Derde Bedrijf.

Derde Bedrijf.Eerste Tooneel.Een marktplein.Mercutio,Benvolio,een Page en Dienaars komen op.Benvolio.Ik bid u, vriend Mercutio, laat ons gaan;’t Is heet vandaag, de Capulets zijn uit,En treffen wij die aan, dan komt er twist,Want bij deez’ hitte woelt het dolle bloed.Mercutio.Gij lijkt er wel een, die, als hij de gelagkamer van een wijnhuis binnenkomt, met zijn zwaard op de tafel slaat en zegt: „God geve, dat ik u niet noodig hebbe”; en die dan, als de tweede roemer zijn werking doet, het trekt op den tapper, als dit toch werkelijk niet noodig is.Benvolio.Ben ik zoo iemand?Mercutio.Ja, ja; gij zijt zoo’n opstuivende kerel in je drift, als er één in Italië loopt, en even zoo kitteloorig om driftig, en even zoo driftig om kitteloorig te worden.Benvolio.Wat meer?15Mercutio.Waarachtig, als er meer zoo waren, dan zou er in korten tijd geen een meer over wezen, want de een zou den ander doodslaan. Gij, waarachtig, gij krijgt met iemand twist, omdat hij een haar meer of een haar minder in zijn baard heeft, dan gij hebt. Gij krijgt met iemand twist, als hij een kastanje schilt, alleen omdat gij kastanje-bruine oogen hebt. Wat oog ter wereld, dan zulk een oog, zou zulk een twist kunnen opsporen? Uw hoofd is van twist zoo vol als een ei, en toch is uw hoofd zoo leeg geslagen als een windei, door uw twistzoeken. Gij hebt twist gezocht met een man, die op straat kuchte, omdat hij uw hond wakker maakte, die in de zon lag te slapen. Zijt gij niet uitgevaren tegen een kleermaker, omdat hij zijn nieuw kamizool aantrok vóór Paschen? en tegen een ander, omdat hij zijn nieuwe schoenen met oude linten opbond? en wilt gij mij de les lezen over twistzoeken?Benvolio.Nu, als ik zoo twistziek was als gij zijt, zou niemand, zelfs voor geen vijf kwartier, een weddingschap op mijn hoofd willen aangaan.Mercutio.Uw hoofd! o dwaashoofd!Benvolio.Bij mijn ziel, daar komen de Capulets.Mercutio.Bij mijn zolen, ik geef er niet om.(Tybalten eenige Anderen komen op.)Tybalt.Volg me op den voet, ik heb met hen te spreken.—40Goên dag, een woord met een van u, mijn heeren!Mercutio.En niets dan één woord met een van ons? Voeg er wat bij, maak er een woord en een slag van.Tybalt.Gij zult er mij bereid genoeg toe vinden, heer, als gij er mij maar aanleiding toe wilt geven.Mercutio.Kunt ge geen aanleiding vinden, al geef ik u die niet?Tybalt.Mercutio, gij harmonieert met Romeo,—Mercutio.Harmonieeren! Wat! wilt ge ons tot muzikanten maken? Als gij muzikanten van ons maakt, reken er dan op niets dan snijdende tonen te hooren; hier is mijn strijkstok, die u wel zal laten dansen. Duivels! harmonieeren!Benvolio.’t Is hier een plein, door menschen druk bezocht;Kiest voor uw twist een afgelegen plek;Of wel, bespreekt te zamen kalm uw grieven;Of gaat uiteen;—hier staart ons ieder aan.Mercutio.Daar heeft een mensch zijn oogen voor, hij staar’!Ik wijk van hier om niemands wil een haar.58(Romeokomt op.)Tybalt.’k Laat u met vrede hier; daar komt mijn man.Mercutio.Een strop voor mij, als hij uw dienstpak draagt;Maar ja, ga hem vooruit naar ’t veld, hij volgt u;In dien zin, heerschap, blijkt hij wis uw man.Tybalt.Romeo, mijn vriendschap laat niet toe, dat ikIets anders zeg dan dit: gij zijt een schurk!Romeo.Tybalt, de grond, dien ’k heb, uw vriend te zijn,Ontschuldig’, dat ik niet zoo toornig word,Als past op zulk een groete;—ik ben geen schurk:Daarom, vaarwel! ik zie, gij kent mij niet.Tybalt.Knaap, dit is geen voldoening voor den hoon,Dien gij mij aandeedt; keer dus om, en trek.Romeo.En ik betuig, dat ik u nimmer hoonde,Maar meer uw vriend ben, dan gij gissen kunt,Aleer gij weet, wàt mij uw vriend doet zijn.—Hoor, Capulet, ik stel uw naam zoo hoogAls van mijzelven;—daarom, wees bevredigd.Mercutio.O makke en laffe en eerlooze onderwerping!Alla stoccata, dat is beter taal.—(Hij trekt zijn zwaard.)Tybalt, gij rattenvanger, durft gij? zeg!Tybalt.Maar wat wilt gij dan toch van mij?Mercutio.Niets anders, waarde kattenkoning, dan een van uw negen levens; dat zal ik zoo vrij zijn u te ontnemen, en de andere acht wil ik voor later gebruik droogkloppen. Wees zoo goed uw degen bij de ooren uit zijn huis te halen, en wat schielijk ook, of de mijne fluit u om de ooren, eer de uwe er uit is.Tybalt(het zwaard trekkend).’k Ben tot uw dienst.Romeo.Mercutio, vriend, steek op uw zwaard!Mercutio.Kom, heer, uw passado.(MercutioenTybaltvechten.)Romeo.Benvolio, trek en sla hun wapens neer!—Schaamt u, mijn heeren! staakt dit vechten!—Tybalt, Mercutio! pas verbood de vorstMet klem dit vechten in Verona’s straten.Tybalt, houd op!—Mercutio!93(Hij komt tusschenbeide:Mercutiowordt onder zijn arm door gewond;Tybalten zijn Volgers af.)Mercutio.Tybalt, houd op!—Mercutio!’k Ben gewond!—De pest haal’ beide uw huizen!—’t Is gedaan;—Ontkwam hij?—ongedeerd?Benvolio.Gij zijt gewond?Mercutio.Ja, ja, een prik, een prik; maar ’t is genoeg.—Waar is mijn page? Vlegel, haal een wondarts.(Page af.)Romeo.Moed, vriend, het kan zoo erg niet zijn.Mercutio.Neen, ’t is niet zoo diep als een put en niet zoo wijd als een kerkdeur, maar ’t is genoeg; ik kan ’t er mee doen: laat morgen maar naar me vragen, ik zal doodbedaard zijn. Ik heb mijn bekomst, dat verzeker ik je, voor dit leventje.—De pest hale beide uw huizen!—Duivels! een hond, een rat, een muis, een kat, dat die een mensch kan krabben, dat hij het besterft! een pochhans, een schurk, een schoelje, die vecht naar de regels van de rekenkunst!—Wat duivel kwam je tusschenbeide? Ik kreeg den steek onder uw arm door.Romeo.Ik deed het al om bestwil.Mercutio.Help me in een huis, Benvolio, of ik zwijmOp straat hier neer.—De pest haal’ beide uw huizen!—Die hebben wormenaas van mij gemaakt;’t Was raak, en goed ook;—beide uw huizen!(MercutioenBenvolioaf.)Romeo.Deze edelman, den hertog na verwant,Mijn trouwe vriend, werd dood’lijk daar gewondOm mijnentwil, mijn goede naam bevlektDoor Tybalts hoon, door Tybalt, sinds een uurMijn bloedverwant!—O, dierbre Julia!Uw lieflijk schoon heeft mij verwijfd gemaakt,En ’t staal der dapperheid in mij verweekt.(Benvoliokomt terug.)Benvolio.O, Romeo, Romeo, onze vriend is dood;Ten hemel is die wakk’re geest gezweefd,Die al te ontijdig de aarde heeft versmaad.Romeo.Veel zwarte dagen spelt deez’ dag van moord;Hij bracht ons wee, en andre zetten ’t voort.(Tybaltkomt weder op.)Benvolio.Hoe! Tybalt, die daar razend wederkeert!126Romeo.Hij levend, juichend! en Mercutio dood!Vaar op ten hemel, zachtheid, die ontziet!U volg ik, woede, gij, die vlammen schiet!—Thans, Tybalt, geef ik u dat „schurk!” terug,Dat gij mij voor de voeten wierpt; thans zweeftKort boven ons Mercutio’s ziel, en wachtOp uwe ziel, dat die haar begeleid’;Of gij, of ik, of beiden gaan met hem.Tybalt.Ellend’ling, gij, die staâg zijn makker waart,Zult met hem gaan.Romeo.Zult met hem gaan.Dit worde aldus beslist!(Zij vechten;Tybaltvalt.)Benvolio.Weg, Romeo, snel! van hier!Het volk is op de been, en Tybalt viel;—Wat suft ge, voort!—de vorst doemt u ter dood,Als men u grijpt;—van hier!—van hier, en vlied!Romeo.’k Ben speelbal der Fortuin!Benvolio.’k Ben speelbal der Fortuin!IJl! sammel niet!(Romeoaf.—Burgers enz. treden op.)Eerste Burger.Waar vlood de moord’naar van Mercutio heen?Waar vlood hij heen, die Tybalt, die het deed?Benvolio.Hier ligt die Tybalt.Eerste Burger.Hier ligt die Tybalt.Heer, sta op! en weet,Ik spreek in ’s vorsten naam, gij gaat met mij.(De Vorst komt op, met Gevolg;MontagueenCapulet,met hun Echtgenooten, en Anderen.)Vorst.Wie wekte deez’ verfoeibre muiterij?Benvolio.Mijn eedle vorst, ik was getuige, en deelU alles mee van dit vloekwaard krakeel.Hij, die daar ligt, geveld door Romeo’s hand,Versloeg Mercutio, uw bloedverwant.Gravin Capulet.Tybalt, mijn neef! O gij, mijns broeders kind!O vorst! mijn neef!—Mijn gâ! men heeft ontzindZijn bloed geplengd!—O hoor ons, Heer, geef toe,Stort, voor ons bloed, nu bloed van Montague!Mijns broeders zoon, mijn neef!Vorst.Door wien, Benvolio, is deez’ strijd ontbrand?Benvolio.Door Tybalt, hier geveld door Romeo’s hand.Eerst sprak hem Romeo vriendlijk toe en weesHem op de nietige oorzaak van den twistEn op uw streng verbod;—maar of hij ookMet zachte stem en kalmen blik, ja, smeekend,Het fel gemoed van Tybalt wou bezweren,—Die dolkop luistert naar geen vrede en richtZijn vlijmend wapen op Mercutio’s borst,Die, even vurig, nu de degens kruist165En, als een fier soldaat, met de’ eersten slagDen dood terugslaat, met den tweeden dienNaar Tybalt zendt, die vlug van oog en handDen stoot weer afweert.—Thans roept Romeo luid:Houdt op, mijn vrienden, vrede! en vlugger nogDan ’t woord, is de arm; hij slaat hun moordstaal neerEn werpt zich tusschenbeide; een valsche stootVan Tybalt trof toen onder Romeo’s armMercutio’s moedig leven; Tybalt vlood;Maar dra keert hij terug tot Romeo,Die na deez’ moord door wraakzucht wordt bezield;En snel als ’t weerlicht volgt hun strijd; want eerIk ’t staal ontbloot om hen te scheiden, ligtDe forsche Tybalt reeds ter neer geveld;En nauwlijks zonk hij neer, of Romeo vlood;Zoo droeg ’t zich toe, of ik verdien den dood.Gravin Capulet.O vorst, hij is den Montagues verwant,Hij spreekt daar leugens, is op hunne hand.Wel twintig van die schelmen vielen aan,En hun geweld kon één man niet weerstaan.Ik smeek om recht: doem Romeo ter dood;Hij is ’t geweest, die Tybalts bloed vergoot.Vorst.Boet Romeo aldus voor Tybalts bloed,Door wien wordt dan Mercutio’s dood geboet?Montague.Door Romeo niet; die was Mercutio’s vriend;Den dood had Tybalt naar de wet verdiend:Hij kwam de wet slechts voor.Vorst.Hij kwam de wet slechts voor.En voor die daadVerban ik hem onmidd’lijk uit den staat.Ikzelf blijf van uw woeden niet bevrijd,Ook mijn bloed vloot door uwen fellen strijd.Maar zulk een boete valle u thans te beurt,Dat ge allen dit verlies van mij betreurt.Op voorspraak, noch verschooning wil ik achten,Mijn vonnis zal geween noch beê verzachten;Beproef dus niets; ’t is goed, dat Romeo vlood,Want keert hij, ’t eigen uur brengt hem den dood.Voert weg dit lijk, en overweegt mijn woord!Genâ voor moord’naars is zoo goed als moord.(Allen af.)Tweede Tooneel.Een kamer inCapulet’shuis.Juliakomt op.Julia.Jaag voort, jaag voort, gij vlammenspattend span,Naar Phebus’ woning! Zulk een wagenaarAls Phaëton, hij zweepte u voort naar ’t west,En bracht ons onverwijld de omwolkte nacht.—Breid uit uw floers, gij nacht, die liefde kroont,Luik ieder zwervend oog, dat RomeoOnzichtbaar, heimlijk, in deze armen snell’!—Voor minnenden straalt eigen schoon genoegBij ’t feest der min, of is de liefde blind,Dan past de nacht er bij.—Kom, eerb’re nacht,In stemmig zwart gehuld, en leer mij thans,Hoe, winnend, te verliezen bij een spel,Welks inzet zijn twee reine maagdebloemen;Huif met uw zwarten mantel ’t angstig bloed,Dat in mijn wangen klept, tot schuwe liefdeStoutmoedig wordt, en ’t doen der echte minVoor niets dan zedigheid en onschuld acht.16Kom, nacht! kom Romeo! gij, dag bij nacht,Die op de vleug’len van de nacht zult schitt’ren,Meer dan ooit sneeuw op veed’ren van den raaf!—Kom, lieve nacht, kom, donkre liefdenacht,Geef mijnen Romeo mij; en sterft hij eens,Herneem, en deel hem dan in kleine sterren;Dan schenkt hij ’s hemels aanschijn zulk een glans,Dat heel de wereld op de nacht verlieft,En niemand meer den pronk der zonne huldigt.—O, ’k heb een liefdewoning mij gekocht,Maar niet betrokken; zelf ben ik verkocht,Maar steeds nog niet aanvaard. O, deze dagDuurt mij zoolang, als de avond voor een feestdagAan ’t hunk’rend kind, dat nieuwe kleed’ren heeftEn nog niet aan mag trekken.—O! daar komtMijn voedster; zij brengt nieuws; en elk, wiens tongMijn Romeo slechts noemt, spreekt hemeltaal.—(De Voedster komt op met een ladderkoord.)Nu zeg, wat is ’t? wat hebt ge daar? het koord,Dat Romeo u halen liet?Voedster.Dat Romeo u halen liet?Ja, ’t koord.(Zij werpt het op den grond en wringt de handen.)Julia.Wee mij, wat is ’t? Wat is dat handenwringen?Voedster.O hemel, hij is dood, is dood, is dood!Wij zijn verloren, jonkvrouw, zijn verloren!O, welk een dag! hij is gedood, vermoord!Julia.Gij, hemel, zoo verbolgen?Voedster.Gij, hemel, zoo verbolgen?Romeo is ’t;De hemel is het niet.—O Romeo, Romeo—Wie had dit kunnen denken?—Romeo—Julia.Wat booze geest zijt gij, die zoo mij martelt?Deez’ kreet waar’ goed bij foltring in de hel.Heeft Romeo zich gedood? Is ’t antwoord „ja”,Dan is die klank, dat „ja” een scherper gift,Dan ’t doodlijk blikken van den basilisk,Dan ben ’k vernietigd door dat enkle woord,En ’t sluiten van zijn oog sluit ook het mijn.Is hij gedood, zeg „ja”, zoo niet, zeg „neen”,Mijn wel of wee hangt aan dien klank alleen.Voedster.Ik zag de wond, zag die met eigen oog,—52God help’ mij!—hier, vlak in die forsche borst;Een aak’lig lijk, een bloedig, aak’lig lijk,Grauw, grauw als asch, geheel met bloed bevlekt,—Geronnen bloed;—ik zwijmde, toen ik ’t zag.Julia.O, breek mijn hart!—arm bankroetier, o breek!Ter gijz’ling, oogen, kent geen vrijheid meer;Laag stof, keer weer tot stof! leg ’t leven af!En u en Romeo berge ’tzelfde graf!Voedster.O Tybalt, Tybalt! gij, mijn beste vriend!Beleefde Tybalt, wakk’re en eed’le heer!Dat ik ’t beleven moest, u dood te zien!Julia.Wat storm is dit, die van twee kanten loeit?Is Romeo vermoord, en Tybalt dood?Mijn liefste neef, en eindloos liever gâ?—Dan, schrikbazuin, blaas dan den jongsten dag!Want wie, wie leeft, zijn deze twee niet meer?Voedster.Tybalt is dood, en Romeo verbannen;Romeo, die hem gedood heeft, is verbannen.Julia.O God!—heeft Romeo Tybalts bloed gestort?Voedster.Ja, ja, o jammerdag! hij deed het, ja!Julia.O slangenhart, bij bloemzoet aangezicht!Woonde ooit een draak in zulk een schoone grot?Verleid’lijk woest’ling! duivel in een lichtkleed!Gij raaf in duivedos! wolfsch-vratig lam!Verfoeibre kern, door ’t godd’lijkst schoon omhuld!Boos tegendeel van ’t goede, dat gij schijnt!Vloekwaarde heilige! eerbiedwaarde schurk!—Natuur, waartoe ter helle neergedaaldOm zulk een euv’len geest, dien gij deedt wonenIn zulk een vleeschgeworden paradijs?—Wie gaf een boek van zulk een snooden inhoudOoit zulk een schoonen band? O, dat bedrogZulk prachtpaleis bewonen mag!Voedster.Zulk prachtpaleis bewonen mag!Er isGeen trouw, geen braafheid meer in mannen; allenZijn trouwloos, valsch, meineedig, allen huichlaars.—Waar is mijn dienaar? Geef mij iets versterkends;—Die kommer, zorg en droefheid maakt mij oud.Smaad, schande op Romeo!Julia.Smaad, schande op Romeo!Uw tong verstijv’Om zulk een wensch! hem werd nooit smaad bestemd;Smaad is beschaamd te zeet’len op zijn voorhoofd;Dat is een troon, waar, als beheerscheresDer gansche wereld, de eere zij gekroond!O, ’k was geen mensch, toen ik hem daar beschimpte!95Voedster.Wilt gij den moord’naar prijzen van uw neef?Julia.Zou ik mijn heer dan smaden, mijn gemaal?Wiens tong zal, arme, uw naam in eere houden,Nu ik, drie uur uw vrouw, hem heb gesmaaldMaar, booze man, wat dooddet gij mijn neef?Die booze neef doodde anders mijn gemaal.Terug, gij dwaze tranen, naar uw bron;Aan weedom komt die droppelplenging toeVloeit niet, verdwaasd, om wat verblijdend is.Mijn gade leeft, dien Tybalt wou verslaan;Dood is die Tybalt, die mijn gâ wou dooden.Troost is dit alles; waarom ween ik dan?Er was een erger woord dan Tybalts dood,Dat mij versloeg. Waar’ ’t uit mijn ziel gewischt!Maar o! het klemt zich vast in mijn geheugenAls zware schuld in ’t zondige gemoed,„Tybalt is dood en Romeo—gebannen!”„Gebannen!” O, dat ééne woord „gebannen”Verslaat tien duizend Tybalts. Tybalts doodWaar’ wee genoeg, volgde ook geen verder wee;Of,—zoekt het leed zich steeds een metgezelEn sleept het altijd andre smarten mee,—Waarom volgde op dat „dood is Tybalt” niet„Uw vader” of „uw moeder”, ja, of beiden,Die passend rouwbeklag betreuren mocht?Maar door wat nakwam achter Tybalts dood,Dat „Romeo is gebannen”, door dat woordZijn vader, moeder, Tybalt, Romeo, allen,En ook ikzelf, verslagen en gevallen;Ja eind- en grens- en maatloos is de doodVan ’t eene woord; onpeilbaar is mijn nood.—Waar zijn mijn vader en mijn moeder? waar?Voedster.Weeklagend, weenend staan ze aan Tybalts baar;Zal ik u bij hen brengen?Julia.Zal ik u bij hen brengen?Wasschen zijZijn wonden met hun tranen, o, die zijnReeds lang gedroogd, dan vloeien nog de mijn’Om Romeo’s ballingschap. Uw toekomst, koord,Is, als de mijn’, door dezen doem verstoord;Door u waar’ hij ten top van heil verheven,Ik eindig vroeg mijn maagdlijk weduwleven.Breng ’t koord mij na, waar ’t bruidsbed is gespreid;De dood, niet Romeo, neem’ mijn maagdlijkheid!Voedster.Ga naar uw kamer; Romeo zal ik halenOm u te troosten; ’k weet wel, waar hij is.Geloof mij, Romeo komt nog deze nacht;Hij is verborgen in Lorenzo’s cel.Julia.O! breng deez’ ring en zeg hem: ik verwachtVan mijn getrouwen gade ’t laatst vaarwel.(Beiden af.)Derde Tooneel.De cel van broederLorenzo.BroederLorenzoen Romeo komen op.Lorenzo.Kom, Romeo, voor den dag, gij man van vrees;Bekomm’ring klemt verliefd zich aan u vast,Ellende is u een levensgezellin.Romeo.Vader, hoe is ’t? wat vonnis sloeg de vorst?Wat rampspoed is ’t, die thans de hand mij grijpt,En dien ik nog niet ken?Lorenzo.En dien ik nog niet ken?Te veel, mijn zoon,Zoekt gij den omgang van zoo droeve vrienden;Ik breng bericht van ’t vonnis van den vorst.Romeo.Is ’t minder, vader, dan het laatst gericht?Lorenzo.Een zachter vonnis vloot hem van de lippen,Het brengt geen dood, het brengt u ballingschap.Romeo.Ha, ballingschap?—Erbarming! zeg mij—„dood”!Verbanning is verschrikk’lijker van aanblik,Veel meer dan dood!—o, zeg niet—„ballingschap”.Lorenzo.Hier van Verona slechts zijt gij verbannen;Wees kalm, de wereld toch is ruim en wijd.Romeo.De wereld is slechts in Verona’s wallen,Daarbuiten folt’ring, vagevuur, de hel.Verbannen is verbannen van de wereld;Die ballingschap is dood;—dus is „verbanning”De dood, misnoemd. Noemt gij den dood—„verbanning”,Gij houwt mij ’t hoofd af met een gouden bijl,En glimlacht bij den slag, die mij vermoordt.Lorenzo.O zware zonde, o, zwarte ondankbaarheid!De wet eischt uwen dood; de goede vorstErbarmt zich uwer, stoot de wet ter zij,Verkeert dat woord „ter dood” in „ballingschap”;Dat is genade, en gij erkent het niet.Romeo.’t Is mart’ling, geen genâ; hier is de hemel,Waar Julia woont, en ied’re kat en hondEn kleine muis, ja ’t laagste schepsel, leeftHier in den hemel, want het mag haar zien,Slechts Romeo niet.—Meer waarde, hoog’ren stand,Meer recht tot liefdediensten heeft een vliegDan Romeo; dat wonderblank der handDer dierbre Julia roert zij vrij aan,En steelt zich hemelwellust van haar lippen,Die rein en met Vestaalsche zedigheidSteeds blozen, alsof kussen zonde waar’;39Doch Romeo mag het niet; hij is verbannen;Wat vliegen mogen doen, moet ik ontvliên;Zij leven vrij, maar ik, ik ben verbannen;En zegt gij nog, „verbanning is geen dood”?Hadt gij geen gift, geen scherp geslepen mes,Geen spoedig werkend middel, hoe veracht,Dan—„ballingschap”—om mij te dooden? „Ballingschap”!O, vader, spreken in de hel verdoemdenDit woord, dan volgt gehuil; hoe hebt gij ’t hart,Gij godsman, geestelijke vader, gij,Ontheffer van de zonde, uw dierbren zoonTe brijz’len met dat woord van „ballingschap?”Lorenzo.Gij dolle liefdedwaas, hoor toch een woord!Romeo.O weer een woord, gewis, van ballingschap.Lorenzo.’k Geef u een harnas, waar dat woord op afstuit,De zoetste melk in ’t leed: philosophie,Die u, al zijt gij balling, troosten zal.Romeo.Toch „ballingschap!”—Weg met philosophie!Indien philosophie geen Julia schept,Geen stad verzet, geen vorstenvonnis stuit,Dan baat zij niets, vermag niets; dan geen woord!Lorenzo.O, ’k zie te wel, krankzinnigen zijn doof!Romeo.Geen wonder, als de wijzen blinden zijn!Lorenzo.Kom, overleggen we eens, hoe ’t met u staat.Romeo.Van wat gij niet gevoelt, kunt gij niet spreken.Waart gij zoo jong als ik, en Julia de uwe,Slechts voor een uur gehuwd, Tybalt vermoord,Verliefd als ik, verbannen zooals ik,Dan mocht ge spreken, woelen in uw haar,U storten op den grond, als ik nu doe,Om u een ongedolven graf te meten.(Er wordt geklopt.)Lorenzo.Op Romeo, op! daar wordt geklopt; verberg u.Romeo.Ach neen; ik laat de zuchten van mijn zielMij als een mist voor ’t vorschend oog omhullen.(Er wordt weder geklopt.)Lorenzo.’t Geklop houdt aan!—Wie is daar?—Romeo, op!Men vat u zeker!—Op!(Geklop.)Een oogenblik geduld!IJl in mijn bidcel ginds!—Zoo daadlijk, ja!—God, welk een dwaasheid!—Ja, ik kom, ik kom!(Geklop.)Wie klopt zoo luid? Wie zijt gij en wat wilt gij?Voedster.Laat mij toch binnen; ’k breng een boodschap over;Ik kom van jonkvrouw Julia.80Lorenzo.Ik kom van jonkvrouw Julia.Welkom dan.(De Voedster treedt binnen.)Voedster.O heil’ge vader, zeg mij, heil’ge vader,Waar is haar man toch? waar is Romeo?Lorenzo.Daar op den grond, bedwelmd door eigen tranen.Voedster.O, hij is als mijn jonkvrouw, juist als zij.O, ’tzelfde wee, beklaagbre staat! Juist zooLigt zij en snikt en weent, en weent en snikt.—Sta op, sta op! zijt gij een man, sta op!Om Julia’s wil, om harentwil, rijs op!Waarom verzonken in zoo diep een wee?Romeo.Ach, goede vrouw!Voedster.Ach, heer, ach, heer!—De dood is aller lot.Romeo.Spraakt gij van Julia? spreek, hoe is ’t met haar?Houdt zij mij niet voor moord’naar van nature,Nu ik met bloed, haar bloed zoo na verwant,De kindsheid onzer vreugde heb bespat?Waar is zij en hoe is ’t haar? O hoe diepIs zij verstoord om ons verstoord geluk?Voedster.Zij spreekt geen enkel woord, maar weent en weent;Nu stort ze neer op ’t bed, dan weer vliegt ze op,En „Tybalt!” roept ze, en schreit om RomeoEn zijgt op nieuw ter neer.Romeo.En zijgt op nieuw ter neer.Als bracht die naam,Uit doodelijke buks geschoten, haarDen dood, zooals de vloekhand van dien naamHaar bloedverwant den dood bracht!—Zeg mij, vader,Waar in deez’ snooden stofklomp huist mijn naam?O zeg ’t mij, zeg ’t, opdat ik ’t vloekbre huisTen grond toe sloop’!(Hij trekt zijn dolk.)Lorenzo.Ten grond toe sloop’!Weerhoû die dolle hand!Zijt gij een man? Uw uiterlijk roept „ja”;Gij weent, gelijk een vrouw; uw woest gedragIs als het reed’loos woeden van een dier.Onschoone vrouw, in ’t schijnschoon van een man;Wanschapen dier, dat beider schijn vereent!Ik sta verbaasd; ja, bij mijn heilige orde,Ik achtte uw geest meer tegen ’t leed gestaald.Versloegt ge Tybalt? Wilt ge uzelf verslaan?En wilt ge uw gâ, die in uw leven leeft,117Door uw vloekwaarden zelfhaat doen vergaan?Wat smaalt gij op uw stam, op aarde en hemel?Schoon stam en aarde en hemel, die ge saamWegwerpen wilt, in u vereenigd zijn.Gij smaadt uw leest, uw liefde en uwen geest!Een woekeraar gelijk, hebt ge overvloedVan goeds, maar maakt van niets het recht gebruik,Dat eere schenkt aan leest en liefde en geest;Een wassen beeld slechts is uw lichaamsschoon,Verzaakt gij zoo de kloekheid van een man;Een ijdle meineed is uw liefdeseed,Doodt gij die liefde, aan wie gij liefde zwoert;Uw geest, die leest en liefde u sieren moest,Te uitzinnig om deez’ twee tot gids te zijn,Vat vuur door eigen onverstand, gelijk’t Kruit in de flesch eens onbedreven krijgers;Wat u beschermen moest, brengt u verderf.Verman u, Romeo! uw Julia leeft,Om wie ge als dood zoo even nederlaagt;Ziedaar reeds heil! u wilde Tybalt dooden,En gij hebt hèm gedood; alweder heil!’t Recht, dat met dood u dreigde, wordt uw vriend,En dood wordt ballingschap; ook dit is heil!Een last van zegen daalt u op de schoudren;’t Geluk in pronkgewaad vleit om uw gunst,Maar, als een eigenzinnig, geem’lijk meisje,Pruilt gij bij al uw liefde en uw geluk.Hoed, hoed u; schriklijk sterft wie zóó misdoet!—IJl tot uw gâ, zooals besloten was;Beklim haar kamer, ga en breng haar troost;Maar toef er niet, totdat men wachten stelt,Die u den weg naar Mantua versperren.Dáár woont gij, tot gelegen tijd uw echtBekend make, en uw vrienden weer verzoen’,En vorstlijke genade u herwaarts roep’,Met twintig honderd duizendmaal meer vreugd,Dan gij met jammer thans van hier vertrekt.—Ga, goede vrouw, breng uw meestres mijn groet,En zeg haar zorg te dragen, dat een elkVan ’t huisgezin zich vroeg ter rust begeev’;—De droefnis zoekt van zelve reeds de rust;—En meld haar: Romeo komt.Voedster.En meld haar: Romeo komt.O Heere God;Hoe gaarne bleef ik luistren, heel de nacht,Naar zooveel goeds. Wat is geleerdheid schoon!—Ik meld, heer, mijn meesteresse, dat gij komt.Romeo.Ga, zeg ook, dat ik haar verwijten wacht.162Voedster.Hier is een ring, heer, dien ’k u geven moet.Maar spoed u, haast u, want reeds wordt het laat.(De Voedster af.)Romeo.O, hoe is nu de moed in mij herleefd!Lorenzo.Ga nu, vaarwel! Denk, waar uw lot aan hangt:Ga ’t zij aleer de wacht is uitgezet,’t Zij met den daag’raad, maar vermomd, van hier.Verblijf in Mantua; ik zoek uw dienaar,En zend van tijd tot tijd door hem bericht,Als iets gebeurt, dat gunstig voor u is.Reik mij de hand, ’t is laat; vaarwel, vaarwel!Romeo.Zoo vreugde boven vreugd mij niet verbeidde,Het waar’ mij leed, dat ik zoo haastig scheide.Vaarwel!(Beiden af.)Vierde Tooneel.Een kamer inCapulet’shuis.Capulet,GravinCapuletenPariskomen op.Capulet.Het liep hier alles tegen, vriend; er wasGeen tijd om bij mijn dochter aan te dringen;Ziet gij, zij was aan Tybalt zeer gehecht;Ik ook;—maar sterven is ons aller lot.—’t Is laat, zij komt van avond niet beneden;En ’k moet ook zeggen, zonder uw bezoekWare ik al voor een uur ter rust gegaan.Paris.Deez’ tijd van rouw is wis geen tijd van trouw;—Dus goede nacht, gravin; ik bid u, spreekEen woord te mijnen gunste bij uw dochter.Gravin Capulet.’k Zal morgen peilen, hoe ze er over denkt.Deze’ avond sloot ze met haar smart zich op.Capulet.Graaf, ’k waag ’t voor Julia’s jawoord in te staan;Ik denk, ze doet in alles naar mijn wensch,Ja meer, ik twijfel zelfs geen oogenblik.Ga tot haar, vrouw, eer ge u ter rust begeeft,Bericht haar, hoe zoon Paris haar bemint,En zeg haar, dat, let wel, aanstaanden Woensdag,—Maar stil, wat is ’t vandaag?Paris.’t Is Maandag, heer.Capulet.Maandag, o ja. Neen, Woensdag is te kort;Maar Donderdag,—ja, zeg haar, DonderdagTreedt zij in ’t huwlijk met deze’ eed’len graaf.—Zijt gij bereid? en is die haast u welkom?Wij vieren ’t onder ons;—een vriend of twee;—Want, ziet ge, Tybalt is zoo pas vermoord,En vierden wij ’t met praal, licht zou men denken,Dat onze neef ons onverschillig was.Wij vragen dus een zes of zeven vrienden,En daarmeê uit.—Is Donderdag u goed?Paris.O ’k wenschte, morgen ware ’t Donderdag.Capulet.Goed, afgesproken;—’t blijft dus Donderdag.—Ga, vrouw, naar Julia, voor gij slapen gaat;Bereid haar op den huwlijksfeestdag voor.—Vaarwel dus!—Hé, brengt licht in mijn vertrek!—O foei, ’t is meer dan laat; het is bijnaWeer vroeg te noemen. Nogmaals, goede nacht.(Allen af.)Vijfde Tooneel.De kamer vanJulia.RomeoenJuliakomen op.Julia.Wilt gij reeds gaan? Het is nog lang geen dag;Het was de nachtegaal, de leeuwrik niet,Wiens schelle stem in ’t angstig oor u drong;Op dien granaatboom zingt hij elke nacht.Geloof me, lieve, ’t was de nachtegaal.Romeo.Het was de leeuwrik, ’s daag’raads bode, en nietDe nachtegaal; zie, lieve, daar in ’t oost,Wat booze strepen ’t scheurend zwerk omzoomen;De nacht heeft lang haar kaarsen opgebrand,En vroolijk gluurt, hoog op de teenen staand,De dag daar van der bergen neveltoppen;Ik moet nu gaan en leef, of blijf en sterf.Julia.Dat is geen daglicht daar, ik weet het, ik;’t Is een verheev’ling, uit de zon gevloeid,Die u deez’ nacht tot fakkeldrager zij,En voorlichte op uw weg naar Mantua;O toef dus nog; uw heengaan heeft nog tijd.Romeo en Julia, Derde Bedrijf, Vijfde Tooneel.Romeo en Julia, Derde Bedrijf, Vijfde Tooneel.Romeo.Men grijp’ mij dan, en leide mij ter dood;’t Is ook mijn keuze, als gij het zoo verlangt.Neen, dat is niet het stralend oog des morgens,Maar bleeke weerglans van ’t gelaat der maan;’t Is ’t lied des leeuwriks niet, dat boven onsHoog aan ’t gewelf des hemels wordt weerkaatst;O zalig blijven! bitter is ’t vaarwel;—Wees welkom, dood! ’t is Julia’s bestel.—Kom, liefste! een zoet gesprek! het daagt nog niet.Julia.Het daagt, het daagt! spoed, spoed u heen en vlied!’t Is wel de leeuwrik, die zoo snerpend valschMet scherpe keel zijn schrille trillers gilt;Men zegt wel, dat de leeuwrik lieflijk zingt,Maar deze niet, die schettert ons vaneen;Men zegt, dat pad en leeuwrik de oogen ruilden;O! hadden zij van stem dan ook geruild,Daar toch die stem u uit mijn armen wringt,En als een jachtkreet u tot vluchten dringt!—O, ga nu; licht en lichter wordt de morgen!Romeo.Licht, lichter! zwart en zwarter onze zorgen!36(De Voedster komt op.)Voedster.Jonkvrouw!Julia.Wat is er, minne?Voedster.Uw moeder is op weg naar dit vertrek;Wees op uw hoede; zie, de dag breekt aan.(De Voedster af.)Julia.Laat, venster, ’t licht dan binnen, ’t leven gaan.Romeo.Vaarwel, vaarwel! één kus nog, ik moet heen!(Hij daalt af.)Julia.Mijn vriend, mijn gâ, mijn ziel! ik blijf alleen;O, zend mij tijding iedren dag van ’t uur,Want één minuut omsluit wel meen’gen dag;En naar die reek’ning ben ik hoogbejaard,Eer ik u wederzie, mijn Romeo.Romeo.Vaarwel! Zoodra ’k de mooglijkheid bevroed,En telkens, liefste, zend ik u mijn groet.Julia.O, zeg, gelooft gij aan ons wederzien?Romeo.O, ’k twijfel niet, en in de toekomst is’t Geleden wee ons stof tot zoet gesprek.Julia.O God! een voorgevoel beklemt mijn hart!Nu gij beneden staat, nu is ’t me, als zag ikU dood, daar in de diepte van een graf;Bedriegt mijn oog mij niet, dan ziet gij bleek.Romeo.Zoo komt ook gij mij voor. Ja, zielsverdrietDrinkt, liefste, ons bloed. Vaarwel, vaarwel, en vlied!(Romeoaf.)Julia.Fortuin, fortuin! een ieder noemt u wuft!En zijt gij wuft, wat doet ge dan met hem,Die zich getrouw betoont? Wees wuft, Fortuin,Dan hoop ik, houdt gij hem niet lang, maar geeftHem dra mij weer.Gravin Capulet(achter het tooneel).Hé, Julia, zijt gij op?Julia.Wie roept mij daar? is ’t niet mijn moeders stem?Is zij nog niet ter rust, of zoo vroeg op?Wat ongewone reden voert haar hier?(GravinCapuletkomt op.)Gravin Capulet.Wat is er, Julia?Julia.Wat is er, Julia?Moeder, ’k ben niet wel.Gravin Capulet.Beweent ge steeds den dood nog van uw neef?Al wiescht gij hem met tranen uit zijn graf,Toch riept ge hem in ’t leven niet terug;Bedwing u dus; gepaste rouw toont liefde,Maar te veel rouw toont mangel aan verstand.Julia.O laat mij weenen om mijn grievend leed!Gravin Capulet.Te dieper grieft u ’t leed, maar ’t roept den vriend,Dien gij beweent, niet weer.77Julia.Dien gij beweent, niet weer.Het grieft te diep;Ik kan niet anders dan den vriend beweenen.Gravin Capulet.’t Is minder, kind, zijn dood, dien gij beweent,Dan dat de schurk nog leeft, die hem versloeg.Julia.Gij zegt, die schurk?Gravin Capulet.Ja, Romeo, die schurk.Julia(ter zijde).Een schurk en hij, wat hemelsbreed verschil!—(Luid.)Vergeev’ hem God! ik doe ’t met heel mijn hart;En toch, geen man wondde ooit als hij mijn hart.Gravin Capulet.’t Is enkel, dat die schelmsche moorder leeft.Julia.En waar deze arm hem niet bereiken kan!—O! wierd aan mij alleen de wraak vertrouwd!Gravin Capulet.De wraak zal ons geworden, wees getroostEn ween niet langer zoo. Ik vind wel iemandIn Mantua, waar de verworp’ling leeft,Die zulk een ongewonen dronk hem reikt,Dat hij weldra met Tybalt samenwoont;En dan is, hoop ik, uw gemoed voldaan.Julia.Voorwaar, dat blijft, wat Romeo betreft,Steeds onvoldaan, aanschouw ik hem niet—dood—Doorboord is ’t hart mij, om mijn nabestaande!—Maar hadt gij iemand opgespoord, die hemVergif wou reiken, zelf zou ik het mengen,En zóó, dat Romeo, ’t gebruikend, rasIn vrede sliep.—O, schrikk’lijk is ’t, zijn naamTe hooren, en hem niet nabij te zijn,Om van mijn liefde voor mijn armen neefMe aan hem te kwijten, die hem heeft gedood.Gravin Capulet.Vind gij de midd’len;—ik vind wel den man.—Maar hoor, ik breng u blijde tijding, kind!Julia.Bij zooveel druk moet blijdschap welkom zijn.—Wat blijde tijding brengt mijn moeder mij?Gravin Capulet.Hoor dan, gij hebt een zorgend vader, kind!Een, die, om u te ontheffen van uw druk,Een dag van vreugd u plotsling heeft bereid,Dien gij niet wachttet, ik niet had voorzien.Julia.O zeg, wat is dat, moeder, voor een dag?Gravin Capulet.Begrijp, mijn kind, aanstaanden Donderdag113Zal u een jong en wakker edelman,Graaf Paris, in Sint Petrus’ dom reeds vroegNaar ’t altaar leiden, als zijn blijde bruid.Julia.Nu, bij Sint Peters dom en Petrus zelf,Daarheen leidt hij mij niet als blijde bruid.Wat wonderbare haast! een echt, aleerDe man, dien ’k huwen zou, mijn liefde vroeg!Ik bid u, moeder, zeg mijn heer en vader,Dat ik nog niet wil huwen, en, ik zweer ’t,Als ik het doe, nog eerder RomeoZou nemen,—en gij weet, hoe ik hem haat!—Dan Paris.—Nieuws, voorwaar, is ’t wat gij meldt!Gravin Capulet.Daar komt uw vader; deel dit zelf hem mee,En hoor welk antwoord hij u geven zal.(Capuleten de Voedster komen op.)Capulet.Bij ’t ondergaan der zon drupt dauw op de aard;Bij ’t ondergaan des zoons van mijnen broederIs ’t hier een stortbui.—Wat! nog immer weenend!Zijt ge een fonteinbeeld, meisje? En telkens weerEen nieuwe tranenvlaag! Uw nietig lichaamSpeelt hier voor zee en wind en bark meteen;Uw oogen zijn een ware zee te noemen,Met tranenvloed en eb; uw lichaam isDe boot, die ’t zilte nat bezeilt; uw zuchtenDe stormwind, die, met uwe tranen worstlend,Als zij met hem, ’t van storm geslingerd schipZal brijz’len, als het weêr niet fluks bedaart.—Hoe is ’t? Hebt ge ons besluit haar meêgedeeld?Gravin Capulet.Ik deed het, maar ze wil niet, zegt u dank.O, waar’ ’t zottinnetje aan haar graf gehuwd!Capulet.Wacht, vrouw; spreek duid’lijker, spreek duid’lijker!Wat! wil zij niet? en zegt zij ons geen dank?Is zij niet trotsch op zulk een grooten zegen,Dat hare onwaardigheid zoo’n waardig manAls bruidegom ontvangt van onze hand?Julia.Niet trotsch, maar dankbaar voor uw goeden wil;Trotsch kan ik nimmer zijn op wat ik haat,Maar dankbaar, bij dien haat, voor ’t liefdrijk doel.Capulet.Zie, wat spitsvondig nest! wat praat is dit?„Trotsch” en „ik dank u” en „ik dank u niet”,En toch „niet trotsch”;—hoor! preutsche, kleine heks,Geen dankjes mij gedankt, geen trots getrotst!Uw fijne voetjes dragen ’t fijne popjeOp Donderdag met Paris naar den dom,Of op een horde sleep ik u er heen.Dat blijft zoo; voort, gij bleekneus! voort, gij feeks!Gij wasgezicht!158Gravin Capulet.Foei, foei, wat raast ge, man!Julia.Mijn goede vader, op mijn knieën smeek ik,Hoor slechts een enkel woord geduldig aan.Capulet.Ter helle, jonge feeks! weerspannig ding!Ik zeg u,—scheer u Donderdag ter kerke,Of kom mij nimmer weder onder ’t oog.Geen woord, geen tegenspraak, geen antwoord meer!Mijn vingers jeuken.—Vrouw, wij dachten eens,Dat ons dit eenig kind ten zegen was;Nu blijkt, dit eenige is nog één te veel,En haar bezit is ons een vloek, een vloek!Verworp’ne, weg!Voedster.Verworp’ne, weg!De Hemel zeeg’ne haar!Heer, ’t is niet goed gedaan; vaar zoo niet uit!Capulet.Ei zoo, vrouw wijsheid? Wat! Bedwing uw tong;Bemoeial, snap met uw kornuiten! weg!Voedster.Ik zeg toch niets, dat kwaad is.Capulet.Ik zeg toch niets, dat kwaad is.Ga met God!Voedster.Mag niemand dan iets zeggen?Capulet.Mag niemand dan iets zeggen?Zwijg, oud vel!En kraam uw wijsheid uit bij uws gelijken;Hier komt ze niet te pas.Gravin Capulet.Hier komt ze niet te pas.Gij zijt te fel.Capulet.Gods sacrament! het maakt me dol. Dag, nacht,Bij tijd en ontijd, spel en arbeid, immer,Alleen en in gezelschap, was ’t mijn zorgVoor haar een man te vinden; en nu ikEen edelman van goeden stam, van midd’len,Heb opgespoord, nog jong, wel opgevoed,Om zoo te zeggen opgepropt met deugden,Een man, als ieder meisje wenschen zou,Nu komt me daar zoo’n voddig, grienend nest,Zoo’n nuf, nu zij ’t geluk voor ’t grijpen heeft,En antwoordt: „neen, ik trouw niet;”—„neen, ik kanHem niet beminnen;”—„’k ben te jong;”—„vergeef me!”Wilt gij geen man, nu goed, mij is het wel;Graas waar gij wilt, gij huist bij mij niet meer;Let op; bedenk, dat ik geen scherts versta.De Donderdag klopt aan; weet wat gij kiest!Doet gij mijn wil, ik geef u aan mijn vriend;—Zoo neen: ga, bedel, honger, sterf op straat;Zoo waar ik leef, verlooch’nen doe ik u,En niets van ’t mijn’, dat ooit ten deel u valt;Bedenk dus wel; en weet, ik staaf mijn eed.(Capuletaf.)Julia.Troont in de wolken geen erbarming meer,198Die in de diepte blikt van mijn ellend?—O, lieve moeder, ach, verstoot mij niet!Verschuif dit huwlijk nog een maand, een week;Of, wilt gij dit niet, spreid het bruidsbed mijIn ’t sombre grafgewelf, waar Tybalt ligt.Gravin Capulet.Spreek niet tot mij, ik spreek geen enkel woord;Doe wat ge wilt, ik heb met u gedaan!(GravinCapuletaf.)Julia.O God!—Spreek, voedster, hoe is dit te keeren?Mijn gade leeft op aard, mijn trouw bij God!Hoe keert die trouw naar de aard’, tenzij die gâDeze aard ontwijke en uit den hemel mijMijn trouw terugzend’?—Geef mij troost, geef raad!—Wee mij! hoe kan de hemel ooit een wezen,Zoo teer als ik, arglistig zoo belagen?—Wat zegt gij, voedster? hebt ge niet één woord,Geen enkel, dat mij opbeurt en vertroost?Voedster.Voorzeker, hoor slechts: Romeo is verbannen;En, alles tegen niets, hij komt niet weer,En eischt u nimmer op;—of waagt hij dit,Dan is ’t ter sluik. Zooals de zaken staan,Schijnt mij het best, dat gij den Graaf maar trouwt.’t Is een beminn’lijk man, en RomeoIs er een stoflap bij; een arend, jonkvrouw,Heeft zulk een schitt’rend, helder, wakker oogAls Paris niet. Ja, bij mijn zaligheid,Deez’ tweede keus is uw geluk; ze is beterDan de eerste was; en, zelfs al waar’ ’t zoo niet,Uw eerste man is dood,—zoo goed als dood,Al leeft hij nog, daar gij niets aan hem hebt.Julia.Meent gij dit met uw hart?228Voedster.Meent gij dit met uw hart?Met hart en ziel.God straff’ me, als ’t zoo niet is.Julia.God straff’ me, als ’t zoo niet is.Dan amen!Voedster.God straff’ me, als ’t zoo niet is. Dan amen!Wat?Julia.Voorwaar, gij hebt mij wonderbaar getroost.—Ga, deel mijn moeder meê: ik ga ter biecht;Lorenzo wete, hoe ’k mijn vader griefde,En schenke mij vergiff’nis voor mijn schuld.Voedster.Ja daad’lijk, gaarne; zie, nu doet ge wijs.(De Voedster af.)Julia.Vloekwaarde heks, verleidster, booze geest!Is ’t grooter zonde, meineed aan te prijzen,Of mijn gemaal te smaden met die tong,Die menig duizendmaal als weêrgâloosHem heeft geroemd?—Raadgeefster, weg! VoortaanEen klove tusschen ons!—Nu tot Lorenzo;Hij is ’t alleen, van wien ik raad verwacht;En is er geen, dan heb ik stervenskracht.(Juliaaf.)

Derde Bedrijf.Eerste Tooneel.Een marktplein.Mercutio,Benvolio,een Page en Dienaars komen op.Benvolio.Ik bid u, vriend Mercutio, laat ons gaan;’t Is heet vandaag, de Capulets zijn uit,En treffen wij die aan, dan komt er twist,Want bij deez’ hitte woelt het dolle bloed.Mercutio.Gij lijkt er wel een, die, als hij de gelagkamer van een wijnhuis binnenkomt, met zijn zwaard op de tafel slaat en zegt: „God geve, dat ik u niet noodig hebbe”; en die dan, als de tweede roemer zijn werking doet, het trekt op den tapper, als dit toch werkelijk niet noodig is.Benvolio.Ben ik zoo iemand?Mercutio.Ja, ja; gij zijt zoo’n opstuivende kerel in je drift, als er één in Italië loopt, en even zoo kitteloorig om driftig, en even zoo driftig om kitteloorig te worden.Benvolio.Wat meer?15Mercutio.Waarachtig, als er meer zoo waren, dan zou er in korten tijd geen een meer over wezen, want de een zou den ander doodslaan. Gij, waarachtig, gij krijgt met iemand twist, omdat hij een haar meer of een haar minder in zijn baard heeft, dan gij hebt. Gij krijgt met iemand twist, als hij een kastanje schilt, alleen omdat gij kastanje-bruine oogen hebt. Wat oog ter wereld, dan zulk een oog, zou zulk een twist kunnen opsporen? Uw hoofd is van twist zoo vol als een ei, en toch is uw hoofd zoo leeg geslagen als een windei, door uw twistzoeken. Gij hebt twist gezocht met een man, die op straat kuchte, omdat hij uw hond wakker maakte, die in de zon lag te slapen. Zijt gij niet uitgevaren tegen een kleermaker, omdat hij zijn nieuw kamizool aantrok vóór Paschen? en tegen een ander, omdat hij zijn nieuwe schoenen met oude linten opbond? en wilt gij mij de les lezen over twistzoeken?Benvolio.Nu, als ik zoo twistziek was als gij zijt, zou niemand, zelfs voor geen vijf kwartier, een weddingschap op mijn hoofd willen aangaan.Mercutio.Uw hoofd! o dwaashoofd!Benvolio.Bij mijn ziel, daar komen de Capulets.Mercutio.Bij mijn zolen, ik geef er niet om.(Tybalten eenige Anderen komen op.)Tybalt.Volg me op den voet, ik heb met hen te spreken.—40Goên dag, een woord met een van u, mijn heeren!Mercutio.En niets dan één woord met een van ons? Voeg er wat bij, maak er een woord en een slag van.Tybalt.Gij zult er mij bereid genoeg toe vinden, heer, als gij er mij maar aanleiding toe wilt geven.Mercutio.Kunt ge geen aanleiding vinden, al geef ik u die niet?Tybalt.Mercutio, gij harmonieert met Romeo,—Mercutio.Harmonieeren! Wat! wilt ge ons tot muzikanten maken? Als gij muzikanten van ons maakt, reken er dan op niets dan snijdende tonen te hooren; hier is mijn strijkstok, die u wel zal laten dansen. Duivels! harmonieeren!Benvolio.’t Is hier een plein, door menschen druk bezocht;Kiest voor uw twist een afgelegen plek;Of wel, bespreekt te zamen kalm uw grieven;Of gaat uiteen;—hier staart ons ieder aan.Mercutio.Daar heeft een mensch zijn oogen voor, hij staar’!Ik wijk van hier om niemands wil een haar.58(Romeokomt op.)Tybalt.’k Laat u met vrede hier; daar komt mijn man.Mercutio.Een strop voor mij, als hij uw dienstpak draagt;Maar ja, ga hem vooruit naar ’t veld, hij volgt u;In dien zin, heerschap, blijkt hij wis uw man.Tybalt.Romeo, mijn vriendschap laat niet toe, dat ikIets anders zeg dan dit: gij zijt een schurk!Romeo.Tybalt, de grond, dien ’k heb, uw vriend te zijn,Ontschuldig’, dat ik niet zoo toornig word,Als past op zulk een groete;—ik ben geen schurk:Daarom, vaarwel! ik zie, gij kent mij niet.Tybalt.Knaap, dit is geen voldoening voor den hoon,Dien gij mij aandeedt; keer dus om, en trek.Romeo.En ik betuig, dat ik u nimmer hoonde,Maar meer uw vriend ben, dan gij gissen kunt,Aleer gij weet, wàt mij uw vriend doet zijn.—Hoor, Capulet, ik stel uw naam zoo hoogAls van mijzelven;—daarom, wees bevredigd.Mercutio.O makke en laffe en eerlooze onderwerping!Alla stoccata, dat is beter taal.—(Hij trekt zijn zwaard.)Tybalt, gij rattenvanger, durft gij? zeg!Tybalt.Maar wat wilt gij dan toch van mij?Mercutio.Niets anders, waarde kattenkoning, dan een van uw negen levens; dat zal ik zoo vrij zijn u te ontnemen, en de andere acht wil ik voor later gebruik droogkloppen. Wees zoo goed uw degen bij de ooren uit zijn huis te halen, en wat schielijk ook, of de mijne fluit u om de ooren, eer de uwe er uit is.Tybalt(het zwaard trekkend).’k Ben tot uw dienst.Romeo.Mercutio, vriend, steek op uw zwaard!Mercutio.Kom, heer, uw passado.(MercutioenTybaltvechten.)Romeo.Benvolio, trek en sla hun wapens neer!—Schaamt u, mijn heeren! staakt dit vechten!—Tybalt, Mercutio! pas verbood de vorstMet klem dit vechten in Verona’s straten.Tybalt, houd op!—Mercutio!93(Hij komt tusschenbeide:Mercutiowordt onder zijn arm door gewond;Tybalten zijn Volgers af.)Mercutio.Tybalt, houd op!—Mercutio!’k Ben gewond!—De pest haal’ beide uw huizen!—’t Is gedaan;—Ontkwam hij?—ongedeerd?Benvolio.Gij zijt gewond?Mercutio.Ja, ja, een prik, een prik; maar ’t is genoeg.—Waar is mijn page? Vlegel, haal een wondarts.(Page af.)Romeo.Moed, vriend, het kan zoo erg niet zijn.Mercutio.Neen, ’t is niet zoo diep als een put en niet zoo wijd als een kerkdeur, maar ’t is genoeg; ik kan ’t er mee doen: laat morgen maar naar me vragen, ik zal doodbedaard zijn. Ik heb mijn bekomst, dat verzeker ik je, voor dit leventje.—De pest hale beide uw huizen!—Duivels! een hond, een rat, een muis, een kat, dat die een mensch kan krabben, dat hij het besterft! een pochhans, een schurk, een schoelje, die vecht naar de regels van de rekenkunst!—Wat duivel kwam je tusschenbeide? Ik kreeg den steek onder uw arm door.Romeo.Ik deed het al om bestwil.Mercutio.Help me in een huis, Benvolio, of ik zwijmOp straat hier neer.—De pest haal’ beide uw huizen!—Die hebben wormenaas van mij gemaakt;’t Was raak, en goed ook;—beide uw huizen!(MercutioenBenvolioaf.)Romeo.Deze edelman, den hertog na verwant,Mijn trouwe vriend, werd dood’lijk daar gewondOm mijnentwil, mijn goede naam bevlektDoor Tybalts hoon, door Tybalt, sinds een uurMijn bloedverwant!—O, dierbre Julia!Uw lieflijk schoon heeft mij verwijfd gemaakt,En ’t staal der dapperheid in mij verweekt.(Benvoliokomt terug.)Benvolio.O, Romeo, Romeo, onze vriend is dood;Ten hemel is die wakk’re geest gezweefd,Die al te ontijdig de aarde heeft versmaad.Romeo.Veel zwarte dagen spelt deez’ dag van moord;Hij bracht ons wee, en andre zetten ’t voort.(Tybaltkomt weder op.)Benvolio.Hoe! Tybalt, die daar razend wederkeert!126Romeo.Hij levend, juichend! en Mercutio dood!Vaar op ten hemel, zachtheid, die ontziet!U volg ik, woede, gij, die vlammen schiet!—Thans, Tybalt, geef ik u dat „schurk!” terug,Dat gij mij voor de voeten wierpt; thans zweeftKort boven ons Mercutio’s ziel, en wachtOp uwe ziel, dat die haar begeleid’;Of gij, of ik, of beiden gaan met hem.Tybalt.Ellend’ling, gij, die staâg zijn makker waart,Zult met hem gaan.Romeo.Zult met hem gaan.Dit worde aldus beslist!(Zij vechten;Tybaltvalt.)Benvolio.Weg, Romeo, snel! van hier!Het volk is op de been, en Tybalt viel;—Wat suft ge, voort!—de vorst doemt u ter dood,Als men u grijpt;—van hier!—van hier, en vlied!Romeo.’k Ben speelbal der Fortuin!Benvolio.’k Ben speelbal der Fortuin!IJl! sammel niet!(Romeoaf.—Burgers enz. treden op.)Eerste Burger.Waar vlood de moord’naar van Mercutio heen?Waar vlood hij heen, die Tybalt, die het deed?Benvolio.Hier ligt die Tybalt.Eerste Burger.Hier ligt die Tybalt.Heer, sta op! en weet,Ik spreek in ’s vorsten naam, gij gaat met mij.(De Vorst komt op, met Gevolg;MontagueenCapulet,met hun Echtgenooten, en Anderen.)Vorst.Wie wekte deez’ verfoeibre muiterij?Benvolio.Mijn eedle vorst, ik was getuige, en deelU alles mee van dit vloekwaard krakeel.Hij, die daar ligt, geveld door Romeo’s hand,Versloeg Mercutio, uw bloedverwant.Gravin Capulet.Tybalt, mijn neef! O gij, mijns broeders kind!O vorst! mijn neef!—Mijn gâ! men heeft ontzindZijn bloed geplengd!—O hoor ons, Heer, geef toe,Stort, voor ons bloed, nu bloed van Montague!Mijns broeders zoon, mijn neef!Vorst.Door wien, Benvolio, is deez’ strijd ontbrand?Benvolio.Door Tybalt, hier geveld door Romeo’s hand.Eerst sprak hem Romeo vriendlijk toe en weesHem op de nietige oorzaak van den twistEn op uw streng verbod;—maar of hij ookMet zachte stem en kalmen blik, ja, smeekend,Het fel gemoed van Tybalt wou bezweren,—Die dolkop luistert naar geen vrede en richtZijn vlijmend wapen op Mercutio’s borst,Die, even vurig, nu de degens kruist165En, als een fier soldaat, met de’ eersten slagDen dood terugslaat, met den tweeden dienNaar Tybalt zendt, die vlug van oog en handDen stoot weer afweert.—Thans roept Romeo luid:Houdt op, mijn vrienden, vrede! en vlugger nogDan ’t woord, is de arm; hij slaat hun moordstaal neerEn werpt zich tusschenbeide; een valsche stootVan Tybalt trof toen onder Romeo’s armMercutio’s moedig leven; Tybalt vlood;Maar dra keert hij terug tot Romeo,Die na deez’ moord door wraakzucht wordt bezield;En snel als ’t weerlicht volgt hun strijd; want eerIk ’t staal ontbloot om hen te scheiden, ligtDe forsche Tybalt reeds ter neer geveld;En nauwlijks zonk hij neer, of Romeo vlood;Zoo droeg ’t zich toe, of ik verdien den dood.Gravin Capulet.O vorst, hij is den Montagues verwant,Hij spreekt daar leugens, is op hunne hand.Wel twintig van die schelmen vielen aan,En hun geweld kon één man niet weerstaan.Ik smeek om recht: doem Romeo ter dood;Hij is ’t geweest, die Tybalts bloed vergoot.Vorst.Boet Romeo aldus voor Tybalts bloed,Door wien wordt dan Mercutio’s dood geboet?Montague.Door Romeo niet; die was Mercutio’s vriend;Den dood had Tybalt naar de wet verdiend:Hij kwam de wet slechts voor.Vorst.Hij kwam de wet slechts voor.En voor die daadVerban ik hem onmidd’lijk uit den staat.Ikzelf blijf van uw woeden niet bevrijd,Ook mijn bloed vloot door uwen fellen strijd.Maar zulk een boete valle u thans te beurt,Dat ge allen dit verlies van mij betreurt.Op voorspraak, noch verschooning wil ik achten,Mijn vonnis zal geween noch beê verzachten;Beproef dus niets; ’t is goed, dat Romeo vlood,Want keert hij, ’t eigen uur brengt hem den dood.Voert weg dit lijk, en overweegt mijn woord!Genâ voor moord’naars is zoo goed als moord.(Allen af.)Tweede Tooneel.Een kamer inCapulet’shuis.Juliakomt op.Julia.Jaag voort, jaag voort, gij vlammenspattend span,Naar Phebus’ woning! Zulk een wagenaarAls Phaëton, hij zweepte u voort naar ’t west,En bracht ons onverwijld de omwolkte nacht.—Breid uit uw floers, gij nacht, die liefde kroont,Luik ieder zwervend oog, dat RomeoOnzichtbaar, heimlijk, in deze armen snell’!—Voor minnenden straalt eigen schoon genoegBij ’t feest der min, of is de liefde blind,Dan past de nacht er bij.—Kom, eerb’re nacht,In stemmig zwart gehuld, en leer mij thans,Hoe, winnend, te verliezen bij een spel,Welks inzet zijn twee reine maagdebloemen;Huif met uw zwarten mantel ’t angstig bloed,Dat in mijn wangen klept, tot schuwe liefdeStoutmoedig wordt, en ’t doen der echte minVoor niets dan zedigheid en onschuld acht.16Kom, nacht! kom Romeo! gij, dag bij nacht,Die op de vleug’len van de nacht zult schitt’ren,Meer dan ooit sneeuw op veed’ren van den raaf!—Kom, lieve nacht, kom, donkre liefdenacht,Geef mijnen Romeo mij; en sterft hij eens,Herneem, en deel hem dan in kleine sterren;Dan schenkt hij ’s hemels aanschijn zulk een glans,Dat heel de wereld op de nacht verlieft,En niemand meer den pronk der zonne huldigt.—O, ’k heb een liefdewoning mij gekocht,Maar niet betrokken; zelf ben ik verkocht,Maar steeds nog niet aanvaard. O, deze dagDuurt mij zoolang, als de avond voor een feestdagAan ’t hunk’rend kind, dat nieuwe kleed’ren heeftEn nog niet aan mag trekken.—O! daar komtMijn voedster; zij brengt nieuws; en elk, wiens tongMijn Romeo slechts noemt, spreekt hemeltaal.—(De Voedster komt op met een ladderkoord.)Nu zeg, wat is ’t? wat hebt ge daar? het koord,Dat Romeo u halen liet?Voedster.Dat Romeo u halen liet?Ja, ’t koord.(Zij werpt het op den grond en wringt de handen.)Julia.Wee mij, wat is ’t? Wat is dat handenwringen?Voedster.O hemel, hij is dood, is dood, is dood!Wij zijn verloren, jonkvrouw, zijn verloren!O, welk een dag! hij is gedood, vermoord!Julia.Gij, hemel, zoo verbolgen?Voedster.Gij, hemel, zoo verbolgen?Romeo is ’t;De hemel is het niet.—O Romeo, Romeo—Wie had dit kunnen denken?—Romeo—Julia.Wat booze geest zijt gij, die zoo mij martelt?Deez’ kreet waar’ goed bij foltring in de hel.Heeft Romeo zich gedood? Is ’t antwoord „ja”,Dan is die klank, dat „ja” een scherper gift,Dan ’t doodlijk blikken van den basilisk,Dan ben ’k vernietigd door dat enkle woord,En ’t sluiten van zijn oog sluit ook het mijn.Is hij gedood, zeg „ja”, zoo niet, zeg „neen”,Mijn wel of wee hangt aan dien klank alleen.Voedster.Ik zag de wond, zag die met eigen oog,—52God help’ mij!—hier, vlak in die forsche borst;Een aak’lig lijk, een bloedig, aak’lig lijk,Grauw, grauw als asch, geheel met bloed bevlekt,—Geronnen bloed;—ik zwijmde, toen ik ’t zag.Julia.O, breek mijn hart!—arm bankroetier, o breek!Ter gijz’ling, oogen, kent geen vrijheid meer;Laag stof, keer weer tot stof! leg ’t leven af!En u en Romeo berge ’tzelfde graf!Voedster.O Tybalt, Tybalt! gij, mijn beste vriend!Beleefde Tybalt, wakk’re en eed’le heer!Dat ik ’t beleven moest, u dood te zien!Julia.Wat storm is dit, die van twee kanten loeit?Is Romeo vermoord, en Tybalt dood?Mijn liefste neef, en eindloos liever gâ?—Dan, schrikbazuin, blaas dan den jongsten dag!Want wie, wie leeft, zijn deze twee niet meer?Voedster.Tybalt is dood, en Romeo verbannen;Romeo, die hem gedood heeft, is verbannen.Julia.O God!—heeft Romeo Tybalts bloed gestort?Voedster.Ja, ja, o jammerdag! hij deed het, ja!Julia.O slangenhart, bij bloemzoet aangezicht!Woonde ooit een draak in zulk een schoone grot?Verleid’lijk woest’ling! duivel in een lichtkleed!Gij raaf in duivedos! wolfsch-vratig lam!Verfoeibre kern, door ’t godd’lijkst schoon omhuld!Boos tegendeel van ’t goede, dat gij schijnt!Vloekwaarde heilige! eerbiedwaarde schurk!—Natuur, waartoe ter helle neergedaaldOm zulk een euv’len geest, dien gij deedt wonenIn zulk een vleeschgeworden paradijs?—Wie gaf een boek van zulk een snooden inhoudOoit zulk een schoonen band? O, dat bedrogZulk prachtpaleis bewonen mag!Voedster.Zulk prachtpaleis bewonen mag!Er isGeen trouw, geen braafheid meer in mannen; allenZijn trouwloos, valsch, meineedig, allen huichlaars.—Waar is mijn dienaar? Geef mij iets versterkends;—Die kommer, zorg en droefheid maakt mij oud.Smaad, schande op Romeo!Julia.Smaad, schande op Romeo!Uw tong verstijv’Om zulk een wensch! hem werd nooit smaad bestemd;Smaad is beschaamd te zeet’len op zijn voorhoofd;Dat is een troon, waar, als beheerscheresDer gansche wereld, de eere zij gekroond!O, ’k was geen mensch, toen ik hem daar beschimpte!95Voedster.Wilt gij den moord’naar prijzen van uw neef?Julia.Zou ik mijn heer dan smaden, mijn gemaal?Wiens tong zal, arme, uw naam in eere houden,Nu ik, drie uur uw vrouw, hem heb gesmaaldMaar, booze man, wat dooddet gij mijn neef?Die booze neef doodde anders mijn gemaal.Terug, gij dwaze tranen, naar uw bron;Aan weedom komt die droppelplenging toeVloeit niet, verdwaasd, om wat verblijdend is.Mijn gade leeft, dien Tybalt wou verslaan;Dood is die Tybalt, die mijn gâ wou dooden.Troost is dit alles; waarom ween ik dan?Er was een erger woord dan Tybalts dood,Dat mij versloeg. Waar’ ’t uit mijn ziel gewischt!Maar o! het klemt zich vast in mijn geheugenAls zware schuld in ’t zondige gemoed,„Tybalt is dood en Romeo—gebannen!”„Gebannen!” O, dat ééne woord „gebannen”Verslaat tien duizend Tybalts. Tybalts doodWaar’ wee genoeg, volgde ook geen verder wee;Of,—zoekt het leed zich steeds een metgezelEn sleept het altijd andre smarten mee,—Waarom volgde op dat „dood is Tybalt” niet„Uw vader” of „uw moeder”, ja, of beiden,Die passend rouwbeklag betreuren mocht?Maar door wat nakwam achter Tybalts dood,Dat „Romeo is gebannen”, door dat woordZijn vader, moeder, Tybalt, Romeo, allen,En ook ikzelf, verslagen en gevallen;Ja eind- en grens- en maatloos is de doodVan ’t eene woord; onpeilbaar is mijn nood.—Waar zijn mijn vader en mijn moeder? waar?Voedster.Weeklagend, weenend staan ze aan Tybalts baar;Zal ik u bij hen brengen?Julia.Zal ik u bij hen brengen?Wasschen zijZijn wonden met hun tranen, o, die zijnReeds lang gedroogd, dan vloeien nog de mijn’Om Romeo’s ballingschap. Uw toekomst, koord,Is, als de mijn’, door dezen doem verstoord;Door u waar’ hij ten top van heil verheven,Ik eindig vroeg mijn maagdlijk weduwleven.Breng ’t koord mij na, waar ’t bruidsbed is gespreid;De dood, niet Romeo, neem’ mijn maagdlijkheid!Voedster.Ga naar uw kamer; Romeo zal ik halenOm u te troosten; ’k weet wel, waar hij is.Geloof mij, Romeo komt nog deze nacht;Hij is verborgen in Lorenzo’s cel.Julia.O! breng deez’ ring en zeg hem: ik verwachtVan mijn getrouwen gade ’t laatst vaarwel.(Beiden af.)Derde Tooneel.De cel van broederLorenzo.BroederLorenzoen Romeo komen op.Lorenzo.Kom, Romeo, voor den dag, gij man van vrees;Bekomm’ring klemt verliefd zich aan u vast,Ellende is u een levensgezellin.Romeo.Vader, hoe is ’t? wat vonnis sloeg de vorst?Wat rampspoed is ’t, die thans de hand mij grijpt,En dien ik nog niet ken?Lorenzo.En dien ik nog niet ken?Te veel, mijn zoon,Zoekt gij den omgang van zoo droeve vrienden;Ik breng bericht van ’t vonnis van den vorst.Romeo.Is ’t minder, vader, dan het laatst gericht?Lorenzo.Een zachter vonnis vloot hem van de lippen,Het brengt geen dood, het brengt u ballingschap.Romeo.Ha, ballingschap?—Erbarming! zeg mij—„dood”!Verbanning is verschrikk’lijker van aanblik,Veel meer dan dood!—o, zeg niet—„ballingschap”.Lorenzo.Hier van Verona slechts zijt gij verbannen;Wees kalm, de wereld toch is ruim en wijd.Romeo.De wereld is slechts in Verona’s wallen,Daarbuiten folt’ring, vagevuur, de hel.Verbannen is verbannen van de wereld;Die ballingschap is dood;—dus is „verbanning”De dood, misnoemd. Noemt gij den dood—„verbanning”,Gij houwt mij ’t hoofd af met een gouden bijl,En glimlacht bij den slag, die mij vermoordt.Lorenzo.O zware zonde, o, zwarte ondankbaarheid!De wet eischt uwen dood; de goede vorstErbarmt zich uwer, stoot de wet ter zij,Verkeert dat woord „ter dood” in „ballingschap”;Dat is genade, en gij erkent het niet.Romeo.’t Is mart’ling, geen genâ; hier is de hemel,Waar Julia woont, en ied’re kat en hondEn kleine muis, ja ’t laagste schepsel, leeftHier in den hemel, want het mag haar zien,Slechts Romeo niet.—Meer waarde, hoog’ren stand,Meer recht tot liefdediensten heeft een vliegDan Romeo; dat wonderblank der handDer dierbre Julia roert zij vrij aan,En steelt zich hemelwellust van haar lippen,Die rein en met Vestaalsche zedigheidSteeds blozen, alsof kussen zonde waar’;39Doch Romeo mag het niet; hij is verbannen;Wat vliegen mogen doen, moet ik ontvliên;Zij leven vrij, maar ik, ik ben verbannen;En zegt gij nog, „verbanning is geen dood”?Hadt gij geen gift, geen scherp geslepen mes,Geen spoedig werkend middel, hoe veracht,Dan—„ballingschap”—om mij te dooden? „Ballingschap”!O, vader, spreken in de hel verdoemdenDit woord, dan volgt gehuil; hoe hebt gij ’t hart,Gij godsman, geestelijke vader, gij,Ontheffer van de zonde, uw dierbren zoonTe brijz’len met dat woord van „ballingschap?”Lorenzo.Gij dolle liefdedwaas, hoor toch een woord!Romeo.O weer een woord, gewis, van ballingschap.Lorenzo.’k Geef u een harnas, waar dat woord op afstuit,De zoetste melk in ’t leed: philosophie,Die u, al zijt gij balling, troosten zal.Romeo.Toch „ballingschap!”—Weg met philosophie!Indien philosophie geen Julia schept,Geen stad verzet, geen vorstenvonnis stuit,Dan baat zij niets, vermag niets; dan geen woord!Lorenzo.O, ’k zie te wel, krankzinnigen zijn doof!Romeo.Geen wonder, als de wijzen blinden zijn!Lorenzo.Kom, overleggen we eens, hoe ’t met u staat.Romeo.Van wat gij niet gevoelt, kunt gij niet spreken.Waart gij zoo jong als ik, en Julia de uwe,Slechts voor een uur gehuwd, Tybalt vermoord,Verliefd als ik, verbannen zooals ik,Dan mocht ge spreken, woelen in uw haar,U storten op den grond, als ik nu doe,Om u een ongedolven graf te meten.(Er wordt geklopt.)Lorenzo.Op Romeo, op! daar wordt geklopt; verberg u.Romeo.Ach neen; ik laat de zuchten van mijn zielMij als een mist voor ’t vorschend oog omhullen.(Er wordt weder geklopt.)Lorenzo.’t Geklop houdt aan!—Wie is daar?—Romeo, op!Men vat u zeker!—Op!(Geklop.)Een oogenblik geduld!IJl in mijn bidcel ginds!—Zoo daadlijk, ja!—God, welk een dwaasheid!—Ja, ik kom, ik kom!(Geklop.)Wie klopt zoo luid? Wie zijt gij en wat wilt gij?Voedster.Laat mij toch binnen; ’k breng een boodschap over;Ik kom van jonkvrouw Julia.80Lorenzo.Ik kom van jonkvrouw Julia.Welkom dan.(De Voedster treedt binnen.)Voedster.O heil’ge vader, zeg mij, heil’ge vader,Waar is haar man toch? waar is Romeo?Lorenzo.Daar op den grond, bedwelmd door eigen tranen.Voedster.O, hij is als mijn jonkvrouw, juist als zij.O, ’tzelfde wee, beklaagbre staat! Juist zooLigt zij en snikt en weent, en weent en snikt.—Sta op, sta op! zijt gij een man, sta op!Om Julia’s wil, om harentwil, rijs op!Waarom verzonken in zoo diep een wee?Romeo.Ach, goede vrouw!Voedster.Ach, heer, ach, heer!—De dood is aller lot.Romeo.Spraakt gij van Julia? spreek, hoe is ’t met haar?Houdt zij mij niet voor moord’naar van nature,Nu ik met bloed, haar bloed zoo na verwant,De kindsheid onzer vreugde heb bespat?Waar is zij en hoe is ’t haar? O hoe diepIs zij verstoord om ons verstoord geluk?Voedster.Zij spreekt geen enkel woord, maar weent en weent;Nu stort ze neer op ’t bed, dan weer vliegt ze op,En „Tybalt!” roept ze, en schreit om RomeoEn zijgt op nieuw ter neer.Romeo.En zijgt op nieuw ter neer.Als bracht die naam,Uit doodelijke buks geschoten, haarDen dood, zooals de vloekhand van dien naamHaar bloedverwant den dood bracht!—Zeg mij, vader,Waar in deez’ snooden stofklomp huist mijn naam?O zeg ’t mij, zeg ’t, opdat ik ’t vloekbre huisTen grond toe sloop’!(Hij trekt zijn dolk.)Lorenzo.Ten grond toe sloop’!Weerhoû die dolle hand!Zijt gij een man? Uw uiterlijk roept „ja”;Gij weent, gelijk een vrouw; uw woest gedragIs als het reed’loos woeden van een dier.Onschoone vrouw, in ’t schijnschoon van een man;Wanschapen dier, dat beider schijn vereent!Ik sta verbaasd; ja, bij mijn heilige orde,Ik achtte uw geest meer tegen ’t leed gestaald.Versloegt ge Tybalt? Wilt ge uzelf verslaan?En wilt ge uw gâ, die in uw leven leeft,117Door uw vloekwaarden zelfhaat doen vergaan?Wat smaalt gij op uw stam, op aarde en hemel?Schoon stam en aarde en hemel, die ge saamWegwerpen wilt, in u vereenigd zijn.Gij smaadt uw leest, uw liefde en uwen geest!Een woekeraar gelijk, hebt ge overvloedVan goeds, maar maakt van niets het recht gebruik,Dat eere schenkt aan leest en liefde en geest;Een wassen beeld slechts is uw lichaamsschoon,Verzaakt gij zoo de kloekheid van een man;Een ijdle meineed is uw liefdeseed,Doodt gij die liefde, aan wie gij liefde zwoert;Uw geest, die leest en liefde u sieren moest,Te uitzinnig om deez’ twee tot gids te zijn,Vat vuur door eigen onverstand, gelijk’t Kruit in de flesch eens onbedreven krijgers;Wat u beschermen moest, brengt u verderf.Verman u, Romeo! uw Julia leeft,Om wie ge als dood zoo even nederlaagt;Ziedaar reeds heil! u wilde Tybalt dooden,En gij hebt hèm gedood; alweder heil!’t Recht, dat met dood u dreigde, wordt uw vriend,En dood wordt ballingschap; ook dit is heil!Een last van zegen daalt u op de schoudren;’t Geluk in pronkgewaad vleit om uw gunst,Maar, als een eigenzinnig, geem’lijk meisje,Pruilt gij bij al uw liefde en uw geluk.Hoed, hoed u; schriklijk sterft wie zóó misdoet!—IJl tot uw gâ, zooals besloten was;Beklim haar kamer, ga en breng haar troost;Maar toef er niet, totdat men wachten stelt,Die u den weg naar Mantua versperren.Dáár woont gij, tot gelegen tijd uw echtBekend make, en uw vrienden weer verzoen’,En vorstlijke genade u herwaarts roep’,Met twintig honderd duizendmaal meer vreugd,Dan gij met jammer thans van hier vertrekt.—Ga, goede vrouw, breng uw meestres mijn groet,En zeg haar zorg te dragen, dat een elkVan ’t huisgezin zich vroeg ter rust begeev’;—De droefnis zoekt van zelve reeds de rust;—En meld haar: Romeo komt.Voedster.En meld haar: Romeo komt.O Heere God;Hoe gaarne bleef ik luistren, heel de nacht,Naar zooveel goeds. Wat is geleerdheid schoon!—Ik meld, heer, mijn meesteresse, dat gij komt.Romeo.Ga, zeg ook, dat ik haar verwijten wacht.162Voedster.Hier is een ring, heer, dien ’k u geven moet.Maar spoed u, haast u, want reeds wordt het laat.(De Voedster af.)Romeo.O, hoe is nu de moed in mij herleefd!Lorenzo.Ga nu, vaarwel! Denk, waar uw lot aan hangt:Ga ’t zij aleer de wacht is uitgezet,’t Zij met den daag’raad, maar vermomd, van hier.Verblijf in Mantua; ik zoek uw dienaar,En zend van tijd tot tijd door hem bericht,Als iets gebeurt, dat gunstig voor u is.Reik mij de hand, ’t is laat; vaarwel, vaarwel!Romeo.Zoo vreugde boven vreugd mij niet verbeidde,Het waar’ mij leed, dat ik zoo haastig scheide.Vaarwel!(Beiden af.)Vierde Tooneel.Een kamer inCapulet’shuis.Capulet,GravinCapuletenPariskomen op.Capulet.Het liep hier alles tegen, vriend; er wasGeen tijd om bij mijn dochter aan te dringen;Ziet gij, zij was aan Tybalt zeer gehecht;Ik ook;—maar sterven is ons aller lot.—’t Is laat, zij komt van avond niet beneden;En ’k moet ook zeggen, zonder uw bezoekWare ik al voor een uur ter rust gegaan.Paris.Deez’ tijd van rouw is wis geen tijd van trouw;—Dus goede nacht, gravin; ik bid u, spreekEen woord te mijnen gunste bij uw dochter.Gravin Capulet.’k Zal morgen peilen, hoe ze er over denkt.Deze’ avond sloot ze met haar smart zich op.Capulet.Graaf, ’k waag ’t voor Julia’s jawoord in te staan;Ik denk, ze doet in alles naar mijn wensch,Ja meer, ik twijfel zelfs geen oogenblik.Ga tot haar, vrouw, eer ge u ter rust begeeft,Bericht haar, hoe zoon Paris haar bemint,En zeg haar, dat, let wel, aanstaanden Woensdag,—Maar stil, wat is ’t vandaag?Paris.’t Is Maandag, heer.Capulet.Maandag, o ja. Neen, Woensdag is te kort;Maar Donderdag,—ja, zeg haar, DonderdagTreedt zij in ’t huwlijk met deze’ eed’len graaf.—Zijt gij bereid? en is die haast u welkom?Wij vieren ’t onder ons;—een vriend of twee;—Want, ziet ge, Tybalt is zoo pas vermoord,En vierden wij ’t met praal, licht zou men denken,Dat onze neef ons onverschillig was.Wij vragen dus een zes of zeven vrienden,En daarmeê uit.—Is Donderdag u goed?Paris.O ’k wenschte, morgen ware ’t Donderdag.Capulet.Goed, afgesproken;—’t blijft dus Donderdag.—Ga, vrouw, naar Julia, voor gij slapen gaat;Bereid haar op den huwlijksfeestdag voor.—Vaarwel dus!—Hé, brengt licht in mijn vertrek!—O foei, ’t is meer dan laat; het is bijnaWeer vroeg te noemen. Nogmaals, goede nacht.(Allen af.)Vijfde Tooneel.De kamer vanJulia.RomeoenJuliakomen op.Julia.Wilt gij reeds gaan? Het is nog lang geen dag;Het was de nachtegaal, de leeuwrik niet,Wiens schelle stem in ’t angstig oor u drong;Op dien granaatboom zingt hij elke nacht.Geloof me, lieve, ’t was de nachtegaal.Romeo.Het was de leeuwrik, ’s daag’raads bode, en nietDe nachtegaal; zie, lieve, daar in ’t oost,Wat booze strepen ’t scheurend zwerk omzoomen;De nacht heeft lang haar kaarsen opgebrand,En vroolijk gluurt, hoog op de teenen staand,De dag daar van der bergen neveltoppen;Ik moet nu gaan en leef, of blijf en sterf.Julia.Dat is geen daglicht daar, ik weet het, ik;’t Is een verheev’ling, uit de zon gevloeid,Die u deez’ nacht tot fakkeldrager zij,En voorlichte op uw weg naar Mantua;O toef dus nog; uw heengaan heeft nog tijd.Romeo en Julia, Derde Bedrijf, Vijfde Tooneel.Romeo en Julia, Derde Bedrijf, Vijfde Tooneel.Romeo.Men grijp’ mij dan, en leide mij ter dood;’t Is ook mijn keuze, als gij het zoo verlangt.Neen, dat is niet het stralend oog des morgens,Maar bleeke weerglans van ’t gelaat der maan;’t Is ’t lied des leeuwriks niet, dat boven onsHoog aan ’t gewelf des hemels wordt weerkaatst;O zalig blijven! bitter is ’t vaarwel;—Wees welkom, dood! ’t is Julia’s bestel.—Kom, liefste! een zoet gesprek! het daagt nog niet.Julia.Het daagt, het daagt! spoed, spoed u heen en vlied!’t Is wel de leeuwrik, die zoo snerpend valschMet scherpe keel zijn schrille trillers gilt;Men zegt wel, dat de leeuwrik lieflijk zingt,Maar deze niet, die schettert ons vaneen;Men zegt, dat pad en leeuwrik de oogen ruilden;O! hadden zij van stem dan ook geruild,Daar toch die stem u uit mijn armen wringt,En als een jachtkreet u tot vluchten dringt!—O, ga nu; licht en lichter wordt de morgen!Romeo.Licht, lichter! zwart en zwarter onze zorgen!36(De Voedster komt op.)Voedster.Jonkvrouw!Julia.Wat is er, minne?Voedster.Uw moeder is op weg naar dit vertrek;Wees op uw hoede; zie, de dag breekt aan.(De Voedster af.)Julia.Laat, venster, ’t licht dan binnen, ’t leven gaan.Romeo.Vaarwel, vaarwel! één kus nog, ik moet heen!(Hij daalt af.)Julia.Mijn vriend, mijn gâ, mijn ziel! ik blijf alleen;O, zend mij tijding iedren dag van ’t uur,Want één minuut omsluit wel meen’gen dag;En naar die reek’ning ben ik hoogbejaard,Eer ik u wederzie, mijn Romeo.Romeo.Vaarwel! Zoodra ’k de mooglijkheid bevroed,En telkens, liefste, zend ik u mijn groet.Julia.O, zeg, gelooft gij aan ons wederzien?Romeo.O, ’k twijfel niet, en in de toekomst is’t Geleden wee ons stof tot zoet gesprek.Julia.O God! een voorgevoel beklemt mijn hart!Nu gij beneden staat, nu is ’t me, als zag ikU dood, daar in de diepte van een graf;Bedriegt mijn oog mij niet, dan ziet gij bleek.Romeo.Zoo komt ook gij mij voor. Ja, zielsverdrietDrinkt, liefste, ons bloed. Vaarwel, vaarwel, en vlied!(Romeoaf.)Julia.Fortuin, fortuin! een ieder noemt u wuft!En zijt gij wuft, wat doet ge dan met hem,Die zich getrouw betoont? Wees wuft, Fortuin,Dan hoop ik, houdt gij hem niet lang, maar geeftHem dra mij weer.Gravin Capulet(achter het tooneel).Hé, Julia, zijt gij op?Julia.Wie roept mij daar? is ’t niet mijn moeders stem?Is zij nog niet ter rust, of zoo vroeg op?Wat ongewone reden voert haar hier?(GravinCapuletkomt op.)Gravin Capulet.Wat is er, Julia?Julia.Wat is er, Julia?Moeder, ’k ben niet wel.Gravin Capulet.Beweent ge steeds den dood nog van uw neef?Al wiescht gij hem met tranen uit zijn graf,Toch riept ge hem in ’t leven niet terug;Bedwing u dus; gepaste rouw toont liefde,Maar te veel rouw toont mangel aan verstand.Julia.O laat mij weenen om mijn grievend leed!Gravin Capulet.Te dieper grieft u ’t leed, maar ’t roept den vriend,Dien gij beweent, niet weer.77Julia.Dien gij beweent, niet weer.Het grieft te diep;Ik kan niet anders dan den vriend beweenen.Gravin Capulet.’t Is minder, kind, zijn dood, dien gij beweent,Dan dat de schurk nog leeft, die hem versloeg.Julia.Gij zegt, die schurk?Gravin Capulet.Ja, Romeo, die schurk.Julia(ter zijde).Een schurk en hij, wat hemelsbreed verschil!—(Luid.)Vergeev’ hem God! ik doe ’t met heel mijn hart;En toch, geen man wondde ooit als hij mijn hart.Gravin Capulet.’t Is enkel, dat die schelmsche moorder leeft.Julia.En waar deze arm hem niet bereiken kan!—O! wierd aan mij alleen de wraak vertrouwd!Gravin Capulet.De wraak zal ons geworden, wees getroostEn ween niet langer zoo. Ik vind wel iemandIn Mantua, waar de verworp’ling leeft,Die zulk een ongewonen dronk hem reikt,Dat hij weldra met Tybalt samenwoont;En dan is, hoop ik, uw gemoed voldaan.Julia.Voorwaar, dat blijft, wat Romeo betreft,Steeds onvoldaan, aanschouw ik hem niet—dood—Doorboord is ’t hart mij, om mijn nabestaande!—Maar hadt gij iemand opgespoord, die hemVergif wou reiken, zelf zou ik het mengen,En zóó, dat Romeo, ’t gebruikend, rasIn vrede sliep.—O, schrikk’lijk is ’t, zijn naamTe hooren, en hem niet nabij te zijn,Om van mijn liefde voor mijn armen neefMe aan hem te kwijten, die hem heeft gedood.Gravin Capulet.Vind gij de midd’len;—ik vind wel den man.—Maar hoor, ik breng u blijde tijding, kind!Julia.Bij zooveel druk moet blijdschap welkom zijn.—Wat blijde tijding brengt mijn moeder mij?Gravin Capulet.Hoor dan, gij hebt een zorgend vader, kind!Een, die, om u te ontheffen van uw druk,Een dag van vreugd u plotsling heeft bereid,Dien gij niet wachttet, ik niet had voorzien.Julia.O zeg, wat is dat, moeder, voor een dag?Gravin Capulet.Begrijp, mijn kind, aanstaanden Donderdag113Zal u een jong en wakker edelman,Graaf Paris, in Sint Petrus’ dom reeds vroegNaar ’t altaar leiden, als zijn blijde bruid.Julia.Nu, bij Sint Peters dom en Petrus zelf,Daarheen leidt hij mij niet als blijde bruid.Wat wonderbare haast! een echt, aleerDe man, dien ’k huwen zou, mijn liefde vroeg!Ik bid u, moeder, zeg mijn heer en vader,Dat ik nog niet wil huwen, en, ik zweer ’t,Als ik het doe, nog eerder RomeoZou nemen,—en gij weet, hoe ik hem haat!—Dan Paris.—Nieuws, voorwaar, is ’t wat gij meldt!Gravin Capulet.Daar komt uw vader; deel dit zelf hem mee,En hoor welk antwoord hij u geven zal.(Capuleten de Voedster komen op.)Capulet.Bij ’t ondergaan der zon drupt dauw op de aard;Bij ’t ondergaan des zoons van mijnen broederIs ’t hier een stortbui.—Wat! nog immer weenend!Zijt ge een fonteinbeeld, meisje? En telkens weerEen nieuwe tranenvlaag! Uw nietig lichaamSpeelt hier voor zee en wind en bark meteen;Uw oogen zijn een ware zee te noemen,Met tranenvloed en eb; uw lichaam isDe boot, die ’t zilte nat bezeilt; uw zuchtenDe stormwind, die, met uwe tranen worstlend,Als zij met hem, ’t van storm geslingerd schipZal brijz’len, als het weêr niet fluks bedaart.—Hoe is ’t? Hebt ge ons besluit haar meêgedeeld?Gravin Capulet.Ik deed het, maar ze wil niet, zegt u dank.O, waar’ ’t zottinnetje aan haar graf gehuwd!Capulet.Wacht, vrouw; spreek duid’lijker, spreek duid’lijker!Wat! wil zij niet? en zegt zij ons geen dank?Is zij niet trotsch op zulk een grooten zegen,Dat hare onwaardigheid zoo’n waardig manAls bruidegom ontvangt van onze hand?Julia.Niet trotsch, maar dankbaar voor uw goeden wil;Trotsch kan ik nimmer zijn op wat ik haat,Maar dankbaar, bij dien haat, voor ’t liefdrijk doel.Capulet.Zie, wat spitsvondig nest! wat praat is dit?„Trotsch” en „ik dank u” en „ik dank u niet”,En toch „niet trotsch”;—hoor! preutsche, kleine heks,Geen dankjes mij gedankt, geen trots getrotst!Uw fijne voetjes dragen ’t fijne popjeOp Donderdag met Paris naar den dom,Of op een horde sleep ik u er heen.Dat blijft zoo; voort, gij bleekneus! voort, gij feeks!Gij wasgezicht!158Gravin Capulet.Foei, foei, wat raast ge, man!Julia.Mijn goede vader, op mijn knieën smeek ik,Hoor slechts een enkel woord geduldig aan.Capulet.Ter helle, jonge feeks! weerspannig ding!Ik zeg u,—scheer u Donderdag ter kerke,Of kom mij nimmer weder onder ’t oog.Geen woord, geen tegenspraak, geen antwoord meer!Mijn vingers jeuken.—Vrouw, wij dachten eens,Dat ons dit eenig kind ten zegen was;Nu blijkt, dit eenige is nog één te veel,En haar bezit is ons een vloek, een vloek!Verworp’ne, weg!Voedster.Verworp’ne, weg!De Hemel zeeg’ne haar!Heer, ’t is niet goed gedaan; vaar zoo niet uit!Capulet.Ei zoo, vrouw wijsheid? Wat! Bedwing uw tong;Bemoeial, snap met uw kornuiten! weg!Voedster.Ik zeg toch niets, dat kwaad is.Capulet.Ik zeg toch niets, dat kwaad is.Ga met God!Voedster.Mag niemand dan iets zeggen?Capulet.Mag niemand dan iets zeggen?Zwijg, oud vel!En kraam uw wijsheid uit bij uws gelijken;Hier komt ze niet te pas.Gravin Capulet.Hier komt ze niet te pas.Gij zijt te fel.Capulet.Gods sacrament! het maakt me dol. Dag, nacht,Bij tijd en ontijd, spel en arbeid, immer,Alleen en in gezelschap, was ’t mijn zorgVoor haar een man te vinden; en nu ikEen edelman van goeden stam, van midd’len,Heb opgespoord, nog jong, wel opgevoed,Om zoo te zeggen opgepropt met deugden,Een man, als ieder meisje wenschen zou,Nu komt me daar zoo’n voddig, grienend nest,Zoo’n nuf, nu zij ’t geluk voor ’t grijpen heeft,En antwoordt: „neen, ik trouw niet;”—„neen, ik kanHem niet beminnen;”—„’k ben te jong;”—„vergeef me!”Wilt gij geen man, nu goed, mij is het wel;Graas waar gij wilt, gij huist bij mij niet meer;Let op; bedenk, dat ik geen scherts versta.De Donderdag klopt aan; weet wat gij kiest!Doet gij mijn wil, ik geef u aan mijn vriend;—Zoo neen: ga, bedel, honger, sterf op straat;Zoo waar ik leef, verlooch’nen doe ik u,En niets van ’t mijn’, dat ooit ten deel u valt;Bedenk dus wel; en weet, ik staaf mijn eed.(Capuletaf.)Julia.Troont in de wolken geen erbarming meer,198Die in de diepte blikt van mijn ellend?—O, lieve moeder, ach, verstoot mij niet!Verschuif dit huwlijk nog een maand, een week;Of, wilt gij dit niet, spreid het bruidsbed mijIn ’t sombre grafgewelf, waar Tybalt ligt.Gravin Capulet.Spreek niet tot mij, ik spreek geen enkel woord;Doe wat ge wilt, ik heb met u gedaan!(GravinCapuletaf.)Julia.O God!—Spreek, voedster, hoe is dit te keeren?Mijn gade leeft op aard, mijn trouw bij God!Hoe keert die trouw naar de aard’, tenzij die gâDeze aard ontwijke en uit den hemel mijMijn trouw terugzend’?—Geef mij troost, geef raad!—Wee mij! hoe kan de hemel ooit een wezen,Zoo teer als ik, arglistig zoo belagen?—Wat zegt gij, voedster? hebt ge niet één woord,Geen enkel, dat mij opbeurt en vertroost?Voedster.Voorzeker, hoor slechts: Romeo is verbannen;En, alles tegen niets, hij komt niet weer,En eischt u nimmer op;—of waagt hij dit,Dan is ’t ter sluik. Zooals de zaken staan,Schijnt mij het best, dat gij den Graaf maar trouwt.’t Is een beminn’lijk man, en RomeoIs er een stoflap bij; een arend, jonkvrouw,Heeft zulk een schitt’rend, helder, wakker oogAls Paris niet. Ja, bij mijn zaligheid,Deez’ tweede keus is uw geluk; ze is beterDan de eerste was; en, zelfs al waar’ ’t zoo niet,Uw eerste man is dood,—zoo goed als dood,Al leeft hij nog, daar gij niets aan hem hebt.Julia.Meent gij dit met uw hart?228Voedster.Meent gij dit met uw hart?Met hart en ziel.God straff’ me, als ’t zoo niet is.Julia.God straff’ me, als ’t zoo niet is.Dan amen!Voedster.God straff’ me, als ’t zoo niet is. Dan amen!Wat?Julia.Voorwaar, gij hebt mij wonderbaar getroost.—Ga, deel mijn moeder meê: ik ga ter biecht;Lorenzo wete, hoe ’k mijn vader griefde,En schenke mij vergiff’nis voor mijn schuld.Voedster.Ja daad’lijk, gaarne; zie, nu doet ge wijs.(De Voedster af.)Julia.Vloekwaarde heks, verleidster, booze geest!Is ’t grooter zonde, meineed aan te prijzen,Of mijn gemaal te smaden met die tong,Die menig duizendmaal als weêrgâloosHem heeft geroemd?—Raadgeefster, weg! VoortaanEen klove tusschen ons!—Nu tot Lorenzo;Hij is ’t alleen, van wien ik raad verwacht;En is er geen, dan heb ik stervenskracht.(Juliaaf.)

Derde Bedrijf.Eerste Tooneel.Een marktplein.Mercutio,Benvolio,een Page en Dienaars komen op.Benvolio.Ik bid u, vriend Mercutio, laat ons gaan;’t Is heet vandaag, de Capulets zijn uit,En treffen wij die aan, dan komt er twist,Want bij deez’ hitte woelt het dolle bloed.Mercutio.Gij lijkt er wel een, die, als hij de gelagkamer van een wijnhuis binnenkomt, met zijn zwaard op de tafel slaat en zegt: „God geve, dat ik u niet noodig hebbe”; en die dan, als de tweede roemer zijn werking doet, het trekt op den tapper, als dit toch werkelijk niet noodig is.Benvolio.Ben ik zoo iemand?Mercutio.Ja, ja; gij zijt zoo’n opstuivende kerel in je drift, als er één in Italië loopt, en even zoo kitteloorig om driftig, en even zoo driftig om kitteloorig te worden.Benvolio.Wat meer?15Mercutio.Waarachtig, als er meer zoo waren, dan zou er in korten tijd geen een meer over wezen, want de een zou den ander doodslaan. Gij, waarachtig, gij krijgt met iemand twist, omdat hij een haar meer of een haar minder in zijn baard heeft, dan gij hebt. Gij krijgt met iemand twist, als hij een kastanje schilt, alleen omdat gij kastanje-bruine oogen hebt. Wat oog ter wereld, dan zulk een oog, zou zulk een twist kunnen opsporen? Uw hoofd is van twist zoo vol als een ei, en toch is uw hoofd zoo leeg geslagen als een windei, door uw twistzoeken. Gij hebt twist gezocht met een man, die op straat kuchte, omdat hij uw hond wakker maakte, die in de zon lag te slapen. Zijt gij niet uitgevaren tegen een kleermaker, omdat hij zijn nieuw kamizool aantrok vóór Paschen? en tegen een ander, omdat hij zijn nieuwe schoenen met oude linten opbond? en wilt gij mij de les lezen over twistzoeken?Benvolio.Nu, als ik zoo twistziek was als gij zijt, zou niemand, zelfs voor geen vijf kwartier, een weddingschap op mijn hoofd willen aangaan.Mercutio.Uw hoofd! o dwaashoofd!Benvolio.Bij mijn ziel, daar komen de Capulets.Mercutio.Bij mijn zolen, ik geef er niet om.(Tybalten eenige Anderen komen op.)Tybalt.Volg me op den voet, ik heb met hen te spreken.—40Goên dag, een woord met een van u, mijn heeren!Mercutio.En niets dan één woord met een van ons? Voeg er wat bij, maak er een woord en een slag van.Tybalt.Gij zult er mij bereid genoeg toe vinden, heer, als gij er mij maar aanleiding toe wilt geven.Mercutio.Kunt ge geen aanleiding vinden, al geef ik u die niet?Tybalt.Mercutio, gij harmonieert met Romeo,—Mercutio.Harmonieeren! Wat! wilt ge ons tot muzikanten maken? Als gij muzikanten van ons maakt, reken er dan op niets dan snijdende tonen te hooren; hier is mijn strijkstok, die u wel zal laten dansen. Duivels! harmonieeren!Benvolio.’t Is hier een plein, door menschen druk bezocht;Kiest voor uw twist een afgelegen plek;Of wel, bespreekt te zamen kalm uw grieven;Of gaat uiteen;—hier staart ons ieder aan.Mercutio.Daar heeft een mensch zijn oogen voor, hij staar’!Ik wijk van hier om niemands wil een haar.58(Romeokomt op.)Tybalt.’k Laat u met vrede hier; daar komt mijn man.Mercutio.Een strop voor mij, als hij uw dienstpak draagt;Maar ja, ga hem vooruit naar ’t veld, hij volgt u;In dien zin, heerschap, blijkt hij wis uw man.Tybalt.Romeo, mijn vriendschap laat niet toe, dat ikIets anders zeg dan dit: gij zijt een schurk!Romeo.Tybalt, de grond, dien ’k heb, uw vriend te zijn,Ontschuldig’, dat ik niet zoo toornig word,Als past op zulk een groete;—ik ben geen schurk:Daarom, vaarwel! ik zie, gij kent mij niet.Tybalt.Knaap, dit is geen voldoening voor den hoon,Dien gij mij aandeedt; keer dus om, en trek.Romeo.En ik betuig, dat ik u nimmer hoonde,Maar meer uw vriend ben, dan gij gissen kunt,Aleer gij weet, wàt mij uw vriend doet zijn.—Hoor, Capulet, ik stel uw naam zoo hoogAls van mijzelven;—daarom, wees bevredigd.Mercutio.O makke en laffe en eerlooze onderwerping!Alla stoccata, dat is beter taal.—(Hij trekt zijn zwaard.)Tybalt, gij rattenvanger, durft gij? zeg!Tybalt.Maar wat wilt gij dan toch van mij?Mercutio.Niets anders, waarde kattenkoning, dan een van uw negen levens; dat zal ik zoo vrij zijn u te ontnemen, en de andere acht wil ik voor later gebruik droogkloppen. Wees zoo goed uw degen bij de ooren uit zijn huis te halen, en wat schielijk ook, of de mijne fluit u om de ooren, eer de uwe er uit is.Tybalt(het zwaard trekkend).’k Ben tot uw dienst.Romeo.Mercutio, vriend, steek op uw zwaard!Mercutio.Kom, heer, uw passado.(MercutioenTybaltvechten.)Romeo.Benvolio, trek en sla hun wapens neer!—Schaamt u, mijn heeren! staakt dit vechten!—Tybalt, Mercutio! pas verbood de vorstMet klem dit vechten in Verona’s straten.Tybalt, houd op!—Mercutio!93(Hij komt tusschenbeide:Mercutiowordt onder zijn arm door gewond;Tybalten zijn Volgers af.)Mercutio.Tybalt, houd op!—Mercutio!’k Ben gewond!—De pest haal’ beide uw huizen!—’t Is gedaan;—Ontkwam hij?—ongedeerd?Benvolio.Gij zijt gewond?Mercutio.Ja, ja, een prik, een prik; maar ’t is genoeg.—Waar is mijn page? Vlegel, haal een wondarts.(Page af.)Romeo.Moed, vriend, het kan zoo erg niet zijn.Mercutio.Neen, ’t is niet zoo diep als een put en niet zoo wijd als een kerkdeur, maar ’t is genoeg; ik kan ’t er mee doen: laat morgen maar naar me vragen, ik zal doodbedaard zijn. Ik heb mijn bekomst, dat verzeker ik je, voor dit leventje.—De pest hale beide uw huizen!—Duivels! een hond, een rat, een muis, een kat, dat die een mensch kan krabben, dat hij het besterft! een pochhans, een schurk, een schoelje, die vecht naar de regels van de rekenkunst!—Wat duivel kwam je tusschenbeide? Ik kreeg den steek onder uw arm door.Romeo.Ik deed het al om bestwil.Mercutio.Help me in een huis, Benvolio, of ik zwijmOp straat hier neer.—De pest haal’ beide uw huizen!—Die hebben wormenaas van mij gemaakt;’t Was raak, en goed ook;—beide uw huizen!(MercutioenBenvolioaf.)Romeo.Deze edelman, den hertog na verwant,Mijn trouwe vriend, werd dood’lijk daar gewondOm mijnentwil, mijn goede naam bevlektDoor Tybalts hoon, door Tybalt, sinds een uurMijn bloedverwant!—O, dierbre Julia!Uw lieflijk schoon heeft mij verwijfd gemaakt,En ’t staal der dapperheid in mij verweekt.(Benvoliokomt terug.)Benvolio.O, Romeo, Romeo, onze vriend is dood;Ten hemel is die wakk’re geest gezweefd,Die al te ontijdig de aarde heeft versmaad.Romeo.Veel zwarte dagen spelt deez’ dag van moord;Hij bracht ons wee, en andre zetten ’t voort.(Tybaltkomt weder op.)Benvolio.Hoe! Tybalt, die daar razend wederkeert!126Romeo.Hij levend, juichend! en Mercutio dood!Vaar op ten hemel, zachtheid, die ontziet!U volg ik, woede, gij, die vlammen schiet!—Thans, Tybalt, geef ik u dat „schurk!” terug,Dat gij mij voor de voeten wierpt; thans zweeftKort boven ons Mercutio’s ziel, en wachtOp uwe ziel, dat die haar begeleid’;Of gij, of ik, of beiden gaan met hem.Tybalt.Ellend’ling, gij, die staâg zijn makker waart,Zult met hem gaan.Romeo.Zult met hem gaan.Dit worde aldus beslist!(Zij vechten;Tybaltvalt.)Benvolio.Weg, Romeo, snel! van hier!Het volk is op de been, en Tybalt viel;—Wat suft ge, voort!—de vorst doemt u ter dood,Als men u grijpt;—van hier!—van hier, en vlied!Romeo.’k Ben speelbal der Fortuin!Benvolio.’k Ben speelbal der Fortuin!IJl! sammel niet!(Romeoaf.—Burgers enz. treden op.)Eerste Burger.Waar vlood de moord’naar van Mercutio heen?Waar vlood hij heen, die Tybalt, die het deed?Benvolio.Hier ligt die Tybalt.Eerste Burger.Hier ligt die Tybalt.Heer, sta op! en weet,Ik spreek in ’s vorsten naam, gij gaat met mij.(De Vorst komt op, met Gevolg;MontagueenCapulet,met hun Echtgenooten, en Anderen.)Vorst.Wie wekte deez’ verfoeibre muiterij?Benvolio.Mijn eedle vorst, ik was getuige, en deelU alles mee van dit vloekwaard krakeel.Hij, die daar ligt, geveld door Romeo’s hand,Versloeg Mercutio, uw bloedverwant.Gravin Capulet.Tybalt, mijn neef! O gij, mijns broeders kind!O vorst! mijn neef!—Mijn gâ! men heeft ontzindZijn bloed geplengd!—O hoor ons, Heer, geef toe,Stort, voor ons bloed, nu bloed van Montague!Mijns broeders zoon, mijn neef!Vorst.Door wien, Benvolio, is deez’ strijd ontbrand?Benvolio.Door Tybalt, hier geveld door Romeo’s hand.Eerst sprak hem Romeo vriendlijk toe en weesHem op de nietige oorzaak van den twistEn op uw streng verbod;—maar of hij ookMet zachte stem en kalmen blik, ja, smeekend,Het fel gemoed van Tybalt wou bezweren,—Die dolkop luistert naar geen vrede en richtZijn vlijmend wapen op Mercutio’s borst,Die, even vurig, nu de degens kruist165En, als een fier soldaat, met de’ eersten slagDen dood terugslaat, met den tweeden dienNaar Tybalt zendt, die vlug van oog en handDen stoot weer afweert.—Thans roept Romeo luid:Houdt op, mijn vrienden, vrede! en vlugger nogDan ’t woord, is de arm; hij slaat hun moordstaal neerEn werpt zich tusschenbeide; een valsche stootVan Tybalt trof toen onder Romeo’s armMercutio’s moedig leven; Tybalt vlood;Maar dra keert hij terug tot Romeo,Die na deez’ moord door wraakzucht wordt bezield;En snel als ’t weerlicht volgt hun strijd; want eerIk ’t staal ontbloot om hen te scheiden, ligtDe forsche Tybalt reeds ter neer geveld;En nauwlijks zonk hij neer, of Romeo vlood;Zoo droeg ’t zich toe, of ik verdien den dood.Gravin Capulet.O vorst, hij is den Montagues verwant,Hij spreekt daar leugens, is op hunne hand.Wel twintig van die schelmen vielen aan,En hun geweld kon één man niet weerstaan.Ik smeek om recht: doem Romeo ter dood;Hij is ’t geweest, die Tybalts bloed vergoot.Vorst.Boet Romeo aldus voor Tybalts bloed,Door wien wordt dan Mercutio’s dood geboet?Montague.Door Romeo niet; die was Mercutio’s vriend;Den dood had Tybalt naar de wet verdiend:Hij kwam de wet slechts voor.Vorst.Hij kwam de wet slechts voor.En voor die daadVerban ik hem onmidd’lijk uit den staat.Ikzelf blijf van uw woeden niet bevrijd,Ook mijn bloed vloot door uwen fellen strijd.Maar zulk een boete valle u thans te beurt,Dat ge allen dit verlies van mij betreurt.Op voorspraak, noch verschooning wil ik achten,Mijn vonnis zal geween noch beê verzachten;Beproef dus niets; ’t is goed, dat Romeo vlood,Want keert hij, ’t eigen uur brengt hem den dood.Voert weg dit lijk, en overweegt mijn woord!Genâ voor moord’naars is zoo goed als moord.(Allen af.)Tweede Tooneel.Een kamer inCapulet’shuis.Juliakomt op.Julia.Jaag voort, jaag voort, gij vlammenspattend span,Naar Phebus’ woning! Zulk een wagenaarAls Phaëton, hij zweepte u voort naar ’t west,En bracht ons onverwijld de omwolkte nacht.—Breid uit uw floers, gij nacht, die liefde kroont,Luik ieder zwervend oog, dat RomeoOnzichtbaar, heimlijk, in deze armen snell’!—Voor minnenden straalt eigen schoon genoegBij ’t feest der min, of is de liefde blind,Dan past de nacht er bij.—Kom, eerb’re nacht,In stemmig zwart gehuld, en leer mij thans,Hoe, winnend, te verliezen bij een spel,Welks inzet zijn twee reine maagdebloemen;Huif met uw zwarten mantel ’t angstig bloed,Dat in mijn wangen klept, tot schuwe liefdeStoutmoedig wordt, en ’t doen der echte minVoor niets dan zedigheid en onschuld acht.16Kom, nacht! kom Romeo! gij, dag bij nacht,Die op de vleug’len van de nacht zult schitt’ren,Meer dan ooit sneeuw op veed’ren van den raaf!—Kom, lieve nacht, kom, donkre liefdenacht,Geef mijnen Romeo mij; en sterft hij eens,Herneem, en deel hem dan in kleine sterren;Dan schenkt hij ’s hemels aanschijn zulk een glans,Dat heel de wereld op de nacht verlieft,En niemand meer den pronk der zonne huldigt.—O, ’k heb een liefdewoning mij gekocht,Maar niet betrokken; zelf ben ik verkocht,Maar steeds nog niet aanvaard. O, deze dagDuurt mij zoolang, als de avond voor een feestdagAan ’t hunk’rend kind, dat nieuwe kleed’ren heeftEn nog niet aan mag trekken.—O! daar komtMijn voedster; zij brengt nieuws; en elk, wiens tongMijn Romeo slechts noemt, spreekt hemeltaal.—(De Voedster komt op met een ladderkoord.)Nu zeg, wat is ’t? wat hebt ge daar? het koord,Dat Romeo u halen liet?Voedster.Dat Romeo u halen liet?Ja, ’t koord.(Zij werpt het op den grond en wringt de handen.)Julia.Wee mij, wat is ’t? Wat is dat handenwringen?Voedster.O hemel, hij is dood, is dood, is dood!Wij zijn verloren, jonkvrouw, zijn verloren!O, welk een dag! hij is gedood, vermoord!Julia.Gij, hemel, zoo verbolgen?Voedster.Gij, hemel, zoo verbolgen?Romeo is ’t;De hemel is het niet.—O Romeo, Romeo—Wie had dit kunnen denken?—Romeo—Julia.Wat booze geest zijt gij, die zoo mij martelt?Deez’ kreet waar’ goed bij foltring in de hel.Heeft Romeo zich gedood? Is ’t antwoord „ja”,Dan is die klank, dat „ja” een scherper gift,Dan ’t doodlijk blikken van den basilisk,Dan ben ’k vernietigd door dat enkle woord,En ’t sluiten van zijn oog sluit ook het mijn.Is hij gedood, zeg „ja”, zoo niet, zeg „neen”,Mijn wel of wee hangt aan dien klank alleen.Voedster.Ik zag de wond, zag die met eigen oog,—52God help’ mij!—hier, vlak in die forsche borst;Een aak’lig lijk, een bloedig, aak’lig lijk,Grauw, grauw als asch, geheel met bloed bevlekt,—Geronnen bloed;—ik zwijmde, toen ik ’t zag.Julia.O, breek mijn hart!—arm bankroetier, o breek!Ter gijz’ling, oogen, kent geen vrijheid meer;Laag stof, keer weer tot stof! leg ’t leven af!En u en Romeo berge ’tzelfde graf!Voedster.O Tybalt, Tybalt! gij, mijn beste vriend!Beleefde Tybalt, wakk’re en eed’le heer!Dat ik ’t beleven moest, u dood te zien!Julia.Wat storm is dit, die van twee kanten loeit?Is Romeo vermoord, en Tybalt dood?Mijn liefste neef, en eindloos liever gâ?—Dan, schrikbazuin, blaas dan den jongsten dag!Want wie, wie leeft, zijn deze twee niet meer?Voedster.Tybalt is dood, en Romeo verbannen;Romeo, die hem gedood heeft, is verbannen.Julia.O God!—heeft Romeo Tybalts bloed gestort?Voedster.Ja, ja, o jammerdag! hij deed het, ja!Julia.O slangenhart, bij bloemzoet aangezicht!Woonde ooit een draak in zulk een schoone grot?Verleid’lijk woest’ling! duivel in een lichtkleed!Gij raaf in duivedos! wolfsch-vratig lam!Verfoeibre kern, door ’t godd’lijkst schoon omhuld!Boos tegendeel van ’t goede, dat gij schijnt!Vloekwaarde heilige! eerbiedwaarde schurk!—Natuur, waartoe ter helle neergedaaldOm zulk een euv’len geest, dien gij deedt wonenIn zulk een vleeschgeworden paradijs?—Wie gaf een boek van zulk een snooden inhoudOoit zulk een schoonen band? O, dat bedrogZulk prachtpaleis bewonen mag!Voedster.Zulk prachtpaleis bewonen mag!Er isGeen trouw, geen braafheid meer in mannen; allenZijn trouwloos, valsch, meineedig, allen huichlaars.—Waar is mijn dienaar? Geef mij iets versterkends;—Die kommer, zorg en droefheid maakt mij oud.Smaad, schande op Romeo!Julia.Smaad, schande op Romeo!Uw tong verstijv’Om zulk een wensch! hem werd nooit smaad bestemd;Smaad is beschaamd te zeet’len op zijn voorhoofd;Dat is een troon, waar, als beheerscheresDer gansche wereld, de eere zij gekroond!O, ’k was geen mensch, toen ik hem daar beschimpte!95Voedster.Wilt gij den moord’naar prijzen van uw neef?Julia.Zou ik mijn heer dan smaden, mijn gemaal?Wiens tong zal, arme, uw naam in eere houden,Nu ik, drie uur uw vrouw, hem heb gesmaaldMaar, booze man, wat dooddet gij mijn neef?Die booze neef doodde anders mijn gemaal.Terug, gij dwaze tranen, naar uw bron;Aan weedom komt die droppelplenging toeVloeit niet, verdwaasd, om wat verblijdend is.Mijn gade leeft, dien Tybalt wou verslaan;Dood is die Tybalt, die mijn gâ wou dooden.Troost is dit alles; waarom ween ik dan?Er was een erger woord dan Tybalts dood,Dat mij versloeg. Waar’ ’t uit mijn ziel gewischt!Maar o! het klemt zich vast in mijn geheugenAls zware schuld in ’t zondige gemoed,„Tybalt is dood en Romeo—gebannen!”„Gebannen!” O, dat ééne woord „gebannen”Verslaat tien duizend Tybalts. Tybalts doodWaar’ wee genoeg, volgde ook geen verder wee;Of,—zoekt het leed zich steeds een metgezelEn sleept het altijd andre smarten mee,—Waarom volgde op dat „dood is Tybalt” niet„Uw vader” of „uw moeder”, ja, of beiden,Die passend rouwbeklag betreuren mocht?Maar door wat nakwam achter Tybalts dood,Dat „Romeo is gebannen”, door dat woordZijn vader, moeder, Tybalt, Romeo, allen,En ook ikzelf, verslagen en gevallen;Ja eind- en grens- en maatloos is de doodVan ’t eene woord; onpeilbaar is mijn nood.—Waar zijn mijn vader en mijn moeder? waar?Voedster.Weeklagend, weenend staan ze aan Tybalts baar;Zal ik u bij hen brengen?Julia.Zal ik u bij hen brengen?Wasschen zijZijn wonden met hun tranen, o, die zijnReeds lang gedroogd, dan vloeien nog de mijn’Om Romeo’s ballingschap. Uw toekomst, koord,Is, als de mijn’, door dezen doem verstoord;Door u waar’ hij ten top van heil verheven,Ik eindig vroeg mijn maagdlijk weduwleven.Breng ’t koord mij na, waar ’t bruidsbed is gespreid;De dood, niet Romeo, neem’ mijn maagdlijkheid!Voedster.Ga naar uw kamer; Romeo zal ik halenOm u te troosten; ’k weet wel, waar hij is.Geloof mij, Romeo komt nog deze nacht;Hij is verborgen in Lorenzo’s cel.Julia.O! breng deez’ ring en zeg hem: ik verwachtVan mijn getrouwen gade ’t laatst vaarwel.(Beiden af.)Derde Tooneel.De cel van broederLorenzo.BroederLorenzoen Romeo komen op.Lorenzo.Kom, Romeo, voor den dag, gij man van vrees;Bekomm’ring klemt verliefd zich aan u vast,Ellende is u een levensgezellin.Romeo.Vader, hoe is ’t? wat vonnis sloeg de vorst?Wat rampspoed is ’t, die thans de hand mij grijpt,En dien ik nog niet ken?Lorenzo.En dien ik nog niet ken?Te veel, mijn zoon,Zoekt gij den omgang van zoo droeve vrienden;Ik breng bericht van ’t vonnis van den vorst.Romeo.Is ’t minder, vader, dan het laatst gericht?Lorenzo.Een zachter vonnis vloot hem van de lippen,Het brengt geen dood, het brengt u ballingschap.Romeo.Ha, ballingschap?—Erbarming! zeg mij—„dood”!Verbanning is verschrikk’lijker van aanblik,Veel meer dan dood!—o, zeg niet—„ballingschap”.Lorenzo.Hier van Verona slechts zijt gij verbannen;Wees kalm, de wereld toch is ruim en wijd.Romeo.De wereld is slechts in Verona’s wallen,Daarbuiten folt’ring, vagevuur, de hel.Verbannen is verbannen van de wereld;Die ballingschap is dood;—dus is „verbanning”De dood, misnoemd. Noemt gij den dood—„verbanning”,Gij houwt mij ’t hoofd af met een gouden bijl,En glimlacht bij den slag, die mij vermoordt.Lorenzo.O zware zonde, o, zwarte ondankbaarheid!De wet eischt uwen dood; de goede vorstErbarmt zich uwer, stoot de wet ter zij,Verkeert dat woord „ter dood” in „ballingschap”;Dat is genade, en gij erkent het niet.Romeo.’t Is mart’ling, geen genâ; hier is de hemel,Waar Julia woont, en ied’re kat en hondEn kleine muis, ja ’t laagste schepsel, leeftHier in den hemel, want het mag haar zien,Slechts Romeo niet.—Meer waarde, hoog’ren stand,Meer recht tot liefdediensten heeft een vliegDan Romeo; dat wonderblank der handDer dierbre Julia roert zij vrij aan,En steelt zich hemelwellust van haar lippen,Die rein en met Vestaalsche zedigheidSteeds blozen, alsof kussen zonde waar’;39Doch Romeo mag het niet; hij is verbannen;Wat vliegen mogen doen, moet ik ontvliên;Zij leven vrij, maar ik, ik ben verbannen;En zegt gij nog, „verbanning is geen dood”?Hadt gij geen gift, geen scherp geslepen mes,Geen spoedig werkend middel, hoe veracht,Dan—„ballingschap”—om mij te dooden? „Ballingschap”!O, vader, spreken in de hel verdoemdenDit woord, dan volgt gehuil; hoe hebt gij ’t hart,Gij godsman, geestelijke vader, gij,Ontheffer van de zonde, uw dierbren zoonTe brijz’len met dat woord van „ballingschap?”Lorenzo.Gij dolle liefdedwaas, hoor toch een woord!Romeo.O weer een woord, gewis, van ballingschap.Lorenzo.’k Geef u een harnas, waar dat woord op afstuit,De zoetste melk in ’t leed: philosophie,Die u, al zijt gij balling, troosten zal.Romeo.Toch „ballingschap!”—Weg met philosophie!Indien philosophie geen Julia schept,Geen stad verzet, geen vorstenvonnis stuit,Dan baat zij niets, vermag niets; dan geen woord!Lorenzo.O, ’k zie te wel, krankzinnigen zijn doof!Romeo.Geen wonder, als de wijzen blinden zijn!Lorenzo.Kom, overleggen we eens, hoe ’t met u staat.Romeo.Van wat gij niet gevoelt, kunt gij niet spreken.Waart gij zoo jong als ik, en Julia de uwe,Slechts voor een uur gehuwd, Tybalt vermoord,Verliefd als ik, verbannen zooals ik,Dan mocht ge spreken, woelen in uw haar,U storten op den grond, als ik nu doe,Om u een ongedolven graf te meten.(Er wordt geklopt.)Lorenzo.Op Romeo, op! daar wordt geklopt; verberg u.Romeo.Ach neen; ik laat de zuchten van mijn zielMij als een mist voor ’t vorschend oog omhullen.(Er wordt weder geklopt.)Lorenzo.’t Geklop houdt aan!—Wie is daar?—Romeo, op!Men vat u zeker!—Op!(Geklop.)Een oogenblik geduld!IJl in mijn bidcel ginds!—Zoo daadlijk, ja!—God, welk een dwaasheid!—Ja, ik kom, ik kom!(Geklop.)Wie klopt zoo luid? Wie zijt gij en wat wilt gij?Voedster.Laat mij toch binnen; ’k breng een boodschap over;Ik kom van jonkvrouw Julia.80Lorenzo.Ik kom van jonkvrouw Julia.Welkom dan.(De Voedster treedt binnen.)Voedster.O heil’ge vader, zeg mij, heil’ge vader,Waar is haar man toch? waar is Romeo?Lorenzo.Daar op den grond, bedwelmd door eigen tranen.Voedster.O, hij is als mijn jonkvrouw, juist als zij.O, ’tzelfde wee, beklaagbre staat! Juist zooLigt zij en snikt en weent, en weent en snikt.—Sta op, sta op! zijt gij een man, sta op!Om Julia’s wil, om harentwil, rijs op!Waarom verzonken in zoo diep een wee?Romeo.Ach, goede vrouw!Voedster.Ach, heer, ach, heer!—De dood is aller lot.Romeo.Spraakt gij van Julia? spreek, hoe is ’t met haar?Houdt zij mij niet voor moord’naar van nature,Nu ik met bloed, haar bloed zoo na verwant,De kindsheid onzer vreugde heb bespat?Waar is zij en hoe is ’t haar? O hoe diepIs zij verstoord om ons verstoord geluk?Voedster.Zij spreekt geen enkel woord, maar weent en weent;Nu stort ze neer op ’t bed, dan weer vliegt ze op,En „Tybalt!” roept ze, en schreit om RomeoEn zijgt op nieuw ter neer.Romeo.En zijgt op nieuw ter neer.Als bracht die naam,Uit doodelijke buks geschoten, haarDen dood, zooals de vloekhand van dien naamHaar bloedverwant den dood bracht!—Zeg mij, vader,Waar in deez’ snooden stofklomp huist mijn naam?O zeg ’t mij, zeg ’t, opdat ik ’t vloekbre huisTen grond toe sloop’!(Hij trekt zijn dolk.)Lorenzo.Ten grond toe sloop’!Weerhoû die dolle hand!Zijt gij een man? Uw uiterlijk roept „ja”;Gij weent, gelijk een vrouw; uw woest gedragIs als het reed’loos woeden van een dier.Onschoone vrouw, in ’t schijnschoon van een man;Wanschapen dier, dat beider schijn vereent!Ik sta verbaasd; ja, bij mijn heilige orde,Ik achtte uw geest meer tegen ’t leed gestaald.Versloegt ge Tybalt? Wilt ge uzelf verslaan?En wilt ge uw gâ, die in uw leven leeft,117Door uw vloekwaarden zelfhaat doen vergaan?Wat smaalt gij op uw stam, op aarde en hemel?Schoon stam en aarde en hemel, die ge saamWegwerpen wilt, in u vereenigd zijn.Gij smaadt uw leest, uw liefde en uwen geest!Een woekeraar gelijk, hebt ge overvloedVan goeds, maar maakt van niets het recht gebruik,Dat eere schenkt aan leest en liefde en geest;Een wassen beeld slechts is uw lichaamsschoon,Verzaakt gij zoo de kloekheid van een man;Een ijdle meineed is uw liefdeseed,Doodt gij die liefde, aan wie gij liefde zwoert;Uw geest, die leest en liefde u sieren moest,Te uitzinnig om deez’ twee tot gids te zijn,Vat vuur door eigen onverstand, gelijk’t Kruit in de flesch eens onbedreven krijgers;Wat u beschermen moest, brengt u verderf.Verman u, Romeo! uw Julia leeft,Om wie ge als dood zoo even nederlaagt;Ziedaar reeds heil! u wilde Tybalt dooden,En gij hebt hèm gedood; alweder heil!’t Recht, dat met dood u dreigde, wordt uw vriend,En dood wordt ballingschap; ook dit is heil!Een last van zegen daalt u op de schoudren;’t Geluk in pronkgewaad vleit om uw gunst,Maar, als een eigenzinnig, geem’lijk meisje,Pruilt gij bij al uw liefde en uw geluk.Hoed, hoed u; schriklijk sterft wie zóó misdoet!—IJl tot uw gâ, zooals besloten was;Beklim haar kamer, ga en breng haar troost;Maar toef er niet, totdat men wachten stelt,Die u den weg naar Mantua versperren.Dáár woont gij, tot gelegen tijd uw echtBekend make, en uw vrienden weer verzoen’,En vorstlijke genade u herwaarts roep’,Met twintig honderd duizendmaal meer vreugd,Dan gij met jammer thans van hier vertrekt.—Ga, goede vrouw, breng uw meestres mijn groet,En zeg haar zorg te dragen, dat een elkVan ’t huisgezin zich vroeg ter rust begeev’;—De droefnis zoekt van zelve reeds de rust;—En meld haar: Romeo komt.Voedster.En meld haar: Romeo komt.O Heere God;Hoe gaarne bleef ik luistren, heel de nacht,Naar zooveel goeds. Wat is geleerdheid schoon!—Ik meld, heer, mijn meesteresse, dat gij komt.Romeo.Ga, zeg ook, dat ik haar verwijten wacht.162Voedster.Hier is een ring, heer, dien ’k u geven moet.Maar spoed u, haast u, want reeds wordt het laat.(De Voedster af.)Romeo.O, hoe is nu de moed in mij herleefd!Lorenzo.Ga nu, vaarwel! Denk, waar uw lot aan hangt:Ga ’t zij aleer de wacht is uitgezet,’t Zij met den daag’raad, maar vermomd, van hier.Verblijf in Mantua; ik zoek uw dienaar,En zend van tijd tot tijd door hem bericht,Als iets gebeurt, dat gunstig voor u is.Reik mij de hand, ’t is laat; vaarwel, vaarwel!Romeo.Zoo vreugde boven vreugd mij niet verbeidde,Het waar’ mij leed, dat ik zoo haastig scheide.Vaarwel!(Beiden af.)Vierde Tooneel.Een kamer inCapulet’shuis.Capulet,GravinCapuletenPariskomen op.Capulet.Het liep hier alles tegen, vriend; er wasGeen tijd om bij mijn dochter aan te dringen;Ziet gij, zij was aan Tybalt zeer gehecht;Ik ook;—maar sterven is ons aller lot.—’t Is laat, zij komt van avond niet beneden;En ’k moet ook zeggen, zonder uw bezoekWare ik al voor een uur ter rust gegaan.Paris.Deez’ tijd van rouw is wis geen tijd van trouw;—Dus goede nacht, gravin; ik bid u, spreekEen woord te mijnen gunste bij uw dochter.Gravin Capulet.’k Zal morgen peilen, hoe ze er over denkt.Deze’ avond sloot ze met haar smart zich op.Capulet.Graaf, ’k waag ’t voor Julia’s jawoord in te staan;Ik denk, ze doet in alles naar mijn wensch,Ja meer, ik twijfel zelfs geen oogenblik.Ga tot haar, vrouw, eer ge u ter rust begeeft,Bericht haar, hoe zoon Paris haar bemint,En zeg haar, dat, let wel, aanstaanden Woensdag,—Maar stil, wat is ’t vandaag?Paris.’t Is Maandag, heer.Capulet.Maandag, o ja. Neen, Woensdag is te kort;Maar Donderdag,—ja, zeg haar, DonderdagTreedt zij in ’t huwlijk met deze’ eed’len graaf.—Zijt gij bereid? en is die haast u welkom?Wij vieren ’t onder ons;—een vriend of twee;—Want, ziet ge, Tybalt is zoo pas vermoord,En vierden wij ’t met praal, licht zou men denken,Dat onze neef ons onverschillig was.Wij vragen dus een zes of zeven vrienden,En daarmeê uit.—Is Donderdag u goed?Paris.O ’k wenschte, morgen ware ’t Donderdag.Capulet.Goed, afgesproken;—’t blijft dus Donderdag.—Ga, vrouw, naar Julia, voor gij slapen gaat;Bereid haar op den huwlijksfeestdag voor.—Vaarwel dus!—Hé, brengt licht in mijn vertrek!—O foei, ’t is meer dan laat; het is bijnaWeer vroeg te noemen. Nogmaals, goede nacht.(Allen af.)Vijfde Tooneel.De kamer vanJulia.RomeoenJuliakomen op.Julia.Wilt gij reeds gaan? Het is nog lang geen dag;Het was de nachtegaal, de leeuwrik niet,Wiens schelle stem in ’t angstig oor u drong;Op dien granaatboom zingt hij elke nacht.Geloof me, lieve, ’t was de nachtegaal.Romeo.Het was de leeuwrik, ’s daag’raads bode, en nietDe nachtegaal; zie, lieve, daar in ’t oost,Wat booze strepen ’t scheurend zwerk omzoomen;De nacht heeft lang haar kaarsen opgebrand,En vroolijk gluurt, hoog op de teenen staand,De dag daar van der bergen neveltoppen;Ik moet nu gaan en leef, of blijf en sterf.Julia.Dat is geen daglicht daar, ik weet het, ik;’t Is een verheev’ling, uit de zon gevloeid,Die u deez’ nacht tot fakkeldrager zij,En voorlichte op uw weg naar Mantua;O toef dus nog; uw heengaan heeft nog tijd.Romeo en Julia, Derde Bedrijf, Vijfde Tooneel.Romeo en Julia, Derde Bedrijf, Vijfde Tooneel.Romeo.Men grijp’ mij dan, en leide mij ter dood;’t Is ook mijn keuze, als gij het zoo verlangt.Neen, dat is niet het stralend oog des morgens,Maar bleeke weerglans van ’t gelaat der maan;’t Is ’t lied des leeuwriks niet, dat boven onsHoog aan ’t gewelf des hemels wordt weerkaatst;O zalig blijven! bitter is ’t vaarwel;—Wees welkom, dood! ’t is Julia’s bestel.—Kom, liefste! een zoet gesprek! het daagt nog niet.Julia.Het daagt, het daagt! spoed, spoed u heen en vlied!’t Is wel de leeuwrik, die zoo snerpend valschMet scherpe keel zijn schrille trillers gilt;Men zegt wel, dat de leeuwrik lieflijk zingt,Maar deze niet, die schettert ons vaneen;Men zegt, dat pad en leeuwrik de oogen ruilden;O! hadden zij van stem dan ook geruild,Daar toch die stem u uit mijn armen wringt,En als een jachtkreet u tot vluchten dringt!—O, ga nu; licht en lichter wordt de morgen!Romeo.Licht, lichter! zwart en zwarter onze zorgen!36(De Voedster komt op.)Voedster.Jonkvrouw!Julia.Wat is er, minne?Voedster.Uw moeder is op weg naar dit vertrek;Wees op uw hoede; zie, de dag breekt aan.(De Voedster af.)Julia.Laat, venster, ’t licht dan binnen, ’t leven gaan.Romeo.Vaarwel, vaarwel! één kus nog, ik moet heen!(Hij daalt af.)Julia.Mijn vriend, mijn gâ, mijn ziel! ik blijf alleen;O, zend mij tijding iedren dag van ’t uur,Want één minuut omsluit wel meen’gen dag;En naar die reek’ning ben ik hoogbejaard,Eer ik u wederzie, mijn Romeo.Romeo.Vaarwel! Zoodra ’k de mooglijkheid bevroed,En telkens, liefste, zend ik u mijn groet.Julia.O, zeg, gelooft gij aan ons wederzien?Romeo.O, ’k twijfel niet, en in de toekomst is’t Geleden wee ons stof tot zoet gesprek.Julia.O God! een voorgevoel beklemt mijn hart!Nu gij beneden staat, nu is ’t me, als zag ikU dood, daar in de diepte van een graf;Bedriegt mijn oog mij niet, dan ziet gij bleek.Romeo.Zoo komt ook gij mij voor. Ja, zielsverdrietDrinkt, liefste, ons bloed. Vaarwel, vaarwel, en vlied!(Romeoaf.)Julia.Fortuin, fortuin! een ieder noemt u wuft!En zijt gij wuft, wat doet ge dan met hem,Die zich getrouw betoont? Wees wuft, Fortuin,Dan hoop ik, houdt gij hem niet lang, maar geeftHem dra mij weer.Gravin Capulet(achter het tooneel).Hé, Julia, zijt gij op?Julia.Wie roept mij daar? is ’t niet mijn moeders stem?Is zij nog niet ter rust, of zoo vroeg op?Wat ongewone reden voert haar hier?(GravinCapuletkomt op.)Gravin Capulet.Wat is er, Julia?Julia.Wat is er, Julia?Moeder, ’k ben niet wel.Gravin Capulet.Beweent ge steeds den dood nog van uw neef?Al wiescht gij hem met tranen uit zijn graf,Toch riept ge hem in ’t leven niet terug;Bedwing u dus; gepaste rouw toont liefde,Maar te veel rouw toont mangel aan verstand.Julia.O laat mij weenen om mijn grievend leed!Gravin Capulet.Te dieper grieft u ’t leed, maar ’t roept den vriend,Dien gij beweent, niet weer.77Julia.Dien gij beweent, niet weer.Het grieft te diep;Ik kan niet anders dan den vriend beweenen.Gravin Capulet.’t Is minder, kind, zijn dood, dien gij beweent,Dan dat de schurk nog leeft, die hem versloeg.Julia.Gij zegt, die schurk?Gravin Capulet.Ja, Romeo, die schurk.Julia(ter zijde).Een schurk en hij, wat hemelsbreed verschil!—(Luid.)Vergeev’ hem God! ik doe ’t met heel mijn hart;En toch, geen man wondde ooit als hij mijn hart.Gravin Capulet.’t Is enkel, dat die schelmsche moorder leeft.Julia.En waar deze arm hem niet bereiken kan!—O! wierd aan mij alleen de wraak vertrouwd!Gravin Capulet.De wraak zal ons geworden, wees getroostEn ween niet langer zoo. Ik vind wel iemandIn Mantua, waar de verworp’ling leeft,Die zulk een ongewonen dronk hem reikt,Dat hij weldra met Tybalt samenwoont;En dan is, hoop ik, uw gemoed voldaan.Julia.Voorwaar, dat blijft, wat Romeo betreft,Steeds onvoldaan, aanschouw ik hem niet—dood—Doorboord is ’t hart mij, om mijn nabestaande!—Maar hadt gij iemand opgespoord, die hemVergif wou reiken, zelf zou ik het mengen,En zóó, dat Romeo, ’t gebruikend, rasIn vrede sliep.—O, schrikk’lijk is ’t, zijn naamTe hooren, en hem niet nabij te zijn,Om van mijn liefde voor mijn armen neefMe aan hem te kwijten, die hem heeft gedood.Gravin Capulet.Vind gij de midd’len;—ik vind wel den man.—Maar hoor, ik breng u blijde tijding, kind!Julia.Bij zooveel druk moet blijdschap welkom zijn.—Wat blijde tijding brengt mijn moeder mij?Gravin Capulet.Hoor dan, gij hebt een zorgend vader, kind!Een, die, om u te ontheffen van uw druk,Een dag van vreugd u plotsling heeft bereid,Dien gij niet wachttet, ik niet had voorzien.Julia.O zeg, wat is dat, moeder, voor een dag?Gravin Capulet.Begrijp, mijn kind, aanstaanden Donderdag113Zal u een jong en wakker edelman,Graaf Paris, in Sint Petrus’ dom reeds vroegNaar ’t altaar leiden, als zijn blijde bruid.Julia.Nu, bij Sint Peters dom en Petrus zelf,Daarheen leidt hij mij niet als blijde bruid.Wat wonderbare haast! een echt, aleerDe man, dien ’k huwen zou, mijn liefde vroeg!Ik bid u, moeder, zeg mijn heer en vader,Dat ik nog niet wil huwen, en, ik zweer ’t,Als ik het doe, nog eerder RomeoZou nemen,—en gij weet, hoe ik hem haat!—Dan Paris.—Nieuws, voorwaar, is ’t wat gij meldt!Gravin Capulet.Daar komt uw vader; deel dit zelf hem mee,En hoor welk antwoord hij u geven zal.(Capuleten de Voedster komen op.)Capulet.Bij ’t ondergaan der zon drupt dauw op de aard;Bij ’t ondergaan des zoons van mijnen broederIs ’t hier een stortbui.—Wat! nog immer weenend!Zijt ge een fonteinbeeld, meisje? En telkens weerEen nieuwe tranenvlaag! Uw nietig lichaamSpeelt hier voor zee en wind en bark meteen;Uw oogen zijn een ware zee te noemen,Met tranenvloed en eb; uw lichaam isDe boot, die ’t zilte nat bezeilt; uw zuchtenDe stormwind, die, met uwe tranen worstlend,Als zij met hem, ’t van storm geslingerd schipZal brijz’len, als het weêr niet fluks bedaart.—Hoe is ’t? Hebt ge ons besluit haar meêgedeeld?Gravin Capulet.Ik deed het, maar ze wil niet, zegt u dank.O, waar’ ’t zottinnetje aan haar graf gehuwd!Capulet.Wacht, vrouw; spreek duid’lijker, spreek duid’lijker!Wat! wil zij niet? en zegt zij ons geen dank?Is zij niet trotsch op zulk een grooten zegen,Dat hare onwaardigheid zoo’n waardig manAls bruidegom ontvangt van onze hand?Julia.Niet trotsch, maar dankbaar voor uw goeden wil;Trotsch kan ik nimmer zijn op wat ik haat,Maar dankbaar, bij dien haat, voor ’t liefdrijk doel.Capulet.Zie, wat spitsvondig nest! wat praat is dit?„Trotsch” en „ik dank u” en „ik dank u niet”,En toch „niet trotsch”;—hoor! preutsche, kleine heks,Geen dankjes mij gedankt, geen trots getrotst!Uw fijne voetjes dragen ’t fijne popjeOp Donderdag met Paris naar den dom,Of op een horde sleep ik u er heen.Dat blijft zoo; voort, gij bleekneus! voort, gij feeks!Gij wasgezicht!158Gravin Capulet.Foei, foei, wat raast ge, man!Julia.Mijn goede vader, op mijn knieën smeek ik,Hoor slechts een enkel woord geduldig aan.Capulet.Ter helle, jonge feeks! weerspannig ding!Ik zeg u,—scheer u Donderdag ter kerke,Of kom mij nimmer weder onder ’t oog.Geen woord, geen tegenspraak, geen antwoord meer!Mijn vingers jeuken.—Vrouw, wij dachten eens,Dat ons dit eenig kind ten zegen was;Nu blijkt, dit eenige is nog één te veel,En haar bezit is ons een vloek, een vloek!Verworp’ne, weg!Voedster.Verworp’ne, weg!De Hemel zeeg’ne haar!Heer, ’t is niet goed gedaan; vaar zoo niet uit!Capulet.Ei zoo, vrouw wijsheid? Wat! Bedwing uw tong;Bemoeial, snap met uw kornuiten! weg!Voedster.Ik zeg toch niets, dat kwaad is.Capulet.Ik zeg toch niets, dat kwaad is.Ga met God!Voedster.Mag niemand dan iets zeggen?Capulet.Mag niemand dan iets zeggen?Zwijg, oud vel!En kraam uw wijsheid uit bij uws gelijken;Hier komt ze niet te pas.Gravin Capulet.Hier komt ze niet te pas.Gij zijt te fel.Capulet.Gods sacrament! het maakt me dol. Dag, nacht,Bij tijd en ontijd, spel en arbeid, immer,Alleen en in gezelschap, was ’t mijn zorgVoor haar een man te vinden; en nu ikEen edelman van goeden stam, van midd’len,Heb opgespoord, nog jong, wel opgevoed,Om zoo te zeggen opgepropt met deugden,Een man, als ieder meisje wenschen zou,Nu komt me daar zoo’n voddig, grienend nest,Zoo’n nuf, nu zij ’t geluk voor ’t grijpen heeft,En antwoordt: „neen, ik trouw niet;”—„neen, ik kanHem niet beminnen;”—„’k ben te jong;”—„vergeef me!”Wilt gij geen man, nu goed, mij is het wel;Graas waar gij wilt, gij huist bij mij niet meer;Let op; bedenk, dat ik geen scherts versta.De Donderdag klopt aan; weet wat gij kiest!Doet gij mijn wil, ik geef u aan mijn vriend;—Zoo neen: ga, bedel, honger, sterf op straat;Zoo waar ik leef, verlooch’nen doe ik u,En niets van ’t mijn’, dat ooit ten deel u valt;Bedenk dus wel; en weet, ik staaf mijn eed.(Capuletaf.)Julia.Troont in de wolken geen erbarming meer,198Die in de diepte blikt van mijn ellend?—O, lieve moeder, ach, verstoot mij niet!Verschuif dit huwlijk nog een maand, een week;Of, wilt gij dit niet, spreid het bruidsbed mijIn ’t sombre grafgewelf, waar Tybalt ligt.Gravin Capulet.Spreek niet tot mij, ik spreek geen enkel woord;Doe wat ge wilt, ik heb met u gedaan!(GravinCapuletaf.)Julia.O God!—Spreek, voedster, hoe is dit te keeren?Mijn gade leeft op aard, mijn trouw bij God!Hoe keert die trouw naar de aard’, tenzij die gâDeze aard ontwijke en uit den hemel mijMijn trouw terugzend’?—Geef mij troost, geef raad!—Wee mij! hoe kan de hemel ooit een wezen,Zoo teer als ik, arglistig zoo belagen?—Wat zegt gij, voedster? hebt ge niet één woord,Geen enkel, dat mij opbeurt en vertroost?Voedster.Voorzeker, hoor slechts: Romeo is verbannen;En, alles tegen niets, hij komt niet weer,En eischt u nimmer op;—of waagt hij dit,Dan is ’t ter sluik. Zooals de zaken staan,Schijnt mij het best, dat gij den Graaf maar trouwt.’t Is een beminn’lijk man, en RomeoIs er een stoflap bij; een arend, jonkvrouw,Heeft zulk een schitt’rend, helder, wakker oogAls Paris niet. Ja, bij mijn zaligheid,Deez’ tweede keus is uw geluk; ze is beterDan de eerste was; en, zelfs al waar’ ’t zoo niet,Uw eerste man is dood,—zoo goed als dood,Al leeft hij nog, daar gij niets aan hem hebt.Julia.Meent gij dit met uw hart?228Voedster.Meent gij dit met uw hart?Met hart en ziel.God straff’ me, als ’t zoo niet is.Julia.God straff’ me, als ’t zoo niet is.Dan amen!Voedster.God straff’ me, als ’t zoo niet is. Dan amen!Wat?Julia.Voorwaar, gij hebt mij wonderbaar getroost.—Ga, deel mijn moeder meê: ik ga ter biecht;Lorenzo wete, hoe ’k mijn vader griefde,En schenke mij vergiff’nis voor mijn schuld.Voedster.Ja daad’lijk, gaarne; zie, nu doet ge wijs.(De Voedster af.)Julia.Vloekwaarde heks, verleidster, booze geest!Is ’t grooter zonde, meineed aan te prijzen,Of mijn gemaal te smaden met die tong,Die menig duizendmaal als weêrgâloosHem heeft geroemd?—Raadgeefster, weg! VoortaanEen klove tusschen ons!—Nu tot Lorenzo;Hij is ’t alleen, van wien ik raad verwacht;En is er geen, dan heb ik stervenskracht.(Juliaaf.)

Derde Bedrijf.Eerste Tooneel.Een marktplein.Mercutio,Benvolio,een Page en Dienaars komen op.Benvolio.Ik bid u, vriend Mercutio, laat ons gaan;’t Is heet vandaag, de Capulets zijn uit,En treffen wij die aan, dan komt er twist,Want bij deez’ hitte woelt het dolle bloed.Mercutio.Gij lijkt er wel een, die, als hij de gelagkamer van een wijnhuis binnenkomt, met zijn zwaard op de tafel slaat en zegt: „God geve, dat ik u niet noodig hebbe”; en die dan, als de tweede roemer zijn werking doet, het trekt op den tapper, als dit toch werkelijk niet noodig is.Benvolio.Ben ik zoo iemand?Mercutio.Ja, ja; gij zijt zoo’n opstuivende kerel in je drift, als er één in Italië loopt, en even zoo kitteloorig om driftig, en even zoo driftig om kitteloorig te worden.Benvolio.Wat meer?15Mercutio.Waarachtig, als er meer zoo waren, dan zou er in korten tijd geen een meer over wezen, want de een zou den ander doodslaan. Gij, waarachtig, gij krijgt met iemand twist, omdat hij een haar meer of een haar minder in zijn baard heeft, dan gij hebt. Gij krijgt met iemand twist, als hij een kastanje schilt, alleen omdat gij kastanje-bruine oogen hebt. Wat oog ter wereld, dan zulk een oog, zou zulk een twist kunnen opsporen? Uw hoofd is van twist zoo vol als een ei, en toch is uw hoofd zoo leeg geslagen als een windei, door uw twistzoeken. Gij hebt twist gezocht met een man, die op straat kuchte, omdat hij uw hond wakker maakte, die in de zon lag te slapen. Zijt gij niet uitgevaren tegen een kleermaker, omdat hij zijn nieuw kamizool aantrok vóór Paschen? en tegen een ander, omdat hij zijn nieuwe schoenen met oude linten opbond? en wilt gij mij de les lezen over twistzoeken?Benvolio.Nu, als ik zoo twistziek was als gij zijt, zou niemand, zelfs voor geen vijf kwartier, een weddingschap op mijn hoofd willen aangaan.Mercutio.Uw hoofd! o dwaashoofd!Benvolio.Bij mijn ziel, daar komen de Capulets.Mercutio.Bij mijn zolen, ik geef er niet om.(Tybalten eenige Anderen komen op.)Tybalt.Volg me op den voet, ik heb met hen te spreken.—40Goên dag, een woord met een van u, mijn heeren!Mercutio.En niets dan één woord met een van ons? Voeg er wat bij, maak er een woord en een slag van.Tybalt.Gij zult er mij bereid genoeg toe vinden, heer, als gij er mij maar aanleiding toe wilt geven.Mercutio.Kunt ge geen aanleiding vinden, al geef ik u die niet?Tybalt.Mercutio, gij harmonieert met Romeo,—Mercutio.Harmonieeren! Wat! wilt ge ons tot muzikanten maken? Als gij muzikanten van ons maakt, reken er dan op niets dan snijdende tonen te hooren; hier is mijn strijkstok, die u wel zal laten dansen. Duivels! harmonieeren!Benvolio.’t Is hier een plein, door menschen druk bezocht;Kiest voor uw twist een afgelegen plek;Of wel, bespreekt te zamen kalm uw grieven;Of gaat uiteen;—hier staart ons ieder aan.Mercutio.Daar heeft een mensch zijn oogen voor, hij staar’!Ik wijk van hier om niemands wil een haar.58(Romeokomt op.)Tybalt.’k Laat u met vrede hier; daar komt mijn man.Mercutio.Een strop voor mij, als hij uw dienstpak draagt;Maar ja, ga hem vooruit naar ’t veld, hij volgt u;In dien zin, heerschap, blijkt hij wis uw man.Tybalt.Romeo, mijn vriendschap laat niet toe, dat ikIets anders zeg dan dit: gij zijt een schurk!Romeo.Tybalt, de grond, dien ’k heb, uw vriend te zijn,Ontschuldig’, dat ik niet zoo toornig word,Als past op zulk een groete;—ik ben geen schurk:Daarom, vaarwel! ik zie, gij kent mij niet.Tybalt.Knaap, dit is geen voldoening voor den hoon,Dien gij mij aandeedt; keer dus om, en trek.Romeo.En ik betuig, dat ik u nimmer hoonde,Maar meer uw vriend ben, dan gij gissen kunt,Aleer gij weet, wàt mij uw vriend doet zijn.—Hoor, Capulet, ik stel uw naam zoo hoogAls van mijzelven;—daarom, wees bevredigd.Mercutio.O makke en laffe en eerlooze onderwerping!Alla stoccata, dat is beter taal.—(Hij trekt zijn zwaard.)Tybalt, gij rattenvanger, durft gij? zeg!Tybalt.Maar wat wilt gij dan toch van mij?Mercutio.Niets anders, waarde kattenkoning, dan een van uw negen levens; dat zal ik zoo vrij zijn u te ontnemen, en de andere acht wil ik voor later gebruik droogkloppen. Wees zoo goed uw degen bij de ooren uit zijn huis te halen, en wat schielijk ook, of de mijne fluit u om de ooren, eer de uwe er uit is.Tybalt(het zwaard trekkend).’k Ben tot uw dienst.Romeo.Mercutio, vriend, steek op uw zwaard!Mercutio.Kom, heer, uw passado.(MercutioenTybaltvechten.)Romeo.Benvolio, trek en sla hun wapens neer!—Schaamt u, mijn heeren! staakt dit vechten!—Tybalt, Mercutio! pas verbood de vorstMet klem dit vechten in Verona’s straten.Tybalt, houd op!—Mercutio!93(Hij komt tusschenbeide:Mercutiowordt onder zijn arm door gewond;Tybalten zijn Volgers af.)Mercutio.Tybalt, houd op!—Mercutio!’k Ben gewond!—De pest haal’ beide uw huizen!—’t Is gedaan;—Ontkwam hij?—ongedeerd?Benvolio.Gij zijt gewond?Mercutio.Ja, ja, een prik, een prik; maar ’t is genoeg.—Waar is mijn page? Vlegel, haal een wondarts.(Page af.)Romeo.Moed, vriend, het kan zoo erg niet zijn.Mercutio.Neen, ’t is niet zoo diep als een put en niet zoo wijd als een kerkdeur, maar ’t is genoeg; ik kan ’t er mee doen: laat morgen maar naar me vragen, ik zal doodbedaard zijn. Ik heb mijn bekomst, dat verzeker ik je, voor dit leventje.—De pest hale beide uw huizen!—Duivels! een hond, een rat, een muis, een kat, dat die een mensch kan krabben, dat hij het besterft! een pochhans, een schurk, een schoelje, die vecht naar de regels van de rekenkunst!—Wat duivel kwam je tusschenbeide? Ik kreeg den steek onder uw arm door.Romeo.Ik deed het al om bestwil.Mercutio.Help me in een huis, Benvolio, of ik zwijmOp straat hier neer.—De pest haal’ beide uw huizen!—Die hebben wormenaas van mij gemaakt;’t Was raak, en goed ook;—beide uw huizen!(MercutioenBenvolioaf.)Romeo.Deze edelman, den hertog na verwant,Mijn trouwe vriend, werd dood’lijk daar gewondOm mijnentwil, mijn goede naam bevlektDoor Tybalts hoon, door Tybalt, sinds een uurMijn bloedverwant!—O, dierbre Julia!Uw lieflijk schoon heeft mij verwijfd gemaakt,En ’t staal der dapperheid in mij verweekt.(Benvoliokomt terug.)Benvolio.O, Romeo, Romeo, onze vriend is dood;Ten hemel is die wakk’re geest gezweefd,Die al te ontijdig de aarde heeft versmaad.Romeo.Veel zwarte dagen spelt deez’ dag van moord;Hij bracht ons wee, en andre zetten ’t voort.(Tybaltkomt weder op.)Benvolio.Hoe! Tybalt, die daar razend wederkeert!126Romeo.Hij levend, juichend! en Mercutio dood!Vaar op ten hemel, zachtheid, die ontziet!U volg ik, woede, gij, die vlammen schiet!—Thans, Tybalt, geef ik u dat „schurk!” terug,Dat gij mij voor de voeten wierpt; thans zweeftKort boven ons Mercutio’s ziel, en wachtOp uwe ziel, dat die haar begeleid’;Of gij, of ik, of beiden gaan met hem.Tybalt.Ellend’ling, gij, die staâg zijn makker waart,Zult met hem gaan.Romeo.Zult met hem gaan.Dit worde aldus beslist!(Zij vechten;Tybaltvalt.)Benvolio.Weg, Romeo, snel! van hier!Het volk is op de been, en Tybalt viel;—Wat suft ge, voort!—de vorst doemt u ter dood,Als men u grijpt;—van hier!—van hier, en vlied!Romeo.’k Ben speelbal der Fortuin!Benvolio.’k Ben speelbal der Fortuin!IJl! sammel niet!(Romeoaf.—Burgers enz. treden op.)Eerste Burger.Waar vlood de moord’naar van Mercutio heen?Waar vlood hij heen, die Tybalt, die het deed?Benvolio.Hier ligt die Tybalt.Eerste Burger.Hier ligt die Tybalt.Heer, sta op! en weet,Ik spreek in ’s vorsten naam, gij gaat met mij.(De Vorst komt op, met Gevolg;MontagueenCapulet,met hun Echtgenooten, en Anderen.)Vorst.Wie wekte deez’ verfoeibre muiterij?Benvolio.Mijn eedle vorst, ik was getuige, en deelU alles mee van dit vloekwaard krakeel.Hij, die daar ligt, geveld door Romeo’s hand,Versloeg Mercutio, uw bloedverwant.Gravin Capulet.Tybalt, mijn neef! O gij, mijns broeders kind!O vorst! mijn neef!—Mijn gâ! men heeft ontzindZijn bloed geplengd!—O hoor ons, Heer, geef toe,Stort, voor ons bloed, nu bloed van Montague!Mijns broeders zoon, mijn neef!Vorst.Door wien, Benvolio, is deez’ strijd ontbrand?Benvolio.Door Tybalt, hier geveld door Romeo’s hand.Eerst sprak hem Romeo vriendlijk toe en weesHem op de nietige oorzaak van den twistEn op uw streng verbod;—maar of hij ookMet zachte stem en kalmen blik, ja, smeekend,Het fel gemoed van Tybalt wou bezweren,—Die dolkop luistert naar geen vrede en richtZijn vlijmend wapen op Mercutio’s borst,Die, even vurig, nu de degens kruist165En, als een fier soldaat, met de’ eersten slagDen dood terugslaat, met den tweeden dienNaar Tybalt zendt, die vlug van oog en handDen stoot weer afweert.—Thans roept Romeo luid:Houdt op, mijn vrienden, vrede! en vlugger nogDan ’t woord, is de arm; hij slaat hun moordstaal neerEn werpt zich tusschenbeide; een valsche stootVan Tybalt trof toen onder Romeo’s armMercutio’s moedig leven; Tybalt vlood;Maar dra keert hij terug tot Romeo,Die na deez’ moord door wraakzucht wordt bezield;En snel als ’t weerlicht volgt hun strijd; want eerIk ’t staal ontbloot om hen te scheiden, ligtDe forsche Tybalt reeds ter neer geveld;En nauwlijks zonk hij neer, of Romeo vlood;Zoo droeg ’t zich toe, of ik verdien den dood.Gravin Capulet.O vorst, hij is den Montagues verwant,Hij spreekt daar leugens, is op hunne hand.Wel twintig van die schelmen vielen aan,En hun geweld kon één man niet weerstaan.Ik smeek om recht: doem Romeo ter dood;Hij is ’t geweest, die Tybalts bloed vergoot.Vorst.Boet Romeo aldus voor Tybalts bloed,Door wien wordt dan Mercutio’s dood geboet?Montague.Door Romeo niet; die was Mercutio’s vriend;Den dood had Tybalt naar de wet verdiend:Hij kwam de wet slechts voor.Vorst.Hij kwam de wet slechts voor.En voor die daadVerban ik hem onmidd’lijk uit den staat.Ikzelf blijf van uw woeden niet bevrijd,Ook mijn bloed vloot door uwen fellen strijd.Maar zulk een boete valle u thans te beurt,Dat ge allen dit verlies van mij betreurt.Op voorspraak, noch verschooning wil ik achten,Mijn vonnis zal geween noch beê verzachten;Beproef dus niets; ’t is goed, dat Romeo vlood,Want keert hij, ’t eigen uur brengt hem den dood.Voert weg dit lijk, en overweegt mijn woord!Genâ voor moord’naars is zoo goed als moord.(Allen af.)Tweede Tooneel.Een kamer inCapulet’shuis.Juliakomt op.Julia.Jaag voort, jaag voort, gij vlammenspattend span,Naar Phebus’ woning! Zulk een wagenaarAls Phaëton, hij zweepte u voort naar ’t west,En bracht ons onverwijld de omwolkte nacht.—Breid uit uw floers, gij nacht, die liefde kroont,Luik ieder zwervend oog, dat RomeoOnzichtbaar, heimlijk, in deze armen snell’!—Voor minnenden straalt eigen schoon genoegBij ’t feest der min, of is de liefde blind,Dan past de nacht er bij.—Kom, eerb’re nacht,In stemmig zwart gehuld, en leer mij thans,Hoe, winnend, te verliezen bij een spel,Welks inzet zijn twee reine maagdebloemen;Huif met uw zwarten mantel ’t angstig bloed,Dat in mijn wangen klept, tot schuwe liefdeStoutmoedig wordt, en ’t doen der echte minVoor niets dan zedigheid en onschuld acht.16Kom, nacht! kom Romeo! gij, dag bij nacht,Die op de vleug’len van de nacht zult schitt’ren,Meer dan ooit sneeuw op veed’ren van den raaf!—Kom, lieve nacht, kom, donkre liefdenacht,Geef mijnen Romeo mij; en sterft hij eens,Herneem, en deel hem dan in kleine sterren;Dan schenkt hij ’s hemels aanschijn zulk een glans,Dat heel de wereld op de nacht verlieft,En niemand meer den pronk der zonne huldigt.—O, ’k heb een liefdewoning mij gekocht,Maar niet betrokken; zelf ben ik verkocht,Maar steeds nog niet aanvaard. O, deze dagDuurt mij zoolang, als de avond voor een feestdagAan ’t hunk’rend kind, dat nieuwe kleed’ren heeftEn nog niet aan mag trekken.—O! daar komtMijn voedster; zij brengt nieuws; en elk, wiens tongMijn Romeo slechts noemt, spreekt hemeltaal.—(De Voedster komt op met een ladderkoord.)Nu zeg, wat is ’t? wat hebt ge daar? het koord,Dat Romeo u halen liet?Voedster.Dat Romeo u halen liet?Ja, ’t koord.(Zij werpt het op den grond en wringt de handen.)Julia.Wee mij, wat is ’t? Wat is dat handenwringen?Voedster.O hemel, hij is dood, is dood, is dood!Wij zijn verloren, jonkvrouw, zijn verloren!O, welk een dag! hij is gedood, vermoord!Julia.Gij, hemel, zoo verbolgen?Voedster.Gij, hemel, zoo verbolgen?Romeo is ’t;De hemel is het niet.—O Romeo, Romeo—Wie had dit kunnen denken?—Romeo—Julia.Wat booze geest zijt gij, die zoo mij martelt?Deez’ kreet waar’ goed bij foltring in de hel.Heeft Romeo zich gedood? Is ’t antwoord „ja”,Dan is die klank, dat „ja” een scherper gift,Dan ’t doodlijk blikken van den basilisk,Dan ben ’k vernietigd door dat enkle woord,En ’t sluiten van zijn oog sluit ook het mijn.Is hij gedood, zeg „ja”, zoo niet, zeg „neen”,Mijn wel of wee hangt aan dien klank alleen.Voedster.Ik zag de wond, zag die met eigen oog,—52God help’ mij!—hier, vlak in die forsche borst;Een aak’lig lijk, een bloedig, aak’lig lijk,Grauw, grauw als asch, geheel met bloed bevlekt,—Geronnen bloed;—ik zwijmde, toen ik ’t zag.Julia.O, breek mijn hart!—arm bankroetier, o breek!Ter gijz’ling, oogen, kent geen vrijheid meer;Laag stof, keer weer tot stof! leg ’t leven af!En u en Romeo berge ’tzelfde graf!Voedster.O Tybalt, Tybalt! gij, mijn beste vriend!Beleefde Tybalt, wakk’re en eed’le heer!Dat ik ’t beleven moest, u dood te zien!Julia.Wat storm is dit, die van twee kanten loeit?Is Romeo vermoord, en Tybalt dood?Mijn liefste neef, en eindloos liever gâ?—Dan, schrikbazuin, blaas dan den jongsten dag!Want wie, wie leeft, zijn deze twee niet meer?Voedster.Tybalt is dood, en Romeo verbannen;Romeo, die hem gedood heeft, is verbannen.Julia.O God!—heeft Romeo Tybalts bloed gestort?Voedster.Ja, ja, o jammerdag! hij deed het, ja!Julia.O slangenhart, bij bloemzoet aangezicht!Woonde ooit een draak in zulk een schoone grot?Verleid’lijk woest’ling! duivel in een lichtkleed!Gij raaf in duivedos! wolfsch-vratig lam!Verfoeibre kern, door ’t godd’lijkst schoon omhuld!Boos tegendeel van ’t goede, dat gij schijnt!Vloekwaarde heilige! eerbiedwaarde schurk!—Natuur, waartoe ter helle neergedaaldOm zulk een euv’len geest, dien gij deedt wonenIn zulk een vleeschgeworden paradijs?—Wie gaf een boek van zulk een snooden inhoudOoit zulk een schoonen band? O, dat bedrogZulk prachtpaleis bewonen mag!Voedster.Zulk prachtpaleis bewonen mag!Er isGeen trouw, geen braafheid meer in mannen; allenZijn trouwloos, valsch, meineedig, allen huichlaars.—Waar is mijn dienaar? Geef mij iets versterkends;—Die kommer, zorg en droefheid maakt mij oud.Smaad, schande op Romeo!Julia.Smaad, schande op Romeo!Uw tong verstijv’Om zulk een wensch! hem werd nooit smaad bestemd;Smaad is beschaamd te zeet’len op zijn voorhoofd;Dat is een troon, waar, als beheerscheresDer gansche wereld, de eere zij gekroond!O, ’k was geen mensch, toen ik hem daar beschimpte!95Voedster.Wilt gij den moord’naar prijzen van uw neef?Julia.Zou ik mijn heer dan smaden, mijn gemaal?Wiens tong zal, arme, uw naam in eere houden,Nu ik, drie uur uw vrouw, hem heb gesmaaldMaar, booze man, wat dooddet gij mijn neef?Die booze neef doodde anders mijn gemaal.Terug, gij dwaze tranen, naar uw bron;Aan weedom komt die droppelplenging toeVloeit niet, verdwaasd, om wat verblijdend is.Mijn gade leeft, dien Tybalt wou verslaan;Dood is die Tybalt, die mijn gâ wou dooden.Troost is dit alles; waarom ween ik dan?Er was een erger woord dan Tybalts dood,Dat mij versloeg. Waar’ ’t uit mijn ziel gewischt!Maar o! het klemt zich vast in mijn geheugenAls zware schuld in ’t zondige gemoed,„Tybalt is dood en Romeo—gebannen!”„Gebannen!” O, dat ééne woord „gebannen”Verslaat tien duizend Tybalts. Tybalts doodWaar’ wee genoeg, volgde ook geen verder wee;Of,—zoekt het leed zich steeds een metgezelEn sleept het altijd andre smarten mee,—Waarom volgde op dat „dood is Tybalt” niet„Uw vader” of „uw moeder”, ja, of beiden,Die passend rouwbeklag betreuren mocht?Maar door wat nakwam achter Tybalts dood,Dat „Romeo is gebannen”, door dat woordZijn vader, moeder, Tybalt, Romeo, allen,En ook ikzelf, verslagen en gevallen;Ja eind- en grens- en maatloos is de doodVan ’t eene woord; onpeilbaar is mijn nood.—Waar zijn mijn vader en mijn moeder? waar?Voedster.Weeklagend, weenend staan ze aan Tybalts baar;Zal ik u bij hen brengen?Julia.Zal ik u bij hen brengen?Wasschen zijZijn wonden met hun tranen, o, die zijnReeds lang gedroogd, dan vloeien nog de mijn’Om Romeo’s ballingschap. Uw toekomst, koord,Is, als de mijn’, door dezen doem verstoord;Door u waar’ hij ten top van heil verheven,Ik eindig vroeg mijn maagdlijk weduwleven.Breng ’t koord mij na, waar ’t bruidsbed is gespreid;De dood, niet Romeo, neem’ mijn maagdlijkheid!Voedster.Ga naar uw kamer; Romeo zal ik halenOm u te troosten; ’k weet wel, waar hij is.Geloof mij, Romeo komt nog deze nacht;Hij is verborgen in Lorenzo’s cel.Julia.O! breng deez’ ring en zeg hem: ik verwachtVan mijn getrouwen gade ’t laatst vaarwel.(Beiden af.)Derde Tooneel.De cel van broederLorenzo.BroederLorenzoen Romeo komen op.Lorenzo.Kom, Romeo, voor den dag, gij man van vrees;Bekomm’ring klemt verliefd zich aan u vast,Ellende is u een levensgezellin.Romeo.Vader, hoe is ’t? wat vonnis sloeg de vorst?Wat rampspoed is ’t, die thans de hand mij grijpt,En dien ik nog niet ken?Lorenzo.En dien ik nog niet ken?Te veel, mijn zoon,Zoekt gij den omgang van zoo droeve vrienden;Ik breng bericht van ’t vonnis van den vorst.Romeo.Is ’t minder, vader, dan het laatst gericht?Lorenzo.Een zachter vonnis vloot hem van de lippen,Het brengt geen dood, het brengt u ballingschap.Romeo.Ha, ballingschap?—Erbarming! zeg mij—„dood”!Verbanning is verschrikk’lijker van aanblik,Veel meer dan dood!—o, zeg niet—„ballingschap”.Lorenzo.Hier van Verona slechts zijt gij verbannen;Wees kalm, de wereld toch is ruim en wijd.Romeo.De wereld is slechts in Verona’s wallen,Daarbuiten folt’ring, vagevuur, de hel.Verbannen is verbannen van de wereld;Die ballingschap is dood;—dus is „verbanning”De dood, misnoemd. Noemt gij den dood—„verbanning”,Gij houwt mij ’t hoofd af met een gouden bijl,En glimlacht bij den slag, die mij vermoordt.Lorenzo.O zware zonde, o, zwarte ondankbaarheid!De wet eischt uwen dood; de goede vorstErbarmt zich uwer, stoot de wet ter zij,Verkeert dat woord „ter dood” in „ballingschap”;Dat is genade, en gij erkent het niet.Romeo.’t Is mart’ling, geen genâ; hier is de hemel,Waar Julia woont, en ied’re kat en hondEn kleine muis, ja ’t laagste schepsel, leeftHier in den hemel, want het mag haar zien,Slechts Romeo niet.—Meer waarde, hoog’ren stand,Meer recht tot liefdediensten heeft een vliegDan Romeo; dat wonderblank der handDer dierbre Julia roert zij vrij aan,En steelt zich hemelwellust van haar lippen,Die rein en met Vestaalsche zedigheidSteeds blozen, alsof kussen zonde waar’;39Doch Romeo mag het niet; hij is verbannen;Wat vliegen mogen doen, moet ik ontvliên;Zij leven vrij, maar ik, ik ben verbannen;En zegt gij nog, „verbanning is geen dood”?Hadt gij geen gift, geen scherp geslepen mes,Geen spoedig werkend middel, hoe veracht,Dan—„ballingschap”—om mij te dooden? „Ballingschap”!O, vader, spreken in de hel verdoemdenDit woord, dan volgt gehuil; hoe hebt gij ’t hart,Gij godsman, geestelijke vader, gij,Ontheffer van de zonde, uw dierbren zoonTe brijz’len met dat woord van „ballingschap?”Lorenzo.Gij dolle liefdedwaas, hoor toch een woord!Romeo.O weer een woord, gewis, van ballingschap.Lorenzo.’k Geef u een harnas, waar dat woord op afstuit,De zoetste melk in ’t leed: philosophie,Die u, al zijt gij balling, troosten zal.Romeo.Toch „ballingschap!”—Weg met philosophie!Indien philosophie geen Julia schept,Geen stad verzet, geen vorstenvonnis stuit,Dan baat zij niets, vermag niets; dan geen woord!Lorenzo.O, ’k zie te wel, krankzinnigen zijn doof!Romeo.Geen wonder, als de wijzen blinden zijn!Lorenzo.Kom, overleggen we eens, hoe ’t met u staat.Romeo.Van wat gij niet gevoelt, kunt gij niet spreken.Waart gij zoo jong als ik, en Julia de uwe,Slechts voor een uur gehuwd, Tybalt vermoord,Verliefd als ik, verbannen zooals ik,Dan mocht ge spreken, woelen in uw haar,U storten op den grond, als ik nu doe,Om u een ongedolven graf te meten.(Er wordt geklopt.)Lorenzo.Op Romeo, op! daar wordt geklopt; verberg u.Romeo.Ach neen; ik laat de zuchten van mijn zielMij als een mist voor ’t vorschend oog omhullen.(Er wordt weder geklopt.)Lorenzo.’t Geklop houdt aan!—Wie is daar?—Romeo, op!Men vat u zeker!—Op!(Geklop.)Een oogenblik geduld!IJl in mijn bidcel ginds!—Zoo daadlijk, ja!—God, welk een dwaasheid!—Ja, ik kom, ik kom!(Geklop.)Wie klopt zoo luid? Wie zijt gij en wat wilt gij?Voedster.Laat mij toch binnen; ’k breng een boodschap over;Ik kom van jonkvrouw Julia.80Lorenzo.Ik kom van jonkvrouw Julia.Welkom dan.(De Voedster treedt binnen.)Voedster.O heil’ge vader, zeg mij, heil’ge vader,Waar is haar man toch? waar is Romeo?Lorenzo.Daar op den grond, bedwelmd door eigen tranen.Voedster.O, hij is als mijn jonkvrouw, juist als zij.O, ’tzelfde wee, beklaagbre staat! Juist zooLigt zij en snikt en weent, en weent en snikt.—Sta op, sta op! zijt gij een man, sta op!Om Julia’s wil, om harentwil, rijs op!Waarom verzonken in zoo diep een wee?Romeo.Ach, goede vrouw!Voedster.Ach, heer, ach, heer!—De dood is aller lot.Romeo.Spraakt gij van Julia? spreek, hoe is ’t met haar?Houdt zij mij niet voor moord’naar van nature,Nu ik met bloed, haar bloed zoo na verwant,De kindsheid onzer vreugde heb bespat?Waar is zij en hoe is ’t haar? O hoe diepIs zij verstoord om ons verstoord geluk?Voedster.Zij spreekt geen enkel woord, maar weent en weent;Nu stort ze neer op ’t bed, dan weer vliegt ze op,En „Tybalt!” roept ze, en schreit om RomeoEn zijgt op nieuw ter neer.Romeo.En zijgt op nieuw ter neer.Als bracht die naam,Uit doodelijke buks geschoten, haarDen dood, zooals de vloekhand van dien naamHaar bloedverwant den dood bracht!—Zeg mij, vader,Waar in deez’ snooden stofklomp huist mijn naam?O zeg ’t mij, zeg ’t, opdat ik ’t vloekbre huisTen grond toe sloop’!(Hij trekt zijn dolk.)Lorenzo.Ten grond toe sloop’!Weerhoû die dolle hand!Zijt gij een man? Uw uiterlijk roept „ja”;Gij weent, gelijk een vrouw; uw woest gedragIs als het reed’loos woeden van een dier.Onschoone vrouw, in ’t schijnschoon van een man;Wanschapen dier, dat beider schijn vereent!Ik sta verbaasd; ja, bij mijn heilige orde,Ik achtte uw geest meer tegen ’t leed gestaald.Versloegt ge Tybalt? Wilt ge uzelf verslaan?En wilt ge uw gâ, die in uw leven leeft,117Door uw vloekwaarden zelfhaat doen vergaan?Wat smaalt gij op uw stam, op aarde en hemel?Schoon stam en aarde en hemel, die ge saamWegwerpen wilt, in u vereenigd zijn.Gij smaadt uw leest, uw liefde en uwen geest!Een woekeraar gelijk, hebt ge overvloedVan goeds, maar maakt van niets het recht gebruik,Dat eere schenkt aan leest en liefde en geest;Een wassen beeld slechts is uw lichaamsschoon,Verzaakt gij zoo de kloekheid van een man;Een ijdle meineed is uw liefdeseed,Doodt gij die liefde, aan wie gij liefde zwoert;Uw geest, die leest en liefde u sieren moest,Te uitzinnig om deez’ twee tot gids te zijn,Vat vuur door eigen onverstand, gelijk’t Kruit in de flesch eens onbedreven krijgers;Wat u beschermen moest, brengt u verderf.Verman u, Romeo! uw Julia leeft,Om wie ge als dood zoo even nederlaagt;Ziedaar reeds heil! u wilde Tybalt dooden,En gij hebt hèm gedood; alweder heil!’t Recht, dat met dood u dreigde, wordt uw vriend,En dood wordt ballingschap; ook dit is heil!Een last van zegen daalt u op de schoudren;’t Geluk in pronkgewaad vleit om uw gunst,Maar, als een eigenzinnig, geem’lijk meisje,Pruilt gij bij al uw liefde en uw geluk.Hoed, hoed u; schriklijk sterft wie zóó misdoet!—IJl tot uw gâ, zooals besloten was;Beklim haar kamer, ga en breng haar troost;Maar toef er niet, totdat men wachten stelt,Die u den weg naar Mantua versperren.Dáár woont gij, tot gelegen tijd uw echtBekend make, en uw vrienden weer verzoen’,En vorstlijke genade u herwaarts roep’,Met twintig honderd duizendmaal meer vreugd,Dan gij met jammer thans van hier vertrekt.—Ga, goede vrouw, breng uw meestres mijn groet,En zeg haar zorg te dragen, dat een elkVan ’t huisgezin zich vroeg ter rust begeev’;—De droefnis zoekt van zelve reeds de rust;—En meld haar: Romeo komt.Voedster.En meld haar: Romeo komt.O Heere God;Hoe gaarne bleef ik luistren, heel de nacht,Naar zooveel goeds. Wat is geleerdheid schoon!—Ik meld, heer, mijn meesteresse, dat gij komt.Romeo.Ga, zeg ook, dat ik haar verwijten wacht.162Voedster.Hier is een ring, heer, dien ’k u geven moet.Maar spoed u, haast u, want reeds wordt het laat.(De Voedster af.)Romeo.O, hoe is nu de moed in mij herleefd!Lorenzo.Ga nu, vaarwel! Denk, waar uw lot aan hangt:Ga ’t zij aleer de wacht is uitgezet,’t Zij met den daag’raad, maar vermomd, van hier.Verblijf in Mantua; ik zoek uw dienaar,En zend van tijd tot tijd door hem bericht,Als iets gebeurt, dat gunstig voor u is.Reik mij de hand, ’t is laat; vaarwel, vaarwel!Romeo.Zoo vreugde boven vreugd mij niet verbeidde,Het waar’ mij leed, dat ik zoo haastig scheide.Vaarwel!(Beiden af.)Vierde Tooneel.Een kamer inCapulet’shuis.Capulet,GravinCapuletenPariskomen op.Capulet.Het liep hier alles tegen, vriend; er wasGeen tijd om bij mijn dochter aan te dringen;Ziet gij, zij was aan Tybalt zeer gehecht;Ik ook;—maar sterven is ons aller lot.—’t Is laat, zij komt van avond niet beneden;En ’k moet ook zeggen, zonder uw bezoekWare ik al voor een uur ter rust gegaan.Paris.Deez’ tijd van rouw is wis geen tijd van trouw;—Dus goede nacht, gravin; ik bid u, spreekEen woord te mijnen gunste bij uw dochter.Gravin Capulet.’k Zal morgen peilen, hoe ze er over denkt.Deze’ avond sloot ze met haar smart zich op.Capulet.Graaf, ’k waag ’t voor Julia’s jawoord in te staan;Ik denk, ze doet in alles naar mijn wensch,Ja meer, ik twijfel zelfs geen oogenblik.Ga tot haar, vrouw, eer ge u ter rust begeeft,Bericht haar, hoe zoon Paris haar bemint,En zeg haar, dat, let wel, aanstaanden Woensdag,—Maar stil, wat is ’t vandaag?Paris.’t Is Maandag, heer.Capulet.Maandag, o ja. Neen, Woensdag is te kort;Maar Donderdag,—ja, zeg haar, DonderdagTreedt zij in ’t huwlijk met deze’ eed’len graaf.—Zijt gij bereid? en is die haast u welkom?Wij vieren ’t onder ons;—een vriend of twee;—Want, ziet ge, Tybalt is zoo pas vermoord,En vierden wij ’t met praal, licht zou men denken,Dat onze neef ons onverschillig was.Wij vragen dus een zes of zeven vrienden,En daarmeê uit.—Is Donderdag u goed?Paris.O ’k wenschte, morgen ware ’t Donderdag.Capulet.Goed, afgesproken;—’t blijft dus Donderdag.—Ga, vrouw, naar Julia, voor gij slapen gaat;Bereid haar op den huwlijksfeestdag voor.—Vaarwel dus!—Hé, brengt licht in mijn vertrek!—O foei, ’t is meer dan laat; het is bijnaWeer vroeg te noemen. Nogmaals, goede nacht.(Allen af.)Vijfde Tooneel.De kamer vanJulia.RomeoenJuliakomen op.Julia.Wilt gij reeds gaan? Het is nog lang geen dag;Het was de nachtegaal, de leeuwrik niet,Wiens schelle stem in ’t angstig oor u drong;Op dien granaatboom zingt hij elke nacht.Geloof me, lieve, ’t was de nachtegaal.Romeo.Het was de leeuwrik, ’s daag’raads bode, en nietDe nachtegaal; zie, lieve, daar in ’t oost,Wat booze strepen ’t scheurend zwerk omzoomen;De nacht heeft lang haar kaarsen opgebrand,En vroolijk gluurt, hoog op de teenen staand,De dag daar van der bergen neveltoppen;Ik moet nu gaan en leef, of blijf en sterf.Julia.Dat is geen daglicht daar, ik weet het, ik;’t Is een verheev’ling, uit de zon gevloeid,Die u deez’ nacht tot fakkeldrager zij,En voorlichte op uw weg naar Mantua;O toef dus nog; uw heengaan heeft nog tijd.Romeo en Julia, Derde Bedrijf, Vijfde Tooneel.Romeo en Julia, Derde Bedrijf, Vijfde Tooneel.Romeo.Men grijp’ mij dan, en leide mij ter dood;’t Is ook mijn keuze, als gij het zoo verlangt.Neen, dat is niet het stralend oog des morgens,Maar bleeke weerglans van ’t gelaat der maan;’t Is ’t lied des leeuwriks niet, dat boven onsHoog aan ’t gewelf des hemels wordt weerkaatst;O zalig blijven! bitter is ’t vaarwel;—Wees welkom, dood! ’t is Julia’s bestel.—Kom, liefste! een zoet gesprek! het daagt nog niet.Julia.Het daagt, het daagt! spoed, spoed u heen en vlied!’t Is wel de leeuwrik, die zoo snerpend valschMet scherpe keel zijn schrille trillers gilt;Men zegt wel, dat de leeuwrik lieflijk zingt,Maar deze niet, die schettert ons vaneen;Men zegt, dat pad en leeuwrik de oogen ruilden;O! hadden zij van stem dan ook geruild,Daar toch die stem u uit mijn armen wringt,En als een jachtkreet u tot vluchten dringt!—O, ga nu; licht en lichter wordt de morgen!Romeo.Licht, lichter! zwart en zwarter onze zorgen!36(De Voedster komt op.)Voedster.Jonkvrouw!Julia.Wat is er, minne?Voedster.Uw moeder is op weg naar dit vertrek;Wees op uw hoede; zie, de dag breekt aan.(De Voedster af.)Julia.Laat, venster, ’t licht dan binnen, ’t leven gaan.Romeo.Vaarwel, vaarwel! één kus nog, ik moet heen!(Hij daalt af.)Julia.Mijn vriend, mijn gâ, mijn ziel! ik blijf alleen;O, zend mij tijding iedren dag van ’t uur,Want één minuut omsluit wel meen’gen dag;En naar die reek’ning ben ik hoogbejaard,Eer ik u wederzie, mijn Romeo.Romeo.Vaarwel! Zoodra ’k de mooglijkheid bevroed,En telkens, liefste, zend ik u mijn groet.Julia.O, zeg, gelooft gij aan ons wederzien?Romeo.O, ’k twijfel niet, en in de toekomst is’t Geleden wee ons stof tot zoet gesprek.Julia.O God! een voorgevoel beklemt mijn hart!Nu gij beneden staat, nu is ’t me, als zag ikU dood, daar in de diepte van een graf;Bedriegt mijn oog mij niet, dan ziet gij bleek.Romeo.Zoo komt ook gij mij voor. Ja, zielsverdrietDrinkt, liefste, ons bloed. Vaarwel, vaarwel, en vlied!(Romeoaf.)Julia.Fortuin, fortuin! een ieder noemt u wuft!En zijt gij wuft, wat doet ge dan met hem,Die zich getrouw betoont? Wees wuft, Fortuin,Dan hoop ik, houdt gij hem niet lang, maar geeftHem dra mij weer.Gravin Capulet(achter het tooneel).Hé, Julia, zijt gij op?Julia.Wie roept mij daar? is ’t niet mijn moeders stem?Is zij nog niet ter rust, of zoo vroeg op?Wat ongewone reden voert haar hier?(GravinCapuletkomt op.)Gravin Capulet.Wat is er, Julia?Julia.Wat is er, Julia?Moeder, ’k ben niet wel.Gravin Capulet.Beweent ge steeds den dood nog van uw neef?Al wiescht gij hem met tranen uit zijn graf,Toch riept ge hem in ’t leven niet terug;Bedwing u dus; gepaste rouw toont liefde,Maar te veel rouw toont mangel aan verstand.Julia.O laat mij weenen om mijn grievend leed!Gravin Capulet.Te dieper grieft u ’t leed, maar ’t roept den vriend,Dien gij beweent, niet weer.77Julia.Dien gij beweent, niet weer.Het grieft te diep;Ik kan niet anders dan den vriend beweenen.Gravin Capulet.’t Is minder, kind, zijn dood, dien gij beweent,Dan dat de schurk nog leeft, die hem versloeg.Julia.Gij zegt, die schurk?Gravin Capulet.Ja, Romeo, die schurk.Julia(ter zijde).Een schurk en hij, wat hemelsbreed verschil!—(Luid.)Vergeev’ hem God! ik doe ’t met heel mijn hart;En toch, geen man wondde ooit als hij mijn hart.Gravin Capulet.’t Is enkel, dat die schelmsche moorder leeft.Julia.En waar deze arm hem niet bereiken kan!—O! wierd aan mij alleen de wraak vertrouwd!Gravin Capulet.De wraak zal ons geworden, wees getroostEn ween niet langer zoo. Ik vind wel iemandIn Mantua, waar de verworp’ling leeft,Die zulk een ongewonen dronk hem reikt,Dat hij weldra met Tybalt samenwoont;En dan is, hoop ik, uw gemoed voldaan.Julia.Voorwaar, dat blijft, wat Romeo betreft,Steeds onvoldaan, aanschouw ik hem niet—dood—Doorboord is ’t hart mij, om mijn nabestaande!—Maar hadt gij iemand opgespoord, die hemVergif wou reiken, zelf zou ik het mengen,En zóó, dat Romeo, ’t gebruikend, rasIn vrede sliep.—O, schrikk’lijk is ’t, zijn naamTe hooren, en hem niet nabij te zijn,Om van mijn liefde voor mijn armen neefMe aan hem te kwijten, die hem heeft gedood.Gravin Capulet.Vind gij de midd’len;—ik vind wel den man.—Maar hoor, ik breng u blijde tijding, kind!Julia.Bij zooveel druk moet blijdschap welkom zijn.—Wat blijde tijding brengt mijn moeder mij?Gravin Capulet.Hoor dan, gij hebt een zorgend vader, kind!Een, die, om u te ontheffen van uw druk,Een dag van vreugd u plotsling heeft bereid,Dien gij niet wachttet, ik niet had voorzien.Julia.O zeg, wat is dat, moeder, voor een dag?Gravin Capulet.Begrijp, mijn kind, aanstaanden Donderdag113Zal u een jong en wakker edelman,Graaf Paris, in Sint Petrus’ dom reeds vroegNaar ’t altaar leiden, als zijn blijde bruid.Julia.Nu, bij Sint Peters dom en Petrus zelf,Daarheen leidt hij mij niet als blijde bruid.Wat wonderbare haast! een echt, aleerDe man, dien ’k huwen zou, mijn liefde vroeg!Ik bid u, moeder, zeg mijn heer en vader,Dat ik nog niet wil huwen, en, ik zweer ’t,Als ik het doe, nog eerder RomeoZou nemen,—en gij weet, hoe ik hem haat!—Dan Paris.—Nieuws, voorwaar, is ’t wat gij meldt!Gravin Capulet.Daar komt uw vader; deel dit zelf hem mee,En hoor welk antwoord hij u geven zal.(Capuleten de Voedster komen op.)Capulet.Bij ’t ondergaan der zon drupt dauw op de aard;Bij ’t ondergaan des zoons van mijnen broederIs ’t hier een stortbui.—Wat! nog immer weenend!Zijt ge een fonteinbeeld, meisje? En telkens weerEen nieuwe tranenvlaag! Uw nietig lichaamSpeelt hier voor zee en wind en bark meteen;Uw oogen zijn een ware zee te noemen,Met tranenvloed en eb; uw lichaam isDe boot, die ’t zilte nat bezeilt; uw zuchtenDe stormwind, die, met uwe tranen worstlend,Als zij met hem, ’t van storm geslingerd schipZal brijz’len, als het weêr niet fluks bedaart.—Hoe is ’t? Hebt ge ons besluit haar meêgedeeld?Gravin Capulet.Ik deed het, maar ze wil niet, zegt u dank.O, waar’ ’t zottinnetje aan haar graf gehuwd!Capulet.Wacht, vrouw; spreek duid’lijker, spreek duid’lijker!Wat! wil zij niet? en zegt zij ons geen dank?Is zij niet trotsch op zulk een grooten zegen,Dat hare onwaardigheid zoo’n waardig manAls bruidegom ontvangt van onze hand?Julia.Niet trotsch, maar dankbaar voor uw goeden wil;Trotsch kan ik nimmer zijn op wat ik haat,Maar dankbaar, bij dien haat, voor ’t liefdrijk doel.Capulet.Zie, wat spitsvondig nest! wat praat is dit?„Trotsch” en „ik dank u” en „ik dank u niet”,En toch „niet trotsch”;—hoor! preutsche, kleine heks,Geen dankjes mij gedankt, geen trots getrotst!Uw fijne voetjes dragen ’t fijne popjeOp Donderdag met Paris naar den dom,Of op een horde sleep ik u er heen.Dat blijft zoo; voort, gij bleekneus! voort, gij feeks!Gij wasgezicht!158Gravin Capulet.Foei, foei, wat raast ge, man!Julia.Mijn goede vader, op mijn knieën smeek ik,Hoor slechts een enkel woord geduldig aan.Capulet.Ter helle, jonge feeks! weerspannig ding!Ik zeg u,—scheer u Donderdag ter kerke,Of kom mij nimmer weder onder ’t oog.Geen woord, geen tegenspraak, geen antwoord meer!Mijn vingers jeuken.—Vrouw, wij dachten eens,Dat ons dit eenig kind ten zegen was;Nu blijkt, dit eenige is nog één te veel,En haar bezit is ons een vloek, een vloek!Verworp’ne, weg!Voedster.Verworp’ne, weg!De Hemel zeeg’ne haar!Heer, ’t is niet goed gedaan; vaar zoo niet uit!Capulet.Ei zoo, vrouw wijsheid? Wat! Bedwing uw tong;Bemoeial, snap met uw kornuiten! weg!Voedster.Ik zeg toch niets, dat kwaad is.Capulet.Ik zeg toch niets, dat kwaad is.Ga met God!Voedster.Mag niemand dan iets zeggen?Capulet.Mag niemand dan iets zeggen?Zwijg, oud vel!En kraam uw wijsheid uit bij uws gelijken;Hier komt ze niet te pas.Gravin Capulet.Hier komt ze niet te pas.Gij zijt te fel.Capulet.Gods sacrament! het maakt me dol. Dag, nacht,Bij tijd en ontijd, spel en arbeid, immer,Alleen en in gezelschap, was ’t mijn zorgVoor haar een man te vinden; en nu ikEen edelman van goeden stam, van midd’len,Heb opgespoord, nog jong, wel opgevoed,Om zoo te zeggen opgepropt met deugden,Een man, als ieder meisje wenschen zou,Nu komt me daar zoo’n voddig, grienend nest,Zoo’n nuf, nu zij ’t geluk voor ’t grijpen heeft,En antwoordt: „neen, ik trouw niet;”—„neen, ik kanHem niet beminnen;”—„’k ben te jong;”—„vergeef me!”Wilt gij geen man, nu goed, mij is het wel;Graas waar gij wilt, gij huist bij mij niet meer;Let op; bedenk, dat ik geen scherts versta.De Donderdag klopt aan; weet wat gij kiest!Doet gij mijn wil, ik geef u aan mijn vriend;—Zoo neen: ga, bedel, honger, sterf op straat;Zoo waar ik leef, verlooch’nen doe ik u,En niets van ’t mijn’, dat ooit ten deel u valt;Bedenk dus wel; en weet, ik staaf mijn eed.(Capuletaf.)Julia.Troont in de wolken geen erbarming meer,198Die in de diepte blikt van mijn ellend?—O, lieve moeder, ach, verstoot mij niet!Verschuif dit huwlijk nog een maand, een week;Of, wilt gij dit niet, spreid het bruidsbed mijIn ’t sombre grafgewelf, waar Tybalt ligt.Gravin Capulet.Spreek niet tot mij, ik spreek geen enkel woord;Doe wat ge wilt, ik heb met u gedaan!(GravinCapuletaf.)Julia.O God!—Spreek, voedster, hoe is dit te keeren?Mijn gade leeft op aard, mijn trouw bij God!Hoe keert die trouw naar de aard’, tenzij die gâDeze aard ontwijke en uit den hemel mijMijn trouw terugzend’?—Geef mij troost, geef raad!—Wee mij! hoe kan de hemel ooit een wezen,Zoo teer als ik, arglistig zoo belagen?—Wat zegt gij, voedster? hebt ge niet één woord,Geen enkel, dat mij opbeurt en vertroost?Voedster.Voorzeker, hoor slechts: Romeo is verbannen;En, alles tegen niets, hij komt niet weer,En eischt u nimmer op;—of waagt hij dit,Dan is ’t ter sluik. Zooals de zaken staan,Schijnt mij het best, dat gij den Graaf maar trouwt.’t Is een beminn’lijk man, en RomeoIs er een stoflap bij; een arend, jonkvrouw,Heeft zulk een schitt’rend, helder, wakker oogAls Paris niet. Ja, bij mijn zaligheid,Deez’ tweede keus is uw geluk; ze is beterDan de eerste was; en, zelfs al waar’ ’t zoo niet,Uw eerste man is dood,—zoo goed als dood,Al leeft hij nog, daar gij niets aan hem hebt.Julia.Meent gij dit met uw hart?228Voedster.Meent gij dit met uw hart?Met hart en ziel.God straff’ me, als ’t zoo niet is.Julia.God straff’ me, als ’t zoo niet is.Dan amen!Voedster.God straff’ me, als ’t zoo niet is. Dan amen!Wat?Julia.Voorwaar, gij hebt mij wonderbaar getroost.—Ga, deel mijn moeder meê: ik ga ter biecht;Lorenzo wete, hoe ’k mijn vader griefde,En schenke mij vergiff’nis voor mijn schuld.Voedster.Ja daad’lijk, gaarne; zie, nu doet ge wijs.(De Voedster af.)Julia.Vloekwaarde heks, verleidster, booze geest!Is ’t grooter zonde, meineed aan te prijzen,Of mijn gemaal te smaden met die tong,Die menig duizendmaal als weêrgâloosHem heeft geroemd?—Raadgeefster, weg! VoortaanEen klove tusschen ons!—Nu tot Lorenzo;Hij is ’t alleen, van wien ik raad verwacht;En is er geen, dan heb ik stervenskracht.(Juliaaf.)

Eerste Tooneel.Een marktplein.Mercutio,Benvolio,een Page en Dienaars komen op.Benvolio.Ik bid u, vriend Mercutio, laat ons gaan;’t Is heet vandaag, de Capulets zijn uit,En treffen wij die aan, dan komt er twist,Want bij deez’ hitte woelt het dolle bloed.Mercutio.Gij lijkt er wel een, die, als hij de gelagkamer van een wijnhuis binnenkomt, met zijn zwaard op de tafel slaat en zegt: „God geve, dat ik u niet noodig hebbe”; en die dan, als de tweede roemer zijn werking doet, het trekt op den tapper, als dit toch werkelijk niet noodig is.Benvolio.Ben ik zoo iemand?Mercutio.Ja, ja; gij zijt zoo’n opstuivende kerel in je drift, als er één in Italië loopt, en even zoo kitteloorig om driftig, en even zoo driftig om kitteloorig te worden.Benvolio.Wat meer?15Mercutio.Waarachtig, als er meer zoo waren, dan zou er in korten tijd geen een meer over wezen, want de een zou den ander doodslaan. Gij, waarachtig, gij krijgt met iemand twist, omdat hij een haar meer of een haar minder in zijn baard heeft, dan gij hebt. Gij krijgt met iemand twist, als hij een kastanje schilt, alleen omdat gij kastanje-bruine oogen hebt. Wat oog ter wereld, dan zulk een oog, zou zulk een twist kunnen opsporen? Uw hoofd is van twist zoo vol als een ei, en toch is uw hoofd zoo leeg geslagen als een windei, door uw twistzoeken. Gij hebt twist gezocht met een man, die op straat kuchte, omdat hij uw hond wakker maakte, die in de zon lag te slapen. Zijt gij niet uitgevaren tegen een kleermaker, omdat hij zijn nieuw kamizool aantrok vóór Paschen? en tegen een ander, omdat hij zijn nieuwe schoenen met oude linten opbond? en wilt gij mij de les lezen over twistzoeken?Benvolio.Nu, als ik zoo twistziek was als gij zijt, zou niemand, zelfs voor geen vijf kwartier, een weddingschap op mijn hoofd willen aangaan.Mercutio.Uw hoofd! o dwaashoofd!Benvolio.Bij mijn ziel, daar komen de Capulets.Mercutio.Bij mijn zolen, ik geef er niet om.(Tybalten eenige Anderen komen op.)Tybalt.Volg me op den voet, ik heb met hen te spreken.—40Goên dag, een woord met een van u, mijn heeren!Mercutio.En niets dan één woord met een van ons? Voeg er wat bij, maak er een woord en een slag van.Tybalt.Gij zult er mij bereid genoeg toe vinden, heer, als gij er mij maar aanleiding toe wilt geven.Mercutio.Kunt ge geen aanleiding vinden, al geef ik u die niet?Tybalt.Mercutio, gij harmonieert met Romeo,—Mercutio.Harmonieeren! Wat! wilt ge ons tot muzikanten maken? Als gij muzikanten van ons maakt, reken er dan op niets dan snijdende tonen te hooren; hier is mijn strijkstok, die u wel zal laten dansen. Duivels! harmonieeren!Benvolio.’t Is hier een plein, door menschen druk bezocht;Kiest voor uw twist een afgelegen plek;Of wel, bespreekt te zamen kalm uw grieven;Of gaat uiteen;—hier staart ons ieder aan.Mercutio.Daar heeft een mensch zijn oogen voor, hij staar’!Ik wijk van hier om niemands wil een haar.58(Romeokomt op.)Tybalt.’k Laat u met vrede hier; daar komt mijn man.Mercutio.Een strop voor mij, als hij uw dienstpak draagt;Maar ja, ga hem vooruit naar ’t veld, hij volgt u;In dien zin, heerschap, blijkt hij wis uw man.Tybalt.Romeo, mijn vriendschap laat niet toe, dat ikIets anders zeg dan dit: gij zijt een schurk!Romeo.Tybalt, de grond, dien ’k heb, uw vriend te zijn,Ontschuldig’, dat ik niet zoo toornig word,Als past op zulk een groete;—ik ben geen schurk:Daarom, vaarwel! ik zie, gij kent mij niet.Tybalt.Knaap, dit is geen voldoening voor den hoon,Dien gij mij aandeedt; keer dus om, en trek.Romeo.En ik betuig, dat ik u nimmer hoonde,Maar meer uw vriend ben, dan gij gissen kunt,Aleer gij weet, wàt mij uw vriend doet zijn.—Hoor, Capulet, ik stel uw naam zoo hoogAls van mijzelven;—daarom, wees bevredigd.Mercutio.O makke en laffe en eerlooze onderwerping!Alla stoccata, dat is beter taal.—(Hij trekt zijn zwaard.)Tybalt, gij rattenvanger, durft gij? zeg!Tybalt.Maar wat wilt gij dan toch van mij?Mercutio.Niets anders, waarde kattenkoning, dan een van uw negen levens; dat zal ik zoo vrij zijn u te ontnemen, en de andere acht wil ik voor later gebruik droogkloppen. Wees zoo goed uw degen bij de ooren uit zijn huis te halen, en wat schielijk ook, of de mijne fluit u om de ooren, eer de uwe er uit is.Tybalt(het zwaard trekkend).’k Ben tot uw dienst.Romeo.Mercutio, vriend, steek op uw zwaard!Mercutio.Kom, heer, uw passado.(MercutioenTybaltvechten.)Romeo.Benvolio, trek en sla hun wapens neer!—Schaamt u, mijn heeren! staakt dit vechten!—Tybalt, Mercutio! pas verbood de vorstMet klem dit vechten in Verona’s straten.Tybalt, houd op!—Mercutio!93(Hij komt tusschenbeide:Mercutiowordt onder zijn arm door gewond;Tybalten zijn Volgers af.)Mercutio.Tybalt, houd op!—Mercutio!’k Ben gewond!—De pest haal’ beide uw huizen!—’t Is gedaan;—Ontkwam hij?—ongedeerd?Benvolio.Gij zijt gewond?Mercutio.Ja, ja, een prik, een prik; maar ’t is genoeg.—Waar is mijn page? Vlegel, haal een wondarts.(Page af.)Romeo.Moed, vriend, het kan zoo erg niet zijn.Mercutio.Neen, ’t is niet zoo diep als een put en niet zoo wijd als een kerkdeur, maar ’t is genoeg; ik kan ’t er mee doen: laat morgen maar naar me vragen, ik zal doodbedaard zijn. Ik heb mijn bekomst, dat verzeker ik je, voor dit leventje.—De pest hale beide uw huizen!—Duivels! een hond, een rat, een muis, een kat, dat die een mensch kan krabben, dat hij het besterft! een pochhans, een schurk, een schoelje, die vecht naar de regels van de rekenkunst!—Wat duivel kwam je tusschenbeide? Ik kreeg den steek onder uw arm door.Romeo.Ik deed het al om bestwil.Mercutio.Help me in een huis, Benvolio, of ik zwijmOp straat hier neer.—De pest haal’ beide uw huizen!—Die hebben wormenaas van mij gemaakt;’t Was raak, en goed ook;—beide uw huizen!(MercutioenBenvolioaf.)Romeo.Deze edelman, den hertog na verwant,Mijn trouwe vriend, werd dood’lijk daar gewondOm mijnentwil, mijn goede naam bevlektDoor Tybalts hoon, door Tybalt, sinds een uurMijn bloedverwant!—O, dierbre Julia!Uw lieflijk schoon heeft mij verwijfd gemaakt,En ’t staal der dapperheid in mij verweekt.(Benvoliokomt terug.)Benvolio.O, Romeo, Romeo, onze vriend is dood;Ten hemel is die wakk’re geest gezweefd,Die al te ontijdig de aarde heeft versmaad.Romeo.Veel zwarte dagen spelt deez’ dag van moord;Hij bracht ons wee, en andre zetten ’t voort.(Tybaltkomt weder op.)Benvolio.Hoe! Tybalt, die daar razend wederkeert!126Romeo.Hij levend, juichend! en Mercutio dood!Vaar op ten hemel, zachtheid, die ontziet!U volg ik, woede, gij, die vlammen schiet!—Thans, Tybalt, geef ik u dat „schurk!” terug,Dat gij mij voor de voeten wierpt; thans zweeftKort boven ons Mercutio’s ziel, en wachtOp uwe ziel, dat die haar begeleid’;Of gij, of ik, of beiden gaan met hem.Tybalt.Ellend’ling, gij, die staâg zijn makker waart,Zult met hem gaan.Romeo.Zult met hem gaan.Dit worde aldus beslist!(Zij vechten;Tybaltvalt.)Benvolio.Weg, Romeo, snel! van hier!Het volk is op de been, en Tybalt viel;—Wat suft ge, voort!—de vorst doemt u ter dood,Als men u grijpt;—van hier!—van hier, en vlied!Romeo.’k Ben speelbal der Fortuin!Benvolio.’k Ben speelbal der Fortuin!IJl! sammel niet!(Romeoaf.—Burgers enz. treden op.)Eerste Burger.Waar vlood de moord’naar van Mercutio heen?Waar vlood hij heen, die Tybalt, die het deed?Benvolio.Hier ligt die Tybalt.Eerste Burger.Hier ligt die Tybalt.Heer, sta op! en weet,Ik spreek in ’s vorsten naam, gij gaat met mij.(De Vorst komt op, met Gevolg;MontagueenCapulet,met hun Echtgenooten, en Anderen.)Vorst.Wie wekte deez’ verfoeibre muiterij?Benvolio.Mijn eedle vorst, ik was getuige, en deelU alles mee van dit vloekwaard krakeel.Hij, die daar ligt, geveld door Romeo’s hand,Versloeg Mercutio, uw bloedverwant.Gravin Capulet.Tybalt, mijn neef! O gij, mijns broeders kind!O vorst! mijn neef!—Mijn gâ! men heeft ontzindZijn bloed geplengd!—O hoor ons, Heer, geef toe,Stort, voor ons bloed, nu bloed van Montague!Mijns broeders zoon, mijn neef!Vorst.Door wien, Benvolio, is deez’ strijd ontbrand?Benvolio.Door Tybalt, hier geveld door Romeo’s hand.Eerst sprak hem Romeo vriendlijk toe en weesHem op de nietige oorzaak van den twistEn op uw streng verbod;—maar of hij ookMet zachte stem en kalmen blik, ja, smeekend,Het fel gemoed van Tybalt wou bezweren,—Die dolkop luistert naar geen vrede en richtZijn vlijmend wapen op Mercutio’s borst,Die, even vurig, nu de degens kruist165En, als een fier soldaat, met de’ eersten slagDen dood terugslaat, met den tweeden dienNaar Tybalt zendt, die vlug van oog en handDen stoot weer afweert.—Thans roept Romeo luid:Houdt op, mijn vrienden, vrede! en vlugger nogDan ’t woord, is de arm; hij slaat hun moordstaal neerEn werpt zich tusschenbeide; een valsche stootVan Tybalt trof toen onder Romeo’s armMercutio’s moedig leven; Tybalt vlood;Maar dra keert hij terug tot Romeo,Die na deez’ moord door wraakzucht wordt bezield;En snel als ’t weerlicht volgt hun strijd; want eerIk ’t staal ontbloot om hen te scheiden, ligtDe forsche Tybalt reeds ter neer geveld;En nauwlijks zonk hij neer, of Romeo vlood;Zoo droeg ’t zich toe, of ik verdien den dood.Gravin Capulet.O vorst, hij is den Montagues verwant,Hij spreekt daar leugens, is op hunne hand.Wel twintig van die schelmen vielen aan,En hun geweld kon één man niet weerstaan.Ik smeek om recht: doem Romeo ter dood;Hij is ’t geweest, die Tybalts bloed vergoot.Vorst.Boet Romeo aldus voor Tybalts bloed,Door wien wordt dan Mercutio’s dood geboet?Montague.Door Romeo niet; die was Mercutio’s vriend;Den dood had Tybalt naar de wet verdiend:Hij kwam de wet slechts voor.Vorst.Hij kwam de wet slechts voor.En voor die daadVerban ik hem onmidd’lijk uit den staat.Ikzelf blijf van uw woeden niet bevrijd,Ook mijn bloed vloot door uwen fellen strijd.Maar zulk een boete valle u thans te beurt,Dat ge allen dit verlies van mij betreurt.Op voorspraak, noch verschooning wil ik achten,Mijn vonnis zal geween noch beê verzachten;Beproef dus niets; ’t is goed, dat Romeo vlood,Want keert hij, ’t eigen uur brengt hem den dood.Voert weg dit lijk, en overweegt mijn woord!Genâ voor moord’naars is zoo goed als moord.(Allen af.)

Eerste Tooneel.Een marktplein.Mercutio,Benvolio,een Page en Dienaars komen op.Benvolio.Ik bid u, vriend Mercutio, laat ons gaan;’t Is heet vandaag, de Capulets zijn uit,En treffen wij die aan, dan komt er twist,Want bij deez’ hitte woelt het dolle bloed.Mercutio.Gij lijkt er wel een, die, als hij de gelagkamer van een wijnhuis binnenkomt, met zijn zwaard op de tafel slaat en zegt: „God geve, dat ik u niet noodig hebbe”; en die dan, als de tweede roemer zijn werking doet, het trekt op den tapper, als dit toch werkelijk niet noodig is.Benvolio.Ben ik zoo iemand?Mercutio.Ja, ja; gij zijt zoo’n opstuivende kerel in je drift, als er één in Italië loopt, en even zoo kitteloorig om driftig, en even zoo driftig om kitteloorig te worden.Benvolio.Wat meer?15Mercutio.Waarachtig, als er meer zoo waren, dan zou er in korten tijd geen een meer over wezen, want de een zou den ander doodslaan. Gij, waarachtig, gij krijgt met iemand twist, omdat hij een haar meer of een haar minder in zijn baard heeft, dan gij hebt. Gij krijgt met iemand twist, als hij een kastanje schilt, alleen omdat gij kastanje-bruine oogen hebt. Wat oog ter wereld, dan zulk een oog, zou zulk een twist kunnen opsporen? Uw hoofd is van twist zoo vol als een ei, en toch is uw hoofd zoo leeg geslagen als een windei, door uw twistzoeken. Gij hebt twist gezocht met een man, die op straat kuchte, omdat hij uw hond wakker maakte, die in de zon lag te slapen. Zijt gij niet uitgevaren tegen een kleermaker, omdat hij zijn nieuw kamizool aantrok vóór Paschen? en tegen een ander, omdat hij zijn nieuwe schoenen met oude linten opbond? en wilt gij mij de les lezen over twistzoeken?Benvolio.Nu, als ik zoo twistziek was als gij zijt, zou niemand, zelfs voor geen vijf kwartier, een weddingschap op mijn hoofd willen aangaan.Mercutio.Uw hoofd! o dwaashoofd!Benvolio.Bij mijn ziel, daar komen de Capulets.Mercutio.Bij mijn zolen, ik geef er niet om.(Tybalten eenige Anderen komen op.)Tybalt.Volg me op den voet, ik heb met hen te spreken.—40Goên dag, een woord met een van u, mijn heeren!Mercutio.En niets dan één woord met een van ons? Voeg er wat bij, maak er een woord en een slag van.Tybalt.Gij zult er mij bereid genoeg toe vinden, heer, als gij er mij maar aanleiding toe wilt geven.Mercutio.Kunt ge geen aanleiding vinden, al geef ik u die niet?Tybalt.Mercutio, gij harmonieert met Romeo,—Mercutio.Harmonieeren! Wat! wilt ge ons tot muzikanten maken? Als gij muzikanten van ons maakt, reken er dan op niets dan snijdende tonen te hooren; hier is mijn strijkstok, die u wel zal laten dansen. Duivels! harmonieeren!Benvolio.’t Is hier een plein, door menschen druk bezocht;Kiest voor uw twist een afgelegen plek;Of wel, bespreekt te zamen kalm uw grieven;Of gaat uiteen;—hier staart ons ieder aan.Mercutio.Daar heeft een mensch zijn oogen voor, hij staar’!Ik wijk van hier om niemands wil een haar.58(Romeokomt op.)Tybalt.’k Laat u met vrede hier; daar komt mijn man.Mercutio.Een strop voor mij, als hij uw dienstpak draagt;Maar ja, ga hem vooruit naar ’t veld, hij volgt u;In dien zin, heerschap, blijkt hij wis uw man.Tybalt.Romeo, mijn vriendschap laat niet toe, dat ikIets anders zeg dan dit: gij zijt een schurk!Romeo.Tybalt, de grond, dien ’k heb, uw vriend te zijn,Ontschuldig’, dat ik niet zoo toornig word,Als past op zulk een groete;—ik ben geen schurk:Daarom, vaarwel! ik zie, gij kent mij niet.Tybalt.Knaap, dit is geen voldoening voor den hoon,Dien gij mij aandeedt; keer dus om, en trek.Romeo.En ik betuig, dat ik u nimmer hoonde,Maar meer uw vriend ben, dan gij gissen kunt,Aleer gij weet, wàt mij uw vriend doet zijn.—Hoor, Capulet, ik stel uw naam zoo hoogAls van mijzelven;—daarom, wees bevredigd.Mercutio.O makke en laffe en eerlooze onderwerping!Alla stoccata, dat is beter taal.—(Hij trekt zijn zwaard.)Tybalt, gij rattenvanger, durft gij? zeg!Tybalt.Maar wat wilt gij dan toch van mij?Mercutio.Niets anders, waarde kattenkoning, dan een van uw negen levens; dat zal ik zoo vrij zijn u te ontnemen, en de andere acht wil ik voor later gebruik droogkloppen. Wees zoo goed uw degen bij de ooren uit zijn huis te halen, en wat schielijk ook, of de mijne fluit u om de ooren, eer de uwe er uit is.Tybalt(het zwaard trekkend).’k Ben tot uw dienst.Romeo.Mercutio, vriend, steek op uw zwaard!Mercutio.Kom, heer, uw passado.(MercutioenTybaltvechten.)Romeo.Benvolio, trek en sla hun wapens neer!—Schaamt u, mijn heeren! staakt dit vechten!—Tybalt, Mercutio! pas verbood de vorstMet klem dit vechten in Verona’s straten.Tybalt, houd op!—Mercutio!93(Hij komt tusschenbeide:Mercutiowordt onder zijn arm door gewond;Tybalten zijn Volgers af.)Mercutio.Tybalt, houd op!—Mercutio!’k Ben gewond!—De pest haal’ beide uw huizen!—’t Is gedaan;—Ontkwam hij?—ongedeerd?Benvolio.Gij zijt gewond?Mercutio.Ja, ja, een prik, een prik; maar ’t is genoeg.—Waar is mijn page? Vlegel, haal een wondarts.(Page af.)Romeo.Moed, vriend, het kan zoo erg niet zijn.Mercutio.Neen, ’t is niet zoo diep als een put en niet zoo wijd als een kerkdeur, maar ’t is genoeg; ik kan ’t er mee doen: laat morgen maar naar me vragen, ik zal doodbedaard zijn. Ik heb mijn bekomst, dat verzeker ik je, voor dit leventje.—De pest hale beide uw huizen!—Duivels! een hond, een rat, een muis, een kat, dat die een mensch kan krabben, dat hij het besterft! een pochhans, een schurk, een schoelje, die vecht naar de regels van de rekenkunst!—Wat duivel kwam je tusschenbeide? Ik kreeg den steek onder uw arm door.Romeo.Ik deed het al om bestwil.Mercutio.Help me in een huis, Benvolio, of ik zwijmOp straat hier neer.—De pest haal’ beide uw huizen!—Die hebben wormenaas van mij gemaakt;’t Was raak, en goed ook;—beide uw huizen!(MercutioenBenvolioaf.)Romeo.Deze edelman, den hertog na verwant,Mijn trouwe vriend, werd dood’lijk daar gewondOm mijnentwil, mijn goede naam bevlektDoor Tybalts hoon, door Tybalt, sinds een uurMijn bloedverwant!—O, dierbre Julia!Uw lieflijk schoon heeft mij verwijfd gemaakt,En ’t staal der dapperheid in mij verweekt.(Benvoliokomt terug.)Benvolio.O, Romeo, Romeo, onze vriend is dood;Ten hemel is die wakk’re geest gezweefd,Die al te ontijdig de aarde heeft versmaad.Romeo.Veel zwarte dagen spelt deez’ dag van moord;Hij bracht ons wee, en andre zetten ’t voort.(Tybaltkomt weder op.)Benvolio.Hoe! Tybalt, die daar razend wederkeert!126Romeo.Hij levend, juichend! en Mercutio dood!Vaar op ten hemel, zachtheid, die ontziet!U volg ik, woede, gij, die vlammen schiet!—Thans, Tybalt, geef ik u dat „schurk!” terug,Dat gij mij voor de voeten wierpt; thans zweeftKort boven ons Mercutio’s ziel, en wachtOp uwe ziel, dat die haar begeleid’;Of gij, of ik, of beiden gaan met hem.Tybalt.Ellend’ling, gij, die staâg zijn makker waart,Zult met hem gaan.Romeo.Zult met hem gaan.Dit worde aldus beslist!(Zij vechten;Tybaltvalt.)Benvolio.Weg, Romeo, snel! van hier!Het volk is op de been, en Tybalt viel;—Wat suft ge, voort!—de vorst doemt u ter dood,Als men u grijpt;—van hier!—van hier, en vlied!Romeo.’k Ben speelbal der Fortuin!Benvolio.’k Ben speelbal der Fortuin!IJl! sammel niet!(Romeoaf.—Burgers enz. treden op.)Eerste Burger.Waar vlood de moord’naar van Mercutio heen?Waar vlood hij heen, die Tybalt, die het deed?Benvolio.Hier ligt die Tybalt.Eerste Burger.Hier ligt die Tybalt.Heer, sta op! en weet,Ik spreek in ’s vorsten naam, gij gaat met mij.(De Vorst komt op, met Gevolg;MontagueenCapulet,met hun Echtgenooten, en Anderen.)Vorst.Wie wekte deez’ verfoeibre muiterij?Benvolio.Mijn eedle vorst, ik was getuige, en deelU alles mee van dit vloekwaard krakeel.Hij, die daar ligt, geveld door Romeo’s hand,Versloeg Mercutio, uw bloedverwant.Gravin Capulet.Tybalt, mijn neef! O gij, mijns broeders kind!O vorst! mijn neef!—Mijn gâ! men heeft ontzindZijn bloed geplengd!—O hoor ons, Heer, geef toe,Stort, voor ons bloed, nu bloed van Montague!Mijns broeders zoon, mijn neef!Vorst.Door wien, Benvolio, is deez’ strijd ontbrand?Benvolio.Door Tybalt, hier geveld door Romeo’s hand.Eerst sprak hem Romeo vriendlijk toe en weesHem op de nietige oorzaak van den twistEn op uw streng verbod;—maar of hij ookMet zachte stem en kalmen blik, ja, smeekend,Het fel gemoed van Tybalt wou bezweren,—Die dolkop luistert naar geen vrede en richtZijn vlijmend wapen op Mercutio’s borst,Die, even vurig, nu de degens kruist165En, als een fier soldaat, met de’ eersten slagDen dood terugslaat, met den tweeden dienNaar Tybalt zendt, die vlug van oog en handDen stoot weer afweert.—Thans roept Romeo luid:Houdt op, mijn vrienden, vrede! en vlugger nogDan ’t woord, is de arm; hij slaat hun moordstaal neerEn werpt zich tusschenbeide; een valsche stootVan Tybalt trof toen onder Romeo’s armMercutio’s moedig leven; Tybalt vlood;Maar dra keert hij terug tot Romeo,Die na deez’ moord door wraakzucht wordt bezield;En snel als ’t weerlicht volgt hun strijd; want eerIk ’t staal ontbloot om hen te scheiden, ligtDe forsche Tybalt reeds ter neer geveld;En nauwlijks zonk hij neer, of Romeo vlood;Zoo droeg ’t zich toe, of ik verdien den dood.Gravin Capulet.O vorst, hij is den Montagues verwant,Hij spreekt daar leugens, is op hunne hand.Wel twintig van die schelmen vielen aan,En hun geweld kon één man niet weerstaan.Ik smeek om recht: doem Romeo ter dood;Hij is ’t geweest, die Tybalts bloed vergoot.Vorst.Boet Romeo aldus voor Tybalts bloed,Door wien wordt dan Mercutio’s dood geboet?Montague.Door Romeo niet; die was Mercutio’s vriend;Den dood had Tybalt naar de wet verdiend:Hij kwam de wet slechts voor.Vorst.Hij kwam de wet slechts voor.En voor die daadVerban ik hem onmidd’lijk uit den staat.Ikzelf blijf van uw woeden niet bevrijd,Ook mijn bloed vloot door uwen fellen strijd.Maar zulk een boete valle u thans te beurt,Dat ge allen dit verlies van mij betreurt.Op voorspraak, noch verschooning wil ik achten,Mijn vonnis zal geween noch beê verzachten;Beproef dus niets; ’t is goed, dat Romeo vlood,Want keert hij, ’t eigen uur brengt hem den dood.Voert weg dit lijk, en overweegt mijn woord!Genâ voor moord’naars is zoo goed als moord.(Allen af.)

Een marktplein.

Mercutio,Benvolio,een Page en Dienaars komen op.

Benvolio.Ik bid u, vriend Mercutio, laat ons gaan;’t Is heet vandaag, de Capulets zijn uit,En treffen wij die aan, dan komt er twist,Want bij deez’ hitte woelt het dolle bloed.

Benvolio.

Ik bid u, vriend Mercutio, laat ons gaan;

’t Is heet vandaag, de Capulets zijn uit,

En treffen wij die aan, dan komt er twist,

Want bij deez’ hitte woelt het dolle bloed.

Mercutio.Gij lijkt er wel een, die, als hij de gelagkamer van een wijnhuis binnenkomt, met zijn zwaard op de tafel slaat en zegt: „God geve, dat ik u niet noodig hebbe”; en die dan, als de tweede roemer zijn werking doet, het trekt op den tapper, als dit toch werkelijk niet noodig is.

Mercutio.

Gij lijkt er wel een, die, als hij de gelagkamer van een wijnhuis binnenkomt, met zijn zwaard op de tafel slaat en zegt: „God geve, dat ik u niet noodig hebbe”; en die dan, als de tweede roemer zijn werking doet, het trekt op den tapper, als dit toch werkelijk niet noodig is.

Benvolio.Ben ik zoo iemand?

Benvolio.

Ben ik zoo iemand?

Mercutio.Ja, ja; gij zijt zoo’n opstuivende kerel in je drift, als er één in Italië loopt, en even zoo kitteloorig om driftig, en even zoo driftig om kitteloorig te worden.

Mercutio.

Ja, ja; gij zijt zoo’n opstuivende kerel in je drift, als er één in Italië loopt, en even zoo kitteloorig om driftig, en even zoo driftig om kitteloorig te worden.

Benvolio.Wat meer?15

Benvolio.

Wat meer?15

Mercutio.Waarachtig, als er meer zoo waren, dan zou er in korten tijd geen een meer over wezen, want de een zou den ander doodslaan. Gij, waarachtig, gij krijgt met iemand twist, omdat hij een haar meer of een haar minder in zijn baard heeft, dan gij hebt. Gij krijgt met iemand twist, als hij een kastanje schilt, alleen omdat gij kastanje-bruine oogen hebt. Wat oog ter wereld, dan zulk een oog, zou zulk een twist kunnen opsporen? Uw hoofd is van twist zoo vol als een ei, en toch is uw hoofd zoo leeg geslagen als een windei, door uw twistzoeken. Gij hebt twist gezocht met een man, die op straat kuchte, omdat hij uw hond wakker maakte, die in de zon lag te slapen. Zijt gij niet uitgevaren tegen een kleermaker, omdat hij zijn nieuw kamizool aantrok vóór Paschen? en tegen een ander, omdat hij zijn nieuwe schoenen met oude linten opbond? en wilt gij mij de les lezen over twistzoeken?

Mercutio.

Waarachtig, als er meer zoo waren, dan zou er in korten tijd geen een meer over wezen, want de een zou den ander doodslaan. Gij, waarachtig, gij krijgt met iemand twist, omdat hij een haar meer of een haar minder in zijn baard heeft, dan gij hebt. Gij krijgt met iemand twist, als hij een kastanje schilt, alleen omdat gij kastanje-bruine oogen hebt. Wat oog ter wereld, dan zulk een oog, zou zulk een twist kunnen opsporen? Uw hoofd is van twist zoo vol als een ei, en toch is uw hoofd zoo leeg geslagen als een windei, door uw twistzoeken. Gij hebt twist gezocht met een man, die op straat kuchte, omdat hij uw hond wakker maakte, die in de zon lag te slapen. Zijt gij niet uitgevaren tegen een kleermaker, omdat hij zijn nieuw kamizool aantrok vóór Paschen? en tegen een ander, omdat hij zijn nieuwe schoenen met oude linten opbond? en wilt gij mij de les lezen over twistzoeken?

Benvolio.Nu, als ik zoo twistziek was als gij zijt, zou niemand, zelfs voor geen vijf kwartier, een weddingschap op mijn hoofd willen aangaan.

Benvolio.

Nu, als ik zoo twistziek was als gij zijt, zou niemand, zelfs voor geen vijf kwartier, een weddingschap op mijn hoofd willen aangaan.

Mercutio.Uw hoofd! o dwaashoofd!

Mercutio.

Uw hoofd! o dwaashoofd!

Benvolio.Bij mijn ziel, daar komen de Capulets.

Benvolio.

Bij mijn ziel, daar komen de Capulets.

Mercutio.Bij mijn zolen, ik geef er niet om.

Mercutio.

Bij mijn zolen, ik geef er niet om.

(Tybalten eenige Anderen komen op.)

Tybalt.Volg me op den voet, ik heb met hen te spreken.—40Goên dag, een woord met een van u, mijn heeren!

Tybalt.

Volg me op den voet, ik heb met hen te spreken.—40

Goên dag, een woord met een van u, mijn heeren!

Mercutio.En niets dan één woord met een van ons? Voeg er wat bij, maak er een woord en een slag van.

Mercutio.

En niets dan één woord met een van ons? Voeg er wat bij, maak er een woord en een slag van.

Tybalt.Gij zult er mij bereid genoeg toe vinden, heer, als gij er mij maar aanleiding toe wilt geven.

Tybalt.

Gij zult er mij bereid genoeg toe vinden, heer, als gij er mij maar aanleiding toe wilt geven.

Mercutio.Kunt ge geen aanleiding vinden, al geef ik u die niet?

Mercutio.

Kunt ge geen aanleiding vinden, al geef ik u die niet?

Tybalt.Mercutio, gij harmonieert met Romeo,—

Tybalt.

Mercutio, gij harmonieert met Romeo,—

Mercutio.Harmonieeren! Wat! wilt ge ons tot muzikanten maken? Als gij muzikanten van ons maakt, reken er dan op niets dan snijdende tonen te hooren; hier is mijn strijkstok, die u wel zal laten dansen. Duivels! harmonieeren!

Mercutio.

Harmonieeren! Wat! wilt ge ons tot muzikanten maken? Als gij muzikanten van ons maakt, reken er dan op niets dan snijdende tonen te hooren; hier is mijn strijkstok, die u wel zal laten dansen. Duivels! harmonieeren!

Benvolio.’t Is hier een plein, door menschen druk bezocht;Kiest voor uw twist een afgelegen plek;Of wel, bespreekt te zamen kalm uw grieven;Of gaat uiteen;—hier staart ons ieder aan.

Benvolio.

’t Is hier een plein, door menschen druk bezocht;

Kiest voor uw twist een afgelegen plek;

Of wel, bespreekt te zamen kalm uw grieven;

Of gaat uiteen;—hier staart ons ieder aan.

Mercutio.Daar heeft een mensch zijn oogen voor, hij staar’!Ik wijk van hier om niemands wil een haar.58

Mercutio.

Daar heeft een mensch zijn oogen voor, hij staar’!

Ik wijk van hier om niemands wil een haar.58

(Romeokomt op.)

Tybalt.’k Laat u met vrede hier; daar komt mijn man.

Tybalt.

’k Laat u met vrede hier; daar komt mijn man.

Mercutio.Een strop voor mij, als hij uw dienstpak draagt;Maar ja, ga hem vooruit naar ’t veld, hij volgt u;In dien zin, heerschap, blijkt hij wis uw man.

Mercutio.

Een strop voor mij, als hij uw dienstpak draagt;

Maar ja, ga hem vooruit naar ’t veld, hij volgt u;

In dien zin, heerschap, blijkt hij wis uw man.

Tybalt.Romeo, mijn vriendschap laat niet toe, dat ikIets anders zeg dan dit: gij zijt een schurk!

Tybalt.

Romeo, mijn vriendschap laat niet toe, dat ik

Iets anders zeg dan dit: gij zijt een schurk!

Romeo.Tybalt, de grond, dien ’k heb, uw vriend te zijn,Ontschuldig’, dat ik niet zoo toornig word,Als past op zulk een groete;—ik ben geen schurk:Daarom, vaarwel! ik zie, gij kent mij niet.

Romeo.

Tybalt, de grond, dien ’k heb, uw vriend te zijn,

Ontschuldig’, dat ik niet zoo toornig word,

Als past op zulk een groete;—ik ben geen schurk:

Daarom, vaarwel! ik zie, gij kent mij niet.

Tybalt.Knaap, dit is geen voldoening voor den hoon,Dien gij mij aandeedt; keer dus om, en trek.

Tybalt.

Knaap, dit is geen voldoening voor den hoon,

Dien gij mij aandeedt; keer dus om, en trek.

Romeo.En ik betuig, dat ik u nimmer hoonde,Maar meer uw vriend ben, dan gij gissen kunt,Aleer gij weet, wàt mij uw vriend doet zijn.—Hoor, Capulet, ik stel uw naam zoo hoogAls van mijzelven;—daarom, wees bevredigd.

Romeo.

En ik betuig, dat ik u nimmer hoonde,

Maar meer uw vriend ben, dan gij gissen kunt,

Aleer gij weet, wàt mij uw vriend doet zijn.—

Hoor, Capulet, ik stel uw naam zoo hoog

Als van mijzelven;—daarom, wees bevredigd.

Mercutio.O makke en laffe en eerlooze onderwerping!Alla stoccata, dat is beter taal.—

Mercutio.

O makke en laffe en eerlooze onderwerping!

Alla stoccata, dat is beter taal.—

(Hij trekt zijn zwaard.)

Tybalt, gij rattenvanger, durft gij? zeg!

Tybalt, gij rattenvanger, durft gij? zeg!

Tybalt.Maar wat wilt gij dan toch van mij?

Tybalt.

Maar wat wilt gij dan toch van mij?

Mercutio.Niets anders, waarde kattenkoning, dan een van uw negen levens; dat zal ik zoo vrij zijn u te ontnemen, en de andere acht wil ik voor later gebruik droogkloppen. Wees zoo goed uw degen bij de ooren uit zijn huis te halen, en wat schielijk ook, of de mijne fluit u om de ooren, eer de uwe er uit is.

Mercutio.

Niets anders, waarde kattenkoning, dan een van uw negen levens; dat zal ik zoo vrij zijn u te ontnemen, en de andere acht wil ik voor later gebruik droogkloppen. Wees zoo goed uw degen bij de ooren uit zijn huis te halen, en wat schielijk ook, of de mijne fluit u om de ooren, eer de uwe er uit is.

Tybalt(het zwaard trekkend).’k Ben tot uw dienst.

Tybalt

(het zwaard trekkend).’k Ben tot uw dienst.

Romeo.Mercutio, vriend, steek op uw zwaard!

Romeo.

Mercutio, vriend, steek op uw zwaard!

Mercutio.Kom, heer, uw passado.

Mercutio.

Kom, heer, uw passado.

(MercutioenTybaltvechten.)

Romeo.Benvolio, trek en sla hun wapens neer!—Schaamt u, mijn heeren! staakt dit vechten!—Tybalt, Mercutio! pas verbood de vorstMet klem dit vechten in Verona’s straten.Tybalt, houd op!—Mercutio!93

Romeo.

Benvolio, trek en sla hun wapens neer!—

Schaamt u, mijn heeren! staakt dit vechten!—

Tybalt, Mercutio! pas verbood de vorst

Met klem dit vechten in Verona’s straten.

Tybalt, houd op!—Mercutio!93

(Hij komt tusschenbeide:Mercutiowordt onder zijn arm door gewond;Tybalten zijn Volgers af.)

Mercutio.Tybalt, houd op!—Mercutio!’k Ben gewond!—De pest haal’ beide uw huizen!—’t Is gedaan;—Ontkwam hij?—ongedeerd?

Mercutio.

Tybalt, houd op!—Mercutio!’k Ben gewond!—

De pest haal’ beide uw huizen!—’t Is gedaan;—

Ontkwam hij?—ongedeerd?

Benvolio.Gij zijt gewond?

Benvolio.

Gij zijt gewond?

Mercutio.Ja, ja, een prik, een prik; maar ’t is genoeg.—Waar is mijn page? Vlegel, haal een wondarts.

Mercutio.

Ja, ja, een prik, een prik; maar ’t is genoeg.—

Waar is mijn page? Vlegel, haal een wondarts.

(Page af.)

Romeo.Moed, vriend, het kan zoo erg niet zijn.

Romeo.

Moed, vriend, het kan zoo erg niet zijn.

Mercutio.Neen, ’t is niet zoo diep als een put en niet zoo wijd als een kerkdeur, maar ’t is genoeg; ik kan ’t er mee doen: laat morgen maar naar me vragen, ik zal doodbedaard zijn. Ik heb mijn bekomst, dat verzeker ik je, voor dit leventje.—De pest hale beide uw huizen!—Duivels! een hond, een rat, een muis, een kat, dat die een mensch kan krabben, dat hij het besterft! een pochhans, een schurk, een schoelje, die vecht naar de regels van de rekenkunst!—Wat duivel kwam je tusschenbeide? Ik kreeg den steek onder uw arm door.

Mercutio.

Neen, ’t is niet zoo diep als een put en niet zoo wijd als een kerkdeur, maar ’t is genoeg; ik kan ’t er mee doen: laat morgen maar naar me vragen, ik zal doodbedaard zijn. Ik heb mijn bekomst, dat verzeker ik je, voor dit leventje.—De pest hale beide uw huizen!—Duivels! een hond, een rat, een muis, een kat, dat die een mensch kan krabben, dat hij het besterft! een pochhans, een schurk, een schoelje, die vecht naar de regels van de rekenkunst!—Wat duivel kwam je tusschenbeide? Ik kreeg den steek onder uw arm door.

Romeo.Ik deed het al om bestwil.

Romeo.

Ik deed het al om bestwil.

Mercutio.Help me in een huis, Benvolio, of ik zwijmOp straat hier neer.—De pest haal’ beide uw huizen!—Die hebben wormenaas van mij gemaakt;’t Was raak, en goed ook;—beide uw huizen!

Mercutio.

Help me in een huis, Benvolio, of ik zwijm

Op straat hier neer.—De pest haal’ beide uw huizen!—

Die hebben wormenaas van mij gemaakt;

’t Was raak, en goed ook;—beide uw huizen!

(MercutioenBenvolioaf.)

Romeo.Deze edelman, den hertog na verwant,Mijn trouwe vriend, werd dood’lijk daar gewondOm mijnentwil, mijn goede naam bevlektDoor Tybalts hoon, door Tybalt, sinds een uurMijn bloedverwant!—O, dierbre Julia!Uw lieflijk schoon heeft mij verwijfd gemaakt,En ’t staal der dapperheid in mij verweekt.

Romeo.

Deze edelman, den hertog na verwant,

Mijn trouwe vriend, werd dood’lijk daar gewond

Om mijnentwil, mijn goede naam bevlekt

Door Tybalts hoon, door Tybalt, sinds een uur

Mijn bloedverwant!—O, dierbre Julia!

Uw lieflijk schoon heeft mij verwijfd gemaakt,

En ’t staal der dapperheid in mij verweekt.

(Benvoliokomt terug.)

Benvolio.O, Romeo, Romeo, onze vriend is dood;Ten hemel is die wakk’re geest gezweefd,Die al te ontijdig de aarde heeft versmaad.

Benvolio.

O, Romeo, Romeo, onze vriend is dood;

Ten hemel is die wakk’re geest gezweefd,

Die al te ontijdig de aarde heeft versmaad.

Romeo.Veel zwarte dagen spelt deez’ dag van moord;Hij bracht ons wee, en andre zetten ’t voort.

Romeo.

Veel zwarte dagen spelt deez’ dag van moord;

Hij bracht ons wee, en andre zetten ’t voort.

(Tybaltkomt weder op.)

Benvolio.Hoe! Tybalt, die daar razend wederkeert!126

Benvolio.

Hoe! Tybalt, die daar razend wederkeert!126

Romeo.Hij levend, juichend! en Mercutio dood!Vaar op ten hemel, zachtheid, die ontziet!U volg ik, woede, gij, die vlammen schiet!—Thans, Tybalt, geef ik u dat „schurk!” terug,Dat gij mij voor de voeten wierpt; thans zweeftKort boven ons Mercutio’s ziel, en wachtOp uwe ziel, dat die haar begeleid’;Of gij, of ik, of beiden gaan met hem.

Romeo.

Hij levend, juichend! en Mercutio dood!

Vaar op ten hemel, zachtheid, die ontziet!

U volg ik, woede, gij, die vlammen schiet!—

Thans, Tybalt, geef ik u dat „schurk!” terug,

Dat gij mij voor de voeten wierpt; thans zweeft

Kort boven ons Mercutio’s ziel, en wacht

Op uwe ziel, dat die haar begeleid’;

Of gij, of ik, of beiden gaan met hem.

Tybalt.Ellend’ling, gij, die staâg zijn makker waart,Zult met hem gaan.

Tybalt.

Ellend’ling, gij, die staâg zijn makker waart,

Zult met hem gaan.

Romeo.Zult met hem gaan.Dit worde aldus beslist!

Romeo.

Zult met hem gaan.Dit worde aldus beslist!

(Zij vechten;Tybaltvalt.)

Benvolio.Weg, Romeo, snel! van hier!Het volk is op de been, en Tybalt viel;—Wat suft ge, voort!—de vorst doemt u ter dood,Als men u grijpt;—van hier!—van hier, en vlied!

Benvolio.

Weg, Romeo, snel! van hier!

Het volk is op de been, en Tybalt viel;—

Wat suft ge, voort!—de vorst doemt u ter dood,

Als men u grijpt;—van hier!—van hier, en vlied!

Romeo.’k Ben speelbal der Fortuin!

Romeo.

’k Ben speelbal der Fortuin!

Benvolio.’k Ben speelbal der Fortuin!IJl! sammel niet!

Benvolio.

’k Ben speelbal der Fortuin!IJl! sammel niet!

(Romeoaf.—Burgers enz. treden op.)

Eerste Burger.Waar vlood de moord’naar van Mercutio heen?Waar vlood hij heen, die Tybalt, die het deed?

Eerste Burger.

Waar vlood de moord’naar van Mercutio heen?

Waar vlood hij heen, die Tybalt, die het deed?

Benvolio.Hier ligt die Tybalt.

Benvolio.

Hier ligt die Tybalt.

Eerste Burger.Hier ligt die Tybalt.Heer, sta op! en weet,Ik spreek in ’s vorsten naam, gij gaat met mij.

Eerste Burger.

Hier ligt die Tybalt.Heer, sta op! en weet,

Ik spreek in ’s vorsten naam, gij gaat met mij.

(De Vorst komt op, met Gevolg;MontagueenCapulet,met hun Echtgenooten, en Anderen.)

Vorst.Wie wekte deez’ verfoeibre muiterij?

Vorst.

Wie wekte deez’ verfoeibre muiterij?

Benvolio.Mijn eedle vorst, ik was getuige, en deelU alles mee van dit vloekwaard krakeel.Hij, die daar ligt, geveld door Romeo’s hand,Versloeg Mercutio, uw bloedverwant.

Benvolio.

Mijn eedle vorst, ik was getuige, en deel

U alles mee van dit vloekwaard krakeel.

Hij, die daar ligt, geveld door Romeo’s hand,

Versloeg Mercutio, uw bloedverwant.

Gravin Capulet.Tybalt, mijn neef! O gij, mijns broeders kind!O vorst! mijn neef!—Mijn gâ! men heeft ontzindZijn bloed geplengd!—O hoor ons, Heer, geef toe,Stort, voor ons bloed, nu bloed van Montague!Mijns broeders zoon, mijn neef!

Gravin Capulet.

Tybalt, mijn neef! O gij, mijns broeders kind!

O vorst! mijn neef!—Mijn gâ! men heeft ontzind

Zijn bloed geplengd!—O hoor ons, Heer, geef toe,

Stort, voor ons bloed, nu bloed van Montague!

Mijns broeders zoon, mijn neef!

Vorst.Door wien, Benvolio, is deez’ strijd ontbrand?

Vorst.

Door wien, Benvolio, is deez’ strijd ontbrand?

Benvolio.Door Tybalt, hier geveld door Romeo’s hand.Eerst sprak hem Romeo vriendlijk toe en weesHem op de nietige oorzaak van den twistEn op uw streng verbod;—maar of hij ookMet zachte stem en kalmen blik, ja, smeekend,Het fel gemoed van Tybalt wou bezweren,—Die dolkop luistert naar geen vrede en richtZijn vlijmend wapen op Mercutio’s borst,Die, even vurig, nu de degens kruist165En, als een fier soldaat, met de’ eersten slagDen dood terugslaat, met den tweeden dienNaar Tybalt zendt, die vlug van oog en handDen stoot weer afweert.—Thans roept Romeo luid:Houdt op, mijn vrienden, vrede! en vlugger nogDan ’t woord, is de arm; hij slaat hun moordstaal neerEn werpt zich tusschenbeide; een valsche stootVan Tybalt trof toen onder Romeo’s armMercutio’s moedig leven; Tybalt vlood;Maar dra keert hij terug tot Romeo,Die na deez’ moord door wraakzucht wordt bezield;En snel als ’t weerlicht volgt hun strijd; want eerIk ’t staal ontbloot om hen te scheiden, ligtDe forsche Tybalt reeds ter neer geveld;En nauwlijks zonk hij neer, of Romeo vlood;Zoo droeg ’t zich toe, of ik verdien den dood.

Benvolio.

Door Tybalt, hier geveld door Romeo’s hand.

Eerst sprak hem Romeo vriendlijk toe en wees

Hem op de nietige oorzaak van den twist

En op uw streng verbod;—maar of hij ook

Met zachte stem en kalmen blik, ja, smeekend,

Het fel gemoed van Tybalt wou bezweren,—

Die dolkop luistert naar geen vrede en richt

Zijn vlijmend wapen op Mercutio’s borst,

Die, even vurig, nu de degens kruist165

En, als een fier soldaat, met de’ eersten slag

Den dood terugslaat, met den tweeden dien

Naar Tybalt zendt, die vlug van oog en hand

Den stoot weer afweert.—Thans roept Romeo luid:

Houdt op, mijn vrienden, vrede! en vlugger nog

Dan ’t woord, is de arm; hij slaat hun moordstaal neer

En werpt zich tusschenbeide; een valsche stoot

Van Tybalt trof toen onder Romeo’s arm

Mercutio’s moedig leven; Tybalt vlood;

Maar dra keert hij terug tot Romeo,

Die na deez’ moord door wraakzucht wordt bezield;

En snel als ’t weerlicht volgt hun strijd; want eer

Ik ’t staal ontbloot om hen te scheiden, ligt

De forsche Tybalt reeds ter neer geveld;

En nauwlijks zonk hij neer, of Romeo vlood;

Zoo droeg ’t zich toe, of ik verdien den dood.

Gravin Capulet.O vorst, hij is den Montagues verwant,Hij spreekt daar leugens, is op hunne hand.Wel twintig van die schelmen vielen aan,En hun geweld kon één man niet weerstaan.Ik smeek om recht: doem Romeo ter dood;Hij is ’t geweest, die Tybalts bloed vergoot.

Gravin Capulet.

O vorst, hij is den Montagues verwant,

Hij spreekt daar leugens, is op hunne hand.

Wel twintig van die schelmen vielen aan,

En hun geweld kon één man niet weerstaan.

Ik smeek om recht: doem Romeo ter dood;

Hij is ’t geweest, die Tybalts bloed vergoot.

Vorst.Boet Romeo aldus voor Tybalts bloed,Door wien wordt dan Mercutio’s dood geboet?

Vorst.

Boet Romeo aldus voor Tybalts bloed,

Door wien wordt dan Mercutio’s dood geboet?

Montague.Door Romeo niet; die was Mercutio’s vriend;Den dood had Tybalt naar de wet verdiend:Hij kwam de wet slechts voor.

Montague.

Door Romeo niet; die was Mercutio’s vriend;

Den dood had Tybalt naar de wet verdiend:

Hij kwam de wet slechts voor.

Vorst.Hij kwam de wet slechts voor.En voor die daadVerban ik hem onmidd’lijk uit den staat.Ikzelf blijf van uw woeden niet bevrijd,Ook mijn bloed vloot door uwen fellen strijd.Maar zulk een boete valle u thans te beurt,Dat ge allen dit verlies van mij betreurt.Op voorspraak, noch verschooning wil ik achten,Mijn vonnis zal geween noch beê verzachten;Beproef dus niets; ’t is goed, dat Romeo vlood,Want keert hij, ’t eigen uur brengt hem den dood.Voert weg dit lijk, en overweegt mijn woord!Genâ voor moord’naars is zoo goed als moord.

Vorst.

Hij kwam de wet slechts voor.En voor die daad

Verban ik hem onmidd’lijk uit den staat.

Ikzelf blijf van uw woeden niet bevrijd,

Ook mijn bloed vloot door uwen fellen strijd.

Maar zulk een boete valle u thans te beurt,

Dat ge allen dit verlies van mij betreurt.

Op voorspraak, noch verschooning wil ik achten,

Mijn vonnis zal geween noch beê verzachten;

Beproef dus niets; ’t is goed, dat Romeo vlood,

Want keert hij, ’t eigen uur brengt hem den dood.

Voert weg dit lijk, en overweegt mijn woord!

Genâ voor moord’naars is zoo goed als moord.

(Allen af.)

Tweede Tooneel.Een kamer inCapulet’shuis.Juliakomt op.Julia.Jaag voort, jaag voort, gij vlammenspattend span,Naar Phebus’ woning! Zulk een wagenaarAls Phaëton, hij zweepte u voort naar ’t west,En bracht ons onverwijld de omwolkte nacht.—Breid uit uw floers, gij nacht, die liefde kroont,Luik ieder zwervend oog, dat RomeoOnzichtbaar, heimlijk, in deze armen snell’!—Voor minnenden straalt eigen schoon genoegBij ’t feest der min, of is de liefde blind,Dan past de nacht er bij.—Kom, eerb’re nacht,In stemmig zwart gehuld, en leer mij thans,Hoe, winnend, te verliezen bij een spel,Welks inzet zijn twee reine maagdebloemen;Huif met uw zwarten mantel ’t angstig bloed,Dat in mijn wangen klept, tot schuwe liefdeStoutmoedig wordt, en ’t doen der echte minVoor niets dan zedigheid en onschuld acht.16Kom, nacht! kom Romeo! gij, dag bij nacht,Die op de vleug’len van de nacht zult schitt’ren,Meer dan ooit sneeuw op veed’ren van den raaf!—Kom, lieve nacht, kom, donkre liefdenacht,Geef mijnen Romeo mij; en sterft hij eens,Herneem, en deel hem dan in kleine sterren;Dan schenkt hij ’s hemels aanschijn zulk een glans,Dat heel de wereld op de nacht verlieft,En niemand meer den pronk der zonne huldigt.—O, ’k heb een liefdewoning mij gekocht,Maar niet betrokken; zelf ben ik verkocht,Maar steeds nog niet aanvaard. O, deze dagDuurt mij zoolang, als de avond voor een feestdagAan ’t hunk’rend kind, dat nieuwe kleed’ren heeftEn nog niet aan mag trekken.—O! daar komtMijn voedster; zij brengt nieuws; en elk, wiens tongMijn Romeo slechts noemt, spreekt hemeltaal.—(De Voedster komt op met een ladderkoord.)Nu zeg, wat is ’t? wat hebt ge daar? het koord,Dat Romeo u halen liet?Voedster.Dat Romeo u halen liet?Ja, ’t koord.(Zij werpt het op den grond en wringt de handen.)Julia.Wee mij, wat is ’t? Wat is dat handenwringen?Voedster.O hemel, hij is dood, is dood, is dood!Wij zijn verloren, jonkvrouw, zijn verloren!O, welk een dag! hij is gedood, vermoord!Julia.Gij, hemel, zoo verbolgen?Voedster.Gij, hemel, zoo verbolgen?Romeo is ’t;De hemel is het niet.—O Romeo, Romeo—Wie had dit kunnen denken?—Romeo—Julia.Wat booze geest zijt gij, die zoo mij martelt?Deez’ kreet waar’ goed bij foltring in de hel.Heeft Romeo zich gedood? Is ’t antwoord „ja”,Dan is die klank, dat „ja” een scherper gift,Dan ’t doodlijk blikken van den basilisk,Dan ben ’k vernietigd door dat enkle woord,En ’t sluiten van zijn oog sluit ook het mijn.Is hij gedood, zeg „ja”, zoo niet, zeg „neen”,Mijn wel of wee hangt aan dien klank alleen.Voedster.Ik zag de wond, zag die met eigen oog,—52God help’ mij!—hier, vlak in die forsche borst;Een aak’lig lijk, een bloedig, aak’lig lijk,Grauw, grauw als asch, geheel met bloed bevlekt,—Geronnen bloed;—ik zwijmde, toen ik ’t zag.Julia.O, breek mijn hart!—arm bankroetier, o breek!Ter gijz’ling, oogen, kent geen vrijheid meer;Laag stof, keer weer tot stof! leg ’t leven af!En u en Romeo berge ’tzelfde graf!Voedster.O Tybalt, Tybalt! gij, mijn beste vriend!Beleefde Tybalt, wakk’re en eed’le heer!Dat ik ’t beleven moest, u dood te zien!Julia.Wat storm is dit, die van twee kanten loeit?Is Romeo vermoord, en Tybalt dood?Mijn liefste neef, en eindloos liever gâ?—Dan, schrikbazuin, blaas dan den jongsten dag!Want wie, wie leeft, zijn deze twee niet meer?Voedster.Tybalt is dood, en Romeo verbannen;Romeo, die hem gedood heeft, is verbannen.Julia.O God!—heeft Romeo Tybalts bloed gestort?Voedster.Ja, ja, o jammerdag! hij deed het, ja!Julia.O slangenhart, bij bloemzoet aangezicht!Woonde ooit een draak in zulk een schoone grot?Verleid’lijk woest’ling! duivel in een lichtkleed!Gij raaf in duivedos! wolfsch-vratig lam!Verfoeibre kern, door ’t godd’lijkst schoon omhuld!Boos tegendeel van ’t goede, dat gij schijnt!Vloekwaarde heilige! eerbiedwaarde schurk!—Natuur, waartoe ter helle neergedaaldOm zulk een euv’len geest, dien gij deedt wonenIn zulk een vleeschgeworden paradijs?—Wie gaf een boek van zulk een snooden inhoudOoit zulk een schoonen band? O, dat bedrogZulk prachtpaleis bewonen mag!Voedster.Zulk prachtpaleis bewonen mag!Er isGeen trouw, geen braafheid meer in mannen; allenZijn trouwloos, valsch, meineedig, allen huichlaars.—Waar is mijn dienaar? Geef mij iets versterkends;—Die kommer, zorg en droefheid maakt mij oud.Smaad, schande op Romeo!Julia.Smaad, schande op Romeo!Uw tong verstijv’Om zulk een wensch! hem werd nooit smaad bestemd;Smaad is beschaamd te zeet’len op zijn voorhoofd;Dat is een troon, waar, als beheerscheresDer gansche wereld, de eere zij gekroond!O, ’k was geen mensch, toen ik hem daar beschimpte!95Voedster.Wilt gij den moord’naar prijzen van uw neef?Julia.Zou ik mijn heer dan smaden, mijn gemaal?Wiens tong zal, arme, uw naam in eere houden,Nu ik, drie uur uw vrouw, hem heb gesmaaldMaar, booze man, wat dooddet gij mijn neef?Die booze neef doodde anders mijn gemaal.Terug, gij dwaze tranen, naar uw bron;Aan weedom komt die droppelplenging toeVloeit niet, verdwaasd, om wat verblijdend is.Mijn gade leeft, dien Tybalt wou verslaan;Dood is die Tybalt, die mijn gâ wou dooden.Troost is dit alles; waarom ween ik dan?Er was een erger woord dan Tybalts dood,Dat mij versloeg. Waar’ ’t uit mijn ziel gewischt!Maar o! het klemt zich vast in mijn geheugenAls zware schuld in ’t zondige gemoed,„Tybalt is dood en Romeo—gebannen!”„Gebannen!” O, dat ééne woord „gebannen”Verslaat tien duizend Tybalts. Tybalts doodWaar’ wee genoeg, volgde ook geen verder wee;Of,—zoekt het leed zich steeds een metgezelEn sleept het altijd andre smarten mee,—Waarom volgde op dat „dood is Tybalt” niet„Uw vader” of „uw moeder”, ja, of beiden,Die passend rouwbeklag betreuren mocht?Maar door wat nakwam achter Tybalts dood,Dat „Romeo is gebannen”, door dat woordZijn vader, moeder, Tybalt, Romeo, allen,En ook ikzelf, verslagen en gevallen;Ja eind- en grens- en maatloos is de doodVan ’t eene woord; onpeilbaar is mijn nood.—Waar zijn mijn vader en mijn moeder? waar?Voedster.Weeklagend, weenend staan ze aan Tybalts baar;Zal ik u bij hen brengen?Julia.Zal ik u bij hen brengen?Wasschen zijZijn wonden met hun tranen, o, die zijnReeds lang gedroogd, dan vloeien nog de mijn’Om Romeo’s ballingschap. Uw toekomst, koord,Is, als de mijn’, door dezen doem verstoord;Door u waar’ hij ten top van heil verheven,Ik eindig vroeg mijn maagdlijk weduwleven.Breng ’t koord mij na, waar ’t bruidsbed is gespreid;De dood, niet Romeo, neem’ mijn maagdlijkheid!Voedster.Ga naar uw kamer; Romeo zal ik halenOm u te troosten; ’k weet wel, waar hij is.Geloof mij, Romeo komt nog deze nacht;Hij is verborgen in Lorenzo’s cel.Julia.O! breng deez’ ring en zeg hem: ik verwachtVan mijn getrouwen gade ’t laatst vaarwel.(Beiden af.)

Tweede Tooneel.Een kamer inCapulet’shuis.Juliakomt op.Julia.Jaag voort, jaag voort, gij vlammenspattend span,Naar Phebus’ woning! Zulk een wagenaarAls Phaëton, hij zweepte u voort naar ’t west,En bracht ons onverwijld de omwolkte nacht.—Breid uit uw floers, gij nacht, die liefde kroont,Luik ieder zwervend oog, dat RomeoOnzichtbaar, heimlijk, in deze armen snell’!—Voor minnenden straalt eigen schoon genoegBij ’t feest der min, of is de liefde blind,Dan past de nacht er bij.—Kom, eerb’re nacht,In stemmig zwart gehuld, en leer mij thans,Hoe, winnend, te verliezen bij een spel,Welks inzet zijn twee reine maagdebloemen;Huif met uw zwarten mantel ’t angstig bloed,Dat in mijn wangen klept, tot schuwe liefdeStoutmoedig wordt, en ’t doen der echte minVoor niets dan zedigheid en onschuld acht.16Kom, nacht! kom Romeo! gij, dag bij nacht,Die op de vleug’len van de nacht zult schitt’ren,Meer dan ooit sneeuw op veed’ren van den raaf!—Kom, lieve nacht, kom, donkre liefdenacht,Geef mijnen Romeo mij; en sterft hij eens,Herneem, en deel hem dan in kleine sterren;Dan schenkt hij ’s hemels aanschijn zulk een glans,Dat heel de wereld op de nacht verlieft,En niemand meer den pronk der zonne huldigt.—O, ’k heb een liefdewoning mij gekocht,Maar niet betrokken; zelf ben ik verkocht,Maar steeds nog niet aanvaard. O, deze dagDuurt mij zoolang, als de avond voor een feestdagAan ’t hunk’rend kind, dat nieuwe kleed’ren heeftEn nog niet aan mag trekken.—O! daar komtMijn voedster; zij brengt nieuws; en elk, wiens tongMijn Romeo slechts noemt, spreekt hemeltaal.—(De Voedster komt op met een ladderkoord.)Nu zeg, wat is ’t? wat hebt ge daar? het koord,Dat Romeo u halen liet?Voedster.Dat Romeo u halen liet?Ja, ’t koord.(Zij werpt het op den grond en wringt de handen.)Julia.Wee mij, wat is ’t? Wat is dat handenwringen?Voedster.O hemel, hij is dood, is dood, is dood!Wij zijn verloren, jonkvrouw, zijn verloren!O, welk een dag! hij is gedood, vermoord!Julia.Gij, hemel, zoo verbolgen?Voedster.Gij, hemel, zoo verbolgen?Romeo is ’t;De hemel is het niet.—O Romeo, Romeo—Wie had dit kunnen denken?—Romeo—Julia.Wat booze geest zijt gij, die zoo mij martelt?Deez’ kreet waar’ goed bij foltring in de hel.Heeft Romeo zich gedood? Is ’t antwoord „ja”,Dan is die klank, dat „ja” een scherper gift,Dan ’t doodlijk blikken van den basilisk,Dan ben ’k vernietigd door dat enkle woord,En ’t sluiten van zijn oog sluit ook het mijn.Is hij gedood, zeg „ja”, zoo niet, zeg „neen”,Mijn wel of wee hangt aan dien klank alleen.Voedster.Ik zag de wond, zag die met eigen oog,—52God help’ mij!—hier, vlak in die forsche borst;Een aak’lig lijk, een bloedig, aak’lig lijk,Grauw, grauw als asch, geheel met bloed bevlekt,—Geronnen bloed;—ik zwijmde, toen ik ’t zag.Julia.O, breek mijn hart!—arm bankroetier, o breek!Ter gijz’ling, oogen, kent geen vrijheid meer;Laag stof, keer weer tot stof! leg ’t leven af!En u en Romeo berge ’tzelfde graf!Voedster.O Tybalt, Tybalt! gij, mijn beste vriend!Beleefde Tybalt, wakk’re en eed’le heer!Dat ik ’t beleven moest, u dood te zien!Julia.Wat storm is dit, die van twee kanten loeit?Is Romeo vermoord, en Tybalt dood?Mijn liefste neef, en eindloos liever gâ?—Dan, schrikbazuin, blaas dan den jongsten dag!Want wie, wie leeft, zijn deze twee niet meer?Voedster.Tybalt is dood, en Romeo verbannen;Romeo, die hem gedood heeft, is verbannen.Julia.O God!—heeft Romeo Tybalts bloed gestort?Voedster.Ja, ja, o jammerdag! hij deed het, ja!Julia.O slangenhart, bij bloemzoet aangezicht!Woonde ooit een draak in zulk een schoone grot?Verleid’lijk woest’ling! duivel in een lichtkleed!Gij raaf in duivedos! wolfsch-vratig lam!Verfoeibre kern, door ’t godd’lijkst schoon omhuld!Boos tegendeel van ’t goede, dat gij schijnt!Vloekwaarde heilige! eerbiedwaarde schurk!—Natuur, waartoe ter helle neergedaaldOm zulk een euv’len geest, dien gij deedt wonenIn zulk een vleeschgeworden paradijs?—Wie gaf een boek van zulk een snooden inhoudOoit zulk een schoonen band? O, dat bedrogZulk prachtpaleis bewonen mag!Voedster.Zulk prachtpaleis bewonen mag!Er isGeen trouw, geen braafheid meer in mannen; allenZijn trouwloos, valsch, meineedig, allen huichlaars.—Waar is mijn dienaar? Geef mij iets versterkends;—Die kommer, zorg en droefheid maakt mij oud.Smaad, schande op Romeo!Julia.Smaad, schande op Romeo!Uw tong verstijv’Om zulk een wensch! hem werd nooit smaad bestemd;Smaad is beschaamd te zeet’len op zijn voorhoofd;Dat is een troon, waar, als beheerscheresDer gansche wereld, de eere zij gekroond!O, ’k was geen mensch, toen ik hem daar beschimpte!95Voedster.Wilt gij den moord’naar prijzen van uw neef?Julia.Zou ik mijn heer dan smaden, mijn gemaal?Wiens tong zal, arme, uw naam in eere houden,Nu ik, drie uur uw vrouw, hem heb gesmaaldMaar, booze man, wat dooddet gij mijn neef?Die booze neef doodde anders mijn gemaal.Terug, gij dwaze tranen, naar uw bron;Aan weedom komt die droppelplenging toeVloeit niet, verdwaasd, om wat verblijdend is.Mijn gade leeft, dien Tybalt wou verslaan;Dood is die Tybalt, die mijn gâ wou dooden.Troost is dit alles; waarom ween ik dan?Er was een erger woord dan Tybalts dood,Dat mij versloeg. Waar’ ’t uit mijn ziel gewischt!Maar o! het klemt zich vast in mijn geheugenAls zware schuld in ’t zondige gemoed,„Tybalt is dood en Romeo—gebannen!”„Gebannen!” O, dat ééne woord „gebannen”Verslaat tien duizend Tybalts. Tybalts doodWaar’ wee genoeg, volgde ook geen verder wee;Of,—zoekt het leed zich steeds een metgezelEn sleept het altijd andre smarten mee,—Waarom volgde op dat „dood is Tybalt” niet„Uw vader” of „uw moeder”, ja, of beiden,Die passend rouwbeklag betreuren mocht?Maar door wat nakwam achter Tybalts dood,Dat „Romeo is gebannen”, door dat woordZijn vader, moeder, Tybalt, Romeo, allen,En ook ikzelf, verslagen en gevallen;Ja eind- en grens- en maatloos is de doodVan ’t eene woord; onpeilbaar is mijn nood.—Waar zijn mijn vader en mijn moeder? waar?Voedster.Weeklagend, weenend staan ze aan Tybalts baar;Zal ik u bij hen brengen?Julia.Zal ik u bij hen brengen?Wasschen zijZijn wonden met hun tranen, o, die zijnReeds lang gedroogd, dan vloeien nog de mijn’Om Romeo’s ballingschap. Uw toekomst, koord,Is, als de mijn’, door dezen doem verstoord;Door u waar’ hij ten top van heil verheven,Ik eindig vroeg mijn maagdlijk weduwleven.Breng ’t koord mij na, waar ’t bruidsbed is gespreid;De dood, niet Romeo, neem’ mijn maagdlijkheid!Voedster.Ga naar uw kamer; Romeo zal ik halenOm u te troosten; ’k weet wel, waar hij is.Geloof mij, Romeo komt nog deze nacht;Hij is verborgen in Lorenzo’s cel.Julia.O! breng deez’ ring en zeg hem: ik verwachtVan mijn getrouwen gade ’t laatst vaarwel.(Beiden af.)

Een kamer inCapulet’shuis.

Juliakomt op.

Julia.Jaag voort, jaag voort, gij vlammenspattend span,Naar Phebus’ woning! Zulk een wagenaarAls Phaëton, hij zweepte u voort naar ’t west,En bracht ons onverwijld de omwolkte nacht.—Breid uit uw floers, gij nacht, die liefde kroont,Luik ieder zwervend oog, dat RomeoOnzichtbaar, heimlijk, in deze armen snell’!—Voor minnenden straalt eigen schoon genoegBij ’t feest der min, of is de liefde blind,Dan past de nacht er bij.—Kom, eerb’re nacht,In stemmig zwart gehuld, en leer mij thans,Hoe, winnend, te verliezen bij een spel,Welks inzet zijn twee reine maagdebloemen;Huif met uw zwarten mantel ’t angstig bloed,Dat in mijn wangen klept, tot schuwe liefdeStoutmoedig wordt, en ’t doen der echte minVoor niets dan zedigheid en onschuld acht.16Kom, nacht! kom Romeo! gij, dag bij nacht,Die op de vleug’len van de nacht zult schitt’ren,Meer dan ooit sneeuw op veed’ren van den raaf!—Kom, lieve nacht, kom, donkre liefdenacht,Geef mijnen Romeo mij; en sterft hij eens,Herneem, en deel hem dan in kleine sterren;Dan schenkt hij ’s hemels aanschijn zulk een glans,Dat heel de wereld op de nacht verlieft,En niemand meer den pronk der zonne huldigt.—O, ’k heb een liefdewoning mij gekocht,Maar niet betrokken; zelf ben ik verkocht,Maar steeds nog niet aanvaard. O, deze dagDuurt mij zoolang, als de avond voor een feestdagAan ’t hunk’rend kind, dat nieuwe kleed’ren heeftEn nog niet aan mag trekken.—O! daar komtMijn voedster; zij brengt nieuws; en elk, wiens tongMijn Romeo slechts noemt, spreekt hemeltaal.—

Julia.

Jaag voort, jaag voort, gij vlammenspattend span,

Naar Phebus’ woning! Zulk een wagenaar

Als Phaëton, hij zweepte u voort naar ’t west,

En bracht ons onverwijld de omwolkte nacht.—

Breid uit uw floers, gij nacht, die liefde kroont,

Luik ieder zwervend oog, dat Romeo

Onzichtbaar, heimlijk, in deze armen snell’!—

Voor minnenden straalt eigen schoon genoeg

Bij ’t feest der min, of is de liefde blind,

Dan past de nacht er bij.—Kom, eerb’re nacht,

In stemmig zwart gehuld, en leer mij thans,

Hoe, winnend, te verliezen bij een spel,

Welks inzet zijn twee reine maagdebloemen;

Huif met uw zwarten mantel ’t angstig bloed,

Dat in mijn wangen klept, tot schuwe liefde

Stoutmoedig wordt, en ’t doen der echte min

Voor niets dan zedigheid en onschuld acht.16

Kom, nacht! kom Romeo! gij, dag bij nacht,

Die op de vleug’len van de nacht zult schitt’ren,

Meer dan ooit sneeuw op veed’ren van den raaf!—

Kom, lieve nacht, kom, donkre liefdenacht,

Geef mijnen Romeo mij; en sterft hij eens,

Herneem, en deel hem dan in kleine sterren;

Dan schenkt hij ’s hemels aanschijn zulk een glans,

Dat heel de wereld op de nacht verlieft,

En niemand meer den pronk der zonne huldigt.—

O, ’k heb een liefdewoning mij gekocht,

Maar niet betrokken; zelf ben ik verkocht,

Maar steeds nog niet aanvaard. O, deze dag

Duurt mij zoolang, als de avond voor een feestdag

Aan ’t hunk’rend kind, dat nieuwe kleed’ren heeft

En nog niet aan mag trekken.—O! daar komt

Mijn voedster; zij brengt nieuws; en elk, wiens tong

Mijn Romeo slechts noemt, spreekt hemeltaal.—

(De Voedster komt op met een ladderkoord.)

Nu zeg, wat is ’t? wat hebt ge daar? het koord,Dat Romeo u halen liet?

Nu zeg, wat is ’t? wat hebt ge daar? het koord,

Dat Romeo u halen liet?

Voedster.Dat Romeo u halen liet?Ja, ’t koord.

Voedster.

Dat Romeo u halen liet?Ja, ’t koord.

(Zij werpt het op den grond en wringt de handen.)

Julia.Wee mij, wat is ’t? Wat is dat handenwringen?

Julia.

Wee mij, wat is ’t? Wat is dat handenwringen?

Voedster.O hemel, hij is dood, is dood, is dood!Wij zijn verloren, jonkvrouw, zijn verloren!O, welk een dag! hij is gedood, vermoord!

Voedster.

O hemel, hij is dood, is dood, is dood!

Wij zijn verloren, jonkvrouw, zijn verloren!

O, welk een dag! hij is gedood, vermoord!

Julia.Gij, hemel, zoo verbolgen?

Julia.

Gij, hemel, zoo verbolgen?

Voedster.Gij, hemel, zoo verbolgen?Romeo is ’t;De hemel is het niet.—O Romeo, Romeo—Wie had dit kunnen denken?—Romeo—

Voedster.

Gij, hemel, zoo verbolgen?Romeo is ’t;

De hemel is het niet.—O Romeo, Romeo—

Wie had dit kunnen denken?—Romeo—

Julia.Wat booze geest zijt gij, die zoo mij martelt?Deez’ kreet waar’ goed bij foltring in de hel.Heeft Romeo zich gedood? Is ’t antwoord „ja”,Dan is die klank, dat „ja” een scherper gift,Dan ’t doodlijk blikken van den basilisk,Dan ben ’k vernietigd door dat enkle woord,En ’t sluiten van zijn oog sluit ook het mijn.Is hij gedood, zeg „ja”, zoo niet, zeg „neen”,Mijn wel of wee hangt aan dien klank alleen.

Julia.

Wat booze geest zijt gij, die zoo mij martelt?

Deez’ kreet waar’ goed bij foltring in de hel.

Heeft Romeo zich gedood? Is ’t antwoord „ja”,

Dan is die klank, dat „ja” een scherper gift,

Dan ’t doodlijk blikken van den basilisk,

Dan ben ’k vernietigd door dat enkle woord,

En ’t sluiten van zijn oog sluit ook het mijn.

Is hij gedood, zeg „ja”, zoo niet, zeg „neen”,

Mijn wel of wee hangt aan dien klank alleen.

Voedster.Ik zag de wond, zag die met eigen oog,—52God help’ mij!—hier, vlak in die forsche borst;Een aak’lig lijk, een bloedig, aak’lig lijk,Grauw, grauw als asch, geheel met bloed bevlekt,—Geronnen bloed;—ik zwijmde, toen ik ’t zag.

Voedster.

Ik zag de wond, zag die met eigen oog,—52

God help’ mij!—hier, vlak in die forsche borst;

Een aak’lig lijk, een bloedig, aak’lig lijk,

Grauw, grauw als asch, geheel met bloed bevlekt,—

Geronnen bloed;—ik zwijmde, toen ik ’t zag.

Julia.O, breek mijn hart!—arm bankroetier, o breek!Ter gijz’ling, oogen, kent geen vrijheid meer;Laag stof, keer weer tot stof! leg ’t leven af!En u en Romeo berge ’tzelfde graf!

Julia.

O, breek mijn hart!—arm bankroetier, o breek!

Ter gijz’ling, oogen, kent geen vrijheid meer;

Laag stof, keer weer tot stof! leg ’t leven af!

En u en Romeo berge ’tzelfde graf!

Voedster.O Tybalt, Tybalt! gij, mijn beste vriend!Beleefde Tybalt, wakk’re en eed’le heer!Dat ik ’t beleven moest, u dood te zien!

Voedster.

O Tybalt, Tybalt! gij, mijn beste vriend!

Beleefde Tybalt, wakk’re en eed’le heer!

Dat ik ’t beleven moest, u dood te zien!

Julia.Wat storm is dit, die van twee kanten loeit?Is Romeo vermoord, en Tybalt dood?Mijn liefste neef, en eindloos liever gâ?—Dan, schrikbazuin, blaas dan den jongsten dag!Want wie, wie leeft, zijn deze twee niet meer?

Julia.

Wat storm is dit, die van twee kanten loeit?

Is Romeo vermoord, en Tybalt dood?

Mijn liefste neef, en eindloos liever gâ?—

Dan, schrikbazuin, blaas dan den jongsten dag!

Want wie, wie leeft, zijn deze twee niet meer?

Voedster.Tybalt is dood, en Romeo verbannen;Romeo, die hem gedood heeft, is verbannen.

Voedster.

Tybalt is dood, en Romeo verbannen;

Romeo, die hem gedood heeft, is verbannen.

Julia.O God!—heeft Romeo Tybalts bloed gestort?

Julia.

O God!—heeft Romeo Tybalts bloed gestort?

Voedster.Ja, ja, o jammerdag! hij deed het, ja!

Voedster.

Ja, ja, o jammerdag! hij deed het, ja!

Julia.O slangenhart, bij bloemzoet aangezicht!Woonde ooit een draak in zulk een schoone grot?Verleid’lijk woest’ling! duivel in een lichtkleed!Gij raaf in duivedos! wolfsch-vratig lam!Verfoeibre kern, door ’t godd’lijkst schoon omhuld!Boos tegendeel van ’t goede, dat gij schijnt!Vloekwaarde heilige! eerbiedwaarde schurk!—Natuur, waartoe ter helle neergedaaldOm zulk een euv’len geest, dien gij deedt wonenIn zulk een vleeschgeworden paradijs?—Wie gaf een boek van zulk een snooden inhoudOoit zulk een schoonen band? O, dat bedrogZulk prachtpaleis bewonen mag!

Julia.

O slangenhart, bij bloemzoet aangezicht!

Woonde ooit een draak in zulk een schoone grot?

Verleid’lijk woest’ling! duivel in een lichtkleed!

Gij raaf in duivedos! wolfsch-vratig lam!

Verfoeibre kern, door ’t godd’lijkst schoon omhuld!

Boos tegendeel van ’t goede, dat gij schijnt!

Vloekwaarde heilige! eerbiedwaarde schurk!—

Natuur, waartoe ter helle neergedaald

Om zulk een euv’len geest, dien gij deedt wonen

In zulk een vleeschgeworden paradijs?—

Wie gaf een boek van zulk een snooden inhoud

Ooit zulk een schoonen band? O, dat bedrog

Zulk prachtpaleis bewonen mag!

Voedster.Zulk prachtpaleis bewonen mag!Er isGeen trouw, geen braafheid meer in mannen; allenZijn trouwloos, valsch, meineedig, allen huichlaars.—Waar is mijn dienaar? Geef mij iets versterkends;—Die kommer, zorg en droefheid maakt mij oud.Smaad, schande op Romeo!

Voedster.

Zulk prachtpaleis bewonen mag!Er is

Geen trouw, geen braafheid meer in mannen; allen

Zijn trouwloos, valsch, meineedig, allen huichlaars.—

Waar is mijn dienaar? Geef mij iets versterkends;—

Die kommer, zorg en droefheid maakt mij oud.

Smaad, schande op Romeo!

Julia.Smaad, schande op Romeo!Uw tong verstijv’Om zulk een wensch! hem werd nooit smaad bestemd;Smaad is beschaamd te zeet’len op zijn voorhoofd;Dat is een troon, waar, als beheerscheresDer gansche wereld, de eere zij gekroond!O, ’k was geen mensch, toen ik hem daar beschimpte!95

Julia.

Smaad, schande op Romeo!Uw tong verstijv’

Om zulk een wensch! hem werd nooit smaad bestemd;

Smaad is beschaamd te zeet’len op zijn voorhoofd;

Dat is een troon, waar, als beheerscheres

Der gansche wereld, de eere zij gekroond!

O, ’k was geen mensch, toen ik hem daar beschimpte!95

Voedster.Wilt gij den moord’naar prijzen van uw neef?

Voedster.

Wilt gij den moord’naar prijzen van uw neef?

Julia.Zou ik mijn heer dan smaden, mijn gemaal?Wiens tong zal, arme, uw naam in eere houden,Nu ik, drie uur uw vrouw, hem heb gesmaaldMaar, booze man, wat dooddet gij mijn neef?Die booze neef doodde anders mijn gemaal.Terug, gij dwaze tranen, naar uw bron;Aan weedom komt die droppelplenging toeVloeit niet, verdwaasd, om wat verblijdend is.Mijn gade leeft, dien Tybalt wou verslaan;Dood is die Tybalt, die mijn gâ wou dooden.Troost is dit alles; waarom ween ik dan?Er was een erger woord dan Tybalts dood,Dat mij versloeg. Waar’ ’t uit mijn ziel gewischt!Maar o! het klemt zich vast in mijn geheugenAls zware schuld in ’t zondige gemoed,„Tybalt is dood en Romeo—gebannen!”„Gebannen!” O, dat ééne woord „gebannen”Verslaat tien duizend Tybalts. Tybalts doodWaar’ wee genoeg, volgde ook geen verder wee;Of,—zoekt het leed zich steeds een metgezelEn sleept het altijd andre smarten mee,—Waarom volgde op dat „dood is Tybalt” niet„Uw vader” of „uw moeder”, ja, of beiden,Die passend rouwbeklag betreuren mocht?Maar door wat nakwam achter Tybalts dood,Dat „Romeo is gebannen”, door dat woordZijn vader, moeder, Tybalt, Romeo, allen,En ook ikzelf, verslagen en gevallen;Ja eind- en grens- en maatloos is de doodVan ’t eene woord; onpeilbaar is mijn nood.—Waar zijn mijn vader en mijn moeder? waar?

Julia.

Zou ik mijn heer dan smaden, mijn gemaal?

Wiens tong zal, arme, uw naam in eere houden,

Nu ik, drie uur uw vrouw, hem heb gesmaald

Maar, booze man, wat dooddet gij mijn neef?

Die booze neef doodde anders mijn gemaal.

Terug, gij dwaze tranen, naar uw bron;

Aan weedom komt die droppelplenging toe

Vloeit niet, verdwaasd, om wat verblijdend is.

Mijn gade leeft, dien Tybalt wou verslaan;

Dood is die Tybalt, die mijn gâ wou dooden.

Troost is dit alles; waarom ween ik dan?

Er was een erger woord dan Tybalts dood,

Dat mij versloeg. Waar’ ’t uit mijn ziel gewischt!

Maar o! het klemt zich vast in mijn geheugen

Als zware schuld in ’t zondige gemoed,

„Tybalt is dood en Romeo—gebannen!”

„Gebannen!” O, dat ééne woord „gebannen”

Verslaat tien duizend Tybalts. Tybalts dood

Waar’ wee genoeg, volgde ook geen verder wee;

Of,—zoekt het leed zich steeds een metgezel

En sleept het altijd andre smarten mee,—

Waarom volgde op dat „dood is Tybalt” niet

„Uw vader” of „uw moeder”, ja, of beiden,

Die passend rouwbeklag betreuren mocht?

Maar door wat nakwam achter Tybalts dood,

Dat „Romeo is gebannen”, door dat woord

Zijn vader, moeder, Tybalt, Romeo, allen,

En ook ikzelf, verslagen en gevallen;

Ja eind- en grens- en maatloos is de dood

Van ’t eene woord; onpeilbaar is mijn nood.—

Waar zijn mijn vader en mijn moeder? waar?

Voedster.Weeklagend, weenend staan ze aan Tybalts baar;Zal ik u bij hen brengen?

Voedster.

Weeklagend, weenend staan ze aan Tybalts baar;

Zal ik u bij hen brengen?

Julia.Zal ik u bij hen brengen?Wasschen zijZijn wonden met hun tranen, o, die zijnReeds lang gedroogd, dan vloeien nog de mijn’Om Romeo’s ballingschap. Uw toekomst, koord,Is, als de mijn’, door dezen doem verstoord;Door u waar’ hij ten top van heil verheven,Ik eindig vroeg mijn maagdlijk weduwleven.Breng ’t koord mij na, waar ’t bruidsbed is gespreid;De dood, niet Romeo, neem’ mijn maagdlijkheid!

Julia.

Zal ik u bij hen brengen?Wasschen zij

Zijn wonden met hun tranen, o, die zijn

Reeds lang gedroogd, dan vloeien nog de mijn’

Om Romeo’s ballingschap. Uw toekomst, koord,

Is, als de mijn’, door dezen doem verstoord;

Door u waar’ hij ten top van heil verheven,

Ik eindig vroeg mijn maagdlijk weduwleven.

Breng ’t koord mij na, waar ’t bruidsbed is gespreid;

De dood, niet Romeo, neem’ mijn maagdlijkheid!

Voedster.Ga naar uw kamer; Romeo zal ik halenOm u te troosten; ’k weet wel, waar hij is.Geloof mij, Romeo komt nog deze nacht;Hij is verborgen in Lorenzo’s cel.

Voedster.

Ga naar uw kamer; Romeo zal ik halen

Om u te troosten; ’k weet wel, waar hij is.

Geloof mij, Romeo komt nog deze nacht;

Hij is verborgen in Lorenzo’s cel.

Julia.O! breng deez’ ring en zeg hem: ik verwachtVan mijn getrouwen gade ’t laatst vaarwel.

Julia.

O! breng deez’ ring en zeg hem: ik verwacht

Van mijn getrouwen gade ’t laatst vaarwel.

(Beiden af.)

Derde Tooneel.De cel van broederLorenzo.BroederLorenzoen Romeo komen op.Lorenzo.Kom, Romeo, voor den dag, gij man van vrees;Bekomm’ring klemt verliefd zich aan u vast,Ellende is u een levensgezellin.Romeo.Vader, hoe is ’t? wat vonnis sloeg de vorst?Wat rampspoed is ’t, die thans de hand mij grijpt,En dien ik nog niet ken?Lorenzo.En dien ik nog niet ken?Te veel, mijn zoon,Zoekt gij den omgang van zoo droeve vrienden;Ik breng bericht van ’t vonnis van den vorst.Romeo.Is ’t minder, vader, dan het laatst gericht?Lorenzo.Een zachter vonnis vloot hem van de lippen,Het brengt geen dood, het brengt u ballingschap.Romeo.Ha, ballingschap?—Erbarming! zeg mij—„dood”!Verbanning is verschrikk’lijker van aanblik,Veel meer dan dood!—o, zeg niet—„ballingschap”.Lorenzo.Hier van Verona slechts zijt gij verbannen;Wees kalm, de wereld toch is ruim en wijd.Romeo.De wereld is slechts in Verona’s wallen,Daarbuiten folt’ring, vagevuur, de hel.Verbannen is verbannen van de wereld;Die ballingschap is dood;—dus is „verbanning”De dood, misnoemd. Noemt gij den dood—„verbanning”,Gij houwt mij ’t hoofd af met een gouden bijl,En glimlacht bij den slag, die mij vermoordt.Lorenzo.O zware zonde, o, zwarte ondankbaarheid!De wet eischt uwen dood; de goede vorstErbarmt zich uwer, stoot de wet ter zij,Verkeert dat woord „ter dood” in „ballingschap”;Dat is genade, en gij erkent het niet.Romeo.’t Is mart’ling, geen genâ; hier is de hemel,Waar Julia woont, en ied’re kat en hondEn kleine muis, ja ’t laagste schepsel, leeftHier in den hemel, want het mag haar zien,Slechts Romeo niet.—Meer waarde, hoog’ren stand,Meer recht tot liefdediensten heeft een vliegDan Romeo; dat wonderblank der handDer dierbre Julia roert zij vrij aan,En steelt zich hemelwellust van haar lippen,Die rein en met Vestaalsche zedigheidSteeds blozen, alsof kussen zonde waar’;39Doch Romeo mag het niet; hij is verbannen;Wat vliegen mogen doen, moet ik ontvliên;Zij leven vrij, maar ik, ik ben verbannen;En zegt gij nog, „verbanning is geen dood”?Hadt gij geen gift, geen scherp geslepen mes,Geen spoedig werkend middel, hoe veracht,Dan—„ballingschap”—om mij te dooden? „Ballingschap”!O, vader, spreken in de hel verdoemdenDit woord, dan volgt gehuil; hoe hebt gij ’t hart,Gij godsman, geestelijke vader, gij,Ontheffer van de zonde, uw dierbren zoonTe brijz’len met dat woord van „ballingschap?”Lorenzo.Gij dolle liefdedwaas, hoor toch een woord!Romeo.O weer een woord, gewis, van ballingschap.Lorenzo.’k Geef u een harnas, waar dat woord op afstuit,De zoetste melk in ’t leed: philosophie,Die u, al zijt gij balling, troosten zal.Romeo.Toch „ballingschap!”—Weg met philosophie!Indien philosophie geen Julia schept,Geen stad verzet, geen vorstenvonnis stuit,Dan baat zij niets, vermag niets; dan geen woord!Lorenzo.O, ’k zie te wel, krankzinnigen zijn doof!Romeo.Geen wonder, als de wijzen blinden zijn!Lorenzo.Kom, overleggen we eens, hoe ’t met u staat.Romeo.Van wat gij niet gevoelt, kunt gij niet spreken.Waart gij zoo jong als ik, en Julia de uwe,Slechts voor een uur gehuwd, Tybalt vermoord,Verliefd als ik, verbannen zooals ik,Dan mocht ge spreken, woelen in uw haar,U storten op den grond, als ik nu doe,Om u een ongedolven graf te meten.(Er wordt geklopt.)Lorenzo.Op Romeo, op! daar wordt geklopt; verberg u.Romeo.Ach neen; ik laat de zuchten van mijn zielMij als een mist voor ’t vorschend oog omhullen.(Er wordt weder geklopt.)Lorenzo.’t Geklop houdt aan!—Wie is daar?—Romeo, op!Men vat u zeker!—Op!(Geklop.)Een oogenblik geduld!IJl in mijn bidcel ginds!—Zoo daadlijk, ja!—God, welk een dwaasheid!—Ja, ik kom, ik kom!(Geklop.)Wie klopt zoo luid? Wie zijt gij en wat wilt gij?Voedster.Laat mij toch binnen; ’k breng een boodschap over;Ik kom van jonkvrouw Julia.80Lorenzo.Ik kom van jonkvrouw Julia.Welkom dan.(De Voedster treedt binnen.)Voedster.O heil’ge vader, zeg mij, heil’ge vader,Waar is haar man toch? waar is Romeo?Lorenzo.Daar op den grond, bedwelmd door eigen tranen.Voedster.O, hij is als mijn jonkvrouw, juist als zij.O, ’tzelfde wee, beklaagbre staat! Juist zooLigt zij en snikt en weent, en weent en snikt.—Sta op, sta op! zijt gij een man, sta op!Om Julia’s wil, om harentwil, rijs op!Waarom verzonken in zoo diep een wee?Romeo.Ach, goede vrouw!Voedster.Ach, heer, ach, heer!—De dood is aller lot.Romeo.Spraakt gij van Julia? spreek, hoe is ’t met haar?Houdt zij mij niet voor moord’naar van nature,Nu ik met bloed, haar bloed zoo na verwant,De kindsheid onzer vreugde heb bespat?Waar is zij en hoe is ’t haar? O hoe diepIs zij verstoord om ons verstoord geluk?Voedster.Zij spreekt geen enkel woord, maar weent en weent;Nu stort ze neer op ’t bed, dan weer vliegt ze op,En „Tybalt!” roept ze, en schreit om RomeoEn zijgt op nieuw ter neer.Romeo.En zijgt op nieuw ter neer.Als bracht die naam,Uit doodelijke buks geschoten, haarDen dood, zooals de vloekhand van dien naamHaar bloedverwant den dood bracht!—Zeg mij, vader,Waar in deez’ snooden stofklomp huist mijn naam?O zeg ’t mij, zeg ’t, opdat ik ’t vloekbre huisTen grond toe sloop’!(Hij trekt zijn dolk.)Lorenzo.Ten grond toe sloop’!Weerhoû die dolle hand!Zijt gij een man? Uw uiterlijk roept „ja”;Gij weent, gelijk een vrouw; uw woest gedragIs als het reed’loos woeden van een dier.Onschoone vrouw, in ’t schijnschoon van een man;Wanschapen dier, dat beider schijn vereent!Ik sta verbaasd; ja, bij mijn heilige orde,Ik achtte uw geest meer tegen ’t leed gestaald.Versloegt ge Tybalt? Wilt ge uzelf verslaan?En wilt ge uw gâ, die in uw leven leeft,117Door uw vloekwaarden zelfhaat doen vergaan?Wat smaalt gij op uw stam, op aarde en hemel?Schoon stam en aarde en hemel, die ge saamWegwerpen wilt, in u vereenigd zijn.Gij smaadt uw leest, uw liefde en uwen geest!Een woekeraar gelijk, hebt ge overvloedVan goeds, maar maakt van niets het recht gebruik,Dat eere schenkt aan leest en liefde en geest;Een wassen beeld slechts is uw lichaamsschoon,Verzaakt gij zoo de kloekheid van een man;Een ijdle meineed is uw liefdeseed,Doodt gij die liefde, aan wie gij liefde zwoert;Uw geest, die leest en liefde u sieren moest,Te uitzinnig om deez’ twee tot gids te zijn,Vat vuur door eigen onverstand, gelijk’t Kruit in de flesch eens onbedreven krijgers;Wat u beschermen moest, brengt u verderf.Verman u, Romeo! uw Julia leeft,Om wie ge als dood zoo even nederlaagt;Ziedaar reeds heil! u wilde Tybalt dooden,En gij hebt hèm gedood; alweder heil!’t Recht, dat met dood u dreigde, wordt uw vriend,En dood wordt ballingschap; ook dit is heil!Een last van zegen daalt u op de schoudren;’t Geluk in pronkgewaad vleit om uw gunst,Maar, als een eigenzinnig, geem’lijk meisje,Pruilt gij bij al uw liefde en uw geluk.Hoed, hoed u; schriklijk sterft wie zóó misdoet!—IJl tot uw gâ, zooals besloten was;Beklim haar kamer, ga en breng haar troost;Maar toef er niet, totdat men wachten stelt,Die u den weg naar Mantua versperren.Dáár woont gij, tot gelegen tijd uw echtBekend make, en uw vrienden weer verzoen’,En vorstlijke genade u herwaarts roep’,Met twintig honderd duizendmaal meer vreugd,Dan gij met jammer thans van hier vertrekt.—Ga, goede vrouw, breng uw meestres mijn groet,En zeg haar zorg te dragen, dat een elkVan ’t huisgezin zich vroeg ter rust begeev’;—De droefnis zoekt van zelve reeds de rust;—En meld haar: Romeo komt.Voedster.En meld haar: Romeo komt.O Heere God;Hoe gaarne bleef ik luistren, heel de nacht,Naar zooveel goeds. Wat is geleerdheid schoon!—Ik meld, heer, mijn meesteresse, dat gij komt.Romeo.Ga, zeg ook, dat ik haar verwijten wacht.162Voedster.Hier is een ring, heer, dien ’k u geven moet.Maar spoed u, haast u, want reeds wordt het laat.(De Voedster af.)Romeo.O, hoe is nu de moed in mij herleefd!Lorenzo.Ga nu, vaarwel! Denk, waar uw lot aan hangt:Ga ’t zij aleer de wacht is uitgezet,’t Zij met den daag’raad, maar vermomd, van hier.Verblijf in Mantua; ik zoek uw dienaar,En zend van tijd tot tijd door hem bericht,Als iets gebeurt, dat gunstig voor u is.Reik mij de hand, ’t is laat; vaarwel, vaarwel!Romeo.Zoo vreugde boven vreugd mij niet verbeidde,Het waar’ mij leed, dat ik zoo haastig scheide.Vaarwel!(Beiden af.)

Derde Tooneel.De cel van broederLorenzo.BroederLorenzoen Romeo komen op.Lorenzo.Kom, Romeo, voor den dag, gij man van vrees;Bekomm’ring klemt verliefd zich aan u vast,Ellende is u een levensgezellin.Romeo.Vader, hoe is ’t? wat vonnis sloeg de vorst?Wat rampspoed is ’t, die thans de hand mij grijpt,En dien ik nog niet ken?Lorenzo.En dien ik nog niet ken?Te veel, mijn zoon,Zoekt gij den omgang van zoo droeve vrienden;Ik breng bericht van ’t vonnis van den vorst.Romeo.Is ’t minder, vader, dan het laatst gericht?Lorenzo.Een zachter vonnis vloot hem van de lippen,Het brengt geen dood, het brengt u ballingschap.Romeo.Ha, ballingschap?—Erbarming! zeg mij—„dood”!Verbanning is verschrikk’lijker van aanblik,Veel meer dan dood!—o, zeg niet—„ballingschap”.Lorenzo.Hier van Verona slechts zijt gij verbannen;Wees kalm, de wereld toch is ruim en wijd.Romeo.De wereld is slechts in Verona’s wallen,Daarbuiten folt’ring, vagevuur, de hel.Verbannen is verbannen van de wereld;Die ballingschap is dood;—dus is „verbanning”De dood, misnoemd. Noemt gij den dood—„verbanning”,Gij houwt mij ’t hoofd af met een gouden bijl,En glimlacht bij den slag, die mij vermoordt.Lorenzo.O zware zonde, o, zwarte ondankbaarheid!De wet eischt uwen dood; de goede vorstErbarmt zich uwer, stoot de wet ter zij,Verkeert dat woord „ter dood” in „ballingschap”;Dat is genade, en gij erkent het niet.Romeo.’t Is mart’ling, geen genâ; hier is de hemel,Waar Julia woont, en ied’re kat en hondEn kleine muis, ja ’t laagste schepsel, leeftHier in den hemel, want het mag haar zien,Slechts Romeo niet.—Meer waarde, hoog’ren stand,Meer recht tot liefdediensten heeft een vliegDan Romeo; dat wonderblank der handDer dierbre Julia roert zij vrij aan,En steelt zich hemelwellust van haar lippen,Die rein en met Vestaalsche zedigheidSteeds blozen, alsof kussen zonde waar’;39Doch Romeo mag het niet; hij is verbannen;Wat vliegen mogen doen, moet ik ontvliên;Zij leven vrij, maar ik, ik ben verbannen;En zegt gij nog, „verbanning is geen dood”?Hadt gij geen gift, geen scherp geslepen mes,Geen spoedig werkend middel, hoe veracht,Dan—„ballingschap”—om mij te dooden? „Ballingschap”!O, vader, spreken in de hel verdoemdenDit woord, dan volgt gehuil; hoe hebt gij ’t hart,Gij godsman, geestelijke vader, gij,Ontheffer van de zonde, uw dierbren zoonTe brijz’len met dat woord van „ballingschap?”Lorenzo.Gij dolle liefdedwaas, hoor toch een woord!Romeo.O weer een woord, gewis, van ballingschap.Lorenzo.’k Geef u een harnas, waar dat woord op afstuit,De zoetste melk in ’t leed: philosophie,Die u, al zijt gij balling, troosten zal.Romeo.Toch „ballingschap!”—Weg met philosophie!Indien philosophie geen Julia schept,Geen stad verzet, geen vorstenvonnis stuit,Dan baat zij niets, vermag niets; dan geen woord!Lorenzo.O, ’k zie te wel, krankzinnigen zijn doof!Romeo.Geen wonder, als de wijzen blinden zijn!Lorenzo.Kom, overleggen we eens, hoe ’t met u staat.Romeo.Van wat gij niet gevoelt, kunt gij niet spreken.Waart gij zoo jong als ik, en Julia de uwe,Slechts voor een uur gehuwd, Tybalt vermoord,Verliefd als ik, verbannen zooals ik,Dan mocht ge spreken, woelen in uw haar,U storten op den grond, als ik nu doe,Om u een ongedolven graf te meten.(Er wordt geklopt.)Lorenzo.Op Romeo, op! daar wordt geklopt; verberg u.Romeo.Ach neen; ik laat de zuchten van mijn zielMij als een mist voor ’t vorschend oog omhullen.(Er wordt weder geklopt.)Lorenzo.’t Geklop houdt aan!—Wie is daar?—Romeo, op!Men vat u zeker!—Op!(Geklop.)Een oogenblik geduld!IJl in mijn bidcel ginds!—Zoo daadlijk, ja!—God, welk een dwaasheid!—Ja, ik kom, ik kom!(Geklop.)Wie klopt zoo luid? Wie zijt gij en wat wilt gij?Voedster.Laat mij toch binnen; ’k breng een boodschap over;Ik kom van jonkvrouw Julia.80Lorenzo.Ik kom van jonkvrouw Julia.Welkom dan.(De Voedster treedt binnen.)Voedster.O heil’ge vader, zeg mij, heil’ge vader,Waar is haar man toch? waar is Romeo?Lorenzo.Daar op den grond, bedwelmd door eigen tranen.Voedster.O, hij is als mijn jonkvrouw, juist als zij.O, ’tzelfde wee, beklaagbre staat! Juist zooLigt zij en snikt en weent, en weent en snikt.—Sta op, sta op! zijt gij een man, sta op!Om Julia’s wil, om harentwil, rijs op!Waarom verzonken in zoo diep een wee?Romeo.Ach, goede vrouw!Voedster.Ach, heer, ach, heer!—De dood is aller lot.Romeo.Spraakt gij van Julia? spreek, hoe is ’t met haar?Houdt zij mij niet voor moord’naar van nature,Nu ik met bloed, haar bloed zoo na verwant,De kindsheid onzer vreugde heb bespat?Waar is zij en hoe is ’t haar? O hoe diepIs zij verstoord om ons verstoord geluk?Voedster.Zij spreekt geen enkel woord, maar weent en weent;Nu stort ze neer op ’t bed, dan weer vliegt ze op,En „Tybalt!” roept ze, en schreit om RomeoEn zijgt op nieuw ter neer.Romeo.En zijgt op nieuw ter neer.Als bracht die naam,Uit doodelijke buks geschoten, haarDen dood, zooals de vloekhand van dien naamHaar bloedverwant den dood bracht!—Zeg mij, vader,Waar in deez’ snooden stofklomp huist mijn naam?O zeg ’t mij, zeg ’t, opdat ik ’t vloekbre huisTen grond toe sloop’!(Hij trekt zijn dolk.)Lorenzo.Ten grond toe sloop’!Weerhoû die dolle hand!Zijt gij een man? Uw uiterlijk roept „ja”;Gij weent, gelijk een vrouw; uw woest gedragIs als het reed’loos woeden van een dier.Onschoone vrouw, in ’t schijnschoon van een man;Wanschapen dier, dat beider schijn vereent!Ik sta verbaasd; ja, bij mijn heilige orde,Ik achtte uw geest meer tegen ’t leed gestaald.Versloegt ge Tybalt? Wilt ge uzelf verslaan?En wilt ge uw gâ, die in uw leven leeft,117Door uw vloekwaarden zelfhaat doen vergaan?Wat smaalt gij op uw stam, op aarde en hemel?Schoon stam en aarde en hemel, die ge saamWegwerpen wilt, in u vereenigd zijn.Gij smaadt uw leest, uw liefde en uwen geest!Een woekeraar gelijk, hebt ge overvloedVan goeds, maar maakt van niets het recht gebruik,Dat eere schenkt aan leest en liefde en geest;Een wassen beeld slechts is uw lichaamsschoon,Verzaakt gij zoo de kloekheid van een man;Een ijdle meineed is uw liefdeseed,Doodt gij die liefde, aan wie gij liefde zwoert;Uw geest, die leest en liefde u sieren moest,Te uitzinnig om deez’ twee tot gids te zijn,Vat vuur door eigen onverstand, gelijk’t Kruit in de flesch eens onbedreven krijgers;Wat u beschermen moest, brengt u verderf.Verman u, Romeo! uw Julia leeft,Om wie ge als dood zoo even nederlaagt;Ziedaar reeds heil! u wilde Tybalt dooden,En gij hebt hèm gedood; alweder heil!’t Recht, dat met dood u dreigde, wordt uw vriend,En dood wordt ballingschap; ook dit is heil!Een last van zegen daalt u op de schoudren;’t Geluk in pronkgewaad vleit om uw gunst,Maar, als een eigenzinnig, geem’lijk meisje,Pruilt gij bij al uw liefde en uw geluk.Hoed, hoed u; schriklijk sterft wie zóó misdoet!—IJl tot uw gâ, zooals besloten was;Beklim haar kamer, ga en breng haar troost;Maar toef er niet, totdat men wachten stelt,Die u den weg naar Mantua versperren.Dáár woont gij, tot gelegen tijd uw echtBekend make, en uw vrienden weer verzoen’,En vorstlijke genade u herwaarts roep’,Met twintig honderd duizendmaal meer vreugd,Dan gij met jammer thans van hier vertrekt.—Ga, goede vrouw, breng uw meestres mijn groet,En zeg haar zorg te dragen, dat een elkVan ’t huisgezin zich vroeg ter rust begeev’;—De droefnis zoekt van zelve reeds de rust;—En meld haar: Romeo komt.Voedster.En meld haar: Romeo komt.O Heere God;Hoe gaarne bleef ik luistren, heel de nacht,Naar zooveel goeds. Wat is geleerdheid schoon!—Ik meld, heer, mijn meesteresse, dat gij komt.Romeo.Ga, zeg ook, dat ik haar verwijten wacht.162Voedster.Hier is een ring, heer, dien ’k u geven moet.Maar spoed u, haast u, want reeds wordt het laat.(De Voedster af.)Romeo.O, hoe is nu de moed in mij herleefd!Lorenzo.Ga nu, vaarwel! Denk, waar uw lot aan hangt:Ga ’t zij aleer de wacht is uitgezet,’t Zij met den daag’raad, maar vermomd, van hier.Verblijf in Mantua; ik zoek uw dienaar,En zend van tijd tot tijd door hem bericht,Als iets gebeurt, dat gunstig voor u is.Reik mij de hand, ’t is laat; vaarwel, vaarwel!Romeo.Zoo vreugde boven vreugd mij niet verbeidde,Het waar’ mij leed, dat ik zoo haastig scheide.Vaarwel!(Beiden af.)

De cel van broederLorenzo.

BroederLorenzoen Romeo komen op.

Lorenzo.Kom, Romeo, voor den dag, gij man van vrees;Bekomm’ring klemt verliefd zich aan u vast,Ellende is u een levensgezellin.

Lorenzo.

Kom, Romeo, voor den dag, gij man van vrees;

Bekomm’ring klemt verliefd zich aan u vast,

Ellende is u een levensgezellin.

Romeo.Vader, hoe is ’t? wat vonnis sloeg de vorst?Wat rampspoed is ’t, die thans de hand mij grijpt,En dien ik nog niet ken?

Romeo.

Vader, hoe is ’t? wat vonnis sloeg de vorst?

Wat rampspoed is ’t, die thans de hand mij grijpt,

En dien ik nog niet ken?

Lorenzo.En dien ik nog niet ken?Te veel, mijn zoon,Zoekt gij den omgang van zoo droeve vrienden;Ik breng bericht van ’t vonnis van den vorst.

Lorenzo.

En dien ik nog niet ken?Te veel, mijn zoon,

Zoekt gij den omgang van zoo droeve vrienden;

Ik breng bericht van ’t vonnis van den vorst.

Romeo.Is ’t minder, vader, dan het laatst gericht?

Romeo.

Is ’t minder, vader, dan het laatst gericht?

Lorenzo.Een zachter vonnis vloot hem van de lippen,Het brengt geen dood, het brengt u ballingschap.

Lorenzo.

Een zachter vonnis vloot hem van de lippen,

Het brengt geen dood, het brengt u ballingschap.

Romeo.Ha, ballingschap?—Erbarming! zeg mij—„dood”!Verbanning is verschrikk’lijker van aanblik,Veel meer dan dood!—o, zeg niet—„ballingschap”.

Romeo.

Ha, ballingschap?—Erbarming! zeg mij—„dood”!

Verbanning is verschrikk’lijker van aanblik,

Veel meer dan dood!—o, zeg niet—„ballingschap”.

Lorenzo.Hier van Verona slechts zijt gij verbannen;Wees kalm, de wereld toch is ruim en wijd.

Lorenzo.

Hier van Verona slechts zijt gij verbannen;

Wees kalm, de wereld toch is ruim en wijd.

Romeo.De wereld is slechts in Verona’s wallen,Daarbuiten folt’ring, vagevuur, de hel.Verbannen is verbannen van de wereld;Die ballingschap is dood;—dus is „verbanning”De dood, misnoemd. Noemt gij den dood—„verbanning”,Gij houwt mij ’t hoofd af met een gouden bijl,En glimlacht bij den slag, die mij vermoordt.

Romeo.

De wereld is slechts in Verona’s wallen,

Daarbuiten folt’ring, vagevuur, de hel.

Verbannen is verbannen van de wereld;

Die ballingschap is dood;—dus is „verbanning”

De dood, misnoemd. Noemt gij den dood—„verbanning”,

Gij houwt mij ’t hoofd af met een gouden bijl,

En glimlacht bij den slag, die mij vermoordt.

Lorenzo.O zware zonde, o, zwarte ondankbaarheid!De wet eischt uwen dood; de goede vorstErbarmt zich uwer, stoot de wet ter zij,Verkeert dat woord „ter dood” in „ballingschap”;Dat is genade, en gij erkent het niet.

Lorenzo.

O zware zonde, o, zwarte ondankbaarheid!

De wet eischt uwen dood; de goede vorst

Erbarmt zich uwer, stoot de wet ter zij,

Verkeert dat woord „ter dood” in „ballingschap”;

Dat is genade, en gij erkent het niet.

Romeo.’t Is mart’ling, geen genâ; hier is de hemel,Waar Julia woont, en ied’re kat en hondEn kleine muis, ja ’t laagste schepsel, leeftHier in den hemel, want het mag haar zien,Slechts Romeo niet.—Meer waarde, hoog’ren stand,Meer recht tot liefdediensten heeft een vliegDan Romeo; dat wonderblank der handDer dierbre Julia roert zij vrij aan,En steelt zich hemelwellust van haar lippen,Die rein en met Vestaalsche zedigheidSteeds blozen, alsof kussen zonde waar’;39Doch Romeo mag het niet; hij is verbannen;Wat vliegen mogen doen, moet ik ontvliên;Zij leven vrij, maar ik, ik ben verbannen;En zegt gij nog, „verbanning is geen dood”?Hadt gij geen gift, geen scherp geslepen mes,Geen spoedig werkend middel, hoe veracht,Dan—„ballingschap”—om mij te dooden? „Ballingschap”!O, vader, spreken in de hel verdoemdenDit woord, dan volgt gehuil; hoe hebt gij ’t hart,Gij godsman, geestelijke vader, gij,Ontheffer van de zonde, uw dierbren zoonTe brijz’len met dat woord van „ballingschap?”

Romeo.

’t Is mart’ling, geen genâ; hier is de hemel,

Waar Julia woont, en ied’re kat en hond

En kleine muis, ja ’t laagste schepsel, leeft

Hier in den hemel, want het mag haar zien,

Slechts Romeo niet.—Meer waarde, hoog’ren stand,

Meer recht tot liefdediensten heeft een vlieg

Dan Romeo; dat wonderblank der hand

Der dierbre Julia roert zij vrij aan,

En steelt zich hemelwellust van haar lippen,

Die rein en met Vestaalsche zedigheid

Steeds blozen, alsof kussen zonde waar’;39

Doch Romeo mag het niet; hij is verbannen;

Wat vliegen mogen doen, moet ik ontvliên;

Zij leven vrij, maar ik, ik ben verbannen;

En zegt gij nog, „verbanning is geen dood”?

Hadt gij geen gift, geen scherp geslepen mes,

Geen spoedig werkend middel, hoe veracht,

Dan—„ballingschap”—om mij te dooden? „Ballingschap”!

O, vader, spreken in de hel verdoemden

Dit woord, dan volgt gehuil; hoe hebt gij ’t hart,

Gij godsman, geestelijke vader, gij,

Ontheffer van de zonde, uw dierbren zoon

Te brijz’len met dat woord van „ballingschap?”

Lorenzo.Gij dolle liefdedwaas, hoor toch een woord!

Lorenzo.

Gij dolle liefdedwaas, hoor toch een woord!

Romeo.O weer een woord, gewis, van ballingschap.

Romeo.

O weer een woord, gewis, van ballingschap.

Lorenzo.’k Geef u een harnas, waar dat woord op afstuit,De zoetste melk in ’t leed: philosophie,Die u, al zijt gij balling, troosten zal.

Lorenzo.

’k Geef u een harnas, waar dat woord op afstuit,

De zoetste melk in ’t leed: philosophie,

Die u, al zijt gij balling, troosten zal.

Romeo.Toch „ballingschap!”—Weg met philosophie!Indien philosophie geen Julia schept,Geen stad verzet, geen vorstenvonnis stuit,Dan baat zij niets, vermag niets; dan geen woord!

Romeo.

Toch „ballingschap!”—Weg met philosophie!

Indien philosophie geen Julia schept,

Geen stad verzet, geen vorstenvonnis stuit,

Dan baat zij niets, vermag niets; dan geen woord!

Lorenzo.O, ’k zie te wel, krankzinnigen zijn doof!

Lorenzo.

O, ’k zie te wel, krankzinnigen zijn doof!

Romeo.Geen wonder, als de wijzen blinden zijn!

Romeo.

Geen wonder, als de wijzen blinden zijn!

Lorenzo.Kom, overleggen we eens, hoe ’t met u staat.

Lorenzo.

Kom, overleggen we eens, hoe ’t met u staat.

Romeo.Van wat gij niet gevoelt, kunt gij niet spreken.Waart gij zoo jong als ik, en Julia de uwe,Slechts voor een uur gehuwd, Tybalt vermoord,Verliefd als ik, verbannen zooals ik,Dan mocht ge spreken, woelen in uw haar,U storten op den grond, als ik nu doe,Om u een ongedolven graf te meten.

Romeo.

Van wat gij niet gevoelt, kunt gij niet spreken.

Waart gij zoo jong als ik, en Julia de uwe,

Slechts voor een uur gehuwd, Tybalt vermoord,

Verliefd als ik, verbannen zooals ik,

Dan mocht ge spreken, woelen in uw haar,

U storten op den grond, als ik nu doe,

Om u een ongedolven graf te meten.

(Er wordt geklopt.)

Lorenzo.Op Romeo, op! daar wordt geklopt; verberg u.

Lorenzo.

Op Romeo, op! daar wordt geklopt; verberg u.

Romeo.Ach neen; ik laat de zuchten van mijn zielMij als een mist voor ’t vorschend oog omhullen.

Romeo.

Ach neen; ik laat de zuchten van mijn ziel

Mij als een mist voor ’t vorschend oog omhullen.

(Er wordt weder geklopt.)

Lorenzo.’t Geklop houdt aan!—Wie is daar?—Romeo, op!Men vat u zeker!—Op!(Geklop.)Een oogenblik geduld!IJl in mijn bidcel ginds!—Zoo daadlijk, ja!—God, welk een dwaasheid!—Ja, ik kom, ik kom!(Geklop.)Wie klopt zoo luid? Wie zijt gij en wat wilt gij?

Lorenzo.

’t Geklop houdt aan!—Wie is daar?—Romeo, op!

Men vat u zeker!—Op!(Geklop.)Een oogenblik geduld!

IJl in mijn bidcel ginds!—Zoo daadlijk, ja!—

God, welk een dwaasheid!—Ja, ik kom, ik kom!(Geklop.)

Wie klopt zoo luid? Wie zijt gij en wat wilt gij?

Voedster.Laat mij toch binnen; ’k breng een boodschap over;Ik kom van jonkvrouw Julia.80

Voedster.

Laat mij toch binnen; ’k breng een boodschap over;

Ik kom van jonkvrouw Julia.80

Lorenzo.Ik kom van jonkvrouw Julia.Welkom dan.

Lorenzo.

Ik kom van jonkvrouw Julia.Welkom dan.

(De Voedster treedt binnen.)

Voedster.O heil’ge vader, zeg mij, heil’ge vader,Waar is haar man toch? waar is Romeo?

Voedster.

O heil’ge vader, zeg mij, heil’ge vader,

Waar is haar man toch? waar is Romeo?

Lorenzo.Daar op den grond, bedwelmd door eigen tranen.

Lorenzo.

Daar op den grond, bedwelmd door eigen tranen.

Voedster.O, hij is als mijn jonkvrouw, juist als zij.O, ’tzelfde wee, beklaagbre staat! Juist zooLigt zij en snikt en weent, en weent en snikt.—Sta op, sta op! zijt gij een man, sta op!Om Julia’s wil, om harentwil, rijs op!Waarom verzonken in zoo diep een wee?

Voedster.

O, hij is als mijn jonkvrouw, juist als zij.

O, ’tzelfde wee, beklaagbre staat! Juist zoo

Ligt zij en snikt en weent, en weent en snikt.—

Sta op, sta op! zijt gij een man, sta op!

Om Julia’s wil, om harentwil, rijs op!

Waarom verzonken in zoo diep een wee?

Romeo.Ach, goede vrouw!

Romeo.

Ach, goede vrouw!

Voedster.Ach, heer, ach, heer!—De dood is aller lot.

Voedster.

Ach, heer, ach, heer!—De dood is aller lot.

Romeo.Spraakt gij van Julia? spreek, hoe is ’t met haar?Houdt zij mij niet voor moord’naar van nature,Nu ik met bloed, haar bloed zoo na verwant,De kindsheid onzer vreugde heb bespat?Waar is zij en hoe is ’t haar? O hoe diepIs zij verstoord om ons verstoord geluk?

Romeo.

Spraakt gij van Julia? spreek, hoe is ’t met haar?

Houdt zij mij niet voor moord’naar van nature,

Nu ik met bloed, haar bloed zoo na verwant,

De kindsheid onzer vreugde heb bespat?

Waar is zij en hoe is ’t haar? O hoe diep

Is zij verstoord om ons verstoord geluk?

Voedster.Zij spreekt geen enkel woord, maar weent en weent;Nu stort ze neer op ’t bed, dan weer vliegt ze op,En „Tybalt!” roept ze, en schreit om RomeoEn zijgt op nieuw ter neer.

Voedster.

Zij spreekt geen enkel woord, maar weent en weent;

Nu stort ze neer op ’t bed, dan weer vliegt ze op,

En „Tybalt!” roept ze, en schreit om Romeo

En zijgt op nieuw ter neer.

Romeo.En zijgt op nieuw ter neer.Als bracht die naam,Uit doodelijke buks geschoten, haarDen dood, zooals de vloekhand van dien naamHaar bloedverwant den dood bracht!—Zeg mij, vader,Waar in deez’ snooden stofklomp huist mijn naam?O zeg ’t mij, zeg ’t, opdat ik ’t vloekbre huisTen grond toe sloop’!

Romeo.

En zijgt op nieuw ter neer.Als bracht die naam,

Uit doodelijke buks geschoten, haar

Den dood, zooals de vloekhand van dien naam

Haar bloedverwant den dood bracht!—Zeg mij, vader,

Waar in deez’ snooden stofklomp huist mijn naam?

O zeg ’t mij, zeg ’t, opdat ik ’t vloekbre huis

Ten grond toe sloop’!

(Hij trekt zijn dolk.)

Lorenzo.Ten grond toe sloop’!Weerhoû die dolle hand!Zijt gij een man? Uw uiterlijk roept „ja”;Gij weent, gelijk een vrouw; uw woest gedragIs als het reed’loos woeden van een dier.Onschoone vrouw, in ’t schijnschoon van een man;Wanschapen dier, dat beider schijn vereent!Ik sta verbaasd; ja, bij mijn heilige orde,Ik achtte uw geest meer tegen ’t leed gestaald.Versloegt ge Tybalt? Wilt ge uzelf verslaan?En wilt ge uw gâ, die in uw leven leeft,117Door uw vloekwaarden zelfhaat doen vergaan?Wat smaalt gij op uw stam, op aarde en hemel?Schoon stam en aarde en hemel, die ge saamWegwerpen wilt, in u vereenigd zijn.Gij smaadt uw leest, uw liefde en uwen geest!Een woekeraar gelijk, hebt ge overvloedVan goeds, maar maakt van niets het recht gebruik,Dat eere schenkt aan leest en liefde en geest;Een wassen beeld slechts is uw lichaamsschoon,Verzaakt gij zoo de kloekheid van een man;Een ijdle meineed is uw liefdeseed,Doodt gij die liefde, aan wie gij liefde zwoert;Uw geest, die leest en liefde u sieren moest,Te uitzinnig om deez’ twee tot gids te zijn,Vat vuur door eigen onverstand, gelijk’t Kruit in de flesch eens onbedreven krijgers;Wat u beschermen moest, brengt u verderf.Verman u, Romeo! uw Julia leeft,Om wie ge als dood zoo even nederlaagt;Ziedaar reeds heil! u wilde Tybalt dooden,En gij hebt hèm gedood; alweder heil!’t Recht, dat met dood u dreigde, wordt uw vriend,En dood wordt ballingschap; ook dit is heil!Een last van zegen daalt u op de schoudren;’t Geluk in pronkgewaad vleit om uw gunst,Maar, als een eigenzinnig, geem’lijk meisje,Pruilt gij bij al uw liefde en uw geluk.Hoed, hoed u; schriklijk sterft wie zóó misdoet!—IJl tot uw gâ, zooals besloten was;Beklim haar kamer, ga en breng haar troost;Maar toef er niet, totdat men wachten stelt,Die u den weg naar Mantua versperren.Dáár woont gij, tot gelegen tijd uw echtBekend make, en uw vrienden weer verzoen’,En vorstlijke genade u herwaarts roep’,Met twintig honderd duizendmaal meer vreugd,Dan gij met jammer thans van hier vertrekt.—Ga, goede vrouw, breng uw meestres mijn groet,En zeg haar zorg te dragen, dat een elkVan ’t huisgezin zich vroeg ter rust begeev’;—De droefnis zoekt van zelve reeds de rust;—En meld haar: Romeo komt.

Lorenzo.

Ten grond toe sloop’!Weerhoû die dolle hand!

Zijt gij een man? Uw uiterlijk roept „ja”;

Gij weent, gelijk een vrouw; uw woest gedrag

Is als het reed’loos woeden van een dier.

Onschoone vrouw, in ’t schijnschoon van een man;

Wanschapen dier, dat beider schijn vereent!

Ik sta verbaasd; ja, bij mijn heilige orde,

Ik achtte uw geest meer tegen ’t leed gestaald.

Versloegt ge Tybalt? Wilt ge uzelf verslaan?

En wilt ge uw gâ, die in uw leven leeft,117

Door uw vloekwaarden zelfhaat doen vergaan?

Wat smaalt gij op uw stam, op aarde en hemel?

Schoon stam en aarde en hemel, die ge saam

Wegwerpen wilt, in u vereenigd zijn.

Gij smaadt uw leest, uw liefde en uwen geest!

Een woekeraar gelijk, hebt ge overvloed

Van goeds, maar maakt van niets het recht gebruik,

Dat eere schenkt aan leest en liefde en geest;

Een wassen beeld slechts is uw lichaamsschoon,

Verzaakt gij zoo de kloekheid van een man;

Een ijdle meineed is uw liefdeseed,

Doodt gij die liefde, aan wie gij liefde zwoert;

Uw geest, die leest en liefde u sieren moest,

Te uitzinnig om deez’ twee tot gids te zijn,

Vat vuur door eigen onverstand, gelijk

’t Kruit in de flesch eens onbedreven krijgers;

Wat u beschermen moest, brengt u verderf.

Verman u, Romeo! uw Julia leeft,

Om wie ge als dood zoo even nederlaagt;

Ziedaar reeds heil! u wilde Tybalt dooden,

En gij hebt hèm gedood; alweder heil!

’t Recht, dat met dood u dreigde, wordt uw vriend,

En dood wordt ballingschap; ook dit is heil!

Een last van zegen daalt u op de schoudren;

’t Geluk in pronkgewaad vleit om uw gunst,

Maar, als een eigenzinnig, geem’lijk meisje,

Pruilt gij bij al uw liefde en uw geluk.

Hoed, hoed u; schriklijk sterft wie zóó misdoet!—

IJl tot uw gâ, zooals besloten was;

Beklim haar kamer, ga en breng haar troost;

Maar toef er niet, totdat men wachten stelt,

Die u den weg naar Mantua versperren.

Dáár woont gij, tot gelegen tijd uw echt

Bekend make, en uw vrienden weer verzoen’,

En vorstlijke genade u herwaarts roep’,

Met twintig honderd duizendmaal meer vreugd,

Dan gij met jammer thans van hier vertrekt.—

Ga, goede vrouw, breng uw meestres mijn groet,

En zeg haar zorg te dragen, dat een elk

Van ’t huisgezin zich vroeg ter rust begeev’;—

De droefnis zoekt van zelve reeds de rust;—

En meld haar: Romeo komt.

Voedster.En meld haar: Romeo komt.O Heere God;Hoe gaarne bleef ik luistren, heel de nacht,Naar zooveel goeds. Wat is geleerdheid schoon!—Ik meld, heer, mijn meesteresse, dat gij komt.

Voedster.

En meld haar: Romeo komt.O Heere God;

Hoe gaarne bleef ik luistren, heel de nacht,

Naar zooveel goeds. Wat is geleerdheid schoon!—

Ik meld, heer, mijn meesteresse, dat gij komt.

Romeo.Ga, zeg ook, dat ik haar verwijten wacht.162

Romeo.

Ga, zeg ook, dat ik haar verwijten wacht.162

Voedster.Hier is een ring, heer, dien ’k u geven moet.Maar spoed u, haast u, want reeds wordt het laat.

Voedster.

Hier is een ring, heer, dien ’k u geven moet.

Maar spoed u, haast u, want reeds wordt het laat.

(De Voedster af.)

Romeo.O, hoe is nu de moed in mij herleefd!

Romeo.

O, hoe is nu de moed in mij herleefd!

Lorenzo.Ga nu, vaarwel! Denk, waar uw lot aan hangt:Ga ’t zij aleer de wacht is uitgezet,’t Zij met den daag’raad, maar vermomd, van hier.Verblijf in Mantua; ik zoek uw dienaar,En zend van tijd tot tijd door hem bericht,Als iets gebeurt, dat gunstig voor u is.Reik mij de hand, ’t is laat; vaarwel, vaarwel!

Lorenzo.

Ga nu, vaarwel! Denk, waar uw lot aan hangt:

Ga ’t zij aleer de wacht is uitgezet,

’t Zij met den daag’raad, maar vermomd, van hier.

Verblijf in Mantua; ik zoek uw dienaar,

En zend van tijd tot tijd door hem bericht,

Als iets gebeurt, dat gunstig voor u is.

Reik mij de hand, ’t is laat; vaarwel, vaarwel!

Romeo.Zoo vreugde boven vreugd mij niet verbeidde,Het waar’ mij leed, dat ik zoo haastig scheide.Vaarwel!

Romeo.

Zoo vreugde boven vreugd mij niet verbeidde,

Het waar’ mij leed, dat ik zoo haastig scheide.

Vaarwel!

(Beiden af.)

Vierde Tooneel.Een kamer inCapulet’shuis.Capulet,GravinCapuletenPariskomen op.Capulet.Het liep hier alles tegen, vriend; er wasGeen tijd om bij mijn dochter aan te dringen;Ziet gij, zij was aan Tybalt zeer gehecht;Ik ook;—maar sterven is ons aller lot.—’t Is laat, zij komt van avond niet beneden;En ’k moet ook zeggen, zonder uw bezoekWare ik al voor een uur ter rust gegaan.Paris.Deez’ tijd van rouw is wis geen tijd van trouw;—Dus goede nacht, gravin; ik bid u, spreekEen woord te mijnen gunste bij uw dochter.Gravin Capulet.’k Zal morgen peilen, hoe ze er over denkt.Deze’ avond sloot ze met haar smart zich op.Capulet.Graaf, ’k waag ’t voor Julia’s jawoord in te staan;Ik denk, ze doet in alles naar mijn wensch,Ja meer, ik twijfel zelfs geen oogenblik.Ga tot haar, vrouw, eer ge u ter rust begeeft,Bericht haar, hoe zoon Paris haar bemint,En zeg haar, dat, let wel, aanstaanden Woensdag,—Maar stil, wat is ’t vandaag?Paris.’t Is Maandag, heer.Capulet.Maandag, o ja. Neen, Woensdag is te kort;Maar Donderdag,—ja, zeg haar, DonderdagTreedt zij in ’t huwlijk met deze’ eed’len graaf.—Zijt gij bereid? en is die haast u welkom?Wij vieren ’t onder ons;—een vriend of twee;—Want, ziet ge, Tybalt is zoo pas vermoord,En vierden wij ’t met praal, licht zou men denken,Dat onze neef ons onverschillig was.Wij vragen dus een zes of zeven vrienden,En daarmeê uit.—Is Donderdag u goed?Paris.O ’k wenschte, morgen ware ’t Donderdag.Capulet.Goed, afgesproken;—’t blijft dus Donderdag.—Ga, vrouw, naar Julia, voor gij slapen gaat;Bereid haar op den huwlijksfeestdag voor.—Vaarwel dus!—Hé, brengt licht in mijn vertrek!—O foei, ’t is meer dan laat; het is bijnaWeer vroeg te noemen. Nogmaals, goede nacht.(Allen af.)

Vierde Tooneel.Een kamer inCapulet’shuis.Capulet,GravinCapuletenPariskomen op.Capulet.Het liep hier alles tegen, vriend; er wasGeen tijd om bij mijn dochter aan te dringen;Ziet gij, zij was aan Tybalt zeer gehecht;Ik ook;—maar sterven is ons aller lot.—’t Is laat, zij komt van avond niet beneden;En ’k moet ook zeggen, zonder uw bezoekWare ik al voor een uur ter rust gegaan.Paris.Deez’ tijd van rouw is wis geen tijd van trouw;—Dus goede nacht, gravin; ik bid u, spreekEen woord te mijnen gunste bij uw dochter.Gravin Capulet.’k Zal morgen peilen, hoe ze er over denkt.Deze’ avond sloot ze met haar smart zich op.Capulet.Graaf, ’k waag ’t voor Julia’s jawoord in te staan;Ik denk, ze doet in alles naar mijn wensch,Ja meer, ik twijfel zelfs geen oogenblik.Ga tot haar, vrouw, eer ge u ter rust begeeft,Bericht haar, hoe zoon Paris haar bemint,En zeg haar, dat, let wel, aanstaanden Woensdag,—Maar stil, wat is ’t vandaag?Paris.’t Is Maandag, heer.Capulet.Maandag, o ja. Neen, Woensdag is te kort;Maar Donderdag,—ja, zeg haar, DonderdagTreedt zij in ’t huwlijk met deze’ eed’len graaf.—Zijt gij bereid? en is die haast u welkom?Wij vieren ’t onder ons;—een vriend of twee;—Want, ziet ge, Tybalt is zoo pas vermoord,En vierden wij ’t met praal, licht zou men denken,Dat onze neef ons onverschillig was.Wij vragen dus een zes of zeven vrienden,En daarmeê uit.—Is Donderdag u goed?Paris.O ’k wenschte, morgen ware ’t Donderdag.Capulet.Goed, afgesproken;—’t blijft dus Donderdag.—Ga, vrouw, naar Julia, voor gij slapen gaat;Bereid haar op den huwlijksfeestdag voor.—Vaarwel dus!—Hé, brengt licht in mijn vertrek!—O foei, ’t is meer dan laat; het is bijnaWeer vroeg te noemen. Nogmaals, goede nacht.(Allen af.)

Een kamer inCapulet’shuis.

Capulet,GravinCapuletenPariskomen op.

Capulet.Het liep hier alles tegen, vriend; er wasGeen tijd om bij mijn dochter aan te dringen;Ziet gij, zij was aan Tybalt zeer gehecht;Ik ook;—maar sterven is ons aller lot.—’t Is laat, zij komt van avond niet beneden;En ’k moet ook zeggen, zonder uw bezoekWare ik al voor een uur ter rust gegaan.

Capulet.

Het liep hier alles tegen, vriend; er was

Geen tijd om bij mijn dochter aan te dringen;

Ziet gij, zij was aan Tybalt zeer gehecht;

Ik ook;—maar sterven is ons aller lot.—

’t Is laat, zij komt van avond niet beneden;

En ’k moet ook zeggen, zonder uw bezoek

Ware ik al voor een uur ter rust gegaan.

Paris.Deez’ tijd van rouw is wis geen tijd van trouw;—Dus goede nacht, gravin; ik bid u, spreekEen woord te mijnen gunste bij uw dochter.

Paris.

Deez’ tijd van rouw is wis geen tijd van trouw;—

Dus goede nacht, gravin; ik bid u, spreek

Een woord te mijnen gunste bij uw dochter.

Gravin Capulet.’k Zal morgen peilen, hoe ze er over denkt.Deze’ avond sloot ze met haar smart zich op.

Gravin Capulet.

’k Zal morgen peilen, hoe ze er over denkt.

Deze’ avond sloot ze met haar smart zich op.

Capulet.Graaf, ’k waag ’t voor Julia’s jawoord in te staan;Ik denk, ze doet in alles naar mijn wensch,Ja meer, ik twijfel zelfs geen oogenblik.Ga tot haar, vrouw, eer ge u ter rust begeeft,Bericht haar, hoe zoon Paris haar bemint,En zeg haar, dat, let wel, aanstaanden Woensdag,—Maar stil, wat is ’t vandaag?

Capulet.

Graaf, ’k waag ’t voor Julia’s jawoord in te staan;

Ik denk, ze doet in alles naar mijn wensch,

Ja meer, ik twijfel zelfs geen oogenblik.

Ga tot haar, vrouw, eer ge u ter rust begeeft,

Bericht haar, hoe zoon Paris haar bemint,

En zeg haar, dat, let wel, aanstaanden Woensdag,—

Maar stil, wat is ’t vandaag?

Paris.’t Is Maandag, heer.

Paris.

’t Is Maandag, heer.

Capulet.Maandag, o ja. Neen, Woensdag is te kort;Maar Donderdag,—ja, zeg haar, DonderdagTreedt zij in ’t huwlijk met deze’ eed’len graaf.—Zijt gij bereid? en is die haast u welkom?Wij vieren ’t onder ons;—een vriend of twee;—Want, ziet ge, Tybalt is zoo pas vermoord,En vierden wij ’t met praal, licht zou men denken,Dat onze neef ons onverschillig was.Wij vragen dus een zes of zeven vrienden,En daarmeê uit.—Is Donderdag u goed?

Capulet.

Maandag, o ja. Neen, Woensdag is te kort;

Maar Donderdag,—ja, zeg haar, Donderdag

Treedt zij in ’t huwlijk met deze’ eed’len graaf.—

Zijt gij bereid? en is die haast u welkom?

Wij vieren ’t onder ons;—een vriend of twee;—

Want, ziet ge, Tybalt is zoo pas vermoord,

En vierden wij ’t met praal, licht zou men denken,

Dat onze neef ons onverschillig was.

Wij vragen dus een zes of zeven vrienden,

En daarmeê uit.—Is Donderdag u goed?

Paris.O ’k wenschte, morgen ware ’t Donderdag.

Paris.

O ’k wenschte, morgen ware ’t Donderdag.

Capulet.Goed, afgesproken;—’t blijft dus Donderdag.—Ga, vrouw, naar Julia, voor gij slapen gaat;Bereid haar op den huwlijksfeestdag voor.—Vaarwel dus!—Hé, brengt licht in mijn vertrek!—O foei, ’t is meer dan laat; het is bijnaWeer vroeg te noemen. Nogmaals, goede nacht.

Capulet.

Goed, afgesproken;—’t blijft dus Donderdag.—

Ga, vrouw, naar Julia, voor gij slapen gaat;

Bereid haar op den huwlijksfeestdag voor.—

Vaarwel dus!—Hé, brengt licht in mijn vertrek!—

O foei, ’t is meer dan laat; het is bijna

Weer vroeg te noemen. Nogmaals, goede nacht.

(Allen af.)

Vijfde Tooneel.De kamer vanJulia.RomeoenJuliakomen op.Julia.Wilt gij reeds gaan? Het is nog lang geen dag;Het was de nachtegaal, de leeuwrik niet,Wiens schelle stem in ’t angstig oor u drong;Op dien granaatboom zingt hij elke nacht.Geloof me, lieve, ’t was de nachtegaal.Romeo.Het was de leeuwrik, ’s daag’raads bode, en nietDe nachtegaal; zie, lieve, daar in ’t oost,Wat booze strepen ’t scheurend zwerk omzoomen;De nacht heeft lang haar kaarsen opgebrand,En vroolijk gluurt, hoog op de teenen staand,De dag daar van der bergen neveltoppen;Ik moet nu gaan en leef, of blijf en sterf.Julia.Dat is geen daglicht daar, ik weet het, ik;’t Is een verheev’ling, uit de zon gevloeid,Die u deez’ nacht tot fakkeldrager zij,En voorlichte op uw weg naar Mantua;O toef dus nog; uw heengaan heeft nog tijd.Romeo en Julia, Derde Bedrijf, Vijfde Tooneel.Romeo en Julia, Derde Bedrijf, Vijfde Tooneel.Romeo.Men grijp’ mij dan, en leide mij ter dood;’t Is ook mijn keuze, als gij het zoo verlangt.Neen, dat is niet het stralend oog des morgens,Maar bleeke weerglans van ’t gelaat der maan;’t Is ’t lied des leeuwriks niet, dat boven onsHoog aan ’t gewelf des hemels wordt weerkaatst;O zalig blijven! bitter is ’t vaarwel;—Wees welkom, dood! ’t is Julia’s bestel.—Kom, liefste! een zoet gesprek! het daagt nog niet.Julia.Het daagt, het daagt! spoed, spoed u heen en vlied!’t Is wel de leeuwrik, die zoo snerpend valschMet scherpe keel zijn schrille trillers gilt;Men zegt wel, dat de leeuwrik lieflijk zingt,Maar deze niet, die schettert ons vaneen;Men zegt, dat pad en leeuwrik de oogen ruilden;O! hadden zij van stem dan ook geruild,Daar toch die stem u uit mijn armen wringt,En als een jachtkreet u tot vluchten dringt!—O, ga nu; licht en lichter wordt de morgen!Romeo.Licht, lichter! zwart en zwarter onze zorgen!36(De Voedster komt op.)Voedster.Jonkvrouw!Julia.Wat is er, minne?Voedster.Uw moeder is op weg naar dit vertrek;Wees op uw hoede; zie, de dag breekt aan.(De Voedster af.)Julia.Laat, venster, ’t licht dan binnen, ’t leven gaan.Romeo.Vaarwel, vaarwel! één kus nog, ik moet heen!(Hij daalt af.)Julia.Mijn vriend, mijn gâ, mijn ziel! ik blijf alleen;O, zend mij tijding iedren dag van ’t uur,Want één minuut omsluit wel meen’gen dag;En naar die reek’ning ben ik hoogbejaard,Eer ik u wederzie, mijn Romeo.Romeo.Vaarwel! Zoodra ’k de mooglijkheid bevroed,En telkens, liefste, zend ik u mijn groet.Julia.O, zeg, gelooft gij aan ons wederzien?Romeo.O, ’k twijfel niet, en in de toekomst is’t Geleden wee ons stof tot zoet gesprek.Julia.O God! een voorgevoel beklemt mijn hart!Nu gij beneden staat, nu is ’t me, als zag ikU dood, daar in de diepte van een graf;Bedriegt mijn oog mij niet, dan ziet gij bleek.Romeo.Zoo komt ook gij mij voor. Ja, zielsverdrietDrinkt, liefste, ons bloed. Vaarwel, vaarwel, en vlied!(Romeoaf.)Julia.Fortuin, fortuin! een ieder noemt u wuft!En zijt gij wuft, wat doet ge dan met hem,Die zich getrouw betoont? Wees wuft, Fortuin,Dan hoop ik, houdt gij hem niet lang, maar geeftHem dra mij weer.Gravin Capulet(achter het tooneel).Hé, Julia, zijt gij op?Julia.Wie roept mij daar? is ’t niet mijn moeders stem?Is zij nog niet ter rust, of zoo vroeg op?Wat ongewone reden voert haar hier?(GravinCapuletkomt op.)Gravin Capulet.Wat is er, Julia?Julia.Wat is er, Julia?Moeder, ’k ben niet wel.Gravin Capulet.Beweent ge steeds den dood nog van uw neef?Al wiescht gij hem met tranen uit zijn graf,Toch riept ge hem in ’t leven niet terug;Bedwing u dus; gepaste rouw toont liefde,Maar te veel rouw toont mangel aan verstand.Julia.O laat mij weenen om mijn grievend leed!Gravin Capulet.Te dieper grieft u ’t leed, maar ’t roept den vriend,Dien gij beweent, niet weer.77Julia.Dien gij beweent, niet weer.Het grieft te diep;Ik kan niet anders dan den vriend beweenen.Gravin Capulet.’t Is minder, kind, zijn dood, dien gij beweent,Dan dat de schurk nog leeft, die hem versloeg.Julia.Gij zegt, die schurk?Gravin Capulet.Ja, Romeo, die schurk.Julia(ter zijde).Een schurk en hij, wat hemelsbreed verschil!—(Luid.)Vergeev’ hem God! ik doe ’t met heel mijn hart;En toch, geen man wondde ooit als hij mijn hart.Gravin Capulet.’t Is enkel, dat die schelmsche moorder leeft.Julia.En waar deze arm hem niet bereiken kan!—O! wierd aan mij alleen de wraak vertrouwd!Gravin Capulet.De wraak zal ons geworden, wees getroostEn ween niet langer zoo. Ik vind wel iemandIn Mantua, waar de verworp’ling leeft,Die zulk een ongewonen dronk hem reikt,Dat hij weldra met Tybalt samenwoont;En dan is, hoop ik, uw gemoed voldaan.Julia.Voorwaar, dat blijft, wat Romeo betreft,Steeds onvoldaan, aanschouw ik hem niet—dood—Doorboord is ’t hart mij, om mijn nabestaande!—Maar hadt gij iemand opgespoord, die hemVergif wou reiken, zelf zou ik het mengen,En zóó, dat Romeo, ’t gebruikend, rasIn vrede sliep.—O, schrikk’lijk is ’t, zijn naamTe hooren, en hem niet nabij te zijn,Om van mijn liefde voor mijn armen neefMe aan hem te kwijten, die hem heeft gedood.Gravin Capulet.Vind gij de midd’len;—ik vind wel den man.—Maar hoor, ik breng u blijde tijding, kind!Julia.Bij zooveel druk moet blijdschap welkom zijn.—Wat blijde tijding brengt mijn moeder mij?Gravin Capulet.Hoor dan, gij hebt een zorgend vader, kind!Een, die, om u te ontheffen van uw druk,Een dag van vreugd u plotsling heeft bereid,Dien gij niet wachttet, ik niet had voorzien.Julia.O zeg, wat is dat, moeder, voor een dag?Gravin Capulet.Begrijp, mijn kind, aanstaanden Donderdag113Zal u een jong en wakker edelman,Graaf Paris, in Sint Petrus’ dom reeds vroegNaar ’t altaar leiden, als zijn blijde bruid.Julia.Nu, bij Sint Peters dom en Petrus zelf,Daarheen leidt hij mij niet als blijde bruid.Wat wonderbare haast! een echt, aleerDe man, dien ’k huwen zou, mijn liefde vroeg!Ik bid u, moeder, zeg mijn heer en vader,Dat ik nog niet wil huwen, en, ik zweer ’t,Als ik het doe, nog eerder RomeoZou nemen,—en gij weet, hoe ik hem haat!—Dan Paris.—Nieuws, voorwaar, is ’t wat gij meldt!Gravin Capulet.Daar komt uw vader; deel dit zelf hem mee,En hoor welk antwoord hij u geven zal.(Capuleten de Voedster komen op.)Capulet.Bij ’t ondergaan der zon drupt dauw op de aard;Bij ’t ondergaan des zoons van mijnen broederIs ’t hier een stortbui.—Wat! nog immer weenend!Zijt ge een fonteinbeeld, meisje? En telkens weerEen nieuwe tranenvlaag! Uw nietig lichaamSpeelt hier voor zee en wind en bark meteen;Uw oogen zijn een ware zee te noemen,Met tranenvloed en eb; uw lichaam isDe boot, die ’t zilte nat bezeilt; uw zuchtenDe stormwind, die, met uwe tranen worstlend,Als zij met hem, ’t van storm geslingerd schipZal brijz’len, als het weêr niet fluks bedaart.—Hoe is ’t? Hebt ge ons besluit haar meêgedeeld?Gravin Capulet.Ik deed het, maar ze wil niet, zegt u dank.O, waar’ ’t zottinnetje aan haar graf gehuwd!Capulet.Wacht, vrouw; spreek duid’lijker, spreek duid’lijker!Wat! wil zij niet? en zegt zij ons geen dank?Is zij niet trotsch op zulk een grooten zegen,Dat hare onwaardigheid zoo’n waardig manAls bruidegom ontvangt van onze hand?Julia.Niet trotsch, maar dankbaar voor uw goeden wil;Trotsch kan ik nimmer zijn op wat ik haat,Maar dankbaar, bij dien haat, voor ’t liefdrijk doel.Capulet.Zie, wat spitsvondig nest! wat praat is dit?„Trotsch” en „ik dank u” en „ik dank u niet”,En toch „niet trotsch”;—hoor! preutsche, kleine heks,Geen dankjes mij gedankt, geen trots getrotst!Uw fijne voetjes dragen ’t fijne popjeOp Donderdag met Paris naar den dom,Of op een horde sleep ik u er heen.Dat blijft zoo; voort, gij bleekneus! voort, gij feeks!Gij wasgezicht!158Gravin Capulet.Foei, foei, wat raast ge, man!Julia.Mijn goede vader, op mijn knieën smeek ik,Hoor slechts een enkel woord geduldig aan.Capulet.Ter helle, jonge feeks! weerspannig ding!Ik zeg u,—scheer u Donderdag ter kerke,Of kom mij nimmer weder onder ’t oog.Geen woord, geen tegenspraak, geen antwoord meer!Mijn vingers jeuken.—Vrouw, wij dachten eens,Dat ons dit eenig kind ten zegen was;Nu blijkt, dit eenige is nog één te veel,En haar bezit is ons een vloek, een vloek!Verworp’ne, weg!Voedster.Verworp’ne, weg!De Hemel zeeg’ne haar!Heer, ’t is niet goed gedaan; vaar zoo niet uit!Capulet.Ei zoo, vrouw wijsheid? Wat! Bedwing uw tong;Bemoeial, snap met uw kornuiten! weg!Voedster.Ik zeg toch niets, dat kwaad is.Capulet.Ik zeg toch niets, dat kwaad is.Ga met God!Voedster.Mag niemand dan iets zeggen?Capulet.Mag niemand dan iets zeggen?Zwijg, oud vel!En kraam uw wijsheid uit bij uws gelijken;Hier komt ze niet te pas.Gravin Capulet.Hier komt ze niet te pas.Gij zijt te fel.Capulet.Gods sacrament! het maakt me dol. Dag, nacht,Bij tijd en ontijd, spel en arbeid, immer,Alleen en in gezelschap, was ’t mijn zorgVoor haar een man te vinden; en nu ikEen edelman van goeden stam, van midd’len,Heb opgespoord, nog jong, wel opgevoed,Om zoo te zeggen opgepropt met deugden,Een man, als ieder meisje wenschen zou,Nu komt me daar zoo’n voddig, grienend nest,Zoo’n nuf, nu zij ’t geluk voor ’t grijpen heeft,En antwoordt: „neen, ik trouw niet;”—„neen, ik kanHem niet beminnen;”—„’k ben te jong;”—„vergeef me!”Wilt gij geen man, nu goed, mij is het wel;Graas waar gij wilt, gij huist bij mij niet meer;Let op; bedenk, dat ik geen scherts versta.De Donderdag klopt aan; weet wat gij kiest!Doet gij mijn wil, ik geef u aan mijn vriend;—Zoo neen: ga, bedel, honger, sterf op straat;Zoo waar ik leef, verlooch’nen doe ik u,En niets van ’t mijn’, dat ooit ten deel u valt;Bedenk dus wel; en weet, ik staaf mijn eed.(Capuletaf.)Julia.Troont in de wolken geen erbarming meer,198Die in de diepte blikt van mijn ellend?—O, lieve moeder, ach, verstoot mij niet!Verschuif dit huwlijk nog een maand, een week;Of, wilt gij dit niet, spreid het bruidsbed mijIn ’t sombre grafgewelf, waar Tybalt ligt.Gravin Capulet.Spreek niet tot mij, ik spreek geen enkel woord;Doe wat ge wilt, ik heb met u gedaan!(GravinCapuletaf.)Julia.O God!—Spreek, voedster, hoe is dit te keeren?Mijn gade leeft op aard, mijn trouw bij God!Hoe keert die trouw naar de aard’, tenzij die gâDeze aard ontwijke en uit den hemel mijMijn trouw terugzend’?—Geef mij troost, geef raad!—Wee mij! hoe kan de hemel ooit een wezen,Zoo teer als ik, arglistig zoo belagen?—Wat zegt gij, voedster? hebt ge niet één woord,Geen enkel, dat mij opbeurt en vertroost?Voedster.Voorzeker, hoor slechts: Romeo is verbannen;En, alles tegen niets, hij komt niet weer,En eischt u nimmer op;—of waagt hij dit,Dan is ’t ter sluik. Zooals de zaken staan,Schijnt mij het best, dat gij den Graaf maar trouwt.’t Is een beminn’lijk man, en RomeoIs er een stoflap bij; een arend, jonkvrouw,Heeft zulk een schitt’rend, helder, wakker oogAls Paris niet. Ja, bij mijn zaligheid,Deez’ tweede keus is uw geluk; ze is beterDan de eerste was; en, zelfs al waar’ ’t zoo niet,Uw eerste man is dood,—zoo goed als dood,Al leeft hij nog, daar gij niets aan hem hebt.Julia.Meent gij dit met uw hart?228Voedster.Meent gij dit met uw hart?Met hart en ziel.God straff’ me, als ’t zoo niet is.Julia.God straff’ me, als ’t zoo niet is.Dan amen!Voedster.God straff’ me, als ’t zoo niet is. Dan amen!Wat?Julia.Voorwaar, gij hebt mij wonderbaar getroost.—Ga, deel mijn moeder meê: ik ga ter biecht;Lorenzo wete, hoe ’k mijn vader griefde,En schenke mij vergiff’nis voor mijn schuld.Voedster.Ja daad’lijk, gaarne; zie, nu doet ge wijs.(De Voedster af.)Julia.Vloekwaarde heks, verleidster, booze geest!Is ’t grooter zonde, meineed aan te prijzen,Of mijn gemaal te smaden met die tong,Die menig duizendmaal als weêrgâloosHem heeft geroemd?—Raadgeefster, weg! VoortaanEen klove tusschen ons!—Nu tot Lorenzo;Hij is ’t alleen, van wien ik raad verwacht;En is er geen, dan heb ik stervenskracht.(Juliaaf.)

Vijfde Tooneel.De kamer vanJulia.RomeoenJuliakomen op.Julia.Wilt gij reeds gaan? Het is nog lang geen dag;Het was de nachtegaal, de leeuwrik niet,Wiens schelle stem in ’t angstig oor u drong;Op dien granaatboom zingt hij elke nacht.Geloof me, lieve, ’t was de nachtegaal.Romeo.Het was de leeuwrik, ’s daag’raads bode, en nietDe nachtegaal; zie, lieve, daar in ’t oost,Wat booze strepen ’t scheurend zwerk omzoomen;De nacht heeft lang haar kaarsen opgebrand,En vroolijk gluurt, hoog op de teenen staand,De dag daar van der bergen neveltoppen;Ik moet nu gaan en leef, of blijf en sterf.Julia.Dat is geen daglicht daar, ik weet het, ik;’t Is een verheev’ling, uit de zon gevloeid,Die u deez’ nacht tot fakkeldrager zij,En voorlichte op uw weg naar Mantua;O toef dus nog; uw heengaan heeft nog tijd.

De kamer vanJulia.

RomeoenJuliakomen op.

Julia.Wilt gij reeds gaan? Het is nog lang geen dag;Het was de nachtegaal, de leeuwrik niet,Wiens schelle stem in ’t angstig oor u drong;Op dien granaatboom zingt hij elke nacht.Geloof me, lieve, ’t was de nachtegaal.

Julia.

Wilt gij reeds gaan? Het is nog lang geen dag;

Het was de nachtegaal, de leeuwrik niet,

Wiens schelle stem in ’t angstig oor u drong;

Op dien granaatboom zingt hij elke nacht.

Geloof me, lieve, ’t was de nachtegaal.

Romeo.Het was de leeuwrik, ’s daag’raads bode, en nietDe nachtegaal; zie, lieve, daar in ’t oost,Wat booze strepen ’t scheurend zwerk omzoomen;De nacht heeft lang haar kaarsen opgebrand,En vroolijk gluurt, hoog op de teenen staand,De dag daar van der bergen neveltoppen;Ik moet nu gaan en leef, of blijf en sterf.

Romeo.

Het was de leeuwrik, ’s daag’raads bode, en niet

De nachtegaal; zie, lieve, daar in ’t oost,

Wat booze strepen ’t scheurend zwerk omzoomen;

De nacht heeft lang haar kaarsen opgebrand,

En vroolijk gluurt, hoog op de teenen staand,

De dag daar van der bergen neveltoppen;

Ik moet nu gaan en leef, of blijf en sterf.

Julia.Dat is geen daglicht daar, ik weet het, ik;’t Is een verheev’ling, uit de zon gevloeid,Die u deez’ nacht tot fakkeldrager zij,En voorlichte op uw weg naar Mantua;O toef dus nog; uw heengaan heeft nog tijd.

Julia.

Dat is geen daglicht daar, ik weet het, ik;

’t Is een verheev’ling, uit de zon gevloeid,

Die u deez’ nacht tot fakkeldrager zij,

En voorlichte op uw weg naar Mantua;

O toef dus nog; uw heengaan heeft nog tijd.

Romeo en Julia, Derde Bedrijf, Vijfde Tooneel.Romeo en Julia, Derde Bedrijf, Vijfde Tooneel.Romeo.Men grijp’ mij dan, en leide mij ter dood;’t Is ook mijn keuze, als gij het zoo verlangt.Neen, dat is niet het stralend oog des morgens,Maar bleeke weerglans van ’t gelaat der maan;’t Is ’t lied des leeuwriks niet, dat boven onsHoog aan ’t gewelf des hemels wordt weerkaatst;O zalig blijven! bitter is ’t vaarwel;—Wees welkom, dood! ’t is Julia’s bestel.—Kom, liefste! een zoet gesprek! het daagt nog niet.Julia.Het daagt, het daagt! spoed, spoed u heen en vlied!’t Is wel de leeuwrik, die zoo snerpend valschMet scherpe keel zijn schrille trillers gilt;Men zegt wel, dat de leeuwrik lieflijk zingt,Maar deze niet, die schettert ons vaneen;Men zegt, dat pad en leeuwrik de oogen ruilden;O! hadden zij van stem dan ook geruild,Daar toch die stem u uit mijn armen wringt,En als een jachtkreet u tot vluchten dringt!—O, ga nu; licht en lichter wordt de morgen!Romeo.Licht, lichter! zwart en zwarter onze zorgen!36(De Voedster komt op.)Voedster.Jonkvrouw!Julia.Wat is er, minne?Voedster.Uw moeder is op weg naar dit vertrek;Wees op uw hoede; zie, de dag breekt aan.(De Voedster af.)Julia.Laat, venster, ’t licht dan binnen, ’t leven gaan.Romeo.Vaarwel, vaarwel! één kus nog, ik moet heen!(Hij daalt af.)Julia.Mijn vriend, mijn gâ, mijn ziel! ik blijf alleen;O, zend mij tijding iedren dag van ’t uur,Want één minuut omsluit wel meen’gen dag;En naar die reek’ning ben ik hoogbejaard,Eer ik u wederzie, mijn Romeo.Romeo.Vaarwel! Zoodra ’k de mooglijkheid bevroed,En telkens, liefste, zend ik u mijn groet.Julia.O, zeg, gelooft gij aan ons wederzien?Romeo.O, ’k twijfel niet, en in de toekomst is’t Geleden wee ons stof tot zoet gesprek.Julia.O God! een voorgevoel beklemt mijn hart!Nu gij beneden staat, nu is ’t me, als zag ikU dood, daar in de diepte van een graf;Bedriegt mijn oog mij niet, dan ziet gij bleek.Romeo.Zoo komt ook gij mij voor. Ja, zielsverdrietDrinkt, liefste, ons bloed. Vaarwel, vaarwel, en vlied!(Romeoaf.)Julia.Fortuin, fortuin! een ieder noemt u wuft!En zijt gij wuft, wat doet ge dan met hem,Die zich getrouw betoont? Wees wuft, Fortuin,Dan hoop ik, houdt gij hem niet lang, maar geeftHem dra mij weer.Gravin Capulet(achter het tooneel).Hé, Julia, zijt gij op?Julia.Wie roept mij daar? is ’t niet mijn moeders stem?Is zij nog niet ter rust, of zoo vroeg op?Wat ongewone reden voert haar hier?(GravinCapuletkomt op.)Gravin Capulet.Wat is er, Julia?Julia.Wat is er, Julia?Moeder, ’k ben niet wel.Gravin Capulet.Beweent ge steeds den dood nog van uw neef?Al wiescht gij hem met tranen uit zijn graf,Toch riept ge hem in ’t leven niet terug;Bedwing u dus; gepaste rouw toont liefde,Maar te veel rouw toont mangel aan verstand.Julia.O laat mij weenen om mijn grievend leed!Gravin Capulet.Te dieper grieft u ’t leed, maar ’t roept den vriend,Dien gij beweent, niet weer.77Julia.Dien gij beweent, niet weer.Het grieft te diep;Ik kan niet anders dan den vriend beweenen.Gravin Capulet.’t Is minder, kind, zijn dood, dien gij beweent,Dan dat de schurk nog leeft, die hem versloeg.Julia.Gij zegt, die schurk?Gravin Capulet.Ja, Romeo, die schurk.Julia(ter zijde).Een schurk en hij, wat hemelsbreed verschil!—(Luid.)Vergeev’ hem God! ik doe ’t met heel mijn hart;En toch, geen man wondde ooit als hij mijn hart.Gravin Capulet.’t Is enkel, dat die schelmsche moorder leeft.Julia.En waar deze arm hem niet bereiken kan!—O! wierd aan mij alleen de wraak vertrouwd!Gravin Capulet.De wraak zal ons geworden, wees getroostEn ween niet langer zoo. Ik vind wel iemandIn Mantua, waar de verworp’ling leeft,Die zulk een ongewonen dronk hem reikt,Dat hij weldra met Tybalt samenwoont;En dan is, hoop ik, uw gemoed voldaan.Julia.Voorwaar, dat blijft, wat Romeo betreft,Steeds onvoldaan, aanschouw ik hem niet—dood—Doorboord is ’t hart mij, om mijn nabestaande!—Maar hadt gij iemand opgespoord, die hemVergif wou reiken, zelf zou ik het mengen,En zóó, dat Romeo, ’t gebruikend, rasIn vrede sliep.—O, schrikk’lijk is ’t, zijn naamTe hooren, en hem niet nabij te zijn,Om van mijn liefde voor mijn armen neefMe aan hem te kwijten, die hem heeft gedood.Gravin Capulet.Vind gij de midd’len;—ik vind wel den man.—Maar hoor, ik breng u blijde tijding, kind!Julia.Bij zooveel druk moet blijdschap welkom zijn.—Wat blijde tijding brengt mijn moeder mij?Gravin Capulet.Hoor dan, gij hebt een zorgend vader, kind!Een, die, om u te ontheffen van uw druk,Een dag van vreugd u plotsling heeft bereid,Dien gij niet wachttet, ik niet had voorzien.Julia.O zeg, wat is dat, moeder, voor een dag?Gravin Capulet.Begrijp, mijn kind, aanstaanden Donderdag113Zal u een jong en wakker edelman,Graaf Paris, in Sint Petrus’ dom reeds vroegNaar ’t altaar leiden, als zijn blijde bruid.Julia.Nu, bij Sint Peters dom en Petrus zelf,Daarheen leidt hij mij niet als blijde bruid.Wat wonderbare haast! een echt, aleerDe man, dien ’k huwen zou, mijn liefde vroeg!Ik bid u, moeder, zeg mijn heer en vader,Dat ik nog niet wil huwen, en, ik zweer ’t,Als ik het doe, nog eerder RomeoZou nemen,—en gij weet, hoe ik hem haat!—Dan Paris.—Nieuws, voorwaar, is ’t wat gij meldt!Gravin Capulet.Daar komt uw vader; deel dit zelf hem mee,En hoor welk antwoord hij u geven zal.(Capuleten de Voedster komen op.)Capulet.Bij ’t ondergaan der zon drupt dauw op de aard;Bij ’t ondergaan des zoons van mijnen broederIs ’t hier een stortbui.—Wat! nog immer weenend!Zijt ge een fonteinbeeld, meisje? En telkens weerEen nieuwe tranenvlaag! Uw nietig lichaamSpeelt hier voor zee en wind en bark meteen;Uw oogen zijn een ware zee te noemen,Met tranenvloed en eb; uw lichaam isDe boot, die ’t zilte nat bezeilt; uw zuchtenDe stormwind, die, met uwe tranen worstlend,Als zij met hem, ’t van storm geslingerd schipZal brijz’len, als het weêr niet fluks bedaart.—Hoe is ’t? Hebt ge ons besluit haar meêgedeeld?Gravin Capulet.Ik deed het, maar ze wil niet, zegt u dank.O, waar’ ’t zottinnetje aan haar graf gehuwd!Capulet.Wacht, vrouw; spreek duid’lijker, spreek duid’lijker!Wat! wil zij niet? en zegt zij ons geen dank?Is zij niet trotsch op zulk een grooten zegen,Dat hare onwaardigheid zoo’n waardig manAls bruidegom ontvangt van onze hand?Julia.Niet trotsch, maar dankbaar voor uw goeden wil;Trotsch kan ik nimmer zijn op wat ik haat,Maar dankbaar, bij dien haat, voor ’t liefdrijk doel.Capulet.Zie, wat spitsvondig nest! wat praat is dit?„Trotsch” en „ik dank u” en „ik dank u niet”,En toch „niet trotsch”;—hoor! preutsche, kleine heks,Geen dankjes mij gedankt, geen trots getrotst!Uw fijne voetjes dragen ’t fijne popjeOp Donderdag met Paris naar den dom,Of op een horde sleep ik u er heen.Dat blijft zoo; voort, gij bleekneus! voort, gij feeks!Gij wasgezicht!158Gravin Capulet.Foei, foei, wat raast ge, man!Julia.Mijn goede vader, op mijn knieën smeek ik,Hoor slechts een enkel woord geduldig aan.Capulet.Ter helle, jonge feeks! weerspannig ding!Ik zeg u,—scheer u Donderdag ter kerke,Of kom mij nimmer weder onder ’t oog.Geen woord, geen tegenspraak, geen antwoord meer!Mijn vingers jeuken.—Vrouw, wij dachten eens,Dat ons dit eenig kind ten zegen was;Nu blijkt, dit eenige is nog één te veel,En haar bezit is ons een vloek, een vloek!Verworp’ne, weg!Voedster.Verworp’ne, weg!De Hemel zeeg’ne haar!Heer, ’t is niet goed gedaan; vaar zoo niet uit!Capulet.Ei zoo, vrouw wijsheid? Wat! Bedwing uw tong;Bemoeial, snap met uw kornuiten! weg!Voedster.Ik zeg toch niets, dat kwaad is.Capulet.Ik zeg toch niets, dat kwaad is.Ga met God!Voedster.Mag niemand dan iets zeggen?Capulet.Mag niemand dan iets zeggen?Zwijg, oud vel!En kraam uw wijsheid uit bij uws gelijken;Hier komt ze niet te pas.Gravin Capulet.Hier komt ze niet te pas.Gij zijt te fel.Capulet.Gods sacrament! het maakt me dol. Dag, nacht,Bij tijd en ontijd, spel en arbeid, immer,Alleen en in gezelschap, was ’t mijn zorgVoor haar een man te vinden; en nu ikEen edelman van goeden stam, van midd’len,Heb opgespoord, nog jong, wel opgevoed,Om zoo te zeggen opgepropt met deugden,Een man, als ieder meisje wenschen zou,Nu komt me daar zoo’n voddig, grienend nest,Zoo’n nuf, nu zij ’t geluk voor ’t grijpen heeft,En antwoordt: „neen, ik trouw niet;”—„neen, ik kanHem niet beminnen;”—„’k ben te jong;”—„vergeef me!”Wilt gij geen man, nu goed, mij is het wel;Graas waar gij wilt, gij huist bij mij niet meer;Let op; bedenk, dat ik geen scherts versta.De Donderdag klopt aan; weet wat gij kiest!Doet gij mijn wil, ik geef u aan mijn vriend;—Zoo neen: ga, bedel, honger, sterf op straat;Zoo waar ik leef, verlooch’nen doe ik u,En niets van ’t mijn’, dat ooit ten deel u valt;Bedenk dus wel; en weet, ik staaf mijn eed.(Capuletaf.)Julia.Troont in de wolken geen erbarming meer,198Die in de diepte blikt van mijn ellend?—O, lieve moeder, ach, verstoot mij niet!Verschuif dit huwlijk nog een maand, een week;Of, wilt gij dit niet, spreid het bruidsbed mijIn ’t sombre grafgewelf, waar Tybalt ligt.Gravin Capulet.Spreek niet tot mij, ik spreek geen enkel woord;Doe wat ge wilt, ik heb met u gedaan!(GravinCapuletaf.)Julia.O God!—Spreek, voedster, hoe is dit te keeren?Mijn gade leeft op aard, mijn trouw bij God!Hoe keert die trouw naar de aard’, tenzij die gâDeze aard ontwijke en uit den hemel mijMijn trouw terugzend’?—Geef mij troost, geef raad!—Wee mij! hoe kan de hemel ooit een wezen,Zoo teer als ik, arglistig zoo belagen?—Wat zegt gij, voedster? hebt ge niet één woord,Geen enkel, dat mij opbeurt en vertroost?Voedster.Voorzeker, hoor slechts: Romeo is verbannen;En, alles tegen niets, hij komt niet weer,En eischt u nimmer op;—of waagt hij dit,Dan is ’t ter sluik. Zooals de zaken staan,Schijnt mij het best, dat gij den Graaf maar trouwt.’t Is een beminn’lijk man, en RomeoIs er een stoflap bij; een arend, jonkvrouw,Heeft zulk een schitt’rend, helder, wakker oogAls Paris niet. Ja, bij mijn zaligheid,Deez’ tweede keus is uw geluk; ze is beterDan de eerste was; en, zelfs al waar’ ’t zoo niet,Uw eerste man is dood,—zoo goed als dood,Al leeft hij nog, daar gij niets aan hem hebt.Julia.Meent gij dit met uw hart?228Voedster.Meent gij dit met uw hart?Met hart en ziel.God straff’ me, als ’t zoo niet is.Julia.God straff’ me, als ’t zoo niet is.Dan amen!Voedster.God straff’ me, als ’t zoo niet is. Dan amen!Wat?Julia.Voorwaar, gij hebt mij wonderbaar getroost.—Ga, deel mijn moeder meê: ik ga ter biecht;Lorenzo wete, hoe ’k mijn vader griefde,En schenke mij vergiff’nis voor mijn schuld.Voedster.Ja daad’lijk, gaarne; zie, nu doet ge wijs.(De Voedster af.)Julia.Vloekwaarde heks, verleidster, booze geest!Is ’t grooter zonde, meineed aan te prijzen,Of mijn gemaal te smaden met die tong,Die menig duizendmaal als weêrgâloosHem heeft geroemd?—Raadgeefster, weg! VoortaanEen klove tusschen ons!—Nu tot Lorenzo;Hij is ’t alleen, van wien ik raad verwacht;En is er geen, dan heb ik stervenskracht.(Juliaaf.)

Romeo en Julia, Derde Bedrijf, Vijfde Tooneel.Romeo en Julia, Derde Bedrijf, Vijfde Tooneel.

Romeo en Julia, Derde Bedrijf, Vijfde Tooneel.

Romeo.Men grijp’ mij dan, en leide mij ter dood;’t Is ook mijn keuze, als gij het zoo verlangt.Neen, dat is niet het stralend oog des morgens,Maar bleeke weerglans van ’t gelaat der maan;’t Is ’t lied des leeuwriks niet, dat boven onsHoog aan ’t gewelf des hemels wordt weerkaatst;O zalig blijven! bitter is ’t vaarwel;—Wees welkom, dood! ’t is Julia’s bestel.—Kom, liefste! een zoet gesprek! het daagt nog niet.

Romeo.

Men grijp’ mij dan, en leide mij ter dood;

’t Is ook mijn keuze, als gij het zoo verlangt.

Neen, dat is niet het stralend oog des morgens,

Maar bleeke weerglans van ’t gelaat der maan;

’t Is ’t lied des leeuwriks niet, dat boven ons

Hoog aan ’t gewelf des hemels wordt weerkaatst;

O zalig blijven! bitter is ’t vaarwel;—

Wees welkom, dood! ’t is Julia’s bestel.—

Kom, liefste! een zoet gesprek! het daagt nog niet.

Julia.Het daagt, het daagt! spoed, spoed u heen en vlied!’t Is wel de leeuwrik, die zoo snerpend valschMet scherpe keel zijn schrille trillers gilt;Men zegt wel, dat de leeuwrik lieflijk zingt,Maar deze niet, die schettert ons vaneen;Men zegt, dat pad en leeuwrik de oogen ruilden;O! hadden zij van stem dan ook geruild,Daar toch die stem u uit mijn armen wringt,En als een jachtkreet u tot vluchten dringt!—O, ga nu; licht en lichter wordt de morgen!

Julia.

Het daagt, het daagt! spoed, spoed u heen en vlied!

’t Is wel de leeuwrik, die zoo snerpend valsch

Met scherpe keel zijn schrille trillers gilt;

Men zegt wel, dat de leeuwrik lieflijk zingt,

Maar deze niet, die schettert ons vaneen;

Men zegt, dat pad en leeuwrik de oogen ruilden;

O! hadden zij van stem dan ook geruild,

Daar toch die stem u uit mijn armen wringt,

En als een jachtkreet u tot vluchten dringt!—

O, ga nu; licht en lichter wordt de morgen!

Romeo.Licht, lichter! zwart en zwarter onze zorgen!36

Romeo.

Licht, lichter! zwart en zwarter onze zorgen!36

(De Voedster komt op.)

Voedster.Jonkvrouw!

Voedster.

Jonkvrouw!

Julia.Wat is er, minne?

Julia.

Wat is er, minne?

Voedster.Uw moeder is op weg naar dit vertrek;Wees op uw hoede; zie, de dag breekt aan.

Voedster.

Uw moeder is op weg naar dit vertrek;

Wees op uw hoede; zie, de dag breekt aan.

(De Voedster af.)

Julia.Laat, venster, ’t licht dan binnen, ’t leven gaan.

Julia.

Laat, venster, ’t licht dan binnen, ’t leven gaan.

Romeo.Vaarwel, vaarwel! één kus nog, ik moet heen!

Romeo.

Vaarwel, vaarwel! één kus nog, ik moet heen!

(Hij daalt af.)

Julia.Mijn vriend, mijn gâ, mijn ziel! ik blijf alleen;O, zend mij tijding iedren dag van ’t uur,Want één minuut omsluit wel meen’gen dag;En naar die reek’ning ben ik hoogbejaard,Eer ik u wederzie, mijn Romeo.

Julia.

Mijn vriend, mijn gâ, mijn ziel! ik blijf alleen;

O, zend mij tijding iedren dag van ’t uur,

Want één minuut omsluit wel meen’gen dag;

En naar die reek’ning ben ik hoogbejaard,

Eer ik u wederzie, mijn Romeo.

Romeo.Vaarwel! Zoodra ’k de mooglijkheid bevroed,En telkens, liefste, zend ik u mijn groet.

Romeo.

Vaarwel! Zoodra ’k de mooglijkheid bevroed,

En telkens, liefste, zend ik u mijn groet.

Julia.O, zeg, gelooft gij aan ons wederzien?

Julia.

O, zeg, gelooft gij aan ons wederzien?

Romeo.O, ’k twijfel niet, en in de toekomst is’t Geleden wee ons stof tot zoet gesprek.

Romeo.

O, ’k twijfel niet, en in de toekomst is

’t Geleden wee ons stof tot zoet gesprek.

Julia.O God! een voorgevoel beklemt mijn hart!Nu gij beneden staat, nu is ’t me, als zag ikU dood, daar in de diepte van een graf;Bedriegt mijn oog mij niet, dan ziet gij bleek.

Julia.

O God! een voorgevoel beklemt mijn hart!

Nu gij beneden staat, nu is ’t me, als zag ik

U dood, daar in de diepte van een graf;

Bedriegt mijn oog mij niet, dan ziet gij bleek.

Romeo.Zoo komt ook gij mij voor. Ja, zielsverdrietDrinkt, liefste, ons bloed. Vaarwel, vaarwel, en vlied!

Romeo.

Zoo komt ook gij mij voor. Ja, zielsverdriet

Drinkt, liefste, ons bloed. Vaarwel, vaarwel, en vlied!

(Romeoaf.)

Julia.Fortuin, fortuin! een ieder noemt u wuft!En zijt gij wuft, wat doet ge dan met hem,Die zich getrouw betoont? Wees wuft, Fortuin,Dan hoop ik, houdt gij hem niet lang, maar geeftHem dra mij weer.

Julia.

Fortuin, fortuin! een ieder noemt u wuft!

En zijt gij wuft, wat doet ge dan met hem,

Die zich getrouw betoont? Wees wuft, Fortuin,

Dan hoop ik, houdt gij hem niet lang, maar geeft

Hem dra mij weer.

Gravin Capulet(achter het tooneel).Hé, Julia, zijt gij op?

Gravin Capulet

(achter het tooneel).Hé, Julia, zijt gij op?

Julia.Wie roept mij daar? is ’t niet mijn moeders stem?Is zij nog niet ter rust, of zoo vroeg op?Wat ongewone reden voert haar hier?

Julia.

Wie roept mij daar? is ’t niet mijn moeders stem?

Is zij nog niet ter rust, of zoo vroeg op?

Wat ongewone reden voert haar hier?

(GravinCapuletkomt op.)

Gravin Capulet.Wat is er, Julia?

Gravin Capulet.

Wat is er, Julia?

Julia.Wat is er, Julia?Moeder, ’k ben niet wel.

Julia.

Wat is er, Julia?Moeder, ’k ben niet wel.

Gravin Capulet.Beweent ge steeds den dood nog van uw neef?Al wiescht gij hem met tranen uit zijn graf,Toch riept ge hem in ’t leven niet terug;Bedwing u dus; gepaste rouw toont liefde,Maar te veel rouw toont mangel aan verstand.

Gravin Capulet.

Beweent ge steeds den dood nog van uw neef?

Al wiescht gij hem met tranen uit zijn graf,

Toch riept ge hem in ’t leven niet terug;

Bedwing u dus; gepaste rouw toont liefde,

Maar te veel rouw toont mangel aan verstand.

Julia.O laat mij weenen om mijn grievend leed!

Julia.

O laat mij weenen om mijn grievend leed!

Gravin Capulet.Te dieper grieft u ’t leed, maar ’t roept den vriend,Dien gij beweent, niet weer.77

Gravin Capulet.

Te dieper grieft u ’t leed, maar ’t roept den vriend,

Dien gij beweent, niet weer.77

Julia.Dien gij beweent, niet weer.Het grieft te diep;Ik kan niet anders dan den vriend beweenen.

Julia.

Dien gij beweent, niet weer.Het grieft te diep;

Ik kan niet anders dan den vriend beweenen.

Gravin Capulet.’t Is minder, kind, zijn dood, dien gij beweent,Dan dat de schurk nog leeft, die hem versloeg.

Gravin Capulet.

’t Is minder, kind, zijn dood, dien gij beweent,

Dan dat de schurk nog leeft, die hem versloeg.

Julia.Gij zegt, die schurk?

Julia.

Gij zegt, die schurk?

Gravin Capulet.Ja, Romeo, die schurk.

Gravin Capulet.

Ja, Romeo, die schurk.

Julia(ter zijde).Een schurk en hij, wat hemelsbreed verschil!—(Luid.)Vergeev’ hem God! ik doe ’t met heel mijn hart;En toch, geen man wondde ooit als hij mijn hart.

Julia

(ter zijde).Een schurk en hij, wat hemelsbreed verschil!—

(Luid.)Vergeev’ hem God! ik doe ’t met heel mijn hart;

En toch, geen man wondde ooit als hij mijn hart.

Gravin Capulet.’t Is enkel, dat die schelmsche moorder leeft.

Gravin Capulet.

’t Is enkel, dat die schelmsche moorder leeft.

Julia.En waar deze arm hem niet bereiken kan!—O! wierd aan mij alleen de wraak vertrouwd!

Julia.

En waar deze arm hem niet bereiken kan!—

O! wierd aan mij alleen de wraak vertrouwd!

Gravin Capulet.De wraak zal ons geworden, wees getroostEn ween niet langer zoo. Ik vind wel iemandIn Mantua, waar de verworp’ling leeft,Die zulk een ongewonen dronk hem reikt,Dat hij weldra met Tybalt samenwoont;En dan is, hoop ik, uw gemoed voldaan.

Gravin Capulet.

De wraak zal ons geworden, wees getroost

En ween niet langer zoo. Ik vind wel iemand

In Mantua, waar de verworp’ling leeft,

Die zulk een ongewonen dronk hem reikt,

Dat hij weldra met Tybalt samenwoont;

En dan is, hoop ik, uw gemoed voldaan.

Julia.Voorwaar, dat blijft, wat Romeo betreft,Steeds onvoldaan, aanschouw ik hem niet—dood—Doorboord is ’t hart mij, om mijn nabestaande!—Maar hadt gij iemand opgespoord, die hemVergif wou reiken, zelf zou ik het mengen,En zóó, dat Romeo, ’t gebruikend, rasIn vrede sliep.—O, schrikk’lijk is ’t, zijn naamTe hooren, en hem niet nabij te zijn,Om van mijn liefde voor mijn armen neefMe aan hem te kwijten, die hem heeft gedood.

Julia.

Voorwaar, dat blijft, wat Romeo betreft,

Steeds onvoldaan, aanschouw ik hem niet—dood—

Doorboord is ’t hart mij, om mijn nabestaande!—

Maar hadt gij iemand opgespoord, die hem

Vergif wou reiken, zelf zou ik het mengen,

En zóó, dat Romeo, ’t gebruikend, ras

In vrede sliep.—O, schrikk’lijk is ’t, zijn naam

Te hooren, en hem niet nabij te zijn,

Om van mijn liefde voor mijn armen neef

Me aan hem te kwijten, die hem heeft gedood.

Gravin Capulet.Vind gij de midd’len;—ik vind wel den man.—Maar hoor, ik breng u blijde tijding, kind!

Gravin Capulet.

Vind gij de midd’len;—ik vind wel den man.—

Maar hoor, ik breng u blijde tijding, kind!

Julia.Bij zooveel druk moet blijdschap welkom zijn.—Wat blijde tijding brengt mijn moeder mij?

Julia.

Bij zooveel druk moet blijdschap welkom zijn.—

Wat blijde tijding brengt mijn moeder mij?

Gravin Capulet.Hoor dan, gij hebt een zorgend vader, kind!Een, die, om u te ontheffen van uw druk,Een dag van vreugd u plotsling heeft bereid,Dien gij niet wachttet, ik niet had voorzien.

Gravin Capulet.

Hoor dan, gij hebt een zorgend vader, kind!

Een, die, om u te ontheffen van uw druk,

Een dag van vreugd u plotsling heeft bereid,

Dien gij niet wachttet, ik niet had voorzien.

Julia.O zeg, wat is dat, moeder, voor een dag?

Julia.

O zeg, wat is dat, moeder, voor een dag?

Gravin Capulet.Begrijp, mijn kind, aanstaanden Donderdag113Zal u een jong en wakker edelman,Graaf Paris, in Sint Petrus’ dom reeds vroegNaar ’t altaar leiden, als zijn blijde bruid.

Gravin Capulet.

Begrijp, mijn kind, aanstaanden Donderdag113

Zal u een jong en wakker edelman,

Graaf Paris, in Sint Petrus’ dom reeds vroeg

Naar ’t altaar leiden, als zijn blijde bruid.

Julia.Nu, bij Sint Peters dom en Petrus zelf,Daarheen leidt hij mij niet als blijde bruid.Wat wonderbare haast! een echt, aleerDe man, dien ’k huwen zou, mijn liefde vroeg!Ik bid u, moeder, zeg mijn heer en vader,Dat ik nog niet wil huwen, en, ik zweer ’t,Als ik het doe, nog eerder RomeoZou nemen,—en gij weet, hoe ik hem haat!—Dan Paris.—Nieuws, voorwaar, is ’t wat gij meldt!

Julia.

Nu, bij Sint Peters dom en Petrus zelf,

Daarheen leidt hij mij niet als blijde bruid.

Wat wonderbare haast! een echt, aleer

De man, dien ’k huwen zou, mijn liefde vroeg!

Ik bid u, moeder, zeg mijn heer en vader,

Dat ik nog niet wil huwen, en, ik zweer ’t,

Als ik het doe, nog eerder Romeo

Zou nemen,—en gij weet, hoe ik hem haat!—

Dan Paris.—Nieuws, voorwaar, is ’t wat gij meldt!

Gravin Capulet.Daar komt uw vader; deel dit zelf hem mee,En hoor welk antwoord hij u geven zal.

Gravin Capulet.

Daar komt uw vader; deel dit zelf hem mee,

En hoor welk antwoord hij u geven zal.

(Capuleten de Voedster komen op.)

Capulet.Bij ’t ondergaan der zon drupt dauw op de aard;Bij ’t ondergaan des zoons van mijnen broederIs ’t hier een stortbui.—Wat! nog immer weenend!Zijt ge een fonteinbeeld, meisje? En telkens weerEen nieuwe tranenvlaag! Uw nietig lichaamSpeelt hier voor zee en wind en bark meteen;Uw oogen zijn een ware zee te noemen,Met tranenvloed en eb; uw lichaam isDe boot, die ’t zilte nat bezeilt; uw zuchtenDe stormwind, die, met uwe tranen worstlend,Als zij met hem, ’t van storm geslingerd schipZal brijz’len, als het weêr niet fluks bedaart.—Hoe is ’t? Hebt ge ons besluit haar meêgedeeld?

Capulet.

Bij ’t ondergaan der zon drupt dauw op de aard;

Bij ’t ondergaan des zoons van mijnen broeder

Is ’t hier een stortbui.—Wat! nog immer weenend!

Zijt ge een fonteinbeeld, meisje? En telkens weer

Een nieuwe tranenvlaag! Uw nietig lichaam

Speelt hier voor zee en wind en bark meteen;

Uw oogen zijn een ware zee te noemen,

Met tranenvloed en eb; uw lichaam is

De boot, die ’t zilte nat bezeilt; uw zuchten

De stormwind, die, met uwe tranen worstlend,

Als zij met hem, ’t van storm geslingerd schip

Zal brijz’len, als het weêr niet fluks bedaart.—

Hoe is ’t? Hebt ge ons besluit haar meêgedeeld?

Gravin Capulet.Ik deed het, maar ze wil niet, zegt u dank.O, waar’ ’t zottinnetje aan haar graf gehuwd!

Gravin Capulet.

Ik deed het, maar ze wil niet, zegt u dank.

O, waar’ ’t zottinnetje aan haar graf gehuwd!

Capulet.Wacht, vrouw; spreek duid’lijker, spreek duid’lijker!Wat! wil zij niet? en zegt zij ons geen dank?Is zij niet trotsch op zulk een grooten zegen,Dat hare onwaardigheid zoo’n waardig manAls bruidegom ontvangt van onze hand?

Capulet.

Wacht, vrouw; spreek duid’lijker, spreek duid’lijker!

Wat! wil zij niet? en zegt zij ons geen dank?

Is zij niet trotsch op zulk een grooten zegen,

Dat hare onwaardigheid zoo’n waardig man

Als bruidegom ontvangt van onze hand?

Julia.Niet trotsch, maar dankbaar voor uw goeden wil;Trotsch kan ik nimmer zijn op wat ik haat,Maar dankbaar, bij dien haat, voor ’t liefdrijk doel.

Julia.

Niet trotsch, maar dankbaar voor uw goeden wil;

Trotsch kan ik nimmer zijn op wat ik haat,

Maar dankbaar, bij dien haat, voor ’t liefdrijk doel.

Capulet.Zie, wat spitsvondig nest! wat praat is dit?„Trotsch” en „ik dank u” en „ik dank u niet”,En toch „niet trotsch”;—hoor! preutsche, kleine heks,Geen dankjes mij gedankt, geen trots getrotst!Uw fijne voetjes dragen ’t fijne popjeOp Donderdag met Paris naar den dom,Of op een horde sleep ik u er heen.Dat blijft zoo; voort, gij bleekneus! voort, gij feeks!Gij wasgezicht!158

Capulet.

Zie, wat spitsvondig nest! wat praat is dit?

„Trotsch” en „ik dank u” en „ik dank u niet”,

En toch „niet trotsch”;—hoor! preutsche, kleine heks,

Geen dankjes mij gedankt, geen trots getrotst!

Uw fijne voetjes dragen ’t fijne popje

Op Donderdag met Paris naar den dom,

Of op een horde sleep ik u er heen.

Dat blijft zoo; voort, gij bleekneus! voort, gij feeks!

Gij wasgezicht!158

Gravin Capulet.Foei, foei, wat raast ge, man!

Gravin Capulet.

Foei, foei, wat raast ge, man!

Julia.Mijn goede vader, op mijn knieën smeek ik,Hoor slechts een enkel woord geduldig aan.

Julia.

Mijn goede vader, op mijn knieën smeek ik,

Hoor slechts een enkel woord geduldig aan.

Capulet.Ter helle, jonge feeks! weerspannig ding!Ik zeg u,—scheer u Donderdag ter kerke,Of kom mij nimmer weder onder ’t oog.Geen woord, geen tegenspraak, geen antwoord meer!Mijn vingers jeuken.—Vrouw, wij dachten eens,Dat ons dit eenig kind ten zegen was;Nu blijkt, dit eenige is nog één te veel,En haar bezit is ons een vloek, een vloek!Verworp’ne, weg!

Capulet.

Ter helle, jonge feeks! weerspannig ding!

Ik zeg u,—scheer u Donderdag ter kerke,

Of kom mij nimmer weder onder ’t oog.

Geen woord, geen tegenspraak, geen antwoord meer!

Mijn vingers jeuken.—Vrouw, wij dachten eens,

Dat ons dit eenig kind ten zegen was;

Nu blijkt, dit eenige is nog één te veel,

En haar bezit is ons een vloek, een vloek!

Verworp’ne, weg!

Voedster.Verworp’ne, weg!De Hemel zeeg’ne haar!Heer, ’t is niet goed gedaan; vaar zoo niet uit!

Voedster.

Verworp’ne, weg!De Hemel zeeg’ne haar!

Heer, ’t is niet goed gedaan; vaar zoo niet uit!

Capulet.Ei zoo, vrouw wijsheid? Wat! Bedwing uw tong;Bemoeial, snap met uw kornuiten! weg!

Capulet.

Ei zoo, vrouw wijsheid? Wat! Bedwing uw tong;

Bemoeial, snap met uw kornuiten! weg!

Voedster.Ik zeg toch niets, dat kwaad is.

Voedster.

Ik zeg toch niets, dat kwaad is.

Capulet.Ik zeg toch niets, dat kwaad is.Ga met God!

Capulet.

Ik zeg toch niets, dat kwaad is.Ga met God!

Voedster.Mag niemand dan iets zeggen?

Voedster.

Mag niemand dan iets zeggen?

Capulet.Mag niemand dan iets zeggen?Zwijg, oud vel!En kraam uw wijsheid uit bij uws gelijken;Hier komt ze niet te pas.

Capulet.

Mag niemand dan iets zeggen?Zwijg, oud vel!

En kraam uw wijsheid uit bij uws gelijken;

Hier komt ze niet te pas.

Gravin Capulet.Hier komt ze niet te pas.Gij zijt te fel.

Gravin Capulet.

Hier komt ze niet te pas.Gij zijt te fel.

Capulet.Gods sacrament! het maakt me dol. Dag, nacht,Bij tijd en ontijd, spel en arbeid, immer,Alleen en in gezelschap, was ’t mijn zorgVoor haar een man te vinden; en nu ikEen edelman van goeden stam, van midd’len,Heb opgespoord, nog jong, wel opgevoed,Om zoo te zeggen opgepropt met deugden,Een man, als ieder meisje wenschen zou,Nu komt me daar zoo’n voddig, grienend nest,Zoo’n nuf, nu zij ’t geluk voor ’t grijpen heeft,En antwoordt: „neen, ik trouw niet;”—„neen, ik kanHem niet beminnen;”—„’k ben te jong;”—„vergeef me!”Wilt gij geen man, nu goed, mij is het wel;Graas waar gij wilt, gij huist bij mij niet meer;Let op; bedenk, dat ik geen scherts versta.De Donderdag klopt aan; weet wat gij kiest!Doet gij mijn wil, ik geef u aan mijn vriend;—Zoo neen: ga, bedel, honger, sterf op straat;Zoo waar ik leef, verlooch’nen doe ik u,En niets van ’t mijn’, dat ooit ten deel u valt;Bedenk dus wel; en weet, ik staaf mijn eed.

Capulet.

Gods sacrament! het maakt me dol. Dag, nacht,

Bij tijd en ontijd, spel en arbeid, immer,

Alleen en in gezelschap, was ’t mijn zorg

Voor haar een man te vinden; en nu ik

Een edelman van goeden stam, van midd’len,

Heb opgespoord, nog jong, wel opgevoed,

Om zoo te zeggen opgepropt met deugden,

Een man, als ieder meisje wenschen zou,

Nu komt me daar zoo’n voddig, grienend nest,

Zoo’n nuf, nu zij ’t geluk voor ’t grijpen heeft,

En antwoordt: „neen, ik trouw niet;”—„neen, ik kan

Hem niet beminnen;”—„’k ben te jong;”—„vergeef me!”

Wilt gij geen man, nu goed, mij is het wel;

Graas waar gij wilt, gij huist bij mij niet meer;

Let op; bedenk, dat ik geen scherts versta.

De Donderdag klopt aan; weet wat gij kiest!

Doet gij mijn wil, ik geef u aan mijn vriend;—

Zoo neen: ga, bedel, honger, sterf op straat;

Zoo waar ik leef, verlooch’nen doe ik u,

En niets van ’t mijn’, dat ooit ten deel u valt;

Bedenk dus wel; en weet, ik staaf mijn eed.

(Capuletaf.)

Julia.Troont in de wolken geen erbarming meer,198Die in de diepte blikt van mijn ellend?—O, lieve moeder, ach, verstoot mij niet!Verschuif dit huwlijk nog een maand, een week;Of, wilt gij dit niet, spreid het bruidsbed mijIn ’t sombre grafgewelf, waar Tybalt ligt.

Julia.

Troont in de wolken geen erbarming meer,198

Die in de diepte blikt van mijn ellend?—

O, lieve moeder, ach, verstoot mij niet!

Verschuif dit huwlijk nog een maand, een week;

Of, wilt gij dit niet, spreid het bruidsbed mij

In ’t sombre grafgewelf, waar Tybalt ligt.

Gravin Capulet.Spreek niet tot mij, ik spreek geen enkel woord;Doe wat ge wilt, ik heb met u gedaan!

Gravin Capulet.

Spreek niet tot mij, ik spreek geen enkel woord;

Doe wat ge wilt, ik heb met u gedaan!

(GravinCapuletaf.)

Julia.O God!—Spreek, voedster, hoe is dit te keeren?Mijn gade leeft op aard, mijn trouw bij God!Hoe keert die trouw naar de aard’, tenzij die gâDeze aard ontwijke en uit den hemel mijMijn trouw terugzend’?—Geef mij troost, geef raad!—Wee mij! hoe kan de hemel ooit een wezen,Zoo teer als ik, arglistig zoo belagen?—Wat zegt gij, voedster? hebt ge niet één woord,Geen enkel, dat mij opbeurt en vertroost?

Julia.

O God!—Spreek, voedster, hoe is dit te keeren?

Mijn gade leeft op aard, mijn trouw bij God!

Hoe keert die trouw naar de aard’, tenzij die gâ

Deze aard ontwijke en uit den hemel mij

Mijn trouw terugzend’?—Geef mij troost, geef raad!—

Wee mij! hoe kan de hemel ooit een wezen,

Zoo teer als ik, arglistig zoo belagen?—

Wat zegt gij, voedster? hebt ge niet één woord,

Geen enkel, dat mij opbeurt en vertroost?

Voedster.Voorzeker, hoor slechts: Romeo is verbannen;En, alles tegen niets, hij komt niet weer,En eischt u nimmer op;—of waagt hij dit,Dan is ’t ter sluik. Zooals de zaken staan,Schijnt mij het best, dat gij den Graaf maar trouwt.’t Is een beminn’lijk man, en RomeoIs er een stoflap bij; een arend, jonkvrouw,Heeft zulk een schitt’rend, helder, wakker oogAls Paris niet. Ja, bij mijn zaligheid,Deez’ tweede keus is uw geluk; ze is beterDan de eerste was; en, zelfs al waar’ ’t zoo niet,Uw eerste man is dood,—zoo goed als dood,Al leeft hij nog, daar gij niets aan hem hebt.

Voedster.

Voorzeker, hoor slechts: Romeo is verbannen;

En, alles tegen niets, hij komt niet weer,

En eischt u nimmer op;—of waagt hij dit,

Dan is ’t ter sluik. Zooals de zaken staan,

Schijnt mij het best, dat gij den Graaf maar trouwt.

’t Is een beminn’lijk man, en Romeo

Is er een stoflap bij; een arend, jonkvrouw,

Heeft zulk een schitt’rend, helder, wakker oog

Als Paris niet. Ja, bij mijn zaligheid,

Deez’ tweede keus is uw geluk; ze is beter

Dan de eerste was; en, zelfs al waar’ ’t zoo niet,

Uw eerste man is dood,—zoo goed als dood,

Al leeft hij nog, daar gij niets aan hem hebt.

Julia.Meent gij dit met uw hart?228

Julia.

Meent gij dit met uw hart?228

Voedster.Meent gij dit met uw hart?Met hart en ziel.God straff’ me, als ’t zoo niet is.

Voedster.

Meent gij dit met uw hart?Met hart en ziel.

God straff’ me, als ’t zoo niet is.

Julia.God straff’ me, als ’t zoo niet is.Dan amen!

Julia.

God straff’ me, als ’t zoo niet is.Dan amen!

Voedster.God straff’ me, als ’t zoo niet is. Dan amen!Wat?

Voedster.

God straff’ me, als ’t zoo niet is. Dan amen!Wat?

Julia.Voorwaar, gij hebt mij wonderbaar getroost.—Ga, deel mijn moeder meê: ik ga ter biecht;Lorenzo wete, hoe ’k mijn vader griefde,En schenke mij vergiff’nis voor mijn schuld.

Julia.

Voorwaar, gij hebt mij wonderbaar getroost.—

Ga, deel mijn moeder meê: ik ga ter biecht;

Lorenzo wete, hoe ’k mijn vader griefde,

En schenke mij vergiff’nis voor mijn schuld.

Voedster.Ja daad’lijk, gaarne; zie, nu doet ge wijs.

Voedster.

Ja daad’lijk, gaarne; zie, nu doet ge wijs.

(De Voedster af.)

Julia.Vloekwaarde heks, verleidster, booze geest!Is ’t grooter zonde, meineed aan te prijzen,Of mijn gemaal te smaden met die tong,Die menig duizendmaal als weêrgâloosHem heeft geroemd?—Raadgeefster, weg! VoortaanEen klove tusschen ons!—Nu tot Lorenzo;Hij is ’t alleen, van wien ik raad verwacht;En is er geen, dan heb ik stervenskracht.

Julia.

Vloekwaarde heks, verleidster, booze geest!

Is ’t grooter zonde, meineed aan te prijzen,

Of mijn gemaal te smaden met die tong,

Die menig duizendmaal als weêrgâloos

Hem heeft geroemd?—Raadgeefster, weg! Voortaan

Een klove tusschen ons!—Nu tot Lorenzo;

Hij is ’t alleen, van wien ik raad verwacht;

En is er geen, dan heb ik stervenskracht.

(Juliaaf.)


Back to IndexNext