Visites maken is niet erg. Dat kom je wel te boven.En ben je in de maatschappij, dan moet je ’r aan gelooven.Al weet je best hoe idioot ie staat, je hooge hoed,Je schaamt je niet meer als je ’t meubel opzet — want hetmoet.Je eergevoel is afgestompt. Je draagt je lot gelaten.Je bent volmaakt bereid om over ’t mooie weer te praten.Al vin’ je ’t weer, als denkend mensch, geen conversatie-stof,Iets, waar j’ alleen van spreken mag in winkels, en aan ’t Hof.Je moet je op visite met gedachten maar niet plagen,Daar wentel je j’ in ’t weer, wellustig, en vol welbehagen.„’t Is niet zoo koud meer als ’t geweest is, vindt u wel, mevrouw?Ik zie u stookt nog. — Ja zoo zachtjes. ’k Houd niet erg van kou.Enfin, het schikt vandaag nog al. We hebben niet te klagen.Ja, ’t weer doet vreemd in dezen tijd. Dat gaat soms zoo bij vlagen.Als nu dezonmaar beter scheen. Die heeft alvrijveel kracht.Nu is het in deschaduwkil, maar in dezonis ’t zacht.Herinnert u zich ’t voorjaar nog van zeven jaar geleden?Toen was het zóó, dat w’ einde Maart nog bijna schaatsen reden!En hoe bevalt u ’t nieuwe huis? ’t Is zeker nog wat vreemd;Hoe jammer dat dat huis daar links het uitzicht wat ontneemt.Maar zoo als ’k hier zit, is het prachtig, door die groote ruiten,Wat heeft u hier een mooi gezicht! U is hier heelemaal buiten,En toch zoo midden in de stad, en overal vlak bij.En eigenlijk geen overburen. Dat ’s wel heerlijk vrij,Hebt u geen hinder van de trem? — Ja, erg. — Och kom, dat ’s jammer.Enfin, ik merk dat zoo niet op, als volbloed Amsterdammer.En hoe zijn de berichten van het jong-getrouwde paar?Lili schrijft: nee, ze zijn toch zóó gelukkig met elkaar!Zooals u weet logeert ze er. Ze zou ’r een weekje blijven.En dan zoo keurig ingericht! Dat schijntniette beschrijven......!”Dat zeg jij — en je voorganger — en hij, die na je komt,Tot dat de „jour” voorbij is, en ’t inaan gelal verstomt.Zoo ga je kalm, gelaten door visites af te leggen,Waarbij je vooruit weet, dat j’ absoluutnietshebt te zeggen.Je doet iets niet, omdat je ’t prettig, nuttig vindt, of goed,Neen, wat je doet, dat doe je alleen......omdat ’n ander ’t doet!
Visites maken is niet erg. Dat kom je wel te boven.En ben je in de maatschappij, dan moet je ’r aan gelooven.Al weet je best hoe idioot ie staat, je hooge hoed,Je schaamt je niet meer als je ’t meubel opzet — want hetmoet.Je eergevoel is afgestompt. Je draagt je lot gelaten.Je bent volmaakt bereid om over ’t mooie weer te praten.Al vin’ je ’t weer, als denkend mensch, geen conversatie-stof,Iets, waar j’ alleen van spreken mag in winkels, en aan ’t Hof.Je moet je op visite met gedachten maar niet plagen,Daar wentel je j’ in ’t weer, wellustig, en vol welbehagen.„’t Is niet zoo koud meer als ’t geweest is, vindt u wel, mevrouw?Ik zie u stookt nog. — Ja zoo zachtjes. ’k Houd niet erg van kou.Enfin, het schikt vandaag nog al. We hebben niet te klagen.Ja, ’t weer doet vreemd in dezen tijd. Dat gaat soms zoo bij vlagen.Als nu dezonmaar beter scheen. Die heeft alvrijveel kracht.Nu is het in deschaduwkil, maar in dezonis ’t zacht.Herinnert u zich ’t voorjaar nog van zeven jaar geleden?Toen was het zóó, dat w’ einde Maart nog bijna schaatsen reden!En hoe bevalt u ’t nieuwe huis? ’t Is zeker nog wat vreemd;Hoe jammer dat dat huis daar links het uitzicht wat ontneemt.Maar zoo als ’k hier zit, is het prachtig, door die groote ruiten,Wat heeft u hier een mooi gezicht! U is hier heelemaal buiten,En toch zoo midden in de stad, en overal vlak bij.En eigenlijk geen overburen. Dat ’s wel heerlijk vrij,Hebt u geen hinder van de trem? — Ja, erg. — Och kom, dat ’s jammer.Enfin, ik merk dat zoo niet op, als volbloed Amsterdammer.En hoe zijn de berichten van het jong-getrouwde paar?Lili schrijft: nee, ze zijn toch zóó gelukkig met elkaar!Zooals u weet logeert ze er. Ze zou ’r een weekje blijven.En dan zoo keurig ingericht! Dat schijntniette beschrijven......!”Dat zeg jij — en je voorganger — en hij, die na je komt,Tot dat de „jour” voorbij is, en ’t inaan gelal verstomt.Zoo ga je kalm, gelaten door visites af te leggen,Waarbij je vooruit weet, dat j’ absoluutnietshebt te zeggen.Je doet iets niet, omdat je ’t prettig, nuttig vindt, of goed,Neen, wat je doet, dat doe je alleen......omdat ’n ander ’t doet!
Visites maken is niet erg. Dat kom je wel te boven.En ben je in de maatschappij, dan moet je ’r aan gelooven.Al weet je best hoe idioot ie staat, je hooge hoed,Je schaamt je niet meer als je ’t meubel opzet — want hetmoet.Je eergevoel is afgestompt. Je draagt je lot gelaten.Je bent volmaakt bereid om over ’t mooie weer te praten.Al vin’ je ’t weer, als denkend mensch, geen conversatie-stof,Iets, waar j’ alleen van spreken mag in winkels, en aan ’t Hof.Je moet je op visite met gedachten maar niet plagen,Daar wentel je j’ in ’t weer, wellustig, en vol welbehagen.„’t Is niet zoo koud meer als ’t geweest is, vindt u wel, mevrouw?Ik zie u stookt nog. — Ja zoo zachtjes. ’k Houd niet erg van kou.Enfin, het schikt vandaag nog al. We hebben niet te klagen.Ja, ’t weer doet vreemd in dezen tijd. Dat gaat soms zoo bij vlagen.Als nu dezonmaar beter scheen. Die heeft alvrijveel kracht.Nu is het in deschaduwkil, maar in dezonis ’t zacht.Herinnert u zich ’t voorjaar nog van zeven jaar geleden?Toen was het zóó, dat w’ einde Maart nog bijna schaatsen reden!En hoe bevalt u ’t nieuwe huis? ’t Is zeker nog wat vreemd;Hoe jammer dat dat huis daar links het uitzicht wat ontneemt.Maar zoo als ’k hier zit, is het prachtig, door die groote ruiten,Wat heeft u hier een mooi gezicht! U is hier heelemaal buiten,En toch zoo midden in de stad, en overal vlak bij.En eigenlijk geen overburen. Dat ’s wel heerlijk vrij,Hebt u geen hinder van de trem? — Ja, erg. — Och kom, dat ’s jammer.Enfin, ik merk dat zoo niet op, als volbloed Amsterdammer.En hoe zijn de berichten van het jong-getrouwde paar?Lili schrijft: nee, ze zijn toch zóó gelukkig met elkaar!Zooals u weet logeert ze er. Ze zou ’r een weekje blijven.En dan zoo keurig ingericht! Dat schijntniette beschrijven......!”Dat zeg jij — en je voorganger — en hij, die na je komt,Tot dat de „jour” voorbij is, en ’t inaan gelal verstomt.Zoo ga je kalm, gelaten door visites af te leggen,Waarbij je vooruit weet, dat j’ absoluutnietshebt te zeggen.Je doet iets niet, omdat je ’t prettig, nuttig vindt, of goed,Neen, wat je doet, dat doe je alleen......omdat ’n ander ’t doet!
Visites maken is niet erg. Dat kom je wel te boven.
En ben je in de maatschappij, dan moet je ’r aan gelooven.
Al weet je best hoe idioot ie staat, je hooge hoed,
Je schaamt je niet meer als je ’t meubel opzet — want hetmoet.
Je eergevoel is afgestompt. Je draagt je lot gelaten.
Je bent volmaakt bereid om over ’t mooie weer te praten.
Al vin’ je ’t weer, als denkend mensch, geen conversatie-stof,
Iets, waar j’ alleen van spreken mag in winkels, en aan ’t Hof.
Je moet je op visite met gedachten maar niet plagen,
Daar wentel je j’ in ’t weer, wellustig, en vol welbehagen.
„’t Is niet zoo koud meer als ’t geweest is, vindt u wel, mevrouw?
Ik zie u stookt nog. — Ja zoo zachtjes. ’k Houd niet erg van kou.
Enfin, het schikt vandaag nog al. We hebben niet te klagen.
Ja, ’t weer doet vreemd in dezen tijd. Dat gaat soms zoo bij vlagen.
Als nu dezonmaar beter scheen. Die heeft alvrijveel kracht.
Nu is het in deschaduwkil, maar in dezonis ’t zacht.
Herinnert u zich ’t voorjaar nog van zeven jaar geleden?
Toen was het zóó, dat w’ einde Maart nog bijna schaatsen reden!
En hoe bevalt u ’t nieuwe huis? ’t Is zeker nog wat vreemd;
Hoe jammer dat dat huis daar links het uitzicht wat ontneemt.
Maar zoo als ’k hier zit, is het prachtig, door die groote ruiten,
Wat heeft u hier een mooi gezicht! U is hier heelemaal buiten,
En toch zoo midden in de stad, en overal vlak bij.
En eigenlijk geen overburen. Dat ’s wel heerlijk vrij,
Hebt u geen hinder van de trem? — Ja, erg. — Och kom, dat ’s jammer.
Enfin, ik merk dat zoo niet op, als volbloed Amsterdammer.
En hoe zijn de berichten van het jong-getrouwde paar?
Lili schrijft: nee, ze zijn toch zóó gelukkig met elkaar!
Zooals u weet logeert ze er. Ze zou ’r een weekje blijven.
En dan zoo keurig ingericht! Dat schijntniette beschrijven......!”
Dat zeg jij — en je voorganger — en hij, die na je komt,
Tot dat de „jour” voorbij is, en ’t inaan gelal verstomt.
Zoo ga je kalm, gelaten door visites af te leggen,
Waarbij je vooruit weet, dat j’ absoluutnietshebt te zeggen.
Je doet iets niet, omdat je ’t prettig, nuttig vindt, of goed,
Neen, wat je doet, dat doe je alleen......omdat ’n ander ’t doet!
Wanneer ’k een visch op ’t droge, of een vlieg in ’t spinneweb zie,Dan denk ik aan een ander wee: de huwelijksreceptie.Vergun me, dat ’k u thans de gruwelen der receptiezaalMet scherpe lijnen teeken, en met felle kleuren maal.Vooreerst: de manden en boeketten — zeker, het staat prachtig;Maar wat te zeggen van zoo’n kamer met een stuk of tachtig?!En tegenover éénen vriend, die ’t moois van harte gaf,Staat een dozijn van ja-dat-moet-daar-kunnen-we-niet-af.Van: „Das al nummer drie van ’t jaar. Zeg, moet’ we wéér wat geven?” —— „Piet doet het wel.” — „Nou ja, maarPietenhijzijn volle neven!” —— „Wat hebb’ z’ ook weer bijonsgedaan?” — —„O, ’t een of ander vod.Een vaas, geloof ik.” — „Ja, das waar. ’t Ding is goddank kapot.” —„En dan, bedenk, het volgend jaar d’r broer: das wéér een huwlijk;En moeten wij maartelkensdokken? ’t Is gewoon afschuwlijk!” —— „Ja, ’k weet er heusch niets op dan dat je ’t „lijstje” maar weer vraagt”. —— „Nee, zeg! Je weet toch dat zoo’n ding j’ op hooge kosten jaagt!Dan moet je een pendule geven, lepels, of een looper!Nee. Bloemen maar. Das altijd goed: en das ’n hoop goedkooper...”„Voor 10 pop bloemen!” wordt er dus, per telephoon, besteld:Géén eigen smaak, géén poëzie, géén hart — alléén maar......geld!d’Ontvangsalon wordt volgepropt met „blom”, in mand’ en potten —En na een dag of twee staat daar voor honderden te rotten. —De dag is daar. Zie ’t bruidspaar met de feestfamilie staan,Als in de kas van een bloemist; en ’t Kostlijk Mal vangt aan.Een zusje, stiekum met de lijst der gevers van de bloemen,Lispt: „Diebedanken! —Dezeniet!” zoodra z’ ’n naam hoort noemen.„Ik dank u! Ook uit naam van Pim! Wat ’n beeldige boeket!Kijk, dáár: we hebb’ ’m wat vooraan (zusje schudt angstig ’t hoofd)...... wat achteraan gezet......Dan... lijdt ie niet zoo van de zon”. (Zusje, wanhopig, te hard fluisterend): „Nee, hij heeft niks gegeven!” —— „O, nee, pardon!... die ’s niet van mij; (snel tot een zwager) Zoo! hoe staatjouhet leven?......”Dan haastig langs de halve maan; een knik, een grijns, een hand —Een paar bêtises — voortgedrongen, naar den andren kant.Daar moet je de cadeaux gaan zien. Twee bakvischjes in ’t roseStaan bij de tafel, Ies en Iet, in elegante pose,Om uit te leggen, voor ’t geval je suf bent, of bijziend,Wie van elk ding de gever is, en waar elk ding voor dient.„Dat is voor olie en azijn, van Miep. En daar die vaze’Voor bloem’, — of zóó maar, voor het mooi — die zijn van tante Zwaze.[1]’t Ameublement: van Grootpapa — ’t buffet is nog niet klaar,Maar kijk, zóó wordt het. U begrijpt,ditis defotomaar.Die lepeldoos is van oom Puk, die spergetang van Atie.En dan van Juf — echt aardig hè? — een slabak; kijk, daar staat ie.Dat kussen is van tante Zus. Dat zoutvat van oom Broer.”„Hoe weet u ’t alles uit uw hoofd? Das toch ’n heele toer!” —En zijn de meiskens even weg, om ginds wat te bedisselen,Dan jeuken me de vingers om... de kaartjes te verwisselen:B. v. dit, met ’t kroontje hier, toevallig wat „in ’t zicht”,Te ruilen met dat kaartje, dat daar bij dieslabakligt!......En waar dat alles nu voor dient? Je hoeft ’t niet te vragen:Dat ’t bruidje ’t dure bruidstoilet nog eens een keer kan dragen!Dáárvoor dient al die herrie. Want beken het maar oprecht:Op geen receptie is ooit één verstandig woord gezegd!
Wanneer ’k een visch op ’t droge, of een vlieg in ’t spinneweb zie,Dan denk ik aan een ander wee: de huwelijksreceptie.Vergun me, dat ’k u thans de gruwelen der receptiezaalMet scherpe lijnen teeken, en met felle kleuren maal.Vooreerst: de manden en boeketten — zeker, het staat prachtig;Maar wat te zeggen van zoo’n kamer met een stuk of tachtig?!En tegenover éénen vriend, die ’t moois van harte gaf,Staat een dozijn van ja-dat-moet-daar-kunnen-we-niet-af.Van: „Das al nummer drie van ’t jaar. Zeg, moet’ we wéér wat geven?” —— „Piet doet het wel.” — „Nou ja, maarPietenhijzijn volle neven!” —— „Wat hebb’ z’ ook weer bijonsgedaan?” — —„O, ’t een of ander vod.Een vaas, geloof ik.” — „Ja, das waar. ’t Ding is goddank kapot.” —„En dan, bedenk, het volgend jaar d’r broer: das wéér een huwlijk;En moeten wij maartelkensdokken? ’t Is gewoon afschuwlijk!” —— „Ja, ’k weet er heusch niets op dan dat je ’t „lijstje” maar weer vraagt”. —— „Nee, zeg! Je weet toch dat zoo’n ding j’ op hooge kosten jaagt!Dan moet je een pendule geven, lepels, of een looper!Nee. Bloemen maar. Das altijd goed: en das ’n hoop goedkooper...”„Voor 10 pop bloemen!” wordt er dus, per telephoon, besteld:Géén eigen smaak, géén poëzie, géén hart — alléén maar......geld!d’Ontvangsalon wordt volgepropt met „blom”, in mand’ en potten —En na een dag of twee staat daar voor honderden te rotten. —De dag is daar. Zie ’t bruidspaar met de feestfamilie staan,Als in de kas van een bloemist; en ’t Kostlijk Mal vangt aan.Een zusje, stiekum met de lijst der gevers van de bloemen,Lispt: „Diebedanken! —Dezeniet!” zoodra z’ ’n naam hoort noemen.„Ik dank u! Ook uit naam van Pim! Wat ’n beeldige boeket!Kijk, dáár: we hebb’ ’m wat vooraan (zusje schudt angstig ’t hoofd)...... wat achteraan gezet......Dan... lijdt ie niet zoo van de zon”. (Zusje, wanhopig, te hard fluisterend): „Nee, hij heeft niks gegeven!” —— „O, nee, pardon!... die ’s niet van mij; (snel tot een zwager) Zoo! hoe staatjouhet leven?......”Dan haastig langs de halve maan; een knik, een grijns, een hand —Een paar bêtises — voortgedrongen, naar den andren kant.Daar moet je de cadeaux gaan zien. Twee bakvischjes in ’t roseStaan bij de tafel, Ies en Iet, in elegante pose,Om uit te leggen, voor ’t geval je suf bent, of bijziend,Wie van elk ding de gever is, en waar elk ding voor dient.„Dat is voor olie en azijn, van Miep. En daar die vaze’Voor bloem’, — of zóó maar, voor het mooi — die zijn van tante Zwaze.[1]’t Ameublement: van Grootpapa — ’t buffet is nog niet klaar,Maar kijk, zóó wordt het. U begrijpt,ditis defotomaar.Die lepeldoos is van oom Puk, die spergetang van Atie.En dan van Juf — echt aardig hè? — een slabak; kijk, daar staat ie.Dat kussen is van tante Zus. Dat zoutvat van oom Broer.”„Hoe weet u ’t alles uit uw hoofd? Das toch ’n heele toer!” —En zijn de meiskens even weg, om ginds wat te bedisselen,Dan jeuken me de vingers om... de kaartjes te verwisselen:B. v. dit, met ’t kroontje hier, toevallig wat „in ’t zicht”,Te ruilen met dat kaartje, dat daar bij dieslabakligt!......En waar dat alles nu voor dient? Je hoeft ’t niet te vragen:Dat ’t bruidje ’t dure bruidstoilet nog eens een keer kan dragen!Dáárvoor dient al die herrie. Want beken het maar oprecht:Op geen receptie is ooit één verstandig woord gezegd!
Wanneer ’k een visch op ’t droge, of een vlieg in ’t spinneweb zie,Dan denk ik aan een ander wee: de huwelijksreceptie.Vergun me, dat ’k u thans de gruwelen der receptiezaalMet scherpe lijnen teeken, en met felle kleuren maal.Vooreerst: de manden en boeketten — zeker, het staat prachtig;Maar wat te zeggen van zoo’n kamer met een stuk of tachtig?!En tegenover éénen vriend, die ’t moois van harte gaf,Staat een dozijn van ja-dat-moet-daar-kunnen-we-niet-af.Van: „Das al nummer drie van ’t jaar. Zeg, moet’ we wéér wat geven?” —— „Piet doet het wel.” — „Nou ja, maarPietenhijzijn volle neven!” —— „Wat hebb’ z’ ook weer bijonsgedaan?” — —„O, ’t een of ander vod.Een vaas, geloof ik.” — „Ja, das waar. ’t Ding is goddank kapot.” —„En dan, bedenk, het volgend jaar d’r broer: das wéér een huwlijk;En moeten wij maartelkensdokken? ’t Is gewoon afschuwlijk!” —— „Ja, ’k weet er heusch niets op dan dat je ’t „lijstje” maar weer vraagt”. —— „Nee, zeg! Je weet toch dat zoo’n ding j’ op hooge kosten jaagt!Dan moet je een pendule geven, lepels, of een looper!Nee. Bloemen maar. Das altijd goed: en das ’n hoop goedkooper...”„Voor 10 pop bloemen!” wordt er dus, per telephoon, besteld:Géén eigen smaak, géén poëzie, géén hart — alléén maar......geld!d’Ontvangsalon wordt volgepropt met „blom”, in mand’ en potten —En na een dag of twee staat daar voor honderden te rotten. —De dag is daar. Zie ’t bruidspaar met de feestfamilie staan,Als in de kas van een bloemist; en ’t Kostlijk Mal vangt aan.Een zusje, stiekum met de lijst der gevers van de bloemen,Lispt: „Diebedanken! —Dezeniet!” zoodra z’ ’n naam hoort noemen.„Ik dank u! Ook uit naam van Pim! Wat ’n beeldige boeket!Kijk, dáár: we hebb’ ’m wat vooraan (zusje schudt angstig ’t hoofd)...... wat achteraan gezet......Dan... lijdt ie niet zoo van de zon”. (Zusje, wanhopig, te hard fluisterend): „Nee, hij heeft niks gegeven!” —— „O, nee, pardon!... die ’s niet van mij; (snel tot een zwager) Zoo! hoe staatjouhet leven?......”Dan haastig langs de halve maan; een knik, een grijns, een hand —Een paar bêtises — voortgedrongen, naar den andren kant.Daar moet je de cadeaux gaan zien. Twee bakvischjes in ’t roseStaan bij de tafel, Ies en Iet, in elegante pose,Om uit te leggen, voor ’t geval je suf bent, of bijziend,Wie van elk ding de gever is, en waar elk ding voor dient.„Dat is voor olie en azijn, van Miep. En daar die vaze’Voor bloem’, — of zóó maar, voor het mooi — die zijn van tante Zwaze.[1]’t Ameublement: van Grootpapa — ’t buffet is nog niet klaar,Maar kijk, zóó wordt het. U begrijpt,ditis defotomaar.Die lepeldoos is van oom Puk, die spergetang van Atie.En dan van Juf — echt aardig hè? — een slabak; kijk, daar staat ie.Dat kussen is van tante Zus. Dat zoutvat van oom Broer.”„Hoe weet u ’t alles uit uw hoofd? Das toch ’n heele toer!” —En zijn de meiskens even weg, om ginds wat te bedisselen,Dan jeuken me de vingers om... de kaartjes te verwisselen:B. v. dit, met ’t kroontje hier, toevallig wat „in ’t zicht”,Te ruilen met dat kaartje, dat daar bij dieslabakligt!......En waar dat alles nu voor dient? Je hoeft ’t niet te vragen:Dat ’t bruidje ’t dure bruidstoilet nog eens een keer kan dragen!Dáárvoor dient al die herrie. Want beken het maar oprecht:Op geen receptie is ooit één verstandig woord gezegd!
Wanneer ’k een visch op ’t droge, of een vlieg in ’t spinneweb zie,
Dan denk ik aan een ander wee: de huwelijksreceptie.
Vergun me, dat ’k u thans de gruwelen der receptiezaal
Met scherpe lijnen teeken, en met felle kleuren maal.
Vooreerst: de manden en boeketten — zeker, het staat prachtig;
Maar wat te zeggen van zoo’n kamer met een stuk of tachtig?!
En tegenover éénen vriend, die ’t moois van harte gaf,
Staat een dozijn van ja-dat-moet-daar-kunnen-we-niet-af.
Van: „Das al nummer drie van ’t jaar. Zeg, moet’ we wéér wat geven?” —
— „Piet doet het wel.” — „Nou ja, maarPietenhijzijn volle neven!” —
— „Wat hebb’ z’ ook weer bijonsgedaan?” — —„O, ’t een of ander vod.
Een vaas, geloof ik.” — „Ja, das waar. ’t Ding is goddank kapot.” —
„En dan, bedenk, het volgend jaar d’r broer: das wéér een huwlijk;
En moeten wij maartelkensdokken? ’t Is gewoon afschuwlijk!” —
— „Ja, ’k weet er heusch niets op dan dat je ’t „lijstje” maar weer vraagt”. —
— „Nee, zeg! Je weet toch dat zoo’n ding j’ op hooge kosten jaagt!
Dan moet je een pendule geven, lepels, of een looper!
Nee. Bloemen maar. Das altijd goed: en das ’n hoop goedkooper...”
„Voor 10 pop bloemen!” wordt er dus, per telephoon, besteld:
Géén eigen smaak, géén poëzie, géén hart — alléén maar......geld!
d’Ontvangsalon wordt volgepropt met „blom”, in mand’ en potten —
En na een dag of twee staat daar voor honderden te rotten. —
De dag is daar. Zie ’t bruidspaar met de feestfamilie staan,
Als in de kas van een bloemist; en ’t Kostlijk Mal vangt aan.
Een zusje, stiekum met de lijst der gevers van de bloemen,
Lispt: „Diebedanken! —Dezeniet!” zoodra z’ ’n naam hoort noemen.
„Ik dank u! Ook uit naam van Pim! Wat ’n beeldige boeket!
Kijk, dáár: we hebb’ ’m wat vooraan (zusje schudt angstig ’t hoofd)...... wat achteraan gezet......
Dan... lijdt ie niet zoo van de zon”. (Zusje, wanhopig, te hard fluisterend): „Nee, hij heeft niks gegeven!” —
— „O, nee, pardon!... die ’s niet van mij; (snel tot een zwager) Zoo! hoe staatjouhet leven?......”
Dan haastig langs de halve maan; een knik, een grijns, een hand —
Een paar bêtises — voortgedrongen, naar den andren kant.
Daar moet je de cadeaux gaan zien. Twee bakvischjes in ’t rose
Staan bij de tafel, Ies en Iet, in elegante pose,
Om uit te leggen, voor ’t geval je suf bent, of bijziend,
Wie van elk ding de gever is, en waar elk ding voor dient.
„Dat is voor olie en azijn, van Miep. En daar die vaze’
Voor bloem’, — of zóó maar, voor het mooi — die zijn van tante Zwaze.[1]
’t Ameublement: van Grootpapa — ’t buffet is nog niet klaar,
Maar kijk, zóó wordt het. U begrijpt,ditis defotomaar.
Die lepeldoos is van oom Puk, die spergetang van Atie.
En dan van Juf — echt aardig hè? — een slabak; kijk, daar staat ie.
Dat kussen is van tante Zus. Dat zoutvat van oom Broer.”
„Hoe weet u ’t alles uit uw hoofd? Das toch ’n heele toer!” —
En zijn de meiskens even weg, om ginds wat te bedisselen,
Dan jeuken me de vingers om... de kaartjes te verwisselen:
B. v. dit, met ’t kroontje hier, toevallig wat „in ’t zicht”,
Te ruilen met dat kaartje, dat daar bij dieslabakligt!......
En waar dat alles nu voor dient? Je hoeft ’t niet te vragen:
Dat ’t bruidje ’t dure bruidstoilet nog eens een keer kan dragen!
Dáárvoor dient al die herrie. Want beken het maar oprecht:
Op geen receptie is ooit één verstandig woord gezegd!
[1]Françoise.
[1]Françoise.
„Als u het hart tot spreken dringt, zoo spreek!” — De Génestet.
„Als u het hart tot spreken dringt, zoo spreek!” — De Génestet.
Slachtoffers, luistert naar het lied, dat mij de ziel vervult:O, stumpers, ik beklaag je zoo! maar ’t is je eigen schuld.Daar ligt de invitatie-kaart voor ’t feest, voor het diner,Voor het congres, de plechtigheid, of voor het jubilé.Je hebt al dagen van te voren met je vrouw bepraat,Datjijer aan moet, jij moet speechen, toasten, als je gaat.Het heele feest is j’ al vergald — of neen, de heele week!En bij de pudding ril je zichtbaar, en je vrouw wordt bleek,Wanneer het onafwendbaar wordt... Daar komt het oogenblik...Je mes dwaalt angstig om je glas voor den fatalen tik......Daar zegt je buurvrouw j’ iets — goddank dat j’ even wachten mag!Het is een grap, je luistert half — grijnst, met zoo’n weeë lach......Nou moet het maar... „Mag ik misschien eens...” (niemand, die je hoort)„Mag ik misschien... hm, hm... misschien... mag ik een enkel woord...”Je stem is schor en beverig, en ’t anders flink geluidKlinkt vreemd en valsch en hoog en heesch, en ’t komt er stooterig uit:„Je wilt de aangename kout.., en d’ opgewekte toonNiet storen... maar het komt je voor... dat op een feest... zóó schoon...En op een dag als deze... waar wij allen, hier vereend...En... e... zoo feestlijk samenzijn... daar heb je toch gemeend...De tolk te zijn... de tolk van allen... die je om je ziet...Je zal niet heel véél zeggen... want... mooi spreken kan je nietMaar... als je met een enkel woord... ...e... met een enkel woord...Het vroolijke gekout... e... hm... een oogenblik verstoort...Dan is het voor... een woord van dank... van... e... erkentelijkheid...Voor ’t alleraangenaamste feest... ons allen hier bereid...Dàt moet je van het hart... en... ja... als je je niet bedriegt...Dan isditoogenblik je ’t schoonste... — zeg je, (en je liegt!) —Waaropjij... e... het voorrecht hebt... om hier een enkel woord...Ook namens — de afwezigen... die...” en zoo lal je voort.Je stapelt maar gemeenplaats op gemeenplaats, zonder end,Je stottert door, je weet niet meer hoe je begonnen bent.Je beelden zijn verkeerd bedacht, je zinnen zijn te lang,’t Gezelschap kijk bezorgd, en ’t wordt den gastheer wee en bang.„Op jou... e... rust als... oudste... ...e... de aangename taak...De gastvrouw, die dit... gul onthaal... met... vrouwelijke smaak...Zoo echt... gezellig heeft gemaakt... niets stijf, of officieel...Zoo niets te... weinig — hoe za’ j’ ’t zeggen? — ja... zoo niets te... veel...De gastheer, sjoviaal als steeds... die nooit... e... kosten spaart...Of moeite... om de gasten aan... zijn huiselijken haardt’ Ontvangen... zoo als steeds...e de traditie was ...e... die...Tot allebei... e... richt je...e... een woord van sympathie...Je zou de gastvrouw willen vergelijken bij... een roos...Het beeld... je weet het... is niet... nieuw... is uit de oude doos...Je zegt het maar omdat je ’t hier, toch zoo... toepaslijk vindt...Haar geuren zijn... de banden van de vriendschap... die ons bindt...”Dan duikel j’ in je angst terug naar d’ huiselijken haard,Nu is ’t de gastvrouw die geen kosten en geen moeite spaart,Enhijblijft sjoviaal en gul — jij bent tot driemaal toeDe tolk, en dat herhaal je maar, dat word je nimmer moe.En naar de wet van d’inertie, rolt rustloos zin na zin;Je vindt nog moeilijker je einde, dan daarnet ’t begin.„Toevallig las je dezer dagen (j’ hebt ’t expres gezocht!)Zoo’n aardig versje, als je dat hier ’s reciteeren mocht...’t Is zoo toepass’lijk op dit feest... wanneer de dichter zegt...e... hm... e... hm... e... hm... e... hm... (je trekt je dasje recht)...„Die Freundschaft ist... die Freundschaft ist... Brüder... man liebt... man sehnt...”Je stokt, je kent er niks meer van — je vrouw zit star-versteend,Ze hoort niet meer, ze ziet niet meer, ze slaakt een droge snik,En staart in ’t Niet, verdoft, versuft, met wezenloozen blik...O, menschen, doet toch niet zoo mal, en plaagt mekaar zoo niet!En als je aan den jubilaris d’ „enveloppe” biedt,Of als je aanzit aan den disch, bij ’t welgeslaagde feest —Zegt dan: „Van harte!” of zoo; me dunkt, dan is het mooi geweest.Slechts hij, die de gemeenplaats eert, vulgair is en banaal,Kritiekloos, en tevreden met laag-bij-de-grondsche taal,Houdt van dat eeuwige gezeur, zoo geestloos en zoo laf.Kom, maakt ’t mekaar gemakkelijk, en schaft het speechen af!
Slachtoffers, luistert naar het lied, dat mij de ziel vervult:O, stumpers, ik beklaag je zoo! maar ’t is je eigen schuld.Daar ligt de invitatie-kaart voor ’t feest, voor het diner,Voor het congres, de plechtigheid, of voor het jubilé.Je hebt al dagen van te voren met je vrouw bepraat,Datjijer aan moet, jij moet speechen, toasten, als je gaat.Het heele feest is j’ al vergald — of neen, de heele week!En bij de pudding ril je zichtbaar, en je vrouw wordt bleek,Wanneer het onafwendbaar wordt... Daar komt het oogenblik...Je mes dwaalt angstig om je glas voor den fatalen tik......Daar zegt je buurvrouw j’ iets — goddank dat j’ even wachten mag!Het is een grap, je luistert half — grijnst, met zoo’n weeë lach......Nou moet het maar... „Mag ik misschien eens...” (niemand, die je hoort)„Mag ik misschien... hm, hm... misschien... mag ik een enkel woord...”Je stem is schor en beverig, en ’t anders flink geluidKlinkt vreemd en valsch en hoog en heesch, en ’t komt er stooterig uit:„Je wilt de aangename kout.., en d’ opgewekte toonNiet storen... maar het komt je voor... dat op een feest... zóó schoon...En op een dag als deze... waar wij allen, hier vereend...En... e... zoo feestlijk samenzijn... daar heb je toch gemeend...De tolk te zijn... de tolk van allen... die je om je ziet...Je zal niet heel véél zeggen... want... mooi spreken kan je nietMaar... als je met een enkel woord... ...e... met een enkel woord...Het vroolijke gekout... e... hm... een oogenblik verstoort...Dan is het voor... een woord van dank... van... e... erkentelijkheid...Voor ’t alleraangenaamste feest... ons allen hier bereid...Dàt moet je van het hart... en... ja... als je je niet bedriegt...Dan isditoogenblik je ’t schoonste... — zeg je, (en je liegt!) —Waaropjij... e... het voorrecht hebt... om hier een enkel woord...Ook namens — de afwezigen... die...” en zoo lal je voort.Je stapelt maar gemeenplaats op gemeenplaats, zonder end,Je stottert door, je weet niet meer hoe je begonnen bent.Je beelden zijn verkeerd bedacht, je zinnen zijn te lang,’t Gezelschap kijk bezorgd, en ’t wordt den gastheer wee en bang.„Op jou... e... rust als... oudste... ...e... de aangename taak...De gastvrouw, die dit... gul onthaal... met... vrouwelijke smaak...Zoo echt... gezellig heeft gemaakt... niets stijf, of officieel...Zoo niets te... weinig — hoe za’ j’ ’t zeggen? — ja... zoo niets te... veel...De gastheer, sjoviaal als steeds... die nooit... e... kosten spaart...Of moeite... om de gasten aan... zijn huiselijken haardt’ Ontvangen... zoo als steeds...e de traditie was ...e... die...Tot allebei... e... richt je...e... een woord van sympathie...Je zou de gastvrouw willen vergelijken bij... een roos...Het beeld... je weet het... is niet... nieuw... is uit de oude doos...Je zegt het maar omdat je ’t hier, toch zoo... toepaslijk vindt...Haar geuren zijn... de banden van de vriendschap... die ons bindt...”Dan duikel j’ in je angst terug naar d’ huiselijken haard,Nu is ’t de gastvrouw die geen kosten en geen moeite spaart,Enhijblijft sjoviaal en gul — jij bent tot driemaal toeDe tolk, en dat herhaal je maar, dat word je nimmer moe.En naar de wet van d’inertie, rolt rustloos zin na zin;Je vindt nog moeilijker je einde, dan daarnet ’t begin.„Toevallig las je dezer dagen (j’ hebt ’t expres gezocht!)Zoo’n aardig versje, als je dat hier ’s reciteeren mocht...’t Is zoo toepass’lijk op dit feest... wanneer de dichter zegt...e... hm... e... hm... e... hm... e... hm... (je trekt je dasje recht)...„Die Freundschaft ist... die Freundschaft ist... Brüder... man liebt... man sehnt...”Je stokt, je kent er niks meer van — je vrouw zit star-versteend,Ze hoort niet meer, ze ziet niet meer, ze slaakt een droge snik,En staart in ’t Niet, verdoft, versuft, met wezenloozen blik...O, menschen, doet toch niet zoo mal, en plaagt mekaar zoo niet!En als je aan den jubilaris d’ „enveloppe” biedt,Of als je aanzit aan den disch, bij ’t welgeslaagde feest —Zegt dan: „Van harte!” of zoo; me dunkt, dan is het mooi geweest.Slechts hij, die de gemeenplaats eert, vulgair is en banaal,Kritiekloos, en tevreden met laag-bij-de-grondsche taal,Houdt van dat eeuwige gezeur, zoo geestloos en zoo laf.Kom, maakt ’t mekaar gemakkelijk, en schaft het speechen af!
Slachtoffers, luistert naar het lied, dat mij de ziel vervult:O, stumpers, ik beklaag je zoo! maar ’t is je eigen schuld.Daar ligt de invitatie-kaart voor ’t feest, voor het diner,Voor het congres, de plechtigheid, of voor het jubilé.Je hebt al dagen van te voren met je vrouw bepraat,Datjijer aan moet, jij moet speechen, toasten, als je gaat.Het heele feest is j’ al vergald — of neen, de heele week!En bij de pudding ril je zichtbaar, en je vrouw wordt bleek,Wanneer het onafwendbaar wordt... Daar komt het oogenblik...Je mes dwaalt angstig om je glas voor den fatalen tik......Daar zegt je buurvrouw j’ iets — goddank dat j’ even wachten mag!Het is een grap, je luistert half — grijnst, met zoo’n weeë lach......Nou moet het maar... „Mag ik misschien eens...” (niemand, die je hoort)„Mag ik misschien... hm, hm... misschien... mag ik een enkel woord...”Je stem is schor en beverig, en ’t anders flink geluidKlinkt vreemd en valsch en hoog en heesch, en ’t komt er stooterig uit:„Je wilt de aangename kout.., en d’ opgewekte toonNiet storen... maar het komt je voor... dat op een feest... zóó schoon...En op een dag als deze... waar wij allen, hier vereend...En... e... zoo feestlijk samenzijn... daar heb je toch gemeend...De tolk te zijn... de tolk van allen... die je om je ziet...Je zal niet heel véél zeggen... want... mooi spreken kan je nietMaar... als je met een enkel woord... ...e... met een enkel woord...Het vroolijke gekout... e... hm... een oogenblik verstoort...Dan is het voor... een woord van dank... van... e... erkentelijkheid...Voor ’t alleraangenaamste feest... ons allen hier bereid...Dàt moet je van het hart... en... ja... als je je niet bedriegt...Dan isditoogenblik je ’t schoonste... — zeg je, (en je liegt!) —Waaropjij... e... het voorrecht hebt... om hier een enkel woord...Ook namens — de afwezigen... die...” en zoo lal je voort.Je stapelt maar gemeenplaats op gemeenplaats, zonder end,Je stottert door, je weet niet meer hoe je begonnen bent.Je beelden zijn verkeerd bedacht, je zinnen zijn te lang,’t Gezelschap kijk bezorgd, en ’t wordt den gastheer wee en bang.„Op jou... e... rust als... oudste... ...e... de aangename taak...De gastvrouw, die dit... gul onthaal... met... vrouwelijke smaak...Zoo echt... gezellig heeft gemaakt... niets stijf, of officieel...Zoo niets te... weinig — hoe za’ j’ ’t zeggen? — ja... zoo niets te... veel...De gastheer, sjoviaal als steeds... die nooit... e... kosten spaart...Of moeite... om de gasten aan... zijn huiselijken haardt’ Ontvangen... zoo als steeds...e de traditie was ...e... die...Tot allebei... e... richt je...e... een woord van sympathie...Je zou de gastvrouw willen vergelijken bij... een roos...Het beeld... je weet het... is niet... nieuw... is uit de oude doos...Je zegt het maar omdat je ’t hier, toch zoo... toepaslijk vindt...Haar geuren zijn... de banden van de vriendschap... die ons bindt...”Dan duikel j’ in je angst terug naar d’ huiselijken haard,Nu is ’t de gastvrouw die geen kosten en geen moeite spaart,Enhijblijft sjoviaal en gul — jij bent tot driemaal toeDe tolk, en dat herhaal je maar, dat word je nimmer moe.En naar de wet van d’inertie, rolt rustloos zin na zin;Je vindt nog moeilijker je einde, dan daarnet ’t begin.„Toevallig las je dezer dagen (j’ hebt ’t expres gezocht!)Zoo’n aardig versje, als je dat hier ’s reciteeren mocht...’t Is zoo toepass’lijk op dit feest... wanneer de dichter zegt...e... hm... e... hm... e... hm... e... hm... (je trekt je dasje recht)...„Die Freundschaft ist... die Freundschaft ist... Brüder... man liebt... man sehnt...”Je stokt, je kent er niks meer van — je vrouw zit star-versteend,Ze hoort niet meer, ze ziet niet meer, ze slaakt een droge snik,En staart in ’t Niet, verdoft, versuft, met wezenloozen blik...O, menschen, doet toch niet zoo mal, en plaagt mekaar zoo niet!En als je aan den jubilaris d’ „enveloppe” biedt,Of als je aanzit aan den disch, bij ’t welgeslaagde feest —Zegt dan: „Van harte!” of zoo; me dunkt, dan is het mooi geweest.Slechts hij, die de gemeenplaats eert, vulgair is en banaal,Kritiekloos, en tevreden met laag-bij-de-grondsche taal,Houdt van dat eeuwige gezeur, zoo geestloos en zoo laf.Kom, maakt ’t mekaar gemakkelijk, en schaft het speechen af!
Slachtoffers, luistert naar het lied, dat mij de ziel vervult:
O, stumpers, ik beklaag je zoo! maar ’t is je eigen schuld.
Daar ligt de invitatie-kaart voor ’t feest, voor het diner,
Voor het congres, de plechtigheid, of voor het jubilé.
Je hebt al dagen van te voren met je vrouw bepraat,
Datjijer aan moet, jij moet speechen, toasten, als je gaat.
Het heele feest is j’ al vergald — of neen, de heele week!
En bij de pudding ril je zichtbaar, en je vrouw wordt bleek,
Wanneer het onafwendbaar wordt... Daar komt het oogenblik...
Je mes dwaalt angstig om je glas voor den fatalen tik......
Daar zegt je buurvrouw j’ iets — goddank dat j’ even wachten mag!
Het is een grap, je luistert half — grijnst, met zoo’n weeë lach......
Nou moet het maar... „Mag ik misschien eens...” (niemand, die je hoort)
„Mag ik misschien... hm, hm... misschien... mag ik een enkel woord...”
Je stem is schor en beverig, en ’t anders flink geluid
Klinkt vreemd en valsch en hoog en heesch, en ’t komt er stooterig uit:
„Je wilt de aangename kout.., en d’ opgewekte toon
Niet storen... maar het komt je voor... dat op een feest... zóó schoon...
En op een dag als deze... waar wij allen, hier vereend...
En... e... zoo feestlijk samenzijn... daar heb je toch gemeend...
De tolk te zijn... de tolk van allen... die je om je ziet...
Je zal niet heel véél zeggen... want... mooi spreken kan je niet
Maar... als je met een enkel woord... ...e... met een enkel woord...
Het vroolijke gekout... e... hm... een oogenblik verstoort...
Dan is het voor... een woord van dank... van... e... erkentelijkheid...
Voor ’t alleraangenaamste feest... ons allen hier bereid...
Dàt moet je van het hart... en... ja... als je je niet bedriegt...
Dan isditoogenblik je ’t schoonste... — zeg je, (en je liegt!) —
Waaropjij... e... het voorrecht hebt... om hier een enkel woord...
Ook namens — de afwezigen... die...” en zoo lal je voort.
Je stapelt maar gemeenplaats op gemeenplaats, zonder end,
Je stottert door, je weet niet meer hoe je begonnen bent.
Je beelden zijn verkeerd bedacht, je zinnen zijn te lang,
’t Gezelschap kijk bezorgd, en ’t wordt den gastheer wee en bang.
„Op jou... e... rust als... oudste... ...e... de aangename taak...
De gastvrouw, die dit... gul onthaal... met... vrouwelijke smaak...
Zoo echt... gezellig heeft gemaakt... niets stijf, of officieel...
Zoo niets te... weinig — hoe za’ j’ ’t zeggen? — ja... zoo niets te... veel...
De gastheer, sjoviaal als steeds... die nooit... e... kosten spaart...
Of moeite... om de gasten aan... zijn huiselijken haard
t’ Ontvangen... zoo als steeds...e de traditie was ...e... die...
Tot allebei... e... richt je...e... een woord van sympathie...
Je zou de gastvrouw willen vergelijken bij... een roos...
Het beeld... je weet het... is niet... nieuw... is uit de oude doos...
Je zegt het maar omdat je ’t hier, toch zoo... toepaslijk vindt...
Haar geuren zijn... de banden van de vriendschap... die ons bindt...”
Dan duikel j’ in je angst terug naar d’ huiselijken haard,
Nu is ’t de gastvrouw die geen kosten en geen moeite spaart,
Enhijblijft sjoviaal en gul — jij bent tot driemaal toe
De tolk, en dat herhaal je maar, dat word je nimmer moe.
En naar de wet van d’inertie, rolt rustloos zin na zin;
Je vindt nog moeilijker je einde, dan daarnet ’t begin.
„Toevallig las je dezer dagen (j’ hebt ’t expres gezocht!)
Zoo’n aardig versje, als je dat hier ’s reciteeren mocht...
’t Is zoo toepass’lijk op dit feest... wanneer de dichter zegt...
e... hm... e... hm... e... hm... e... hm... (je trekt je dasje recht)...
„Die Freundschaft ist... die Freundschaft ist... Brüder... man liebt... man sehnt...”
Je stokt, je kent er niks meer van — je vrouw zit star-versteend,
Ze hoort niet meer, ze ziet niet meer, ze slaakt een droge snik,
En staart in ’t Niet, verdoft, versuft, met wezenloozen blik...
O, menschen, doet toch niet zoo mal, en plaagt mekaar zoo niet!
En als je aan den jubilaris d’ „enveloppe” biedt,
Of als je aanzit aan den disch, bij ’t welgeslaagde feest —
Zegt dan: „Van harte!” of zoo; me dunkt, dan is het mooi geweest.
Slechts hij, die de gemeenplaats eert, vulgair is en banaal,
Kritiekloos, en tevreden met laag-bij-de-grondsche taal,
Houdt van dat eeuwige gezeur, zoo geestloos en zoo laf.
Kom, maakt ’t mekaar gemakkelijk, en schaft het speechen af!
Wel is het een macaber lied, dat ik u thans ga zingen:’t Luguber lied der diepbedroefde aanbehuwdelingen.Want weet, zoo heet je; met een woord, waar elk net mensch van gruwt,Wanneer er iemand sterft, dan wor je plotseling „aanbehuwd.”Zoo: onze Moeder, Tante, Nicht — je kunt het nog verlengen —En dan hetinnige geliefde„buiten haakjes brengen.”Dan een dozijn verwanten, allemaal even zwaar beproefd,Soms groepsgewijs: „en kinderen” — maar ieder diepbedroefd!En elk familielid — wie weet, met hoeveel vreugd begroef hij ’t! —Is overleden — naar de krant zegt — „tot zijne diepe droefheid.”O leugentaal, kolommen lang, die ’t advertentiebladVan iedere krant dag in dag uit, met frisschen moed, bekladt!O diep-bedroefde achterneef, o hecht-verknochte tante!O innig-minnend oud-oom, o geknakte bloedverwante!Houdt op met je vulgair gelieg, geen mensch gelooft een woordVan al je droefheid — geadverteerd, „omdat het nu zoo hoort.”’t Is, als je d’advertenties leest, of j’ al die zwagers, nichten,In wilden jammer ziet, met scheefverwrongen smartgezichten!En toch, bij al die handenwringers, in de krant vereend,Vin j’, om de tien annonces, wellicht soms eens één, die ’t meent.En gij, die ’t meent...!hebt gij met uw verdriet te koop te loopenVoor jan-en-all’man, die de krant voor tien cent wenscht te koopen?Is „innig” nietintiem, enstil? Is alle innigheidNiet met dat groveadverteerenin flagranten strijd?O gij, die ’t meent...!moet gij met uw geklaag de kranten vullen?Wat hebt g’ uw teere liefde en leed ter markte uit te brullen?Gevoelt gij niet, dat gij den doode en u zelf onteert?Dat gij met uw banaal gezwets uw smart...prostitueert?Uw liefd’ en levensleed vlak naast de schitterendste reclames:„Artikelen voor heeren,” en die pillen... hm! voor dames!Te midden van vermaaklijkheden, zwendel en bedrog,Naast Bioskopen, en Revues... „Hoera, we leven nog!”En waar je droeve klacht ten slotte, na een, twee, drie dagenBelandt! Daar moet je eigenlijk maar liever niet naar vragen!Kom. Laat ons eind’gen met ’t doen schallen van dat valsch geluid,En schrijven: „Heden overleed...” (de naam) — en daarmee uit.
Wel is het een macaber lied, dat ik u thans ga zingen:’t Luguber lied der diepbedroefde aanbehuwdelingen.Want weet, zoo heet je; met een woord, waar elk net mensch van gruwt,Wanneer er iemand sterft, dan wor je plotseling „aanbehuwd.”Zoo: onze Moeder, Tante, Nicht — je kunt het nog verlengen —En dan hetinnige geliefde„buiten haakjes brengen.”Dan een dozijn verwanten, allemaal even zwaar beproefd,Soms groepsgewijs: „en kinderen” — maar ieder diepbedroefd!En elk familielid — wie weet, met hoeveel vreugd begroef hij ’t! —Is overleden — naar de krant zegt — „tot zijne diepe droefheid.”O leugentaal, kolommen lang, die ’t advertentiebladVan iedere krant dag in dag uit, met frisschen moed, bekladt!O diep-bedroefde achterneef, o hecht-verknochte tante!O innig-minnend oud-oom, o geknakte bloedverwante!Houdt op met je vulgair gelieg, geen mensch gelooft een woordVan al je droefheid — geadverteerd, „omdat het nu zoo hoort.”’t Is, als je d’advertenties leest, of j’ al die zwagers, nichten,In wilden jammer ziet, met scheefverwrongen smartgezichten!En toch, bij al die handenwringers, in de krant vereend,Vin j’, om de tien annonces, wellicht soms eens één, die ’t meent.En gij, die ’t meent...!hebt gij met uw verdriet te koop te loopenVoor jan-en-all’man, die de krant voor tien cent wenscht te koopen?Is „innig” nietintiem, enstil? Is alle innigheidNiet met dat groveadverteerenin flagranten strijd?O gij, die ’t meent...!moet gij met uw geklaag de kranten vullen?Wat hebt g’ uw teere liefde en leed ter markte uit te brullen?Gevoelt gij niet, dat gij den doode en u zelf onteert?Dat gij met uw banaal gezwets uw smart...prostitueert?Uw liefd’ en levensleed vlak naast de schitterendste reclames:„Artikelen voor heeren,” en die pillen... hm! voor dames!Te midden van vermaaklijkheden, zwendel en bedrog,Naast Bioskopen, en Revues... „Hoera, we leven nog!”En waar je droeve klacht ten slotte, na een, twee, drie dagenBelandt! Daar moet je eigenlijk maar liever niet naar vragen!Kom. Laat ons eind’gen met ’t doen schallen van dat valsch geluid,En schrijven: „Heden overleed...” (de naam) — en daarmee uit.
Wel is het een macaber lied, dat ik u thans ga zingen:’t Luguber lied der diepbedroefde aanbehuwdelingen.Want weet, zoo heet je; met een woord, waar elk net mensch van gruwt,Wanneer er iemand sterft, dan wor je plotseling „aanbehuwd.”Zoo: onze Moeder, Tante, Nicht — je kunt het nog verlengen —En dan hetinnige geliefde„buiten haakjes brengen.”Dan een dozijn verwanten, allemaal even zwaar beproefd,Soms groepsgewijs: „en kinderen” — maar ieder diepbedroefd!En elk familielid — wie weet, met hoeveel vreugd begroef hij ’t! —Is overleden — naar de krant zegt — „tot zijne diepe droefheid.”O leugentaal, kolommen lang, die ’t advertentiebladVan iedere krant dag in dag uit, met frisschen moed, bekladt!O diep-bedroefde achterneef, o hecht-verknochte tante!O innig-minnend oud-oom, o geknakte bloedverwante!Houdt op met je vulgair gelieg, geen mensch gelooft een woordVan al je droefheid — geadverteerd, „omdat het nu zoo hoort.”’t Is, als je d’advertenties leest, of j’ al die zwagers, nichten,In wilden jammer ziet, met scheefverwrongen smartgezichten!En toch, bij al die handenwringers, in de krant vereend,Vin j’, om de tien annonces, wellicht soms eens één, die ’t meent.En gij, die ’t meent...!hebt gij met uw verdriet te koop te loopenVoor jan-en-all’man, die de krant voor tien cent wenscht te koopen?Is „innig” nietintiem, enstil? Is alle innigheidNiet met dat groveadverteerenin flagranten strijd?O gij, die ’t meent...!moet gij met uw geklaag de kranten vullen?Wat hebt g’ uw teere liefde en leed ter markte uit te brullen?Gevoelt gij niet, dat gij den doode en u zelf onteert?Dat gij met uw banaal gezwets uw smart...prostitueert?Uw liefd’ en levensleed vlak naast de schitterendste reclames:„Artikelen voor heeren,” en die pillen... hm! voor dames!Te midden van vermaaklijkheden, zwendel en bedrog,Naast Bioskopen, en Revues... „Hoera, we leven nog!”En waar je droeve klacht ten slotte, na een, twee, drie dagenBelandt! Daar moet je eigenlijk maar liever niet naar vragen!Kom. Laat ons eind’gen met ’t doen schallen van dat valsch geluid,En schrijven: „Heden overleed...” (de naam) — en daarmee uit.
Wel is het een macaber lied, dat ik u thans ga zingen:
’t Luguber lied der diepbedroefde aanbehuwdelingen.
Want weet, zoo heet je; met een woord, waar elk net mensch van gruwt,
Wanneer er iemand sterft, dan wor je plotseling „aanbehuwd.”
Zoo: onze Moeder, Tante, Nicht — je kunt het nog verlengen —
En dan hetinnige geliefde„buiten haakjes brengen.”
Dan een dozijn verwanten, allemaal even zwaar beproefd,
Soms groepsgewijs: „en kinderen” — maar ieder diepbedroefd!
En elk familielid — wie weet, met hoeveel vreugd begroef hij ’t! —
Is overleden — naar de krant zegt — „tot zijne diepe droefheid.”
O leugentaal, kolommen lang, die ’t advertentieblad
Van iedere krant dag in dag uit, met frisschen moed, bekladt!
O diep-bedroefde achterneef, o hecht-verknochte tante!
O innig-minnend oud-oom, o geknakte bloedverwante!
Houdt op met je vulgair gelieg, geen mensch gelooft een woord
Van al je droefheid — geadverteerd, „omdat het nu zoo hoort.”
’t Is, als je d’advertenties leest, of j’ al die zwagers, nichten,
In wilden jammer ziet, met scheefverwrongen smartgezichten!
En toch, bij al die handenwringers, in de krant vereend,
Vin j’, om de tien annonces, wellicht soms eens één, die ’t meent.
En gij, die ’t meent...!hebt gij met uw verdriet te koop te loopen
Voor jan-en-all’man, die de krant voor tien cent wenscht te koopen?
Is „innig” nietintiem, enstil? Is alle innigheid
Niet met dat groveadverteerenin flagranten strijd?
O gij, die ’t meent...!moet gij met uw geklaag de kranten vullen?
Wat hebt g’ uw teere liefde en leed ter markte uit te brullen?
Gevoelt gij niet, dat gij den doode en u zelf onteert?
Dat gij met uw banaal gezwets uw smart...prostitueert?
Uw liefd’ en levensleed vlak naast de schitterendste reclames:
„Artikelen voor heeren,” en die pillen... hm! voor dames!
Te midden van vermaaklijkheden, zwendel en bedrog,
Naast Bioskopen, en Revues... „Hoera, we leven nog!”
En waar je droeve klacht ten slotte, na een, twee, drie dagen
Belandt! Daar moet je eigenlijk maar liever niet naar vragen!
Kom. Laat ons eind’gen met ’t doen schallen van dat valsch geluid,
En schrijven: „Heden overleed...” (de naam) — en daarmee uit.
(Stel het vast voor jezelf. Beschrijf het. Laten je nabestaanden het vinden.Do it now!)
Ach, menschen, als het mooglijk is, bespaart me zooveel doenlijkEen brave-man’s begrafenis: begraaft me niet fatsoenlijk.Ik heb zoo gruwelijk ’t land aan al ’t gemaakte, ’t opgeschroefdeVan zoo’n partij van heele, halve, kwart- en niet-bedroefde’.Ik zie ’t al voor me, hoe het gaat: mijn kamer half in ’t duister,De vriendenkring in zacht gepraat, gemompel en gefluister.De ramen zijn natuurlijk dicht, en dicht zijn de gordijnen,Want op gelegenheidsgezichten moet de zon niet schijnen.De vrienden van den doode zijn gekleed in lange jassen,Die vrijwel uit de mode zijn, en die niet goed meer passen.En daar bij zoo’n gelegenheid ’t gezelschap meest wat flauw is,Wordt port gediend door Mie, de meid, die ook al in de rouw is.En trots je smart geniet je kalm van alle goede zaken:Zoo’n broodje met gerookte zalm, dat laat zich nog wel smaken.’k Weet zeker, dat ’k mijn doode oor te luisteren zal leggen,En ’t is m’ alsof ik nu al hoor, wat of ze van me zeggen:„Hij was eenvriend, in d’ echten zin, een man, waar je op konbouwen,Een hart van goud, vol menschenmin — je kon die manvertrouwen!”„Ja, wel heelschielijkging hij heen!” hoor ’k mij in d’ooren klinken,(’t Woord „schielijk” zeggen z’ ook alleen bij doodgaan — en bij drinken.)„Nuwashij in de laatste tijd tochnietmeer zoo de oude.” —„Dat hoestje — ’k heb ’t zoo vaak gezeid, dat ik het niet vertrouwde!” —„Zóó ben je levend,” zegt mijn nicht, „zóó overvalt de dood je!” —En met een diepbedroefd gezicht hapt z’ in haar vierde broodje.Je mag niet over ’t lot van Duitschland of van Frankrijk praten,’t Gesprek bestaat dan enkel uit bêtises — en hiaten.Bedenk j’ iets geks bij ongeluk, laat dat vooral niet blijken,Je moet maar aldoor, aan-één-stuk, strak-somber blijven kijken.Nu spreek ik nog van ’t kerkhof niet, waar menschen zich verspreken,Waar je — hoe graag je ’t anders liet — „onmooglijk kunt ontbreken.”Waar heeren bij de „laatste groet” de hooge zijden houdenZoo even boven ’t hoofd — dat moet: je wordt zoo licht verkouden...Och, vrienden, als het mooglijk is, bespaart mij zooveel doenlijkEen brave-man’s begrafenis, begraaft me niet fatsoenlijk!... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ...Daar gaat mijn stoet, de paarden stappen met gebogen koppen......En in het laatste rijtuig tappen d’ heeren vuile moppen.
Ach, menschen, als het mooglijk is, bespaart me zooveel doenlijkEen brave-man’s begrafenis: begraaft me niet fatsoenlijk.Ik heb zoo gruwelijk ’t land aan al ’t gemaakte, ’t opgeschroefdeVan zoo’n partij van heele, halve, kwart- en niet-bedroefde’.Ik zie ’t al voor me, hoe het gaat: mijn kamer half in ’t duister,De vriendenkring in zacht gepraat, gemompel en gefluister.De ramen zijn natuurlijk dicht, en dicht zijn de gordijnen,Want op gelegenheidsgezichten moet de zon niet schijnen.De vrienden van den doode zijn gekleed in lange jassen,Die vrijwel uit de mode zijn, en die niet goed meer passen.En daar bij zoo’n gelegenheid ’t gezelschap meest wat flauw is,Wordt port gediend door Mie, de meid, die ook al in de rouw is.En trots je smart geniet je kalm van alle goede zaken:Zoo’n broodje met gerookte zalm, dat laat zich nog wel smaken.’k Weet zeker, dat ’k mijn doode oor te luisteren zal leggen,En ’t is m’ alsof ik nu al hoor, wat of ze van me zeggen:„Hij was eenvriend, in d’ echten zin, een man, waar je op konbouwen,Een hart van goud, vol menschenmin — je kon die manvertrouwen!”„Ja, wel heelschielijkging hij heen!” hoor ’k mij in d’ooren klinken,(’t Woord „schielijk” zeggen z’ ook alleen bij doodgaan — en bij drinken.)„Nuwashij in de laatste tijd tochnietmeer zoo de oude.” —„Dat hoestje — ’k heb ’t zoo vaak gezeid, dat ik het niet vertrouwde!” —„Zóó ben je levend,” zegt mijn nicht, „zóó overvalt de dood je!” —En met een diepbedroefd gezicht hapt z’ in haar vierde broodje.Je mag niet over ’t lot van Duitschland of van Frankrijk praten,’t Gesprek bestaat dan enkel uit bêtises — en hiaten.Bedenk j’ iets geks bij ongeluk, laat dat vooral niet blijken,Je moet maar aldoor, aan-één-stuk, strak-somber blijven kijken.Nu spreek ik nog van ’t kerkhof niet, waar menschen zich verspreken,Waar je — hoe graag je ’t anders liet — „onmooglijk kunt ontbreken.”Waar heeren bij de „laatste groet” de hooge zijden houdenZoo even boven ’t hoofd — dat moet: je wordt zoo licht verkouden...Och, vrienden, als het mooglijk is, bespaart mij zooveel doenlijkEen brave-man’s begrafenis, begraaft me niet fatsoenlijk!... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ...Daar gaat mijn stoet, de paarden stappen met gebogen koppen......En in het laatste rijtuig tappen d’ heeren vuile moppen.
Ach, menschen, als het mooglijk is, bespaart me zooveel doenlijkEen brave-man’s begrafenis: begraaft me niet fatsoenlijk.Ik heb zoo gruwelijk ’t land aan al ’t gemaakte, ’t opgeschroefdeVan zoo’n partij van heele, halve, kwart- en niet-bedroefde’.Ik zie ’t al voor me, hoe het gaat: mijn kamer half in ’t duister,De vriendenkring in zacht gepraat, gemompel en gefluister.De ramen zijn natuurlijk dicht, en dicht zijn de gordijnen,Want op gelegenheidsgezichten moet de zon niet schijnen.De vrienden van den doode zijn gekleed in lange jassen,Die vrijwel uit de mode zijn, en die niet goed meer passen.En daar bij zoo’n gelegenheid ’t gezelschap meest wat flauw is,Wordt port gediend door Mie, de meid, die ook al in de rouw is.En trots je smart geniet je kalm van alle goede zaken:Zoo’n broodje met gerookte zalm, dat laat zich nog wel smaken.’k Weet zeker, dat ’k mijn doode oor te luisteren zal leggen,En ’t is m’ alsof ik nu al hoor, wat of ze van me zeggen:„Hij was eenvriend, in d’ echten zin, een man, waar je op konbouwen,Een hart van goud, vol menschenmin — je kon die manvertrouwen!”„Ja, wel heelschielijkging hij heen!” hoor ’k mij in d’ooren klinken,(’t Woord „schielijk” zeggen z’ ook alleen bij doodgaan — en bij drinken.)„Nuwashij in de laatste tijd tochnietmeer zoo de oude.” —„Dat hoestje — ’k heb ’t zoo vaak gezeid, dat ik het niet vertrouwde!” —„Zóó ben je levend,” zegt mijn nicht, „zóó overvalt de dood je!” —En met een diepbedroefd gezicht hapt z’ in haar vierde broodje.Je mag niet over ’t lot van Duitschland of van Frankrijk praten,’t Gesprek bestaat dan enkel uit bêtises — en hiaten.Bedenk j’ iets geks bij ongeluk, laat dat vooral niet blijken,Je moet maar aldoor, aan-één-stuk, strak-somber blijven kijken.Nu spreek ik nog van ’t kerkhof niet, waar menschen zich verspreken,Waar je — hoe graag je ’t anders liet — „onmooglijk kunt ontbreken.”Waar heeren bij de „laatste groet” de hooge zijden houdenZoo even boven ’t hoofd — dat moet: je wordt zoo licht verkouden...Och, vrienden, als het mooglijk is, bespaart mij zooveel doenlijkEen brave-man’s begrafenis, begraaft me niet fatsoenlijk!... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ...Daar gaat mijn stoet, de paarden stappen met gebogen koppen......En in het laatste rijtuig tappen d’ heeren vuile moppen.
Ach, menschen, als het mooglijk is, bespaart me zooveel doenlijk
Een brave-man’s begrafenis: begraaft me niet fatsoenlijk.
Ik heb zoo gruwelijk ’t land aan al ’t gemaakte, ’t opgeschroefde
Van zoo’n partij van heele, halve, kwart- en niet-bedroefde’.
Ik zie ’t al voor me, hoe het gaat: mijn kamer half in ’t duister,
De vriendenkring in zacht gepraat, gemompel en gefluister.
De ramen zijn natuurlijk dicht, en dicht zijn de gordijnen,
Want op gelegenheidsgezichten moet de zon niet schijnen.
De vrienden van den doode zijn gekleed in lange jassen,
Die vrijwel uit de mode zijn, en die niet goed meer passen.
En daar bij zoo’n gelegenheid ’t gezelschap meest wat flauw is,
Wordt port gediend door Mie, de meid, die ook al in de rouw is.
En trots je smart geniet je kalm van alle goede zaken:
Zoo’n broodje met gerookte zalm, dat laat zich nog wel smaken.
’k Weet zeker, dat ’k mijn doode oor te luisteren zal leggen,
En ’t is m’ alsof ik nu al hoor, wat of ze van me zeggen:
„Hij was eenvriend, in d’ echten zin, een man, waar je op konbouwen,
Een hart van goud, vol menschenmin — je kon die manvertrouwen!”
„Ja, wel heelschielijkging hij heen!” hoor ’k mij in d’ooren klinken,
(’t Woord „schielijk” zeggen z’ ook alleen bij doodgaan — en bij drinken.)
„Nuwashij in de laatste tijd tochnietmeer zoo de oude.” —
„Dat hoestje — ’k heb ’t zoo vaak gezeid, dat ik het niet vertrouwde!” —
„Zóó ben je levend,” zegt mijn nicht, „zóó overvalt de dood je!” —
En met een diepbedroefd gezicht hapt z’ in haar vierde broodje.
Je mag niet over ’t lot van Duitschland of van Frankrijk praten,
’t Gesprek bestaat dan enkel uit bêtises — en hiaten.
Bedenk j’ iets geks bij ongeluk, laat dat vooral niet blijken,
Je moet maar aldoor, aan-één-stuk, strak-somber blijven kijken.
Nu spreek ik nog van ’t kerkhof niet, waar menschen zich verspreken,
Waar je — hoe graag je ’t anders liet — „onmooglijk kunt ontbreken.”
Waar heeren bij de „laatste groet” de hooge zijden houden
Zoo even boven ’t hoofd — dat moet: je wordt zoo licht verkouden...
Och, vrienden, als het mooglijk is, bespaart mij zooveel doenlijk
Een brave-man’s begrafenis, begraaft me niet fatsoenlijk!
... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ...
Daar gaat mijn stoet, de paarden stappen met gebogen koppen......
En in het laatste rijtuig tappen d’ heeren vuile moppen.
Leiddraad bij de keuze van een ambt of betrekking.
Leiddraad bij de keuze van een ambt of betrekking.
De liberale zoon spreekt:„De schoonste vinding van den tijd is — niet ’t blanco artikel,Noch d’auto, noch d’electrisch’, in ’t geheel zelfs geen vehikel,Noch vliegmachine, of bioscoop-met-grammophoon-er-bij,Die vinding is... de Christelijk-historische partij.’t Zit zoo. Wanneer ik een of ander baantje in ’t verschiet zie,Dan denk ik dad’lijk aan d’ onmisb’ren steun der coalitie.Ik word niet Roomsch. Dat gaat me wel een beetje àl te ver.En ’k word ook niet, dat snap je, antirevolutionair.Dat is zoo boersch, zoo „witte dasch”. Dan kan ik niet meer meegaan,Wanneer mijn vrienden naar de Schouwburg, Flora, of Carré gaan,Dan mag ik ’s Zondags niet meer voetbal, bridge of hockey spelen,Dan moet ik tweemaal in de kerk me zitten te vervelen.Neen. ’k Leen een bijbel van een vriend; die lees ’k zoo wat cursorisch,’k Ga eens per maand ter kerk. Dan ben ik Christelijk-historisch.Ik ben niet fel, ik kom niet in de hitte des gevechts,Ik zorg dat ’k niemand aanstoot geef: ik word „gematigd rechts.”Ik mag dan alles blijven doen, wat ’k deed in het verleden.Mijn vrienden lachen mij niet uit. Ik blijf me netjes kleeden,En ’t is zoo erg niet, als ’k ’s een ondeugend mopje tap.Ik houd niet van muziek, en daarom steun ’k door lidmaatschap:(Ik was nu lid van Toonkunst, waar ik toch nooit hene ging)De Christelijke-Oratorium-Vereeniging.’k Behoef niet door afwezigheid op ’t voetbalveld te schitteren,Ik mag naar bals gaan, ’s Zondags tenn’sen, bridgen zelfs, en bitteren.En ’k ben vol hoop op goed succes. De toekomst lacht mij tegen:Nu kan ’k weer soll-citeeren met gegronde hoop op zegen!„Wat moet mijn jongen worden?” vraagt een vader, categorisch,Het antwoord is eenvoudig, dunkt me: „Christelijk-historisch.”
De liberale zoon spreekt:„De schoonste vinding van den tijd is — niet ’t blanco artikel,Noch d’auto, noch d’electrisch’, in ’t geheel zelfs geen vehikel,Noch vliegmachine, of bioscoop-met-grammophoon-er-bij,Die vinding is... de Christelijk-historische partij.’t Zit zoo. Wanneer ik een of ander baantje in ’t verschiet zie,Dan denk ik dad’lijk aan d’ onmisb’ren steun der coalitie.Ik word niet Roomsch. Dat gaat me wel een beetje àl te ver.En ’k word ook niet, dat snap je, antirevolutionair.Dat is zoo boersch, zoo „witte dasch”. Dan kan ik niet meer meegaan,Wanneer mijn vrienden naar de Schouwburg, Flora, of Carré gaan,Dan mag ik ’s Zondags niet meer voetbal, bridge of hockey spelen,Dan moet ik tweemaal in de kerk me zitten te vervelen.Neen. ’k Leen een bijbel van een vriend; die lees ’k zoo wat cursorisch,’k Ga eens per maand ter kerk. Dan ben ik Christelijk-historisch.Ik ben niet fel, ik kom niet in de hitte des gevechts,Ik zorg dat ’k niemand aanstoot geef: ik word „gematigd rechts.”Ik mag dan alles blijven doen, wat ’k deed in het verleden.Mijn vrienden lachen mij niet uit. Ik blijf me netjes kleeden,En ’t is zoo erg niet, als ’k ’s een ondeugend mopje tap.Ik houd niet van muziek, en daarom steun ’k door lidmaatschap:(Ik was nu lid van Toonkunst, waar ik toch nooit hene ging)De Christelijke-Oratorium-Vereeniging.’k Behoef niet door afwezigheid op ’t voetbalveld te schitteren,Ik mag naar bals gaan, ’s Zondags tenn’sen, bridgen zelfs, en bitteren.En ’k ben vol hoop op goed succes. De toekomst lacht mij tegen:Nu kan ’k weer soll-citeeren met gegronde hoop op zegen!„Wat moet mijn jongen worden?” vraagt een vader, categorisch,Het antwoord is eenvoudig, dunkt me: „Christelijk-historisch.”
De liberale zoon spreekt:
De liberale zoon spreekt:
„De schoonste vinding van den tijd is — niet ’t blanco artikel,Noch d’auto, noch d’electrisch’, in ’t geheel zelfs geen vehikel,Noch vliegmachine, of bioscoop-met-grammophoon-er-bij,Die vinding is... de Christelijk-historische partij.’t Zit zoo. Wanneer ik een of ander baantje in ’t verschiet zie,Dan denk ik dad’lijk aan d’ onmisb’ren steun der coalitie.Ik word niet Roomsch. Dat gaat me wel een beetje àl te ver.En ’k word ook niet, dat snap je, antirevolutionair.Dat is zoo boersch, zoo „witte dasch”. Dan kan ik niet meer meegaan,Wanneer mijn vrienden naar de Schouwburg, Flora, of Carré gaan,Dan mag ik ’s Zondags niet meer voetbal, bridge of hockey spelen,Dan moet ik tweemaal in de kerk me zitten te vervelen.Neen. ’k Leen een bijbel van een vriend; die lees ’k zoo wat cursorisch,’k Ga eens per maand ter kerk. Dan ben ik Christelijk-historisch.Ik ben niet fel, ik kom niet in de hitte des gevechts,Ik zorg dat ’k niemand aanstoot geef: ik word „gematigd rechts.”Ik mag dan alles blijven doen, wat ’k deed in het verleden.Mijn vrienden lachen mij niet uit. Ik blijf me netjes kleeden,En ’t is zoo erg niet, als ’k ’s een ondeugend mopje tap.Ik houd niet van muziek, en daarom steun ’k door lidmaatschap:(Ik was nu lid van Toonkunst, waar ik toch nooit hene ging)De Christelijke-Oratorium-Vereeniging.’k Behoef niet door afwezigheid op ’t voetbalveld te schitteren,Ik mag naar bals gaan, ’s Zondags tenn’sen, bridgen zelfs, en bitteren.En ’k ben vol hoop op goed succes. De toekomst lacht mij tegen:Nu kan ’k weer soll-citeeren met gegronde hoop op zegen!„Wat moet mijn jongen worden?” vraagt een vader, categorisch,Het antwoord is eenvoudig, dunkt me: „Christelijk-historisch.”
„De schoonste vinding van den tijd is — niet ’t blanco artikel,
Noch d’auto, noch d’electrisch’, in ’t geheel zelfs geen vehikel,
Noch vliegmachine, of bioscoop-met-grammophoon-er-bij,
Die vinding is... de Christelijk-historische partij.
’t Zit zoo. Wanneer ik een of ander baantje in ’t verschiet zie,
Dan denk ik dad’lijk aan d’ onmisb’ren steun der coalitie.
Ik word niet Roomsch. Dat gaat me wel een beetje àl te ver.
En ’k word ook niet, dat snap je, antirevolutionair.
Dat is zoo boersch, zoo „witte dasch”. Dan kan ik niet meer meegaan,
Wanneer mijn vrienden naar de Schouwburg, Flora, of Carré gaan,
Dan mag ik ’s Zondags niet meer voetbal, bridge of hockey spelen,
Dan moet ik tweemaal in de kerk me zitten te vervelen.
Neen. ’k Leen een bijbel van een vriend; die lees ’k zoo wat cursorisch,
’k Ga eens per maand ter kerk. Dan ben ik Christelijk-historisch.
Ik ben niet fel, ik kom niet in de hitte des gevechts,
Ik zorg dat ’k niemand aanstoot geef: ik word „gematigd rechts.”
Ik mag dan alles blijven doen, wat ’k deed in het verleden.
Mijn vrienden lachen mij niet uit. Ik blijf me netjes kleeden,
En ’t is zoo erg niet, als ’k ’s een ondeugend mopje tap.
Ik houd niet van muziek, en daarom steun ’k door lidmaatschap:
(Ik was nu lid van Toonkunst, waar ik toch nooit hene ging)
De Christelijke-Oratorium-Vereeniging.
’k Behoef niet door afwezigheid op ’t voetbalveld te schitteren,
Ik mag naar bals gaan, ’s Zondags tenn’sen, bridgen zelfs, en bitteren.
En ’k ben vol hoop op goed succes. De toekomst lacht mij tegen:
Nu kan ’k weer soll-citeeren met gegronde hoop op zegen!
„Wat moet mijn jongen worden?” vraagt een vader, categorisch,
Het antwoord is eenvoudig, dunkt me: „Christelijk-historisch.”
„Tijdens de groote spoorwegstaking, toen dr. Kuyper minister was, wist hij op een gegeven oogenblik niet wat hij doen moest. Als vreemdeling op dit terrein, zocht hij raad voor de te volgen gedragslijn, en hierbij nu zag hij, een heel ander boek uit zijn boekenkast zoekende, en er uit nemende, een klein, dun boekje op den grond vallen, dat hij niet wist dat hij had, en heel niet kende. In dit boekje vond hij de oplossing. Vandaar het succes. Dit is nu de „bijzondere Voorzienigheid.” —(Heraut).
„Tijdens de groote spoorwegstaking, toen dr. Kuyper minister was, wist hij op een gegeven oogenblik niet wat hij doen moest. Als vreemdeling op dit terrein, zocht hij raad voor de te volgen gedragslijn, en hierbij nu zag hij, een heel ander boek uit zijn boekenkast zoekende, en er uit nemende, een klein, dun boekje op den grond vallen, dat hij niet wist dat hij had, en heel niet kende. In dit boekje vond hij de oplossing. Vandaar het succes. Dit is nu de „bijzondere Voorzienigheid.” —
(Heraut).
’t Is staking. Leiden is in last.Het Licht staat voor zijn boekenkast.Hij zoekt een boek, om raad, en tastMet zorg in ieder hoekje;Daar valt een boekje op den grond,’t Was heel toevallig dat hij ’t vond,Hij wist niet eens dat het bestond,Zoo’n dun, eenvoudig boekje.O, die beroerde stakingstijd!De Leider is de kluts wat kwijt,Hij is in groote moeilijkheid,Welk pad moet hij bewandlen?Hij ’s vreemdeling op dit terreinWelnu, dit boekje, dun en klein,Zal Nederland ten zegen zijn,Dat zegt hem hoe te hand’len.O, Boekske, wees gebenedijd!U zij mijn lof en dank gewijd!Bijzonderste Voorzienigheid!O, wondre, wondre zaken!Als ’t boekje niet gevallen was,Waarin het Licht zijn leiding las,Dan zat’ we nog in het moeras,Dan war’ ze nog aan ’t staken!Dus niet door staatsmanskunst of kracht,Maar door een soort van „Domheidsmacht”Heeft Kuyper toen het werk volbracht,— Zijn blad zal wel niet jokken! —Hij, en de vromen aan zijn zij,(Er was een echte dom’nee bij!)Regeerden naar — een loterij,Wij noemen zoo iets:gokken!Waakt, kiezers! Speelt dan niet met vuur!Past op, want, dringt t’ onzaalger uurDe Leider zich weer in ’t Bestuur,Langs politieke bochten,Als dan god Mars zijn vuisten balt,En dreigender het schetren schalt,En... als er dan geen boekje valt,Dan is ons land gesjochten!
’t Is staking. Leiden is in last.Het Licht staat voor zijn boekenkast.Hij zoekt een boek, om raad, en tastMet zorg in ieder hoekje;Daar valt een boekje op den grond,’t Was heel toevallig dat hij ’t vond,Hij wist niet eens dat het bestond,Zoo’n dun, eenvoudig boekje.O, die beroerde stakingstijd!De Leider is de kluts wat kwijt,Hij is in groote moeilijkheid,Welk pad moet hij bewandlen?Hij ’s vreemdeling op dit terreinWelnu, dit boekje, dun en klein,Zal Nederland ten zegen zijn,Dat zegt hem hoe te hand’len.O, Boekske, wees gebenedijd!U zij mijn lof en dank gewijd!Bijzonderste Voorzienigheid!O, wondre, wondre zaken!Als ’t boekje niet gevallen was,Waarin het Licht zijn leiding las,Dan zat’ we nog in het moeras,Dan war’ ze nog aan ’t staken!Dus niet door staatsmanskunst of kracht,Maar door een soort van „Domheidsmacht”Heeft Kuyper toen het werk volbracht,— Zijn blad zal wel niet jokken! —Hij, en de vromen aan zijn zij,(Er was een echte dom’nee bij!)Regeerden naar — een loterij,Wij noemen zoo iets:gokken!Waakt, kiezers! Speelt dan niet met vuur!Past op, want, dringt t’ onzaalger uurDe Leider zich weer in ’t Bestuur,Langs politieke bochten,Als dan god Mars zijn vuisten balt,En dreigender het schetren schalt,En... als er dan geen boekje valt,Dan is ons land gesjochten!
’t Is staking. Leiden is in last.Het Licht staat voor zijn boekenkast.Hij zoekt een boek, om raad, en tastMet zorg in ieder hoekje;Daar valt een boekje op den grond,’t Was heel toevallig dat hij ’t vond,Hij wist niet eens dat het bestond,Zoo’n dun, eenvoudig boekje.
’t Is staking. Leiden is in last.
Het Licht staat voor zijn boekenkast.
Hij zoekt een boek, om raad, en tast
Met zorg in ieder hoekje;
Daar valt een boekje op den grond,
’t Was heel toevallig dat hij ’t vond,
Hij wist niet eens dat het bestond,
Zoo’n dun, eenvoudig boekje.
O, die beroerde stakingstijd!De Leider is de kluts wat kwijt,Hij is in groote moeilijkheid,Welk pad moet hij bewandlen?Hij ’s vreemdeling op dit terreinWelnu, dit boekje, dun en klein,Zal Nederland ten zegen zijn,Dat zegt hem hoe te hand’len.
O, die beroerde stakingstijd!
De Leider is de kluts wat kwijt,
Hij is in groote moeilijkheid,
Welk pad moet hij bewandlen?
Hij ’s vreemdeling op dit terrein
Welnu, dit boekje, dun en klein,
Zal Nederland ten zegen zijn,
Dat zegt hem hoe te hand’len.
O, Boekske, wees gebenedijd!U zij mijn lof en dank gewijd!Bijzonderste Voorzienigheid!O, wondre, wondre zaken!Als ’t boekje niet gevallen was,Waarin het Licht zijn leiding las,Dan zat’ we nog in het moeras,Dan war’ ze nog aan ’t staken!
O, Boekske, wees gebenedijd!
U zij mijn lof en dank gewijd!
Bijzonderste Voorzienigheid!
O, wondre, wondre zaken!
Als ’t boekje niet gevallen was,
Waarin het Licht zijn leiding las,
Dan zat’ we nog in het moeras,
Dan war’ ze nog aan ’t staken!
Dus niet door staatsmanskunst of kracht,Maar door een soort van „Domheidsmacht”Heeft Kuyper toen het werk volbracht,— Zijn blad zal wel niet jokken! —Hij, en de vromen aan zijn zij,(Er was een echte dom’nee bij!)Regeerden naar — een loterij,Wij noemen zoo iets:gokken!
Dus niet door staatsmanskunst of kracht,
Maar door een soort van „Domheidsmacht”
Heeft Kuyper toen het werk volbracht,
— Zijn blad zal wel niet jokken! —
Hij, en de vromen aan zijn zij,
(Er was een echte dom’nee bij!)
Regeerden naar — een loterij,
Wij noemen zoo iets:gokken!
Waakt, kiezers! Speelt dan niet met vuur!Past op, want, dringt t’ onzaalger uurDe Leider zich weer in ’t Bestuur,Langs politieke bochten,Als dan god Mars zijn vuisten balt,En dreigender het schetren schalt,En... als er dan geen boekje valt,Dan is ons land gesjochten!
Waakt, kiezers! Speelt dan niet met vuur!
Past op, want, dringt t’ onzaalger uur
De Leider zich weer in ’t Bestuur,
Langs politieke bochten,
Als dan god Mars zijn vuisten balt,
En dreigender het schetren schalt,
En... als er dan geen boekje valt,
Dan is ons land gesjochten!
De heer Bogaerts: „De Eerste Kamer is niet alleen een college van revisie, doch dient tevens door haar bezadigdheid de continuïteit van de wetgeving te waarborgen. Dit element van bezadigdheid mag niet worden miskend.”De heer van Schaik: „Ik hecht aan het behoud van die Kamer op grond van het daarin gelegen element van bezadigdheid.”
De heer Bogaerts: „De Eerste Kamer is niet alleen een college van revisie, doch dient tevens door haar bezadigdheid de continuïteit van de wetgeving te waarborgen. Dit element van bezadigdheid mag niet worden miskend.”
De heer van Schaik: „Ik hecht aan het behoud van die Kamer op grond van het daarin gelegen element van bezadigdheid.”
Zoo zij ’t mij vergund dat ik zingOp den Raad van bezadigde mannen,Uit welken bezadigden KringAlle wuftheid (bijna) is gebannen.Bezadigdheid klinkt uit hun taal,Waar geen felroode vonken uit spatten,In deze bezadigde zaalZoemen louter gedegen debatten.Bezadigd en zacht is het licht,En bezadigd het kleed en de stoelen,In die sfeer van Gezag en GewichtZou geen Wijnkoop zich thuis kunnen voelen.Bezadigd zijn stem en kostuim,Bezadigd zijn blik en gebaren,Bezadigd zelfs kortswijl en luim —Bezadigd door stand en door jaren.Hoe weinig bezadigd of fijnIs ’t gezegd (of ik moet me vergissen)Dat ’t enkel de boden nog zijn,Die die Kamer niet graag zouden missen!Neen. Net als het nukkige wichtHet gezag van Papa of Mamma ducht,Zoo vreez’ en vereer’ men ’t Gericht,Dat daar zetelt, sereen en bezadigd.Hoog tronen zij — kloek en classiek,Door de godlijke gunst begenadigd!Hun nut is wat problematiek,Maar ze zijn en ze blijven bezadigd.
Zoo zij ’t mij vergund dat ik zingOp den Raad van bezadigde mannen,Uit welken bezadigden KringAlle wuftheid (bijna) is gebannen.Bezadigdheid klinkt uit hun taal,Waar geen felroode vonken uit spatten,In deze bezadigde zaalZoemen louter gedegen debatten.Bezadigd en zacht is het licht,En bezadigd het kleed en de stoelen,In die sfeer van Gezag en GewichtZou geen Wijnkoop zich thuis kunnen voelen.Bezadigd zijn stem en kostuim,Bezadigd zijn blik en gebaren,Bezadigd zelfs kortswijl en luim —Bezadigd door stand en door jaren.Hoe weinig bezadigd of fijnIs ’t gezegd (of ik moet me vergissen)Dat ’t enkel de boden nog zijn,Die die Kamer niet graag zouden missen!Neen. Net als het nukkige wichtHet gezag van Papa of Mamma ducht,Zoo vreez’ en vereer’ men ’t Gericht,Dat daar zetelt, sereen en bezadigd.Hoog tronen zij — kloek en classiek,Door de godlijke gunst begenadigd!Hun nut is wat problematiek,Maar ze zijn en ze blijven bezadigd.
Zoo zij ’t mij vergund dat ik zingOp den Raad van bezadigde mannen,Uit welken bezadigden KringAlle wuftheid (bijna) is gebannen.
Zoo zij ’t mij vergund dat ik zing
Op den Raad van bezadigde mannen,
Uit welken bezadigden Kring
Alle wuftheid (bijna) is gebannen.
Bezadigdheid klinkt uit hun taal,Waar geen felroode vonken uit spatten,In deze bezadigde zaalZoemen louter gedegen debatten.
Bezadigdheid klinkt uit hun taal,
Waar geen felroode vonken uit spatten,
In deze bezadigde zaal
Zoemen louter gedegen debatten.
Bezadigd en zacht is het licht,En bezadigd het kleed en de stoelen,In die sfeer van Gezag en GewichtZou geen Wijnkoop zich thuis kunnen voelen.
Bezadigd en zacht is het licht,
En bezadigd het kleed en de stoelen,
In die sfeer van Gezag en Gewicht
Zou geen Wijnkoop zich thuis kunnen voelen.
Bezadigd zijn stem en kostuim,Bezadigd zijn blik en gebaren,Bezadigd zelfs kortswijl en luim —Bezadigd door stand en door jaren.
Bezadigd zijn stem en kostuim,
Bezadigd zijn blik en gebaren,
Bezadigd zelfs kortswijl en luim —
Bezadigd door stand en door jaren.
Hoe weinig bezadigd of fijnIs ’t gezegd (of ik moet me vergissen)Dat ’t enkel de boden nog zijn,Die die Kamer niet graag zouden missen!
Hoe weinig bezadigd of fijn
Is ’t gezegd (of ik moet me vergissen)
Dat ’t enkel de boden nog zijn,
Die die Kamer niet graag zouden missen!
Neen. Net als het nukkige wichtHet gezag van Papa of Mamma ducht,Zoo vreez’ en vereer’ men ’t Gericht,Dat daar zetelt, sereen en bezadigd.
Neen. Net als het nukkige wicht
Het gezag van Papa of Mamma ducht,
Zoo vreez’ en vereer’ men ’t Gericht,
Dat daar zetelt, sereen en bezadigd.
Hoog tronen zij — kloek en classiek,Door de godlijke gunst begenadigd!Hun nut is wat problematiek,Maar ze zijn en ze blijven bezadigd.
Hoog tronen zij — kloek en classiek,
Door de godlijke gunst begenadigd!
Hun nut is wat problematiek,
Maar ze zijn en ze blijven bezadigd.
Fragment.
Fragment.
Muze, vermeld mij den manin ervaringen rijk en in listen,Die ons beveiligen kantegen daimonikoi (paganisten).Zing mij dan, Muze, de maar’van de macht en den moed en de hope...!Droef stond Penelope daar(in den regel genoemd Penelope).Droef, want de Meester was weg,de Kolos, de geweldige strijder,Daarom, met wijs overleg,zag zij uit naar een anderen Leider.Zie, zoo nu gaf de Godin,de klaar-oogige Pallas-Athena,’t Denkbeeld Penelope invan den boog, van den boog van Messena.Plotseling snelt zij terug,naar ’t Paleis met den goudenen toren;Rap, als de vogelen vlug,haalt zij weg den veerkrachtigen horen.Als zij, een oogwenk alleen,zich het hart heeft ontlast van de droefheid,Spoedt zij ter zale zich heen,nu getooid met het masker der stroefheid,En den veerkrachtigen boogoverhandigend hun, die daar wachten,Noodt zij hen statig en hoogte beproeven om beurten de krachten.„Hij, die zijn sterkte bewijst,”zoo ontsnapt aan den wal harer tanden,„Krijgt wat hij wil, wat hij eischt,uit mijn eigene vorstlijke handen.”En als de zwoegende troepdan bij beurten den boog tracht te spannen,Monstert zij peinzend de groep,en ziehier wat zij denkt van die mannen:Kolinios bidt en werkt,en (daar kan de Parteia niet buiten)Hij wordt door godsvrucht gesterkt,en door Petroleontische duiten.Phrysios ook is vertrouwd,Maar Penelope heeft al berekend,Dat op de keper beschouwd,deze Held niet zoo heel veel beteekent.Haemskarchileus komt daarna,maar Penelope neemt dien man vast niet:Hij was een Broeder, nou ja,maar het degelijk wagenschot was ’t niet.Idiobyrgias dan?om de macht van den vijand te fnuiken?Neen. Dat ’s een eerlijke man,en zoo iemand is nooit te gebruiken.Zoo peinsde Penelope,en de zaalbogen welven zich wijder...Buiten dreunt dondrend de zee,en de zeewind zingt: „Waar is de Leider?”
Muze, vermeld mij den manin ervaringen rijk en in listen,Die ons beveiligen kantegen daimonikoi (paganisten).Zing mij dan, Muze, de maar’van de macht en den moed en de hope...!Droef stond Penelope daar(in den regel genoemd Penelope).Droef, want de Meester was weg,de Kolos, de geweldige strijder,Daarom, met wijs overleg,zag zij uit naar een anderen Leider.Zie, zoo nu gaf de Godin,de klaar-oogige Pallas-Athena,’t Denkbeeld Penelope invan den boog, van den boog van Messena.Plotseling snelt zij terug,naar ’t Paleis met den goudenen toren;Rap, als de vogelen vlug,haalt zij weg den veerkrachtigen horen.Als zij, een oogwenk alleen,zich het hart heeft ontlast van de droefheid,Spoedt zij ter zale zich heen,nu getooid met het masker der stroefheid,En den veerkrachtigen boogoverhandigend hun, die daar wachten,Noodt zij hen statig en hoogte beproeven om beurten de krachten.„Hij, die zijn sterkte bewijst,”zoo ontsnapt aan den wal harer tanden,„Krijgt wat hij wil, wat hij eischt,uit mijn eigene vorstlijke handen.”En als de zwoegende troepdan bij beurten den boog tracht te spannen,Monstert zij peinzend de groep,en ziehier wat zij denkt van die mannen:Kolinios bidt en werkt,en (daar kan de Parteia niet buiten)Hij wordt door godsvrucht gesterkt,en door Petroleontische duiten.Phrysios ook is vertrouwd,Maar Penelope heeft al berekend,Dat op de keper beschouwd,deze Held niet zoo heel veel beteekent.Haemskarchileus komt daarna,maar Penelope neemt dien man vast niet:Hij was een Broeder, nou ja,maar het degelijk wagenschot was ’t niet.Idiobyrgias dan?om de macht van den vijand te fnuiken?Neen. Dat ’s een eerlijke man,en zoo iemand is nooit te gebruiken.Zoo peinsde Penelope,en de zaalbogen welven zich wijder...Buiten dreunt dondrend de zee,en de zeewind zingt: „Waar is de Leider?”
Muze, vermeld mij den manin ervaringen rijk en in listen,Die ons beveiligen kantegen daimonikoi (paganisten).Zing mij dan, Muze, de maar’van de macht en den moed en de hope...!Droef stond Penelope daar(in den regel genoemd Penelope).Droef, want de Meester was weg,de Kolos, de geweldige strijder,Daarom, met wijs overleg,zag zij uit naar een anderen Leider.Zie, zoo nu gaf de Godin,de klaar-oogige Pallas-Athena,’t Denkbeeld Penelope invan den boog, van den boog van Messena.Plotseling snelt zij terug,naar ’t Paleis met den goudenen toren;Rap, als de vogelen vlug,haalt zij weg den veerkrachtigen horen.Als zij, een oogwenk alleen,zich het hart heeft ontlast van de droefheid,Spoedt zij ter zale zich heen,nu getooid met het masker der stroefheid,En den veerkrachtigen boogoverhandigend hun, die daar wachten,Noodt zij hen statig en hoogte beproeven om beurten de krachten.„Hij, die zijn sterkte bewijst,”zoo ontsnapt aan den wal harer tanden,„Krijgt wat hij wil, wat hij eischt,uit mijn eigene vorstlijke handen.”En als de zwoegende troepdan bij beurten den boog tracht te spannen,Monstert zij peinzend de groep,en ziehier wat zij denkt van die mannen:Kolinios bidt en werkt,en (daar kan de Parteia niet buiten)Hij wordt door godsvrucht gesterkt,en door Petroleontische duiten.Phrysios ook is vertrouwd,Maar Penelope heeft al berekend,Dat op de keper beschouwd,deze Held niet zoo heel veel beteekent.Haemskarchileus komt daarna,maar Penelope neemt dien man vast niet:Hij was een Broeder, nou ja,maar het degelijk wagenschot was ’t niet.Idiobyrgias dan?om de macht van den vijand te fnuiken?Neen. Dat ’s een eerlijke man,en zoo iemand is nooit te gebruiken.Zoo peinsde Penelope,en de zaalbogen welven zich wijder...Buiten dreunt dondrend de zee,en de zeewind zingt: „Waar is de Leider?”
Muze, vermeld mij den man
in ervaringen rijk en in listen,
Die ons beveiligen kan
tegen daimonikoi (paganisten).
Zing mij dan, Muze, de maar’
van de macht en den moed en de hope...!
Droef stond Penelope daar
(in den regel genoemd Penelope).
Droef, want de Meester was weg,
de Kolos, de geweldige strijder,
Daarom, met wijs overleg,
zag zij uit naar een anderen Leider.
Zie, zoo nu gaf de Godin,
de klaar-oogige Pallas-Athena,
’t Denkbeeld Penelope in
van den boog, van den boog van Messena.
Plotseling snelt zij terug,
naar ’t Paleis met den goudenen toren;
Rap, als de vogelen vlug,
haalt zij weg den veerkrachtigen horen.
Als zij, een oogwenk alleen,
zich het hart heeft ontlast van de droefheid,
Spoedt zij ter zale zich heen,
nu getooid met het masker der stroefheid,
En den veerkrachtigen boog
overhandigend hun, die daar wachten,
Noodt zij hen statig en hoog
te beproeven om beurten de krachten.
„Hij, die zijn sterkte bewijst,”
zoo ontsnapt aan den wal harer tanden,
„Krijgt wat hij wil, wat hij eischt,
uit mijn eigene vorstlijke handen.”
En als de zwoegende troep
dan bij beurten den boog tracht te spannen,
Monstert zij peinzend de groep,
en ziehier wat zij denkt van die mannen:
Kolinios bidt en werkt,
en (daar kan de Parteia niet buiten)
Hij wordt door godsvrucht gesterkt,
en door Petroleontische duiten.
Phrysios ook is vertrouwd,
Maar Penelope heeft al berekend,
Dat op de keper beschouwd,
deze Held niet zoo heel veel beteekent.
Haemskarchileus komt daarna,
maar Penelope neemt dien man vast niet:
Hij was een Broeder, nou ja,
maar het degelijk wagenschot was ’t niet.
Idiobyrgias dan?
om de macht van den vijand te fnuiken?
Neen. Dat ’s een eerlijke man,
en zoo iemand is nooit te gebruiken.
Zoo peinsde Penelope,
en de zaalbogen welven zich wijder...
Buiten dreunt dondrend de zee,
en de zeewind zingt: „Waar is de Leider?”
Gij, Lieftinck, Staatsman, jonge hoogbejaarde,Die rustloos werkte heel een leven lang,Die niemand naar den mond sprak, niemand spaarde,Maar spaarzaam spreekt — slechts spreekt uit sprekens drang,En dan, als bliksemflits van ’t zwerk op d’aarde,Plots treft de kudde in ’t veld in loomen gang,Zoo stuit des redenaars zwaren woordenzang,Als ’t schuiflend schrijdend spook der saaiheid waarde —Ga voort, gij glundre grijsaard, gaaf van geest,Bezielende ernst met luchten luim te kruiden,Gij, ’s volks gestage, stoere afgezant!Nu zal tot ver in ’t vrije vaderlandMet heldre klanken uw geboort-clock luiden,Ter eere van uw tachtig... zomeren-feest!
Gij, Lieftinck, Staatsman, jonge hoogbejaarde,Die rustloos werkte heel een leven lang,Die niemand naar den mond sprak, niemand spaarde,Maar spaarzaam spreekt — slechts spreekt uit sprekens drang,En dan, als bliksemflits van ’t zwerk op d’aarde,Plots treft de kudde in ’t veld in loomen gang,Zoo stuit des redenaars zwaren woordenzang,Als ’t schuiflend schrijdend spook der saaiheid waarde —Ga voort, gij glundre grijsaard, gaaf van geest,Bezielende ernst met luchten luim te kruiden,Gij, ’s volks gestage, stoere afgezant!Nu zal tot ver in ’t vrije vaderlandMet heldre klanken uw geboort-clock luiden,Ter eere van uw tachtig... zomeren-feest!
Gij, Lieftinck, Staatsman, jonge hoogbejaarde,Die rustloos werkte heel een leven lang,Die niemand naar den mond sprak, niemand spaarde,Maar spaarzaam spreekt — slechts spreekt uit sprekens drang,
Gij, Lieftinck, Staatsman, jonge hoogbejaarde,
Die rustloos werkte heel een leven lang,
Die niemand naar den mond sprak, niemand spaarde,
Maar spaarzaam spreekt — slechts spreekt uit sprekens drang,
En dan, als bliksemflits van ’t zwerk op d’aarde,Plots treft de kudde in ’t veld in loomen gang,Zoo stuit des redenaars zwaren woordenzang,Als ’t schuiflend schrijdend spook der saaiheid waarde —
En dan, als bliksemflits van ’t zwerk op d’aarde,
Plots treft de kudde in ’t veld in loomen gang,
Zoo stuit des redenaars zwaren woordenzang,
Als ’t schuiflend schrijdend spook der saaiheid waarde —
Ga voort, gij glundre grijsaard, gaaf van geest,Bezielende ernst met luchten luim te kruiden,Gij, ’s volks gestage, stoere afgezant!
Ga voort, gij glundre grijsaard, gaaf van geest,
Bezielende ernst met luchten luim te kruiden,
Gij, ’s volks gestage, stoere afgezant!
Nu zal tot ver in ’t vrije vaderlandMet heldre klanken uw geboort-clock luiden,Ter eere van uw tachtig... zomeren-feest!
Nu zal tot ver in ’t vrije vaderland
Met heldre klanken uw geboort-clock luiden,
Ter eere van uw tachtig... zomeren-feest!
Waaruit men kan leeren, dat de invoering van het vrouwenkiesrecht aanmerkelijke vereenvoudiging teweeg brengt.
Waaruit men kan leeren, dat de invoering van het vrouwenkiesrecht aanmerkelijke vereenvoudiging teweeg brengt.
Een jong en aardig paartje,Gelukkig, schoon getrouwd,Dee ’t eerste huwlijksjaartje,— Verstandig, welbeschouwd! —Niet heel veel aan de politiek, en ’t kiesrecht liet ze koud.Zij was zoo’n beetje kerklijk,En hield haar godsdienst aan;Hem was het wat bewerklijkOm ’s Zondags op te staan„Voor dag en dauw,” zooals hij zei, om naar de kerk te gaan.Ofschoon ’t haar wel wat griefde,Ze hield zich wijslijk stil,En ’t mantelpak der liefdeBedekte dit verschil;Daar heerschte Eendracht in hun huis, en Vree, en Goede Wil.Maar na de eerste jarenDeed hij zijn kiezersplicht;Ook dat gaf geen bezwaren,En zelfs geen boos gezicht,Hoewelhijlinks was, enhaarneiging rechtswaart was gericht.Zij was in zulke zakenVerstandig en bedaard;Zich daarom druk te makenWas niet de moeite waard:Een links bestuur liet ieder vrij te leven naar zijn aard.Toen kwam de dwang te stemmen,En ’t kiesrecht voor de vrouw;’t Begon haar te beklemmen,Het keurslijf werd te nauw:Ze kon niet meer, als vroeger, doen en laten wat ze wou.Een bende jongelingenHing daaglijks aan de bel,Om haar naar rechts te dringen,In termen, forsch en fel:Wie links stemt, wordt haar uitgelegd, gaat spoorslags naar de hel!Ze loopen, ongedurig,Vergaderingen af,’t Gesprek wordt bits en vurig,Hun leven wordt een straf,Hun eens zoo teer gekeuvel wordt een politiek geblaf.Weg is de lieve Vrede,Verbroken is de band,Het zwaard verlaat de scheede,De veete-fakkel brandt,Ze bakkeleien alledag tot heil van ’t Vaderland.Daar krijgen plotseling beidenEen lumineus idee:Als onze stemmen strijden,Wint geen partij er mee:We dokken dus de boete, en we stemmen geen van twee!De goede geest herleeft dus,Nu zijn ze niet meer boos,En ’t Vrouwenkiesrecht heeft dusOp alle stembureauxDen zwaren arbeid zeer verlicht. Vertel ’t maar op de Soos.
Een jong en aardig paartje,Gelukkig, schoon getrouwd,Dee ’t eerste huwlijksjaartje,— Verstandig, welbeschouwd! —Niet heel veel aan de politiek, en ’t kiesrecht liet ze koud.Zij was zoo’n beetje kerklijk,En hield haar godsdienst aan;Hem was het wat bewerklijkOm ’s Zondags op te staan„Voor dag en dauw,” zooals hij zei, om naar de kerk te gaan.Ofschoon ’t haar wel wat griefde,Ze hield zich wijslijk stil,En ’t mantelpak der liefdeBedekte dit verschil;Daar heerschte Eendracht in hun huis, en Vree, en Goede Wil.Maar na de eerste jarenDeed hij zijn kiezersplicht;Ook dat gaf geen bezwaren,En zelfs geen boos gezicht,Hoewelhijlinks was, enhaarneiging rechtswaart was gericht.Zij was in zulke zakenVerstandig en bedaard;Zich daarom druk te makenWas niet de moeite waard:Een links bestuur liet ieder vrij te leven naar zijn aard.Toen kwam de dwang te stemmen,En ’t kiesrecht voor de vrouw;’t Begon haar te beklemmen,Het keurslijf werd te nauw:Ze kon niet meer, als vroeger, doen en laten wat ze wou.Een bende jongelingenHing daaglijks aan de bel,Om haar naar rechts te dringen,In termen, forsch en fel:Wie links stemt, wordt haar uitgelegd, gaat spoorslags naar de hel!Ze loopen, ongedurig,Vergaderingen af,’t Gesprek wordt bits en vurig,Hun leven wordt een straf,Hun eens zoo teer gekeuvel wordt een politiek geblaf.Weg is de lieve Vrede,Verbroken is de band,Het zwaard verlaat de scheede,De veete-fakkel brandt,Ze bakkeleien alledag tot heil van ’t Vaderland.Daar krijgen plotseling beidenEen lumineus idee:Als onze stemmen strijden,Wint geen partij er mee:We dokken dus de boete, en we stemmen geen van twee!De goede geest herleeft dus,Nu zijn ze niet meer boos,En ’t Vrouwenkiesrecht heeft dusOp alle stembureauxDen zwaren arbeid zeer verlicht. Vertel ’t maar op de Soos.
Een jong en aardig paartje,Gelukkig, schoon getrouwd,Dee ’t eerste huwlijksjaartje,— Verstandig, welbeschouwd! —Niet heel veel aan de politiek, en ’t kiesrecht liet ze koud.
Een jong en aardig paartje,
Gelukkig, schoon getrouwd,
Dee ’t eerste huwlijksjaartje,
— Verstandig, welbeschouwd! —
Niet heel veel aan de politiek, en ’t kiesrecht liet ze koud.
Zij was zoo’n beetje kerklijk,En hield haar godsdienst aan;Hem was het wat bewerklijkOm ’s Zondags op te staan„Voor dag en dauw,” zooals hij zei, om naar de kerk te gaan.
Zij was zoo’n beetje kerklijk,
En hield haar godsdienst aan;
Hem was het wat bewerklijk
Om ’s Zondags op te staan
„Voor dag en dauw,” zooals hij zei, om naar de kerk te gaan.
Ofschoon ’t haar wel wat griefde,Ze hield zich wijslijk stil,En ’t mantelpak der liefdeBedekte dit verschil;Daar heerschte Eendracht in hun huis, en Vree, en Goede Wil.
Ofschoon ’t haar wel wat griefde,
Ze hield zich wijslijk stil,
En ’t mantelpak der liefde
Bedekte dit verschil;
Daar heerschte Eendracht in hun huis, en Vree, en Goede Wil.
Maar na de eerste jarenDeed hij zijn kiezersplicht;Ook dat gaf geen bezwaren,En zelfs geen boos gezicht,Hoewelhijlinks was, enhaarneiging rechtswaart was gericht.
Maar na de eerste jaren
Deed hij zijn kiezersplicht;
Ook dat gaf geen bezwaren,
En zelfs geen boos gezicht,
Hoewelhijlinks was, enhaarneiging rechtswaart was gericht.
Zij was in zulke zakenVerstandig en bedaard;Zich daarom druk te makenWas niet de moeite waard:Een links bestuur liet ieder vrij te leven naar zijn aard.
Zij was in zulke zaken
Verstandig en bedaard;
Zich daarom druk te maken
Was niet de moeite waard:
Een links bestuur liet ieder vrij te leven naar zijn aard.
Toen kwam de dwang te stemmen,En ’t kiesrecht voor de vrouw;’t Begon haar te beklemmen,Het keurslijf werd te nauw:Ze kon niet meer, als vroeger, doen en laten wat ze wou.
Toen kwam de dwang te stemmen,
En ’t kiesrecht voor de vrouw;
’t Begon haar te beklemmen,
Het keurslijf werd te nauw:
Ze kon niet meer, als vroeger, doen en laten wat ze wou.
Een bende jongelingenHing daaglijks aan de bel,Om haar naar rechts te dringen,In termen, forsch en fel:Wie links stemt, wordt haar uitgelegd, gaat spoorslags naar de hel!
Een bende jongelingen
Hing daaglijks aan de bel,
Om haar naar rechts te dringen,
In termen, forsch en fel:
Wie links stemt, wordt haar uitgelegd, gaat spoorslags naar de hel!
Ze loopen, ongedurig,Vergaderingen af,’t Gesprek wordt bits en vurig,Hun leven wordt een straf,Hun eens zoo teer gekeuvel wordt een politiek geblaf.
Ze loopen, ongedurig,
Vergaderingen af,
’t Gesprek wordt bits en vurig,
Hun leven wordt een straf,
Hun eens zoo teer gekeuvel wordt een politiek geblaf.
Weg is de lieve Vrede,Verbroken is de band,Het zwaard verlaat de scheede,De veete-fakkel brandt,Ze bakkeleien alledag tot heil van ’t Vaderland.
Weg is de lieve Vrede,
Verbroken is de band,
Het zwaard verlaat de scheede,
De veete-fakkel brandt,
Ze bakkeleien alledag tot heil van ’t Vaderland.
Daar krijgen plotseling beidenEen lumineus idee:Als onze stemmen strijden,Wint geen partij er mee:We dokken dus de boete, en we stemmen geen van twee!
Daar krijgen plotseling beiden
Een lumineus idee:
Als onze stemmen strijden,
Wint geen partij er mee:
We dokken dus de boete, en we stemmen geen van twee!
De goede geest herleeft dus,Nu zijn ze niet meer boos,En ’t Vrouwenkiesrecht heeft dusOp alle stembureauxDen zwaren arbeid zeer verlicht. Vertel ’t maar op de Soos.
De goede geest herleeft dus,
Nu zijn ze niet meer boos,
En ’t Vrouwenkiesrecht heeft dus
Op alle stembureaux
Den zwaren arbeid zeer verlicht. Vertel ’t maar op de Soos.
(Verzoek van een Neutraal.)
„Men drukt ons het zwaard in de hand......Gaat nu ter kerke, knielt neer voor God, en bidt om hulp voor ons dapper leger.”Wilhelm, I. R.„Nooit is Engeland met zuiverder geweten ten strijde getrokken dan nu.”Asquith.„De kerken in Londen en Parijs zijn vol van de geloovigen, die om de zege bidden.”N. R. C.„Antwerpen heden zonder strijd bezet. Gode zij dank gebracht in diepen ootmoed voor dit heerlijk succes. Hem alleen zij de eer.”Wilhelm, I. R....„WOLFSKUILEN zijn kuilen, waarin puntige palen zijn geslagen, met de punt naar boven. Om hen aan het gezicht te onttrekken worden zij met takken belegd, en daarna met dunne zoden bedekt.”Pioniervoorschrift voor de Infanterie.
„Men drukt ons het zwaard in de hand......
Gaat nu ter kerke, knielt neer voor God, en bidt om hulp voor ons dapper leger.”
Wilhelm, I. R.
„Nooit is Engeland met zuiverder geweten ten strijde getrokken dan nu.”
Asquith.
„De kerken in Londen en Parijs zijn vol van de geloovigen, die om de zege bidden.”
N. R. C.
„Antwerpen heden zonder strijd bezet. Gode zij dank gebracht in diepen ootmoed voor dit heerlijk succes. Hem alleen zij de eer.”
Wilhelm, I. R.
...„WOLFSKUILEN zijn kuilen, waarin puntige palen zijn geslagen, met de punt naar boven. Om hen aan het gezicht te onttrekken worden zij met takken belegd, en daarna met dunne zoden bedekt.”
Pioniervoorschrift voor de Infanterie.
Wij leven in een donkren tijd,Want twee partijen zijn in strijd,Die ik uit onpartijdigheid,Vanwege de neutraliteit,Maar A en B zal noemen.Den vrede minnen beide teer,Zij zeggen ’t zelven keer op keer,Dus daaraan twijfelt niemand meer,Zij plegen zich er evenzeer— Terecht — op te beroemen.En iedren dag stijgt, strijk en zet,Tot Onzen Lieven Heer ’t gebedVan A en B, als een duet:„Wij trekken op, Heer, onbesmet,Men drukt ons ’t zwaard in handen!O, God, wees met ons leed begaan,Help ons den vijand te verslaan,Op ’t land en op den oceaan,O, Heer! hoor onze beden aan,En zie onz’ offeranden!”Zoo wordt de slachting voorbereid.En na het winnen van een strijd,Zegt A: „slechts God zij dank gewijd!”Tijgt vol van vrom’ erkentlijkheidTer kerk, in diepen ootmoed;En knielt, de handen vouwend, neer,Al preevlend: „God alleen zij d’ eer!Het is ’t besluit — dat blijkt alweer —Van Onzen („onzen”) Lieven Heer,Dat onze vijand dood moet.”Maar B gevoelt zich martelaar,En zegt: „Die A is een barbaar,Hij zocht den krijg, die huichelaar!”En A weer: „God, het is niet waar,B lastert. ’t Is verfoeilijk!”O, A en B, en B en A!Nu vraag ’k je. Isdatlogica?Kom, laat die race-in-’t-bidden na!Het brengt geen voordeel, ’t brengt geen schâ,Je maakt het God maar moeilijk.’k Wou, dat je allebei dit onthield:God ziet op d’ aard, waar ’t menschdom krielt,Millioenen A’s ter neer geknield,En evenzooveel B’s, bezieldMet hoop op steun van Boven;En A geeft God zijn eerewoord,Dat hij slechts voor den Vrede moordt,Voor de Beschaving, enzoovoort...Als God van B nu ’t zelfde hoort,Wien moet Hij dan gelooven?Daarom, Partijen, A en B,Spreek ik nu ook een woordje mee,Eenvoudigweg, en recht-door-zee,Ik zeg het tegen alle-twee,Omdat ik zoo neutraal ben;Partijen, A en B dus, hoortNaar mijn neutraal en nuchter woord,Behartigt het en zegt het voort,(’k Hoop niet dat ’tonzenVrede stoort,Pardon, dat ’k zoo brutaal ben!):Rolt, Republiek en Keizerrijk,Rolt, volkren, u in bloed en slijk,Dat niets voor Hart of Rede wijk’,Wie ’t sterkste is, die heeft gelijk!Dat ’s nu de wet van ’t Leven.Blijft uw beschavingsplicht bewust:Vernietigt Kunst naar hartelust,Kweekt armoe, hongersnood, gerust,’t Geweten maar in slaap gesust!Het schouwspel is verheven;Schiet, steekt en hakt en moordt en brandt,Verminkt, vertrapt, schopt, schendt, ontmant,Zweert „oog om oog, en tand om tand!”En laat, ter eer van ’t Vaderland,Uw krijgsgeschreeuw weerklinken.Verbrijzelt, decimeert, verkracht,Werpt bommen uit den duisteren nacht,Duikt, torpedeert, scheurt, spietst en slacht,Laat weg en weide, grebb’ en grachtVan wond- en lijklucht stinken;Vergiftigt stroom en beek en wel,Spuit vochten, vlammend forsch en fel,Roept Satan op tot metgezel,Vraagt allen machten uit de HelSteeds nieuwe kwel-methoden;Blaast gassen, vol van vuil venijn,— Het laatste! Prima, extra-fijn! —Dan zult gij wel tevreden zijn:Zóó sterft uw vijand, dol van pijn,Niet één, maar duizend dooden;Pleegt woordbreuk zonder blik of blos,Verwoest landouwen, beemd en bosch,Verspreidt uw helsche mijnen los,Graaftwolfskuilvoor man en ros,Bindt krijgers aan d’ affuiten;Zet huis en hof in vlammengloed,Noemt razernij en moordlust „moed”,Snuift óp de lijklucht! zwelgt in ’t bloed,Ik vind het allemaal mooi en goed......Maar toe!laat God er buiten!
Wij leven in een donkren tijd,Want twee partijen zijn in strijd,Die ik uit onpartijdigheid,Vanwege de neutraliteit,Maar A en B zal noemen.Den vrede minnen beide teer,Zij zeggen ’t zelven keer op keer,Dus daaraan twijfelt niemand meer,Zij plegen zich er evenzeer— Terecht — op te beroemen.En iedren dag stijgt, strijk en zet,Tot Onzen Lieven Heer ’t gebedVan A en B, als een duet:„Wij trekken op, Heer, onbesmet,Men drukt ons ’t zwaard in handen!O, God, wees met ons leed begaan,Help ons den vijand te verslaan,Op ’t land en op den oceaan,O, Heer! hoor onze beden aan,En zie onz’ offeranden!”Zoo wordt de slachting voorbereid.En na het winnen van een strijd,Zegt A: „slechts God zij dank gewijd!”Tijgt vol van vrom’ erkentlijkheidTer kerk, in diepen ootmoed;En knielt, de handen vouwend, neer,Al preevlend: „God alleen zij d’ eer!Het is ’t besluit — dat blijkt alweer —Van Onzen („onzen”) Lieven Heer,Dat onze vijand dood moet.”Maar B gevoelt zich martelaar,En zegt: „Die A is een barbaar,Hij zocht den krijg, die huichelaar!”En A weer: „God, het is niet waar,B lastert. ’t Is verfoeilijk!”O, A en B, en B en A!Nu vraag ’k je. Isdatlogica?Kom, laat die race-in-’t-bidden na!Het brengt geen voordeel, ’t brengt geen schâ,Je maakt het God maar moeilijk.’k Wou, dat je allebei dit onthield:God ziet op d’ aard, waar ’t menschdom krielt,Millioenen A’s ter neer geknield,En evenzooveel B’s, bezieldMet hoop op steun van Boven;En A geeft God zijn eerewoord,Dat hij slechts voor den Vrede moordt,Voor de Beschaving, enzoovoort...Als God van B nu ’t zelfde hoort,Wien moet Hij dan gelooven?Daarom, Partijen, A en B,Spreek ik nu ook een woordje mee,Eenvoudigweg, en recht-door-zee,Ik zeg het tegen alle-twee,Omdat ik zoo neutraal ben;Partijen, A en B dus, hoortNaar mijn neutraal en nuchter woord,Behartigt het en zegt het voort,(’k Hoop niet dat ’tonzenVrede stoort,Pardon, dat ’k zoo brutaal ben!):Rolt, Republiek en Keizerrijk,Rolt, volkren, u in bloed en slijk,Dat niets voor Hart of Rede wijk’,Wie ’t sterkste is, die heeft gelijk!Dat ’s nu de wet van ’t Leven.Blijft uw beschavingsplicht bewust:Vernietigt Kunst naar hartelust,Kweekt armoe, hongersnood, gerust,’t Geweten maar in slaap gesust!Het schouwspel is verheven;Schiet, steekt en hakt en moordt en brandt,Verminkt, vertrapt, schopt, schendt, ontmant,Zweert „oog om oog, en tand om tand!”En laat, ter eer van ’t Vaderland,Uw krijgsgeschreeuw weerklinken.Verbrijzelt, decimeert, verkracht,Werpt bommen uit den duisteren nacht,Duikt, torpedeert, scheurt, spietst en slacht,Laat weg en weide, grebb’ en grachtVan wond- en lijklucht stinken;Vergiftigt stroom en beek en wel,Spuit vochten, vlammend forsch en fel,Roept Satan op tot metgezel,Vraagt allen machten uit de HelSteeds nieuwe kwel-methoden;Blaast gassen, vol van vuil venijn,— Het laatste! Prima, extra-fijn! —Dan zult gij wel tevreden zijn:Zóó sterft uw vijand, dol van pijn,Niet één, maar duizend dooden;Pleegt woordbreuk zonder blik of blos,Verwoest landouwen, beemd en bosch,Verspreidt uw helsche mijnen los,Graaftwolfskuilvoor man en ros,Bindt krijgers aan d’ affuiten;Zet huis en hof in vlammengloed,Noemt razernij en moordlust „moed”,Snuift óp de lijklucht! zwelgt in ’t bloed,Ik vind het allemaal mooi en goed......Maar toe!laat God er buiten!
Wij leven in een donkren tijd,Want twee partijen zijn in strijd,Die ik uit onpartijdigheid,Vanwege de neutraliteit,Maar A en B zal noemen.Den vrede minnen beide teer,Zij zeggen ’t zelven keer op keer,Dus daaraan twijfelt niemand meer,Zij plegen zich er evenzeer— Terecht — op te beroemen.
Wij leven in een donkren tijd,
Want twee partijen zijn in strijd,
Die ik uit onpartijdigheid,
Vanwege de neutraliteit,
Maar A en B zal noemen.
Den vrede minnen beide teer,
Zij zeggen ’t zelven keer op keer,
Dus daaraan twijfelt niemand meer,
Zij plegen zich er evenzeer
— Terecht — op te beroemen.
En iedren dag stijgt, strijk en zet,Tot Onzen Lieven Heer ’t gebedVan A en B, als een duet:„Wij trekken op, Heer, onbesmet,Men drukt ons ’t zwaard in handen!O, God, wees met ons leed begaan,Help ons den vijand te verslaan,Op ’t land en op den oceaan,O, Heer! hoor onze beden aan,En zie onz’ offeranden!”
En iedren dag stijgt, strijk en zet,
Tot Onzen Lieven Heer ’t gebed
Van A en B, als een duet:
„Wij trekken op, Heer, onbesmet,
Men drukt ons ’t zwaard in handen!
O, God, wees met ons leed begaan,
Help ons den vijand te verslaan,
Op ’t land en op den oceaan,
O, Heer! hoor onze beden aan,
En zie onz’ offeranden!”
Zoo wordt de slachting voorbereid.En na het winnen van een strijd,Zegt A: „slechts God zij dank gewijd!”Tijgt vol van vrom’ erkentlijkheidTer kerk, in diepen ootmoed;En knielt, de handen vouwend, neer,Al preevlend: „God alleen zij d’ eer!Het is ’t besluit — dat blijkt alweer —Van Onzen („onzen”) Lieven Heer,Dat onze vijand dood moet.”
Zoo wordt de slachting voorbereid.
En na het winnen van een strijd,
Zegt A: „slechts God zij dank gewijd!”
Tijgt vol van vrom’ erkentlijkheid
Ter kerk, in diepen ootmoed;
En knielt, de handen vouwend, neer,
Al preevlend: „God alleen zij d’ eer!
Het is ’t besluit — dat blijkt alweer —
Van Onzen („onzen”) Lieven Heer,
Dat onze vijand dood moet.”
Maar B gevoelt zich martelaar,En zegt: „Die A is een barbaar,Hij zocht den krijg, die huichelaar!”En A weer: „God, het is niet waar,B lastert. ’t Is verfoeilijk!”O, A en B, en B en A!Nu vraag ’k je. Isdatlogica?Kom, laat die race-in-’t-bidden na!Het brengt geen voordeel, ’t brengt geen schâ,Je maakt het God maar moeilijk.
Maar B gevoelt zich martelaar,
En zegt: „Die A is een barbaar,
Hij zocht den krijg, die huichelaar!”
En A weer: „God, het is niet waar,
B lastert. ’t Is verfoeilijk!”
O, A en B, en B en A!
Nu vraag ’k je. Isdatlogica?
Kom, laat die race-in-’t-bidden na!
Het brengt geen voordeel, ’t brengt geen schâ,
Je maakt het God maar moeilijk.
’k Wou, dat je allebei dit onthield:God ziet op d’ aard, waar ’t menschdom krielt,Millioenen A’s ter neer geknield,En evenzooveel B’s, bezieldMet hoop op steun van Boven;En A geeft God zijn eerewoord,Dat hij slechts voor den Vrede moordt,Voor de Beschaving, enzoovoort...Als God van B nu ’t zelfde hoort,Wien moet Hij dan gelooven?
’k Wou, dat je allebei dit onthield:
God ziet op d’ aard, waar ’t menschdom krielt,
Millioenen A’s ter neer geknield,
En evenzooveel B’s, bezield
Met hoop op steun van Boven;
En A geeft God zijn eerewoord,
Dat hij slechts voor den Vrede moordt,
Voor de Beschaving, enzoovoort...
Als God van B nu ’t zelfde hoort,
Wien moet Hij dan gelooven?
Daarom, Partijen, A en B,Spreek ik nu ook een woordje mee,Eenvoudigweg, en recht-door-zee,Ik zeg het tegen alle-twee,Omdat ik zoo neutraal ben;Partijen, A en B dus, hoortNaar mijn neutraal en nuchter woord,Behartigt het en zegt het voort,(’k Hoop niet dat ’tonzenVrede stoort,Pardon, dat ’k zoo brutaal ben!):
Daarom, Partijen, A en B,
Spreek ik nu ook een woordje mee,
Eenvoudigweg, en recht-door-zee,
Ik zeg het tegen alle-twee,
Omdat ik zoo neutraal ben;
Partijen, A en B dus, hoort
Naar mijn neutraal en nuchter woord,
Behartigt het en zegt het voort,
(’k Hoop niet dat ’tonzenVrede stoort,
Pardon, dat ’k zoo brutaal ben!):
Rolt, Republiek en Keizerrijk,Rolt, volkren, u in bloed en slijk,Dat niets voor Hart of Rede wijk’,Wie ’t sterkste is, die heeft gelijk!Dat ’s nu de wet van ’t Leven.Blijft uw beschavingsplicht bewust:Vernietigt Kunst naar hartelust,Kweekt armoe, hongersnood, gerust,’t Geweten maar in slaap gesust!Het schouwspel is verheven;
Rolt, Republiek en Keizerrijk,
Rolt, volkren, u in bloed en slijk,
Dat niets voor Hart of Rede wijk’,
Wie ’t sterkste is, die heeft gelijk!
Dat ’s nu de wet van ’t Leven.
Blijft uw beschavingsplicht bewust:
Vernietigt Kunst naar hartelust,
Kweekt armoe, hongersnood, gerust,
’t Geweten maar in slaap gesust!
Het schouwspel is verheven;
Schiet, steekt en hakt en moordt en brandt,Verminkt, vertrapt, schopt, schendt, ontmant,Zweert „oog om oog, en tand om tand!”En laat, ter eer van ’t Vaderland,Uw krijgsgeschreeuw weerklinken.Verbrijzelt, decimeert, verkracht,Werpt bommen uit den duisteren nacht,Duikt, torpedeert, scheurt, spietst en slacht,Laat weg en weide, grebb’ en grachtVan wond- en lijklucht stinken;
Schiet, steekt en hakt en moordt en brandt,
Verminkt, vertrapt, schopt, schendt, ontmant,
Zweert „oog om oog, en tand om tand!”
En laat, ter eer van ’t Vaderland,
Uw krijgsgeschreeuw weerklinken.
Verbrijzelt, decimeert, verkracht,
Werpt bommen uit den duisteren nacht,
Duikt, torpedeert, scheurt, spietst en slacht,
Laat weg en weide, grebb’ en gracht
Van wond- en lijklucht stinken;
Vergiftigt stroom en beek en wel,Spuit vochten, vlammend forsch en fel,Roept Satan op tot metgezel,Vraagt allen machten uit de HelSteeds nieuwe kwel-methoden;Blaast gassen, vol van vuil venijn,— Het laatste! Prima, extra-fijn! —Dan zult gij wel tevreden zijn:Zóó sterft uw vijand, dol van pijn,Niet één, maar duizend dooden;
Vergiftigt stroom en beek en wel,
Spuit vochten, vlammend forsch en fel,
Roept Satan op tot metgezel,
Vraagt allen machten uit de Hel
Steeds nieuwe kwel-methoden;
Blaast gassen, vol van vuil venijn,
— Het laatste! Prima, extra-fijn! —
Dan zult gij wel tevreden zijn:
Zóó sterft uw vijand, dol van pijn,
Niet één, maar duizend dooden;
Pleegt woordbreuk zonder blik of blos,Verwoest landouwen, beemd en bosch,Verspreidt uw helsche mijnen los,Graaftwolfskuilvoor man en ros,Bindt krijgers aan d’ affuiten;Zet huis en hof in vlammengloed,Noemt razernij en moordlust „moed”,Snuift óp de lijklucht! zwelgt in ’t bloed,Ik vind het allemaal mooi en goed......Maar toe!laat God er buiten!
Pleegt woordbreuk zonder blik of blos,
Verwoest landouwen, beemd en bosch,
Verspreidt uw helsche mijnen los,
Graaftwolfskuilvoor man en ros,
Bindt krijgers aan d’ affuiten;
Zet huis en hof in vlammengloed,
Noemt razernij en moordlust „moed”,
Snuift óp de lijklucht! zwelgt in ’t bloed,
Ik vind het allemaal mooi en goed......
Maar toe!laat God er buiten!
„De indruk, dien ik gekregen heb, is overweldigend. De geestdrift der soldaten, die kracht, die moed, welke zich overal openbaren, is het schoonste dat ik ooit in mijn leven gezien heb, schrijft Sven Hedin.”Tel.„Zij werden dan met de bajonet er uitgekieteld.”Brief in de Vossische Zeitung.„Der Krieg ist im Gegensatz zum Frieden der gröszte Lebenserwecker. — Bestrebungen, die die Abschaffung des Krieges überhaupt zum Zweck haben, sind unsittlich und menschunwürdig.”Bernardi.
„De indruk, dien ik gekregen heb, is overweldigend. De geestdrift der soldaten, die kracht, die moed, welke zich overal openbaren, is het schoonste dat ik ooit in mijn leven gezien heb, schrijft Sven Hedin.”
Tel.
„Zij werden dan met de bajonet er uitgekieteld.”
Brief in de Vossische Zeitung.
„Der Krieg ist im Gegensatz zum Frieden der gröszte Lebenserwecker. — Bestrebungen, die die Abschaffung des Krieges überhaupt zum Zweck haben, sind unsittlich und menschunwürdig.”
Bernardi.