Toen vlood alles, ten prooi aan den hevigsten schrik. (Bladz. 156).Toen vlood alles, ten prooi aan den hevigsten schrik. (Bladz.156).Andere natuurverschijnselen werden bovendien gedurende dit gedeelte van de reis nog waargenomen.Het gebeurde bij voorbeeld vaak dat sommige wolken aan het geheele uitspansel door een zekere grijze tint een zeer bijzonder uiterlijk verleenden. Wanneer men dan die gordijn van dampen als het ware voorbij gestevend was, dan verscheen hare oppervlakte als bezaaid, als geheuveld door krulvormige wolkjes van eene schitterende witheid, die als het ware met kleine gestolde loovertjes overdekt waren, hetgeen onder andere breedten aan de vorming van hagel zou hebben doen denken. Misschien was het dat wel.In den nacht van den 17denop den 18denJuli verscheen een prachtige maan-regenboog, die eene groen-geelachtige tint vertoonde. Dit luchtverschijnsel werd veroorzaakt door den stand, welken het luchtschip innam tusschen de volle maan en eene dichte gordijn van zeer fijne regendroppels, die vervluchtigden en verdampten, alvorens zij de zee bereikt hadden.Moest uit al die verschillende natuurverschijnselen de gevolgtrekking gemaakt worden, dat er weersverandering op til was? Wie weet? Het was wel mogelijk.Wat er ook van aan mocht zijn, zooveel is zeker dat de wind, die, sedert het luchtschip Afrika’s kust verlaten had, uit het zuidwesten geblazen had, bij het naderen van de evenachtslijn zeer afgenomen was. Het was dan ook zeer warm in die keerkringsstreken, reden waarom Robur besloot in hoogere luchtlagen frischheid en levenslust te gaan opzoeken. Toch moest men een beschutting tegen de zon zoeken, welker stralen, rechtstreeks neervallende, onverdragelijk konden genoemd worden.Die wijziging in de luchtstroomingen konden niet anders dan op veranderde klimatorische invloeden duiden, die zich aan de andere zijde der equinoxiaal-streken zouden doen gevoelen. Wij dienen daarbij de opmerking te maken, dat de maand Juli van het zuidelijk halfrond de maand Januari van het noordelijk halfrond vertegenwoordigt, dat wil dus zeggen: het hartje van den winter. Wanneer deAlbatrosnog meer om de zuid zoude koersen, zou zij dat spoedig genoeg ondervinden.Op den 18denJuli, toen de steenbokskeerkring overschreden werd, deed zich een ander natuurverschijnsel voor, dat aan boord hevigen schrik en ontsteltenis veroorzaakte.Eene vreemdsoortige opeenvolging van lichtgevende golvingen werd op de oppervlakte van den oceaan waargenomen. Die golvingen plantten zich met eene zoodanige snelheid voort, dat men haar op minstens veertig mijlen in het uur kon schatten. Zij volgdenelkander ongeveer op tachtig meter afstand op en veroorzaakten lange lichtgevende strepen. Daar de nacht begon in te vallen, werd een sterke weerschijn van dat licht tot op deAlbatroswaargenomen.Ditmaal had het luchtschip voor de een of andere gloeiende bolide of luchtsteen kunnen gehouden worden. Nimmer nog had Robur de gelegenheid gehad om boven eene zee van vuur te zweven,—vuur zonder hitte, ja zonder warmte, hetwelk hem niet noodzaakte in hoogere luchtlagen een toevlucht te zoeken.De electriciteit moest de oorzaak van dat natuurverschijnsel zijn, want hier, te midden van den oceaan, was dat lichten niet aan de aanwezigheid van eene bank van vischkuit toe te schrijven of aan eene overgroote menigte van die mikroscopische diertjes, welker samenpakking het phosphoresceeren veroorzaakt.Het was dus te veronderstellen, dat de electrische spanning van de atmosfeer uiterst aanzienlijk moest zijn. En dat was dan ook inderdaad zoo.Want in den morgen van den 19denJuli zou een gewoon vaartuig, hetzij stoom-, hetzij zeilschip in zeer groot gevaar verkeerd hebben op die zee. Zeer waarschijnlijk zou het met man en muis vergaan zijn. Maar deAlbatros, aan den machtigen vogel gelijk, welks naam zij droeg, spotte met wind en golven. Had zij geen lust om evenals de petrellen en de Kaapsche duiven langs de watervlakte te scheren, dan kon zij als de adelaar hooger stijgen en daarboven in de hoogere luchtlagen kalmte en zonlicht gaan zoeken.In dit etmaal werd de zeven-en-veertigste zuiderbreedte-graad gepasseerd.De dag duurde slechts zeven of acht uren. Hij zou al meer en meer korten, naarmate men de zuider poolstreken naderde.Tegen één uur in den namiddag was deAlbatrosmerkbaar gedaald, om een gunstiger luchtstroom op te zoeken. Zij stevende op minder dan honderd voeten boven de oppervlakte van den oceaan.Het weder was kalm. In sommige gedeelten van het uitspansel vertoonden zich zwartachtige wolken, die zich aan hun bovengedeelte heuvelachtig vertoonden; maar aan hun benedengedeelte door eene scherpe lijn, die zuiver horizontaal liep, als het ware afgesneden werden. Uit die wolken ontsnapten langwerpige vooruitstekende gedeelten, welker punt het water der zee aantrok, dat daaronder hevig scheen op te koken, en niet ongelijk aan een struikgewas van vocht opwerkte.Plotseling schoot dat water omhoog en nam den vorm van een onmetelijken, omgekeerden trechter aan.In een ondeelbaar oogenblik werd deAlbatrosin de dwarlkolkopgenomen van eene onmetelijke luchthoos die, door een twintigtal anderen, zwart als inkt, werd vergezeld.Gelukkig had de wentelende beweging dier hoos plaats naar den tegenovergestelden kant van die der opstuwende schroeven van het luchtschip; anders zouden dezen geen werking meer hebben kunnen uitoefenen en het gevaarte zou in zee gestort zijn.Nu evenwel draaide het met eene verschrikkelijke snelheid op zich zelven rond.Het gevaar was intusschen ontzaglijk groot, en wat het ergste was, er was niets tegen te doen, daar de ingenieur Robur er niet in slaagde zich van die hoos te bevrijden, welker opzuigingskracht het vaartuig, in weerwil van zijne voortstuwingsschroeven, in hare omarmingen terughield.De manschappen werden door de middelpuntvliedende kracht naar de beide uiteinden van het dek geslingerd en moesten zich aan de reeling, aan de roeven, aan de potdeksels en aan andere uitstekende deelen vastklemmen, om niet over boord geslingerd te worden.Robur vermaande zijne omgeving slechts tot koelbloedigheid.Ja, die was inderdaad noodig; maar die niet alleen. Er moest ook geduld geoefend worden.De voorzitter Uncle Prudent en zijn secretaris Phil Evans, die hunne hut verlaten hadden, werden als balen katoen over het dek geslingerd en liepen groot gevaar buiten boord te geraken. Gelukkig, dat zij zich grijpen konden. Want onder zulke omstandigheden wilden zij deAlbatrosniet verlaten.Maar, terwijl deAlbatroszoo om zich zelve wentelde, volgde zij tevens de verplaatsings-beweging van die hoozen, welke met eene snelheid ronddraaiden, waarop de schroeven jaloersch hadden kunnen zijn.Wanneer het vaartuig aan de eene draaikolk ontsnapte, dan verviel zij weer in de aantrekkingskracht van een andere, en liep het zoodoende groot gevaar uit het verband gerukt of in stukken gesleurd te worden.“Een kanonschot!...” riep de ingenieur uit.Dat bevel gold Tom Turner.De eerste officier had zich reeds vastgeklemd aan het kleine stuk geschut, hetwelk op het midden van het dek in batterij stond, alwaar de uitwerkselen van de middelpuntvliedende kracht zich het minst lieten gevoelen. De wakkere kerel begreep de gedachte van den gezagvoerder. In een ondeelbaar oogenblik had hij het sluitstuk van het kanon geopend, in welks kamer hij eene kardoes liet glijden, die hij uit een munitiekist, aan de affuit bevestigd, te voorschijn gehaald had. Het schot ging af en eensklaps stortten dehoozen in elkander en met haar viel het wolkendak, dat zij schenen te torsen.Het dreunen van de lucht was voldoende geweest, om dat natuurverschijnsel te vernietigen. De wolkenmassa loste zich in een plas regen op, die het uitspansel met loodrechte streepen teekende, welke zich als een onmetelijk netwerk van water van den hemel tot de zee uitbreidde.DeAlbatros, eindelijk vrij geworden, steeg zoo spoedig mogelijk eenige honderden meters.“Goddank!” was de verzuchting, die uit veler borst opwelde. “Goddank!”“Is er niets gebroken of beschadigd aan boord?” vroeg de ingenieur Robur.“Neen,”antwoordde Tom Turner, “maar wij hebben daar rondgedraaid als een drijftol. Het zal geraden zijn, aan dat spelletje niet meer mee te doen.”Inderdaad, gedurende tien minuten ongeveer had deAlbatrosin het grootste gevaar verkeerd van te vergaan. Ware zij niet zoo buitengewoon sterk gebouwd, dan ware zij voorzeker in de kolken dier hoozen verbrijzeld geworden.Hoe lang viel toch de tijd gedurende dien overtocht over den Atlantischen Oceaan, vooral wanneer geene natuurverschijnselen de eentonigheid daarvan kwamen verbreken! Daarenboven de dagen kortten al meer en meer en de koude deed zich vinnig gevoelen.Uncle Prudent en Phil Evans zagen thans den ingenieur Robur zeer weinig. Deze bleef in zijn hut opgesloten en hield zich onledig met zijn bestek op te maken, met den afgelegden weg en de gevolgde richting op zijne kaarten met puntlijnen aan te geven, met de hoogte op te nemen, zoo dikwijls zulks mogelijk was, om zoodoende steeds te weten waar hij zich bevond, met de aanwijzingen zijner barometers, thermometers, hygrometers, en chronometers op te teekenen en eindelijk met het invullen van zijn dagboek, waarin hij alle voorvallen, de reis betreffende, neerschreef.Wat zijn beide gevangenen betrof, die brachten het grootste gedeelte van hunnen tijd op het dek door, alwaar zij, behoorlijk door dikke kapmantels tegen de koude beschut, ijverig uitkeken om in zuidelijke richting eenig land te bespeuren.Frycollin van zijn kant trachtte, op nadrukkelijk aandringen van zijn baas Uncle Prudent, den kok François Tapage met betrekking tot den ingenieur Robur te polsen. Maar, hoe kon aan het gekakel en gezwets van dien Gasconjer eenig gewicht gehecht worden? Hoe kon het iemand in het hoofd komen, daarop staat te maken? Nu eens vertelde hij, dat Robur een gewezen Minister was van de Argentijnsche Republiek, dan weer dat hij een der hoofden van deEngelsche Admiraliteit was, later dat hij een gepensionneerde President der Vereenigde Staten van Noord-Amerika was, een Spaansch Generaal op non-activiteit, een Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Insulinde, een Onderkoning van Britsch-Indië, die eene nog hoogere positie in de luchtlagen was gaan zoeken.Nu eens bezat hij millioenen, die hij door middel van strooptochten met zijn luchtschip verkregen had, en stond daarom aan gerechtelijke vervolging bloot.Een anderen keer luidde het verhaal, dat Robur zijn geheele vermogen verslonden had met den bouw van zijn luchtschip en dat hij genoodzaakt zou zijn om in de groote steden openbare opstijgingen te gaan doen, om zoo te trachten zijn geld terug te krijgen.Op de vraag van Frycollin of Robur ergens halt hield, ergens ten anker kwam, had François Tapage een beslist “neen” geantwoord; maar daarbij medegedeeld, dat de ingenieur van plan was naar de maan te gaan, niet in figuurlijken, maar in daadwerkelijken zin, en dat wanneer hij daar eene plek vond, die hem beviel, hij zich daar wilde vestigen.“Wel, Fry.... ouwe jongen!.... dat zou je genoegen doen, niet waar?” had de kok gevraagd.“Wat?”“Eens te gaan kijken, wat daar al zoo boven omgaat!”“Neen, waarachtig niet!”“Wat, niet?”“Ik zal niet gaan.... Ik weiger bepaald!...” antwoordde de domkop, die al die dwaasheden voor goede munt opnam en niet begreep, dat de oolijke Gasconjer hem voor den gek hield.“Waarom, Fry, wil je niet gaan?”“Wel, omdat ik niet wil!”“We zouden je daar met een lief mooi meisje uithuwelijken, met een jeugdige bewoonster van de maan... en je zoudt daar stamvader worden van een troep elegante negertjes en negerinnetjes!”“Loop naar den drommel!” riep Frycollin getergd uit.“Zeg liever naar de maan, Fry lief, dan ga je meê.”“Juist naar de maan! Loop naar de maan, maar alleen, hoor je!”En als dan Frycollin al die praatjes aan zijn baas Uncle Prudent overbracht, dan bemerkte deze laatste wel, dat hij omtrent Robur niets vernemen zou. Hij kwam er dan ook toe, om op niets anders bedacht te zijn dan zich te wreken.“Phil,” sprak hij op zekeren ochtend geheimzinnig tot zijn secretaris.“Wat is er, Uncle Prudent?”“Ik geloof dat het thans vaststaat, dat de vlucht onmogelijk is.”“Ja, onmogelijk.”“Het zij zoo,” hernam de voorzitter van Weldon-Institute meteen zucht, “maar een man moet zich zelven steeds toebehooren. En als het moet, dan moet hij zijn leven weten te offeren...”“Nu, als dat offer gevergd wordt, dat het dan snel geschiede, ja zoo spoedig mogelijk!” antwoordde Phil Evans, die wel is waar een koelbloediger geaardheid bezat; maar toch in de gegeven omstandigheden ook tot de uiterste grenzen der gelatenheid genaderd was. “Ja, het is tijd, dat er een einde aan komt!”...“Dat is het, Phil.”“Want, waar stevent deAlbatrosheen? Thans steekt zij den Atlantischen Oceaan in schuine richting over, en blijft zij dien koers volgen, dan zal zij de kusten van Patagonië bereiken, daarna het grondgebied van Vuurland... En daarna? Zeg, Uncle Prudent, daarna?”“Ja, wie kan daarop antwoorden, Phil Evans?” hernam de voorzitter.“Zal het luchtschip zich boven de Stille Zuidzee begeven? Of zal het naar de onbekende continenten van de Zuidpool stevenen?”“Dat ware verschrikkelijk, Phil!”“Alles is met dien Robur mogelijk!”“Ja, alles!”“Wij zouden ons dan als verloren moeten rekenen... Hier bestaat dus een geval van wettigen tegenweer... en als wij dan toch moeten omkomen...”“Laat het dan niet zijn, zonder ons gewroken te hebben!” riep Uncle Prudent uit, “niet zonder ons gewroken te hebben, niet zonder dit gevaarte vernietigd te hebben en allen, die zich aan boord bevinden!”De beide gevangenen waren ten gevolge van onmachtige woede, van opgekropten toorn en razernij zoover gekomen, dat zulke plannen in hun brein opkwamen. Ja, daar het moest, zouden zij zich opofferen om den uitvinder tegelijkertijd met zijn geheim te verdelgen.Dat bewonderenswaardige luchtschip, welks voortreffelijkheid als luchtvaartmiddel zij genoodzaakt waren te erkennen, zou dus nog slechts weinige maanden mogen bestaan.Nu was dat fatale plan zoodanig in hun brein gedrongen, dat zij waarlijk aan niets anders meer dachten, dan het ten uitvoer te leggen, maar hoe? Wel, door te trachten in het bezit te geraken van een dier ontplofbare dynamietpatronen, die in de kruitkamer van het luchtschip opgeborgen waren en waarmede zij den geheelen boel uit elkander wilden doen springen. Maar, om die te bemachtigen, zouden zij eerst toegang tot de kruitkamer moeten kunnen verkrijgen.Gelukkig giste Frycollin hoegenaamd niets van die plannen.Alleen de gedachte dat deAlbatroste midden van de lucht in de lucht zou kunnen vliegen, zou hem er toe gebracht hebben, zijn meester te verklikken!Op den 23stenJuli kreeg men eindelijk in het zuidwesten weer land in het gezicht. Dat was zoo om en nabij de Maagdenkaap, aan den ingang van de Straat van Magelhaen. Daar op den vier-en-vijftigsten breedtegraad, duurde de nacht gedurende dit gedeelte van het jaar reeds bij de achttien uren en daalde het kwik van den Celsius-thermometer tot op zes graden onder nul, dus beneden het vriespunt.DeAlbatrosbegon eerst, alvorens meer zuidwaarts te stevenen, de kronkelingen van die zeeëngte te volgen, alsof zij naar den Grooten Stillen Oceaan wilde stevenen. Na over de baai van Lomas gezweefd te zijn en den Gregory-top en het Breeknocks-gebergte in het westen ter zijde gelaten te hebben, werd Punta Arena, een klein Chilisch dorpje verkend, op het oogenblik dat de klok op den kerktoren uit alle macht geluid werd.Daarna werd eenige uren later de oude nederzetting, de Uithongerings-haven genaamd, ontwaard.De opvarenden van het luchtschip konden geen oordeel vellen over de bewering, dat de Patagoniërs, welker hutten in het gezicht waren, eene lengte van gestalte boven het gemiddelde zouden hebben, daar deze zich als dwergen voordeden voor den blik van hen, die daar boven in de wolken zweefden.Maar, al waren de dagen zeer kort, gedurende de uren dat het oog waarnemen kon, spreidde zich een indrukwekkend tafereel voor de luchtreizigers uit. Steile bergwanden, toppen met eeuwigdurende sneeuw bedekt, hellingen met dichte wouden getooid, binnenzeeën en baaien, gevormd tusschen de schiereilanden en de eilanden van dien archipel, die uit een mengelmoes van streken bestaat als: Clarence-Land, Dawson-Land, Desolation-eiland met eene schier ontelbare menigte van zeeëngten, kanalen en doorgangen, met hare vele kapen en voorgebergten, met dat geheele onuitwarbaar kluwen van land en zee, waarvan het ijs reeds eene vaste aaneengeschakelde massa gevormd had van Kaap Forward af, alwaar het Amerikaansche vasteland eindigt, tot aan Kaap Hoorn, de uiterste landspits van de Nieuwe Wereld.Toen men de Hongersnood-haven voorbij gestevend was, werd het duidelijk dat deAlbatrosharen koers naar het zuiden ging voortzetten. Zij gleed tusschen den berg Tarn, op het schiereiland Brunswijk gelegen, en den Gravenberg door, en koerste recht op den Sarmientoberg aan, welks overgroote top, geheel met ijs bedekt, de Straat van Magelhaen beheerscht en eene hoogte van tweeduizend meters boven de oppervlakte der zee bereikt.De zon schoot bij haren ondergang veelkleurige stralen. (Blz. 160).De zon schoot bij haren ondergang veelkleurige stralen. (Blz.160).Dat was het vaderland der Pecheraizen of der Vuurlanders, de inboorlingen, welke daar dien uitersten uithoek bevolken. Hoe bekoorlijkfraai zou dat land niet geweest zijn zes maanden vroeger of later, wanneer het volle zomer zou zijn, wanneer het daglicht vijftien of zestien uren lang zoude duren. Hoe vruchtbaar zou die streek zich dan niet aan den blik onzer reizigers voorgedaan hebben, vooral in haar zuidelijk gedeelte! Dan zou men overal valleien en weilanden ontwaard hebben, welke duizenden runderen en schapen zouden kunnen voeden; maagdelijke bosschen met reusachtige boomen, berken, beuken, esschen, cypressen, stamvarens; vlakten, weelderig met gras overdekt, waarin quarakken of Braziliaansche kalkoenen, Peruaansche schapen en struisvogels in geheele zwermen en kudden dan zouden dartelen. En in weerwil van de koude, was er toch nog heel veel wild aanwezig, zooals: pengouinen of vetganzen en ander gevogelte. Toen dan ook deAlbatroshare electrische verlichtingstoestellen in werking bracht, vlogen eenden, ganzen en duikerhoenders, verblind door dat scherpe licht, in zulk eene menigte aan boord, dat er gelegenheid was om de provisie-hutten van François Tapage meer dan overvloedig aan te vullen.Daardoor bekwam onze kok, die dat wild zoodanig wist toe te bereiden, dat de zoo walgelijke traansmaak niet meer te bespeuren was, een zoodanige vermeerdering van werk, dat Frycollin hem helpen moest om al dat gevogelte, dat bij vele dozijnen gevangen was, te plukken. En de neger deed dat gaarne, want als François Tapage in een goede luim was, dan was er steeds een oorlam in ’t uitzicht, en Frycollin hield veel van een oorlam.Dien dag bespeurde men, op het oogenblik dat de zon onder zou gaan, dat wil zeggen tegen drie uren in den namiddag, een uitgestrekt meer, hetwelk door een zoom van prachtige bosschen op de meest schilderachtige wijze omlijst was. Dat meer was geheel en al bevroren, en eenige inboorlingen vermaakten zich er op met glijden, waartoe zij eene soort van lange raketten onder de voeten gebonden hadden.Toen die Vuurlanders het luchtschip in het oog kregen, sloeg hen de schrik om het hart en vloden zij in alle richtingen heen. En zij, die niet vluchten konden, verborgen zich, kropen in aardholen of drukten zich tegen den grond aan evenals de dieren.Intusschen stevende deAlbatrossteeds zuidwaarts, zweefde over het Beagle-kanaal, dat niet ver gelegen is van het eiland Navarino, welks Grieksche naam wel ietwat vreemd klinkt te midden van de meer ruwe namen van die verafgelegen streken. Eindelijk werd Wollaston overschreden, het uiterste eiland van den Grooten Stillen Oceaan. Eindelijk, na zevenduizend vijfhonderd kilometers sedert het vertrek van de kusten van Dahomey afgelegd te hebben, passeerde het luchtschip de laatste eilandjes van den Magelhaen-Archipel en ten slotte het meest vooruitspringende van die groepnaar het zuiden, welks punt door eene eeuwigdurende branding geteisterd wordt, namelijk de schrikkelijke kaap Hoorn.1De oppervlakte van het land bedraagt: 136.051.371 vierkante kilometers.2Zoo iets is werkelijk na de hevige uitbarsting van Krakataoe in Nederland waargenomen.XIV.Waarin de Albatros verricht, wat wellicht wel nimmer uitvoerbaar zal zijn.Den volgenden dag was het de 24steJuli. Nu komt de 24steJuli van het zuidelijk halfrond met den 24stenJanuari van het noordelijk halfrond overeen. De zes en vijftigste graad zuiderbreedte was door het luchtschip achter zich gelaten. De daarmede overeenkomstige breedtegraad in het noorden van Europa snijdt Schotland ongeveer ter hoogte van Edinburg.De thermometer stond dan ook voortdurend gemiddeld beneden nul. Men was derhalve verplicht geweest eene kunstmatige warmte aan de daarvoor bestemde toestellen te ontleenen, om het verblijf binnen de roeven mogelijk te maken. Wel zal niet behoeven vermeld te worden, dat al lengden de dagen ook, sedert de zon op den 21stenJuni den winterzonnestilstand voor het zuidelijk halfrond verlaten had, de invloed dier verlenging al minder en minder ondervonden werd, naarmate deAlbatrosmeer en meer naar de zuidelijke poolstreken stevende.Bijgevolg kon men betrekkelijk zeer weinig genieten van het daglicht op dit gedeelte van de Groote Stille Zuidzee, die aan den zuidelijken poolcirkel grenst. Dus weinig uitzicht en daarbij, vooral des nachts, eene zeer vinnige koude. Om daaraan weerstand te kunnen bieden, was men verplicht zich te kleeden, zooals de Eskimo’s of de Vuurlanders dat doen. En daar die kleedingstukken aan boord van deAlbatrosniet ontbraken, konden de beide lotgenooten, behoorlijk ingewikkeld, op het dek vertoeven, aan hunne plannen tot ontvluchting denken en naar de gelegenheid uitzien om ze ten uitvoer te leggen. Overigens zagen zij Robur zelden, en sedert de bedreigingen, die ter hoogte van Tombouctoe tusschen hen voorgevallen waren, spraken de ingenieur en de beide Amerikanen elkander niet meer.Wat Frycollin betreft, die kwam niet buiten de keuken, waarin François Tapage hem op de edelmoedigste wijze gastvrijheid verleende, evenwel op voorwaarde: dat hij het baantje van bijkok zou waarnemen. Dewijl daaraan verscheidene voordeelen verbonden waren, had de neger geen oogenblik geaarzeld om toe te slaan, natuurlijk na verlof van zijn baas bekomen te hebben. Daarenbovennu hij zich zoo opgesloten bevond, zag hij niets meer van hetgeen daarbuiten gebeurde en kon hij dus in de meening verkeeren, buiten gevaar te zijn. Hij had veel van den struisvogel, zoowel door zijn uiterlijk als door zijn maag, maar vooral door zijne ongeëvenaarde flauwhartigheid.Naar welk punt van den aardbol zou deAlbatrosthans stevenen? Was het aanneembaar, dat zij zich in het midden van den winter boven de Zuidelijke IJszee zou durven wagen of boven het vasteland van de pool? Zou in dien ijzigen dampkring, aangenomen ook al, dat de scheikundige vochten, voor de electrische batterijen benoodigd, bij zoo eene strenge temperatuur niet zouden bevriezen, het geheele personeel aan boord den dood niet vinden, den schrikkelijken dood door de koude? Dat Robur pogen zoude de pool in het warme seizoen te bereiken, dat was aan te nemen; maar te midden van dien voortdurenden nacht, dat zou het werk van een krankzinnige zijn.Zoo redekavelden de voorzitter en de secretaris van Weldon-Institute, toen zij zich thans aan het uiteinde van het vasteland der Nieuwe Wereld vervoerd zagen. Dat was nog altijd Amerika, evenwel de Vereenigde Staten niet meer!Ja, wat zou die onhandelbare Robur thans uitrichten?En was het oogenblik niet daar om, door het vernietigen van het vaartuig, paal en perk aan de reis te stellen?Wat opgemerkt werd, dat was, dat de ingenieur Robur dikwerf gesprekken met zijn eersten officier had. Herhaaldelijk raadpleegden die beiden den barometer,—thans niet meer om de bereikte hoogte waar te nemen, maar om zijne aanduidingen met betrekking tot het weder te kunnen waarnemen. Voorzeker deden zich aanwijzingen voor, waarmede rekening gehouden moest worden.Uncle Prudent meende ook op te merken, dat Robur naging al wat nog aan boord voorradig was, zoowel de benoodigdheden tot onderhoud der opstuwende en voortdrijvende machines van het luchtschip, als die tot onderhoud der menschelijke werktuigen, welker arbeid aan boord ook verzekerd moest wezen.Dat alles scheen te duiden op plannen om terug te keeren, meende de voorzitter.“Om terug te keeren?....” vroeg Phil Evans. “Maar waarheen?”“Daar, waar Robur zijn voorraad kan aanvullen,” antwoordde Uncle Prudent.“Dat moet dan zijn.... een eiland....”“Nu, ga voort!.... Een eiland?”“Een verloren eiland in de Groote Stille Zuidzee, bewoond door eene kolonie van schurken, die hun opperhoofd waardig zijn!”“Dat is mijne meening ook, Phil Evans.”“Nog al gelukkig, Uncle Prudent.”In een ondeelbaar oogenblik werd de Albatros in de dwarlkolk opgenomen. (Blz. 163).In een ondeelbaar oogenblik werd de Albatros in de dwarlkolk opgenomen. (Blz.163).“Ik geloof,” ging de voorzitter van Weldon-Institute voort, “dathij westwaarts zal afhouden en met de snelheid, waarover hij beschikken kan, zal hij zijn doel spoedig bereiken.”“Maar, als hij daar aankomt, zullen wij onze plannen niet meer ten uitvoer kunnen leggen.”“Hij zal er niet aankomen, Phil Evans!”De beide lotgenooten hadden klaarblijkelijk de voornemens van den ingenieur gedeeltelijk geraden. Gedurende dien dag werd iedere twijfel opgeheven; want deAlbatros, na eerst de grenzen der Zuidelijke IJszee genaderd te zijn, keerde bepaald om. Toen de vorst zich dermate in die streken van Kaap Hoorn deed gevoelen, overdekte zich het geheele benedengedeelte van de Groote Stille Zuidzee met ijsvelden en met ijsbergen.Het pakijs had dus een ondoordringbaren slagboom voor de stevigste schepen en voor de stoutmoedigste zeelieden daargesteld.Het is waar, deAlbatroszou met sneller wiekslag die ijsbergen, welke den oceaan bezaaiden, en de steenbergen welke op het land werden aangetroffen, namelijk wanneer daar bij de pool een kalotje van land op die zuiderpool aanwezig is, hebben kunnen overstevenen. Maar, zich te midden van den poolnacht, in een dampkring wagen, die tot zestig graden onder nul kan afkoelen, zou hij dit durven ondernemen? Ongetwijfeld neen!Na dan ook een honderd kilometers in zuidelijke richting gestevend te zijn, hield deAlbatroswestwaarts af, klaarblijkelijk met het doel, om koers te zetten naar een of ander onbekend eiland van een der groepen in den Grooten Stillen Oceaan.Onder het schip strekte de vloeibare vlakte zich uit, die zoowel het Amerikaansche als het Aziatische vasteland bespoelt. In dit oogenblik had het water die zonderlinge kleur aangenomen, welke daaraan den naam van melkzee verleende. In de nevelachtige schaduw, welke de zwakke zonnestralen niet vermochten te verdrijven, scheen de geheele oppervlakte van den Grooten Stillen Oceaan melkachtig wit te zijn. Men zou gewaand hebben een onmetelijk groot sneeuwveld voor zich te zien, waarvan de golvingen, van die hoogte gezien, niet merkbaar waren. Wanneer dat gedeelte der zee door de koude bevroren was en zoo in een onmetelijk ijsveld veranderd ware, dan zou zij geen ander uitzicht gehad hebben.Men weet thans dat het myriaden van lichtende diertjes zijn, kleine phosphoresceerende lichaampjes, die dat natuurverschijnsel te voorschijn roepen. Wat verwondering kon opwekken, was dat die lichtende massa, welke nergens anders dan in den Indischen Oceaan ontmoet wordt, thans hier waargenomen werd.Plotseling viel de barometer, na gedurende de eerste uren van den dag vrij hoog gestaan te hebben, opmerkelijk snel. Er deden zich klaarblijkelijk aanduidingen voor, waarmede een zeeschip voorzekerrekening had moeten houden, maar die door het luchtschip over het hoofd gezien of verwaarloosd konden worden. Men kon evenwel veronderstellen, dat een zwaar onweder kort geleden de wateren van den Grooten Stillen Oceaan beroerd had.Het was één uur des namiddags, toen de eerste officier Tom Turner den ingenieur naderde en hem zeide:“Master Robur...”“Wat is er?”“Zie eens naar dat zwarte punt bij den gezichteinder!”“Waar, Tom?”“Daar in het noorden... daar... nu ziet gij het duidelijk... Dat kan toch geen rots zijn?”“Neen, Tom, aan dien kant is geen wal of geen ondiepte.”“Dan moet het een schip, of minstens eene sloep zijn.”“Wij zullen zien.”Uncle Prudent en Phil Evans waren ook naar het voorschip gekomen en keken opmerkzaam naar het door Tom Turner aangeduide punt.Robur riep om zijn marinekijker en nam het aangeduide voorwerp nauwkeurig op.“Het is eene sloep!” riep hij eensklaps uit.“Is het mogelijk, hier?” vroeg Tom Turner.“En ik zou kunnen bevestigen, dat er menschen in zitten,” vervolgde Robur.“Schipbreukelingen?” vroeg Tom.“Ja, schipbreukelingen, die genoodzaakt zullen geweest zijn, om hun vaartuig te verlaten,” hernam de ingenieur. “Rampzaligen, die niet meer weten, waar den wal ligt, die waarschijnlijk door honger, dorst en koude omkomen? Welnu, er zal niet kunnen gezegd worden, dat deAlbatrosniet alle pogingen zal aangewend hebben om hen te hulp te komen!”Bevelen werden aan den machinist en aan zijne beide helpers gegeven. Het luchtschip begon langzamerhand te dalen. Op honderd meters boven de oppervlakte der zee gekomen, hield het halt; terwijl zijne voortstuwingsschroeven het met snelheid in noordelijke richting dreven.Ja, het was inderdaad eene sloep. Haar zeil klepperde tegen den mast. Er was geen wind en derhalve kon niet gestuurd worden. En waarschijnlijk had niemand aan boord nog kracht genoeg om een roeiriem te kunnen hanteeren.Op den bodem van het vaartuigje lagen vijf mannen uitgestrekt, hetzij zij ingeslapen, hetzij zij bewegingloos door vermoeidheid, hetzij zij dood waren.Toen deAlbatrosvlak boven hen gekomen was, daalde zij langzaam.Men kon toen op den achtersteven van die sloep den naam lezen van het schip, waartoe zij behoorde. Dat was deJeannettevan Nantes, een Fransch vaartuig, hetwelk door zijne equipage was verlaten geworden.“Aoh!” riep Tom Turner.“Aoh!” herhaalde de bemanning derAlbatrosmet een eenstemmig gebrul.Dat moest gehoord worden; want de sloep dobberde slechts op ongeveer tachtig voet onder het luchtschip.Toch kwam er geen antwoord.“Los een geweerschot!” gelastte Robur.Dat bevel werd uitgevoerd en de knal rolde lang over de oppervlakte van het water.Men zag toen een der schipbreukelingen zich pijnlijk oprichten, met wildstaande oogen en de gelaatstrekken van een doode.Toen hij deAlbatrosdaar boven zich ontdekte, kon hij een gebaar van schrik en angst niet onderdrukken.“Vrees niets!” riep Robur in het Fransch. “Wij komen u helpen!... Wie zijt gij?”“Matrozen van deJeannette, een driemastschip, waarop ik eerste stuurman was,” antwoordde de man. “Veertien dagen geleden... hebben wij dien bodem verlaten... toen hij op het punt was... in de diepte weg te zinken!... Wij hebben geen water en geen levensmiddelen meer!...”De vier overige schipbreukelingen hadden zich ook langzamerhand opgericht. Zij zagen er bleek, haveloos en uitgeput uit. Zij waren verschrikkelijk mager en hieven de handen smeekend naar het luchtschip op.“Opgepast!” riep Robur.Een touw werd van het dek ontrold, waarmede een emmer met drinkwater in de sloep neergelaten werd. De ongelukkigen wierpen er zich op en dronken met eene gretigheid, die zeer deed om te zien.“Brood!... Brood!...” schreeuwden zij. “Geef ons brood!”Dadelijk werd een mand naar beneden gevierd, waarin levensmiddelen, eene flesch brandy, eenige pinten koffie. De eerste stuurman had veel moeite om hen bij het stillen van den honger tot bedaardheid aan te manen.Daarna vroegen de schipbreukelingen:“Waar bevinden wij ons?”“Op vijftig mijlen afstand van de kust van Chili en van den archipel der Chorus-eilanden,” antwoordde Robur.“Maar, als wij windstilte houden, en?...”“Wij zullen u op sleeptouw nemen!”Vlogen eenden, ganzen en duikerhoenders in menigte aan boord. (Bladz. 170.)Vlogen eenden, ganzen en duikerhoenders in menigte aan boord. (Bladz.170.)“Maar, in Godsnaam, wie zijt gij toch?”“Wij zijn lieden, die zich gelukkig gevoelen u te kunnen helpen,” antwoordde Robur op eenvoudigen toon.De eerste stuurman begreep, dat de gezagvoerder zijn naam niet wenschte mede te deelen. Hij eerbiedigde dat verlangen. Maar zou die vliegmachine kracht genoeg hebben om te kunnen sleepen?Ja, waarlijk, en de sloep, die aan het einde van eene kabel van ruim honderd voeten lang was vastgemaakt, werd door het machtige toestel in oostelijke richting voortgetrokken.Tegen tien uur was het land in het gezicht, of beter gezegd: men zag de vuren schitteren, die de ligging daarvan aanduidden. Die hulp des hemels was inderdaad ter goeder tijd voor de schipbreukelingen derJeannetteverschenen, en waarlijk, zij waren wel in hun recht, toen zij beweerden, dat hunne redding een wonder was!Toen deAlbatroshen tot vlak bij den ingang van het toegangswater der Chonas-eilanden gesleept had, riep Robur hen toe den sleeptros los te gooien. Dat deden de schipbreukelingen, terwijl zij hunne redders zegenden en dankzeiden. Het luchtschip stevende daarop dadelijk zeewaarts.Waarachtig, in dat luchtvaartuig, hetwelk zoo schipbreukelingen in volle zee in nood te hulp kon komen, zat toch iets goeds! Welke luchtballon, hoe volmaakt overigens ook, zou geschikt geweest zijn, om zoodanige diensten te bewijzen? Ziet, dat moesten Uncle Prudent en Phil Evans toch erkennen, wanneer zij bij elkander zaten. Toch verkeerden zij nog altijd in een geestestoestand, die hen er toe brengen kon, om zelfs het klaarblijkelijkste te loochenen.De zee werd intusschen al woester en woester. De kenteekenen van weersverandering waren onrustbarend. De barometer, die al laag stond, viel nog eenige millimeters. Schrikkelijke windstooten deden zich voor, terwijl de wind overigens hevig woei en in de helicopterische werktuigen van deAlbatrosals het ware huilde, maar ook oogenblikken had, dat er plotseling voor weinige seconden windstilte intrad. Onder zulke omstandigheden zou een zeilvaartuig onder gereefde marszeilen en gereefd fokzeil gestevend hebben. Alles duidde er op, dat de wind naar het noordwesten krimpen zou. Het vocht in de buis van het “stormglas” begon zeer troebel te worden. Dat alles was verre van geruststellend. Tegen een uur in den morgen begon de wind met buitengewone hevigheid te waaien. Evenwel, hoewel het luchtschip er vlak tegen in stevende, kon het, voortbewogen door zijne voortstuwingsschroeven, nog op hem winnen en legde nog vier of vijf kilometers per uur af. Maar meer mocht en kon er niet van gevergd worden.Klaarblijkelijk vormde zich een cycloon, hetgeen op deze breedte zeer zeldzaam voorkomt. Of men hem al Hurricane op den Atlantischen Oceaan noemt, of Typhon in de Chineesche zee, of Tornadoop Afrika’s westkust of Simoun in de Sahara, het is en blijft een wervelwind, een ronddwarrelende storm, die zeer te vreezen is. Ja, te vreezen voor ieder vaartuig, dat in de wentelende beweging geraakt, welke van den buitenomtrek naar het centrum in kracht toeneemt, en slechts een enkele plek kalm laat, namelijk het midden van dien lucht-maalstroom.Robur wist dat. Hij wist ook, dat het voorzichtig was een cycloon te ontvluchten, door zich, al stijgende tot in de hoogere luchtlagen, buiten de aantrekkingszone te begeven. Tot heden was hem dat altijd gelukt, maar er was geen uur, wellicht geen minuut meer te verliezen.Inderdaad de wind nam merkbaar in hevigheid toe. De golven, met schuim gekuifd, veroorzaakten onder de onweerstaanbare windvlagen als een wit poeder op de oppervlakte der zee. Het was klaarblijkelijk, dat de cycloon bij zijne verplaatsing, zich met eene vervaarlijke snelheid naar de poolstreken zoude spoeden.“Naar boven!” kommandeerde Robur.“Naar boven!” herhaalde Tom Turner.Toen werd eene buitengewone opstijgende kracht aan het luchtschip verleend en verhief zich het gevaarte in schuine richting, alsof het een scherp hellend vlak gevolgd had, hetwelk naar het zuidwesten gekeerd was.De barometer daalde in dit oogenblik nog,—geen daling, maar inderdaad een val van acht, daarna van twaalf millimeter, door de kwikkolom uitgevoerd.Eensklaps staakte deAlbatroshare stijgende beweging.Waaraan was die staking toe te schrijven? Klaarblijkelijk aan een windstoot, aan een geduchten luchtstroom, die zich van boven naar beneden bewoog en zoo den weerstand van het steunpunt van het luchtschip verminderde.Wanneer een stoomschip eene rivier opstevent, dan verricht de schroef een des te minder nuttigen arbeid, naarmate de stroom door zijne snelheid onder de schroefbladen door tracht te vlieten. Het deinzen of de teruggang is dan soms aanmerkelijk en kan zelfs gelijk aan de stroomsnelheid worden. In datzelfde geval verkeerde thans deAlbatros.Maar Robur gaf den strijd niet op. Zijne vier en zeventig schroeven, die allen met eene volkomen gelijkmatigheid arbeidden, werden tot de grootst mogelijke snelheid van omwenteling aangezet. Maar het luchtschip, door den cycloon onweerstaanbaar aangetrokken, kon niet ontsnappen. Gedurende de korte oogenblikken, dat er eenige kalmte intrad, hernam het zijne opstijgende beweging; maar de zware winddruk hernam weldra weder zijne heerschappij en voerde het gevaarte heen, dat wel iets van een bodem had, dieop het punt is van te zinken. En wel mocht het zinken genoemd worden, want deAlbatroszonk inderdaad in de luchtzee, en hare seinlichten, hoe krachtig ook de electrische stroom aangezet werd, konden slechts een zeer bescheiden sector verlichten.Het was helder als de dag, dat, wanneer de cycloon nog meer in hevigheid toenam, deAlbatrosniet veel meer zou zijn dan een niet te besturen stroohalm, heengevoerd door een van die wervelwinden, die boomen ontwortelen, die daken der huizen afrukken en muurvakken omversmijten.Robur en Tom Turner spraken slechts door middel van gebaren met elkander.Uncle Prudent en Phil Evans klemden zich krampachtig aan de verschansing vast en vroegen zich af: of de cycloon niet in hunne kaart speelde, door het schip en met het schip den uitvinder en met den uitvinder het geheim zijner uitvinding te vernietigen?Maar, dewijl het scheen, dat deAlbatroser niet in slaagde, om door opstijging uit den wervelstroom te geraken, waarom volbracht zij niet de eenige beweging, die te doen overbleef, namelijk naar het centrum te stevenen, waar het betrekkelijk kalm zoude zijn en waar het schip weer meester van zijn manoeuvreeren zoude wezen? Ja, dat is goed en wel geredeneerd; maar om dat centrum te bereiken, moesten die rondijlende stroomingen, die het vaartuig in zijn buitenwervel geketend hielden, doorbroken worden. Zouden de werktuigen daartoe genoegzame kracht kunnen ontwikkelen?Eensklaps barstte het bovenste gedeelte der cycloonwolk. De dampen verdichtten zich en stortten als plasregen neder.Het was toen twee uur in den morgen, de barometer was toen na vele slingeringen, die afwijkingen van twaalf milimeter aanduidden, tot op 709 gevallen, een stand waarvan afgetrokken moest worden of beter bijgevoegd, de daling veroorzaakt door de bereikte hoogte van het luchtschip boven de oppervlakte der zee.Wat een zeer zeldzaam natuurverschijnsel genoemd kon worden, was, dat de cycloon ontstaan was buiten de gewesten, waar hij gewoonlijk voorkomt, dat wil zeggen tusschen den dertigsten graad noorder- en den zes en twintigsten zuiderbreedte. Misschien ligt daarin de verklaring, dat die wervel-orkaan plotseling in een rechtlijnigen storm veranderde. Maar welke winddruk ontstond toen! De stormvlaag, die op den 22stenMaart 1882 den Staat Connecticut teisterde, kon eenigermate als punt van vergelijking dienen. Toen was de snelheid honderd zestien meter in de seconde, hetgeen meer dan honderd uren gaans in het uur maakt.
Toen vlood alles, ten prooi aan den hevigsten schrik. (Bladz. 156).Toen vlood alles, ten prooi aan den hevigsten schrik. (Bladz.156).
Toen vlood alles, ten prooi aan den hevigsten schrik. (Bladz. 156).
Toen vlood alles, ten prooi aan den hevigsten schrik. (Bladz.156).
Andere natuurverschijnselen werden bovendien gedurende dit gedeelte van de reis nog waargenomen.
Het gebeurde bij voorbeeld vaak dat sommige wolken aan het geheele uitspansel door een zekere grijze tint een zeer bijzonder uiterlijk verleenden. Wanneer men dan die gordijn van dampen als het ware voorbij gestevend was, dan verscheen hare oppervlakte als bezaaid, als geheuveld door krulvormige wolkjes van eene schitterende witheid, die als het ware met kleine gestolde loovertjes overdekt waren, hetgeen onder andere breedten aan de vorming van hagel zou hebben doen denken. Misschien was het dat wel.
In den nacht van den 17denop den 18denJuli verscheen een prachtige maan-regenboog, die eene groen-geelachtige tint vertoonde. Dit luchtverschijnsel werd veroorzaakt door den stand, welken het luchtschip innam tusschen de volle maan en eene dichte gordijn van zeer fijne regendroppels, die vervluchtigden en verdampten, alvorens zij de zee bereikt hadden.
Moest uit al die verschillende natuurverschijnselen de gevolgtrekking gemaakt worden, dat er weersverandering op til was? Wie weet? Het was wel mogelijk.
Wat er ook van aan mocht zijn, zooveel is zeker dat de wind, die, sedert het luchtschip Afrika’s kust verlaten had, uit het zuidwesten geblazen had, bij het naderen van de evenachtslijn zeer afgenomen was. Het was dan ook zeer warm in die keerkringsstreken, reden waarom Robur besloot in hoogere luchtlagen frischheid en levenslust te gaan opzoeken. Toch moest men een beschutting tegen de zon zoeken, welker stralen, rechtstreeks neervallende, onverdragelijk konden genoemd worden.
Die wijziging in de luchtstroomingen konden niet anders dan op veranderde klimatorische invloeden duiden, die zich aan de andere zijde der equinoxiaal-streken zouden doen gevoelen. Wij dienen daarbij de opmerking te maken, dat de maand Juli van het zuidelijk halfrond de maand Januari van het noordelijk halfrond vertegenwoordigt, dat wil dus zeggen: het hartje van den winter. Wanneer deAlbatrosnog meer om de zuid zoude koersen, zou zij dat spoedig genoeg ondervinden.
Op den 18denJuli, toen de steenbokskeerkring overschreden werd, deed zich een ander natuurverschijnsel voor, dat aan boord hevigen schrik en ontsteltenis veroorzaakte.
Eene vreemdsoortige opeenvolging van lichtgevende golvingen werd op de oppervlakte van den oceaan waargenomen. Die golvingen plantten zich met eene zoodanige snelheid voort, dat men haar op minstens veertig mijlen in het uur kon schatten. Zij volgdenelkander ongeveer op tachtig meter afstand op en veroorzaakten lange lichtgevende strepen. Daar de nacht begon in te vallen, werd een sterke weerschijn van dat licht tot op deAlbatroswaargenomen.
Ditmaal had het luchtschip voor de een of andere gloeiende bolide of luchtsteen kunnen gehouden worden. Nimmer nog had Robur de gelegenheid gehad om boven eene zee van vuur te zweven,—vuur zonder hitte, ja zonder warmte, hetwelk hem niet noodzaakte in hoogere luchtlagen een toevlucht te zoeken.
De electriciteit moest de oorzaak van dat natuurverschijnsel zijn, want hier, te midden van den oceaan, was dat lichten niet aan de aanwezigheid van eene bank van vischkuit toe te schrijven of aan eene overgroote menigte van die mikroscopische diertjes, welker samenpakking het phosphoresceeren veroorzaakt.
Het was dus te veronderstellen, dat de electrische spanning van de atmosfeer uiterst aanzienlijk moest zijn. En dat was dan ook inderdaad zoo.
Want in den morgen van den 19denJuli zou een gewoon vaartuig, hetzij stoom-, hetzij zeilschip in zeer groot gevaar verkeerd hebben op die zee. Zeer waarschijnlijk zou het met man en muis vergaan zijn. Maar deAlbatros, aan den machtigen vogel gelijk, welks naam zij droeg, spotte met wind en golven. Had zij geen lust om evenals de petrellen en de Kaapsche duiven langs de watervlakte te scheren, dan kon zij als de adelaar hooger stijgen en daarboven in de hoogere luchtlagen kalmte en zonlicht gaan zoeken.
In dit etmaal werd de zeven-en-veertigste zuiderbreedte-graad gepasseerd.
De dag duurde slechts zeven of acht uren. Hij zou al meer en meer korten, naarmate men de zuider poolstreken naderde.
Tegen één uur in den namiddag was deAlbatrosmerkbaar gedaald, om een gunstiger luchtstroom op te zoeken. Zij stevende op minder dan honderd voeten boven de oppervlakte van den oceaan.
Het weder was kalm. In sommige gedeelten van het uitspansel vertoonden zich zwartachtige wolken, die zich aan hun bovengedeelte heuvelachtig vertoonden; maar aan hun benedengedeelte door eene scherpe lijn, die zuiver horizontaal liep, als het ware afgesneden werden. Uit die wolken ontsnapten langwerpige vooruitstekende gedeelten, welker punt het water der zee aantrok, dat daaronder hevig scheen op te koken, en niet ongelijk aan een struikgewas van vocht opwerkte.
Plotseling schoot dat water omhoog en nam den vorm van een onmetelijken, omgekeerden trechter aan.
In een ondeelbaar oogenblik werd deAlbatrosin de dwarlkolkopgenomen van eene onmetelijke luchthoos die, door een twintigtal anderen, zwart als inkt, werd vergezeld.
Gelukkig had de wentelende beweging dier hoos plaats naar den tegenovergestelden kant van die der opstuwende schroeven van het luchtschip; anders zouden dezen geen werking meer hebben kunnen uitoefenen en het gevaarte zou in zee gestort zijn.
Nu evenwel draaide het met eene verschrikkelijke snelheid op zich zelven rond.
Het gevaar was intusschen ontzaglijk groot, en wat het ergste was, er was niets tegen te doen, daar de ingenieur Robur er niet in slaagde zich van die hoos te bevrijden, welker opzuigingskracht het vaartuig, in weerwil van zijne voortstuwingsschroeven, in hare omarmingen terughield.
De manschappen werden door de middelpuntvliedende kracht naar de beide uiteinden van het dek geslingerd en moesten zich aan de reeling, aan de roeven, aan de potdeksels en aan andere uitstekende deelen vastklemmen, om niet over boord geslingerd te worden.
Robur vermaande zijne omgeving slechts tot koelbloedigheid.
Ja, die was inderdaad noodig; maar die niet alleen. Er moest ook geduld geoefend worden.
De voorzitter Uncle Prudent en zijn secretaris Phil Evans, die hunne hut verlaten hadden, werden als balen katoen over het dek geslingerd en liepen groot gevaar buiten boord te geraken. Gelukkig, dat zij zich grijpen konden. Want onder zulke omstandigheden wilden zij deAlbatrosniet verlaten.
Maar, terwijl deAlbatroszoo om zich zelve wentelde, volgde zij tevens de verplaatsings-beweging van die hoozen, welke met eene snelheid ronddraaiden, waarop de schroeven jaloersch hadden kunnen zijn.
Wanneer het vaartuig aan de eene draaikolk ontsnapte, dan verviel zij weer in de aantrekkingskracht van een andere, en liep het zoodoende groot gevaar uit het verband gerukt of in stukken gesleurd te worden.
“Een kanonschot!...” riep de ingenieur uit.
Dat bevel gold Tom Turner.
De eerste officier had zich reeds vastgeklemd aan het kleine stuk geschut, hetwelk op het midden van het dek in batterij stond, alwaar de uitwerkselen van de middelpuntvliedende kracht zich het minst lieten gevoelen. De wakkere kerel begreep de gedachte van den gezagvoerder. In een ondeelbaar oogenblik had hij het sluitstuk van het kanon geopend, in welks kamer hij eene kardoes liet glijden, die hij uit een munitiekist, aan de affuit bevestigd, te voorschijn gehaald had. Het schot ging af en eensklaps stortten dehoozen in elkander en met haar viel het wolkendak, dat zij schenen te torsen.
Het dreunen van de lucht was voldoende geweest, om dat natuurverschijnsel te vernietigen. De wolkenmassa loste zich in een plas regen op, die het uitspansel met loodrechte streepen teekende, welke zich als een onmetelijk netwerk van water van den hemel tot de zee uitbreidde.
DeAlbatros, eindelijk vrij geworden, steeg zoo spoedig mogelijk eenige honderden meters.
“Goddank!” was de verzuchting, die uit veler borst opwelde. “Goddank!”
“Is er niets gebroken of beschadigd aan boord?” vroeg de ingenieur Robur.
“Neen,”antwoordde Tom Turner, “maar wij hebben daar rondgedraaid als een drijftol. Het zal geraden zijn, aan dat spelletje niet meer mee te doen.”
Inderdaad, gedurende tien minuten ongeveer had deAlbatrosin het grootste gevaar verkeerd van te vergaan. Ware zij niet zoo buitengewoon sterk gebouwd, dan ware zij voorzeker in de kolken dier hoozen verbrijzeld geworden.
Hoe lang viel toch de tijd gedurende dien overtocht over den Atlantischen Oceaan, vooral wanneer geene natuurverschijnselen de eentonigheid daarvan kwamen verbreken! Daarenboven de dagen kortten al meer en meer en de koude deed zich vinnig gevoelen.
Uncle Prudent en Phil Evans zagen thans den ingenieur Robur zeer weinig. Deze bleef in zijn hut opgesloten en hield zich onledig met zijn bestek op te maken, met den afgelegden weg en de gevolgde richting op zijne kaarten met puntlijnen aan te geven, met de hoogte op te nemen, zoo dikwijls zulks mogelijk was, om zoodoende steeds te weten waar hij zich bevond, met de aanwijzingen zijner barometers, thermometers, hygrometers, en chronometers op te teekenen en eindelijk met het invullen van zijn dagboek, waarin hij alle voorvallen, de reis betreffende, neerschreef.
Wat zijn beide gevangenen betrof, die brachten het grootste gedeelte van hunnen tijd op het dek door, alwaar zij, behoorlijk door dikke kapmantels tegen de koude beschut, ijverig uitkeken om in zuidelijke richting eenig land te bespeuren.
Frycollin van zijn kant trachtte, op nadrukkelijk aandringen van zijn baas Uncle Prudent, den kok François Tapage met betrekking tot den ingenieur Robur te polsen. Maar, hoe kon aan het gekakel en gezwets van dien Gasconjer eenig gewicht gehecht worden? Hoe kon het iemand in het hoofd komen, daarop staat te maken? Nu eens vertelde hij, dat Robur een gewezen Minister was van de Argentijnsche Republiek, dan weer dat hij een der hoofden van deEngelsche Admiraliteit was, later dat hij een gepensionneerde President der Vereenigde Staten van Noord-Amerika was, een Spaansch Generaal op non-activiteit, een Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Insulinde, een Onderkoning van Britsch-Indië, die eene nog hoogere positie in de luchtlagen was gaan zoeken.
Nu eens bezat hij millioenen, die hij door middel van strooptochten met zijn luchtschip verkregen had, en stond daarom aan gerechtelijke vervolging bloot.
Een anderen keer luidde het verhaal, dat Robur zijn geheele vermogen verslonden had met den bouw van zijn luchtschip en dat hij genoodzaakt zou zijn om in de groote steden openbare opstijgingen te gaan doen, om zoo te trachten zijn geld terug te krijgen.
Op de vraag van Frycollin of Robur ergens halt hield, ergens ten anker kwam, had François Tapage een beslist “neen” geantwoord; maar daarbij medegedeeld, dat de ingenieur van plan was naar de maan te gaan, niet in figuurlijken, maar in daadwerkelijken zin, en dat wanneer hij daar eene plek vond, die hem beviel, hij zich daar wilde vestigen.
“Wel, Fry.... ouwe jongen!.... dat zou je genoegen doen, niet waar?” had de kok gevraagd.
“Wat?”
“Eens te gaan kijken, wat daar al zoo boven omgaat!”
“Neen, waarachtig niet!”
“Wat, niet?”
“Ik zal niet gaan.... Ik weiger bepaald!...” antwoordde de domkop, die al die dwaasheden voor goede munt opnam en niet begreep, dat de oolijke Gasconjer hem voor den gek hield.
“Waarom, Fry, wil je niet gaan?”
“Wel, omdat ik niet wil!”
“We zouden je daar met een lief mooi meisje uithuwelijken, met een jeugdige bewoonster van de maan... en je zoudt daar stamvader worden van een troep elegante negertjes en negerinnetjes!”
“Loop naar den drommel!” riep Frycollin getergd uit.
“Zeg liever naar de maan, Fry lief, dan ga je meê.”
“Juist naar de maan! Loop naar de maan, maar alleen, hoor je!”
En als dan Frycollin al die praatjes aan zijn baas Uncle Prudent overbracht, dan bemerkte deze laatste wel, dat hij omtrent Robur niets vernemen zou. Hij kwam er dan ook toe, om op niets anders bedacht te zijn dan zich te wreken.
“Phil,” sprak hij op zekeren ochtend geheimzinnig tot zijn secretaris.
“Wat is er, Uncle Prudent?”
“Ik geloof dat het thans vaststaat, dat de vlucht onmogelijk is.”
“Ja, onmogelijk.”
“Het zij zoo,” hernam de voorzitter van Weldon-Institute meteen zucht, “maar een man moet zich zelven steeds toebehooren. En als het moet, dan moet hij zijn leven weten te offeren...”
“Nu, als dat offer gevergd wordt, dat het dan snel geschiede, ja zoo spoedig mogelijk!” antwoordde Phil Evans, die wel is waar een koelbloediger geaardheid bezat; maar toch in de gegeven omstandigheden ook tot de uiterste grenzen der gelatenheid genaderd was. “Ja, het is tijd, dat er een einde aan komt!”...
“Dat is het, Phil.”
“Want, waar stevent deAlbatrosheen? Thans steekt zij den Atlantischen Oceaan in schuine richting over, en blijft zij dien koers volgen, dan zal zij de kusten van Patagonië bereiken, daarna het grondgebied van Vuurland... En daarna? Zeg, Uncle Prudent, daarna?”
“Ja, wie kan daarop antwoorden, Phil Evans?” hernam de voorzitter.
“Zal het luchtschip zich boven de Stille Zuidzee begeven? Of zal het naar de onbekende continenten van de Zuidpool stevenen?”
“Dat ware verschrikkelijk, Phil!”
“Alles is met dien Robur mogelijk!”
“Ja, alles!”
“Wij zouden ons dan als verloren moeten rekenen... Hier bestaat dus een geval van wettigen tegenweer... en als wij dan toch moeten omkomen...”
“Laat het dan niet zijn, zonder ons gewroken te hebben!” riep Uncle Prudent uit, “niet zonder ons gewroken te hebben, niet zonder dit gevaarte vernietigd te hebben en allen, die zich aan boord bevinden!”
De beide gevangenen waren ten gevolge van onmachtige woede, van opgekropten toorn en razernij zoover gekomen, dat zulke plannen in hun brein opkwamen. Ja, daar het moest, zouden zij zich opofferen om den uitvinder tegelijkertijd met zijn geheim te verdelgen.
Dat bewonderenswaardige luchtschip, welks voortreffelijkheid als luchtvaartmiddel zij genoodzaakt waren te erkennen, zou dus nog slechts weinige maanden mogen bestaan.
Nu was dat fatale plan zoodanig in hun brein gedrongen, dat zij waarlijk aan niets anders meer dachten, dan het ten uitvoer te leggen, maar hoe? Wel, door te trachten in het bezit te geraken van een dier ontplofbare dynamietpatronen, die in de kruitkamer van het luchtschip opgeborgen waren en waarmede zij den geheelen boel uit elkander wilden doen springen. Maar, om die te bemachtigen, zouden zij eerst toegang tot de kruitkamer moeten kunnen verkrijgen.
Gelukkig giste Frycollin hoegenaamd niets van die plannen.Alleen de gedachte dat deAlbatroste midden van de lucht in de lucht zou kunnen vliegen, zou hem er toe gebracht hebben, zijn meester te verklikken!
Op den 23stenJuli kreeg men eindelijk in het zuidwesten weer land in het gezicht. Dat was zoo om en nabij de Maagdenkaap, aan den ingang van de Straat van Magelhaen. Daar op den vier-en-vijftigsten breedtegraad, duurde de nacht gedurende dit gedeelte van het jaar reeds bij de achttien uren en daalde het kwik van den Celsius-thermometer tot op zes graden onder nul, dus beneden het vriespunt.
DeAlbatrosbegon eerst, alvorens meer zuidwaarts te stevenen, de kronkelingen van die zeeëngte te volgen, alsof zij naar den Grooten Stillen Oceaan wilde stevenen. Na over de baai van Lomas gezweefd te zijn en den Gregory-top en het Breeknocks-gebergte in het westen ter zijde gelaten te hebben, werd Punta Arena, een klein Chilisch dorpje verkend, op het oogenblik dat de klok op den kerktoren uit alle macht geluid werd.
Daarna werd eenige uren later de oude nederzetting, de Uithongerings-haven genaamd, ontwaard.
De opvarenden van het luchtschip konden geen oordeel vellen over de bewering, dat de Patagoniërs, welker hutten in het gezicht waren, eene lengte van gestalte boven het gemiddelde zouden hebben, daar deze zich als dwergen voordeden voor den blik van hen, die daar boven in de wolken zweefden.
Maar, al waren de dagen zeer kort, gedurende de uren dat het oog waarnemen kon, spreidde zich een indrukwekkend tafereel voor de luchtreizigers uit. Steile bergwanden, toppen met eeuwigdurende sneeuw bedekt, hellingen met dichte wouden getooid, binnenzeeën en baaien, gevormd tusschen de schiereilanden en de eilanden van dien archipel, die uit een mengelmoes van streken bestaat als: Clarence-Land, Dawson-Land, Desolation-eiland met eene schier ontelbare menigte van zeeëngten, kanalen en doorgangen, met hare vele kapen en voorgebergten, met dat geheele onuitwarbaar kluwen van land en zee, waarvan het ijs reeds eene vaste aaneengeschakelde massa gevormd had van Kaap Forward af, alwaar het Amerikaansche vasteland eindigt, tot aan Kaap Hoorn, de uiterste landspits van de Nieuwe Wereld.
Toen men de Hongersnood-haven voorbij gestevend was, werd het duidelijk dat deAlbatrosharen koers naar het zuiden ging voortzetten. Zij gleed tusschen den berg Tarn, op het schiereiland Brunswijk gelegen, en den Gravenberg door, en koerste recht op den Sarmientoberg aan, welks overgroote top, geheel met ijs bedekt, de Straat van Magelhaen beheerscht en eene hoogte van tweeduizend meters boven de oppervlakte der zee bereikt.
De zon schoot bij haren ondergang veelkleurige stralen. (Blz. 160).De zon schoot bij haren ondergang veelkleurige stralen. (Blz.160).
De zon schoot bij haren ondergang veelkleurige stralen. (Blz. 160).
De zon schoot bij haren ondergang veelkleurige stralen. (Blz.160).
Dat was het vaderland der Pecheraizen of der Vuurlanders, de inboorlingen, welke daar dien uitersten uithoek bevolken. Hoe bekoorlijkfraai zou dat land niet geweest zijn zes maanden vroeger of later, wanneer het volle zomer zou zijn, wanneer het daglicht vijftien of zestien uren lang zoude duren. Hoe vruchtbaar zou die streek zich dan niet aan den blik onzer reizigers voorgedaan hebben, vooral in haar zuidelijk gedeelte! Dan zou men overal valleien en weilanden ontwaard hebben, welke duizenden runderen en schapen zouden kunnen voeden; maagdelijke bosschen met reusachtige boomen, berken, beuken, esschen, cypressen, stamvarens; vlakten, weelderig met gras overdekt, waarin quarakken of Braziliaansche kalkoenen, Peruaansche schapen en struisvogels in geheele zwermen en kudden dan zouden dartelen. En in weerwil van de koude, was er toch nog heel veel wild aanwezig, zooals: pengouinen of vetganzen en ander gevogelte. Toen dan ook deAlbatroshare electrische verlichtingstoestellen in werking bracht, vlogen eenden, ganzen en duikerhoenders, verblind door dat scherpe licht, in zulk eene menigte aan boord, dat er gelegenheid was om de provisie-hutten van François Tapage meer dan overvloedig aan te vullen.
Daardoor bekwam onze kok, die dat wild zoodanig wist toe te bereiden, dat de zoo walgelijke traansmaak niet meer te bespeuren was, een zoodanige vermeerdering van werk, dat Frycollin hem helpen moest om al dat gevogelte, dat bij vele dozijnen gevangen was, te plukken. En de neger deed dat gaarne, want als François Tapage in een goede luim was, dan was er steeds een oorlam in ’t uitzicht, en Frycollin hield veel van een oorlam.
Dien dag bespeurde men, op het oogenblik dat de zon onder zou gaan, dat wil zeggen tegen drie uren in den namiddag, een uitgestrekt meer, hetwelk door een zoom van prachtige bosschen op de meest schilderachtige wijze omlijst was. Dat meer was geheel en al bevroren, en eenige inboorlingen vermaakten zich er op met glijden, waartoe zij eene soort van lange raketten onder de voeten gebonden hadden.
Toen die Vuurlanders het luchtschip in het oog kregen, sloeg hen de schrik om het hart en vloden zij in alle richtingen heen. En zij, die niet vluchten konden, verborgen zich, kropen in aardholen of drukten zich tegen den grond aan evenals de dieren.
Intusschen stevende deAlbatrossteeds zuidwaarts, zweefde over het Beagle-kanaal, dat niet ver gelegen is van het eiland Navarino, welks Grieksche naam wel ietwat vreemd klinkt te midden van de meer ruwe namen van die verafgelegen streken. Eindelijk werd Wollaston overschreden, het uiterste eiland van den Grooten Stillen Oceaan. Eindelijk, na zevenduizend vijfhonderd kilometers sedert het vertrek van de kusten van Dahomey afgelegd te hebben, passeerde het luchtschip de laatste eilandjes van den Magelhaen-Archipel en ten slotte het meest vooruitspringende van die groepnaar het zuiden, welks punt door eene eeuwigdurende branding geteisterd wordt, namelijk de schrikkelijke kaap Hoorn.
1De oppervlakte van het land bedraagt: 136.051.371 vierkante kilometers.2Zoo iets is werkelijk na de hevige uitbarsting van Krakataoe in Nederland waargenomen.
1De oppervlakte van het land bedraagt: 136.051.371 vierkante kilometers.
2Zoo iets is werkelijk na de hevige uitbarsting van Krakataoe in Nederland waargenomen.
Den volgenden dag was het de 24steJuli. Nu komt de 24steJuli van het zuidelijk halfrond met den 24stenJanuari van het noordelijk halfrond overeen. De zes en vijftigste graad zuiderbreedte was door het luchtschip achter zich gelaten. De daarmede overeenkomstige breedtegraad in het noorden van Europa snijdt Schotland ongeveer ter hoogte van Edinburg.
De thermometer stond dan ook voortdurend gemiddeld beneden nul. Men was derhalve verplicht geweest eene kunstmatige warmte aan de daarvoor bestemde toestellen te ontleenen, om het verblijf binnen de roeven mogelijk te maken. Wel zal niet behoeven vermeld te worden, dat al lengden de dagen ook, sedert de zon op den 21stenJuni den winterzonnestilstand voor het zuidelijk halfrond verlaten had, de invloed dier verlenging al minder en minder ondervonden werd, naarmate deAlbatrosmeer en meer naar de zuidelijke poolstreken stevende.
Bijgevolg kon men betrekkelijk zeer weinig genieten van het daglicht op dit gedeelte van de Groote Stille Zuidzee, die aan den zuidelijken poolcirkel grenst. Dus weinig uitzicht en daarbij, vooral des nachts, eene zeer vinnige koude. Om daaraan weerstand te kunnen bieden, was men verplicht zich te kleeden, zooals de Eskimo’s of de Vuurlanders dat doen. En daar die kleedingstukken aan boord van deAlbatrosniet ontbraken, konden de beide lotgenooten, behoorlijk ingewikkeld, op het dek vertoeven, aan hunne plannen tot ontvluchting denken en naar de gelegenheid uitzien om ze ten uitvoer te leggen. Overigens zagen zij Robur zelden, en sedert de bedreigingen, die ter hoogte van Tombouctoe tusschen hen voorgevallen waren, spraken de ingenieur en de beide Amerikanen elkander niet meer.
Wat Frycollin betreft, die kwam niet buiten de keuken, waarin François Tapage hem op de edelmoedigste wijze gastvrijheid verleende, evenwel op voorwaarde: dat hij het baantje van bijkok zou waarnemen. Dewijl daaraan verscheidene voordeelen verbonden waren, had de neger geen oogenblik geaarzeld om toe te slaan, natuurlijk na verlof van zijn baas bekomen te hebben. Daarenbovennu hij zich zoo opgesloten bevond, zag hij niets meer van hetgeen daarbuiten gebeurde en kon hij dus in de meening verkeeren, buiten gevaar te zijn. Hij had veel van den struisvogel, zoowel door zijn uiterlijk als door zijn maag, maar vooral door zijne ongeëvenaarde flauwhartigheid.
Naar welk punt van den aardbol zou deAlbatrosthans stevenen? Was het aanneembaar, dat zij zich in het midden van den winter boven de Zuidelijke IJszee zou durven wagen of boven het vasteland van de pool? Zou in dien ijzigen dampkring, aangenomen ook al, dat de scheikundige vochten, voor de electrische batterijen benoodigd, bij zoo eene strenge temperatuur niet zouden bevriezen, het geheele personeel aan boord den dood niet vinden, den schrikkelijken dood door de koude? Dat Robur pogen zoude de pool in het warme seizoen te bereiken, dat was aan te nemen; maar te midden van dien voortdurenden nacht, dat zou het werk van een krankzinnige zijn.
Zoo redekavelden de voorzitter en de secretaris van Weldon-Institute, toen zij zich thans aan het uiteinde van het vasteland der Nieuwe Wereld vervoerd zagen. Dat was nog altijd Amerika, evenwel de Vereenigde Staten niet meer!
Ja, wat zou die onhandelbare Robur thans uitrichten?
En was het oogenblik niet daar om, door het vernietigen van het vaartuig, paal en perk aan de reis te stellen?
Wat opgemerkt werd, dat was, dat de ingenieur Robur dikwerf gesprekken met zijn eersten officier had. Herhaaldelijk raadpleegden die beiden den barometer,—thans niet meer om de bereikte hoogte waar te nemen, maar om zijne aanduidingen met betrekking tot het weder te kunnen waarnemen. Voorzeker deden zich aanwijzingen voor, waarmede rekening gehouden moest worden.
Uncle Prudent meende ook op te merken, dat Robur naging al wat nog aan boord voorradig was, zoowel de benoodigdheden tot onderhoud der opstuwende en voortdrijvende machines van het luchtschip, als die tot onderhoud der menschelijke werktuigen, welker arbeid aan boord ook verzekerd moest wezen.
Dat alles scheen te duiden op plannen om terug te keeren, meende de voorzitter.
“Om terug te keeren?....” vroeg Phil Evans. “Maar waarheen?”
“Daar, waar Robur zijn voorraad kan aanvullen,” antwoordde Uncle Prudent.
“Dat moet dan zijn.... een eiland....”
“Nu, ga voort!.... Een eiland?”
“Een verloren eiland in de Groote Stille Zuidzee, bewoond door eene kolonie van schurken, die hun opperhoofd waardig zijn!”
“Dat is mijne meening ook, Phil Evans.”
“Nog al gelukkig, Uncle Prudent.”
In een ondeelbaar oogenblik werd de Albatros in de dwarlkolk opgenomen. (Blz. 163).In een ondeelbaar oogenblik werd de Albatros in de dwarlkolk opgenomen. (Blz.163).
In een ondeelbaar oogenblik werd de Albatros in de dwarlkolk opgenomen. (Blz. 163).
In een ondeelbaar oogenblik werd de Albatros in de dwarlkolk opgenomen. (Blz.163).
“Ik geloof,” ging de voorzitter van Weldon-Institute voort, “dathij westwaarts zal afhouden en met de snelheid, waarover hij beschikken kan, zal hij zijn doel spoedig bereiken.”
“Maar, als hij daar aankomt, zullen wij onze plannen niet meer ten uitvoer kunnen leggen.”
“Hij zal er niet aankomen, Phil Evans!”
De beide lotgenooten hadden klaarblijkelijk de voornemens van den ingenieur gedeeltelijk geraden. Gedurende dien dag werd iedere twijfel opgeheven; want deAlbatros, na eerst de grenzen der Zuidelijke IJszee genaderd te zijn, keerde bepaald om. Toen de vorst zich dermate in die streken van Kaap Hoorn deed gevoelen, overdekte zich het geheele benedengedeelte van de Groote Stille Zuidzee met ijsvelden en met ijsbergen.
Het pakijs had dus een ondoordringbaren slagboom voor de stevigste schepen en voor de stoutmoedigste zeelieden daargesteld.
Het is waar, deAlbatroszou met sneller wiekslag die ijsbergen, welke den oceaan bezaaiden, en de steenbergen welke op het land werden aangetroffen, namelijk wanneer daar bij de pool een kalotje van land op die zuiderpool aanwezig is, hebben kunnen overstevenen. Maar, zich te midden van den poolnacht, in een dampkring wagen, die tot zestig graden onder nul kan afkoelen, zou hij dit durven ondernemen? Ongetwijfeld neen!
Na dan ook een honderd kilometers in zuidelijke richting gestevend te zijn, hield deAlbatroswestwaarts af, klaarblijkelijk met het doel, om koers te zetten naar een of ander onbekend eiland van een der groepen in den Grooten Stillen Oceaan.
Onder het schip strekte de vloeibare vlakte zich uit, die zoowel het Amerikaansche als het Aziatische vasteland bespoelt. In dit oogenblik had het water die zonderlinge kleur aangenomen, welke daaraan den naam van melkzee verleende. In de nevelachtige schaduw, welke de zwakke zonnestralen niet vermochten te verdrijven, scheen de geheele oppervlakte van den Grooten Stillen Oceaan melkachtig wit te zijn. Men zou gewaand hebben een onmetelijk groot sneeuwveld voor zich te zien, waarvan de golvingen, van die hoogte gezien, niet merkbaar waren. Wanneer dat gedeelte der zee door de koude bevroren was en zoo in een onmetelijk ijsveld veranderd ware, dan zou zij geen ander uitzicht gehad hebben.
Men weet thans dat het myriaden van lichtende diertjes zijn, kleine phosphoresceerende lichaampjes, die dat natuurverschijnsel te voorschijn roepen. Wat verwondering kon opwekken, was dat die lichtende massa, welke nergens anders dan in den Indischen Oceaan ontmoet wordt, thans hier waargenomen werd.
Plotseling viel de barometer, na gedurende de eerste uren van den dag vrij hoog gestaan te hebben, opmerkelijk snel. Er deden zich klaarblijkelijk aanduidingen voor, waarmede een zeeschip voorzekerrekening had moeten houden, maar die door het luchtschip over het hoofd gezien of verwaarloosd konden worden. Men kon evenwel veronderstellen, dat een zwaar onweder kort geleden de wateren van den Grooten Stillen Oceaan beroerd had.
Het was één uur des namiddags, toen de eerste officier Tom Turner den ingenieur naderde en hem zeide:
“Master Robur...”
“Wat is er?”
“Zie eens naar dat zwarte punt bij den gezichteinder!”
“Waar, Tom?”
“Daar in het noorden... daar... nu ziet gij het duidelijk... Dat kan toch geen rots zijn?”
“Neen, Tom, aan dien kant is geen wal of geen ondiepte.”
“Dan moet het een schip, of minstens eene sloep zijn.”
“Wij zullen zien.”
Uncle Prudent en Phil Evans waren ook naar het voorschip gekomen en keken opmerkzaam naar het door Tom Turner aangeduide punt.
Robur riep om zijn marinekijker en nam het aangeduide voorwerp nauwkeurig op.
“Het is eene sloep!” riep hij eensklaps uit.
“Is het mogelijk, hier?” vroeg Tom Turner.
“En ik zou kunnen bevestigen, dat er menschen in zitten,” vervolgde Robur.
“Schipbreukelingen?” vroeg Tom.
“Ja, schipbreukelingen, die genoodzaakt zullen geweest zijn, om hun vaartuig te verlaten,” hernam de ingenieur. “Rampzaligen, die niet meer weten, waar den wal ligt, die waarschijnlijk door honger, dorst en koude omkomen? Welnu, er zal niet kunnen gezegd worden, dat deAlbatrosniet alle pogingen zal aangewend hebben om hen te hulp te komen!”
Bevelen werden aan den machinist en aan zijne beide helpers gegeven. Het luchtschip begon langzamerhand te dalen. Op honderd meters boven de oppervlakte der zee gekomen, hield het halt; terwijl zijne voortstuwingsschroeven het met snelheid in noordelijke richting dreven.
Ja, het was inderdaad eene sloep. Haar zeil klepperde tegen den mast. Er was geen wind en derhalve kon niet gestuurd worden. En waarschijnlijk had niemand aan boord nog kracht genoeg om een roeiriem te kunnen hanteeren.
Op den bodem van het vaartuigje lagen vijf mannen uitgestrekt, hetzij zij ingeslapen, hetzij zij bewegingloos door vermoeidheid, hetzij zij dood waren.
Toen deAlbatrosvlak boven hen gekomen was, daalde zij langzaam.
Men kon toen op den achtersteven van die sloep den naam lezen van het schip, waartoe zij behoorde. Dat was deJeannettevan Nantes, een Fransch vaartuig, hetwelk door zijne equipage was verlaten geworden.
“Aoh!” riep Tom Turner.
“Aoh!” herhaalde de bemanning derAlbatrosmet een eenstemmig gebrul.
Dat moest gehoord worden; want de sloep dobberde slechts op ongeveer tachtig voet onder het luchtschip.
Toch kwam er geen antwoord.
“Los een geweerschot!” gelastte Robur.
Dat bevel werd uitgevoerd en de knal rolde lang over de oppervlakte van het water.
Men zag toen een der schipbreukelingen zich pijnlijk oprichten, met wildstaande oogen en de gelaatstrekken van een doode.
Toen hij deAlbatrosdaar boven zich ontdekte, kon hij een gebaar van schrik en angst niet onderdrukken.
“Vrees niets!” riep Robur in het Fransch. “Wij komen u helpen!... Wie zijt gij?”
“Matrozen van deJeannette, een driemastschip, waarop ik eerste stuurman was,” antwoordde de man. “Veertien dagen geleden... hebben wij dien bodem verlaten... toen hij op het punt was... in de diepte weg te zinken!... Wij hebben geen water en geen levensmiddelen meer!...”
De vier overige schipbreukelingen hadden zich ook langzamerhand opgericht. Zij zagen er bleek, haveloos en uitgeput uit. Zij waren verschrikkelijk mager en hieven de handen smeekend naar het luchtschip op.
“Opgepast!” riep Robur.
Een touw werd van het dek ontrold, waarmede een emmer met drinkwater in de sloep neergelaten werd. De ongelukkigen wierpen er zich op en dronken met eene gretigheid, die zeer deed om te zien.
“Brood!... Brood!...” schreeuwden zij. “Geef ons brood!”
Dadelijk werd een mand naar beneden gevierd, waarin levensmiddelen, eene flesch brandy, eenige pinten koffie. De eerste stuurman had veel moeite om hen bij het stillen van den honger tot bedaardheid aan te manen.
Daarna vroegen de schipbreukelingen:
“Waar bevinden wij ons?”
“Op vijftig mijlen afstand van de kust van Chili en van den archipel der Chorus-eilanden,” antwoordde Robur.
“Maar, als wij windstilte houden, en?...”
“Wij zullen u op sleeptouw nemen!”
Vlogen eenden, ganzen en duikerhoenders in menigte aan boord. (Bladz. 170.)Vlogen eenden, ganzen en duikerhoenders in menigte aan boord. (Bladz.170.)
Vlogen eenden, ganzen en duikerhoenders in menigte aan boord. (Bladz. 170.)
Vlogen eenden, ganzen en duikerhoenders in menigte aan boord. (Bladz.170.)
“Maar, in Godsnaam, wie zijt gij toch?”
“Wij zijn lieden, die zich gelukkig gevoelen u te kunnen helpen,” antwoordde Robur op eenvoudigen toon.
De eerste stuurman begreep, dat de gezagvoerder zijn naam niet wenschte mede te deelen. Hij eerbiedigde dat verlangen. Maar zou die vliegmachine kracht genoeg hebben om te kunnen sleepen?
Ja, waarlijk, en de sloep, die aan het einde van eene kabel van ruim honderd voeten lang was vastgemaakt, werd door het machtige toestel in oostelijke richting voortgetrokken.
Tegen tien uur was het land in het gezicht, of beter gezegd: men zag de vuren schitteren, die de ligging daarvan aanduidden. Die hulp des hemels was inderdaad ter goeder tijd voor de schipbreukelingen derJeannetteverschenen, en waarlijk, zij waren wel in hun recht, toen zij beweerden, dat hunne redding een wonder was!
Toen deAlbatroshen tot vlak bij den ingang van het toegangswater der Chonas-eilanden gesleept had, riep Robur hen toe den sleeptros los te gooien. Dat deden de schipbreukelingen, terwijl zij hunne redders zegenden en dankzeiden. Het luchtschip stevende daarop dadelijk zeewaarts.
Waarachtig, in dat luchtvaartuig, hetwelk zoo schipbreukelingen in volle zee in nood te hulp kon komen, zat toch iets goeds! Welke luchtballon, hoe volmaakt overigens ook, zou geschikt geweest zijn, om zoodanige diensten te bewijzen? Ziet, dat moesten Uncle Prudent en Phil Evans toch erkennen, wanneer zij bij elkander zaten. Toch verkeerden zij nog altijd in een geestestoestand, die hen er toe brengen kon, om zelfs het klaarblijkelijkste te loochenen.
De zee werd intusschen al woester en woester. De kenteekenen van weersverandering waren onrustbarend. De barometer, die al laag stond, viel nog eenige millimeters. Schrikkelijke windstooten deden zich voor, terwijl de wind overigens hevig woei en in de helicopterische werktuigen van deAlbatrosals het ware huilde, maar ook oogenblikken had, dat er plotseling voor weinige seconden windstilte intrad. Onder zulke omstandigheden zou een zeilvaartuig onder gereefde marszeilen en gereefd fokzeil gestevend hebben. Alles duidde er op, dat de wind naar het noordwesten krimpen zou. Het vocht in de buis van het “stormglas” begon zeer troebel te worden. Dat alles was verre van geruststellend. Tegen een uur in den morgen begon de wind met buitengewone hevigheid te waaien. Evenwel, hoewel het luchtschip er vlak tegen in stevende, kon het, voortbewogen door zijne voortstuwingsschroeven, nog op hem winnen en legde nog vier of vijf kilometers per uur af. Maar meer mocht en kon er niet van gevergd worden.
Klaarblijkelijk vormde zich een cycloon, hetgeen op deze breedte zeer zeldzaam voorkomt. Of men hem al Hurricane op den Atlantischen Oceaan noemt, of Typhon in de Chineesche zee, of Tornadoop Afrika’s westkust of Simoun in de Sahara, het is en blijft een wervelwind, een ronddwarrelende storm, die zeer te vreezen is. Ja, te vreezen voor ieder vaartuig, dat in de wentelende beweging geraakt, welke van den buitenomtrek naar het centrum in kracht toeneemt, en slechts een enkele plek kalm laat, namelijk het midden van dien lucht-maalstroom.
Robur wist dat. Hij wist ook, dat het voorzichtig was een cycloon te ontvluchten, door zich, al stijgende tot in de hoogere luchtlagen, buiten de aantrekkingszone te begeven. Tot heden was hem dat altijd gelukt, maar er was geen uur, wellicht geen minuut meer te verliezen.
Inderdaad de wind nam merkbaar in hevigheid toe. De golven, met schuim gekuifd, veroorzaakten onder de onweerstaanbare windvlagen als een wit poeder op de oppervlakte der zee. Het was klaarblijkelijk, dat de cycloon bij zijne verplaatsing, zich met eene vervaarlijke snelheid naar de poolstreken zoude spoeden.
“Naar boven!” kommandeerde Robur.
“Naar boven!” herhaalde Tom Turner.
Toen werd eene buitengewone opstijgende kracht aan het luchtschip verleend en verhief zich het gevaarte in schuine richting, alsof het een scherp hellend vlak gevolgd had, hetwelk naar het zuidwesten gekeerd was.
De barometer daalde in dit oogenblik nog,—geen daling, maar inderdaad een val van acht, daarna van twaalf millimeter, door de kwikkolom uitgevoerd.
Eensklaps staakte deAlbatroshare stijgende beweging.
Waaraan was die staking toe te schrijven? Klaarblijkelijk aan een windstoot, aan een geduchten luchtstroom, die zich van boven naar beneden bewoog en zoo den weerstand van het steunpunt van het luchtschip verminderde.
Wanneer een stoomschip eene rivier opstevent, dan verricht de schroef een des te minder nuttigen arbeid, naarmate de stroom door zijne snelheid onder de schroefbladen door tracht te vlieten. Het deinzen of de teruggang is dan soms aanmerkelijk en kan zelfs gelijk aan de stroomsnelheid worden. In datzelfde geval verkeerde thans deAlbatros.
Maar Robur gaf den strijd niet op. Zijne vier en zeventig schroeven, die allen met eene volkomen gelijkmatigheid arbeidden, werden tot de grootst mogelijke snelheid van omwenteling aangezet. Maar het luchtschip, door den cycloon onweerstaanbaar aangetrokken, kon niet ontsnappen. Gedurende de korte oogenblikken, dat er eenige kalmte intrad, hernam het zijne opstijgende beweging; maar de zware winddruk hernam weldra weder zijne heerschappij en voerde het gevaarte heen, dat wel iets van een bodem had, dieop het punt is van te zinken. En wel mocht het zinken genoemd worden, want deAlbatroszonk inderdaad in de luchtzee, en hare seinlichten, hoe krachtig ook de electrische stroom aangezet werd, konden slechts een zeer bescheiden sector verlichten.
Het was helder als de dag, dat, wanneer de cycloon nog meer in hevigheid toenam, deAlbatrosniet veel meer zou zijn dan een niet te besturen stroohalm, heengevoerd door een van die wervelwinden, die boomen ontwortelen, die daken der huizen afrukken en muurvakken omversmijten.
Robur en Tom Turner spraken slechts door middel van gebaren met elkander.
Uncle Prudent en Phil Evans klemden zich krampachtig aan de verschansing vast en vroegen zich af: of de cycloon niet in hunne kaart speelde, door het schip en met het schip den uitvinder en met den uitvinder het geheim zijner uitvinding te vernietigen?
Maar, dewijl het scheen, dat deAlbatroser niet in slaagde, om door opstijging uit den wervelstroom te geraken, waarom volbracht zij niet de eenige beweging, die te doen overbleef, namelijk naar het centrum te stevenen, waar het betrekkelijk kalm zoude zijn en waar het schip weer meester van zijn manoeuvreeren zoude wezen? Ja, dat is goed en wel geredeneerd; maar om dat centrum te bereiken, moesten die rondijlende stroomingen, die het vaartuig in zijn buitenwervel geketend hielden, doorbroken worden. Zouden de werktuigen daartoe genoegzame kracht kunnen ontwikkelen?
Eensklaps barstte het bovenste gedeelte der cycloonwolk. De dampen verdichtten zich en stortten als plasregen neder.
Het was toen twee uur in den morgen, de barometer was toen na vele slingeringen, die afwijkingen van twaalf milimeter aanduidden, tot op 709 gevallen, een stand waarvan afgetrokken moest worden of beter bijgevoegd, de daling veroorzaakt door de bereikte hoogte van het luchtschip boven de oppervlakte der zee.
Wat een zeer zeldzaam natuurverschijnsel genoemd kon worden, was, dat de cycloon ontstaan was buiten de gewesten, waar hij gewoonlijk voorkomt, dat wil zeggen tusschen den dertigsten graad noorder- en den zes en twintigsten zuiderbreedte. Misschien ligt daarin de verklaring, dat die wervel-orkaan plotseling in een rechtlijnigen storm veranderde. Maar welke winddruk ontstond toen! De stormvlaag, die op den 22stenMaart 1882 den Staat Connecticut teisterde, kon eenigermate als punt van vergelijking dienen. Toen was de snelheid honderd zestien meter in de seconde, hetgeen meer dan honderd uren gaans in het uur maakt.