HOOFDSTUK XXXVIII.

HOOFDSTUK XXXVIII.De meester is niet meer.Het oud kasteel van Ivol—uitgestorven,Hij wist het wel, het gansch gezin,Tot paard en honden toe,Hen allen had het graf verworven.Wordsworth.Hoe vreeselijk veranderd vond ik het kasteel. Hoe geheel verlaten was dat tooneel van vroegere genoegens. In sombere gemoedsstemming zag ik het weder. Op den weg naar het kasteel zag ik dezelfde voorwerpen, welke ik aan Diana’s zijde had aanschouwd op onze gedenkwaardige terugreis van Inglewoods woning. Haar geest scheen mij te vergezellen. Toen ik aan de plek kwam, waar ik haar voor de eerste maal had ontmoet, meende ik bijna het geblaf der honden en de tonen der jachthorens nog te hooren. Ik staarde geruimen tijd op de ledige ruimte, als moest ik de schoone jageres, als eene hemelsche verschijning, nog eens van den heuvel zien afkomen. Maar alles bleef stil, alles was eenzaam. Toen ik het kasteel bereikte, vond ik de deuren en vensters gesloten. Gras groeide tusschen de steenen op de ruime pleinen, waar ik zoo vaak zulk een druk gewoel had gezien, als de vroolijke jagers ’s morgens uitgingen of ’s avonds huiswaarts keerden. Het blijde geblaf der ontkoppelde honden, het gejuich der jagers, de hoefslag der paarden, het luide lachen van den ouden ridder aan het hoofd zijner talrijke stamhouders—dit alles was voor altijd verstomd!Diep geroerd zag ik in deze akelige eenzaamheid rond. Ik was aangedaan, zelfs bij de herinnering aan hen, die volstrekt geen aanspraak op mijne toegenegenheid hadden. Maar de gedachte, dat zoo vele kloeke jongelingen in den bloei van het leven en in krachtige gezondheid binnen zulk een korten tijd allen door een geweldigen onverwachten dood weggerukt waren, stelde mij een beeld der sterfelijkheid voor oogen, dat mij van schrik deed beven. Voor mij was het een zwakke troost, dat ik als eigenaar van het kasteel terugkeerde, hetwelk ik bijna als vluchteling verlaten had. Mijn toestand was voor mij nog zoo nieuw,dat ik mij in zekeren zin als een onwettigen bezitter, als een indringenden vreemdeling beschouwde. Nauwelijks kon ik mij van het denkbeeld ontdoen, dat eenige van de krachtige gestalten mijner overleden neven aan de poort van het kasteel verschijnen en mij den toegang betwisten zouden.Terwijl ik mij in deze treurige overdenkingen verdiepte, was mijn geleider Andries, met geheel andere gedachten bezield, reeds begonnen met aan al de deuren te kloppen, begeerende binnengelaten te worden. Ja, hij gaf dit op een toon te kennen, die duidelijk genoeg verried, dat hij ten minste zijn nieuw verkregen waardigheid, als schildknaap des nieuwen burgheers goed besefte. Eindelijk liet Syddall, mijns ooms oude hofmeester, zich zien. Schuw keek hij door een dicht getralied venster van de eerste verdieping, terwijl hij luid vroeg, wat wij begeerden.»Dag oude vriend! wij komen u aflossen,” zeide Andries. »Geef maar gauw de sleutels over. Ik zal het zilverwerk en tafelgoed van u overnemen. Gij hebt lang genoeg den boel beheerd, mijnheer Syddall. Ieder zijn beurt. Nu zult gij toch ook eens aan het benedeneinde der tafel zitten waar Andries zoo lang gezeten heeft.”Niet zonder moeite bracht ik de voorbarigheid van mijn geleider binnen betamelijke perken terug. Ik verklaarde den ouden dienaar op welk recht ik mijn aanspraak grondde, om in het kasteel als in mijn eigendom binnengelaten te worden. Syddall scheen onthutst en verlegen. Ja, hij liet vrij duidelijk zijn onwil blijken, om mij toegang te verleenen, ofschoon hij op deemoedigen en onderdanigen toon sprak. Ik gebruikte toegevendheid tegenover die opwelling van natuurlijk gevoel, die den ouden man tot eer strekte. Ik drong echter ernstig bij hem aan om binnengelaten te worden, en verklaarde, dat zijne weigering mij noodzaken zou, gerechtelijke hulp in te roepen.»Hoor eens oude, wij komen juist van den vrederechter Inglewood!” voegde Andries er bij, om mijn bedreiging nog meer kracht bij te zetten. »Er wordt weer recht en gerechtigheid in het land gehandhaafd. Oproermakers en Papisten mogen niet meer doen wat zij verkiezen. Hun rijk is uit!”De bedreiging van gerechtelijke dwangmiddelen klonk vreeselijk in de ooren van den ouden man, die wel wist, dat hij wegens zijn geloof en zijne gehechtheid aan zijn overleden meester verdacht moest zijn. Met angst en beven opende hij een zijpoortje, dat met vele grendels en bouten voorzien was. Hij bad mij ootmoedig, voor zijne getrouwheid in de uitoefening zijner plichten verschooning te mogen vinden. Ik stelde hem gerust door hem te verzekeren, dat zijne voorzichtigheid mij een zeer goeden dunk van hem had ingeboezemd.»Ik denk er anders over!” zeide Andries. »Syddall is een oude schurk. Hij zou er zoo doodsbleek niet uitzien, hij zou zoo niet beven als een schoothondje, als hij niet meer te verantwoorden had, dan hij ons zeggen wil.”»God vergeve het u, Andries!” hernam Syddall, »dat gij zoo over eenoud vriend en kameraad spreekt! Waar zal ik vuur voor u laten aanleggen, mijnheer?” vroeg hij, terwijl hij mij nederig door den gang volgde. »Ik vrees, dat gij ’t in het kasteel al te eenzaam, al te naar zult vinden. Doch gij keert zeker nog heden namiddag naar den heer Inglewood terug om bij hem te eten.”»Leg wat vuur aan in de bibliotheek,” antwoordde ik.»Wat! In de bibliotheek?” riep de oude man. »Daar is sinds lang niemand geweest; daar rookt het. De kraaien hebben zich in het voorjaar in den schoorsteen genesteld, en wij hebben geen jonge lieden in het kasteel, om hunne nesten er uit te halen.”»Zwijg maar. Onze eigen rook is beter dan eens andermans vuur!” viel Andries hem in de rede. »Mijnheer verkiest nu in de boekenkamer te wezen; want hij wil niet, zoo als gij Papisten, in blinde onkunde zijn tijd doorbrengen.”Zeer ongaarne, naar het mij voorkwam, bracht de oude man ons naar de boekenkamer, die, geheel tegen de verwachting, welke zijne woorden bij mij verwekt hadden, zoo als het scheen, eerst onlangs gemakkelijker en bewoonbaarder was ingericht geworden. Op den haard brandde een helder vuurtje, in weerwil van al wat Syddall over den rook gezegd had. Hij nam de tang, om het hout te recht te leggen, of liever, om zijne verlegenheid te verbergen. Hij zeide, dat het thans goed brandde, maar nog dien zelfden morgen verschrikkelijk gerookt had.Ik wenschte alleen te zijn, om mij van de eerste smartelijke gewaarwordingen te herstellen, die alles wat mij omringde, in mij opwekte. Ik beval dusSyddallden rentmeester te halen, die op eenigen afstand van het kasteel woonde. Ongaarne scheen hij zich te verwijderen. Vervolgens gelastte ik Andries, mij een paar sterke knapen op te sporen, op wie hij vertrouwen kon; want de bewoners der omstreken waren meest allen Roomsch-Katholieken, en Rashleigh, wien geene stoute onderneming ooit afschrikte, hield zich in de nabijheid op. Met vreugde nam Andries de uitvoering van dezen last op zich, enverzekerdetevens, dat hij een paar echte Presbyterianen zou brengen, die den Paus, den duivel en den Pretendent het hoofd durfden bieden.—»En mij zal dat gezelschap ook zeer aangenaam zijn,” voegde hij er bij; »want juist in den laatsten nacht, dien ik in dit kasteel doorbracht, zag ik dat beeld daar—hij wees op een levensgroot portret van Diana’s grootvader—in de maneschijn door den tuin wandelen. Ik zeide het u immers, dat een spook mij verschrikt had; maar gij wildet mij niet gelooven. Altijd heb ik gemeend, dat er onder papisten hekserij en duivelskunstenarij bestond, maar dien nacht heb ik het met eigen oogen gezien.”»Ga maar heen; ga maar heen!” viel ik hem in de rede: »haal mij die knapen, maar zie wel toe, dat zij meer gezond verstand hebben dan gij, en niet voor hunne eigen schaduw sidderen.”»Hoor eens mijnheer, men heeft mij altijd voor een verstandig mensch gehouden, zoo goed als de verstandigste van mijne buren. Maar metspoken heb ik nooit gemeenschap gehad!” antwoordde Andries vrij nijdig en ging heen.Op het zelfde oogenblik trad de rentmeester Wardlaid binnen. Ik kende hem als een braaf en knap mensch, zonder wiens behulp mijn oom niet in staat zou zijn geweest, zijne kostbare huishouding zoo lang in orde te houden. Hij onderzocht mijne rechten op het kasteel zeer nauwkeurig, en erkende toen mijn eigendomsrecht zonder bezwaar. De erfenis zou voor elk ander persoon van mijn stand armzalig zijn geweest. Het landgoed was met schulden en hypotheken bezwaard. Mijn vader had ze echter gedeeltelijk afgelost, wat hem bij de rijzing der fondsen niet veel opoffering kostte.De rentmeester, met wien ik vele zaken had te regelen, bleef bij mij eten. Liefst wilde ik in de boekenkamer mijn maaltijd gebruiken, ofschoon Syddall mij daartoe de groote zaal aanbeval, die hij volgens zijne verzekering, in de haast behoorlijk in orde had laten brengen. Intusschen verscheen Andries met zijne recruten, die hij als ordelijke, en bovenal als onversaagde en dappere mannen aanprees. Ik gelastte, dat men hun wat te drinken zou geven, en zond hen toen weg.Syddall volgde de beide knapen onder een bedenkelijk hoofdschudden. Ik wilde de reden weten.»Gij zult mijne woorden niet gelooven,” antwoordde hij—»dat kan ik trouwens niet anders verwachten—maar wat waar is, blijft toch waar. Die eene knaap, Wingfield is door en door eerlijk, maar zijn broeder is een echte valschaard. De gansche omtrek weet, dat hij bij den griffier Jobson voor spion heeft gespeeld, om de heeren, die in de onlusten gewikkeld waren, ongelukkig te maken. Maar hij is Presbyteriaan, en dat alleen is heden ten dage eene voldoende aanbeveling.”Ik was er niet naar gestemd, om veel gewicht te hechten aan deze en dergelijke uitdrukkingen, waarmede de oude man, terwijl hij mij een dienst scheen te willen bewijzen, inderdaad, aan zijne gramstorigheid lucht gaf. Toen hij den wijn op tafel had gezet, ging hij heen. Eerst tegen het vallen van den avond pakte de rentmeester zijne papieren samen, om zich naar huis te begeven. Ik bleef alleen, in die zonderlinge gemoedsgesteldheid, waarin men zelf niet weet, of men gezelschap of eenzaamheid wenscht. Er bleef mij echter geene keus. Ik moest alleen blijven in die kamer, die mij meer dan eenige andere tot zwaarmoedige overdenkingen stemde.Toen de avond begon te vallen, stak Andries het hoofd door de half geopende deur, om te vragen of ik licht wilde hebben, of liever, om het mij als een maatregel van voorzichtigheid tegenover de spoken aan te bevelen. Knorrig wees ik zijn voorstel van de hand, wierp mij in een der groote lederen leunstoelen, die aan weerszijden van den schoorsteen stonden, en staarde droomend op de helder flikkerende vlammen, die ik gevoed had.»Zoo als die vlammen opflikkeren, zoo rijzen verlangens in ons op. En zoo als die vonken dooven, zoo verdwijnen ze weder!” zeide ik tot mij zelven. Gevoed door kleinigheden, aangeblazen door verbeelding,onderhouden door hoop, stijgen ze, tot ze verteren wat zij ontvlamd hebben. O, mensch, met al uwe verwachtingen, al uwe hartstochten en wenschen, tot een ellendigen aschhoop wordt ge ten slotte van binnen!Een diepe zucht uit een ander gedeelte der kamer scheen op mijne overdenkingen te antwoorden. Ik sprong verschrikt op, en—Diana Vernon stond voor mij, op den arm van een man leunende, die op de boven vermelde beeltenis zoo zeer geleek, dat ik onwillekeurig naar de lijst der schilderij zag, alsof ik verwacht had ze ledig te vinden. Was ik plotseling krankzinnig geworden, of waren de dooden uit hun graf opgestaan? Bij den tweeden oogopslag bemerkte ik echter, dat ik zeer goed bij mijn zinnen was, dat levende gedaanten voor mij stonden. Het was Diana zelve, maar bleeker en magerder dan te voren. Naast haar stond geen doode, maar pater Vaughan, of eigenlijk sir Frederik Vernon, in eene kleeding, waarin hij sprekend zijn vader op de schilderij geleek. Hij brak ’t eerst het stilzwijgen af, want Diana keek strak voor zich neer. Ik zelf kon van verbazing geen woord uiten.»Als smeekenden staan wij voor u, mijnheer Osbaldistone!” zeide hij. »Wij zoeken onder uw dak toevlucht en bescherming, tot wij eene reis kunnen vervolgen, waar gevangenis en dood ons bij elken stap bedreigen.”»Zou Diana,” stamelde ik, »zou freule Vernon en gij, mijnheer, dan kunnen gelooven, dat ik vergeten heb, welke deelneming gij mij bewezen hebt, toen ik mij in een aller neteligsten toestand bevond. Meent gij, dat ik in staat zou zijn, iemand te verraden, en nog wel u beiden!”»Ik ben overtuigd van uwe goedheid,” antwoordde Vernon; »en toch vertrouw ik u met angst een geheim toe, dat voor u misschien onaangenaam, ja, hoogst gevaarlijk kan zijn. Ik had het veel liever aan ieder ander persoon geopenbaard. Maar het noodlot, dat mij in zoo vele hachelijke omstandigheden heeft gewikkeld, liet mij geene keuze over.”Op dat oogenblik werd de deur geopend, en liet zich de drukke stem van Andries hooren.—»Ik breng u de kaarsen,” zeide hij; »gij kunt ze aansteken, wanneer ge verkiest.”Ik spoedde mij naar de deur, in de meening hem nog bij tijds te beletten, te zien, wie zich behalve mij in de kamer bevond. Haastig duwde ik hem terug, sloot de deur toe en deed er de grendels op. Maar plotseling herinnerde ik mij, dat zijne beide rekruten nog beneden waren. Andries’ praatzucht kende ik. Ook Syddall’s waarschuwing omtrent een dier knapen viel mij in. Ik volgde hem daarom terstond naar de dienstbodenkamer, waar zij zich bij elkander bevonden. Andries was, toen ik de deur opende, vrij luidruchtig aan het praten, maar mijne plotselinge verschijning bracht hem eensklaps tot zwijgen.»Wat deert u, domkop?” vroeg ik. »Gij ziet er zoo vervaard uit, als of gij een spook hadt gezien.”»Nie—niets,” antwoordde Andries. »Maar u was zoo—zoo driftig, mijnheer!”»Omdat gij mij uit een diepen slaap wektet. Syddall zegt mij, dat hijgeen slaapplaats voor deze menschen heeft, en ik hoor ook, dat het niet noodig is, hen hier te houden. Voor dit geld mogen zij eens op mijne gezondheid gaan drinken en overigens dank ik hen voor hun goeden wil. Gij kunt nu vertrekken, vrienden!”De beide knapen dankten mij voor mijne goedheid, namen het geld aan en gingen heen, zonder eenigen argwaan en weltevreden, ten minste naar het mij toescheen. Ik wachtte tot zij zich verwijderd hadden, zoodat ik overtuigd was, dat zij dien avond met Andries niet weder in gesprek konden komen. Snel was ik den tuinman op den voet gevolgd. Geen twee woorden kon hij dus met hen gesproken hebben, toen ik hem reeds in de rede viel. Doch hoeveel onheil kunnen soms slechts twee woorden stichten: hier kostten ze twee menschen het leven!Toen ik deze maatregelen genomen had—het beste wat mij voor dat oogenblik inviel, om het geheim van Diana en haren vader te beveiligen—keerde ik naar hen terug, om hun van hetgeen door mij gedaan was kennis te geven. Ik voegde er nog bij, dat ik den ouden Syddall gelast had, zoo dikwijls ik riep, zelf te komen. Ik moest wel vermoeden, dat zij alleen met zijn medeweten in het kasteel verborgen waren.Diana sloeg de oogen op en bedankte mij voor mijne voorzichtigheid.—»Gij zijt thans met mijn geheim bekend,” zeide zij. »Gij weet nu ook, hoe na en hoe dierbaar mij deze man is, die hier zoo vaak eene schuilplaats heeft gevonden. Het zal u niet langer verwonderen, dat Rashleigh, sedert hij meester van zulk een geheim was, mij als met eene ijzeren roede beheerschte.”Haar vader viel haar in de rede, en voegde er nog bij, dat zij mij slechts eenige weinige oogenblikken tot last wilden zijn.Ik verzocht de vluchtelingen zich geheel aan mij toe te vertrouwen, en overtuigd te zijn, dat ik alles aanwenden zou, wat in mijn vermogen was, om hun veiligheid te verschaffen. Dit leidde tot eene nadere mededeeling over den toestand, waarin zich Vernon en zijne dochter bevonden.»Ik had steeds verdenking op Rashleigh,” zeide hij. »Maar nu vervult mij zijn gedrag jegens mijne hulpelooze dochter, dat zij mij slechts na mijn lang aandringen bekende, en ook zijne trouweloosheid jegens uw vader, met den innigsten haat en de diepste verachting tegen hem. Bij onze laatste samenkomst, ontveinsde ik hem mijne gezindheid niet. Wat ik trouwens uit voorzichtigheid wel had behooren te doen. Getergd door de minachting waarmede ik hem behandelde, voegde hij bij zijne overige misdaden nog zijn verraad aan de zaak, die hij omhelsd had. Toen hoopte ik, dat dit geene gevolgen van eenig belang zou hebben. De graaf van Mar had in Schotland een dapper leger, en lord Derwentwater, Foster en anderen, brachten op de grenzen krijgsvolk bijeen. Ik had uitgebreide betrekkingen met de Engelsche edellieden. Daarom achtte ik het doelmatig, dat ik bij een korps Hooglanders bleef, onder bevel van Mac-Intosh, dat zich op de grenzen met de Engelschen vereenigde.Mijne dochter vergezelde mij op dien tocht, in weerwil van alle gevaren en ongemakken.»En nimmer zal zij haar dierbaren vader verlaten!” riep Diana uit, terwijl zij zich liefderijk aan zijn arm klemde.»Zoodra wij ons,” vervolgde Vernon, »met onze Engelsche vrienden vereenigd hadden, zag ik, dat het met onze zaak zeer slecht stond. Het getal onzer manschappen verminderde, in plaats van te vermeerderen. Niemand voegde zich bij ons, dan eenige aanhangers van ons geloof. De volgelingen der Stuarts, die tot de bisschoppelijke kerk behoorden, bleven meest allen besluiteloos. Eindelijk werden wij niet verre van Preston door eene macht, waartegen wij niet bestand waren, ingesloten. Gedurende een geheelen dag verdedigden wij ons dapper. Den volgenden dag ontzonk echter onzen bevelhebber de moed, en zij besloten zich over te geven. Had ik mij aan deze voorwaarden onderworpen, dan zou ik mij zelf aan het schavot hebben overgeleverd. Ongeveer dertig edellieden waren van hetzelfde gevoelen. Wij stegen te paard, en namen mijne dochter, die volstrekt mijn lot wilde deelen, in het midden van onzen kleinen hoop. Mijne tochtgenooten waren zoo verrast door den mannelijken moed en door de kinderlijke liefde mijner dochter, dat allen verklaarden liever hun leven te willen wagen, dan haar achter te laten. Wij reden samen door eene lange straat van Preston, naar eene moerassige weide aan de rivier de Ribble, van welke één onzer de doorwaadbare plaats kende. De vijand had deze streek niet sterk bezet, zoodat wij slechts eenige ruiters ontmoetten, die wij op de vlucht dreven. Wij vervolgden toen onzen weg naar Liverpool, waar wij scheidden, ten einde deze hier, gene daar, eene schuilplaats te zoeken. Mijne gelukster bracht mij naar Wallis, waar ik vele geloofsgenooten en staatkundige vrienden had. Ik kon echter geen voldoende veilige gelegenheid vinden om ter zee te ontkomen, en zag mij dus genoodzaakt, weder noordwaarts te trekken. Een beproefd vriend had met mij afgesproken, om mij op deze plaats te ontmoeten, en mij naar eene Schotsche haven te geleiden, waar een schip gereed lag, dat mij voor altijd uit mijn geboorteland zou voeren. Voor het oogenblik zochten wij een toevlucht in dit thans onbewoonde kasteel, waar de oude Syddall, die reeds vroeger onze vertrouweling was geweest, ons eene schuilplaats verleende. Ik koos eene kleeding, waarvan ik mij reeds te voren met goed gevolg bediend had, om den bijgeloovigen landlieden en den dienstboden ontzag in te boezemen. Zoo verwachtten wij van dag tot dag, door Syddall het bericht van aankomst van onzen nieuwen leidsman, toen uwe plotselinge verschijning in dit vertrek ons noodzaakte, uwe deelneming in ons lot af te smeeken.”Zoo eindigde Vernon zijn verhaal, dat mij als een droom voorkwam. Ik kon bijna niet gelooven, dat Diana vóór mij stond.… Ach! hoe was zij bleek en ter nedergeslagen! De moed, waarmede zij alle gevaren getrotseerd had, was thans tot eene kalme, onwrikbare vastberadenheid geworden. Haar vader kon zich niet onthouden, daarover nog een enkel woord te zeggen, ofschoon de indruk, dien zijne loftuitingen opmijn gemoed maakten, hem niet verborgen konden zijn. Het moest zelfs zijne ongerustheid wekken, dat ik haar zoo vol liefde aanzag.»Zij heeft,” zeide hij, »beproevingen ondergaan, die de geschiedenis van eene martelares tot eer zouden strekken. Zij heeft gevaren en dood in allerlei gedaanten met vasten moed onder de oogen gezien. Zij heeft ontberingen geleden, waarvoor de sterkste mannen terugdeinzen; zij heeft den dag in duisternis, den nacht met waken doorgebracht en nooit eenige klacht laten hooren, nooit eenigen zweem van zwakheid of ontmoediging verraden. Met één woord, mijnheer Osbaldistone! Zij verdient, dat ik haar voor altijd wijde aan mijn God,” ging hij zich kruisende voort,—»als het dierbaarste en kostbaarste kleinood, dat mij is overgebleven.”Na deze woorden, welker droevige beteekenis ik maar al te goed begreep, volgde een diep stilzwijgen. Ook thans scheen Diana’s vader zich er op toe te leggen, om mij alle hoop te benemen, juist zoo als hij bij onze vluchtige ontmoeting in Schotland had gedaan.»Laat ons mijnheer Osbaldistone niet langer storen,” zeide hij tot zijne dochter: »hij is toch nu met den ongelukkigen toestand zijner gasten, die hem om zijne bescherming smeeken, genoegzaam bekend.”Ik verzocht hen dringend te blijven, en bood aan, liever zelf de boekenkamer te verlaten. Vernon antwoordde, dat ik daardoor slechts den argwaan van mijn bediende zou opwekken, en dat hunne schuilplaats doorSyddall’szorgvuldigheid van al de noodige geriefelijkheden voorzien was.»Ja, als wij het noodig hadden geacht, zouden wij u hebben kunnen ontwijken en verborgen blijven,” zeide hij, »maar het zou heel onbillijk zijn geweest, indien wij niet met de daad getoond hadden, alle vertrouwen in uwe rechtschapenheid te stellen.”»Uw vertrouwen is niet misplaatst,” hernam ik, »hoewel gij mij niet kent; doch freule Vernon zal gaarne getuigen, dat.…”»Ik behoef haar getuigenis niet,” zeide hij op zeer minzamen toon, doch zichtbaar met de bedoeling om te verhinderen, dat ik mij zelf tot zijne dochter zou wenden.»Ik weet, dat ik slechts goeds van den heer Frans Osbaldistone mag verwachten. Vergun ons, dat wij ons verwijderen. Wij moeten rust zoeken, zoo vaak wij kunnen, daar wij volstrekt niet weten, wanneer wij tot voortzetting onzer gevaarlijke reis zullen geroepen worden.”Dit zeggende legde hij den arm zijner dochter in den zijnen, en met eene diepe buiging verdwenen beiden achter het behangsel.

HOOFDSTUK XXXVIII.De meester is niet meer.Het oud kasteel van Ivol—uitgestorven,Hij wist het wel, het gansch gezin,Tot paard en honden toe,Hen allen had het graf verworven.Wordsworth.Hoe vreeselijk veranderd vond ik het kasteel. Hoe geheel verlaten was dat tooneel van vroegere genoegens. In sombere gemoedsstemming zag ik het weder. Op den weg naar het kasteel zag ik dezelfde voorwerpen, welke ik aan Diana’s zijde had aanschouwd op onze gedenkwaardige terugreis van Inglewoods woning. Haar geest scheen mij te vergezellen. Toen ik aan de plek kwam, waar ik haar voor de eerste maal had ontmoet, meende ik bijna het geblaf der honden en de tonen der jachthorens nog te hooren. Ik staarde geruimen tijd op de ledige ruimte, als moest ik de schoone jageres, als eene hemelsche verschijning, nog eens van den heuvel zien afkomen. Maar alles bleef stil, alles was eenzaam. Toen ik het kasteel bereikte, vond ik de deuren en vensters gesloten. Gras groeide tusschen de steenen op de ruime pleinen, waar ik zoo vaak zulk een druk gewoel had gezien, als de vroolijke jagers ’s morgens uitgingen of ’s avonds huiswaarts keerden. Het blijde geblaf der ontkoppelde honden, het gejuich der jagers, de hoefslag der paarden, het luide lachen van den ouden ridder aan het hoofd zijner talrijke stamhouders—dit alles was voor altijd verstomd!Diep geroerd zag ik in deze akelige eenzaamheid rond. Ik was aangedaan, zelfs bij de herinnering aan hen, die volstrekt geen aanspraak op mijne toegenegenheid hadden. Maar de gedachte, dat zoo vele kloeke jongelingen in den bloei van het leven en in krachtige gezondheid binnen zulk een korten tijd allen door een geweldigen onverwachten dood weggerukt waren, stelde mij een beeld der sterfelijkheid voor oogen, dat mij van schrik deed beven. Voor mij was het een zwakke troost, dat ik als eigenaar van het kasteel terugkeerde, hetwelk ik bijna als vluchteling verlaten had. Mijn toestand was voor mij nog zoo nieuw,dat ik mij in zekeren zin als een onwettigen bezitter, als een indringenden vreemdeling beschouwde. Nauwelijks kon ik mij van het denkbeeld ontdoen, dat eenige van de krachtige gestalten mijner overleden neven aan de poort van het kasteel verschijnen en mij den toegang betwisten zouden.Terwijl ik mij in deze treurige overdenkingen verdiepte, was mijn geleider Andries, met geheel andere gedachten bezield, reeds begonnen met aan al de deuren te kloppen, begeerende binnengelaten te worden. Ja, hij gaf dit op een toon te kennen, die duidelijk genoeg verried, dat hij ten minste zijn nieuw verkregen waardigheid, als schildknaap des nieuwen burgheers goed besefte. Eindelijk liet Syddall, mijns ooms oude hofmeester, zich zien. Schuw keek hij door een dicht getralied venster van de eerste verdieping, terwijl hij luid vroeg, wat wij begeerden.»Dag oude vriend! wij komen u aflossen,” zeide Andries. »Geef maar gauw de sleutels over. Ik zal het zilverwerk en tafelgoed van u overnemen. Gij hebt lang genoeg den boel beheerd, mijnheer Syddall. Ieder zijn beurt. Nu zult gij toch ook eens aan het benedeneinde der tafel zitten waar Andries zoo lang gezeten heeft.”Niet zonder moeite bracht ik de voorbarigheid van mijn geleider binnen betamelijke perken terug. Ik verklaarde den ouden dienaar op welk recht ik mijn aanspraak grondde, om in het kasteel als in mijn eigendom binnengelaten te worden. Syddall scheen onthutst en verlegen. Ja, hij liet vrij duidelijk zijn onwil blijken, om mij toegang te verleenen, ofschoon hij op deemoedigen en onderdanigen toon sprak. Ik gebruikte toegevendheid tegenover die opwelling van natuurlijk gevoel, die den ouden man tot eer strekte. Ik drong echter ernstig bij hem aan om binnengelaten te worden, en verklaarde, dat zijne weigering mij noodzaken zou, gerechtelijke hulp in te roepen.»Hoor eens oude, wij komen juist van den vrederechter Inglewood!” voegde Andries er bij, om mijn bedreiging nog meer kracht bij te zetten. »Er wordt weer recht en gerechtigheid in het land gehandhaafd. Oproermakers en Papisten mogen niet meer doen wat zij verkiezen. Hun rijk is uit!”De bedreiging van gerechtelijke dwangmiddelen klonk vreeselijk in de ooren van den ouden man, die wel wist, dat hij wegens zijn geloof en zijne gehechtheid aan zijn overleden meester verdacht moest zijn. Met angst en beven opende hij een zijpoortje, dat met vele grendels en bouten voorzien was. Hij bad mij ootmoedig, voor zijne getrouwheid in de uitoefening zijner plichten verschooning te mogen vinden. Ik stelde hem gerust door hem te verzekeren, dat zijne voorzichtigheid mij een zeer goeden dunk van hem had ingeboezemd.»Ik denk er anders over!” zeide Andries. »Syddall is een oude schurk. Hij zou er zoo doodsbleek niet uitzien, hij zou zoo niet beven als een schoothondje, als hij niet meer te verantwoorden had, dan hij ons zeggen wil.”»God vergeve het u, Andries!” hernam Syddall, »dat gij zoo over eenoud vriend en kameraad spreekt! Waar zal ik vuur voor u laten aanleggen, mijnheer?” vroeg hij, terwijl hij mij nederig door den gang volgde. »Ik vrees, dat gij ’t in het kasteel al te eenzaam, al te naar zult vinden. Doch gij keert zeker nog heden namiddag naar den heer Inglewood terug om bij hem te eten.”»Leg wat vuur aan in de bibliotheek,” antwoordde ik.»Wat! In de bibliotheek?” riep de oude man. »Daar is sinds lang niemand geweest; daar rookt het. De kraaien hebben zich in het voorjaar in den schoorsteen genesteld, en wij hebben geen jonge lieden in het kasteel, om hunne nesten er uit te halen.”»Zwijg maar. Onze eigen rook is beter dan eens andermans vuur!” viel Andries hem in de rede. »Mijnheer verkiest nu in de boekenkamer te wezen; want hij wil niet, zoo als gij Papisten, in blinde onkunde zijn tijd doorbrengen.”Zeer ongaarne, naar het mij voorkwam, bracht de oude man ons naar de boekenkamer, die, geheel tegen de verwachting, welke zijne woorden bij mij verwekt hadden, zoo als het scheen, eerst onlangs gemakkelijker en bewoonbaarder was ingericht geworden. Op den haard brandde een helder vuurtje, in weerwil van al wat Syddall over den rook gezegd had. Hij nam de tang, om het hout te recht te leggen, of liever, om zijne verlegenheid te verbergen. Hij zeide, dat het thans goed brandde, maar nog dien zelfden morgen verschrikkelijk gerookt had.Ik wenschte alleen te zijn, om mij van de eerste smartelijke gewaarwordingen te herstellen, die alles wat mij omringde, in mij opwekte. Ik beval dusSyddallden rentmeester te halen, die op eenigen afstand van het kasteel woonde. Ongaarne scheen hij zich te verwijderen. Vervolgens gelastte ik Andries, mij een paar sterke knapen op te sporen, op wie hij vertrouwen kon; want de bewoners der omstreken waren meest allen Roomsch-Katholieken, en Rashleigh, wien geene stoute onderneming ooit afschrikte, hield zich in de nabijheid op. Met vreugde nam Andries de uitvoering van dezen last op zich, enverzekerdetevens, dat hij een paar echte Presbyterianen zou brengen, die den Paus, den duivel en den Pretendent het hoofd durfden bieden.—»En mij zal dat gezelschap ook zeer aangenaam zijn,” voegde hij er bij; »want juist in den laatsten nacht, dien ik in dit kasteel doorbracht, zag ik dat beeld daar—hij wees op een levensgroot portret van Diana’s grootvader—in de maneschijn door den tuin wandelen. Ik zeide het u immers, dat een spook mij verschrikt had; maar gij wildet mij niet gelooven. Altijd heb ik gemeend, dat er onder papisten hekserij en duivelskunstenarij bestond, maar dien nacht heb ik het met eigen oogen gezien.”»Ga maar heen; ga maar heen!” viel ik hem in de rede: »haal mij die knapen, maar zie wel toe, dat zij meer gezond verstand hebben dan gij, en niet voor hunne eigen schaduw sidderen.”»Hoor eens mijnheer, men heeft mij altijd voor een verstandig mensch gehouden, zoo goed als de verstandigste van mijne buren. Maar metspoken heb ik nooit gemeenschap gehad!” antwoordde Andries vrij nijdig en ging heen.Op het zelfde oogenblik trad de rentmeester Wardlaid binnen. Ik kende hem als een braaf en knap mensch, zonder wiens behulp mijn oom niet in staat zou zijn geweest, zijne kostbare huishouding zoo lang in orde te houden. Hij onderzocht mijne rechten op het kasteel zeer nauwkeurig, en erkende toen mijn eigendomsrecht zonder bezwaar. De erfenis zou voor elk ander persoon van mijn stand armzalig zijn geweest. Het landgoed was met schulden en hypotheken bezwaard. Mijn vader had ze echter gedeeltelijk afgelost, wat hem bij de rijzing der fondsen niet veel opoffering kostte.De rentmeester, met wien ik vele zaken had te regelen, bleef bij mij eten. Liefst wilde ik in de boekenkamer mijn maaltijd gebruiken, ofschoon Syddall mij daartoe de groote zaal aanbeval, die hij volgens zijne verzekering, in de haast behoorlijk in orde had laten brengen. Intusschen verscheen Andries met zijne recruten, die hij als ordelijke, en bovenal als onversaagde en dappere mannen aanprees. Ik gelastte, dat men hun wat te drinken zou geven, en zond hen toen weg.Syddall volgde de beide knapen onder een bedenkelijk hoofdschudden. Ik wilde de reden weten.»Gij zult mijne woorden niet gelooven,” antwoordde hij—»dat kan ik trouwens niet anders verwachten—maar wat waar is, blijft toch waar. Die eene knaap, Wingfield is door en door eerlijk, maar zijn broeder is een echte valschaard. De gansche omtrek weet, dat hij bij den griffier Jobson voor spion heeft gespeeld, om de heeren, die in de onlusten gewikkeld waren, ongelukkig te maken. Maar hij is Presbyteriaan, en dat alleen is heden ten dage eene voldoende aanbeveling.”Ik was er niet naar gestemd, om veel gewicht te hechten aan deze en dergelijke uitdrukkingen, waarmede de oude man, terwijl hij mij een dienst scheen te willen bewijzen, inderdaad, aan zijne gramstorigheid lucht gaf. Toen hij den wijn op tafel had gezet, ging hij heen. Eerst tegen het vallen van den avond pakte de rentmeester zijne papieren samen, om zich naar huis te begeven. Ik bleef alleen, in die zonderlinge gemoedsgesteldheid, waarin men zelf niet weet, of men gezelschap of eenzaamheid wenscht. Er bleef mij echter geene keus. Ik moest alleen blijven in die kamer, die mij meer dan eenige andere tot zwaarmoedige overdenkingen stemde.Toen de avond begon te vallen, stak Andries het hoofd door de half geopende deur, om te vragen of ik licht wilde hebben, of liever, om het mij als een maatregel van voorzichtigheid tegenover de spoken aan te bevelen. Knorrig wees ik zijn voorstel van de hand, wierp mij in een der groote lederen leunstoelen, die aan weerszijden van den schoorsteen stonden, en staarde droomend op de helder flikkerende vlammen, die ik gevoed had.»Zoo als die vlammen opflikkeren, zoo rijzen verlangens in ons op. En zoo als die vonken dooven, zoo verdwijnen ze weder!” zeide ik tot mij zelven. Gevoed door kleinigheden, aangeblazen door verbeelding,onderhouden door hoop, stijgen ze, tot ze verteren wat zij ontvlamd hebben. O, mensch, met al uwe verwachtingen, al uwe hartstochten en wenschen, tot een ellendigen aschhoop wordt ge ten slotte van binnen!Een diepe zucht uit een ander gedeelte der kamer scheen op mijne overdenkingen te antwoorden. Ik sprong verschrikt op, en—Diana Vernon stond voor mij, op den arm van een man leunende, die op de boven vermelde beeltenis zoo zeer geleek, dat ik onwillekeurig naar de lijst der schilderij zag, alsof ik verwacht had ze ledig te vinden. Was ik plotseling krankzinnig geworden, of waren de dooden uit hun graf opgestaan? Bij den tweeden oogopslag bemerkte ik echter, dat ik zeer goed bij mijn zinnen was, dat levende gedaanten voor mij stonden. Het was Diana zelve, maar bleeker en magerder dan te voren. Naast haar stond geen doode, maar pater Vaughan, of eigenlijk sir Frederik Vernon, in eene kleeding, waarin hij sprekend zijn vader op de schilderij geleek. Hij brak ’t eerst het stilzwijgen af, want Diana keek strak voor zich neer. Ik zelf kon van verbazing geen woord uiten.»Als smeekenden staan wij voor u, mijnheer Osbaldistone!” zeide hij. »Wij zoeken onder uw dak toevlucht en bescherming, tot wij eene reis kunnen vervolgen, waar gevangenis en dood ons bij elken stap bedreigen.”»Zou Diana,” stamelde ik, »zou freule Vernon en gij, mijnheer, dan kunnen gelooven, dat ik vergeten heb, welke deelneming gij mij bewezen hebt, toen ik mij in een aller neteligsten toestand bevond. Meent gij, dat ik in staat zou zijn, iemand te verraden, en nog wel u beiden!”»Ik ben overtuigd van uwe goedheid,” antwoordde Vernon; »en toch vertrouw ik u met angst een geheim toe, dat voor u misschien onaangenaam, ja, hoogst gevaarlijk kan zijn. Ik had het veel liever aan ieder ander persoon geopenbaard. Maar het noodlot, dat mij in zoo vele hachelijke omstandigheden heeft gewikkeld, liet mij geene keuze over.”Op dat oogenblik werd de deur geopend, en liet zich de drukke stem van Andries hooren.—»Ik breng u de kaarsen,” zeide hij; »gij kunt ze aansteken, wanneer ge verkiest.”Ik spoedde mij naar de deur, in de meening hem nog bij tijds te beletten, te zien, wie zich behalve mij in de kamer bevond. Haastig duwde ik hem terug, sloot de deur toe en deed er de grendels op. Maar plotseling herinnerde ik mij, dat zijne beide rekruten nog beneden waren. Andries’ praatzucht kende ik. Ook Syddall’s waarschuwing omtrent een dier knapen viel mij in. Ik volgde hem daarom terstond naar de dienstbodenkamer, waar zij zich bij elkander bevonden. Andries was, toen ik de deur opende, vrij luidruchtig aan het praten, maar mijne plotselinge verschijning bracht hem eensklaps tot zwijgen.»Wat deert u, domkop?” vroeg ik. »Gij ziet er zoo vervaard uit, als of gij een spook hadt gezien.”»Nie—niets,” antwoordde Andries. »Maar u was zoo—zoo driftig, mijnheer!”»Omdat gij mij uit een diepen slaap wektet. Syddall zegt mij, dat hijgeen slaapplaats voor deze menschen heeft, en ik hoor ook, dat het niet noodig is, hen hier te houden. Voor dit geld mogen zij eens op mijne gezondheid gaan drinken en overigens dank ik hen voor hun goeden wil. Gij kunt nu vertrekken, vrienden!”De beide knapen dankten mij voor mijne goedheid, namen het geld aan en gingen heen, zonder eenigen argwaan en weltevreden, ten minste naar het mij toescheen. Ik wachtte tot zij zich verwijderd hadden, zoodat ik overtuigd was, dat zij dien avond met Andries niet weder in gesprek konden komen. Snel was ik den tuinman op den voet gevolgd. Geen twee woorden kon hij dus met hen gesproken hebben, toen ik hem reeds in de rede viel. Doch hoeveel onheil kunnen soms slechts twee woorden stichten: hier kostten ze twee menschen het leven!Toen ik deze maatregelen genomen had—het beste wat mij voor dat oogenblik inviel, om het geheim van Diana en haren vader te beveiligen—keerde ik naar hen terug, om hun van hetgeen door mij gedaan was kennis te geven. Ik voegde er nog bij, dat ik den ouden Syddall gelast had, zoo dikwijls ik riep, zelf te komen. Ik moest wel vermoeden, dat zij alleen met zijn medeweten in het kasteel verborgen waren.Diana sloeg de oogen op en bedankte mij voor mijne voorzichtigheid.—»Gij zijt thans met mijn geheim bekend,” zeide zij. »Gij weet nu ook, hoe na en hoe dierbaar mij deze man is, die hier zoo vaak eene schuilplaats heeft gevonden. Het zal u niet langer verwonderen, dat Rashleigh, sedert hij meester van zulk een geheim was, mij als met eene ijzeren roede beheerschte.”Haar vader viel haar in de rede, en voegde er nog bij, dat zij mij slechts eenige weinige oogenblikken tot last wilden zijn.Ik verzocht de vluchtelingen zich geheel aan mij toe te vertrouwen, en overtuigd te zijn, dat ik alles aanwenden zou, wat in mijn vermogen was, om hun veiligheid te verschaffen. Dit leidde tot eene nadere mededeeling over den toestand, waarin zich Vernon en zijne dochter bevonden.»Ik had steeds verdenking op Rashleigh,” zeide hij. »Maar nu vervult mij zijn gedrag jegens mijne hulpelooze dochter, dat zij mij slechts na mijn lang aandringen bekende, en ook zijne trouweloosheid jegens uw vader, met den innigsten haat en de diepste verachting tegen hem. Bij onze laatste samenkomst, ontveinsde ik hem mijne gezindheid niet. Wat ik trouwens uit voorzichtigheid wel had behooren te doen. Getergd door de minachting waarmede ik hem behandelde, voegde hij bij zijne overige misdaden nog zijn verraad aan de zaak, die hij omhelsd had. Toen hoopte ik, dat dit geene gevolgen van eenig belang zou hebben. De graaf van Mar had in Schotland een dapper leger, en lord Derwentwater, Foster en anderen, brachten op de grenzen krijgsvolk bijeen. Ik had uitgebreide betrekkingen met de Engelsche edellieden. Daarom achtte ik het doelmatig, dat ik bij een korps Hooglanders bleef, onder bevel van Mac-Intosh, dat zich op de grenzen met de Engelschen vereenigde.Mijne dochter vergezelde mij op dien tocht, in weerwil van alle gevaren en ongemakken.»En nimmer zal zij haar dierbaren vader verlaten!” riep Diana uit, terwijl zij zich liefderijk aan zijn arm klemde.»Zoodra wij ons,” vervolgde Vernon, »met onze Engelsche vrienden vereenigd hadden, zag ik, dat het met onze zaak zeer slecht stond. Het getal onzer manschappen verminderde, in plaats van te vermeerderen. Niemand voegde zich bij ons, dan eenige aanhangers van ons geloof. De volgelingen der Stuarts, die tot de bisschoppelijke kerk behoorden, bleven meest allen besluiteloos. Eindelijk werden wij niet verre van Preston door eene macht, waartegen wij niet bestand waren, ingesloten. Gedurende een geheelen dag verdedigden wij ons dapper. Den volgenden dag ontzonk echter onzen bevelhebber de moed, en zij besloten zich over te geven. Had ik mij aan deze voorwaarden onderworpen, dan zou ik mij zelf aan het schavot hebben overgeleverd. Ongeveer dertig edellieden waren van hetzelfde gevoelen. Wij stegen te paard, en namen mijne dochter, die volstrekt mijn lot wilde deelen, in het midden van onzen kleinen hoop. Mijne tochtgenooten waren zoo verrast door den mannelijken moed en door de kinderlijke liefde mijner dochter, dat allen verklaarden liever hun leven te willen wagen, dan haar achter te laten. Wij reden samen door eene lange straat van Preston, naar eene moerassige weide aan de rivier de Ribble, van welke één onzer de doorwaadbare plaats kende. De vijand had deze streek niet sterk bezet, zoodat wij slechts eenige ruiters ontmoetten, die wij op de vlucht dreven. Wij vervolgden toen onzen weg naar Liverpool, waar wij scheidden, ten einde deze hier, gene daar, eene schuilplaats te zoeken. Mijne gelukster bracht mij naar Wallis, waar ik vele geloofsgenooten en staatkundige vrienden had. Ik kon echter geen voldoende veilige gelegenheid vinden om ter zee te ontkomen, en zag mij dus genoodzaakt, weder noordwaarts te trekken. Een beproefd vriend had met mij afgesproken, om mij op deze plaats te ontmoeten, en mij naar eene Schotsche haven te geleiden, waar een schip gereed lag, dat mij voor altijd uit mijn geboorteland zou voeren. Voor het oogenblik zochten wij een toevlucht in dit thans onbewoonde kasteel, waar de oude Syddall, die reeds vroeger onze vertrouweling was geweest, ons eene schuilplaats verleende. Ik koos eene kleeding, waarvan ik mij reeds te voren met goed gevolg bediend had, om den bijgeloovigen landlieden en den dienstboden ontzag in te boezemen. Zoo verwachtten wij van dag tot dag, door Syddall het bericht van aankomst van onzen nieuwen leidsman, toen uwe plotselinge verschijning in dit vertrek ons noodzaakte, uwe deelneming in ons lot af te smeeken.”Zoo eindigde Vernon zijn verhaal, dat mij als een droom voorkwam. Ik kon bijna niet gelooven, dat Diana vóór mij stond.… Ach! hoe was zij bleek en ter nedergeslagen! De moed, waarmede zij alle gevaren getrotseerd had, was thans tot eene kalme, onwrikbare vastberadenheid geworden. Haar vader kon zich niet onthouden, daarover nog een enkel woord te zeggen, ofschoon de indruk, dien zijne loftuitingen opmijn gemoed maakten, hem niet verborgen konden zijn. Het moest zelfs zijne ongerustheid wekken, dat ik haar zoo vol liefde aanzag.»Zij heeft,” zeide hij, »beproevingen ondergaan, die de geschiedenis van eene martelares tot eer zouden strekken. Zij heeft gevaren en dood in allerlei gedaanten met vasten moed onder de oogen gezien. Zij heeft ontberingen geleden, waarvoor de sterkste mannen terugdeinzen; zij heeft den dag in duisternis, den nacht met waken doorgebracht en nooit eenige klacht laten hooren, nooit eenigen zweem van zwakheid of ontmoediging verraden. Met één woord, mijnheer Osbaldistone! Zij verdient, dat ik haar voor altijd wijde aan mijn God,” ging hij zich kruisende voort,—»als het dierbaarste en kostbaarste kleinood, dat mij is overgebleven.”Na deze woorden, welker droevige beteekenis ik maar al te goed begreep, volgde een diep stilzwijgen. Ook thans scheen Diana’s vader zich er op toe te leggen, om mij alle hoop te benemen, juist zoo als hij bij onze vluchtige ontmoeting in Schotland had gedaan.»Laat ons mijnheer Osbaldistone niet langer storen,” zeide hij tot zijne dochter: »hij is toch nu met den ongelukkigen toestand zijner gasten, die hem om zijne bescherming smeeken, genoegzaam bekend.”Ik verzocht hen dringend te blijven, en bood aan, liever zelf de boekenkamer te verlaten. Vernon antwoordde, dat ik daardoor slechts den argwaan van mijn bediende zou opwekken, en dat hunne schuilplaats doorSyddall’szorgvuldigheid van al de noodige geriefelijkheden voorzien was.»Ja, als wij het noodig hadden geacht, zouden wij u hebben kunnen ontwijken en verborgen blijven,” zeide hij, »maar het zou heel onbillijk zijn geweest, indien wij niet met de daad getoond hadden, alle vertrouwen in uwe rechtschapenheid te stellen.”»Uw vertrouwen is niet misplaatst,” hernam ik, »hoewel gij mij niet kent; doch freule Vernon zal gaarne getuigen, dat.…”»Ik behoef haar getuigenis niet,” zeide hij op zeer minzamen toon, doch zichtbaar met de bedoeling om te verhinderen, dat ik mij zelf tot zijne dochter zou wenden.»Ik weet, dat ik slechts goeds van den heer Frans Osbaldistone mag verwachten. Vergun ons, dat wij ons verwijderen. Wij moeten rust zoeken, zoo vaak wij kunnen, daar wij volstrekt niet weten, wanneer wij tot voortzetting onzer gevaarlijke reis zullen geroepen worden.”Dit zeggende legde hij den arm zijner dochter in den zijnen, en met eene diepe buiging verdwenen beiden achter het behangsel.

HOOFDSTUK XXXVIII.De meester is niet meer.Het oud kasteel van Ivol—uitgestorven,Hij wist het wel, het gansch gezin,Tot paard en honden toe,Hen allen had het graf verworven.Wordsworth.

De meester is niet meer.Het oud kasteel van Ivol—uitgestorven,Hij wist het wel, het gansch gezin,Tot paard en honden toe,Hen allen had het graf verworven.Wordsworth.

De meester is niet meer.Het oud kasteel van Ivol—uitgestorven,Hij wist het wel, het gansch gezin,Tot paard en honden toe,Hen allen had het graf verworven.

De meester is niet meer.

Het oud kasteel van Ivol—uitgestorven,

Hij wist het wel, het gansch gezin,

Tot paard en honden toe,

Hen allen had het graf verworven.

Wordsworth.

Hoe vreeselijk veranderd vond ik het kasteel. Hoe geheel verlaten was dat tooneel van vroegere genoegens. In sombere gemoedsstemming zag ik het weder. Op den weg naar het kasteel zag ik dezelfde voorwerpen, welke ik aan Diana’s zijde had aanschouwd op onze gedenkwaardige terugreis van Inglewoods woning. Haar geest scheen mij te vergezellen. Toen ik aan de plek kwam, waar ik haar voor de eerste maal had ontmoet, meende ik bijna het geblaf der honden en de tonen der jachthorens nog te hooren. Ik staarde geruimen tijd op de ledige ruimte, als moest ik de schoone jageres, als eene hemelsche verschijning, nog eens van den heuvel zien afkomen. Maar alles bleef stil, alles was eenzaam. Toen ik het kasteel bereikte, vond ik de deuren en vensters gesloten. Gras groeide tusschen de steenen op de ruime pleinen, waar ik zoo vaak zulk een druk gewoel had gezien, als de vroolijke jagers ’s morgens uitgingen of ’s avonds huiswaarts keerden. Het blijde geblaf der ontkoppelde honden, het gejuich der jagers, de hoefslag der paarden, het luide lachen van den ouden ridder aan het hoofd zijner talrijke stamhouders—dit alles was voor altijd verstomd!Diep geroerd zag ik in deze akelige eenzaamheid rond. Ik was aangedaan, zelfs bij de herinnering aan hen, die volstrekt geen aanspraak op mijne toegenegenheid hadden. Maar de gedachte, dat zoo vele kloeke jongelingen in den bloei van het leven en in krachtige gezondheid binnen zulk een korten tijd allen door een geweldigen onverwachten dood weggerukt waren, stelde mij een beeld der sterfelijkheid voor oogen, dat mij van schrik deed beven. Voor mij was het een zwakke troost, dat ik als eigenaar van het kasteel terugkeerde, hetwelk ik bijna als vluchteling verlaten had. Mijn toestand was voor mij nog zoo nieuw,dat ik mij in zekeren zin als een onwettigen bezitter, als een indringenden vreemdeling beschouwde. Nauwelijks kon ik mij van het denkbeeld ontdoen, dat eenige van de krachtige gestalten mijner overleden neven aan de poort van het kasteel verschijnen en mij den toegang betwisten zouden.Terwijl ik mij in deze treurige overdenkingen verdiepte, was mijn geleider Andries, met geheel andere gedachten bezield, reeds begonnen met aan al de deuren te kloppen, begeerende binnengelaten te worden. Ja, hij gaf dit op een toon te kennen, die duidelijk genoeg verried, dat hij ten minste zijn nieuw verkregen waardigheid, als schildknaap des nieuwen burgheers goed besefte. Eindelijk liet Syddall, mijns ooms oude hofmeester, zich zien. Schuw keek hij door een dicht getralied venster van de eerste verdieping, terwijl hij luid vroeg, wat wij begeerden.»Dag oude vriend! wij komen u aflossen,” zeide Andries. »Geef maar gauw de sleutels over. Ik zal het zilverwerk en tafelgoed van u overnemen. Gij hebt lang genoeg den boel beheerd, mijnheer Syddall. Ieder zijn beurt. Nu zult gij toch ook eens aan het benedeneinde der tafel zitten waar Andries zoo lang gezeten heeft.”Niet zonder moeite bracht ik de voorbarigheid van mijn geleider binnen betamelijke perken terug. Ik verklaarde den ouden dienaar op welk recht ik mijn aanspraak grondde, om in het kasteel als in mijn eigendom binnengelaten te worden. Syddall scheen onthutst en verlegen. Ja, hij liet vrij duidelijk zijn onwil blijken, om mij toegang te verleenen, ofschoon hij op deemoedigen en onderdanigen toon sprak. Ik gebruikte toegevendheid tegenover die opwelling van natuurlijk gevoel, die den ouden man tot eer strekte. Ik drong echter ernstig bij hem aan om binnengelaten te worden, en verklaarde, dat zijne weigering mij noodzaken zou, gerechtelijke hulp in te roepen.»Hoor eens oude, wij komen juist van den vrederechter Inglewood!” voegde Andries er bij, om mijn bedreiging nog meer kracht bij te zetten. »Er wordt weer recht en gerechtigheid in het land gehandhaafd. Oproermakers en Papisten mogen niet meer doen wat zij verkiezen. Hun rijk is uit!”De bedreiging van gerechtelijke dwangmiddelen klonk vreeselijk in de ooren van den ouden man, die wel wist, dat hij wegens zijn geloof en zijne gehechtheid aan zijn overleden meester verdacht moest zijn. Met angst en beven opende hij een zijpoortje, dat met vele grendels en bouten voorzien was. Hij bad mij ootmoedig, voor zijne getrouwheid in de uitoefening zijner plichten verschooning te mogen vinden. Ik stelde hem gerust door hem te verzekeren, dat zijne voorzichtigheid mij een zeer goeden dunk van hem had ingeboezemd.»Ik denk er anders over!” zeide Andries. »Syddall is een oude schurk. Hij zou er zoo doodsbleek niet uitzien, hij zou zoo niet beven als een schoothondje, als hij niet meer te verantwoorden had, dan hij ons zeggen wil.”»God vergeve het u, Andries!” hernam Syddall, »dat gij zoo over eenoud vriend en kameraad spreekt! Waar zal ik vuur voor u laten aanleggen, mijnheer?” vroeg hij, terwijl hij mij nederig door den gang volgde. »Ik vrees, dat gij ’t in het kasteel al te eenzaam, al te naar zult vinden. Doch gij keert zeker nog heden namiddag naar den heer Inglewood terug om bij hem te eten.”»Leg wat vuur aan in de bibliotheek,” antwoordde ik.»Wat! In de bibliotheek?” riep de oude man. »Daar is sinds lang niemand geweest; daar rookt het. De kraaien hebben zich in het voorjaar in den schoorsteen genesteld, en wij hebben geen jonge lieden in het kasteel, om hunne nesten er uit te halen.”»Zwijg maar. Onze eigen rook is beter dan eens andermans vuur!” viel Andries hem in de rede. »Mijnheer verkiest nu in de boekenkamer te wezen; want hij wil niet, zoo als gij Papisten, in blinde onkunde zijn tijd doorbrengen.”Zeer ongaarne, naar het mij voorkwam, bracht de oude man ons naar de boekenkamer, die, geheel tegen de verwachting, welke zijne woorden bij mij verwekt hadden, zoo als het scheen, eerst onlangs gemakkelijker en bewoonbaarder was ingericht geworden. Op den haard brandde een helder vuurtje, in weerwil van al wat Syddall over den rook gezegd had. Hij nam de tang, om het hout te recht te leggen, of liever, om zijne verlegenheid te verbergen. Hij zeide, dat het thans goed brandde, maar nog dien zelfden morgen verschrikkelijk gerookt had.Ik wenschte alleen te zijn, om mij van de eerste smartelijke gewaarwordingen te herstellen, die alles wat mij omringde, in mij opwekte. Ik beval dusSyddallden rentmeester te halen, die op eenigen afstand van het kasteel woonde. Ongaarne scheen hij zich te verwijderen. Vervolgens gelastte ik Andries, mij een paar sterke knapen op te sporen, op wie hij vertrouwen kon; want de bewoners der omstreken waren meest allen Roomsch-Katholieken, en Rashleigh, wien geene stoute onderneming ooit afschrikte, hield zich in de nabijheid op. Met vreugde nam Andries de uitvoering van dezen last op zich, enverzekerdetevens, dat hij een paar echte Presbyterianen zou brengen, die den Paus, den duivel en den Pretendent het hoofd durfden bieden.—»En mij zal dat gezelschap ook zeer aangenaam zijn,” voegde hij er bij; »want juist in den laatsten nacht, dien ik in dit kasteel doorbracht, zag ik dat beeld daar—hij wees op een levensgroot portret van Diana’s grootvader—in de maneschijn door den tuin wandelen. Ik zeide het u immers, dat een spook mij verschrikt had; maar gij wildet mij niet gelooven. Altijd heb ik gemeend, dat er onder papisten hekserij en duivelskunstenarij bestond, maar dien nacht heb ik het met eigen oogen gezien.”»Ga maar heen; ga maar heen!” viel ik hem in de rede: »haal mij die knapen, maar zie wel toe, dat zij meer gezond verstand hebben dan gij, en niet voor hunne eigen schaduw sidderen.”»Hoor eens mijnheer, men heeft mij altijd voor een verstandig mensch gehouden, zoo goed als de verstandigste van mijne buren. Maar metspoken heb ik nooit gemeenschap gehad!” antwoordde Andries vrij nijdig en ging heen.Op het zelfde oogenblik trad de rentmeester Wardlaid binnen. Ik kende hem als een braaf en knap mensch, zonder wiens behulp mijn oom niet in staat zou zijn geweest, zijne kostbare huishouding zoo lang in orde te houden. Hij onderzocht mijne rechten op het kasteel zeer nauwkeurig, en erkende toen mijn eigendomsrecht zonder bezwaar. De erfenis zou voor elk ander persoon van mijn stand armzalig zijn geweest. Het landgoed was met schulden en hypotheken bezwaard. Mijn vader had ze echter gedeeltelijk afgelost, wat hem bij de rijzing der fondsen niet veel opoffering kostte.De rentmeester, met wien ik vele zaken had te regelen, bleef bij mij eten. Liefst wilde ik in de boekenkamer mijn maaltijd gebruiken, ofschoon Syddall mij daartoe de groote zaal aanbeval, die hij volgens zijne verzekering, in de haast behoorlijk in orde had laten brengen. Intusschen verscheen Andries met zijne recruten, die hij als ordelijke, en bovenal als onversaagde en dappere mannen aanprees. Ik gelastte, dat men hun wat te drinken zou geven, en zond hen toen weg.Syddall volgde de beide knapen onder een bedenkelijk hoofdschudden. Ik wilde de reden weten.»Gij zult mijne woorden niet gelooven,” antwoordde hij—»dat kan ik trouwens niet anders verwachten—maar wat waar is, blijft toch waar. Die eene knaap, Wingfield is door en door eerlijk, maar zijn broeder is een echte valschaard. De gansche omtrek weet, dat hij bij den griffier Jobson voor spion heeft gespeeld, om de heeren, die in de onlusten gewikkeld waren, ongelukkig te maken. Maar hij is Presbyteriaan, en dat alleen is heden ten dage eene voldoende aanbeveling.”Ik was er niet naar gestemd, om veel gewicht te hechten aan deze en dergelijke uitdrukkingen, waarmede de oude man, terwijl hij mij een dienst scheen te willen bewijzen, inderdaad, aan zijne gramstorigheid lucht gaf. Toen hij den wijn op tafel had gezet, ging hij heen. Eerst tegen het vallen van den avond pakte de rentmeester zijne papieren samen, om zich naar huis te begeven. Ik bleef alleen, in die zonderlinge gemoedsgesteldheid, waarin men zelf niet weet, of men gezelschap of eenzaamheid wenscht. Er bleef mij echter geene keus. Ik moest alleen blijven in die kamer, die mij meer dan eenige andere tot zwaarmoedige overdenkingen stemde.Toen de avond begon te vallen, stak Andries het hoofd door de half geopende deur, om te vragen of ik licht wilde hebben, of liever, om het mij als een maatregel van voorzichtigheid tegenover de spoken aan te bevelen. Knorrig wees ik zijn voorstel van de hand, wierp mij in een der groote lederen leunstoelen, die aan weerszijden van den schoorsteen stonden, en staarde droomend op de helder flikkerende vlammen, die ik gevoed had.»Zoo als die vlammen opflikkeren, zoo rijzen verlangens in ons op. En zoo als die vonken dooven, zoo verdwijnen ze weder!” zeide ik tot mij zelven. Gevoed door kleinigheden, aangeblazen door verbeelding,onderhouden door hoop, stijgen ze, tot ze verteren wat zij ontvlamd hebben. O, mensch, met al uwe verwachtingen, al uwe hartstochten en wenschen, tot een ellendigen aschhoop wordt ge ten slotte van binnen!Een diepe zucht uit een ander gedeelte der kamer scheen op mijne overdenkingen te antwoorden. Ik sprong verschrikt op, en—Diana Vernon stond voor mij, op den arm van een man leunende, die op de boven vermelde beeltenis zoo zeer geleek, dat ik onwillekeurig naar de lijst der schilderij zag, alsof ik verwacht had ze ledig te vinden. Was ik plotseling krankzinnig geworden, of waren de dooden uit hun graf opgestaan? Bij den tweeden oogopslag bemerkte ik echter, dat ik zeer goed bij mijn zinnen was, dat levende gedaanten voor mij stonden. Het was Diana zelve, maar bleeker en magerder dan te voren. Naast haar stond geen doode, maar pater Vaughan, of eigenlijk sir Frederik Vernon, in eene kleeding, waarin hij sprekend zijn vader op de schilderij geleek. Hij brak ’t eerst het stilzwijgen af, want Diana keek strak voor zich neer. Ik zelf kon van verbazing geen woord uiten.»Als smeekenden staan wij voor u, mijnheer Osbaldistone!” zeide hij. »Wij zoeken onder uw dak toevlucht en bescherming, tot wij eene reis kunnen vervolgen, waar gevangenis en dood ons bij elken stap bedreigen.”»Zou Diana,” stamelde ik, »zou freule Vernon en gij, mijnheer, dan kunnen gelooven, dat ik vergeten heb, welke deelneming gij mij bewezen hebt, toen ik mij in een aller neteligsten toestand bevond. Meent gij, dat ik in staat zou zijn, iemand te verraden, en nog wel u beiden!”»Ik ben overtuigd van uwe goedheid,” antwoordde Vernon; »en toch vertrouw ik u met angst een geheim toe, dat voor u misschien onaangenaam, ja, hoogst gevaarlijk kan zijn. Ik had het veel liever aan ieder ander persoon geopenbaard. Maar het noodlot, dat mij in zoo vele hachelijke omstandigheden heeft gewikkeld, liet mij geene keuze over.”Op dat oogenblik werd de deur geopend, en liet zich de drukke stem van Andries hooren.—»Ik breng u de kaarsen,” zeide hij; »gij kunt ze aansteken, wanneer ge verkiest.”Ik spoedde mij naar de deur, in de meening hem nog bij tijds te beletten, te zien, wie zich behalve mij in de kamer bevond. Haastig duwde ik hem terug, sloot de deur toe en deed er de grendels op. Maar plotseling herinnerde ik mij, dat zijne beide rekruten nog beneden waren. Andries’ praatzucht kende ik. Ook Syddall’s waarschuwing omtrent een dier knapen viel mij in. Ik volgde hem daarom terstond naar de dienstbodenkamer, waar zij zich bij elkander bevonden. Andries was, toen ik de deur opende, vrij luidruchtig aan het praten, maar mijne plotselinge verschijning bracht hem eensklaps tot zwijgen.»Wat deert u, domkop?” vroeg ik. »Gij ziet er zoo vervaard uit, als of gij een spook hadt gezien.”»Nie—niets,” antwoordde Andries. »Maar u was zoo—zoo driftig, mijnheer!”»Omdat gij mij uit een diepen slaap wektet. Syddall zegt mij, dat hijgeen slaapplaats voor deze menschen heeft, en ik hoor ook, dat het niet noodig is, hen hier te houden. Voor dit geld mogen zij eens op mijne gezondheid gaan drinken en overigens dank ik hen voor hun goeden wil. Gij kunt nu vertrekken, vrienden!”De beide knapen dankten mij voor mijne goedheid, namen het geld aan en gingen heen, zonder eenigen argwaan en weltevreden, ten minste naar het mij toescheen. Ik wachtte tot zij zich verwijderd hadden, zoodat ik overtuigd was, dat zij dien avond met Andries niet weder in gesprek konden komen. Snel was ik den tuinman op den voet gevolgd. Geen twee woorden kon hij dus met hen gesproken hebben, toen ik hem reeds in de rede viel. Doch hoeveel onheil kunnen soms slechts twee woorden stichten: hier kostten ze twee menschen het leven!Toen ik deze maatregelen genomen had—het beste wat mij voor dat oogenblik inviel, om het geheim van Diana en haren vader te beveiligen—keerde ik naar hen terug, om hun van hetgeen door mij gedaan was kennis te geven. Ik voegde er nog bij, dat ik den ouden Syddall gelast had, zoo dikwijls ik riep, zelf te komen. Ik moest wel vermoeden, dat zij alleen met zijn medeweten in het kasteel verborgen waren.Diana sloeg de oogen op en bedankte mij voor mijne voorzichtigheid.—»Gij zijt thans met mijn geheim bekend,” zeide zij. »Gij weet nu ook, hoe na en hoe dierbaar mij deze man is, die hier zoo vaak eene schuilplaats heeft gevonden. Het zal u niet langer verwonderen, dat Rashleigh, sedert hij meester van zulk een geheim was, mij als met eene ijzeren roede beheerschte.”Haar vader viel haar in de rede, en voegde er nog bij, dat zij mij slechts eenige weinige oogenblikken tot last wilden zijn.Ik verzocht de vluchtelingen zich geheel aan mij toe te vertrouwen, en overtuigd te zijn, dat ik alles aanwenden zou, wat in mijn vermogen was, om hun veiligheid te verschaffen. Dit leidde tot eene nadere mededeeling over den toestand, waarin zich Vernon en zijne dochter bevonden.»Ik had steeds verdenking op Rashleigh,” zeide hij. »Maar nu vervult mij zijn gedrag jegens mijne hulpelooze dochter, dat zij mij slechts na mijn lang aandringen bekende, en ook zijne trouweloosheid jegens uw vader, met den innigsten haat en de diepste verachting tegen hem. Bij onze laatste samenkomst, ontveinsde ik hem mijne gezindheid niet. Wat ik trouwens uit voorzichtigheid wel had behooren te doen. Getergd door de minachting waarmede ik hem behandelde, voegde hij bij zijne overige misdaden nog zijn verraad aan de zaak, die hij omhelsd had. Toen hoopte ik, dat dit geene gevolgen van eenig belang zou hebben. De graaf van Mar had in Schotland een dapper leger, en lord Derwentwater, Foster en anderen, brachten op de grenzen krijgsvolk bijeen. Ik had uitgebreide betrekkingen met de Engelsche edellieden. Daarom achtte ik het doelmatig, dat ik bij een korps Hooglanders bleef, onder bevel van Mac-Intosh, dat zich op de grenzen met de Engelschen vereenigde.Mijne dochter vergezelde mij op dien tocht, in weerwil van alle gevaren en ongemakken.»En nimmer zal zij haar dierbaren vader verlaten!” riep Diana uit, terwijl zij zich liefderijk aan zijn arm klemde.»Zoodra wij ons,” vervolgde Vernon, »met onze Engelsche vrienden vereenigd hadden, zag ik, dat het met onze zaak zeer slecht stond. Het getal onzer manschappen verminderde, in plaats van te vermeerderen. Niemand voegde zich bij ons, dan eenige aanhangers van ons geloof. De volgelingen der Stuarts, die tot de bisschoppelijke kerk behoorden, bleven meest allen besluiteloos. Eindelijk werden wij niet verre van Preston door eene macht, waartegen wij niet bestand waren, ingesloten. Gedurende een geheelen dag verdedigden wij ons dapper. Den volgenden dag ontzonk echter onzen bevelhebber de moed, en zij besloten zich over te geven. Had ik mij aan deze voorwaarden onderworpen, dan zou ik mij zelf aan het schavot hebben overgeleverd. Ongeveer dertig edellieden waren van hetzelfde gevoelen. Wij stegen te paard, en namen mijne dochter, die volstrekt mijn lot wilde deelen, in het midden van onzen kleinen hoop. Mijne tochtgenooten waren zoo verrast door den mannelijken moed en door de kinderlijke liefde mijner dochter, dat allen verklaarden liever hun leven te willen wagen, dan haar achter te laten. Wij reden samen door eene lange straat van Preston, naar eene moerassige weide aan de rivier de Ribble, van welke één onzer de doorwaadbare plaats kende. De vijand had deze streek niet sterk bezet, zoodat wij slechts eenige ruiters ontmoetten, die wij op de vlucht dreven. Wij vervolgden toen onzen weg naar Liverpool, waar wij scheidden, ten einde deze hier, gene daar, eene schuilplaats te zoeken. Mijne gelukster bracht mij naar Wallis, waar ik vele geloofsgenooten en staatkundige vrienden had. Ik kon echter geen voldoende veilige gelegenheid vinden om ter zee te ontkomen, en zag mij dus genoodzaakt, weder noordwaarts te trekken. Een beproefd vriend had met mij afgesproken, om mij op deze plaats te ontmoeten, en mij naar eene Schotsche haven te geleiden, waar een schip gereed lag, dat mij voor altijd uit mijn geboorteland zou voeren. Voor het oogenblik zochten wij een toevlucht in dit thans onbewoonde kasteel, waar de oude Syddall, die reeds vroeger onze vertrouweling was geweest, ons eene schuilplaats verleende. Ik koos eene kleeding, waarvan ik mij reeds te voren met goed gevolg bediend had, om den bijgeloovigen landlieden en den dienstboden ontzag in te boezemen. Zoo verwachtten wij van dag tot dag, door Syddall het bericht van aankomst van onzen nieuwen leidsman, toen uwe plotselinge verschijning in dit vertrek ons noodzaakte, uwe deelneming in ons lot af te smeeken.”Zoo eindigde Vernon zijn verhaal, dat mij als een droom voorkwam. Ik kon bijna niet gelooven, dat Diana vóór mij stond.… Ach! hoe was zij bleek en ter nedergeslagen! De moed, waarmede zij alle gevaren getrotseerd had, was thans tot eene kalme, onwrikbare vastberadenheid geworden. Haar vader kon zich niet onthouden, daarover nog een enkel woord te zeggen, ofschoon de indruk, dien zijne loftuitingen opmijn gemoed maakten, hem niet verborgen konden zijn. Het moest zelfs zijne ongerustheid wekken, dat ik haar zoo vol liefde aanzag.»Zij heeft,” zeide hij, »beproevingen ondergaan, die de geschiedenis van eene martelares tot eer zouden strekken. Zij heeft gevaren en dood in allerlei gedaanten met vasten moed onder de oogen gezien. Zij heeft ontberingen geleden, waarvoor de sterkste mannen terugdeinzen; zij heeft den dag in duisternis, den nacht met waken doorgebracht en nooit eenige klacht laten hooren, nooit eenigen zweem van zwakheid of ontmoediging verraden. Met één woord, mijnheer Osbaldistone! Zij verdient, dat ik haar voor altijd wijde aan mijn God,” ging hij zich kruisende voort,—»als het dierbaarste en kostbaarste kleinood, dat mij is overgebleven.”Na deze woorden, welker droevige beteekenis ik maar al te goed begreep, volgde een diep stilzwijgen. Ook thans scheen Diana’s vader zich er op toe te leggen, om mij alle hoop te benemen, juist zoo als hij bij onze vluchtige ontmoeting in Schotland had gedaan.»Laat ons mijnheer Osbaldistone niet langer storen,” zeide hij tot zijne dochter: »hij is toch nu met den ongelukkigen toestand zijner gasten, die hem om zijne bescherming smeeken, genoegzaam bekend.”Ik verzocht hen dringend te blijven, en bood aan, liever zelf de boekenkamer te verlaten. Vernon antwoordde, dat ik daardoor slechts den argwaan van mijn bediende zou opwekken, en dat hunne schuilplaats doorSyddall’szorgvuldigheid van al de noodige geriefelijkheden voorzien was.»Ja, als wij het noodig hadden geacht, zouden wij u hebben kunnen ontwijken en verborgen blijven,” zeide hij, »maar het zou heel onbillijk zijn geweest, indien wij niet met de daad getoond hadden, alle vertrouwen in uwe rechtschapenheid te stellen.”»Uw vertrouwen is niet misplaatst,” hernam ik, »hoewel gij mij niet kent; doch freule Vernon zal gaarne getuigen, dat.…”»Ik behoef haar getuigenis niet,” zeide hij op zeer minzamen toon, doch zichtbaar met de bedoeling om te verhinderen, dat ik mij zelf tot zijne dochter zou wenden.»Ik weet, dat ik slechts goeds van den heer Frans Osbaldistone mag verwachten. Vergun ons, dat wij ons verwijderen. Wij moeten rust zoeken, zoo vaak wij kunnen, daar wij volstrekt niet weten, wanneer wij tot voortzetting onzer gevaarlijke reis zullen geroepen worden.”Dit zeggende legde hij den arm zijner dochter in den zijnen, en met eene diepe buiging verdwenen beiden achter het behangsel.

Hoe vreeselijk veranderd vond ik het kasteel. Hoe geheel verlaten was dat tooneel van vroegere genoegens. In sombere gemoedsstemming zag ik het weder. Op den weg naar het kasteel zag ik dezelfde voorwerpen, welke ik aan Diana’s zijde had aanschouwd op onze gedenkwaardige terugreis van Inglewoods woning. Haar geest scheen mij te vergezellen. Toen ik aan de plek kwam, waar ik haar voor de eerste maal had ontmoet, meende ik bijna het geblaf der honden en de tonen der jachthorens nog te hooren. Ik staarde geruimen tijd op de ledige ruimte, als moest ik de schoone jageres, als eene hemelsche verschijning, nog eens van den heuvel zien afkomen. Maar alles bleef stil, alles was eenzaam. Toen ik het kasteel bereikte, vond ik de deuren en vensters gesloten. Gras groeide tusschen de steenen op de ruime pleinen, waar ik zoo vaak zulk een druk gewoel had gezien, als de vroolijke jagers ’s morgens uitgingen of ’s avonds huiswaarts keerden. Het blijde geblaf der ontkoppelde honden, het gejuich der jagers, de hoefslag der paarden, het luide lachen van den ouden ridder aan het hoofd zijner talrijke stamhouders—dit alles was voor altijd verstomd!

Diep geroerd zag ik in deze akelige eenzaamheid rond. Ik was aangedaan, zelfs bij de herinnering aan hen, die volstrekt geen aanspraak op mijne toegenegenheid hadden. Maar de gedachte, dat zoo vele kloeke jongelingen in den bloei van het leven en in krachtige gezondheid binnen zulk een korten tijd allen door een geweldigen onverwachten dood weggerukt waren, stelde mij een beeld der sterfelijkheid voor oogen, dat mij van schrik deed beven. Voor mij was het een zwakke troost, dat ik als eigenaar van het kasteel terugkeerde, hetwelk ik bijna als vluchteling verlaten had. Mijn toestand was voor mij nog zoo nieuw,dat ik mij in zekeren zin als een onwettigen bezitter, als een indringenden vreemdeling beschouwde. Nauwelijks kon ik mij van het denkbeeld ontdoen, dat eenige van de krachtige gestalten mijner overleden neven aan de poort van het kasteel verschijnen en mij den toegang betwisten zouden.

Terwijl ik mij in deze treurige overdenkingen verdiepte, was mijn geleider Andries, met geheel andere gedachten bezield, reeds begonnen met aan al de deuren te kloppen, begeerende binnengelaten te worden. Ja, hij gaf dit op een toon te kennen, die duidelijk genoeg verried, dat hij ten minste zijn nieuw verkregen waardigheid, als schildknaap des nieuwen burgheers goed besefte. Eindelijk liet Syddall, mijns ooms oude hofmeester, zich zien. Schuw keek hij door een dicht getralied venster van de eerste verdieping, terwijl hij luid vroeg, wat wij begeerden.

»Dag oude vriend! wij komen u aflossen,” zeide Andries. »Geef maar gauw de sleutels over. Ik zal het zilverwerk en tafelgoed van u overnemen. Gij hebt lang genoeg den boel beheerd, mijnheer Syddall. Ieder zijn beurt. Nu zult gij toch ook eens aan het benedeneinde der tafel zitten waar Andries zoo lang gezeten heeft.”

Niet zonder moeite bracht ik de voorbarigheid van mijn geleider binnen betamelijke perken terug. Ik verklaarde den ouden dienaar op welk recht ik mijn aanspraak grondde, om in het kasteel als in mijn eigendom binnengelaten te worden. Syddall scheen onthutst en verlegen. Ja, hij liet vrij duidelijk zijn onwil blijken, om mij toegang te verleenen, ofschoon hij op deemoedigen en onderdanigen toon sprak. Ik gebruikte toegevendheid tegenover die opwelling van natuurlijk gevoel, die den ouden man tot eer strekte. Ik drong echter ernstig bij hem aan om binnengelaten te worden, en verklaarde, dat zijne weigering mij noodzaken zou, gerechtelijke hulp in te roepen.

»Hoor eens oude, wij komen juist van den vrederechter Inglewood!” voegde Andries er bij, om mijn bedreiging nog meer kracht bij te zetten. »Er wordt weer recht en gerechtigheid in het land gehandhaafd. Oproermakers en Papisten mogen niet meer doen wat zij verkiezen. Hun rijk is uit!”

De bedreiging van gerechtelijke dwangmiddelen klonk vreeselijk in de ooren van den ouden man, die wel wist, dat hij wegens zijn geloof en zijne gehechtheid aan zijn overleden meester verdacht moest zijn. Met angst en beven opende hij een zijpoortje, dat met vele grendels en bouten voorzien was. Hij bad mij ootmoedig, voor zijne getrouwheid in de uitoefening zijner plichten verschooning te mogen vinden. Ik stelde hem gerust door hem te verzekeren, dat zijne voorzichtigheid mij een zeer goeden dunk van hem had ingeboezemd.

»Ik denk er anders over!” zeide Andries. »Syddall is een oude schurk. Hij zou er zoo doodsbleek niet uitzien, hij zou zoo niet beven als een schoothondje, als hij niet meer te verantwoorden had, dan hij ons zeggen wil.”

»God vergeve het u, Andries!” hernam Syddall, »dat gij zoo over eenoud vriend en kameraad spreekt! Waar zal ik vuur voor u laten aanleggen, mijnheer?” vroeg hij, terwijl hij mij nederig door den gang volgde. »Ik vrees, dat gij ’t in het kasteel al te eenzaam, al te naar zult vinden. Doch gij keert zeker nog heden namiddag naar den heer Inglewood terug om bij hem te eten.”

»Leg wat vuur aan in de bibliotheek,” antwoordde ik.

»Wat! In de bibliotheek?” riep de oude man. »Daar is sinds lang niemand geweest; daar rookt het. De kraaien hebben zich in het voorjaar in den schoorsteen genesteld, en wij hebben geen jonge lieden in het kasteel, om hunne nesten er uit te halen.”

»Zwijg maar. Onze eigen rook is beter dan eens andermans vuur!” viel Andries hem in de rede. »Mijnheer verkiest nu in de boekenkamer te wezen; want hij wil niet, zoo als gij Papisten, in blinde onkunde zijn tijd doorbrengen.”

Zeer ongaarne, naar het mij voorkwam, bracht de oude man ons naar de boekenkamer, die, geheel tegen de verwachting, welke zijne woorden bij mij verwekt hadden, zoo als het scheen, eerst onlangs gemakkelijker en bewoonbaarder was ingericht geworden. Op den haard brandde een helder vuurtje, in weerwil van al wat Syddall over den rook gezegd had. Hij nam de tang, om het hout te recht te leggen, of liever, om zijne verlegenheid te verbergen. Hij zeide, dat het thans goed brandde, maar nog dien zelfden morgen verschrikkelijk gerookt had.

Ik wenschte alleen te zijn, om mij van de eerste smartelijke gewaarwordingen te herstellen, die alles wat mij omringde, in mij opwekte. Ik beval dusSyddallden rentmeester te halen, die op eenigen afstand van het kasteel woonde. Ongaarne scheen hij zich te verwijderen. Vervolgens gelastte ik Andries, mij een paar sterke knapen op te sporen, op wie hij vertrouwen kon; want de bewoners der omstreken waren meest allen Roomsch-Katholieken, en Rashleigh, wien geene stoute onderneming ooit afschrikte, hield zich in de nabijheid op. Met vreugde nam Andries de uitvoering van dezen last op zich, enverzekerdetevens, dat hij een paar echte Presbyterianen zou brengen, die den Paus, den duivel en den Pretendent het hoofd durfden bieden.—»En mij zal dat gezelschap ook zeer aangenaam zijn,” voegde hij er bij; »want juist in den laatsten nacht, dien ik in dit kasteel doorbracht, zag ik dat beeld daar—hij wees op een levensgroot portret van Diana’s grootvader—in de maneschijn door den tuin wandelen. Ik zeide het u immers, dat een spook mij verschrikt had; maar gij wildet mij niet gelooven. Altijd heb ik gemeend, dat er onder papisten hekserij en duivelskunstenarij bestond, maar dien nacht heb ik het met eigen oogen gezien.”

»Ga maar heen; ga maar heen!” viel ik hem in de rede: »haal mij die knapen, maar zie wel toe, dat zij meer gezond verstand hebben dan gij, en niet voor hunne eigen schaduw sidderen.”

»Hoor eens mijnheer, men heeft mij altijd voor een verstandig mensch gehouden, zoo goed als de verstandigste van mijne buren. Maar metspoken heb ik nooit gemeenschap gehad!” antwoordde Andries vrij nijdig en ging heen.

Op het zelfde oogenblik trad de rentmeester Wardlaid binnen. Ik kende hem als een braaf en knap mensch, zonder wiens behulp mijn oom niet in staat zou zijn geweest, zijne kostbare huishouding zoo lang in orde te houden. Hij onderzocht mijne rechten op het kasteel zeer nauwkeurig, en erkende toen mijn eigendomsrecht zonder bezwaar. De erfenis zou voor elk ander persoon van mijn stand armzalig zijn geweest. Het landgoed was met schulden en hypotheken bezwaard. Mijn vader had ze echter gedeeltelijk afgelost, wat hem bij de rijzing der fondsen niet veel opoffering kostte.

De rentmeester, met wien ik vele zaken had te regelen, bleef bij mij eten. Liefst wilde ik in de boekenkamer mijn maaltijd gebruiken, ofschoon Syddall mij daartoe de groote zaal aanbeval, die hij volgens zijne verzekering, in de haast behoorlijk in orde had laten brengen. Intusschen verscheen Andries met zijne recruten, die hij als ordelijke, en bovenal als onversaagde en dappere mannen aanprees. Ik gelastte, dat men hun wat te drinken zou geven, en zond hen toen weg.

Syddall volgde de beide knapen onder een bedenkelijk hoofdschudden. Ik wilde de reden weten.

»Gij zult mijne woorden niet gelooven,” antwoordde hij—»dat kan ik trouwens niet anders verwachten—maar wat waar is, blijft toch waar. Die eene knaap, Wingfield is door en door eerlijk, maar zijn broeder is een echte valschaard. De gansche omtrek weet, dat hij bij den griffier Jobson voor spion heeft gespeeld, om de heeren, die in de onlusten gewikkeld waren, ongelukkig te maken. Maar hij is Presbyteriaan, en dat alleen is heden ten dage eene voldoende aanbeveling.”

Ik was er niet naar gestemd, om veel gewicht te hechten aan deze en dergelijke uitdrukkingen, waarmede de oude man, terwijl hij mij een dienst scheen te willen bewijzen, inderdaad, aan zijne gramstorigheid lucht gaf. Toen hij den wijn op tafel had gezet, ging hij heen. Eerst tegen het vallen van den avond pakte de rentmeester zijne papieren samen, om zich naar huis te begeven. Ik bleef alleen, in die zonderlinge gemoedsgesteldheid, waarin men zelf niet weet, of men gezelschap of eenzaamheid wenscht. Er bleef mij echter geene keus. Ik moest alleen blijven in die kamer, die mij meer dan eenige andere tot zwaarmoedige overdenkingen stemde.

Toen de avond begon te vallen, stak Andries het hoofd door de half geopende deur, om te vragen of ik licht wilde hebben, of liever, om het mij als een maatregel van voorzichtigheid tegenover de spoken aan te bevelen. Knorrig wees ik zijn voorstel van de hand, wierp mij in een der groote lederen leunstoelen, die aan weerszijden van den schoorsteen stonden, en staarde droomend op de helder flikkerende vlammen, die ik gevoed had.

»Zoo als die vlammen opflikkeren, zoo rijzen verlangens in ons op. En zoo als die vonken dooven, zoo verdwijnen ze weder!” zeide ik tot mij zelven. Gevoed door kleinigheden, aangeblazen door verbeelding,onderhouden door hoop, stijgen ze, tot ze verteren wat zij ontvlamd hebben. O, mensch, met al uwe verwachtingen, al uwe hartstochten en wenschen, tot een ellendigen aschhoop wordt ge ten slotte van binnen!

Een diepe zucht uit een ander gedeelte der kamer scheen op mijne overdenkingen te antwoorden. Ik sprong verschrikt op, en—Diana Vernon stond voor mij, op den arm van een man leunende, die op de boven vermelde beeltenis zoo zeer geleek, dat ik onwillekeurig naar de lijst der schilderij zag, alsof ik verwacht had ze ledig te vinden. Was ik plotseling krankzinnig geworden, of waren de dooden uit hun graf opgestaan? Bij den tweeden oogopslag bemerkte ik echter, dat ik zeer goed bij mijn zinnen was, dat levende gedaanten voor mij stonden. Het was Diana zelve, maar bleeker en magerder dan te voren. Naast haar stond geen doode, maar pater Vaughan, of eigenlijk sir Frederik Vernon, in eene kleeding, waarin hij sprekend zijn vader op de schilderij geleek. Hij brak ’t eerst het stilzwijgen af, want Diana keek strak voor zich neer. Ik zelf kon van verbazing geen woord uiten.

»Als smeekenden staan wij voor u, mijnheer Osbaldistone!” zeide hij. »Wij zoeken onder uw dak toevlucht en bescherming, tot wij eene reis kunnen vervolgen, waar gevangenis en dood ons bij elken stap bedreigen.”

»Zou Diana,” stamelde ik, »zou freule Vernon en gij, mijnheer, dan kunnen gelooven, dat ik vergeten heb, welke deelneming gij mij bewezen hebt, toen ik mij in een aller neteligsten toestand bevond. Meent gij, dat ik in staat zou zijn, iemand te verraden, en nog wel u beiden!”

»Ik ben overtuigd van uwe goedheid,” antwoordde Vernon; »en toch vertrouw ik u met angst een geheim toe, dat voor u misschien onaangenaam, ja, hoogst gevaarlijk kan zijn. Ik had het veel liever aan ieder ander persoon geopenbaard. Maar het noodlot, dat mij in zoo vele hachelijke omstandigheden heeft gewikkeld, liet mij geene keuze over.”

Op dat oogenblik werd de deur geopend, en liet zich de drukke stem van Andries hooren.—»Ik breng u de kaarsen,” zeide hij; »gij kunt ze aansteken, wanneer ge verkiest.”

Ik spoedde mij naar de deur, in de meening hem nog bij tijds te beletten, te zien, wie zich behalve mij in de kamer bevond. Haastig duwde ik hem terug, sloot de deur toe en deed er de grendels op. Maar plotseling herinnerde ik mij, dat zijne beide rekruten nog beneden waren. Andries’ praatzucht kende ik. Ook Syddall’s waarschuwing omtrent een dier knapen viel mij in. Ik volgde hem daarom terstond naar de dienstbodenkamer, waar zij zich bij elkander bevonden. Andries was, toen ik de deur opende, vrij luidruchtig aan het praten, maar mijne plotselinge verschijning bracht hem eensklaps tot zwijgen.

»Wat deert u, domkop?” vroeg ik. »Gij ziet er zoo vervaard uit, als of gij een spook hadt gezien.”

»Nie—niets,” antwoordde Andries. »Maar u was zoo—zoo driftig, mijnheer!”

»Omdat gij mij uit een diepen slaap wektet. Syddall zegt mij, dat hijgeen slaapplaats voor deze menschen heeft, en ik hoor ook, dat het niet noodig is, hen hier te houden. Voor dit geld mogen zij eens op mijne gezondheid gaan drinken en overigens dank ik hen voor hun goeden wil. Gij kunt nu vertrekken, vrienden!”

De beide knapen dankten mij voor mijne goedheid, namen het geld aan en gingen heen, zonder eenigen argwaan en weltevreden, ten minste naar het mij toescheen. Ik wachtte tot zij zich verwijderd hadden, zoodat ik overtuigd was, dat zij dien avond met Andries niet weder in gesprek konden komen. Snel was ik den tuinman op den voet gevolgd. Geen twee woorden kon hij dus met hen gesproken hebben, toen ik hem reeds in de rede viel. Doch hoeveel onheil kunnen soms slechts twee woorden stichten: hier kostten ze twee menschen het leven!

Toen ik deze maatregelen genomen had—het beste wat mij voor dat oogenblik inviel, om het geheim van Diana en haren vader te beveiligen—keerde ik naar hen terug, om hun van hetgeen door mij gedaan was kennis te geven. Ik voegde er nog bij, dat ik den ouden Syddall gelast had, zoo dikwijls ik riep, zelf te komen. Ik moest wel vermoeden, dat zij alleen met zijn medeweten in het kasteel verborgen waren.

Diana sloeg de oogen op en bedankte mij voor mijne voorzichtigheid.—»Gij zijt thans met mijn geheim bekend,” zeide zij. »Gij weet nu ook, hoe na en hoe dierbaar mij deze man is, die hier zoo vaak eene schuilplaats heeft gevonden. Het zal u niet langer verwonderen, dat Rashleigh, sedert hij meester van zulk een geheim was, mij als met eene ijzeren roede beheerschte.”

Haar vader viel haar in de rede, en voegde er nog bij, dat zij mij slechts eenige weinige oogenblikken tot last wilden zijn.

Ik verzocht de vluchtelingen zich geheel aan mij toe te vertrouwen, en overtuigd te zijn, dat ik alles aanwenden zou, wat in mijn vermogen was, om hun veiligheid te verschaffen. Dit leidde tot eene nadere mededeeling over den toestand, waarin zich Vernon en zijne dochter bevonden.

»Ik had steeds verdenking op Rashleigh,” zeide hij. »Maar nu vervult mij zijn gedrag jegens mijne hulpelooze dochter, dat zij mij slechts na mijn lang aandringen bekende, en ook zijne trouweloosheid jegens uw vader, met den innigsten haat en de diepste verachting tegen hem. Bij onze laatste samenkomst, ontveinsde ik hem mijne gezindheid niet. Wat ik trouwens uit voorzichtigheid wel had behooren te doen. Getergd door de minachting waarmede ik hem behandelde, voegde hij bij zijne overige misdaden nog zijn verraad aan de zaak, die hij omhelsd had. Toen hoopte ik, dat dit geene gevolgen van eenig belang zou hebben. De graaf van Mar had in Schotland een dapper leger, en lord Derwentwater, Foster en anderen, brachten op de grenzen krijgsvolk bijeen. Ik had uitgebreide betrekkingen met de Engelsche edellieden. Daarom achtte ik het doelmatig, dat ik bij een korps Hooglanders bleef, onder bevel van Mac-Intosh, dat zich op de grenzen met de Engelschen vereenigde.Mijne dochter vergezelde mij op dien tocht, in weerwil van alle gevaren en ongemakken.

»En nimmer zal zij haar dierbaren vader verlaten!” riep Diana uit, terwijl zij zich liefderijk aan zijn arm klemde.

»Zoodra wij ons,” vervolgde Vernon, »met onze Engelsche vrienden vereenigd hadden, zag ik, dat het met onze zaak zeer slecht stond. Het getal onzer manschappen verminderde, in plaats van te vermeerderen. Niemand voegde zich bij ons, dan eenige aanhangers van ons geloof. De volgelingen der Stuarts, die tot de bisschoppelijke kerk behoorden, bleven meest allen besluiteloos. Eindelijk werden wij niet verre van Preston door eene macht, waartegen wij niet bestand waren, ingesloten. Gedurende een geheelen dag verdedigden wij ons dapper. Den volgenden dag ontzonk echter onzen bevelhebber de moed, en zij besloten zich over te geven. Had ik mij aan deze voorwaarden onderworpen, dan zou ik mij zelf aan het schavot hebben overgeleverd. Ongeveer dertig edellieden waren van hetzelfde gevoelen. Wij stegen te paard, en namen mijne dochter, die volstrekt mijn lot wilde deelen, in het midden van onzen kleinen hoop. Mijne tochtgenooten waren zoo verrast door den mannelijken moed en door de kinderlijke liefde mijner dochter, dat allen verklaarden liever hun leven te willen wagen, dan haar achter te laten. Wij reden samen door eene lange straat van Preston, naar eene moerassige weide aan de rivier de Ribble, van welke één onzer de doorwaadbare plaats kende. De vijand had deze streek niet sterk bezet, zoodat wij slechts eenige ruiters ontmoetten, die wij op de vlucht dreven. Wij vervolgden toen onzen weg naar Liverpool, waar wij scheidden, ten einde deze hier, gene daar, eene schuilplaats te zoeken. Mijne gelukster bracht mij naar Wallis, waar ik vele geloofsgenooten en staatkundige vrienden had. Ik kon echter geen voldoende veilige gelegenheid vinden om ter zee te ontkomen, en zag mij dus genoodzaakt, weder noordwaarts te trekken. Een beproefd vriend had met mij afgesproken, om mij op deze plaats te ontmoeten, en mij naar eene Schotsche haven te geleiden, waar een schip gereed lag, dat mij voor altijd uit mijn geboorteland zou voeren. Voor het oogenblik zochten wij een toevlucht in dit thans onbewoonde kasteel, waar de oude Syddall, die reeds vroeger onze vertrouweling was geweest, ons eene schuilplaats verleende. Ik koos eene kleeding, waarvan ik mij reeds te voren met goed gevolg bediend had, om den bijgeloovigen landlieden en den dienstboden ontzag in te boezemen. Zoo verwachtten wij van dag tot dag, door Syddall het bericht van aankomst van onzen nieuwen leidsman, toen uwe plotselinge verschijning in dit vertrek ons noodzaakte, uwe deelneming in ons lot af te smeeken.”

Zoo eindigde Vernon zijn verhaal, dat mij als een droom voorkwam. Ik kon bijna niet gelooven, dat Diana vóór mij stond.… Ach! hoe was zij bleek en ter nedergeslagen! De moed, waarmede zij alle gevaren getrotseerd had, was thans tot eene kalme, onwrikbare vastberadenheid geworden. Haar vader kon zich niet onthouden, daarover nog een enkel woord te zeggen, ofschoon de indruk, dien zijne loftuitingen opmijn gemoed maakten, hem niet verborgen konden zijn. Het moest zelfs zijne ongerustheid wekken, dat ik haar zoo vol liefde aanzag.

»Zij heeft,” zeide hij, »beproevingen ondergaan, die de geschiedenis van eene martelares tot eer zouden strekken. Zij heeft gevaren en dood in allerlei gedaanten met vasten moed onder de oogen gezien. Zij heeft ontberingen geleden, waarvoor de sterkste mannen terugdeinzen; zij heeft den dag in duisternis, den nacht met waken doorgebracht en nooit eenige klacht laten hooren, nooit eenigen zweem van zwakheid of ontmoediging verraden. Met één woord, mijnheer Osbaldistone! Zij verdient, dat ik haar voor altijd wijde aan mijn God,” ging hij zich kruisende voort,—»als het dierbaarste en kostbaarste kleinood, dat mij is overgebleven.”

Na deze woorden, welker droevige beteekenis ik maar al te goed begreep, volgde een diep stilzwijgen. Ook thans scheen Diana’s vader zich er op toe te leggen, om mij alle hoop te benemen, juist zoo als hij bij onze vluchtige ontmoeting in Schotland had gedaan.

»Laat ons mijnheer Osbaldistone niet langer storen,” zeide hij tot zijne dochter: »hij is toch nu met den ongelukkigen toestand zijner gasten, die hem om zijne bescherming smeeken, genoegzaam bekend.”

Ik verzocht hen dringend te blijven, en bood aan, liever zelf de boekenkamer te verlaten. Vernon antwoordde, dat ik daardoor slechts den argwaan van mijn bediende zou opwekken, en dat hunne schuilplaats doorSyddall’szorgvuldigheid van al de noodige geriefelijkheden voorzien was.

»Ja, als wij het noodig hadden geacht, zouden wij u hebben kunnen ontwijken en verborgen blijven,” zeide hij, »maar het zou heel onbillijk zijn geweest, indien wij niet met de daad getoond hadden, alle vertrouwen in uwe rechtschapenheid te stellen.”

»Uw vertrouwen is niet misplaatst,” hernam ik, »hoewel gij mij niet kent; doch freule Vernon zal gaarne getuigen, dat.…”

»Ik behoef haar getuigenis niet,” zeide hij op zeer minzamen toon, doch zichtbaar met de bedoeling om te verhinderen, dat ik mij zelf tot zijne dochter zou wenden.»Ik weet, dat ik slechts goeds van den heer Frans Osbaldistone mag verwachten. Vergun ons, dat wij ons verwijderen. Wij moeten rust zoeken, zoo vaak wij kunnen, daar wij volstrekt niet weten, wanneer wij tot voortzetting onzer gevaarlijke reis zullen geroepen worden.”

Dit zeggende legde hij den arm zijner dochter in den zijnen, en met eene diepe buiging verdwenen beiden achter het behangsel.


Back to IndexNext