Dat die geheimzinnige wezens naderden. Bladz. 46.Dat die geheimzinnige wezens naderden. Bladz.46.Het is waar, dat de oppositiebladen de ontbinding der politiemacht eischten. Zij beweerden, dat die macht geheel nutteloos was, daar zulke aanslagen ongehinderd volvoerd konden worden, zonder dat de euveldaders gesnapt of ook maar bekend waren geworden.—En daarin moest iedereen ook dezen gelijk geven, niet waar?De uitslag van dat twistgeschrijf was, dat de politie bleef hetgeen zij was en hetgeen zij steeds zijn zal op onze aarde, die, in weerwil dat zij niet volmaakt is en ook niet zijn kan, de beste aller werelden genoemd moet worden.V.Waarin een schorsing van vijandelijkheden tusschen den voorzitter en den secretaris van Weldon-Institute ingewilligd wordt.Het was een rare toestand, waarin Uncle Prudent, Phil Evans en de knecht Frycollin zich bevonden.Zij hadden een band voor de oogen, en een prop in den mond. Vandaar dus eene totale onmogelijkheid, om te kunnen zien, om te kunnen hooren.Hunne handen en voeten waren met stevige touwen gebonden. Vandaar dus eene totale onmogelijkheid, om van de plaats te kunnen komen of zichzelven te kunnen bevrijden.Dat alles was niet geschikt om den toestand van ons drietal prettig of zelfs maar dragelijk te maken.Daarenboven niet te weten, welke de uitvoerders van zoo’n oplichting waren; onbekend te zijn met de plaats, waarin zij gesmeten waren, alsof het ijlgoed in een goederenwagen van een sneltrein ware; geen denkbeeld te hebben noch van de plek op Gods lieve aarde, waar zij zich bevonden, noch van het lot, hetwelk hen beschoren kon zijn; dat alles was wel geschikt om zelfs wezens, tot het schapengeslacht behoorende, buiten hun humeur te brengen. En de lezers weten dat de leden van Weldon-Institute, wat het geduld betreft, nu niet precies voor schapen konden doorgaan.Als men de heftigheid van karakter van Uncle Prudent in aanmerking neemt, dan valt licht te beseffen, wat er in diens ziel moest omgaan.Maar wat er ook van aan zij, zooveel is zeker, dat hij en Phil Evans tot de overtuiging kwamen dat het moeielijk zou zijn, om den volgenden avond op de vergadering van de club tegenwoordig te zijn.Wat Frycollin betrof, die lag daar met gesloten oogen en metgesloten mond. Het was hem onmogelijk zijne bovendien reeds zoo schrale gedachten op iets te vestigen. Hij was eer dood dan levend.De toestand der gevangenen onderging gedurende het eerste uur van hunne inhechtenisneming geene wijziging. Niemand kwam hen opzoeken en niemand kwam hun het gebruik van hunne armen, oogen en mond weergeven. Toch snakten zij daar zeer naar.Alles, waartoe zij zich bepalen konden, was het slaken van zuchten, het kreunen van een erbarmelijk “helaas!” voor zooveel de prop in hun mond zulks toeliet, of het volvoeren van sprongen, niet ongelijk aan jammerlijke karpers, die op het droge liggen te gapen. De lezer zal begrijpen, hoeveel innerlijke, of beter: gebonden toorn en woede daar opgevreten werd. Eindelijk, na eene reeks van vruchtelooze pogingen, om zich te bevrijden, bleven zij als machteloos liggen. Maar toen poogden zij, daar het zintuig van het gezicht hun ontnomen was, door het gehoor te vernemen of te raden, in welken onrustbarenden toestand zij zich bevonden. Ook dat was geheel en al vergeefs, want zij vernamen geen ander geluid dan het eindeloos en onverklaarbaar “frrr”, dat hen als met een trillenden dampkring omgaf.Evenwel gebeurde het, dat de secretaris Phil Evans, die niet zoo heet gebakerd was als Uncle Prudent, en derhalve met meer kalmte te werk ging, er in slaagde het koord, dat zijn polsgewrichten samenbond, los te maken. Eindelijk knelde de knoop niet meer zoo sterk, zijne vingers gleden over elkander en weldra had hij het gebruik zijner handen herkregen.Hij wreef zich de gewrichten met kracht, ten einde den bloedsomloop te herstellen, die door dat binden gestremd geweest was. Een oogenblik later had de secretaris Phil Evans den band afgerukt, die hem blinddoekte, den prop uitgehaald, die hem den mond snoerde, en met behulp van het scherpe lemmet van zijn bowie-knife de touwen doorgesneden, die hem handen en voeten gekneveld hadden. Een echte Amerikaan verlaat zijne woning niet, zonder zijn bowie-knife op zak; zonder dit zou hij geen Amerikaan genoemd kunnen worden.Maar al kon de secretaris Phil Evans zich nu ook bewegen en spreken, dan was dat toch alles, wat hij met zijne pogingen verworven had. Van zijne oogen kon hij in dit oogenblik ten minste geen nuttig gebruik maken; want het was pikdonker in de cel of het hok, waarin zij zich bevonden. Toch sijpelde als het ware een zwakke lichtstraal door een soort schietgat, hetwelk in den wand op eene hoogte van ongeveer zes of zeven voet boven hen aangebracht was.In weerwil van den plaats gehad hebbenden twist, aarzelde de secretaris Phil Evans geen enkel oogenblik, om zijn mededingerte verlossen. Eenige bewegingen met zijn bowie-knife waren voldoende, om de touwen door te snijden, die de handen en voeten van Uncle Prudent knevelden. Onze voorzitter richtte zich, half razend van woede, op de knieën overeind en rukte den doek van zijne oogen en den prop uit zijn mond.Daarop zei hij met eene stem, alsof hij op het punt was van te stikken:“Dankje!”“Neen, dat niet.”“Wat niet?”“Je behoeft mij niet te bedanken.”“Phil Evans?....”“Uncle Prudent?....”“Hier bestaat geen voorzitter meer van Weldon-Institute!”“En geen secretaris meer van de club!”“Dus geen mededingers meer!”“Juist gezien!”“Gij hebt gelijk.” ging Phil Evans voort.“Ik heb altijd gelijk!” bevestigde Uncle Prudent.“Er zijn hier slechts twee mannen aanwezig, die zich wreken willen en wreken zullen....”“Op wien?”“Op een derde, wiens aanslag weergaloos te noemen is!”“Ja, weergaloos en die de strengste weerwraak eischt.”“En die derde is?....”“Dat is Robur!....”“Ja, dat is Robur!....”Dat was dus een punt, waaromtrent de gewezen mededingers het eens waren. Hierover was geen twist te vreezen.“En uw knecht,” merkte de secretaris op, terwijl hij op den neger Frycollin wees, die als een bruinvisch blies, “moeten wij hem ook losmaken?”“Nog niet,” antwoordde Uncle Prudent.“Waarom nog niet?” vroeg Phil Evans.“Omdat de kerel ons meer dan half dol zou maken met zijne klaagliederen.”“Dat’s juist.”“En wij hebben wel wat anders te doen, dan naar klaagliederen te luisteren.”“Wat dan, Uncle Prudent?”“Vraagt gij dat nog, Phil Evans?”“Het schijnt zoo.”“Wel, wij moeten er aan denken, om te ontvluchten, als het mogelijk is.”“Dat’s waar ook! En wij moeten ontvluchten, zelfs wanneer het onmogelijk is!”“Gij hebt gelijk, Phil Evans. Zelfs wanneer het onmogelijk is!”Overigens twijfelden zij er geen oogenblik aan, dat die oplichting van hunne personen door dien vreemdsoortigen kerel, die zich Robur noemde, gepleegd was. Iets anders kwam hun niet in het brein op, kon er ook niet in opkomen. Eenvoudige en eerlijke dieven zouden hen van hunne uurwerken, hunne juweelen, hunne portefeuilles en hunne porte-monnaies ontlast en hunne lijken, na een flinken dolksteek in de keel, in de diepte van de Schuylkill-rivier geworpen hebben, in stede van hen zonder poging tot stelen levend op te sluiten in.... Ja, waarin?....Dat was inderdaad een belangrijk vraagstuk, dat noodzakelijk opgelost moest worden.Ja, waarin zaten zij opgesloten? Dat moesten zij weten, alvorens zij eene poging tot ontsnapping, met eenige hoop op welslagen, konden ondernemen.“Phil Evans,” hernam Uncle Prudent, “in stede van bij het verlaten der vergadering zulke zoete bitterheden of bittere zoetigheden te wisselen, zooals wij gedaan hebben en waarop dus niet meer teruggekomen kan worden, hadden wij beter gedaan van minder vertoornd te zijn en beter rondom ons te kijken....”“Dat’s waar, Uncle Prudent, zeer waar!” antwoordde de secretaris Phil Evans.“Wanneer wij in de straten van Philadelphia gebleven waren,” ging de voorzitter voort, “dan zou van dat alles niets gebeurd zijn. Dunkt u dat ook niet!”“Zeer waar,” herhaalde de secretaris Phil Evans, “zeer waar, Uncle Prudent!”“Klaarblijkelijk heeft die Robur met veel snuggerheid gegist, wat er in de club gebeuren zou. Hij heeft voorzien, tot welken toorn en welke woede zijne tartende houding en gesprekken aanleiding zouden geven....”“Zeer waar, Uncle Prudent, zeer waar!”“Waarschijnlijk stonden eenige zijner bandieten bij de deur op post, om hem, als de nood aan den man kwam, te hulp te schieten. Zoo dunkt mij ten minste....”“Mij ook,” betuigde Phil Evans goedkeurend knikkend.“Toen wij de Walnutstreet verlieten, hebben die bandieten ons gevolgd en bespied....”“Zeer waar, Uncle Prudent, zeer waar!”“En toen zij zagen, dat wij zoo onvoorzichtig de donkere lanen insloegen van het eenzame Fairmont-Park, toen was de zaak klaar en de volvoering van den aanslag gemakkelijk gemaakt.”“Waar, zeer waar, Uncle Prudent,” herhaalde de secretaris Phil Evans. “Ja, wij hebben zeker groot ongelijk gehad, dat wij na de zitting niet dadelijk naar huis zijn gegaan. Groot ongelijk!”“Men heeft altijd ongelijk, wanneer men geen gelijk heeft,” betuigde Uncle Prudent heel snedig.“Inderdaad!” beaamde de secretaris.In dit oogenblik weerklonk een lange zucht in het donkerste gedeelte van de cel, waarin zij opgesloten waren.“Wat is dat?” vroeg Phil Evans.“Wat?”“Hoordet gij dien zucht niet?”“Och loop.... dat’s Frycollin, die droomt.”“Meent ge?”“Ik ben er zeker van,” antwoordde Uncle Prudent.Daarna hernam hij:“Tusschen het oogenblik, waarin wij op weinige passen van de open plek in het park gegrepen zijn geworden, en dat, waarin wij in dit hok gesmeten zijn, zijn hoogstens twee minuten verloopen....”“Ja, hoogstens!” beaamde Phil Evans.“Het is dan buiten kijf, dat die lieden ons niet buiten het Fairmont-Park gebracht hebben. Zijt gij dat niet met mij eens, Phil Evans?”“Voorzeker, Uncle Prudent; want volgens mij, wanneer zij ons buiten het Park gebracht hadden; dan zouden wij de beweging van het vervoer moeten ontwaard hebben.”“Zeer juist!” antwoordde Uncle Prudent. “Het is dus aan geen twijfel onderhevig, dat wij in een compartiment van een voertuig opgesloten zitten; misschien wel in een van die lange karren, in de Prairiën in gebruik, of in een wagen van heidenen of kermispotsenmakers.”“Dat gevoelen deel ik geheel en al,” zei Phil Evans. “Wanneer wij toch aan boord van een vaartuig gebracht waren, dat aan een der oevers van de Schuylkill-rivier vastgemeerd gelegen had, zouden wij dat door de schommelingen van de schuit bemerkt hebben bij het aan boord brengen, ook door die, veroorzaakt door den snellen stroom der rivier.”“Juist, steeds zeer juist!” herhaalde Uncle Prudent. “Daaruit maak ik twee stellingen op. De eerste is, dat wij de open plek van Fairmont-Park nog niet verlaten hebben. En de tweede daaruit afgeleide is, dat het nu of nooit het oogenblik is om te vluchten.”“En Robur dan?”“O, die zullen wij later wel terugvinden! Wees gerust. Dat neem ik op mij!”“Ja, hem weervinden, om hem betaald te zetten....”“Dubbel betaald te zetten, Phil Evans. Gij weet het heilig woord: Die zaait zal dubbel maaien!”“Om hem duur betaald te zetten dien aanslag, dien hij zich op de vrijheid van twee burgers van de Vereenigde Staten van Noord-Amerika veroorloofd heeft!”“Juist.... duur.... zeer duur betaald zetten!”“Maar,.... wie is die man?”“Dat weet ik niet, Uncle Prudent.”“Vanwaar komt hij?”“Dat weet ik ook niet.”“Is het een Engelschman, een Duitscher, een Franschman, een....”“Dat weet ik evenmin,” viel Phil Evans den voorzitter in de rede. “Maar wat ik weet....”“Welnu, wat weet gij?”“Dat het een ellendeling is! En dat is genoeg, dunkt mij.”“Mij ook.”“En nu aan het werk!”“Aan het werk!”Beiden staken nu de handen met uit elkander gespreide vingers voor zich uit en betastten de omwanding van het hok, waarin zij opgesloten waren, om een naad of een voeg te ontdekken. Maar niets, niets. Ook niet bij de deur. Die sloot volkomen hermetisch en het zou onmogelijk geacht moeten worden het slot te doen springen. Zij moesten dus een gat maken om daardoor te ontsnappen.Het was nu evenwel zaak om te onderzoeken, of hunne bowie-knifes die omwanding zouden kunnen aantasten, of de lemmeten bij dat werk niet geschaard zouden worden of wel zouden breken.“Maar waar vandaan zou die trilling toch komen, die geen oogenblik ophoudt?” vroeg Phil Evans, die verbaasd was over dat onafgebroken “frrr, frrr”.“Dat is ongetwijfeld de wind,” antwoordde Uncle Prudent.“De wind?.... Maar ik dacht, dat tot middernacht volkomen stilte in de atmosfeer geheerscht had?”“Volkomen juist, Phil Evans; maar als het de wind niet is, wat zou het volgens u dan kunnen zijn?”Phil Evans antwoordde niet, maar opende het beste lemmet van zijn bowie-knife en poogde de omwanding in de nabijheid van de deur aan te tasten. Misschien was het voldoende een klein gat te maken, om de deur te kunnen openen, wanneer die door een eenvoudigen grendel gesloten was, of dat men aan de buitenzijde den sleutel in het slot had laten steken.Na eenige minuten hard gearbeid te hebben, had de secretaris van Weldon-Institute geen ander resultaat verkregen, dan dat al delemmeten van zijn bowie-knife zoodanig geschaard waren, dat zij veel geleken op eene duizendtandige zaag, en dat de punten er van gebroken waren.“Slaagt gij?” vroeg Uncle Prudent.“Neen!”“Zou de omwanding van deze cel ook van plaatijzer vervaardigd kunnen zijn?”“Neen, Uncle Prudent. Wanneer men op die omwanding klopt, dan geeft zij geen metaalklank.”“Dan is zij van ijzerhout vervaardigd misschien?”“Ook niet. Zij is noch van ijzer noch van hout.”“Maar waaruit bestaat zij dan?”“Dat kan ik niet zeggen. Maar in elk geval uit eene stof of substantie, waarop het scherpste staal geen vat heeft.”Uncle Prudent kreeg een aanval van hevige woede. Hij vloekte en stampte met den voet op den holklinkenden vloer, terwijl hij met beide handen het gebaar maakte, alsof hij een denkbeeldigen Robur worgde.“Kalmte, Uncle Prudent!” vermaande de secretaris Phil Evans. “Kalmte en probeer gij op uwe beurt ook eens.”Uncle Prudent ging aan den gang; maar zijn bowie-knife kon de omwanding evenmin ergens aanraken. Het lukte hem zelfs niet met zijn beste lemmet een kras er op te maken. Het was waarlijk, alsof die omwanding van bergkristal was.Dus iedere vlucht werd daardoor onmogelijk, hierbij van de veronderstelling uitgaande, dat zij uitvoerbaar ware, wanneer zij er in geslaagd waren de deur te openen, of een gat in de omwanding te maken.Zij moesten zich, althans voor het oogenblik, aan hun noodlot onderwerpen, hetgeen met hunne Yankee-geaardheid volstrekt niet overeenkwam. Zij moesten alles aan het toeval overlaten, iets wat iederen practischen man tegen de borst stuit. Maar die onderwerping, die gelatenheid geschiedde niet zonder pruttelen, zonder groote woorden, zonder heftige uitingen, aan het adres van dien Robur gericht, die de man er niet naar was, om zich daarvan veel aan te trekken, wanneer hij althans in het gewone dagelijksche leven dezelfde geaardheid aan den dag legde, waarvan hij te midden van de vergaderde leden van Weldon-Institute had doen blijken.Frycollin begon intusschen zulke teekenen van onpasselijkheid te geven, dat omtrent hare beteekenis geen twijfel bestond. Hij boog en krimpte zoo pijnlijk mogelijk, alsof hij aan maagkrampen of wel aan zenuwtrekkingen in alle lichaamsdeelen leed.Uncle Prudent meende, dat het tijd was, om aan die acrobatischebewegingen een einde te maken; althans hij sneed de touwen door, die de handen en voeten van den neger knevelden.Een oogenblik later stond de secretaris op de schouders van Frycollin. (Bladz. 61)Een oogenblik later stond de secretaris op de schouders van Frycollin. (Bladz.61)Wie weet, of hij er geen berouw over gevoelen zou? Want al dadelijk barstte eene eindelooze reeks van klaagliederen los, waarbij kreten van pijn zich afwisselden met gekerm van honger.Frycollin was niet alleen in het brein, maar ook in de maag aangetast. Het zou zeer moeielijk geweest zijn, uit te maken, aan welke dier beide lichaamsdeelen het akelige gevoel moest toegeschreven worden, hetwelk de arme neger beving.“Frycollin!” riep Uncle Prudent.“Master Uncle!... Master Uncle!...” antwoordde de bediende tusschen twee akelige jammerkreten.“Het is mogelijk, dat wij veroordeeld zijn, om in deze gevangenis van honger te sterven...”De neger rilde van angst over zijn geheele lichaam, van het hoofd tot de voeten.“Maar,” ging Uncle Prudent met indrukwekkende stem voort, “wij zijn vast besloten, om tot het uiterste vol te houden en om niet het onderspit te delven, dan wanneer wij alle aanwezige voedingsmiddelen zullen verorberd hebben, die geschikt zullen bevonden worden, om ons bestaan te rekken...”“Gij wilt mij opeten?” riep Frycollin ten uiterste ontsteld en handenwringend uit.“Zooals men steeds met een neger in dergelijke omstandigheden doet!....”“Master Uncle!... Master Uncle!”“Zorg er dan voor, dat wij je vergeten, dat wij je niet gewaar worden, Frycollin!”“Anders zullen wij je fricasseeren!” voegde de secretaris Phil Evans er bij.“Master Uncle!... Master Uncle!”En waarachtig, de onnoozele Frycollin was ernstig beangst, dat hij met zijn lichaam zou moeten dienen, om die twee levens, die klaarblijkelijk veel kostbaarder waren dan het zijne, te verlengen. Hij bepaalde er zich dan ook toe, om slechts in petto te zuchten.De tijd vlood middelerwijl voorbij, en iedere poging om de deur met geweld te openen, of om een gat in de omwanding der cel te maken, was vruchteloos gebleven.Waaruit bestond de bouwstof toch van die omwanding? Waarlijk, dat was onmogelijk te zeggen.Het was geen metaal, het was geen hout, het was geen steen. Dat was alles, wat er van te vertellen viel.De vloer daarenboven van de cel scheen van hetzelfde materiaal vervaardigd te zijn. Wanneer men met den voet trapte, dan veroorzaakte dit een eigenaardigen toon, dien Uncle Prudent onmogelijk onder de bestaande en bekende geluiden kon rangschikken.Een andere bijzonderheid werd opgemerkt, namelijk dat het onder den vloer hol klonk, alsof hij niet op den bodem van Fairmont-Park rustte. Ja, als men goed luisterde, was het alsof dat onverklaarbare “frrr, frrr” langs den buitenkant van dien vloer scheerde.Dat alles was voor ons drietal niets geruststellend.“Uncle Prudent?” zei Phil Evans.“Phil Evans?” antwoordde Uncle Prudent.“Denkt gij, dat onze cel van plaats veranderd heeft?”“Hoegenaamd niet!”“Denkt ge?”“Daar ben ik zeker van.”“Toch kreeg ik, op het oogenblik dat wij in dit hok opgesloten werden, de frissche lucht van het gras en den harsachtigen geur van de boomen in Fairmont-Park in den neus...”“Ik ook.”“Maar nu mag ik de lucht zooveel opsnuiven als ik wil, daarvan ruik ik thans volstrekt niets meer.”“Inderdaad, gij hebt gelijk.”“Ja, maar hoe is dat te verklaren?”“Verklaar het op de wijze als gij wilt, Phil Evans, mits gij maar de veronderstelling niet oppert, dat onze gevangenis van plaats veranderd kan hebben. Ik herhaal het, wanneer wij ons in een wagen bevinden, die voortgetrokken wordt, of in een vaartuig, dat op de oppervlakte van het water glijdt, zouden wij het moeten voelen.”Frycollin liet toen een akelig langgerekt gesteen hooren, dat er wel wat van weg had, of het zijn laatste ademtocht was. Geruststellend was het echter, dat het door verscheidene zware zuchten gevolgd werd.“Ik houd het er voor, dat die Robur ons weldra voor zich zal doen verschijnen,” hernam Phil Evans.“Ik hoop het,” riep Uncle Prudent uit. “Dan zal ik hem zeggen....”“Wat?”“Vraagt ge wat, Phil Evans?”“Ja, Uncle Prudent, dat vraag ik.”“Wel, ik zal hem zeggen, dat hij begonnen is als een onbeschofte kerel en dat hij geëindigd is als een gemeene kerel te handelen.”“Juist, Uncle Prudent. Dat zal raak zijn.”Phil Evans bemerkte thans, dat de dag aanbrak. Een nog ijle en onduidelijke lichtstraal gleed door het nauwe schietgat, hetwelk in het bovenste gedeelte van de omwanding vlak tegenover de deur aangebracht was. Het moest toen ongeveer vier uren in den ochtend zijn, daar de dageraad op de breedte van Philadelphia in demaand Juni op dat uur begint aan te breken. Daar viel niets tegen in te brengen.Uncle Prudent haalde evenwel zijn repetitie-uurwerk, een meesterstuk, door de fabriek van zijn lotgenoot voortgebracht, uit den zak en liet het slaan. Het duidde aan, dat het kwart vóór drieën was. Toch was het niet blijven stilstaan, daarvan waren beiden verzekerd.“Dat’s vreemd!” zei de secretaris Phil Evans. “Om kwart vóórdrieënmoest het nog nacht zijn.”“Of de gang van het uurwerk moet vertraagd zijn...” antwoordde Uncle Prudent.“Een uurwerk van deWalton Watch Company!!!” riep de secretaris Phil Evans uit. “Onmogelijk!”Hoe het ook zij, zooveel was onbetwistbaar zeker, dat het wel degelijk de dag was, die aanbrak. Langzamerhand teekende zich het schietgat scherp wit af in de diepe duisternis der cel.Hoewel de dageraad nu vroeger verschenen was dan wel veroorloofd mocht heeten op den veertigsten breedtegraad, waarop Philadelphia gelegen is, zoo brak het daglicht toch met die snelheid niet door, welke aan lage breedte eigen is.Dat lokte andermaal eene bemerking van Uncle Prudent uit, die daarop dan ook wees als op een vreemdsoortig en onverklaarbaar natuurverschijnsel.Phil Evans en Uncle Prudent zagen toe, maar konden er zich geen rekenschap van geven. Daarenboven, het schemerdaglicht vorderde slechts langzaam in de cel, waarin zij opgesloten zaten.“Wij kunnen niet uitkijken,” merkte de voorzitter van Weldon-Institute op.“Uitkijken, waarnaar?”“Wel uitkijken, om waar te nemen, waar wij zijn,” vulde Uncle Prudent aan.“Dat zouden wij kunnen doen,” antwoordde de secretaris Phil Evans.“Hoe zoo?”“Wel door ons tot bij dat schietgat op te hijschen. Dat is waarlijk zoo moeielijk niet.”“Daar zegt ge zoo iets!” riep Uncle Prudent opgewonden en opgetogen uit.“Dat zal wel gaan, dunkt mij.”“Mij ook!” bevestigde de voorzitter van Weldon-Institute.En zich tot zijn knecht Frycollin wendende:“Kom Fry!” zeide hij. “Kom, op! En vlug ter been!”De neger stond met loome bewegingen op.“Steun je rug tegen dien wand daar,” beval hem Uncle Prudent.Frycollin voldeed aan die lastgeving.“En gij, Phil Evans,” ging de voorzitter van Weldon-Institute voort, “en gij, Phil Evans, klim thans op de schouders van dien lummel....”“Zal Frycollin sterk genoeg wezen, om mijn last te dragen?” vroeg de secretaris Phil Evans.“Om u te dragen? Hij is sterk als een os! Daarenboven, ik zal hem schoren en steunen. Wees gerust, Phil Evans, gij zult niet vallen. Dat verzeker ik u.”“Welnu, dan klim ik.”Een oogenblik later stond de secretaris van Weldon-Institute op de schouders van Frycollin. In dien stand kwamen zijne oogen ter hoogte van het bedoelde schietgat.Dit schietgat was gesloten niet door een lensvormig glas, zooals dat bij de patrijspoortjes van zeeschepen aangetroffen wordt, maar door eene eenvoudige ruit. Hoewel zij niet zeer dik van glas was, hinderde zij toch het gezichtsvermogen van den secretaris Phil Evans, wiens gezichtsveld zeer begrensd was. Hij merkte dat al grommende op.“Welnu,” zeide Uncle Prudent, “sla die ruit stuk, dan zult gij beter kunnen zien, dunkt me.”De raad was goed en werd dus opgevolgd. Phil Evans gaf een hevigen slag met de greep van zijn bowie-knife op de ruit, die een zilverachtigen toon liet vernemen.“Te drommel!” zeide de secretaris, “dat is sterk glas. Maar ik zal nog eens probeeren.”Bom!... Een nieuwe slag nog harder dan de eerste, maar met even ongunstig resultaat.“Mooi!” hernam Phil Evans. “Het is niet alleen sterk, maar totaal onbreekbaar glas!”Inderdaad, die ruit moest vervaardigd zijn van een soort glas, te zaam gesteld volgens de uitvinding van Siemens, daar het, in weerwil van de hevige slagen en stooten, die Phil Evans daarop uitvoerde, onaangetast bleef.Toch was de ruimte bij het vorderen van het daglicht nu genoeg verlicht om den blik te veroorloven iets waar te nemen van hetgeen in het beperkte gezichtsveld van de omlijsting van het schietgat te zien zoude zijn.“Wat ziet ge?” vroeg Uncle Prudent, trappelend van ongeduld. “Nu, wat ziet ge, Phil Evans?”“Niets, Uncle Prudent,” antwoordde de secretaris bedaard.“Wat, niets?”“Neen.”“Ziet gij dan geen boomen, geen bosch?”“Neen.”“Dan toch het bovenste gedeelte der takken?”“Ook dat niet.”“Wij zijn dan niet meer in de open ruimte?”“Neen.”“Niet meer in het Fairmont-Park?”“Neen.”“Ontwaart gij dan geen daken van huizen?”“Neen.”“Geen nokken van monumenten?” vroeg Uncle Prudent, wiens teleurstelling, gepaard aan woede, iedere seconde vermeerderde.“Ook geen nokken van monumenten,” antwoordde Phil Evans. “Niets, niets!”“Wat! Zelfs geen scheepsmast, geen vlaggestok, geen kerktoren?”“Neen.”“Geen fabrieksschoorsteen?”“Neen.”“Wat ziet ge dan?”“Niets! Niets dan de ijle ruimte!”In dit oogenblik ging de deur der cel open en een man verscheen op den drempel.Het was Robur.“Eervolle en hooggeachte ballonisten,” zeide hij met ernstige stem, “gij zijt thans vrij, geheel vrij om te gaan en te komen, zooals gij zulks zult verlangen....”“Vrij en frank?” vroeg Uncle Prudent.“Ja, zeker,.... althans binnen de grenzen van denAlbatros!”Uncle Prudent en zijn secretaris Phil Evans stormden de cel uit.Op twaalf- of dertienhonderd meters onder hen ontwaarden zij de oppervlakte van eene landstreek, die zij, hoe zij ook tuurden, tevergeefs poogden te herkennen.VI.Dat de ingenieurs, de werktuigkundigen en andere geleerden gevoegelijk zouden kunnen overslaan.Wanneer zal de mensch toch ophouden op dit tranendal rond te kruipen, om eindelijk te gaan leven in het azuurblauw en den vrede des hemels?Op die vraag van CamilleFlammarionis het antwoord gemakkelijk te geven.Dat zal gebeuren wanneer de vorderingen der werktuigen veroorlovenzullen het vraagstuk van de vliegkunst op te lossen. En, zooals reeds sedert eenige jaren te voorzien was, zou eene meer practische aanwending van de electriciteit de oplossing van dat vraagstuk meer nabij brengen.Reeds in 1783, dus vóórdat de gebroeders Montgolfier het eerste toestel uitdachten, hetwelk hun naam voerde en Montgolfière heette, en vóórdat de natuurkundige Charles zijn eersten ballon vervaardigde, waren eenige stoutmoedige breinen er op bedacht geweest om de verovering der luchtruimte door middel van werktuigkundige toestellen te volvoeren. Die eerste uitvinders hadden dus niet gedacht aan toestellen lichter dan de lucht, hetgeen door de trap, waarop de wetenschap toenmaals stond, totaal onmogelijk geweest ware. Zij vroegen dus de oplossing van het vraagstuk der beweging in de bovenste luchtlagen aan toestellen, die zwaarder dan de lucht waren, aan vliegende machines, die de bewegingen van den vogel nabootsten.Dat was juist, wat die dwaze Icarus, de zoon van Daedalus, gedaan had. Hij had evenwel de penvederen zijner vleugels met was vastgehecht, en die was smolt, toen de stoutmoedige jongeling de zon te nabij kwam.Maar zonder nog tot de mythologische tijdperken op te klimmen, zonder te spreken van den geleerden Archytos van Tarente, kunnen wij reeds wijzen op de werken van Dantes van Perussa, van Leonard de Vinci en van Guidotti. Daarin wordt reeds de kiem aangetroffen van werktuigen, die bestemd waren, om zich in de luchtlagen te bewegen.Twee en een halve eeuw later werden de uitvinders op dat gebied talrijker.In 1742 werd door den markies de Bacqueville een systeem van vleugels vervaardigd, waarmede hij poogde boven de Seine te vliegen. Hij viel en brak een arm.In 1768 dacht Paucton een toestel met twee schroeven uit, waarvan de eene een opvoerende en de andere een voortdrijvende kracht bezat. Of hij daarmee proeven nam, weet men niet.In 1781 vervaardigde Meerwein, de architect van den keurvorst van Baden, een werktuig met orthopterische beweging, en teekende protest aan tegen de mogelijkheid van de bestuurbaarheid der ballons, die toen uitgevonden waren.In 1784 lieten Launoy en Bienvenu een helicopterisch werktuig manoeuvreeren, dat door stalen veeren werd in beweging gebracht.In 1808 beproefde de Oostenrijker Jakobus Degen te vliegen.In 1810 verscheen eene brochure, door Denian van Nantes geschreven, waarin de grondbeginselen van de stelling:“zwaarder dan de lucht”uiteengezet werden.In het tijdperk van 1811 tot 1840 volgden de studiën en uitvindingenvan Berblingen, van Vigual, van Sarti, van Dubochet, van Cagniar en van Latour.In 1842 trad de Engelschman Henson op met zijn systeem van hellende vlakken en van schroeven, die door stoom bewogen werden.In 1845 vervaardigde Cossus een toestel met opdrijvende schroeven.In 1847 kwam Camille Vert op het denkbeeld, zijnen helicopteer van veêren vleugels te voorzien.In 1852 beweerde Letur een bestuurbaar valscherm te hebben uitgevonden. Bij eene proefneming met zijne uitvinding kwam hij jammerlijk om het leven.In hetzelfde jaar vertoonde Michel Loup een stelsel van een glijdend vlak, dat van vier draaiende wielen voorzien was.In 1853 verscheen Béléguie met zijn in de lucht zwevend toestel, dat door trekkingsschroeven voortbewogen werd; Vaussin Chardanne met zijnen vrijen maar bestuurbaren vlieger; Georges Cauley met zijne plannen van vliegende machines, die een gasmotor tot beweegkracht hadden.Van 1854 tot 1863 traden vele uitvinders op, waaronder Joseph Gline, die voor verschillende systemen van luchtvaart octrooien ontving, Breant, Carlingfort, Le Bres, Du Temple, Bright, wiens opdrijvende schroeven ook achteruit slaan konden, Smythies, Panafieu, Crosnier enz. enz.Eindelijk werd onder den invloed van Nadar in 1863 de maatschappij“Zwaarder dan de lucht”te Parijs opgericht. Daar lieten toen verscheidene uitvinders hunne werktuigen beproeven en verwierven enkele octrooien, aanmoedigende getuigschriften, zooals: de Ponton d’Amecourt met zijn stoomhelicopteer, de la Landelle met zijn ingewikkeld stelsel van schroeven met hellende vlakken en met valschermen, de Louvrié met zijn vuurschip, d’Esterno met zijn kunstvogel, de Groof met zijn vliegtoestel, waarvan de vleugels door hefboomen bewogen werden.In één woord, de stoot was gegeven, en wij zijn nu het tijdperk ingetreden, waarin de uitvinders alles uitvinden en de wiskunstenaars alles berekenen kunnen, wat de luchtvaart van de droombeelden der theorie tot de daadwerkelijke uitvoering in de praktijk zal moeten voeren.Bourcaft, Le Bris, Kaufmann, Smyth, Shingfellow, Prigent, Danjard, Powés, de la Pauze, Moy, Penaud, Jobert, Hureau de Villeneuve, Achenbach, Garapon, Duchesne, Danduran, Pauzel, Dieuaide, Melkirff, Forlanini, Brearey, Tatin, Dandrieux, Edison zijn de mannen, die zich beijveren de zaak tot oplossing te brengen, de eene met vleugels of met schroefbladeren, de andere met hellende vlakken. Die vernuften scheppen, fabriceeren, volmaken en verbeteren hunne vliegmachines, die op het gewilde oogenblik gereed zullenzijn, namelijk op den dag, wanneer de een of andere uitvinder eenmotor van aanzienlijke kracht, gepaard aan eene buitengewone lichtheid, zal weten toe te passen.Ontwaarden zij eene landstreek, die zij te vergeefs poogden te herkennen (Bladz. 62).Ontwaarden zij eene landstreek, die zij te vergeefs poogden te herkennen (Bladz.62).Dat de lezer ons die lange lijst van namen vergeve. Maar was zij niet noodzakelijk om al de sporten der ladder van de luchtvaart, op welker hoogste punt Robur de Veroveraar aangekomen was, aan te toonen? Zou die werktuigkundige, zonder de proeven, zonder de mistastingen zijner voorgangers, ooit een toestel hebben kunnen uitdenken, dat zoo volmaakt was als het zijne? Immers neen!En al sprak hij ook al kleinachtend van hen, die zich nog steeds onledig hielden met het vraagstuk der bestuurbaarheid van de luchtballons, zoo waardeerde hij daartegenover ten volle de aanhangers van hetZwaarder dan de lucht. Hij was in de leer geweest bij Engelschen, bij Amerikanen, bij Italianen, bij Oostenrijkers, bij Franschen,—ja vooral bij Franschen. Hij had de toestellen zijner meesters vervolledigd en verbeterd, en was er zoo toe gekomen, om die vliegmachine te vervaardigen, waarmede hij thans door de hoogere luchtlagen trok en dien hijAlbatrosnoemde.“De duif vliegt!” had een van de hardnekkigste en vurigste aanhangers van de vliegkunst uitgeroepen.“Men zal op het gegeven oogenblik de lucht betreden, zooals men den grond betreedt,” had daarop een niet minder geestdriftvolle aanhanger geantwoord.“Tegenover de locomotief stellen wij de aéromotief!” had de meest opgewondene uitgeroepen met eene stem, die schetterde als een trompet, en wel geschikt was om de echo’s der publiciteit, zoowel in de Oude als in de Nieuwe Wereld op te wekken.Niets is toch inderdaad meer door proefneming en door berekening bevestigd, dan dat de lucht een zeer stevig steunpunt aanbiedt. Eene oppervlakte van een meter doorsnede, welke een valscherm vormt, kan niet alleen de beweging van een vallend lichaam vertragen, maar ook isochronisch werken, d.w.z. zulke paracentrische lijnen beschrijven, volgens welke een lichaam, door eene zekere kracht gedreven, een gegeven punt in gelijke tijden kan naderen of zich daarvan verwijderen. Ziedaar, wat men wist.Men wist ook dat, wanneer de snelheid van overbrenging groot is, de arbeid van de zwaartekracht vermindert in omgekeerde reden van het kwadraat dier snelheid en dat zij dan bijna onbeduidend wordt.Men wist ook dat, hoe meer het gewicht van het vliegend dier toeneemt, de vergrooting van het vleugelvlak, noodzakelijk om het geheele lichaam in de lucht te dragen, niet in diezelfde evenredigheid toeneemt, hoewel de bewegingen, die noodzakelijk gemaakt moeten worden, veel langzamer zijn.Een vliegtoestel moet dus zoodanig vervaardigd worden, dat hetden vogel nabootst, wil men die natuurlijke wetten benuttigen. En de vogel is “de meest bewonderenswaardige type van de bestuurbare beweging der lucht” volgens de uitspraak van dokter Marey, lid van het Instituut van Frankrijk.Om kort te gaan, de toestellen, die het gestelde vraagstuk, omtrent de vliegkunst zullen kunnen oplossen, kunnen tot drie soorten teruggebracht worden, te weten:1ens. De helicopteren of spiraalvoerders. Dit zijn slechts schroeven met verticale assen.2dens. De orthopteren of toestellen, die de natuurlijke vogelvlucht pogen na te bootsen.En 3dens. De luchtzwevers, die eigenlijk niets anders zijn dan hellende vlakken, zooals de vlieger, maar gesleept of voortgestuurd worden door horizontale schroeven.Ieder dier stelsels had aanhangers gehad en had ze nog, koppige, onhandelbare aanhangers, die van geen toegeven aan anderer meeningen weten wilden.Evenwel, onze Robur had na vele overwegingen, na veel wikken en wegen, eindelijk de twee eerst aangehaalde stelsels, namelijk de helicopteren en de orthopteren, bepaald verworpen.Ongetwijfeld biedt de orthopteer, of de mechanische vogel, enkele voordeden aan. Daaromtrent is iedereen het eens. De geschriften en de proefnemingen van den heer Renaud, in 1884 geschreven en volvoerd, hebben het bewezen. Maar, zooals men het hem meer dan eens aan het verstand gebracht heeft: men moet de natuur niet slaafs navolgen. De locomotieven zijn geen kopieën van de hazen en de stoomvaartuigen niet van de visschen. Aan de eerste heeft men wielen verleend, die toch geen beenen genoemd kunnen worden. De tweeden hebben schroefbladen, die toch geen zwemvinnen zijn. En daarom bewegen zij zich niet slechter voort. Integendeel. Weet men daarenboven welke mechanische arbeid door een vogel, wanneer hij vliegt, verricht wordt? De bewegingen, door het dier daarbij verricht, zijn zeer samengesteld en ingewikkeld. Dokter Marey heeft toch de meening geopperd, dat de baarden der slagpennen zich gedurende de beweging van het terugbrengen van den vleugel, openden, om de lucht gelegenheid te geven te ontsnappen. En zou nu die zoo ingewikkelde beweging door eene kunstmatige machine na te bootsen wezen? Waarlijk, dat zou zeer moeielijk zijn.Van een anderen kant stond het als een paal boven water, dat de zoogenaamde luchtzwevers met hunne hellende vlakken ook zeer goede resultaten hadden opgeleverd, Wanneer toch bij de voortstuwende beweging der schroeven tegen de inwerking der luchtlaag een schuin vlak gesteld wordt, dan wordt daardoor een naar bovendrijvende arbeid verkregen, en de proefnemingen, die men met kleine toestellen uitgevoerd heeft, hebben het bewijs geleverd, dat de ter beschikking staande zwaarte, dat wil zeggen een zeker gewicht, behalve dat van het toestel, in evenredigheid van de vierkanten der snelheid toeneemt. Dat zijn groote voordeelen, oneindig grooter dan die der luchtgevaarten, die aan eene overbrengingsbeweging onderworpen zijn.Intusschen had Robur de gezonde gedachte haren invloed laten uitoefenen, dat het eenvoudigste stelsel het beste is. De schroeven, “die heilige schroeven”, die men hem in de vergadering van Weldon Institute zoo naar het hoofd gegooid, zoo vinnig verweten had, waren dan ook voldoende geweest, om in alle behoeften zijner vliegende machine te voorzien. De eene diende, om het toestel in de lucht zwevende te houden, de andere bewoog het onder bewonderenswaardige omstandigheden van snelheid en veiligheid voort.En inderdaad, volgens de theorie, kan “door middel van eene schroef met betrekkelijk korte bladen, maar van eene aanmerkelijke oppervlakte”, luidens de verklaring van den heer Victor Tatin, “wanneer men de zaken tot het uiterste wil drijven, een onbepaald zwaar gewicht met de minst mogelijke kracht opgetild worden.”De orthopteer, die evenals de vogels vleugelslagen volbrengt, verheft zich door eenvoudig op de luchtlagen te steunen. De helicopteer daarentegen verkrijgt zijn stijgende kracht, door schuins de luchtlagen met de bladen zijner schroef te zweepen en verkrijgt daarbij eene beweging, alsof hij tegen een hellend vlak opstijgt. In werkelijkheid zijn het schroefvormige vleugels in plaats van wieken met platboorden.De schroef beweegt zich noodzakelijk in de richting harer as voort. Staat die as rechtstandig, dan beweegt de schroef zich in verticale richting, staat zij horizontaal, dan ook geschiedt de beweging in horizontale richting.Het geheele vliegende toestel van den ingenieur Robur was op het benutten van die twee beweegkrachten gegrondvest.En wij laten hieronder eene nauwkeurige beschrijving van dat toestel volgen, hetwelk gevoegelijk in drie hoofddeelen verdeeld kan worden, namelijk: het platform of dek, de toestellen tot opheffing en voortstuwing, en eindelijk de machinerie.Het platform had eene oppervlakte van een honderd twintig vierkante meters en was lang dertig en breed vier meters. Het was in den volsten zin des woords een dek van een schip, welks voorsteven den vorm van een wig zoude hebben. Onder dat dek rondde een romp af, met stevige inhouten, welke bestemd was om de toestellen, die de mechanische kracht zouden voortbrengen, alsookde kruitkamer, de kaarten- en seinvlaggenkamer, het levensmiddelenruim, de bottelarij en de kisten voor den watervoorraad te bevatten. Rondom dat platform verhieven zich eenige lichte stutten daarboven, die door een traliewerk van stevig ijzerdraad verbonden waren, waardoor eene soort van reeling of verschansing gevormd was, welke door een stevigen raambalk gedekt werd, die een flink scheepsboord als het ware vormde. Op de oppervlakte van dat dek verhieven zich vier roeven, die tot verblijf dienden, de eerste der middenvakken voor het personeel, de anderen voor de werktuigen. In de middenroef was de machinerie daargesteld, die de opheffingstoestellen, in de voorste roef de machine, die de schroef van het voorschip, en in de achterste roef, die, welke de schroef van het achterschip in beweging brachten. Die drie werktuigen hadden ieder hun eigen beweegkracht en hun eigen toezicht. In de eerste roef bij den voorsteven was de hut van den hofmeester, de kombuis en het logies der bemanning. In de laatste roef bij den achtersteven waren verscheidene hutten aangebracht, onder anderen die voor den ingenieur, alsook een eetzaal. Daarboven verrees een glazen kooi of schuilplaats, waarin de roerganger stond, die het geheele gevaarte door middel van een krachtig stuurrad stuurde. Al die roeven en die hutten waren door middel van patrijspoortjes verlicht, die gesloten konden worden door vensters van gehard glas, hetwelk een weerstandsvermogen heeft tienmaal grooter dan gewoon glas.Onder den romp was een stelsel van buigzame veeren aangebracht, die bestemd waren om het stooten te verminderen of te verzachten, hoewel het aan land komen zeer zacht geschieden kon, omdat de werktuigkundige het gevaarte geheel en al in zijne macht had.Wat nu de toestellen tot opheffing en voortstuwing betreft, daaromtrent kan het volgende medegedeeld worden. Boven het bovengedeelte van het platform en loodrecht daarop waren zeven en dertig staken of beter assen aangebracht, waarvan vijftien langs elke zijde en zeven die hooger waren in het midden van het gevaarte. Men zou gezegd hebben een vaartuig met zeven en dertig masten, met dit onderscheid evenwel, dat die masten geen zeilen voerden, maar ieder twee horizontale schroeven van beknopte doorsnede, waaraan een buitengewoon groot omwentelingsvermogen kon verleend worden. Ieder van die assen had hare eigene beweging, geheel onafhankelijk van de anderen, terwijl zij twee aan twee eene tegenovergestelde omwenteling bezaten. Dit was noodzakelijk om te beletten, dat het geheele gevaarte eene draaiende beweging aannam. Zoodoende vormden de schroeven, hoewel zij allen het hunne er toe bijbrachten, om de stijgende beweging ten opzichte van de loodrechte luchtzuil te verkrijgen en te bevorderen, evenwicht tegen den horizontalen weerstand der lucht.Het toestel was bijgevolg voorzien van vier en zeventig schroeven, om de stijgkracht te bevorderen. De bladen van die schroeven werden langs den buitenrand weerhouden door een rand van metaal, die den arbeid van vliegwiel volvoerde en waardoor veel beweegkracht bespaard werd. Voor en achter werden door horizontale assen twee voortstuwende schroeven bewogen. Deze bezaten vier bladen met zeer zwak hellende schroefwenteling, die in verschillende richting draaiden en zoo de vooruitdrijvende kracht verleenden. De voortstuwingsschroeven hadden eene veel grootere doorsnede en afmeting dan de opheffingsschroeven, maar konden evenals dezen met eene buitengewoon groote snelheid wentelen.Alles wel beschouwd, behoorden die toestellen zoowel tot de stelsels welke door de heeren Cossus en de la Landelle, als tot die welke door den heer de Pouton d’Amécourt voorgestaan waren. Zij waren echter door den ingenieur Robur verbeterd, vervolledigd geworden en als het ware volmaakt. Maar ten opzichte van de toepassing der beweegkracht kwam dien grooten man de eer toe inderdaad als uitvinder beschouwd te mogen worden.Ten opzichte der machine kan hier medegedeeld worden, dat Robur noch aan stoom van water of van andere vloeistoffen, noch aan saamgeperste lucht of aan andere veerkrachtige gassen, noch aan ontplofbare mengsels, die eenig arbeidsvermogen kunnen leveren, de noodige kracht ontleend had, om zijn toestel te doen stijgen, zwevende te houden en voort te bewegen. Maar hij had de electriciteit te hulp geroepen, die kracht welke eens de ziel van de geheele nijvere wereld zal worden. Hij had evenwel geene machine gebezigd, om de electrische beweegkracht voort te brengen, maar daarentegen niets dan batterijen en accumulatoren. Welke evenwel de elementen of samenstellende deelen van die batterijen waren, welke de zuren waren, die haar in werking brachten, dat was het geheim van Robur. En zoo was het ook met die accumulatoren gesteld. Van welken aard waren de positieve en negatieve platen, waaruit zij bestonden? Of beter, uit welke grondstof waren zij vervaardigd? Dat wist niemand te zeggen. De ingenieur had zich, en om zeer gegronde redenen, wel gewacht om een oktrooi of een uitvindersbrevet aan te vragen.Alles bij elkander genomen, moest als onbetwistbaar resultaat aangenomen worden: batterijen van eene buitengewone kracht; zuren van eene voedende sterkte, daarenboven bijna volkomen bestand tegen verdamping en bevriezing; accumulatoren, die de zoo hoog geroemde Faure-Sellen-Volckmar-toestellen verre overtroffen; eindelijk stroomingen, welker ampères niet te berekenen waren of getallen opleverden, die tot nu toe niet bereikt waren. Daardoor werd een arbeidsvermogen verkregen, dat in stoom- of electrischepaarden omgezet, om zoo te zeggen oneindig moest genoemd worden. Dat arbeidsvermogen werkte op de schroeven, die het geheele gevaarte eene stijgende, en op die, welke het eene voortstuwende beweging verleenden. En die stijgkracht en die voortstuwende kracht waren meer dan voldoende, om het gevaarte in alle mogelijke omstandigheden handelbaar te doen blijven.Maar, wij herhalen het, de uitvinding daarvan was het geheim van den ingenieur Robur. Zij was zijn eigendom en hij heeft daaromtrent een volmaakt stilzwijgen bewaard.Wanneer de voorzitter en de secretaris van Weldon-Institute er niet in zullen slagen, om dat geheim te ontdekken, dan zal het zeer waarschijnlijk voor het menschdom verloren gaan.Het zal wel niet behoeven gezegd te worden, dat aan het geheele gevaarte door de doelmatige plaatsing van het zwaartepunt eene voldoende stabiliteit verleend was. Er bestond derhalve hoegenaamd geen gevaar, dat het toestel onrustbarende hoeken met het horizontaal vlak zoude vormen, en dat dus geene vrees voor kantelen behoefde te ontstaan. Dat was ook het voornaamste, hetgeen in de gegeven omstandigheden nog al tot hoofdbreken aanleiding had gegeven.Er blijft ons nu nog over mede te deelen, welk materiaal de ingenieur Robur gebezigd had voor de vervaardiging van zijn luchtschip—eene zeer toepasselijke benaming voor deAlbatros. Wat was dat toch voor stof, die zoo hard was, dat zij door het bowie-knife van den secretaris Phil Evans niet aangetast kon worden, en waarvan de president Uncle Prudent den aard niet wist aan te duiden? Ja, wat was dat?Eenvoudig papier.De papiervervaardiging had reeds sedert vele jaren eene buitengewone uitbreiding ondergaan. Vellen ongegomd of ongelijmd papier worden met dextrine en stijfsel gedrenkt en daarna onder een hydraulische pers gebracht. Door de ondervonden drukking wordt eene stof of beter eene vaste massa gevormd, die harder dan staal is. Men maakt er schijven tot hijschblokken of katrollen van, spoorwegrails, raderen voor spoorwegrijtuigen, en die voorwerpen zijn sterker dan wanneer zij van metaal vervaardigd worden, terwijl zij bovendien veel lichter zijn. Het was deze sterkte, gepaard aan die lichtheid, welke Robur voor zijn luchtschip had willen benutten. Alles, romp, inhouten, verschansing, hutwanden, potdeksels waren van stroopapier vervaardigd, dat door de ondergane onmetelijke drukking als het ware metaal was geworden, terwijl het daarenboven geheel onbrandbaar was, een voordeel of beter eene eigenschap, die voor een toestel, bestemd om op zulke aanzienlijke hoogte te zweven, waarachtig van onberekenbare waarde moest genoemd worden.
Dat die geheimzinnige wezens naderden. Bladz. 46.Dat die geheimzinnige wezens naderden. Bladz.46.
Dat die geheimzinnige wezens naderden. Bladz. 46.
Dat die geheimzinnige wezens naderden. Bladz.46.
Het is waar, dat de oppositiebladen de ontbinding der politiemacht eischten. Zij beweerden, dat die macht geheel nutteloos was, daar zulke aanslagen ongehinderd volvoerd konden worden, zonder dat de euveldaders gesnapt of ook maar bekend waren geworden.—En daarin moest iedereen ook dezen gelijk geven, niet waar?
De uitslag van dat twistgeschrijf was, dat de politie bleef hetgeen zij was en hetgeen zij steeds zijn zal op onze aarde, die, in weerwil dat zij niet volmaakt is en ook niet zijn kan, de beste aller werelden genoemd moet worden.
Het was een rare toestand, waarin Uncle Prudent, Phil Evans en de knecht Frycollin zich bevonden.
Zij hadden een band voor de oogen, en een prop in den mond. Vandaar dus eene totale onmogelijkheid, om te kunnen zien, om te kunnen hooren.
Hunne handen en voeten waren met stevige touwen gebonden. Vandaar dus eene totale onmogelijkheid, om van de plaats te kunnen komen of zichzelven te kunnen bevrijden.
Dat alles was niet geschikt om den toestand van ons drietal prettig of zelfs maar dragelijk te maken.
Daarenboven niet te weten, welke de uitvoerders van zoo’n oplichting waren; onbekend te zijn met de plaats, waarin zij gesmeten waren, alsof het ijlgoed in een goederenwagen van een sneltrein ware; geen denkbeeld te hebben noch van de plek op Gods lieve aarde, waar zij zich bevonden, noch van het lot, hetwelk hen beschoren kon zijn; dat alles was wel geschikt om zelfs wezens, tot het schapengeslacht behoorende, buiten hun humeur te brengen. En de lezers weten dat de leden van Weldon-Institute, wat het geduld betreft, nu niet precies voor schapen konden doorgaan.
Als men de heftigheid van karakter van Uncle Prudent in aanmerking neemt, dan valt licht te beseffen, wat er in diens ziel moest omgaan.
Maar wat er ook van aan zij, zooveel is zeker, dat hij en Phil Evans tot de overtuiging kwamen dat het moeielijk zou zijn, om den volgenden avond op de vergadering van de club tegenwoordig te zijn.
Wat Frycollin betrof, die lag daar met gesloten oogen en metgesloten mond. Het was hem onmogelijk zijne bovendien reeds zoo schrale gedachten op iets te vestigen. Hij was eer dood dan levend.
De toestand der gevangenen onderging gedurende het eerste uur van hunne inhechtenisneming geene wijziging. Niemand kwam hen opzoeken en niemand kwam hun het gebruik van hunne armen, oogen en mond weergeven. Toch snakten zij daar zeer naar.
Alles, waartoe zij zich bepalen konden, was het slaken van zuchten, het kreunen van een erbarmelijk “helaas!” voor zooveel de prop in hun mond zulks toeliet, of het volvoeren van sprongen, niet ongelijk aan jammerlijke karpers, die op het droge liggen te gapen. De lezer zal begrijpen, hoeveel innerlijke, of beter: gebonden toorn en woede daar opgevreten werd. Eindelijk, na eene reeks van vruchtelooze pogingen, om zich te bevrijden, bleven zij als machteloos liggen. Maar toen poogden zij, daar het zintuig van het gezicht hun ontnomen was, door het gehoor te vernemen of te raden, in welken onrustbarenden toestand zij zich bevonden. Ook dat was geheel en al vergeefs, want zij vernamen geen ander geluid dan het eindeloos en onverklaarbaar “frrr”, dat hen als met een trillenden dampkring omgaf.
Evenwel gebeurde het, dat de secretaris Phil Evans, die niet zoo heet gebakerd was als Uncle Prudent, en derhalve met meer kalmte te werk ging, er in slaagde het koord, dat zijn polsgewrichten samenbond, los te maken. Eindelijk knelde de knoop niet meer zoo sterk, zijne vingers gleden over elkander en weldra had hij het gebruik zijner handen herkregen.
Hij wreef zich de gewrichten met kracht, ten einde den bloedsomloop te herstellen, die door dat binden gestremd geweest was. Een oogenblik later had de secretaris Phil Evans den band afgerukt, die hem blinddoekte, den prop uitgehaald, die hem den mond snoerde, en met behulp van het scherpe lemmet van zijn bowie-knife de touwen doorgesneden, die hem handen en voeten gekneveld hadden. Een echte Amerikaan verlaat zijne woning niet, zonder zijn bowie-knife op zak; zonder dit zou hij geen Amerikaan genoemd kunnen worden.
Maar al kon de secretaris Phil Evans zich nu ook bewegen en spreken, dan was dat toch alles, wat hij met zijne pogingen verworven had. Van zijne oogen kon hij in dit oogenblik ten minste geen nuttig gebruik maken; want het was pikdonker in de cel of het hok, waarin zij zich bevonden. Toch sijpelde als het ware een zwakke lichtstraal door een soort schietgat, hetwelk in den wand op eene hoogte van ongeveer zes of zeven voet boven hen aangebracht was.
In weerwil van den plaats gehad hebbenden twist, aarzelde de secretaris Phil Evans geen enkel oogenblik, om zijn mededingerte verlossen. Eenige bewegingen met zijn bowie-knife waren voldoende, om de touwen door te snijden, die de handen en voeten van Uncle Prudent knevelden. Onze voorzitter richtte zich, half razend van woede, op de knieën overeind en rukte den doek van zijne oogen en den prop uit zijn mond.
Daarop zei hij met eene stem, alsof hij op het punt was van te stikken:
“Dankje!”
“Neen, dat niet.”
“Wat niet?”
“Je behoeft mij niet te bedanken.”
“Phil Evans?....”
“Uncle Prudent?....”
“Hier bestaat geen voorzitter meer van Weldon-Institute!”
“En geen secretaris meer van de club!”
“Dus geen mededingers meer!”
“Juist gezien!”
“Gij hebt gelijk.” ging Phil Evans voort.
“Ik heb altijd gelijk!” bevestigde Uncle Prudent.
“Er zijn hier slechts twee mannen aanwezig, die zich wreken willen en wreken zullen....”
“Op wien?”
“Op een derde, wiens aanslag weergaloos te noemen is!”
“Ja, weergaloos en die de strengste weerwraak eischt.”
“En die derde is?....”
“Dat is Robur!....”
“Ja, dat is Robur!....”
Dat was dus een punt, waaromtrent de gewezen mededingers het eens waren. Hierover was geen twist te vreezen.
“En uw knecht,” merkte de secretaris op, terwijl hij op den neger Frycollin wees, die als een bruinvisch blies, “moeten wij hem ook losmaken?”
“Nog niet,” antwoordde Uncle Prudent.
“Waarom nog niet?” vroeg Phil Evans.
“Omdat de kerel ons meer dan half dol zou maken met zijne klaagliederen.”
“Dat’s juist.”
“En wij hebben wel wat anders te doen, dan naar klaagliederen te luisteren.”
“Wat dan, Uncle Prudent?”
“Vraagt gij dat nog, Phil Evans?”
“Het schijnt zoo.”
“Wel, wij moeten er aan denken, om te ontvluchten, als het mogelijk is.”
“Dat’s waar ook! En wij moeten ontvluchten, zelfs wanneer het onmogelijk is!”
“Gij hebt gelijk, Phil Evans. Zelfs wanneer het onmogelijk is!”
Overigens twijfelden zij er geen oogenblik aan, dat die oplichting van hunne personen door dien vreemdsoortigen kerel, die zich Robur noemde, gepleegd was. Iets anders kwam hun niet in het brein op, kon er ook niet in opkomen. Eenvoudige en eerlijke dieven zouden hen van hunne uurwerken, hunne juweelen, hunne portefeuilles en hunne porte-monnaies ontlast en hunne lijken, na een flinken dolksteek in de keel, in de diepte van de Schuylkill-rivier geworpen hebben, in stede van hen zonder poging tot stelen levend op te sluiten in.... Ja, waarin?....
Dat was inderdaad een belangrijk vraagstuk, dat noodzakelijk opgelost moest worden.
Ja, waarin zaten zij opgesloten? Dat moesten zij weten, alvorens zij eene poging tot ontsnapping, met eenige hoop op welslagen, konden ondernemen.
“Phil Evans,” hernam Uncle Prudent, “in stede van bij het verlaten der vergadering zulke zoete bitterheden of bittere zoetigheden te wisselen, zooals wij gedaan hebben en waarop dus niet meer teruggekomen kan worden, hadden wij beter gedaan van minder vertoornd te zijn en beter rondom ons te kijken....”
“Dat’s waar, Uncle Prudent, zeer waar!” antwoordde de secretaris Phil Evans.
“Wanneer wij in de straten van Philadelphia gebleven waren,” ging de voorzitter voort, “dan zou van dat alles niets gebeurd zijn. Dunkt u dat ook niet!”
“Zeer waar,” herhaalde de secretaris Phil Evans, “zeer waar, Uncle Prudent!”
“Klaarblijkelijk heeft die Robur met veel snuggerheid gegist, wat er in de club gebeuren zou. Hij heeft voorzien, tot welken toorn en welke woede zijne tartende houding en gesprekken aanleiding zouden geven....”
“Zeer waar, Uncle Prudent, zeer waar!”
“Waarschijnlijk stonden eenige zijner bandieten bij de deur op post, om hem, als de nood aan den man kwam, te hulp te schieten. Zoo dunkt mij ten minste....”
“Mij ook,” betuigde Phil Evans goedkeurend knikkend.
“Toen wij de Walnutstreet verlieten, hebben die bandieten ons gevolgd en bespied....”
“Zeer waar, Uncle Prudent, zeer waar!”
“En toen zij zagen, dat wij zoo onvoorzichtig de donkere lanen insloegen van het eenzame Fairmont-Park, toen was de zaak klaar en de volvoering van den aanslag gemakkelijk gemaakt.”
“Waar, zeer waar, Uncle Prudent,” herhaalde de secretaris Phil Evans. “Ja, wij hebben zeker groot ongelijk gehad, dat wij na de zitting niet dadelijk naar huis zijn gegaan. Groot ongelijk!”
“Men heeft altijd ongelijk, wanneer men geen gelijk heeft,” betuigde Uncle Prudent heel snedig.
“Inderdaad!” beaamde de secretaris.
In dit oogenblik weerklonk een lange zucht in het donkerste gedeelte van de cel, waarin zij opgesloten waren.
“Wat is dat?” vroeg Phil Evans.
“Wat?”
“Hoordet gij dien zucht niet?”
“Och loop.... dat’s Frycollin, die droomt.”
“Meent ge?”
“Ik ben er zeker van,” antwoordde Uncle Prudent.
Daarna hernam hij:
“Tusschen het oogenblik, waarin wij op weinige passen van de open plek in het park gegrepen zijn geworden, en dat, waarin wij in dit hok gesmeten zijn, zijn hoogstens twee minuten verloopen....”
“Ja, hoogstens!” beaamde Phil Evans.
“Het is dan buiten kijf, dat die lieden ons niet buiten het Fairmont-Park gebracht hebben. Zijt gij dat niet met mij eens, Phil Evans?”
“Voorzeker, Uncle Prudent; want volgens mij, wanneer zij ons buiten het Park gebracht hadden; dan zouden wij de beweging van het vervoer moeten ontwaard hebben.”
“Zeer juist!” antwoordde Uncle Prudent. “Het is dus aan geen twijfel onderhevig, dat wij in een compartiment van een voertuig opgesloten zitten; misschien wel in een van die lange karren, in de Prairiën in gebruik, of in een wagen van heidenen of kermispotsenmakers.”
“Dat gevoelen deel ik geheel en al,” zei Phil Evans. “Wanneer wij toch aan boord van een vaartuig gebracht waren, dat aan een der oevers van de Schuylkill-rivier vastgemeerd gelegen had, zouden wij dat door de schommelingen van de schuit bemerkt hebben bij het aan boord brengen, ook door die, veroorzaakt door den snellen stroom der rivier.”
“Juist, steeds zeer juist!” herhaalde Uncle Prudent. “Daaruit maak ik twee stellingen op. De eerste is, dat wij de open plek van Fairmont-Park nog niet verlaten hebben. En de tweede daaruit afgeleide is, dat het nu of nooit het oogenblik is om te vluchten.”
“En Robur dan?”
“O, die zullen wij later wel terugvinden! Wees gerust. Dat neem ik op mij!”
“Ja, hem weervinden, om hem betaald te zetten....”
“Dubbel betaald te zetten, Phil Evans. Gij weet het heilig woord: Die zaait zal dubbel maaien!”
“Om hem duur betaald te zetten dien aanslag, dien hij zich op de vrijheid van twee burgers van de Vereenigde Staten van Noord-Amerika veroorloofd heeft!”
“Juist.... duur.... zeer duur betaald zetten!”
“Maar,.... wie is die man?”
“Dat weet ik niet, Uncle Prudent.”
“Vanwaar komt hij?”
“Dat weet ik ook niet.”
“Is het een Engelschman, een Duitscher, een Franschman, een....”
“Dat weet ik evenmin,” viel Phil Evans den voorzitter in de rede. “Maar wat ik weet....”
“Welnu, wat weet gij?”
“Dat het een ellendeling is! En dat is genoeg, dunkt mij.”
“Mij ook.”
“En nu aan het werk!”
“Aan het werk!”
Beiden staken nu de handen met uit elkander gespreide vingers voor zich uit en betastten de omwanding van het hok, waarin zij opgesloten waren, om een naad of een voeg te ontdekken. Maar niets, niets. Ook niet bij de deur. Die sloot volkomen hermetisch en het zou onmogelijk geacht moeten worden het slot te doen springen. Zij moesten dus een gat maken om daardoor te ontsnappen.
Het was nu evenwel zaak om te onderzoeken, of hunne bowie-knifes die omwanding zouden kunnen aantasten, of de lemmeten bij dat werk niet geschaard zouden worden of wel zouden breken.
“Maar waar vandaan zou die trilling toch komen, die geen oogenblik ophoudt?” vroeg Phil Evans, die verbaasd was over dat onafgebroken “frrr, frrr”.
“Dat is ongetwijfeld de wind,” antwoordde Uncle Prudent.
“De wind?.... Maar ik dacht, dat tot middernacht volkomen stilte in de atmosfeer geheerscht had?”
“Volkomen juist, Phil Evans; maar als het de wind niet is, wat zou het volgens u dan kunnen zijn?”
Phil Evans antwoordde niet, maar opende het beste lemmet van zijn bowie-knife en poogde de omwanding in de nabijheid van de deur aan te tasten. Misschien was het voldoende een klein gat te maken, om de deur te kunnen openen, wanneer die door een eenvoudigen grendel gesloten was, of dat men aan de buitenzijde den sleutel in het slot had laten steken.
Na eenige minuten hard gearbeid te hebben, had de secretaris van Weldon-Institute geen ander resultaat verkregen, dan dat al delemmeten van zijn bowie-knife zoodanig geschaard waren, dat zij veel geleken op eene duizendtandige zaag, en dat de punten er van gebroken waren.
“Slaagt gij?” vroeg Uncle Prudent.
“Neen!”
“Zou de omwanding van deze cel ook van plaatijzer vervaardigd kunnen zijn?”
“Neen, Uncle Prudent. Wanneer men op die omwanding klopt, dan geeft zij geen metaalklank.”
“Dan is zij van ijzerhout vervaardigd misschien?”
“Ook niet. Zij is noch van ijzer noch van hout.”
“Maar waaruit bestaat zij dan?”
“Dat kan ik niet zeggen. Maar in elk geval uit eene stof of substantie, waarop het scherpste staal geen vat heeft.”
Uncle Prudent kreeg een aanval van hevige woede. Hij vloekte en stampte met den voet op den holklinkenden vloer, terwijl hij met beide handen het gebaar maakte, alsof hij een denkbeeldigen Robur worgde.
“Kalmte, Uncle Prudent!” vermaande de secretaris Phil Evans. “Kalmte en probeer gij op uwe beurt ook eens.”
Uncle Prudent ging aan den gang; maar zijn bowie-knife kon de omwanding evenmin ergens aanraken. Het lukte hem zelfs niet met zijn beste lemmet een kras er op te maken. Het was waarlijk, alsof die omwanding van bergkristal was.
Dus iedere vlucht werd daardoor onmogelijk, hierbij van de veronderstelling uitgaande, dat zij uitvoerbaar ware, wanneer zij er in geslaagd waren de deur te openen, of een gat in de omwanding te maken.
Zij moesten zich, althans voor het oogenblik, aan hun noodlot onderwerpen, hetgeen met hunne Yankee-geaardheid volstrekt niet overeenkwam. Zij moesten alles aan het toeval overlaten, iets wat iederen practischen man tegen de borst stuit. Maar die onderwerping, die gelatenheid geschiedde niet zonder pruttelen, zonder groote woorden, zonder heftige uitingen, aan het adres van dien Robur gericht, die de man er niet naar was, om zich daarvan veel aan te trekken, wanneer hij althans in het gewone dagelijksche leven dezelfde geaardheid aan den dag legde, waarvan hij te midden van de vergaderde leden van Weldon-Institute had doen blijken.
Frycollin begon intusschen zulke teekenen van onpasselijkheid te geven, dat omtrent hare beteekenis geen twijfel bestond. Hij boog en krimpte zoo pijnlijk mogelijk, alsof hij aan maagkrampen of wel aan zenuwtrekkingen in alle lichaamsdeelen leed.
Uncle Prudent meende, dat het tijd was, om aan die acrobatischebewegingen een einde te maken; althans hij sneed de touwen door, die de handen en voeten van den neger knevelden.
Een oogenblik later stond de secretaris op de schouders van Frycollin. (Bladz. 61)Een oogenblik later stond de secretaris op de schouders van Frycollin. (Bladz.61)
Een oogenblik later stond de secretaris op de schouders van Frycollin. (Bladz. 61)
Een oogenblik later stond de secretaris op de schouders van Frycollin. (Bladz.61)
Wie weet, of hij er geen berouw over gevoelen zou? Want al dadelijk barstte eene eindelooze reeks van klaagliederen los, waarbij kreten van pijn zich afwisselden met gekerm van honger.
Frycollin was niet alleen in het brein, maar ook in de maag aangetast. Het zou zeer moeielijk geweest zijn, uit te maken, aan welke dier beide lichaamsdeelen het akelige gevoel moest toegeschreven worden, hetwelk de arme neger beving.
“Frycollin!” riep Uncle Prudent.
“Master Uncle!... Master Uncle!...” antwoordde de bediende tusschen twee akelige jammerkreten.
“Het is mogelijk, dat wij veroordeeld zijn, om in deze gevangenis van honger te sterven...”
De neger rilde van angst over zijn geheele lichaam, van het hoofd tot de voeten.
“Maar,” ging Uncle Prudent met indrukwekkende stem voort, “wij zijn vast besloten, om tot het uiterste vol te houden en om niet het onderspit te delven, dan wanneer wij alle aanwezige voedingsmiddelen zullen verorberd hebben, die geschikt zullen bevonden worden, om ons bestaan te rekken...”
“Gij wilt mij opeten?” riep Frycollin ten uiterste ontsteld en handenwringend uit.
“Zooals men steeds met een neger in dergelijke omstandigheden doet!....”
“Master Uncle!... Master Uncle!”
“Zorg er dan voor, dat wij je vergeten, dat wij je niet gewaar worden, Frycollin!”
“Anders zullen wij je fricasseeren!” voegde de secretaris Phil Evans er bij.
“Master Uncle!... Master Uncle!”
En waarachtig, de onnoozele Frycollin was ernstig beangst, dat hij met zijn lichaam zou moeten dienen, om die twee levens, die klaarblijkelijk veel kostbaarder waren dan het zijne, te verlengen. Hij bepaalde er zich dan ook toe, om slechts in petto te zuchten.
De tijd vlood middelerwijl voorbij, en iedere poging om de deur met geweld te openen, of om een gat in de omwanding der cel te maken, was vruchteloos gebleven.
Waaruit bestond de bouwstof toch van die omwanding? Waarlijk, dat was onmogelijk te zeggen.
Het was geen metaal, het was geen hout, het was geen steen. Dat was alles, wat er van te vertellen viel.
De vloer daarenboven van de cel scheen van hetzelfde materiaal vervaardigd te zijn. Wanneer men met den voet trapte, dan veroorzaakte dit een eigenaardigen toon, dien Uncle Prudent onmogelijk onder de bestaande en bekende geluiden kon rangschikken.
Een andere bijzonderheid werd opgemerkt, namelijk dat het onder den vloer hol klonk, alsof hij niet op den bodem van Fairmont-Park rustte. Ja, als men goed luisterde, was het alsof dat onverklaarbare “frrr, frrr” langs den buitenkant van dien vloer scheerde.
Dat alles was voor ons drietal niets geruststellend.
“Uncle Prudent?” zei Phil Evans.
“Phil Evans?” antwoordde Uncle Prudent.
“Denkt gij, dat onze cel van plaats veranderd heeft?”
“Hoegenaamd niet!”
“Denkt ge?”
“Daar ben ik zeker van.”
“Toch kreeg ik, op het oogenblik dat wij in dit hok opgesloten werden, de frissche lucht van het gras en den harsachtigen geur van de boomen in Fairmont-Park in den neus...”
“Ik ook.”
“Maar nu mag ik de lucht zooveel opsnuiven als ik wil, daarvan ruik ik thans volstrekt niets meer.”
“Inderdaad, gij hebt gelijk.”
“Ja, maar hoe is dat te verklaren?”
“Verklaar het op de wijze als gij wilt, Phil Evans, mits gij maar de veronderstelling niet oppert, dat onze gevangenis van plaats veranderd kan hebben. Ik herhaal het, wanneer wij ons in een wagen bevinden, die voortgetrokken wordt, of in een vaartuig, dat op de oppervlakte van het water glijdt, zouden wij het moeten voelen.”
Frycollin liet toen een akelig langgerekt gesteen hooren, dat er wel wat van weg had, of het zijn laatste ademtocht was. Geruststellend was het echter, dat het door verscheidene zware zuchten gevolgd werd.
“Ik houd het er voor, dat die Robur ons weldra voor zich zal doen verschijnen,” hernam Phil Evans.
“Ik hoop het,” riep Uncle Prudent uit. “Dan zal ik hem zeggen....”
“Wat?”
“Vraagt ge wat, Phil Evans?”
“Ja, Uncle Prudent, dat vraag ik.”
“Wel, ik zal hem zeggen, dat hij begonnen is als een onbeschofte kerel en dat hij geëindigd is als een gemeene kerel te handelen.”
“Juist, Uncle Prudent. Dat zal raak zijn.”
Phil Evans bemerkte thans, dat de dag aanbrak. Een nog ijle en onduidelijke lichtstraal gleed door het nauwe schietgat, hetwelk in het bovenste gedeelte van de omwanding vlak tegenover de deur aangebracht was. Het moest toen ongeveer vier uren in den ochtend zijn, daar de dageraad op de breedte van Philadelphia in demaand Juni op dat uur begint aan te breken. Daar viel niets tegen in te brengen.
Uncle Prudent haalde evenwel zijn repetitie-uurwerk, een meesterstuk, door de fabriek van zijn lotgenoot voortgebracht, uit den zak en liet het slaan. Het duidde aan, dat het kwart vóór drieën was. Toch was het niet blijven stilstaan, daarvan waren beiden verzekerd.
“Dat’s vreemd!” zei de secretaris Phil Evans. “Om kwart vóórdrieënmoest het nog nacht zijn.”
“Of de gang van het uurwerk moet vertraagd zijn...” antwoordde Uncle Prudent.
“Een uurwerk van deWalton Watch Company!!!” riep de secretaris Phil Evans uit. “Onmogelijk!”
Hoe het ook zij, zooveel was onbetwistbaar zeker, dat het wel degelijk de dag was, die aanbrak. Langzamerhand teekende zich het schietgat scherp wit af in de diepe duisternis der cel.
Hoewel de dageraad nu vroeger verschenen was dan wel veroorloofd mocht heeten op den veertigsten breedtegraad, waarop Philadelphia gelegen is, zoo brak het daglicht toch met die snelheid niet door, welke aan lage breedte eigen is.
Dat lokte andermaal eene bemerking van Uncle Prudent uit, die daarop dan ook wees als op een vreemdsoortig en onverklaarbaar natuurverschijnsel.
Phil Evans en Uncle Prudent zagen toe, maar konden er zich geen rekenschap van geven. Daarenboven, het schemerdaglicht vorderde slechts langzaam in de cel, waarin zij opgesloten zaten.
“Wij kunnen niet uitkijken,” merkte de voorzitter van Weldon-Institute op.
“Uitkijken, waarnaar?”
“Wel uitkijken, om waar te nemen, waar wij zijn,” vulde Uncle Prudent aan.
“Dat zouden wij kunnen doen,” antwoordde de secretaris Phil Evans.
“Hoe zoo?”
“Wel door ons tot bij dat schietgat op te hijschen. Dat is waarlijk zoo moeielijk niet.”
“Daar zegt ge zoo iets!” riep Uncle Prudent opgewonden en opgetogen uit.
“Dat zal wel gaan, dunkt mij.”
“Mij ook!” bevestigde de voorzitter van Weldon-Institute.
En zich tot zijn knecht Frycollin wendende:
“Kom Fry!” zeide hij. “Kom, op! En vlug ter been!”
De neger stond met loome bewegingen op.
“Steun je rug tegen dien wand daar,” beval hem Uncle Prudent.
Frycollin voldeed aan die lastgeving.
“En gij, Phil Evans,” ging de voorzitter van Weldon-Institute voort, “en gij, Phil Evans, klim thans op de schouders van dien lummel....”
“Zal Frycollin sterk genoeg wezen, om mijn last te dragen?” vroeg de secretaris Phil Evans.
“Om u te dragen? Hij is sterk als een os! Daarenboven, ik zal hem schoren en steunen. Wees gerust, Phil Evans, gij zult niet vallen. Dat verzeker ik u.”
“Welnu, dan klim ik.”
Een oogenblik later stond de secretaris van Weldon-Institute op de schouders van Frycollin. In dien stand kwamen zijne oogen ter hoogte van het bedoelde schietgat.
Dit schietgat was gesloten niet door een lensvormig glas, zooals dat bij de patrijspoortjes van zeeschepen aangetroffen wordt, maar door eene eenvoudige ruit. Hoewel zij niet zeer dik van glas was, hinderde zij toch het gezichtsvermogen van den secretaris Phil Evans, wiens gezichtsveld zeer begrensd was. Hij merkte dat al grommende op.
“Welnu,” zeide Uncle Prudent, “sla die ruit stuk, dan zult gij beter kunnen zien, dunkt me.”
De raad was goed en werd dus opgevolgd. Phil Evans gaf een hevigen slag met de greep van zijn bowie-knife op de ruit, die een zilverachtigen toon liet vernemen.
“Te drommel!” zeide de secretaris, “dat is sterk glas. Maar ik zal nog eens probeeren.”
Bom!... Een nieuwe slag nog harder dan de eerste, maar met even ongunstig resultaat.
“Mooi!” hernam Phil Evans. “Het is niet alleen sterk, maar totaal onbreekbaar glas!”
Inderdaad, die ruit moest vervaardigd zijn van een soort glas, te zaam gesteld volgens de uitvinding van Siemens, daar het, in weerwil van de hevige slagen en stooten, die Phil Evans daarop uitvoerde, onaangetast bleef.
Toch was de ruimte bij het vorderen van het daglicht nu genoeg verlicht om den blik te veroorloven iets waar te nemen van hetgeen in het beperkte gezichtsveld van de omlijsting van het schietgat te zien zoude zijn.
“Wat ziet ge?” vroeg Uncle Prudent, trappelend van ongeduld. “Nu, wat ziet ge, Phil Evans?”
“Niets, Uncle Prudent,” antwoordde de secretaris bedaard.
“Wat, niets?”
“Neen.”
“Ziet gij dan geen boomen, geen bosch?”
“Neen.”
“Dan toch het bovenste gedeelte der takken?”
“Ook dat niet.”
“Wij zijn dan niet meer in de open ruimte?”
“Neen.”
“Niet meer in het Fairmont-Park?”
“Neen.”
“Ontwaart gij dan geen daken van huizen?”
“Neen.”
“Geen nokken van monumenten?” vroeg Uncle Prudent, wiens teleurstelling, gepaard aan woede, iedere seconde vermeerderde.
“Ook geen nokken van monumenten,” antwoordde Phil Evans. “Niets, niets!”
“Wat! Zelfs geen scheepsmast, geen vlaggestok, geen kerktoren?”
“Neen.”
“Geen fabrieksschoorsteen?”
“Neen.”
“Wat ziet ge dan?”
“Niets! Niets dan de ijle ruimte!”
In dit oogenblik ging de deur der cel open en een man verscheen op den drempel.
Het was Robur.
“Eervolle en hooggeachte ballonisten,” zeide hij met ernstige stem, “gij zijt thans vrij, geheel vrij om te gaan en te komen, zooals gij zulks zult verlangen....”
“Vrij en frank?” vroeg Uncle Prudent.
“Ja, zeker,.... althans binnen de grenzen van denAlbatros!”
Uncle Prudent en zijn secretaris Phil Evans stormden de cel uit.
Op twaalf- of dertienhonderd meters onder hen ontwaarden zij de oppervlakte van eene landstreek, die zij, hoe zij ook tuurden, tevergeefs poogden te herkennen.
Wanneer zal de mensch toch ophouden op dit tranendal rond te kruipen, om eindelijk te gaan leven in het azuurblauw en den vrede des hemels?
Op die vraag van CamilleFlammarionis het antwoord gemakkelijk te geven.
Dat zal gebeuren wanneer de vorderingen der werktuigen veroorlovenzullen het vraagstuk van de vliegkunst op te lossen. En, zooals reeds sedert eenige jaren te voorzien was, zou eene meer practische aanwending van de electriciteit de oplossing van dat vraagstuk meer nabij brengen.
Reeds in 1783, dus vóórdat de gebroeders Montgolfier het eerste toestel uitdachten, hetwelk hun naam voerde en Montgolfière heette, en vóórdat de natuurkundige Charles zijn eersten ballon vervaardigde, waren eenige stoutmoedige breinen er op bedacht geweest om de verovering der luchtruimte door middel van werktuigkundige toestellen te volvoeren. Die eerste uitvinders hadden dus niet gedacht aan toestellen lichter dan de lucht, hetgeen door de trap, waarop de wetenschap toenmaals stond, totaal onmogelijk geweest ware. Zij vroegen dus de oplossing van het vraagstuk der beweging in de bovenste luchtlagen aan toestellen, die zwaarder dan de lucht waren, aan vliegende machines, die de bewegingen van den vogel nabootsten.
Dat was juist, wat die dwaze Icarus, de zoon van Daedalus, gedaan had. Hij had evenwel de penvederen zijner vleugels met was vastgehecht, en die was smolt, toen de stoutmoedige jongeling de zon te nabij kwam.
Maar zonder nog tot de mythologische tijdperken op te klimmen, zonder te spreken van den geleerden Archytos van Tarente, kunnen wij reeds wijzen op de werken van Dantes van Perussa, van Leonard de Vinci en van Guidotti. Daarin wordt reeds de kiem aangetroffen van werktuigen, die bestemd waren, om zich in de luchtlagen te bewegen.
Twee en een halve eeuw later werden de uitvinders op dat gebied talrijker.
In 1742 werd door den markies de Bacqueville een systeem van vleugels vervaardigd, waarmede hij poogde boven de Seine te vliegen. Hij viel en brak een arm.
In 1768 dacht Paucton een toestel met twee schroeven uit, waarvan de eene een opvoerende en de andere een voortdrijvende kracht bezat. Of hij daarmee proeven nam, weet men niet.
In 1781 vervaardigde Meerwein, de architect van den keurvorst van Baden, een werktuig met orthopterische beweging, en teekende protest aan tegen de mogelijkheid van de bestuurbaarheid der ballons, die toen uitgevonden waren.
In 1784 lieten Launoy en Bienvenu een helicopterisch werktuig manoeuvreeren, dat door stalen veeren werd in beweging gebracht.
In 1808 beproefde de Oostenrijker Jakobus Degen te vliegen.
In 1810 verscheen eene brochure, door Denian van Nantes geschreven, waarin de grondbeginselen van de stelling:“zwaarder dan de lucht”uiteengezet werden.
In het tijdperk van 1811 tot 1840 volgden de studiën en uitvindingenvan Berblingen, van Vigual, van Sarti, van Dubochet, van Cagniar en van Latour.
In 1842 trad de Engelschman Henson op met zijn systeem van hellende vlakken en van schroeven, die door stoom bewogen werden.
In 1845 vervaardigde Cossus een toestel met opdrijvende schroeven.
In 1847 kwam Camille Vert op het denkbeeld, zijnen helicopteer van veêren vleugels te voorzien.
In 1852 beweerde Letur een bestuurbaar valscherm te hebben uitgevonden. Bij eene proefneming met zijne uitvinding kwam hij jammerlijk om het leven.
In hetzelfde jaar vertoonde Michel Loup een stelsel van een glijdend vlak, dat van vier draaiende wielen voorzien was.
In 1853 verscheen Béléguie met zijn in de lucht zwevend toestel, dat door trekkingsschroeven voortbewogen werd; Vaussin Chardanne met zijnen vrijen maar bestuurbaren vlieger; Georges Cauley met zijne plannen van vliegende machines, die een gasmotor tot beweegkracht hadden.
Van 1854 tot 1863 traden vele uitvinders op, waaronder Joseph Gline, die voor verschillende systemen van luchtvaart octrooien ontving, Breant, Carlingfort, Le Bres, Du Temple, Bright, wiens opdrijvende schroeven ook achteruit slaan konden, Smythies, Panafieu, Crosnier enz. enz.
Eindelijk werd onder den invloed van Nadar in 1863 de maatschappij“Zwaarder dan de lucht”te Parijs opgericht. Daar lieten toen verscheidene uitvinders hunne werktuigen beproeven en verwierven enkele octrooien, aanmoedigende getuigschriften, zooals: de Ponton d’Amecourt met zijn stoomhelicopteer, de la Landelle met zijn ingewikkeld stelsel van schroeven met hellende vlakken en met valschermen, de Louvrié met zijn vuurschip, d’Esterno met zijn kunstvogel, de Groof met zijn vliegtoestel, waarvan de vleugels door hefboomen bewogen werden.
In één woord, de stoot was gegeven, en wij zijn nu het tijdperk ingetreden, waarin de uitvinders alles uitvinden en de wiskunstenaars alles berekenen kunnen, wat de luchtvaart van de droombeelden der theorie tot de daadwerkelijke uitvoering in de praktijk zal moeten voeren.
Bourcaft, Le Bris, Kaufmann, Smyth, Shingfellow, Prigent, Danjard, Powés, de la Pauze, Moy, Penaud, Jobert, Hureau de Villeneuve, Achenbach, Garapon, Duchesne, Danduran, Pauzel, Dieuaide, Melkirff, Forlanini, Brearey, Tatin, Dandrieux, Edison zijn de mannen, die zich beijveren de zaak tot oplossing te brengen, de eene met vleugels of met schroefbladeren, de andere met hellende vlakken. Die vernuften scheppen, fabriceeren, volmaken en verbeteren hunne vliegmachines, die op het gewilde oogenblik gereed zullenzijn, namelijk op den dag, wanneer de een of andere uitvinder eenmotor van aanzienlijke kracht, gepaard aan eene buitengewone lichtheid, zal weten toe te passen.
Ontwaarden zij eene landstreek, die zij te vergeefs poogden te herkennen (Bladz. 62).Ontwaarden zij eene landstreek, die zij te vergeefs poogden te herkennen (Bladz.62).
Ontwaarden zij eene landstreek, die zij te vergeefs poogden te herkennen (Bladz. 62).
Ontwaarden zij eene landstreek, die zij te vergeefs poogden te herkennen (Bladz.62).
Dat de lezer ons die lange lijst van namen vergeve. Maar was zij niet noodzakelijk om al de sporten der ladder van de luchtvaart, op welker hoogste punt Robur de Veroveraar aangekomen was, aan te toonen? Zou die werktuigkundige, zonder de proeven, zonder de mistastingen zijner voorgangers, ooit een toestel hebben kunnen uitdenken, dat zoo volmaakt was als het zijne? Immers neen!
En al sprak hij ook al kleinachtend van hen, die zich nog steeds onledig hielden met het vraagstuk der bestuurbaarheid van de luchtballons, zoo waardeerde hij daartegenover ten volle de aanhangers van hetZwaarder dan de lucht. Hij was in de leer geweest bij Engelschen, bij Amerikanen, bij Italianen, bij Oostenrijkers, bij Franschen,—ja vooral bij Franschen. Hij had de toestellen zijner meesters vervolledigd en verbeterd, en was er zoo toe gekomen, om die vliegmachine te vervaardigen, waarmede hij thans door de hoogere luchtlagen trok en dien hijAlbatrosnoemde.
“De duif vliegt!” had een van de hardnekkigste en vurigste aanhangers van de vliegkunst uitgeroepen.
“Men zal op het gegeven oogenblik de lucht betreden, zooals men den grond betreedt,” had daarop een niet minder geestdriftvolle aanhanger geantwoord.
“Tegenover de locomotief stellen wij de aéromotief!” had de meest opgewondene uitgeroepen met eene stem, die schetterde als een trompet, en wel geschikt was om de echo’s der publiciteit, zoowel in de Oude als in de Nieuwe Wereld op te wekken.
Niets is toch inderdaad meer door proefneming en door berekening bevestigd, dan dat de lucht een zeer stevig steunpunt aanbiedt. Eene oppervlakte van een meter doorsnede, welke een valscherm vormt, kan niet alleen de beweging van een vallend lichaam vertragen, maar ook isochronisch werken, d.w.z. zulke paracentrische lijnen beschrijven, volgens welke een lichaam, door eene zekere kracht gedreven, een gegeven punt in gelijke tijden kan naderen of zich daarvan verwijderen. Ziedaar, wat men wist.
Men wist ook dat, wanneer de snelheid van overbrenging groot is, de arbeid van de zwaartekracht vermindert in omgekeerde reden van het kwadraat dier snelheid en dat zij dan bijna onbeduidend wordt.
Men wist ook dat, hoe meer het gewicht van het vliegend dier toeneemt, de vergrooting van het vleugelvlak, noodzakelijk om het geheele lichaam in de lucht te dragen, niet in diezelfde evenredigheid toeneemt, hoewel de bewegingen, die noodzakelijk gemaakt moeten worden, veel langzamer zijn.
Een vliegtoestel moet dus zoodanig vervaardigd worden, dat hetden vogel nabootst, wil men die natuurlijke wetten benuttigen. En de vogel is “de meest bewonderenswaardige type van de bestuurbare beweging der lucht” volgens de uitspraak van dokter Marey, lid van het Instituut van Frankrijk.
Om kort te gaan, de toestellen, die het gestelde vraagstuk, omtrent de vliegkunst zullen kunnen oplossen, kunnen tot drie soorten teruggebracht worden, te weten:
1ens. De helicopteren of spiraalvoerders. Dit zijn slechts schroeven met verticale assen.
2dens. De orthopteren of toestellen, die de natuurlijke vogelvlucht pogen na te bootsen.
En 3dens. De luchtzwevers, die eigenlijk niets anders zijn dan hellende vlakken, zooals de vlieger, maar gesleept of voortgestuurd worden door horizontale schroeven.
Ieder dier stelsels had aanhangers gehad en had ze nog, koppige, onhandelbare aanhangers, die van geen toegeven aan anderer meeningen weten wilden.
Evenwel, onze Robur had na vele overwegingen, na veel wikken en wegen, eindelijk de twee eerst aangehaalde stelsels, namelijk de helicopteren en de orthopteren, bepaald verworpen.
Ongetwijfeld biedt de orthopteer, of de mechanische vogel, enkele voordeden aan. Daaromtrent is iedereen het eens. De geschriften en de proefnemingen van den heer Renaud, in 1884 geschreven en volvoerd, hebben het bewezen. Maar, zooals men het hem meer dan eens aan het verstand gebracht heeft: men moet de natuur niet slaafs navolgen. De locomotieven zijn geen kopieën van de hazen en de stoomvaartuigen niet van de visschen. Aan de eerste heeft men wielen verleend, die toch geen beenen genoemd kunnen worden. De tweeden hebben schroefbladen, die toch geen zwemvinnen zijn. En daarom bewegen zij zich niet slechter voort. Integendeel. Weet men daarenboven welke mechanische arbeid door een vogel, wanneer hij vliegt, verricht wordt? De bewegingen, door het dier daarbij verricht, zijn zeer samengesteld en ingewikkeld. Dokter Marey heeft toch de meening geopperd, dat de baarden der slagpennen zich gedurende de beweging van het terugbrengen van den vleugel, openden, om de lucht gelegenheid te geven te ontsnappen. En zou nu die zoo ingewikkelde beweging door eene kunstmatige machine na te bootsen wezen? Waarlijk, dat zou zeer moeielijk zijn.
Van een anderen kant stond het als een paal boven water, dat de zoogenaamde luchtzwevers met hunne hellende vlakken ook zeer goede resultaten hadden opgeleverd, Wanneer toch bij de voortstuwende beweging der schroeven tegen de inwerking der luchtlaag een schuin vlak gesteld wordt, dan wordt daardoor een naar bovendrijvende arbeid verkregen, en de proefnemingen, die men met kleine toestellen uitgevoerd heeft, hebben het bewijs geleverd, dat de ter beschikking staande zwaarte, dat wil zeggen een zeker gewicht, behalve dat van het toestel, in evenredigheid van de vierkanten der snelheid toeneemt. Dat zijn groote voordeelen, oneindig grooter dan die der luchtgevaarten, die aan eene overbrengingsbeweging onderworpen zijn.
Intusschen had Robur de gezonde gedachte haren invloed laten uitoefenen, dat het eenvoudigste stelsel het beste is. De schroeven, “die heilige schroeven”, die men hem in de vergadering van Weldon Institute zoo naar het hoofd gegooid, zoo vinnig verweten had, waren dan ook voldoende geweest, om in alle behoeften zijner vliegende machine te voorzien. De eene diende, om het toestel in de lucht zwevende te houden, de andere bewoog het onder bewonderenswaardige omstandigheden van snelheid en veiligheid voort.
En inderdaad, volgens de theorie, kan “door middel van eene schroef met betrekkelijk korte bladen, maar van eene aanmerkelijke oppervlakte”, luidens de verklaring van den heer Victor Tatin, “wanneer men de zaken tot het uiterste wil drijven, een onbepaald zwaar gewicht met de minst mogelijke kracht opgetild worden.”
De orthopteer, die evenals de vogels vleugelslagen volbrengt, verheft zich door eenvoudig op de luchtlagen te steunen. De helicopteer daarentegen verkrijgt zijn stijgende kracht, door schuins de luchtlagen met de bladen zijner schroef te zweepen en verkrijgt daarbij eene beweging, alsof hij tegen een hellend vlak opstijgt. In werkelijkheid zijn het schroefvormige vleugels in plaats van wieken met platboorden.
De schroef beweegt zich noodzakelijk in de richting harer as voort. Staat die as rechtstandig, dan beweegt de schroef zich in verticale richting, staat zij horizontaal, dan ook geschiedt de beweging in horizontale richting.
Het geheele vliegende toestel van den ingenieur Robur was op het benutten van die twee beweegkrachten gegrondvest.
En wij laten hieronder eene nauwkeurige beschrijving van dat toestel volgen, hetwelk gevoegelijk in drie hoofddeelen verdeeld kan worden, namelijk: het platform of dek, de toestellen tot opheffing en voortstuwing, en eindelijk de machinerie.
Het platform had eene oppervlakte van een honderd twintig vierkante meters en was lang dertig en breed vier meters. Het was in den volsten zin des woords een dek van een schip, welks voorsteven den vorm van een wig zoude hebben. Onder dat dek rondde een romp af, met stevige inhouten, welke bestemd was om de toestellen, die de mechanische kracht zouden voortbrengen, alsookde kruitkamer, de kaarten- en seinvlaggenkamer, het levensmiddelenruim, de bottelarij en de kisten voor den watervoorraad te bevatten. Rondom dat platform verhieven zich eenige lichte stutten daarboven, die door een traliewerk van stevig ijzerdraad verbonden waren, waardoor eene soort van reeling of verschansing gevormd was, welke door een stevigen raambalk gedekt werd, die een flink scheepsboord als het ware vormde. Op de oppervlakte van dat dek verhieven zich vier roeven, die tot verblijf dienden, de eerste der middenvakken voor het personeel, de anderen voor de werktuigen. In de middenroef was de machinerie daargesteld, die de opheffingstoestellen, in de voorste roef de machine, die de schroef van het voorschip, en in de achterste roef, die, welke de schroef van het achterschip in beweging brachten. Die drie werktuigen hadden ieder hun eigen beweegkracht en hun eigen toezicht. In de eerste roef bij den voorsteven was de hut van den hofmeester, de kombuis en het logies der bemanning. In de laatste roef bij den achtersteven waren verscheidene hutten aangebracht, onder anderen die voor den ingenieur, alsook een eetzaal. Daarboven verrees een glazen kooi of schuilplaats, waarin de roerganger stond, die het geheele gevaarte door middel van een krachtig stuurrad stuurde. Al die roeven en die hutten waren door middel van patrijspoortjes verlicht, die gesloten konden worden door vensters van gehard glas, hetwelk een weerstandsvermogen heeft tienmaal grooter dan gewoon glas.
Onder den romp was een stelsel van buigzame veeren aangebracht, die bestemd waren om het stooten te verminderen of te verzachten, hoewel het aan land komen zeer zacht geschieden kon, omdat de werktuigkundige het gevaarte geheel en al in zijne macht had.
Wat nu de toestellen tot opheffing en voortstuwing betreft, daaromtrent kan het volgende medegedeeld worden. Boven het bovengedeelte van het platform en loodrecht daarop waren zeven en dertig staken of beter assen aangebracht, waarvan vijftien langs elke zijde en zeven die hooger waren in het midden van het gevaarte. Men zou gezegd hebben een vaartuig met zeven en dertig masten, met dit onderscheid evenwel, dat die masten geen zeilen voerden, maar ieder twee horizontale schroeven van beknopte doorsnede, waaraan een buitengewoon groot omwentelingsvermogen kon verleend worden. Ieder van die assen had hare eigene beweging, geheel onafhankelijk van de anderen, terwijl zij twee aan twee eene tegenovergestelde omwenteling bezaten. Dit was noodzakelijk om te beletten, dat het geheele gevaarte eene draaiende beweging aannam. Zoodoende vormden de schroeven, hoewel zij allen het hunne er toe bijbrachten, om de stijgende beweging ten opzichte van de loodrechte luchtzuil te verkrijgen en te bevorderen, evenwicht tegen den horizontalen weerstand der lucht.
Het toestel was bijgevolg voorzien van vier en zeventig schroeven, om de stijgkracht te bevorderen. De bladen van die schroeven werden langs den buitenrand weerhouden door een rand van metaal, die den arbeid van vliegwiel volvoerde en waardoor veel beweegkracht bespaard werd. Voor en achter werden door horizontale assen twee voortstuwende schroeven bewogen. Deze bezaten vier bladen met zeer zwak hellende schroefwenteling, die in verschillende richting draaiden en zoo de vooruitdrijvende kracht verleenden. De voortstuwingsschroeven hadden eene veel grootere doorsnede en afmeting dan de opheffingsschroeven, maar konden evenals dezen met eene buitengewoon groote snelheid wentelen.
Alles wel beschouwd, behoorden die toestellen zoowel tot de stelsels welke door de heeren Cossus en de la Landelle, als tot die welke door den heer de Pouton d’Amécourt voorgestaan waren. Zij waren echter door den ingenieur Robur verbeterd, vervolledigd geworden en als het ware volmaakt. Maar ten opzichte van de toepassing der beweegkracht kwam dien grooten man de eer toe inderdaad als uitvinder beschouwd te mogen worden.
Ten opzichte der machine kan hier medegedeeld worden, dat Robur noch aan stoom van water of van andere vloeistoffen, noch aan saamgeperste lucht of aan andere veerkrachtige gassen, noch aan ontplofbare mengsels, die eenig arbeidsvermogen kunnen leveren, de noodige kracht ontleend had, om zijn toestel te doen stijgen, zwevende te houden en voort te bewegen. Maar hij had de electriciteit te hulp geroepen, die kracht welke eens de ziel van de geheele nijvere wereld zal worden. Hij had evenwel geene machine gebezigd, om de electrische beweegkracht voort te brengen, maar daarentegen niets dan batterijen en accumulatoren. Welke evenwel de elementen of samenstellende deelen van die batterijen waren, welke de zuren waren, die haar in werking brachten, dat was het geheim van Robur. En zoo was het ook met die accumulatoren gesteld. Van welken aard waren de positieve en negatieve platen, waaruit zij bestonden? Of beter, uit welke grondstof waren zij vervaardigd? Dat wist niemand te zeggen. De ingenieur had zich, en om zeer gegronde redenen, wel gewacht om een oktrooi of een uitvindersbrevet aan te vragen.
Alles bij elkander genomen, moest als onbetwistbaar resultaat aangenomen worden: batterijen van eene buitengewone kracht; zuren van eene voedende sterkte, daarenboven bijna volkomen bestand tegen verdamping en bevriezing; accumulatoren, die de zoo hoog geroemde Faure-Sellen-Volckmar-toestellen verre overtroffen; eindelijk stroomingen, welker ampères niet te berekenen waren of getallen opleverden, die tot nu toe niet bereikt waren. Daardoor werd een arbeidsvermogen verkregen, dat in stoom- of electrischepaarden omgezet, om zoo te zeggen oneindig moest genoemd worden. Dat arbeidsvermogen werkte op de schroeven, die het geheele gevaarte eene stijgende, en op die, welke het eene voortstuwende beweging verleenden. En die stijgkracht en die voortstuwende kracht waren meer dan voldoende, om het gevaarte in alle mogelijke omstandigheden handelbaar te doen blijven.
Maar, wij herhalen het, de uitvinding daarvan was het geheim van den ingenieur Robur. Zij was zijn eigendom en hij heeft daaromtrent een volmaakt stilzwijgen bewaard.
Wanneer de voorzitter en de secretaris van Weldon-Institute er niet in zullen slagen, om dat geheim te ontdekken, dan zal het zeer waarschijnlijk voor het menschdom verloren gaan.
Het zal wel niet behoeven gezegd te worden, dat aan het geheele gevaarte door de doelmatige plaatsing van het zwaartepunt eene voldoende stabiliteit verleend was. Er bestond derhalve hoegenaamd geen gevaar, dat het toestel onrustbarende hoeken met het horizontaal vlak zoude vormen, en dat dus geene vrees voor kantelen behoefde te ontstaan. Dat was ook het voornaamste, hetgeen in de gegeven omstandigheden nog al tot hoofdbreken aanleiding had gegeven.
Er blijft ons nu nog over mede te deelen, welk materiaal de ingenieur Robur gebezigd had voor de vervaardiging van zijn luchtschip—eene zeer toepasselijke benaming voor deAlbatros. Wat was dat toch voor stof, die zoo hard was, dat zij door het bowie-knife van den secretaris Phil Evans niet aangetast kon worden, en waarvan de president Uncle Prudent den aard niet wist aan te duiden? Ja, wat was dat?
Eenvoudig papier.
De papiervervaardiging had reeds sedert vele jaren eene buitengewone uitbreiding ondergaan. Vellen ongegomd of ongelijmd papier worden met dextrine en stijfsel gedrenkt en daarna onder een hydraulische pers gebracht. Door de ondervonden drukking wordt eene stof of beter eene vaste massa gevormd, die harder dan staal is. Men maakt er schijven tot hijschblokken of katrollen van, spoorwegrails, raderen voor spoorwegrijtuigen, en die voorwerpen zijn sterker dan wanneer zij van metaal vervaardigd worden, terwijl zij bovendien veel lichter zijn. Het was deze sterkte, gepaard aan die lichtheid, welke Robur voor zijn luchtschip had willen benutten. Alles, romp, inhouten, verschansing, hutwanden, potdeksels waren van stroopapier vervaardigd, dat door de ondergane onmetelijke drukking als het ware metaal was geworden, terwijl het daarenboven geheel onbrandbaar was, een voordeel of beter eene eigenschap, die voor een toestel, bestemd om op zulke aanzienlijke hoogte te zweven, waarachtig van onberekenbare waarde moest genoemd worden.