Vierde Bedrijf.

Vierde Bedrijf.Eerste Tooneel.De cel van broederLorenzo.BroederLorenzoenPariskomen op.Lorenzo.Op Donderdag? voorwaar, dat is kort dag.Paris.Zoo wil ’t mijn vader Capulet, en ikBen niet zoo koel, dat ik zijn spoed vertraag.Lorenzo.Gij weet niet, zegt ge, hoe de jonkvrouw denkt;De weg is ongebaand, ’t bevalt mij niet.Paris.Ze weent onmatig over Tybalts dood,En daarom sprak ik weinig nog van liefde;Want Venus glimlacht niet in ’t huis der tranen.Maar wijl haar vader er gevaar in ziet,Dat zij aldus haar droefheid heerschen laat,Verhaast hij in zijn wijsheid onzen echt,Om zoo dien tranenvloed te stuiten, die,Door ’t eenzaam leven al te zeer gevoed,Gekeerd zal worden door gezelligheid;—Nu weet gij de oorzaak van deez’ haast.LorenzoNu weet gij de oorzaak van deez’ haast.(ter zijde).Wist ikDen grond maar niet, die hier vertraging eischt!(Luid).Zie, graaf, daar treedt de jonkvrouw in mijn cel.(Juliatreedt binnen.)Paris.Wat schoone ontmoeting, mijn geliefde bruid!Julia.Schoon zal ’t eerst zijn, begroet ik u als bruid!Paris.Zoo groeten wij toch Donderdag elkaâr.Julia.Wat moet zijn, zal zijn.Lorenzo.Wat moet zijn, zal zijn.Dat is altijd waar.Paris.Komt gij ter biecht bij deez’ eerwaarden man?Julia.Zeide ik U dit, ik kwam bij u ter biecht.Paris.Verzwijg het hem niet, dat gij mij bemint.Julia.Aan u belijde ik, dat ik hem bemin.Paris.En zeker hem ook, dat ge mij bemint.Julia.Als ik dit doe, stel ’t zeer op prijs; ik spreekDan achter uwen rug, niet in ’t gezicht.28Paris.Ach! uw gezicht heeft van geween geleden.Julia.Een kleine zege voor mijn tranen; ’t was,Aleer zij zoo het schonden, niet veel waard.Paris.Die smaad is erger schennis, dan die tranen.Julia.De waarheid, graaf, kan nimmer schennis zijn;En ’k smaalde daar mijzelf in ’t aangezicht.Paris.’t Gezicht, dat gij zoo smaadt, is mijn gezicht.Julia.’t Zou kunnen zijn, ’t is van mijzelve niet.—Kom ik u, heil’ge vader, thans gelegen,Of zal ik keeren tegen vespertijd?Lorenzo.’k Heb thans wel tijd voor u, bezwaarde dochter.—Ik bid u, eedle graaf, laat ons alleen.Paris.Verhoede God, dat ik uw vroomheid stoor!Ik wek u, Julia, Donderdag reeds vroeg;Zoolang vaarwel; en neem deez’ heil’gen kus!(Pariskust haar de hand en gaat heen.)Julia.O, sluit de deur, en dan, o ween dan met mij!’t Is alles uit, geen hulp, geen heil, geen hoop!Lorenzo.Ach Julia, ’k weet uw leed alreeds; het maaktMijzelf verward, verbijsterd, radeloos;Ik hoor, gij moet,—en niets vertraagt dit meer,—Op Donderdag gehuwd zijn met den graaf.Julia.Zeg, vader, niet, dat gij dit hebt gehoord.Of zeg mij ook, hoe ik ’t verhoeden kan.En als uw wijsheid mij geen redding weet,Erken dan slechts, wat ik besloot, als wijs,En ’k help terstond mijzelve met dit staal.God voegde Romeo’s hart en ’t mijne saam,Gij onze handen; en eer deze hand,Die gij gezegeld hebt aan Romeo,Zich aan een ander echtverbond laat zeeg’len,Of mijn trouw hart verraad pleegt, van hem afvalt,Zich naar een ander keert, doodt dit die beide.Dus geef, uit uw veeljarige ondervinding,Mij snellen raad; of anders zij dit staalScheidsrechter tusschen ’t dreigend lot en mij;’t Beslechte, wat uw wijsheid en ervaringNiet tot een eervolle uitkomst brengen kan.Spreek bondig, snel; gewenscht is mij de dood,Brengt, wat gij spreekt, geen redding in mijn nood.Lorenzo.Hoû op, mijn dochter, ’k speur een zweem van hoop;68Maar ze eischt een hand’ling zoo wanhopig, alsDe wanhoop is, die gij te ontkomen wenscht.Hebt gij de kracht van wil, dat ge eer uzelfDen doodsteek geeft, dan dat gij Paris huwt,Dan biedt ge ook wel den schijn des doods de hand,Keert gij daardoor deez’ smaadheid van u af,Gij, die in de’ arm des doods haar wilt ontgaan.Hebt gij dien moed, dan bied ik ’t middel aan.Julia.O, zeg mij, liever dan den graaf te huwen,Een sprong te doen van gindschen torentrans;Zend mij, waar roovers loeren, slangen sissen,Of keten mij aan woeste beren vast;Of sluit mij op, ’s nachts, in een knekelhuis,Rondom door ramm’lend doodsgebeent’ bedolven,Door bruine schenkels, kakelooze schedels;Of doe mij in een pas gedolven graf,Mij hullen met een lijk in ’tzelfde kleed,—Ja, al waarvan ’t verhaal mij siddren deed,Ik zal het zonder vrees of weifling doen,Om de onbevlekte gâ mijns liefs te blijven.Lorenzo.Welaan, ga welgemoed naar huis, en stemIn de’ echt met Paris toe. ’t Is morgen Woensdag;Draag zorg, de nacht, die volgt, alleen te zijn;Uw voedster slaap’ dan niet in uw vertrek.Neem dan dit fleschje, als gij te bedde ligt,En drink dit vocht, van kruidensap bereid.Onmidd’lijk zal een kille slaap’righeidDoor al uw aad’ren stroomen; iedre polsVerflauwt, staat stil; geen warmte of adem tuigt,Dat gij nog leeft; het rood van wang en lipWordt grauw als asch; het luik der oogen valt,Als sloot de dood den dag des levens af.Elk lid, van buigingskracht beroofd, wordt stijfEn strak en koud, als door de hand des doods.En zulk een schijnbeeld van den killen doodVerblijft gij twee en veertig uren lang;Dan zult ge ontwaken als uit zoeten slaap.Verschijnt des morgens dus uw bruidegom,En wekt hij u tot de’ echt, dan zijt ge dood;En, naar ’s lands wijze, wordt gij op de baarIn uwe schoonste kleedren, onbedekt,Gedragen naar datzelfde aloud gewelf,Dat heel ’t geslacht der Capulets omsluit.Omstreeks den tijd, dat gij ontwaken zult,Zal Romeo, wien ’k alles schrift’lijk meld,Hierheen zich spoeden; samen wachten wij’t Ontwaken af, en nog die eigen nachtGeleidt hij u van hier naar Mantua.Dit redt u van den smaad, die u bedreigt,Als niet door wankelheid of vrouwlijke angstUw kloeke moed in ’t handlen zelf bezwijkt.Julia.O, geef toch, geef; spreek niet tot mij van angst.Lorenzo.Neem ’t dan, en ga. Volhard in uw besluit;Dan wacht u heil. Een kloosterbroeder brengtTerstond mijn brief naar uwen gade heen.Julia.Dat liefde kracht, en kracht mij hulp verleen!Vaarwel, eerwaarde vader!(Beiden af.)Tweede Tooneel.Een kamer inCapulet’shuis.Capulet,GravinCapulet,de Voedster en twee Bedienden komen op.Capulet.Ga, neem deez’ lijst en noodig al die gasten.(Bediende af.)Gij, huur me een twintigtal bekwame koks.Tweede Bediende.Ik zal zorgen, heer, dat er geen enkele slechte onder loopt, want ik zal zien, of ze hun vingers wel goed kunnen aflikken.Capulet.Waartoe moet die proef dienen?Tweede Bediende.Wel, heer, het zeggen is, dat het een slechte kok is, die zijn eigen vingers niet kan aflikken; daarom, die dit niet kan, daar wil ik niets van weten.Capulet.Ga, maak voort.(Bediende af.)De tijd is kort, wij komen nauw’lijks klaar.—Zeg, is mijn dochter naar Lorenzo toe?Voedster.Ja zeker, heer.Capulet.Nu, ’k hoop dan maar, dat zijn vermaan wat helpt;Zij is een eigenzinnig, luimig ding.(Juliakomt op.)Voedster.Daar komt zij van de biecht en welgemoed.Capulet.Hoe is ’t, mijn stijfkop? Waar hebt gij gezworven?Julia.Waar ’k leerde door berouw de schuld te boeten,Dat ik halsstarrig weerstand bood aan uEn uw gebod; en waar de heil’ge manMij heeft gelast, geknield, heer, u vergiff’nisTe vragen.—Schenk vergeving, smeek ik u;Voortaan vindt gij mij steeds een volgzaam kind.Capulet.Een boodschap naar den graaf! bericht hem dit;En morgen vroeg zij nu de knoop gelegd.Julia.Den jongen graaf ontmoette ik bij Lorenzo,En heb hem zooveel minzaamheid getoond,Als met de zedigheid bestaanbaar is.27Capulet.Dat hoor ik gaarne; nu ’t is goed; sta op;Zoo moet het zijn!—Ik wil den graaf nu spreken;Kom, ga dan, zeg ik, ga toch, haal hem hier.—Bij God, die eerbiedwaarde, heil’ge vaderHeeft heel de stad ten zeerste aan zich verplicht.Julia.Kom, voedster, ga nu mede, naar mijn kamer,En help mij bij de keuze van den tooi,Dien gij op morgen ’t beste voor mij acht.Gravin Capulet.Neen, Donderdag is ’t eerst, er is geen haast.Capulet.Ga, voedster, mee; ’t is morgen; dan ter kerk.(Juliaen de Voedster af.)Gravin Capulet.’t Is veel te kort om alles te beschikken,Zie, de avond valt!Capulet.Zie, de avond valt!Stil, laat mij maar begaan;’t Zal alles klaar zijn, vrouw, ik sta u borg.Ga gij naar Julia, help haar aan haar kleeding.’k Ga niet naar bed van nacht; laat mij begaan,’k Wil nu ook eens voor huisvrouw spelen.—Hé!—Wat! allen weg!—Dan zal ikzelf graaf ParisGaan zeggen, dat hij zorg’ gereed te zijnOp morgen vroeg.—Het is me een steen van ’t hart,Nu zoo dat koppig ding tot inkeer kwam.(Beiden af.)Derde Tooneel.Julia’skamer.Juliaen de Voedster komen op.Julia.Ja, dit kleed is het best; maar, lieve min,Laat, bid ik u, mij deze nacht alleen;Want ik behoef wel meen’ge bede, opdatDe hemel vriendlijk op mijn toestand blikk’,Die, als ge weet, verkeerd is en vol zonde.(GravinCapuletkomt op.)Gravin Capulet.Hoe, zoo bedrijvig nog? kan ik u helpen?Julia.Neen, moeder, alles is gereed gelegd,Wat voor mijn kerkgang morgen wordt vereischt;Wees slechts zoo goed en laat mij nu alleen,En laat deez’ nacht de voedster met u waken,Want gij hebt zeker wel uw handen volBij zulk een haastig huw’lijk.Gravin Capulet.Bij zulk een haastig huw’lijk.Goede nacht!Ga gij te bed, neem rust; dat hebt ge noodig.(GravinCapuleten de Voedster af.)Julia.Vaarwel!—God weet, wanneer we elkander weêrzien.—Door de aad’ren rilt me een matte, killende angst,Die ’s levens warmte schier bevriezen doet;Ik roep haar weer tot stilling van mijn vrees.Hé, voedster!—Maar waartoe?18Mijn schrikb’re taak moet ik alleen voleinden.—Kom, fleschje!—Maar hoe, als deze drank geen werking had?Moet ik volstrekt dan morgenochtend huwen?Neen; gij belet dit, gij; lig daar gereed.(Zij legt een dolk bij zich neêr.)Doch, als het eens vergift was, dat de monnikArglistig had bereid, opdat ik sterve,En hij door dezen echt niet worde onteerd,Wijl hij mij eerst met Romeo verbond?Ik vrees het; en toch, dunkt mij, ’t kan niet zijn;Hij is beproefd, bleek steeds een heilig man.—Maar hoe, wanneer ik, in het graf gelegd,Ontwake vóór den tijd, dat RomeoMij komt bevrijden? welk ontzettend lot!Zal ik dan niet versmoren in ’t gewelf,Welks giftmond nimmer zuivre lucht doorstroomt,Den stikdood sterven, eer mijn Romeo komt?Of, leef ik al, is ’t niet waarschijnlijk, datHet huivringwekkend beeld van dood en nacht,Vereend met al de afgrijslijkheid der plaats,—Dat grafgewelf, dat oud verblijf des doods,Waar, al zoo menig honderd jaar, ’t gebeent’Van heel mijn voorgeslacht is opgehoopt;Waar Tybalt, bloedig, pas aan de aard vertrouwd,In zijne wâ vergaat; waar, zoo men zegt,Des nachts op sommige uren geesten waren;—Wee, wee mij, is het niet waarschijnlijk, datIk, vroeg ontwakend, in die pestlucht, bijGekrijsch als van alruinen, de aard ontscheurd,Dat levenden, die ’t hooren, zinloos maakt,—O, zal ’k, ontwakend, niet verbijsterd zijn,Omringd van al die aak’ligheid en schrik,En zinloos spelen met eens grootvaârs rif,En Tybalts lichaam plukken uit zijn wâ;En mij, zoo razend, met eens voorzaats knook,Als met een knots, ’t arm brein te pletter slaan?O, zie! daar is ’t me, als zie ik Tybalts geest!Hij zoekt mijn Romeo, die met een zwaardHem heeft gespietst!—Sta, Tybalt! weg! ik gruw!—Romeo, ik kom! Deez’ dronk wijd ik aan u.(Zij werpt zich op haar bed.)Vierde Tooneel.Een zaal inCapulet’shuis.GravinCapuleten de Voedster komen op.Gravin Capulet.Hier, neem de sleutels, haal nog specerijen.Voedster.Voor de pasteien zijn nog dadels noodig,En kweeën ook.(Capuletkomt op.)Capulet.En kweeën ook.Kom, vlug, vlug! vlug! daar isHet tweede haangekraai al. Hoor, daar luidtHet morgenklokje reeds. Het is drie uur.Angelica, kijk gij naar de pasteien;Geen geld gespaard!Voedster.Geen geld gespaard!Kom, keukenklauwer, ga!Ga liever slapen; morgen zijt gij ziekVan ’t waken van deez’ nacht.Capulet.Van ’t waken van deez’ nacht.Neen, neen, geen nood;’k Heb vroeger vaak een heele nacht gewaakt,Als ’t minder noodig was; en ’t deed mij niets.Gravin Capulet.Ja, ja, ge hieldt wel van een maanschijnjacht;Maar ’k waak wel, dat ge thans zoo niet meer waakt.(GravinCapuleten de Voedster af.)Capulet.Jaloersch, waarachtig nog jaloersch?(Bedienden met braadspitten, houtblokken en manden komen op.)Jaloersch, waarachtig nog jaloersch?Hé knaap!Wat hebt ge daar?Eerste Bediende.’t Is voor den kok, heer, maar ik weet niet wat.Capulet.Maak voort, maak voort!(Eerste Bediende af.)Maak voort, maak voort!Gij knaap, haal droger blokken;Laat Peter u maar wijzen, waar ze zijn.Tweede Bediende.’k Ben, heer, wel slim genoeg om zelf de blokkenTe vinden, en ’k laat Peter maar met rust.(Bediende af.)Capulet.Nu, bij mijn ziel, wilt gij zoo’n slimmerd zijn,Dan maak ik u tot blokkersbaas!—’t Is dag;Zoo daadlijk komt de graaf hier met muziek;Zoo, zei hij, was zijn plan.—(Muziek buiten.)Zoo, zei hij, was zijn plan.—Ik hoor hem al.—Hé, minne! vrouw! kom hier! hé, minne, kom!(De Voedster komt op.)Ga Julia roepen, tooi haar op als bruid.Ik ga wat keuvlen met graaf Paris.—Vlug!Maak spoed, maak spoed! De bruîgom is er al;Maak spoed, zeg ik.(Beiden af.)Vijfde Tooneel.Julia’skamer.Juliaop haar bed.De Voedster komt op.Voedster.Hé jonkvrouw!—jonkvrouw!—Julia!—Nu, die slaapt!Mijn duif je!—kom toch, jonkvrouw!—Foei, gij slaapster!—Mijn hartje!—Hoor toch, jonkvrouw!—Kom toch, bruidje!—Hoe is ’t? Geen woord?—Wel, wel, ge slaapt vooruitWel voor een week;—nu, nu, de nacht, die komt,Zet wis graaf Paris wel zijn rust op ’t spel,Dat gij uw rust niet hebt.—Wel, God vergeev’ me!Waarachtig; zie eens! nu, die slaapt gezond!Maar wakker moet ze.—Jonkvrouw, jonkvrouw, jonkvrouw!Zoo straks verrast de graaf u nog in bed;Dan springt gij op met schrik.—Hoe is ’t, nog niet?—(Zij slaat de gordijnen open.)Wat! aangekleed! en zoo gekleed gaan liggen!Ik moet u wekken. Jonkvrouw, jonkvrouw, jonkvrouw!O God! wat is dat? help, help, help! ze is dood!O dag van ramp! o ware ik nooit geboren!—Een hartversterking, ach!—O graaf! gravin!(GravinCapuletkomt op.)Gravin Capulet.Wat is dat hier?Voedster.Wat is dat hier?O jammervolle dag!Gravin Capulet.Wat is er dan?Voedster.Wat is er dan?Zie, zie! O, dag van ramp!Gravin Capulet.Wee mij! wee mij! Mijn kind, mijn eenig leven!Herleef! zie op, of ik, ik sterf met u!Hulp, hulp! Roep hulp!(Capuletkomt op.)Capulet.Wel foei! Breng Julia toch! haar man is daar.Voedster.Ze is dood, gestorven, dood; o dag van wee!Gravin Capulet.O dag van wee, ze is dood, ze is dood, ze is dood!Capulet.Wat! Laat mij zien! Helaas, ’t is uit! ze is koud!Haar bloed staat stil, haar leden zijn verstijfd,Dien lippen is het leven lang ontvloden!De dood ligt op haar, als een booze nachtvorstOp ’t schoonste, geurigst bloempje van het veld.Voedster.O jammervolle dag!Gravin Capulet.O jammervolle dag!O tijd van wee!Capulet.De dood, die haar geroofd heeft tot mijn jammer,Verstijft mijn tong en laat geen klacht mij toe.(BroederLorenzoenPariskomen op, door muzikanten vergezeld.)Lorenzo.Komt, is de bruid gereed ter kerk te gaan?33Capulet.Gereed tot gaan, om nimmer weer te keeren.—O zoon, de nacht voor uwen huwlijksdagNam haar de dood tot gade. Zie, daar ligt zij;Een schoone bloem, ontbladerd door den dood.Mijn schoonzoon is de dood; de dood beërft mij,Als man van mijne dochter. Sterven wil ik;Mijn lijf, mijn have en goedren erv’ de dood.Paris.Hoopte ik zoo lang dit morgenrood te zien,En geeft het zulk een jammer mij te aanschouwen?Gravin Capulet.O vloekdag, rampvol,aak’lig, zwart, verfoeilijk!Onzaligst, bitterst uur, dat ooit de tijdAanschouwd heeft op zijn langen pelgrimstocht!Slechts één, één arm, één arm, beminnend kind,Één enkel wezen voor mijn vreugde en troost,En dat heeft mij de wreede dood ontrukt!Voedster.O jammer-, jammer-, jammervolle dag!O dag van jammer, dag van ’t diepste wee,Zooals ik nimmer, nimmer heb gezien!O dag, o dag, o dag, o vloekb’re dag!Nooit werd een dag, zoo zwart als deze, aanschouwd;O dag van wee, o dag van wee!Paris.Misleid, beroofd, gehoond, gekrenkt, vernietigd!Vloekwaarde, booze dood, door u misleid;Door u zoo wreed, zoo wreed ter neer geveld!O liefde, o leven!—Neen, geen leven meer,Slechts liefde nog, den dood gewijd!Capulet.Slechts liefde nog, den dood gewijd!Veracht,Gehaat, tot smaad gedoemd, gemarteld, dood!Onzaal’ge dag, waarom verreest ge alleenOm ’t plechtig feest te niet, te niet te doen?—O kind, o kind!—Mijn ziel, en niet mijn kind!—Dood zijt ge, dood!—Helaas, mijn kind is dood!Mijn vreugd zinkt mèt haar in der aarde schoot!Lorenzo.Stil, schaamt u! stil! Dit heilloos jamm’ren schenktGeen troost in ’t leed. Gij deeldet met den hemelDeze engel; nam de hemel haar geheel,Het heerlijkst lot viel aan uw kind ten deel.Gij kondt ùw deel niet veil’gen voor den dood,De hemel schenkt zijn deel onsterflijkheid.Haar te verheffen was uw hoogste doel;Uw hemel was ’t, verheven haar te zien,En weent gij, nu gij haar verheven ziet,Hoog boven wolken, ja ten hemel zelf?Verkeerde liefde wijdt ge uw kind; uw leedIs redeloos, nu gij haar zalig weet!Een lange trouw is niet de beste trouw;Die vroeg den hemel trouwt, heeft nooit berouw.Wischt dan uw tranen! siert dit schoone lijkMet rosmarijn, en brengt haar naar ’s lands wijsIn ’t schoonste feestgewaad ter kerke heen;Want dwing’ natuur in ’t leed ons tranen af,De rede noemt die plenging dwaas, ja, laf.83Capulet.Ach, al wat tot het feest was voorbereid,Wordt thans de tolk van onze treurigheid;’t Blij snarenspel wordt romm’lend klokgebrom,De bruiloftsdisch een droevig doodmaal nu,De jubellied’ren sombre grafgezangen,De bruidskrans dient tot tooiing van een lijk,En alles is in ’t tegendeel verkeerd.Lorenzo.Heer, thans van hier;—en volg gij, eedle vrouw!—Ook gij, graaf Paris;—maak’ zich elk gereed,Deez’ schoone doode naar het graf te volgen.De hemel straft hier wis een booze daad;Tergt hem niet meer en eert zijn hoogen raad.(Capulet,GravinCapulet,ParisenLorenzoaf.)Eerste Muzikant.Op mijn woord, wij kunnen onze instrumenten wel inpakken, en aftrekken.Voedster.Ja, goede lieden, pakt maar in, pakt in;Gij ziet het zelf, ’t is treurig met dit huis.(De Voedster af.)Eerste Muzikant(op het foedraal van zijn instrument wijzende).’t Wordt tijd voorwaar, dit huis weer op te lappen.(Peterkomt op.)Peter.Muzikanten, o muzikanten; speelt toch eens: „Schep vreugde in ’t leven!” O! als ge wilt, dat ik ’t leven heb, speelt dan: „schep vreugde in ’t leven!”Eerste Muzikant.Waarom „Schep vreugde in ’t leven?”Peter.Ach muzikanten, omdat mijn hart zelf speelt: „Breek, breek mijn hart, van ’t wee!” O speelt mij eens een vroolijke weeklacht om mij wat op te beuren.Eerste Muzikant.Niets van weeklacht, ’t is nu geen tijd van spelen.Peter.Ge wilt dus niet?Muzikanten.Neen.Peter.Daar zult ge voor hebben!Eerste Muzikant.Wat wilt ge geven?Peter.Geen geld voorwaar, maar een naam: ik noem je stomme muzikanten.Eerste Muzikant.En wij jou een stomme’ knecht.118Peter(zijn koksmes trekkend).En dan bespeel ik je met dezen strijkstok, tot je geluid geeft; je zult wel merken, ik heb wel noten op mijn zang, ik zal je mifasollen, heele maat!Eerste Muzikant.Als je met ons sollen wilt, dan staat hier je maat!Tweede Muzikant.Kom, pak dat scherp stuk ijzer maar weer in, en wat geest uit.Peter.Past dan maar op voor mijn geest. Ik zal je steken met mijn scherpen geest en mijn stuk ijzer weer opsteken. Geeft mij nu antwoord als mannen:„Is ’t hart van zware zorgen krank,En droef en dof ’t gemoed,Muziek maakt met haar zilverklank”—Waarom „muziek met haar zilverklank?”—Wat zeg jij, Simon Kattesnaar?Eerste Muzikant.Wel, man, omdat zilver een liefelijken klank heeft.Peter.Lorrepraat!—Wat zeg jij, Hans Strijkstok?Tweede Muzikant.Ik zeg „zilverklank”, omdat muzikanten voor zilver spelen.Peter.Al even mooi.—Wat zeg jij, Kobus Windkast?Derde Muzikant.Och, ik weet waarachtig niet, wat ik zeggen zal.Peter.’t Is waar ook, jij bent de zanger van ’t gezelschap, en daarom zal ik voor je spreken. Het is „muziek met haar zilverklank,” omdat muzikanten geen goud kunnen laten klinken;„Muziek maakt met haar zilverklankMet spoed weer alles goed.”(Peteraf.)Eerste Muzikant.Wat een giftige schavuit is dat!Tweede Muzikant.De nikker haal’ hem!— Kom, laat ons hier binnengaan, en op de rouwklagers wachten, en zien, of er niets te smullen valt.(Allen af.)Vijfde Bedrijf.Eerste Tooneel.Mantua.Een straat.Romeokomt op.Romeo.Wanneer de slaap niet, vleiend, mij bedriegt,Verkondt mijn droom, dat heuglijk nieuws mij nadert.Licht zit mijn liefde in mijne borst ten troon;Een ongewone moed heft heel den dagMij boven de aard door streelende gedachten.Mijn gade, droomde ik, kwam en vond mij dood;—Wat vreemde droom, die dooden denken laat!—Mijn lippen kussend, blies zij me adem in,Zoodat ik weer herleefde en keizer was.Hoe heerlijk is ’t bezit der liefde zelf,Als liefdes schaduw reeds zoo vreugdrijk is!(Balthazarkomt op.)Nieuws van Verona! Balthazar, wat is er?Brengt gij geen brieven van den pater mee?Hoe is ’t mijn gade? En is mijn vader wel?Hoe is ’t mijn gâ, mijn Julia? vraag ik weêr;Want niets kan kwalijk zijn, is ’t haar slechts wèl.Balthazar.Dan is ’t haar wel, en niets kan kwalijk zijn;Haar lichaam slaapt in ’t graf der Capulets,En haar onsterflijk deel leeft ginds bij de eng’len.Ik zag haar bij haar vaad’ren neêrgelegd,En ijlde spoorslags om u dit te melden.Vergeef mij deze slechte tijding, heer,Ik deed slechts naar ’t bevel, dat gij mij gaaft.Romeo.Is ’t zoo, is ’t zoo?—Dan, sterren, tart ik u!—24Gij weet mijn huis; haal mij papier en inkt,En huur mij paarden, ’k wil deez’ nacht van hier.Balthazar.O heer, ik bid, bezweer u, wees toch kalm!Gij ziet zoo bleek er uit, zoo woest; die blikVerkondigt onheil.Romeo.Verkondigt onheil.Neen, stel u gerust;Verlaat me, en doe, wat ik u daar beval.Gij brengt geen brief mij van den pater mee?Balthazar.Neen, beste heer.Romeo.Neen, beste heer.Om ’t even; ga nu heenEn huur de paarden; spoedig kom ik na.(Balthazaraf.)O Julia, deze nacht rust ik bij u.Welk middel kies ik?—Euveldaad! hoe snelNeemt gij de ziel van radeloozen in!—’k Herinner mij: er woont hier in de buurtEen apotheker; onlangs zag ik hemIn haveloos gewaad; met somb’ren blikVerlas hij kruiden; de oogen stonden hol;40’t Gebrek had hem doorknaagd tot op ’t gebeent’;En in zijn schaam’len winkel hing een schildpad,Een krokodil en and’re huiden vanWanschapen visschen; op de schappen stondEen armlijk boeltje van wat leêge doozenGroene aarden potjes, blazen, schimm’lig zaad,Met eindjes bindtouw, koekjes, uitgedroogd,Wat ver uiteen, voor ’t maken van vertoon.Bij ’t zien dier armoê zeide ik tot mijzelf:„De dood staat op ’t verkoopen van vergiftIn Mantua, maar als één ’t noodig had,Hier vond hij de’ armen schelm, die ’t hem verkocht.”Dat was een voorgevoel van mijn behoefte,En deez’ behoeftige verschaft het mij.Hier is zijn huis, zoo ’k wel heb; maar ’t is feestdag,En daarom is des beed’laars winkel dicht.Hé, apotheker, hé!(Een Apotheker komt naar buiten.)Apotheker.Hé, apotheker, hé!Wie roept zoo luid?Romeo.Kom nader, man!—Ik zie wel, gij zijt arm,Neem, daar zijn veertig stuks dukaten; geef meEen slok vergift, een drank, die snel en krachtigDoor de aad’ren zich verspreid, zoodat de man,Die levensmoê is, drinkt en nederstort;En dat zijn borst van de’ adem zich ontlaadtMet zulk geweld, als ’t haastig kruit ontvlamtEn losbreekt uit moorddadig krijgsgeschut.Apotheker.Ik heb zulk moordend gif, doch MantuaStraft met den dood een elk, die het verkoopt.Romeo.Gij, gij, zoo naakt, zoo van ellend’ bezocht,Vreest gij den dood? De honger groeft uw wang;Gebrek en kommer smachten in uw oog;Verguizing hangt in lompen om uw rug;De wereld noch haar wetten zijn uw vriend;De wereld heeft geen wet, die u verrijkt;Wees dan niet arm, neem dit, en breek de wet.Apotheker.Alleen mijn armoê, niet mijn wil, stemt toe.Romeo.’k Betaal alleen uw armoê, niet uw wil.Apotheker.Giet dit in welke vloeistof gij maar wilt,En drink het op; al hadt gij ook de krachtVan twintig man, onmidd’lijk zijt ge een lijk.Romeo.Hier is uw goud, een erger zielsvergifEen boozer moorddrank in deez’ booze wereld,Dan ’t brouwsel, dat gij niet verkoopen moogt.Gij kocht vergift van mij, ik niet van u.Vaarwel, koopt eten, zet u eens in ’t vleesch!—Kom, laaf’nisdrank, geen gift! verzel mij nuNaar Julia’s graf, want daar behoef ik u.(Beiden af.)Tweede Tooneel.Verona.Lorenzo’scel..BroederJohanneskomt op.Johannes.Eerwaarde Franciscaner! broeder, hé!(Lorenzokomt op.)Lorenzo.De stem is ’t van Johannes, onzen broeder.—Welkom van Mantua! En welk berichtVan Romeo? Of schreef hij? Geef dan hier.Johannes.Ik zocht mij tot geleide een barvoetsbroeder.Een van onze orde, die hier in de stadZich aan ’t bezoek van kranken heeft gewijd.Ik vond hem, maar de wacht der stad verdachtZijn huis van door de pest besmet te zijn,Verzegelde de deur en sloot ons op;Onmooglijk werd mijn tocht naar Mantua.Lorenzo.Wie bracht mijn schrijven dan aan Romeo?Johannes.Ik kon ’t niet zenden;—hier is ’t weer terug.Ik vond geen bode zelfs om ’t u te brengen,Zoo angstig voor besmetting was een elk.Lorenzo.Onzalig noodlot! Bij mijn heilige orde,De brief was niet een beuz’ling, doch zwaarwichtig,Van ’t hoogst belang,—en ’t niet-bestellen brengtLicht groot gevaar. Broeder Johannes, ga,Haal mij een koevoet, breng mij dien terstond.Johannes.Ik breng ’t u daad’lijk, broeder.(BroederJohannesaf).Lorenzo.Alleen moet ik naar ’t graf nu. In drie uurOntwaakt de schoone Julia. O, zij zalBedroefd en boos zijn, dat ik RomeoGeen kennis gaf van wat er is gebeurd.Maar ’k schrijf nog eens naar Mantua; mijn celVerberg’ haar, tot de komst haars echtgenoots;Die arme, levend in ’t verblijf des doods!(Lorenzoaf.)Derde Tooneel.Verona.Een kerkhof; daarop het familiegraf derCapulets.Parisen zijn Page, met bloemen en een fakkel, komen op.Paris.Geef mij de fakkel, knaap; sta verder weg;—Neen, doe haar uit; men moet mij hier niet zien.Ga, vlij u onder gindsche taxisboomen,En houd uw oor vlak op den hollen grond;Zoo kan geen voet het kerkhof hier betreên,Dat overal van ’t graven is doorwoeld,Of gij verneemt het. Komt er iets, zoo fluitAls teeken, dat gij iemand naad’ren hoort.Geef mij die bloemen; ga, doe wat ik zeg.Page(ter zijde).Ik ben beangst, zoo op het kerkhof hierAlleen te blijven, maar ik wil het wagen.(Hij verwijdert zich.)Paris.’k Strooi rozen op uw bruidsbed, rozeknop;—Helaas, ’t is overwelfd met stof en steen!—En sprenkel ’s nachts er geur’ge waat’ren op,Of, mis ik die, de tranen, die ik ween;15Zoo zij met frisch gebloemte nacht op nacht,Mijn hulde en rouw u weenend toegebracht!(De Page fluit.)Daar geeft de knaap het sein, dat iemand komt.Wat vloekb’re voet treedt ’s nachts hier in en stoortDer liefde lijkdienst in dit heilig oord?Wat, met een toorts? Omhul mij, nacht, een poos.(Hij gaat ter zijde.)(RomeoenBalthazarkomen op, met een toorts, een koevoet enz.)Romeo.Geef mij den koevoet hier, en het houweel.Hier, neem deez’ brief; bezorg hem morgen vroeg,Gijzelf, in handen van mijn heer en vader.Geef mij de toorts, en, op verbeurt’ van ’t lijf,Wat gij ook hoort of ziet, blijf verre staan,En zorg mij niet te storen in mijn doen.Ik daal in deze woning van den dood,Deels om nog eens haar lief gelaat te zien,Maar toch vooral, om van haar dooden vingerEen kostb’ren ring te nemen, ja, een ring,Die tot gewichtig werk mij dienen moet.Daarom, ga heen;—maar drijft uw argwaan uTerug te keeren en te zien, wat ikMij verder voorgenomen heb te doen,Bij God! in stukken rijt ik u en zaaiHier op dit vratig kerkhof uwe leden.De tijd en mijn gemoed zijn razend wild,Veel grimmiger, veel feller, min vermurwbaar,Dan holle tijgers, of de woeste zee.Balthazar.’k Wil gaan, heer, en ik zorg u niet te storen.Romeo.Dan handelt ge als een vriend.— Hier, neem gij dit;Vaarwel, en leef gelukkig, goede vriend!Balthazar(ter zijde).’k Verschuil mij hier, wat hij mij ook verbied’;Ik ducht dien blik; zijn doel vertrouw ik niet.(Hij gaat terug.)Romeo.Verfoeib’re muil, gij ingewand des doods,Die ’t kostelijkst gerecht der aard verslondt,Zoo breek ik uw verdervingskaken open,47(Hij breekt de deur van het grafgewelf open.)En dwing, uws ondanks, u meer voedsel op!Paris.Wat, die verbannen, trotsche Montague,Die Julia’s neef vermoordde, aan welke smart,Naar men vermoedt, dit lieflijk wezen stierf,Nu komt hij op deez’ heil’ge plaats en wilHier lijkeschennis plegen; ’k wil hem vatten.(Hij treedt opRomeotoe.)Staak, lage Montague, uw snood bestaan!Gaat dan de wraak nog verder dan het graf?Verbannen schurk! Gevangen neem ik u;Gehoorzaam en ga mee, want sterven moet gij!Romeo.Dat moet ik, ja; en daartoe kwam ik hier.—Tart, edel jong’ling, niet een raad’loos man,Vlied en verlaat mij; denk aan deze dooden;Hun noodlot schrikke u af.—’k Bezweer u, jonkman,Hoop op mijn hoofd geen nieuwe zonde, en wekMijn razernij niet op; ga, jongeling, ga!Bij God, ’k zorg meer voor u dan voor mijzelf,Want ik belaag gewapend hier mijzelf;Draal niet, maar ga; blijf leven, en zeg danIk week op de’ aandrang van een razend man.Paris.’t Is al om niet; ik lach met uw bezwering,En vat u als een snood weerspanneling.Romeo.Gij wilt mij tarten, knaap? verweer u dan.(Zij vechten.)Page.O God, zij vechten daar; ik haal de wacht.(De Page af.)Paris.O, ’k ben getroffen, dood’lijk!(Hij valt.)Hebt ge erbarmen,Zoo open ’t graf, leg mij naast Julia.(Hij sterft.)Romeo.Dat wil ik doen.—Dat ik ’t gelaat eens zie;’t Is Paris, de eed’le graaf, Mercutio’s neef!Wat zeide toch mijn dienaar, bij den rit,Waar mijn geschokte ziel geen acht op sloeg?Hij zeide, Paris zou met Julia huwen.Ik meen, dat hij dit zeide; of droomde ik dit?Of is ’t mijn waanzin, die zoo denkt, wijl hijDaar zelf van Julia sprak! O! geef me uw hand,Gij, met me in ’t boek des onspoeds opgeschreven!’k Begraaf u in een zegepralend graf;Een graf? Een lichtgewelf, verslagen jongling;Want hier rust Julia; haar schoonheid maaktDeez’ krocht tot feestlijk hel verlichte zaal.Rust, doode, hier, begraven door een doode.(Hij legtParisin het grafgewelf.)Hoe vaak speelt niet een glimlach om den mondVan stervenden! Hun wakers noemen datEen flikk’ring vóór den dood; o, zoo mag ikDit flikk’ring heeten! Mijn geliefde vrouw!De dood zoog ’t honigzoet uws adems in,Maar heeft op uwe schoonheid niets vermocht.Nog zijt gij niet verwonnen; schoonheids vaanDekt purperrood uw lippen nog en wang,95Daar werd geen vale doodsvlag nog ontrold!—Ligt gij daar, Tybalt, in uw bloedig kleed?Hoe bied ik beter zoen u aan, dan datDe hand, die ùw jeugd afsneed, ook de jeugdVan hèm doorkliev’, die eens uw vijand was?Vergeef mij, neef!—Ach, dierb’re Julia,Waaròm zijt gij nu nog zoo schoon? Moet ikGelooven, dat de lichaamlooze doodVerliefd is, en het dor, verafschuwd monsterU hier in ’t duister houdt als zijn boelin?Ik vrees ’t, en daarom blijf ik bij u wijlen,Om nooit uit dit paleis der donkre nachtWeêr heen te gaan; hier wil ik blijven, hier,Bij wormen, uwe kameniers; ja, hierSpreid ik mij ’t bed der eeuw’ge rust en schudIk ’t juk, door booze sterren me opgelegd,Van ’t afgesloofde lijf.—Uw laatsten blik,Gij oogen! uwe laatste omhelzing, armen!En, ademspoorten, lippen, zeeg’le uw kusDen eeuwigen bond met de’ alverzwelger, Dood!—(Hij kust haar en haalt een fleschje te voorschijn.)Kom, wreede leidsman, kom, afschuwlijk gids!Zet, raad’loos stuurman, ’t afgesolde schipIn eens nu op de brijzelende klip!Dit, liefste, aan u! (Hij drinkt.)—Braaf man! ’t was waarheid dus;Uw drank is snel;—zoo sterf ik met een kus.(Hij sterft.)(Lorenzoverschijnt aan het andere einde van het kerkhof, met lantaren, koevoet en spade.)Lorenzo.Wees, Sint Franciscus, mij nabij! Hoe vaakStiet ik mijn oude voeten aan een graf!—Wie daar?Balthazar.Een vriend, en een die goed u kent.Lorenzo.God zegen’ u! En zeg mij, goede vriend,Wat is dat voor een toorts, die licht verspiltAan wormen en aan oogenlooze schedels?Zie ’k wel, dan brandt ze in ’t graf der Capulets.Balthazar.Zoo is het, heilig man; daar is mijn meester;Gij hebt hem lief.Lorenzo.Gij hebt hem lief.Wien meent gij?Balthazar.Gij hebt hem lief. Wien meent gij?Romeo.Lorenzo.Sinds hoe lang is hij daar?Balthazar.Sinds hoe lang is hij daar?Ruim een half uur.Lorenzo.Ga met mij naar ’t gewelf.Balthazar.Ga met mij naar ’t gewelf.Ik durf niet, Heer,Mijn meester weet niet anders, of ik ging;En dreigde mij met meer dan éénen dood,Als ik vertoefde en naging wat hij deed.134Lorenzo.Blijf dan, ik ga alleen.—Vrees slaat me om ’t hart;Ik ducht, er is een ongeluk geschied.Balthazar.Ik droomde, toen ik hier was ingeslapen,Dat ginds mijn meester met een ander vocht,En dat hij de’ ander doodde.Lorenzo(het graf naderend).Romeo!O wee mij, wee mij, wat voor bloed bevlektDen steenen drempel van dit grafgewelf?Wat zijn ’t voor zwaarden, die bevlekt en heerloosWankleurig liggen op deez’ plaats van vreê?(Hij treedt het grafgewelf binnen.)Romeo! Doodsbleek! Wie meer?—Wat! Paris ook?En in zijn bloed?—Onzaal’ge, wreede stonde,Die zooveel, zooveel jammer hebt gebaard!—De jonkvrouw, zij ontwaakt!(Juliaontwaakt.)Julia.O trouwe trooster! O, waar is mijn gade?’k Herinner mij, waar ik ontwaken moest;Daar ben ik nu.—Waar is mijn Romeo?(Men hoort gedruisch.)Lorenzo.Ik hoor gedruisch.—Kom, jonkvrouw, uit deez’ groeveVan dood en pest, dit schrikk’lijk slaapvertrek;Een hoog’re macht, en die geen weerspraak duldt,Heeft onzen raad verijdeld. Kom, van hier!Uw gade ligt hier aan uw zijde dood,En Paris ook. Kom mede, ik zoek voor uEen veil’ge toevlucht in een klooster. SpilGeen tijd met vragen; hoor, daar komt de wacht!(Het gedruisch komt naderbij.)Kom, lieve Julia!—’k Durf niet langer toeven.Julia.Ga, spoed u dan; ik wijk hier niet van daan.(Lorenzoaf.)Mijn gade! Hoe! gij houdt een fleschje omklemd?—Verkortte gift dan ’t leven, u bestemd?—O, vrek, dronkt ge alles, liet gij mij geen drup.Om u te volgen?—’k wil uw lippen kussen;Misschien kleeft nog wat gif er aan, genoeg,Om als een laafnis mij den dood te brengen.(Zij kust hem.)Warm zijn uw lippen!Eerste Wachter(achter het tooneel).Knaap, wijs ons den weg!Julia.Gedruisch?—Dan niet gedraald! Ha, welkom, dolk!(Zij grijptRomeo’sdolk en doorsteekt zich.)Dit zij uw scheê; roest daar, en laat mij sterven.(Zij sterft.)(De Wacht komt op, met den Page vanParis.)Page.Dit is de plaats, dáár, waar de fakkel brandt.171Eerste Wachter.De grond is hier met bloed; doorzoekt het kerkhof;Gijlieden, gaat, vat ieder, dien gij vindt.(Eenige Wachters af.)O, schriktooneel! Hier ligt de graaf vermoord;—En Julia bloedend, warm, gestorven pas,Die voor twee dagen reeds begraven was.—Ga, zeg ’t den vorst;—ijl tot de Capulets,—Wek op de Montagues;—gij and’ren zoekt;—(Andere Wachters af.)Wij zien den grond, die dezen jammer draagt,Maar des rampzaal’gen jammers waren grondKan slechts nauwkeurig onderzoek ontdekken.(Eenige Wachters komen op metBalthazar.)Tweede Wachter.Wij vonden Romeo’s dienaar hier op ’t kerkhof.Eerste Wachter.Bewaakt hem goed, totdat de vorst verschijnt.(Andere Wachters komen op met broederLorenzo.)Derde Wachter.Deez’ monnik beeft en zucht en weent; wij namenDien koevoet en die spade van hem af,Toen hij aan deze zij van ’t kerkhof kwam.Eerste Wachter.Dat is verdacht; ook hij zij goed bewaard.Romeo en Julia, Vijfde Bedrijf, Derde Tooneel.Romeo en Julia, Vijfde Bedrijf, Derde Tooneel.(De Vorst en zijn Gevolg komt op.)Vorst.Wat onheil is zoo vroeg reeds op de been,En roept van onze morgenrust ons op?(Capulet,GravinCapuleten Anderen komen op.)Capulet.Wat kan het zijn, dat elk zoo roept en jammert?Gravin Capulet.Het volk roept op de straten: Romeo!Dan weder: Julia! en dan weer: Paris!En spoedt met luid geschreeuw zich naar ons graf.Vorst.Wat schrik is dit, die zoo ons oor verscheurt?Eerste Wachter.Mijn vorst, hier ligt graaf Paris, pas verslagen,En Romeo dood; en Julia, lang gestorven,Nog warm en pas gedood!—Vorst.Spoort na, vorscht uit, wie ’t schendig stuk bedreef!Eerste Wachter.Hier zijn een monnik, heer, en Romeo’s dienaar;Zij hadden spade en koevoet om ’t verblijfVan dooden te oop’nen.201Capulet.O God! Zie, vrouw, hoe onze dochter bloedt!Die dolk, ach! is verdwaald, want zie, zijn huisRust ledig op den rug van Montague,—Zijn dwaalscheede is de boezem mijner dochter.Gravin Capulet.Wee mij, dit doodsgezicht is als een klok,Die mij vermaant en oproept tot het graf.(Montagueen Anderen komen op.)Vorst.Kom, Montague! verreest gij vroeg, nog vroegerLigt hier uw zoon en erfgenaam geveld.Montague.Ach, edel vorst, mijn vrouw bezweek deez’ nachtVan kommer om de ballingschap mijns zoons.Welk meerder wee belaagt mijn ouden dag?Vorst.Kom, en aanschouw het hier!Montague.O, onbescheiden kind! betaamt het u,Voorbij uw vader naar een graf te dringen?Vorst.Weerhoudt uw bitt’re klachten nog, totdatWij licht in ’t duister brengen, en de bronaâr,Den waren oorsprong dezer rampen kennen;Dan wil ik veldheer van uw weeklacht zijn,Al voert die ook ten doode. Zwijgt intusschen,En zij de weedom slaaf nu van ’t geduld.—Stelt hèn thans voor ons, op wie argwaan rust.Lorenzo.Schoon ’t minst in staat tot boosheid, ben ik ’t meest—Wijl tijd en plaats zich tegen mij verbonden,—Verdacht van aandeel in deez’ gruwbren moord.Als klager en gedaagde sta ik hier;’k Beschuldig en ontschuldig hier mijzelf.Vorst.Zeg ons in ’t kort, al wat gij hiervan weet.Lorenzo.Kort zal ik zijn, want de adem, die mij rest,Reikt voor een lang verhalen niet meer toe.Hij, Romeo, die daar ligt, was Julia’s man;Zij, die daar ligt, was Romeo’s trouwe gade.Ik trouwde ze in ’t geheim; hun huw’lijksdagWas Tybalts doodsdag; diens ontijdig stervenVerwees den jongen man in ballingschap.Om hem, om Tybalt niet, was Julia’s smart.Om uit den greep van ’t wee haar los te maken,Hebt gij aan Paris haar verloofd en zoudtTot de’ echt haar dwingen;—nu komt zij tot mij,En eischt, met wilden blik, van mij een middelOm van dien tweeden echt haar te bevrijden,Of in mijn cel zou zij zichzelve dooden.Toen gaf ik haar,—mijn wetenschap vond baat,—Een slaapdrank, die naar eisch zijn werking deed,Want hij omgaf haar met den schijn des doods.Onmidd’lijk schreef ik ook aan Romeo,246Hierheen te komen in deez’ gruwbre nacht,Om haar te ontrukken aan ’t geborgde graf;Dan was de werking van den drank gedaan.’t Noodlottig toeval wilde, dat de broederJohannes, die mijn brief had, niet kon gaan;Hij bracht dien gist’ren mij terug. AlleenGing ik dus tegen ’t uur van haar ontwakenHaar halen uit het graf van haar geslacht,Van plan haar te verbergen in mijn cel,Tot ik aan Romeo tijding zenden kon;Maar toen ik kort voor haar ontwaken kwam,Vond ik den eed’len Paris hier geveld,En nevens haar den trouwen Romeo dood.Ze ontwaakt; ik bad haar dringend mij te volgenEn in Gods wil gelaten te berusten.Gedruisch dreef uit het grafgewelf mij heen,En zij wilde in haar wanhoop mij niet volgen,Maar sloeg, als blijkt, de hand toen aan zichzelf.Ziedaar al wat ik weet; van haren echtWeet ook de voedster. Valt nu van de rampIets van de schuld op mij, neem ’t kleine deel,Dat van mijn wankel leven mij nog rest,En offer ’t aan den strengsten eisch der wet.Vorst.Steeds hebben we u als heilig man gekend.—Waar is nu Romeo’s dienaar? Die treê voor!Balthazar.Ik bracht mijn heer ’t bericht van Julia’s dood;Hij ijlde spoorslags toen van MantuaNaar deze plaats en naar dit grafgewelf.Deez’ brief hier moest ik aan zijn vader brengen;Hij ging in ’t graf en dreigde met den dood,Als ik niet ging en hem daar achterliet.Vorst.Geef mij den brief; ik neem er kennis van.—Des graven page riep de wacht, waar is hij?—Jong mensch, wat deed uw heer op deze plaats?Page.Hij kwam om bloemen op haar graf te strooien,En gaf mij last terug te gaan; zoo deed ik;Toen kwam er een met licht, die ’t graf wilde oop’nen,En weldra viel mijn meester op hem aan,En ik liep, om de wacht te roepen, heen.Vorst.Dit schrijven staaft de woorden van den monnik,Hun huwlijk en de tijding van haar dood;Hij schrijft ook, van een hongrige’ apothekerKocht hij vergift, om hier in Julia’s grafAan hare zij te sterven en te rusten.—Waar zijn die haters? Ziet nu, CapuletEn Montague, wat geesel striemde uw haat!Door liefde doodt de hemel al uw vreugd!Ook ik, te zacht bij uwen twist, verloorEen tweetal magen;—allen zijn gestraft.Capulet.O, broeder Montague, reik mij uw hand;Dit zij mijn dochters weduwgift, want meerKan ik niet vord’ren.Montague.Kan ik niet vord’ren.Maar ik meer u geven;In zuiver goud doe ik haar beeld verrijzen;Zoolang Verona nog Verona heet,Koom’ nooit in waarde een beeld dit beeld nabij,Dat ik aan uw getrouwe Julia wij.Capulet.En nevens haar zij zoo uw zoon herdacht!Rampzalige offers, onzen haat gebracht!Vorst.Een sombren vrede brengt ons deze morgen;Van wee omfloerst de zon haar aangezicht;Dit onderzoek eischt nog mijn droeve zorgen,Opdat ik streng, en toch genadig, richt.Nooit trof het noodlot twee gelieven zoo,Als ’t Julia deed en haren Romeo.(Allen af.)

Vierde Bedrijf.Eerste Tooneel.De cel van broederLorenzo.BroederLorenzoenPariskomen op.Lorenzo.Op Donderdag? voorwaar, dat is kort dag.Paris.Zoo wil ’t mijn vader Capulet, en ikBen niet zoo koel, dat ik zijn spoed vertraag.Lorenzo.Gij weet niet, zegt ge, hoe de jonkvrouw denkt;De weg is ongebaand, ’t bevalt mij niet.Paris.Ze weent onmatig over Tybalts dood,En daarom sprak ik weinig nog van liefde;Want Venus glimlacht niet in ’t huis der tranen.Maar wijl haar vader er gevaar in ziet,Dat zij aldus haar droefheid heerschen laat,Verhaast hij in zijn wijsheid onzen echt,Om zoo dien tranenvloed te stuiten, die,Door ’t eenzaam leven al te zeer gevoed,Gekeerd zal worden door gezelligheid;—Nu weet gij de oorzaak van deez’ haast.LorenzoNu weet gij de oorzaak van deez’ haast.(ter zijde).Wist ikDen grond maar niet, die hier vertraging eischt!(Luid).Zie, graaf, daar treedt de jonkvrouw in mijn cel.(Juliatreedt binnen.)Paris.Wat schoone ontmoeting, mijn geliefde bruid!Julia.Schoon zal ’t eerst zijn, begroet ik u als bruid!Paris.Zoo groeten wij toch Donderdag elkaâr.Julia.Wat moet zijn, zal zijn.Lorenzo.Wat moet zijn, zal zijn.Dat is altijd waar.Paris.Komt gij ter biecht bij deez’ eerwaarden man?Julia.Zeide ik U dit, ik kwam bij u ter biecht.Paris.Verzwijg het hem niet, dat gij mij bemint.Julia.Aan u belijde ik, dat ik hem bemin.Paris.En zeker hem ook, dat ge mij bemint.Julia.Als ik dit doe, stel ’t zeer op prijs; ik spreekDan achter uwen rug, niet in ’t gezicht.28Paris.Ach! uw gezicht heeft van geween geleden.Julia.Een kleine zege voor mijn tranen; ’t was,Aleer zij zoo het schonden, niet veel waard.Paris.Die smaad is erger schennis, dan die tranen.Julia.De waarheid, graaf, kan nimmer schennis zijn;En ’k smaalde daar mijzelf in ’t aangezicht.Paris.’t Gezicht, dat gij zoo smaadt, is mijn gezicht.Julia.’t Zou kunnen zijn, ’t is van mijzelve niet.—Kom ik u, heil’ge vader, thans gelegen,Of zal ik keeren tegen vespertijd?Lorenzo.’k Heb thans wel tijd voor u, bezwaarde dochter.—Ik bid u, eedle graaf, laat ons alleen.Paris.Verhoede God, dat ik uw vroomheid stoor!Ik wek u, Julia, Donderdag reeds vroeg;Zoolang vaarwel; en neem deez’ heil’gen kus!(Pariskust haar de hand en gaat heen.)Julia.O, sluit de deur, en dan, o ween dan met mij!’t Is alles uit, geen hulp, geen heil, geen hoop!Lorenzo.Ach Julia, ’k weet uw leed alreeds; het maaktMijzelf verward, verbijsterd, radeloos;Ik hoor, gij moet,—en niets vertraagt dit meer,—Op Donderdag gehuwd zijn met den graaf.Julia.Zeg, vader, niet, dat gij dit hebt gehoord.Of zeg mij ook, hoe ik ’t verhoeden kan.En als uw wijsheid mij geen redding weet,Erken dan slechts, wat ik besloot, als wijs,En ’k help terstond mijzelve met dit staal.God voegde Romeo’s hart en ’t mijne saam,Gij onze handen; en eer deze hand,Die gij gezegeld hebt aan Romeo,Zich aan een ander echtverbond laat zeeg’len,Of mijn trouw hart verraad pleegt, van hem afvalt,Zich naar een ander keert, doodt dit die beide.Dus geef, uit uw veeljarige ondervinding,Mij snellen raad; of anders zij dit staalScheidsrechter tusschen ’t dreigend lot en mij;’t Beslechte, wat uw wijsheid en ervaringNiet tot een eervolle uitkomst brengen kan.Spreek bondig, snel; gewenscht is mij de dood,Brengt, wat gij spreekt, geen redding in mijn nood.Lorenzo.Hoû op, mijn dochter, ’k speur een zweem van hoop;68Maar ze eischt een hand’ling zoo wanhopig, alsDe wanhoop is, die gij te ontkomen wenscht.Hebt gij de kracht van wil, dat ge eer uzelfDen doodsteek geeft, dan dat gij Paris huwt,Dan biedt ge ook wel den schijn des doods de hand,Keert gij daardoor deez’ smaadheid van u af,Gij, die in de’ arm des doods haar wilt ontgaan.Hebt gij dien moed, dan bied ik ’t middel aan.Julia.O, zeg mij, liever dan den graaf te huwen,Een sprong te doen van gindschen torentrans;Zend mij, waar roovers loeren, slangen sissen,Of keten mij aan woeste beren vast;Of sluit mij op, ’s nachts, in een knekelhuis,Rondom door ramm’lend doodsgebeent’ bedolven,Door bruine schenkels, kakelooze schedels;Of doe mij in een pas gedolven graf,Mij hullen met een lijk in ’tzelfde kleed,—Ja, al waarvan ’t verhaal mij siddren deed,Ik zal het zonder vrees of weifling doen,Om de onbevlekte gâ mijns liefs te blijven.Lorenzo.Welaan, ga welgemoed naar huis, en stemIn de’ echt met Paris toe. ’t Is morgen Woensdag;Draag zorg, de nacht, die volgt, alleen te zijn;Uw voedster slaap’ dan niet in uw vertrek.Neem dan dit fleschje, als gij te bedde ligt,En drink dit vocht, van kruidensap bereid.Onmidd’lijk zal een kille slaap’righeidDoor al uw aad’ren stroomen; iedre polsVerflauwt, staat stil; geen warmte of adem tuigt,Dat gij nog leeft; het rood van wang en lipWordt grauw als asch; het luik der oogen valt,Als sloot de dood den dag des levens af.Elk lid, van buigingskracht beroofd, wordt stijfEn strak en koud, als door de hand des doods.En zulk een schijnbeeld van den killen doodVerblijft gij twee en veertig uren lang;Dan zult ge ontwaken als uit zoeten slaap.Verschijnt des morgens dus uw bruidegom,En wekt hij u tot de’ echt, dan zijt ge dood;En, naar ’s lands wijze, wordt gij op de baarIn uwe schoonste kleedren, onbedekt,Gedragen naar datzelfde aloud gewelf,Dat heel ’t geslacht der Capulets omsluit.Omstreeks den tijd, dat gij ontwaken zult,Zal Romeo, wien ’k alles schrift’lijk meld,Hierheen zich spoeden; samen wachten wij’t Ontwaken af, en nog die eigen nachtGeleidt hij u van hier naar Mantua.Dit redt u van den smaad, die u bedreigt,Als niet door wankelheid of vrouwlijke angstUw kloeke moed in ’t handlen zelf bezwijkt.Julia.O, geef toch, geef; spreek niet tot mij van angst.Lorenzo.Neem ’t dan, en ga. Volhard in uw besluit;Dan wacht u heil. Een kloosterbroeder brengtTerstond mijn brief naar uwen gade heen.Julia.Dat liefde kracht, en kracht mij hulp verleen!Vaarwel, eerwaarde vader!(Beiden af.)Tweede Tooneel.Een kamer inCapulet’shuis.Capulet,GravinCapulet,de Voedster en twee Bedienden komen op.Capulet.Ga, neem deez’ lijst en noodig al die gasten.(Bediende af.)Gij, huur me een twintigtal bekwame koks.Tweede Bediende.Ik zal zorgen, heer, dat er geen enkele slechte onder loopt, want ik zal zien, of ze hun vingers wel goed kunnen aflikken.Capulet.Waartoe moet die proef dienen?Tweede Bediende.Wel, heer, het zeggen is, dat het een slechte kok is, die zijn eigen vingers niet kan aflikken; daarom, die dit niet kan, daar wil ik niets van weten.Capulet.Ga, maak voort.(Bediende af.)De tijd is kort, wij komen nauw’lijks klaar.—Zeg, is mijn dochter naar Lorenzo toe?Voedster.Ja zeker, heer.Capulet.Nu, ’k hoop dan maar, dat zijn vermaan wat helpt;Zij is een eigenzinnig, luimig ding.(Juliakomt op.)Voedster.Daar komt zij van de biecht en welgemoed.Capulet.Hoe is ’t, mijn stijfkop? Waar hebt gij gezworven?Julia.Waar ’k leerde door berouw de schuld te boeten,Dat ik halsstarrig weerstand bood aan uEn uw gebod; en waar de heil’ge manMij heeft gelast, geknield, heer, u vergiff’nisTe vragen.—Schenk vergeving, smeek ik u;Voortaan vindt gij mij steeds een volgzaam kind.Capulet.Een boodschap naar den graaf! bericht hem dit;En morgen vroeg zij nu de knoop gelegd.Julia.Den jongen graaf ontmoette ik bij Lorenzo,En heb hem zooveel minzaamheid getoond,Als met de zedigheid bestaanbaar is.27Capulet.Dat hoor ik gaarne; nu ’t is goed; sta op;Zoo moet het zijn!—Ik wil den graaf nu spreken;Kom, ga dan, zeg ik, ga toch, haal hem hier.—Bij God, die eerbiedwaarde, heil’ge vaderHeeft heel de stad ten zeerste aan zich verplicht.Julia.Kom, voedster, ga nu mede, naar mijn kamer,En help mij bij de keuze van den tooi,Dien gij op morgen ’t beste voor mij acht.Gravin Capulet.Neen, Donderdag is ’t eerst, er is geen haast.Capulet.Ga, voedster, mee; ’t is morgen; dan ter kerk.(Juliaen de Voedster af.)Gravin Capulet.’t Is veel te kort om alles te beschikken,Zie, de avond valt!Capulet.Zie, de avond valt!Stil, laat mij maar begaan;’t Zal alles klaar zijn, vrouw, ik sta u borg.Ga gij naar Julia, help haar aan haar kleeding.’k Ga niet naar bed van nacht; laat mij begaan,’k Wil nu ook eens voor huisvrouw spelen.—Hé!—Wat! allen weg!—Dan zal ikzelf graaf ParisGaan zeggen, dat hij zorg’ gereed te zijnOp morgen vroeg.—Het is me een steen van ’t hart,Nu zoo dat koppig ding tot inkeer kwam.(Beiden af.)Derde Tooneel.Julia’skamer.Juliaen de Voedster komen op.Julia.Ja, dit kleed is het best; maar, lieve min,Laat, bid ik u, mij deze nacht alleen;Want ik behoef wel meen’ge bede, opdatDe hemel vriendlijk op mijn toestand blikk’,Die, als ge weet, verkeerd is en vol zonde.(GravinCapuletkomt op.)Gravin Capulet.Hoe, zoo bedrijvig nog? kan ik u helpen?Julia.Neen, moeder, alles is gereed gelegd,Wat voor mijn kerkgang morgen wordt vereischt;Wees slechts zoo goed en laat mij nu alleen,En laat deez’ nacht de voedster met u waken,Want gij hebt zeker wel uw handen volBij zulk een haastig huw’lijk.Gravin Capulet.Bij zulk een haastig huw’lijk.Goede nacht!Ga gij te bed, neem rust; dat hebt ge noodig.(GravinCapuleten de Voedster af.)Julia.Vaarwel!—God weet, wanneer we elkander weêrzien.—Door de aad’ren rilt me een matte, killende angst,Die ’s levens warmte schier bevriezen doet;Ik roep haar weer tot stilling van mijn vrees.Hé, voedster!—Maar waartoe?18Mijn schrikb’re taak moet ik alleen voleinden.—Kom, fleschje!—Maar hoe, als deze drank geen werking had?Moet ik volstrekt dan morgenochtend huwen?Neen; gij belet dit, gij; lig daar gereed.(Zij legt een dolk bij zich neêr.)Doch, als het eens vergift was, dat de monnikArglistig had bereid, opdat ik sterve,En hij door dezen echt niet worde onteerd,Wijl hij mij eerst met Romeo verbond?Ik vrees het; en toch, dunkt mij, ’t kan niet zijn;Hij is beproefd, bleek steeds een heilig man.—Maar hoe, wanneer ik, in het graf gelegd,Ontwake vóór den tijd, dat RomeoMij komt bevrijden? welk ontzettend lot!Zal ik dan niet versmoren in ’t gewelf,Welks giftmond nimmer zuivre lucht doorstroomt,Den stikdood sterven, eer mijn Romeo komt?Of, leef ik al, is ’t niet waarschijnlijk, datHet huivringwekkend beeld van dood en nacht,Vereend met al de afgrijslijkheid der plaats,—Dat grafgewelf, dat oud verblijf des doods,Waar, al zoo menig honderd jaar, ’t gebeent’Van heel mijn voorgeslacht is opgehoopt;Waar Tybalt, bloedig, pas aan de aard vertrouwd,In zijne wâ vergaat; waar, zoo men zegt,Des nachts op sommige uren geesten waren;—Wee, wee mij, is het niet waarschijnlijk, datIk, vroeg ontwakend, in die pestlucht, bijGekrijsch als van alruinen, de aard ontscheurd,Dat levenden, die ’t hooren, zinloos maakt,—O, zal ’k, ontwakend, niet verbijsterd zijn,Omringd van al die aak’ligheid en schrik,En zinloos spelen met eens grootvaârs rif,En Tybalts lichaam plukken uit zijn wâ;En mij, zoo razend, met eens voorzaats knook,Als met een knots, ’t arm brein te pletter slaan?O, zie! daar is ’t me, als zie ik Tybalts geest!Hij zoekt mijn Romeo, die met een zwaardHem heeft gespietst!—Sta, Tybalt! weg! ik gruw!—Romeo, ik kom! Deez’ dronk wijd ik aan u.(Zij werpt zich op haar bed.)Vierde Tooneel.Een zaal inCapulet’shuis.GravinCapuleten de Voedster komen op.Gravin Capulet.Hier, neem de sleutels, haal nog specerijen.Voedster.Voor de pasteien zijn nog dadels noodig,En kweeën ook.(Capuletkomt op.)Capulet.En kweeën ook.Kom, vlug, vlug! vlug! daar isHet tweede haangekraai al. Hoor, daar luidtHet morgenklokje reeds. Het is drie uur.Angelica, kijk gij naar de pasteien;Geen geld gespaard!Voedster.Geen geld gespaard!Kom, keukenklauwer, ga!Ga liever slapen; morgen zijt gij ziekVan ’t waken van deez’ nacht.Capulet.Van ’t waken van deez’ nacht.Neen, neen, geen nood;’k Heb vroeger vaak een heele nacht gewaakt,Als ’t minder noodig was; en ’t deed mij niets.Gravin Capulet.Ja, ja, ge hieldt wel van een maanschijnjacht;Maar ’k waak wel, dat ge thans zoo niet meer waakt.(GravinCapuleten de Voedster af.)Capulet.Jaloersch, waarachtig nog jaloersch?(Bedienden met braadspitten, houtblokken en manden komen op.)Jaloersch, waarachtig nog jaloersch?Hé knaap!Wat hebt ge daar?Eerste Bediende.’t Is voor den kok, heer, maar ik weet niet wat.Capulet.Maak voort, maak voort!(Eerste Bediende af.)Maak voort, maak voort!Gij knaap, haal droger blokken;Laat Peter u maar wijzen, waar ze zijn.Tweede Bediende.’k Ben, heer, wel slim genoeg om zelf de blokkenTe vinden, en ’k laat Peter maar met rust.(Bediende af.)Capulet.Nu, bij mijn ziel, wilt gij zoo’n slimmerd zijn,Dan maak ik u tot blokkersbaas!—’t Is dag;Zoo daadlijk komt de graaf hier met muziek;Zoo, zei hij, was zijn plan.—(Muziek buiten.)Zoo, zei hij, was zijn plan.—Ik hoor hem al.—Hé, minne! vrouw! kom hier! hé, minne, kom!(De Voedster komt op.)Ga Julia roepen, tooi haar op als bruid.Ik ga wat keuvlen met graaf Paris.—Vlug!Maak spoed, maak spoed! De bruîgom is er al;Maak spoed, zeg ik.(Beiden af.)Vijfde Tooneel.Julia’skamer.Juliaop haar bed.De Voedster komt op.Voedster.Hé jonkvrouw!—jonkvrouw!—Julia!—Nu, die slaapt!Mijn duif je!—kom toch, jonkvrouw!—Foei, gij slaapster!—Mijn hartje!—Hoor toch, jonkvrouw!—Kom toch, bruidje!—Hoe is ’t? Geen woord?—Wel, wel, ge slaapt vooruitWel voor een week;—nu, nu, de nacht, die komt,Zet wis graaf Paris wel zijn rust op ’t spel,Dat gij uw rust niet hebt.—Wel, God vergeev’ me!Waarachtig; zie eens! nu, die slaapt gezond!Maar wakker moet ze.—Jonkvrouw, jonkvrouw, jonkvrouw!Zoo straks verrast de graaf u nog in bed;Dan springt gij op met schrik.—Hoe is ’t, nog niet?—(Zij slaat de gordijnen open.)Wat! aangekleed! en zoo gekleed gaan liggen!Ik moet u wekken. Jonkvrouw, jonkvrouw, jonkvrouw!O God! wat is dat? help, help, help! ze is dood!O dag van ramp! o ware ik nooit geboren!—Een hartversterking, ach!—O graaf! gravin!(GravinCapuletkomt op.)Gravin Capulet.Wat is dat hier?Voedster.Wat is dat hier?O jammervolle dag!Gravin Capulet.Wat is er dan?Voedster.Wat is er dan?Zie, zie! O, dag van ramp!Gravin Capulet.Wee mij! wee mij! Mijn kind, mijn eenig leven!Herleef! zie op, of ik, ik sterf met u!Hulp, hulp! Roep hulp!(Capuletkomt op.)Capulet.Wel foei! Breng Julia toch! haar man is daar.Voedster.Ze is dood, gestorven, dood; o dag van wee!Gravin Capulet.O dag van wee, ze is dood, ze is dood, ze is dood!Capulet.Wat! Laat mij zien! Helaas, ’t is uit! ze is koud!Haar bloed staat stil, haar leden zijn verstijfd,Dien lippen is het leven lang ontvloden!De dood ligt op haar, als een booze nachtvorstOp ’t schoonste, geurigst bloempje van het veld.Voedster.O jammervolle dag!Gravin Capulet.O jammervolle dag!O tijd van wee!Capulet.De dood, die haar geroofd heeft tot mijn jammer,Verstijft mijn tong en laat geen klacht mij toe.(BroederLorenzoenPariskomen op, door muzikanten vergezeld.)Lorenzo.Komt, is de bruid gereed ter kerk te gaan?33Capulet.Gereed tot gaan, om nimmer weer te keeren.—O zoon, de nacht voor uwen huwlijksdagNam haar de dood tot gade. Zie, daar ligt zij;Een schoone bloem, ontbladerd door den dood.Mijn schoonzoon is de dood; de dood beërft mij,Als man van mijne dochter. Sterven wil ik;Mijn lijf, mijn have en goedren erv’ de dood.Paris.Hoopte ik zoo lang dit morgenrood te zien,En geeft het zulk een jammer mij te aanschouwen?Gravin Capulet.O vloekdag, rampvol,aak’lig, zwart, verfoeilijk!Onzaligst, bitterst uur, dat ooit de tijdAanschouwd heeft op zijn langen pelgrimstocht!Slechts één, één arm, één arm, beminnend kind,Één enkel wezen voor mijn vreugde en troost,En dat heeft mij de wreede dood ontrukt!Voedster.O jammer-, jammer-, jammervolle dag!O dag van jammer, dag van ’t diepste wee,Zooals ik nimmer, nimmer heb gezien!O dag, o dag, o dag, o vloekb’re dag!Nooit werd een dag, zoo zwart als deze, aanschouwd;O dag van wee, o dag van wee!Paris.Misleid, beroofd, gehoond, gekrenkt, vernietigd!Vloekwaarde, booze dood, door u misleid;Door u zoo wreed, zoo wreed ter neer geveld!O liefde, o leven!—Neen, geen leven meer,Slechts liefde nog, den dood gewijd!Capulet.Slechts liefde nog, den dood gewijd!Veracht,Gehaat, tot smaad gedoemd, gemarteld, dood!Onzaal’ge dag, waarom verreest ge alleenOm ’t plechtig feest te niet, te niet te doen?—O kind, o kind!—Mijn ziel, en niet mijn kind!—Dood zijt ge, dood!—Helaas, mijn kind is dood!Mijn vreugd zinkt mèt haar in der aarde schoot!Lorenzo.Stil, schaamt u! stil! Dit heilloos jamm’ren schenktGeen troost in ’t leed. Gij deeldet met den hemelDeze engel; nam de hemel haar geheel,Het heerlijkst lot viel aan uw kind ten deel.Gij kondt ùw deel niet veil’gen voor den dood,De hemel schenkt zijn deel onsterflijkheid.Haar te verheffen was uw hoogste doel;Uw hemel was ’t, verheven haar te zien,En weent gij, nu gij haar verheven ziet,Hoog boven wolken, ja ten hemel zelf?Verkeerde liefde wijdt ge uw kind; uw leedIs redeloos, nu gij haar zalig weet!Een lange trouw is niet de beste trouw;Die vroeg den hemel trouwt, heeft nooit berouw.Wischt dan uw tranen! siert dit schoone lijkMet rosmarijn, en brengt haar naar ’s lands wijsIn ’t schoonste feestgewaad ter kerke heen;Want dwing’ natuur in ’t leed ons tranen af,De rede noemt die plenging dwaas, ja, laf.83Capulet.Ach, al wat tot het feest was voorbereid,Wordt thans de tolk van onze treurigheid;’t Blij snarenspel wordt romm’lend klokgebrom,De bruiloftsdisch een droevig doodmaal nu,De jubellied’ren sombre grafgezangen,De bruidskrans dient tot tooiing van een lijk,En alles is in ’t tegendeel verkeerd.Lorenzo.Heer, thans van hier;—en volg gij, eedle vrouw!—Ook gij, graaf Paris;—maak’ zich elk gereed,Deez’ schoone doode naar het graf te volgen.De hemel straft hier wis een booze daad;Tergt hem niet meer en eert zijn hoogen raad.(Capulet,GravinCapulet,ParisenLorenzoaf.)Eerste Muzikant.Op mijn woord, wij kunnen onze instrumenten wel inpakken, en aftrekken.Voedster.Ja, goede lieden, pakt maar in, pakt in;Gij ziet het zelf, ’t is treurig met dit huis.(De Voedster af.)Eerste Muzikant(op het foedraal van zijn instrument wijzende).’t Wordt tijd voorwaar, dit huis weer op te lappen.(Peterkomt op.)Peter.Muzikanten, o muzikanten; speelt toch eens: „Schep vreugde in ’t leven!” O! als ge wilt, dat ik ’t leven heb, speelt dan: „schep vreugde in ’t leven!”Eerste Muzikant.Waarom „Schep vreugde in ’t leven?”Peter.Ach muzikanten, omdat mijn hart zelf speelt: „Breek, breek mijn hart, van ’t wee!” O speelt mij eens een vroolijke weeklacht om mij wat op te beuren.Eerste Muzikant.Niets van weeklacht, ’t is nu geen tijd van spelen.Peter.Ge wilt dus niet?Muzikanten.Neen.Peter.Daar zult ge voor hebben!Eerste Muzikant.Wat wilt ge geven?Peter.Geen geld voorwaar, maar een naam: ik noem je stomme muzikanten.Eerste Muzikant.En wij jou een stomme’ knecht.118Peter(zijn koksmes trekkend).En dan bespeel ik je met dezen strijkstok, tot je geluid geeft; je zult wel merken, ik heb wel noten op mijn zang, ik zal je mifasollen, heele maat!Eerste Muzikant.Als je met ons sollen wilt, dan staat hier je maat!Tweede Muzikant.Kom, pak dat scherp stuk ijzer maar weer in, en wat geest uit.Peter.Past dan maar op voor mijn geest. Ik zal je steken met mijn scherpen geest en mijn stuk ijzer weer opsteken. Geeft mij nu antwoord als mannen:„Is ’t hart van zware zorgen krank,En droef en dof ’t gemoed,Muziek maakt met haar zilverklank”—Waarom „muziek met haar zilverklank?”—Wat zeg jij, Simon Kattesnaar?Eerste Muzikant.Wel, man, omdat zilver een liefelijken klank heeft.Peter.Lorrepraat!—Wat zeg jij, Hans Strijkstok?Tweede Muzikant.Ik zeg „zilverklank”, omdat muzikanten voor zilver spelen.Peter.Al even mooi.—Wat zeg jij, Kobus Windkast?Derde Muzikant.Och, ik weet waarachtig niet, wat ik zeggen zal.Peter.’t Is waar ook, jij bent de zanger van ’t gezelschap, en daarom zal ik voor je spreken. Het is „muziek met haar zilverklank,” omdat muzikanten geen goud kunnen laten klinken;„Muziek maakt met haar zilverklankMet spoed weer alles goed.”(Peteraf.)Eerste Muzikant.Wat een giftige schavuit is dat!Tweede Muzikant.De nikker haal’ hem!— Kom, laat ons hier binnengaan, en op de rouwklagers wachten, en zien, of er niets te smullen valt.(Allen af.)Vijfde Bedrijf.Eerste Tooneel.Mantua.Een straat.Romeokomt op.Romeo.Wanneer de slaap niet, vleiend, mij bedriegt,Verkondt mijn droom, dat heuglijk nieuws mij nadert.Licht zit mijn liefde in mijne borst ten troon;Een ongewone moed heft heel den dagMij boven de aard door streelende gedachten.Mijn gade, droomde ik, kwam en vond mij dood;—Wat vreemde droom, die dooden denken laat!—Mijn lippen kussend, blies zij me adem in,Zoodat ik weer herleefde en keizer was.Hoe heerlijk is ’t bezit der liefde zelf,Als liefdes schaduw reeds zoo vreugdrijk is!(Balthazarkomt op.)Nieuws van Verona! Balthazar, wat is er?Brengt gij geen brieven van den pater mee?Hoe is ’t mijn gade? En is mijn vader wel?Hoe is ’t mijn gâ, mijn Julia? vraag ik weêr;Want niets kan kwalijk zijn, is ’t haar slechts wèl.Balthazar.Dan is ’t haar wel, en niets kan kwalijk zijn;Haar lichaam slaapt in ’t graf der Capulets,En haar onsterflijk deel leeft ginds bij de eng’len.Ik zag haar bij haar vaad’ren neêrgelegd,En ijlde spoorslags om u dit te melden.Vergeef mij deze slechte tijding, heer,Ik deed slechts naar ’t bevel, dat gij mij gaaft.Romeo.Is ’t zoo, is ’t zoo?—Dan, sterren, tart ik u!—24Gij weet mijn huis; haal mij papier en inkt,En huur mij paarden, ’k wil deez’ nacht van hier.Balthazar.O heer, ik bid, bezweer u, wees toch kalm!Gij ziet zoo bleek er uit, zoo woest; die blikVerkondigt onheil.Romeo.Verkondigt onheil.Neen, stel u gerust;Verlaat me, en doe, wat ik u daar beval.Gij brengt geen brief mij van den pater mee?Balthazar.Neen, beste heer.Romeo.Neen, beste heer.Om ’t even; ga nu heenEn huur de paarden; spoedig kom ik na.(Balthazaraf.)O Julia, deze nacht rust ik bij u.Welk middel kies ik?—Euveldaad! hoe snelNeemt gij de ziel van radeloozen in!—’k Herinner mij: er woont hier in de buurtEen apotheker; onlangs zag ik hemIn haveloos gewaad; met somb’ren blikVerlas hij kruiden; de oogen stonden hol;40’t Gebrek had hem doorknaagd tot op ’t gebeent’;En in zijn schaam’len winkel hing een schildpad,Een krokodil en and’re huiden vanWanschapen visschen; op de schappen stondEen armlijk boeltje van wat leêge doozenGroene aarden potjes, blazen, schimm’lig zaad,Met eindjes bindtouw, koekjes, uitgedroogd,Wat ver uiteen, voor ’t maken van vertoon.Bij ’t zien dier armoê zeide ik tot mijzelf:„De dood staat op ’t verkoopen van vergiftIn Mantua, maar als één ’t noodig had,Hier vond hij de’ armen schelm, die ’t hem verkocht.”Dat was een voorgevoel van mijn behoefte,En deez’ behoeftige verschaft het mij.Hier is zijn huis, zoo ’k wel heb; maar ’t is feestdag,En daarom is des beed’laars winkel dicht.Hé, apotheker, hé!(Een Apotheker komt naar buiten.)Apotheker.Hé, apotheker, hé!Wie roept zoo luid?Romeo.Kom nader, man!—Ik zie wel, gij zijt arm,Neem, daar zijn veertig stuks dukaten; geef meEen slok vergift, een drank, die snel en krachtigDoor de aad’ren zich verspreid, zoodat de man,Die levensmoê is, drinkt en nederstort;En dat zijn borst van de’ adem zich ontlaadtMet zulk geweld, als ’t haastig kruit ontvlamtEn losbreekt uit moorddadig krijgsgeschut.Apotheker.Ik heb zulk moordend gif, doch MantuaStraft met den dood een elk, die het verkoopt.Romeo.Gij, gij, zoo naakt, zoo van ellend’ bezocht,Vreest gij den dood? De honger groeft uw wang;Gebrek en kommer smachten in uw oog;Verguizing hangt in lompen om uw rug;De wereld noch haar wetten zijn uw vriend;De wereld heeft geen wet, die u verrijkt;Wees dan niet arm, neem dit, en breek de wet.Apotheker.Alleen mijn armoê, niet mijn wil, stemt toe.Romeo.’k Betaal alleen uw armoê, niet uw wil.Apotheker.Giet dit in welke vloeistof gij maar wilt,En drink het op; al hadt gij ook de krachtVan twintig man, onmidd’lijk zijt ge een lijk.Romeo.Hier is uw goud, een erger zielsvergifEen boozer moorddrank in deez’ booze wereld,Dan ’t brouwsel, dat gij niet verkoopen moogt.Gij kocht vergift van mij, ik niet van u.Vaarwel, koopt eten, zet u eens in ’t vleesch!—Kom, laaf’nisdrank, geen gift! verzel mij nuNaar Julia’s graf, want daar behoef ik u.(Beiden af.)Tweede Tooneel.Verona.Lorenzo’scel..BroederJohanneskomt op.Johannes.Eerwaarde Franciscaner! broeder, hé!(Lorenzokomt op.)Lorenzo.De stem is ’t van Johannes, onzen broeder.—Welkom van Mantua! En welk berichtVan Romeo? Of schreef hij? Geef dan hier.Johannes.Ik zocht mij tot geleide een barvoetsbroeder.Een van onze orde, die hier in de stadZich aan ’t bezoek van kranken heeft gewijd.Ik vond hem, maar de wacht der stad verdachtZijn huis van door de pest besmet te zijn,Verzegelde de deur en sloot ons op;Onmooglijk werd mijn tocht naar Mantua.Lorenzo.Wie bracht mijn schrijven dan aan Romeo?Johannes.Ik kon ’t niet zenden;—hier is ’t weer terug.Ik vond geen bode zelfs om ’t u te brengen,Zoo angstig voor besmetting was een elk.Lorenzo.Onzalig noodlot! Bij mijn heilige orde,De brief was niet een beuz’ling, doch zwaarwichtig,Van ’t hoogst belang,—en ’t niet-bestellen brengtLicht groot gevaar. Broeder Johannes, ga,Haal mij een koevoet, breng mij dien terstond.Johannes.Ik breng ’t u daad’lijk, broeder.(BroederJohannesaf).Lorenzo.Alleen moet ik naar ’t graf nu. In drie uurOntwaakt de schoone Julia. O, zij zalBedroefd en boos zijn, dat ik RomeoGeen kennis gaf van wat er is gebeurd.Maar ’k schrijf nog eens naar Mantua; mijn celVerberg’ haar, tot de komst haars echtgenoots;Die arme, levend in ’t verblijf des doods!(Lorenzoaf.)Derde Tooneel.Verona.Een kerkhof; daarop het familiegraf derCapulets.Parisen zijn Page, met bloemen en een fakkel, komen op.Paris.Geef mij de fakkel, knaap; sta verder weg;—Neen, doe haar uit; men moet mij hier niet zien.Ga, vlij u onder gindsche taxisboomen,En houd uw oor vlak op den hollen grond;Zoo kan geen voet het kerkhof hier betreên,Dat overal van ’t graven is doorwoeld,Of gij verneemt het. Komt er iets, zoo fluitAls teeken, dat gij iemand naad’ren hoort.Geef mij die bloemen; ga, doe wat ik zeg.Page(ter zijde).Ik ben beangst, zoo op het kerkhof hierAlleen te blijven, maar ik wil het wagen.(Hij verwijdert zich.)Paris.’k Strooi rozen op uw bruidsbed, rozeknop;—Helaas, ’t is overwelfd met stof en steen!—En sprenkel ’s nachts er geur’ge waat’ren op,Of, mis ik die, de tranen, die ik ween;15Zoo zij met frisch gebloemte nacht op nacht,Mijn hulde en rouw u weenend toegebracht!(De Page fluit.)Daar geeft de knaap het sein, dat iemand komt.Wat vloekb’re voet treedt ’s nachts hier in en stoortDer liefde lijkdienst in dit heilig oord?Wat, met een toorts? Omhul mij, nacht, een poos.(Hij gaat ter zijde.)(RomeoenBalthazarkomen op, met een toorts, een koevoet enz.)Romeo.Geef mij den koevoet hier, en het houweel.Hier, neem deez’ brief; bezorg hem morgen vroeg,Gijzelf, in handen van mijn heer en vader.Geef mij de toorts, en, op verbeurt’ van ’t lijf,Wat gij ook hoort of ziet, blijf verre staan,En zorg mij niet te storen in mijn doen.Ik daal in deze woning van den dood,Deels om nog eens haar lief gelaat te zien,Maar toch vooral, om van haar dooden vingerEen kostb’ren ring te nemen, ja, een ring,Die tot gewichtig werk mij dienen moet.Daarom, ga heen;—maar drijft uw argwaan uTerug te keeren en te zien, wat ikMij verder voorgenomen heb te doen,Bij God! in stukken rijt ik u en zaaiHier op dit vratig kerkhof uwe leden.De tijd en mijn gemoed zijn razend wild,Veel grimmiger, veel feller, min vermurwbaar,Dan holle tijgers, of de woeste zee.Balthazar.’k Wil gaan, heer, en ik zorg u niet te storen.Romeo.Dan handelt ge als een vriend.— Hier, neem gij dit;Vaarwel, en leef gelukkig, goede vriend!Balthazar(ter zijde).’k Verschuil mij hier, wat hij mij ook verbied’;Ik ducht dien blik; zijn doel vertrouw ik niet.(Hij gaat terug.)Romeo.Verfoeib’re muil, gij ingewand des doods,Die ’t kostelijkst gerecht der aard verslondt,Zoo breek ik uw verdervingskaken open,47(Hij breekt de deur van het grafgewelf open.)En dwing, uws ondanks, u meer voedsel op!Paris.Wat, die verbannen, trotsche Montague,Die Julia’s neef vermoordde, aan welke smart,Naar men vermoedt, dit lieflijk wezen stierf,Nu komt hij op deez’ heil’ge plaats en wilHier lijkeschennis plegen; ’k wil hem vatten.(Hij treedt opRomeotoe.)Staak, lage Montague, uw snood bestaan!Gaat dan de wraak nog verder dan het graf?Verbannen schurk! Gevangen neem ik u;Gehoorzaam en ga mee, want sterven moet gij!Romeo.Dat moet ik, ja; en daartoe kwam ik hier.—Tart, edel jong’ling, niet een raad’loos man,Vlied en verlaat mij; denk aan deze dooden;Hun noodlot schrikke u af.—’k Bezweer u, jonkman,Hoop op mijn hoofd geen nieuwe zonde, en wekMijn razernij niet op; ga, jongeling, ga!Bij God, ’k zorg meer voor u dan voor mijzelf,Want ik belaag gewapend hier mijzelf;Draal niet, maar ga; blijf leven, en zeg danIk week op de’ aandrang van een razend man.Paris.’t Is al om niet; ik lach met uw bezwering,En vat u als een snood weerspanneling.Romeo.Gij wilt mij tarten, knaap? verweer u dan.(Zij vechten.)Page.O God, zij vechten daar; ik haal de wacht.(De Page af.)Paris.O, ’k ben getroffen, dood’lijk!(Hij valt.)Hebt ge erbarmen,Zoo open ’t graf, leg mij naast Julia.(Hij sterft.)Romeo.Dat wil ik doen.—Dat ik ’t gelaat eens zie;’t Is Paris, de eed’le graaf, Mercutio’s neef!Wat zeide toch mijn dienaar, bij den rit,Waar mijn geschokte ziel geen acht op sloeg?Hij zeide, Paris zou met Julia huwen.Ik meen, dat hij dit zeide; of droomde ik dit?Of is ’t mijn waanzin, die zoo denkt, wijl hijDaar zelf van Julia sprak! O! geef me uw hand,Gij, met me in ’t boek des onspoeds opgeschreven!’k Begraaf u in een zegepralend graf;Een graf? Een lichtgewelf, verslagen jongling;Want hier rust Julia; haar schoonheid maaktDeez’ krocht tot feestlijk hel verlichte zaal.Rust, doode, hier, begraven door een doode.(Hij legtParisin het grafgewelf.)Hoe vaak speelt niet een glimlach om den mondVan stervenden! Hun wakers noemen datEen flikk’ring vóór den dood; o, zoo mag ikDit flikk’ring heeten! Mijn geliefde vrouw!De dood zoog ’t honigzoet uws adems in,Maar heeft op uwe schoonheid niets vermocht.Nog zijt gij niet verwonnen; schoonheids vaanDekt purperrood uw lippen nog en wang,95Daar werd geen vale doodsvlag nog ontrold!—Ligt gij daar, Tybalt, in uw bloedig kleed?Hoe bied ik beter zoen u aan, dan datDe hand, die ùw jeugd afsneed, ook de jeugdVan hèm doorkliev’, die eens uw vijand was?Vergeef mij, neef!—Ach, dierb’re Julia,Waaròm zijt gij nu nog zoo schoon? Moet ikGelooven, dat de lichaamlooze doodVerliefd is, en het dor, verafschuwd monsterU hier in ’t duister houdt als zijn boelin?Ik vrees ’t, en daarom blijf ik bij u wijlen,Om nooit uit dit paleis der donkre nachtWeêr heen te gaan; hier wil ik blijven, hier,Bij wormen, uwe kameniers; ja, hierSpreid ik mij ’t bed der eeuw’ge rust en schudIk ’t juk, door booze sterren me opgelegd,Van ’t afgesloofde lijf.—Uw laatsten blik,Gij oogen! uwe laatste omhelzing, armen!En, ademspoorten, lippen, zeeg’le uw kusDen eeuwigen bond met de’ alverzwelger, Dood!—(Hij kust haar en haalt een fleschje te voorschijn.)Kom, wreede leidsman, kom, afschuwlijk gids!Zet, raad’loos stuurman, ’t afgesolde schipIn eens nu op de brijzelende klip!Dit, liefste, aan u! (Hij drinkt.)—Braaf man! ’t was waarheid dus;Uw drank is snel;—zoo sterf ik met een kus.(Hij sterft.)(Lorenzoverschijnt aan het andere einde van het kerkhof, met lantaren, koevoet en spade.)Lorenzo.Wees, Sint Franciscus, mij nabij! Hoe vaakStiet ik mijn oude voeten aan een graf!—Wie daar?Balthazar.Een vriend, en een die goed u kent.Lorenzo.God zegen’ u! En zeg mij, goede vriend,Wat is dat voor een toorts, die licht verspiltAan wormen en aan oogenlooze schedels?Zie ’k wel, dan brandt ze in ’t graf der Capulets.Balthazar.Zoo is het, heilig man; daar is mijn meester;Gij hebt hem lief.Lorenzo.Gij hebt hem lief.Wien meent gij?Balthazar.Gij hebt hem lief. Wien meent gij?Romeo.Lorenzo.Sinds hoe lang is hij daar?Balthazar.Sinds hoe lang is hij daar?Ruim een half uur.Lorenzo.Ga met mij naar ’t gewelf.Balthazar.Ga met mij naar ’t gewelf.Ik durf niet, Heer,Mijn meester weet niet anders, of ik ging;En dreigde mij met meer dan éénen dood,Als ik vertoefde en naging wat hij deed.134Lorenzo.Blijf dan, ik ga alleen.—Vrees slaat me om ’t hart;Ik ducht, er is een ongeluk geschied.Balthazar.Ik droomde, toen ik hier was ingeslapen,Dat ginds mijn meester met een ander vocht,En dat hij de’ ander doodde.Lorenzo(het graf naderend).Romeo!O wee mij, wee mij, wat voor bloed bevlektDen steenen drempel van dit grafgewelf?Wat zijn ’t voor zwaarden, die bevlekt en heerloosWankleurig liggen op deez’ plaats van vreê?(Hij treedt het grafgewelf binnen.)Romeo! Doodsbleek! Wie meer?—Wat! Paris ook?En in zijn bloed?—Onzaal’ge, wreede stonde,Die zooveel, zooveel jammer hebt gebaard!—De jonkvrouw, zij ontwaakt!(Juliaontwaakt.)Julia.O trouwe trooster! O, waar is mijn gade?’k Herinner mij, waar ik ontwaken moest;Daar ben ik nu.—Waar is mijn Romeo?(Men hoort gedruisch.)Lorenzo.Ik hoor gedruisch.—Kom, jonkvrouw, uit deez’ groeveVan dood en pest, dit schrikk’lijk slaapvertrek;Een hoog’re macht, en die geen weerspraak duldt,Heeft onzen raad verijdeld. Kom, van hier!Uw gade ligt hier aan uw zijde dood,En Paris ook. Kom mede, ik zoek voor uEen veil’ge toevlucht in een klooster. SpilGeen tijd met vragen; hoor, daar komt de wacht!(Het gedruisch komt naderbij.)Kom, lieve Julia!—’k Durf niet langer toeven.Julia.Ga, spoed u dan; ik wijk hier niet van daan.(Lorenzoaf.)Mijn gade! Hoe! gij houdt een fleschje omklemd?—Verkortte gift dan ’t leven, u bestemd?—O, vrek, dronkt ge alles, liet gij mij geen drup.Om u te volgen?—’k wil uw lippen kussen;Misschien kleeft nog wat gif er aan, genoeg,Om als een laafnis mij den dood te brengen.(Zij kust hem.)Warm zijn uw lippen!Eerste Wachter(achter het tooneel).Knaap, wijs ons den weg!Julia.Gedruisch?—Dan niet gedraald! Ha, welkom, dolk!(Zij grijptRomeo’sdolk en doorsteekt zich.)Dit zij uw scheê; roest daar, en laat mij sterven.(Zij sterft.)(De Wacht komt op, met den Page vanParis.)Page.Dit is de plaats, dáár, waar de fakkel brandt.171Eerste Wachter.De grond is hier met bloed; doorzoekt het kerkhof;Gijlieden, gaat, vat ieder, dien gij vindt.(Eenige Wachters af.)O, schriktooneel! Hier ligt de graaf vermoord;—En Julia bloedend, warm, gestorven pas,Die voor twee dagen reeds begraven was.—Ga, zeg ’t den vorst;—ijl tot de Capulets,—Wek op de Montagues;—gij and’ren zoekt;—(Andere Wachters af.)Wij zien den grond, die dezen jammer draagt,Maar des rampzaal’gen jammers waren grondKan slechts nauwkeurig onderzoek ontdekken.(Eenige Wachters komen op metBalthazar.)Tweede Wachter.Wij vonden Romeo’s dienaar hier op ’t kerkhof.Eerste Wachter.Bewaakt hem goed, totdat de vorst verschijnt.(Andere Wachters komen op met broederLorenzo.)Derde Wachter.Deez’ monnik beeft en zucht en weent; wij namenDien koevoet en die spade van hem af,Toen hij aan deze zij van ’t kerkhof kwam.Eerste Wachter.Dat is verdacht; ook hij zij goed bewaard.Romeo en Julia, Vijfde Bedrijf, Derde Tooneel.Romeo en Julia, Vijfde Bedrijf, Derde Tooneel.(De Vorst en zijn Gevolg komt op.)Vorst.Wat onheil is zoo vroeg reeds op de been,En roept van onze morgenrust ons op?(Capulet,GravinCapuleten Anderen komen op.)Capulet.Wat kan het zijn, dat elk zoo roept en jammert?Gravin Capulet.Het volk roept op de straten: Romeo!Dan weder: Julia! en dan weer: Paris!En spoedt met luid geschreeuw zich naar ons graf.Vorst.Wat schrik is dit, die zoo ons oor verscheurt?Eerste Wachter.Mijn vorst, hier ligt graaf Paris, pas verslagen,En Romeo dood; en Julia, lang gestorven,Nog warm en pas gedood!—Vorst.Spoort na, vorscht uit, wie ’t schendig stuk bedreef!Eerste Wachter.Hier zijn een monnik, heer, en Romeo’s dienaar;Zij hadden spade en koevoet om ’t verblijfVan dooden te oop’nen.201Capulet.O God! Zie, vrouw, hoe onze dochter bloedt!Die dolk, ach! is verdwaald, want zie, zijn huisRust ledig op den rug van Montague,—Zijn dwaalscheede is de boezem mijner dochter.Gravin Capulet.Wee mij, dit doodsgezicht is als een klok,Die mij vermaant en oproept tot het graf.(Montagueen Anderen komen op.)Vorst.Kom, Montague! verreest gij vroeg, nog vroegerLigt hier uw zoon en erfgenaam geveld.Montague.Ach, edel vorst, mijn vrouw bezweek deez’ nachtVan kommer om de ballingschap mijns zoons.Welk meerder wee belaagt mijn ouden dag?Vorst.Kom, en aanschouw het hier!Montague.O, onbescheiden kind! betaamt het u,Voorbij uw vader naar een graf te dringen?Vorst.Weerhoudt uw bitt’re klachten nog, totdatWij licht in ’t duister brengen, en de bronaâr,Den waren oorsprong dezer rampen kennen;Dan wil ik veldheer van uw weeklacht zijn,Al voert die ook ten doode. Zwijgt intusschen,En zij de weedom slaaf nu van ’t geduld.—Stelt hèn thans voor ons, op wie argwaan rust.Lorenzo.Schoon ’t minst in staat tot boosheid, ben ik ’t meest—Wijl tijd en plaats zich tegen mij verbonden,—Verdacht van aandeel in deez’ gruwbren moord.Als klager en gedaagde sta ik hier;’k Beschuldig en ontschuldig hier mijzelf.Vorst.Zeg ons in ’t kort, al wat gij hiervan weet.Lorenzo.Kort zal ik zijn, want de adem, die mij rest,Reikt voor een lang verhalen niet meer toe.Hij, Romeo, die daar ligt, was Julia’s man;Zij, die daar ligt, was Romeo’s trouwe gade.Ik trouwde ze in ’t geheim; hun huw’lijksdagWas Tybalts doodsdag; diens ontijdig stervenVerwees den jongen man in ballingschap.Om hem, om Tybalt niet, was Julia’s smart.Om uit den greep van ’t wee haar los te maken,Hebt gij aan Paris haar verloofd en zoudtTot de’ echt haar dwingen;—nu komt zij tot mij,En eischt, met wilden blik, van mij een middelOm van dien tweeden echt haar te bevrijden,Of in mijn cel zou zij zichzelve dooden.Toen gaf ik haar,—mijn wetenschap vond baat,—Een slaapdrank, die naar eisch zijn werking deed,Want hij omgaf haar met den schijn des doods.Onmidd’lijk schreef ik ook aan Romeo,246Hierheen te komen in deez’ gruwbre nacht,Om haar te ontrukken aan ’t geborgde graf;Dan was de werking van den drank gedaan.’t Noodlottig toeval wilde, dat de broederJohannes, die mijn brief had, niet kon gaan;Hij bracht dien gist’ren mij terug. AlleenGing ik dus tegen ’t uur van haar ontwakenHaar halen uit het graf van haar geslacht,Van plan haar te verbergen in mijn cel,Tot ik aan Romeo tijding zenden kon;Maar toen ik kort voor haar ontwaken kwam,Vond ik den eed’len Paris hier geveld,En nevens haar den trouwen Romeo dood.Ze ontwaakt; ik bad haar dringend mij te volgenEn in Gods wil gelaten te berusten.Gedruisch dreef uit het grafgewelf mij heen,En zij wilde in haar wanhoop mij niet volgen,Maar sloeg, als blijkt, de hand toen aan zichzelf.Ziedaar al wat ik weet; van haren echtWeet ook de voedster. Valt nu van de rampIets van de schuld op mij, neem ’t kleine deel,Dat van mijn wankel leven mij nog rest,En offer ’t aan den strengsten eisch der wet.Vorst.Steeds hebben we u als heilig man gekend.—Waar is nu Romeo’s dienaar? Die treê voor!Balthazar.Ik bracht mijn heer ’t bericht van Julia’s dood;Hij ijlde spoorslags toen van MantuaNaar deze plaats en naar dit grafgewelf.Deez’ brief hier moest ik aan zijn vader brengen;Hij ging in ’t graf en dreigde met den dood,Als ik niet ging en hem daar achterliet.Vorst.Geef mij den brief; ik neem er kennis van.—Des graven page riep de wacht, waar is hij?—Jong mensch, wat deed uw heer op deze plaats?Page.Hij kwam om bloemen op haar graf te strooien,En gaf mij last terug te gaan; zoo deed ik;Toen kwam er een met licht, die ’t graf wilde oop’nen,En weldra viel mijn meester op hem aan,En ik liep, om de wacht te roepen, heen.Vorst.Dit schrijven staaft de woorden van den monnik,Hun huwlijk en de tijding van haar dood;Hij schrijft ook, van een hongrige’ apothekerKocht hij vergift, om hier in Julia’s grafAan hare zij te sterven en te rusten.—Waar zijn die haters? Ziet nu, CapuletEn Montague, wat geesel striemde uw haat!Door liefde doodt de hemel al uw vreugd!Ook ik, te zacht bij uwen twist, verloorEen tweetal magen;—allen zijn gestraft.Capulet.O, broeder Montague, reik mij uw hand;Dit zij mijn dochters weduwgift, want meerKan ik niet vord’ren.Montague.Kan ik niet vord’ren.Maar ik meer u geven;In zuiver goud doe ik haar beeld verrijzen;Zoolang Verona nog Verona heet,Koom’ nooit in waarde een beeld dit beeld nabij,Dat ik aan uw getrouwe Julia wij.Capulet.En nevens haar zij zoo uw zoon herdacht!Rampzalige offers, onzen haat gebracht!Vorst.Een sombren vrede brengt ons deze morgen;Van wee omfloerst de zon haar aangezicht;Dit onderzoek eischt nog mijn droeve zorgen,Opdat ik streng, en toch genadig, richt.Nooit trof het noodlot twee gelieven zoo,Als ’t Julia deed en haren Romeo.(Allen af.)

Vierde Bedrijf.Eerste Tooneel.De cel van broederLorenzo.BroederLorenzoenPariskomen op.Lorenzo.Op Donderdag? voorwaar, dat is kort dag.Paris.Zoo wil ’t mijn vader Capulet, en ikBen niet zoo koel, dat ik zijn spoed vertraag.Lorenzo.Gij weet niet, zegt ge, hoe de jonkvrouw denkt;De weg is ongebaand, ’t bevalt mij niet.Paris.Ze weent onmatig over Tybalts dood,En daarom sprak ik weinig nog van liefde;Want Venus glimlacht niet in ’t huis der tranen.Maar wijl haar vader er gevaar in ziet,Dat zij aldus haar droefheid heerschen laat,Verhaast hij in zijn wijsheid onzen echt,Om zoo dien tranenvloed te stuiten, die,Door ’t eenzaam leven al te zeer gevoed,Gekeerd zal worden door gezelligheid;—Nu weet gij de oorzaak van deez’ haast.LorenzoNu weet gij de oorzaak van deez’ haast.(ter zijde).Wist ikDen grond maar niet, die hier vertraging eischt!(Luid).Zie, graaf, daar treedt de jonkvrouw in mijn cel.(Juliatreedt binnen.)Paris.Wat schoone ontmoeting, mijn geliefde bruid!Julia.Schoon zal ’t eerst zijn, begroet ik u als bruid!Paris.Zoo groeten wij toch Donderdag elkaâr.Julia.Wat moet zijn, zal zijn.Lorenzo.Wat moet zijn, zal zijn.Dat is altijd waar.Paris.Komt gij ter biecht bij deez’ eerwaarden man?Julia.Zeide ik U dit, ik kwam bij u ter biecht.Paris.Verzwijg het hem niet, dat gij mij bemint.Julia.Aan u belijde ik, dat ik hem bemin.Paris.En zeker hem ook, dat ge mij bemint.Julia.Als ik dit doe, stel ’t zeer op prijs; ik spreekDan achter uwen rug, niet in ’t gezicht.28Paris.Ach! uw gezicht heeft van geween geleden.Julia.Een kleine zege voor mijn tranen; ’t was,Aleer zij zoo het schonden, niet veel waard.Paris.Die smaad is erger schennis, dan die tranen.Julia.De waarheid, graaf, kan nimmer schennis zijn;En ’k smaalde daar mijzelf in ’t aangezicht.Paris.’t Gezicht, dat gij zoo smaadt, is mijn gezicht.Julia.’t Zou kunnen zijn, ’t is van mijzelve niet.—Kom ik u, heil’ge vader, thans gelegen,Of zal ik keeren tegen vespertijd?Lorenzo.’k Heb thans wel tijd voor u, bezwaarde dochter.—Ik bid u, eedle graaf, laat ons alleen.Paris.Verhoede God, dat ik uw vroomheid stoor!Ik wek u, Julia, Donderdag reeds vroeg;Zoolang vaarwel; en neem deez’ heil’gen kus!(Pariskust haar de hand en gaat heen.)Julia.O, sluit de deur, en dan, o ween dan met mij!’t Is alles uit, geen hulp, geen heil, geen hoop!Lorenzo.Ach Julia, ’k weet uw leed alreeds; het maaktMijzelf verward, verbijsterd, radeloos;Ik hoor, gij moet,—en niets vertraagt dit meer,—Op Donderdag gehuwd zijn met den graaf.Julia.Zeg, vader, niet, dat gij dit hebt gehoord.Of zeg mij ook, hoe ik ’t verhoeden kan.En als uw wijsheid mij geen redding weet,Erken dan slechts, wat ik besloot, als wijs,En ’k help terstond mijzelve met dit staal.God voegde Romeo’s hart en ’t mijne saam,Gij onze handen; en eer deze hand,Die gij gezegeld hebt aan Romeo,Zich aan een ander echtverbond laat zeeg’len,Of mijn trouw hart verraad pleegt, van hem afvalt,Zich naar een ander keert, doodt dit die beide.Dus geef, uit uw veeljarige ondervinding,Mij snellen raad; of anders zij dit staalScheidsrechter tusschen ’t dreigend lot en mij;’t Beslechte, wat uw wijsheid en ervaringNiet tot een eervolle uitkomst brengen kan.Spreek bondig, snel; gewenscht is mij de dood,Brengt, wat gij spreekt, geen redding in mijn nood.Lorenzo.Hoû op, mijn dochter, ’k speur een zweem van hoop;68Maar ze eischt een hand’ling zoo wanhopig, alsDe wanhoop is, die gij te ontkomen wenscht.Hebt gij de kracht van wil, dat ge eer uzelfDen doodsteek geeft, dan dat gij Paris huwt,Dan biedt ge ook wel den schijn des doods de hand,Keert gij daardoor deez’ smaadheid van u af,Gij, die in de’ arm des doods haar wilt ontgaan.Hebt gij dien moed, dan bied ik ’t middel aan.Julia.O, zeg mij, liever dan den graaf te huwen,Een sprong te doen van gindschen torentrans;Zend mij, waar roovers loeren, slangen sissen,Of keten mij aan woeste beren vast;Of sluit mij op, ’s nachts, in een knekelhuis,Rondom door ramm’lend doodsgebeent’ bedolven,Door bruine schenkels, kakelooze schedels;Of doe mij in een pas gedolven graf,Mij hullen met een lijk in ’tzelfde kleed,—Ja, al waarvan ’t verhaal mij siddren deed,Ik zal het zonder vrees of weifling doen,Om de onbevlekte gâ mijns liefs te blijven.Lorenzo.Welaan, ga welgemoed naar huis, en stemIn de’ echt met Paris toe. ’t Is morgen Woensdag;Draag zorg, de nacht, die volgt, alleen te zijn;Uw voedster slaap’ dan niet in uw vertrek.Neem dan dit fleschje, als gij te bedde ligt,En drink dit vocht, van kruidensap bereid.Onmidd’lijk zal een kille slaap’righeidDoor al uw aad’ren stroomen; iedre polsVerflauwt, staat stil; geen warmte of adem tuigt,Dat gij nog leeft; het rood van wang en lipWordt grauw als asch; het luik der oogen valt,Als sloot de dood den dag des levens af.Elk lid, van buigingskracht beroofd, wordt stijfEn strak en koud, als door de hand des doods.En zulk een schijnbeeld van den killen doodVerblijft gij twee en veertig uren lang;Dan zult ge ontwaken als uit zoeten slaap.Verschijnt des morgens dus uw bruidegom,En wekt hij u tot de’ echt, dan zijt ge dood;En, naar ’s lands wijze, wordt gij op de baarIn uwe schoonste kleedren, onbedekt,Gedragen naar datzelfde aloud gewelf,Dat heel ’t geslacht der Capulets omsluit.Omstreeks den tijd, dat gij ontwaken zult,Zal Romeo, wien ’k alles schrift’lijk meld,Hierheen zich spoeden; samen wachten wij’t Ontwaken af, en nog die eigen nachtGeleidt hij u van hier naar Mantua.Dit redt u van den smaad, die u bedreigt,Als niet door wankelheid of vrouwlijke angstUw kloeke moed in ’t handlen zelf bezwijkt.Julia.O, geef toch, geef; spreek niet tot mij van angst.Lorenzo.Neem ’t dan, en ga. Volhard in uw besluit;Dan wacht u heil. Een kloosterbroeder brengtTerstond mijn brief naar uwen gade heen.Julia.Dat liefde kracht, en kracht mij hulp verleen!Vaarwel, eerwaarde vader!(Beiden af.)Tweede Tooneel.Een kamer inCapulet’shuis.Capulet,GravinCapulet,de Voedster en twee Bedienden komen op.Capulet.Ga, neem deez’ lijst en noodig al die gasten.(Bediende af.)Gij, huur me een twintigtal bekwame koks.Tweede Bediende.Ik zal zorgen, heer, dat er geen enkele slechte onder loopt, want ik zal zien, of ze hun vingers wel goed kunnen aflikken.Capulet.Waartoe moet die proef dienen?Tweede Bediende.Wel, heer, het zeggen is, dat het een slechte kok is, die zijn eigen vingers niet kan aflikken; daarom, die dit niet kan, daar wil ik niets van weten.Capulet.Ga, maak voort.(Bediende af.)De tijd is kort, wij komen nauw’lijks klaar.—Zeg, is mijn dochter naar Lorenzo toe?Voedster.Ja zeker, heer.Capulet.Nu, ’k hoop dan maar, dat zijn vermaan wat helpt;Zij is een eigenzinnig, luimig ding.(Juliakomt op.)Voedster.Daar komt zij van de biecht en welgemoed.Capulet.Hoe is ’t, mijn stijfkop? Waar hebt gij gezworven?Julia.Waar ’k leerde door berouw de schuld te boeten,Dat ik halsstarrig weerstand bood aan uEn uw gebod; en waar de heil’ge manMij heeft gelast, geknield, heer, u vergiff’nisTe vragen.—Schenk vergeving, smeek ik u;Voortaan vindt gij mij steeds een volgzaam kind.Capulet.Een boodschap naar den graaf! bericht hem dit;En morgen vroeg zij nu de knoop gelegd.Julia.Den jongen graaf ontmoette ik bij Lorenzo,En heb hem zooveel minzaamheid getoond,Als met de zedigheid bestaanbaar is.27Capulet.Dat hoor ik gaarne; nu ’t is goed; sta op;Zoo moet het zijn!—Ik wil den graaf nu spreken;Kom, ga dan, zeg ik, ga toch, haal hem hier.—Bij God, die eerbiedwaarde, heil’ge vaderHeeft heel de stad ten zeerste aan zich verplicht.Julia.Kom, voedster, ga nu mede, naar mijn kamer,En help mij bij de keuze van den tooi,Dien gij op morgen ’t beste voor mij acht.Gravin Capulet.Neen, Donderdag is ’t eerst, er is geen haast.Capulet.Ga, voedster, mee; ’t is morgen; dan ter kerk.(Juliaen de Voedster af.)Gravin Capulet.’t Is veel te kort om alles te beschikken,Zie, de avond valt!Capulet.Zie, de avond valt!Stil, laat mij maar begaan;’t Zal alles klaar zijn, vrouw, ik sta u borg.Ga gij naar Julia, help haar aan haar kleeding.’k Ga niet naar bed van nacht; laat mij begaan,’k Wil nu ook eens voor huisvrouw spelen.—Hé!—Wat! allen weg!—Dan zal ikzelf graaf ParisGaan zeggen, dat hij zorg’ gereed te zijnOp morgen vroeg.—Het is me een steen van ’t hart,Nu zoo dat koppig ding tot inkeer kwam.(Beiden af.)Derde Tooneel.Julia’skamer.Juliaen de Voedster komen op.Julia.Ja, dit kleed is het best; maar, lieve min,Laat, bid ik u, mij deze nacht alleen;Want ik behoef wel meen’ge bede, opdatDe hemel vriendlijk op mijn toestand blikk’,Die, als ge weet, verkeerd is en vol zonde.(GravinCapuletkomt op.)Gravin Capulet.Hoe, zoo bedrijvig nog? kan ik u helpen?Julia.Neen, moeder, alles is gereed gelegd,Wat voor mijn kerkgang morgen wordt vereischt;Wees slechts zoo goed en laat mij nu alleen,En laat deez’ nacht de voedster met u waken,Want gij hebt zeker wel uw handen volBij zulk een haastig huw’lijk.Gravin Capulet.Bij zulk een haastig huw’lijk.Goede nacht!Ga gij te bed, neem rust; dat hebt ge noodig.(GravinCapuleten de Voedster af.)Julia.Vaarwel!—God weet, wanneer we elkander weêrzien.—Door de aad’ren rilt me een matte, killende angst,Die ’s levens warmte schier bevriezen doet;Ik roep haar weer tot stilling van mijn vrees.Hé, voedster!—Maar waartoe?18Mijn schrikb’re taak moet ik alleen voleinden.—Kom, fleschje!—Maar hoe, als deze drank geen werking had?Moet ik volstrekt dan morgenochtend huwen?Neen; gij belet dit, gij; lig daar gereed.(Zij legt een dolk bij zich neêr.)Doch, als het eens vergift was, dat de monnikArglistig had bereid, opdat ik sterve,En hij door dezen echt niet worde onteerd,Wijl hij mij eerst met Romeo verbond?Ik vrees het; en toch, dunkt mij, ’t kan niet zijn;Hij is beproefd, bleek steeds een heilig man.—Maar hoe, wanneer ik, in het graf gelegd,Ontwake vóór den tijd, dat RomeoMij komt bevrijden? welk ontzettend lot!Zal ik dan niet versmoren in ’t gewelf,Welks giftmond nimmer zuivre lucht doorstroomt,Den stikdood sterven, eer mijn Romeo komt?Of, leef ik al, is ’t niet waarschijnlijk, datHet huivringwekkend beeld van dood en nacht,Vereend met al de afgrijslijkheid der plaats,—Dat grafgewelf, dat oud verblijf des doods,Waar, al zoo menig honderd jaar, ’t gebeent’Van heel mijn voorgeslacht is opgehoopt;Waar Tybalt, bloedig, pas aan de aard vertrouwd,In zijne wâ vergaat; waar, zoo men zegt,Des nachts op sommige uren geesten waren;—Wee, wee mij, is het niet waarschijnlijk, datIk, vroeg ontwakend, in die pestlucht, bijGekrijsch als van alruinen, de aard ontscheurd,Dat levenden, die ’t hooren, zinloos maakt,—O, zal ’k, ontwakend, niet verbijsterd zijn,Omringd van al die aak’ligheid en schrik,En zinloos spelen met eens grootvaârs rif,En Tybalts lichaam plukken uit zijn wâ;En mij, zoo razend, met eens voorzaats knook,Als met een knots, ’t arm brein te pletter slaan?O, zie! daar is ’t me, als zie ik Tybalts geest!Hij zoekt mijn Romeo, die met een zwaardHem heeft gespietst!—Sta, Tybalt! weg! ik gruw!—Romeo, ik kom! Deez’ dronk wijd ik aan u.(Zij werpt zich op haar bed.)Vierde Tooneel.Een zaal inCapulet’shuis.GravinCapuleten de Voedster komen op.Gravin Capulet.Hier, neem de sleutels, haal nog specerijen.Voedster.Voor de pasteien zijn nog dadels noodig,En kweeën ook.(Capuletkomt op.)Capulet.En kweeën ook.Kom, vlug, vlug! vlug! daar isHet tweede haangekraai al. Hoor, daar luidtHet morgenklokje reeds. Het is drie uur.Angelica, kijk gij naar de pasteien;Geen geld gespaard!Voedster.Geen geld gespaard!Kom, keukenklauwer, ga!Ga liever slapen; morgen zijt gij ziekVan ’t waken van deez’ nacht.Capulet.Van ’t waken van deez’ nacht.Neen, neen, geen nood;’k Heb vroeger vaak een heele nacht gewaakt,Als ’t minder noodig was; en ’t deed mij niets.Gravin Capulet.Ja, ja, ge hieldt wel van een maanschijnjacht;Maar ’k waak wel, dat ge thans zoo niet meer waakt.(GravinCapuleten de Voedster af.)Capulet.Jaloersch, waarachtig nog jaloersch?(Bedienden met braadspitten, houtblokken en manden komen op.)Jaloersch, waarachtig nog jaloersch?Hé knaap!Wat hebt ge daar?Eerste Bediende.’t Is voor den kok, heer, maar ik weet niet wat.Capulet.Maak voort, maak voort!(Eerste Bediende af.)Maak voort, maak voort!Gij knaap, haal droger blokken;Laat Peter u maar wijzen, waar ze zijn.Tweede Bediende.’k Ben, heer, wel slim genoeg om zelf de blokkenTe vinden, en ’k laat Peter maar met rust.(Bediende af.)Capulet.Nu, bij mijn ziel, wilt gij zoo’n slimmerd zijn,Dan maak ik u tot blokkersbaas!—’t Is dag;Zoo daadlijk komt de graaf hier met muziek;Zoo, zei hij, was zijn plan.—(Muziek buiten.)Zoo, zei hij, was zijn plan.—Ik hoor hem al.—Hé, minne! vrouw! kom hier! hé, minne, kom!(De Voedster komt op.)Ga Julia roepen, tooi haar op als bruid.Ik ga wat keuvlen met graaf Paris.—Vlug!Maak spoed, maak spoed! De bruîgom is er al;Maak spoed, zeg ik.(Beiden af.)Vijfde Tooneel.Julia’skamer.Juliaop haar bed.De Voedster komt op.Voedster.Hé jonkvrouw!—jonkvrouw!—Julia!—Nu, die slaapt!Mijn duif je!—kom toch, jonkvrouw!—Foei, gij slaapster!—Mijn hartje!—Hoor toch, jonkvrouw!—Kom toch, bruidje!—Hoe is ’t? Geen woord?—Wel, wel, ge slaapt vooruitWel voor een week;—nu, nu, de nacht, die komt,Zet wis graaf Paris wel zijn rust op ’t spel,Dat gij uw rust niet hebt.—Wel, God vergeev’ me!Waarachtig; zie eens! nu, die slaapt gezond!Maar wakker moet ze.—Jonkvrouw, jonkvrouw, jonkvrouw!Zoo straks verrast de graaf u nog in bed;Dan springt gij op met schrik.—Hoe is ’t, nog niet?—(Zij slaat de gordijnen open.)Wat! aangekleed! en zoo gekleed gaan liggen!Ik moet u wekken. Jonkvrouw, jonkvrouw, jonkvrouw!O God! wat is dat? help, help, help! ze is dood!O dag van ramp! o ware ik nooit geboren!—Een hartversterking, ach!—O graaf! gravin!(GravinCapuletkomt op.)Gravin Capulet.Wat is dat hier?Voedster.Wat is dat hier?O jammervolle dag!Gravin Capulet.Wat is er dan?Voedster.Wat is er dan?Zie, zie! O, dag van ramp!Gravin Capulet.Wee mij! wee mij! Mijn kind, mijn eenig leven!Herleef! zie op, of ik, ik sterf met u!Hulp, hulp! Roep hulp!(Capuletkomt op.)Capulet.Wel foei! Breng Julia toch! haar man is daar.Voedster.Ze is dood, gestorven, dood; o dag van wee!Gravin Capulet.O dag van wee, ze is dood, ze is dood, ze is dood!Capulet.Wat! Laat mij zien! Helaas, ’t is uit! ze is koud!Haar bloed staat stil, haar leden zijn verstijfd,Dien lippen is het leven lang ontvloden!De dood ligt op haar, als een booze nachtvorstOp ’t schoonste, geurigst bloempje van het veld.Voedster.O jammervolle dag!Gravin Capulet.O jammervolle dag!O tijd van wee!Capulet.De dood, die haar geroofd heeft tot mijn jammer,Verstijft mijn tong en laat geen klacht mij toe.(BroederLorenzoenPariskomen op, door muzikanten vergezeld.)Lorenzo.Komt, is de bruid gereed ter kerk te gaan?33Capulet.Gereed tot gaan, om nimmer weer te keeren.—O zoon, de nacht voor uwen huwlijksdagNam haar de dood tot gade. Zie, daar ligt zij;Een schoone bloem, ontbladerd door den dood.Mijn schoonzoon is de dood; de dood beërft mij,Als man van mijne dochter. Sterven wil ik;Mijn lijf, mijn have en goedren erv’ de dood.Paris.Hoopte ik zoo lang dit morgenrood te zien,En geeft het zulk een jammer mij te aanschouwen?Gravin Capulet.O vloekdag, rampvol,aak’lig, zwart, verfoeilijk!Onzaligst, bitterst uur, dat ooit de tijdAanschouwd heeft op zijn langen pelgrimstocht!Slechts één, één arm, één arm, beminnend kind,Één enkel wezen voor mijn vreugde en troost,En dat heeft mij de wreede dood ontrukt!Voedster.O jammer-, jammer-, jammervolle dag!O dag van jammer, dag van ’t diepste wee,Zooals ik nimmer, nimmer heb gezien!O dag, o dag, o dag, o vloekb’re dag!Nooit werd een dag, zoo zwart als deze, aanschouwd;O dag van wee, o dag van wee!Paris.Misleid, beroofd, gehoond, gekrenkt, vernietigd!Vloekwaarde, booze dood, door u misleid;Door u zoo wreed, zoo wreed ter neer geveld!O liefde, o leven!—Neen, geen leven meer,Slechts liefde nog, den dood gewijd!Capulet.Slechts liefde nog, den dood gewijd!Veracht,Gehaat, tot smaad gedoemd, gemarteld, dood!Onzaal’ge dag, waarom verreest ge alleenOm ’t plechtig feest te niet, te niet te doen?—O kind, o kind!—Mijn ziel, en niet mijn kind!—Dood zijt ge, dood!—Helaas, mijn kind is dood!Mijn vreugd zinkt mèt haar in der aarde schoot!Lorenzo.Stil, schaamt u! stil! Dit heilloos jamm’ren schenktGeen troost in ’t leed. Gij deeldet met den hemelDeze engel; nam de hemel haar geheel,Het heerlijkst lot viel aan uw kind ten deel.Gij kondt ùw deel niet veil’gen voor den dood,De hemel schenkt zijn deel onsterflijkheid.Haar te verheffen was uw hoogste doel;Uw hemel was ’t, verheven haar te zien,En weent gij, nu gij haar verheven ziet,Hoog boven wolken, ja ten hemel zelf?Verkeerde liefde wijdt ge uw kind; uw leedIs redeloos, nu gij haar zalig weet!Een lange trouw is niet de beste trouw;Die vroeg den hemel trouwt, heeft nooit berouw.Wischt dan uw tranen! siert dit schoone lijkMet rosmarijn, en brengt haar naar ’s lands wijsIn ’t schoonste feestgewaad ter kerke heen;Want dwing’ natuur in ’t leed ons tranen af,De rede noemt die plenging dwaas, ja, laf.83Capulet.Ach, al wat tot het feest was voorbereid,Wordt thans de tolk van onze treurigheid;’t Blij snarenspel wordt romm’lend klokgebrom,De bruiloftsdisch een droevig doodmaal nu,De jubellied’ren sombre grafgezangen,De bruidskrans dient tot tooiing van een lijk,En alles is in ’t tegendeel verkeerd.Lorenzo.Heer, thans van hier;—en volg gij, eedle vrouw!—Ook gij, graaf Paris;—maak’ zich elk gereed,Deez’ schoone doode naar het graf te volgen.De hemel straft hier wis een booze daad;Tergt hem niet meer en eert zijn hoogen raad.(Capulet,GravinCapulet,ParisenLorenzoaf.)Eerste Muzikant.Op mijn woord, wij kunnen onze instrumenten wel inpakken, en aftrekken.Voedster.Ja, goede lieden, pakt maar in, pakt in;Gij ziet het zelf, ’t is treurig met dit huis.(De Voedster af.)Eerste Muzikant(op het foedraal van zijn instrument wijzende).’t Wordt tijd voorwaar, dit huis weer op te lappen.(Peterkomt op.)Peter.Muzikanten, o muzikanten; speelt toch eens: „Schep vreugde in ’t leven!” O! als ge wilt, dat ik ’t leven heb, speelt dan: „schep vreugde in ’t leven!”Eerste Muzikant.Waarom „Schep vreugde in ’t leven?”Peter.Ach muzikanten, omdat mijn hart zelf speelt: „Breek, breek mijn hart, van ’t wee!” O speelt mij eens een vroolijke weeklacht om mij wat op te beuren.Eerste Muzikant.Niets van weeklacht, ’t is nu geen tijd van spelen.Peter.Ge wilt dus niet?Muzikanten.Neen.Peter.Daar zult ge voor hebben!Eerste Muzikant.Wat wilt ge geven?Peter.Geen geld voorwaar, maar een naam: ik noem je stomme muzikanten.Eerste Muzikant.En wij jou een stomme’ knecht.118Peter(zijn koksmes trekkend).En dan bespeel ik je met dezen strijkstok, tot je geluid geeft; je zult wel merken, ik heb wel noten op mijn zang, ik zal je mifasollen, heele maat!Eerste Muzikant.Als je met ons sollen wilt, dan staat hier je maat!Tweede Muzikant.Kom, pak dat scherp stuk ijzer maar weer in, en wat geest uit.Peter.Past dan maar op voor mijn geest. Ik zal je steken met mijn scherpen geest en mijn stuk ijzer weer opsteken. Geeft mij nu antwoord als mannen:„Is ’t hart van zware zorgen krank,En droef en dof ’t gemoed,Muziek maakt met haar zilverklank”—Waarom „muziek met haar zilverklank?”—Wat zeg jij, Simon Kattesnaar?Eerste Muzikant.Wel, man, omdat zilver een liefelijken klank heeft.Peter.Lorrepraat!—Wat zeg jij, Hans Strijkstok?Tweede Muzikant.Ik zeg „zilverklank”, omdat muzikanten voor zilver spelen.Peter.Al even mooi.—Wat zeg jij, Kobus Windkast?Derde Muzikant.Och, ik weet waarachtig niet, wat ik zeggen zal.Peter.’t Is waar ook, jij bent de zanger van ’t gezelschap, en daarom zal ik voor je spreken. Het is „muziek met haar zilverklank,” omdat muzikanten geen goud kunnen laten klinken;„Muziek maakt met haar zilverklankMet spoed weer alles goed.”(Peteraf.)Eerste Muzikant.Wat een giftige schavuit is dat!Tweede Muzikant.De nikker haal’ hem!— Kom, laat ons hier binnengaan, en op de rouwklagers wachten, en zien, of er niets te smullen valt.(Allen af.)

Vierde Bedrijf.Eerste Tooneel.De cel van broederLorenzo.BroederLorenzoenPariskomen op.Lorenzo.Op Donderdag? voorwaar, dat is kort dag.Paris.Zoo wil ’t mijn vader Capulet, en ikBen niet zoo koel, dat ik zijn spoed vertraag.Lorenzo.Gij weet niet, zegt ge, hoe de jonkvrouw denkt;De weg is ongebaand, ’t bevalt mij niet.Paris.Ze weent onmatig over Tybalts dood,En daarom sprak ik weinig nog van liefde;Want Venus glimlacht niet in ’t huis der tranen.Maar wijl haar vader er gevaar in ziet,Dat zij aldus haar droefheid heerschen laat,Verhaast hij in zijn wijsheid onzen echt,Om zoo dien tranenvloed te stuiten, die,Door ’t eenzaam leven al te zeer gevoed,Gekeerd zal worden door gezelligheid;—Nu weet gij de oorzaak van deez’ haast.LorenzoNu weet gij de oorzaak van deez’ haast.(ter zijde).Wist ikDen grond maar niet, die hier vertraging eischt!(Luid).Zie, graaf, daar treedt de jonkvrouw in mijn cel.(Juliatreedt binnen.)Paris.Wat schoone ontmoeting, mijn geliefde bruid!Julia.Schoon zal ’t eerst zijn, begroet ik u als bruid!Paris.Zoo groeten wij toch Donderdag elkaâr.Julia.Wat moet zijn, zal zijn.Lorenzo.Wat moet zijn, zal zijn.Dat is altijd waar.Paris.Komt gij ter biecht bij deez’ eerwaarden man?Julia.Zeide ik U dit, ik kwam bij u ter biecht.Paris.Verzwijg het hem niet, dat gij mij bemint.Julia.Aan u belijde ik, dat ik hem bemin.Paris.En zeker hem ook, dat ge mij bemint.Julia.Als ik dit doe, stel ’t zeer op prijs; ik spreekDan achter uwen rug, niet in ’t gezicht.28Paris.Ach! uw gezicht heeft van geween geleden.Julia.Een kleine zege voor mijn tranen; ’t was,Aleer zij zoo het schonden, niet veel waard.Paris.Die smaad is erger schennis, dan die tranen.Julia.De waarheid, graaf, kan nimmer schennis zijn;En ’k smaalde daar mijzelf in ’t aangezicht.Paris.’t Gezicht, dat gij zoo smaadt, is mijn gezicht.Julia.’t Zou kunnen zijn, ’t is van mijzelve niet.—Kom ik u, heil’ge vader, thans gelegen,Of zal ik keeren tegen vespertijd?Lorenzo.’k Heb thans wel tijd voor u, bezwaarde dochter.—Ik bid u, eedle graaf, laat ons alleen.Paris.Verhoede God, dat ik uw vroomheid stoor!Ik wek u, Julia, Donderdag reeds vroeg;Zoolang vaarwel; en neem deez’ heil’gen kus!(Pariskust haar de hand en gaat heen.)Julia.O, sluit de deur, en dan, o ween dan met mij!’t Is alles uit, geen hulp, geen heil, geen hoop!Lorenzo.Ach Julia, ’k weet uw leed alreeds; het maaktMijzelf verward, verbijsterd, radeloos;Ik hoor, gij moet,—en niets vertraagt dit meer,—Op Donderdag gehuwd zijn met den graaf.Julia.Zeg, vader, niet, dat gij dit hebt gehoord.Of zeg mij ook, hoe ik ’t verhoeden kan.En als uw wijsheid mij geen redding weet,Erken dan slechts, wat ik besloot, als wijs,En ’k help terstond mijzelve met dit staal.God voegde Romeo’s hart en ’t mijne saam,Gij onze handen; en eer deze hand,Die gij gezegeld hebt aan Romeo,Zich aan een ander echtverbond laat zeeg’len,Of mijn trouw hart verraad pleegt, van hem afvalt,Zich naar een ander keert, doodt dit die beide.Dus geef, uit uw veeljarige ondervinding,Mij snellen raad; of anders zij dit staalScheidsrechter tusschen ’t dreigend lot en mij;’t Beslechte, wat uw wijsheid en ervaringNiet tot een eervolle uitkomst brengen kan.Spreek bondig, snel; gewenscht is mij de dood,Brengt, wat gij spreekt, geen redding in mijn nood.Lorenzo.Hoû op, mijn dochter, ’k speur een zweem van hoop;68Maar ze eischt een hand’ling zoo wanhopig, alsDe wanhoop is, die gij te ontkomen wenscht.Hebt gij de kracht van wil, dat ge eer uzelfDen doodsteek geeft, dan dat gij Paris huwt,Dan biedt ge ook wel den schijn des doods de hand,Keert gij daardoor deez’ smaadheid van u af,Gij, die in de’ arm des doods haar wilt ontgaan.Hebt gij dien moed, dan bied ik ’t middel aan.Julia.O, zeg mij, liever dan den graaf te huwen,Een sprong te doen van gindschen torentrans;Zend mij, waar roovers loeren, slangen sissen,Of keten mij aan woeste beren vast;Of sluit mij op, ’s nachts, in een knekelhuis,Rondom door ramm’lend doodsgebeent’ bedolven,Door bruine schenkels, kakelooze schedels;Of doe mij in een pas gedolven graf,Mij hullen met een lijk in ’tzelfde kleed,—Ja, al waarvan ’t verhaal mij siddren deed,Ik zal het zonder vrees of weifling doen,Om de onbevlekte gâ mijns liefs te blijven.Lorenzo.Welaan, ga welgemoed naar huis, en stemIn de’ echt met Paris toe. ’t Is morgen Woensdag;Draag zorg, de nacht, die volgt, alleen te zijn;Uw voedster slaap’ dan niet in uw vertrek.Neem dan dit fleschje, als gij te bedde ligt,En drink dit vocht, van kruidensap bereid.Onmidd’lijk zal een kille slaap’righeidDoor al uw aad’ren stroomen; iedre polsVerflauwt, staat stil; geen warmte of adem tuigt,Dat gij nog leeft; het rood van wang en lipWordt grauw als asch; het luik der oogen valt,Als sloot de dood den dag des levens af.Elk lid, van buigingskracht beroofd, wordt stijfEn strak en koud, als door de hand des doods.En zulk een schijnbeeld van den killen doodVerblijft gij twee en veertig uren lang;Dan zult ge ontwaken als uit zoeten slaap.Verschijnt des morgens dus uw bruidegom,En wekt hij u tot de’ echt, dan zijt ge dood;En, naar ’s lands wijze, wordt gij op de baarIn uwe schoonste kleedren, onbedekt,Gedragen naar datzelfde aloud gewelf,Dat heel ’t geslacht der Capulets omsluit.Omstreeks den tijd, dat gij ontwaken zult,Zal Romeo, wien ’k alles schrift’lijk meld,Hierheen zich spoeden; samen wachten wij’t Ontwaken af, en nog die eigen nachtGeleidt hij u van hier naar Mantua.Dit redt u van den smaad, die u bedreigt,Als niet door wankelheid of vrouwlijke angstUw kloeke moed in ’t handlen zelf bezwijkt.Julia.O, geef toch, geef; spreek niet tot mij van angst.Lorenzo.Neem ’t dan, en ga. Volhard in uw besluit;Dan wacht u heil. Een kloosterbroeder brengtTerstond mijn brief naar uwen gade heen.Julia.Dat liefde kracht, en kracht mij hulp verleen!Vaarwel, eerwaarde vader!(Beiden af.)Tweede Tooneel.Een kamer inCapulet’shuis.Capulet,GravinCapulet,de Voedster en twee Bedienden komen op.Capulet.Ga, neem deez’ lijst en noodig al die gasten.(Bediende af.)Gij, huur me een twintigtal bekwame koks.Tweede Bediende.Ik zal zorgen, heer, dat er geen enkele slechte onder loopt, want ik zal zien, of ze hun vingers wel goed kunnen aflikken.Capulet.Waartoe moet die proef dienen?Tweede Bediende.Wel, heer, het zeggen is, dat het een slechte kok is, die zijn eigen vingers niet kan aflikken; daarom, die dit niet kan, daar wil ik niets van weten.Capulet.Ga, maak voort.(Bediende af.)De tijd is kort, wij komen nauw’lijks klaar.—Zeg, is mijn dochter naar Lorenzo toe?Voedster.Ja zeker, heer.Capulet.Nu, ’k hoop dan maar, dat zijn vermaan wat helpt;Zij is een eigenzinnig, luimig ding.(Juliakomt op.)Voedster.Daar komt zij van de biecht en welgemoed.Capulet.Hoe is ’t, mijn stijfkop? Waar hebt gij gezworven?Julia.Waar ’k leerde door berouw de schuld te boeten,Dat ik halsstarrig weerstand bood aan uEn uw gebod; en waar de heil’ge manMij heeft gelast, geknield, heer, u vergiff’nisTe vragen.—Schenk vergeving, smeek ik u;Voortaan vindt gij mij steeds een volgzaam kind.Capulet.Een boodschap naar den graaf! bericht hem dit;En morgen vroeg zij nu de knoop gelegd.Julia.Den jongen graaf ontmoette ik bij Lorenzo,En heb hem zooveel minzaamheid getoond,Als met de zedigheid bestaanbaar is.27Capulet.Dat hoor ik gaarne; nu ’t is goed; sta op;Zoo moet het zijn!—Ik wil den graaf nu spreken;Kom, ga dan, zeg ik, ga toch, haal hem hier.—Bij God, die eerbiedwaarde, heil’ge vaderHeeft heel de stad ten zeerste aan zich verplicht.Julia.Kom, voedster, ga nu mede, naar mijn kamer,En help mij bij de keuze van den tooi,Dien gij op morgen ’t beste voor mij acht.Gravin Capulet.Neen, Donderdag is ’t eerst, er is geen haast.Capulet.Ga, voedster, mee; ’t is morgen; dan ter kerk.(Juliaen de Voedster af.)Gravin Capulet.’t Is veel te kort om alles te beschikken,Zie, de avond valt!Capulet.Zie, de avond valt!Stil, laat mij maar begaan;’t Zal alles klaar zijn, vrouw, ik sta u borg.Ga gij naar Julia, help haar aan haar kleeding.’k Ga niet naar bed van nacht; laat mij begaan,’k Wil nu ook eens voor huisvrouw spelen.—Hé!—Wat! allen weg!—Dan zal ikzelf graaf ParisGaan zeggen, dat hij zorg’ gereed te zijnOp morgen vroeg.—Het is me een steen van ’t hart,Nu zoo dat koppig ding tot inkeer kwam.(Beiden af.)Derde Tooneel.Julia’skamer.Juliaen de Voedster komen op.Julia.Ja, dit kleed is het best; maar, lieve min,Laat, bid ik u, mij deze nacht alleen;Want ik behoef wel meen’ge bede, opdatDe hemel vriendlijk op mijn toestand blikk’,Die, als ge weet, verkeerd is en vol zonde.(GravinCapuletkomt op.)Gravin Capulet.Hoe, zoo bedrijvig nog? kan ik u helpen?Julia.Neen, moeder, alles is gereed gelegd,Wat voor mijn kerkgang morgen wordt vereischt;Wees slechts zoo goed en laat mij nu alleen,En laat deez’ nacht de voedster met u waken,Want gij hebt zeker wel uw handen volBij zulk een haastig huw’lijk.Gravin Capulet.Bij zulk een haastig huw’lijk.Goede nacht!Ga gij te bed, neem rust; dat hebt ge noodig.(GravinCapuleten de Voedster af.)Julia.Vaarwel!—God weet, wanneer we elkander weêrzien.—Door de aad’ren rilt me een matte, killende angst,Die ’s levens warmte schier bevriezen doet;Ik roep haar weer tot stilling van mijn vrees.Hé, voedster!—Maar waartoe?18Mijn schrikb’re taak moet ik alleen voleinden.—Kom, fleschje!—Maar hoe, als deze drank geen werking had?Moet ik volstrekt dan morgenochtend huwen?Neen; gij belet dit, gij; lig daar gereed.(Zij legt een dolk bij zich neêr.)Doch, als het eens vergift was, dat de monnikArglistig had bereid, opdat ik sterve,En hij door dezen echt niet worde onteerd,Wijl hij mij eerst met Romeo verbond?Ik vrees het; en toch, dunkt mij, ’t kan niet zijn;Hij is beproefd, bleek steeds een heilig man.—Maar hoe, wanneer ik, in het graf gelegd,Ontwake vóór den tijd, dat RomeoMij komt bevrijden? welk ontzettend lot!Zal ik dan niet versmoren in ’t gewelf,Welks giftmond nimmer zuivre lucht doorstroomt,Den stikdood sterven, eer mijn Romeo komt?Of, leef ik al, is ’t niet waarschijnlijk, datHet huivringwekkend beeld van dood en nacht,Vereend met al de afgrijslijkheid der plaats,—Dat grafgewelf, dat oud verblijf des doods,Waar, al zoo menig honderd jaar, ’t gebeent’Van heel mijn voorgeslacht is opgehoopt;Waar Tybalt, bloedig, pas aan de aard vertrouwd,In zijne wâ vergaat; waar, zoo men zegt,Des nachts op sommige uren geesten waren;—Wee, wee mij, is het niet waarschijnlijk, datIk, vroeg ontwakend, in die pestlucht, bijGekrijsch als van alruinen, de aard ontscheurd,Dat levenden, die ’t hooren, zinloos maakt,—O, zal ’k, ontwakend, niet verbijsterd zijn,Omringd van al die aak’ligheid en schrik,En zinloos spelen met eens grootvaârs rif,En Tybalts lichaam plukken uit zijn wâ;En mij, zoo razend, met eens voorzaats knook,Als met een knots, ’t arm brein te pletter slaan?O, zie! daar is ’t me, als zie ik Tybalts geest!Hij zoekt mijn Romeo, die met een zwaardHem heeft gespietst!—Sta, Tybalt! weg! ik gruw!—Romeo, ik kom! Deez’ dronk wijd ik aan u.(Zij werpt zich op haar bed.)Vierde Tooneel.Een zaal inCapulet’shuis.GravinCapuleten de Voedster komen op.Gravin Capulet.Hier, neem de sleutels, haal nog specerijen.Voedster.Voor de pasteien zijn nog dadels noodig,En kweeën ook.(Capuletkomt op.)Capulet.En kweeën ook.Kom, vlug, vlug! vlug! daar isHet tweede haangekraai al. Hoor, daar luidtHet morgenklokje reeds. Het is drie uur.Angelica, kijk gij naar de pasteien;Geen geld gespaard!Voedster.Geen geld gespaard!Kom, keukenklauwer, ga!Ga liever slapen; morgen zijt gij ziekVan ’t waken van deez’ nacht.Capulet.Van ’t waken van deez’ nacht.Neen, neen, geen nood;’k Heb vroeger vaak een heele nacht gewaakt,Als ’t minder noodig was; en ’t deed mij niets.Gravin Capulet.Ja, ja, ge hieldt wel van een maanschijnjacht;Maar ’k waak wel, dat ge thans zoo niet meer waakt.(GravinCapuleten de Voedster af.)Capulet.Jaloersch, waarachtig nog jaloersch?(Bedienden met braadspitten, houtblokken en manden komen op.)Jaloersch, waarachtig nog jaloersch?Hé knaap!Wat hebt ge daar?Eerste Bediende.’t Is voor den kok, heer, maar ik weet niet wat.Capulet.Maak voort, maak voort!(Eerste Bediende af.)Maak voort, maak voort!Gij knaap, haal droger blokken;Laat Peter u maar wijzen, waar ze zijn.Tweede Bediende.’k Ben, heer, wel slim genoeg om zelf de blokkenTe vinden, en ’k laat Peter maar met rust.(Bediende af.)Capulet.Nu, bij mijn ziel, wilt gij zoo’n slimmerd zijn,Dan maak ik u tot blokkersbaas!—’t Is dag;Zoo daadlijk komt de graaf hier met muziek;Zoo, zei hij, was zijn plan.—(Muziek buiten.)Zoo, zei hij, was zijn plan.—Ik hoor hem al.—Hé, minne! vrouw! kom hier! hé, minne, kom!(De Voedster komt op.)Ga Julia roepen, tooi haar op als bruid.Ik ga wat keuvlen met graaf Paris.—Vlug!Maak spoed, maak spoed! De bruîgom is er al;Maak spoed, zeg ik.(Beiden af.)Vijfde Tooneel.Julia’skamer.Juliaop haar bed.De Voedster komt op.Voedster.Hé jonkvrouw!—jonkvrouw!—Julia!—Nu, die slaapt!Mijn duif je!—kom toch, jonkvrouw!—Foei, gij slaapster!—Mijn hartje!—Hoor toch, jonkvrouw!—Kom toch, bruidje!—Hoe is ’t? Geen woord?—Wel, wel, ge slaapt vooruitWel voor een week;—nu, nu, de nacht, die komt,Zet wis graaf Paris wel zijn rust op ’t spel,Dat gij uw rust niet hebt.—Wel, God vergeev’ me!Waarachtig; zie eens! nu, die slaapt gezond!Maar wakker moet ze.—Jonkvrouw, jonkvrouw, jonkvrouw!Zoo straks verrast de graaf u nog in bed;Dan springt gij op met schrik.—Hoe is ’t, nog niet?—(Zij slaat de gordijnen open.)Wat! aangekleed! en zoo gekleed gaan liggen!Ik moet u wekken. Jonkvrouw, jonkvrouw, jonkvrouw!O God! wat is dat? help, help, help! ze is dood!O dag van ramp! o ware ik nooit geboren!—Een hartversterking, ach!—O graaf! gravin!(GravinCapuletkomt op.)Gravin Capulet.Wat is dat hier?Voedster.Wat is dat hier?O jammervolle dag!Gravin Capulet.Wat is er dan?Voedster.Wat is er dan?Zie, zie! O, dag van ramp!Gravin Capulet.Wee mij! wee mij! Mijn kind, mijn eenig leven!Herleef! zie op, of ik, ik sterf met u!Hulp, hulp! Roep hulp!(Capuletkomt op.)Capulet.Wel foei! Breng Julia toch! haar man is daar.Voedster.Ze is dood, gestorven, dood; o dag van wee!Gravin Capulet.O dag van wee, ze is dood, ze is dood, ze is dood!Capulet.Wat! Laat mij zien! Helaas, ’t is uit! ze is koud!Haar bloed staat stil, haar leden zijn verstijfd,Dien lippen is het leven lang ontvloden!De dood ligt op haar, als een booze nachtvorstOp ’t schoonste, geurigst bloempje van het veld.Voedster.O jammervolle dag!Gravin Capulet.O jammervolle dag!O tijd van wee!Capulet.De dood, die haar geroofd heeft tot mijn jammer,Verstijft mijn tong en laat geen klacht mij toe.(BroederLorenzoenPariskomen op, door muzikanten vergezeld.)Lorenzo.Komt, is de bruid gereed ter kerk te gaan?33Capulet.Gereed tot gaan, om nimmer weer te keeren.—O zoon, de nacht voor uwen huwlijksdagNam haar de dood tot gade. Zie, daar ligt zij;Een schoone bloem, ontbladerd door den dood.Mijn schoonzoon is de dood; de dood beërft mij,Als man van mijne dochter. Sterven wil ik;Mijn lijf, mijn have en goedren erv’ de dood.Paris.Hoopte ik zoo lang dit morgenrood te zien,En geeft het zulk een jammer mij te aanschouwen?Gravin Capulet.O vloekdag, rampvol,aak’lig, zwart, verfoeilijk!Onzaligst, bitterst uur, dat ooit de tijdAanschouwd heeft op zijn langen pelgrimstocht!Slechts één, één arm, één arm, beminnend kind,Één enkel wezen voor mijn vreugde en troost,En dat heeft mij de wreede dood ontrukt!Voedster.O jammer-, jammer-, jammervolle dag!O dag van jammer, dag van ’t diepste wee,Zooals ik nimmer, nimmer heb gezien!O dag, o dag, o dag, o vloekb’re dag!Nooit werd een dag, zoo zwart als deze, aanschouwd;O dag van wee, o dag van wee!Paris.Misleid, beroofd, gehoond, gekrenkt, vernietigd!Vloekwaarde, booze dood, door u misleid;Door u zoo wreed, zoo wreed ter neer geveld!O liefde, o leven!—Neen, geen leven meer,Slechts liefde nog, den dood gewijd!Capulet.Slechts liefde nog, den dood gewijd!Veracht,Gehaat, tot smaad gedoemd, gemarteld, dood!Onzaal’ge dag, waarom verreest ge alleenOm ’t plechtig feest te niet, te niet te doen?—O kind, o kind!—Mijn ziel, en niet mijn kind!—Dood zijt ge, dood!—Helaas, mijn kind is dood!Mijn vreugd zinkt mèt haar in der aarde schoot!Lorenzo.Stil, schaamt u! stil! Dit heilloos jamm’ren schenktGeen troost in ’t leed. Gij deeldet met den hemelDeze engel; nam de hemel haar geheel,Het heerlijkst lot viel aan uw kind ten deel.Gij kondt ùw deel niet veil’gen voor den dood,De hemel schenkt zijn deel onsterflijkheid.Haar te verheffen was uw hoogste doel;Uw hemel was ’t, verheven haar te zien,En weent gij, nu gij haar verheven ziet,Hoog boven wolken, ja ten hemel zelf?Verkeerde liefde wijdt ge uw kind; uw leedIs redeloos, nu gij haar zalig weet!Een lange trouw is niet de beste trouw;Die vroeg den hemel trouwt, heeft nooit berouw.Wischt dan uw tranen! siert dit schoone lijkMet rosmarijn, en brengt haar naar ’s lands wijsIn ’t schoonste feestgewaad ter kerke heen;Want dwing’ natuur in ’t leed ons tranen af,De rede noemt die plenging dwaas, ja, laf.83Capulet.Ach, al wat tot het feest was voorbereid,Wordt thans de tolk van onze treurigheid;’t Blij snarenspel wordt romm’lend klokgebrom,De bruiloftsdisch een droevig doodmaal nu,De jubellied’ren sombre grafgezangen,De bruidskrans dient tot tooiing van een lijk,En alles is in ’t tegendeel verkeerd.Lorenzo.Heer, thans van hier;—en volg gij, eedle vrouw!—Ook gij, graaf Paris;—maak’ zich elk gereed,Deez’ schoone doode naar het graf te volgen.De hemel straft hier wis een booze daad;Tergt hem niet meer en eert zijn hoogen raad.(Capulet,GravinCapulet,ParisenLorenzoaf.)Eerste Muzikant.Op mijn woord, wij kunnen onze instrumenten wel inpakken, en aftrekken.Voedster.Ja, goede lieden, pakt maar in, pakt in;Gij ziet het zelf, ’t is treurig met dit huis.(De Voedster af.)Eerste Muzikant(op het foedraal van zijn instrument wijzende).’t Wordt tijd voorwaar, dit huis weer op te lappen.(Peterkomt op.)Peter.Muzikanten, o muzikanten; speelt toch eens: „Schep vreugde in ’t leven!” O! als ge wilt, dat ik ’t leven heb, speelt dan: „schep vreugde in ’t leven!”Eerste Muzikant.Waarom „Schep vreugde in ’t leven?”Peter.Ach muzikanten, omdat mijn hart zelf speelt: „Breek, breek mijn hart, van ’t wee!” O speelt mij eens een vroolijke weeklacht om mij wat op te beuren.Eerste Muzikant.Niets van weeklacht, ’t is nu geen tijd van spelen.Peter.Ge wilt dus niet?Muzikanten.Neen.Peter.Daar zult ge voor hebben!Eerste Muzikant.Wat wilt ge geven?Peter.Geen geld voorwaar, maar een naam: ik noem je stomme muzikanten.Eerste Muzikant.En wij jou een stomme’ knecht.118Peter(zijn koksmes trekkend).En dan bespeel ik je met dezen strijkstok, tot je geluid geeft; je zult wel merken, ik heb wel noten op mijn zang, ik zal je mifasollen, heele maat!Eerste Muzikant.Als je met ons sollen wilt, dan staat hier je maat!Tweede Muzikant.Kom, pak dat scherp stuk ijzer maar weer in, en wat geest uit.Peter.Past dan maar op voor mijn geest. Ik zal je steken met mijn scherpen geest en mijn stuk ijzer weer opsteken. Geeft mij nu antwoord als mannen:„Is ’t hart van zware zorgen krank,En droef en dof ’t gemoed,Muziek maakt met haar zilverklank”—Waarom „muziek met haar zilverklank?”—Wat zeg jij, Simon Kattesnaar?Eerste Muzikant.Wel, man, omdat zilver een liefelijken klank heeft.Peter.Lorrepraat!—Wat zeg jij, Hans Strijkstok?Tweede Muzikant.Ik zeg „zilverklank”, omdat muzikanten voor zilver spelen.Peter.Al even mooi.—Wat zeg jij, Kobus Windkast?Derde Muzikant.Och, ik weet waarachtig niet, wat ik zeggen zal.Peter.’t Is waar ook, jij bent de zanger van ’t gezelschap, en daarom zal ik voor je spreken. Het is „muziek met haar zilverklank,” omdat muzikanten geen goud kunnen laten klinken;„Muziek maakt met haar zilverklankMet spoed weer alles goed.”(Peteraf.)Eerste Muzikant.Wat een giftige schavuit is dat!Tweede Muzikant.De nikker haal’ hem!— Kom, laat ons hier binnengaan, en op de rouwklagers wachten, en zien, of er niets te smullen valt.(Allen af.)

Eerste Tooneel.De cel van broederLorenzo.BroederLorenzoenPariskomen op.Lorenzo.Op Donderdag? voorwaar, dat is kort dag.Paris.Zoo wil ’t mijn vader Capulet, en ikBen niet zoo koel, dat ik zijn spoed vertraag.Lorenzo.Gij weet niet, zegt ge, hoe de jonkvrouw denkt;De weg is ongebaand, ’t bevalt mij niet.Paris.Ze weent onmatig over Tybalts dood,En daarom sprak ik weinig nog van liefde;Want Venus glimlacht niet in ’t huis der tranen.Maar wijl haar vader er gevaar in ziet,Dat zij aldus haar droefheid heerschen laat,Verhaast hij in zijn wijsheid onzen echt,Om zoo dien tranenvloed te stuiten, die,Door ’t eenzaam leven al te zeer gevoed,Gekeerd zal worden door gezelligheid;—Nu weet gij de oorzaak van deez’ haast.LorenzoNu weet gij de oorzaak van deez’ haast.(ter zijde).Wist ikDen grond maar niet, die hier vertraging eischt!(Luid).Zie, graaf, daar treedt de jonkvrouw in mijn cel.(Juliatreedt binnen.)Paris.Wat schoone ontmoeting, mijn geliefde bruid!Julia.Schoon zal ’t eerst zijn, begroet ik u als bruid!Paris.Zoo groeten wij toch Donderdag elkaâr.Julia.Wat moet zijn, zal zijn.Lorenzo.Wat moet zijn, zal zijn.Dat is altijd waar.Paris.Komt gij ter biecht bij deez’ eerwaarden man?Julia.Zeide ik U dit, ik kwam bij u ter biecht.Paris.Verzwijg het hem niet, dat gij mij bemint.Julia.Aan u belijde ik, dat ik hem bemin.Paris.En zeker hem ook, dat ge mij bemint.Julia.Als ik dit doe, stel ’t zeer op prijs; ik spreekDan achter uwen rug, niet in ’t gezicht.28Paris.Ach! uw gezicht heeft van geween geleden.Julia.Een kleine zege voor mijn tranen; ’t was,Aleer zij zoo het schonden, niet veel waard.Paris.Die smaad is erger schennis, dan die tranen.Julia.De waarheid, graaf, kan nimmer schennis zijn;En ’k smaalde daar mijzelf in ’t aangezicht.Paris.’t Gezicht, dat gij zoo smaadt, is mijn gezicht.Julia.’t Zou kunnen zijn, ’t is van mijzelve niet.—Kom ik u, heil’ge vader, thans gelegen,Of zal ik keeren tegen vespertijd?Lorenzo.’k Heb thans wel tijd voor u, bezwaarde dochter.—Ik bid u, eedle graaf, laat ons alleen.Paris.Verhoede God, dat ik uw vroomheid stoor!Ik wek u, Julia, Donderdag reeds vroeg;Zoolang vaarwel; en neem deez’ heil’gen kus!(Pariskust haar de hand en gaat heen.)Julia.O, sluit de deur, en dan, o ween dan met mij!’t Is alles uit, geen hulp, geen heil, geen hoop!Lorenzo.Ach Julia, ’k weet uw leed alreeds; het maaktMijzelf verward, verbijsterd, radeloos;Ik hoor, gij moet,—en niets vertraagt dit meer,—Op Donderdag gehuwd zijn met den graaf.Julia.Zeg, vader, niet, dat gij dit hebt gehoord.Of zeg mij ook, hoe ik ’t verhoeden kan.En als uw wijsheid mij geen redding weet,Erken dan slechts, wat ik besloot, als wijs,En ’k help terstond mijzelve met dit staal.God voegde Romeo’s hart en ’t mijne saam,Gij onze handen; en eer deze hand,Die gij gezegeld hebt aan Romeo,Zich aan een ander echtverbond laat zeeg’len,Of mijn trouw hart verraad pleegt, van hem afvalt,Zich naar een ander keert, doodt dit die beide.Dus geef, uit uw veeljarige ondervinding,Mij snellen raad; of anders zij dit staalScheidsrechter tusschen ’t dreigend lot en mij;’t Beslechte, wat uw wijsheid en ervaringNiet tot een eervolle uitkomst brengen kan.Spreek bondig, snel; gewenscht is mij de dood,Brengt, wat gij spreekt, geen redding in mijn nood.Lorenzo.Hoû op, mijn dochter, ’k speur een zweem van hoop;68Maar ze eischt een hand’ling zoo wanhopig, alsDe wanhoop is, die gij te ontkomen wenscht.Hebt gij de kracht van wil, dat ge eer uzelfDen doodsteek geeft, dan dat gij Paris huwt,Dan biedt ge ook wel den schijn des doods de hand,Keert gij daardoor deez’ smaadheid van u af,Gij, die in de’ arm des doods haar wilt ontgaan.Hebt gij dien moed, dan bied ik ’t middel aan.Julia.O, zeg mij, liever dan den graaf te huwen,Een sprong te doen van gindschen torentrans;Zend mij, waar roovers loeren, slangen sissen,Of keten mij aan woeste beren vast;Of sluit mij op, ’s nachts, in een knekelhuis,Rondom door ramm’lend doodsgebeent’ bedolven,Door bruine schenkels, kakelooze schedels;Of doe mij in een pas gedolven graf,Mij hullen met een lijk in ’tzelfde kleed,—Ja, al waarvan ’t verhaal mij siddren deed,Ik zal het zonder vrees of weifling doen,Om de onbevlekte gâ mijns liefs te blijven.Lorenzo.Welaan, ga welgemoed naar huis, en stemIn de’ echt met Paris toe. ’t Is morgen Woensdag;Draag zorg, de nacht, die volgt, alleen te zijn;Uw voedster slaap’ dan niet in uw vertrek.Neem dan dit fleschje, als gij te bedde ligt,En drink dit vocht, van kruidensap bereid.Onmidd’lijk zal een kille slaap’righeidDoor al uw aad’ren stroomen; iedre polsVerflauwt, staat stil; geen warmte of adem tuigt,Dat gij nog leeft; het rood van wang en lipWordt grauw als asch; het luik der oogen valt,Als sloot de dood den dag des levens af.Elk lid, van buigingskracht beroofd, wordt stijfEn strak en koud, als door de hand des doods.En zulk een schijnbeeld van den killen doodVerblijft gij twee en veertig uren lang;Dan zult ge ontwaken als uit zoeten slaap.Verschijnt des morgens dus uw bruidegom,En wekt hij u tot de’ echt, dan zijt ge dood;En, naar ’s lands wijze, wordt gij op de baarIn uwe schoonste kleedren, onbedekt,Gedragen naar datzelfde aloud gewelf,Dat heel ’t geslacht der Capulets omsluit.Omstreeks den tijd, dat gij ontwaken zult,Zal Romeo, wien ’k alles schrift’lijk meld,Hierheen zich spoeden; samen wachten wij’t Ontwaken af, en nog die eigen nachtGeleidt hij u van hier naar Mantua.Dit redt u van den smaad, die u bedreigt,Als niet door wankelheid of vrouwlijke angstUw kloeke moed in ’t handlen zelf bezwijkt.Julia.O, geef toch, geef; spreek niet tot mij van angst.Lorenzo.Neem ’t dan, en ga. Volhard in uw besluit;Dan wacht u heil. Een kloosterbroeder brengtTerstond mijn brief naar uwen gade heen.Julia.Dat liefde kracht, en kracht mij hulp verleen!Vaarwel, eerwaarde vader!(Beiden af.)

Eerste Tooneel.De cel van broederLorenzo.BroederLorenzoenPariskomen op.Lorenzo.Op Donderdag? voorwaar, dat is kort dag.Paris.Zoo wil ’t mijn vader Capulet, en ikBen niet zoo koel, dat ik zijn spoed vertraag.Lorenzo.Gij weet niet, zegt ge, hoe de jonkvrouw denkt;De weg is ongebaand, ’t bevalt mij niet.Paris.Ze weent onmatig over Tybalts dood,En daarom sprak ik weinig nog van liefde;Want Venus glimlacht niet in ’t huis der tranen.Maar wijl haar vader er gevaar in ziet,Dat zij aldus haar droefheid heerschen laat,Verhaast hij in zijn wijsheid onzen echt,Om zoo dien tranenvloed te stuiten, die,Door ’t eenzaam leven al te zeer gevoed,Gekeerd zal worden door gezelligheid;—Nu weet gij de oorzaak van deez’ haast.LorenzoNu weet gij de oorzaak van deez’ haast.(ter zijde).Wist ikDen grond maar niet, die hier vertraging eischt!(Luid).Zie, graaf, daar treedt de jonkvrouw in mijn cel.(Juliatreedt binnen.)Paris.Wat schoone ontmoeting, mijn geliefde bruid!Julia.Schoon zal ’t eerst zijn, begroet ik u als bruid!Paris.Zoo groeten wij toch Donderdag elkaâr.Julia.Wat moet zijn, zal zijn.Lorenzo.Wat moet zijn, zal zijn.Dat is altijd waar.Paris.Komt gij ter biecht bij deez’ eerwaarden man?Julia.Zeide ik U dit, ik kwam bij u ter biecht.Paris.Verzwijg het hem niet, dat gij mij bemint.Julia.Aan u belijde ik, dat ik hem bemin.Paris.En zeker hem ook, dat ge mij bemint.Julia.Als ik dit doe, stel ’t zeer op prijs; ik spreekDan achter uwen rug, niet in ’t gezicht.28Paris.Ach! uw gezicht heeft van geween geleden.Julia.Een kleine zege voor mijn tranen; ’t was,Aleer zij zoo het schonden, niet veel waard.Paris.Die smaad is erger schennis, dan die tranen.Julia.De waarheid, graaf, kan nimmer schennis zijn;En ’k smaalde daar mijzelf in ’t aangezicht.Paris.’t Gezicht, dat gij zoo smaadt, is mijn gezicht.Julia.’t Zou kunnen zijn, ’t is van mijzelve niet.—Kom ik u, heil’ge vader, thans gelegen,Of zal ik keeren tegen vespertijd?Lorenzo.’k Heb thans wel tijd voor u, bezwaarde dochter.—Ik bid u, eedle graaf, laat ons alleen.Paris.Verhoede God, dat ik uw vroomheid stoor!Ik wek u, Julia, Donderdag reeds vroeg;Zoolang vaarwel; en neem deez’ heil’gen kus!(Pariskust haar de hand en gaat heen.)Julia.O, sluit de deur, en dan, o ween dan met mij!’t Is alles uit, geen hulp, geen heil, geen hoop!Lorenzo.Ach Julia, ’k weet uw leed alreeds; het maaktMijzelf verward, verbijsterd, radeloos;Ik hoor, gij moet,—en niets vertraagt dit meer,—Op Donderdag gehuwd zijn met den graaf.Julia.Zeg, vader, niet, dat gij dit hebt gehoord.Of zeg mij ook, hoe ik ’t verhoeden kan.En als uw wijsheid mij geen redding weet,Erken dan slechts, wat ik besloot, als wijs,En ’k help terstond mijzelve met dit staal.God voegde Romeo’s hart en ’t mijne saam,Gij onze handen; en eer deze hand,Die gij gezegeld hebt aan Romeo,Zich aan een ander echtverbond laat zeeg’len,Of mijn trouw hart verraad pleegt, van hem afvalt,Zich naar een ander keert, doodt dit die beide.Dus geef, uit uw veeljarige ondervinding,Mij snellen raad; of anders zij dit staalScheidsrechter tusschen ’t dreigend lot en mij;’t Beslechte, wat uw wijsheid en ervaringNiet tot een eervolle uitkomst brengen kan.Spreek bondig, snel; gewenscht is mij de dood,Brengt, wat gij spreekt, geen redding in mijn nood.Lorenzo.Hoû op, mijn dochter, ’k speur een zweem van hoop;68Maar ze eischt een hand’ling zoo wanhopig, alsDe wanhoop is, die gij te ontkomen wenscht.Hebt gij de kracht van wil, dat ge eer uzelfDen doodsteek geeft, dan dat gij Paris huwt,Dan biedt ge ook wel den schijn des doods de hand,Keert gij daardoor deez’ smaadheid van u af,Gij, die in de’ arm des doods haar wilt ontgaan.Hebt gij dien moed, dan bied ik ’t middel aan.Julia.O, zeg mij, liever dan den graaf te huwen,Een sprong te doen van gindschen torentrans;Zend mij, waar roovers loeren, slangen sissen,Of keten mij aan woeste beren vast;Of sluit mij op, ’s nachts, in een knekelhuis,Rondom door ramm’lend doodsgebeent’ bedolven,Door bruine schenkels, kakelooze schedels;Of doe mij in een pas gedolven graf,Mij hullen met een lijk in ’tzelfde kleed,—Ja, al waarvan ’t verhaal mij siddren deed,Ik zal het zonder vrees of weifling doen,Om de onbevlekte gâ mijns liefs te blijven.Lorenzo.Welaan, ga welgemoed naar huis, en stemIn de’ echt met Paris toe. ’t Is morgen Woensdag;Draag zorg, de nacht, die volgt, alleen te zijn;Uw voedster slaap’ dan niet in uw vertrek.Neem dan dit fleschje, als gij te bedde ligt,En drink dit vocht, van kruidensap bereid.Onmidd’lijk zal een kille slaap’righeidDoor al uw aad’ren stroomen; iedre polsVerflauwt, staat stil; geen warmte of adem tuigt,Dat gij nog leeft; het rood van wang en lipWordt grauw als asch; het luik der oogen valt,Als sloot de dood den dag des levens af.Elk lid, van buigingskracht beroofd, wordt stijfEn strak en koud, als door de hand des doods.En zulk een schijnbeeld van den killen doodVerblijft gij twee en veertig uren lang;Dan zult ge ontwaken als uit zoeten slaap.Verschijnt des morgens dus uw bruidegom,En wekt hij u tot de’ echt, dan zijt ge dood;En, naar ’s lands wijze, wordt gij op de baarIn uwe schoonste kleedren, onbedekt,Gedragen naar datzelfde aloud gewelf,Dat heel ’t geslacht der Capulets omsluit.Omstreeks den tijd, dat gij ontwaken zult,Zal Romeo, wien ’k alles schrift’lijk meld,Hierheen zich spoeden; samen wachten wij’t Ontwaken af, en nog die eigen nachtGeleidt hij u van hier naar Mantua.Dit redt u van den smaad, die u bedreigt,Als niet door wankelheid of vrouwlijke angstUw kloeke moed in ’t handlen zelf bezwijkt.Julia.O, geef toch, geef; spreek niet tot mij van angst.Lorenzo.Neem ’t dan, en ga. Volhard in uw besluit;Dan wacht u heil. Een kloosterbroeder brengtTerstond mijn brief naar uwen gade heen.Julia.Dat liefde kracht, en kracht mij hulp verleen!Vaarwel, eerwaarde vader!(Beiden af.)

De cel van broederLorenzo.

BroederLorenzoenPariskomen op.

Lorenzo.Op Donderdag? voorwaar, dat is kort dag.

Lorenzo.

Op Donderdag? voorwaar, dat is kort dag.

Paris.Zoo wil ’t mijn vader Capulet, en ikBen niet zoo koel, dat ik zijn spoed vertraag.

Paris.

Zoo wil ’t mijn vader Capulet, en ik

Ben niet zoo koel, dat ik zijn spoed vertraag.

Lorenzo.Gij weet niet, zegt ge, hoe de jonkvrouw denkt;De weg is ongebaand, ’t bevalt mij niet.

Lorenzo.

Gij weet niet, zegt ge, hoe de jonkvrouw denkt;

De weg is ongebaand, ’t bevalt mij niet.

Paris.Ze weent onmatig over Tybalts dood,En daarom sprak ik weinig nog van liefde;Want Venus glimlacht niet in ’t huis der tranen.Maar wijl haar vader er gevaar in ziet,Dat zij aldus haar droefheid heerschen laat,Verhaast hij in zijn wijsheid onzen echt,Om zoo dien tranenvloed te stuiten, die,Door ’t eenzaam leven al te zeer gevoed,Gekeerd zal worden door gezelligheid;—Nu weet gij de oorzaak van deez’ haast.

Paris.

Ze weent onmatig over Tybalts dood,

En daarom sprak ik weinig nog van liefde;

Want Venus glimlacht niet in ’t huis der tranen.

Maar wijl haar vader er gevaar in ziet,

Dat zij aldus haar droefheid heerschen laat,

Verhaast hij in zijn wijsheid onzen echt,

Om zoo dien tranenvloed te stuiten, die,

Door ’t eenzaam leven al te zeer gevoed,

Gekeerd zal worden door gezelligheid;—

Nu weet gij de oorzaak van deez’ haast.

LorenzoNu weet gij de oorzaak van deez’ haast.(ter zijde).Wist ikDen grond maar niet, die hier vertraging eischt!(Luid).Zie, graaf, daar treedt de jonkvrouw in mijn cel.

Lorenzo

Nu weet gij de oorzaak van deez’ haast.

(ter zijde).

Den grond maar niet, die hier vertraging eischt!

(Luid).

(Juliatreedt binnen.)

Paris.Wat schoone ontmoeting, mijn geliefde bruid!

Paris.

Wat schoone ontmoeting, mijn geliefde bruid!

Julia.Schoon zal ’t eerst zijn, begroet ik u als bruid!

Julia.

Schoon zal ’t eerst zijn, begroet ik u als bruid!

Paris.Zoo groeten wij toch Donderdag elkaâr.

Paris.

Zoo groeten wij toch Donderdag elkaâr.

Julia.Wat moet zijn, zal zijn.

Julia.

Wat moet zijn, zal zijn.

Lorenzo.Wat moet zijn, zal zijn.Dat is altijd waar.

Lorenzo.

Wat moet zijn, zal zijn.Dat is altijd waar.

Paris.Komt gij ter biecht bij deez’ eerwaarden man?

Paris.

Komt gij ter biecht bij deez’ eerwaarden man?

Julia.Zeide ik U dit, ik kwam bij u ter biecht.

Julia.

Zeide ik U dit, ik kwam bij u ter biecht.

Paris.Verzwijg het hem niet, dat gij mij bemint.

Paris.

Verzwijg het hem niet, dat gij mij bemint.

Julia.Aan u belijde ik, dat ik hem bemin.

Julia.

Aan u belijde ik, dat ik hem bemin.

Paris.En zeker hem ook, dat ge mij bemint.

Paris.

En zeker hem ook, dat ge mij bemint.

Julia.Als ik dit doe, stel ’t zeer op prijs; ik spreekDan achter uwen rug, niet in ’t gezicht.28

Julia.

Als ik dit doe, stel ’t zeer op prijs; ik spreek

Dan achter uwen rug, niet in ’t gezicht.28

Paris.Ach! uw gezicht heeft van geween geleden.

Paris.

Ach! uw gezicht heeft van geween geleden.

Julia.Een kleine zege voor mijn tranen; ’t was,Aleer zij zoo het schonden, niet veel waard.

Julia.

Een kleine zege voor mijn tranen; ’t was,

Aleer zij zoo het schonden, niet veel waard.

Paris.Die smaad is erger schennis, dan die tranen.

Paris.

Die smaad is erger schennis, dan die tranen.

Julia.De waarheid, graaf, kan nimmer schennis zijn;En ’k smaalde daar mijzelf in ’t aangezicht.

Julia.

De waarheid, graaf, kan nimmer schennis zijn;

En ’k smaalde daar mijzelf in ’t aangezicht.

Paris.’t Gezicht, dat gij zoo smaadt, is mijn gezicht.

Paris.

’t Gezicht, dat gij zoo smaadt, is mijn gezicht.

Julia.’t Zou kunnen zijn, ’t is van mijzelve niet.—Kom ik u, heil’ge vader, thans gelegen,Of zal ik keeren tegen vespertijd?

Julia.

’t Zou kunnen zijn, ’t is van mijzelve niet.—

Kom ik u, heil’ge vader, thans gelegen,

Of zal ik keeren tegen vespertijd?

Lorenzo.’k Heb thans wel tijd voor u, bezwaarde dochter.—Ik bid u, eedle graaf, laat ons alleen.

Lorenzo.

’k Heb thans wel tijd voor u, bezwaarde dochter.—

Ik bid u, eedle graaf, laat ons alleen.

Paris.Verhoede God, dat ik uw vroomheid stoor!Ik wek u, Julia, Donderdag reeds vroeg;Zoolang vaarwel; en neem deez’ heil’gen kus!

Paris.

Verhoede God, dat ik uw vroomheid stoor!

Ik wek u, Julia, Donderdag reeds vroeg;

Zoolang vaarwel; en neem deez’ heil’gen kus!

(Pariskust haar de hand en gaat heen.)

Julia.O, sluit de deur, en dan, o ween dan met mij!’t Is alles uit, geen hulp, geen heil, geen hoop!

Julia.

O, sluit de deur, en dan, o ween dan met mij!

’t Is alles uit, geen hulp, geen heil, geen hoop!

Lorenzo.Ach Julia, ’k weet uw leed alreeds; het maaktMijzelf verward, verbijsterd, radeloos;Ik hoor, gij moet,—en niets vertraagt dit meer,—Op Donderdag gehuwd zijn met den graaf.

Lorenzo.

Ach Julia, ’k weet uw leed alreeds; het maakt

Mijzelf verward, verbijsterd, radeloos;

Ik hoor, gij moet,—en niets vertraagt dit meer,—

Op Donderdag gehuwd zijn met den graaf.

Julia.Zeg, vader, niet, dat gij dit hebt gehoord.Of zeg mij ook, hoe ik ’t verhoeden kan.En als uw wijsheid mij geen redding weet,Erken dan slechts, wat ik besloot, als wijs,En ’k help terstond mijzelve met dit staal.God voegde Romeo’s hart en ’t mijne saam,Gij onze handen; en eer deze hand,Die gij gezegeld hebt aan Romeo,Zich aan een ander echtverbond laat zeeg’len,Of mijn trouw hart verraad pleegt, van hem afvalt,Zich naar een ander keert, doodt dit die beide.Dus geef, uit uw veeljarige ondervinding,Mij snellen raad; of anders zij dit staalScheidsrechter tusschen ’t dreigend lot en mij;’t Beslechte, wat uw wijsheid en ervaringNiet tot een eervolle uitkomst brengen kan.Spreek bondig, snel; gewenscht is mij de dood,Brengt, wat gij spreekt, geen redding in mijn nood.

Julia.

Zeg, vader, niet, dat gij dit hebt gehoord.

Of zeg mij ook, hoe ik ’t verhoeden kan.

En als uw wijsheid mij geen redding weet,

Erken dan slechts, wat ik besloot, als wijs,

En ’k help terstond mijzelve met dit staal.

God voegde Romeo’s hart en ’t mijne saam,

Gij onze handen; en eer deze hand,

Die gij gezegeld hebt aan Romeo,

Zich aan een ander echtverbond laat zeeg’len,

Of mijn trouw hart verraad pleegt, van hem afvalt,

Zich naar een ander keert, doodt dit die beide.

Dus geef, uit uw veeljarige ondervinding,

Mij snellen raad; of anders zij dit staal

Scheidsrechter tusschen ’t dreigend lot en mij;

’t Beslechte, wat uw wijsheid en ervaring

Niet tot een eervolle uitkomst brengen kan.

Spreek bondig, snel; gewenscht is mij de dood,

Brengt, wat gij spreekt, geen redding in mijn nood.

Lorenzo.Hoû op, mijn dochter, ’k speur een zweem van hoop;68Maar ze eischt een hand’ling zoo wanhopig, alsDe wanhoop is, die gij te ontkomen wenscht.Hebt gij de kracht van wil, dat ge eer uzelfDen doodsteek geeft, dan dat gij Paris huwt,Dan biedt ge ook wel den schijn des doods de hand,Keert gij daardoor deez’ smaadheid van u af,Gij, die in de’ arm des doods haar wilt ontgaan.Hebt gij dien moed, dan bied ik ’t middel aan.

Lorenzo.

Hoû op, mijn dochter, ’k speur een zweem van hoop;68

Maar ze eischt een hand’ling zoo wanhopig, als

De wanhoop is, die gij te ontkomen wenscht.

Hebt gij de kracht van wil, dat ge eer uzelf

Den doodsteek geeft, dan dat gij Paris huwt,

Dan biedt ge ook wel den schijn des doods de hand,

Keert gij daardoor deez’ smaadheid van u af,

Gij, die in de’ arm des doods haar wilt ontgaan.

Hebt gij dien moed, dan bied ik ’t middel aan.

Julia.O, zeg mij, liever dan den graaf te huwen,Een sprong te doen van gindschen torentrans;Zend mij, waar roovers loeren, slangen sissen,Of keten mij aan woeste beren vast;Of sluit mij op, ’s nachts, in een knekelhuis,Rondom door ramm’lend doodsgebeent’ bedolven,Door bruine schenkels, kakelooze schedels;Of doe mij in een pas gedolven graf,Mij hullen met een lijk in ’tzelfde kleed,—Ja, al waarvan ’t verhaal mij siddren deed,Ik zal het zonder vrees of weifling doen,Om de onbevlekte gâ mijns liefs te blijven.

Julia.

O, zeg mij, liever dan den graaf te huwen,

Een sprong te doen van gindschen torentrans;

Zend mij, waar roovers loeren, slangen sissen,

Of keten mij aan woeste beren vast;

Of sluit mij op, ’s nachts, in een knekelhuis,

Rondom door ramm’lend doodsgebeent’ bedolven,

Door bruine schenkels, kakelooze schedels;

Of doe mij in een pas gedolven graf,

Mij hullen met een lijk in ’tzelfde kleed,—

Ja, al waarvan ’t verhaal mij siddren deed,

Ik zal het zonder vrees of weifling doen,

Om de onbevlekte gâ mijns liefs te blijven.

Lorenzo.Welaan, ga welgemoed naar huis, en stemIn de’ echt met Paris toe. ’t Is morgen Woensdag;Draag zorg, de nacht, die volgt, alleen te zijn;Uw voedster slaap’ dan niet in uw vertrek.Neem dan dit fleschje, als gij te bedde ligt,En drink dit vocht, van kruidensap bereid.Onmidd’lijk zal een kille slaap’righeidDoor al uw aad’ren stroomen; iedre polsVerflauwt, staat stil; geen warmte of adem tuigt,Dat gij nog leeft; het rood van wang en lipWordt grauw als asch; het luik der oogen valt,Als sloot de dood den dag des levens af.Elk lid, van buigingskracht beroofd, wordt stijfEn strak en koud, als door de hand des doods.En zulk een schijnbeeld van den killen doodVerblijft gij twee en veertig uren lang;Dan zult ge ontwaken als uit zoeten slaap.Verschijnt des morgens dus uw bruidegom,En wekt hij u tot de’ echt, dan zijt ge dood;En, naar ’s lands wijze, wordt gij op de baarIn uwe schoonste kleedren, onbedekt,Gedragen naar datzelfde aloud gewelf,Dat heel ’t geslacht der Capulets omsluit.Omstreeks den tijd, dat gij ontwaken zult,Zal Romeo, wien ’k alles schrift’lijk meld,Hierheen zich spoeden; samen wachten wij’t Ontwaken af, en nog die eigen nachtGeleidt hij u van hier naar Mantua.Dit redt u van den smaad, die u bedreigt,Als niet door wankelheid of vrouwlijke angstUw kloeke moed in ’t handlen zelf bezwijkt.

Lorenzo.

Welaan, ga welgemoed naar huis, en stem

In de’ echt met Paris toe. ’t Is morgen Woensdag;

Draag zorg, de nacht, die volgt, alleen te zijn;

Uw voedster slaap’ dan niet in uw vertrek.

Neem dan dit fleschje, als gij te bedde ligt,

En drink dit vocht, van kruidensap bereid.

Onmidd’lijk zal een kille slaap’righeid

Door al uw aad’ren stroomen; iedre pols

Verflauwt, staat stil; geen warmte of adem tuigt,

Dat gij nog leeft; het rood van wang en lip

Wordt grauw als asch; het luik der oogen valt,

Als sloot de dood den dag des levens af.

Elk lid, van buigingskracht beroofd, wordt stijf

En strak en koud, als door de hand des doods.

En zulk een schijnbeeld van den killen dood

Verblijft gij twee en veertig uren lang;

Dan zult ge ontwaken als uit zoeten slaap.

Verschijnt des morgens dus uw bruidegom,

En wekt hij u tot de’ echt, dan zijt ge dood;

En, naar ’s lands wijze, wordt gij op de baar

In uwe schoonste kleedren, onbedekt,

Gedragen naar datzelfde aloud gewelf,

Dat heel ’t geslacht der Capulets omsluit.

Omstreeks den tijd, dat gij ontwaken zult,

Zal Romeo, wien ’k alles schrift’lijk meld,

Hierheen zich spoeden; samen wachten wij

’t Ontwaken af, en nog die eigen nacht

Geleidt hij u van hier naar Mantua.

Dit redt u van den smaad, die u bedreigt,

Als niet door wankelheid of vrouwlijke angst

Uw kloeke moed in ’t handlen zelf bezwijkt.

Julia.O, geef toch, geef; spreek niet tot mij van angst.

Julia.

O, geef toch, geef; spreek niet tot mij van angst.

Lorenzo.Neem ’t dan, en ga. Volhard in uw besluit;Dan wacht u heil. Een kloosterbroeder brengtTerstond mijn brief naar uwen gade heen.

Lorenzo.

Neem ’t dan, en ga. Volhard in uw besluit;

Dan wacht u heil. Een kloosterbroeder brengt

Terstond mijn brief naar uwen gade heen.

Julia.Dat liefde kracht, en kracht mij hulp verleen!Vaarwel, eerwaarde vader!

Julia.

Dat liefde kracht, en kracht mij hulp verleen!

Vaarwel, eerwaarde vader!

(Beiden af.)

Tweede Tooneel.Een kamer inCapulet’shuis.Capulet,GravinCapulet,de Voedster en twee Bedienden komen op.Capulet.Ga, neem deez’ lijst en noodig al die gasten.(Bediende af.)Gij, huur me een twintigtal bekwame koks.Tweede Bediende.Ik zal zorgen, heer, dat er geen enkele slechte onder loopt, want ik zal zien, of ze hun vingers wel goed kunnen aflikken.Capulet.Waartoe moet die proef dienen?Tweede Bediende.Wel, heer, het zeggen is, dat het een slechte kok is, die zijn eigen vingers niet kan aflikken; daarom, die dit niet kan, daar wil ik niets van weten.Capulet.Ga, maak voort.(Bediende af.)De tijd is kort, wij komen nauw’lijks klaar.—Zeg, is mijn dochter naar Lorenzo toe?Voedster.Ja zeker, heer.Capulet.Nu, ’k hoop dan maar, dat zijn vermaan wat helpt;Zij is een eigenzinnig, luimig ding.(Juliakomt op.)Voedster.Daar komt zij van de biecht en welgemoed.Capulet.Hoe is ’t, mijn stijfkop? Waar hebt gij gezworven?Julia.Waar ’k leerde door berouw de schuld te boeten,Dat ik halsstarrig weerstand bood aan uEn uw gebod; en waar de heil’ge manMij heeft gelast, geknield, heer, u vergiff’nisTe vragen.—Schenk vergeving, smeek ik u;Voortaan vindt gij mij steeds een volgzaam kind.Capulet.Een boodschap naar den graaf! bericht hem dit;En morgen vroeg zij nu de knoop gelegd.Julia.Den jongen graaf ontmoette ik bij Lorenzo,En heb hem zooveel minzaamheid getoond,Als met de zedigheid bestaanbaar is.27Capulet.Dat hoor ik gaarne; nu ’t is goed; sta op;Zoo moet het zijn!—Ik wil den graaf nu spreken;Kom, ga dan, zeg ik, ga toch, haal hem hier.—Bij God, die eerbiedwaarde, heil’ge vaderHeeft heel de stad ten zeerste aan zich verplicht.Julia.Kom, voedster, ga nu mede, naar mijn kamer,En help mij bij de keuze van den tooi,Dien gij op morgen ’t beste voor mij acht.Gravin Capulet.Neen, Donderdag is ’t eerst, er is geen haast.Capulet.Ga, voedster, mee; ’t is morgen; dan ter kerk.(Juliaen de Voedster af.)Gravin Capulet.’t Is veel te kort om alles te beschikken,Zie, de avond valt!Capulet.Zie, de avond valt!Stil, laat mij maar begaan;’t Zal alles klaar zijn, vrouw, ik sta u borg.Ga gij naar Julia, help haar aan haar kleeding.’k Ga niet naar bed van nacht; laat mij begaan,’k Wil nu ook eens voor huisvrouw spelen.—Hé!—Wat! allen weg!—Dan zal ikzelf graaf ParisGaan zeggen, dat hij zorg’ gereed te zijnOp morgen vroeg.—Het is me een steen van ’t hart,Nu zoo dat koppig ding tot inkeer kwam.(Beiden af.)

Tweede Tooneel.Een kamer inCapulet’shuis.Capulet,GravinCapulet,de Voedster en twee Bedienden komen op.Capulet.Ga, neem deez’ lijst en noodig al die gasten.(Bediende af.)Gij, huur me een twintigtal bekwame koks.Tweede Bediende.Ik zal zorgen, heer, dat er geen enkele slechte onder loopt, want ik zal zien, of ze hun vingers wel goed kunnen aflikken.Capulet.Waartoe moet die proef dienen?Tweede Bediende.Wel, heer, het zeggen is, dat het een slechte kok is, die zijn eigen vingers niet kan aflikken; daarom, die dit niet kan, daar wil ik niets van weten.Capulet.Ga, maak voort.(Bediende af.)De tijd is kort, wij komen nauw’lijks klaar.—Zeg, is mijn dochter naar Lorenzo toe?Voedster.Ja zeker, heer.Capulet.Nu, ’k hoop dan maar, dat zijn vermaan wat helpt;Zij is een eigenzinnig, luimig ding.(Juliakomt op.)Voedster.Daar komt zij van de biecht en welgemoed.Capulet.Hoe is ’t, mijn stijfkop? Waar hebt gij gezworven?Julia.Waar ’k leerde door berouw de schuld te boeten,Dat ik halsstarrig weerstand bood aan uEn uw gebod; en waar de heil’ge manMij heeft gelast, geknield, heer, u vergiff’nisTe vragen.—Schenk vergeving, smeek ik u;Voortaan vindt gij mij steeds een volgzaam kind.Capulet.Een boodschap naar den graaf! bericht hem dit;En morgen vroeg zij nu de knoop gelegd.Julia.Den jongen graaf ontmoette ik bij Lorenzo,En heb hem zooveel minzaamheid getoond,Als met de zedigheid bestaanbaar is.27Capulet.Dat hoor ik gaarne; nu ’t is goed; sta op;Zoo moet het zijn!—Ik wil den graaf nu spreken;Kom, ga dan, zeg ik, ga toch, haal hem hier.—Bij God, die eerbiedwaarde, heil’ge vaderHeeft heel de stad ten zeerste aan zich verplicht.Julia.Kom, voedster, ga nu mede, naar mijn kamer,En help mij bij de keuze van den tooi,Dien gij op morgen ’t beste voor mij acht.Gravin Capulet.Neen, Donderdag is ’t eerst, er is geen haast.Capulet.Ga, voedster, mee; ’t is morgen; dan ter kerk.(Juliaen de Voedster af.)Gravin Capulet.’t Is veel te kort om alles te beschikken,Zie, de avond valt!Capulet.Zie, de avond valt!Stil, laat mij maar begaan;’t Zal alles klaar zijn, vrouw, ik sta u borg.Ga gij naar Julia, help haar aan haar kleeding.’k Ga niet naar bed van nacht; laat mij begaan,’k Wil nu ook eens voor huisvrouw spelen.—Hé!—Wat! allen weg!—Dan zal ikzelf graaf ParisGaan zeggen, dat hij zorg’ gereed te zijnOp morgen vroeg.—Het is me een steen van ’t hart,Nu zoo dat koppig ding tot inkeer kwam.(Beiden af.)

Een kamer inCapulet’shuis.

Capulet,GravinCapulet,de Voedster en twee Bedienden komen op.

Capulet.Ga, neem deez’ lijst en noodig al die gasten.

Capulet.

Ga, neem deez’ lijst en noodig al die gasten.

(Bediende af.)

Gij, huur me een twintigtal bekwame koks.

Gij, huur me een twintigtal bekwame koks.

Tweede Bediende.Ik zal zorgen, heer, dat er geen enkele slechte onder loopt, want ik zal zien, of ze hun vingers wel goed kunnen aflikken.

Tweede Bediende.

Ik zal zorgen, heer, dat er geen enkele slechte onder loopt, want ik zal zien, of ze hun vingers wel goed kunnen aflikken.

Capulet.Waartoe moet die proef dienen?

Capulet.

Waartoe moet die proef dienen?

Tweede Bediende.Wel, heer, het zeggen is, dat het een slechte kok is, die zijn eigen vingers niet kan aflikken; daarom, die dit niet kan, daar wil ik niets van weten.

Tweede Bediende.

Wel, heer, het zeggen is, dat het een slechte kok is, die zijn eigen vingers niet kan aflikken; daarom, die dit niet kan, daar wil ik niets van weten.

Capulet.Ga, maak voort.

Capulet.

Ga, maak voort.

(Bediende af.)

De tijd is kort, wij komen nauw’lijks klaar.—Zeg, is mijn dochter naar Lorenzo toe?

De tijd is kort, wij komen nauw’lijks klaar.—

Zeg, is mijn dochter naar Lorenzo toe?

Voedster.Ja zeker, heer.

Voedster.

Ja zeker, heer.

Capulet.Nu, ’k hoop dan maar, dat zijn vermaan wat helpt;Zij is een eigenzinnig, luimig ding.

Capulet.

Nu, ’k hoop dan maar, dat zijn vermaan wat helpt;

Zij is een eigenzinnig, luimig ding.

(Juliakomt op.)

Voedster.Daar komt zij van de biecht en welgemoed.

Voedster.

Daar komt zij van de biecht en welgemoed.

Capulet.Hoe is ’t, mijn stijfkop? Waar hebt gij gezworven?

Capulet.

Hoe is ’t, mijn stijfkop? Waar hebt gij gezworven?

Julia.Waar ’k leerde door berouw de schuld te boeten,Dat ik halsstarrig weerstand bood aan uEn uw gebod; en waar de heil’ge manMij heeft gelast, geknield, heer, u vergiff’nisTe vragen.—Schenk vergeving, smeek ik u;Voortaan vindt gij mij steeds een volgzaam kind.

Julia.

Waar ’k leerde door berouw de schuld te boeten,

Dat ik halsstarrig weerstand bood aan u

En uw gebod; en waar de heil’ge man

Mij heeft gelast, geknield, heer, u vergiff’nis

Te vragen.—Schenk vergeving, smeek ik u;

Voortaan vindt gij mij steeds een volgzaam kind.

Capulet.Een boodschap naar den graaf! bericht hem dit;En morgen vroeg zij nu de knoop gelegd.

Capulet.

Een boodschap naar den graaf! bericht hem dit;

En morgen vroeg zij nu de knoop gelegd.

Julia.Den jongen graaf ontmoette ik bij Lorenzo,En heb hem zooveel minzaamheid getoond,Als met de zedigheid bestaanbaar is.27

Julia.

Den jongen graaf ontmoette ik bij Lorenzo,

En heb hem zooveel minzaamheid getoond,

Als met de zedigheid bestaanbaar is.27

Capulet.Dat hoor ik gaarne; nu ’t is goed; sta op;Zoo moet het zijn!—Ik wil den graaf nu spreken;Kom, ga dan, zeg ik, ga toch, haal hem hier.—Bij God, die eerbiedwaarde, heil’ge vaderHeeft heel de stad ten zeerste aan zich verplicht.

Capulet.

Dat hoor ik gaarne; nu ’t is goed; sta op;

Zoo moet het zijn!—Ik wil den graaf nu spreken;

Kom, ga dan, zeg ik, ga toch, haal hem hier.—

Bij God, die eerbiedwaarde, heil’ge vader

Heeft heel de stad ten zeerste aan zich verplicht.

Julia.Kom, voedster, ga nu mede, naar mijn kamer,En help mij bij de keuze van den tooi,Dien gij op morgen ’t beste voor mij acht.

Julia.

Kom, voedster, ga nu mede, naar mijn kamer,

En help mij bij de keuze van den tooi,

Dien gij op morgen ’t beste voor mij acht.

Gravin Capulet.Neen, Donderdag is ’t eerst, er is geen haast.

Gravin Capulet.

Neen, Donderdag is ’t eerst, er is geen haast.

Capulet.Ga, voedster, mee; ’t is morgen; dan ter kerk.

Capulet.

Ga, voedster, mee; ’t is morgen; dan ter kerk.

(Juliaen de Voedster af.)

Gravin Capulet.’t Is veel te kort om alles te beschikken,Zie, de avond valt!

Gravin Capulet.

’t Is veel te kort om alles te beschikken,

Zie, de avond valt!

Capulet.Zie, de avond valt!Stil, laat mij maar begaan;’t Zal alles klaar zijn, vrouw, ik sta u borg.Ga gij naar Julia, help haar aan haar kleeding.’k Ga niet naar bed van nacht; laat mij begaan,’k Wil nu ook eens voor huisvrouw spelen.—Hé!—Wat! allen weg!—Dan zal ikzelf graaf ParisGaan zeggen, dat hij zorg’ gereed te zijnOp morgen vroeg.—Het is me een steen van ’t hart,Nu zoo dat koppig ding tot inkeer kwam.

Capulet.

Zie, de avond valt!Stil, laat mij maar begaan;

’t Zal alles klaar zijn, vrouw, ik sta u borg.

Ga gij naar Julia, help haar aan haar kleeding.

’k Ga niet naar bed van nacht; laat mij begaan,

’k Wil nu ook eens voor huisvrouw spelen.—Hé!—

Wat! allen weg!—Dan zal ikzelf graaf Paris

Gaan zeggen, dat hij zorg’ gereed te zijn

Op morgen vroeg.—Het is me een steen van ’t hart,

Nu zoo dat koppig ding tot inkeer kwam.

(Beiden af.)

Derde Tooneel.Julia’skamer.Juliaen de Voedster komen op.Julia.Ja, dit kleed is het best; maar, lieve min,Laat, bid ik u, mij deze nacht alleen;Want ik behoef wel meen’ge bede, opdatDe hemel vriendlijk op mijn toestand blikk’,Die, als ge weet, verkeerd is en vol zonde.(GravinCapuletkomt op.)Gravin Capulet.Hoe, zoo bedrijvig nog? kan ik u helpen?Julia.Neen, moeder, alles is gereed gelegd,Wat voor mijn kerkgang morgen wordt vereischt;Wees slechts zoo goed en laat mij nu alleen,En laat deez’ nacht de voedster met u waken,Want gij hebt zeker wel uw handen volBij zulk een haastig huw’lijk.Gravin Capulet.Bij zulk een haastig huw’lijk.Goede nacht!Ga gij te bed, neem rust; dat hebt ge noodig.(GravinCapuleten de Voedster af.)Julia.Vaarwel!—God weet, wanneer we elkander weêrzien.—Door de aad’ren rilt me een matte, killende angst,Die ’s levens warmte schier bevriezen doet;Ik roep haar weer tot stilling van mijn vrees.Hé, voedster!—Maar waartoe?18Mijn schrikb’re taak moet ik alleen voleinden.—Kom, fleschje!—Maar hoe, als deze drank geen werking had?Moet ik volstrekt dan morgenochtend huwen?Neen; gij belet dit, gij; lig daar gereed.(Zij legt een dolk bij zich neêr.)Doch, als het eens vergift was, dat de monnikArglistig had bereid, opdat ik sterve,En hij door dezen echt niet worde onteerd,Wijl hij mij eerst met Romeo verbond?Ik vrees het; en toch, dunkt mij, ’t kan niet zijn;Hij is beproefd, bleek steeds een heilig man.—Maar hoe, wanneer ik, in het graf gelegd,Ontwake vóór den tijd, dat RomeoMij komt bevrijden? welk ontzettend lot!Zal ik dan niet versmoren in ’t gewelf,Welks giftmond nimmer zuivre lucht doorstroomt,Den stikdood sterven, eer mijn Romeo komt?Of, leef ik al, is ’t niet waarschijnlijk, datHet huivringwekkend beeld van dood en nacht,Vereend met al de afgrijslijkheid der plaats,—Dat grafgewelf, dat oud verblijf des doods,Waar, al zoo menig honderd jaar, ’t gebeent’Van heel mijn voorgeslacht is opgehoopt;Waar Tybalt, bloedig, pas aan de aard vertrouwd,In zijne wâ vergaat; waar, zoo men zegt,Des nachts op sommige uren geesten waren;—Wee, wee mij, is het niet waarschijnlijk, datIk, vroeg ontwakend, in die pestlucht, bijGekrijsch als van alruinen, de aard ontscheurd,Dat levenden, die ’t hooren, zinloos maakt,—O, zal ’k, ontwakend, niet verbijsterd zijn,Omringd van al die aak’ligheid en schrik,En zinloos spelen met eens grootvaârs rif,En Tybalts lichaam plukken uit zijn wâ;En mij, zoo razend, met eens voorzaats knook,Als met een knots, ’t arm brein te pletter slaan?O, zie! daar is ’t me, als zie ik Tybalts geest!Hij zoekt mijn Romeo, die met een zwaardHem heeft gespietst!—Sta, Tybalt! weg! ik gruw!—Romeo, ik kom! Deez’ dronk wijd ik aan u.(Zij werpt zich op haar bed.)

Derde Tooneel.Julia’skamer.Juliaen de Voedster komen op.Julia.Ja, dit kleed is het best; maar, lieve min,Laat, bid ik u, mij deze nacht alleen;Want ik behoef wel meen’ge bede, opdatDe hemel vriendlijk op mijn toestand blikk’,Die, als ge weet, verkeerd is en vol zonde.(GravinCapuletkomt op.)Gravin Capulet.Hoe, zoo bedrijvig nog? kan ik u helpen?Julia.Neen, moeder, alles is gereed gelegd,Wat voor mijn kerkgang morgen wordt vereischt;Wees slechts zoo goed en laat mij nu alleen,En laat deez’ nacht de voedster met u waken,Want gij hebt zeker wel uw handen volBij zulk een haastig huw’lijk.Gravin Capulet.Bij zulk een haastig huw’lijk.Goede nacht!Ga gij te bed, neem rust; dat hebt ge noodig.(GravinCapuleten de Voedster af.)Julia.Vaarwel!—God weet, wanneer we elkander weêrzien.—Door de aad’ren rilt me een matte, killende angst,Die ’s levens warmte schier bevriezen doet;Ik roep haar weer tot stilling van mijn vrees.Hé, voedster!—Maar waartoe?18Mijn schrikb’re taak moet ik alleen voleinden.—Kom, fleschje!—Maar hoe, als deze drank geen werking had?Moet ik volstrekt dan morgenochtend huwen?Neen; gij belet dit, gij; lig daar gereed.(Zij legt een dolk bij zich neêr.)Doch, als het eens vergift was, dat de monnikArglistig had bereid, opdat ik sterve,En hij door dezen echt niet worde onteerd,Wijl hij mij eerst met Romeo verbond?Ik vrees het; en toch, dunkt mij, ’t kan niet zijn;Hij is beproefd, bleek steeds een heilig man.—Maar hoe, wanneer ik, in het graf gelegd,Ontwake vóór den tijd, dat RomeoMij komt bevrijden? welk ontzettend lot!Zal ik dan niet versmoren in ’t gewelf,Welks giftmond nimmer zuivre lucht doorstroomt,Den stikdood sterven, eer mijn Romeo komt?Of, leef ik al, is ’t niet waarschijnlijk, datHet huivringwekkend beeld van dood en nacht,Vereend met al de afgrijslijkheid der plaats,—Dat grafgewelf, dat oud verblijf des doods,Waar, al zoo menig honderd jaar, ’t gebeent’Van heel mijn voorgeslacht is opgehoopt;Waar Tybalt, bloedig, pas aan de aard vertrouwd,In zijne wâ vergaat; waar, zoo men zegt,Des nachts op sommige uren geesten waren;—Wee, wee mij, is het niet waarschijnlijk, datIk, vroeg ontwakend, in die pestlucht, bijGekrijsch als van alruinen, de aard ontscheurd,Dat levenden, die ’t hooren, zinloos maakt,—O, zal ’k, ontwakend, niet verbijsterd zijn,Omringd van al die aak’ligheid en schrik,En zinloos spelen met eens grootvaârs rif,En Tybalts lichaam plukken uit zijn wâ;En mij, zoo razend, met eens voorzaats knook,Als met een knots, ’t arm brein te pletter slaan?O, zie! daar is ’t me, als zie ik Tybalts geest!Hij zoekt mijn Romeo, die met een zwaardHem heeft gespietst!—Sta, Tybalt! weg! ik gruw!—Romeo, ik kom! Deez’ dronk wijd ik aan u.(Zij werpt zich op haar bed.)

Julia’skamer.

Juliaen de Voedster komen op.

Julia.Ja, dit kleed is het best; maar, lieve min,Laat, bid ik u, mij deze nacht alleen;Want ik behoef wel meen’ge bede, opdatDe hemel vriendlijk op mijn toestand blikk’,Die, als ge weet, verkeerd is en vol zonde.

Julia.

Ja, dit kleed is het best; maar, lieve min,

Laat, bid ik u, mij deze nacht alleen;

Want ik behoef wel meen’ge bede, opdat

De hemel vriendlijk op mijn toestand blikk’,

Die, als ge weet, verkeerd is en vol zonde.

(GravinCapuletkomt op.)

Gravin Capulet.Hoe, zoo bedrijvig nog? kan ik u helpen?

Gravin Capulet.

Hoe, zoo bedrijvig nog? kan ik u helpen?

Julia.Neen, moeder, alles is gereed gelegd,Wat voor mijn kerkgang morgen wordt vereischt;Wees slechts zoo goed en laat mij nu alleen,En laat deez’ nacht de voedster met u waken,Want gij hebt zeker wel uw handen volBij zulk een haastig huw’lijk.

Julia.

Neen, moeder, alles is gereed gelegd,

Wat voor mijn kerkgang morgen wordt vereischt;

Wees slechts zoo goed en laat mij nu alleen,

En laat deez’ nacht de voedster met u waken,

Want gij hebt zeker wel uw handen vol

Bij zulk een haastig huw’lijk.

Gravin Capulet.Bij zulk een haastig huw’lijk.Goede nacht!Ga gij te bed, neem rust; dat hebt ge noodig.

Gravin Capulet.

Bij zulk een haastig huw’lijk.Goede nacht!

Ga gij te bed, neem rust; dat hebt ge noodig.

(GravinCapuleten de Voedster af.)

Julia.Vaarwel!—God weet, wanneer we elkander weêrzien.—Door de aad’ren rilt me een matte, killende angst,Die ’s levens warmte schier bevriezen doet;Ik roep haar weer tot stilling van mijn vrees.Hé, voedster!—Maar waartoe?18Mijn schrikb’re taak moet ik alleen voleinden.—Kom, fleschje!—Maar hoe, als deze drank geen werking had?Moet ik volstrekt dan morgenochtend huwen?Neen; gij belet dit, gij; lig daar gereed.

Julia.

Vaarwel!—God weet, wanneer we elkander weêrzien.—

Door de aad’ren rilt me een matte, killende angst,

Die ’s levens warmte schier bevriezen doet;

Ik roep haar weer tot stilling van mijn vrees.

Hé, voedster!—Maar waartoe?18

Mijn schrikb’re taak moet ik alleen voleinden.—

Kom, fleschje!—

Maar hoe, als deze drank geen werking had?

Moet ik volstrekt dan morgenochtend huwen?

Neen; gij belet dit, gij; lig daar gereed.

(Zij legt een dolk bij zich neêr.)

Doch, als het eens vergift was, dat de monnikArglistig had bereid, opdat ik sterve,En hij door dezen echt niet worde onteerd,Wijl hij mij eerst met Romeo verbond?Ik vrees het; en toch, dunkt mij, ’t kan niet zijn;Hij is beproefd, bleek steeds een heilig man.—Maar hoe, wanneer ik, in het graf gelegd,Ontwake vóór den tijd, dat RomeoMij komt bevrijden? welk ontzettend lot!Zal ik dan niet versmoren in ’t gewelf,Welks giftmond nimmer zuivre lucht doorstroomt,Den stikdood sterven, eer mijn Romeo komt?Of, leef ik al, is ’t niet waarschijnlijk, datHet huivringwekkend beeld van dood en nacht,Vereend met al de afgrijslijkheid der plaats,—Dat grafgewelf, dat oud verblijf des doods,Waar, al zoo menig honderd jaar, ’t gebeent’Van heel mijn voorgeslacht is opgehoopt;Waar Tybalt, bloedig, pas aan de aard vertrouwd,In zijne wâ vergaat; waar, zoo men zegt,Des nachts op sommige uren geesten waren;—Wee, wee mij, is het niet waarschijnlijk, datIk, vroeg ontwakend, in die pestlucht, bijGekrijsch als van alruinen, de aard ontscheurd,Dat levenden, die ’t hooren, zinloos maakt,—O, zal ’k, ontwakend, niet verbijsterd zijn,Omringd van al die aak’ligheid en schrik,En zinloos spelen met eens grootvaârs rif,En Tybalts lichaam plukken uit zijn wâ;En mij, zoo razend, met eens voorzaats knook,Als met een knots, ’t arm brein te pletter slaan?O, zie! daar is ’t me, als zie ik Tybalts geest!Hij zoekt mijn Romeo, die met een zwaardHem heeft gespietst!—Sta, Tybalt! weg! ik gruw!—Romeo, ik kom! Deez’ dronk wijd ik aan u.

Doch, als het eens vergift was, dat de monnik

Arglistig had bereid, opdat ik sterve,

En hij door dezen echt niet worde onteerd,

Wijl hij mij eerst met Romeo verbond?

Ik vrees het; en toch, dunkt mij, ’t kan niet zijn;

Hij is beproefd, bleek steeds een heilig man.—

Maar hoe, wanneer ik, in het graf gelegd,

Ontwake vóór den tijd, dat Romeo

Mij komt bevrijden? welk ontzettend lot!

Zal ik dan niet versmoren in ’t gewelf,

Welks giftmond nimmer zuivre lucht doorstroomt,

Den stikdood sterven, eer mijn Romeo komt?

Of, leef ik al, is ’t niet waarschijnlijk, dat

Het huivringwekkend beeld van dood en nacht,

Vereend met al de afgrijslijkheid der plaats,—

Dat grafgewelf, dat oud verblijf des doods,

Waar, al zoo menig honderd jaar, ’t gebeent’

Van heel mijn voorgeslacht is opgehoopt;

Waar Tybalt, bloedig, pas aan de aard vertrouwd,

In zijne wâ vergaat; waar, zoo men zegt,

Des nachts op sommige uren geesten waren;—

Wee, wee mij, is het niet waarschijnlijk, dat

Ik, vroeg ontwakend, in die pestlucht, bij

Gekrijsch als van alruinen, de aard ontscheurd,

Dat levenden, die ’t hooren, zinloos maakt,—

O, zal ’k, ontwakend, niet verbijsterd zijn,

Omringd van al die aak’ligheid en schrik,

En zinloos spelen met eens grootvaârs rif,

En Tybalts lichaam plukken uit zijn wâ;

En mij, zoo razend, met eens voorzaats knook,

Als met een knots, ’t arm brein te pletter slaan?

O, zie! daar is ’t me, als zie ik Tybalts geest!

Hij zoekt mijn Romeo, die met een zwaard

Hem heeft gespietst!—Sta, Tybalt! weg! ik gruw!—

Romeo, ik kom! Deez’ dronk wijd ik aan u.

(Zij werpt zich op haar bed.)

Vierde Tooneel.Een zaal inCapulet’shuis.GravinCapuleten de Voedster komen op.Gravin Capulet.Hier, neem de sleutels, haal nog specerijen.Voedster.Voor de pasteien zijn nog dadels noodig,En kweeën ook.(Capuletkomt op.)Capulet.En kweeën ook.Kom, vlug, vlug! vlug! daar isHet tweede haangekraai al. Hoor, daar luidtHet morgenklokje reeds. Het is drie uur.Angelica, kijk gij naar de pasteien;Geen geld gespaard!Voedster.Geen geld gespaard!Kom, keukenklauwer, ga!Ga liever slapen; morgen zijt gij ziekVan ’t waken van deez’ nacht.Capulet.Van ’t waken van deez’ nacht.Neen, neen, geen nood;’k Heb vroeger vaak een heele nacht gewaakt,Als ’t minder noodig was; en ’t deed mij niets.Gravin Capulet.Ja, ja, ge hieldt wel van een maanschijnjacht;Maar ’k waak wel, dat ge thans zoo niet meer waakt.(GravinCapuleten de Voedster af.)Capulet.Jaloersch, waarachtig nog jaloersch?(Bedienden met braadspitten, houtblokken en manden komen op.)Jaloersch, waarachtig nog jaloersch?Hé knaap!Wat hebt ge daar?Eerste Bediende.’t Is voor den kok, heer, maar ik weet niet wat.Capulet.Maak voort, maak voort!(Eerste Bediende af.)Maak voort, maak voort!Gij knaap, haal droger blokken;Laat Peter u maar wijzen, waar ze zijn.Tweede Bediende.’k Ben, heer, wel slim genoeg om zelf de blokkenTe vinden, en ’k laat Peter maar met rust.(Bediende af.)Capulet.Nu, bij mijn ziel, wilt gij zoo’n slimmerd zijn,Dan maak ik u tot blokkersbaas!—’t Is dag;Zoo daadlijk komt de graaf hier met muziek;Zoo, zei hij, was zijn plan.—(Muziek buiten.)Zoo, zei hij, was zijn plan.—Ik hoor hem al.—Hé, minne! vrouw! kom hier! hé, minne, kom!(De Voedster komt op.)Ga Julia roepen, tooi haar op als bruid.Ik ga wat keuvlen met graaf Paris.—Vlug!Maak spoed, maak spoed! De bruîgom is er al;Maak spoed, zeg ik.(Beiden af.)

Vierde Tooneel.Een zaal inCapulet’shuis.GravinCapuleten de Voedster komen op.Gravin Capulet.Hier, neem de sleutels, haal nog specerijen.Voedster.Voor de pasteien zijn nog dadels noodig,En kweeën ook.(Capuletkomt op.)Capulet.En kweeën ook.Kom, vlug, vlug! vlug! daar isHet tweede haangekraai al. Hoor, daar luidtHet morgenklokje reeds. Het is drie uur.Angelica, kijk gij naar de pasteien;Geen geld gespaard!Voedster.Geen geld gespaard!Kom, keukenklauwer, ga!Ga liever slapen; morgen zijt gij ziekVan ’t waken van deez’ nacht.Capulet.Van ’t waken van deez’ nacht.Neen, neen, geen nood;’k Heb vroeger vaak een heele nacht gewaakt,Als ’t minder noodig was; en ’t deed mij niets.Gravin Capulet.Ja, ja, ge hieldt wel van een maanschijnjacht;Maar ’k waak wel, dat ge thans zoo niet meer waakt.(GravinCapuleten de Voedster af.)Capulet.Jaloersch, waarachtig nog jaloersch?(Bedienden met braadspitten, houtblokken en manden komen op.)Jaloersch, waarachtig nog jaloersch?Hé knaap!Wat hebt ge daar?Eerste Bediende.’t Is voor den kok, heer, maar ik weet niet wat.Capulet.Maak voort, maak voort!(Eerste Bediende af.)Maak voort, maak voort!Gij knaap, haal droger blokken;Laat Peter u maar wijzen, waar ze zijn.Tweede Bediende.’k Ben, heer, wel slim genoeg om zelf de blokkenTe vinden, en ’k laat Peter maar met rust.(Bediende af.)Capulet.Nu, bij mijn ziel, wilt gij zoo’n slimmerd zijn,Dan maak ik u tot blokkersbaas!—’t Is dag;Zoo daadlijk komt de graaf hier met muziek;Zoo, zei hij, was zijn plan.—(Muziek buiten.)Zoo, zei hij, was zijn plan.—Ik hoor hem al.—Hé, minne! vrouw! kom hier! hé, minne, kom!(De Voedster komt op.)Ga Julia roepen, tooi haar op als bruid.Ik ga wat keuvlen met graaf Paris.—Vlug!Maak spoed, maak spoed! De bruîgom is er al;Maak spoed, zeg ik.(Beiden af.)

Een zaal inCapulet’shuis.

GravinCapuleten de Voedster komen op.

Gravin Capulet.Hier, neem de sleutels, haal nog specerijen.

Gravin Capulet.

Hier, neem de sleutels, haal nog specerijen.

Voedster.Voor de pasteien zijn nog dadels noodig,En kweeën ook.

Voedster.

Voor de pasteien zijn nog dadels noodig,

En kweeën ook.

(Capuletkomt op.)

Capulet.En kweeën ook.Kom, vlug, vlug! vlug! daar isHet tweede haangekraai al. Hoor, daar luidtHet morgenklokje reeds. Het is drie uur.Angelica, kijk gij naar de pasteien;Geen geld gespaard!

Capulet.

En kweeën ook.Kom, vlug, vlug! vlug! daar is

Het tweede haangekraai al. Hoor, daar luidt

Het morgenklokje reeds. Het is drie uur.

Angelica, kijk gij naar de pasteien;

Geen geld gespaard!

Voedster.Geen geld gespaard!Kom, keukenklauwer, ga!Ga liever slapen; morgen zijt gij ziekVan ’t waken van deez’ nacht.

Voedster.

Geen geld gespaard!Kom, keukenklauwer, ga!

Ga liever slapen; morgen zijt gij ziek

Van ’t waken van deez’ nacht.

Capulet.Van ’t waken van deez’ nacht.Neen, neen, geen nood;’k Heb vroeger vaak een heele nacht gewaakt,Als ’t minder noodig was; en ’t deed mij niets.

Capulet.

Van ’t waken van deez’ nacht.Neen, neen, geen nood;

’k Heb vroeger vaak een heele nacht gewaakt,

Als ’t minder noodig was; en ’t deed mij niets.

Gravin Capulet.Ja, ja, ge hieldt wel van een maanschijnjacht;Maar ’k waak wel, dat ge thans zoo niet meer waakt.

Gravin Capulet.

Ja, ja, ge hieldt wel van een maanschijnjacht;

Maar ’k waak wel, dat ge thans zoo niet meer waakt.

(GravinCapuleten de Voedster af.)

Capulet.Jaloersch, waarachtig nog jaloersch?

Capulet.

Jaloersch, waarachtig nog jaloersch?

(Bedienden met braadspitten, houtblokken en manden komen op.)

Jaloersch, waarachtig nog jaloersch?Hé knaap!Wat hebt ge daar?

Jaloersch, waarachtig nog jaloersch?Hé knaap!

Wat hebt ge daar?

Eerste Bediende.’t Is voor den kok, heer, maar ik weet niet wat.

Eerste Bediende.

’t Is voor den kok, heer, maar ik weet niet wat.

Capulet.Maak voort, maak voort!

Capulet.

Maak voort, maak voort!

(Eerste Bediende af.)

Maak voort, maak voort!Gij knaap, haal droger blokken;Laat Peter u maar wijzen, waar ze zijn.

Maak voort, maak voort!Gij knaap, haal droger blokken;

Laat Peter u maar wijzen, waar ze zijn.

Tweede Bediende.’k Ben, heer, wel slim genoeg om zelf de blokkenTe vinden, en ’k laat Peter maar met rust.

Tweede Bediende.

’k Ben, heer, wel slim genoeg om zelf de blokken

Te vinden, en ’k laat Peter maar met rust.

(Bediende af.)

Capulet.Nu, bij mijn ziel, wilt gij zoo’n slimmerd zijn,Dan maak ik u tot blokkersbaas!—’t Is dag;Zoo daadlijk komt de graaf hier met muziek;Zoo, zei hij, was zijn plan.—

Capulet.

Nu, bij mijn ziel, wilt gij zoo’n slimmerd zijn,

Dan maak ik u tot blokkersbaas!—’t Is dag;

Zoo daadlijk komt de graaf hier met muziek;

Zoo, zei hij, was zijn plan.—

(Muziek buiten.)

Zoo, zei hij, was zijn plan.—Ik hoor hem al.—Hé, minne! vrouw! kom hier! hé, minne, kom!

Zoo, zei hij, was zijn plan.—Ik hoor hem al.—

Hé, minne! vrouw! kom hier! hé, minne, kom!

(De Voedster komt op.)

Ga Julia roepen, tooi haar op als bruid.Ik ga wat keuvlen met graaf Paris.—Vlug!Maak spoed, maak spoed! De bruîgom is er al;Maak spoed, zeg ik.

Ga Julia roepen, tooi haar op als bruid.

Ik ga wat keuvlen met graaf Paris.—Vlug!

Maak spoed, maak spoed! De bruîgom is er al;

Maak spoed, zeg ik.

(Beiden af.)

Vijfde Tooneel.Julia’skamer.Juliaop haar bed.De Voedster komt op.Voedster.Hé jonkvrouw!—jonkvrouw!—Julia!—Nu, die slaapt!Mijn duif je!—kom toch, jonkvrouw!—Foei, gij slaapster!—Mijn hartje!—Hoor toch, jonkvrouw!—Kom toch, bruidje!—Hoe is ’t? Geen woord?—Wel, wel, ge slaapt vooruitWel voor een week;—nu, nu, de nacht, die komt,Zet wis graaf Paris wel zijn rust op ’t spel,Dat gij uw rust niet hebt.—Wel, God vergeev’ me!Waarachtig; zie eens! nu, die slaapt gezond!Maar wakker moet ze.—Jonkvrouw, jonkvrouw, jonkvrouw!Zoo straks verrast de graaf u nog in bed;Dan springt gij op met schrik.—Hoe is ’t, nog niet?—(Zij slaat de gordijnen open.)Wat! aangekleed! en zoo gekleed gaan liggen!Ik moet u wekken. Jonkvrouw, jonkvrouw, jonkvrouw!O God! wat is dat? help, help, help! ze is dood!O dag van ramp! o ware ik nooit geboren!—Een hartversterking, ach!—O graaf! gravin!(GravinCapuletkomt op.)Gravin Capulet.Wat is dat hier?Voedster.Wat is dat hier?O jammervolle dag!Gravin Capulet.Wat is er dan?Voedster.Wat is er dan?Zie, zie! O, dag van ramp!Gravin Capulet.Wee mij! wee mij! Mijn kind, mijn eenig leven!Herleef! zie op, of ik, ik sterf met u!Hulp, hulp! Roep hulp!(Capuletkomt op.)Capulet.Wel foei! Breng Julia toch! haar man is daar.Voedster.Ze is dood, gestorven, dood; o dag van wee!Gravin Capulet.O dag van wee, ze is dood, ze is dood, ze is dood!Capulet.Wat! Laat mij zien! Helaas, ’t is uit! ze is koud!Haar bloed staat stil, haar leden zijn verstijfd,Dien lippen is het leven lang ontvloden!De dood ligt op haar, als een booze nachtvorstOp ’t schoonste, geurigst bloempje van het veld.Voedster.O jammervolle dag!Gravin Capulet.O jammervolle dag!O tijd van wee!Capulet.De dood, die haar geroofd heeft tot mijn jammer,Verstijft mijn tong en laat geen klacht mij toe.(BroederLorenzoenPariskomen op, door muzikanten vergezeld.)Lorenzo.Komt, is de bruid gereed ter kerk te gaan?33Capulet.Gereed tot gaan, om nimmer weer te keeren.—O zoon, de nacht voor uwen huwlijksdagNam haar de dood tot gade. Zie, daar ligt zij;Een schoone bloem, ontbladerd door den dood.Mijn schoonzoon is de dood; de dood beërft mij,Als man van mijne dochter. Sterven wil ik;Mijn lijf, mijn have en goedren erv’ de dood.Paris.Hoopte ik zoo lang dit morgenrood te zien,En geeft het zulk een jammer mij te aanschouwen?Gravin Capulet.O vloekdag, rampvol,aak’lig, zwart, verfoeilijk!Onzaligst, bitterst uur, dat ooit de tijdAanschouwd heeft op zijn langen pelgrimstocht!Slechts één, één arm, één arm, beminnend kind,Één enkel wezen voor mijn vreugde en troost,En dat heeft mij de wreede dood ontrukt!Voedster.O jammer-, jammer-, jammervolle dag!O dag van jammer, dag van ’t diepste wee,Zooals ik nimmer, nimmer heb gezien!O dag, o dag, o dag, o vloekb’re dag!Nooit werd een dag, zoo zwart als deze, aanschouwd;O dag van wee, o dag van wee!Paris.Misleid, beroofd, gehoond, gekrenkt, vernietigd!Vloekwaarde, booze dood, door u misleid;Door u zoo wreed, zoo wreed ter neer geveld!O liefde, o leven!—Neen, geen leven meer,Slechts liefde nog, den dood gewijd!Capulet.Slechts liefde nog, den dood gewijd!Veracht,Gehaat, tot smaad gedoemd, gemarteld, dood!Onzaal’ge dag, waarom verreest ge alleenOm ’t plechtig feest te niet, te niet te doen?—O kind, o kind!—Mijn ziel, en niet mijn kind!—Dood zijt ge, dood!—Helaas, mijn kind is dood!Mijn vreugd zinkt mèt haar in der aarde schoot!Lorenzo.Stil, schaamt u! stil! Dit heilloos jamm’ren schenktGeen troost in ’t leed. Gij deeldet met den hemelDeze engel; nam de hemel haar geheel,Het heerlijkst lot viel aan uw kind ten deel.Gij kondt ùw deel niet veil’gen voor den dood,De hemel schenkt zijn deel onsterflijkheid.Haar te verheffen was uw hoogste doel;Uw hemel was ’t, verheven haar te zien,En weent gij, nu gij haar verheven ziet,Hoog boven wolken, ja ten hemel zelf?Verkeerde liefde wijdt ge uw kind; uw leedIs redeloos, nu gij haar zalig weet!Een lange trouw is niet de beste trouw;Die vroeg den hemel trouwt, heeft nooit berouw.Wischt dan uw tranen! siert dit schoone lijkMet rosmarijn, en brengt haar naar ’s lands wijsIn ’t schoonste feestgewaad ter kerke heen;Want dwing’ natuur in ’t leed ons tranen af,De rede noemt die plenging dwaas, ja, laf.83Capulet.Ach, al wat tot het feest was voorbereid,Wordt thans de tolk van onze treurigheid;’t Blij snarenspel wordt romm’lend klokgebrom,De bruiloftsdisch een droevig doodmaal nu,De jubellied’ren sombre grafgezangen,De bruidskrans dient tot tooiing van een lijk,En alles is in ’t tegendeel verkeerd.Lorenzo.Heer, thans van hier;—en volg gij, eedle vrouw!—Ook gij, graaf Paris;—maak’ zich elk gereed,Deez’ schoone doode naar het graf te volgen.De hemel straft hier wis een booze daad;Tergt hem niet meer en eert zijn hoogen raad.(Capulet,GravinCapulet,ParisenLorenzoaf.)Eerste Muzikant.Op mijn woord, wij kunnen onze instrumenten wel inpakken, en aftrekken.Voedster.Ja, goede lieden, pakt maar in, pakt in;Gij ziet het zelf, ’t is treurig met dit huis.(De Voedster af.)Eerste Muzikant(op het foedraal van zijn instrument wijzende).’t Wordt tijd voorwaar, dit huis weer op te lappen.(Peterkomt op.)Peter.Muzikanten, o muzikanten; speelt toch eens: „Schep vreugde in ’t leven!” O! als ge wilt, dat ik ’t leven heb, speelt dan: „schep vreugde in ’t leven!”Eerste Muzikant.Waarom „Schep vreugde in ’t leven?”Peter.Ach muzikanten, omdat mijn hart zelf speelt: „Breek, breek mijn hart, van ’t wee!” O speelt mij eens een vroolijke weeklacht om mij wat op te beuren.Eerste Muzikant.Niets van weeklacht, ’t is nu geen tijd van spelen.Peter.Ge wilt dus niet?Muzikanten.Neen.Peter.Daar zult ge voor hebben!Eerste Muzikant.Wat wilt ge geven?Peter.Geen geld voorwaar, maar een naam: ik noem je stomme muzikanten.Eerste Muzikant.En wij jou een stomme’ knecht.118Peter(zijn koksmes trekkend).En dan bespeel ik je met dezen strijkstok, tot je geluid geeft; je zult wel merken, ik heb wel noten op mijn zang, ik zal je mifasollen, heele maat!Eerste Muzikant.Als je met ons sollen wilt, dan staat hier je maat!Tweede Muzikant.Kom, pak dat scherp stuk ijzer maar weer in, en wat geest uit.Peter.Past dan maar op voor mijn geest. Ik zal je steken met mijn scherpen geest en mijn stuk ijzer weer opsteken. Geeft mij nu antwoord als mannen:„Is ’t hart van zware zorgen krank,En droef en dof ’t gemoed,Muziek maakt met haar zilverklank”—Waarom „muziek met haar zilverklank?”—Wat zeg jij, Simon Kattesnaar?Eerste Muzikant.Wel, man, omdat zilver een liefelijken klank heeft.Peter.Lorrepraat!—Wat zeg jij, Hans Strijkstok?Tweede Muzikant.Ik zeg „zilverklank”, omdat muzikanten voor zilver spelen.Peter.Al even mooi.—Wat zeg jij, Kobus Windkast?Derde Muzikant.Och, ik weet waarachtig niet, wat ik zeggen zal.Peter.’t Is waar ook, jij bent de zanger van ’t gezelschap, en daarom zal ik voor je spreken. Het is „muziek met haar zilverklank,” omdat muzikanten geen goud kunnen laten klinken;„Muziek maakt met haar zilverklankMet spoed weer alles goed.”(Peteraf.)Eerste Muzikant.Wat een giftige schavuit is dat!Tweede Muzikant.De nikker haal’ hem!— Kom, laat ons hier binnengaan, en op de rouwklagers wachten, en zien, of er niets te smullen valt.(Allen af.)

Vijfde Tooneel.Julia’skamer.Juliaop haar bed.De Voedster komt op.Voedster.Hé jonkvrouw!—jonkvrouw!—Julia!—Nu, die slaapt!Mijn duif je!—kom toch, jonkvrouw!—Foei, gij slaapster!—Mijn hartje!—Hoor toch, jonkvrouw!—Kom toch, bruidje!—Hoe is ’t? Geen woord?—Wel, wel, ge slaapt vooruitWel voor een week;—nu, nu, de nacht, die komt,Zet wis graaf Paris wel zijn rust op ’t spel,Dat gij uw rust niet hebt.—Wel, God vergeev’ me!Waarachtig; zie eens! nu, die slaapt gezond!Maar wakker moet ze.—Jonkvrouw, jonkvrouw, jonkvrouw!Zoo straks verrast de graaf u nog in bed;Dan springt gij op met schrik.—Hoe is ’t, nog niet?—(Zij slaat de gordijnen open.)Wat! aangekleed! en zoo gekleed gaan liggen!Ik moet u wekken. Jonkvrouw, jonkvrouw, jonkvrouw!O God! wat is dat? help, help, help! ze is dood!O dag van ramp! o ware ik nooit geboren!—Een hartversterking, ach!—O graaf! gravin!(GravinCapuletkomt op.)Gravin Capulet.Wat is dat hier?Voedster.Wat is dat hier?O jammervolle dag!Gravin Capulet.Wat is er dan?Voedster.Wat is er dan?Zie, zie! O, dag van ramp!Gravin Capulet.Wee mij! wee mij! Mijn kind, mijn eenig leven!Herleef! zie op, of ik, ik sterf met u!Hulp, hulp! Roep hulp!(Capuletkomt op.)Capulet.Wel foei! Breng Julia toch! haar man is daar.Voedster.Ze is dood, gestorven, dood; o dag van wee!Gravin Capulet.O dag van wee, ze is dood, ze is dood, ze is dood!Capulet.Wat! Laat mij zien! Helaas, ’t is uit! ze is koud!Haar bloed staat stil, haar leden zijn verstijfd,Dien lippen is het leven lang ontvloden!De dood ligt op haar, als een booze nachtvorstOp ’t schoonste, geurigst bloempje van het veld.Voedster.O jammervolle dag!Gravin Capulet.O jammervolle dag!O tijd van wee!Capulet.De dood, die haar geroofd heeft tot mijn jammer,Verstijft mijn tong en laat geen klacht mij toe.(BroederLorenzoenPariskomen op, door muzikanten vergezeld.)Lorenzo.Komt, is de bruid gereed ter kerk te gaan?33Capulet.Gereed tot gaan, om nimmer weer te keeren.—O zoon, de nacht voor uwen huwlijksdagNam haar de dood tot gade. Zie, daar ligt zij;Een schoone bloem, ontbladerd door den dood.Mijn schoonzoon is de dood; de dood beërft mij,Als man van mijne dochter. Sterven wil ik;Mijn lijf, mijn have en goedren erv’ de dood.Paris.Hoopte ik zoo lang dit morgenrood te zien,En geeft het zulk een jammer mij te aanschouwen?Gravin Capulet.O vloekdag, rampvol,aak’lig, zwart, verfoeilijk!Onzaligst, bitterst uur, dat ooit de tijdAanschouwd heeft op zijn langen pelgrimstocht!Slechts één, één arm, één arm, beminnend kind,Één enkel wezen voor mijn vreugde en troost,En dat heeft mij de wreede dood ontrukt!Voedster.O jammer-, jammer-, jammervolle dag!O dag van jammer, dag van ’t diepste wee,Zooals ik nimmer, nimmer heb gezien!O dag, o dag, o dag, o vloekb’re dag!Nooit werd een dag, zoo zwart als deze, aanschouwd;O dag van wee, o dag van wee!Paris.Misleid, beroofd, gehoond, gekrenkt, vernietigd!Vloekwaarde, booze dood, door u misleid;Door u zoo wreed, zoo wreed ter neer geveld!O liefde, o leven!—Neen, geen leven meer,Slechts liefde nog, den dood gewijd!Capulet.Slechts liefde nog, den dood gewijd!Veracht,Gehaat, tot smaad gedoemd, gemarteld, dood!Onzaal’ge dag, waarom verreest ge alleenOm ’t plechtig feest te niet, te niet te doen?—O kind, o kind!—Mijn ziel, en niet mijn kind!—Dood zijt ge, dood!—Helaas, mijn kind is dood!Mijn vreugd zinkt mèt haar in der aarde schoot!Lorenzo.Stil, schaamt u! stil! Dit heilloos jamm’ren schenktGeen troost in ’t leed. Gij deeldet met den hemelDeze engel; nam de hemel haar geheel,Het heerlijkst lot viel aan uw kind ten deel.Gij kondt ùw deel niet veil’gen voor den dood,De hemel schenkt zijn deel onsterflijkheid.Haar te verheffen was uw hoogste doel;Uw hemel was ’t, verheven haar te zien,En weent gij, nu gij haar verheven ziet,Hoog boven wolken, ja ten hemel zelf?Verkeerde liefde wijdt ge uw kind; uw leedIs redeloos, nu gij haar zalig weet!Een lange trouw is niet de beste trouw;Die vroeg den hemel trouwt, heeft nooit berouw.Wischt dan uw tranen! siert dit schoone lijkMet rosmarijn, en brengt haar naar ’s lands wijsIn ’t schoonste feestgewaad ter kerke heen;Want dwing’ natuur in ’t leed ons tranen af,De rede noemt die plenging dwaas, ja, laf.83Capulet.Ach, al wat tot het feest was voorbereid,Wordt thans de tolk van onze treurigheid;’t Blij snarenspel wordt romm’lend klokgebrom,De bruiloftsdisch een droevig doodmaal nu,De jubellied’ren sombre grafgezangen,De bruidskrans dient tot tooiing van een lijk,En alles is in ’t tegendeel verkeerd.Lorenzo.Heer, thans van hier;—en volg gij, eedle vrouw!—Ook gij, graaf Paris;—maak’ zich elk gereed,Deez’ schoone doode naar het graf te volgen.De hemel straft hier wis een booze daad;Tergt hem niet meer en eert zijn hoogen raad.(Capulet,GravinCapulet,ParisenLorenzoaf.)Eerste Muzikant.Op mijn woord, wij kunnen onze instrumenten wel inpakken, en aftrekken.Voedster.Ja, goede lieden, pakt maar in, pakt in;Gij ziet het zelf, ’t is treurig met dit huis.(De Voedster af.)Eerste Muzikant(op het foedraal van zijn instrument wijzende).’t Wordt tijd voorwaar, dit huis weer op te lappen.(Peterkomt op.)Peter.Muzikanten, o muzikanten; speelt toch eens: „Schep vreugde in ’t leven!” O! als ge wilt, dat ik ’t leven heb, speelt dan: „schep vreugde in ’t leven!”Eerste Muzikant.Waarom „Schep vreugde in ’t leven?”Peter.Ach muzikanten, omdat mijn hart zelf speelt: „Breek, breek mijn hart, van ’t wee!” O speelt mij eens een vroolijke weeklacht om mij wat op te beuren.Eerste Muzikant.Niets van weeklacht, ’t is nu geen tijd van spelen.Peter.Ge wilt dus niet?Muzikanten.Neen.Peter.Daar zult ge voor hebben!Eerste Muzikant.Wat wilt ge geven?Peter.Geen geld voorwaar, maar een naam: ik noem je stomme muzikanten.Eerste Muzikant.En wij jou een stomme’ knecht.118Peter(zijn koksmes trekkend).En dan bespeel ik je met dezen strijkstok, tot je geluid geeft; je zult wel merken, ik heb wel noten op mijn zang, ik zal je mifasollen, heele maat!Eerste Muzikant.Als je met ons sollen wilt, dan staat hier je maat!Tweede Muzikant.Kom, pak dat scherp stuk ijzer maar weer in, en wat geest uit.Peter.Past dan maar op voor mijn geest. Ik zal je steken met mijn scherpen geest en mijn stuk ijzer weer opsteken. Geeft mij nu antwoord als mannen:„Is ’t hart van zware zorgen krank,En droef en dof ’t gemoed,Muziek maakt met haar zilverklank”—Waarom „muziek met haar zilverklank?”—Wat zeg jij, Simon Kattesnaar?Eerste Muzikant.Wel, man, omdat zilver een liefelijken klank heeft.Peter.Lorrepraat!—Wat zeg jij, Hans Strijkstok?Tweede Muzikant.Ik zeg „zilverklank”, omdat muzikanten voor zilver spelen.Peter.Al even mooi.—Wat zeg jij, Kobus Windkast?Derde Muzikant.Och, ik weet waarachtig niet, wat ik zeggen zal.Peter.’t Is waar ook, jij bent de zanger van ’t gezelschap, en daarom zal ik voor je spreken. Het is „muziek met haar zilverklank,” omdat muzikanten geen goud kunnen laten klinken;„Muziek maakt met haar zilverklankMet spoed weer alles goed.”(Peteraf.)Eerste Muzikant.Wat een giftige schavuit is dat!Tweede Muzikant.De nikker haal’ hem!— Kom, laat ons hier binnengaan, en op de rouwklagers wachten, en zien, of er niets te smullen valt.(Allen af.)

Julia’skamer.Juliaop haar bed.

De Voedster komt op.

Voedster.Hé jonkvrouw!—jonkvrouw!—Julia!—Nu, die slaapt!Mijn duif je!—kom toch, jonkvrouw!—Foei, gij slaapster!—Mijn hartje!—Hoor toch, jonkvrouw!—Kom toch, bruidje!—Hoe is ’t? Geen woord?—Wel, wel, ge slaapt vooruitWel voor een week;—nu, nu, de nacht, die komt,Zet wis graaf Paris wel zijn rust op ’t spel,Dat gij uw rust niet hebt.—Wel, God vergeev’ me!Waarachtig; zie eens! nu, die slaapt gezond!Maar wakker moet ze.—Jonkvrouw, jonkvrouw, jonkvrouw!Zoo straks verrast de graaf u nog in bed;Dan springt gij op met schrik.—Hoe is ’t, nog niet?—

Voedster.

Hé jonkvrouw!—jonkvrouw!—Julia!—Nu, die slaapt!

Mijn duif je!—kom toch, jonkvrouw!—Foei, gij slaapster!—

Mijn hartje!—Hoor toch, jonkvrouw!—Kom toch, bruidje!—

Hoe is ’t? Geen woord?—Wel, wel, ge slaapt vooruit

Wel voor een week;—nu, nu, de nacht, die komt,

Zet wis graaf Paris wel zijn rust op ’t spel,

Dat gij uw rust niet hebt.—Wel, God vergeev’ me!

Waarachtig; zie eens! nu, die slaapt gezond!

Maar wakker moet ze.—Jonkvrouw, jonkvrouw, jonkvrouw!

Zoo straks verrast de graaf u nog in bed;

Dan springt gij op met schrik.—Hoe is ’t, nog niet?—

(Zij slaat de gordijnen open.)

Wat! aangekleed! en zoo gekleed gaan liggen!Ik moet u wekken. Jonkvrouw, jonkvrouw, jonkvrouw!O God! wat is dat? help, help, help! ze is dood!O dag van ramp! o ware ik nooit geboren!—Een hartversterking, ach!—O graaf! gravin!

Wat! aangekleed! en zoo gekleed gaan liggen!

Ik moet u wekken. Jonkvrouw, jonkvrouw, jonkvrouw!

O God! wat is dat? help, help, help! ze is dood!

O dag van ramp! o ware ik nooit geboren!—

Een hartversterking, ach!—O graaf! gravin!

(GravinCapuletkomt op.)

Gravin Capulet.Wat is dat hier?

Gravin Capulet.

Wat is dat hier?

Voedster.Wat is dat hier?O jammervolle dag!

Voedster.

Wat is dat hier?O jammervolle dag!

Gravin Capulet.Wat is er dan?

Gravin Capulet.

Wat is er dan?

Voedster.Wat is er dan?Zie, zie! O, dag van ramp!

Voedster.

Wat is er dan?Zie, zie! O, dag van ramp!

Gravin Capulet.Wee mij! wee mij! Mijn kind, mijn eenig leven!Herleef! zie op, of ik, ik sterf met u!Hulp, hulp! Roep hulp!

Gravin Capulet.

Wee mij! wee mij! Mijn kind, mijn eenig leven!

Herleef! zie op, of ik, ik sterf met u!

Hulp, hulp! Roep hulp!

(Capuletkomt op.)

Capulet.Wel foei! Breng Julia toch! haar man is daar.

Capulet.

Wel foei! Breng Julia toch! haar man is daar.

Voedster.Ze is dood, gestorven, dood; o dag van wee!

Voedster.

Ze is dood, gestorven, dood; o dag van wee!

Gravin Capulet.O dag van wee, ze is dood, ze is dood, ze is dood!

Gravin Capulet.

O dag van wee, ze is dood, ze is dood, ze is dood!

Capulet.Wat! Laat mij zien! Helaas, ’t is uit! ze is koud!Haar bloed staat stil, haar leden zijn verstijfd,Dien lippen is het leven lang ontvloden!De dood ligt op haar, als een booze nachtvorstOp ’t schoonste, geurigst bloempje van het veld.

Capulet.

Wat! Laat mij zien! Helaas, ’t is uit! ze is koud!

Haar bloed staat stil, haar leden zijn verstijfd,

Dien lippen is het leven lang ontvloden!

De dood ligt op haar, als een booze nachtvorst

Op ’t schoonste, geurigst bloempje van het veld.

Voedster.O jammervolle dag!

Voedster.

O jammervolle dag!

Gravin Capulet.O jammervolle dag!O tijd van wee!

Gravin Capulet.

O jammervolle dag!O tijd van wee!

Capulet.De dood, die haar geroofd heeft tot mijn jammer,Verstijft mijn tong en laat geen klacht mij toe.

Capulet.

De dood, die haar geroofd heeft tot mijn jammer,

Verstijft mijn tong en laat geen klacht mij toe.

(BroederLorenzoenPariskomen op, door muzikanten vergezeld.)

Lorenzo.Komt, is de bruid gereed ter kerk te gaan?33

Lorenzo.

Komt, is de bruid gereed ter kerk te gaan?33

Capulet.Gereed tot gaan, om nimmer weer te keeren.—O zoon, de nacht voor uwen huwlijksdagNam haar de dood tot gade. Zie, daar ligt zij;Een schoone bloem, ontbladerd door den dood.Mijn schoonzoon is de dood; de dood beërft mij,Als man van mijne dochter. Sterven wil ik;Mijn lijf, mijn have en goedren erv’ de dood.

Capulet.

Gereed tot gaan, om nimmer weer te keeren.—

O zoon, de nacht voor uwen huwlijksdag

Nam haar de dood tot gade. Zie, daar ligt zij;

Een schoone bloem, ontbladerd door den dood.

Mijn schoonzoon is de dood; de dood beërft mij,

Als man van mijne dochter. Sterven wil ik;

Mijn lijf, mijn have en goedren erv’ de dood.

Paris.Hoopte ik zoo lang dit morgenrood te zien,En geeft het zulk een jammer mij te aanschouwen?

Paris.

Hoopte ik zoo lang dit morgenrood te zien,

En geeft het zulk een jammer mij te aanschouwen?

Gravin Capulet.O vloekdag, rampvol,aak’lig, zwart, verfoeilijk!Onzaligst, bitterst uur, dat ooit de tijdAanschouwd heeft op zijn langen pelgrimstocht!Slechts één, één arm, één arm, beminnend kind,Één enkel wezen voor mijn vreugde en troost,En dat heeft mij de wreede dood ontrukt!

Gravin Capulet.

O vloekdag, rampvol,aak’lig, zwart, verfoeilijk!

Onzaligst, bitterst uur, dat ooit de tijd

Aanschouwd heeft op zijn langen pelgrimstocht!

Slechts één, één arm, één arm, beminnend kind,

Één enkel wezen voor mijn vreugde en troost,

En dat heeft mij de wreede dood ontrukt!

Voedster.O jammer-, jammer-, jammervolle dag!O dag van jammer, dag van ’t diepste wee,Zooals ik nimmer, nimmer heb gezien!O dag, o dag, o dag, o vloekb’re dag!Nooit werd een dag, zoo zwart als deze, aanschouwd;O dag van wee, o dag van wee!

Voedster.

O jammer-, jammer-, jammervolle dag!

O dag van jammer, dag van ’t diepste wee,

Zooals ik nimmer, nimmer heb gezien!

O dag, o dag, o dag, o vloekb’re dag!

Nooit werd een dag, zoo zwart als deze, aanschouwd;

O dag van wee, o dag van wee!

Paris.Misleid, beroofd, gehoond, gekrenkt, vernietigd!Vloekwaarde, booze dood, door u misleid;Door u zoo wreed, zoo wreed ter neer geveld!O liefde, o leven!—Neen, geen leven meer,Slechts liefde nog, den dood gewijd!

Paris.

Misleid, beroofd, gehoond, gekrenkt, vernietigd!

Vloekwaarde, booze dood, door u misleid;

Door u zoo wreed, zoo wreed ter neer geveld!

O liefde, o leven!—Neen, geen leven meer,

Slechts liefde nog, den dood gewijd!

Capulet.Slechts liefde nog, den dood gewijd!Veracht,Gehaat, tot smaad gedoemd, gemarteld, dood!Onzaal’ge dag, waarom verreest ge alleenOm ’t plechtig feest te niet, te niet te doen?—O kind, o kind!—Mijn ziel, en niet mijn kind!—Dood zijt ge, dood!—Helaas, mijn kind is dood!Mijn vreugd zinkt mèt haar in der aarde schoot!

Capulet.

Slechts liefde nog, den dood gewijd!Veracht,

Gehaat, tot smaad gedoemd, gemarteld, dood!

Onzaal’ge dag, waarom verreest ge alleen

Om ’t plechtig feest te niet, te niet te doen?—

O kind, o kind!—Mijn ziel, en niet mijn kind!—

Dood zijt ge, dood!—Helaas, mijn kind is dood!

Mijn vreugd zinkt mèt haar in der aarde schoot!

Lorenzo.Stil, schaamt u! stil! Dit heilloos jamm’ren schenktGeen troost in ’t leed. Gij deeldet met den hemelDeze engel; nam de hemel haar geheel,Het heerlijkst lot viel aan uw kind ten deel.Gij kondt ùw deel niet veil’gen voor den dood,De hemel schenkt zijn deel onsterflijkheid.Haar te verheffen was uw hoogste doel;Uw hemel was ’t, verheven haar te zien,En weent gij, nu gij haar verheven ziet,Hoog boven wolken, ja ten hemel zelf?Verkeerde liefde wijdt ge uw kind; uw leedIs redeloos, nu gij haar zalig weet!Een lange trouw is niet de beste trouw;Die vroeg den hemel trouwt, heeft nooit berouw.Wischt dan uw tranen! siert dit schoone lijkMet rosmarijn, en brengt haar naar ’s lands wijsIn ’t schoonste feestgewaad ter kerke heen;Want dwing’ natuur in ’t leed ons tranen af,De rede noemt die plenging dwaas, ja, laf.83

Lorenzo.

Stil, schaamt u! stil! Dit heilloos jamm’ren schenkt

Geen troost in ’t leed. Gij deeldet met den hemel

Deze engel; nam de hemel haar geheel,

Het heerlijkst lot viel aan uw kind ten deel.

Gij kondt ùw deel niet veil’gen voor den dood,

De hemel schenkt zijn deel onsterflijkheid.

Haar te verheffen was uw hoogste doel;

Uw hemel was ’t, verheven haar te zien,

En weent gij, nu gij haar verheven ziet,

Hoog boven wolken, ja ten hemel zelf?

Verkeerde liefde wijdt ge uw kind; uw leed

Is redeloos, nu gij haar zalig weet!

Een lange trouw is niet de beste trouw;

Die vroeg den hemel trouwt, heeft nooit berouw.

Wischt dan uw tranen! siert dit schoone lijk

Met rosmarijn, en brengt haar naar ’s lands wijs

In ’t schoonste feestgewaad ter kerke heen;

Want dwing’ natuur in ’t leed ons tranen af,

De rede noemt die plenging dwaas, ja, laf.83

Capulet.Ach, al wat tot het feest was voorbereid,Wordt thans de tolk van onze treurigheid;’t Blij snarenspel wordt romm’lend klokgebrom,De bruiloftsdisch een droevig doodmaal nu,De jubellied’ren sombre grafgezangen,De bruidskrans dient tot tooiing van een lijk,En alles is in ’t tegendeel verkeerd.

Capulet.

Ach, al wat tot het feest was voorbereid,

Wordt thans de tolk van onze treurigheid;

’t Blij snarenspel wordt romm’lend klokgebrom,

De bruiloftsdisch een droevig doodmaal nu,

De jubellied’ren sombre grafgezangen,

De bruidskrans dient tot tooiing van een lijk,

En alles is in ’t tegendeel verkeerd.

Lorenzo.Heer, thans van hier;—en volg gij, eedle vrouw!—Ook gij, graaf Paris;—maak’ zich elk gereed,Deez’ schoone doode naar het graf te volgen.De hemel straft hier wis een booze daad;Tergt hem niet meer en eert zijn hoogen raad.

Lorenzo.

Heer, thans van hier;—en volg gij, eedle vrouw!—

Ook gij, graaf Paris;—maak’ zich elk gereed,

Deez’ schoone doode naar het graf te volgen.

De hemel straft hier wis een booze daad;

Tergt hem niet meer en eert zijn hoogen raad.

(Capulet,GravinCapulet,ParisenLorenzoaf.)

Eerste Muzikant.Op mijn woord, wij kunnen onze instrumenten wel inpakken, en aftrekken.

Eerste Muzikant.

Op mijn woord, wij kunnen onze instrumenten wel inpakken, en aftrekken.

Voedster.Ja, goede lieden, pakt maar in, pakt in;Gij ziet het zelf, ’t is treurig met dit huis.

Voedster.

Ja, goede lieden, pakt maar in, pakt in;

Gij ziet het zelf, ’t is treurig met dit huis.

(De Voedster af.)

Eerste Muzikant(op het foedraal van zijn instrument wijzende).’t Wordt tijd voorwaar, dit huis weer op te lappen.

Eerste Muzikant

(op het foedraal van zijn instrument wijzende).’t Wordt tijd voorwaar, dit huis weer op te lappen.

(Peterkomt op.)

Peter.Muzikanten, o muzikanten; speelt toch eens: „Schep vreugde in ’t leven!” O! als ge wilt, dat ik ’t leven heb, speelt dan: „schep vreugde in ’t leven!”

Peter.

Muzikanten, o muzikanten; speelt toch eens: „Schep vreugde in ’t leven!” O! als ge wilt, dat ik ’t leven heb, speelt dan: „schep vreugde in ’t leven!”

Eerste Muzikant.Waarom „Schep vreugde in ’t leven?”

Eerste Muzikant.

Waarom „Schep vreugde in ’t leven?”

Peter.Ach muzikanten, omdat mijn hart zelf speelt: „Breek, breek mijn hart, van ’t wee!” O speelt mij eens een vroolijke weeklacht om mij wat op te beuren.

Peter.

Ach muzikanten, omdat mijn hart zelf speelt: „Breek, breek mijn hart, van ’t wee!” O speelt mij eens een vroolijke weeklacht om mij wat op te beuren.

Eerste Muzikant.Niets van weeklacht, ’t is nu geen tijd van spelen.

Eerste Muzikant.

Niets van weeklacht, ’t is nu geen tijd van spelen.

Peter.Ge wilt dus niet?

Peter.

Ge wilt dus niet?

Muzikanten.Neen.

Muzikanten.

Neen.

Peter.Daar zult ge voor hebben!

Peter.

Daar zult ge voor hebben!

Eerste Muzikant.Wat wilt ge geven?

Eerste Muzikant.

Wat wilt ge geven?

Peter.Geen geld voorwaar, maar een naam: ik noem je stomme muzikanten.

Peter.

Geen geld voorwaar, maar een naam: ik noem je stomme muzikanten.

Eerste Muzikant.En wij jou een stomme’ knecht.118

Eerste Muzikant.

En wij jou een stomme’ knecht.118

Peter(zijn koksmes trekkend).En dan bespeel ik je met dezen strijkstok, tot je geluid geeft; je zult wel merken, ik heb wel noten op mijn zang, ik zal je mifasollen, heele maat!

Peter

(zijn koksmes trekkend).En dan bespeel ik je met dezen strijkstok, tot je geluid geeft; je zult wel merken, ik heb wel noten op mijn zang, ik zal je mifasollen, heele maat!

Eerste Muzikant.Als je met ons sollen wilt, dan staat hier je maat!

Eerste Muzikant.

Als je met ons sollen wilt, dan staat hier je maat!

Tweede Muzikant.Kom, pak dat scherp stuk ijzer maar weer in, en wat geest uit.

Tweede Muzikant.

Kom, pak dat scherp stuk ijzer maar weer in, en wat geest uit.

Peter.Past dan maar op voor mijn geest. Ik zal je steken met mijn scherpen geest en mijn stuk ijzer weer opsteken. Geeft mij nu antwoord als mannen:„Is ’t hart van zware zorgen krank,En droef en dof ’t gemoed,Muziek maakt met haar zilverklank”—Waarom „muziek met haar zilverklank?”—Wat zeg jij, Simon Kattesnaar?

Peter.

Past dan maar op voor mijn geest. Ik zal je steken met mijn scherpen geest en mijn stuk ijzer weer opsteken. Geeft mij nu antwoord als mannen:

„Is ’t hart van zware zorgen krank,En droef en dof ’t gemoed,Muziek maakt met haar zilverklank”—Waarom „muziek met haar zilverklank?”—Wat zeg jij, Simon Kattesnaar?

„Is ’t hart van zware zorgen krank,

En droef en dof ’t gemoed,

Muziek maakt met haar zilverklank”—

Waarom „muziek met haar zilverklank?”—

Wat zeg jij, Simon Kattesnaar?

Eerste Muzikant.Wel, man, omdat zilver een liefelijken klank heeft.

Eerste Muzikant.

Wel, man, omdat zilver een liefelijken klank heeft.

Peter.Lorrepraat!—Wat zeg jij, Hans Strijkstok?

Peter.

Lorrepraat!—Wat zeg jij, Hans Strijkstok?

Tweede Muzikant.Ik zeg „zilverklank”, omdat muzikanten voor zilver spelen.

Tweede Muzikant.

Ik zeg „zilverklank”, omdat muzikanten voor zilver spelen.

Peter.Al even mooi.—Wat zeg jij, Kobus Windkast?

Peter.

Al even mooi.—Wat zeg jij, Kobus Windkast?

Derde Muzikant.Och, ik weet waarachtig niet, wat ik zeggen zal.

Derde Muzikant.

Och, ik weet waarachtig niet, wat ik zeggen zal.

Peter.’t Is waar ook, jij bent de zanger van ’t gezelschap, en daarom zal ik voor je spreken. Het is „muziek met haar zilverklank,” omdat muzikanten geen goud kunnen laten klinken;„Muziek maakt met haar zilverklankMet spoed weer alles goed.”

Peter.

’t Is waar ook, jij bent de zanger van ’t gezelschap, en daarom zal ik voor je spreken. Het is „muziek met haar zilverklank,” omdat muzikanten geen goud kunnen laten klinken;

„Muziek maakt met haar zilverklankMet spoed weer alles goed.”

„Muziek maakt met haar zilverklank

Met spoed weer alles goed.”

(Peteraf.)

Eerste Muzikant.Wat een giftige schavuit is dat!

Eerste Muzikant.

Wat een giftige schavuit is dat!

Tweede Muzikant.De nikker haal’ hem!— Kom, laat ons hier binnengaan, en op de rouwklagers wachten, en zien, of er niets te smullen valt.

Tweede Muzikant.

De nikker haal’ hem!— Kom, laat ons hier binnengaan, en op de rouwklagers wachten, en zien, of er niets te smullen valt.

(Allen af.)

Vijfde Bedrijf.Eerste Tooneel.Mantua.Een straat.Romeokomt op.Romeo.Wanneer de slaap niet, vleiend, mij bedriegt,Verkondt mijn droom, dat heuglijk nieuws mij nadert.Licht zit mijn liefde in mijne borst ten troon;Een ongewone moed heft heel den dagMij boven de aard door streelende gedachten.Mijn gade, droomde ik, kwam en vond mij dood;—Wat vreemde droom, die dooden denken laat!—Mijn lippen kussend, blies zij me adem in,Zoodat ik weer herleefde en keizer was.Hoe heerlijk is ’t bezit der liefde zelf,Als liefdes schaduw reeds zoo vreugdrijk is!(Balthazarkomt op.)Nieuws van Verona! Balthazar, wat is er?Brengt gij geen brieven van den pater mee?Hoe is ’t mijn gade? En is mijn vader wel?Hoe is ’t mijn gâ, mijn Julia? vraag ik weêr;Want niets kan kwalijk zijn, is ’t haar slechts wèl.Balthazar.Dan is ’t haar wel, en niets kan kwalijk zijn;Haar lichaam slaapt in ’t graf der Capulets,En haar onsterflijk deel leeft ginds bij de eng’len.Ik zag haar bij haar vaad’ren neêrgelegd,En ijlde spoorslags om u dit te melden.Vergeef mij deze slechte tijding, heer,Ik deed slechts naar ’t bevel, dat gij mij gaaft.Romeo.Is ’t zoo, is ’t zoo?—Dan, sterren, tart ik u!—24Gij weet mijn huis; haal mij papier en inkt,En huur mij paarden, ’k wil deez’ nacht van hier.Balthazar.O heer, ik bid, bezweer u, wees toch kalm!Gij ziet zoo bleek er uit, zoo woest; die blikVerkondigt onheil.Romeo.Verkondigt onheil.Neen, stel u gerust;Verlaat me, en doe, wat ik u daar beval.Gij brengt geen brief mij van den pater mee?Balthazar.Neen, beste heer.Romeo.Neen, beste heer.Om ’t even; ga nu heenEn huur de paarden; spoedig kom ik na.(Balthazaraf.)O Julia, deze nacht rust ik bij u.Welk middel kies ik?—Euveldaad! hoe snelNeemt gij de ziel van radeloozen in!—’k Herinner mij: er woont hier in de buurtEen apotheker; onlangs zag ik hemIn haveloos gewaad; met somb’ren blikVerlas hij kruiden; de oogen stonden hol;40’t Gebrek had hem doorknaagd tot op ’t gebeent’;En in zijn schaam’len winkel hing een schildpad,Een krokodil en and’re huiden vanWanschapen visschen; op de schappen stondEen armlijk boeltje van wat leêge doozenGroene aarden potjes, blazen, schimm’lig zaad,Met eindjes bindtouw, koekjes, uitgedroogd,Wat ver uiteen, voor ’t maken van vertoon.Bij ’t zien dier armoê zeide ik tot mijzelf:„De dood staat op ’t verkoopen van vergiftIn Mantua, maar als één ’t noodig had,Hier vond hij de’ armen schelm, die ’t hem verkocht.”Dat was een voorgevoel van mijn behoefte,En deez’ behoeftige verschaft het mij.Hier is zijn huis, zoo ’k wel heb; maar ’t is feestdag,En daarom is des beed’laars winkel dicht.Hé, apotheker, hé!(Een Apotheker komt naar buiten.)Apotheker.Hé, apotheker, hé!Wie roept zoo luid?Romeo.Kom nader, man!—Ik zie wel, gij zijt arm,Neem, daar zijn veertig stuks dukaten; geef meEen slok vergift, een drank, die snel en krachtigDoor de aad’ren zich verspreid, zoodat de man,Die levensmoê is, drinkt en nederstort;En dat zijn borst van de’ adem zich ontlaadtMet zulk geweld, als ’t haastig kruit ontvlamtEn losbreekt uit moorddadig krijgsgeschut.Apotheker.Ik heb zulk moordend gif, doch MantuaStraft met den dood een elk, die het verkoopt.Romeo.Gij, gij, zoo naakt, zoo van ellend’ bezocht,Vreest gij den dood? De honger groeft uw wang;Gebrek en kommer smachten in uw oog;Verguizing hangt in lompen om uw rug;De wereld noch haar wetten zijn uw vriend;De wereld heeft geen wet, die u verrijkt;Wees dan niet arm, neem dit, en breek de wet.Apotheker.Alleen mijn armoê, niet mijn wil, stemt toe.Romeo.’k Betaal alleen uw armoê, niet uw wil.Apotheker.Giet dit in welke vloeistof gij maar wilt,En drink het op; al hadt gij ook de krachtVan twintig man, onmidd’lijk zijt ge een lijk.Romeo.Hier is uw goud, een erger zielsvergifEen boozer moorddrank in deez’ booze wereld,Dan ’t brouwsel, dat gij niet verkoopen moogt.Gij kocht vergift van mij, ik niet van u.Vaarwel, koopt eten, zet u eens in ’t vleesch!—Kom, laaf’nisdrank, geen gift! verzel mij nuNaar Julia’s graf, want daar behoef ik u.(Beiden af.)Tweede Tooneel.Verona.Lorenzo’scel..BroederJohanneskomt op.Johannes.Eerwaarde Franciscaner! broeder, hé!(Lorenzokomt op.)Lorenzo.De stem is ’t van Johannes, onzen broeder.—Welkom van Mantua! En welk berichtVan Romeo? Of schreef hij? Geef dan hier.Johannes.Ik zocht mij tot geleide een barvoetsbroeder.Een van onze orde, die hier in de stadZich aan ’t bezoek van kranken heeft gewijd.Ik vond hem, maar de wacht der stad verdachtZijn huis van door de pest besmet te zijn,Verzegelde de deur en sloot ons op;Onmooglijk werd mijn tocht naar Mantua.Lorenzo.Wie bracht mijn schrijven dan aan Romeo?Johannes.Ik kon ’t niet zenden;—hier is ’t weer terug.Ik vond geen bode zelfs om ’t u te brengen,Zoo angstig voor besmetting was een elk.Lorenzo.Onzalig noodlot! Bij mijn heilige orde,De brief was niet een beuz’ling, doch zwaarwichtig,Van ’t hoogst belang,—en ’t niet-bestellen brengtLicht groot gevaar. Broeder Johannes, ga,Haal mij een koevoet, breng mij dien terstond.Johannes.Ik breng ’t u daad’lijk, broeder.(BroederJohannesaf).Lorenzo.Alleen moet ik naar ’t graf nu. In drie uurOntwaakt de schoone Julia. O, zij zalBedroefd en boos zijn, dat ik RomeoGeen kennis gaf van wat er is gebeurd.Maar ’k schrijf nog eens naar Mantua; mijn celVerberg’ haar, tot de komst haars echtgenoots;Die arme, levend in ’t verblijf des doods!(Lorenzoaf.)Derde Tooneel.Verona.Een kerkhof; daarop het familiegraf derCapulets.Parisen zijn Page, met bloemen en een fakkel, komen op.Paris.Geef mij de fakkel, knaap; sta verder weg;—Neen, doe haar uit; men moet mij hier niet zien.Ga, vlij u onder gindsche taxisboomen,En houd uw oor vlak op den hollen grond;Zoo kan geen voet het kerkhof hier betreên,Dat overal van ’t graven is doorwoeld,Of gij verneemt het. Komt er iets, zoo fluitAls teeken, dat gij iemand naad’ren hoort.Geef mij die bloemen; ga, doe wat ik zeg.Page(ter zijde).Ik ben beangst, zoo op het kerkhof hierAlleen te blijven, maar ik wil het wagen.(Hij verwijdert zich.)Paris.’k Strooi rozen op uw bruidsbed, rozeknop;—Helaas, ’t is overwelfd met stof en steen!—En sprenkel ’s nachts er geur’ge waat’ren op,Of, mis ik die, de tranen, die ik ween;15Zoo zij met frisch gebloemte nacht op nacht,Mijn hulde en rouw u weenend toegebracht!(De Page fluit.)Daar geeft de knaap het sein, dat iemand komt.Wat vloekb’re voet treedt ’s nachts hier in en stoortDer liefde lijkdienst in dit heilig oord?Wat, met een toorts? Omhul mij, nacht, een poos.(Hij gaat ter zijde.)(RomeoenBalthazarkomen op, met een toorts, een koevoet enz.)Romeo.Geef mij den koevoet hier, en het houweel.Hier, neem deez’ brief; bezorg hem morgen vroeg,Gijzelf, in handen van mijn heer en vader.Geef mij de toorts, en, op verbeurt’ van ’t lijf,Wat gij ook hoort of ziet, blijf verre staan,En zorg mij niet te storen in mijn doen.Ik daal in deze woning van den dood,Deels om nog eens haar lief gelaat te zien,Maar toch vooral, om van haar dooden vingerEen kostb’ren ring te nemen, ja, een ring,Die tot gewichtig werk mij dienen moet.Daarom, ga heen;—maar drijft uw argwaan uTerug te keeren en te zien, wat ikMij verder voorgenomen heb te doen,Bij God! in stukken rijt ik u en zaaiHier op dit vratig kerkhof uwe leden.De tijd en mijn gemoed zijn razend wild,Veel grimmiger, veel feller, min vermurwbaar,Dan holle tijgers, of de woeste zee.Balthazar.’k Wil gaan, heer, en ik zorg u niet te storen.Romeo.Dan handelt ge als een vriend.— Hier, neem gij dit;Vaarwel, en leef gelukkig, goede vriend!Balthazar(ter zijde).’k Verschuil mij hier, wat hij mij ook verbied’;Ik ducht dien blik; zijn doel vertrouw ik niet.(Hij gaat terug.)Romeo.Verfoeib’re muil, gij ingewand des doods,Die ’t kostelijkst gerecht der aard verslondt,Zoo breek ik uw verdervingskaken open,47(Hij breekt de deur van het grafgewelf open.)En dwing, uws ondanks, u meer voedsel op!Paris.Wat, die verbannen, trotsche Montague,Die Julia’s neef vermoordde, aan welke smart,Naar men vermoedt, dit lieflijk wezen stierf,Nu komt hij op deez’ heil’ge plaats en wilHier lijkeschennis plegen; ’k wil hem vatten.(Hij treedt opRomeotoe.)Staak, lage Montague, uw snood bestaan!Gaat dan de wraak nog verder dan het graf?Verbannen schurk! Gevangen neem ik u;Gehoorzaam en ga mee, want sterven moet gij!Romeo.Dat moet ik, ja; en daartoe kwam ik hier.—Tart, edel jong’ling, niet een raad’loos man,Vlied en verlaat mij; denk aan deze dooden;Hun noodlot schrikke u af.—’k Bezweer u, jonkman,Hoop op mijn hoofd geen nieuwe zonde, en wekMijn razernij niet op; ga, jongeling, ga!Bij God, ’k zorg meer voor u dan voor mijzelf,Want ik belaag gewapend hier mijzelf;Draal niet, maar ga; blijf leven, en zeg danIk week op de’ aandrang van een razend man.Paris.’t Is al om niet; ik lach met uw bezwering,En vat u als een snood weerspanneling.Romeo.Gij wilt mij tarten, knaap? verweer u dan.(Zij vechten.)Page.O God, zij vechten daar; ik haal de wacht.(De Page af.)Paris.O, ’k ben getroffen, dood’lijk!(Hij valt.)Hebt ge erbarmen,Zoo open ’t graf, leg mij naast Julia.(Hij sterft.)Romeo.Dat wil ik doen.—Dat ik ’t gelaat eens zie;’t Is Paris, de eed’le graaf, Mercutio’s neef!Wat zeide toch mijn dienaar, bij den rit,Waar mijn geschokte ziel geen acht op sloeg?Hij zeide, Paris zou met Julia huwen.Ik meen, dat hij dit zeide; of droomde ik dit?Of is ’t mijn waanzin, die zoo denkt, wijl hijDaar zelf van Julia sprak! O! geef me uw hand,Gij, met me in ’t boek des onspoeds opgeschreven!’k Begraaf u in een zegepralend graf;Een graf? Een lichtgewelf, verslagen jongling;Want hier rust Julia; haar schoonheid maaktDeez’ krocht tot feestlijk hel verlichte zaal.Rust, doode, hier, begraven door een doode.(Hij legtParisin het grafgewelf.)Hoe vaak speelt niet een glimlach om den mondVan stervenden! Hun wakers noemen datEen flikk’ring vóór den dood; o, zoo mag ikDit flikk’ring heeten! Mijn geliefde vrouw!De dood zoog ’t honigzoet uws adems in,Maar heeft op uwe schoonheid niets vermocht.Nog zijt gij niet verwonnen; schoonheids vaanDekt purperrood uw lippen nog en wang,95Daar werd geen vale doodsvlag nog ontrold!—Ligt gij daar, Tybalt, in uw bloedig kleed?Hoe bied ik beter zoen u aan, dan datDe hand, die ùw jeugd afsneed, ook de jeugdVan hèm doorkliev’, die eens uw vijand was?Vergeef mij, neef!—Ach, dierb’re Julia,Waaròm zijt gij nu nog zoo schoon? Moet ikGelooven, dat de lichaamlooze doodVerliefd is, en het dor, verafschuwd monsterU hier in ’t duister houdt als zijn boelin?Ik vrees ’t, en daarom blijf ik bij u wijlen,Om nooit uit dit paleis der donkre nachtWeêr heen te gaan; hier wil ik blijven, hier,Bij wormen, uwe kameniers; ja, hierSpreid ik mij ’t bed der eeuw’ge rust en schudIk ’t juk, door booze sterren me opgelegd,Van ’t afgesloofde lijf.—Uw laatsten blik,Gij oogen! uwe laatste omhelzing, armen!En, ademspoorten, lippen, zeeg’le uw kusDen eeuwigen bond met de’ alverzwelger, Dood!—(Hij kust haar en haalt een fleschje te voorschijn.)Kom, wreede leidsman, kom, afschuwlijk gids!Zet, raad’loos stuurman, ’t afgesolde schipIn eens nu op de brijzelende klip!Dit, liefste, aan u! (Hij drinkt.)—Braaf man! ’t was waarheid dus;Uw drank is snel;—zoo sterf ik met een kus.(Hij sterft.)(Lorenzoverschijnt aan het andere einde van het kerkhof, met lantaren, koevoet en spade.)Lorenzo.Wees, Sint Franciscus, mij nabij! Hoe vaakStiet ik mijn oude voeten aan een graf!—Wie daar?Balthazar.Een vriend, en een die goed u kent.Lorenzo.God zegen’ u! En zeg mij, goede vriend,Wat is dat voor een toorts, die licht verspiltAan wormen en aan oogenlooze schedels?Zie ’k wel, dan brandt ze in ’t graf der Capulets.Balthazar.Zoo is het, heilig man; daar is mijn meester;Gij hebt hem lief.Lorenzo.Gij hebt hem lief.Wien meent gij?Balthazar.Gij hebt hem lief. Wien meent gij?Romeo.Lorenzo.Sinds hoe lang is hij daar?Balthazar.Sinds hoe lang is hij daar?Ruim een half uur.Lorenzo.Ga met mij naar ’t gewelf.Balthazar.Ga met mij naar ’t gewelf.Ik durf niet, Heer,Mijn meester weet niet anders, of ik ging;En dreigde mij met meer dan éénen dood,Als ik vertoefde en naging wat hij deed.134Lorenzo.Blijf dan, ik ga alleen.—Vrees slaat me om ’t hart;Ik ducht, er is een ongeluk geschied.Balthazar.Ik droomde, toen ik hier was ingeslapen,Dat ginds mijn meester met een ander vocht,En dat hij de’ ander doodde.Lorenzo(het graf naderend).Romeo!O wee mij, wee mij, wat voor bloed bevlektDen steenen drempel van dit grafgewelf?Wat zijn ’t voor zwaarden, die bevlekt en heerloosWankleurig liggen op deez’ plaats van vreê?(Hij treedt het grafgewelf binnen.)Romeo! Doodsbleek! Wie meer?—Wat! Paris ook?En in zijn bloed?—Onzaal’ge, wreede stonde,Die zooveel, zooveel jammer hebt gebaard!—De jonkvrouw, zij ontwaakt!(Juliaontwaakt.)Julia.O trouwe trooster! O, waar is mijn gade?’k Herinner mij, waar ik ontwaken moest;Daar ben ik nu.—Waar is mijn Romeo?(Men hoort gedruisch.)Lorenzo.Ik hoor gedruisch.—Kom, jonkvrouw, uit deez’ groeveVan dood en pest, dit schrikk’lijk slaapvertrek;Een hoog’re macht, en die geen weerspraak duldt,Heeft onzen raad verijdeld. Kom, van hier!Uw gade ligt hier aan uw zijde dood,En Paris ook. Kom mede, ik zoek voor uEen veil’ge toevlucht in een klooster. SpilGeen tijd met vragen; hoor, daar komt de wacht!(Het gedruisch komt naderbij.)Kom, lieve Julia!—’k Durf niet langer toeven.Julia.Ga, spoed u dan; ik wijk hier niet van daan.(Lorenzoaf.)Mijn gade! Hoe! gij houdt een fleschje omklemd?—Verkortte gift dan ’t leven, u bestemd?—O, vrek, dronkt ge alles, liet gij mij geen drup.Om u te volgen?—’k wil uw lippen kussen;Misschien kleeft nog wat gif er aan, genoeg,Om als een laafnis mij den dood te brengen.(Zij kust hem.)Warm zijn uw lippen!Eerste Wachter(achter het tooneel).Knaap, wijs ons den weg!Julia.Gedruisch?—Dan niet gedraald! Ha, welkom, dolk!(Zij grijptRomeo’sdolk en doorsteekt zich.)Dit zij uw scheê; roest daar, en laat mij sterven.(Zij sterft.)(De Wacht komt op, met den Page vanParis.)Page.Dit is de plaats, dáár, waar de fakkel brandt.171Eerste Wachter.De grond is hier met bloed; doorzoekt het kerkhof;Gijlieden, gaat, vat ieder, dien gij vindt.(Eenige Wachters af.)O, schriktooneel! Hier ligt de graaf vermoord;—En Julia bloedend, warm, gestorven pas,Die voor twee dagen reeds begraven was.—Ga, zeg ’t den vorst;—ijl tot de Capulets,—Wek op de Montagues;—gij and’ren zoekt;—(Andere Wachters af.)Wij zien den grond, die dezen jammer draagt,Maar des rampzaal’gen jammers waren grondKan slechts nauwkeurig onderzoek ontdekken.(Eenige Wachters komen op metBalthazar.)Tweede Wachter.Wij vonden Romeo’s dienaar hier op ’t kerkhof.Eerste Wachter.Bewaakt hem goed, totdat de vorst verschijnt.(Andere Wachters komen op met broederLorenzo.)Derde Wachter.Deez’ monnik beeft en zucht en weent; wij namenDien koevoet en die spade van hem af,Toen hij aan deze zij van ’t kerkhof kwam.Eerste Wachter.Dat is verdacht; ook hij zij goed bewaard.Romeo en Julia, Vijfde Bedrijf, Derde Tooneel.Romeo en Julia, Vijfde Bedrijf, Derde Tooneel.(De Vorst en zijn Gevolg komt op.)Vorst.Wat onheil is zoo vroeg reeds op de been,En roept van onze morgenrust ons op?(Capulet,GravinCapuleten Anderen komen op.)Capulet.Wat kan het zijn, dat elk zoo roept en jammert?Gravin Capulet.Het volk roept op de straten: Romeo!Dan weder: Julia! en dan weer: Paris!En spoedt met luid geschreeuw zich naar ons graf.Vorst.Wat schrik is dit, die zoo ons oor verscheurt?Eerste Wachter.Mijn vorst, hier ligt graaf Paris, pas verslagen,En Romeo dood; en Julia, lang gestorven,Nog warm en pas gedood!—Vorst.Spoort na, vorscht uit, wie ’t schendig stuk bedreef!Eerste Wachter.Hier zijn een monnik, heer, en Romeo’s dienaar;Zij hadden spade en koevoet om ’t verblijfVan dooden te oop’nen.201Capulet.O God! Zie, vrouw, hoe onze dochter bloedt!Die dolk, ach! is verdwaald, want zie, zijn huisRust ledig op den rug van Montague,—Zijn dwaalscheede is de boezem mijner dochter.Gravin Capulet.Wee mij, dit doodsgezicht is als een klok,Die mij vermaant en oproept tot het graf.(Montagueen Anderen komen op.)Vorst.Kom, Montague! verreest gij vroeg, nog vroegerLigt hier uw zoon en erfgenaam geveld.Montague.Ach, edel vorst, mijn vrouw bezweek deez’ nachtVan kommer om de ballingschap mijns zoons.Welk meerder wee belaagt mijn ouden dag?Vorst.Kom, en aanschouw het hier!Montague.O, onbescheiden kind! betaamt het u,Voorbij uw vader naar een graf te dringen?Vorst.Weerhoudt uw bitt’re klachten nog, totdatWij licht in ’t duister brengen, en de bronaâr,Den waren oorsprong dezer rampen kennen;Dan wil ik veldheer van uw weeklacht zijn,Al voert die ook ten doode. Zwijgt intusschen,En zij de weedom slaaf nu van ’t geduld.—Stelt hèn thans voor ons, op wie argwaan rust.Lorenzo.Schoon ’t minst in staat tot boosheid, ben ik ’t meest—Wijl tijd en plaats zich tegen mij verbonden,—Verdacht van aandeel in deez’ gruwbren moord.Als klager en gedaagde sta ik hier;’k Beschuldig en ontschuldig hier mijzelf.Vorst.Zeg ons in ’t kort, al wat gij hiervan weet.Lorenzo.Kort zal ik zijn, want de adem, die mij rest,Reikt voor een lang verhalen niet meer toe.Hij, Romeo, die daar ligt, was Julia’s man;Zij, die daar ligt, was Romeo’s trouwe gade.Ik trouwde ze in ’t geheim; hun huw’lijksdagWas Tybalts doodsdag; diens ontijdig stervenVerwees den jongen man in ballingschap.Om hem, om Tybalt niet, was Julia’s smart.Om uit den greep van ’t wee haar los te maken,Hebt gij aan Paris haar verloofd en zoudtTot de’ echt haar dwingen;—nu komt zij tot mij,En eischt, met wilden blik, van mij een middelOm van dien tweeden echt haar te bevrijden,Of in mijn cel zou zij zichzelve dooden.Toen gaf ik haar,—mijn wetenschap vond baat,—Een slaapdrank, die naar eisch zijn werking deed,Want hij omgaf haar met den schijn des doods.Onmidd’lijk schreef ik ook aan Romeo,246Hierheen te komen in deez’ gruwbre nacht,Om haar te ontrukken aan ’t geborgde graf;Dan was de werking van den drank gedaan.’t Noodlottig toeval wilde, dat de broederJohannes, die mijn brief had, niet kon gaan;Hij bracht dien gist’ren mij terug. AlleenGing ik dus tegen ’t uur van haar ontwakenHaar halen uit het graf van haar geslacht,Van plan haar te verbergen in mijn cel,Tot ik aan Romeo tijding zenden kon;Maar toen ik kort voor haar ontwaken kwam,Vond ik den eed’len Paris hier geveld,En nevens haar den trouwen Romeo dood.Ze ontwaakt; ik bad haar dringend mij te volgenEn in Gods wil gelaten te berusten.Gedruisch dreef uit het grafgewelf mij heen,En zij wilde in haar wanhoop mij niet volgen,Maar sloeg, als blijkt, de hand toen aan zichzelf.Ziedaar al wat ik weet; van haren echtWeet ook de voedster. Valt nu van de rampIets van de schuld op mij, neem ’t kleine deel,Dat van mijn wankel leven mij nog rest,En offer ’t aan den strengsten eisch der wet.Vorst.Steeds hebben we u als heilig man gekend.—Waar is nu Romeo’s dienaar? Die treê voor!Balthazar.Ik bracht mijn heer ’t bericht van Julia’s dood;Hij ijlde spoorslags toen van MantuaNaar deze plaats en naar dit grafgewelf.Deez’ brief hier moest ik aan zijn vader brengen;Hij ging in ’t graf en dreigde met den dood,Als ik niet ging en hem daar achterliet.Vorst.Geef mij den brief; ik neem er kennis van.—Des graven page riep de wacht, waar is hij?—Jong mensch, wat deed uw heer op deze plaats?Page.Hij kwam om bloemen op haar graf te strooien,En gaf mij last terug te gaan; zoo deed ik;Toen kwam er een met licht, die ’t graf wilde oop’nen,En weldra viel mijn meester op hem aan,En ik liep, om de wacht te roepen, heen.Vorst.Dit schrijven staaft de woorden van den monnik,Hun huwlijk en de tijding van haar dood;Hij schrijft ook, van een hongrige’ apothekerKocht hij vergift, om hier in Julia’s grafAan hare zij te sterven en te rusten.—Waar zijn die haters? Ziet nu, CapuletEn Montague, wat geesel striemde uw haat!Door liefde doodt de hemel al uw vreugd!Ook ik, te zacht bij uwen twist, verloorEen tweetal magen;—allen zijn gestraft.Capulet.O, broeder Montague, reik mij uw hand;Dit zij mijn dochters weduwgift, want meerKan ik niet vord’ren.Montague.Kan ik niet vord’ren.Maar ik meer u geven;In zuiver goud doe ik haar beeld verrijzen;Zoolang Verona nog Verona heet,Koom’ nooit in waarde een beeld dit beeld nabij,Dat ik aan uw getrouwe Julia wij.Capulet.En nevens haar zij zoo uw zoon herdacht!Rampzalige offers, onzen haat gebracht!Vorst.Een sombren vrede brengt ons deze morgen;Van wee omfloerst de zon haar aangezicht;Dit onderzoek eischt nog mijn droeve zorgen,Opdat ik streng, en toch genadig, richt.Nooit trof het noodlot twee gelieven zoo,Als ’t Julia deed en haren Romeo.(Allen af.)

Vijfde Bedrijf.Eerste Tooneel.Mantua.Een straat.Romeokomt op.Romeo.Wanneer de slaap niet, vleiend, mij bedriegt,Verkondt mijn droom, dat heuglijk nieuws mij nadert.Licht zit mijn liefde in mijne borst ten troon;Een ongewone moed heft heel den dagMij boven de aard door streelende gedachten.Mijn gade, droomde ik, kwam en vond mij dood;—Wat vreemde droom, die dooden denken laat!—Mijn lippen kussend, blies zij me adem in,Zoodat ik weer herleefde en keizer was.Hoe heerlijk is ’t bezit der liefde zelf,Als liefdes schaduw reeds zoo vreugdrijk is!(Balthazarkomt op.)Nieuws van Verona! Balthazar, wat is er?Brengt gij geen brieven van den pater mee?Hoe is ’t mijn gade? En is mijn vader wel?Hoe is ’t mijn gâ, mijn Julia? vraag ik weêr;Want niets kan kwalijk zijn, is ’t haar slechts wèl.Balthazar.Dan is ’t haar wel, en niets kan kwalijk zijn;Haar lichaam slaapt in ’t graf der Capulets,En haar onsterflijk deel leeft ginds bij de eng’len.Ik zag haar bij haar vaad’ren neêrgelegd,En ijlde spoorslags om u dit te melden.Vergeef mij deze slechte tijding, heer,Ik deed slechts naar ’t bevel, dat gij mij gaaft.Romeo.Is ’t zoo, is ’t zoo?—Dan, sterren, tart ik u!—24Gij weet mijn huis; haal mij papier en inkt,En huur mij paarden, ’k wil deez’ nacht van hier.Balthazar.O heer, ik bid, bezweer u, wees toch kalm!Gij ziet zoo bleek er uit, zoo woest; die blikVerkondigt onheil.Romeo.Verkondigt onheil.Neen, stel u gerust;Verlaat me, en doe, wat ik u daar beval.Gij brengt geen brief mij van den pater mee?Balthazar.Neen, beste heer.Romeo.Neen, beste heer.Om ’t even; ga nu heenEn huur de paarden; spoedig kom ik na.(Balthazaraf.)O Julia, deze nacht rust ik bij u.Welk middel kies ik?—Euveldaad! hoe snelNeemt gij de ziel van radeloozen in!—’k Herinner mij: er woont hier in de buurtEen apotheker; onlangs zag ik hemIn haveloos gewaad; met somb’ren blikVerlas hij kruiden; de oogen stonden hol;40’t Gebrek had hem doorknaagd tot op ’t gebeent’;En in zijn schaam’len winkel hing een schildpad,Een krokodil en and’re huiden vanWanschapen visschen; op de schappen stondEen armlijk boeltje van wat leêge doozenGroene aarden potjes, blazen, schimm’lig zaad,Met eindjes bindtouw, koekjes, uitgedroogd,Wat ver uiteen, voor ’t maken van vertoon.Bij ’t zien dier armoê zeide ik tot mijzelf:„De dood staat op ’t verkoopen van vergiftIn Mantua, maar als één ’t noodig had,Hier vond hij de’ armen schelm, die ’t hem verkocht.”Dat was een voorgevoel van mijn behoefte,En deez’ behoeftige verschaft het mij.Hier is zijn huis, zoo ’k wel heb; maar ’t is feestdag,En daarom is des beed’laars winkel dicht.Hé, apotheker, hé!(Een Apotheker komt naar buiten.)Apotheker.Hé, apotheker, hé!Wie roept zoo luid?Romeo.Kom nader, man!—Ik zie wel, gij zijt arm,Neem, daar zijn veertig stuks dukaten; geef meEen slok vergift, een drank, die snel en krachtigDoor de aad’ren zich verspreid, zoodat de man,Die levensmoê is, drinkt en nederstort;En dat zijn borst van de’ adem zich ontlaadtMet zulk geweld, als ’t haastig kruit ontvlamtEn losbreekt uit moorddadig krijgsgeschut.Apotheker.Ik heb zulk moordend gif, doch MantuaStraft met den dood een elk, die het verkoopt.Romeo.Gij, gij, zoo naakt, zoo van ellend’ bezocht,Vreest gij den dood? De honger groeft uw wang;Gebrek en kommer smachten in uw oog;Verguizing hangt in lompen om uw rug;De wereld noch haar wetten zijn uw vriend;De wereld heeft geen wet, die u verrijkt;Wees dan niet arm, neem dit, en breek de wet.Apotheker.Alleen mijn armoê, niet mijn wil, stemt toe.Romeo.’k Betaal alleen uw armoê, niet uw wil.Apotheker.Giet dit in welke vloeistof gij maar wilt,En drink het op; al hadt gij ook de krachtVan twintig man, onmidd’lijk zijt ge een lijk.Romeo.Hier is uw goud, een erger zielsvergifEen boozer moorddrank in deez’ booze wereld,Dan ’t brouwsel, dat gij niet verkoopen moogt.Gij kocht vergift van mij, ik niet van u.Vaarwel, koopt eten, zet u eens in ’t vleesch!—Kom, laaf’nisdrank, geen gift! verzel mij nuNaar Julia’s graf, want daar behoef ik u.(Beiden af.)Tweede Tooneel.Verona.Lorenzo’scel..BroederJohanneskomt op.Johannes.Eerwaarde Franciscaner! broeder, hé!(Lorenzokomt op.)Lorenzo.De stem is ’t van Johannes, onzen broeder.—Welkom van Mantua! En welk berichtVan Romeo? Of schreef hij? Geef dan hier.Johannes.Ik zocht mij tot geleide een barvoetsbroeder.Een van onze orde, die hier in de stadZich aan ’t bezoek van kranken heeft gewijd.Ik vond hem, maar de wacht der stad verdachtZijn huis van door de pest besmet te zijn,Verzegelde de deur en sloot ons op;Onmooglijk werd mijn tocht naar Mantua.Lorenzo.Wie bracht mijn schrijven dan aan Romeo?Johannes.Ik kon ’t niet zenden;—hier is ’t weer terug.Ik vond geen bode zelfs om ’t u te brengen,Zoo angstig voor besmetting was een elk.Lorenzo.Onzalig noodlot! Bij mijn heilige orde,De brief was niet een beuz’ling, doch zwaarwichtig,Van ’t hoogst belang,—en ’t niet-bestellen brengtLicht groot gevaar. Broeder Johannes, ga,Haal mij een koevoet, breng mij dien terstond.Johannes.Ik breng ’t u daad’lijk, broeder.(BroederJohannesaf).Lorenzo.Alleen moet ik naar ’t graf nu. In drie uurOntwaakt de schoone Julia. O, zij zalBedroefd en boos zijn, dat ik RomeoGeen kennis gaf van wat er is gebeurd.Maar ’k schrijf nog eens naar Mantua; mijn celVerberg’ haar, tot de komst haars echtgenoots;Die arme, levend in ’t verblijf des doods!(Lorenzoaf.)Derde Tooneel.Verona.Een kerkhof; daarop het familiegraf derCapulets.Parisen zijn Page, met bloemen en een fakkel, komen op.Paris.Geef mij de fakkel, knaap; sta verder weg;—Neen, doe haar uit; men moet mij hier niet zien.Ga, vlij u onder gindsche taxisboomen,En houd uw oor vlak op den hollen grond;Zoo kan geen voet het kerkhof hier betreên,Dat overal van ’t graven is doorwoeld,Of gij verneemt het. Komt er iets, zoo fluitAls teeken, dat gij iemand naad’ren hoort.Geef mij die bloemen; ga, doe wat ik zeg.Page(ter zijde).Ik ben beangst, zoo op het kerkhof hierAlleen te blijven, maar ik wil het wagen.(Hij verwijdert zich.)Paris.’k Strooi rozen op uw bruidsbed, rozeknop;—Helaas, ’t is overwelfd met stof en steen!—En sprenkel ’s nachts er geur’ge waat’ren op,Of, mis ik die, de tranen, die ik ween;15Zoo zij met frisch gebloemte nacht op nacht,Mijn hulde en rouw u weenend toegebracht!(De Page fluit.)Daar geeft de knaap het sein, dat iemand komt.Wat vloekb’re voet treedt ’s nachts hier in en stoortDer liefde lijkdienst in dit heilig oord?Wat, met een toorts? Omhul mij, nacht, een poos.(Hij gaat ter zijde.)(RomeoenBalthazarkomen op, met een toorts, een koevoet enz.)Romeo.Geef mij den koevoet hier, en het houweel.Hier, neem deez’ brief; bezorg hem morgen vroeg,Gijzelf, in handen van mijn heer en vader.Geef mij de toorts, en, op verbeurt’ van ’t lijf,Wat gij ook hoort of ziet, blijf verre staan,En zorg mij niet te storen in mijn doen.Ik daal in deze woning van den dood,Deels om nog eens haar lief gelaat te zien,Maar toch vooral, om van haar dooden vingerEen kostb’ren ring te nemen, ja, een ring,Die tot gewichtig werk mij dienen moet.Daarom, ga heen;—maar drijft uw argwaan uTerug te keeren en te zien, wat ikMij verder voorgenomen heb te doen,Bij God! in stukken rijt ik u en zaaiHier op dit vratig kerkhof uwe leden.De tijd en mijn gemoed zijn razend wild,Veel grimmiger, veel feller, min vermurwbaar,Dan holle tijgers, of de woeste zee.Balthazar.’k Wil gaan, heer, en ik zorg u niet te storen.Romeo.Dan handelt ge als een vriend.— Hier, neem gij dit;Vaarwel, en leef gelukkig, goede vriend!Balthazar(ter zijde).’k Verschuil mij hier, wat hij mij ook verbied’;Ik ducht dien blik; zijn doel vertrouw ik niet.(Hij gaat terug.)Romeo.Verfoeib’re muil, gij ingewand des doods,Die ’t kostelijkst gerecht der aard verslondt,Zoo breek ik uw verdervingskaken open,47(Hij breekt de deur van het grafgewelf open.)En dwing, uws ondanks, u meer voedsel op!Paris.Wat, die verbannen, trotsche Montague,Die Julia’s neef vermoordde, aan welke smart,Naar men vermoedt, dit lieflijk wezen stierf,Nu komt hij op deez’ heil’ge plaats en wilHier lijkeschennis plegen; ’k wil hem vatten.(Hij treedt opRomeotoe.)Staak, lage Montague, uw snood bestaan!Gaat dan de wraak nog verder dan het graf?Verbannen schurk! Gevangen neem ik u;Gehoorzaam en ga mee, want sterven moet gij!Romeo.Dat moet ik, ja; en daartoe kwam ik hier.—Tart, edel jong’ling, niet een raad’loos man,Vlied en verlaat mij; denk aan deze dooden;Hun noodlot schrikke u af.—’k Bezweer u, jonkman,Hoop op mijn hoofd geen nieuwe zonde, en wekMijn razernij niet op; ga, jongeling, ga!Bij God, ’k zorg meer voor u dan voor mijzelf,Want ik belaag gewapend hier mijzelf;Draal niet, maar ga; blijf leven, en zeg danIk week op de’ aandrang van een razend man.Paris.’t Is al om niet; ik lach met uw bezwering,En vat u als een snood weerspanneling.Romeo.Gij wilt mij tarten, knaap? verweer u dan.(Zij vechten.)Page.O God, zij vechten daar; ik haal de wacht.(De Page af.)Paris.O, ’k ben getroffen, dood’lijk!(Hij valt.)Hebt ge erbarmen,Zoo open ’t graf, leg mij naast Julia.(Hij sterft.)Romeo.Dat wil ik doen.—Dat ik ’t gelaat eens zie;’t Is Paris, de eed’le graaf, Mercutio’s neef!Wat zeide toch mijn dienaar, bij den rit,Waar mijn geschokte ziel geen acht op sloeg?Hij zeide, Paris zou met Julia huwen.Ik meen, dat hij dit zeide; of droomde ik dit?Of is ’t mijn waanzin, die zoo denkt, wijl hijDaar zelf van Julia sprak! O! geef me uw hand,Gij, met me in ’t boek des onspoeds opgeschreven!’k Begraaf u in een zegepralend graf;Een graf? Een lichtgewelf, verslagen jongling;Want hier rust Julia; haar schoonheid maaktDeez’ krocht tot feestlijk hel verlichte zaal.Rust, doode, hier, begraven door een doode.(Hij legtParisin het grafgewelf.)Hoe vaak speelt niet een glimlach om den mondVan stervenden! Hun wakers noemen datEen flikk’ring vóór den dood; o, zoo mag ikDit flikk’ring heeten! Mijn geliefde vrouw!De dood zoog ’t honigzoet uws adems in,Maar heeft op uwe schoonheid niets vermocht.Nog zijt gij niet verwonnen; schoonheids vaanDekt purperrood uw lippen nog en wang,95Daar werd geen vale doodsvlag nog ontrold!—Ligt gij daar, Tybalt, in uw bloedig kleed?Hoe bied ik beter zoen u aan, dan datDe hand, die ùw jeugd afsneed, ook de jeugdVan hèm doorkliev’, die eens uw vijand was?Vergeef mij, neef!—Ach, dierb’re Julia,Waaròm zijt gij nu nog zoo schoon? Moet ikGelooven, dat de lichaamlooze doodVerliefd is, en het dor, verafschuwd monsterU hier in ’t duister houdt als zijn boelin?Ik vrees ’t, en daarom blijf ik bij u wijlen,Om nooit uit dit paleis der donkre nachtWeêr heen te gaan; hier wil ik blijven, hier,Bij wormen, uwe kameniers; ja, hierSpreid ik mij ’t bed der eeuw’ge rust en schudIk ’t juk, door booze sterren me opgelegd,Van ’t afgesloofde lijf.—Uw laatsten blik,Gij oogen! uwe laatste omhelzing, armen!En, ademspoorten, lippen, zeeg’le uw kusDen eeuwigen bond met de’ alverzwelger, Dood!—(Hij kust haar en haalt een fleschje te voorschijn.)Kom, wreede leidsman, kom, afschuwlijk gids!Zet, raad’loos stuurman, ’t afgesolde schipIn eens nu op de brijzelende klip!Dit, liefste, aan u! (Hij drinkt.)—Braaf man! ’t was waarheid dus;Uw drank is snel;—zoo sterf ik met een kus.(Hij sterft.)(Lorenzoverschijnt aan het andere einde van het kerkhof, met lantaren, koevoet en spade.)Lorenzo.Wees, Sint Franciscus, mij nabij! Hoe vaakStiet ik mijn oude voeten aan een graf!—Wie daar?Balthazar.Een vriend, en een die goed u kent.Lorenzo.God zegen’ u! En zeg mij, goede vriend,Wat is dat voor een toorts, die licht verspiltAan wormen en aan oogenlooze schedels?Zie ’k wel, dan brandt ze in ’t graf der Capulets.Balthazar.Zoo is het, heilig man; daar is mijn meester;Gij hebt hem lief.Lorenzo.Gij hebt hem lief.Wien meent gij?Balthazar.Gij hebt hem lief. Wien meent gij?Romeo.Lorenzo.Sinds hoe lang is hij daar?Balthazar.Sinds hoe lang is hij daar?Ruim een half uur.Lorenzo.Ga met mij naar ’t gewelf.Balthazar.Ga met mij naar ’t gewelf.Ik durf niet, Heer,Mijn meester weet niet anders, of ik ging;En dreigde mij met meer dan éénen dood,Als ik vertoefde en naging wat hij deed.134Lorenzo.Blijf dan, ik ga alleen.—Vrees slaat me om ’t hart;Ik ducht, er is een ongeluk geschied.Balthazar.Ik droomde, toen ik hier was ingeslapen,Dat ginds mijn meester met een ander vocht,En dat hij de’ ander doodde.Lorenzo(het graf naderend).Romeo!O wee mij, wee mij, wat voor bloed bevlektDen steenen drempel van dit grafgewelf?Wat zijn ’t voor zwaarden, die bevlekt en heerloosWankleurig liggen op deez’ plaats van vreê?(Hij treedt het grafgewelf binnen.)Romeo! Doodsbleek! Wie meer?—Wat! Paris ook?En in zijn bloed?—Onzaal’ge, wreede stonde,Die zooveel, zooveel jammer hebt gebaard!—De jonkvrouw, zij ontwaakt!(Juliaontwaakt.)Julia.O trouwe trooster! O, waar is mijn gade?’k Herinner mij, waar ik ontwaken moest;Daar ben ik nu.—Waar is mijn Romeo?(Men hoort gedruisch.)Lorenzo.Ik hoor gedruisch.—Kom, jonkvrouw, uit deez’ groeveVan dood en pest, dit schrikk’lijk slaapvertrek;Een hoog’re macht, en die geen weerspraak duldt,Heeft onzen raad verijdeld. Kom, van hier!Uw gade ligt hier aan uw zijde dood,En Paris ook. Kom mede, ik zoek voor uEen veil’ge toevlucht in een klooster. SpilGeen tijd met vragen; hoor, daar komt de wacht!(Het gedruisch komt naderbij.)Kom, lieve Julia!—’k Durf niet langer toeven.Julia.Ga, spoed u dan; ik wijk hier niet van daan.(Lorenzoaf.)Mijn gade! Hoe! gij houdt een fleschje omklemd?—Verkortte gift dan ’t leven, u bestemd?—O, vrek, dronkt ge alles, liet gij mij geen drup.Om u te volgen?—’k wil uw lippen kussen;Misschien kleeft nog wat gif er aan, genoeg,Om als een laafnis mij den dood te brengen.(Zij kust hem.)Warm zijn uw lippen!Eerste Wachter(achter het tooneel).Knaap, wijs ons den weg!Julia.Gedruisch?—Dan niet gedraald! Ha, welkom, dolk!(Zij grijptRomeo’sdolk en doorsteekt zich.)Dit zij uw scheê; roest daar, en laat mij sterven.(Zij sterft.)(De Wacht komt op, met den Page vanParis.)Page.Dit is de plaats, dáár, waar de fakkel brandt.171Eerste Wachter.De grond is hier met bloed; doorzoekt het kerkhof;Gijlieden, gaat, vat ieder, dien gij vindt.(Eenige Wachters af.)O, schriktooneel! Hier ligt de graaf vermoord;—En Julia bloedend, warm, gestorven pas,Die voor twee dagen reeds begraven was.—Ga, zeg ’t den vorst;—ijl tot de Capulets,—Wek op de Montagues;—gij and’ren zoekt;—(Andere Wachters af.)Wij zien den grond, die dezen jammer draagt,Maar des rampzaal’gen jammers waren grondKan slechts nauwkeurig onderzoek ontdekken.(Eenige Wachters komen op metBalthazar.)Tweede Wachter.Wij vonden Romeo’s dienaar hier op ’t kerkhof.Eerste Wachter.Bewaakt hem goed, totdat de vorst verschijnt.(Andere Wachters komen op met broederLorenzo.)Derde Wachter.Deez’ monnik beeft en zucht en weent; wij namenDien koevoet en die spade van hem af,Toen hij aan deze zij van ’t kerkhof kwam.Eerste Wachter.Dat is verdacht; ook hij zij goed bewaard.Romeo en Julia, Vijfde Bedrijf, Derde Tooneel.Romeo en Julia, Vijfde Bedrijf, Derde Tooneel.(De Vorst en zijn Gevolg komt op.)Vorst.Wat onheil is zoo vroeg reeds op de been,En roept van onze morgenrust ons op?(Capulet,GravinCapuleten Anderen komen op.)Capulet.Wat kan het zijn, dat elk zoo roept en jammert?Gravin Capulet.Het volk roept op de straten: Romeo!Dan weder: Julia! en dan weer: Paris!En spoedt met luid geschreeuw zich naar ons graf.Vorst.Wat schrik is dit, die zoo ons oor verscheurt?Eerste Wachter.Mijn vorst, hier ligt graaf Paris, pas verslagen,En Romeo dood; en Julia, lang gestorven,Nog warm en pas gedood!—Vorst.Spoort na, vorscht uit, wie ’t schendig stuk bedreef!Eerste Wachter.Hier zijn een monnik, heer, en Romeo’s dienaar;Zij hadden spade en koevoet om ’t verblijfVan dooden te oop’nen.201Capulet.O God! Zie, vrouw, hoe onze dochter bloedt!Die dolk, ach! is verdwaald, want zie, zijn huisRust ledig op den rug van Montague,—Zijn dwaalscheede is de boezem mijner dochter.Gravin Capulet.Wee mij, dit doodsgezicht is als een klok,Die mij vermaant en oproept tot het graf.(Montagueen Anderen komen op.)Vorst.Kom, Montague! verreest gij vroeg, nog vroegerLigt hier uw zoon en erfgenaam geveld.Montague.Ach, edel vorst, mijn vrouw bezweek deez’ nachtVan kommer om de ballingschap mijns zoons.Welk meerder wee belaagt mijn ouden dag?Vorst.Kom, en aanschouw het hier!Montague.O, onbescheiden kind! betaamt het u,Voorbij uw vader naar een graf te dringen?Vorst.Weerhoudt uw bitt’re klachten nog, totdatWij licht in ’t duister brengen, en de bronaâr,Den waren oorsprong dezer rampen kennen;Dan wil ik veldheer van uw weeklacht zijn,Al voert die ook ten doode. Zwijgt intusschen,En zij de weedom slaaf nu van ’t geduld.—Stelt hèn thans voor ons, op wie argwaan rust.Lorenzo.Schoon ’t minst in staat tot boosheid, ben ik ’t meest—Wijl tijd en plaats zich tegen mij verbonden,—Verdacht van aandeel in deez’ gruwbren moord.Als klager en gedaagde sta ik hier;’k Beschuldig en ontschuldig hier mijzelf.Vorst.Zeg ons in ’t kort, al wat gij hiervan weet.Lorenzo.Kort zal ik zijn, want de adem, die mij rest,Reikt voor een lang verhalen niet meer toe.Hij, Romeo, die daar ligt, was Julia’s man;Zij, die daar ligt, was Romeo’s trouwe gade.Ik trouwde ze in ’t geheim; hun huw’lijksdagWas Tybalts doodsdag; diens ontijdig stervenVerwees den jongen man in ballingschap.Om hem, om Tybalt niet, was Julia’s smart.Om uit den greep van ’t wee haar los te maken,Hebt gij aan Paris haar verloofd en zoudtTot de’ echt haar dwingen;—nu komt zij tot mij,En eischt, met wilden blik, van mij een middelOm van dien tweeden echt haar te bevrijden,Of in mijn cel zou zij zichzelve dooden.Toen gaf ik haar,—mijn wetenschap vond baat,—Een slaapdrank, die naar eisch zijn werking deed,Want hij omgaf haar met den schijn des doods.Onmidd’lijk schreef ik ook aan Romeo,246Hierheen te komen in deez’ gruwbre nacht,Om haar te ontrukken aan ’t geborgde graf;Dan was de werking van den drank gedaan.’t Noodlottig toeval wilde, dat de broederJohannes, die mijn brief had, niet kon gaan;Hij bracht dien gist’ren mij terug. AlleenGing ik dus tegen ’t uur van haar ontwakenHaar halen uit het graf van haar geslacht,Van plan haar te verbergen in mijn cel,Tot ik aan Romeo tijding zenden kon;Maar toen ik kort voor haar ontwaken kwam,Vond ik den eed’len Paris hier geveld,En nevens haar den trouwen Romeo dood.Ze ontwaakt; ik bad haar dringend mij te volgenEn in Gods wil gelaten te berusten.Gedruisch dreef uit het grafgewelf mij heen,En zij wilde in haar wanhoop mij niet volgen,Maar sloeg, als blijkt, de hand toen aan zichzelf.Ziedaar al wat ik weet; van haren echtWeet ook de voedster. Valt nu van de rampIets van de schuld op mij, neem ’t kleine deel,Dat van mijn wankel leven mij nog rest,En offer ’t aan den strengsten eisch der wet.Vorst.Steeds hebben we u als heilig man gekend.—Waar is nu Romeo’s dienaar? Die treê voor!Balthazar.Ik bracht mijn heer ’t bericht van Julia’s dood;Hij ijlde spoorslags toen van MantuaNaar deze plaats en naar dit grafgewelf.Deez’ brief hier moest ik aan zijn vader brengen;Hij ging in ’t graf en dreigde met den dood,Als ik niet ging en hem daar achterliet.Vorst.Geef mij den brief; ik neem er kennis van.—Des graven page riep de wacht, waar is hij?—Jong mensch, wat deed uw heer op deze plaats?Page.Hij kwam om bloemen op haar graf te strooien,En gaf mij last terug te gaan; zoo deed ik;Toen kwam er een met licht, die ’t graf wilde oop’nen,En weldra viel mijn meester op hem aan,En ik liep, om de wacht te roepen, heen.Vorst.Dit schrijven staaft de woorden van den monnik,Hun huwlijk en de tijding van haar dood;Hij schrijft ook, van een hongrige’ apothekerKocht hij vergift, om hier in Julia’s grafAan hare zij te sterven en te rusten.—Waar zijn die haters? Ziet nu, CapuletEn Montague, wat geesel striemde uw haat!Door liefde doodt de hemel al uw vreugd!Ook ik, te zacht bij uwen twist, verloorEen tweetal magen;—allen zijn gestraft.Capulet.O, broeder Montague, reik mij uw hand;Dit zij mijn dochters weduwgift, want meerKan ik niet vord’ren.Montague.Kan ik niet vord’ren.Maar ik meer u geven;In zuiver goud doe ik haar beeld verrijzen;Zoolang Verona nog Verona heet,Koom’ nooit in waarde een beeld dit beeld nabij,Dat ik aan uw getrouwe Julia wij.Capulet.En nevens haar zij zoo uw zoon herdacht!Rampzalige offers, onzen haat gebracht!Vorst.Een sombren vrede brengt ons deze morgen;Van wee omfloerst de zon haar aangezicht;Dit onderzoek eischt nog mijn droeve zorgen,Opdat ik streng, en toch genadig, richt.Nooit trof het noodlot twee gelieven zoo,Als ’t Julia deed en haren Romeo.(Allen af.)

Eerste Tooneel.Mantua.Een straat.Romeokomt op.Romeo.Wanneer de slaap niet, vleiend, mij bedriegt,Verkondt mijn droom, dat heuglijk nieuws mij nadert.Licht zit mijn liefde in mijne borst ten troon;Een ongewone moed heft heel den dagMij boven de aard door streelende gedachten.Mijn gade, droomde ik, kwam en vond mij dood;—Wat vreemde droom, die dooden denken laat!—Mijn lippen kussend, blies zij me adem in,Zoodat ik weer herleefde en keizer was.Hoe heerlijk is ’t bezit der liefde zelf,Als liefdes schaduw reeds zoo vreugdrijk is!(Balthazarkomt op.)Nieuws van Verona! Balthazar, wat is er?Brengt gij geen brieven van den pater mee?Hoe is ’t mijn gade? En is mijn vader wel?Hoe is ’t mijn gâ, mijn Julia? vraag ik weêr;Want niets kan kwalijk zijn, is ’t haar slechts wèl.Balthazar.Dan is ’t haar wel, en niets kan kwalijk zijn;Haar lichaam slaapt in ’t graf der Capulets,En haar onsterflijk deel leeft ginds bij de eng’len.Ik zag haar bij haar vaad’ren neêrgelegd,En ijlde spoorslags om u dit te melden.Vergeef mij deze slechte tijding, heer,Ik deed slechts naar ’t bevel, dat gij mij gaaft.Romeo.Is ’t zoo, is ’t zoo?—Dan, sterren, tart ik u!—24Gij weet mijn huis; haal mij papier en inkt,En huur mij paarden, ’k wil deez’ nacht van hier.Balthazar.O heer, ik bid, bezweer u, wees toch kalm!Gij ziet zoo bleek er uit, zoo woest; die blikVerkondigt onheil.Romeo.Verkondigt onheil.Neen, stel u gerust;Verlaat me, en doe, wat ik u daar beval.Gij brengt geen brief mij van den pater mee?Balthazar.Neen, beste heer.Romeo.Neen, beste heer.Om ’t even; ga nu heenEn huur de paarden; spoedig kom ik na.(Balthazaraf.)O Julia, deze nacht rust ik bij u.Welk middel kies ik?—Euveldaad! hoe snelNeemt gij de ziel van radeloozen in!—’k Herinner mij: er woont hier in de buurtEen apotheker; onlangs zag ik hemIn haveloos gewaad; met somb’ren blikVerlas hij kruiden; de oogen stonden hol;40’t Gebrek had hem doorknaagd tot op ’t gebeent’;En in zijn schaam’len winkel hing een schildpad,Een krokodil en and’re huiden vanWanschapen visschen; op de schappen stondEen armlijk boeltje van wat leêge doozenGroene aarden potjes, blazen, schimm’lig zaad,Met eindjes bindtouw, koekjes, uitgedroogd,Wat ver uiteen, voor ’t maken van vertoon.Bij ’t zien dier armoê zeide ik tot mijzelf:„De dood staat op ’t verkoopen van vergiftIn Mantua, maar als één ’t noodig had,Hier vond hij de’ armen schelm, die ’t hem verkocht.”Dat was een voorgevoel van mijn behoefte,En deez’ behoeftige verschaft het mij.Hier is zijn huis, zoo ’k wel heb; maar ’t is feestdag,En daarom is des beed’laars winkel dicht.Hé, apotheker, hé!(Een Apotheker komt naar buiten.)Apotheker.Hé, apotheker, hé!Wie roept zoo luid?Romeo.Kom nader, man!—Ik zie wel, gij zijt arm,Neem, daar zijn veertig stuks dukaten; geef meEen slok vergift, een drank, die snel en krachtigDoor de aad’ren zich verspreid, zoodat de man,Die levensmoê is, drinkt en nederstort;En dat zijn borst van de’ adem zich ontlaadtMet zulk geweld, als ’t haastig kruit ontvlamtEn losbreekt uit moorddadig krijgsgeschut.Apotheker.Ik heb zulk moordend gif, doch MantuaStraft met den dood een elk, die het verkoopt.Romeo.Gij, gij, zoo naakt, zoo van ellend’ bezocht,Vreest gij den dood? De honger groeft uw wang;Gebrek en kommer smachten in uw oog;Verguizing hangt in lompen om uw rug;De wereld noch haar wetten zijn uw vriend;De wereld heeft geen wet, die u verrijkt;Wees dan niet arm, neem dit, en breek de wet.Apotheker.Alleen mijn armoê, niet mijn wil, stemt toe.Romeo.’k Betaal alleen uw armoê, niet uw wil.Apotheker.Giet dit in welke vloeistof gij maar wilt,En drink het op; al hadt gij ook de krachtVan twintig man, onmidd’lijk zijt ge een lijk.Romeo.Hier is uw goud, een erger zielsvergifEen boozer moorddrank in deez’ booze wereld,Dan ’t brouwsel, dat gij niet verkoopen moogt.Gij kocht vergift van mij, ik niet van u.Vaarwel, koopt eten, zet u eens in ’t vleesch!—Kom, laaf’nisdrank, geen gift! verzel mij nuNaar Julia’s graf, want daar behoef ik u.(Beiden af.)

Eerste Tooneel.Mantua.Een straat.Romeokomt op.Romeo.Wanneer de slaap niet, vleiend, mij bedriegt,Verkondt mijn droom, dat heuglijk nieuws mij nadert.Licht zit mijn liefde in mijne borst ten troon;Een ongewone moed heft heel den dagMij boven de aard door streelende gedachten.Mijn gade, droomde ik, kwam en vond mij dood;—Wat vreemde droom, die dooden denken laat!—Mijn lippen kussend, blies zij me adem in,Zoodat ik weer herleefde en keizer was.Hoe heerlijk is ’t bezit der liefde zelf,Als liefdes schaduw reeds zoo vreugdrijk is!(Balthazarkomt op.)Nieuws van Verona! Balthazar, wat is er?Brengt gij geen brieven van den pater mee?Hoe is ’t mijn gade? En is mijn vader wel?Hoe is ’t mijn gâ, mijn Julia? vraag ik weêr;Want niets kan kwalijk zijn, is ’t haar slechts wèl.Balthazar.Dan is ’t haar wel, en niets kan kwalijk zijn;Haar lichaam slaapt in ’t graf der Capulets,En haar onsterflijk deel leeft ginds bij de eng’len.Ik zag haar bij haar vaad’ren neêrgelegd,En ijlde spoorslags om u dit te melden.Vergeef mij deze slechte tijding, heer,Ik deed slechts naar ’t bevel, dat gij mij gaaft.Romeo.Is ’t zoo, is ’t zoo?—Dan, sterren, tart ik u!—24Gij weet mijn huis; haal mij papier en inkt,En huur mij paarden, ’k wil deez’ nacht van hier.Balthazar.O heer, ik bid, bezweer u, wees toch kalm!Gij ziet zoo bleek er uit, zoo woest; die blikVerkondigt onheil.Romeo.Verkondigt onheil.Neen, stel u gerust;Verlaat me, en doe, wat ik u daar beval.Gij brengt geen brief mij van den pater mee?Balthazar.Neen, beste heer.Romeo.Neen, beste heer.Om ’t even; ga nu heenEn huur de paarden; spoedig kom ik na.(Balthazaraf.)O Julia, deze nacht rust ik bij u.Welk middel kies ik?—Euveldaad! hoe snelNeemt gij de ziel van radeloozen in!—’k Herinner mij: er woont hier in de buurtEen apotheker; onlangs zag ik hemIn haveloos gewaad; met somb’ren blikVerlas hij kruiden; de oogen stonden hol;40’t Gebrek had hem doorknaagd tot op ’t gebeent’;En in zijn schaam’len winkel hing een schildpad,Een krokodil en and’re huiden vanWanschapen visschen; op de schappen stondEen armlijk boeltje van wat leêge doozenGroene aarden potjes, blazen, schimm’lig zaad,Met eindjes bindtouw, koekjes, uitgedroogd,Wat ver uiteen, voor ’t maken van vertoon.Bij ’t zien dier armoê zeide ik tot mijzelf:„De dood staat op ’t verkoopen van vergiftIn Mantua, maar als één ’t noodig had,Hier vond hij de’ armen schelm, die ’t hem verkocht.”Dat was een voorgevoel van mijn behoefte,En deez’ behoeftige verschaft het mij.Hier is zijn huis, zoo ’k wel heb; maar ’t is feestdag,En daarom is des beed’laars winkel dicht.Hé, apotheker, hé!(Een Apotheker komt naar buiten.)Apotheker.Hé, apotheker, hé!Wie roept zoo luid?Romeo.Kom nader, man!—Ik zie wel, gij zijt arm,Neem, daar zijn veertig stuks dukaten; geef meEen slok vergift, een drank, die snel en krachtigDoor de aad’ren zich verspreid, zoodat de man,Die levensmoê is, drinkt en nederstort;En dat zijn borst van de’ adem zich ontlaadtMet zulk geweld, als ’t haastig kruit ontvlamtEn losbreekt uit moorddadig krijgsgeschut.Apotheker.Ik heb zulk moordend gif, doch MantuaStraft met den dood een elk, die het verkoopt.Romeo.Gij, gij, zoo naakt, zoo van ellend’ bezocht,Vreest gij den dood? De honger groeft uw wang;Gebrek en kommer smachten in uw oog;Verguizing hangt in lompen om uw rug;De wereld noch haar wetten zijn uw vriend;De wereld heeft geen wet, die u verrijkt;Wees dan niet arm, neem dit, en breek de wet.Apotheker.Alleen mijn armoê, niet mijn wil, stemt toe.Romeo.’k Betaal alleen uw armoê, niet uw wil.Apotheker.Giet dit in welke vloeistof gij maar wilt,En drink het op; al hadt gij ook de krachtVan twintig man, onmidd’lijk zijt ge een lijk.Romeo.Hier is uw goud, een erger zielsvergifEen boozer moorddrank in deez’ booze wereld,Dan ’t brouwsel, dat gij niet verkoopen moogt.Gij kocht vergift van mij, ik niet van u.Vaarwel, koopt eten, zet u eens in ’t vleesch!—Kom, laaf’nisdrank, geen gift! verzel mij nuNaar Julia’s graf, want daar behoef ik u.(Beiden af.)

Mantua.Een straat.

Romeokomt op.

Romeo.Wanneer de slaap niet, vleiend, mij bedriegt,Verkondt mijn droom, dat heuglijk nieuws mij nadert.Licht zit mijn liefde in mijne borst ten troon;Een ongewone moed heft heel den dagMij boven de aard door streelende gedachten.Mijn gade, droomde ik, kwam en vond mij dood;—Wat vreemde droom, die dooden denken laat!—Mijn lippen kussend, blies zij me adem in,Zoodat ik weer herleefde en keizer was.Hoe heerlijk is ’t bezit der liefde zelf,Als liefdes schaduw reeds zoo vreugdrijk is!

Romeo.

Wanneer de slaap niet, vleiend, mij bedriegt,

Verkondt mijn droom, dat heuglijk nieuws mij nadert.

Licht zit mijn liefde in mijne borst ten troon;

Een ongewone moed heft heel den dag

Mij boven de aard door streelende gedachten.

Mijn gade, droomde ik, kwam en vond mij dood;—

Wat vreemde droom, die dooden denken laat!—

Mijn lippen kussend, blies zij me adem in,

Zoodat ik weer herleefde en keizer was.

Hoe heerlijk is ’t bezit der liefde zelf,

Als liefdes schaduw reeds zoo vreugdrijk is!

(Balthazarkomt op.)

Nieuws van Verona! Balthazar, wat is er?Brengt gij geen brieven van den pater mee?Hoe is ’t mijn gade? En is mijn vader wel?Hoe is ’t mijn gâ, mijn Julia? vraag ik weêr;Want niets kan kwalijk zijn, is ’t haar slechts wèl.

Nieuws van Verona! Balthazar, wat is er?

Brengt gij geen brieven van den pater mee?

Hoe is ’t mijn gade? En is mijn vader wel?

Hoe is ’t mijn gâ, mijn Julia? vraag ik weêr;

Want niets kan kwalijk zijn, is ’t haar slechts wèl.

Balthazar.Dan is ’t haar wel, en niets kan kwalijk zijn;Haar lichaam slaapt in ’t graf der Capulets,En haar onsterflijk deel leeft ginds bij de eng’len.Ik zag haar bij haar vaad’ren neêrgelegd,En ijlde spoorslags om u dit te melden.Vergeef mij deze slechte tijding, heer,Ik deed slechts naar ’t bevel, dat gij mij gaaft.

Balthazar.

Dan is ’t haar wel, en niets kan kwalijk zijn;

Haar lichaam slaapt in ’t graf der Capulets,

En haar onsterflijk deel leeft ginds bij de eng’len.

Ik zag haar bij haar vaad’ren neêrgelegd,

En ijlde spoorslags om u dit te melden.

Vergeef mij deze slechte tijding, heer,

Ik deed slechts naar ’t bevel, dat gij mij gaaft.

Romeo.Is ’t zoo, is ’t zoo?—Dan, sterren, tart ik u!—24Gij weet mijn huis; haal mij papier en inkt,En huur mij paarden, ’k wil deez’ nacht van hier.

Romeo.

Is ’t zoo, is ’t zoo?—Dan, sterren, tart ik u!—24

Gij weet mijn huis; haal mij papier en inkt,

En huur mij paarden, ’k wil deez’ nacht van hier.

Balthazar.O heer, ik bid, bezweer u, wees toch kalm!Gij ziet zoo bleek er uit, zoo woest; die blikVerkondigt onheil.

Balthazar.

O heer, ik bid, bezweer u, wees toch kalm!

Gij ziet zoo bleek er uit, zoo woest; die blik

Verkondigt onheil.

Romeo.Verkondigt onheil.Neen, stel u gerust;Verlaat me, en doe, wat ik u daar beval.Gij brengt geen brief mij van den pater mee?

Romeo.

Verkondigt onheil.Neen, stel u gerust;

Verlaat me, en doe, wat ik u daar beval.

Gij brengt geen brief mij van den pater mee?

Balthazar.Neen, beste heer.

Balthazar.

Neen, beste heer.

Romeo.Neen, beste heer.Om ’t even; ga nu heenEn huur de paarden; spoedig kom ik na.

Romeo.

Neen, beste heer.Om ’t even; ga nu heen

En huur de paarden; spoedig kom ik na.

(Balthazaraf.)

O Julia, deze nacht rust ik bij u.Welk middel kies ik?—Euveldaad! hoe snelNeemt gij de ziel van radeloozen in!—’k Herinner mij: er woont hier in de buurtEen apotheker; onlangs zag ik hemIn haveloos gewaad; met somb’ren blikVerlas hij kruiden; de oogen stonden hol;40’t Gebrek had hem doorknaagd tot op ’t gebeent’;En in zijn schaam’len winkel hing een schildpad,Een krokodil en and’re huiden vanWanschapen visschen; op de schappen stondEen armlijk boeltje van wat leêge doozenGroene aarden potjes, blazen, schimm’lig zaad,Met eindjes bindtouw, koekjes, uitgedroogd,Wat ver uiteen, voor ’t maken van vertoon.Bij ’t zien dier armoê zeide ik tot mijzelf:„De dood staat op ’t verkoopen van vergiftIn Mantua, maar als één ’t noodig had,Hier vond hij de’ armen schelm, die ’t hem verkocht.”Dat was een voorgevoel van mijn behoefte,En deez’ behoeftige verschaft het mij.Hier is zijn huis, zoo ’k wel heb; maar ’t is feestdag,En daarom is des beed’laars winkel dicht.Hé, apotheker, hé!

O Julia, deze nacht rust ik bij u.

Welk middel kies ik?—Euveldaad! hoe snel

Neemt gij de ziel van radeloozen in!—

’k Herinner mij: er woont hier in de buurt

Een apotheker; onlangs zag ik hem

In haveloos gewaad; met somb’ren blik

Verlas hij kruiden; de oogen stonden hol;40

’t Gebrek had hem doorknaagd tot op ’t gebeent’;

En in zijn schaam’len winkel hing een schildpad,

Een krokodil en and’re huiden van

Wanschapen visschen; op de schappen stond

Een armlijk boeltje van wat leêge doozen

Groene aarden potjes, blazen, schimm’lig zaad,

Met eindjes bindtouw, koekjes, uitgedroogd,

Wat ver uiteen, voor ’t maken van vertoon.

Bij ’t zien dier armoê zeide ik tot mijzelf:

„De dood staat op ’t verkoopen van vergift

In Mantua, maar als één ’t noodig had,

Hier vond hij de’ armen schelm, die ’t hem verkocht.”

Dat was een voorgevoel van mijn behoefte,

En deez’ behoeftige verschaft het mij.

Hier is zijn huis, zoo ’k wel heb; maar ’t is feestdag,

En daarom is des beed’laars winkel dicht.

Hé, apotheker, hé!

(Een Apotheker komt naar buiten.)

Apotheker.Hé, apotheker, hé!Wie roept zoo luid?

Apotheker.

Hé, apotheker, hé!Wie roept zoo luid?

Romeo.Kom nader, man!—Ik zie wel, gij zijt arm,Neem, daar zijn veertig stuks dukaten; geef meEen slok vergift, een drank, die snel en krachtigDoor de aad’ren zich verspreid, zoodat de man,Die levensmoê is, drinkt en nederstort;En dat zijn borst van de’ adem zich ontlaadtMet zulk geweld, als ’t haastig kruit ontvlamtEn losbreekt uit moorddadig krijgsgeschut.

Romeo.

Kom nader, man!—Ik zie wel, gij zijt arm,

Neem, daar zijn veertig stuks dukaten; geef me

Een slok vergift, een drank, die snel en krachtig

Door de aad’ren zich verspreid, zoodat de man,

Die levensmoê is, drinkt en nederstort;

En dat zijn borst van de’ adem zich ontlaadt

Met zulk geweld, als ’t haastig kruit ontvlamt

En losbreekt uit moorddadig krijgsgeschut.

Apotheker.Ik heb zulk moordend gif, doch MantuaStraft met den dood een elk, die het verkoopt.

Apotheker.

Ik heb zulk moordend gif, doch Mantua

Straft met den dood een elk, die het verkoopt.

Romeo.Gij, gij, zoo naakt, zoo van ellend’ bezocht,Vreest gij den dood? De honger groeft uw wang;Gebrek en kommer smachten in uw oog;Verguizing hangt in lompen om uw rug;De wereld noch haar wetten zijn uw vriend;De wereld heeft geen wet, die u verrijkt;Wees dan niet arm, neem dit, en breek de wet.

Romeo.

Gij, gij, zoo naakt, zoo van ellend’ bezocht,

Vreest gij den dood? De honger groeft uw wang;

Gebrek en kommer smachten in uw oog;

Verguizing hangt in lompen om uw rug;

De wereld noch haar wetten zijn uw vriend;

De wereld heeft geen wet, die u verrijkt;

Wees dan niet arm, neem dit, en breek de wet.

Apotheker.Alleen mijn armoê, niet mijn wil, stemt toe.

Apotheker.

Alleen mijn armoê, niet mijn wil, stemt toe.

Romeo.’k Betaal alleen uw armoê, niet uw wil.

Romeo.

’k Betaal alleen uw armoê, niet uw wil.

Apotheker.Giet dit in welke vloeistof gij maar wilt,En drink het op; al hadt gij ook de krachtVan twintig man, onmidd’lijk zijt ge een lijk.

Apotheker.

Giet dit in welke vloeistof gij maar wilt,

En drink het op; al hadt gij ook de kracht

Van twintig man, onmidd’lijk zijt ge een lijk.

Romeo.Hier is uw goud, een erger zielsvergifEen boozer moorddrank in deez’ booze wereld,Dan ’t brouwsel, dat gij niet verkoopen moogt.Gij kocht vergift van mij, ik niet van u.Vaarwel, koopt eten, zet u eens in ’t vleesch!—Kom, laaf’nisdrank, geen gift! verzel mij nuNaar Julia’s graf, want daar behoef ik u.

Romeo.

Hier is uw goud, een erger zielsvergif

Een boozer moorddrank in deez’ booze wereld,

Dan ’t brouwsel, dat gij niet verkoopen moogt.

Gij kocht vergift van mij, ik niet van u.

Vaarwel, koopt eten, zet u eens in ’t vleesch!—

Kom, laaf’nisdrank, geen gift! verzel mij nu

Naar Julia’s graf, want daar behoef ik u.

(Beiden af.)

Tweede Tooneel.Verona.Lorenzo’scel..BroederJohanneskomt op.Johannes.Eerwaarde Franciscaner! broeder, hé!(Lorenzokomt op.)Lorenzo.De stem is ’t van Johannes, onzen broeder.—Welkom van Mantua! En welk berichtVan Romeo? Of schreef hij? Geef dan hier.Johannes.Ik zocht mij tot geleide een barvoetsbroeder.Een van onze orde, die hier in de stadZich aan ’t bezoek van kranken heeft gewijd.Ik vond hem, maar de wacht der stad verdachtZijn huis van door de pest besmet te zijn,Verzegelde de deur en sloot ons op;Onmooglijk werd mijn tocht naar Mantua.Lorenzo.Wie bracht mijn schrijven dan aan Romeo?Johannes.Ik kon ’t niet zenden;—hier is ’t weer terug.Ik vond geen bode zelfs om ’t u te brengen,Zoo angstig voor besmetting was een elk.Lorenzo.Onzalig noodlot! Bij mijn heilige orde,De brief was niet een beuz’ling, doch zwaarwichtig,Van ’t hoogst belang,—en ’t niet-bestellen brengtLicht groot gevaar. Broeder Johannes, ga,Haal mij een koevoet, breng mij dien terstond.Johannes.Ik breng ’t u daad’lijk, broeder.(BroederJohannesaf).Lorenzo.Alleen moet ik naar ’t graf nu. In drie uurOntwaakt de schoone Julia. O, zij zalBedroefd en boos zijn, dat ik RomeoGeen kennis gaf van wat er is gebeurd.Maar ’k schrijf nog eens naar Mantua; mijn celVerberg’ haar, tot de komst haars echtgenoots;Die arme, levend in ’t verblijf des doods!(Lorenzoaf.)

Tweede Tooneel.Verona.Lorenzo’scel..BroederJohanneskomt op.Johannes.Eerwaarde Franciscaner! broeder, hé!(Lorenzokomt op.)Lorenzo.De stem is ’t van Johannes, onzen broeder.—Welkom van Mantua! En welk berichtVan Romeo? Of schreef hij? Geef dan hier.Johannes.Ik zocht mij tot geleide een barvoetsbroeder.Een van onze orde, die hier in de stadZich aan ’t bezoek van kranken heeft gewijd.Ik vond hem, maar de wacht der stad verdachtZijn huis van door de pest besmet te zijn,Verzegelde de deur en sloot ons op;Onmooglijk werd mijn tocht naar Mantua.Lorenzo.Wie bracht mijn schrijven dan aan Romeo?Johannes.Ik kon ’t niet zenden;—hier is ’t weer terug.Ik vond geen bode zelfs om ’t u te brengen,Zoo angstig voor besmetting was een elk.Lorenzo.Onzalig noodlot! Bij mijn heilige orde,De brief was niet een beuz’ling, doch zwaarwichtig,Van ’t hoogst belang,—en ’t niet-bestellen brengtLicht groot gevaar. Broeder Johannes, ga,Haal mij een koevoet, breng mij dien terstond.Johannes.Ik breng ’t u daad’lijk, broeder.(BroederJohannesaf).Lorenzo.Alleen moet ik naar ’t graf nu. In drie uurOntwaakt de schoone Julia. O, zij zalBedroefd en boos zijn, dat ik RomeoGeen kennis gaf van wat er is gebeurd.Maar ’k schrijf nog eens naar Mantua; mijn celVerberg’ haar, tot de komst haars echtgenoots;Die arme, levend in ’t verblijf des doods!(Lorenzoaf.)

Verona.Lorenzo’scel..

BroederJohanneskomt op.

Johannes.Eerwaarde Franciscaner! broeder, hé!

Johannes.

Eerwaarde Franciscaner! broeder, hé!

(Lorenzokomt op.)

Lorenzo.De stem is ’t van Johannes, onzen broeder.—Welkom van Mantua! En welk berichtVan Romeo? Of schreef hij? Geef dan hier.

Lorenzo.

De stem is ’t van Johannes, onzen broeder.—

Welkom van Mantua! En welk bericht

Van Romeo? Of schreef hij? Geef dan hier.

Johannes.Ik zocht mij tot geleide een barvoetsbroeder.Een van onze orde, die hier in de stadZich aan ’t bezoek van kranken heeft gewijd.Ik vond hem, maar de wacht der stad verdachtZijn huis van door de pest besmet te zijn,Verzegelde de deur en sloot ons op;Onmooglijk werd mijn tocht naar Mantua.

Johannes.

Ik zocht mij tot geleide een barvoetsbroeder.

Een van onze orde, die hier in de stad

Zich aan ’t bezoek van kranken heeft gewijd.

Ik vond hem, maar de wacht der stad verdacht

Zijn huis van door de pest besmet te zijn,

Verzegelde de deur en sloot ons op;

Onmooglijk werd mijn tocht naar Mantua.

Lorenzo.Wie bracht mijn schrijven dan aan Romeo?

Lorenzo.

Wie bracht mijn schrijven dan aan Romeo?

Johannes.Ik kon ’t niet zenden;—hier is ’t weer terug.Ik vond geen bode zelfs om ’t u te brengen,Zoo angstig voor besmetting was een elk.

Johannes.

Ik kon ’t niet zenden;—hier is ’t weer terug.

Ik vond geen bode zelfs om ’t u te brengen,

Zoo angstig voor besmetting was een elk.

Lorenzo.Onzalig noodlot! Bij mijn heilige orde,De brief was niet een beuz’ling, doch zwaarwichtig,Van ’t hoogst belang,—en ’t niet-bestellen brengtLicht groot gevaar. Broeder Johannes, ga,Haal mij een koevoet, breng mij dien terstond.

Lorenzo.

Onzalig noodlot! Bij mijn heilige orde,

De brief was niet een beuz’ling, doch zwaarwichtig,

Van ’t hoogst belang,—en ’t niet-bestellen brengt

Licht groot gevaar. Broeder Johannes, ga,

Haal mij een koevoet, breng mij dien terstond.

Johannes.Ik breng ’t u daad’lijk, broeder.

Johannes.

Ik breng ’t u daad’lijk, broeder.

(BroederJohannesaf).

Lorenzo.Alleen moet ik naar ’t graf nu. In drie uurOntwaakt de schoone Julia. O, zij zalBedroefd en boos zijn, dat ik RomeoGeen kennis gaf van wat er is gebeurd.Maar ’k schrijf nog eens naar Mantua; mijn celVerberg’ haar, tot de komst haars echtgenoots;Die arme, levend in ’t verblijf des doods!

Lorenzo.

Alleen moet ik naar ’t graf nu. In drie uur

Ontwaakt de schoone Julia. O, zij zal

Bedroefd en boos zijn, dat ik Romeo

Geen kennis gaf van wat er is gebeurd.

Maar ’k schrijf nog eens naar Mantua; mijn cel

Verberg’ haar, tot de komst haars echtgenoots;

Die arme, levend in ’t verblijf des doods!

(Lorenzoaf.)

Derde Tooneel.Verona.Een kerkhof; daarop het familiegraf derCapulets.Parisen zijn Page, met bloemen en een fakkel, komen op.Paris.Geef mij de fakkel, knaap; sta verder weg;—Neen, doe haar uit; men moet mij hier niet zien.Ga, vlij u onder gindsche taxisboomen,En houd uw oor vlak op den hollen grond;Zoo kan geen voet het kerkhof hier betreên,Dat overal van ’t graven is doorwoeld,Of gij verneemt het. Komt er iets, zoo fluitAls teeken, dat gij iemand naad’ren hoort.Geef mij die bloemen; ga, doe wat ik zeg.Page(ter zijde).Ik ben beangst, zoo op het kerkhof hierAlleen te blijven, maar ik wil het wagen.(Hij verwijdert zich.)Paris.’k Strooi rozen op uw bruidsbed, rozeknop;—Helaas, ’t is overwelfd met stof en steen!—En sprenkel ’s nachts er geur’ge waat’ren op,Of, mis ik die, de tranen, die ik ween;15Zoo zij met frisch gebloemte nacht op nacht,Mijn hulde en rouw u weenend toegebracht!(De Page fluit.)Daar geeft de knaap het sein, dat iemand komt.Wat vloekb’re voet treedt ’s nachts hier in en stoortDer liefde lijkdienst in dit heilig oord?Wat, met een toorts? Omhul mij, nacht, een poos.(Hij gaat ter zijde.)(RomeoenBalthazarkomen op, met een toorts, een koevoet enz.)Romeo.Geef mij den koevoet hier, en het houweel.Hier, neem deez’ brief; bezorg hem morgen vroeg,Gijzelf, in handen van mijn heer en vader.Geef mij de toorts, en, op verbeurt’ van ’t lijf,Wat gij ook hoort of ziet, blijf verre staan,En zorg mij niet te storen in mijn doen.Ik daal in deze woning van den dood,Deels om nog eens haar lief gelaat te zien,Maar toch vooral, om van haar dooden vingerEen kostb’ren ring te nemen, ja, een ring,Die tot gewichtig werk mij dienen moet.Daarom, ga heen;—maar drijft uw argwaan uTerug te keeren en te zien, wat ikMij verder voorgenomen heb te doen,Bij God! in stukken rijt ik u en zaaiHier op dit vratig kerkhof uwe leden.De tijd en mijn gemoed zijn razend wild,Veel grimmiger, veel feller, min vermurwbaar,Dan holle tijgers, of de woeste zee.Balthazar.’k Wil gaan, heer, en ik zorg u niet te storen.Romeo.Dan handelt ge als een vriend.— Hier, neem gij dit;Vaarwel, en leef gelukkig, goede vriend!Balthazar(ter zijde).’k Verschuil mij hier, wat hij mij ook verbied’;Ik ducht dien blik; zijn doel vertrouw ik niet.(Hij gaat terug.)Romeo.Verfoeib’re muil, gij ingewand des doods,Die ’t kostelijkst gerecht der aard verslondt,Zoo breek ik uw verdervingskaken open,47(Hij breekt de deur van het grafgewelf open.)En dwing, uws ondanks, u meer voedsel op!Paris.Wat, die verbannen, trotsche Montague,Die Julia’s neef vermoordde, aan welke smart,Naar men vermoedt, dit lieflijk wezen stierf,Nu komt hij op deez’ heil’ge plaats en wilHier lijkeschennis plegen; ’k wil hem vatten.(Hij treedt opRomeotoe.)Staak, lage Montague, uw snood bestaan!Gaat dan de wraak nog verder dan het graf?Verbannen schurk! Gevangen neem ik u;Gehoorzaam en ga mee, want sterven moet gij!Romeo.Dat moet ik, ja; en daartoe kwam ik hier.—Tart, edel jong’ling, niet een raad’loos man,Vlied en verlaat mij; denk aan deze dooden;Hun noodlot schrikke u af.—’k Bezweer u, jonkman,Hoop op mijn hoofd geen nieuwe zonde, en wekMijn razernij niet op; ga, jongeling, ga!Bij God, ’k zorg meer voor u dan voor mijzelf,Want ik belaag gewapend hier mijzelf;Draal niet, maar ga; blijf leven, en zeg danIk week op de’ aandrang van een razend man.Paris.’t Is al om niet; ik lach met uw bezwering,En vat u als een snood weerspanneling.Romeo.Gij wilt mij tarten, knaap? verweer u dan.(Zij vechten.)Page.O God, zij vechten daar; ik haal de wacht.(De Page af.)Paris.O, ’k ben getroffen, dood’lijk!(Hij valt.)Hebt ge erbarmen,Zoo open ’t graf, leg mij naast Julia.(Hij sterft.)Romeo.Dat wil ik doen.—Dat ik ’t gelaat eens zie;’t Is Paris, de eed’le graaf, Mercutio’s neef!Wat zeide toch mijn dienaar, bij den rit,Waar mijn geschokte ziel geen acht op sloeg?Hij zeide, Paris zou met Julia huwen.Ik meen, dat hij dit zeide; of droomde ik dit?Of is ’t mijn waanzin, die zoo denkt, wijl hijDaar zelf van Julia sprak! O! geef me uw hand,Gij, met me in ’t boek des onspoeds opgeschreven!’k Begraaf u in een zegepralend graf;Een graf? Een lichtgewelf, verslagen jongling;Want hier rust Julia; haar schoonheid maaktDeez’ krocht tot feestlijk hel verlichte zaal.Rust, doode, hier, begraven door een doode.(Hij legtParisin het grafgewelf.)Hoe vaak speelt niet een glimlach om den mondVan stervenden! Hun wakers noemen datEen flikk’ring vóór den dood; o, zoo mag ikDit flikk’ring heeten! Mijn geliefde vrouw!De dood zoog ’t honigzoet uws adems in,Maar heeft op uwe schoonheid niets vermocht.Nog zijt gij niet verwonnen; schoonheids vaanDekt purperrood uw lippen nog en wang,95Daar werd geen vale doodsvlag nog ontrold!—Ligt gij daar, Tybalt, in uw bloedig kleed?Hoe bied ik beter zoen u aan, dan datDe hand, die ùw jeugd afsneed, ook de jeugdVan hèm doorkliev’, die eens uw vijand was?Vergeef mij, neef!—Ach, dierb’re Julia,Waaròm zijt gij nu nog zoo schoon? Moet ikGelooven, dat de lichaamlooze doodVerliefd is, en het dor, verafschuwd monsterU hier in ’t duister houdt als zijn boelin?Ik vrees ’t, en daarom blijf ik bij u wijlen,Om nooit uit dit paleis der donkre nachtWeêr heen te gaan; hier wil ik blijven, hier,Bij wormen, uwe kameniers; ja, hierSpreid ik mij ’t bed der eeuw’ge rust en schudIk ’t juk, door booze sterren me opgelegd,Van ’t afgesloofde lijf.—Uw laatsten blik,Gij oogen! uwe laatste omhelzing, armen!En, ademspoorten, lippen, zeeg’le uw kusDen eeuwigen bond met de’ alverzwelger, Dood!—(Hij kust haar en haalt een fleschje te voorschijn.)Kom, wreede leidsman, kom, afschuwlijk gids!Zet, raad’loos stuurman, ’t afgesolde schipIn eens nu op de brijzelende klip!Dit, liefste, aan u! (Hij drinkt.)—Braaf man! ’t was waarheid dus;Uw drank is snel;—zoo sterf ik met een kus.(Hij sterft.)(Lorenzoverschijnt aan het andere einde van het kerkhof, met lantaren, koevoet en spade.)Lorenzo.Wees, Sint Franciscus, mij nabij! Hoe vaakStiet ik mijn oude voeten aan een graf!—Wie daar?Balthazar.Een vriend, en een die goed u kent.Lorenzo.God zegen’ u! En zeg mij, goede vriend,Wat is dat voor een toorts, die licht verspiltAan wormen en aan oogenlooze schedels?Zie ’k wel, dan brandt ze in ’t graf der Capulets.Balthazar.Zoo is het, heilig man; daar is mijn meester;Gij hebt hem lief.Lorenzo.Gij hebt hem lief.Wien meent gij?Balthazar.Gij hebt hem lief. Wien meent gij?Romeo.Lorenzo.Sinds hoe lang is hij daar?Balthazar.Sinds hoe lang is hij daar?Ruim een half uur.Lorenzo.Ga met mij naar ’t gewelf.Balthazar.Ga met mij naar ’t gewelf.Ik durf niet, Heer,Mijn meester weet niet anders, of ik ging;En dreigde mij met meer dan éénen dood,Als ik vertoefde en naging wat hij deed.134Lorenzo.Blijf dan, ik ga alleen.—Vrees slaat me om ’t hart;Ik ducht, er is een ongeluk geschied.Balthazar.Ik droomde, toen ik hier was ingeslapen,Dat ginds mijn meester met een ander vocht,En dat hij de’ ander doodde.Lorenzo(het graf naderend).Romeo!O wee mij, wee mij, wat voor bloed bevlektDen steenen drempel van dit grafgewelf?Wat zijn ’t voor zwaarden, die bevlekt en heerloosWankleurig liggen op deez’ plaats van vreê?(Hij treedt het grafgewelf binnen.)Romeo! Doodsbleek! Wie meer?—Wat! Paris ook?En in zijn bloed?—Onzaal’ge, wreede stonde,Die zooveel, zooveel jammer hebt gebaard!—De jonkvrouw, zij ontwaakt!(Juliaontwaakt.)Julia.O trouwe trooster! O, waar is mijn gade?’k Herinner mij, waar ik ontwaken moest;Daar ben ik nu.—Waar is mijn Romeo?(Men hoort gedruisch.)Lorenzo.Ik hoor gedruisch.—Kom, jonkvrouw, uit deez’ groeveVan dood en pest, dit schrikk’lijk slaapvertrek;Een hoog’re macht, en die geen weerspraak duldt,Heeft onzen raad verijdeld. Kom, van hier!Uw gade ligt hier aan uw zijde dood,En Paris ook. Kom mede, ik zoek voor uEen veil’ge toevlucht in een klooster. SpilGeen tijd met vragen; hoor, daar komt de wacht!(Het gedruisch komt naderbij.)Kom, lieve Julia!—’k Durf niet langer toeven.Julia.Ga, spoed u dan; ik wijk hier niet van daan.(Lorenzoaf.)Mijn gade! Hoe! gij houdt een fleschje omklemd?—Verkortte gift dan ’t leven, u bestemd?—O, vrek, dronkt ge alles, liet gij mij geen drup.Om u te volgen?—’k wil uw lippen kussen;Misschien kleeft nog wat gif er aan, genoeg,Om als een laafnis mij den dood te brengen.(Zij kust hem.)Warm zijn uw lippen!Eerste Wachter(achter het tooneel).Knaap, wijs ons den weg!Julia.Gedruisch?—Dan niet gedraald! Ha, welkom, dolk!(Zij grijptRomeo’sdolk en doorsteekt zich.)Dit zij uw scheê; roest daar, en laat mij sterven.(Zij sterft.)(De Wacht komt op, met den Page vanParis.)Page.Dit is de plaats, dáár, waar de fakkel brandt.171Eerste Wachter.De grond is hier met bloed; doorzoekt het kerkhof;Gijlieden, gaat, vat ieder, dien gij vindt.(Eenige Wachters af.)O, schriktooneel! Hier ligt de graaf vermoord;—En Julia bloedend, warm, gestorven pas,Die voor twee dagen reeds begraven was.—Ga, zeg ’t den vorst;—ijl tot de Capulets,—Wek op de Montagues;—gij and’ren zoekt;—(Andere Wachters af.)Wij zien den grond, die dezen jammer draagt,Maar des rampzaal’gen jammers waren grondKan slechts nauwkeurig onderzoek ontdekken.(Eenige Wachters komen op metBalthazar.)Tweede Wachter.Wij vonden Romeo’s dienaar hier op ’t kerkhof.Eerste Wachter.Bewaakt hem goed, totdat de vorst verschijnt.(Andere Wachters komen op met broederLorenzo.)Derde Wachter.Deez’ monnik beeft en zucht en weent; wij namenDien koevoet en die spade van hem af,Toen hij aan deze zij van ’t kerkhof kwam.Eerste Wachter.Dat is verdacht; ook hij zij goed bewaard.Romeo en Julia, Vijfde Bedrijf, Derde Tooneel.Romeo en Julia, Vijfde Bedrijf, Derde Tooneel.(De Vorst en zijn Gevolg komt op.)Vorst.Wat onheil is zoo vroeg reeds op de been,En roept van onze morgenrust ons op?(Capulet,GravinCapuleten Anderen komen op.)Capulet.Wat kan het zijn, dat elk zoo roept en jammert?Gravin Capulet.Het volk roept op de straten: Romeo!Dan weder: Julia! en dan weer: Paris!En spoedt met luid geschreeuw zich naar ons graf.Vorst.Wat schrik is dit, die zoo ons oor verscheurt?Eerste Wachter.Mijn vorst, hier ligt graaf Paris, pas verslagen,En Romeo dood; en Julia, lang gestorven,Nog warm en pas gedood!—Vorst.Spoort na, vorscht uit, wie ’t schendig stuk bedreef!Eerste Wachter.Hier zijn een monnik, heer, en Romeo’s dienaar;Zij hadden spade en koevoet om ’t verblijfVan dooden te oop’nen.201Capulet.O God! Zie, vrouw, hoe onze dochter bloedt!Die dolk, ach! is verdwaald, want zie, zijn huisRust ledig op den rug van Montague,—Zijn dwaalscheede is de boezem mijner dochter.Gravin Capulet.Wee mij, dit doodsgezicht is als een klok,Die mij vermaant en oproept tot het graf.(Montagueen Anderen komen op.)Vorst.Kom, Montague! verreest gij vroeg, nog vroegerLigt hier uw zoon en erfgenaam geveld.Montague.Ach, edel vorst, mijn vrouw bezweek deez’ nachtVan kommer om de ballingschap mijns zoons.Welk meerder wee belaagt mijn ouden dag?Vorst.Kom, en aanschouw het hier!Montague.O, onbescheiden kind! betaamt het u,Voorbij uw vader naar een graf te dringen?Vorst.Weerhoudt uw bitt’re klachten nog, totdatWij licht in ’t duister brengen, en de bronaâr,Den waren oorsprong dezer rampen kennen;Dan wil ik veldheer van uw weeklacht zijn,Al voert die ook ten doode. Zwijgt intusschen,En zij de weedom slaaf nu van ’t geduld.—Stelt hèn thans voor ons, op wie argwaan rust.Lorenzo.Schoon ’t minst in staat tot boosheid, ben ik ’t meest—Wijl tijd en plaats zich tegen mij verbonden,—Verdacht van aandeel in deez’ gruwbren moord.Als klager en gedaagde sta ik hier;’k Beschuldig en ontschuldig hier mijzelf.Vorst.Zeg ons in ’t kort, al wat gij hiervan weet.Lorenzo.Kort zal ik zijn, want de adem, die mij rest,Reikt voor een lang verhalen niet meer toe.Hij, Romeo, die daar ligt, was Julia’s man;Zij, die daar ligt, was Romeo’s trouwe gade.Ik trouwde ze in ’t geheim; hun huw’lijksdagWas Tybalts doodsdag; diens ontijdig stervenVerwees den jongen man in ballingschap.Om hem, om Tybalt niet, was Julia’s smart.Om uit den greep van ’t wee haar los te maken,Hebt gij aan Paris haar verloofd en zoudtTot de’ echt haar dwingen;—nu komt zij tot mij,En eischt, met wilden blik, van mij een middelOm van dien tweeden echt haar te bevrijden,Of in mijn cel zou zij zichzelve dooden.Toen gaf ik haar,—mijn wetenschap vond baat,—Een slaapdrank, die naar eisch zijn werking deed,Want hij omgaf haar met den schijn des doods.Onmidd’lijk schreef ik ook aan Romeo,246Hierheen te komen in deez’ gruwbre nacht,Om haar te ontrukken aan ’t geborgde graf;Dan was de werking van den drank gedaan.’t Noodlottig toeval wilde, dat de broederJohannes, die mijn brief had, niet kon gaan;Hij bracht dien gist’ren mij terug. AlleenGing ik dus tegen ’t uur van haar ontwakenHaar halen uit het graf van haar geslacht,Van plan haar te verbergen in mijn cel,Tot ik aan Romeo tijding zenden kon;Maar toen ik kort voor haar ontwaken kwam,Vond ik den eed’len Paris hier geveld,En nevens haar den trouwen Romeo dood.Ze ontwaakt; ik bad haar dringend mij te volgenEn in Gods wil gelaten te berusten.Gedruisch dreef uit het grafgewelf mij heen,En zij wilde in haar wanhoop mij niet volgen,Maar sloeg, als blijkt, de hand toen aan zichzelf.Ziedaar al wat ik weet; van haren echtWeet ook de voedster. Valt nu van de rampIets van de schuld op mij, neem ’t kleine deel,Dat van mijn wankel leven mij nog rest,En offer ’t aan den strengsten eisch der wet.Vorst.Steeds hebben we u als heilig man gekend.—Waar is nu Romeo’s dienaar? Die treê voor!Balthazar.Ik bracht mijn heer ’t bericht van Julia’s dood;Hij ijlde spoorslags toen van MantuaNaar deze plaats en naar dit grafgewelf.Deez’ brief hier moest ik aan zijn vader brengen;Hij ging in ’t graf en dreigde met den dood,Als ik niet ging en hem daar achterliet.Vorst.Geef mij den brief; ik neem er kennis van.—Des graven page riep de wacht, waar is hij?—Jong mensch, wat deed uw heer op deze plaats?Page.Hij kwam om bloemen op haar graf te strooien,En gaf mij last terug te gaan; zoo deed ik;Toen kwam er een met licht, die ’t graf wilde oop’nen,En weldra viel mijn meester op hem aan,En ik liep, om de wacht te roepen, heen.Vorst.Dit schrijven staaft de woorden van den monnik,Hun huwlijk en de tijding van haar dood;Hij schrijft ook, van een hongrige’ apothekerKocht hij vergift, om hier in Julia’s grafAan hare zij te sterven en te rusten.—Waar zijn die haters? Ziet nu, CapuletEn Montague, wat geesel striemde uw haat!Door liefde doodt de hemel al uw vreugd!Ook ik, te zacht bij uwen twist, verloorEen tweetal magen;—allen zijn gestraft.Capulet.O, broeder Montague, reik mij uw hand;Dit zij mijn dochters weduwgift, want meerKan ik niet vord’ren.Montague.Kan ik niet vord’ren.Maar ik meer u geven;In zuiver goud doe ik haar beeld verrijzen;Zoolang Verona nog Verona heet,Koom’ nooit in waarde een beeld dit beeld nabij,Dat ik aan uw getrouwe Julia wij.Capulet.En nevens haar zij zoo uw zoon herdacht!Rampzalige offers, onzen haat gebracht!Vorst.Een sombren vrede brengt ons deze morgen;Van wee omfloerst de zon haar aangezicht;Dit onderzoek eischt nog mijn droeve zorgen,Opdat ik streng, en toch genadig, richt.Nooit trof het noodlot twee gelieven zoo,Als ’t Julia deed en haren Romeo.(Allen af.)

Derde Tooneel.Verona.Een kerkhof; daarop het familiegraf derCapulets.Parisen zijn Page, met bloemen en een fakkel, komen op.Paris.Geef mij de fakkel, knaap; sta verder weg;—Neen, doe haar uit; men moet mij hier niet zien.Ga, vlij u onder gindsche taxisboomen,En houd uw oor vlak op den hollen grond;Zoo kan geen voet het kerkhof hier betreên,Dat overal van ’t graven is doorwoeld,Of gij verneemt het. Komt er iets, zoo fluitAls teeken, dat gij iemand naad’ren hoort.Geef mij die bloemen; ga, doe wat ik zeg.Page(ter zijde).Ik ben beangst, zoo op het kerkhof hierAlleen te blijven, maar ik wil het wagen.(Hij verwijdert zich.)Paris.’k Strooi rozen op uw bruidsbed, rozeknop;—Helaas, ’t is overwelfd met stof en steen!—En sprenkel ’s nachts er geur’ge waat’ren op,Of, mis ik die, de tranen, die ik ween;15Zoo zij met frisch gebloemte nacht op nacht,Mijn hulde en rouw u weenend toegebracht!(De Page fluit.)Daar geeft de knaap het sein, dat iemand komt.Wat vloekb’re voet treedt ’s nachts hier in en stoortDer liefde lijkdienst in dit heilig oord?Wat, met een toorts? Omhul mij, nacht, een poos.(Hij gaat ter zijde.)(RomeoenBalthazarkomen op, met een toorts, een koevoet enz.)Romeo.Geef mij den koevoet hier, en het houweel.Hier, neem deez’ brief; bezorg hem morgen vroeg,Gijzelf, in handen van mijn heer en vader.Geef mij de toorts, en, op verbeurt’ van ’t lijf,Wat gij ook hoort of ziet, blijf verre staan,En zorg mij niet te storen in mijn doen.Ik daal in deze woning van den dood,Deels om nog eens haar lief gelaat te zien,Maar toch vooral, om van haar dooden vingerEen kostb’ren ring te nemen, ja, een ring,Die tot gewichtig werk mij dienen moet.Daarom, ga heen;—maar drijft uw argwaan uTerug te keeren en te zien, wat ikMij verder voorgenomen heb te doen,Bij God! in stukken rijt ik u en zaaiHier op dit vratig kerkhof uwe leden.De tijd en mijn gemoed zijn razend wild,Veel grimmiger, veel feller, min vermurwbaar,Dan holle tijgers, of de woeste zee.Balthazar.’k Wil gaan, heer, en ik zorg u niet te storen.Romeo.Dan handelt ge als een vriend.— Hier, neem gij dit;Vaarwel, en leef gelukkig, goede vriend!Balthazar(ter zijde).’k Verschuil mij hier, wat hij mij ook verbied’;Ik ducht dien blik; zijn doel vertrouw ik niet.(Hij gaat terug.)Romeo.Verfoeib’re muil, gij ingewand des doods,Die ’t kostelijkst gerecht der aard verslondt,Zoo breek ik uw verdervingskaken open,47(Hij breekt de deur van het grafgewelf open.)En dwing, uws ondanks, u meer voedsel op!Paris.Wat, die verbannen, trotsche Montague,Die Julia’s neef vermoordde, aan welke smart,Naar men vermoedt, dit lieflijk wezen stierf,Nu komt hij op deez’ heil’ge plaats en wilHier lijkeschennis plegen; ’k wil hem vatten.(Hij treedt opRomeotoe.)Staak, lage Montague, uw snood bestaan!Gaat dan de wraak nog verder dan het graf?Verbannen schurk! Gevangen neem ik u;Gehoorzaam en ga mee, want sterven moet gij!Romeo.Dat moet ik, ja; en daartoe kwam ik hier.—Tart, edel jong’ling, niet een raad’loos man,Vlied en verlaat mij; denk aan deze dooden;Hun noodlot schrikke u af.—’k Bezweer u, jonkman,Hoop op mijn hoofd geen nieuwe zonde, en wekMijn razernij niet op; ga, jongeling, ga!Bij God, ’k zorg meer voor u dan voor mijzelf,Want ik belaag gewapend hier mijzelf;Draal niet, maar ga; blijf leven, en zeg danIk week op de’ aandrang van een razend man.Paris.’t Is al om niet; ik lach met uw bezwering,En vat u als een snood weerspanneling.Romeo.Gij wilt mij tarten, knaap? verweer u dan.(Zij vechten.)Page.O God, zij vechten daar; ik haal de wacht.(De Page af.)Paris.O, ’k ben getroffen, dood’lijk!(Hij valt.)Hebt ge erbarmen,Zoo open ’t graf, leg mij naast Julia.(Hij sterft.)Romeo.Dat wil ik doen.—Dat ik ’t gelaat eens zie;’t Is Paris, de eed’le graaf, Mercutio’s neef!Wat zeide toch mijn dienaar, bij den rit,Waar mijn geschokte ziel geen acht op sloeg?Hij zeide, Paris zou met Julia huwen.Ik meen, dat hij dit zeide; of droomde ik dit?Of is ’t mijn waanzin, die zoo denkt, wijl hijDaar zelf van Julia sprak! O! geef me uw hand,Gij, met me in ’t boek des onspoeds opgeschreven!’k Begraaf u in een zegepralend graf;Een graf? Een lichtgewelf, verslagen jongling;Want hier rust Julia; haar schoonheid maaktDeez’ krocht tot feestlijk hel verlichte zaal.Rust, doode, hier, begraven door een doode.(Hij legtParisin het grafgewelf.)Hoe vaak speelt niet een glimlach om den mondVan stervenden! Hun wakers noemen datEen flikk’ring vóór den dood; o, zoo mag ikDit flikk’ring heeten! Mijn geliefde vrouw!De dood zoog ’t honigzoet uws adems in,Maar heeft op uwe schoonheid niets vermocht.Nog zijt gij niet verwonnen; schoonheids vaanDekt purperrood uw lippen nog en wang,95Daar werd geen vale doodsvlag nog ontrold!—Ligt gij daar, Tybalt, in uw bloedig kleed?Hoe bied ik beter zoen u aan, dan datDe hand, die ùw jeugd afsneed, ook de jeugdVan hèm doorkliev’, die eens uw vijand was?Vergeef mij, neef!—Ach, dierb’re Julia,Waaròm zijt gij nu nog zoo schoon? Moet ikGelooven, dat de lichaamlooze doodVerliefd is, en het dor, verafschuwd monsterU hier in ’t duister houdt als zijn boelin?Ik vrees ’t, en daarom blijf ik bij u wijlen,Om nooit uit dit paleis der donkre nachtWeêr heen te gaan; hier wil ik blijven, hier,Bij wormen, uwe kameniers; ja, hierSpreid ik mij ’t bed der eeuw’ge rust en schudIk ’t juk, door booze sterren me opgelegd,Van ’t afgesloofde lijf.—Uw laatsten blik,Gij oogen! uwe laatste omhelzing, armen!En, ademspoorten, lippen, zeeg’le uw kusDen eeuwigen bond met de’ alverzwelger, Dood!—(Hij kust haar en haalt een fleschje te voorschijn.)Kom, wreede leidsman, kom, afschuwlijk gids!Zet, raad’loos stuurman, ’t afgesolde schipIn eens nu op de brijzelende klip!Dit, liefste, aan u! (Hij drinkt.)—Braaf man! ’t was waarheid dus;Uw drank is snel;—zoo sterf ik met een kus.(Hij sterft.)(Lorenzoverschijnt aan het andere einde van het kerkhof, met lantaren, koevoet en spade.)Lorenzo.Wees, Sint Franciscus, mij nabij! Hoe vaakStiet ik mijn oude voeten aan een graf!—Wie daar?Balthazar.Een vriend, en een die goed u kent.Lorenzo.God zegen’ u! En zeg mij, goede vriend,Wat is dat voor een toorts, die licht verspiltAan wormen en aan oogenlooze schedels?Zie ’k wel, dan brandt ze in ’t graf der Capulets.Balthazar.Zoo is het, heilig man; daar is mijn meester;Gij hebt hem lief.Lorenzo.Gij hebt hem lief.Wien meent gij?Balthazar.Gij hebt hem lief. Wien meent gij?Romeo.Lorenzo.Sinds hoe lang is hij daar?Balthazar.Sinds hoe lang is hij daar?Ruim een half uur.Lorenzo.Ga met mij naar ’t gewelf.Balthazar.Ga met mij naar ’t gewelf.Ik durf niet, Heer,Mijn meester weet niet anders, of ik ging;En dreigde mij met meer dan éénen dood,Als ik vertoefde en naging wat hij deed.134Lorenzo.Blijf dan, ik ga alleen.—Vrees slaat me om ’t hart;Ik ducht, er is een ongeluk geschied.Balthazar.Ik droomde, toen ik hier was ingeslapen,Dat ginds mijn meester met een ander vocht,En dat hij de’ ander doodde.Lorenzo(het graf naderend).Romeo!O wee mij, wee mij, wat voor bloed bevlektDen steenen drempel van dit grafgewelf?Wat zijn ’t voor zwaarden, die bevlekt en heerloosWankleurig liggen op deez’ plaats van vreê?(Hij treedt het grafgewelf binnen.)Romeo! Doodsbleek! Wie meer?—Wat! Paris ook?En in zijn bloed?—Onzaal’ge, wreede stonde,Die zooveel, zooveel jammer hebt gebaard!—De jonkvrouw, zij ontwaakt!(Juliaontwaakt.)Julia.O trouwe trooster! O, waar is mijn gade?’k Herinner mij, waar ik ontwaken moest;Daar ben ik nu.—Waar is mijn Romeo?(Men hoort gedruisch.)Lorenzo.Ik hoor gedruisch.—Kom, jonkvrouw, uit deez’ groeveVan dood en pest, dit schrikk’lijk slaapvertrek;Een hoog’re macht, en die geen weerspraak duldt,Heeft onzen raad verijdeld. Kom, van hier!Uw gade ligt hier aan uw zijde dood,En Paris ook. Kom mede, ik zoek voor uEen veil’ge toevlucht in een klooster. SpilGeen tijd met vragen; hoor, daar komt de wacht!(Het gedruisch komt naderbij.)Kom, lieve Julia!—’k Durf niet langer toeven.Julia.Ga, spoed u dan; ik wijk hier niet van daan.(Lorenzoaf.)Mijn gade! Hoe! gij houdt een fleschje omklemd?—Verkortte gift dan ’t leven, u bestemd?—O, vrek, dronkt ge alles, liet gij mij geen drup.Om u te volgen?—’k wil uw lippen kussen;Misschien kleeft nog wat gif er aan, genoeg,Om als een laafnis mij den dood te brengen.(Zij kust hem.)Warm zijn uw lippen!Eerste Wachter(achter het tooneel).Knaap, wijs ons den weg!Julia.Gedruisch?—Dan niet gedraald! Ha, welkom, dolk!(Zij grijptRomeo’sdolk en doorsteekt zich.)Dit zij uw scheê; roest daar, en laat mij sterven.(Zij sterft.)(De Wacht komt op, met den Page vanParis.)Page.Dit is de plaats, dáár, waar de fakkel brandt.171Eerste Wachter.De grond is hier met bloed; doorzoekt het kerkhof;Gijlieden, gaat, vat ieder, dien gij vindt.(Eenige Wachters af.)O, schriktooneel! Hier ligt de graaf vermoord;—En Julia bloedend, warm, gestorven pas,Die voor twee dagen reeds begraven was.—Ga, zeg ’t den vorst;—ijl tot de Capulets,—Wek op de Montagues;—gij and’ren zoekt;—(Andere Wachters af.)Wij zien den grond, die dezen jammer draagt,Maar des rampzaal’gen jammers waren grondKan slechts nauwkeurig onderzoek ontdekken.(Eenige Wachters komen op metBalthazar.)Tweede Wachter.Wij vonden Romeo’s dienaar hier op ’t kerkhof.Eerste Wachter.Bewaakt hem goed, totdat de vorst verschijnt.(Andere Wachters komen op met broederLorenzo.)Derde Wachter.Deez’ monnik beeft en zucht en weent; wij namenDien koevoet en die spade van hem af,Toen hij aan deze zij van ’t kerkhof kwam.Eerste Wachter.Dat is verdacht; ook hij zij goed bewaard.

Verona.Een kerkhof; daarop het familiegraf derCapulets.

Parisen zijn Page, met bloemen en een fakkel, komen op.

Paris.Geef mij de fakkel, knaap; sta verder weg;—Neen, doe haar uit; men moet mij hier niet zien.Ga, vlij u onder gindsche taxisboomen,En houd uw oor vlak op den hollen grond;Zoo kan geen voet het kerkhof hier betreên,Dat overal van ’t graven is doorwoeld,Of gij verneemt het. Komt er iets, zoo fluitAls teeken, dat gij iemand naad’ren hoort.Geef mij die bloemen; ga, doe wat ik zeg.

Paris.

Geef mij de fakkel, knaap; sta verder weg;—

Neen, doe haar uit; men moet mij hier niet zien.

Ga, vlij u onder gindsche taxisboomen,

En houd uw oor vlak op den hollen grond;

Zoo kan geen voet het kerkhof hier betreên,

Dat overal van ’t graven is doorwoeld,

Of gij verneemt het. Komt er iets, zoo fluit

Als teeken, dat gij iemand naad’ren hoort.

Geef mij die bloemen; ga, doe wat ik zeg.

Page(ter zijde).Ik ben beangst, zoo op het kerkhof hierAlleen te blijven, maar ik wil het wagen.

Page

(ter zijde).Ik ben beangst, zoo op het kerkhof hier

Alleen te blijven, maar ik wil het wagen.

(Hij verwijdert zich.)

Paris.’k Strooi rozen op uw bruidsbed, rozeknop;—Helaas, ’t is overwelfd met stof en steen!—En sprenkel ’s nachts er geur’ge waat’ren op,Of, mis ik die, de tranen, die ik ween;15Zoo zij met frisch gebloemte nacht op nacht,Mijn hulde en rouw u weenend toegebracht!

Paris.

’k Strooi rozen op uw bruidsbed, rozeknop;—

Helaas, ’t is overwelfd met stof en steen!—

En sprenkel ’s nachts er geur’ge waat’ren op,

Of, mis ik die, de tranen, die ik ween;15

Zoo zij met frisch gebloemte nacht op nacht,

Mijn hulde en rouw u weenend toegebracht!

(De Page fluit.)

Daar geeft de knaap het sein, dat iemand komt.Wat vloekb’re voet treedt ’s nachts hier in en stoortDer liefde lijkdienst in dit heilig oord?Wat, met een toorts? Omhul mij, nacht, een poos.

Daar geeft de knaap het sein, dat iemand komt.

Wat vloekb’re voet treedt ’s nachts hier in en stoort

Der liefde lijkdienst in dit heilig oord?

Wat, met een toorts? Omhul mij, nacht, een poos.

(Hij gaat ter zijde.)

(RomeoenBalthazarkomen op, met een toorts, een koevoet enz.)

Romeo.Geef mij den koevoet hier, en het houweel.Hier, neem deez’ brief; bezorg hem morgen vroeg,Gijzelf, in handen van mijn heer en vader.Geef mij de toorts, en, op verbeurt’ van ’t lijf,Wat gij ook hoort of ziet, blijf verre staan,En zorg mij niet te storen in mijn doen.Ik daal in deze woning van den dood,Deels om nog eens haar lief gelaat te zien,Maar toch vooral, om van haar dooden vingerEen kostb’ren ring te nemen, ja, een ring,Die tot gewichtig werk mij dienen moet.Daarom, ga heen;—maar drijft uw argwaan uTerug te keeren en te zien, wat ikMij verder voorgenomen heb te doen,Bij God! in stukken rijt ik u en zaaiHier op dit vratig kerkhof uwe leden.De tijd en mijn gemoed zijn razend wild,Veel grimmiger, veel feller, min vermurwbaar,Dan holle tijgers, of de woeste zee.

Romeo.

Geef mij den koevoet hier, en het houweel.

Hier, neem deez’ brief; bezorg hem morgen vroeg,

Gijzelf, in handen van mijn heer en vader.

Geef mij de toorts, en, op verbeurt’ van ’t lijf,

Wat gij ook hoort of ziet, blijf verre staan,

En zorg mij niet te storen in mijn doen.

Ik daal in deze woning van den dood,

Deels om nog eens haar lief gelaat te zien,

Maar toch vooral, om van haar dooden vinger

Een kostb’ren ring te nemen, ja, een ring,

Die tot gewichtig werk mij dienen moet.

Daarom, ga heen;—maar drijft uw argwaan u

Terug te keeren en te zien, wat ik

Mij verder voorgenomen heb te doen,

Bij God! in stukken rijt ik u en zaai

Hier op dit vratig kerkhof uwe leden.

De tijd en mijn gemoed zijn razend wild,

Veel grimmiger, veel feller, min vermurwbaar,

Dan holle tijgers, of de woeste zee.

Balthazar.’k Wil gaan, heer, en ik zorg u niet te storen.

Balthazar.

’k Wil gaan, heer, en ik zorg u niet te storen.

Romeo.Dan handelt ge als een vriend.— Hier, neem gij dit;Vaarwel, en leef gelukkig, goede vriend!

Romeo.

Dan handelt ge als een vriend.— Hier, neem gij dit;

Vaarwel, en leef gelukkig, goede vriend!

Balthazar(ter zijde).’k Verschuil mij hier, wat hij mij ook verbied’;Ik ducht dien blik; zijn doel vertrouw ik niet.

Balthazar

(ter zijde).’k Verschuil mij hier, wat hij mij ook verbied’;

Ik ducht dien blik; zijn doel vertrouw ik niet.

(Hij gaat terug.)

Romeo.Verfoeib’re muil, gij ingewand des doods,Die ’t kostelijkst gerecht der aard verslondt,Zoo breek ik uw verdervingskaken open,47

Romeo.

Verfoeib’re muil, gij ingewand des doods,

Die ’t kostelijkst gerecht der aard verslondt,

Zoo breek ik uw verdervingskaken open,47

(Hij breekt de deur van het grafgewelf open.)

En dwing, uws ondanks, u meer voedsel op!

En dwing, uws ondanks, u meer voedsel op!

Paris.Wat, die verbannen, trotsche Montague,Die Julia’s neef vermoordde, aan welke smart,Naar men vermoedt, dit lieflijk wezen stierf,Nu komt hij op deez’ heil’ge plaats en wilHier lijkeschennis plegen; ’k wil hem vatten.

Paris.

Wat, die verbannen, trotsche Montague,

Die Julia’s neef vermoordde, aan welke smart,

Naar men vermoedt, dit lieflijk wezen stierf,

Nu komt hij op deez’ heil’ge plaats en wil

Hier lijkeschennis plegen; ’k wil hem vatten.

(Hij treedt opRomeotoe.)

Staak, lage Montague, uw snood bestaan!Gaat dan de wraak nog verder dan het graf?Verbannen schurk! Gevangen neem ik u;Gehoorzaam en ga mee, want sterven moet gij!

Staak, lage Montague, uw snood bestaan!

Gaat dan de wraak nog verder dan het graf?

Verbannen schurk! Gevangen neem ik u;

Gehoorzaam en ga mee, want sterven moet gij!

Romeo.Dat moet ik, ja; en daartoe kwam ik hier.—Tart, edel jong’ling, niet een raad’loos man,Vlied en verlaat mij; denk aan deze dooden;Hun noodlot schrikke u af.—’k Bezweer u, jonkman,Hoop op mijn hoofd geen nieuwe zonde, en wekMijn razernij niet op; ga, jongeling, ga!Bij God, ’k zorg meer voor u dan voor mijzelf,Want ik belaag gewapend hier mijzelf;Draal niet, maar ga; blijf leven, en zeg danIk week op de’ aandrang van een razend man.

Romeo.

Dat moet ik, ja; en daartoe kwam ik hier.—

Tart, edel jong’ling, niet een raad’loos man,

Vlied en verlaat mij; denk aan deze dooden;

Hun noodlot schrikke u af.—’k Bezweer u, jonkman,

Hoop op mijn hoofd geen nieuwe zonde, en wek

Mijn razernij niet op; ga, jongeling, ga!

Bij God, ’k zorg meer voor u dan voor mijzelf,

Want ik belaag gewapend hier mijzelf;

Draal niet, maar ga; blijf leven, en zeg dan

Ik week op de’ aandrang van een razend man.

Paris.’t Is al om niet; ik lach met uw bezwering,En vat u als een snood weerspanneling.

Paris.

’t Is al om niet; ik lach met uw bezwering,

En vat u als een snood weerspanneling.

Romeo.Gij wilt mij tarten, knaap? verweer u dan.

Romeo.

Gij wilt mij tarten, knaap? verweer u dan.

(Zij vechten.)

Page.O God, zij vechten daar; ik haal de wacht.

Page.

O God, zij vechten daar; ik haal de wacht.

(De Page af.)

Paris.O, ’k ben getroffen, dood’lijk!(Hij valt.)Hebt ge erbarmen,Zoo open ’t graf, leg mij naast Julia.

Paris.

O, ’k ben getroffen, dood’lijk!(Hij valt.)Hebt ge erbarmen,

Zoo open ’t graf, leg mij naast Julia.

(Hij sterft.)

Romeo.Dat wil ik doen.—Dat ik ’t gelaat eens zie;’t Is Paris, de eed’le graaf, Mercutio’s neef!Wat zeide toch mijn dienaar, bij den rit,Waar mijn geschokte ziel geen acht op sloeg?Hij zeide, Paris zou met Julia huwen.Ik meen, dat hij dit zeide; of droomde ik dit?Of is ’t mijn waanzin, die zoo denkt, wijl hijDaar zelf van Julia sprak! O! geef me uw hand,Gij, met me in ’t boek des onspoeds opgeschreven!’k Begraaf u in een zegepralend graf;Een graf? Een lichtgewelf, verslagen jongling;Want hier rust Julia; haar schoonheid maaktDeez’ krocht tot feestlijk hel verlichte zaal.Rust, doode, hier, begraven door een doode.

Romeo.

Dat wil ik doen.—Dat ik ’t gelaat eens zie;

’t Is Paris, de eed’le graaf, Mercutio’s neef!

Wat zeide toch mijn dienaar, bij den rit,

Waar mijn geschokte ziel geen acht op sloeg?

Hij zeide, Paris zou met Julia huwen.

Ik meen, dat hij dit zeide; of droomde ik dit?

Of is ’t mijn waanzin, die zoo denkt, wijl hij

Daar zelf van Julia sprak! O! geef me uw hand,

Gij, met me in ’t boek des onspoeds opgeschreven!

’k Begraaf u in een zegepralend graf;

Een graf? Een lichtgewelf, verslagen jongling;

Want hier rust Julia; haar schoonheid maakt

Deez’ krocht tot feestlijk hel verlichte zaal.

Rust, doode, hier, begraven door een doode.

(Hij legtParisin het grafgewelf.)

Hoe vaak speelt niet een glimlach om den mondVan stervenden! Hun wakers noemen datEen flikk’ring vóór den dood; o, zoo mag ikDit flikk’ring heeten! Mijn geliefde vrouw!De dood zoog ’t honigzoet uws adems in,Maar heeft op uwe schoonheid niets vermocht.Nog zijt gij niet verwonnen; schoonheids vaanDekt purperrood uw lippen nog en wang,95Daar werd geen vale doodsvlag nog ontrold!—Ligt gij daar, Tybalt, in uw bloedig kleed?Hoe bied ik beter zoen u aan, dan datDe hand, die ùw jeugd afsneed, ook de jeugdVan hèm doorkliev’, die eens uw vijand was?Vergeef mij, neef!—Ach, dierb’re Julia,Waaròm zijt gij nu nog zoo schoon? Moet ikGelooven, dat de lichaamlooze doodVerliefd is, en het dor, verafschuwd monsterU hier in ’t duister houdt als zijn boelin?Ik vrees ’t, en daarom blijf ik bij u wijlen,Om nooit uit dit paleis der donkre nachtWeêr heen te gaan; hier wil ik blijven, hier,Bij wormen, uwe kameniers; ja, hierSpreid ik mij ’t bed der eeuw’ge rust en schudIk ’t juk, door booze sterren me opgelegd,Van ’t afgesloofde lijf.—Uw laatsten blik,Gij oogen! uwe laatste omhelzing, armen!En, ademspoorten, lippen, zeeg’le uw kusDen eeuwigen bond met de’ alverzwelger, Dood!—

Hoe vaak speelt niet een glimlach om den mond

Van stervenden! Hun wakers noemen dat

Een flikk’ring vóór den dood; o, zoo mag ik

Dit flikk’ring heeten! Mijn geliefde vrouw!

De dood zoog ’t honigzoet uws adems in,

Maar heeft op uwe schoonheid niets vermocht.

Nog zijt gij niet verwonnen; schoonheids vaan

Dekt purperrood uw lippen nog en wang,95

Daar werd geen vale doodsvlag nog ontrold!—

Ligt gij daar, Tybalt, in uw bloedig kleed?

Hoe bied ik beter zoen u aan, dan dat

De hand, die ùw jeugd afsneed, ook de jeugd

Van hèm doorkliev’, die eens uw vijand was?

Vergeef mij, neef!—Ach, dierb’re Julia,

Waaròm zijt gij nu nog zoo schoon? Moet ik

Gelooven, dat de lichaamlooze dood

Verliefd is, en het dor, verafschuwd monster

U hier in ’t duister houdt als zijn boelin?

Ik vrees ’t, en daarom blijf ik bij u wijlen,

Om nooit uit dit paleis der donkre nacht

Weêr heen te gaan; hier wil ik blijven, hier,

Bij wormen, uwe kameniers; ja, hier

Spreid ik mij ’t bed der eeuw’ge rust en schud

Ik ’t juk, door booze sterren me opgelegd,

Van ’t afgesloofde lijf.—Uw laatsten blik,

Gij oogen! uwe laatste omhelzing, armen!

En, ademspoorten, lippen, zeeg’le uw kus

Den eeuwigen bond met de’ alverzwelger, Dood!—

(Hij kust haar en haalt een fleschje te voorschijn.)

Kom, wreede leidsman, kom, afschuwlijk gids!Zet, raad’loos stuurman, ’t afgesolde schipIn eens nu op de brijzelende klip!Dit, liefste, aan u! (Hij drinkt.)—Braaf man! ’t was waarheid dus;Uw drank is snel;—zoo sterf ik met een kus.

Kom, wreede leidsman, kom, afschuwlijk gids!

Zet, raad’loos stuurman, ’t afgesolde schip

In eens nu op de brijzelende klip!

Dit, liefste, aan u! (Hij drinkt.)—Braaf man! ’t was waarheid dus;

Uw drank is snel;—zoo sterf ik met een kus.

(Hij sterft.)

(Lorenzoverschijnt aan het andere einde van het kerkhof, met lantaren, koevoet en spade.)

Lorenzo.Wees, Sint Franciscus, mij nabij! Hoe vaakStiet ik mijn oude voeten aan een graf!—Wie daar?

Lorenzo.

Wees, Sint Franciscus, mij nabij! Hoe vaak

Stiet ik mijn oude voeten aan een graf!—

Wie daar?

Balthazar.Een vriend, en een die goed u kent.

Balthazar.

Een vriend, en een die goed u kent.

Lorenzo.God zegen’ u! En zeg mij, goede vriend,Wat is dat voor een toorts, die licht verspiltAan wormen en aan oogenlooze schedels?Zie ’k wel, dan brandt ze in ’t graf der Capulets.

Lorenzo.

God zegen’ u! En zeg mij, goede vriend,

Wat is dat voor een toorts, die licht verspilt

Aan wormen en aan oogenlooze schedels?

Zie ’k wel, dan brandt ze in ’t graf der Capulets.

Balthazar.Zoo is het, heilig man; daar is mijn meester;Gij hebt hem lief.

Balthazar.

Zoo is het, heilig man; daar is mijn meester;

Gij hebt hem lief.

Lorenzo.Gij hebt hem lief.Wien meent gij?

Lorenzo.

Gij hebt hem lief.Wien meent gij?

Balthazar.Gij hebt hem lief. Wien meent gij?Romeo.

Balthazar.

Gij hebt hem lief. Wien meent gij?Romeo.

Lorenzo.Sinds hoe lang is hij daar?

Lorenzo.

Sinds hoe lang is hij daar?

Balthazar.Sinds hoe lang is hij daar?Ruim een half uur.

Balthazar.

Sinds hoe lang is hij daar?Ruim een half uur.

Lorenzo.Ga met mij naar ’t gewelf.

Lorenzo.

Ga met mij naar ’t gewelf.

Balthazar.Ga met mij naar ’t gewelf.Ik durf niet, Heer,Mijn meester weet niet anders, of ik ging;En dreigde mij met meer dan éénen dood,Als ik vertoefde en naging wat hij deed.134

Balthazar.

Ga met mij naar ’t gewelf.Ik durf niet, Heer,

Mijn meester weet niet anders, of ik ging;

En dreigde mij met meer dan éénen dood,

Als ik vertoefde en naging wat hij deed.134

Lorenzo.Blijf dan, ik ga alleen.—Vrees slaat me om ’t hart;Ik ducht, er is een ongeluk geschied.

Lorenzo.

Blijf dan, ik ga alleen.—Vrees slaat me om ’t hart;

Ik ducht, er is een ongeluk geschied.

Balthazar.Ik droomde, toen ik hier was ingeslapen,Dat ginds mijn meester met een ander vocht,En dat hij de’ ander doodde.

Balthazar.

Ik droomde, toen ik hier was ingeslapen,

Dat ginds mijn meester met een ander vocht,

En dat hij de’ ander doodde.

Lorenzo(het graf naderend).Romeo!O wee mij, wee mij, wat voor bloed bevlektDen steenen drempel van dit grafgewelf?Wat zijn ’t voor zwaarden, die bevlekt en heerloosWankleurig liggen op deez’ plaats van vreê?

Lorenzo

(het graf naderend).Romeo!

O wee mij, wee mij, wat voor bloed bevlekt

Den steenen drempel van dit grafgewelf?

Wat zijn ’t voor zwaarden, die bevlekt en heerloos

Wankleurig liggen op deez’ plaats van vreê?

(Hij treedt het grafgewelf binnen.)

Romeo! Doodsbleek! Wie meer?—Wat! Paris ook?En in zijn bloed?—Onzaal’ge, wreede stonde,Die zooveel, zooveel jammer hebt gebaard!—De jonkvrouw, zij ontwaakt!

Romeo! Doodsbleek! Wie meer?—Wat! Paris ook?

En in zijn bloed?—Onzaal’ge, wreede stonde,

Die zooveel, zooveel jammer hebt gebaard!—

De jonkvrouw, zij ontwaakt!

(Juliaontwaakt.)

Julia.O trouwe trooster! O, waar is mijn gade?’k Herinner mij, waar ik ontwaken moest;Daar ben ik nu.—Waar is mijn Romeo?

Julia.

O trouwe trooster! O, waar is mijn gade?

’k Herinner mij, waar ik ontwaken moest;

Daar ben ik nu.—Waar is mijn Romeo?

(Men hoort gedruisch.)

Lorenzo.Ik hoor gedruisch.—Kom, jonkvrouw, uit deez’ groeveVan dood en pest, dit schrikk’lijk slaapvertrek;Een hoog’re macht, en die geen weerspraak duldt,Heeft onzen raad verijdeld. Kom, van hier!Uw gade ligt hier aan uw zijde dood,En Paris ook. Kom mede, ik zoek voor uEen veil’ge toevlucht in een klooster. SpilGeen tijd met vragen; hoor, daar komt de wacht!

Lorenzo.

Ik hoor gedruisch.—Kom, jonkvrouw, uit deez’ groeve

Van dood en pest, dit schrikk’lijk slaapvertrek;

Een hoog’re macht, en die geen weerspraak duldt,

Heeft onzen raad verijdeld. Kom, van hier!

Uw gade ligt hier aan uw zijde dood,

En Paris ook. Kom mede, ik zoek voor u

Een veil’ge toevlucht in een klooster. Spil

Geen tijd met vragen; hoor, daar komt de wacht!

(Het gedruisch komt naderbij.)

Kom, lieve Julia!—’k Durf niet langer toeven.

Kom, lieve Julia!—’k Durf niet langer toeven.

Julia.Ga, spoed u dan; ik wijk hier niet van daan.

Julia.

Ga, spoed u dan; ik wijk hier niet van daan.

(Lorenzoaf.)

Mijn gade! Hoe! gij houdt een fleschje omklemd?—Verkortte gift dan ’t leven, u bestemd?—O, vrek, dronkt ge alles, liet gij mij geen drup.Om u te volgen?—’k wil uw lippen kussen;Misschien kleeft nog wat gif er aan, genoeg,Om als een laafnis mij den dood te brengen.

Mijn gade! Hoe! gij houdt een fleschje omklemd?—

Verkortte gift dan ’t leven, u bestemd?—

O, vrek, dronkt ge alles, liet gij mij geen drup.

Om u te volgen?—’k wil uw lippen kussen;

Misschien kleeft nog wat gif er aan, genoeg,

Om als een laafnis mij den dood te brengen.

(Zij kust hem.)

Warm zijn uw lippen!

Warm zijn uw lippen!

Eerste Wachter(achter het tooneel).Knaap, wijs ons den weg!

Eerste Wachter

(achter het tooneel).Knaap, wijs ons den weg!

Julia.Gedruisch?—Dan niet gedraald! Ha, welkom, dolk!

Julia.

Gedruisch?—Dan niet gedraald! Ha, welkom, dolk!

(Zij grijptRomeo’sdolk en doorsteekt zich.)

Dit zij uw scheê; roest daar, en laat mij sterven.

Dit zij uw scheê; roest daar, en laat mij sterven.

(Zij sterft.)

(De Wacht komt op, met den Page vanParis.)

Page.Dit is de plaats, dáár, waar de fakkel brandt.171

Page.

Dit is de plaats, dáár, waar de fakkel brandt.171

Eerste Wachter.De grond is hier met bloed; doorzoekt het kerkhof;Gijlieden, gaat, vat ieder, dien gij vindt.

Eerste Wachter.

De grond is hier met bloed; doorzoekt het kerkhof;

Gijlieden, gaat, vat ieder, dien gij vindt.

(Eenige Wachters af.)

O, schriktooneel! Hier ligt de graaf vermoord;—En Julia bloedend, warm, gestorven pas,Die voor twee dagen reeds begraven was.—Ga, zeg ’t den vorst;—ijl tot de Capulets,—Wek op de Montagues;—gij and’ren zoekt;—

O, schriktooneel! Hier ligt de graaf vermoord;—

En Julia bloedend, warm, gestorven pas,

Die voor twee dagen reeds begraven was.—

Ga, zeg ’t den vorst;—ijl tot de Capulets,—

Wek op de Montagues;—gij and’ren zoekt;—

(Andere Wachters af.)

Wij zien den grond, die dezen jammer draagt,Maar des rampzaal’gen jammers waren grondKan slechts nauwkeurig onderzoek ontdekken.

Wij zien den grond, die dezen jammer draagt,

Maar des rampzaal’gen jammers waren grond

Kan slechts nauwkeurig onderzoek ontdekken.

(Eenige Wachters komen op metBalthazar.)

Tweede Wachter.Wij vonden Romeo’s dienaar hier op ’t kerkhof.

Tweede Wachter.

Wij vonden Romeo’s dienaar hier op ’t kerkhof.

Eerste Wachter.Bewaakt hem goed, totdat de vorst verschijnt.

Eerste Wachter.

Bewaakt hem goed, totdat de vorst verschijnt.

(Andere Wachters komen op met broederLorenzo.)

Derde Wachter.Deez’ monnik beeft en zucht en weent; wij namenDien koevoet en die spade van hem af,Toen hij aan deze zij van ’t kerkhof kwam.

Derde Wachter.

Deez’ monnik beeft en zucht en weent; wij namen

Dien koevoet en die spade van hem af,

Toen hij aan deze zij van ’t kerkhof kwam.

Eerste Wachter.Dat is verdacht; ook hij zij goed bewaard.

Eerste Wachter.

Dat is verdacht; ook hij zij goed bewaard.

Romeo en Julia, Vijfde Bedrijf, Derde Tooneel.Romeo en Julia, Vijfde Bedrijf, Derde Tooneel.(De Vorst en zijn Gevolg komt op.)Vorst.Wat onheil is zoo vroeg reeds op de been,En roept van onze morgenrust ons op?(Capulet,GravinCapuleten Anderen komen op.)Capulet.Wat kan het zijn, dat elk zoo roept en jammert?Gravin Capulet.Het volk roept op de straten: Romeo!Dan weder: Julia! en dan weer: Paris!En spoedt met luid geschreeuw zich naar ons graf.Vorst.Wat schrik is dit, die zoo ons oor verscheurt?Eerste Wachter.Mijn vorst, hier ligt graaf Paris, pas verslagen,En Romeo dood; en Julia, lang gestorven,Nog warm en pas gedood!—Vorst.Spoort na, vorscht uit, wie ’t schendig stuk bedreef!Eerste Wachter.Hier zijn een monnik, heer, en Romeo’s dienaar;Zij hadden spade en koevoet om ’t verblijfVan dooden te oop’nen.201Capulet.O God! Zie, vrouw, hoe onze dochter bloedt!Die dolk, ach! is verdwaald, want zie, zijn huisRust ledig op den rug van Montague,—Zijn dwaalscheede is de boezem mijner dochter.Gravin Capulet.Wee mij, dit doodsgezicht is als een klok,Die mij vermaant en oproept tot het graf.(Montagueen Anderen komen op.)Vorst.Kom, Montague! verreest gij vroeg, nog vroegerLigt hier uw zoon en erfgenaam geveld.Montague.Ach, edel vorst, mijn vrouw bezweek deez’ nachtVan kommer om de ballingschap mijns zoons.Welk meerder wee belaagt mijn ouden dag?Vorst.Kom, en aanschouw het hier!Montague.O, onbescheiden kind! betaamt het u,Voorbij uw vader naar een graf te dringen?Vorst.Weerhoudt uw bitt’re klachten nog, totdatWij licht in ’t duister brengen, en de bronaâr,Den waren oorsprong dezer rampen kennen;Dan wil ik veldheer van uw weeklacht zijn,Al voert die ook ten doode. Zwijgt intusschen,En zij de weedom slaaf nu van ’t geduld.—Stelt hèn thans voor ons, op wie argwaan rust.Lorenzo.Schoon ’t minst in staat tot boosheid, ben ik ’t meest—Wijl tijd en plaats zich tegen mij verbonden,—Verdacht van aandeel in deez’ gruwbren moord.Als klager en gedaagde sta ik hier;’k Beschuldig en ontschuldig hier mijzelf.Vorst.Zeg ons in ’t kort, al wat gij hiervan weet.Lorenzo.Kort zal ik zijn, want de adem, die mij rest,Reikt voor een lang verhalen niet meer toe.Hij, Romeo, die daar ligt, was Julia’s man;Zij, die daar ligt, was Romeo’s trouwe gade.Ik trouwde ze in ’t geheim; hun huw’lijksdagWas Tybalts doodsdag; diens ontijdig stervenVerwees den jongen man in ballingschap.Om hem, om Tybalt niet, was Julia’s smart.Om uit den greep van ’t wee haar los te maken,Hebt gij aan Paris haar verloofd en zoudtTot de’ echt haar dwingen;—nu komt zij tot mij,En eischt, met wilden blik, van mij een middelOm van dien tweeden echt haar te bevrijden,Of in mijn cel zou zij zichzelve dooden.Toen gaf ik haar,—mijn wetenschap vond baat,—Een slaapdrank, die naar eisch zijn werking deed,Want hij omgaf haar met den schijn des doods.Onmidd’lijk schreef ik ook aan Romeo,246Hierheen te komen in deez’ gruwbre nacht,Om haar te ontrukken aan ’t geborgde graf;Dan was de werking van den drank gedaan.’t Noodlottig toeval wilde, dat de broederJohannes, die mijn brief had, niet kon gaan;Hij bracht dien gist’ren mij terug. AlleenGing ik dus tegen ’t uur van haar ontwakenHaar halen uit het graf van haar geslacht,Van plan haar te verbergen in mijn cel,Tot ik aan Romeo tijding zenden kon;Maar toen ik kort voor haar ontwaken kwam,Vond ik den eed’len Paris hier geveld,En nevens haar den trouwen Romeo dood.Ze ontwaakt; ik bad haar dringend mij te volgenEn in Gods wil gelaten te berusten.Gedruisch dreef uit het grafgewelf mij heen,En zij wilde in haar wanhoop mij niet volgen,Maar sloeg, als blijkt, de hand toen aan zichzelf.Ziedaar al wat ik weet; van haren echtWeet ook de voedster. Valt nu van de rampIets van de schuld op mij, neem ’t kleine deel,Dat van mijn wankel leven mij nog rest,En offer ’t aan den strengsten eisch der wet.Vorst.Steeds hebben we u als heilig man gekend.—Waar is nu Romeo’s dienaar? Die treê voor!Balthazar.Ik bracht mijn heer ’t bericht van Julia’s dood;Hij ijlde spoorslags toen van MantuaNaar deze plaats en naar dit grafgewelf.Deez’ brief hier moest ik aan zijn vader brengen;Hij ging in ’t graf en dreigde met den dood,Als ik niet ging en hem daar achterliet.Vorst.Geef mij den brief; ik neem er kennis van.—Des graven page riep de wacht, waar is hij?—Jong mensch, wat deed uw heer op deze plaats?Page.Hij kwam om bloemen op haar graf te strooien,En gaf mij last terug te gaan; zoo deed ik;Toen kwam er een met licht, die ’t graf wilde oop’nen,En weldra viel mijn meester op hem aan,En ik liep, om de wacht te roepen, heen.Vorst.Dit schrijven staaft de woorden van den monnik,Hun huwlijk en de tijding van haar dood;Hij schrijft ook, van een hongrige’ apothekerKocht hij vergift, om hier in Julia’s grafAan hare zij te sterven en te rusten.—Waar zijn die haters? Ziet nu, CapuletEn Montague, wat geesel striemde uw haat!Door liefde doodt de hemel al uw vreugd!Ook ik, te zacht bij uwen twist, verloorEen tweetal magen;—allen zijn gestraft.Capulet.O, broeder Montague, reik mij uw hand;Dit zij mijn dochters weduwgift, want meerKan ik niet vord’ren.Montague.Kan ik niet vord’ren.Maar ik meer u geven;In zuiver goud doe ik haar beeld verrijzen;Zoolang Verona nog Verona heet,Koom’ nooit in waarde een beeld dit beeld nabij,Dat ik aan uw getrouwe Julia wij.Capulet.En nevens haar zij zoo uw zoon herdacht!Rampzalige offers, onzen haat gebracht!Vorst.Een sombren vrede brengt ons deze morgen;Van wee omfloerst de zon haar aangezicht;Dit onderzoek eischt nog mijn droeve zorgen,Opdat ik streng, en toch genadig, richt.Nooit trof het noodlot twee gelieven zoo,Als ’t Julia deed en haren Romeo.(Allen af.)

Romeo en Julia, Vijfde Bedrijf, Derde Tooneel.Romeo en Julia, Vijfde Bedrijf, Derde Tooneel.

Romeo en Julia, Vijfde Bedrijf, Derde Tooneel.

(De Vorst en zijn Gevolg komt op.)

Vorst.Wat onheil is zoo vroeg reeds op de been,En roept van onze morgenrust ons op?

Vorst.

Wat onheil is zoo vroeg reeds op de been,

En roept van onze morgenrust ons op?

(Capulet,GravinCapuleten Anderen komen op.)

Capulet.Wat kan het zijn, dat elk zoo roept en jammert?

Capulet.

Wat kan het zijn, dat elk zoo roept en jammert?

Gravin Capulet.Het volk roept op de straten: Romeo!Dan weder: Julia! en dan weer: Paris!En spoedt met luid geschreeuw zich naar ons graf.

Gravin Capulet.

Het volk roept op de straten: Romeo!

Dan weder: Julia! en dan weer: Paris!

En spoedt met luid geschreeuw zich naar ons graf.

Vorst.Wat schrik is dit, die zoo ons oor verscheurt?

Vorst.

Wat schrik is dit, die zoo ons oor verscheurt?

Eerste Wachter.Mijn vorst, hier ligt graaf Paris, pas verslagen,En Romeo dood; en Julia, lang gestorven,Nog warm en pas gedood!—

Eerste Wachter.

Mijn vorst, hier ligt graaf Paris, pas verslagen,

En Romeo dood; en Julia, lang gestorven,

Nog warm en pas gedood!—

Vorst.Spoort na, vorscht uit, wie ’t schendig stuk bedreef!

Vorst.

Spoort na, vorscht uit, wie ’t schendig stuk bedreef!

Eerste Wachter.Hier zijn een monnik, heer, en Romeo’s dienaar;Zij hadden spade en koevoet om ’t verblijfVan dooden te oop’nen.201

Eerste Wachter.

Hier zijn een monnik, heer, en Romeo’s dienaar;

Zij hadden spade en koevoet om ’t verblijf

Van dooden te oop’nen.201

Capulet.O God! Zie, vrouw, hoe onze dochter bloedt!Die dolk, ach! is verdwaald, want zie, zijn huisRust ledig op den rug van Montague,—Zijn dwaalscheede is de boezem mijner dochter.

Capulet.

O God! Zie, vrouw, hoe onze dochter bloedt!

Die dolk, ach! is verdwaald, want zie, zijn huis

Rust ledig op den rug van Montague,—

Zijn dwaalscheede is de boezem mijner dochter.

Gravin Capulet.Wee mij, dit doodsgezicht is als een klok,Die mij vermaant en oproept tot het graf.

Gravin Capulet.

Wee mij, dit doodsgezicht is als een klok,

Die mij vermaant en oproept tot het graf.

(Montagueen Anderen komen op.)

Vorst.Kom, Montague! verreest gij vroeg, nog vroegerLigt hier uw zoon en erfgenaam geveld.

Vorst.

Kom, Montague! verreest gij vroeg, nog vroeger

Ligt hier uw zoon en erfgenaam geveld.

Montague.Ach, edel vorst, mijn vrouw bezweek deez’ nachtVan kommer om de ballingschap mijns zoons.Welk meerder wee belaagt mijn ouden dag?

Montague.

Ach, edel vorst, mijn vrouw bezweek deez’ nacht

Van kommer om de ballingschap mijns zoons.

Welk meerder wee belaagt mijn ouden dag?

Vorst.Kom, en aanschouw het hier!

Vorst.

Kom, en aanschouw het hier!

Montague.O, onbescheiden kind! betaamt het u,Voorbij uw vader naar een graf te dringen?

Montague.

O, onbescheiden kind! betaamt het u,

Voorbij uw vader naar een graf te dringen?

Vorst.Weerhoudt uw bitt’re klachten nog, totdatWij licht in ’t duister brengen, en de bronaâr,Den waren oorsprong dezer rampen kennen;Dan wil ik veldheer van uw weeklacht zijn,Al voert die ook ten doode. Zwijgt intusschen,En zij de weedom slaaf nu van ’t geduld.—Stelt hèn thans voor ons, op wie argwaan rust.

Vorst.

Weerhoudt uw bitt’re klachten nog, totdat

Wij licht in ’t duister brengen, en de bronaâr,

Den waren oorsprong dezer rampen kennen;

Dan wil ik veldheer van uw weeklacht zijn,

Al voert die ook ten doode. Zwijgt intusschen,

En zij de weedom slaaf nu van ’t geduld.—

Stelt hèn thans voor ons, op wie argwaan rust.

Lorenzo.Schoon ’t minst in staat tot boosheid, ben ik ’t meest—Wijl tijd en plaats zich tegen mij verbonden,—Verdacht van aandeel in deez’ gruwbren moord.Als klager en gedaagde sta ik hier;’k Beschuldig en ontschuldig hier mijzelf.

Lorenzo.

Schoon ’t minst in staat tot boosheid, ben ik ’t meest—

Wijl tijd en plaats zich tegen mij verbonden,—

Verdacht van aandeel in deez’ gruwbren moord.

Als klager en gedaagde sta ik hier;

’k Beschuldig en ontschuldig hier mijzelf.

Vorst.Zeg ons in ’t kort, al wat gij hiervan weet.

Vorst.

Zeg ons in ’t kort, al wat gij hiervan weet.

Lorenzo.Kort zal ik zijn, want de adem, die mij rest,Reikt voor een lang verhalen niet meer toe.Hij, Romeo, die daar ligt, was Julia’s man;Zij, die daar ligt, was Romeo’s trouwe gade.Ik trouwde ze in ’t geheim; hun huw’lijksdagWas Tybalts doodsdag; diens ontijdig stervenVerwees den jongen man in ballingschap.Om hem, om Tybalt niet, was Julia’s smart.Om uit den greep van ’t wee haar los te maken,Hebt gij aan Paris haar verloofd en zoudtTot de’ echt haar dwingen;—nu komt zij tot mij,En eischt, met wilden blik, van mij een middelOm van dien tweeden echt haar te bevrijden,Of in mijn cel zou zij zichzelve dooden.Toen gaf ik haar,—mijn wetenschap vond baat,—Een slaapdrank, die naar eisch zijn werking deed,Want hij omgaf haar met den schijn des doods.Onmidd’lijk schreef ik ook aan Romeo,246Hierheen te komen in deez’ gruwbre nacht,Om haar te ontrukken aan ’t geborgde graf;Dan was de werking van den drank gedaan.’t Noodlottig toeval wilde, dat de broederJohannes, die mijn brief had, niet kon gaan;Hij bracht dien gist’ren mij terug. AlleenGing ik dus tegen ’t uur van haar ontwakenHaar halen uit het graf van haar geslacht,Van plan haar te verbergen in mijn cel,Tot ik aan Romeo tijding zenden kon;Maar toen ik kort voor haar ontwaken kwam,Vond ik den eed’len Paris hier geveld,En nevens haar den trouwen Romeo dood.Ze ontwaakt; ik bad haar dringend mij te volgenEn in Gods wil gelaten te berusten.Gedruisch dreef uit het grafgewelf mij heen,En zij wilde in haar wanhoop mij niet volgen,Maar sloeg, als blijkt, de hand toen aan zichzelf.Ziedaar al wat ik weet; van haren echtWeet ook de voedster. Valt nu van de rampIets van de schuld op mij, neem ’t kleine deel,Dat van mijn wankel leven mij nog rest,En offer ’t aan den strengsten eisch der wet.

Lorenzo.

Kort zal ik zijn, want de adem, die mij rest,

Reikt voor een lang verhalen niet meer toe.

Hij, Romeo, die daar ligt, was Julia’s man;

Zij, die daar ligt, was Romeo’s trouwe gade.

Ik trouwde ze in ’t geheim; hun huw’lijksdag

Was Tybalts doodsdag; diens ontijdig sterven

Verwees den jongen man in ballingschap.

Om hem, om Tybalt niet, was Julia’s smart.

Om uit den greep van ’t wee haar los te maken,

Hebt gij aan Paris haar verloofd en zoudt

Tot de’ echt haar dwingen;—nu komt zij tot mij,

En eischt, met wilden blik, van mij een middel

Om van dien tweeden echt haar te bevrijden,

Of in mijn cel zou zij zichzelve dooden.

Toen gaf ik haar,—mijn wetenschap vond baat,—

Een slaapdrank, die naar eisch zijn werking deed,

Want hij omgaf haar met den schijn des doods.

Onmidd’lijk schreef ik ook aan Romeo,246

Hierheen te komen in deez’ gruwbre nacht,

Om haar te ontrukken aan ’t geborgde graf;

Dan was de werking van den drank gedaan.

’t Noodlottig toeval wilde, dat de broeder

Johannes, die mijn brief had, niet kon gaan;

Hij bracht dien gist’ren mij terug. Alleen

Ging ik dus tegen ’t uur van haar ontwaken

Haar halen uit het graf van haar geslacht,

Van plan haar te verbergen in mijn cel,

Tot ik aan Romeo tijding zenden kon;

Maar toen ik kort voor haar ontwaken kwam,

Vond ik den eed’len Paris hier geveld,

En nevens haar den trouwen Romeo dood.

Ze ontwaakt; ik bad haar dringend mij te volgen

En in Gods wil gelaten te berusten.

Gedruisch dreef uit het grafgewelf mij heen,

En zij wilde in haar wanhoop mij niet volgen,

Maar sloeg, als blijkt, de hand toen aan zichzelf.

Ziedaar al wat ik weet; van haren echt

Weet ook de voedster. Valt nu van de ramp

Iets van de schuld op mij, neem ’t kleine deel,

Dat van mijn wankel leven mij nog rest,

En offer ’t aan den strengsten eisch der wet.

Vorst.Steeds hebben we u als heilig man gekend.—Waar is nu Romeo’s dienaar? Die treê voor!

Vorst.

Steeds hebben we u als heilig man gekend.—

Waar is nu Romeo’s dienaar? Die treê voor!

Balthazar.Ik bracht mijn heer ’t bericht van Julia’s dood;Hij ijlde spoorslags toen van MantuaNaar deze plaats en naar dit grafgewelf.Deez’ brief hier moest ik aan zijn vader brengen;Hij ging in ’t graf en dreigde met den dood,Als ik niet ging en hem daar achterliet.

Balthazar.

Ik bracht mijn heer ’t bericht van Julia’s dood;

Hij ijlde spoorslags toen van Mantua

Naar deze plaats en naar dit grafgewelf.

Deez’ brief hier moest ik aan zijn vader brengen;

Hij ging in ’t graf en dreigde met den dood,

Als ik niet ging en hem daar achterliet.

Vorst.Geef mij den brief; ik neem er kennis van.—Des graven page riep de wacht, waar is hij?—Jong mensch, wat deed uw heer op deze plaats?

Vorst.

Geef mij den brief; ik neem er kennis van.—

Des graven page riep de wacht, waar is hij?—

Jong mensch, wat deed uw heer op deze plaats?

Page.Hij kwam om bloemen op haar graf te strooien,En gaf mij last terug te gaan; zoo deed ik;Toen kwam er een met licht, die ’t graf wilde oop’nen,En weldra viel mijn meester op hem aan,En ik liep, om de wacht te roepen, heen.

Page.

Hij kwam om bloemen op haar graf te strooien,

En gaf mij last terug te gaan; zoo deed ik;

Toen kwam er een met licht, die ’t graf wilde oop’nen,

En weldra viel mijn meester op hem aan,

En ik liep, om de wacht te roepen, heen.

Vorst.Dit schrijven staaft de woorden van den monnik,Hun huwlijk en de tijding van haar dood;Hij schrijft ook, van een hongrige’ apothekerKocht hij vergift, om hier in Julia’s grafAan hare zij te sterven en te rusten.—Waar zijn die haters? Ziet nu, CapuletEn Montague, wat geesel striemde uw haat!Door liefde doodt de hemel al uw vreugd!Ook ik, te zacht bij uwen twist, verloorEen tweetal magen;—allen zijn gestraft.

Vorst.

Dit schrijven staaft de woorden van den monnik,

Hun huwlijk en de tijding van haar dood;

Hij schrijft ook, van een hongrige’ apotheker

Kocht hij vergift, om hier in Julia’s graf

Aan hare zij te sterven en te rusten.—

Waar zijn die haters? Ziet nu, Capulet

En Montague, wat geesel striemde uw haat!

Door liefde doodt de hemel al uw vreugd!

Ook ik, te zacht bij uwen twist, verloor

Een tweetal magen;—allen zijn gestraft.

Capulet.O, broeder Montague, reik mij uw hand;Dit zij mijn dochters weduwgift, want meerKan ik niet vord’ren.

Capulet.

O, broeder Montague, reik mij uw hand;

Dit zij mijn dochters weduwgift, want meer

Kan ik niet vord’ren.

Montague.Kan ik niet vord’ren.Maar ik meer u geven;In zuiver goud doe ik haar beeld verrijzen;Zoolang Verona nog Verona heet,Koom’ nooit in waarde een beeld dit beeld nabij,Dat ik aan uw getrouwe Julia wij.

Montague.

Kan ik niet vord’ren.Maar ik meer u geven;

In zuiver goud doe ik haar beeld verrijzen;

Zoolang Verona nog Verona heet,

Koom’ nooit in waarde een beeld dit beeld nabij,

Dat ik aan uw getrouwe Julia wij.

Capulet.En nevens haar zij zoo uw zoon herdacht!Rampzalige offers, onzen haat gebracht!

Capulet.

En nevens haar zij zoo uw zoon herdacht!

Rampzalige offers, onzen haat gebracht!

Vorst.Een sombren vrede brengt ons deze morgen;Van wee omfloerst de zon haar aangezicht;Dit onderzoek eischt nog mijn droeve zorgen,Opdat ik streng, en toch genadig, richt.Nooit trof het noodlot twee gelieven zoo,Als ’t Julia deed en haren Romeo.

Vorst.

Een sombren vrede brengt ons deze morgen;

Van wee omfloerst de zon haar aangezicht;

Dit onderzoek eischt nog mijn droeve zorgen,

Opdat ik streng, en toch genadig, richt.

Nooit trof het noodlot twee gelieven zoo,

Als ’t Julia deed en haren Romeo.

(Allen af.)


Back to IndexNext