“Vrees niets!” riep Robur in het Fransch. (Bladz. 176).“Vrees niets!” riep Robur in het Fransch. (Bladz.176).Het kwam er dus op aan, om voor den wind te lenzen, zoo als een schip bij storm zoude doen. Of beter deAlbatroswas genoodzaakt zich door die strooming, waartegen niet op te werkenen waar niet uit te geraken was, mede te laten voeren. Maar intusschen, ten gevolge van dat medegevoerd worden, vlood hetluchtschip in zuidelijke richting, dat wil zeggen, naar die poolstreken, die Robur had willen mijden. Helaas, hij was niet meer meester over zijnen koers, en moest gaan werwaarts de storm hem voeren wilde!Torn Turner had het stuurrad ter hand genomen en hij had al zijne behendigheid noodig om het luchtschip voor kapzijzen te behoeden.Bij het eerste lichten van den dageraad,—als men zoo die flauwe tint mag noemen, die aan den gezichteinder ontwaard werd,—had deAlbatrosvijftien breedtegraden, dat wil zeggen meer dan vier honderd uren gaans afgelegd van Kaap Hoorn af en overschreed toen den poolcirkel.Daar duurt de nacht in de maand Juli nog negentien en een half uur. De zonneschijf verschijnt slechts boven den horizon om even spoedig weer te verdwijnen.Bij de pool duurt de nacht gedurende honderd negen en zeventig etmalen. Alles duidde aan, dat deAlbatroszich in dien nacht als ware het in eene afgrond zoude storten.Wanneer eene waarneming mogelijk geweest ware, dan zoude zij aangetoond hebben, dat men zich op 66° 40’ zuiderbreedte bevond. Het luchtschip was dus nog slechts op veertien honderd mijlen van de zuidpool verwijderd.Het luchtschip, onweerstaanbaar naar dat ongenaakbaar punt van den aardbol gevoerd, “verslond”, om het zoo uit te drukken, door zijne snelheid zijne zwaarte; hoewel deze ten gevolge van de afplatting der aarde bij de pool een weinig meer was dan elders. Het was, alsof het zijne opstuwingsschroeven niet meer noodig had. En weldra nam de storm zoodanig in hevigheid toe, dat Robur het raadzaam oordeelde om de snelheid der voortstuwingsschroeven tot een minimum van omwenteling te brengen, ten einde ernstige averij te voorkomen, en bij die geringe eigene snelheid toch stuur in het gevaarte te houden.De ingenieur Robur deelde te midden van die gevaren zijne bevelen met koelbloedigheid uit, en zijne bemanning gehoorzaamde hem, alsof zij door hem bezield werd.Uncle Prudent en Phil Evans hadden geen enkel oogenblik het dek van het luchtvaartuig verlaten. Men kon er bovendien zonder bezwaar blijven.De lucht veroorzaakte geen of slechts weinig tegenstand. Het luchtschip verkeerde in die oogenblikken in den toestand van een luchtballon, die met de middenstof, waarin hij zich gedompeld gevoelt, medegevoerd wordt.Het domein der zuidpool strekt zich uit, zooals beweerd wordt, over eene oppervlakte van vijfmaal honderdduizend vierkante meters. Bevindt zich daar een vastland? Of is het een archipel? Is het eeneonmetelijke ijszee, die nimmer, zelfs niet gedurende den langsten zomer, ontdooit? Niemand weet dat.Maar, wat men wel weet, dat is, dat de zuidpool veel kouder is dan de noordpool, hetgeen daaraan moet toegeschreven worden, dat er in het zuidelijk-halfrond veel minder land aangetroffen wordt dan in het noordelijk, ook aan den stand der aarde op hare omwentelingsbaan gedurende de zuidpool-winters.Niets duidde intusschen aan, dat de storm gedurende dien dag zou afnemen. Het was bij den vijf-en-veertigsten westermeridiaan, dat deAlbatrosden poolcirkel binnen trad. Waar zou zij dien weer verlaten,—bij de veronderstelling altijd, dat zij dien zou kunnen verlaten?In ieder geval, naarmate het vaartuig allengs naar het zuiden afzakte, kortte de dag al meer en meer. Het zou niet lang meer duren, of het zou in dien langdurigen nacht gedompeld zijn, die slechts door de maan verlicht wordt of door het bleeke schijnsel van het zuiderlicht.Maar het was toen nieuwe maan, en waarachtig de reisgenooten van Robur liepen gevaar niets of niet bijster veel te zien van die streken, welker geheim nog aan de menschelijke nieuwsgierigheid of weetgierigheid ontsnapt is.Zeer waarschijnlijk stevende deAlbatrosover eenige reeds herkende punten, b.v. in het westen het land van Graham, hetwelk in de nabijheid van den poolcirkel gelegen is, en in 1832 door Biscoë ontdekt werd, en Lodewijk Philipsland, hetwelk in 1838 door Dumont d’Urville ontdekt werd, de bekende bereikte grenzen op dit onbekende vastland.Men leed aan boord van deAlbatrosniet veel van de koude. De temperatuur was minder laag dan men wel kon vermoeden. Het scheen, dat die storm een lucht-golfstroom was, die eene zekere hoeveelheid warmte met zich voerde.Het was inderdaad zeer betreurenswaardig, dat die geheele streek in eene diepe duisternis gedompeld was. Hier dient evenwel opgemerkt te worden, dat, al had ook de maan hare lichtstralen verleend, de waarnemingen toch zeer weinig loonend zouden zijn uitgevallen. In dit gedeelte van het jaar toch bedekt een lijklaken van sneeuw, een harnas van ijs de geheele poolstreken. Men bespeurde er zelfs dien “blink” van het pakijs niet, welke eene witachtige tint bezit en aan die donkere gezichteinders ontbreekt.Hoe onder zulke omstandigheden den vorm van het land, de uitgestrektheid der zeeën, de ligging der eilanden waar te nemen en op te nemen? Hoe het hydrografisch netwerk van het land te onderscheiden? Hoe het bergstelsel te herkennen, nu de heuvelen en de bergen niet van het pakijs en de ijsbergen te onderscheiden waren?Iets vóór middernacht verlichtte een zuiderlicht de dikke duisternis. Met zijne zilveren franjes, met zijne stralen, die door het luchtruim schoten, vertoonde zich dat natuurverschijnsel in den vorm van een onmetelijken waaier, die over de eene helft van het uitspansel geopend zoude zijn. Zijne uiterste electrische uitstroomingen raakten het Zuiderkruis, welker vier sterren in het zenith schitterden. Het natuurverschijnsel was onvergelijkelijk schoon, en de helderheid, daardoor verspreid, was voldoende om een blik te kunnen werpen op die streek, welke in een wit lijkkleed gehuld scheen.Het zal wel niet behoeven verhaald te worden, dat boven die streken, zoo nabij de Zuidpool, de magneetnaald van het kompas, voortdurend van streek, geene te betrouwen aanwijzingen weergaf met betrekking tot den te volgen koers. Maar hare inclinatie was op een gegeven oogenblik van zoodanigen aard, dat Robur voor zeker kon houden, dat hij boven de magnetische pool passeerde, die ongeveer bij den acht-en-zeventigsten zuiderbreedte-graad gelegen zoude zijn.En later, toen hij tegen een uur in den morgen den hoek berekende, welke die naald met de loodlijn maakte, riep hij uit:“De Zuidpool is onder onze voeten!”Een wit kalotje werd ontwaard, maar liet niets gissen van hetgeen onder die dikke ijskorst verborgen was.Het zuiderlicht verdween een weinig later en dat denkbeeldige punt, waar alle meridianen van den aardbol te zamen komen, moet nog gevonden worden.Waarachtig, wanneer Uncle Prudent en Phil Evans het luchtschip en hen, die zich aan boord bevonden, in de meest geheimzinnige eenzaamheid wilden begraven, dan was de gelegenheid uiterst gunstig. En, als zij het niet deden, dan werd dit veroorzaakt, doordat hen nog het daartoe benoodigde middel ontbrak.De storm schreed steeds met onverminderde kracht voort en met zulke snelheid, dat, wanneer deAlbatrosden een of anderen berg op hare baan ontmoet had, zij daarop verbrijzeld ware geworden evenals een schip, dat op eene rotsachtige kust zoude stranden.En inderdaad, het luchtschip kon zich niet alleen niet meer in horizontale richting dirigeeren, maar het was ook onmachtig om in de hoogte te stijgen.Daarbij kwam nog, dat eenige toppen op die zuidpoollanden aangetroffen werden. Het gevaar was dus groot. Ieder oogenblik was eene botsing te duchten, en die botsing zou de vernietiging van het luchtgevaarte ten gevolge hebben.Het gevaar was dus groot. Ieder oogenblik was eene botsing te duchten. (Bladz. 184).Het gevaar was dus groot. Ieder oogenblik was eene botsing te duchten. (Bladz.184).Zoo’n ramp was te meer te vreezen, daar de wind, nadat deAlbatrosden meridiaan zero gepasseerd had, naar het oosten neigde.Twee lichtende punten werden toen op een afstand van ongeveer honderd kilometers van het luchtvaartuig ontwaard.Dat waren de twee vulkanen, de Erebus en de Terror, die tot het uitgestrekte bergstelsel van Ross behooren.Zou deAlbatros, evenals een reusachtige vlinder, zich de vleugels gaan verbranden aan die vulkanische vlammen?Er werd een uur van pijnlijke spanning doorgebracht. Het was alsof een dier vuurspuwende bergen, de Erebus, zich op het luchtschip kwam storten, dat maar niet uit de zuiging van den storm kon geraken. De vlammen-bundels werden voor het oog ieder oogenblik grooter. Een slagboom van vuur sloot als het ware den weg af. Schitterende stralen verlichtten thans de ruimte. Alle voorwerpen aan boord hadden toen een rooden weerschijn aangenomen en gaven aan het vaartuig een waarlijk helsch uitzicht.Alle opvarenden zonder onderscheid stonden onbewegelijk, zonder eenig geluid te maken, zonder eenig gebaar te wagen, en wachtten in spanning de schrikkelijke minuut, gedurende welke die vreeselijke haard hen met zijne vlammen zou omgeven.Maar de storm, die deAlbatrosmedevoerde, redde haar van de schrikkelijke ramp.De vlammen van den Erebus werden door den stormwind ternedergedrukt en leverden zoo een doortocht aan het luchtschip. Te midden van een waren stortregen van vulkanische bestanddeelen, als lava-brokstukken, vulkanische asch en zand, die gelukkig door de middenpuntvliedende werking der opstuwingsschroeven afgewend werden, werd die in volle uitbarsting verkeerende krater overzweefd.Een uur later verdwenen die beide kolossale toortsen, welke het uiteinde der bekende wereld gedurende de lange poolnachten verlichten, voor den blik der opvarenden van deAlbatrosachter den gezichteinder.Tegen twee uur in den morgen werd het eiland Ballery, op de uiterste punt van de Ontdekkings-kust gelegen, gepasseerd, zonder dat men het evenwel kon verkennen, daar het door een band van ijs aan de poollanden vastgeklonken en daarvan niet te onderscheiden was.Van den poolcirkel af, dien deAlbatrosandermaal op den honderd-vijf-en-zeventigsten lengtegraad bewesten Parijs sneed, werd zij over het pakijs en over de ijsbergen heengevoerd, waartegen zij honderdmaal gevaar liep zich te verbrijzelen. Het luchtschip was niet meer in de hand van zijn stuurman, maar in de hand van God.... en God is een betrouwbare loods!DeAlbatrosvolgde toen den meridiaan, die een hoek van honderd en vijf graden maakt met die middagslijn, waarop zij het poolgebied binnentrad.Toen zij eindelijk den zestigsten graad zuiderbreedte bereikt had, scheen de kracht van den storm te breken. Zijn geweld verminderdemerkbaar. DeAlbatrosbegon weer meester over hare bewegingen te worden. Eindelijk—en dat was een ware verademing—kwam zij weer binnen de verlichte streken van den aardbol en verscheen de dag weer tegen acht uur in den ochtend.Robur en zijne tochtgenooten, na aan den cycloon van kaap Hoorn ontsnapt te zijn, waren nu eindelijk van den storm bevrijd. Zij waren naar de Groote Stille Zuidzee teruggevoerd geworden, nadat zij zevenduizend kilometers in negentien uren afgelegd hadden. Dat was iets meer dan een uur gaans per minuut—eene snelheid die het dubbele was van die, welke deAlbatrosonder gewone omstandigheden met hare voortstuwingsmachines kon ontwikkelen.Maar Robur wist niet meer waar hij was, ten gevolge van het onbruikbaar worden der kompasnaald in de nabijheid van de magnetische pool. Hij moest dus wachten tot de zon zich, onder gunstige omstandigheden tot het doen eener waarneming, zoude vertoonen.Ongelukkig was het uitspansel met dikke wolken bezwangerd en dien dag verscheen de zon niet.Dat was eene teleurstelling, die te eerder gevoeld werd, daar de beide voortstuwingsschroeven gedurende den storm nog al averij beloopen hadden.Robur, die zich door dat voorval niets op zijn gemak gevoelde, kon gedurende dien geheelen dag slechts met eene betrekkelijk matige snelheid vooruitstevenen. Toen hij over de tegenvoeters van Parijs heen toog, bedroeg zijn vaart slechts zes mijlen in het uur. Men moest vooral oppassen de averijen niet te verergeren. Wanneer zijne twee voortstuwingsschroeven buiten staat geraakten om te kunnen arbeiden, dan zou de toestand van het luchtschip boven die uitgestrekte wateroppervlakte van de Groote Stille Zuidzee zeer zorgwekkend worden.De ingenieur vroeg zich dan ook af, of het niet noodzakelijk ware, de herstellingen dadelijk en op de plaats zelve ten uitvoer te brengen, althans in zooverre, dat de reis vervolgd zou kunnen worden.Den volgenden morgen—27 Juli—werd tegen zeven uur in den ochtend land in het oosten geseind.Men herkende weldra dat het een eiland was. Een eiland! Ja, maar welk, onder die duizenden, waarmede de Groote Stille Zuidzee bezaaid is?Robur besloot toch daar stil te houden zonder te landen. Volgens hem zou die dag voldoende zijn, om de geleden averij te herstellen, zoodat hij des avonds de reis nog zou kunnen hervatten.De wind was geheel en al gevallen, hetgeen eene gunstige omstandigheid te noemen was voor de manoeuvres, welke uitgevoerdmoesten worden. DeAlbatroszou, daar zij zwevende zoude blijven, niet heengevoerd worden, de hemel weet waar!Een lange kabel van honderd vijftig voet, met een anker aan het uiteinde, werd over boord naar beneden gevierd. Toen het luchtschip bij den oever van het eiland aankwam, krabde het anker over de eerste rotsklippen en bleef tusschen twee overgroote steenklompen vast zitten. De kabel liep toen onder den invloed der opstuwingsschroeven strak en deAlbatrosbleef onbeweeglijk als een vaartuig ten anker.Dat was de eerste maal sedert het vertrek van Philadelphia, dat er een materieel verbindingsmiddel tusschen het luchtschip en de aarde bestond.XV.Waarin zaken gebeuren, die inderdaad waard zijn verhaald te worden.Toen deAlbatroszich nog in hoogere luchtlagen bevond, had men kunnen bespeuren, dat dit eiland slechts van bescheiden omvang was. Neen, het was niet groot.Maar op welken breedtegraad was het gelegen? En op welken lengtegraad?Was het een eiland van de Groote Stille Zuidzee? Of behoorde het tot Australazië? Of tot den Indischien Archipel?Dat zou men eerst te weten komen, wanneer Robur zijn bestek opgemaakt zou hebben.Hoewel hij onmogelijk rekening had kunnen houden met de gebrekkige aanwijzingen van het kompas, zoo meende hij toch reden te hebben om te gelooven, dat hij zich boven de Groote Stille Zuidzee bevond.Zoodra de zon te voorschijn zou treden, zouden de omstandigheden voorzeker uitmuntend genoemd kunnen worden, om eene goede waarneming te doen.Van die hoogte gezien,—honderd vijftig voeten,—vertoonde zich het eiland, hetwelk een omtrek meette van ongeveer vijftien mijlen, als eene zeester met drie punten.Bij de zuidoostelijke punt verrees een klein eiland, dat voorafgegaan en omgeven werd door een doolhof van klippen. Op het strand en op die klippen werd geen verschijnsel van hoog en laag water waargenomen. Dit versterkte de meening van Roburomtrent de gegiste ligging, daar de invloed van eb en vloed in de Groote Stille Zuidzee bijna onmerkbaar is.Op de noordwestelijke punt verhief zich een kegelvormige berg, waarvan de hoogte gerust op twaalfhonderd voeten geschat kon worden.Men ontwaarde geen enkelen inboorling; maar misschien was de tegenovergestelde kust bewoond. In ieder geval, wanneer het luchtschip door de bewoners bespeurd was geworden, zou de angst en de schrik hen wel genoodzaakt hebben om te vluchten of zich te verbergen.DeAlbatroswas bij de zuidoostelijke punt aangekomen en was daar ten anker gegaan.Niet ver er van daan stroomde een kleine rio tusschen de rotsen en stortte zich in eene kleine kreek uit. Iets verder zag men eenige bochtige valleien, waarin veel geboomte van verschillende soort, nog al wild, als patrijzen en snippen, maar vooral trapganzen in groote hoeveelheid aangetroffen werden.Mocht het eiland niet bewoond zijn, dan was het voorzeker toch bewoonbaar.Ongetwijfeld zou Robur er op hebben kunnen landen, en dat hij daartoe niet overgegaan was, had zijne oorzaak alleen daarin, dat de bodem, die nog al afwisselend van gesteldheid was, hem geen geschikte plaats scheen aan te bieden om met het luchtschip op den grond neer te strijken.In afwachting dat hij in de gelegenheid zoude komen om zijn bestek te kunnen opmaken, deed de ingenieur een begin maken met de herstellingen, die hij bij het vallen van den avond hoopte te beëindigen.De opstuwingsschroeven waren in volmaakte orde. Deze hadden gedurende het geweld van den cycloon en van den storm, die hun arbeid eenigermate verlicht hadden, op bewonderenswaardige wijze gewerkt. Thans was de helft hunner slechts in beweging gesteld, hetgeen voldoende was om den kabel loodrecht op de kust gestrekt te houden.Maar de twee voortstuwingsschroeven hadden geleden en veel meer dan Robur zelf bevroed had. Hij deed de roeden der wieken, die verbogen waren, recht buigen, en liet de kamraderen nazien, die de omwentelingsbeweging moesten overbrengen.Het personeel hield zich, onder de leiding van Robur als ingenieur en van Tom Turner als eerste officier, het eerst onledig met de voorschipsschroef. Het was meer doelmatig het werk met haar te beginnen, voor het geval, dat deAlbatrosom de een of andere reden genoodzaakt mocht worden te vertrekken, voordat de geheele herstelling beëindigd was. Met dien voortstuwer alleen kon men gemakkelijk koers zetten.Middelerwijl hadden Uncle Prudent en zijn lotgenoot Phil Evans, na gedurende geruimen tijd het dek op en neer gewandeld te hebben, op een paar vouwstoeltjes van het achterschip plaats genomen.Wat den neger Frycollin betreft, deze was bijzonder in zijn nopjes. En geen wonder, want het verschil was nog al groot. Vroeger zweefde hij op duizend meters en thans bevond hij zich nog slechts op honderd vijftig voeten boven den grond!De arbeid werd slechts gestaakt, toen de zon genoegzaam boven den horizon gestegen was, om een tijdhoek te nemen; later, wanneer de zon haar hoogste punt zoude bereiken, om het middaguur der plaats, waar men zich bevond, juist te bepalen.Het resultaat der beide waarnemingen, die met de grootste nauwkeurigheid verricht werden, was het navolgende:Lengte: 176° 17’ ten oosten van den middagcirkel van Parijs.Breedte: 43° 37’, natuurlijk ten zuiden.Dit punt op de kaart opgezocht, kwam met de ligging van het eiland Chatham en het daarbij gelegen eilandje Viff overeen, welke tot een eilanden-groep behooren, die gewoonlijk onder den naam van Broughton-eilanden bekend staan. Die groep bevindt zich op een afstand van vijftien graden ten oosten van Tawaï Pomanou, het grootste en het zuidelijkste eiland van Nieuw Zeeland, in het zuidelijk gedeelte van de Groote Stille Zuidzee gelegen.“Dat komt met mijne gissing overeen,” zeide Robur tot Tom Turner.“En dus zijn wij?....”“Op een afstand van zes en veertig graden ten zuiden van het eiland X, hetgeen overeenkomt met twee duizend acht honderd mijlen. Waarlijk, nog een heele lap zee!”“Een reden te meer om onze voortstuwers te repareeren,” antwoordde de eerste officier.“Van die meening ben ik ook.”“Wij kunnen gedurende dien overtocht tegenwinden aantreffen.”“Dat zou noodlottig zijn, als wij geen vaart genoeg konden zetten.”“Zeker, want de voorraad levensmiddelen raakt op en het komt er op aan, ons eiland X zoo spoedig mogelijk te bereiken.”“Ja, Tom, en ik hoop de reis gedurende dezen nacht te hervatten, al moest het met ééne schroef zijn?”“Met slechts ééne schroef?”“De andere zouden wij onderweg kunnen herstellen, niet waar?”“Voorzeker. Maar... master Robur... ik wilde u iets vragen...”“Vraag op, Tom.”“En die twee heeren met hun knecht?” vroeg de eerste officier.“Tom Turner,” was de wedervraag des ingenieurs, “zouden zij te beklagen zijn, wanneer zij ingezetenen, volkplanters van het eiland X werden? Zeg, op uw geweten, zouden zij te beklagen zijn?”“Neen..., maar....”“Geen maren, Tom, laat de zaak dier onverbeterlijke en koppige Yankees aan mij over.”Maar, wat was dat voor een eiland, het eiland X?Een klein eiland, verloren in de onmetelijkheid van de Groote Stille Zuidzee, tusschen de evenachtslijn en den kreeftskeerkring. Een eiland, dat als geheel onbekend, op waardige wijze den algebraïschen naam droeg, daaraan door Robur gegeven.Het was gelegen in de zee der Markiezen-eilanden, buiten iederen gewonen koers in dien grooten oceaan.Daar had Robur eene kleine volkplanting opgericht; daar kwam deAlbatrosuitrusten, wanneer zij vermoeid van haar vlucht was; daar vond zij ververschingen en benoodigdheden van allerlei aard voor hare lange reizen.Op dat eiland had Robur, die over groote geldmiddelen kon beschikken, eene werf opgericht, om zijn luchtschip te bouwen. Hij kon het daar repareeren, het zelfs verbouwen. Zijne magazijnen bevatten genoeg materialen en verduurzaamde levensmiddelen daarvoor, behalve nog het aanwezige tot onderhoud van een vijftigtal bewoners, de eenige bevolking van het eiland.Toen Robur eenige dagen te voren bij Kaap Hoorn aangekomen was, had hij reeds plan gehad om naar het eiland X te stevenen, en wilde te dien einde de Groote Stille Zuidzee in schuinsche richting oversteken. Maar de cycloon had deAlbatrosin hare wervelkringen gegrepen. Na den cycloon, was de storm opgestoken en deze had het luchtschip over de zuider poolstreken heengevoerd. Om kort te gaan, Robur was nagenoeg op zijne oorspronkelijke koerslijn teruggekomen, en zonder de averij aan de voortstuwingsschroeven, zou de vertraging niet zeer belangrijk zijn geweest.Men zou dus naar het eiland X stevenen. Maar, zooals de eerste officier Tom Turner had gezegd: de afstand was lang. Zeer waarschijnlijk zou men met ongunstige winden te kampen hebben. Het luchtschip zou dan niet te veel hebben aan de volle kracht zijner machine, om binnen den gewilden tijd op zijne bestemmingsplaats te komen.Bij gewonen koers en zonder bijkomende ongevallen, zou die overtocht in drie of vier dagen te volvoeren zijn.Dat was de reden waarom Robur besloot op het eiland Chatham stil te houden. Daar bevond hij zich onder de gunstigste omstandigheden, om ten minste de schroef van het voorschip te herstellen.Hij duchtte dan niet meer, wanneer eene tegenbries mocht aanwakkeren, naar het zuiden medegevoerd te worden, wanneer hij noordwaarts wilde stevenen. Als de nacht zoude invallen, zou hij metzijne herstellingen gereed zijn. Hij zou dan manoeuvreeren om zijn anker te bevrijden. Mocht dat te stevig in de rotsen vastgeklemd zijn, welnu, dan zou hij eenvoudig den ankertros kappen en de reis naar den equator aanvaarden. Er waren ankers en kabels genoeg aan boord.Zooals men ziet, was die manier van handelen de eenvoudigste en derhalve ook de beste. Zij werd stipt opgevolgd.Het personeel van deAlbatros, geheel bewust, dat er hoegenaamd geen tijd te verliezen was, sloeg flink de hand aan het werk, waardoor alles goed vorderde.Maar, terwijl ieder zich haastte, hadden de voorzitter Uncle Prudent en zijn secretaris Phil Evans een onderhoud, waarvan het gevolg bijzonder gewichtig zoude zijn.“Phil Evans....” begon de voorzitter.“Wat is er, Uncle Prudent.”“Gij zijt evenals ik vast besloten, om het offer van uw leven te brengen?”“Zeker, evenals gij!”“Voor de laatste maal, wij hebben niets meer van dien Robur te verwachten, niet waar?”“Niets.”Phil Evans onderscheidde zich in zijne gesprekken door eene Lacedemonische beknoptheid.“Welnu, Phil Evans, mijn voornemen staat vast!”“Welk voornemen, Uncle Prudent?”“Daar deAlbatrosdezen avond nog moet vertrekken, zal de nacht niet voorbijgaan, zonder dat wij ons voornemen zullen kunnen ten uitvoer leggen. Wij zullen de vleugels van den vogel van den ingenieur verbrijzelen....”“Wat wilt gij doen?”“Dezen nacht zal dit gevloekte luchtschip uit elkander springen!”“Laat het springen!” zei Phil Evans.Zooals men ziet, waren de beide lotgenooten het op alle punten eens, zelfs op het punt om met onverschilligheid den verschrikkelijken dood, die hen wachtte, onder de oogen te zien.“Hebt ge al het benoodigde daartoe?....” vroeg Phil Evans na een poos.“Ja!”“Hoe zijt gij er aan gekomen?”“Verleden nacht, terwijl Robur en zijne bemanning slechts bedacht waren op de redding van het luchtschip, ben ik er in geslaagd in de kruitkamer te sluipen en daar eene dynamiet-patroon machtig te worden.”“Is het mogelijk!”De Albatros was bij de zuidoostelijke punt aangekomen en ten anker gegaan. (Bladz. 189).De Albatros was bij de zuidoostelijke punt aangekomen en ten anker gegaan. (Bladz.189).“Ja, hier is zij!”“Uncle Prudent, laten wij dadelijk aan den slag gaan.”“Neen, Phil Evans!”“Niet, Uncle Prudent?”“Nu althans niet, maar straks, als de avond gevallen zal zijn.”“Nog zoolang!” zuchtte Phil Evans, op den toon van iemand die de koorts had.“Wanneer het nacht zal zijn, zullen wij in onze roef wederkeeren.”“En dan?”“Dan moet gij mij maar laten begaan. Gij zult alleen te waken hebben, dat ik niet overvallen kan worden!”De beide lotgenooten dineerden tegen zes uur als naar gewoonte. Twee uren later hadden zij zich naar hunne hut begeven, als menschen, die de schade van den vorigen slapeloos doorgebrachten nacht wenschten in te halen.Noch Robur, noch iemand der opvarenden kon gissen, welke verschrikkelijke ramp deAlbatrosbedreigde.Ziehier, hoe Uncle Prudent dacht te werk te gaan.Zooals hij verhaald had, was hij er in geslaagd in de kruitkamer, die in een der afdeelingen van den romp van het luchtschip uitgespaard was, te dringen. Daar had hij zich weten meester te maken van eene zekere hoeveelheid buskruit en van eene patroon, in allen deele gelijk aan die, welke de ingenieur in Dahomey gebezigd had. Teruggekeerd in zijne hut, had hij die patroon zorgvuldig onder zijn beddegoed verborgen en was hij vast besloten deAlbatrosgedurende den nacht, wanneer zij de reis hervat zoude hebben, te midden van den dampkring uit elkander te laten springen.Phil Evans onderzocht met groote nieuwsgierigheid de door zijn lotgenoot ontvreemde patroon.Het was eene huls, welker metalen cylinder met eene ontplofbare zelfstandigheid ter zwaarte van een kilogram gevuld was, die voldoende kon gerekend worden om het luchtschip in zijne gebinten te ontwrichten en zijne werktuigen te ontredderen. Wanneer de ontploffing niet voldoende was, om het luchtgevaarte met één slag te vernietigen, dan zou de val daaraan wel den genadeslag toebrengen. Nu was niets gemakkelijker dan die patroon in een hoek van de hut neer te leggen; zij zou dan het dek vernielen en den romp met zijne inhouten uit elkander doen vliegen.Maar, om de uitbarsting teweeg te brengen, moest men het aanvuringshoedje, met slagkwik gevuld, hetwelk aan de patroon bevestigd was, doen ontploffen. Dat was het moeielijkste gedeelte van de onderneming; want de ontbranding van dat slaghoedje mocht eerst na een tijdsverloop, dat met de meeste nauwkeurigheid berekend moest worden, plaats, hebben.En inderdaad, Uncle Prudent had met zijne gewone scherpzinnigheid dit bedacht:Zoodra de voortstuwer van het voorschip hersteld zoude zijn, zou het schip de reis in noordelijke richting hervatten. Maar, dan zouden Robur en zijne helpers zeer waarschijnlijk naar het achterschip komen, om met de herstelling van de achterschroef een begin te maken. Nu zou de tegenwoordigheid van het geheele personeel in de nabijheid van de hut, Uncle Prudent bij het nemen zijner maatregelen kunnen belemmeren. Daarom was hij besloten om gebruik te maken van eene lont, die door hare berekende lengte de ontploffing op het gewilde tijdstip zou teweeg brengen.Ziehier wat hij verder aan Phil Evans dienaangaande mededeelde:“Met die patroon heb ik ook eenig buskruit bemachtigd. Daarvan zal ik eene lont vervaardigen, welker lengte in verhouding tot den vereischten tijd voor hare verbranding zal zijn. Die lont zal met het innerlijke van het slaghoedje in verbinding staan.”“Goed zoo!” sprak Phil Evans.“Mijn voornemen is, om die lont tegen middernacht te ontsteken, zoodat de ontploffing tusschen drie en vier uren in den morgen zal plaats hebben.”“Goed beraamd!” betuigde Phil Evans andermaal.Zooals men ziet, waren de beide lotgenooten er toe gekomen om met de meest mogelijke koelbloedigheid de verschrikkelijke vernietiging, waarin ook zij moesten omkomen, te bespreken. En in hun hart was zooveel haat tegen Robur en zijn makkers opgehoopt, dat hun het offer van hun leven als het aangewezen middel voorkwam om, met deAlbatros, allen, die zich aan boord bevonden, te vernietigen.Ja, die daad was verfoeielijk, was hatelijk; zij was die van waanzinnigen, dat is zoo! Maar toorn en woede, gedurende die vijf weken van opsluiting binnen de wanden van dat verwenschte luchtschip opgekropt, had hen in een toestand van razernij gebracht, die zich door alle middelen zocht te uiten.“En Frycollin?”.... vroeg Phil Evans.“Wat is er met Frycollin?” knorde Uncle Prudent.“Hebben wij het recht zoo over zijn leven te beschikken?”“Wij offeren het onze wel op!”Het is zeer te betwijfelen, of Frycollin die reden voldoende zoude gevonden hebben.Uncle Prudent zette zich onmiddellijk aan het werk, terwijl Phil Evans in de nabijheid van de roef de wacht hield.De bemanning was steeds volijverig op het voorschip bezig. Eene verrassing van een hunner was dus niet te duchten.Uncle Prudent wreef eerst eene kleine hoeveelheid buskruit fijn en maakte er een zacht poeder van. Dit bevochtigde hij een weinigen besloot het in een linnen darm, die den vorm eener lange maar dunne worst verkreeg.Hij ontstak die lont en kreeg de verzekering dat een lengte van vijf centimeters in tien minuten verbrandde. Voor eene tijdruimte van drie en een half uur was dus eene lengte van een meter noodig. Daaromtrent voldoende op de hoogte gebracht, doofde de voorzitter van Weldon-Institute de lont uit, besloot haar in eene stevige scheede van gevlochten touw en bevestigde haar aan de dynamietpatroon.Die arbeid was, zonder eenige achterdocht opgewekt te hebben, tegen tien uur in den avond ten einde gebracht.Phil Evans kwam zich toen bij zijn lotgenoot in de hut vervoegen.De herstellingen van de voorschipsschroef waren dien dag vlijtig onder handen genomen; maar men had de bladen, welker roeden verbogen waren, naar binnen moeten halen, om hun den doelmatigen stand te hergeven.Wat de batterijen, of de accumulatoren, in één woord de toestellen betrof, die de levendmakende kracht aan deAlbatrosverleenden, deze hadden niets van het geweld van den storm geleden. Men had nog scheikundige preparaten genoeg in voorraad, om hen gedurende vier of vijf dagen aan den gang te houden.De nacht was ingevallen, toen Robur met zijne manschappen hunnen arbeid eindigden. De bladen van de voorschipsschroef waren nog niet op hunne plaats gebracht. Er zou nog drie uren gearbeid moeten worden, alvorens die voortstuwer in staat zoude wezen zijn werk te verrichten.Na Tom Turner, zijn eersten officier, geraadpleegd te hebben, besloot de ingenieur zijne bemanning, die zeer vermoeid was, eenige rust te verleenen, en het verdere gedeelte van hetgeen er te doen overbleef, tot den volgenden morgen uit te stellen. Het daglicht was daarenboven bij dien uiterst fijnen arbeid van het nauwkeurig passen der machinedeelen, waarbij de verlichtingstoestellen slechts eene onvoldoende helderheid zouden verstrekt hebben, hoogst noodig.Maar die omstandigheid bleef voor Uncle Prudent en Phil Evans onbekend. Afgaande op hetgeen zij Robur hadden hooren beweren, gingen zij van de meening uit, dat de voorschroef voor het invallen van den nacht hersteld zoude zijn en dat deAlbatrosonmiddellijk hare reis naar het noorden vervolgd zoude hebben. Zij meenden dus, dat zij reeds haar anker gelicht had, terwijl zij inderdaad nog aan het eiland vastgeketend was.Die omstandigheid zou de zaken anders doen verloopen, dan zij gerekend hadden.De nacht was somber en de maan was niet te bespeuren. Dikkewolken waren oorzaak, dat de duisternis nog grooter was. Men voelde, dat een lichte bries begon door te staan. Eenige zuchtjes uit het zuidwesten streken over het dek van het luchtschip, dat evenwel niet van de plaats kwam en voor anker bleef. De ankertros bleef loodrecht strak staan en verbond deAlbatrosmet het eiland.Uncle Prudent en zijn lotgenoot Phil Evans, bij elkander in hunne hut opgesloten, wisselden slechts weinige woorden. Zij vernamen slechts de trillingen van de opstuwingsschroeven, die alle overige geluiden aan boord overheerschten. De beide mannen wachtten tot het oogenblik van handelen zoude gekomen zijn.Een weinig vóór middernacht sprak Uncle Prudent:“Het is tijd!”Onder de kooien der hut was eene lade. In een dier laden legde Uncle Prudent de dynamietpatroon, welke aan haar ontstekingsmiddel bevestigd was. In die lade kon de lont branden, zonder zich door hare lucht of door haar knetteren te verraden. De voorzitter van Weldon-Institute ontstak haar aan haar uiteinde en schoof toen de lade onder de kooi dicht.“Nu naar het achterschip,”sprak hij; “en dan zullen wij wachten!”Beiden traden naar buiten en waren zeer verwonderd, toen zij bemerkten, dat de roerganger zijne gewone plaats niet innam.Phil Evans boog zich over de verschansing en keek naar buiten.“DeAlbatrosis nog steeds op dezelfde plaats,” fluisterde hij.“Inderdaad?”“De werkzaamheden zullen niet beëindigd zijn.... zoodat zij niet heeft kunnen vertrekken.”Uncle Prudent maakte een gebaar van teleurstelling.“Wij zullen de lont moeten uitdooven,” zeide hij.“Neen!... wij moeten de vlucht nemen!”... antwoordde Phil Evans.“De vlucht nemen?”“Ja, langs den ankertros...”“Kan dat?”“Ja zeker, nu het nacht is!... En eene daling van honderdvijftig voeten langs een gespannen touw is kinderwerk!”“Dat is het inderdaad, Phil Evans! En wij zouden wel dwaas zijn de aangeboden gelegenheid niet te benuttigen!”“Zoo is mijne meening ook,” zei de secretaris van Weldon-Institute.Zij keerden evenwel eerst naar hunne hut terug en staken alles in hun zakken of verbergden onder hun kleeding, wat zij meê konden nemen, bij het vooruitzicht van korter of langer op het eiland Chatham te zullen moeten verblijven.Toen zij de deur zacht dichtgemaakt hadden, slopen zij zonder gerucht te maken naar het voorschip.Hun plan was om Frycollin te wekken en hem te noodzaken met hen te ontvluchten.De nacht was zwart. De wolken begonnen uit het zuidwesten op te komen. De bries was opgestoken en het luchtschip zwaaide voor zijn anker en deed den tros, die het aan den bodem vasthechtte, eenigermate van de loodlijn afwijken. Dat was evenwel niets; de afdaling zou slechts iets moeielijker zijn. Maar, wat was dat voor mannen, die niet geaarzeld hadden hun leven ten offer te brengen?Beiden slopen over het dek voort, hielden soms achter de beschotten der roeven stil, om te hooren of zij ook eenig geluid vernamen. Maar, overal heerschte de meest volkomen stilte. Geen enkel licht scheen door de dekglazen. Allen aan boord van het luchtschip waren in een diepen slaap gedompeld.Middelerwijl naderden Uncle Prudent en zijn secretaris de hut van Frycollin; toen bleef Phil Evans plotseling stilstaan en fluisterde:“De nachtwacht.”Inderdaad, een man lag daar bij de roef uitgestrekt op den grond. Als hij sliep, dan kon dat maar zeer licht zijn. De vlucht werd onmogelijk, wanneer deze alarm maakte.In zijne nabijheid lagen een hoop touwwerk, stukken zeildoek en vlokken hennep, die gediend hadden bij de herstelling der voortstuwingsschroef.In een ondeelbaar oogenblik was die man gebonden en den mond gestopt met een flinken prop. Daarna werd hij zoodanig aan een der spijlen van de verschansing vastgebonden, dat hij geen vin verroeren of geen kreet slaken kon.Dat alles was, zonder bijna gerucht te maken, uitgevoerd.Uncle Prudent en Phil Evans spitsten toen scherp de ooren, maar niets liet zich hooren. Diepe stilte bleef heerschen. Alles sliep aan boord.De beide vluchtelingen—dien naam kan men hen reeds geven, niet waar?—bereikten eindelijk de hut van Frycollin. François Tapage, die in de nabijheid sliep, snurkte zoo geweldig, dat hij voorwaar zijn naam eer aandeed.Dat was nogal geruststellend.Maar tot zijne groote verwondering behoefde Uncle Prudent slechts zacht tegen de deur van Frycollin met de hand te drukken. Zij stond toch op een kier. Hij trad binnen, maar kwam even snel weer naar buiten.“Er is niemand!” sprak hij.“Niemand?” vroeg Phil Evans.“Neen, niemand!”“Waar mag de neger zijn?” was de fluisterende vraag.“Och, wat kan het ons, alles wel beschouwd, schelen?”Beiden slopen toen naar het voorschip, denkende dat Frycollin daar ergens in een hoek lag te slapen...Zij zochten, maar vonden niets!“Zou de kerel ons voorgekomen zijn?...” zei Uncle Prudent.“Dat schijnt zoo.”“De drommel zal hem halen!”“Maar, of hij al of niet de plaat gepoetst heeft, om het even; wij kunnen niet langer wachten! Kom!”En zonder te aarzelen, klommen de beide vluchtelingen over de verschansing, grepen den kabel met beide handen, klemden er zich met de voeten aan vast, en lieten zich daarna afglijden.Zoo kwamen zij ongedeerd op den grond terecht.Wat een genot voor hen, den vasten bodem, die hen sedert zoo lang ontbroken had, weer onder de voeten te voelen! Wat een pret, om weer op stevigen grond te kunnen wandelen, en niet meer de speelbal des dampkrings te zijn!Zij maakten zich gereed, om langs het riviertje het binnenste gedeelte van het eiland te bereiken, toen een gedaante eensklaps voor hen verrees.Dat was Frycollin.Ja, de neger had hetzelfde denkbeeld van zijn meester gehad en had de stoutmoedigheid ontwikkeld, hem zonder voorafgaande waarschuwing vóór te gaan.Maar, het was thans het oogenblik niet, om zich daarover vertoornd te toonen, en Uncle Prudent wilde eene schuilplaats in een verwijderd gedeelte van het eiland gaan zoeken, toen Phil Evans hem weerhield.“Uncle Prudent,” sprak hij, “luister naar mij.”“Ik luister, Phil Evans.”“Wij zijn dien Robur ontkomen,” ging de secretaris voort. “Hem en zijn makkers is een schrikkelijk uiteinde bereid. Hij verdient het... dat is zoo. Maar als hij op zijn eerewoord wilde verklaren geen pogingen aan te wenden, om ons andermaal gevangen te nemen...”“Het eerewoord van zoo’n kerel!...”Uncle Prudent had den tijd niet om te eindigen. Een gerucht, eene soort beweging werd aan boord van deAlbatroswaargenomen.Klaarblijkelijk werd alarm gemaakt en was de ontvluchting der beide Amerikanen ontdekt.“Hier!... Hier heen!...” werd geroepen.
“Vrees niets!” riep Robur in het Fransch. (Bladz. 176).“Vrees niets!” riep Robur in het Fransch. (Bladz.176).
“Vrees niets!” riep Robur in het Fransch. (Bladz. 176).
“Vrees niets!” riep Robur in het Fransch. (Bladz.176).
Het kwam er dus op aan, om voor den wind te lenzen, zoo als een schip bij storm zoude doen. Of beter deAlbatroswas genoodzaakt zich door die strooming, waartegen niet op te werkenen waar niet uit te geraken was, mede te laten voeren. Maar intusschen, ten gevolge van dat medegevoerd worden, vlood hetluchtschip in zuidelijke richting, dat wil zeggen, naar die poolstreken, die Robur had willen mijden. Helaas, hij was niet meer meester over zijnen koers, en moest gaan werwaarts de storm hem voeren wilde!
Torn Turner had het stuurrad ter hand genomen en hij had al zijne behendigheid noodig om het luchtschip voor kapzijzen te behoeden.
Bij het eerste lichten van den dageraad,—als men zoo die flauwe tint mag noemen, die aan den gezichteinder ontwaard werd,—had deAlbatrosvijftien breedtegraden, dat wil zeggen meer dan vier honderd uren gaans afgelegd van Kaap Hoorn af en overschreed toen den poolcirkel.
Daar duurt de nacht in de maand Juli nog negentien en een half uur. De zonneschijf verschijnt slechts boven den horizon om even spoedig weer te verdwijnen.
Bij de pool duurt de nacht gedurende honderd negen en zeventig etmalen. Alles duidde aan, dat deAlbatroszich in dien nacht als ware het in eene afgrond zoude storten.
Wanneer eene waarneming mogelijk geweest ware, dan zoude zij aangetoond hebben, dat men zich op 66° 40’ zuiderbreedte bevond. Het luchtschip was dus nog slechts op veertien honderd mijlen van de zuidpool verwijderd.
Het luchtschip, onweerstaanbaar naar dat ongenaakbaar punt van den aardbol gevoerd, “verslond”, om het zoo uit te drukken, door zijne snelheid zijne zwaarte; hoewel deze ten gevolge van de afplatting der aarde bij de pool een weinig meer was dan elders. Het was, alsof het zijne opstuwingsschroeven niet meer noodig had. En weldra nam de storm zoodanig in hevigheid toe, dat Robur het raadzaam oordeelde om de snelheid der voortstuwingsschroeven tot een minimum van omwenteling te brengen, ten einde ernstige averij te voorkomen, en bij die geringe eigene snelheid toch stuur in het gevaarte te houden.
De ingenieur Robur deelde te midden van die gevaren zijne bevelen met koelbloedigheid uit, en zijne bemanning gehoorzaamde hem, alsof zij door hem bezield werd.
Uncle Prudent en Phil Evans hadden geen enkel oogenblik het dek van het luchtvaartuig verlaten. Men kon er bovendien zonder bezwaar blijven.
De lucht veroorzaakte geen of slechts weinig tegenstand. Het luchtschip verkeerde in die oogenblikken in den toestand van een luchtballon, die met de middenstof, waarin hij zich gedompeld gevoelt, medegevoerd wordt.
Het domein der zuidpool strekt zich uit, zooals beweerd wordt, over eene oppervlakte van vijfmaal honderdduizend vierkante meters. Bevindt zich daar een vastland? Of is het een archipel? Is het eeneonmetelijke ijszee, die nimmer, zelfs niet gedurende den langsten zomer, ontdooit? Niemand weet dat.
Maar, wat men wel weet, dat is, dat de zuidpool veel kouder is dan de noordpool, hetgeen daaraan moet toegeschreven worden, dat er in het zuidelijk-halfrond veel minder land aangetroffen wordt dan in het noordelijk, ook aan den stand der aarde op hare omwentelingsbaan gedurende de zuidpool-winters.
Niets duidde intusschen aan, dat de storm gedurende dien dag zou afnemen. Het was bij den vijf-en-veertigsten westermeridiaan, dat deAlbatrosden poolcirkel binnen trad. Waar zou zij dien weer verlaten,—bij de veronderstelling altijd, dat zij dien zou kunnen verlaten?
In ieder geval, naarmate het vaartuig allengs naar het zuiden afzakte, kortte de dag al meer en meer. Het zou niet lang meer duren, of het zou in dien langdurigen nacht gedompeld zijn, die slechts door de maan verlicht wordt of door het bleeke schijnsel van het zuiderlicht.
Maar het was toen nieuwe maan, en waarachtig de reisgenooten van Robur liepen gevaar niets of niet bijster veel te zien van die streken, welker geheim nog aan de menschelijke nieuwsgierigheid of weetgierigheid ontsnapt is.
Zeer waarschijnlijk stevende deAlbatrosover eenige reeds herkende punten, b.v. in het westen het land van Graham, hetwelk in de nabijheid van den poolcirkel gelegen is, en in 1832 door Biscoë ontdekt werd, en Lodewijk Philipsland, hetwelk in 1838 door Dumont d’Urville ontdekt werd, de bekende bereikte grenzen op dit onbekende vastland.
Men leed aan boord van deAlbatrosniet veel van de koude. De temperatuur was minder laag dan men wel kon vermoeden. Het scheen, dat die storm een lucht-golfstroom was, die eene zekere hoeveelheid warmte met zich voerde.
Het was inderdaad zeer betreurenswaardig, dat die geheele streek in eene diepe duisternis gedompeld was. Hier dient evenwel opgemerkt te worden, dat, al had ook de maan hare lichtstralen verleend, de waarnemingen toch zeer weinig loonend zouden zijn uitgevallen. In dit gedeelte van het jaar toch bedekt een lijklaken van sneeuw, een harnas van ijs de geheele poolstreken. Men bespeurde er zelfs dien “blink” van het pakijs niet, welke eene witachtige tint bezit en aan die donkere gezichteinders ontbreekt.
Hoe onder zulke omstandigheden den vorm van het land, de uitgestrektheid der zeeën, de ligging der eilanden waar te nemen en op te nemen? Hoe het hydrografisch netwerk van het land te onderscheiden? Hoe het bergstelsel te herkennen, nu de heuvelen en de bergen niet van het pakijs en de ijsbergen te onderscheiden waren?
Iets vóór middernacht verlichtte een zuiderlicht de dikke duisternis. Met zijne zilveren franjes, met zijne stralen, die door het luchtruim schoten, vertoonde zich dat natuurverschijnsel in den vorm van een onmetelijken waaier, die over de eene helft van het uitspansel geopend zoude zijn. Zijne uiterste electrische uitstroomingen raakten het Zuiderkruis, welker vier sterren in het zenith schitterden. Het natuurverschijnsel was onvergelijkelijk schoon, en de helderheid, daardoor verspreid, was voldoende om een blik te kunnen werpen op die streek, welke in een wit lijkkleed gehuld scheen.
Het zal wel niet behoeven verhaald te worden, dat boven die streken, zoo nabij de Zuidpool, de magneetnaald van het kompas, voortdurend van streek, geene te betrouwen aanwijzingen weergaf met betrekking tot den te volgen koers. Maar hare inclinatie was op een gegeven oogenblik van zoodanigen aard, dat Robur voor zeker kon houden, dat hij boven de magnetische pool passeerde, die ongeveer bij den acht-en-zeventigsten zuiderbreedte-graad gelegen zoude zijn.
En later, toen hij tegen een uur in den morgen den hoek berekende, welke die naald met de loodlijn maakte, riep hij uit:
“De Zuidpool is onder onze voeten!”
Een wit kalotje werd ontwaard, maar liet niets gissen van hetgeen onder die dikke ijskorst verborgen was.
Het zuiderlicht verdween een weinig later en dat denkbeeldige punt, waar alle meridianen van den aardbol te zamen komen, moet nog gevonden worden.
Waarachtig, wanneer Uncle Prudent en Phil Evans het luchtschip en hen, die zich aan boord bevonden, in de meest geheimzinnige eenzaamheid wilden begraven, dan was de gelegenheid uiterst gunstig. En, als zij het niet deden, dan werd dit veroorzaakt, doordat hen nog het daartoe benoodigde middel ontbrak.
De storm schreed steeds met onverminderde kracht voort en met zulke snelheid, dat, wanneer deAlbatrosden een of anderen berg op hare baan ontmoet had, zij daarop verbrijzeld ware geworden evenals een schip, dat op eene rotsachtige kust zoude stranden.
En inderdaad, het luchtschip kon zich niet alleen niet meer in horizontale richting dirigeeren, maar het was ook onmachtig om in de hoogte te stijgen.
Daarbij kwam nog, dat eenige toppen op die zuidpoollanden aangetroffen werden. Het gevaar was dus groot. Ieder oogenblik was eene botsing te duchten, en die botsing zou de vernietiging van het luchtgevaarte ten gevolge hebben.
Het gevaar was dus groot. Ieder oogenblik was eene botsing te duchten. (Bladz. 184).Het gevaar was dus groot. Ieder oogenblik was eene botsing te duchten. (Bladz.184).
Het gevaar was dus groot. Ieder oogenblik was eene botsing te duchten. (Bladz. 184).
Het gevaar was dus groot. Ieder oogenblik was eene botsing te duchten. (Bladz.184).
Zoo’n ramp was te meer te vreezen, daar de wind, nadat deAlbatrosden meridiaan zero gepasseerd had, naar het oosten neigde.Twee lichtende punten werden toen op een afstand van ongeveer honderd kilometers van het luchtvaartuig ontwaard.
Dat waren de twee vulkanen, de Erebus en de Terror, die tot het uitgestrekte bergstelsel van Ross behooren.
Zou deAlbatros, evenals een reusachtige vlinder, zich de vleugels gaan verbranden aan die vulkanische vlammen?
Er werd een uur van pijnlijke spanning doorgebracht. Het was alsof een dier vuurspuwende bergen, de Erebus, zich op het luchtschip kwam storten, dat maar niet uit de zuiging van den storm kon geraken. De vlammen-bundels werden voor het oog ieder oogenblik grooter. Een slagboom van vuur sloot als het ware den weg af. Schitterende stralen verlichtten thans de ruimte. Alle voorwerpen aan boord hadden toen een rooden weerschijn aangenomen en gaven aan het vaartuig een waarlijk helsch uitzicht.
Alle opvarenden zonder onderscheid stonden onbewegelijk, zonder eenig geluid te maken, zonder eenig gebaar te wagen, en wachtten in spanning de schrikkelijke minuut, gedurende welke die vreeselijke haard hen met zijne vlammen zou omgeven.
Maar de storm, die deAlbatrosmedevoerde, redde haar van de schrikkelijke ramp.
De vlammen van den Erebus werden door den stormwind ternedergedrukt en leverden zoo een doortocht aan het luchtschip. Te midden van een waren stortregen van vulkanische bestanddeelen, als lava-brokstukken, vulkanische asch en zand, die gelukkig door de middenpuntvliedende werking der opstuwingsschroeven afgewend werden, werd die in volle uitbarsting verkeerende krater overzweefd.
Een uur later verdwenen die beide kolossale toortsen, welke het uiteinde der bekende wereld gedurende de lange poolnachten verlichten, voor den blik der opvarenden van deAlbatrosachter den gezichteinder.
Tegen twee uur in den morgen werd het eiland Ballery, op de uiterste punt van de Ontdekkings-kust gelegen, gepasseerd, zonder dat men het evenwel kon verkennen, daar het door een band van ijs aan de poollanden vastgeklonken en daarvan niet te onderscheiden was.
Van den poolcirkel af, dien deAlbatrosandermaal op den honderd-vijf-en-zeventigsten lengtegraad bewesten Parijs sneed, werd zij over het pakijs en over de ijsbergen heengevoerd, waartegen zij honderdmaal gevaar liep zich te verbrijzelen. Het luchtschip was niet meer in de hand van zijn stuurman, maar in de hand van God.... en God is een betrouwbare loods!
DeAlbatrosvolgde toen den meridiaan, die een hoek van honderd en vijf graden maakt met die middagslijn, waarop zij het poolgebied binnentrad.
Toen zij eindelijk den zestigsten graad zuiderbreedte bereikt had, scheen de kracht van den storm te breken. Zijn geweld verminderdemerkbaar. DeAlbatrosbegon weer meester over hare bewegingen te worden. Eindelijk—en dat was een ware verademing—kwam zij weer binnen de verlichte streken van den aardbol en verscheen de dag weer tegen acht uur in den ochtend.
Robur en zijne tochtgenooten, na aan den cycloon van kaap Hoorn ontsnapt te zijn, waren nu eindelijk van den storm bevrijd. Zij waren naar de Groote Stille Zuidzee teruggevoerd geworden, nadat zij zevenduizend kilometers in negentien uren afgelegd hadden. Dat was iets meer dan een uur gaans per minuut—eene snelheid die het dubbele was van die, welke deAlbatrosonder gewone omstandigheden met hare voortstuwingsmachines kon ontwikkelen.
Maar Robur wist niet meer waar hij was, ten gevolge van het onbruikbaar worden der kompasnaald in de nabijheid van de magnetische pool. Hij moest dus wachten tot de zon zich, onder gunstige omstandigheden tot het doen eener waarneming, zoude vertoonen.
Ongelukkig was het uitspansel met dikke wolken bezwangerd en dien dag verscheen de zon niet.
Dat was eene teleurstelling, die te eerder gevoeld werd, daar de beide voortstuwingsschroeven gedurende den storm nog al averij beloopen hadden.
Robur, die zich door dat voorval niets op zijn gemak gevoelde, kon gedurende dien geheelen dag slechts met eene betrekkelijk matige snelheid vooruitstevenen. Toen hij over de tegenvoeters van Parijs heen toog, bedroeg zijn vaart slechts zes mijlen in het uur. Men moest vooral oppassen de averijen niet te verergeren. Wanneer zijne twee voortstuwingsschroeven buiten staat geraakten om te kunnen arbeiden, dan zou de toestand van het luchtschip boven die uitgestrekte wateroppervlakte van de Groote Stille Zuidzee zeer zorgwekkend worden.
De ingenieur vroeg zich dan ook af, of het niet noodzakelijk ware, de herstellingen dadelijk en op de plaats zelve ten uitvoer te brengen, althans in zooverre, dat de reis vervolgd zou kunnen worden.
Den volgenden morgen—27 Juli—werd tegen zeven uur in den ochtend land in het oosten geseind.
Men herkende weldra dat het een eiland was. Een eiland! Ja, maar welk, onder die duizenden, waarmede de Groote Stille Zuidzee bezaaid is?
Robur besloot toch daar stil te houden zonder te landen. Volgens hem zou die dag voldoende zijn, om de geleden averij te herstellen, zoodat hij des avonds de reis nog zou kunnen hervatten.
De wind was geheel en al gevallen, hetgeen eene gunstige omstandigheid te noemen was voor de manoeuvres, welke uitgevoerdmoesten worden. DeAlbatroszou, daar zij zwevende zoude blijven, niet heengevoerd worden, de hemel weet waar!
Een lange kabel van honderd vijftig voet, met een anker aan het uiteinde, werd over boord naar beneden gevierd. Toen het luchtschip bij den oever van het eiland aankwam, krabde het anker over de eerste rotsklippen en bleef tusschen twee overgroote steenklompen vast zitten. De kabel liep toen onder den invloed der opstuwingsschroeven strak en deAlbatrosbleef onbeweeglijk als een vaartuig ten anker.
Dat was de eerste maal sedert het vertrek van Philadelphia, dat er een materieel verbindingsmiddel tusschen het luchtschip en de aarde bestond.
Toen deAlbatroszich nog in hoogere luchtlagen bevond, had men kunnen bespeuren, dat dit eiland slechts van bescheiden omvang was. Neen, het was niet groot.
Maar op welken breedtegraad was het gelegen? En op welken lengtegraad?
Was het een eiland van de Groote Stille Zuidzee? Of behoorde het tot Australazië? Of tot den Indischien Archipel?
Dat zou men eerst te weten komen, wanneer Robur zijn bestek opgemaakt zou hebben.
Hoewel hij onmogelijk rekening had kunnen houden met de gebrekkige aanwijzingen van het kompas, zoo meende hij toch reden te hebben om te gelooven, dat hij zich boven de Groote Stille Zuidzee bevond.
Zoodra de zon te voorschijn zou treden, zouden de omstandigheden voorzeker uitmuntend genoemd kunnen worden, om eene goede waarneming te doen.
Van die hoogte gezien,—honderd vijftig voeten,—vertoonde zich het eiland, hetwelk een omtrek meette van ongeveer vijftien mijlen, als eene zeester met drie punten.
Bij de zuidoostelijke punt verrees een klein eiland, dat voorafgegaan en omgeven werd door een doolhof van klippen. Op het strand en op die klippen werd geen verschijnsel van hoog en laag water waargenomen. Dit versterkte de meening van Roburomtrent de gegiste ligging, daar de invloed van eb en vloed in de Groote Stille Zuidzee bijna onmerkbaar is.
Op de noordwestelijke punt verhief zich een kegelvormige berg, waarvan de hoogte gerust op twaalfhonderd voeten geschat kon worden.
Men ontwaarde geen enkelen inboorling; maar misschien was de tegenovergestelde kust bewoond. In ieder geval, wanneer het luchtschip door de bewoners bespeurd was geworden, zou de angst en de schrik hen wel genoodzaakt hebben om te vluchten of zich te verbergen.
DeAlbatroswas bij de zuidoostelijke punt aangekomen en was daar ten anker gegaan.
Niet ver er van daan stroomde een kleine rio tusschen de rotsen en stortte zich in eene kleine kreek uit. Iets verder zag men eenige bochtige valleien, waarin veel geboomte van verschillende soort, nog al wild, als patrijzen en snippen, maar vooral trapganzen in groote hoeveelheid aangetroffen werden.
Mocht het eiland niet bewoond zijn, dan was het voorzeker toch bewoonbaar.
Ongetwijfeld zou Robur er op hebben kunnen landen, en dat hij daartoe niet overgegaan was, had zijne oorzaak alleen daarin, dat de bodem, die nog al afwisselend van gesteldheid was, hem geen geschikte plaats scheen aan te bieden om met het luchtschip op den grond neer te strijken.
In afwachting dat hij in de gelegenheid zoude komen om zijn bestek te kunnen opmaken, deed de ingenieur een begin maken met de herstellingen, die hij bij het vallen van den avond hoopte te beëindigen.
De opstuwingsschroeven waren in volmaakte orde. Deze hadden gedurende het geweld van den cycloon en van den storm, die hun arbeid eenigermate verlicht hadden, op bewonderenswaardige wijze gewerkt. Thans was de helft hunner slechts in beweging gesteld, hetgeen voldoende was om den kabel loodrecht op de kust gestrekt te houden.
Maar de twee voortstuwingsschroeven hadden geleden en veel meer dan Robur zelf bevroed had. Hij deed de roeden der wieken, die verbogen waren, recht buigen, en liet de kamraderen nazien, die de omwentelingsbeweging moesten overbrengen.
Het personeel hield zich, onder de leiding van Robur als ingenieur en van Tom Turner als eerste officier, het eerst onledig met de voorschipsschroef. Het was meer doelmatig het werk met haar te beginnen, voor het geval, dat deAlbatrosom de een of andere reden genoodzaakt mocht worden te vertrekken, voordat de geheele herstelling beëindigd was. Met dien voortstuwer alleen kon men gemakkelijk koers zetten.
Middelerwijl hadden Uncle Prudent en zijn lotgenoot Phil Evans, na gedurende geruimen tijd het dek op en neer gewandeld te hebben, op een paar vouwstoeltjes van het achterschip plaats genomen.
Wat den neger Frycollin betreft, deze was bijzonder in zijn nopjes. En geen wonder, want het verschil was nog al groot. Vroeger zweefde hij op duizend meters en thans bevond hij zich nog slechts op honderd vijftig voeten boven den grond!
De arbeid werd slechts gestaakt, toen de zon genoegzaam boven den horizon gestegen was, om een tijdhoek te nemen; later, wanneer de zon haar hoogste punt zoude bereiken, om het middaguur der plaats, waar men zich bevond, juist te bepalen.
Het resultaat der beide waarnemingen, die met de grootste nauwkeurigheid verricht werden, was het navolgende:
Lengte: 176° 17’ ten oosten van den middagcirkel van Parijs.
Breedte: 43° 37’, natuurlijk ten zuiden.
Dit punt op de kaart opgezocht, kwam met de ligging van het eiland Chatham en het daarbij gelegen eilandje Viff overeen, welke tot een eilanden-groep behooren, die gewoonlijk onder den naam van Broughton-eilanden bekend staan. Die groep bevindt zich op een afstand van vijftien graden ten oosten van Tawaï Pomanou, het grootste en het zuidelijkste eiland van Nieuw Zeeland, in het zuidelijk gedeelte van de Groote Stille Zuidzee gelegen.
“Dat komt met mijne gissing overeen,” zeide Robur tot Tom Turner.
“En dus zijn wij?....”
“Op een afstand van zes en veertig graden ten zuiden van het eiland X, hetgeen overeenkomt met twee duizend acht honderd mijlen. Waarlijk, nog een heele lap zee!”
“Een reden te meer om onze voortstuwers te repareeren,” antwoordde de eerste officier.
“Van die meening ben ik ook.”
“Wij kunnen gedurende dien overtocht tegenwinden aantreffen.”
“Dat zou noodlottig zijn, als wij geen vaart genoeg konden zetten.”
“Zeker, want de voorraad levensmiddelen raakt op en het komt er op aan, ons eiland X zoo spoedig mogelijk te bereiken.”
“Ja, Tom, en ik hoop de reis gedurende dezen nacht te hervatten, al moest het met ééne schroef zijn?”
“Met slechts ééne schroef?”
“De andere zouden wij onderweg kunnen herstellen, niet waar?”
“Voorzeker. Maar... master Robur... ik wilde u iets vragen...”
“Vraag op, Tom.”
“En die twee heeren met hun knecht?” vroeg de eerste officier.
“Tom Turner,” was de wedervraag des ingenieurs, “zouden zij te beklagen zijn, wanneer zij ingezetenen, volkplanters van het eiland X werden? Zeg, op uw geweten, zouden zij te beklagen zijn?”
“Neen..., maar....”
“Geen maren, Tom, laat de zaak dier onverbeterlijke en koppige Yankees aan mij over.”
Maar, wat was dat voor een eiland, het eiland X?
Een klein eiland, verloren in de onmetelijkheid van de Groote Stille Zuidzee, tusschen de evenachtslijn en den kreeftskeerkring. Een eiland, dat als geheel onbekend, op waardige wijze den algebraïschen naam droeg, daaraan door Robur gegeven.
Het was gelegen in de zee der Markiezen-eilanden, buiten iederen gewonen koers in dien grooten oceaan.
Daar had Robur eene kleine volkplanting opgericht; daar kwam deAlbatrosuitrusten, wanneer zij vermoeid van haar vlucht was; daar vond zij ververschingen en benoodigdheden van allerlei aard voor hare lange reizen.
Op dat eiland had Robur, die over groote geldmiddelen kon beschikken, eene werf opgericht, om zijn luchtschip te bouwen. Hij kon het daar repareeren, het zelfs verbouwen. Zijne magazijnen bevatten genoeg materialen en verduurzaamde levensmiddelen daarvoor, behalve nog het aanwezige tot onderhoud van een vijftigtal bewoners, de eenige bevolking van het eiland.
Toen Robur eenige dagen te voren bij Kaap Hoorn aangekomen was, had hij reeds plan gehad om naar het eiland X te stevenen, en wilde te dien einde de Groote Stille Zuidzee in schuinsche richting oversteken. Maar de cycloon had deAlbatrosin hare wervelkringen gegrepen. Na den cycloon, was de storm opgestoken en deze had het luchtschip over de zuider poolstreken heengevoerd. Om kort te gaan, Robur was nagenoeg op zijne oorspronkelijke koerslijn teruggekomen, en zonder de averij aan de voortstuwingsschroeven, zou de vertraging niet zeer belangrijk zijn geweest.
Men zou dus naar het eiland X stevenen. Maar, zooals de eerste officier Tom Turner had gezegd: de afstand was lang. Zeer waarschijnlijk zou men met ongunstige winden te kampen hebben. Het luchtschip zou dan niet te veel hebben aan de volle kracht zijner machine, om binnen den gewilden tijd op zijne bestemmingsplaats te komen.
Bij gewonen koers en zonder bijkomende ongevallen, zou die overtocht in drie of vier dagen te volvoeren zijn.
Dat was de reden waarom Robur besloot op het eiland Chatham stil te houden. Daar bevond hij zich onder de gunstigste omstandigheden, om ten minste de schroef van het voorschip te herstellen.
Hij duchtte dan niet meer, wanneer eene tegenbries mocht aanwakkeren, naar het zuiden medegevoerd te worden, wanneer hij noordwaarts wilde stevenen. Als de nacht zoude invallen, zou hij metzijne herstellingen gereed zijn. Hij zou dan manoeuvreeren om zijn anker te bevrijden. Mocht dat te stevig in de rotsen vastgeklemd zijn, welnu, dan zou hij eenvoudig den ankertros kappen en de reis naar den equator aanvaarden. Er waren ankers en kabels genoeg aan boord.
Zooals men ziet, was die manier van handelen de eenvoudigste en derhalve ook de beste. Zij werd stipt opgevolgd.
Het personeel van deAlbatros, geheel bewust, dat er hoegenaamd geen tijd te verliezen was, sloeg flink de hand aan het werk, waardoor alles goed vorderde.
Maar, terwijl ieder zich haastte, hadden de voorzitter Uncle Prudent en zijn secretaris Phil Evans een onderhoud, waarvan het gevolg bijzonder gewichtig zoude zijn.
“Phil Evans....” begon de voorzitter.
“Wat is er, Uncle Prudent.”
“Gij zijt evenals ik vast besloten, om het offer van uw leven te brengen?”
“Zeker, evenals gij!”
“Voor de laatste maal, wij hebben niets meer van dien Robur te verwachten, niet waar?”
“Niets.”
Phil Evans onderscheidde zich in zijne gesprekken door eene Lacedemonische beknoptheid.
“Welnu, Phil Evans, mijn voornemen staat vast!”
“Welk voornemen, Uncle Prudent?”
“Daar deAlbatrosdezen avond nog moet vertrekken, zal de nacht niet voorbijgaan, zonder dat wij ons voornemen zullen kunnen ten uitvoer leggen. Wij zullen de vleugels van den vogel van den ingenieur verbrijzelen....”
“Wat wilt gij doen?”
“Dezen nacht zal dit gevloekte luchtschip uit elkander springen!”
“Laat het springen!” zei Phil Evans.
Zooals men ziet, waren de beide lotgenooten het op alle punten eens, zelfs op het punt om met onverschilligheid den verschrikkelijken dood, die hen wachtte, onder de oogen te zien.
“Hebt ge al het benoodigde daartoe?....” vroeg Phil Evans na een poos.
“Ja!”
“Hoe zijt gij er aan gekomen?”
“Verleden nacht, terwijl Robur en zijne bemanning slechts bedacht waren op de redding van het luchtschip, ben ik er in geslaagd in de kruitkamer te sluipen en daar eene dynamiet-patroon machtig te worden.”
“Is het mogelijk!”
De Albatros was bij de zuidoostelijke punt aangekomen en ten anker gegaan. (Bladz. 189).De Albatros was bij de zuidoostelijke punt aangekomen en ten anker gegaan. (Bladz.189).
De Albatros was bij de zuidoostelijke punt aangekomen en ten anker gegaan. (Bladz. 189).
De Albatros was bij de zuidoostelijke punt aangekomen en ten anker gegaan. (Bladz.189).
“Ja, hier is zij!”
“Uncle Prudent, laten wij dadelijk aan den slag gaan.”
“Neen, Phil Evans!”
“Niet, Uncle Prudent?”
“Nu althans niet, maar straks, als de avond gevallen zal zijn.”
“Nog zoolang!” zuchtte Phil Evans, op den toon van iemand die de koorts had.
“Wanneer het nacht zal zijn, zullen wij in onze roef wederkeeren.”
“En dan?”
“Dan moet gij mij maar laten begaan. Gij zult alleen te waken hebben, dat ik niet overvallen kan worden!”
De beide lotgenooten dineerden tegen zes uur als naar gewoonte. Twee uren later hadden zij zich naar hunne hut begeven, als menschen, die de schade van den vorigen slapeloos doorgebrachten nacht wenschten in te halen.
Noch Robur, noch iemand der opvarenden kon gissen, welke verschrikkelijke ramp deAlbatrosbedreigde.
Ziehier, hoe Uncle Prudent dacht te werk te gaan.
Zooals hij verhaald had, was hij er in geslaagd in de kruitkamer, die in een der afdeelingen van den romp van het luchtschip uitgespaard was, te dringen. Daar had hij zich weten meester te maken van eene zekere hoeveelheid buskruit en van eene patroon, in allen deele gelijk aan die, welke de ingenieur in Dahomey gebezigd had. Teruggekeerd in zijne hut, had hij die patroon zorgvuldig onder zijn beddegoed verborgen en was hij vast besloten deAlbatrosgedurende den nacht, wanneer zij de reis hervat zoude hebben, te midden van den dampkring uit elkander te laten springen.
Phil Evans onderzocht met groote nieuwsgierigheid de door zijn lotgenoot ontvreemde patroon.
Het was eene huls, welker metalen cylinder met eene ontplofbare zelfstandigheid ter zwaarte van een kilogram gevuld was, die voldoende kon gerekend worden om het luchtschip in zijne gebinten te ontwrichten en zijne werktuigen te ontredderen. Wanneer de ontploffing niet voldoende was, om het luchtgevaarte met één slag te vernietigen, dan zou de val daaraan wel den genadeslag toebrengen. Nu was niets gemakkelijker dan die patroon in een hoek van de hut neer te leggen; zij zou dan het dek vernielen en den romp met zijne inhouten uit elkander doen vliegen.
Maar, om de uitbarsting teweeg te brengen, moest men het aanvuringshoedje, met slagkwik gevuld, hetwelk aan de patroon bevestigd was, doen ontploffen. Dat was het moeielijkste gedeelte van de onderneming; want de ontbranding van dat slaghoedje mocht eerst na een tijdsverloop, dat met de meeste nauwkeurigheid berekend moest worden, plaats, hebben.
En inderdaad, Uncle Prudent had met zijne gewone scherpzinnigheid dit bedacht:
Zoodra de voortstuwer van het voorschip hersteld zoude zijn, zou het schip de reis in noordelijke richting hervatten. Maar, dan zouden Robur en zijne helpers zeer waarschijnlijk naar het achterschip komen, om met de herstelling van de achterschroef een begin te maken. Nu zou de tegenwoordigheid van het geheele personeel in de nabijheid van de hut, Uncle Prudent bij het nemen zijner maatregelen kunnen belemmeren. Daarom was hij besloten om gebruik te maken van eene lont, die door hare berekende lengte de ontploffing op het gewilde tijdstip zou teweeg brengen.
Ziehier wat hij verder aan Phil Evans dienaangaande mededeelde:
“Met die patroon heb ik ook eenig buskruit bemachtigd. Daarvan zal ik eene lont vervaardigen, welker lengte in verhouding tot den vereischten tijd voor hare verbranding zal zijn. Die lont zal met het innerlijke van het slaghoedje in verbinding staan.”
“Goed zoo!” sprak Phil Evans.
“Mijn voornemen is, om die lont tegen middernacht te ontsteken, zoodat de ontploffing tusschen drie en vier uren in den morgen zal plaats hebben.”
“Goed beraamd!” betuigde Phil Evans andermaal.
Zooals men ziet, waren de beide lotgenooten er toe gekomen om met de meest mogelijke koelbloedigheid de verschrikkelijke vernietiging, waarin ook zij moesten omkomen, te bespreken. En in hun hart was zooveel haat tegen Robur en zijn makkers opgehoopt, dat hun het offer van hun leven als het aangewezen middel voorkwam om, met deAlbatros, allen, die zich aan boord bevonden, te vernietigen.
Ja, die daad was verfoeielijk, was hatelijk; zij was die van waanzinnigen, dat is zoo! Maar toorn en woede, gedurende die vijf weken van opsluiting binnen de wanden van dat verwenschte luchtschip opgekropt, had hen in een toestand van razernij gebracht, die zich door alle middelen zocht te uiten.
“En Frycollin?”.... vroeg Phil Evans.
“Wat is er met Frycollin?” knorde Uncle Prudent.
“Hebben wij het recht zoo over zijn leven te beschikken?”
“Wij offeren het onze wel op!”
Het is zeer te betwijfelen, of Frycollin die reden voldoende zoude gevonden hebben.
Uncle Prudent zette zich onmiddellijk aan het werk, terwijl Phil Evans in de nabijheid van de roef de wacht hield.
De bemanning was steeds volijverig op het voorschip bezig. Eene verrassing van een hunner was dus niet te duchten.
Uncle Prudent wreef eerst eene kleine hoeveelheid buskruit fijn en maakte er een zacht poeder van. Dit bevochtigde hij een weinigen besloot het in een linnen darm, die den vorm eener lange maar dunne worst verkreeg.
Hij ontstak die lont en kreeg de verzekering dat een lengte van vijf centimeters in tien minuten verbrandde. Voor eene tijdruimte van drie en een half uur was dus eene lengte van een meter noodig. Daaromtrent voldoende op de hoogte gebracht, doofde de voorzitter van Weldon-Institute de lont uit, besloot haar in eene stevige scheede van gevlochten touw en bevestigde haar aan de dynamietpatroon.
Die arbeid was, zonder eenige achterdocht opgewekt te hebben, tegen tien uur in den avond ten einde gebracht.
Phil Evans kwam zich toen bij zijn lotgenoot in de hut vervoegen.
De herstellingen van de voorschipsschroef waren dien dag vlijtig onder handen genomen; maar men had de bladen, welker roeden verbogen waren, naar binnen moeten halen, om hun den doelmatigen stand te hergeven.
Wat de batterijen, of de accumulatoren, in één woord de toestellen betrof, die de levendmakende kracht aan deAlbatrosverleenden, deze hadden niets van het geweld van den storm geleden. Men had nog scheikundige preparaten genoeg in voorraad, om hen gedurende vier of vijf dagen aan den gang te houden.
De nacht was ingevallen, toen Robur met zijne manschappen hunnen arbeid eindigden. De bladen van de voorschipsschroef waren nog niet op hunne plaats gebracht. Er zou nog drie uren gearbeid moeten worden, alvorens die voortstuwer in staat zoude wezen zijn werk te verrichten.
Na Tom Turner, zijn eersten officier, geraadpleegd te hebben, besloot de ingenieur zijne bemanning, die zeer vermoeid was, eenige rust te verleenen, en het verdere gedeelte van hetgeen er te doen overbleef, tot den volgenden morgen uit te stellen. Het daglicht was daarenboven bij dien uiterst fijnen arbeid van het nauwkeurig passen der machinedeelen, waarbij de verlichtingstoestellen slechts eene onvoldoende helderheid zouden verstrekt hebben, hoogst noodig.
Maar die omstandigheid bleef voor Uncle Prudent en Phil Evans onbekend. Afgaande op hetgeen zij Robur hadden hooren beweren, gingen zij van de meening uit, dat de voorschroef voor het invallen van den nacht hersteld zoude zijn en dat deAlbatrosonmiddellijk hare reis naar het noorden vervolgd zoude hebben. Zij meenden dus, dat zij reeds haar anker gelicht had, terwijl zij inderdaad nog aan het eiland vastgeketend was.
Die omstandigheid zou de zaken anders doen verloopen, dan zij gerekend hadden.
De nacht was somber en de maan was niet te bespeuren. Dikkewolken waren oorzaak, dat de duisternis nog grooter was. Men voelde, dat een lichte bries begon door te staan. Eenige zuchtjes uit het zuidwesten streken over het dek van het luchtschip, dat evenwel niet van de plaats kwam en voor anker bleef. De ankertros bleef loodrecht strak staan en verbond deAlbatrosmet het eiland.
Uncle Prudent en zijn lotgenoot Phil Evans, bij elkander in hunne hut opgesloten, wisselden slechts weinige woorden. Zij vernamen slechts de trillingen van de opstuwingsschroeven, die alle overige geluiden aan boord overheerschten. De beide mannen wachtten tot het oogenblik van handelen zoude gekomen zijn.
Een weinig vóór middernacht sprak Uncle Prudent:
“Het is tijd!”
Onder de kooien der hut was eene lade. In een dier laden legde Uncle Prudent de dynamietpatroon, welke aan haar ontstekingsmiddel bevestigd was. In die lade kon de lont branden, zonder zich door hare lucht of door haar knetteren te verraden. De voorzitter van Weldon-Institute ontstak haar aan haar uiteinde en schoof toen de lade onder de kooi dicht.
“Nu naar het achterschip,”sprak hij; “en dan zullen wij wachten!”
Beiden traden naar buiten en waren zeer verwonderd, toen zij bemerkten, dat de roerganger zijne gewone plaats niet innam.
Phil Evans boog zich over de verschansing en keek naar buiten.
“DeAlbatrosis nog steeds op dezelfde plaats,” fluisterde hij.
“Inderdaad?”
“De werkzaamheden zullen niet beëindigd zijn.... zoodat zij niet heeft kunnen vertrekken.”
Uncle Prudent maakte een gebaar van teleurstelling.
“Wij zullen de lont moeten uitdooven,” zeide hij.
“Neen!... wij moeten de vlucht nemen!”... antwoordde Phil Evans.
“De vlucht nemen?”
“Ja, langs den ankertros...”
“Kan dat?”
“Ja zeker, nu het nacht is!... En eene daling van honderdvijftig voeten langs een gespannen touw is kinderwerk!”
“Dat is het inderdaad, Phil Evans! En wij zouden wel dwaas zijn de aangeboden gelegenheid niet te benuttigen!”
“Zoo is mijne meening ook,” zei de secretaris van Weldon-Institute.
Zij keerden evenwel eerst naar hunne hut terug en staken alles in hun zakken of verbergden onder hun kleeding, wat zij meê konden nemen, bij het vooruitzicht van korter of langer op het eiland Chatham te zullen moeten verblijven.
Toen zij de deur zacht dichtgemaakt hadden, slopen zij zonder gerucht te maken naar het voorschip.
Hun plan was om Frycollin te wekken en hem te noodzaken met hen te ontvluchten.
De nacht was zwart. De wolken begonnen uit het zuidwesten op te komen. De bries was opgestoken en het luchtschip zwaaide voor zijn anker en deed den tros, die het aan den bodem vasthechtte, eenigermate van de loodlijn afwijken. Dat was evenwel niets; de afdaling zou slechts iets moeielijker zijn. Maar, wat was dat voor mannen, die niet geaarzeld hadden hun leven ten offer te brengen?
Beiden slopen over het dek voort, hielden soms achter de beschotten der roeven stil, om te hooren of zij ook eenig geluid vernamen. Maar, overal heerschte de meest volkomen stilte. Geen enkel licht scheen door de dekglazen. Allen aan boord van het luchtschip waren in een diepen slaap gedompeld.
Middelerwijl naderden Uncle Prudent en zijn secretaris de hut van Frycollin; toen bleef Phil Evans plotseling stilstaan en fluisterde:
“De nachtwacht.”
Inderdaad, een man lag daar bij de roef uitgestrekt op den grond. Als hij sliep, dan kon dat maar zeer licht zijn. De vlucht werd onmogelijk, wanneer deze alarm maakte.
In zijne nabijheid lagen een hoop touwwerk, stukken zeildoek en vlokken hennep, die gediend hadden bij de herstelling der voortstuwingsschroef.
In een ondeelbaar oogenblik was die man gebonden en den mond gestopt met een flinken prop. Daarna werd hij zoodanig aan een der spijlen van de verschansing vastgebonden, dat hij geen vin verroeren of geen kreet slaken kon.
Dat alles was, zonder bijna gerucht te maken, uitgevoerd.
Uncle Prudent en Phil Evans spitsten toen scherp de ooren, maar niets liet zich hooren. Diepe stilte bleef heerschen. Alles sliep aan boord.
De beide vluchtelingen—dien naam kan men hen reeds geven, niet waar?—bereikten eindelijk de hut van Frycollin. François Tapage, die in de nabijheid sliep, snurkte zoo geweldig, dat hij voorwaar zijn naam eer aandeed.
Dat was nogal geruststellend.
Maar tot zijne groote verwondering behoefde Uncle Prudent slechts zacht tegen de deur van Frycollin met de hand te drukken. Zij stond toch op een kier. Hij trad binnen, maar kwam even snel weer naar buiten.
“Er is niemand!” sprak hij.
“Niemand?” vroeg Phil Evans.
“Neen, niemand!”
“Waar mag de neger zijn?” was de fluisterende vraag.
“Och, wat kan het ons, alles wel beschouwd, schelen?”
Beiden slopen toen naar het voorschip, denkende dat Frycollin daar ergens in een hoek lag te slapen...
Zij zochten, maar vonden niets!
“Zou de kerel ons voorgekomen zijn?...” zei Uncle Prudent.
“Dat schijnt zoo.”
“De drommel zal hem halen!”
“Maar, of hij al of niet de plaat gepoetst heeft, om het even; wij kunnen niet langer wachten! Kom!”
En zonder te aarzelen, klommen de beide vluchtelingen over de verschansing, grepen den kabel met beide handen, klemden er zich met de voeten aan vast, en lieten zich daarna afglijden.
Zoo kwamen zij ongedeerd op den grond terecht.
Wat een genot voor hen, den vasten bodem, die hen sedert zoo lang ontbroken had, weer onder de voeten te voelen! Wat een pret, om weer op stevigen grond te kunnen wandelen, en niet meer de speelbal des dampkrings te zijn!
Zij maakten zich gereed, om langs het riviertje het binnenste gedeelte van het eiland te bereiken, toen een gedaante eensklaps voor hen verrees.
Dat was Frycollin.
Ja, de neger had hetzelfde denkbeeld van zijn meester gehad en had de stoutmoedigheid ontwikkeld, hem zonder voorafgaande waarschuwing vóór te gaan.
Maar, het was thans het oogenblik niet, om zich daarover vertoornd te toonen, en Uncle Prudent wilde eene schuilplaats in een verwijderd gedeelte van het eiland gaan zoeken, toen Phil Evans hem weerhield.
“Uncle Prudent,” sprak hij, “luister naar mij.”
“Ik luister, Phil Evans.”
“Wij zijn dien Robur ontkomen,” ging de secretaris voort. “Hem en zijn makkers is een schrikkelijk uiteinde bereid. Hij verdient het... dat is zoo. Maar als hij op zijn eerewoord wilde verklaren geen pogingen aan te wenden, om ons andermaal gevangen te nemen...”
“Het eerewoord van zoo’n kerel!...”
Uncle Prudent had den tijd niet om te eindigen. Een gerucht, eene soort beweging werd aan boord van deAlbatroswaargenomen.
Klaarblijkelijk werd alarm gemaakt en was de ontvluchting der beide Amerikanen ontdekt.
“Hier!... Hier heen!...” werd geroepen.