet dat de beurt spoedig ook aan hem zal komen.”Onder deze omstandigheden verheugde het mij wezenlijk, Londen en Newgate en de tooneelen, waarvan ik daar getuige was, te kunnen verlaten, om de vrije lucht in Northumberland in te ademen. Andries was in mijn dienst gebleven, niet omdat ik dit juist gaarne had, maar omdat mijn vader dit scheen te wenschen. Zijne plaatselijke kennis der omstreken van het kasteel Osbaldistone, meende mijn vader, kon mij nu van nut zijn. Zijn reisgezelschap was mij niet onwelkom, terwijl ik het vooruitzicht had, om van hem ontslagen te worden, als ik hem weder tot tuinier aanstelde. Bij mijn vader had hij zich door zijn bijzonderenslag om zich den schijn te geven, alsof hij met lijf en ziel aan zijn heer gehecht was, eenige gunst verworven. Hij wist deze voorgewende gehechtheid daarmede te vereenigen, dat hij mij, zijn heer, bij elke gelegenheid allerlei streken speelde, terwijl hij volstrekt niet duldde, dat iemand anders dan hij zelf zijn meester bedroog.Onze reis liep af zonder dat ons eenig avontuur bejegende. Het land, hetwelk nog kort te voren in opstand was geweest, vonden wij in rust en vrede. Hoe meer wij het kasteel Osbaldistone naderden, des te enger werd het mij om ’t hart bij de gedachte, dat ik thans die verlaten woning alleen zou binnentreden. Om dat zoo gevreesde oogenblik uit te stellen, besloot ik eerst rechtstreeks naar den rechter Inglewood te rijden.De goede man was, gedurende den laatsten tijd, door de lotgevallen en tegenstrijdige gevoelens, aan zijne voormalige en tegenwoordige betrekkingen verbonden, niet weinig verontrust geworden. Zeer natuurlijke herinneringen aan het verledene hadden vrij wat invloed op de vervulling van zijne rechterlijke plichten gehad. Hij was echter zoo gelukkig geweest, om zich van zijn griffier Jobson te ontslaan, die hem den ganschen last der ambtsbezigheden overgelaten had. Jobson zelf was nu de handlanger van zekeren Standish geworden, die sedert eenigen tijd als vrederechter fungeerde in de buurt en zulk een blakenden ijver voor koning George en de Protestantsche troonsopvolging liet blijken, dat Jobson zich eer beijveren moest, zijn nieuwen patroon binnen de perken der wet te houden, dan hem tot handelen aan te sporen.Inglewood ontving mij zeer vriendelijk en stelde mij terstond mijns ooms testament ter hand, hetwelk in volkomen orde werd bevonden. In het eerst was de goede man zichtbaar verlegen, hoe hij in mijne tegenwoordigheid spreken en handelen zou. Doch toen hij zag, dat ik weliswaar uit beginsel een aanhanger der tegenwoordige regeering, maar niettemin tot medelijden gestemd was jegens hen, die zich door verkeerde begrippen van plicht en getrouwheid tot den opstand hadden laten verleiden, werd zijn gesprek een vermakelijk mengelmoes van datgene wat hij gedaan en niet gedaan had, van zijne pogingen, om sommige landedellieden van rustverstorende samenrottingen af te houden, en van de toegevendheid, waardoor hij de vlucht van anderen, die aan den opstand deel hadden genomen, begunstigd had.Wij waren geheel alleen, en reeds hadden wij eene flesch geledigd, toen hij mij plotseling uitnoodigde, om een beker te ledigen op het welzijn der brave, lieve Diana Vernon, het roosje in de woestijn, het klokje in het Cheviot-gebergte, de bloem, die in een akelig klooster stond verplant te worden.»Is Diana Vernon dan niet gehuwd?” vroeg ik vol verbazing. »Ik dacht, dat zijne Excellentie.…”»Wel ja, waarom niet!” hernam Inglewood, luidkeels lachende—»zijne Excellentie en zijne Genade—dat alles is allemaal gekheid—ijdele titels van St. Germain! De graaf Van Beauchamp gezant vanFrankrijk—en de hertog van Orleans—weten misschien niet eens, dat er zulk een man bestond. Gij zult immers den ouden Frederik Vernon in het kasteel Osbaldistone wel gezien hebben, toen hij de rol van pater Vaughan speelde?”»Rechtvaardige Hemel! Vaughan was dus de vader van Diana?”»Juist!” antwoordde Inglewood zeer bedaard. »Waartoe die zaak nu nog langer geheim gehouden? Hij moet thans wel het land uit zijn, want anders zou mijn plicht mij gebieden, hem gevangen te nemen. Welnu—uw glas geledigd op de gezondheid van mijne lieve verlorene Diana!”Ik was, zoo als men licht begrijpen kan, volstrekt niet gestemd, om in Inglewood’s vroolijkheid te deelen. Het schemerde mij voor de oogen. »Nooit,” hernam ik, »heb ik geweten, dat Diana’s vader nog leefde.”»Dat hij nog leeft,” antwoordde Inglewood, »heeft men waarlijk niet aan onze regeering te wijten. Van niemand zou het hoofd zooveel geld opgeleverd hebben, als het zijne. Onder koning William werd hij wegens zijne deelneming aan eene samenzwering ten voordeele der Stuarts ter dood veroordeeld, en daar hij zich in Schotland met eene verwante van de familie Breadalbane door het huwelijk verbonden had, was zijn invloed op al de Hooglandsche hoofdelingen zeer groot. Men zegt, dat hij bij den vrede te Rijswijk door Frankrijk zou hebben moeten uitgeleverd worden. Maar hij veinsde zich ziek, en in de Fransche nieuwspapieren werd zijn dood openlijk bekend gemaakt. Toen hij herwaarts terugkwam, kenden wij den ouden heer zeer goed—ik wil zeggen, ik kende hem zeer goed. Maar daar mij geen signalement van hem werd gezonden, en mijn geheugen door vele en zware aanvallen van jicht geweldig geleden had, zou ik er toch geen eed op hebben durven doen,—dat vat je wel!”»Kende men hem dan in het kasteel?” vroeg ik.»Niemand dan zijne dochter, de oude ridder Hildebrand en Rashleigh; laatstgenoemde was achter het geheim gekomen, zoo als hij achter alle dingen kwam. Maar met dat geheim hield hij Diana als bij een koord om den hals. Wel honderdmaal heb ik gezien, dat zij hem in het gezicht zou hebben willen slaan, als zij niet voor haar vader gevreesd had, wiens leven onfeilbaar verloren zou zijn geweest, zoodra men hem aan de regeering verraden had. Versta mij niet verkeerd, mijnheer Osbaldistone! de regeering is goed, genadig en rechtvaardig. Weliswaar, heeft zij de helft der opstandelingen zonder genade doen ophangen, maar zij zou die arme drommels zeer zeker rustig hebben laten leven, als zij zich maar stil tehuis hadden gehouden.”Ik ontweek, zoo veel mogelijk, een gesprek over de staatszaken. Toen ik Inglewood vrij behendig tot zijn eerste onderwerp had teruggebracht, vernam ik, dat Diana stellig geweigerd had met een mijner neven te huwen, en inzonderheid haren afkeer van Rashleigh had te kennen gegeven. Deze was dan ook sedert dien tijd veel lauwer in zijn ijver voor de zaak van den Pretendent geworden. Eigenlijk had hij als de jongsteder broeders, en als een sluw en doortrapt man, dezen als een middel beschouwd, om fortuin te maken. De omstandigheid, dat hij door den vereenigden invloed van Sir Frederik Vernon en van de Schotsche hoofden gedwongen was geworden, om den buit terug te geven, dien hij van het kantoor van mijn vader geroofd had, deed hem waarschijnlijk het besluit nemen, om door afval en verraad zijn voordeel te doen. Misschien had hij ook, daar hij uitnemend van de gelegenheid partij wist te trekken om zijn belang te dienen, ontdekt dat de hulpmiddelen en vermogens der opstandelingen, zoo als naderhand bleek, geenszins berekend waren voor de groote onderneming, om eene staatsomwenteling te bewerken. Vernon—of zoo als hij bij de aanhangers der Stuarts heette, zijne Excellentie de Burggraaf Beauchamp—had met zijne dochter vrij wat moeite gehad, om de gevolgen van Rashleigh’s verraad te ontgaan. Inglewood’s berichten waren hier gebrekkig: »Men heeft niet vernomen, dat Vernon in handen der regeering is gevallen”—voegde hij er bij—»het moest hem dus wel gelukt zijn, naar vreemde landen te ontvluchten. Maar volgens de wreede overeenkomst met zijn zwager, zou Diana zich in een klooster moeten begeven.”De eigenlijke oorzaak van deze zonderlinge overeenkomst kon Inglewood niet nauwkeurig opgeven. Hij had gehoord, dat ze vooral was aangegaan, om den ouden Vernon de renten te verzekeren der overblijfsels van zijn aanzienlijk vermogen, dat men door eenige rechtsgeleerde kunstgrepen op de familie Osbaldistone had overgebracht. Kortom het was een familieverdrag, waarbij men, zooals niet zelden gebeurt, de gezindheid van degenen, die hoofdzakelijk er mede gemoeid zijn, niet meer in aanmerking had genomen, dan alsof zij tot het vee op het land behoord hadden.Groot is des menschen wankelmoedigheid!—Ik weet niet of het ontvangen bericht mij vreugde of smart veroorzaakte. Het scheen mij toe, of mijne droefheid over Diana’s verlies eer vermeerderd dan verminderd was, sedert ik wist dat zij niet door het huwelijk met een ander, maar door de muren van een klooster voor eeuwig van mij gescheiden was, alleen om aan de bepalingen van eene ongerijmde overeenkomst te voldoen. Ik werd droefgeestig en verstrooid. Ik was niet in staat om het gesprek met mijn gullen gastheer voort te zetten, die eindelijk zelf begon te geeuwen, en mij voorsloeg om mij, na de ongemakken der reis, vroeg naar bed te begeven. Ik wenschte hem eindelijk goeden nacht, en deelde hem mijn voornemen mede, om den volgenden morgen vroeg naar het kasteel te rijden. Inglewood keurde dit goed.»Ik zou u aanraden,” zeide hij, »te zorgen dat gij daar zijt, eer uwe aankomst in de omstreken bekend is geworden. Want Rashleigh, zoo als men mij verzekerd heeft, bevindt zich in Jobson’s woning, natuurlijk om nieuwe schurkenstreken te beramen. Zij behooren bij elkander; want Rashleigh durft zich onder eerlijke lieden niet meer vertoonen. Maar als twee schurken samen zijn, dan weten eerlijke lui dat oppassen de boodschap is.”Hij eindigde niet mij aan te raden, een stevig ontbijt te gebruiken eer ik vertrok, want de kille morgenlucht op de heide, zeide hij, was bepaald ongezond voor hem, die zich ’s ochtens nuchteren buiten waagde.

HOOFDSTUK XXXVII.Komt hier, mijn zestal zonen!Dat ik op u bouwe.Gij blijft voorzeker met mijDen edelen graaf getrouwe.…..… En vijf der zonen spraken:„Wij zijn met raad en daadU en den graaf getrouw.…”De zesde pleegt verraad.De wapenroep van het Noorden.Het was op den ochtend waarop wij Glasgow zouden verlaten. Daar stoof Andries plotseling als een bezetene mijne kamer binnen. Met zeer veel moeite kon ik hem zoo ver brengen, dat hij tot bedaren kwam en mij zeide wat er voorgevallen was. Daarop verhaalde hij mij dan, dat al de Hooglanders de wapenen opgevat hadden, en met Robbert Roodhaar aan hun hoofd tegen Glasgow in aantocht waren, en binnen vierentwintig uren aankomen zouden.»Ge moet dronken zijn of krankzinnig!” riep ik; »en in elk geval zie ik geen reden om zoo opgetogen te wezen als gij nu zijt.”»Natuurlijk, daar heb je ’t weer,” hernam hij onbeschoft: »dronken of dol! Een mensch heet bij u altijd dronken of dol, als hij iets vertelt dat groote lui niet gaarne hooren. Maar ze komen toch,—dat houd ik vol!”Ik sprong terstond uit bed en spoedde mij naar mijn vader en Owen, die evenzeer als ik ontstelden. Weldra vernamen wij dat de ontvangen, tijding over het geheel maar al te waar was. De opstand, die Groot-Brittannië in het jaar 1715 teisterde, was juist uitgebarsten, toen de ongelukkige graaf van Mar ter kwader ure het vaandel der Stuarts opstak. Het verraad van eenige Jacobietische handlangers, onder wie ook Rashleigh zich bevond, en de gevangenneming van eenige anderen, had koning George’s raad met de wijd en zijd uitgebreide vertakkingen van eene reeds lang gesmede samenzwering bekend gemaakt. Ze brak onverwacht uit, maar in een te afgelegen gedeelte van het rijk, om van duurzamen invloed te zijn, hoewel het rijk in groote beroering erdoor geraakte. Deze zoo gewichtige gebeurtenis bevestigde en verklaarde de wenken, die ik van Mac-Gregor ontvangen had. Thans zag ik duidelijk, waarom de westelijke clans hun bijzonderen twist bijgelegd hadden. Zij wisten wel dat zij weldra tot verdediging hunner gemeenschappelijke zaak vereenigd zouden moeten handelen. Smartelijker was voor mij de gedachte dat Diana Vernon nu de vrouw was van een man die ’t ijverigst tot het bevorderen der algemeene omwenteling medewerkte, aan alle ontberingen en gevaren blootgesteld was, die met haars echtgenoots roekelooze onderneming gepaard gingen.Wij raadpleegden over de maatregelen, die deze netelige omstandigheden vereischten, en billijkten mijns vaders besluit, dat wij ons regelrecht naar Londen zouden begeven. Ik gaf mijn wensch te kennen, om bij een der vrijkorpsen, die opgericht zouden worden, den Staat te dienen. En mijn vader, die den oorlog als eene kostwinning wel afkeurde, maar tot verdediging van zijn vrijheid en zijn geloof zijn bloed zou opgeofferd hebben, gaf gaarne zijne toestemming.Wij reisden snel en onder veel gevaren door een gedeelte van Schotland en het noorden van Engeland, waar de heeren, die tot de Tories behoorden, manschappen en paarden bijeenbrachten en uitrustten, terwijl deWhigszich in de groote steden verzamelden, de burgerij wapenden en zich op den burgeroorlog voorbereidden. Meermalen werden wij bijna aangehouden en moesten dikwerf groote omwegen maken, ten einde het krijgsvolk te ontwijken.Na onze aankomst te Londen, vereenigden wij ons met de bankiers en aanzienlijkste kooplieden, die zich bereid hadden verklaard, om de regeering te ondersteunen en de daling der staatsfondsen te voorkomen. Immers de saamgezworenen hadden ook vooral de hoop op dit punt tot een gunstig slagen in hunne onderneming gebouwd, door, zoo als zij geloofden, een staatsbankroet te kunnen veroorzaken. Mijn vader werd tot een der medeleden van de financieele commissie benoemd; daar menalgemeen een onbepaald vertrouwen in zijn ijver, bekwaamheid en welwillendheid stelde. Hij voerde zelf de onderhandelingen met de ministers en het gelukte hem, door zijn geldmiddelen den prijs der staatspapieren, die bij het uitbarsten van den opstand aanmerkelijk gedaald waren, weder tot gezonder stand te brengen.Ik zelf was intusschen ook niet werkeloos, maar liet mij als officier aanstellen en wierf op mijns vaders kosten omtrent tweehonderd man, met wie ik mij bij het korps van den generaal Carpenter voegde.De opstand had zich nu ook naar Engeland uitgebreid, waar de ongelukkige graaf van Derwentwater en de generaal Foster met eenige anderen voor de Stuarts de wapenen opvatten. Mijn arme oom, wiens vermogen door eigen zorgeloosheid en de verkwisting zijner zonen nagenoeg weggesmolten was, liet zich overhalen, den heilloozen standaard te volgen. Maar eer hij dezen stap deed, nam hij een maatregel van voorzichtigheid, dien men van hem nauwelijks zou hebben verwacht: hij maakte zijn testament. Volgens dat stuk moesten zijne vaste goederen aan zijn oudsten zoon komen, en na diens dood op de jongere en hunne mannelijke erven overgaan. Maar Rashleigh die, door zich jegens zijne partij trouweloos te gedragen, den haat zijns vaders op zich geladen had, werd geheel uitgesloten en onterfd. Het gansche vermogen werd in geval van het afsterven der andere zonen aan mij, als den naasten erfgenaam toegewezen. Ik was dan ook steeds de lieveling van mijn oom geweest. Maar de aanblik der reusachtige jongelingen, zijne zonen, die zich thans wapenden, gaf hem waarschijnlijk zooveel vertrouwen op de instandhouding van zijn stam, dat hij die laatste beschikking slechts als eene doode letter beschouwde, die alleen diende, om zijne verontwaardiging over Rashleigh’s verraad duidelijk te doen uitkomen. Ook vermaakte hij aan de nicht van zijne overleden echtgenoote, Diana Vernon, thans Diana Vernon Beauchamp, eenige diamanten, die aan hare tante toebehoord hadden, en een groot zilveren bekken, waarop de ineengevlochten wapens der familie Vernon en Osbaldistone gedreven waren.Maar het was Gods wil, dat de krachtvolle, edele stam sneller uitstierf, dan de ongelukkige vader vermoeden kon. Bij de eerste monstering der saamgezworenen geraakte Thorncliff met een edelman uit Northumberland, die even trotsch en onbuigzaam was als hij, in een hevigen twist. In weerwil van alle pogingen hunner krijgsmakkers, om dien bij te leggen, kwam het tot een tweegevecht met den degen, waarin mijn neef den dood vond. Zijn dood was een groot verlies voor ridder Hildebrand, daar Thorncliff bij zijn opvliegenden aard een paar grein gezond menschenverstand meer bezat dan al zijne overige broeders,—Rashleigh, zoo als van zelf spreekt, alleen uitgezonderd.Percival sneuvelde insgelijks in zijn beroep; dat wil zeggen, op zijn manier op het bed van eer. Hij ging met een anderen edelman eene weddingschap aan, wie van beiden den grootsten beker brandewijn zou kunnen uitdrinken op den dag, dat Jakobus Stuart door de oproerigen te Morpeth als koning uitgeroepen werd. De gevolgen van dezenwedstrijd waren eene hevige koorts, waaraan hij weinige dagen daarna stierf, onder het gestadig uitroepen van: »water! water!”Richard brak den hals toen hij met een stram paard, dat hij een tot de partij der oproerigen overgegaan koopman uit Manchester aanpraten wilde, over eene heg poogde te springen.Wilfred, de domkop, trof, zoo als het den dommen soms gaat, nog het beste lot. Hij sneuvelde in den slag bij Preston, waar hij zeer dapper vocht, ofschoon hij, naar men verzekert, niet recht wist, wat eigenlijk de aanleiding tot den strijd was, terwijl hij zich ook niet herinneren kon, voor welken koning hij de wapens droeg. John streed insgelijks moedig in dat gevecht, en ontving verscheidene wonden, maar was niet zoo gelukkig om op het slagveld te sterven. Mijn oude oom, wien al deze rampen het hart gebroken hadden, werd den volgenden dag, toen al de aanhangers van zijne partij zich aan den overwinnaar moesten overgeven, gevangen genomen en met zijn gekwetsten zoon John naar de gevangenis van Newgate gebracht.Ik was in zoover blijde, weder van den militairen dienst bevrijd te zijn, daar ik nu het ongeluk mijner verwanten kon helpen verzachten. Mijn vader had veel invloed bij de regeering. En het lot van den ongelukkigen man, die in zulk een kort tijdsbestek op twee na, al zijne zonen verloren had, verwekte zulk een algemeen medelijden, dat mijn oom en neef waarschijnlijk niet van hoogverraad zouden aangeklaagd zijn geworden. Maar een hooger gerecht voorkwam die aanklacht. John stierf in de gevangenis en bad mij in zijn laatste oogenblikken de verzorging van zijne valken op het kasteel Osbaldistone en van zijn geliefkoosden jachthond op mij te willen nemen.Mijne beklagenswaardige oom was geheel ter neer geslagen. Hij sprak weinig, maar de deelneming die ik hem bewees, scheen hem te roeren. Ofschoon ik geen getuige was van de eerste samenkomst met mijn vader na eene scheiding van zoo vele jaren en onder zulke treurige omstandigheden, gaf mijns vaders neerslachtigheid mij duidelijk genoeg te kennen, dat ze zeer smartelijk geweest was. Mijn oom sprak met veel verbittering over Rashleigh, zijn thans nog eenig overgebleven zoon. Hij verweet hem den ondergang van zijn geslacht en den dood zijner broeders. Hij verzekerde dat noch hij, noch zijne zonen tot de opstandelingen zouden zijn overgegaan, als Rashleigh hen niet verleid had, en nu had hij zelf de zaak der Stuart’s ’t eerst verraden. Een paar maal noemde hij zijne nicht Diana met innige genegenheid. Toen ik op zekeren dag naast zijn bed zat, zeide hij tot mij: »O, beste neef, daar nu Thorncliff en allen dood zijn, doet het mij zoo leed, dat gij haar niet hebben moogt.”De woorden »Thorncliff en allen” roerden mij diep. Het waren de gewone woorden van den goeden ouden man, wanneer hij ’s morgens vroolijk op de jacht ging en zijn lieveling Thorncliff onderscheidde van al de overigen, die hij slechts in het algemeen noemde. Maar de luide, vroolijke stem, waarmede hij placht te zeggen: »Roept Thorncliff—en allen!” verschilde veel van den somberen, lijdenden toon, waarop hij nu detroostelooze woorden uitsprak. Zelf onderrichtte hij mij van den inhoud van zijn laatsten wil, waarvan hij mij een authentiek afschrift mededeelde, daar hij het oorspronkelijke bij den rechter Inglewood had gedeponeerd, die door niemand gevreesd en door allen, als een onzijdig persoon, vertrouwd, de bewaarder was geworden der testamenten van de helft der heeren van beide partijen, die uitgetrokken waren.Mijn arme oom bracht zijne laatste uren grootendeels in godvruchtige overdenkingen en gebeden door, daarin bijgestaan door den kapelaan van het Sardinische gezantschap, voor wien wij met moeite de vergunning verkregen den gevangene te bezoeken. Kort na den dood van zijn zoon bezweek hij onder het lijden, waartegen zijne lichaams- en zielskrachten niet langer bestand waren, maar waarvoor de geneesheeren geen naam konden vinden. Inderdaad, hij scheen eerder op te houden te leven, dan met eenigen strijd te sterven.—Het was als een door de golven geslingerd schip, dat soms lek wordt en in de diepte verdwijnt, eer men eenig zichtbaar lek aan het vaartuig heeft kunnen ontwaren.Dadelijk nadat mijn vader zijn broeder de laatste eer bewezen had, gaf hij mij tot mijne verwondering zijn verlangen te kennen, dat ik, overeenkomstig het testament van mijn oom, als hoofd der familie zou optreden. Dit verraste mij zeer. Ik dacht, dat zoo iets voor hem nooit iets bekoorlijks had gehad. Maar het is wel mogelijk dat hij vroeger meer schijnbaar dan werkelijk, onverschillig was geweest, daar hij begreep dat hij best deed, even als de vos in de fabel, niet dat te verlangen, wat hij toch niet kon verkrijgen. Daarbij kwam echter zijn hevige afkeer van Rashleigh, die openlijk dreigde zijns vaders beschikkingen te willen bestrijden. Dit versterkte hem in het verlangen, om den uitersten wil zijns broeders te handhaven.—»Met het meeste recht,” zeide mijn vader, »was die laaghartige booswicht onterfd geworden. Door het testament heeft de overledene eene vroegere onrechtvaardigheid vergoed en de overgebleven goederen komen nu weer aan de wettige erfgenamen.”Intusschen was Rashleigh als tegenpartij geenszins gering te achten. De berichten, welke hij der regeering verraderlijk had medegedeeld, waren voor het oogenblik, zoo gewichtig geweest, ja, hij had daarbij op zulk eene sluwe wijze zich zoo groote verdiensten weten toe te dichten, dat hij zelfs onder de voornaamste ministers vele begunstigers bezat. Reeds waren wij bezig hem wegens den aan ons gepleegden roof in rechten te vervolgen. Naar den gang van dat eenvoudige rechtsgeding te oordeelen, liet het zich aanzien, dat het nieuw begonnen proces over de goederen veel langer dan onze leeftijd duren kon.Om deze vertraging te voorkomen, volgde mijn vader den raad van zijn advokaat, betaalde eenige zware hypotheken af, waarmede de landerijen van Osbaldistone bezwaard waren en droeg al zijne eigen aanspraken aan mij over. De gunstige gelegenheid, om een groot gedeelte der aanmerkelijke winst, door het snelle rijzen der staatspapieren bij het dempen van den opstand behaald, te beleggen, en zijne onlangs verkregenondervinding van de gevaren, waaraan de handel is blootgesteld, bewogen hem misschien op deze wijze een aanzienlijk gedeelte van zijn vermogen vast te zetten. Hoe het zij, ik had verwacht, dat hij mij weder naar zijn kantoor zou brengen, waartoe ik hem mijne bereidwilligheid had verklaard, want ik wilde zijne wenschen, welke die ook waren, onvoorwaardelijk volbrengen. Maar zie! in plaats daarvan, beval hij mij naar Northumberland te vertrekken, en als wettig erfgenaam bezit van het kasteel Osbaldistone te nemen. Bij den rechter Inglewood moest ik het oorspronkelijke testament van mijn oom lichten en de noodige maatregelen nemen, om mij in het bezit der goederen te stellen.Op iederen anderen tijd zou deze verandering van toestand mij zeer gewenscht zijn geweest, maar thans kon het kasteel Osbaldistone slechts smartelijke gewaarwordingen in mij opwekken. En toch, waar anders dan in dat oord kon ik berichten omtrent Diana’s lot hopen te verkrijgen? Met reden moest ik vreezen, het geheel anders te zullen vinden dan ik wenschte, maar tot dusver wist ik nog niet, wat er van haar geworden was. Vruchteloos had ik getracht, door allerlei bewijzen van vriendelijke deelneming het vertrouwen van eenige verre bloedverwanten te verwerven, die zich onder de gevangenen in Newgate bevonden. Maar eene zekere fierheid, die ik niet kon afkeuren, daarbij een vergeeflijke argwaan tegen Frans Osbaldistone, den aanhanger der heerschende partij, en den neef van den ellendigen verrader Rashleigh, sloten ieders hart, ieders mond. Ik ontving niets dan koelen gedwongen dank, voor den bijstand, dien ik bewijzen kon. De arm der straffende gerechtigheid verminderde ook van lieverlede het getal dergenen, wien ik van nut poogde te zijn. Nu werden de overblijvenden nog afkeeriger van allen, die zij voor aanhangers der regeering hielden. Toen men weder eenigen in afdeelingen naar de gerechtsplaats ter dood had weggevoerd, verloren de teruggeblevenen alle deelneming aan het leven. Zij hadden lust noch moed meer om met menschen te verkeeren. Nog lang zal ik mij een dezer ongelukkigen herinneren, die op mijn dringende vraag, of ik hem niet met nog iets genoegen kon doen, antwoordde: »Mijnheer Osbaldistone, ik geloof gaarne dat gij het goed meent, en daarom betuig ik u mijn dank. Maar waarlijk, een mensch laat zich niet mesten als pluimgedierte, als hij ziet, dat zijne vrienden dag aan dag naar het moordschavot gevoerd worden, en hij weet dat de beurt spoedig ook aan hem zal komen.”Onder deze omstandigheden verheugde het mij wezenlijk, Londen en Newgate en de tooneelen, waarvan ik daar getuige was, te kunnen verlaten, om de vrije lucht in Northumberland in te ademen. Andries was in mijn dienst gebleven, niet omdat ik dit juist gaarne had, maar omdat mijn vader dit scheen te wenschen. Zijne plaatselijke kennis der omstreken van het kasteel Osbaldistone, meende mijn vader, kon mij nu van nut zijn. Zijn reisgezelschap was mij niet onwelkom, terwijl ik het vooruitzicht had, om van hem ontslagen te worden, als ik hem weder tot tuinier aanstelde. Bij mijn vader had hij zich door zijn bijzonderenslag om zich den schijn te geven, alsof hij met lijf en ziel aan zijn heer gehecht was, eenige gunst verworven. Hij wist deze voorgewende gehechtheid daarmede te vereenigen, dat hij mij, zijn heer, bij elke gelegenheid allerlei streken speelde, terwijl hij volstrekt niet duldde, dat iemand anders dan hij zelf zijn meester bedroog.Onze reis liep af zonder dat ons eenig avontuur bejegende. Het land, hetwelk nog kort te voren in opstand was geweest, vonden wij in rust en vrede. Hoe meer wij het kasteel Osbaldistone naderden, des te enger werd het mij om ’t hart bij de gedachte, dat ik thans die verlaten woning alleen zou binnentreden. Om dat zoo gevreesde oogenblik uit te stellen, besloot ik eerst rechtstreeks naar den rechter Inglewood te rijden.De goede man was, gedurende den laatsten tijd, door de lotgevallen en tegenstrijdige gevoelens, aan zijne voormalige en tegenwoordige betrekkingen verbonden, niet weinig verontrust geworden. Zeer natuurlijke herinneringen aan het verledene hadden vrij wat invloed op de vervulling van zijne rechterlijke plichten gehad. Hij was echter zoo gelukkig geweest, om zich van zijn griffier Jobson te ontslaan, die hem den ganschen last der ambtsbezigheden overgelaten had. Jobson zelf was nu de handlanger van zekeren Standish geworden, die sedert eenigen tijd als vrederechter fungeerde in de buurt en zulk een blakenden ijver voor koning George en de Protestantsche troonsopvolging liet blijken, dat Jobson zich eer beijveren moest, zijn nieuwen patroon binnen de perken der wet te houden, dan hem tot handelen aan te sporen.Inglewood ontving mij zeer vriendelijk en stelde mij terstond mijns ooms testament ter hand, hetwelk in volkomen orde werd bevonden. In het eerst was de goede man zichtbaar verlegen, hoe hij in mijne tegenwoordigheid spreken en handelen zou. Doch toen hij zag, dat ik weliswaar uit beginsel een aanhanger der tegenwoordige regeering, maar niettemin tot medelijden gestemd was jegens hen, die zich door verkeerde begrippen van plicht en getrouwheid tot den opstand hadden laten verleiden, werd zijn gesprek een vermakelijk mengelmoes van datgene wat hij gedaan en niet gedaan had, van zijne pogingen, om sommige landedellieden van rustverstorende samenrottingen af te houden, en van de toegevendheid, waardoor hij de vlucht van anderen, die aan den opstand deel hadden genomen, begunstigd had.Wij waren geheel alleen, en reeds hadden wij eene flesch geledigd, toen hij mij plotseling uitnoodigde, om een beker te ledigen op het welzijn der brave, lieve Diana Vernon, het roosje in de woestijn, het klokje in het Cheviot-gebergte, de bloem, die in een akelig klooster stond verplant te worden.»Is Diana Vernon dan niet gehuwd?” vroeg ik vol verbazing. »Ik dacht, dat zijne Excellentie.…”»Wel ja, waarom niet!” hernam Inglewood, luidkeels lachende—»zijne Excellentie en zijne Genade—dat alles is allemaal gekheid—ijdele titels van St. Germain! De graaf Van Beauchamp gezant vanFrankrijk—en de hertog van Orleans—weten misschien niet eens, dat er zulk een man bestond. Gij zult immers den ouden Frederik Vernon in het kasteel Osbaldistone wel gezien hebben, toen hij de rol van pater Vaughan speelde?”»Rechtvaardige Hemel! Vaughan was dus de vader van Diana?”»Juist!” antwoordde Inglewood zeer bedaard. »Waartoe die zaak nu nog langer geheim gehouden? Hij moet thans wel het land uit zijn, want anders zou mijn plicht mij gebieden, hem gevangen te nemen. Welnu—uw glas geledigd op de gezondheid van mijne lieve verlorene Diana!”Ik was, zoo als men licht begrijpen kan, volstrekt niet gestemd, om in Inglewood’s vroolijkheid te deelen. Het schemerde mij voor de oogen. »Nooit,” hernam ik, »heb ik geweten, dat Diana’s vader nog leefde.”»Dat hij nog leeft,” antwoordde Inglewood, »heeft men waarlijk niet aan onze regeering te wijten. Van niemand zou het hoofd zooveel geld opgeleverd hebben, als het zijne. Onder koning William werd hij wegens zijne deelneming aan eene samenzwering ten voordeele der Stuarts ter dood veroordeeld, en daar hij zich in Schotland met eene verwante van de familie Breadalbane door het huwelijk verbonden had, was zijn invloed op al de Hooglandsche hoofdelingen zeer groot. Men zegt, dat hij bij den vrede te Rijswijk door Frankrijk zou hebben moeten uitgeleverd worden. Maar hij veinsde zich ziek, en in de Fransche nieuwspapieren werd zijn dood openlijk bekend gemaakt. Toen hij herwaarts terugkwam, kenden wij den ouden heer zeer goed—ik wil zeggen, ik kende hem zeer goed. Maar daar mij geen signalement van hem werd gezonden, en mijn geheugen door vele en zware aanvallen van jicht geweldig geleden had, zou ik er toch geen eed op hebben durven doen,—dat vat je wel!”»Kende men hem dan in het kasteel?” vroeg ik.»Niemand dan zijne dochter, de oude ridder Hildebrand en Rashleigh; laatstgenoemde was achter het geheim gekomen, zoo als hij achter alle dingen kwam. Maar met dat geheim hield hij Diana als bij een koord om den hals. Wel honderdmaal heb ik gezien, dat zij hem in het gezicht zou hebben willen slaan, als zij niet voor haar vader gevreesd had, wiens leven onfeilbaar verloren zou zijn geweest, zoodra men hem aan de regeering verraden had. Versta mij niet verkeerd, mijnheer Osbaldistone! de regeering is goed, genadig en rechtvaardig. Weliswaar, heeft zij de helft der opstandelingen zonder genade doen ophangen, maar zij zou die arme drommels zeer zeker rustig hebben laten leven, als zij zich maar stil tehuis hadden gehouden.”Ik ontweek, zoo veel mogelijk, een gesprek over de staatszaken. Toen ik Inglewood vrij behendig tot zijn eerste onderwerp had teruggebracht, vernam ik, dat Diana stellig geweigerd had met een mijner neven te huwen, en inzonderheid haren afkeer van Rashleigh had te kennen gegeven. Deze was dan ook sedert dien tijd veel lauwer in zijn ijver voor de zaak van den Pretendent geworden. Eigenlijk had hij als de jongsteder broeders, en als een sluw en doortrapt man, dezen als een middel beschouwd, om fortuin te maken. De omstandigheid, dat hij door den vereenigden invloed van Sir Frederik Vernon en van de Schotsche hoofden gedwongen was geworden, om den buit terug te geven, dien hij van het kantoor van mijn vader geroofd had, deed hem waarschijnlijk het besluit nemen, om door afval en verraad zijn voordeel te doen. Misschien had hij ook, daar hij uitnemend van de gelegenheid partij wist te trekken om zijn belang te dienen, ontdekt dat de hulpmiddelen en vermogens der opstandelingen, zoo als naderhand bleek, geenszins berekend waren voor de groote onderneming, om eene staatsomwenteling te bewerken. Vernon—of zoo als hij bij de aanhangers der Stuarts heette, zijne Excellentie de Burggraaf Beauchamp—had met zijne dochter vrij wat moeite gehad, om de gevolgen van Rashleigh’s verraad te ontgaan. Inglewood’s berichten waren hier gebrekkig: »Men heeft niet vernomen, dat Vernon in handen der regeering is gevallen”—voegde hij er bij—»het moest hem dus wel gelukt zijn, naar vreemde landen te ontvluchten. Maar volgens de wreede overeenkomst met zijn zwager, zou Diana zich in een klooster moeten begeven.”De eigenlijke oorzaak van deze zonderlinge overeenkomst kon Inglewood niet nauwkeurig opgeven. Hij had gehoord, dat ze vooral was aangegaan, om den ouden Vernon de renten te verzekeren der overblijfsels van zijn aanzienlijk vermogen, dat men door eenige rechtsgeleerde kunstgrepen op de familie Osbaldistone had overgebracht. Kortom het was een familieverdrag, waarbij men, zooals niet zelden gebeurt, de gezindheid van degenen, die hoofdzakelijk er mede gemoeid zijn, niet meer in aanmerking had genomen, dan alsof zij tot het vee op het land behoord hadden.Groot is des menschen wankelmoedigheid!—Ik weet niet of het ontvangen bericht mij vreugde of smart veroorzaakte. Het scheen mij toe, of mijne droefheid over Diana’s verlies eer vermeerderd dan verminderd was, sedert ik wist dat zij niet door het huwelijk met een ander, maar door de muren van een klooster voor eeuwig van mij gescheiden was, alleen om aan de bepalingen van eene ongerijmde overeenkomst te voldoen. Ik werd droefgeestig en verstrooid. Ik was niet in staat om het gesprek met mijn gullen gastheer voort te zetten, die eindelijk zelf begon te geeuwen, en mij voorsloeg om mij, na de ongemakken der reis, vroeg naar bed te begeven. Ik wenschte hem eindelijk goeden nacht, en deelde hem mijn voornemen mede, om den volgenden morgen vroeg naar het kasteel te rijden. Inglewood keurde dit goed.»Ik zou u aanraden,” zeide hij, »te zorgen dat gij daar zijt, eer uwe aankomst in de omstreken bekend is geworden. Want Rashleigh, zoo als men mij verzekerd heeft, bevindt zich in Jobson’s woning, natuurlijk om nieuwe schurkenstreken te beramen. Zij behooren bij elkander; want Rashleigh durft zich onder eerlijke lieden niet meer vertoonen. Maar als twee schurken samen zijn, dan weten eerlijke lui dat oppassen de boodschap is.”Hij eindigde niet mij aan te raden, een stevig ontbijt te gebruiken eer ik vertrok, want de kille morgenlucht op de heide, zeide hij, was bepaald ongezond voor hem, die zich ’s ochtens nuchteren buiten waagde.

HOOFDSTUK XXXVII.Komt hier, mijn zestal zonen!Dat ik op u bouwe.Gij blijft voorzeker met mijDen edelen graaf getrouwe.…..… En vijf der zonen spraken:„Wij zijn met raad en daadU en den graaf getrouw.…”De zesde pleegt verraad.De wapenroep van het Noorden.

Komt hier, mijn zestal zonen!Dat ik op u bouwe.Gij blijft voorzeker met mijDen edelen graaf getrouwe.…..… En vijf der zonen spraken:„Wij zijn met raad en daadU en den graaf getrouw.…”De zesde pleegt verraad.De wapenroep van het Noorden.

Komt hier, mijn zestal zonen!Dat ik op u bouwe.Gij blijft voorzeker met mijDen edelen graaf getrouwe.…..… En vijf der zonen spraken:„Wij zijn met raad en daadU en den graaf getrouw.…”De zesde pleegt verraad.

Komt hier, mijn zestal zonen!

Dat ik op u bouwe.

Gij blijft voorzeker met mij

Den edelen graaf getrouwe.….

.… En vijf der zonen spraken:

„Wij zijn met raad en daad

U en den graaf getrouw.…”

De zesde pleegt verraad.

De wapenroep van het Noorden.

Het was op den ochtend waarop wij Glasgow zouden verlaten. Daar stoof Andries plotseling als een bezetene mijne kamer binnen. Met zeer veel moeite kon ik hem zoo ver brengen, dat hij tot bedaren kwam en mij zeide wat er voorgevallen was. Daarop verhaalde hij mij dan, dat al de Hooglanders de wapenen opgevat hadden, en met Robbert Roodhaar aan hun hoofd tegen Glasgow in aantocht waren, en binnen vierentwintig uren aankomen zouden.»Ge moet dronken zijn of krankzinnig!” riep ik; »en in elk geval zie ik geen reden om zoo opgetogen te wezen als gij nu zijt.”»Natuurlijk, daar heb je ’t weer,” hernam hij onbeschoft: »dronken of dol! Een mensch heet bij u altijd dronken of dol, als hij iets vertelt dat groote lui niet gaarne hooren. Maar ze komen toch,—dat houd ik vol!”Ik sprong terstond uit bed en spoedde mij naar mijn vader en Owen, die evenzeer als ik ontstelden. Weldra vernamen wij dat de ontvangen, tijding over het geheel maar al te waar was. De opstand, die Groot-Brittannië in het jaar 1715 teisterde, was juist uitgebarsten, toen de ongelukkige graaf van Mar ter kwader ure het vaandel der Stuarts opstak. Het verraad van eenige Jacobietische handlangers, onder wie ook Rashleigh zich bevond, en de gevangenneming van eenige anderen, had koning George’s raad met de wijd en zijd uitgebreide vertakkingen van eene reeds lang gesmede samenzwering bekend gemaakt. Ze brak onverwacht uit, maar in een te afgelegen gedeelte van het rijk, om van duurzamen invloed te zijn, hoewel het rijk in groote beroering erdoor geraakte. Deze zoo gewichtige gebeurtenis bevestigde en verklaarde de wenken, die ik van Mac-Gregor ontvangen had. Thans zag ik duidelijk, waarom de westelijke clans hun bijzonderen twist bijgelegd hadden. Zij wisten wel dat zij weldra tot verdediging hunner gemeenschappelijke zaak vereenigd zouden moeten handelen. Smartelijker was voor mij de gedachte dat Diana Vernon nu de vrouw was van een man die ’t ijverigst tot het bevorderen der algemeene omwenteling medewerkte, aan alle ontberingen en gevaren blootgesteld was, die met haars echtgenoots roekelooze onderneming gepaard gingen.Wij raadpleegden over de maatregelen, die deze netelige omstandigheden vereischten, en billijkten mijns vaders besluit, dat wij ons regelrecht naar Londen zouden begeven. Ik gaf mijn wensch te kennen, om bij een der vrijkorpsen, die opgericht zouden worden, den Staat te dienen. En mijn vader, die den oorlog als eene kostwinning wel afkeurde, maar tot verdediging van zijn vrijheid en zijn geloof zijn bloed zou opgeofferd hebben, gaf gaarne zijne toestemming.Wij reisden snel en onder veel gevaren door een gedeelte van Schotland en het noorden van Engeland, waar de heeren, die tot de Tories behoorden, manschappen en paarden bijeenbrachten en uitrustten, terwijl deWhigszich in de groote steden verzamelden, de burgerij wapenden en zich op den burgeroorlog voorbereidden. Meermalen werden wij bijna aangehouden en moesten dikwerf groote omwegen maken, ten einde het krijgsvolk te ontwijken.Na onze aankomst te Londen, vereenigden wij ons met de bankiers en aanzienlijkste kooplieden, die zich bereid hadden verklaard, om de regeering te ondersteunen en de daling der staatsfondsen te voorkomen. Immers de saamgezworenen hadden ook vooral de hoop op dit punt tot een gunstig slagen in hunne onderneming gebouwd, door, zoo als zij geloofden, een staatsbankroet te kunnen veroorzaken. Mijn vader werd tot een der medeleden van de financieele commissie benoemd; daar menalgemeen een onbepaald vertrouwen in zijn ijver, bekwaamheid en welwillendheid stelde. Hij voerde zelf de onderhandelingen met de ministers en het gelukte hem, door zijn geldmiddelen den prijs der staatspapieren, die bij het uitbarsten van den opstand aanmerkelijk gedaald waren, weder tot gezonder stand te brengen.Ik zelf was intusschen ook niet werkeloos, maar liet mij als officier aanstellen en wierf op mijns vaders kosten omtrent tweehonderd man, met wie ik mij bij het korps van den generaal Carpenter voegde.De opstand had zich nu ook naar Engeland uitgebreid, waar de ongelukkige graaf van Derwentwater en de generaal Foster met eenige anderen voor de Stuarts de wapenen opvatten. Mijn arme oom, wiens vermogen door eigen zorgeloosheid en de verkwisting zijner zonen nagenoeg weggesmolten was, liet zich overhalen, den heilloozen standaard te volgen. Maar eer hij dezen stap deed, nam hij een maatregel van voorzichtigheid, dien men van hem nauwelijks zou hebben verwacht: hij maakte zijn testament. Volgens dat stuk moesten zijne vaste goederen aan zijn oudsten zoon komen, en na diens dood op de jongere en hunne mannelijke erven overgaan. Maar Rashleigh die, door zich jegens zijne partij trouweloos te gedragen, den haat zijns vaders op zich geladen had, werd geheel uitgesloten en onterfd. Het gansche vermogen werd in geval van het afsterven der andere zonen aan mij, als den naasten erfgenaam toegewezen. Ik was dan ook steeds de lieveling van mijn oom geweest. Maar de aanblik der reusachtige jongelingen, zijne zonen, die zich thans wapenden, gaf hem waarschijnlijk zooveel vertrouwen op de instandhouding van zijn stam, dat hij die laatste beschikking slechts als eene doode letter beschouwde, die alleen diende, om zijne verontwaardiging over Rashleigh’s verraad duidelijk te doen uitkomen. Ook vermaakte hij aan de nicht van zijne overleden echtgenoote, Diana Vernon, thans Diana Vernon Beauchamp, eenige diamanten, die aan hare tante toebehoord hadden, en een groot zilveren bekken, waarop de ineengevlochten wapens der familie Vernon en Osbaldistone gedreven waren.Maar het was Gods wil, dat de krachtvolle, edele stam sneller uitstierf, dan de ongelukkige vader vermoeden kon. Bij de eerste monstering der saamgezworenen geraakte Thorncliff met een edelman uit Northumberland, die even trotsch en onbuigzaam was als hij, in een hevigen twist. In weerwil van alle pogingen hunner krijgsmakkers, om dien bij te leggen, kwam het tot een tweegevecht met den degen, waarin mijn neef den dood vond. Zijn dood was een groot verlies voor ridder Hildebrand, daar Thorncliff bij zijn opvliegenden aard een paar grein gezond menschenverstand meer bezat dan al zijne overige broeders,—Rashleigh, zoo als van zelf spreekt, alleen uitgezonderd.Percival sneuvelde insgelijks in zijn beroep; dat wil zeggen, op zijn manier op het bed van eer. Hij ging met een anderen edelman eene weddingschap aan, wie van beiden den grootsten beker brandewijn zou kunnen uitdrinken op den dag, dat Jakobus Stuart door de oproerigen te Morpeth als koning uitgeroepen werd. De gevolgen van dezenwedstrijd waren eene hevige koorts, waaraan hij weinige dagen daarna stierf, onder het gestadig uitroepen van: »water! water!”Richard brak den hals toen hij met een stram paard, dat hij een tot de partij der oproerigen overgegaan koopman uit Manchester aanpraten wilde, over eene heg poogde te springen.Wilfred, de domkop, trof, zoo als het den dommen soms gaat, nog het beste lot. Hij sneuvelde in den slag bij Preston, waar hij zeer dapper vocht, ofschoon hij, naar men verzekert, niet recht wist, wat eigenlijk de aanleiding tot den strijd was, terwijl hij zich ook niet herinneren kon, voor welken koning hij de wapens droeg. John streed insgelijks moedig in dat gevecht, en ontving verscheidene wonden, maar was niet zoo gelukkig om op het slagveld te sterven. Mijn oude oom, wien al deze rampen het hart gebroken hadden, werd den volgenden dag, toen al de aanhangers van zijne partij zich aan den overwinnaar moesten overgeven, gevangen genomen en met zijn gekwetsten zoon John naar de gevangenis van Newgate gebracht.Ik was in zoover blijde, weder van den militairen dienst bevrijd te zijn, daar ik nu het ongeluk mijner verwanten kon helpen verzachten. Mijn vader had veel invloed bij de regeering. En het lot van den ongelukkigen man, die in zulk een kort tijdsbestek op twee na, al zijne zonen verloren had, verwekte zulk een algemeen medelijden, dat mijn oom en neef waarschijnlijk niet van hoogverraad zouden aangeklaagd zijn geworden. Maar een hooger gerecht voorkwam die aanklacht. John stierf in de gevangenis en bad mij in zijn laatste oogenblikken de verzorging van zijne valken op het kasteel Osbaldistone en van zijn geliefkoosden jachthond op mij te willen nemen.Mijne beklagenswaardige oom was geheel ter neer geslagen. Hij sprak weinig, maar de deelneming die ik hem bewees, scheen hem te roeren. Ofschoon ik geen getuige was van de eerste samenkomst met mijn vader na eene scheiding van zoo vele jaren en onder zulke treurige omstandigheden, gaf mijns vaders neerslachtigheid mij duidelijk genoeg te kennen, dat ze zeer smartelijk geweest was. Mijn oom sprak met veel verbittering over Rashleigh, zijn thans nog eenig overgebleven zoon. Hij verweet hem den ondergang van zijn geslacht en den dood zijner broeders. Hij verzekerde dat noch hij, noch zijne zonen tot de opstandelingen zouden zijn overgegaan, als Rashleigh hen niet verleid had, en nu had hij zelf de zaak der Stuart’s ’t eerst verraden. Een paar maal noemde hij zijne nicht Diana met innige genegenheid. Toen ik op zekeren dag naast zijn bed zat, zeide hij tot mij: »O, beste neef, daar nu Thorncliff en allen dood zijn, doet het mij zoo leed, dat gij haar niet hebben moogt.”De woorden »Thorncliff en allen” roerden mij diep. Het waren de gewone woorden van den goeden ouden man, wanneer hij ’s morgens vroolijk op de jacht ging en zijn lieveling Thorncliff onderscheidde van al de overigen, die hij slechts in het algemeen noemde. Maar de luide, vroolijke stem, waarmede hij placht te zeggen: »Roept Thorncliff—en allen!” verschilde veel van den somberen, lijdenden toon, waarop hij nu detroostelooze woorden uitsprak. Zelf onderrichtte hij mij van den inhoud van zijn laatsten wil, waarvan hij mij een authentiek afschrift mededeelde, daar hij het oorspronkelijke bij den rechter Inglewood had gedeponeerd, die door niemand gevreesd en door allen, als een onzijdig persoon, vertrouwd, de bewaarder was geworden der testamenten van de helft der heeren van beide partijen, die uitgetrokken waren.Mijn arme oom bracht zijne laatste uren grootendeels in godvruchtige overdenkingen en gebeden door, daarin bijgestaan door den kapelaan van het Sardinische gezantschap, voor wien wij met moeite de vergunning verkregen den gevangene te bezoeken. Kort na den dood van zijn zoon bezweek hij onder het lijden, waartegen zijne lichaams- en zielskrachten niet langer bestand waren, maar waarvoor de geneesheeren geen naam konden vinden. Inderdaad, hij scheen eerder op te houden te leven, dan met eenigen strijd te sterven.—Het was als een door de golven geslingerd schip, dat soms lek wordt en in de diepte verdwijnt, eer men eenig zichtbaar lek aan het vaartuig heeft kunnen ontwaren.Dadelijk nadat mijn vader zijn broeder de laatste eer bewezen had, gaf hij mij tot mijne verwondering zijn verlangen te kennen, dat ik, overeenkomstig het testament van mijn oom, als hoofd der familie zou optreden. Dit verraste mij zeer. Ik dacht, dat zoo iets voor hem nooit iets bekoorlijks had gehad. Maar het is wel mogelijk dat hij vroeger meer schijnbaar dan werkelijk, onverschillig was geweest, daar hij begreep dat hij best deed, even als de vos in de fabel, niet dat te verlangen, wat hij toch niet kon verkrijgen. Daarbij kwam echter zijn hevige afkeer van Rashleigh, die openlijk dreigde zijns vaders beschikkingen te willen bestrijden. Dit versterkte hem in het verlangen, om den uitersten wil zijns broeders te handhaven.—»Met het meeste recht,” zeide mijn vader, »was die laaghartige booswicht onterfd geworden. Door het testament heeft de overledene eene vroegere onrechtvaardigheid vergoed en de overgebleven goederen komen nu weer aan de wettige erfgenamen.”Intusschen was Rashleigh als tegenpartij geenszins gering te achten. De berichten, welke hij der regeering verraderlijk had medegedeeld, waren voor het oogenblik, zoo gewichtig geweest, ja, hij had daarbij op zulk eene sluwe wijze zich zoo groote verdiensten weten toe te dichten, dat hij zelfs onder de voornaamste ministers vele begunstigers bezat. Reeds waren wij bezig hem wegens den aan ons gepleegden roof in rechten te vervolgen. Naar den gang van dat eenvoudige rechtsgeding te oordeelen, liet het zich aanzien, dat het nieuw begonnen proces over de goederen veel langer dan onze leeftijd duren kon.Om deze vertraging te voorkomen, volgde mijn vader den raad van zijn advokaat, betaalde eenige zware hypotheken af, waarmede de landerijen van Osbaldistone bezwaard waren en droeg al zijne eigen aanspraken aan mij over. De gunstige gelegenheid, om een groot gedeelte der aanmerkelijke winst, door het snelle rijzen der staatspapieren bij het dempen van den opstand behaald, te beleggen, en zijne onlangs verkregenondervinding van de gevaren, waaraan de handel is blootgesteld, bewogen hem misschien op deze wijze een aanzienlijk gedeelte van zijn vermogen vast te zetten. Hoe het zij, ik had verwacht, dat hij mij weder naar zijn kantoor zou brengen, waartoe ik hem mijne bereidwilligheid had verklaard, want ik wilde zijne wenschen, welke die ook waren, onvoorwaardelijk volbrengen. Maar zie! in plaats daarvan, beval hij mij naar Northumberland te vertrekken, en als wettig erfgenaam bezit van het kasteel Osbaldistone te nemen. Bij den rechter Inglewood moest ik het oorspronkelijke testament van mijn oom lichten en de noodige maatregelen nemen, om mij in het bezit der goederen te stellen.Op iederen anderen tijd zou deze verandering van toestand mij zeer gewenscht zijn geweest, maar thans kon het kasteel Osbaldistone slechts smartelijke gewaarwordingen in mij opwekken. En toch, waar anders dan in dat oord kon ik berichten omtrent Diana’s lot hopen te verkrijgen? Met reden moest ik vreezen, het geheel anders te zullen vinden dan ik wenschte, maar tot dusver wist ik nog niet, wat er van haar geworden was. Vruchteloos had ik getracht, door allerlei bewijzen van vriendelijke deelneming het vertrouwen van eenige verre bloedverwanten te verwerven, die zich onder de gevangenen in Newgate bevonden. Maar eene zekere fierheid, die ik niet kon afkeuren, daarbij een vergeeflijke argwaan tegen Frans Osbaldistone, den aanhanger der heerschende partij, en den neef van den ellendigen verrader Rashleigh, sloten ieders hart, ieders mond. Ik ontving niets dan koelen gedwongen dank, voor den bijstand, dien ik bewijzen kon. De arm der straffende gerechtigheid verminderde ook van lieverlede het getal dergenen, wien ik van nut poogde te zijn. Nu werden de overblijvenden nog afkeeriger van allen, die zij voor aanhangers der regeering hielden. Toen men weder eenigen in afdeelingen naar de gerechtsplaats ter dood had weggevoerd, verloren de teruggeblevenen alle deelneming aan het leven. Zij hadden lust noch moed meer om met menschen te verkeeren. Nog lang zal ik mij een dezer ongelukkigen herinneren, die op mijn dringende vraag, of ik hem niet met nog iets genoegen kon doen, antwoordde: »Mijnheer Osbaldistone, ik geloof gaarne dat gij het goed meent, en daarom betuig ik u mijn dank. Maar waarlijk, een mensch laat zich niet mesten als pluimgedierte, als hij ziet, dat zijne vrienden dag aan dag naar het moordschavot gevoerd worden, en hij weet dat de beurt spoedig ook aan hem zal komen.”Onder deze omstandigheden verheugde het mij wezenlijk, Londen en Newgate en de tooneelen, waarvan ik daar getuige was, te kunnen verlaten, om de vrije lucht in Northumberland in te ademen. Andries was in mijn dienst gebleven, niet omdat ik dit juist gaarne had, maar omdat mijn vader dit scheen te wenschen. Zijne plaatselijke kennis der omstreken van het kasteel Osbaldistone, meende mijn vader, kon mij nu van nut zijn. Zijn reisgezelschap was mij niet onwelkom, terwijl ik het vooruitzicht had, om van hem ontslagen te worden, als ik hem weder tot tuinier aanstelde. Bij mijn vader had hij zich door zijn bijzonderenslag om zich den schijn te geven, alsof hij met lijf en ziel aan zijn heer gehecht was, eenige gunst verworven. Hij wist deze voorgewende gehechtheid daarmede te vereenigen, dat hij mij, zijn heer, bij elke gelegenheid allerlei streken speelde, terwijl hij volstrekt niet duldde, dat iemand anders dan hij zelf zijn meester bedroog.Onze reis liep af zonder dat ons eenig avontuur bejegende. Het land, hetwelk nog kort te voren in opstand was geweest, vonden wij in rust en vrede. Hoe meer wij het kasteel Osbaldistone naderden, des te enger werd het mij om ’t hart bij de gedachte, dat ik thans die verlaten woning alleen zou binnentreden. Om dat zoo gevreesde oogenblik uit te stellen, besloot ik eerst rechtstreeks naar den rechter Inglewood te rijden.De goede man was, gedurende den laatsten tijd, door de lotgevallen en tegenstrijdige gevoelens, aan zijne voormalige en tegenwoordige betrekkingen verbonden, niet weinig verontrust geworden. Zeer natuurlijke herinneringen aan het verledene hadden vrij wat invloed op de vervulling van zijne rechterlijke plichten gehad. Hij was echter zoo gelukkig geweest, om zich van zijn griffier Jobson te ontslaan, die hem den ganschen last der ambtsbezigheden overgelaten had. Jobson zelf was nu de handlanger van zekeren Standish geworden, die sedert eenigen tijd als vrederechter fungeerde in de buurt en zulk een blakenden ijver voor koning George en de Protestantsche troonsopvolging liet blijken, dat Jobson zich eer beijveren moest, zijn nieuwen patroon binnen de perken der wet te houden, dan hem tot handelen aan te sporen.Inglewood ontving mij zeer vriendelijk en stelde mij terstond mijns ooms testament ter hand, hetwelk in volkomen orde werd bevonden. In het eerst was de goede man zichtbaar verlegen, hoe hij in mijne tegenwoordigheid spreken en handelen zou. Doch toen hij zag, dat ik weliswaar uit beginsel een aanhanger der tegenwoordige regeering, maar niettemin tot medelijden gestemd was jegens hen, die zich door verkeerde begrippen van plicht en getrouwheid tot den opstand hadden laten verleiden, werd zijn gesprek een vermakelijk mengelmoes van datgene wat hij gedaan en niet gedaan had, van zijne pogingen, om sommige landedellieden van rustverstorende samenrottingen af te houden, en van de toegevendheid, waardoor hij de vlucht van anderen, die aan den opstand deel hadden genomen, begunstigd had.Wij waren geheel alleen, en reeds hadden wij eene flesch geledigd, toen hij mij plotseling uitnoodigde, om een beker te ledigen op het welzijn der brave, lieve Diana Vernon, het roosje in de woestijn, het klokje in het Cheviot-gebergte, de bloem, die in een akelig klooster stond verplant te worden.»Is Diana Vernon dan niet gehuwd?” vroeg ik vol verbazing. »Ik dacht, dat zijne Excellentie.…”»Wel ja, waarom niet!” hernam Inglewood, luidkeels lachende—»zijne Excellentie en zijne Genade—dat alles is allemaal gekheid—ijdele titels van St. Germain! De graaf Van Beauchamp gezant vanFrankrijk—en de hertog van Orleans—weten misschien niet eens, dat er zulk een man bestond. Gij zult immers den ouden Frederik Vernon in het kasteel Osbaldistone wel gezien hebben, toen hij de rol van pater Vaughan speelde?”»Rechtvaardige Hemel! Vaughan was dus de vader van Diana?”»Juist!” antwoordde Inglewood zeer bedaard. »Waartoe die zaak nu nog langer geheim gehouden? Hij moet thans wel het land uit zijn, want anders zou mijn plicht mij gebieden, hem gevangen te nemen. Welnu—uw glas geledigd op de gezondheid van mijne lieve verlorene Diana!”Ik was, zoo als men licht begrijpen kan, volstrekt niet gestemd, om in Inglewood’s vroolijkheid te deelen. Het schemerde mij voor de oogen. »Nooit,” hernam ik, »heb ik geweten, dat Diana’s vader nog leefde.”»Dat hij nog leeft,” antwoordde Inglewood, »heeft men waarlijk niet aan onze regeering te wijten. Van niemand zou het hoofd zooveel geld opgeleverd hebben, als het zijne. Onder koning William werd hij wegens zijne deelneming aan eene samenzwering ten voordeele der Stuarts ter dood veroordeeld, en daar hij zich in Schotland met eene verwante van de familie Breadalbane door het huwelijk verbonden had, was zijn invloed op al de Hooglandsche hoofdelingen zeer groot. Men zegt, dat hij bij den vrede te Rijswijk door Frankrijk zou hebben moeten uitgeleverd worden. Maar hij veinsde zich ziek, en in de Fransche nieuwspapieren werd zijn dood openlijk bekend gemaakt. Toen hij herwaarts terugkwam, kenden wij den ouden heer zeer goed—ik wil zeggen, ik kende hem zeer goed. Maar daar mij geen signalement van hem werd gezonden, en mijn geheugen door vele en zware aanvallen van jicht geweldig geleden had, zou ik er toch geen eed op hebben durven doen,—dat vat je wel!”»Kende men hem dan in het kasteel?” vroeg ik.»Niemand dan zijne dochter, de oude ridder Hildebrand en Rashleigh; laatstgenoemde was achter het geheim gekomen, zoo als hij achter alle dingen kwam. Maar met dat geheim hield hij Diana als bij een koord om den hals. Wel honderdmaal heb ik gezien, dat zij hem in het gezicht zou hebben willen slaan, als zij niet voor haar vader gevreesd had, wiens leven onfeilbaar verloren zou zijn geweest, zoodra men hem aan de regeering verraden had. Versta mij niet verkeerd, mijnheer Osbaldistone! de regeering is goed, genadig en rechtvaardig. Weliswaar, heeft zij de helft der opstandelingen zonder genade doen ophangen, maar zij zou die arme drommels zeer zeker rustig hebben laten leven, als zij zich maar stil tehuis hadden gehouden.”Ik ontweek, zoo veel mogelijk, een gesprek over de staatszaken. Toen ik Inglewood vrij behendig tot zijn eerste onderwerp had teruggebracht, vernam ik, dat Diana stellig geweigerd had met een mijner neven te huwen, en inzonderheid haren afkeer van Rashleigh had te kennen gegeven. Deze was dan ook sedert dien tijd veel lauwer in zijn ijver voor de zaak van den Pretendent geworden. Eigenlijk had hij als de jongsteder broeders, en als een sluw en doortrapt man, dezen als een middel beschouwd, om fortuin te maken. De omstandigheid, dat hij door den vereenigden invloed van Sir Frederik Vernon en van de Schotsche hoofden gedwongen was geworden, om den buit terug te geven, dien hij van het kantoor van mijn vader geroofd had, deed hem waarschijnlijk het besluit nemen, om door afval en verraad zijn voordeel te doen. Misschien had hij ook, daar hij uitnemend van de gelegenheid partij wist te trekken om zijn belang te dienen, ontdekt dat de hulpmiddelen en vermogens der opstandelingen, zoo als naderhand bleek, geenszins berekend waren voor de groote onderneming, om eene staatsomwenteling te bewerken. Vernon—of zoo als hij bij de aanhangers der Stuarts heette, zijne Excellentie de Burggraaf Beauchamp—had met zijne dochter vrij wat moeite gehad, om de gevolgen van Rashleigh’s verraad te ontgaan. Inglewood’s berichten waren hier gebrekkig: »Men heeft niet vernomen, dat Vernon in handen der regeering is gevallen”—voegde hij er bij—»het moest hem dus wel gelukt zijn, naar vreemde landen te ontvluchten. Maar volgens de wreede overeenkomst met zijn zwager, zou Diana zich in een klooster moeten begeven.”De eigenlijke oorzaak van deze zonderlinge overeenkomst kon Inglewood niet nauwkeurig opgeven. Hij had gehoord, dat ze vooral was aangegaan, om den ouden Vernon de renten te verzekeren der overblijfsels van zijn aanzienlijk vermogen, dat men door eenige rechtsgeleerde kunstgrepen op de familie Osbaldistone had overgebracht. Kortom het was een familieverdrag, waarbij men, zooals niet zelden gebeurt, de gezindheid van degenen, die hoofdzakelijk er mede gemoeid zijn, niet meer in aanmerking had genomen, dan alsof zij tot het vee op het land behoord hadden.Groot is des menschen wankelmoedigheid!—Ik weet niet of het ontvangen bericht mij vreugde of smart veroorzaakte. Het scheen mij toe, of mijne droefheid over Diana’s verlies eer vermeerderd dan verminderd was, sedert ik wist dat zij niet door het huwelijk met een ander, maar door de muren van een klooster voor eeuwig van mij gescheiden was, alleen om aan de bepalingen van eene ongerijmde overeenkomst te voldoen. Ik werd droefgeestig en verstrooid. Ik was niet in staat om het gesprek met mijn gullen gastheer voort te zetten, die eindelijk zelf begon te geeuwen, en mij voorsloeg om mij, na de ongemakken der reis, vroeg naar bed te begeven. Ik wenschte hem eindelijk goeden nacht, en deelde hem mijn voornemen mede, om den volgenden morgen vroeg naar het kasteel te rijden. Inglewood keurde dit goed.»Ik zou u aanraden,” zeide hij, »te zorgen dat gij daar zijt, eer uwe aankomst in de omstreken bekend is geworden. Want Rashleigh, zoo als men mij verzekerd heeft, bevindt zich in Jobson’s woning, natuurlijk om nieuwe schurkenstreken te beramen. Zij behooren bij elkander; want Rashleigh durft zich onder eerlijke lieden niet meer vertoonen. Maar als twee schurken samen zijn, dan weten eerlijke lui dat oppassen de boodschap is.”Hij eindigde niet mij aan te raden, een stevig ontbijt te gebruiken eer ik vertrok, want de kille morgenlucht op de heide, zeide hij, was bepaald ongezond voor hem, die zich ’s ochtens nuchteren buiten waagde.

Het was op den ochtend waarop wij Glasgow zouden verlaten. Daar stoof Andries plotseling als een bezetene mijne kamer binnen. Met zeer veel moeite kon ik hem zoo ver brengen, dat hij tot bedaren kwam en mij zeide wat er voorgevallen was. Daarop verhaalde hij mij dan, dat al de Hooglanders de wapenen opgevat hadden, en met Robbert Roodhaar aan hun hoofd tegen Glasgow in aantocht waren, en binnen vierentwintig uren aankomen zouden.

»Ge moet dronken zijn of krankzinnig!” riep ik; »en in elk geval zie ik geen reden om zoo opgetogen te wezen als gij nu zijt.”

»Natuurlijk, daar heb je ’t weer,” hernam hij onbeschoft: »dronken of dol! Een mensch heet bij u altijd dronken of dol, als hij iets vertelt dat groote lui niet gaarne hooren. Maar ze komen toch,—dat houd ik vol!”

Ik sprong terstond uit bed en spoedde mij naar mijn vader en Owen, die evenzeer als ik ontstelden. Weldra vernamen wij dat de ontvangen, tijding over het geheel maar al te waar was. De opstand, die Groot-Brittannië in het jaar 1715 teisterde, was juist uitgebarsten, toen de ongelukkige graaf van Mar ter kwader ure het vaandel der Stuarts opstak. Het verraad van eenige Jacobietische handlangers, onder wie ook Rashleigh zich bevond, en de gevangenneming van eenige anderen, had koning George’s raad met de wijd en zijd uitgebreide vertakkingen van eene reeds lang gesmede samenzwering bekend gemaakt. Ze brak onverwacht uit, maar in een te afgelegen gedeelte van het rijk, om van duurzamen invloed te zijn, hoewel het rijk in groote beroering erdoor geraakte. Deze zoo gewichtige gebeurtenis bevestigde en verklaarde de wenken, die ik van Mac-Gregor ontvangen had. Thans zag ik duidelijk, waarom de westelijke clans hun bijzonderen twist bijgelegd hadden. Zij wisten wel dat zij weldra tot verdediging hunner gemeenschappelijke zaak vereenigd zouden moeten handelen. Smartelijker was voor mij de gedachte dat Diana Vernon nu de vrouw was van een man die ’t ijverigst tot het bevorderen der algemeene omwenteling medewerkte, aan alle ontberingen en gevaren blootgesteld was, die met haars echtgenoots roekelooze onderneming gepaard gingen.

Wij raadpleegden over de maatregelen, die deze netelige omstandigheden vereischten, en billijkten mijns vaders besluit, dat wij ons regelrecht naar Londen zouden begeven. Ik gaf mijn wensch te kennen, om bij een der vrijkorpsen, die opgericht zouden worden, den Staat te dienen. En mijn vader, die den oorlog als eene kostwinning wel afkeurde, maar tot verdediging van zijn vrijheid en zijn geloof zijn bloed zou opgeofferd hebben, gaf gaarne zijne toestemming.

Wij reisden snel en onder veel gevaren door een gedeelte van Schotland en het noorden van Engeland, waar de heeren, die tot de Tories behoorden, manschappen en paarden bijeenbrachten en uitrustten, terwijl deWhigszich in de groote steden verzamelden, de burgerij wapenden en zich op den burgeroorlog voorbereidden. Meermalen werden wij bijna aangehouden en moesten dikwerf groote omwegen maken, ten einde het krijgsvolk te ontwijken.

Na onze aankomst te Londen, vereenigden wij ons met de bankiers en aanzienlijkste kooplieden, die zich bereid hadden verklaard, om de regeering te ondersteunen en de daling der staatsfondsen te voorkomen. Immers de saamgezworenen hadden ook vooral de hoop op dit punt tot een gunstig slagen in hunne onderneming gebouwd, door, zoo als zij geloofden, een staatsbankroet te kunnen veroorzaken. Mijn vader werd tot een der medeleden van de financieele commissie benoemd; daar menalgemeen een onbepaald vertrouwen in zijn ijver, bekwaamheid en welwillendheid stelde. Hij voerde zelf de onderhandelingen met de ministers en het gelukte hem, door zijn geldmiddelen den prijs der staatspapieren, die bij het uitbarsten van den opstand aanmerkelijk gedaald waren, weder tot gezonder stand te brengen.

Ik zelf was intusschen ook niet werkeloos, maar liet mij als officier aanstellen en wierf op mijns vaders kosten omtrent tweehonderd man, met wie ik mij bij het korps van den generaal Carpenter voegde.

De opstand had zich nu ook naar Engeland uitgebreid, waar de ongelukkige graaf van Derwentwater en de generaal Foster met eenige anderen voor de Stuarts de wapenen opvatten. Mijn arme oom, wiens vermogen door eigen zorgeloosheid en de verkwisting zijner zonen nagenoeg weggesmolten was, liet zich overhalen, den heilloozen standaard te volgen. Maar eer hij dezen stap deed, nam hij een maatregel van voorzichtigheid, dien men van hem nauwelijks zou hebben verwacht: hij maakte zijn testament. Volgens dat stuk moesten zijne vaste goederen aan zijn oudsten zoon komen, en na diens dood op de jongere en hunne mannelijke erven overgaan. Maar Rashleigh die, door zich jegens zijne partij trouweloos te gedragen, den haat zijns vaders op zich geladen had, werd geheel uitgesloten en onterfd. Het gansche vermogen werd in geval van het afsterven der andere zonen aan mij, als den naasten erfgenaam toegewezen. Ik was dan ook steeds de lieveling van mijn oom geweest. Maar de aanblik der reusachtige jongelingen, zijne zonen, die zich thans wapenden, gaf hem waarschijnlijk zooveel vertrouwen op de instandhouding van zijn stam, dat hij die laatste beschikking slechts als eene doode letter beschouwde, die alleen diende, om zijne verontwaardiging over Rashleigh’s verraad duidelijk te doen uitkomen. Ook vermaakte hij aan de nicht van zijne overleden echtgenoote, Diana Vernon, thans Diana Vernon Beauchamp, eenige diamanten, die aan hare tante toebehoord hadden, en een groot zilveren bekken, waarop de ineengevlochten wapens der familie Vernon en Osbaldistone gedreven waren.

Maar het was Gods wil, dat de krachtvolle, edele stam sneller uitstierf, dan de ongelukkige vader vermoeden kon. Bij de eerste monstering der saamgezworenen geraakte Thorncliff met een edelman uit Northumberland, die even trotsch en onbuigzaam was als hij, in een hevigen twist. In weerwil van alle pogingen hunner krijgsmakkers, om dien bij te leggen, kwam het tot een tweegevecht met den degen, waarin mijn neef den dood vond. Zijn dood was een groot verlies voor ridder Hildebrand, daar Thorncliff bij zijn opvliegenden aard een paar grein gezond menschenverstand meer bezat dan al zijne overige broeders,—Rashleigh, zoo als van zelf spreekt, alleen uitgezonderd.

Percival sneuvelde insgelijks in zijn beroep; dat wil zeggen, op zijn manier op het bed van eer. Hij ging met een anderen edelman eene weddingschap aan, wie van beiden den grootsten beker brandewijn zou kunnen uitdrinken op den dag, dat Jakobus Stuart door de oproerigen te Morpeth als koning uitgeroepen werd. De gevolgen van dezenwedstrijd waren eene hevige koorts, waaraan hij weinige dagen daarna stierf, onder het gestadig uitroepen van: »water! water!”

Richard brak den hals toen hij met een stram paard, dat hij een tot de partij der oproerigen overgegaan koopman uit Manchester aanpraten wilde, over eene heg poogde te springen.

Wilfred, de domkop, trof, zoo als het den dommen soms gaat, nog het beste lot. Hij sneuvelde in den slag bij Preston, waar hij zeer dapper vocht, ofschoon hij, naar men verzekert, niet recht wist, wat eigenlijk de aanleiding tot den strijd was, terwijl hij zich ook niet herinneren kon, voor welken koning hij de wapens droeg. John streed insgelijks moedig in dat gevecht, en ontving verscheidene wonden, maar was niet zoo gelukkig om op het slagveld te sterven. Mijn oude oom, wien al deze rampen het hart gebroken hadden, werd den volgenden dag, toen al de aanhangers van zijne partij zich aan den overwinnaar moesten overgeven, gevangen genomen en met zijn gekwetsten zoon John naar de gevangenis van Newgate gebracht.

Ik was in zoover blijde, weder van den militairen dienst bevrijd te zijn, daar ik nu het ongeluk mijner verwanten kon helpen verzachten. Mijn vader had veel invloed bij de regeering. En het lot van den ongelukkigen man, die in zulk een kort tijdsbestek op twee na, al zijne zonen verloren had, verwekte zulk een algemeen medelijden, dat mijn oom en neef waarschijnlijk niet van hoogverraad zouden aangeklaagd zijn geworden. Maar een hooger gerecht voorkwam die aanklacht. John stierf in de gevangenis en bad mij in zijn laatste oogenblikken de verzorging van zijne valken op het kasteel Osbaldistone en van zijn geliefkoosden jachthond op mij te willen nemen.

Mijne beklagenswaardige oom was geheel ter neer geslagen. Hij sprak weinig, maar de deelneming die ik hem bewees, scheen hem te roeren. Ofschoon ik geen getuige was van de eerste samenkomst met mijn vader na eene scheiding van zoo vele jaren en onder zulke treurige omstandigheden, gaf mijns vaders neerslachtigheid mij duidelijk genoeg te kennen, dat ze zeer smartelijk geweest was. Mijn oom sprak met veel verbittering over Rashleigh, zijn thans nog eenig overgebleven zoon. Hij verweet hem den ondergang van zijn geslacht en den dood zijner broeders. Hij verzekerde dat noch hij, noch zijne zonen tot de opstandelingen zouden zijn overgegaan, als Rashleigh hen niet verleid had, en nu had hij zelf de zaak der Stuart’s ’t eerst verraden. Een paar maal noemde hij zijne nicht Diana met innige genegenheid. Toen ik op zekeren dag naast zijn bed zat, zeide hij tot mij: »O, beste neef, daar nu Thorncliff en allen dood zijn, doet het mij zoo leed, dat gij haar niet hebben moogt.”

De woorden »Thorncliff en allen” roerden mij diep. Het waren de gewone woorden van den goeden ouden man, wanneer hij ’s morgens vroolijk op de jacht ging en zijn lieveling Thorncliff onderscheidde van al de overigen, die hij slechts in het algemeen noemde. Maar de luide, vroolijke stem, waarmede hij placht te zeggen: »Roept Thorncliff—en allen!” verschilde veel van den somberen, lijdenden toon, waarop hij nu detroostelooze woorden uitsprak. Zelf onderrichtte hij mij van den inhoud van zijn laatsten wil, waarvan hij mij een authentiek afschrift mededeelde, daar hij het oorspronkelijke bij den rechter Inglewood had gedeponeerd, die door niemand gevreesd en door allen, als een onzijdig persoon, vertrouwd, de bewaarder was geworden der testamenten van de helft der heeren van beide partijen, die uitgetrokken waren.

Mijn arme oom bracht zijne laatste uren grootendeels in godvruchtige overdenkingen en gebeden door, daarin bijgestaan door den kapelaan van het Sardinische gezantschap, voor wien wij met moeite de vergunning verkregen den gevangene te bezoeken. Kort na den dood van zijn zoon bezweek hij onder het lijden, waartegen zijne lichaams- en zielskrachten niet langer bestand waren, maar waarvoor de geneesheeren geen naam konden vinden. Inderdaad, hij scheen eerder op te houden te leven, dan met eenigen strijd te sterven.—Het was als een door de golven geslingerd schip, dat soms lek wordt en in de diepte verdwijnt, eer men eenig zichtbaar lek aan het vaartuig heeft kunnen ontwaren.

Dadelijk nadat mijn vader zijn broeder de laatste eer bewezen had, gaf hij mij tot mijne verwondering zijn verlangen te kennen, dat ik, overeenkomstig het testament van mijn oom, als hoofd der familie zou optreden. Dit verraste mij zeer. Ik dacht, dat zoo iets voor hem nooit iets bekoorlijks had gehad. Maar het is wel mogelijk dat hij vroeger meer schijnbaar dan werkelijk, onverschillig was geweest, daar hij begreep dat hij best deed, even als de vos in de fabel, niet dat te verlangen, wat hij toch niet kon verkrijgen. Daarbij kwam echter zijn hevige afkeer van Rashleigh, die openlijk dreigde zijns vaders beschikkingen te willen bestrijden. Dit versterkte hem in het verlangen, om den uitersten wil zijns broeders te handhaven.—»Met het meeste recht,” zeide mijn vader, »was die laaghartige booswicht onterfd geworden. Door het testament heeft de overledene eene vroegere onrechtvaardigheid vergoed en de overgebleven goederen komen nu weer aan de wettige erfgenamen.”

Intusschen was Rashleigh als tegenpartij geenszins gering te achten. De berichten, welke hij der regeering verraderlijk had medegedeeld, waren voor het oogenblik, zoo gewichtig geweest, ja, hij had daarbij op zulk eene sluwe wijze zich zoo groote verdiensten weten toe te dichten, dat hij zelfs onder de voornaamste ministers vele begunstigers bezat. Reeds waren wij bezig hem wegens den aan ons gepleegden roof in rechten te vervolgen. Naar den gang van dat eenvoudige rechtsgeding te oordeelen, liet het zich aanzien, dat het nieuw begonnen proces over de goederen veel langer dan onze leeftijd duren kon.

Om deze vertraging te voorkomen, volgde mijn vader den raad van zijn advokaat, betaalde eenige zware hypotheken af, waarmede de landerijen van Osbaldistone bezwaard waren en droeg al zijne eigen aanspraken aan mij over. De gunstige gelegenheid, om een groot gedeelte der aanmerkelijke winst, door het snelle rijzen der staatspapieren bij het dempen van den opstand behaald, te beleggen, en zijne onlangs verkregenondervinding van de gevaren, waaraan de handel is blootgesteld, bewogen hem misschien op deze wijze een aanzienlijk gedeelte van zijn vermogen vast te zetten. Hoe het zij, ik had verwacht, dat hij mij weder naar zijn kantoor zou brengen, waartoe ik hem mijne bereidwilligheid had verklaard, want ik wilde zijne wenschen, welke die ook waren, onvoorwaardelijk volbrengen. Maar zie! in plaats daarvan, beval hij mij naar Northumberland te vertrekken, en als wettig erfgenaam bezit van het kasteel Osbaldistone te nemen. Bij den rechter Inglewood moest ik het oorspronkelijke testament van mijn oom lichten en de noodige maatregelen nemen, om mij in het bezit der goederen te stellen.

Op iederen anderen tijd zou deze verandering van toestand mij zeer gewenscht zijn geweest, maar thans kon het kasteel Osbaldistone slechts smartelijke gewaarwordingen in mij opwekken. En toch, waar anders dan in dat oord kon ik berichten omtrent Diana’s lot hopen te verkrijgen? Met reden moest ik vreezen, het geheel anders te zullen vinden dan ik wenschte, maar tot dusver wist ik nog niet, wat er van haar geworden was. Vruchteloos had ik getracht, door allerlei bewijzen van vriendelijke deelneming het vertrouwen van eenige verre bloedverwanten te verwerven, die zich onder de gevangenen in Newgate bevonden. Maar eene zekere fierheid, die ik niet kon afkeuren, daarbij een vergeeflijke argwaan tegen Frans Osbaldistone, den aanhanger der heerschende partij, en den neef van den ellendigen verrader Rashleigh, sloten ieders hart, ieders mond. Ik ontving niets dan koelen gedwongen dank, voor den bijstand, dien ik bewijzen kon. De arm der straffende gerechtigheid verminderde ook van lieverlede het getal dergenen, wien ik van nut poogde te zijn. Nu werden de overblijvenden nog afkeeriger van allen, die zij voor aanhangers der regeering hielden. Toen men weder eenigen in afdeelingen naar de gerechtsplaats ter dood had weggevoerd, verloren de teruggeblevenen alle deelneming aan het leven. Zij hadden lust noch moed meer om met menschen te verkeeren. Nog lang zal ik mij een dezer ongelukkigen herinneren, die op mijn dringende vraag, of ik hem niet met nog iets genoegen kon doen, antwoordde: »Mijnheer Osbaldistone, ik geloof gaarne dat gij het goed meent, en daarom betuig ik u mijn dank. Maar waarlijk, een mensch laat zich niet mesten als pluimgedierte, als hij ziet, dat zijne vrienden dag aan dag naar het moordschavot gevoerd worden, en hij weet dat de beurt spoedig ook aan hem zal komen.”

Onder deze omstandigheden verheugde het mij wezenlijk, Londen en Newgate en de tooneelen, waarvan ik daar getuige was, te kunnen verlaten, om de vrije lucht in Northumberland in te ademen. Andries was in mijn dienst gebleven, niet omdat ik dit juist gaarne had, maar omdat mijn vader dit scheen te wenschen. Zijne plaatselijke kennis der omstreken van het kasteel Osbaldistone, meende mijn vader, kon mij nu van nut zijn. Zijn reisgezelschap was mij niet onwelkom, terwijl ik het vooruitzicht had, om van hem ontslagen te worden, als ik hem weder tot tuinier aanstelde. Bij mijn vader had hij zich door zijn bijzonderenslag om zich den schijn te geven, alsof hij met lijf en ziel aan zijn heer gehecht was, eenige gunst verworven. Hij wist deze voorgewende gehechtheid daarmede te vereenigen, dat hij mij, zijn heer, bij elke gelegenheid allerlei streken speelde, terwijl hij volstrekt niet duldde, dat iemand anders dan hij zelf zijn meester bedroog.

Onze reis liep af zonder dat ons eenig avontuur bejegende. Het land, hetwelk nog kort te voren in opstand was geweest, vonden wij in rust en vrede. Hoe meer wij het kasteel Osbaldistone naderden, des te enger werd het mij om ’t hart bij de gedachte, dat ik thans die verlaten woning alleen zou binnentreden. Om dat zoo gevreesde oogenblik uit te stellen, besloot ik eerst rechtstreeks naar den rechter Inglewood te rijden.

De goede man was, gedurende den laatsten tijd, door de lotgevallen en tegenstrijdige gevoelens, aan zijne voormalige en tegenwoordige betrekkingen verbonden, niet weinig verontrust geworden. Zeer natuurlijke herinneringen aan het verledene hadden vrij wat invloed op de vervulling van zijne rechterlijke plichten gehad. Hij was echter zoo gelukkig geweest, om zich van zijn griffier Jobson te ontslaan, die hem den ganschen last der ambtsbezigheden overgelaten had. Jobson zelf was nu de handlanger van zekeren Standish geworden, die sedert eenigen tijd als vrederechter fungeerde in de buurt en zulk een blakenden ijver voor koning George en de Protestantsche troonsopvolging liet blijken, dat Jobson zich eer beijveren moest, zijn nieuwen patroon binnen de perken der wet te houden, dan hem tot handelen aan te sporen.

Inglewood ontving mij zeer vriendelijk en stelde mij terstond mijns ooms testament ter hand, hetwelk in volkomen orde werd bevonden. In het eerst was de goede man zichtbaar verlegen, hoe hij in mijne tegenwoordigheid spreken en handelen zou. Doch toen hij zag, dat ik weliswaar uit beginsel een aanhanger der tegenwoordige regeering, maar niettemin tot medelijden gestemd was jegens hen, die zich door verkeerde begrippen van plicht en getrouwheid tot den opstand hadden laten verleiden, werd zijn gesprek een vermakelijk mengelmoes van datgene wat hij gedaan en niet gedaan had, van zijne pogingen, om sommige landedellieden van rustverstorende samenrottingen af te houden, en van de toegevendheid, waardoor hij de vlucht van anderen, die aan den opstand deel hadden genomen, begunstigd had.

Wij waren geheel alleen, en reeds hadden wij eene flesch geledigd, toen hij mij plotseling uitnoodigde, om een beker te ledigen op het welzijn der brave, lieve Diana Vernon, het roosje in de woestijn, het klokje in het Cheviot-gebergte, de bloem, die in een akelig klooster stond verplant te worden.

»Is Diana Vernon dan niet gehuwd?” vroeg ik vol verbazing. »Ik dacht, dat zijne Excellentie.…”

»Wel ja, waarom niet!” hernam Inglewood, luidkeels lachende—»zijne Excellentie en zijne Genade—dat alles is allemaal gekheid—ijdele titels van St. Germain! De graaf Van Beauchamp gezant vanFrankrijk—en de hertog van Orleans—weten misschien niet eens, dat er zulk een man bestond. Gij zult immers den ouden Frederik Vernon in het kasteel Osbaldistone wel gezien hebben, toen hij de rol van pater Vaughan speelde?”

»Rechtvaardige Hemel! Vaughan was dus de vader van Diana?”

»Juist!” antwoordde Inglewood zeer bedaard. »Waartoe die zaak nu nog langer geheim gehouden? Hij moet thans wel het land uit zijn, want anders zou mijn plicht mij gebieden, hem gevangen te nemen. Welnu—uw glas geledigd op de gezondheid van mijne lieve verlorene Diana!”

Ik was, zoo als men licht begrijpen kan, volstrekt niet gestemd, om in Inglewood’s vroolijkheid te deelen. Het schemerde mij voor de oogen. »Nooit,” hernam ik, »heb ik geweten, dat Diana’s vader nog leefde.”

»Dat hij nog leeft,” antwoordde Inglewood, »heeft men waarlijk niet aan onze regeering te wijten. Van niemand zou het hoofd zooveel geld opgeleverd hebben, als het zijne. Onder koning William werd hij wegens zijne deelneming aan eene samenzwering ten voordeele der Stuarts ter dood veroordeeld, en daar hij zich in Schotland met eene verwante van de familie Breadalbane door het huwelijk verbonden had, was zijn invloed op al de Hooglandsche hoofdelingen zeer groot. Men zegt, dat hij bij den vrede te Rijswijk door Frankrijk zou hebben moeten uitgeleverd worden. Maar hij veinsde zich ziek, en in de Fransche nieuwspapieren werd zijn dood openlijk bekend gemaakt. Toen hij herwaarts terugkwam, kenden wij den ouden heer zeer goed—ik wil zeggen, ik kende hem zeer goed. Maar daar mij geen signalement van hem werd gezonden, en mijn geheugen door vele en zware aanvallen van jicht geweldig geleden had, zou ik er toch geen eed op hebben durven doen,—dat vat je wel!”

»Kende men hem dan in het kasteel?” vroeg ik.

»Niemand dan zijne dochter, de oude ridder Hildebrand en Rashleigh; laatstgenoemde was achter het geheim gekomen, zoo als hij achter alle dingen kwam. Maar met dat geheim hield hij Diana als bij een koord om den hals. Wel honderdmaal heb ik gezien, dat zij hem in het gezicht zou hebben willen slaan, als zij niet voor haar vader gevreesd had, wiens leven onfeilbaar verloren zou zijn geweest, zoodra men hem aan de regeering verraden had. Versta mij niet verkeerd, mijnheer Osbaldistone! de regeering is goed, genadig en rechtvaardig. Weliswaar, heeft zij de helft der opstandelingen zonder genade doen ophangen, maar zij zou die arme drommels zeer zeker rustig hebben laten leven, als zij zich maar stil tehuis hadden gehouden.”

Ik ontweek, zoo veel mogelijk, een gesprek over de staatszaken. Toen ik Inglewood vrij behendig tot zijn eerste onderwerp had teruggebracht, vernam ik, dat Diana stellig geweigerd had met een mijner neven te huwen, en inzonderheid haren afkeer van Rashleigh had te kennen gegeven. Deze was dan ook sedert dien tijd veel lauwer in zijn ijver voor de zaak van den Pretendent geworden. Eigenlijk had hij als de jongsteder broeders, en als een sluw en doortrapt man, dezen als een middel beschouwd, om fortuin te maken. De omstandigheid, dat hij door den vereenigden invloed van Sir Frederik Vernon en van de Schotsche hoofden gedwongen was geworden, om den buit terug te geven, dien hij van het kantoor van mijn vader geroofd had, deed hem waarschijnlijk het besluit nemen, om door afval en verraad zijn voordeel te doen. Misschien had hij ook, daar hij uitnemend van de gelegenheid partij wist te trekken om zijn belang te dienen, ontdekt dat de hulpmiddelen en vermogens der opstandelingen, zoo als naderhand bleek, geenszins berekend waren voor de groote onderneming, om eene staatsomwenteling te bewerken. Vernon—of zoo als hij bij de aanhangers der Stuarts heette, zijne Excellentie de Burggraaf Beauchamp—had met zijne dochter vrij wat moeite gehad, om de gevolgen van Rashleigh’s verraad te ontgaan. Inglewood’s berichten waren hier gebrekkig: »Men heeft niet vernomen, dat Vernon in handen der regeering is gevallen”—voegde hij er bij—»het moest hem dus wel gelukt zijn, naar vreemde landen te ontvluchten. Maar volgens de wreede overeenkomst met zijn zwager, zou Diana zich in een klooster moeten begeven.”

De eigenlijke oorzaak van deze zonderlinge overeenkomst kon Inglewood niet nauwkeurig opgeven. Hij had gehoord, dat ze vooral was aangegaan, om den ouden Vernon de renten te verzekeren der overblijfsels van zijn aanzienlijk vermogen, dat men door eenige rechtsgeleerde kunstgrepen op de familie Osbaldistone had overgebracht. Kortom het was een familieverdrag, waarbij men, zooals niet zelden gebeurt, de gezindheid van degenen, die hoofdzakelijk er mede gemoeid zijn, niet meer in aanmerking had genomen, dan alsof zij tot het vee op het land behoord hadden.

Groot is des menschen wankelmoedigheid!—Ik weet niet of het ontvangen bericht mij vreugde of smart veroorzaakte. Het scheen mij toe, of mijne droefheid over Diana’s verlies eer vermeerderd dan verminderd was, sedert ik wist dat zij niet door het huwelijk met een ander, maar door de muren van een klooster voor eeuwig van mij gescheiden was, alleen om aan de bepalingen van eene ongerijmde overeenkomst te voldoen. Ik werd droefgeestig en verstrooid. Ik was niet in staat om het gesprek met mijn gullen gastheer voort te zetten, die eindelijk zelf begon te geeuwen, en mij voorsloeg om mij, na de ongemakken der reis, vroeg naar bed te begeven. Ik wenschte hem eindelijk goeden nacht, en deelde hem mijn voornemen mede, om den volgenden morgen vroeg naar het kasteel te rijden. Inglewood keurde dit goed.

»Ik zou u aanraden,” zeide hij, »te zorgen dat gij daar zijt, eer uwe aankomst in de omstreken bekend is geworden. Want Rashleigh, zoo als men mij verzekerd heeft, bevindt zich in Jobson’s woning, natuurlijk om nieuwe schurkenstreken te beramen. Zij behooren bij elkander; want Rashleigh durft zich onder eerlijke lieden niet meer vertoonen. Maar als twee schurken samen zijn, dan weten eerlijke lui dat oppassen de boodschap is.”

Hij eindigde niet mij aan te raden, een stevig ontbijt te gebruiken eer ik vertrok, want de kille morgenlucht op de heide, zeide hij, was bepaald ongezond voor hem, die zich ’s ochtens nuchteren buiten waagde.


Back to IndexNext