“Burgers van de Vereenigde Staten, ik heet Robur!” (bladz. 29).“Burgers van de Vereenigde Staten, ik heet Robur!” (bladz.29).Bij de derde eindelijk, had hij een gevaarlijken val gedaan vaneene hoogte van vijftienhonderd meter, waarbij hij slechts eene ontwrichting van den rechterpols opliep, terwijl Pilâtre de Rosier,minder gelukkig, bij een val van eene hoogte van slechts zevenhonderd voeten, op de plaats dood bleef.Weldon-Institute had, zooals de lezer wel reeds zal gegist hebben, de zaken dus bij het begin van deze geschiedenis kranig aangepakt. In de Turner-werkplaatsen te Philadelphia kon reeds een luchtballon van langwerpigen vorm opgemerkt worden, welks stevigheid nog beproefd moest worden door samengeperste lucht onder eene groote drukking er in te brengen.Waarlijk, dat gevaarte verdiende ten volle den naam van monsterballon!En, inderdaad, hoeveel inhoud meette deGérantvan Nadar? Slechts zesduizend kubieke meters.Hoeveel inhoud meette de luchtballon van John Wise? Slechts twintigduizend kubieke meters.Hoeveel meette de ballon van Henri Giffard, die op de wereldtentoonstelling van 1878 prijkte? Slechts vijf en twintigduizend kubieke meters bij een straal van achttien meters.Vergelijk nu eens die drie luchtballons met het gevaarte van Weldon-Institute, welks inhoud veertigduizend kubieke meters bedroeg; dan zal ten volle begrepen worden, dat Uncle Prudent en zijne medeleden wel eenigermate het recht hadden, evenals hun ballon opgeblazen van hoogmoed en trots te zijn.Die luchtballon was niet bestemd, om nasporingen in de hoogste luchtlagen van den dampkring te bewerkstelligen. Hij werd ook nietExcelsiorgedoopt, eene qualificatie, die maar al te zeer bij de burgers van Noord-Amerika gebruikelijk is. Neen! hij werd eenvoudigGo aheadgenoemd, hetgeen “Vooruit” beteekend. Dat gevaarte bleef dus niets anders over, dan onder de leiding van zijn gezagvoerder dien naam te rechtvaardigen.Men was toen op dat tijdstip reeds zoo ver gevorderd, dat het dynamo-electrische werktuig, hetwelk volgens eene uitvinding, waarvoor het octrooi door Weldon-Institute aangekocht was, vervaardigd werd, bijna geheel klaar was. Het was dus te voorzien, dat deGo aheadbinnen zes weken zijn tocht door de hemelruimte zou kunnen beginnen.De lezers evenwel hebben reeds kunnen bemerken, dat alle moeielijkheden op het gebied van werktuigkunde niet opgelost waren. Zeer veel zittingen van Weldon-Institute waren gewijd, niet aan de bespreking van den vorm of van de afmetingen der schroef, maar aan het vraagstuk, waar die schroef geplaatst zoude worden, achter aan het toestel, zooals de gebroeders Tissandier gedaan hadden, of aan het voorgedeelte van het toestel, zooals de kapiteins Krebs en Renard te werk waren gegaan.Het zal onnoodig zijn er bij te zeggen, dat bij die discussie, de aanhangers der beide systemen slaags geraakt waren. De groep van hen, die de aanhechting der schroef aan het voorgedeelte voorstonden, was in getal aan de andere partij gelijk. Nu had Uncle Prudent, wiens stem in geval van staking beslissend had moeten wezen, zich als een echte leerling van de school van Buredon van stemming onthouden, omdat het voor en het tegen bij hem juist in evenwicht in zijn brein om den voorrang streden.Er bestond dus totale onmogelijkheid, om tot overeenstemming te geraken en derhalve totale onmogelijkheid, om de schroef op hare plaats te brengen. Dat zou zeer lang kunnen duren, wanneer namelijk het gouvernement niet tusschenbeiden trad. Maar men weet het, in de Vereenigde Staten van Noord-Amerika bemoeit zich het gouvernement zoo min mogelijk met de particuliere zaken der ingezetenen en heeft er een afschuw van zich te mengen in zaken, die het niet aangaan. En daarin heeft dat Amerikaansche gouvernement groot gelijk en onderscheidt het zich zeer gunstig van anderen, welke die gedragslijn niet volgen.Zoo was de stand van zaken, en de zitting van den 13denJuni dreigde geen einde te zullen nemen, of wel zij scheen een gruwelijk einde te zullen hebben. Want er werden beleedigingen geuit, die met vuistslagen beantwoord werden. Op die vuistslagen volgden stokslagen en op die stokslagen revolverschoten, toen, juist terwijl de klok acht uren en zeven en dertig minuten aanwees, eene afleiding wel te stade kwam.De portier van Weldon-Institute naderde koelbloedig en bedaard, als een politie-agent te midden van de stormachtige tooneelen eener democratische meeting, de tafel van den voorzitter. Hij reikte dezen een visitekaartje over en wachtte onverstoorbaar kalm de bevelen, welke Uncle Prudent hem geven zou.De voorzitter liet de stoomtrompet weerklinken, die dienst als voorzitters-hamer of voorzitters-bel moest doen. Want bij dergelijke vergadering zou de klok van het Moskouer Kremlin niet voldoende hare stem hebben kunnen laten hooren! Maar in weerwil van dat stoomgehuil, ging het spektakel voort, ja vermeerderde zelfs.Toen nam de voorzitter den hoed van het hoofd, waarop, dank zij dit laatste redmiddel, eene gedeeltelijke stilte intrad. Het was waarlijk tijd ook.“Eene mededeeling!” riep Uncle Prudent, terwijl hij een kolossalen greep deed in zijne snuifdoos, die hem nimmer verliet. “Eene mededeeling, leden van Weldon-Institute!”“Spreek! Spreek!” riepen negen en negentig stemmen uit, die bij toeval omtrent dit punt eenstemmig dachten.“Een vreemdeling, waarde collega’s, wenscht in de zaal onzer vergaderingen toegelaten te worden.”“Nooit!” riepen een groot aantal stemmen, die ook op dit punt eensgezind dachten.“Nooit!” riepen de anderen met niet minder geweld.Zoo iets was nog nooit geschied, dat al de leden van Weldon-Institute in eenig punt volmaakt overeenstemden.“Hij stelt voor ons te bewijzen,” ging Uncle Prudent voort, “dat de meening omtrent de bestuurbaarheid der luchtballons het meest domme en belachelijke droombeeld is, wat in het brein van een sterveling kan opkomen.”Een dreigend gebrom was het antwoord op die stoutmoedige verklaring.“Laat hem binnenkomen?.... Laat hem binnenkomen!”“Ja, laat hem binnenkomen!”Ook op dit punt heerschte de meest mogelijke eenstemmigheid, hoewel een oogenblik te voren met de meeste eenparigheid het: “nooit! nooit!” als protest tegen de toelating door de zaal gedonderd had. De meening der menigte kan nimmer als rotsvast aangemerkt worden.“Hoe heet die zonderling?” vroeg de heer Phil Evans, secretaris van Weldon-Institute.“Robur,” antwoordde Uncle Prudent met duidelijk verstaanbare stem.“Hoe?” vroegen een aantal leden, die meenden niet goed verstaan te hebben.“Robur,” herhaalde de voorzitter met nog duidelijker stem, als dit mogelijk geweest was.“Robur!.... Robur!.... Robur!” huilden een aantal stemmen met de hoogst mogelijke opgewondenheid.“Robur!.... Robur!.... Robur!....” herhaalden de anderen niet minder onstuimig en woest.Dat de eenstemmigheid bij het hooren van dien naam zoo eensklaps ingetreden was, kwam daarvandaan alleen, dat geheel Weldon-Institute hoopte haren wrevel te kunnen koelen op hem, die dien naam droeg.En inderdaad, die wrevel was ten toppunt gevoerd en kon vergeleken worden met een boordevollen beker, die door een enkelen droppel tot overloopen genoopt zoude worden.De storm was dus voor een oogenblik bedaard—in schijn althans.Wij zeggen in schijn, omdat een storm bij een volk, dat twee of drie stormen per maand, in den vorm van windvlagen naar Europa zendt, zoo maar niet in eens tot kalmte te brengen is.III.Waarin een nieuwe figuur ten tooneele verschijnt, die den lezer niet behoeft voorgesteld te worden, om de eenvoudige reden, dat hij zich zelven voorstelt.“Burgers van de Vereenigde Staten van Noord-Amerika, ik heet Robur, dat wil zeggen: Kracht. Ik ben dien naam volkomen waardig. Ik ben veertig jaren oud, hoewel ik er uitzie, alsof ik er slechts dertig ware. Mijne gezondheid is volmaakt en tegen iederen stoot bestand. Ik bezit eene buitengewoon groote spierkracht en een maag, die zelfs bij het struisvogelengeslacht onder een der besten gerekend zoude kunnen worden.“Ziedaar, wat het lichamelijk gedeelte van mijn persoon aangaat! Ik kan nu verder gaan.”Men luisterde naar hem. Ja, zeker! De levenmakers van straks waren aanvankelijk uit het veld geslagen, door het onverwachte van die toespraakpro facie suâ, die zeer veel van eene lofuiting op zich zelf had.Was die man een krankzinnige, of eenvoudig een grappenmaker? Wie kan dat beantwoorden?Hoe het ook zij, die krankzinnige of die grappenmaker maakte indruk en verstond de kunst om de ooren in beslag te nemen. Geen zucht, geen geritsel werd meer in die vergadering vernomen, waarin weinige minuten vroeger een ware orkaan van hartstochten huilde. Dat was waarlijk de kalmte na den storm.Daarenboven merkte men wel op, dat Robur de man was, zooals hij zichzelven beschreef. Hij was van middelbare gestalte, maar zoo regelmatig en evenredig gevormd, dat zijn geheele persoon eene geometrische figuur mocht heeten, bij voorbeeld een regelmatig trapezium, waarvan de grootste der evenwijdige zijden, door de lijn der schouders gevormd werd. Op die lijn verhief zich een kolossaal groot spheroïdaal hoofd, dat met een breeden stevigen nek op die schouders geplant scheen. Met welk dierenhoofd zou dat menschenhoofd gelijk te stelling zijn geweest, om aan de theorie van de hartstochtsvergelijking eenigermate tegemoet te komen? Aan dat van een stier. Goed, maar dan toch van een stier met een verstandig uiterlijk. Dat hoofd bezat oogen, die bij den minsten weerstand, bij de geringste teleurstelling vuur schoten, en meer dan dat. Die oogen waren overwelfd door een paar wenkbrauwen, welke, voortdurend in beweging, aan den blik eene uitermate groote scherpte verleenden en dus van ontembaregeestkracht getuigden. Dat hoofd was bedekt met korte haren, die eenigszins gekroesd waren en eene soort metaalglans bezaten, zooals een priktol, van ijzerdraad vervaardigd, zoude vertoonen. Een breede borst ging met de machtige beweging van een smids-blaasbalg onder dat hoofd op en neer. De armen, de handen, de heupen, de beenen, de voeten, dat alles was in volkomen evenredigheid met dat hoofd en die borstkas.De man droeg geen knevels en geen bakkebaarden, maar daarentegen een welgevulden kinbaard, zooals de Amerikaansche zeelieden gewoonlijk dragen. Daardoor waren de gewrichten van de kakebeenen waarneembaar, welker kauwspieren eene onmetelijke kracht moesten bezitten. Men heeft berekend,—wat berekent men toch al niet?—dat de drukking, door de bovenkaak tegen de onderkaak van een gewonen krokodil veroorzaakt, gelijkstaat met eene drukking van vier honderd atmosferen. Die van een grooten jachthond staat gelijk met honderd atmosferen. Daaruit heeft men de zonderlinge formule afgeleid, dat wanneer een kilogram hondskracht acht kilogrammen kauwspierkracht ontwikkelt, een kilogram krokodrillenkracht minstens twaalf kilogrammen kauwspierkracht zou vertegenwoordigen.Welnu, onze Robur zou volgens die formule minstens tien kilogrammen kauwspierkracht kunnen ontwikkelen.Zij stond dus zoo wat tusschen den jachthond en den krokodil.Waar kwam die merkwaardige type vandaan? Dat was moeielijk te zeggen.Zooveel is zeker, dat hij zich vlug en vloeiend in het Engelsch uitdrukte, zonder dien sleependen tongval te verraden, die de Yankees van Nieuw-Engeland algemeen kenmerkt.Na zijne lichamelijke persoonsbeschrijving vervolgde hij aldus:“Ik kan nu overgaan tot de zedelijke beschrijving van mijn persoon, niet waar, eerwaarde burgers? Welnu, gij ziet thans voor u een werktuigkundige, wiens zedelijke waarde niet beneden de lichamelijke staat. Ik ben bang voor niets en voor niemand. Ik heb eene wilskracht, die nog voor geen andere ter wereld gebogen of ondergedaan heeft. Als ik mij een doel gesteld heb, dan kan geheel Amerika, dan kan de geheele wereld, zelfs als zij een bondgenootschap met elkander aangingen, mij niet beletten het te bereiken. Als ik een denkbeeld heb, dan verg ik, dat men het deele en kan volstrekt geene tegenspraak dulden. Ik leg nadruk op die omstandigheden, eerwaarde burgers, omdat ik vind, dat het noodzakelijk is, dat gij mij geheel en al kent. Misschien vindt gij, dat ik een weinig te veel over mij zelf spreek? Daarin kunt gij gelijk hebben, maar uwe meening daaromtrent kan mij niet schelen. En nu, denkt goed na, alvorens mijne toespraak te onderbreken; want ik waarschuwu, dat ik u zaken te vertellen heb, die waarlijk niet geschikt zijn, om u te behagen.”Een geluid als van eene branding werd vernomen, hetwelk zich langs de banken der vergadering verspreidde. Dat was een onfeilbaar teeken, dat die menschenzee weldra stormachtig zou worden.“Spreek, eerwaarde vreemdeling,” vergenoegde zich Uncle Prudent, te zeggen, terwijl hij de meeste moeite had om bedaard te blijven. “Spreek; wij luisteren.”En Robur ging voort met spreken in denzelfden trant, als hij gedaan had, zonder zich verder om zijne toehoorders te bekommeren.“Jawel, ik weet het! Na eene geheele eeuw doorgebracht te hebben met proefnemingen, die tot niets geleid hebben, met pogingen, die zonder uitslag bleven, bestaan er nog slechts in evenwicht verkeerende breinen, die koppig genoeg zijn, om aan de mogelijke bestuurbaarheid der luchtballons te blijven gelooven. Zij verbeelden zich, dat de een of andere voortstuwende kracht door de electriciteit of door iets anders voortgebracht, op hunne toestellen, die veel op kussensloopen gelijken, en die zooveel vat aan de atmosferische stroomingen verleenen, zoude kunnen worden toegepast. Zij verbeelden zich, dat er een tijd komen zal, dat men een luchtballon in den dampkring evenzeer in zijne macht zal kunnen hebben, als een vaartuig op de oppervlakte der zee. En waarom verbeelden zij zich dat?“Omdat eenige uitvinders er in geslaagd zijn bij kalm weer, hetzij laveerende, hetzij bij zeer zachte bries, tegen den wind in vooruit te komen.“En uit die zeer onvolledige proefnemingen maakt men nu als onomstootbaar vaststaande op, dat de bestuurbaarheid van luchtvaarttoestellen, die lichter dan de lucht zijn, onder alle omstandigheden mogelijk zou zijn! Zijn dat geen redeneeringen van krankzinnigen?“Ja, ik stel u die vraag in allen ernst, aan u, een honderdtal ongeveer hier bijeen, die aan de verwezenlijking dier droomen gelooft, aan u, die bezig zijt, duizenden en nog eens duizenden dollars niet in het water, maar in de lucht weg te werpen. Welnu, in weerwil van uw aantal, zeg ik u, dat dit het onmogelijke willen is!”Waarlijk, het moest als eene overgroote zeldzaamheid, ja schier als een wonder beschouwd worden, dat de leden van Weldon-Institute, bij het hooren van die stoutmoedige bewering, geen vin verroerden. Waren zij dan niet alleen geduldig, maar ook doof geworden?Of namen zij eene afwachtende houding aan, om te zien, hoe ver die roekelooze tegenspreker gaan zou?Robur vervolgde evenwel, in stembuiging en in houding van de meest mogelijke vastberadenheid getuigende:“Wat?.... Een luchtballon!.... ik vraag het u, hoe komt het in iemands brein op? Wanneer een kubieke meter gas noodig is, om een kilogram op te voeren!.... Wat?.... een luchtballon zou met behulp van zijne machines weerstand aan den wind kunnen bieden, wanneer de drukking van eene marszeilskoelte, uitgeoefend op het zeil van een schip, niet minder mag berekend worden dan op eene krachtsontwikkeling van vier honderd paarden; wanneer men den ramp met de Tay-brug gebeurd, nagaat, waarbij de orkaan een krachtdruk van vier honderd veertig kilogrammen op den vierkanten meter uitoefende! Wat?.... een luchtballon!.... wanneer men het onder de oogen heeft, dat de natuur geen enkel vliegend wezen naar dat systeem vervaardigd heeft.... zij het ook al met vleugels, als de vogels, of met vliesachtige vinnen of vlerken, zooals sommige visschen of sommige zoogdieren, bedeeld zijn....”“Zoogdieren?....” riep een der clubleden uit.“Ja, zoogdieren,” antwoordde Robur. “Ik geloof u toch niets nieuws te vertellen, dat de vleermuis vliegt. Of weet mijn onderbreker niet, dat dit vliegend dier een zoogdier is? Of heeft hij ooit een pannekoek van vleermuizeneieren gegeten?”Die onderbreker had er dadelijk genoeg van. Hij staakte althans voorloopig zijne tegenwerpingen, en Robur kon daarna met dezelfde opgewondenheid voortgaan:“Die nu uit het voorafgaande zou willen afleiden, dat ik van meening zoude zijn, dat de mensch er van af zoude moeten zien, om het luchtgebied te veroveren, ten einde door dat bewonderenswaardig vervoermiddel de zedelijke en staatkundige omstandigheden van de beschaafde wereld geheel en al te wijzigen, zou het deerlijk mis hebben. Neen, ik ben van meening, dat de mensch moet heerschen! En zoowel als hij de zee beheerscht met zijne vaartuigen, hetzij die door roeiriem, door zeiltuig, door raderen of door schroeven voortbewogen worden, zoo zal hij ook de dampkringsruimte beheerschen door toestellen, die zwaarder dan de lucht zijn. Want alleen de zwaarderen zullen sterker dan de lucht wezen!”Ditmaal was er geen houden meer aan. Hoe de kreten te beschrijven, die ontsnapten aan al de kelen, aan al die monden, die op Robur gericht waren als zooveel geweerloopen, of als zooveel kanonmondingen? Hadden zij daar niet eene oorlogsverklaring vernomen, die als het ware in het kamp der ballonisten gesmeten werd? Was dat niet de strijd, die tusschen “lichter dan de lucht” en “zwaarder dan de lucht” aangebonden werd?In dit oogenblik knalden vier of vijf schoten. Bladz. 40.In dit oogenblik knalden vier of vijf schoten. Bladz.40.Robur knipoogde zelfs niet. Hij stond daar met de armen over de borst gekruist en wachtte stoutmoedig af, dat weer stilte zoude ingetreden zijn.Uncle Prudent maakte een gebaar, waardoor hij aan het rollend vuur van hartstochtelijke uitroepingen een einde maakte. Een zoodanige onderworpenheid was op zich zelve reeds eene buitengewone gebeurtenis in Weldon-Institute.“Ja,” hernam Robur met de meest mogelijke luchthartigheid. “Ja, de toekomst behoort aan de vlieg-machines. De lucht, als men haar maar weet te gebruiken, biedt een stevig steunpunt aan. Dat men slechts aan een kolom van die ijle vloeistof eene stijgende beweging wete mee te deelen van vijf en veertig meters in de seconde, dan zal een man zich op het bovenvlak van die kolom kunnen handhaven, wanneer de afmeting der oppervlakte zijner schoenzolen slechts een achtste gedeelte van een vierkanten meter bedraagt. En wanneer de snelheid van beweging dier kolom op negentig meters gebracht wordt, dan kan een man blootsvoets er op blijven.”“Ho! ho!” riepen eenige stemmen ongeduldig uit. “Dat is inderdaad te sterk!”“Wanneer men nu,” ging Robur onverstoorbaar voort, “eene luchtmassa door middel van de bladen eener schroef met die snelheid kan voortdrijven, dan zou men tot denzelfden uitslag geraken.”Wat Robur daar verkondigde, was reeds vóór hem door al de voorstanders van het vliegen als een vogel verkondigd geworden. En de proefnemingen, door die mannen langzaam maar zeker verricht, zullen ongetwijfeld tot oplossing van het vraagstuk voeren. Eer aan de heeren de Ponton d’Amécourt, de la Landelle, Nadar, de Lazy, de Louvrié, Liais, Béléguie, Moreau, aan de gebroeders Richard, aan Babinet, Jobert, du Temple, Salives, Penaud, de Villeneuve, Gauchot en Tatin, Michel Loup, Edison, Planavergne en aan zooveel anderen, die deze zoo eenvoudige meeningen verkondigd hebben! Die meeningen, herhaaldelijk nu eens verlaten dan weer hervat, moesten op een gegeven oogenblik zegevieren. Aan de tegenstanders van de vogelvlucht, die beweerden, dat de vogel zich slechts in de dampkringslagen handhaaft, omdat hij de lucht verwarmt, waarmede hij zich opblaast, bleven de voorstanders het antwoord niet schuldig. Hadden deze laatsten niet afdoend bewezen, dat een arend, die vijf kilogrammen weegt, volgens dat stelsel met vijftig kubieke meters verwarmde lucht gevuld zou moeten zijn, om slechts zwevende in de dampkringslagen te kunnen blijven? Dat toonde Robur, hoewel een helsch leven zich allerwege verhief, met een niet te weerspreken logica aan.En, ziehier, welke eindconclusie hij die ballonisten naar het hoofd wierp.“Met uwe luchtballons kunt ge niets uitvoeren, zult gij tot geen resultaat geraken; ja, ik ga verder, gij zult er niets mee durvenondernemen! De stoutmoedigste uwer luchtschippers, John, die namelijk, hoewel hij reeds een afstand van twaalf duizend mijlen door de lucht, maar boven het Amerikaansche werelddeel had afgelegd, moest van zijn voornemen afzien, om den Atlantischen Oceaan over te steken. En sedert dien tijd is men geen pas, neen, geen enkelen pas op dien weg vooruitgekomen.”“Mijnheer,” zei toen de voorzitter van Weldon-Institute, die te vergeefs alle pogingen aanwendde om kalm te blijven, “gij vergeet wat onze onsterfelijke Franklin gezegd heeft, toen de eerste montgolfière verscheen, die de geboorte van den hedendaagschen ballon voorafging: ‘het is slechts een kind, maar het zal groeien.’ En ziet het kind is gegroeid.”“Mis president, mis! Het kind is niet gegroeid!... Het is slechts in dikte toegenomen.... En, gij zult moeten bekennen, dat dit niet hetzelfde is!”Dat was een rechtstreeksche aanval op de zoo dierbare plannen van geheel Weldon-Institute, welker leden besloten hadden, na langdurige en heftige beraadslagingen, een monster-ballon te doen vervaardigen en daartoe de noodige gelden beschikbaar hadden gesteld. De opgewondenheid steeg dan ook ten top en het was waarlijk niet te verwonderen, dat kreten, verwenschingen en voorstellen als de ondervolgende zich kruisten en allerwege gehoord werden:“Weg met dien indringeling!”“Weg met dien zotskop!”“Werp hem van het spreekgestoelte!”“Om hem te doen ondervinden, dat hij zwaarder dan de lucht is!”“En dat hij, in weerwil van zijne praatjes daarin niet zal kunnen opstijgen!”“Werp dien snoeshaan eenvoudig de deur uit!”“Wat hebben wij naar dien dwazen kerel te luisteren!”“Aan de deur met hem! Aan de deur!”En zoo ging het voort. Het was om hooren en zien te doen vergaan. Het tumult klom als de branding van den oceaan bij hevigen storm en bij hooggaanden vloed.Maar men schreeuwde nog maar en hield voorloopig de handen te huis. Robur bleef onwrikbaar als een rots op het spreekgestoelte staan, en vond eindelijk gelegenheid om nog uit te roepen:“Die luchtgevaarten hebben geene vorderingen gemaakt, burgers ballonisten! Maar de toekomst behoort aan de vlieg-werktuigen! De vogel vliegt, toch is het geen ballon maar wel degelijk een machine!”“Ja! hij vliegt!” riep de van woede kokende Bat. T. Fijn uit; “maar hij vliegt tegen alle wetten der werktuigkunde in! Dat zult gij moeten erkennen, als gij maar een greintje gezond verstand in uw dwaas hoofd hebt!”“Zoo, zou ik dat moeten erkennen!” antwoordde Robur, terwijl hij minachtend de schouders optrok.Daarop vervolgde hij:“Sedert men de vlucht der groote en kleine vliegende dieren bestudeerd heeft, heeft deze eenvoudige meening zich geheel en al op den voorgrond gedrongen, namelijk: dat om te slagen, men slechts de natuur na te volgen heeft, want die vergist zich nooit. Tusschen den albatros, die ter nauwernood tien vleugelslagen in de minuut volvoert....”“Negen en een halve!” riep eene spottende stem uit.“En den pelikaan, die er zeventig volvoert....”“Een en zeventig!”“En de bij, die haar vleugeltjes honderd twee en negentig malen in de seconde op en neer beweegt....”“Honderd drie en negentig malen!....” werd er hatelijk spottend geroepen.“En de gewone huisvlieg, die dat drie honderd en dertig malen verricht....”“Drie honderd dertig en een halven keer!....”“En de muskiet, die dat millioenen malen doet....”“Milliarden malen, wilt gij zeggen, niet waar?”Maar Robur liet zich niet van zijn stuk brengen, hoe dikwijls hij ook in de rede gevallen werd. Hij vervolgde dan ook onverstoorbaar zijn betoog:“Tusschen die verschillende afwijkingen....”“Behoort op de allergrootste afwijking, die van uwe hersenen gelet te worden!”“.... bestaat de mogelijkheid, om eene practische oplossing te vinden.”“Gekheid! Onverstand! Het scheelt den kerel in zijn bol!”“Toen de heer de Lucy afdoend bewees....”“Wat bewees?”“Dat de schalebijter, een insect, hetwelk, zooals de leden van Weldon-Institute wel weten zullen, slechts twee grammen weegt...”“Twee en een kwart!”“Nu dan, een insect dat twee en een kwart grammen weegt, een gewicht van vier honderd grammen kan optillen....”“Vier honderd en vijftig grammen.”“Dus twee honderd malen zwaarder dan het zelf weegt, was het vraagstuk van de vliegkunst opgelost....”“De kerel is krankzinnig!”“Men heeft daarenboven aangetoond en bewezen, dat de afmeting van de oppervlakte van den vleugel betrekkelijk vermindert, naarmate de omvang en het gewicht van het dier verminderen. Daaropafgaande, heeft men de vervaardiging uitgedacht van meer dan zestig toestellen, die....”“Die nimmer hebben kunnen vliegen!” riep Phil Evans, de secretaris van Weldon-Institute uit.“Die gevlogen hebben of die vliegen zullen,” ging Robur voort, zonder zich uit het veld te laten slaan. “En of men ze nu ook al streophoren, helicopteren of orthoptheren noemde, of dat men ze ook al vaartuig heette, het toestel bestaat dat den mensch tot heer en meester van de luchtruimte zal maken.”“O, gij bedoelt de schroef,” hernam Phil Evans sarcastisch. Maar geen vogel is in het bezit van eene schroef.... ten minste voor zoover wij weten.”“Welnu, dan weet gij het niet goed. Zooals de heer Penaud degelijk bewezen heeft, is de geheele vogel eene schroef en is zijne vlucht aan die der helicopteren gelijk. De schroef is dan ook de motor van de toekomst....”D’un pareil maléficePreservez nous,Sainte Hélice!neuriede een der aanwezigen, die bij toeval dat wijsje uit deZampavan Herold onthouden had.Het geheele gezelschap viel daarop in koor in en herhaalde dat refrein met zulke oorverscheurende tonen, dat de Fransche componist voorzeker zich van afschuw in zijn graf heeft moeten omkeeren.Toen eindelijk de laatste tonen van die kattenmuziek zich in een vervaarlijk geschreeuw opgelost hadden, meende Uncle Prudent, die van eene zeer kortstondige verademing bij dat leven maken behendig gebruik maakte, te moeten zeggen:“Burger vreemdeling, men heeft u tot nog toe het woord laten voeren, zonder u in de rede te vallen....”Het scheen dat voor den voorzitter van Weldon-Institute, die toornige uitroepen, dat geschreeuw, de bedreigingen, die geuit waren, niet golden, maar dat die slechts beschouwd werden als eene eenvoudige wisseling van gedachten of van argumenten.“Intusschen meen ik u te moeten herinneren,” ging de president voort, “dat de theorie der vliegkunst door het meerendeel der Amerikaansche werktuigkundigen en ook door anderen bij voorbaat veroordeeld en verworpen is. Dat systeem, hetwelk den dood van Sarrazin Volant te Constantinopel, dien van den monnik Voador te Lissabon, dien van Letur in 1852, van Groof in 1864 op zijne rekening heeft, zonder nog te tellen de slachtoffers, die ik vergeet, en waarbij de mythologische Icarus niet mag vergeten worden....”“Dat systeem,” viel Robur den voorzitter in de rede, “is niet in meerdere mate te veroordeelen, dan dat welker martelaarslijst de namen van Pilatre des Roziers te Calais, van mevrouw Blanchard te Parijs, van Donaldsen en Greinwood, in het meer van Michigan verdronken, van Swel en van Crocé-Spinelli en van zooveel anderen bevat, die wel nimmer vergeten zullen worden.”Dat was een degenstoot “á fond”, zooals men in de schermzaal zou zeggen.“Daarenboven,” hernam Robur, “met uw luchtballon, hoe volmaakt zij ook zijn moge, zult gij nimmer eene snelheid bereiken, die daadwerkelijk practisch bevonden zal worden. Gij zoudt drie jaren noodig hebben om de reis rondom de wereld te volvoeren, wat eene vliegmachine in acht dagen zal kunnen doen.”Andermaal had er eene uitbarsting van verwenschingen plaats, die als protest moesten dienen, maar die in de eerste vijf minuten niet tot bedaren te brengen waren.Eindelijk toch gelukte het aan den secretaris Phil Evans, om aan het woord te komen.“Mijnheer de vliegkundige,” vroeg hij, “gij die zoozeer de voordeelen der vliegkunst bij ons komt ophemelen, zeg mij: hebt gij ooit gevlogen?”“Bepaald!”“Dus gij hebt de lucht veroverd?”“Misschien, mijnheer de secretaris.”“Hurrah! voor Robur den Veroveraar!” riep eene spottende stem snijdend uit.“Hurrah! voor Robur den Veroveraar!” herhaalden al de aanwezigen met vijandigen geestdrift.“Welnu, ja! Robur de Veroveraar!” hernam de spreker. “Dien naam neem ik aan, dien naam zal ik dragen; want ik heb er alle recht op!”“Gij zult ons veroorloven dat te betwijfelen!” riep Jem Cip met schrille stem uit.“Betwijfelen?”“Ja, zeker, betwijfelen! Hebt gij daar iets op tegen? Komaan, zeg het dan maar!”“Mijne heeren,” hernam Robur, terwijl hij de wenkbrauwen fronste, “wanneer ik eene ernstige zaak op de meest ernstige wijze bij u kom bepleiten, dan wil ik niet, dat men mij voor leugenaar houdt. Mag ik den naam weten van hem, die mij het laatst in de rede gevallen is?”“Zijn naam?” vroeg Uncle Prudent.“Ja, zijn naam, mijnheer de voorzitter!”“Ik heet Jem Cip.... en ben vegetariër....”“Burger Jem Cip,” hernam Robur, “ik wist reeds lang, dat de darmen van de vegetariërs langer zijn, dan die van andere menschen.”“Wat heeft dat met de zaak te maken?” vroeg Jem Cip stoutmoedig bij die onverwachte wending van het gesprek.“Laat mij voortgaan. Die darmen zijn, wel is waar, slechts een voet langer dan die van anderen. Dat is reeds veel,—dat beken ik,—maar noodzaak mij nu niet, ze nog langer te doen worden, door u bij de ooren te trekken....!”“De deur uit met den kerel!”“Smijt hem de straat op!”“Verscheurt hem:”“Met vier paarden!”“De lynchwet!”“Hij moet aan de ooren getrokken worden!”“Neen, wij zullen hem als eene schroef draaien en wringen!....”“Dat heeft hij verdiend!”“En meer dan dat!”De woede der vereenigde ballonisten in Weldon-Institute was ten top gestegen.Zij waren van hunne stoelen opgevlogen en omringden thans gillend en schreeuwend het spreekgestoelte.Robur verdween als het ware in een woud van armen, die zich krampachtig bewogen, alsof zij door een hevigen stormwind heen en weer geschud werden.Te vergeefs gilde de stoomfluit van den voorzitter te midden van die menigte!Geheel Philadelphia moest dien avond wel gelooven, dat een hevige brand een der voornaamste stadskwartieren verwoestte, en dat al het water van de Schuylkill-rivier niet voldoende zoude zijn om dien te blusschen.Plotseling stoof de menigte achteruit. Robur had zijne handen uit zijne zakken gehaald en stakdieplotseling naar de eerste rij van die verbitterden uit.In beide handen hield hij een van die Amerikaansche ploertendooders, die behoorlijk de vuist wapenen en haar als eene knots doen neerkomen, maar tegelijkertijd ook revolvers zijn, waarop de vingers slechts te drukken hebben, om de schoten te doen afgaan; in één woord: ware zak-mitrailleuses.En toen gebruik makende van het achteruitstuiven der aanvallers en ook van de stilte, die dien terugtocht vergezelde, zeide hij:“Inderdaad, het is niet Americus-Vespucius, die de Nieuwe Wereld heeft uitgevonden, maar Jocrisse. Gij zijt, bij mijne ziel, geen Amerikanen, maar ware Jocr....”In dit oogenblik knalden vier of vijf schoten, welker projectielen slechts gaten in den wand maakten en derhalve niemand kwetsten. De werktuigkundige verdween te midden van den kruitdamp, en toen die opgetrokken was, vond men geen spoor van dien zonderling.Robur de Veroveraar was weggevlogen, alsof een of andere vliegmachine hem door de lucht naar de bovenste dampkringslagen vervoerd had.IV.Waarin de schrijver, handelende over den knecht Frycollin, poogt de Maan in hare eer te herstellen.Ontegenzeggelijk hadden het geschreeuw en het spektakel, die in den regel het gevolg waren der stormachtige zittingen van Weldon-Institute, en door de leden bij het verlaten van het gebouw aangeheven en veroorzaakt werden, meer dan eens de rust van de bewoners van Walnut-street en van de aangrenzende wijken gestoord. Herhaaldelijk hadden die eerzame burgers terecht klachten ingebracht over die eindberaadslagingen in de open lucht, welke hen gewoonlijk in hunne vreedzame verblijven deden opschrikken. Meer dan eens hadden de politie-agenten hulp moeten verleenen om het openbaar verkeer open te houden voor de voorbijgangers, die voor het meerendeel zeer onverschillig waren voor de behandelde vraagstukken der luchtvaart. Maar tot heden had het straatrumoer nimmer zulke afmetingen aangenomen, als nu geschiedde. Nooit waren de klachten meer gebillijkt en nimmer was de tusschenkomst der politie-agenten meer noodzakelijk geweest.Toch waren, volgens onze zienswijze, de leden van Weldon-Institute wel eenigermate te verontschuldigen. Men was er toch niet voor teruggedeinsd, hen op hun eigen grondgebied te komen aanvallen. Tot die heethoofdige aanhangers van het stelsel: “lichter dan de lucht”, had een niet minder heethoofdige aanhanger van het stelsel: “zwaarder dan de lucht” zeer onaangename dingen gezegd. Daarbij kwam nog, dat hij plotseling verdwenen was, toen men hem eene tuchtiging had willen toedienen, die hij, volgens aller meening, zoozeer verdiend had.Dat schreeuwde natuurlijk om wraak.Kon men zulke beleedigingen in gemoede ongestraft laten! Neen, dat kon niet! Men zou geen Amerikaansch bloed in de aderen moeten hebben! Nakomelingen van den roemrijken Americus Vespuciusvoor Jocrisse uit te schelden! Dat was eene beleediging, die onvergeeflijk was, daar zij toch eenigermate doel had getroffen.Niet in Amerika, mijnheer! Niet in Amerika! Bladz. 43.Niet in Amerika, mijnheer! Niet in Amerika! Bladz.43.“Niets kwetst meer dan waarheid,” zegt een oud spreekwoord.De leden van de Club verschenen dus in verscheidene groepen in Walnut-street en verspreidden zich van daar, steeds heftig opgewonden, in de naburige straten en van daar door het geheele stadskwartier. Door hun vreeselijk tumult wekten zij de bewoners uit hunnen zoeten slaap. Zij noodzaakten hen, om hunne huizen te laten doorzoeken en waren volstrekt niet ongenegen, om later schadevergoeding te betalen voor den overlast, dien zij veroorzaakt, en voor de inbreuk, die zij zich veroorloofd hadden op de onschendbaarheid van het private leven, die bij de volkeren van het Anglo-Saksische ras zoo zeer geëerbiedigd is.Al die nasporingen en die plagerijen waren evenwel te vergeefs. Robur werd nergens bespeurd.Geen enkel spoor was van hem achtergebleven. Als hij met deGo ahead, de luchtballon van Weldon-Institute vertrokken ware, zou hij niet meer onvindbaar geweest zijn.Na een vol uur met nasporingen zoek gebracht te hebben, moest men het opgeven. De Club-leden scheidden evenwel niet dan nadat zij bij plechtigen eed gezworen hadden, dat zij hunne nasporingen over het geheele grondgebied zouden uitstrekken, hetwelk zoowel tot Noord- als tot Zuid-Amerika behoort, en dat het Nieuwe Vasteland genoemd wordt.Het was intusschen reeds elf uur geworden, alvorens de rust in het stadskwartier hersteld was. Eindelijk dan toch konden de bewoners zich aan een diepen slaap overgeven, die slechts genoten wordt in steden, die niet met de nijverheid te doen hebben en waarin derhalve geene fabrieken met hunne geraasmakende machines en stank verspreidende schoorsteenen aangetroffen worden. De verschillende Club-leden begaven zich naar hunne respectieve woonhuizen. Zoo deed William T. Forbes, toen hij zijne schreden naar zijne lompen-suikerfabriek richtte, waar miss Doll en miss Matt hem met een kopje thee wachtten, die zij met zijn eigen lompen-glucose gesuikerd hadden. Zoo begaf zich Frank Milner ook naar de afgelegen voorstad, waar zijne fabriek gebouwd was, welker werktuigen nacht en dag door stoomden en stampten. Zoo ging ook Jem Cip, die in het openbaar beschuldigd was een voet meer darmen te bezitten dan een gewoon menschenkind, naar huis, waar hem als vegetariër een avondmaal van groenten en peulvruchten wachtte.Twee der voornaamste ballonisten—twee slechts—dachten er niet aan om hunne woonhuizen op te gaan zoeken. Zij maakten van de gelegenheid gebruik, om met nog meer verbittering dan gewoonlijk te kibbelen. Dat waren onze onverzoenbare bekenden, Uncle Prudent en Phil Evans, de president en de secretaris van Weldon-Institute.De knecht Frycollin wachtte Uncle Prudent, zijn meester, aan de deur van de Club.Hij volgde hem zonder zich om de redenen van den twist tusschen die twee te bekommeren.Hierboven werd van kibbelen gesproken. Dat geschiedde uit een gevoel van welwillendheid jegens die twee, om hun gedrag eenigermate te vergoelijken. Maar zij twistten inderdaad en nog wel met die geestkracht, die door hunne oude mededinging gevoed werd.“Neen, mijnheer, neen!” herhaalde Phil Evans. “Wanneer ik de eer had gehad voorzitter te zijn van Weldon-Institute, dan zou nooit, neen, nooit zoo’n schandaal plaats gegrepen hebben!”“En verondersteld, dat gij die eer gehad hadt, wat zoudt gij dan gedaan hebben?” vroeg Uncle Prudent.“Wat ik zou gedaan hebben?”“Ja, ik vraag u: wat gij in dat geval zoudt gedaan hebben?”“Ik zou dien openbaren beleediger het woord ontnomen hebben....”“Zoo?....”“Nog voordat hij tijd gehad zou hebben, om den mond te openen!”“Ei, ei! Maar om iemand het woord te ontnemen, moest men hem toch eerst laten spreken, dunkt me?”“Niet in Amerika, mijnheer! Niet in Amerika!”En terwijl zij elkander zoo schimpscheuten naar het hoofd wierpen, stapten zij de straten door, die hen al meer en meer van hunne woningen verwijderden. Zij doorsneden stadskwartieren, welker ligging hen tot aanmerkelijke omwegen noopte.Frycollin volgde hen steeds; maar hij gevoelde zich toch niet op zijn gemak, toen hij bespeurde, dat zijn meester zich naar zeer eenzame plaatsen begaf. En de bediende Frycollin hield niet van die plaatsen, vooral wanneer het middernachtuur nabij was. Inderdaad het was pikdonker en de maan, die wassende en nog maar als een zilveren sikkeltje aan den hemel verschenen was, had die duisternis maar zeer weinig verminderd. Daarenboven was zij op het punt van onder te gaan.Frycollin keek dan ook rechts en links, om te zien of geen verdachte schaduwen hen bespiedden. En, waarachtig, hij meende dat vijf of zes groote duivelengedaanten hen niet uit het oog verloren.De bange kerel naderde instinctmatig zijn meester; maar voor niets ter wereld zou hij dezen hebben durven in de rede vallen, vooral niet te midden van een zoo heftig gesprek, waarvan hij waarschijnlijk de onaangenaamheden in den vorm van klappen zou ondervinden.Om kort te gaan, het toeval alleen was schuld, dat de voorzitter en de secretaris van Weldon-Institute, geheel onbewust en al twisttende, hunne schreden naar Fairmont-Park richtten.Daar overschreden zij, terwijl zij onafgebroken voorttwistten, de Schuylkill-rivier langs de beroemde metaalbrug. Zij ontmoetten slechts eenige voorbijgangers, die zich verlaat hadden, en bevonden zich eindelijk op een onmetelijk terrein, waarvan het eene gedeelte uitgestrekte weilanden vormde, terwijl het andere gedeelte een overheerlijk park daarstelde, hetwelk door zijn hoog geboomte en zijn doelmatigen aanleg, als het fraaiste van de geheele wereld kan geroemd worden.Daar werden de schrik en de angst van den knecht Frycollin ten top gevoerd. En ditmaal niet zonder reden; want thans had hij heel duidelijk gezien en waargenomen, dat die vijf of zes spookachtige gedaanten hen tersluiks over de brug van de Schuylkill-rivier gevolgd waren. Zijn oogappels waren dan ook door den angst zoodanig uitgezet, dat zij zich zoo groot vertoonden als het geheele regenboogvlies zijner oogen. Maar ter zelfder tijd dat die oogappels zich uitzetten, kromp zijn lichaam als het ware in, alsof het bedeeld ware met die kracht van samentrekking, eigen aan de meeste weekdieren en aan sommige geleede dieren.Ja, inderdaad, de knecht Frycollin was een bange kerel. Een lafaard in een woord.Frycollin was een neger, in Zuid-Carolina geboren. Hij had een groot dom hoofd, hetwelk met een langen nek op een ellendig mageren romp geplant stond. Hij telde een en twintig jaren en was derhalve nimmer slaaf geweest, zelfs krachtens zijne geboorte niet. Maar of hij daardoor meer waarde als mensch had, kan gerust ontkend worden. Hij was een grappenmaker, die gewoonlijk leelijke gezichten trok, daarbij gulzig, lui en boven alle beschrijving laf was. Hij was sedert drie jaren in dienst bij Uncle Prudent. Deze was honderd malen op het punt geweest, om hem de deur uit te zetten; de vrees voor nog erger had hem weerhouden. Dat die lafhartigheid den armen drommel, wiens bestaan om zoo te zeggen innig met het leven van zijn meester, die steeds gereed stond aan de dolste en stoutmoedigste ondernemingen deel te nemen, saâmgeweven was, menig angstig oogenblik berokkende, zal wel niet behoeven gezegd te worden. Maar die oogenblikken van dollen angst hadden hunne tegenstellingen, werden door andere hoedanigheden voldoende opgewogen. Zoo liet men zijne gulzigheid nagenoeg den vrijen teugel en zoo ook zijne luiheid.Maar.... Maar.... O, arme Frycollin, als ge eens in de toekomst hadt kunnen lezen!Waarom was Frycollin niet te Boston gebleven, waar hij in dienstwas van eene zekere familie Sneffel? Wel is waar, was die op het punt geweest, om eene reis naar Zwitserland te ondernemen. Dit had Frycollin minder aangestaan en daarom had hij toen op zijn ontslag aangedrongen. Toen de familie Sneffel van die reis afzag, bij het vernemen der aardstortingen, die in de Alpen plaats gehad hadden, was het te laat. En toch zou de dienst bij dat vreedzame gezin hem beter geleken hebben, dan bij Uncle Prudent, die de stoutmoedigheid en de waaghalzerij in eigen persoon was.Er viel niet veel meer aan te doen. Frycollin was in dienst van den voorzitter van Weldon-Institute en deze was er zelfs mede geëindigd, zijne gebreken over het hoofd te zien. En die gebreken, wij weten het reeds, waren velen. Maar tegenover die gebreken stond eene goede hoedanigheid. Hoewel hij neger van oorsprong was, sprak hij geen neger-engelsch. En dat was te waardeeren; want er bestaat niets afschuwelijkers dan die platte taal, waarin de bezittelijke voornaamwoorden en de onbepaalde wijs voor de werkwoorden tot in het oneindige voorkomen.Het is dus als onwraakbaar bewezen aan te nemen, dat Frycollin laf was, “laf als de maan”, zoo als een volksgezegde zich uitdrukt.Tegen die volksuitdrukking, die zoo beleedigend mogelijk is voor de blonde Phoebé, de zachte Selena, de kuische Diana, de zuster van den schitterenden Apollo, valt onzes inziens protest aan te teekenen. Welk recht heeft men om dien trouwen wachter, die, zoolang als de aarde bestaat, haar steeds het aangezicht, maar nimmer hare keerzijde vertoond heeft, van lafhartigheid te beschuldigen?Maar die quaestie daargelaten, zooveel is zeker, dat thans, op dat middernachtuur, de sikkel van de “bleeke belasterde” op het punt was in het westen, achter de loofkruinen van het hooge geboomte te verdwijnen. Hare stralen gleden als het ware tusschen de takken door en teekenden op den grond grillige lichtbeelden, die de duisternis er naast nog zwarter maakten.In weerwil daarvan keek Frycollin steeds scherp uit. Het was alsof hij de eigenschap der katten en der uilen bezat, namelijk in het donker te kunnen zien.“Br!” zei hij bij zich zelven. “Die schoften volgen ons steeds! En inderdaad zijn zij reeds meer nabij gekomen.”Eindelijk kon hij het niet meer uithouden. Hij naderde zijn baas.“Master Uncle,” zei hij.Zoo noemde hij zijn meester en zoo wilde de voorzitter van Weldon-Institute aangesproken worden.In dit oogenblik was de twist tusschen de beide mededingers tot zijn hoogsten graad van opgewondenheid gestegen. En daar zijelkander hartelijk naar den duivel wenschten, werd Frycollin barweg verzocht de reis ook derwaarts te ondernemen. De arme neger was zeer beangst voor Beëlzebub en durfde derhalve den mond niet meer open doen.Maar terwijl die twee Yankees zoo twistten en elkander afsnauwden, stapten zij al verder en verder de eenzame weilanden, die Fairmont Park begrenzen, door, waarbij zij zich steeds verder van de Schuylkill-rivier verwijderden, en dus ook van de brug, die haar overspande en het eenige toegangspunt was, om de stad weer binnen te komen.Ons drietal bevond zich eindelijk te midden van een groep hoog opgaande boomen, welker boventakken nog slechts door het zwakke maanlicht beschenen werden. Op de grens van die boomgroep was eene uitgestrekte vlakte, die een ovalen vorm had en een prachtige gelegenheid aanbood voor een wedstrijd van velocipedisten of van cricketspelers of voor een wedloop van renpaarden. Geen enkele terreinplooi zou menschen of paarden den minsten hinderpaal in den weg gelegd hebben. Geen enkele boom of struik zou den blik der toeschouwers over een oppervlakte van verscheidene mijlen begrensd hebben.En toch, wanneer de aandacht van Uncle Prudent en van Phil Evans niet zoo door hun twisten in beslag genomen was, wanneer zij met eenige aandacht rond gekeken hadden, dan zou het hun niet ontgaan zijn, dat die vlakte haar gewoon uiterlijk niet meer had. Het was alsof daar inderdaad een gevaarte stond, waarboven schroefvormige windschepraderen, die evenwel thans stilstonden, in het halfduister scherp tegen de lucht afstaken.Maar noch de voorzitter, noch de secretaris van Weldon-Institute merkte die vreemdsoortige verandering in het uiterlijk voorkomen dat het landschap van Fairmont-Park ondergaan had, op. Frycollin zag er ook niets van. Hij had alleen oog en ooren voor de gedaanten, die hij meende opgemerkt te hebben. Het scheen hem toe, dat die geheimzinnige wezens naderden, dat zij hun kring nauwer toesloten, alsof zij een misdadigen aanslag op het oog hadden. Hij kreeg bijna stuipen van angst; zijne ledematen waren schier verstijfd, terwijl zijne haren op zijn hoofd rechtop rezen. In één woord, de schrik was bij hem ten top gestegen.Toch had hij, terwijl zijne knieën knikten, de geestkracht nog om met bezwijmende stem te roepen:“Master Uncle!.... Master Uncle!”Hij verkreeg evenwel geen gehoor. Uncle Prudent en Phil Evans twistten maar voort.“Master Uncle!.... Master Uncle!....” kreet de rampzalige Frycollin voor de laatste maal.“Maar, voor den duivel! wat is er dan toch?” vroeg Uncle Prudent ten hoogste ongeduldig.Wellicht zoude hij en ook Phil Evans niet rouwig geweest zijn, hun toorn jegens elkander op de schouders van den rampzaligen Frycollin te ontlasten. Handen en vuisten waren reeds opgeheven. Het zou klappen en vuistslagen regenen. Gelukkig evenwel, dat er geen tijd was, voor de eene partij om die klappen uit te deelen, voor de andere om ze te ontvangen.Een stoot, door een scherp fluitje teweeggebracht, werd in het bosch vernomen. En, alsof dat een sein ware, verscheen te midden van het open gedeelte van het park eene soort van electrische ster.Wat dat te beduiden had? Onze beide nachtelijke wandelaars konden dat zelfs niet gissen. Instinctmatig evenwel begrepen zij dat dit gefluit en die verlichting het sein waren tot het plegen van de een of andere gewelddaad.In minder tijd dan noodig was om den toestand te overzien, ja bliksemsnel, sprongen zes mannen uit het bosch, waarvan twee zich op Uncle Prudent wierpen, twee op Phil Evans en twee op den knecht Frycollin. Blijkbaar waren die twee laatste te veel; want de neger was buiten staat zich te verdedigen.Hoewel de voorzitter en de secretaris van Weldon-Institute bij dien aanval geheel onvoorbereid overvallen waren, zoo poogden zij toch ten krachtigste weerstand te bieden. Zij hadden er echter noch den tijd, noch de kracht toe.In minder tijd dan noodig is om dien overval te verhalen, was hun een prop in den mond gestoken, die hun belette om hulp te schreeuwen, had men hen de oogen geblinddoekt, en waren zij stevig gekneveld, zoodat zij onmogelijk zich verder verzetten konden. Toen zij zoo onschadelijk gemaakt waren, droeg men hen zoo snel mogelijk naar het open gedeelte van het park.Wat viel er bij zoo’n overval anders te denken, dan dat zij met lieden te doen hadden, wier geweten zoo ruim en zoo rekbaar was, dat zij er niets misdadigs in zagen de lieden, die zich bij hunne wandelingen in het bosch waagden, uit te kleeden en te berooven.Eigenaardig evenwel, men raakte niet aan hunne zakken, men betastte hen zelfs niet, hoewel Uncle Prudent, volgens zijne gewoonte, een duizend dollars in banknoten bij zich had.Om kort te gaan, een minuut na de volbrenging van dien overval, waarbij geen woord tusschen de aanvallers gewisseld was geworden, voelden Uncle Prudent, Phil Evans en Frycollin dat men hen neerlegde, niet op de graszoden van het park, maar op een soort planken vloer, die eenigermate onder hun gewicht kraakte. Daar werden zij netjes naast elkander uitgestrekt. Zij hoorden eene deur achter zich dichtslaan, terwijl het schuiven van een grendelboutin het daarvoor bestemde ijzeren oog, hen vrij duidelijk aankondigde, dat zij gevangen waren.Toen vernamen zij een soort van onafgebroken geritsel, dat wel met eene trilling kon vergeleken worden. Het was een eindelooze toon of beter een gevoel van frrrr of trrrr, dat hun geheele lichaam doortrilde, zonder dat eenig ander geluid in dien zoo kalmen nacht waarneembaar was.Welke schrik heerschte er den volgenden ochtend in Philadelphia! Dat laat zich begrijpen.Al zeer vroeg wist iedereen reeds, wat des avonds te voren in de vergaderíng van de leden van Weldon-Institute voorgevallen was. Men had vernomen,—hoe en door wien, dat kon niemand verklaren,—dat een geheimzinnig persoon, een zekere werktuigkundige, Robur genaamd,—Robur de Veroveraar!—verschenen was en dat hij een wedstrijd had willen aangaan met de ballonisten; maar dat hij toen op eene onverklaarbare wijze verdwenen was, zonder dat men er in had kunnen slagen, hem weer op te sporen. Dat alles had de bevolking ten zeerste verwonderd.Maar de verwondering sloeg tot schrik over, toen de geheele stad vernam, dat de voorzitter en de secretaris van Weldon-Institute ook gedurende den nacht van den 13denJuni geheimzinnig verdwenen waren. Dat was inderdaad eene ontzettende gebeurtenis.Het zou onmogelijk zijn, al de nasporingen mede te deelen, die zoowel in de stad zelve als in de omstreken gedaan werden. Zij waren evenwel totaal vruchteloos. De dagbladen van Philadelphia, daarna die van Pennsylvanië, en eindelijk die van geheel Amerika, namen die raadselachtige verdwijning onder hunne berichten op en wijdden geheele kolommen aan de bespreking daarvan, waarbij zij de toedracht op honderderlei verschillende wijzen verhaalden, zonder de waarheid ook maar nabij te komen.Door middel van advertentiën en van aanplakbiljetten werden belangrijke sommen uitgeloofd, niet alleen aan hem, die de vermisten terugvond, maar ook aan een ieder, die de een of andere degelijke aanwijzing kon doen, geschikt om hen op het spoor te komen.Niets evenwel hielp. Niets! Niets!Als de bodem opengescheurd ware, om den voorzitter en den secretaris van Weldon-Institute te verzwelgen, dan zouden zij niet spoorloozer van de oppervlakte der aarde verdwenen kunnen zijn.De dagbladen van de gouvernementspartij drongen er op aan, dat aan het personeel der politie op ruime schaal uitbreiding gegeven werd. Zij wezen ernstig op de noodzakelijkheid van dien maatregel, daar dergelijke aanslagen op een paar van de besteburgers van de Vereenigde Staten van Noord-Amerika volvoerd konden worden. En daarin moest iedereen hun gelijk geven, niet waar?
“Burgers van de Vereenigde Staten, ik heet Robur!” (bladz. 29).“Burgers van de Vereenigde Staten, ik heet Robur!” (bladz.29).
“Burgers van de Vereenigde Staten, ik heet Robur!” (bladz. 29).
“Burgers van de Vereenigde Staten, ik heet Robur!” (bladz.29).
Bij de derde eindelijk, had hij een gevaarlijken val gedaan vaneene hoogte van vijftienhonderd meter, waarbij hij slechts eene ontwrichting van den rechterpols opliep, terwijl Pilâtre de Rosier,minder gelukkig, bij een val van eene hoogte van slechts zevenhonderd voeten, op de plaats dood bleef.
Weldon-Institute had, zooals de lezer wel reeds zal gegist hebben, de zaken dus bij het begin van deze geschiedenis kranig aangepakt. In de Turner-werkplaatsen te Philadelphia kon reeds een luchtballon van langwerpigen vorm opgemerkt worden, welks stevigheid nog beproefd moest worden door samengeperste lucht onder eene groote drukking er in te brengen.
Waarlijk, dat gevaarte verdiende ten volle den naam van monsterballon!
En, inderdaad, hoeveel inhoud meette deGérantvan Nadar? Slechts zesduizend kubieke meters.
Hoeveel inhoud meette de luchtballon van John Wise? Slechts twintigduizend kubieke meters.
Hoeveel meette de ballon van Henri Giffard, die op de wereldtentoonstelling van 1878 prijkte? Slechts vijf en twintigduizend kubieke meters bij een straal van achttien meters.
Vergelijk nu eens die drie luchtballons met het gevaarte van Weldon-Institute, welks inhoud veertigduizend kubieke meters bedroeg; dan zal ten volle begrepen worden, dat Uncle Prudent en zijne medeleden wel eenigermate het recht hadden, evenals hun ballon opgeblazen van hoogmoed en trots te zijn.
Die luchtballon was niet bestemd, om nasporingen in de hoogste luchtlagen van den dampkring te bewerkstelligen. Hij werd ook nietExcelsiorgedoopt, eene qualificatie, die maar al te zeer bij de burgers van Noord-Amerika gebruikelijk is. Neen! hij werd eenvoudigGo aheadgenoemd, hetgeen “Vooruit” beteekend. Dat gevaarte bleef dus niets anders over, dan onder de leiding van zijn gezagvoerder dien naam te rechtvaardigen.
Men was toen op dat tijdstip reeds zoo ver gevorderd, dat het dynamo-electrische werktuig, hetwelk volgens eene uitvinding, waarvoor het octrooi door Weldon-Institute aangekocht was, vervaardigd werd, bijna geheel klaar was. Het was dus te voorzien, dat deGo aheadbinnen zes weken zijn tocht door de hemelruimte zou kunnen beginnen.
De lezers evenwel hebben reeds kunnen bemerken, dat alle moeielijkheden op het gebied van werktuigkunde niet opgelost waren. Zeer veel zittingen van Weldon-Institute waren gewijd, niet aan de bespreking van den vorm of van de afmetingen der schroef, maar aan het vraagstuk, waar die schroef geplaatst zoude worden, achter aan het toestel, zooals de gebroeders Tissandier gedaan hadden, of aan het voorgedeelte van het toestel, zooals de kapiteins Krebs en Renard te werk waren gegaan.
Het zal onnoodig zijn er bij te zeggen, dat bij die discussie, de aanhangers der beide systemen slaags geraakt waren. De groep van hen, die de aanhechting der schroef aan het voorgedeelte voorstonden, was in getal aan de andere partij gelijk. Nu had Uncle Prudent, wiens stem in geval van staking beslissend had moeten wezen, zich als een echte leerling van de school van Buredon van stemming onthouden, omdat het voor en het tegen bij hem juist in evenwicht in zijn brein om den voorrang streden.
Er bestond dus totale onmogelijkheid, om tot overeenstemming te geraken en derhalve totale onmogelijkheid, om de schroef op hare plaats te brengen. Dat zou zeer lang kunnen duren, wanneer namelijk het gouvernement niet tusschenbeiden trad. Maar men weet het, in de Vereenigde Staten van Noord-Amerika bemoeit zich het gouvernement zoo min mogelijk met de particuliere zaken der ingezetenen en heeft er een afschuw van zich te mengen in zaken, die het niet aangaan. En daarin heeft dat Amerikaansche gouvernement groot gelijk en onderscheidt het zich zeer gunstig van anderen, welke die gedragslijn niet volgen.
Zoo was de stand van zaken, en de zitting van den 13denJuni dreigde geen einde te zullen nemen, of wel zij scheen een gruwelijk einde te zullen hebben. Want er werden beleedigingen geuit, die met vuistslagen beantwoord werden. Op die vuistslagen volgden stokslagen en op die stokslagen revolverschoten, toen, juist terwijl de klok acht uren en zeven en dertig minuten aanwees, eene afleiding wel te stade kwam.
De portier van Weldon-Institute naderde koelbloedig en bedaard, als een politie-agent te midden van de stormachtige tooneelen eener democratische meeting, de tafel van den voorzitter. Hij reikte dezen een visitekaartje over en wachtte onverstoorbaar kalm de bevelen, welke Uncle Prudent hem geven zou.
De voorzitter liet de stoomtrompet weerklinken, die dienst als voorzitters-hamer of voorzitters-bel moest doen. Want bij dergelijke vergadering zou de klok van het Moskouer Kremlin niet voldoende hare stem hebben kunnen laten hooren! Maar in weerwil van dat stoomgehuil, ging het spektakel voort, ja vermeerderde zelfs.
Toen nam de voorzitter den hoed van het hoofd, waarop, dank zij dit laatste redmiddel, eene gedeeltelijke stilte intrad. Het was waarlijk tijd ook.
“Eene mededeeling!” riep Uncle Prudent, terwijl hij een kolossalen greep deed in zijne snuifdoos, die hem nimmer verliet. “Eene mededeeling, leden van Weldon-Institute!”
“Spreek! Spreek!” riepen negen en negentig stemmen uit, die bij toeval omtrent dit punt eenstemmig dachten.
“Een vreemdeling, waarde collega’s, wenscht in de zaal onzer vergaderingen toegelaten te worden.”
“Nooit!” riepen een groot aantal stemmen, die ook op dit punt eensgezind dachten.
“Nooit!” riepen de anderen met niet minder geweld.
Zoo iets was nog nooit geschied, dat al de leden van Weldon-Institute in eenig punt volmaakt overeenstemden.
“Hij stelt voor ons te bewijzen,” ging Uncle Prudent voort, “dat de meening omtrent de bestuurbaarheid der luchtballons het meest domme en belachelijke droombeeld is, wat in het brein van een sterveling kan opkomen.”
Een dreigend gebrom was het antwoord op die stoutmoedige verklaring.
“Laat hem binnenkomen?.... Laat hem binnenkomen!”
“Ja, laat hem binnenkomen!”
Ook op dit punt heerschte de meest mogelijke eenstemmigheid, hoewel een oogenblik te voren met de meeste eenparigheid het: “nooit! nooit!” als protest tegen de toelating door de zaal gedonderd had. De meening der menigte kan nimmer als rotsvast aangemerkt worden.
“Hoe heet die zonderling?” vroeg de heer Phil Evans, secretaris van Weldon-Institute.
“Robur,” antwoordde Uncle Prudent met duidelijk verstaanbare stem.
“Hoe?” vroegen een aantal leden, die meenden niet goed verstaan te hebben.
“Robur,” herhaalde de voorzitter met nog duidelijker stem, als dit mogelijk geweest was.
“Robur!.... Robur!.... Robur!” huilden een aantal stemmen met de hoogst mogelijke opgewondenheid.
“Robur!.... Robur!.... Robur!....” herhaalden de anderen niet minder onstuimig en woest.
Dat de eenstemmigheid bij het hooren van dien naam zoo eensklaps ingetreden was, kwam daarvandaan alleen, dat geheel Weldon-Institute hoopte haren wrevel te kunnen koelen op hem, die dien naam droeg.
En inderdaad, die wrevel was ten toppunt gevoerd en kon vergeleken worden met een boordevollen beker, die door een enkelen droppel tot overloopen genoopt zoude worden.
De storm was dus voor een oogenblik bedaard—in schijn althans.
Wij zeggen in schijn, omdat een storm bij een volk, dat twee of drie stormen per maand, in den vorm van windvlagen naar Europa zendt, zoo maar niet in eens tot kalmte te brengen is.
“Burgers van de Vereenigde Staten van Noord-Amerika, ik heet Robur, dat wil zeggen: Kracht. Ik ben dien naam volkomen waardig. Ik ben veertig jaren oud, hoewel ik er uitzie, alsof ik er slechts dertig ware. Mijne gezondheid is volmaakt en tegen iederen stoot bestand. Ik bezit eene buitengewoon groote spierkracht en een maag, die zelfs bij het struisvogelengeslacht onder een der besten gerekend zoude kunnen worden.
“Ziedaar, wat het lichamelijk gedeelte van mijn persoon aangaat! Ik kan nu verder gaan.”
Men luisterde naar hem. Ja, zeker! De levenmakers van straks waren aanvankelijk uit het veld geslagen, door het onverwachte van die toespraakpro facie suâ, die zeer veel van eene lofuiting op zich zelf had.
Was die man een krankzinnige, of eenvoudig een grappenmaker? Wie kan dat beantwoorden?
Hoe het ook zij, die krankzinnige of die grappenmaker maakte indruk en verstond de kunst om de ooren in beslag te nemen. Geen zucht, geen geritsel werd meer in die vergadering vernomen, waarin weinige minuten vroeger een ware orkaan van hartstochten huilde. Dat was waarlijk de kalmte na den storm.
Daarenboven merkte men wel op, dat Robur de man was, zooals hij zichzelven beschreef. Hij was van middelbare gestalte, maar zoo regelmatig en evenredig gevormd, dat zijn geheele persoon eene geometrische figuur mocht heeten, bij voorbeeld een regelmatig trapezium, waarvan de grootste der evenwijdige zijden, door de lijn der schouders gevormd werd. Op die lijn verhief zich een kolossaal groot spheroïdaal hoofd, dat met een breeden stevigen nek op die schouders geplant scheen. Met welk dierenhoofd zou dat menschenhoofd gelijk te stelling zijn geweest, om aan de theorie van de hartstochtsvergelijking eenigermate tegemoet te komen? Aan dat van een stier. Goed, maar dan toch van een stier met een verstandig uiterlijk. Dat hoofd bezat oogen, die bij den minsten weerstand, bij de geringste teleurstelling vuur schoten, en meer dan dat. Die oogen waren overwelfd door een paar wenkbrauwen, welke, voortdurend in beweging, aan den blik eene uitermate groote scherpte verleenden en dus van ontembaregeestkracht getuigden. Dat hoofd was bedekt met korte haren, die eenigszins gekroesd waren en eene soort metaalglans bezaten, zooals een priktol, van ijzerdraad vervaardigd, zoude vertoonen. Een breede borst ging met de machtige beweging van een smids-blaasbalg onder dat hoofd op en neer. De armen, de handen, de heupen, de beenen, de voeten, dat alles was in volkomen evenredigheid met dat hoofd en die borstkas.
De man droeg geen knevels en geen bakkebaarden, maar daarentegen een welgevulden kinbaard, zooals de Amerikaansche zeelieden gewoonlijk dragen. Daardoor waren de gewrichten van de kakebeenen waarneembaar, welker kauwspieren eene onmetelijke kracht moesten bezitten. Men heeft berekend,—wat berekent men toch al niet?—dat de drukking, door de bovenkaak tegen de onderkaak van een gewonen krokodil veroorzaakt, gelijkstaat met eene drukking van vier honderd atmosferen. Die van een grooten jachthond staat gelijk met honderd atmosferen. Daaruit heeft men de zonderlinge formule afgeleid, dat wanneer een kilogram hondskracht acht kilogrammen kauwspierkracht ontwikkelt, een kilogram krokodrillenkracht minstens twaalf kilogrammen kauwspierkracht zou vertegenwoordigen.
Welnu, onze Robur zou volgens die formule minstens tien kilogrammen kauwspierkracht kunnen ontwikkelen.
Zij stond dus zoo wat tusschen den jachthond en den krokodil.
Waar kwam die merkwaardige type vandaan? Dat was moeielijk te zeggen.
Zooveel is zeker, dat hij zich vlug en vloeiend in het Engelsch uitdrukte, zonder dien sleependen tongval te verraden, die de Yankees van Nieuw-Engeland algemeen kenmerkt.
Na zijne lichamelijke persoonsbeschrijving vervolgde hij aldus:
“Ik kan nu overgaan tot de zedelijke beschrijving van mijn persoon, niet waar, eerwaarde burgers? Welnu, gij ziet thans voor u een werktuigkundige, wiens zedelijke waarde niet beneden de lichamelijke staat. Ik ben bang voor niets en voor niemand. Ik heb eene wilskracht, die nog voor geen andere ter wereld gebogen of ondergedaan heeft. Als ik mij een doel gesteld heb, dan kan geheel Amerika, dan kan de geheele wereld, zelfs als zij een bondgenootschap met elkander aangingen, mij niet beletten het te bereiken. Als ik een denkbeeld heb, dan verg ik, dat men het deele en kan volstrekt geene tegenspraak dulden. Ik leg nadruk op die omstandigheden, eerwaarde burgers, omdat ik vind, dat het noodzakelijk is, dat gij mij geheel en al kent. Misschien vindt gij, dat ik een weinig te veel over mij zelf spreek? Daarin kunt gij gelijk hebben, maar uwe meening daaromtrent kan mij niet schelen. En nu, denkt goed na, alvorens mijne toespraak te onderbreken; want ik waarschuwu, dat ik u zaken te vertellen heb, die waarlijk niet geschikt zijn, om u te behagen.”
Een geluid als van eene branding werd vernomen, hetwelk zich langs de banken der vergadering verspreidde. Dat was een onfeilbaar teeken, dat die menschenzee weldra stormachtig zou worden.
“Spreek, eerwaarde vreemdeling,” vergenoegde zich Uncle Prudent, te zeggen, terwijl hij de meeste moeite had om bedaard te blijven. “Spreek; wij luisteren.”
En Robur ging voort met spreken in denzelfden trant, als hij gedaan had, zonder zich verder om zijne toehoorders te bekommeren.
“Jawel, ik weet het! Na eene geheele eeuw doorgebracht te hebben met proefnemingen, die tot niets geleid hebben, met pogingen, die zonder uitslag bleven, bestaan er nog slechts in evenwicht verkeerende breinen, die koppig genoeg zijn, om aan de mogelijke bestuurbaarheid der luchtballons te blijven gelooven. Zij verbeelden zich, dat de een of andere voortstuwende kracht door de electriciteit of door iets anders voortgebracht, op hunne toestellen, die veel op kussensloopen gelijken, en die zooveel vat aan de atmosferische stroomingen verleenen, zoude kunnen worden toegepast. Zij verbeelden zich, dat er een tijd komen zal, dat men een luchtballon in den dampkring evenzeer in zijne macht zal kunnen hebben, als een vaartuig op de oppervlakte der zee. En waarom verbeelden zij zich dat?
“Omdat eenige uitvinders er in geslaagd zijn bij kalm weer, hetzij laveerende, hetzij bij zeer zachte bries, tegen den wind in vooruit te komen.
“En uit die zeer onvolledige proefnemingen maakt men nu als onomstootbaar vaststaande op, dat de bestuurbaarheid van luchtvaarttoestellen, die lichter dan de lucht zijn, onder alle omstandigheden mogelijk zou zijn! Zijn dat geen redeneeringen van krankzinnigen?
“Ja, ik stel u die vraag in allen ernst, aan u, een honderdtal ongeveer hier bijeen, die aan de verwezenlijking dier droomen gelooft, aan u, die bezig zijt, duizenden en nog eens duizenden dollars niet in het water, maar in de lucht weg te werpen. Welnu, in weerwil van uw aantal, zeg ik u, dat dit het onmogelijke willen is!”
Waarlijk, het moest als eene overgroote zeldzaamheid, ja schier als een wonder beschouwd worden, dat de leden van Weldon-Institute, bij het hooren van die stoutmoedige bewering, geen vin verroerden. Waren zij dan niet alleen geduldig, maar ook doof geworden?
Of namen zij eene afwachtende houding aan, om te zien, hoe ver die roekelooze tegenspreker gaan zou?
Robur vervolgde evenwel, in stembuiging en in houding van de meest mogelijke vastberadenheid getuigende:
“Wat?.... Een luchtballon!.... ik vraag het u, hoe komt het in iemands brein op? Wanneer een kubieke meter gas noodig is, om een kilogram op te voeren!.... Wat?.... een luchtballon zou met behulp van zijne machines weerstand aan den wind kunnen bieden, wanneer de drukking van eene marszeilskoelte, uitgeoefend op het zeil van een schip, niet minder mag berekend worden dan op eene krachtsontwikkeling van vier honderd paarden; wanneer men den ramp met de Tay-brug gebeurd, nagaat, waarbij de orkaan een krachtdruk van vier honderd veertig kilogrammen op den vierkanten meter uitoefende! Wat?.... een luchtballon!.... wanneer men het onder de oogen heeft, dat de natuur geen enkel vliegend wezen naar dat systeem vervaardigd heeft.... zij het ook al met vleugels, als de vogels, of met vliesachtige vinnen of vlerken, zooals sommige visschen of sommige zoogdieren, bedeeld zijn....”
“Zoogdieren?....” riep een der clubleden uit.
“Ja, zoogdieren,” antwoordde Robur. “Ik geloof u toch niets nieuws te vertellen, dat de vleermuis vliegt. Of weet mijn onderbreker niet, dat dit vliegend dier een zoogdier is? Of heeft hij ooit een pannekoek van vleermuizeneieren gegeten?”
Die onderbreker had er dadelijk genoeg van. Hij staakte althans voorloopig zijne tegenwerpingen, en Robur kon daarna met dezelfde opgewondenheid voortgaan:
“Die nu uit het voorafgaande zou willen afleiden, dat ik van meening zoude zijn, dat de mensch er van af zoude moeten zien, om het luchtgebied te veroveren, ten einde door dat bewonderenswaardig vervoermiddel de zedelijke en staatkundige omstandigheden van de beschaafde wereld geheel en al te wijzigen, zou het deerlijk mis hebben. Neen, ik ben van meening, dat de mensch moet heerschen! En zoowel als hij de zee beheerscht met zijne vaartuigen, hetzij die door roeiriem, door zeiltuig, door raderen of door schroeven voortbewogen worden, zoo zal hij ook de dampkringsruimte beheerschen door toestellen, die zwaarder dan de lucht zijn. Want alleen de zwaarderen zullen sterker dan de lucht wezen!”
Ditmaal was er geen houden meer aan. Hoe de kreten te beschrijven, die ontsnapten aan al de kelen, aan al die monden, die op Robur gericht waren als zooveel geweerloopen, of als zooveel kanonmondingen? Hadden zij daar niet eene oorlogsverklaring vernomen, die als het ware in het kamp der ballonisten gesmeten werd? Was dat niet de strijd, die tusschen “lichter dan de lucht” en “zwaarder dan de lucht” aangebonden werd?
In dit oogenblik knalden vier of vijf schoten. Bladz. 40.In dit oogenblik knalden vier of vijf schoten. Bladz.40.
In dit oogenblik knalden vier of vijf schoten. Bladz. 40.
In dit oogenblik knalden vier of vijf schoten. Bladz.40.
Robur knipoogde zelfs niet. Hij stond daar met de armen over de borst gekruist en wachtte stoutmoedig af, dat weer stilte zoude ingetreden zijn.
Uncle Prudent maakte een gebaar, waardoor hij aan het rollend vuur van hartstochtelijke uitroepingen een einde maakte. Een zoodanige onderworpenheid was op zich zelve reeds eene buitengewone gebeurtenis in Weldon-Institute.
“Ja,” hernam Robur met de meest mogelijke luchthartigheid. “Ja, de toekomst behoort aan de vlieg-machines. De lucht, als men haar maar weet te gebruiken, biedt een stevig steunpunt aan. Dat men slechts aan een kolom van die ijle vloeistof eene stijgende beweging wete mee te deelen van vijf en veertig meters in de seconde, dan zal een man zich op het bovenvlak van die kolom kunnen handhaven, wanneer de afmeting der oppervlakte zijner schoenzolen slechts een achtste gedeelte van een vierkanten meter bedraagt. En wanneer de snelheid van beweging dier kolom op negentig meters gebracht wordt, dan kan een man blootsvoets er op blijven.”
“Ho! ho!” riepen eenige stemmen ongeduldig uit. “Dat is inderdaad te sterk!”
“Wanneer men nu,” ging Robur onverstoorbaar voort, “eene luchtmassa door middel van de bladen eener schroef met die snelheid kan voortdrijven, dan zou men tot denzelfden uitslag geraken.”
Wat Robur daar verkondigde, was reeds vóór hem door al de voorstanders van het vliegen als een vogel verkondigd geworden. En de proefnemingen, door die mannen langzaam maar zeker verricht, zullen ongetwijfeld tot oplossing van het vraagstuk voeren. Eer aan de heeren de Ponton d’Amécourt, de la Landelle, Nadar, de Lazy, de Louvrié, Liais, Béléguie, Moreau, aan de gebroeders Richard, aan Babinet, Jobert, du Temple, Salives, Penaud, de Villeneuve, Gauchot en Tatin, Michel Loup, Edison, Planavergne en aan zooveel anderen, die deze zoo eenvoudige meeningen verkondigd hebben! Die meeningen, herhaaldelijk nu eens verlaten dan weer hervat, moesten op een gegeven oogenblik zegevieren. Aan de tegenstanders van de vogelvlucht, die beweerden, dat de vogel zich slechts in de dampkringslagen handhaaft, omdat hij de lucht verwarmt, waarmede hij zich opblaast, bleven de voorstanders het antwoord niet schuldig. Hadden deze laatsten niet afdoend bewezen, dat een arend, die vijf kilogrammen weegt, volgens dat stelsel met vijftig kubieke meters verwarmde lucht gevuld zou moeten zijn, om slechts zwevende in de dampkringslagen te kunnen blijven? Dat toonde Robur, hoewel een helsch leven zich allerwege verhief, met een niet te weerspreken logica aan.
En, ziehier, welke eindconclusie hij die ballonisten naar het hoofd wierp.
“Met uwe luchtballons kunt ge niets uitvoeren, zult gij tot geen resultaat geraken; ja, ik ga verder, gij zult er niets mee durvenondernemen! De stoutmoedigste uwer luchtschippers, John, die namelijk, hoewel hij reeds een afstand van twaalf duizend mijlen door de lucht, maar boven het Amerikaansche werelddeel had afgelegd, moest van zijn voornemen afzien, om den Atlantischen Oceaan over te steken. En sedert dien tijd is men geen pas, neen, geen enkelen pas op dien weg vooruitgekomen.”
“Mijnheer,” zei toen de voorzitter van Weldon-Institute, die te vergeefs alle pogingen aanwendde om kalm te blijven, “gij vergeet wat onze onsterfelijke Franklin gezegd heeft, toen de eerste montgolfière verscheen, die de geboorte van den hedendaagschen ballon voorafging: ‘het is slechts een kind, maar het zal groeien.’ En ziet het kind is gegroeid.”
“Mis president, mis! Het kind is niet gegroeid!... Het is slechts in dikte toegenomen.... En, gij zult moeten bekennen, dat dit niet hetzelfde is!”
Dat was een rechtstreeksche aanval op de zoo dierbare plannen van geheel Weldon-Institute, welker leden besloten hadden, na langdurige en heftige beraadslagingen, een monster-ballon te doen vervaardigen en daartoe de noodige gelden beschikbaar hadden gesteld. De opgewondenheid steeg dan ook ten top en het was waarlijk niet te verwonderen, dat kreten, verwenschingen en voorstellen als de ondervolgende zich kruisten en allerwege gehoord werden:
“Weg met dien indringeling!”
“Weg met dien zotskop!”
“Werp hem van het spreekgestoelte!”
“Om hem te doen ondervinden, dat hij zwaarder dan de lucht is!”
“En dat hij, in weerwil van zijne praatjes daarin niet zal kunnen opstijgen!”
“Werp dien snoeshaan eenvoudig de deur uit!”
“Wat hebben wij naar dien dwazen kerel te luisteren!”
“Aan de deur met hem! Aan de deur!”
En zoo ging het voort. Het was om hooren en zien te doen vergaan. Het tumult klom als de branding van den oceaan bij hevigen storm en bij hooggaanden vloed.
Maar men schreeuwde nog maar en hield voorloopig de handen te huis. Robur bleef onwrikbaar als een rots op het spreekgestoelte staan, en vond eindelijk gelegenheid om nog uit te roepen:
“Die luchtgevaarten hebben geene vorderingen gemaakt, burgers ballonisten! Maar de toekomst behoort aan de vlieg-werktuigen! De vogel vliegt, toch is het geen ballon maar wel degelijk een machine!”
“Ja! hij vliegt!” riep de van woede kokende Bat. T. Fijn uit; “maar hij vliegt tegen alle wetten der werktuigkunde in! Dat zult gij moeten erkennen, als gij maar een greintje gezond verstand in uw dwaas hoofd hebt!”
“Zoo, zou ik dat moeten erkennen!” antwoordde Robur, terwijl hij minachtend de schouders optrok.
Daarop vervolgde hij:
“Sedert men de vlucht der groote en kleine vliegende dieren bestudeerd heeft, heeft deze eenvoudige meening zich geheel en al op den voorgrond gedrongen, namelijk: dat om te slagen, men slechts de natuur na te volgen heeft, want die vergist zich nooit. Tusschen den albatros, die ter nauwernood tien vleugelslagen in de minuut volvoert....”
“Negen en een halve!” riep eene spottende stem uit.
“En den pelikaan, die er zeventig volvoert....”
“Een en zeventig!”
“En de bij, die haar vleugeltjes honderd twee en negentig malen in de seconde op en neer beweegt....”
“Honderd drie en negentig malen!....” werd er hatelijk spottend geroepen.
“En de gewone huisvlieg, die dat drie honderd en dertig malen verricht....”
“Drie honderd dertig en een halven keer!....”
“En de muskiet, die dat millioenen malen doet....”
“Milliarden malen, wilt gij zeggen, niet waar?”
Maar Robur liet zich niet van zijn stuk brengen, hoe dikwijls hij ook in de rede gevallen werd. Hij vervolgde dan ook onverstoorbaar zijn betoog:
“Tusschen die verschillende afwijkingen....”
“Behoort op de allergrootste afwijking, die van uwe hersenen gelet te worden!”
“.... bestaat de mogelijkheid, om eene practische oplossing te vinden.”
“Gekheid! Onverstand! Het scheelt den kerel in zijn bol!”
“Toen de heer de Lucy afdoend bewees....”
“Wat bewees?”
“Dat de schalebijter, een insect, hetwelk, zooals de leden van Weldon-Institute wel weten zullen, slechts twee grammen weegt...”
“Twee en een kwart!”
“Nu dan, een insect dat twee en een kwart grammen weegt, een gewicht van vier honderd grammen kan optillen....”
“Vier honderd en vijftig grammen.”
“Dus twee honderd malen zwaarder dan het zelf weegt, was het vraagstuk van de vliegkunst opgelost....”
“De kerel is krankzinnig!”
“Men heeft daarenboven aangetoond en bewezen, dat de afmeting van de oppervlakte van den vleugel betrekkelijk vermindert, naarmate de omvang en het gewicht van het dier verminderen. Daaropafgaande, heeft men de vervaardiging uitgedacht van meer dan zestig toestellen, die....”
“Die nimmer hebben kunnen vliegen!” riep Phil Evans, de secretaris van Weldon-Institute uit.
“Die gevlogen hebben of die vliegen zullen,” ging Robur voort, zonder zich uit het veld te laten slaan. “En of men ze nu ook al streophoren, helicopteren of orthoptheren noemde, of dat men ze ook al vaartuig heette, het toestel bestaat dat den mensch tot heer en meester van de luchtruimte zal maken.”
“O, gij bedoelt de schroef,” hernam Phil Evans sarcastisch. Maar geen vogel is in het bezit van eene schroef.... ten minste voor zoover wij weten.”
“Welnu, dan weet gij het niet goed. Zooals de heer Penaud degelijk bewezen heeft, is de geheele vogel eene schroef en is zijne vlucht aan die der helicopteren gelijk. De schroef is dan ook de motor van de toekomst....”
D’un pareil maléficePreservez nous,Sainte Hélice!
D’un pareil maléficePreservez nous,Sainte Hélice!
D’un pareil maléfice
Preservez nous,Sainte Hélice!
neuriede een der aanwezigen, die bij toeval dat wijsje uit deZampavan Herold onthouden had.
Het geheele gezelschap viel daarop in koor in en herhaalde dat refrein met zulke oorverscheurende tonen, dat de Fransche componist voorzeker zich van afschuw in zijn graf heeft moeten omkeeren.
Toen eindelijk de laatste tonen van die kattenmuziek zich in een vervaarlijk geschreeuw opgelost hadden, meende Uncle Prudent, die van eene zeer kortstondige verademing bij dat leven maken behendig gebruik maakte, te moeten zeggen:
“Burger vreemdeling, men heeft u tot nog toe het woord laten voeren, zonder u in de rede te vallen....”
Het scheen dat voor den voorzitter van Weldon-Institute, die toornige uitroepen, dat geschreeuw, de bedreigingen, die geuit waren, niet golden, maar dat die slechts beschouwd werden als eene eenvoudige wisseling van gedachten of van argumenten.
“Intusschen meen ik u te moeten herinneren,” ging de president voort, “dat de theorie der vliegkunst door het meerendeel der Amerikaansche werktuigkundigen en ook door anderen bij voorbaat veroordeeld en verworpen is. Dat systeem, hetwelk den dood van Sarrazin Volant te Constantinopel, dien van den monnik Voador te Lissabon, dien van Letur in 1852, van Groof in 1864 op zijne rekening heeft, zonder nog te tellen de slachtoffers, die ik vergeet, en waarbij de mythologische Icarus niet mag vergeten worden....”
“Dat systeem,” viel Robur den voorzitter in de rede, “is niet in meerdere mate te veroordeelen, dan dat welker martelaarslijst de namen van Pilatre des Roziers te Calais, van mevrouw Blanchard te Parijs, van Donaldsen en Greinwood, in het meer van Michigan verdronken, van Swel en van Crocé-Spinelli en van zooveel anderen bevat, die wel nimmer vergeten zullen worden.”
Dat was een degenstoot “á fond”, zooals men in de schermzaal zou zeggen.
“Daarenboven,” hernam Robur, “met uw luchtballon, hoe volmaakt zij ook zijn moge, zult gij nimmer eene snelheid bereiken, die daadwerkelijk practisch bevonden zal worden. Gij zoudt drie jaren noodig hebben om de reis rondom de wereld te volvoeren, wat eene vliegmachine in acht dagen zal kunnen doen.”
Andermaal had er eene uitbarsting van verwenschingen plaats, die als protest moesten dienen, maar die in de eerste vijf minuten niet tot bedaren te brengen waren.
Eindelijk toch gelukte het aan den secretaris Phil Evans, om aan het woord te komen.
“Mijnheer de vliegkundige,” vroeg hij, “gij die zoozeer de voordeelen der vliegkunst bij ons komt ophemelen, zeg mij: hebt gij ooit gevlogen?”
“Bepaald!”
“Dus gij hebt de lucht veroverd?”
“Misschien, mijnheer de secretaris.”
“Hurrah! voor Robur den Veroveraar!” riep eene spottende stem snijdend uit.
“Hurrah! voor Robur den Veroveraar!” herhaalden al de aanwezigen met vijandigen geestdrift.
“Welnu, ja! Robur de Veroveraar!” hernam de spreker. “Dien naam neem ik aan, dien naam zal ik dragen; want ik heb er alle recht op!”
“Gij zult ons veroorloven dat te betwijfelen!” riep Jem Cip met schrille stem uit.
“Betwijfelen?”
“Ja, zeker, betwijfelen! Hebt gij daar iets op tegen? Komaan, zeg het dan maar!”
“Mijne heeren,” hernam Robur, terwijl hij de wenkbrauwen fronste, “wanneer ik eene ernstige zaak op de meest ernstige wijze bij u kom bepleiten, dan wil ik niet, dat men mij voor leugenaar houdt. Mag ik den naam weten van hem, die mij het laatst in de rede gevallen is?”
“Zijn naam?” vroeg Uncle Prudent.
“Ja, zijn naam, mijnheer de voorzitter!”
“Ik heet Jem Cip.... en ben vegetariër....”
“Burger Jem Cip,” hernam Robur, “ik wist reeds lang, dat de darmen van de vegetariërs langer zijn, dan die van andere menschen.”
“Wat heeft dat met de zaak te maken?” vroeg Jem Cip stoutmoedig bij die onverwachte wending van het gesprek.
“Laat mij voortgaan. Die darmen zijn, wel is waar, slechts een voet langer dan die van anderen. Dat is reeds veel,—dat beken ik,—maar noodzaak mij nu niet, ze nog langer te doen worden, door u bij de ooren te trekken....!”
“De deur uit met den kerel!”
“Smijt hem de straat op!”
“Verscheurt hem:”
“Met vier paarden!”
“De lynchwet!”
“Hij moet aan de ooren getrokken worden!”
“Neen, wij zullen hem als eene schroef draaien en wringen!....”
“Dat heeft hij verdiend!”
“En meer dan dat!”
De woede der vereenigde ballonisten in Weldon-Institute was ten top gestegen.
Zij waren van hunne stoelen opgevlogen en omringden thans gillend en schreeuwend het spreekgestoelte.
Robur verdween als het ware in een woud van armen, die zich krampachtig bewogen, alsof zij door een hevigen stormwind heen en weer geschud werden.
Te vergeefs gilde de stoomfluit van den voorzitter te midden van die menigte!
Geheel Philadelphia moest dien avond wel gelooven, dat een hevige brand een der voornaamste stadskwartieren verwoestte, en dat al het water van de Schuylkill-rivier niet voldoende zoude zijn om dien te blusschen.
Plotseling stoof de menigte achteruit. Robur had zijne handen uit zijne zakken gehaald en stakdieplotseling naar de eerste rij van die verbitterden uit.
In beide handen hield hij een van die Amerikaansche ploertendooders, die behoorlijk de vuist wapenen en haar als eene knots doen neerkomen, maar tegelijkertijd ook revolvers zijn, waarop de vingers slechts te drukken hebben, om de schoten te doen afgaan; in één woord: ware zak-mitrailleuses.
En toen gebruik makende van het achteruitstuiven der aanvallers en ook van de stilte, die dien terugtocht vergezelde, zeide hij:
“Inderdaad, het is niet Americus-Vespucius, die de Nieuwe Wereld heeft uitgevonden, maar Jocrisse. Gij zijt, bij mijne ziel, geen Amerikanen, maar ware Jocr....”
In dit oogenblik knalden vier of vijf schoten, welker projectielen slechts gaten in den wand maakten en derhalve niemand kwetsten. De werktuigkundige verdween te midden van den kruitdamp, en toen die opgetrokken was, vond men geen spoor van dien zonderling.
Robur de Veroveraar was weggevlogen, alsof een of andere vliegmachine hem door de lucht naar de bovenste dampkringslagen vervoerd had.
Ontegenzeggelijk hadden het geschreeuw en het spektakel, die in den regel het gevolg waren der stormachtige zittingen van Weldon-Institute, en door de leden bij het verlaten van het gebouw aangeheven en veroorzaakt werden, meer dan eens de rust van de bewoners van Walnut-street en van de aangrenzende wijken gestoord. Herhaaldelijk hadden die eerzame burgers terecht klachten ingebracht over die eindberaadslagingen in de open lucht, welke hen gewoonlijk in hunne vreedzame verblijven deden opschrikken. Meer dan eens hadden de politie-agenten hulp moeten verleenen om het openbaar verkeer open te houden voor de voorbijgangers, die voor het meerendeel zeer onverschillig waren voor de behandelde vraagstukken der luchtvaart. Maar tot heden had het straatrumoer nimmer zulke afmetingen aangenomen, als nu geschiedde. Nooit waren de klachten meer gebillijkt en nimmer was de tusschenkomst der politie-agenten meer noodzakelijk geweest.
Toch waren, volgens onze zienswijze, de leden van Weldon-Institute wel eenigermate te verontschuldigen. Men was er toch niet voor teruggedeinsd, hen op hun eigen grondgebied te komen aanvallen. Tot die heethoofdige aanhangers van het stelsel: “lichter dan de lucht”, had een niet minder heethoofdige aanhanger van het stelsel: “zwaarder dan de lucht” zeer onaangename dingen gezegd. Daarbij kwam nog, dat hij plotseling verdwenen was, toen men hem eene tuchtiging had willen toedienen, die hij, volgens aller meening, zoozeer verdiend had.
Dat schreeuwde natuurlijk om wraak.
Kon men zulke beleedigingen in gemoede ongestraft laten! Neen, dat kon niet! Men zou geen Amerikaansch bloed in de aderen moeten hebben! Nakomelingen van den roemrijken Americus Vespuciusvoor Jocrisse uit te schelden! Dat was eene beleediging, die onvergeeflijk was, daar zij toch eenigermate doel had getroffen.
Niet in Amerika, mijnheer! Niet in Amerika! Bladz. 43.Niet in Amerika, mijnheer! Niet in Amerika! Bladz.43.
Niet in Amerika, mijnheer! Niet in Amerika! Bladz. 43.
Niet in Amerika, mijnheer! Niet in Amerika! Bladz.43.
“Niets kwetst meer dan waarheid,” zegt een oud spreekwoord.
De leden van de Club verschenen dus in verscheidene groepen in Walnut-street en verspreidden zich van daar, steeds heftig opgewonden, in de naburige straten en van daar door het geheele stadskwartier. Door hun vreeselijk tumult wekten zij de bewoners uit hunnen zoeten slaap. Zij noodzaakten hen, om hunne huizen te laten doorzoeken en waren volstrekt niet ongenegen, om later schadevergoeding te betalen voor den overlast, dien zij veroorzaakt, en voor de inbreuk, die zij zich veroorloofd hadden op de onschendbaarheid van het private leven, die bij de volkeren van het Anglo-Saksische ras zoo zeer geëerbiedigd is.
Al die nasporingen en die plagerijen waren evenwel te vergeefs. Robur werd nergens bespeurd.
Geen enkel spoor was van hem achtergebleven. Als hij met deGo ahead, de luchtballon van Weldon-Institute vertrokken ware, zou hij niet meer onvindbaar geweest zijn.
Na een vol uur met nasporingen zoek gebracht te hebben, moest men het opgeven. De Club-leden scheidden evenwel niet dan nadat zij bij plechtigen eed gezworen hadden, dat zij hunne nasporingen over het geheele grondgebied zouden uitstrekken, hetwelk zoowel tot Noord- als tot Zuid-Amerika behoort, en dat het Nieuwe Vasteland genoemd wordt.
Het was intusschen reeds elf uur geworden, alvorens de rust in het stadskwartier hersteld was. Eindelijk dan toch konden de bewoners zich aan een diepen slaap overgeven, die slechts genoten wordt in steden, die niet met de nijverheid te doen hebben en waarin derhalve geene fabrieken met hunne geraasmakende machines en stank verspreidende schoorsteenen aangetroffen worden. De verschillende Club-leden begaven zich naar hunne respectieve woonhuizen. Zoo deed William T. Forbes, toen hij zijne schreden naar zijne lompen-suikerfabriek richtte, waar miss Doll en miss Matt hem met een kopje thee wachtten, die zij met zijn eigen lompen-glucose gesuikerd hadden. Zoo begaf zich Frank Milner ook naar de afgelegen voorstad, waar zijne fabriek gebouwd was, welker werktuigen nacht en dag door stoomden en stampten. Zoo ging ook Jem Cip, die in het openbaar beschuldigd was een voet meer darmen te bezitten dan een gewoon menschenkind, naar huis, waar hem als vegetariër een avondmaal van groenten en peulvruchten wachtte.
Twee der voornaamste ballonisten—twee slechts—dachten er niet aan om hunne woonhuizen op te gaan zoeken. Zij maakten van de gelegenheid gebruik, om met nog meer verbittering dan gewoonlijk te kibbelen. Dat waren onze onverzoenbare bekenden, Uncle Prudent en Phil Evans, de president en de secretaris van Weldon-Institute.
De knecht Frycollin wachtte Uncle Prudent, zijn meester, aan de deur van de Club.
Hij volgde hem zonder zich om de redenen van den twist tusschen die twee te bekommeren.
Hierboven werd van kibbelen gesproken. Dat geschiedde uit een gevoel van welwillendheid jegens die twee, om hun gedrag eenigermate te vergoelijken. Maar zij twistten inderdaad en nog wel met die geestkracht, die door hunne oude mededinging gevoed werd.
“Neen, mijnheer, neen!” herhaalde Phil Evans. “Wanneer ik de eer had gehad voorzitter te zijn van Weldon-Institute, dan zou nooit, neen, nooit zoo’n schandaal plaats gegrepen hebben!”
“En verondersteld, dat gij die eer gehad hadt, wat zoudt gij dan gedaan hebben?” vroeg Uncle Prudent.
“Wat ik zou gedaan hebben?”
“Ja, ik vraag u: wat gij in dat geval zoudt gedaan hebben?”
“Ik zou dien openbaren beleediger het woord ontnomen hebben....”
“Zoo?....”
“Nog voordat hij tijd gehad zou hebben, om den mond te openen!”
“Ei, ei! Maar om iemand het woord te ontnemen, moest men hem toch eerst laten spreken, dunkt me?”
“Niet in Amerika, mijnheer! Niet in Amerika!”
En terwijl zij elkander zoo schimpscheuten naar het hoofd wierpen, stapten zij de straten door, die hen al meer en meer van hunne woningen verwijderden. Zij doorsneden stadskwartieren, welker ligging hen tot aanmerkelijke omwegen noopte.
Frycollin volgde hen steeds; maar hij gevoelde zich toch niet op zijn gemak, toen hij bespeurde, dat zijn meester zich naar zeer eenzame plaatsen begaf. En de bediende Frycollin hield niet van die plaatsen, vooral wanneer het middernachtuur nabij was. Inderdaad het was pikdonker en de maan, die wassende en nog maar als een zilveren sikkeltje aan den hemel verschenen was, had die duisternis maar zeer weinig verminderd. Daarenboven was zij op het punt van onder te gaan.
Frycollin keek dan ook rechts en links, om te zien of geen verdachte schaduwen hen bespiedden. En, waarachtig, hij meende dat vijf of zes groote duivelengedaanten hen niet uit het oog verloren.
De bange kerel naderde instinctmatig zijn meester; maar voor niets ter wereld zou hij dezen hebben durven in de rede vallen, vooral niet te midden van een zoo heftig gesprek, waarvan hij waarschijnlijk de onaangenaamheden in den vorm van klappen zou ondervinden.
Om kort te gaan, het toeval alleen was schuld, dat de voorzitter en de secretaris van Weldon-Institute, geheel onbewust en al twisttende, hunne schreden naar Fairmont-Park richtten.
Daar overschreden zij, terwijl zij onafgebroken voorttwistten, de Schuylkill-rivier langs de beroemde metaalbrug. Zij ontmoetten slechts eenige voorbijgangers, die zich verlaat hadden, en bevonden zich eindelijk op een onmetelijk terrein, waarvan het eene gedeelte uitgestrekte weilanden vormde, terwijl het andere gedeelte een overheerlijk park daarstelde, hetwelk door zijn hoog geboomte en zijn doelmatigen aanleg, als het fraaiste van de geheele wereld kan geroemd worden.
Daar werden de schrik en de angst van den knecht Frycollin ten top gevoerd. En ditmaal niet zonder reden; want thans had hij heel duidelijk gezien en waargenomen, dat die vijf of zes spookachtige gedaanten hen tersluiks over de brug van de Schuylkill-rivier gevolgd waren. Zijn oogappels waren dan ook door den angst zoodanig uitgezet, dat zij zich zoo groot vertoonden als het geheele regenboogvlies zijner oogen. Maar ter zelfder tijd dat die oogappels zich uitzetten, kromp zijn lichaam als het ware in, alsof het bedeeld ware met die kracht van samentrekking, eigen aan de meeste weekdieren en aan sommige geleede dieren.
Ja, inderdaad, de knecht Frycollin was een bange kerel. Een lafaard in een woord.
Frycollin was een neger, in Zuid-Carolina geboren. Hij had een groot dom hoofd, hetwelk met een langen nek op een ellendig mageren romp geplant stond. Hij telde een en twintig jaren en was derhalve nimmer slaaf geweest, zelfs krachtens zijne geboorte niet. Maar of hij daardoor meer waarde als mensch had, kan gerust ontkend worden. Hij was een grappenmaker, die gewoonlijk leelijke gezichten trok, daarbij gulzig, lui en boven alle beschrijving laf was. Hij was sedert drie jaren in dienst bij Uncle Prudent. Deze was honderd malen op het punt geweest, om hem de deur uit te zetten; de vrees voor nog erger had hem weerhouden. Dat die lafhartigheid den armen drommel, wiens bestaan om zoo te zeggen innig met het leven van zijn meester, die steeds gereed stond aan de dolste en stoutmoedigste ondernemingen deel te nemen, saâmgeweven was, menig angstig oogenblik berokkende, zal wel niet behoeven gezegd te worden. Maar die oogenblikken van dollen angst hadden hunne tegenstellingen, werden door andere hoedanigheden voldoende opgewogen. Zoo liet men zijne gulzigheid nagenoeg den vrijen teugel en zoo ook zijne luiheid.
Maar.... Maar.... O, arme Frycollin, als ge eens in de toekomst hadt kunnen lezen!
Waarom was Frycollin niet te Boston gebleven, waar hij in dienstwas van eene zekere familie Sneffel? Wel is waar, was die op het punt geweest, om eene reis naar Zwitserland te ondernemen. Dit had Frycollin minder aangestaan en daarom had hij toen op zijn ontslag aangedrongen. Toen de familie Sneffel van die reis afzag, bij het vernemen der aardstortingen, die in de Alpen plaats gehad hadden, was het te laat. En toch zou de dienst bij dat vreedzame gezin hem beter geleken hebben, dan bij Uncle Prudent, die de stoutmoedigheid en de waaghalzerij in eigen persoon was.
Er viel niet veel meer aan te doen. Frycollin was in dienst van den voorzitter van Weldon-Institute en deze was er zelfs mede geëindigd, zijne gebreken over het hoofd te zien. En die gebreken, wij weten het reeds, waren velen. Maar tegenover die gebreken stond eene goede hoedanigheid. Hoewel hij neger van oorsprong was, sprak hij geen neger-engelsch. En dat was te waardeeren; want er bestaat niets afschuwelijkers dan die platte taal, waarin de bezittelijke voornaamwoorden en de onbepaalde wijs voor de werkwoorden tot in het oneindige voorkomen.
Het is dus als onwraakbaar bewezen aan te nemen, dat Frycollin laf was, “laf als de maan”, zoo als een volksgezegde zich uitdrukt.
Tegen die volksuitdrukking, die zoo beleedigend mogelijk is voor de blonde Phoebé, de zachte Selena, de kuische Diana, de zuster van den schitterenden Apollo, valt onzes inziens protest aan te teekenen. Welk recht heeft men om dien trouwen wachter, die, zoolang als de aarde bestaat, haar steeds het aangezicht, maar nimmer hare keerzijde vertoond heeft, van lafhartigheid te beschuldigen?
Maar die quaestie daargelaten, zooveel is zeker, dat thans, op dat middernachtuur, de sikkel van de “bleeke belasterde” op het punt was in het westen, achter de loofkruinen van het hooge geboomte te verdwijnen. Hare stralen gleden als het ware tusschen de takken door en teekenden op den grond grillige lichtbeelden, die de duisternis er naast nog zwarter maakten.
In weerwil daarvan keek Frycollin steeds scherp uit. Het was alsof hij de eigenschap der katten en der uilen bezat, namelijk in het donker te kunnen zien.
“Br!” zei hij bij zich zelven. “Die schoften volgen ons steeds! En inderdaad zijn zij reeds meer nabij gekomen.”
Eindelijk kon hij het niet meer uithouden. Hij naderde zijn baas.
“Master Uncle,” zei hij.
Zoo noemde hij zijn meester en zoo wilde de voorzitter van Weldon-Institute aangesproken worden.
In dit oogenblik was de twist tusschen de beide mededingers tot zijn hoogsten graad van opgewondenheid gestegen. En daar zijelkander hartelijk naar den duivel wenschten, werd Frycollin barweg verzocht de reis ook derwaarts te ondernemen. De arme neger was zeer beangst voor Beëlzebub en durfde derhalve den mond niet meer open doen.
Maar terwijl die twee Yankees zoo twistten en elkander afsnauwden, stapten zij al verder en verder de eenzame weilanden, die Fairmont Park begrenzen, door, waarbij zij zich steeds verder van de Schuylkill-rivier verwijderden, en dus ook van de brug, die haar overspande en het eenige toegangspunt was, om de stad weer binnen te komen.
Ons drietal bevond zich eindelijk te midden van een groep hoog opgaande boomen, welker boventakken nog slechts door het zwakke maanlicht beschenen werden. Op de grens van die boomgroep was eene uitgestrekte vlakte, die een ovalen vorm had en een prachtige gelegenheid aanbood voor een wedstrijd van velocipedisten of van cricketspelers of voor een wedloop van renpaarden. Geen enkele terreinplooi zou menschen of paarden den minsten hinderpaal in den weg gelegd hebben. Geen enkele boom of struik zou den blik der toeschouwers over een oppervlakte van verscheidene mijlen begrensd hebben.
En toch, wanneer de aandacht van Uncle Prudent en van Phil Evans niet zoo door hun twisten in beslag genomen was, wanneer zij met eenige aandacht rond gekeken hadden, dan zou het hun niet ontgaan zijn, dat die vlakte haar gewoon uiterlijk niet meer had. Het was alsof daar inderdaad een gevaarte stond, waarboven schroefvormige windschepraderen, die evenwel thans stilstonden, in het halfduister scherp tegen de lucht afstaken.
Maar noch de voorzitter, noch de secretaris van Weldon-Institute merkte die vreemdsoortige verandering in het uiterlijk voorkomen dat het landschap van Fairmont-Park ondergaan had, op. Frycollin zag er ook niets van. Hij had alleen oog en ooren voor de gedaanten, die hij meende opgemerkt te hebben. Het scheen hem toe, dat die geheimzinnige wezens naderden, dat zij hun kring nauwer toesloten, alsof zij een misdadigen aanslag op het oog hadden. Hij kreeg bijna stuipen van angst; zijne ledematen waren schier verstijfd, terwijl zijne haren op zijn hoofd rechtop rezen. In één woord, de schrik was bij hem ten top gestegen.
Toch had hij, terwijl zijne knieën knikten, de geestkracht nog om met bezwijmende stem te roepen:
“Master Uncle!.... Master Uncle!”
Hij verkreeg evenwel geen gehoor. Uncle Prudent en Phil Evans twistten maar voort.
“Master Uncle!.... Master Uncle!....” kreet de rampzalige Frycollin voor de laatste maal.
“Maar, voor den duivel! wat is er dan toch?” vroeg Uncle Prudent ten hoogste ongeduldig.
Wellicht zoude hij en ook Phil Evans niet rouwig geweest zijn, hun toorn jegens elkander op de schouders van den rampzaligen Frycollin te ontlasten. Handen en vuisten waren reeds opgeheven. Het zou klappen en vuistslagen regenen. Gelukkig evenwel, dat er geen tijd was, voor de eene partij om die klappen uit te deelen, voor de andere om ze te ontvangen.
Een stoot, door een scherp fluitje teweeggebracht, werd in het bosch vernomen. En, alsof dat een sein ware, verscheen te midden van het open gedeelte van het park eene soort van electrische ster.
Wat dat te beduiden had? Onze beide nachtelijke wandelaars konden dat zelfs niet gissen. Instinctmatig evenwel begrepen zij dat dit gefluit en die verlichting het sein waren tot het plegen van de een of andere gewelddaad.
In minder tijd dan noodig was om den toestand te overzien, ja bliksemsnel, sprongen zes mannen uit het bosch, waarvan twee zich op Uncle Prudent wierpen, twee op Phil Evans en twee op den knecht Frycollin. Blijkbaar waren die twee laatste te veel; want de neger was buiten staat zich te verdedigen.
Hoewel de voorzitter en de secretaris van Weldon-Institute bij dien aanval geheel onvoorbereid overvallen waren, zoo poogden zij toch ten krachtigste weerstand te bieden. Zij hadden er echter noch den tijd, noch de kracht toe.
In minder tijd dan noodig is om dien overval te verhalen, was hun een prop in den mond gestoken, die hun belette om hulp te schreeuwen, had men hen de oogen geblinddoekt, en waren zij stevig gekneveld, zoodat zij onmogelijk zich verder verzetten konden. Toen zij zoo onschadelijk gemaakt waren, droeg men hen zoo snel mogelijk naar het open gedeelte van het park.
Wat viel er bij zoo’n overval anders te denken, dan dat zij met lieden te doen hadden, wier geweten zoo ruim en zoo rekbaar was, dat zij er niets misdadigs in zagen de lieden, die zich bij hunne wandelingen in het bosch waagden, uit te kleeden en te berooven.
Eigenaardig evenwel, men raakte niet aan hunne zakken, men betastte hen zelfs niet, hoewel Uncle Prudent, volgens zijne gewoonte, een duizend dollars in banknoten bij zich had.
Om kort te gaan, een minuut na de volbrenging van dien overval, waarbij geen woord tusschen de aanvallers gewisseld was geworden, voelden Uncle Prudent, Phil Evans en Frycollin dat men hen neerlegde, niet op de graszoden van het park, maar op een soort planken vloer, die eenigermate onder hun gewicht kraakte. Daar werden zij netjes naast elkander uitgestrekt. Zij hoorden eene deur achter zich dichtslaan, terwijl het schuiven van een grendelboutin het daarvoor bestemde ijzeren oog, hen vrij duidelijk aankondigde, dat zij gevangen waren.
Toen vernamen zij een soort van onafgebroken geritsel, dat wel met eene trilling kon vergeleken worden. Het was een eindelooze toon of beter een gevoel van frrrr of trrrr, dat hun geheele lichaam doortrilde, zonder dat eenig ander geluid in dien zoo kalmen nacht waarneembaar was.
Welke schrik heerschte er den volgenden ochtend in Philadelphia! Dat laat zich begrijpen.
Al zeer vroeg wist iedereen reeds, wat des avonds te voren in de vergaderíng van de leden van Weldon-Institute voorgevallen was. Men had vernomen,—hoe en door wien, dat kon niemand verklaren,—dat een geheimzinnig persoon, een zekere werktuigkundige, Robur genaamd,—Robur de Veroveraar!—verschenen was en dat hij een wedstrijd had willen aangaan met de ballonisten; maar dat hij toen op eene onverklaarbare wijze verdwenen was, zonder dat men er in had kunnen slagen, hem weer op te sporen. Dat alles had de bevolking ten zeerste verwonderd.
Maar de verwondering sloeg tot schrik over, toen de geheele stad vernam, dat de voorzitter en de secretaris van Weldon-Institute ook gedurende den nacht van den 13denJuni geheimzinnig verdwenen waren. Dat was inderdaad eene ontzettende gebeurtenis.
Het zou onmogelijk zijn, al de nasporingen mede te deelen, die zoowel in de stad zelve als in de omstreken gedaan werden. Zij waren evenwel totaal vruchteloos. De dagbladen van Philadelphia, daarna die van Pennsylvanië, en eindelijk die van geheel Amerika, namen die raadselachtige verdwijning onder hunne berichten op en wijdden geheele kolommen aan de bespreking daarvan, waarbij zij de toedracht op honderderlei verschillende wijzen verhaalden, zonder de waarheid ook maar nabij te komen.
Door middel van advertentiën en van aanplakbiljetten werden belangrijke sommen uitgeloofd, niet alleen aan hem, die de vermisten terugvond, maar ook aan een ieder, die de een of andere degelijke aanwijzing kon doen, geschikt om hen op het spoor te komen.
Niets evenwel hielp. Niets! Niets!
Als de bodem opengescheurd ware, om den voorzitter en den secretaris van Weldon-Institute te verzwelgen, dan zouden zij niet spoorloozer van de oppervlakte der aarde verdwenen kunnen zijn.
De dagbladen van de gouvernementspartij drongen er op aan, dat aan het personeel der politie op ruime schaal uitbreiding gegeven werd. Zij wezen ernstig op de noodzakelijkheid van dien maatregel, daar dergelijke aanslagen op een paar van de besteburgers van de Vereenigde Staten van Noord-Amerika volvoerd konden worden. En daarin moest iedereen hun gelijk geven, niet waar?